European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/1047

28.5.2025

VERORDENING (EU) 2025/1047 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2025

tot wijziging van Verordening (EU) 2023/1803 wat betreft International Accounting Standard 9 en International Financial Reporting Standard 7

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2023/1803 van de Commissie (2) zijn bepaalde op 8 september 2022 bestaande internationale standaarden voor jaarrekeningen en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 30 mei 2024 heeft de International Accounting Standards Board een aantal wijzigingen in International Accounting Standard 9 Financiële instrumenten (“IFRS 9”) en International Financial Reporting Standard 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing (“IFRS 7”) uitgegeven. Doel van deze wijzigingen was het om een oplossing te bieden voor een aantal van de bevindingen van de Post-Implementation Review (PIR) 2022 van de classificatie- en waarderingsvereisten in IFRS 9 en in te gaan op het verzoek van stakeholders aan het IFRS Interpretations Committee.

(3)

Die wijzigingen verduidelijken de indeling van financiële activa met milieu-, sociale en governance- (“ESG”) en vergelijkbare kenmerken en de afwikkeling van verplichtingen via elektronische betaalsystemen. Ook leggen die wijzigingen eisen op inzake informatieverschaffing die de transparantie voor investeerders moet vergroten ten aanzien van beleggingen in eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (“FVOCI”) en financiële instrumenten met onzekere kenmerken, zoals kenmerken verbonden aan ESG-gekoppelde doelen.

(4)

Die wijzigingen moeten leningen met ESG-gekoppelde kenmerken bevorderen omdat het mogelijk zou moeten zijn om, afhankelijk van het bedrijfsmodel, ofwel geamortiseerde kostprijs ofwel FVOCI toe te passen, op grond van het feit dat zij voldoen aan het criterium “uitsluitend aflossingen en rentebetalingen” (“SPPI”). Op die manier moet de financiële verslaggeving economische transitiemaatregelen ondersteunen die de Europese Green Deal bevorderen.

(5)

Na overleg met de European Financial Reporting Advisory Group (“EFRAG”) concludeert de Commissie dat de wijzigingen in IFRS 9 en IFRS 7 voldoen aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vastgestelde criteria voor goedkeuring. EFRAG heeft ook geconcludeerd dat de baten van deze wijzigingen opwegen tegen de kosten die deze meebrengen.

(6)

Verordening (EU) 2023/1803 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) 2023/1803 wordt als volgt gewijzigd:

1)

International Financial Reporting Standard 9 Financiële instrumenten (“IFRS 9”) wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening;

2)

IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Elke onderneming past de in artikel 1 bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2026 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/1606/oj.

(2)  Verordening (EU) 2023/1803 van de Commissie van 13 september 2023 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 237 van 26.9.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1803/oj).


BIJLAGE

WIJZIGINGEN VAN DE CLASSIFICATIE EN WAARDERING VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

Wijzigingen in IFRS 9 en IFRS 7

Wijzigingen in IFRS 9 Financiële instrumenten

De alinea’s 7.1.12-7.1.13 en 7.2.47-7.2.49 en het kopje vóór 7.2.47 worden toegevoegd.

7.1   INGANGSDATUM

7.1.12

Wijzigingen van de classificatie en waardering van financiële instrumenten, waarmee IFRS 9 en IFRS 7 werden gewijzigd, uitgegeven in mei 2024, heeft de alinea’s 7.2.47-7.2.49, B3.1.2A, B3.3.8-B3.3.10, B4.1.8A, B4.1.10A, B4.1.16A en B4.1.20A toegevoegd. Ook wijzigde het de alinea’s B4.1.10, B4.1.13, B4.1.14, B4.1.16, B4.1.17, B4.1.20, B4.1.21 en B4.1.23. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarlijkse verslagperioden die op of na 1 januari 2026 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan.

7.1.13

Als een entiteit ervoor kiest deze wijzigingen op een eerdere periode toe te passen, moet zij:

(a)

alle wijzigingen tegelijkertijd toepassen en dit feit vermelden, of

(b)

alleen de wijzigingen in de toepassingsleidraad voor afdeling 4.1 van deze standaard (Classificatie van financiële activa) toepassen op die eerdere periode en van dat feit melding maken.

7.2   OVERGANG

Overgang voor Wijzigingen van de classificatie en waardering van financiële instrumenten

7.2.47

Een entiteit moet Wijzigingen van de classificatie en waardering van financiële instrumenten retroactief toepassen in overeenstemming met IAS 8, tenzij anders vermeld in de alinea’s 7.2.48-7.2.49. Voor de toepassing van de vereisten van deze alinea’s is de datum van eerste toepassing de aanvang van de jaarlijkse verslagperiode waarin een entiteit deze wijzigingen voor het eerst toepast.

7.2.48

Een entiteit is niet verplicht om voorgaande perioden aan te passen om rekening te houden met de toepassing van deze wijzigingen. De entiteit mag voorgaande perioden enkel aanpassen indien dat mogelijk is zonder gebruik van kennis achteraf. Indien een entiteit voorgaande perioden niet aanpast, moet zij het effect van de eerste toepassing van deze wijzigingen opnemen als een aanpassing van het beginsaldo van financiële activa en financiële verplichtingen en het eventuele cumulatieve effect daarvan als een aanpassing van het openingssaldo van ingehouden winsten (of een andere component van het eigen vermogen, al naargelang het geval) op de datum van eerste toepassing.

7.2.49

Op de datum van eerste toepassing van de wijzigingen van de toepassingsleidraad voor afdeling 4.1 van deze standaard (Classificatie van financiële activa) vermeldt een entiteit voor elke categorie financiële activa waarvan de waarderingscategorie is gewijzigd als gevolg van de toepassing van deze wijzigingen:

(a)

de waarderingscategorie en boekwaarde bepaald onmiddellijk vóór de toepassing van deze wijzigingen, en

(b)

de waarderingscategorie en boekwaarde bepaald onmiddellijk na de toepassing van deze wijzigingen.

Bijlage B

Toepassingsleidraad

De alinea’s B3.1.2A, B3.3.8-B3.3.10, B4.1.8A, B4.1.10A, B4.1.16A en B4.1.20A en het kopje vóór alinea B3.1.2A worden toegevoegd. De alinea’s B4.1.10, B4.1.13, B4.1.14, B4.1.16, B4.1.17, B4.1.20, B4.1.21 en B4.1.23 worden gewijzigd. De alinea’s B4.1.7A, B4.1.15 en B4.1.22 worden niet gewijzigd, maar gemakshalve opgenomen.

OPNAME EN NIET LANGER OPNEMEN (HOOFDSTUK 3)

Eerste opname (afdeling 3.1)

De datum van eerste opname of niet langer opnemen

B3.1.2A

Tenzij alinea 3.1.2 van toepassing is, neemt een entiteit een financieel actief of een financiële verplichting op op de datum waarop de entiteit partij wordt bij de contractuele bepalingen van het instrument (zie alinea 3.1.1). Een financieel actief wordt niet langer opgenomen op de datum waarop de contractuele rechten op de kasstromen aflopen of het actief wordt overgedragen (zie alinea 3.2.3). Tenzij een entiteit ervoor kiest om alinea B3.3.8 toe te passen, wordt een financiële verplichting niet langer opgenomen op de afwikkelingsdatum, d.w.z. wanneer de in het contract vastgelegde verplichting is afgelost doordat de in het contract opgenomen verplichting is nagekomen of wordt ontbonden, dan wel afloopt (zie alinea 3.3.1) of de verplichting anderszins in aanmerking komt om niet langer te worden opgenomen (zie alinea 3.3.2).

Niet langer opnemen van financiële verplichtingen (afdeling 3.3)

B3.3.8

In weerwil van het vereiste in alinea B3.1.2A om een financiële verplichting niet langer op te nemen op de afwikkelingsdatum, mag een entiteit, wanneer zij een financiële verplichting (of een deel van een financiële verplichting) in geldmiddelen afwikkelt via een elektronisch betaalsysteem, de financiële verplichting (of een deel daarvan) vóór de afwikkelingsdatum als vervuld beschouwen als en alleen als de entiteit een betaalinstructie heeft geïnitieerd die erin resulteerde dat:

(a)

de entiteit in de praktijk niet de mogelijkheid heeft om de betaalinstructie in te trekken, stop te zetten of te annuleren;

(b)

de entiteit in de praktijk niet de mogelijkheid heeft om toegang te krijgen tot de als gevolg van de betaalinstructie voor afwikkeling gebruikte geldmiddelen, en

(c)

het met het elektronische betaalsysteem samenhangende afwikkelingsrisico onbeduidend is.

B3.3.9

Voor de toepassing van alinea B3.3.8(c) is het met een elektronisch betaalsysteem samenhangende afwikkelingsrisico onbeduidend indien de kenmerken ervan dusdanig zijn dat het uitvoeren van de betaalinstructie volgens een standaard administratief proces verloopt en de tijd tussen het vervuld zijn van de criteria in de alinea’s B3.3.8(a) en (b) en de levering van de geldmiddelen aan de tegenpartij kort is. Het afwikkelingsrisico zou evenwel niet onbeduidend zijn indien het uitvoeren van de betaalinstructie afhankelijk is van het vermogen van de entiteit om geldmiddelen op de afwikkelingsdatum te leveren.

B3.3.10

Een entiteit die ervoor kiest om alinea B3.3.8 toe te passen op de afwikkeling van een financiële verplichting (of een deel van een financiële verplichting) via een elektronisch betaalsysteem, past die alinea toe op alle afwikkelingen die via datzelfde elektronische betaalsysteem verlopen.

CLASSIFICATIE (HOOFDSTUK 4)

Classificatie van financiële activa (afdeling 4.1)

Contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen

B4.1.7A

Contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen, zijn consistent met een basisleningsovereenkomst. In het kader van een basisleningsovereenkomst zijn de vergoeding voor de tijdswaarde van geld (zie de alinea’s B4.1.9A-B4.1.9E) en de vergoeding voor het kredietrisico gewoonlijk de voornaamste elementen van de rente. In het kader van een dergelijke overeenkomst kan de rente echter ook een vergoeding omvatten voor andere met kredietverlening samenhangende basisrisico’s (bv. liquiditeitsrisico) en basiskosten (bv. administratieve kosten) die samenhangen met het aanhouden van een financieel actief over een bepaalde periode. Daarnaast kan de rente een winstmarge omvatten die consistent is met een basisleningsovereenkomst. In extreme economische omstandigheden kan de rente negatief zijn indien de houder van een financieel actief bijvoorbeeld expliciet of impliciet betaalt voor het deponeren van zijn geld tijdens een bepaalde periode (en die provisie hoger is dan de vergoeding die de houder ontvangt voor de tijdswaarde van geld, het kredietrisico en andere met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten). Contractvoorwaarden die voorzien in de introductie in de contractuele kasstromen van een blootstelling aan risico’s of volatiliteit die niet met een basisleningsovereenkomst verband houdt — zoals een blootstelling aan veranderingen in aandelenkoersen of commodityprijzen —, geven echter geen aanleiding tot contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Een gecreëerd of verworven financieel actief kan een basisleningsovereenkomst zijn, ongeacht of het de juridische vorm van een lening heeft.

B4.1.8A

Bij het beoordelen van de vraag of de contractuele kasstromen van een financieel actief consistent zijn met een basisleningsovereenkomst, moet een entiteit mogelijk de verschillende elementen van rente afzonderlijk beschouwen. Bij het beoordelen van rente ligt de klemtoon op de vraag waarvoor een entiteit wordt vergoed — niet op de vraag hoeveel vergoeding een entiteit ontvangt. Niettemin kan het bedrag van de vergoeding die een entiteit ontvangt, een aanwijzing zijn dat de entiteit wordt vergoed voor iets anders dan met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten. Contractuele kasstromen zijn inconsistent met een basisleningsovereenkomst indien deze geïndexeerd zijn op variabelen die geen met kredietverlening samenhangende basisrisico’s of kosten zijn (bv. de waarde van eigenvermogensinstrumenten of de prijs van een commodity) of indien deze een deel van de opbrengsten of winst van de debiteur vertegenwoordigen, zelfs indien dergelijke contractvoorwaarden gebruikelijk zijn op de markt waarop de entiteit actief is.

Contractvoorwaarden die het tijdstip of het bedrag van contractuele kasstromen wijzigen

B4.1.10

Indien een financieel actief een contractvoorwaarde bevat die het tijdstip of het bedrag van contractuele kasstromen kan wijzigen (indien bijvoorbeeld het actief vóór het einde van de looptijd kan worden betaald of indien de looptijd ervan kan worden verlengd), moet de entiteit uitmaken of de contractuele kasstromen die als gevolg van die contractvoorwaarde over de looptijd van het instrument kunnen worden gegenereerd, uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Om dat te kunnen uitmaken, moet de entiteit de contractuele kasstromen beoordelen die zowel vóór als na de verandering in de contractuele kasstromen kunnen worden gegenereerd, ongeacht de kans dat de verandering in contractuele kasstromen zich voordoet. De entiteit kan ook de aard moeten beoordelen van enigerlei onvoorziene gebeurtenis (contingent event) (d.w.z. de aanleiding) die het tijdstip of het bedrag van de contractuele kasstromen zou wijzigen. Hoewel de aard van de onvoorziene gebeurtenis op zich geen bepalende factor is bij het beoordelen van de vraag of de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen, kan dit een indicator zijn. Vergelijk bijvoorbeeld een financieel instrument met een rente die wordt verhoogd indien de debiteur een specifiek aantal betalingen heeft gemist, met een financieel instrument met een rente die wordt verhoogd indien een specifieke aandelenindex een bepaald niveau bereikt. In het eerste geval is het waarschijnlijker dat de contractuele kasstromen over de looptijd van het instrument uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen wegens de relatie tussen gemiste betalingen en een toename van het kredietrisico. In het eerste geval hangt de aard van de onvoorziene gebeurtenis rechtstreeks samen met, en veranderen de contractuele kasstromen in dezelfde richting als, veranderingen in met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten. (Zie ook alinea B4.1.18.)

B4.1.10A

In sommige gevallen genereert een onzeker kenmerk contractuele kasstromen die zowel vóór als na de verandering in de contractuele kasstromen consistent zijn met een basisleningsovereenkomst, maar hangt de aard van de onvoorziene gebeurtenis zelf niet rechtstreeks samen met veranderingen in met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten. De rentevoet voor een lening wordt bijvoorbeeld met een bepaald bedrag aangepast indien de debiteur een contractueel vastgelegde reductie van koolstofemissies behaalt. In dat geval heeft, wanneer alinea B4.1.10 wordt toegepast, het financiële actief contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen, als en alleen als in alle contractueel mogelijke scenario’s de contractuele kasstromen niet significant verschillen van de contractuele kasstromen van een financieel instrument met identieke contractvoorwaarden, maar zonder dit soort onzeker kenmerk. In sommige omstandigheden kan de entiteit in staat zijn dit uit te maken door een kwalitatieve beoordeling uit te voeren, terwijl het in andere omstandigheden noodzakelijk kan blijken een kwantitatieve beoordeling uit te voeren. Indien het na weinig of geen analyse duidelijk is dat de contractuele kasstromen niet significant verschillen, hoeft een entiteit geen gedetailleerde beoordeling uit te voeren.

B4.1.13

De volgende voorbeelden vormen een illustratie van contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief.

Instrument

Analyse

Instrument EA

Instrument EA is een lening met een rentevoet die elke verslagperiode met een vast aantal basispunten wordt aangepast indien de debiteur tijdens de voorafgaande verslagperiode een contractueel vastgelegde reductie van koolstofemissies behaalt.

De maximaal mogelijke cumulatieve aanpassingen zouden de rentevoet van de lening niet significant veranderen.

De contractuele kasstromen betreffen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag.

De entiteit gaat na of de contractuele kasstromen die zowel vóór als na elke verandering in de contractuele kasstromen kunnen worden gegenereerd, uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen (zie alinea B4.1.10).

Indien de onzekere gebeurtenis van het behalen van het koolstofemissiedoel zich voordoet, wordt de rentevoet met een vast aantal basispunten aangepast, hetgeen resulteert in contractuele kasstromen die consistent zijn met een basisleningsovereenkomst. Alleen omdat de aard van de onvoorziene gebeurtenis op zich niet rechtstreeks met veranderingen in met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten samenhangt, kan de entiteit niet — zonder verdere beoordeling — concluderen of de kasstromen van het financiële actief uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen.

Daarom gaat de entiteit na of, in alle contractueel mogelijke scenario’s, de contractuele kasstromen niet significant zouden verschillen van de contractuele kasstromen van een financieel instrument met identieke contractvoorwaarden, maar zonder het aan koolstofemissies gekoppelde onvoorziene kenmerk (zie alinea B4.1.10A).

Omdat aanpassingen gedurende de looptijd van het instrument niet zouden resulteren in contractuele kasstromen die significant verschillen, concludeert de entiteit dat de lening contractuele kasstromen heeft die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

B4.1.14

De volgende voorbeelden vormen een illustratie van contractuele kasstromen die niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief.

Instrument

Analyse

Instrument I

Instrument I is een lening met een rentevoet die elke verslagperiode wordt aangepast om de bewegingen in een door de markt bepaalde koolstofprijsindex tijdens de voorafgaande verslagperiode te volgen.

De contractuele kasstromen betreffen niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag.

De contractuele kasstromen zijn geïndexeerd op een variabele (de koolstofprijsindex) die niet behoort tot met kredietverlening samenhangende basisrisico’s of -kosten. De contractuele kasstromen zijn dus inconsistent met een basisleningsovereenkomst (zie alinea B4.1.8A).

B4.1.15

In sommige gevallen kan een financieel actief contractuele kasstromen hebben die als aflossingen en rentebetalingen worden beschreven, maar die niet de aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen zoals omschreven in de alinea’s 4.1.2(b), 4.1.2A(b) en 4.1.3 van deze standaard.

B4.1.16

Dat kan het geval zijn indien het financiële actief een belegging in specifieke activa of kasstromen vertegenwoordigt en de contractuele kasstromen dus niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Indien in de contractvoorwaarden bijvoorbeeld is bepaald dat de kasstromen van het financiële actief toenemen naarmate meer auto’s van een bepaalde tolweg gebruikmaken, zijn die contractuele kasstromen inconsistent met een basisleningsovereenkomst. Dat heeft tot gevolg dat het instrument niet zou voldoen aan de voorwaarde in de alinea’s 4.1.2(b) en 4.1.2A(b).

B4.1.16A

De in alinea B4.1.15 beschreven situatie kan zich ook voordoen indien een financiële actief “non-recourse”-kenmerken heeft. Een financieel actief heeft non-recourse-kenmerken indien het uiteindelijke recht van een entiteit om kasstromen te ontvangen, contractueel beperkt is tot door welomschreven activa gegenereerde activa. Met andere woorden, de entiteit is hoofdzakelijk blootgesteld aan het prestatierisico van welomschreven activa — en niet aan het kredietrisico van de debiteur. Het ultieme recht van een crediteur om kasstromen te ontvangen, kan bijvoorbeeld contractueel beperkt zijn tot de kasstromen die door welomschreven activa van een gestructureerde entiteit worden gegenereerd.

B4.1.17

Het feit dat een financieel actief non-recourse-kenmerken heeft, belet op zich echter niet noodzakelijkerwijze dat het financiële actief aan de voorwaarde in de alinea’s 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) voldoet. In dergelijke situaties moet de crediteur de koppeling tussen de specifieke onderliggende activa of kasstromen en de contractuele kasstromen van het te classificeren financiële actief beoordelen (“doorkijkbenadering”), om uit te maken of die contractuele kasstromen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag zijn. Een entiteit moet ook nagaan hoe deze koppeling door andere contractuele overeenkomsten wordt beïnvloed, zoals door de debiteur uitgegeven achtergestelde schuld of eigenvermogensinstrumenten. Indien de voorwaarden van het financiële actief aanleiding geven tot andere kasstromen of de kasstromen beperken op een wijze die inconsistent is met betalingen die aflossingen en rentebetalingen vertegenwoordigen, voldoet het financiële actief niet aan de voorwaarde in de alinea’s 4.1.2(b) en 4.1.2A(b). Of de onderliggende activa financiële of niet-financiële activa zijn, is op zich niet van invloed op deze beoordeling.

Contractueel gekoppelde instrumenten

B4.1.20

Bij sommige soorten transacties met non-recourse-kenmerken kan een emittent prioriteit geven aan betalingen aan de houders van financiële activa waarbij wordt gebruikgemaakt van meerdere contractueel gekoppelde instrumenten (tranches). Elke tranche heeft een rangorde die bepalend is voor de volgorde waarin door de emittent gegenereerde kasstromen uit de onderliggende pool van financiële instrumenten worden toegewezen aan de desbetreffende tranche. Het prioriteren van betalingen aan de houders van deze tranches verloopt via een “waterfall payment”-structuur die tot concentraties van kredietrisico aanleiding geeft en resulteert in een onevenredige toerekening van kasstroomtekorten uit de onderliggende pool tussen de tranches. In dergelijke situaties hebben de houders van een tranche alleen recht op aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag indien de emittent voldoende kasstromen genereert om de betalingen van tranches met een hogere rangorde te voldoen. Bij dit soort transacties passen de houders van een tranche de alinea’s B4.1.21-B4.1.26 toe in plaats van alinea B4.1.17.

B4.1.20A

Sommige transacties die meerdere schuldinstrumenten kunnen bevatten en de in alinea B4.1.20 beschreven kenmerken lijken te hebben, zijn in feite leningsovereenkomsten die gestructureerd zijn om verbeterde kredietbescherming te bieden aan een crediteur (of een groep van crediteuren). Een gestructureerde entiteit kan bijvoorbeeld zijn opgezet om de onderliggende activa te houden die de kasstromen genereren om de crediteur terug te betalen. De gestructureerde entiteit geeft senior en junior schuldinstrumenten uit. De crediteur houdt het senior schuldinstrument en de sponsorende entiteit van de gestructureerde entiteit die het junior schuldinstrument houdt, heeft in de praktijk geen mogelijkheid om het junior instrument te verkopen zonder dat het senior schuldinstrument betaalbaar wordt. De houders van dergelijke schuldinstrumenten passen de alinea’s B4.1.7-B4.1.19 toe in plaats van de alinea’s B4.1.21-B4.1.26.

B4.1.21

Bij transacties die contractueel gekoppelde instrumenten bevatten, zoals beschreven in alinea B4.1.20, heeft een tranche alleen eigenschappen van kasstromen die aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen, indien:

(a)

B4.1.22

Een entiteit moet de doorkijkbenadering toepassen totdat zij de onderliggende pool kan identificeren van de instrumenten die de kasstromen genereren (en niet louter doorgeven). Dit is de onderliggende pool van financiële instrumenten.

B4.1.23

De onderliggende pool moet uit een of meer instrumenten bestaan met contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Ten behoeve van deze beoordeling kan de onderliggende pool financiële instrumenten bevatten die niet binnen het toepassingsgebied van de classificatievereisten vallen (zie afdeling 4.1), maar die contractuele kasstromen hebben die gelijkwaardig zijn aan uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag (bv. sommige leasevorderingen). Leasevorderingen die onderhevig zijn aan restwaarderisico of die variabele leasebetalingen omvatten die zijn geïndexeerd op variabelen die geen met kredietverlening samenhangende basisrisico’s of -kosten zijn (bv. een marktconforme leaseprijs), hebben echter geen contractuele kasstromen die gelijkwaardig zijn aan uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag.

Wijzigingen in IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing

De alinea’s 20B, 20C, 20D, 44LL en 44MM worden toegevoegd. De alinea’s 11A en 11B worden gewijzigd.

BELANG VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN VOOR DE FINANCIËLE POSITIE EN PRESTATIES

Overzicht van de financiële positie

Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat

11A

Indien een entiteit beleggingen in eigenvermogensinstrumenten heeft aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, zoals toegestaan op grond van alinea 5.7.5 van IFRS 9, moet zij voor elke beleggingscategorie de volgende informatie verschaffen:

(a)

(b)

(c)

de reële waarde aan het einde van de verslagperiode;

(d)

(e)

(f)

de reële waarde van winst of verlies met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, met afzonderlijke vermelding van de reële waarde van winst of verlies voor tijdens de verslagperiode niet langer opgenomen beleggingen en de reële waarde van winst of verlies voor aan het einde van de verslagperiode aangehouden beleggingen.

11B

Indien een entiteit tijdens de verslagperiode beleggingen in eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat niet langer heeft opgenomen, moet zij de volgende informatie verschaffen:

(a)

(b)

(c)

(d)

alle overboekingen van de cumulatieve winst of het cumulatieve verlies binnen het eigen vermogen tijdens de verslagperiode met betrekking tot de tijdens die verslagperiode niet langer opgenomen beleggingen.

Overzicht van het totaalresultaat

Baten, lasten, winsten en verliezen

20B

Een entiteit moet de op grond van alinea 20C vereiste informatie verschaffen per categorie financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat en per categorie van financiële verplichtingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs. De entiteit gaat na hoe gedetailleerd de verschafte informatie moet zijn, welk niveau van aggregatie of desaggregatie passend is, en of gebruikers van jaarrekeningen extra toelichting nodig hebben om gepubliceerde kwantitatieve informatie te evalueren.

20C

Om gebruikers van jaarrekeningen inzicht te verschaffen in het effect van contractuele voorwaarden die het bedrag aan contractuele kasstromen kunnen veranderen op basis van het voorkomen (of niet voorkomen) van een onzekere gebeurtenis die niet rechtstreeks met veranderingen in met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten samenhangt (zoals de tijdswaarde van geld of kredietrisico), verschaft een entiteit:

(a)

een kwalitatieve beschrijving van de aard van de onzekere gebeurtenis;

(b)

kwalitatieve informatie over de mogelijke veranderingen in contractuele kasstromen die kunnen voortvloeien uit die contractuele voorwaarden (bv. de bandbreedte aan mogelijke veranderingen), en

(c)

de brutoboekwaarde van financiële activa en de geamortiseerde kostprijs van financiële verplichtingen die aan die contractvoorwaarden onderhevig zijn.

20D

Een entiteit moet bijvoorbeeld de voor alinea 20C vereiste informatie verschaffen voor een categorie van tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële verplichtingen waarvan contractuele kasstromen veranderen indien de entiteit een reductie van haar koolstofemissies behaalt.

INGANGSDATUM EN OVERGANG

44LL

Wijzigingen van de classificatie en waardering van financiële instrumenten, uitgegeven in mei 2024, heeft de alinea’s 20B, 20C en 20D toegevoegd en de alinea’s 11A en 11B gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen wanneer zij de wijzigingen in IFRS 9 toepassen overeenkomstig de alinea’s 7.1.12-7.1.13 van IFRS 9. Indien een entiteit ervoor kiest om alleen de wijzigingen van de toepassingsleidraad voor afdeling 4.1 van IFRS 9 (Classificatie van financiële activa) voor een eerdere periode toe te passen overeenkomstig alinea 7.1.13(b) van IFRS 9, moet zij tegelijkertijd ook de alinea’s 20B, 20C en 20D van deze standaard toepassen. In beide gevallen hoeft de entiteit de overeenkomstig deze wijzigingen vereiste informatie niet te verstrekken voor elke gepresenteerde periode die aanvangt vóór de datum waarop de wijzigingen voor het eerst worden toegepast.

44MM

In de verslagperiode waarin een entiteit Wijzigingen van de classificatie en waardering van financiële instrumenten voor de eerste maal toepast, is zij niet verplicht de informatie te verschaffen die anders vereist zou zijn op grond van alinea 28(f) van IAS 8.

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1047/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)