|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/835 |
6.5.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/835 VAN DE COMMISSIE
van 5 mei 2025
tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 18,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie (2) heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een compenserend recht ingesteld op de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (“de oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat tot de oorspronkelijke maatregelen heeft geleid, wordt hierna aangeduid als het “oorspronkelijke onderzoek”. |
|
(2) |
De momenteel geldende compenserende rechten bedragen 25 % tot 33,4 % voor invoer van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, 28,2 % voor de niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen en 33,4 % voor alle andere ondernemingen in Argentinië. In februari 2019 heeft de Commissie bovendien door de Argentijnse exporteurs aangeboden verbintenissen aanvaard (3), bestaande uit jaarlijkse rechtenvrije quota voor biodiesel tegen een minimumprijs op basis van de officiële Argentijnse prijs van sojaolie, vermeerderd met de productie- en vrachtkosten. |
|
(3) |
Op de invoer van biodiesel zijn momenteel antidumpingmaatregelen van toepassing wanneer deze van oorsprong is uit de Volksrepubliek China (“de VRC”) (4) of de Verenigde Staten van Amerika (“de VS”) (5), alsook compenserende maatregelen wanneer de biodiesel van oorsprong is uit Indonesië (6) of de VS (7). |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen
|
(4) |
Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden vervallen (8), heeft de Europese Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening ontvangen. |
|
(5) |
Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 10 november 2023 ingediend door de European Biodiesel Board (“de indiener van het verzoek” of “EBB”) namens de bedrijfstak van de Unie voor biodiesel in de zin van artikel 10, lid 6, van de basisverordening. De reden voor dit verzoek om een nieuw onderzoek was dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van subsidiëring en herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(6) |
Vóór de opening van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft de Commissie de Argentijnse overheid (9) ervan in kennis gesteld dat zij een door het nodige bewijsmateriaal gestaafd verzoek had ontvangen, en heeft zij de Argentijnse overheid voor overleg uitgenodigd overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening. Op 5 februari 2024 vond het overleg plaats. Er kon echter geen overeenstemming met de Argentijnse overheid worden bereikt. Gezien artikel 18, lid 2, van de basisverordening stelde de Commissie een memorandum op over de toereikendheid van het bewijsmateriaal, met haar beoordeling van alle bewijzen waarover zij beschikt en op basis waarvan zij dit onderzoek had geopend. De belanghebbenden vinden dat memorandum in het dossier. De bij die gelegenheid door de Argentijnse overheid gemaakte opmerkingen werden samengevat en in het memorandum aan de orde gesteld. |
|
(7) |
Daar de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité (10), tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijs was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 9 februari 2024 een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (“het betrokken land”) op grond van artikel 18 van de basisverordening. Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (11) (“het bericht van opening”). |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(8) |
Het onderzoek naar de voortzetting van subsidiëring had betrekking op de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023 (“het tijdvak van het nieuwe onderzoek”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(9) |
In het bericht van opening heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten in Argentinië alsmede de Argentijnse autoriteiten, de haar bekende betrokken importeurs, leveranciers, gebruikers en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(10) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
1.6. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(11) |
In een schrijven van 15 maart 2024 betwistte de Argentijnse kamer van biobrandstoffen (“CARBIO”) de opening van het onderzoek op grond van het feit dat in de schadeanalyse in het verzoek geen rekening was gehouden met andere relevante factoren die tot schade zouden kunnen leiden. CARBIO voerde voorts aan dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd wat betreft de aanname dat de invoer van biodiesel uit Argentinië bij het vervallen van de compenserende maatregelen in omvang zou toenemen en schade zou toebrengen aan de bedrijfstak van de Unie. |
|
(12) |
De Commissie was van oordeel dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte om vast te stellen dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot de voortzetting van subsidiëring en herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat het verzoek enkele lacunes vertoont of dat er sprake is van elementen waar de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs niet de beschikking over heeft, doet dit niet af aan de algemene conclusie dat er sprake was van voldoende bewijsmateriaal dat verder onderzoek rechtvaardigde. Daarnaast gelden er voor de opening en de andere fasen van het onderzoek verschillende bewijsnormen. De Commissie wees de argumenten van CARBIO af. |
|
(13) |
In hun opmerkingen over de opening van het onderzoek voerden CARBIO en de Argentijnse overheid aan dat er sinds het oorspronkelijke onderzoek relevante wetswijzigingen hadden plaatsgevonden, met name met betrekking tot de belastingvrijstellingen in de provincie Santa Fe en het leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt. Daarnaast voerden zij aan dat in de loop van het onderzoek andere wetswijzigingen werden verwacht. |
|
(14) |
De Commissie heeft met deze informatie rekening gehouden bij de analyse van de betrokken subsidieregelingen in de overwegingen 35 tot en met 51 en 271 tot en met 283, en bij de analyse van de waarschijnlijkheid in de overwegingen 323 tot en met 330. |
1.7. Samenstelling van de steekproef
|
(15) |
In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening. |
1.7.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(16) |
In het bericht van opening kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie had de steekproef samengesteld op basis van de representativiteit van het productie- en verkoopvolume van het soortgelijke product in de Unie tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023. Ook werd rekening gehouden met de in de steekproef opgenomen productmix. Deze steekproef bestond uit vier producenten in de Unie. In het licht van de informatie die in de openingsfase beschikbaar was, vertegenwoordigden de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ongeveer 15 % van het geschatte totale productievolume van het soortgelijke product in de Unie, en 24 % van de verkoop in de Unie door de producenten die op het onderzoek hadden gereageerd. Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken over de voorlopige steekproef. Geen enkele belanghebbende heeft opmerkingen ingediend. De steekproef van producenten in de Unie werd representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.7.2. Steekproef van importeurs
|
(17) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(18) |
Eén niet-verbonden importeur heeft de gevraagde informatie geleverd en heeft ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
1.7.3. Steekproef van producenten-exporteurs in Argentinië
|
(19) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten in Argentinië verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de vertegenwoordiging van Argentinië verzocht eventuele andere producenten die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd zouden kunnen zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(20) |
Zeven producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef samengesteld van drie producenten-exporteurs die behoren tot twee groepen van ondernemingen; bij het samenstellen van de steekproef is de Commissie uitgegaan van het grootste representatieve volume van de uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. De in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs vertegenwoordigden 68 % van de in Eurostat gerapporteerde totale invoer in de Unie uit Argentinië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. |
1.8. Antwoorden op de vragenlijst en verificatie
|
(21) |
De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de Argentijnse overheid, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, een niet-verbonden importeur en de indiener van het verzoek. Deze vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek online (12) beschikbaar gesteld, met uitzondering van die welke bestemd waren voor de Argentijnse overheid en de indiener van het verzoek; deze werden beschikbaar gesteld in het dossier voor inzage door belanghebbenden. |
|
(22) |
Er zijn antwoorden op de vragenlijsten ontvangen van de Argentijnse overheid, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, een niet-verbonden importeur en de indiener van het verzoek. |
|
(23) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij nodig achtte voor het vaststellen van de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring en schade en voor het vaststellen van het belang van de Unie, verzameld en gecontroleerd. |
|
(24) |
Op grond van artikel 26 van de basisverordening werden controles ter plaatse uitgevoerd in de kantoren van de Argentijnse overheid en van de volgende ondernemingen:
|
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(25) |
Het onderzochte product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek, te weten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels (“het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 33), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 33), ex 1518 00 95 (Taric-code 1518 00 95 21), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 91 33), ex 2710 19 42 (Taric-codes 2710 19 42 21 en 2710 19 42 29), ex 2710 19 44 (Taric-codes 2710 19 44 21, 2710 19 44 29 en 2710 19 44 33), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 33), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 33), 2710 20 11 , 2710 20 16 , ex 3824 99 92 (Taric-codes 3824 99 92 10, 3824 99 92 14 en 3824 99 92 17), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 33) (13). |
|
(26) |
Het onderzochte product kan worden geproduceerd via verschillende processen, zoals de omestering van oliën en vetten, een Fischer-Tropsch-synthese of de hydrobehandeling van hernieuwbare grondstoffen. Het product is een hernieuwbare brandstof die wordt geproduceerd uit een breed scala aan grondstoffen, waaronder plantaardige oliën zoals raapzaadolie, sojaolie of palmolie, gebruikte bak- en braadolie, dierlijke vetten of biomassa. |
|
(27) |
Uit het onderzoek is gebleken dat het bij de in Argentinië geproduceerde biodiesel uitsluitend gaat om “sojamethylester” (“SME”) gemaakt uit sojaolie, en dat het bij de in de Unie geproduceerde biodiesel voornamelijk gaat om “koolzaadmethylester” (“KME”). SME en KME behoren beide tot de categorie methylesters van vetzuren (“MEVZ”). |
|
(28) |
Biodiesel wordt doorgaans gebruikt in de vervoerssector, voornamelijk gemengd met fossiele diesel, maar ook in zuivere vorm. |
2.2. Betrokken product
|
(29) |
Het betrokken product in dit onderzoek is het onderzochte product van oorsprong uit Argentinië. |
2.3. Soortgelijk product
|
(30) |
Dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft bevestigd wat was vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(31) |
Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(32) |
Over dit punt zijn geen opmerkingen ontvangen. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN SUBSIDIËRING
|
(33) |
Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, en zoals vermeld in het bericht van opening, heeft de Commissie onderzocht of voortzetting van subsidiëring waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen. |
3.1. Subsidies en subsidieprogramma’s die door het onderzoek worden bestreken
|
(34) |
Op basis van de informatie in het verzoek om een nieuw onderzoek en van de informatie die is verstrekt door de Argentijnse overheid en de meewerkende producenten-exporteurs, werd een onderzoek ingesteld naar de hieronder genoemde regelingen in het kader waarvan subsidies zouden worden verstrekt:
|
3.2. Achtergrond van het preferentiële beleid van de Argentijnse overheid voor de bedrijfstak voor biodiesel in het tijdvak van het nieuwe onderzoek
|
(35) |
Sinds het oorspronkelijke onderzoek heeft het preferentiële beleid van de Argentijnse overheid met betrekking tot de bedrijfstak voor biodiesel zich zoals hierna uiteengezet ontwikkeld. |
|
(36) |
Hoewel de ontwikkelingen inzake de wetgeving met betrekking tot elke subsidieregeling in de respectieve onderdelen nader worden geanalyseerd, is wet nr. 26093 betreffende het regelgevingskader voor biobrandstoffen, vastgesteld in 2006 en geanalyseerd in het oorspronkelijke onderzoek (“de biobrandstoffenwet van 2006”), in mei 2021 komen te vervallen (14). Deze wet werd derhalve in 2021 vervangen door wet nr. 27640 (“de biobrandstoffenwet van 2021”), die gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht was (15). |
|
(37) |
De biobrandstoffenwet van 2021 voorzag in een mandaat voor de levering van biodiesel aan de binnenlandse markt waarbij maandelijkse biodieselquota werden toegewezen aan niet-verticaal geïntegreerde binnenlandse biodieselproducenten voor levering aan binnenlandse mengbedrijven tegen door de overheid vastgestelde prijzen. |
|
(38) |
Daartoe heeft de biobrandstoffenwet van 2021 het secretariaat voor Energie als handhavingsautoriteit belast met onder meer de volgende taken: “Het reguleren, beheren en controleren van de productie, het in de handel brengen en het duurzaam gebruik van biobrandstoffen”, “het uitvoeren van audits en inspecties in ondernemingen en installaties voor de productie, de opslag en/of het mengen van biobrandstoffen”, “het toepassen van de sancties waarin is voorzien” bij de biobrandstoffenwet van 2021, “het garanderen van de beschikbaarheid van de noodzakelijke inputs voor de voorbereiding van biobrandstoffen met het oog op de bijmengverplichting, ruimte bieden voor het organiseren en inrichten van de mechanismen hiervan volgens de normale en gebruikelijke marktomstandigheden en zonder enige verstoring, en in voorkomend geval de vaststelling van de minimumuitvoerprijs van dergelijke inputs, verminderd met de respectieve kosten”, “het bepalen van de toewijzingen van biobrandstoffen met het oog op de bijmengverplichting” en “het bepalen van [...] de prijzen waartegen de commerciële exploitatie van biobrandstoffen die bestemd zijn voor de verplichte menging met fossiele brandstoffen [...], moet worden uitgevoerd” (16). |
|
(39) |
Op grond van de biobrandstoffenwet van 2021 moet de biodiesel die onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt valt een plaatselijke toegevoegde waarde hebben, in de zin dat de biodiesel moet worden “geproduceerd in installaties in de Argentijnse Republiek, met gebruikmaking van op de binnenlandse markt geproduceerde grondstoffen” (17). Tijdens de controle ter plaatse heeft de Argentijnse overheid bevestigd dat de sojaolie die wordt gebruikt voor de productie van biodiesel die onder het mandaat valt, van Argentijnse oorsprong moest zijn. Dit betekende dat de biodiesel die werd gebruikt om aan de bijmengverplichting te voldoen, in Argentijnse installaties moest worden geproduceerd met gebruikmaking van op de binnenlandse markt geproduceerde grondstoffen (18). |
|
(40) |
In de biobrandstoffenwet van 2021 is het volgende bepaald: “De levering van de maandelijkse hoeveelheden biodiesel [...] wordt verricht door de ondernemingen die deze biobrandstof vervaardigen en die — direct dan wel indirect via hun ondernemingen die zeggenschap uitoefenen en/of onder hun zeggenschap staan — geen activiteiten verrichten die verband houden met de uitvoer van biodiesel en/of de belangrijkste inputs ervan” (19). Bijgevolg vielen alleen niet-exporterende, niet-verticaal geïntegreerde ondernemingen onder het leveringsmandaat voor biodiesel, en konden grote ondernemingen die biodiesel uitvoerden hun product niet leveren in het kader van de bijmengverplichting. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs LDC Argentina S.A., Molinos Agro S.A. (“Molinos Agro”) en Viterra Argentina S.A. (“Viterra Argentina”) vielen niet onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt. Naast de productie en uitvoer van biodiesel hielden deze bedrijven zich overigens ook bezig met de vermaling van sojabonen tot sojaolie, die zij onder meer verkochten aan binnenlandse biodieselproducenten die onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vielen, om vervolgens voor de productie van biodiesel te worden gebruikt. Naast de producenten-exporteurs Molinos en Viterra Argentina omvatte de Renova-Group echter ook ondernemingen die biodiesel voor de binnenlandse markt produceerden en/of biodiesel produceerden in het kader van uitbestedingsovereenkomsten voor producenten-exporteurs die de biodiesel vervolgens uitvoerden. Deze ondernemingen vielen onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt. |
|
(41) |
Omgekeerd volgt uit het bovenstaande dat biodieselproducenten die onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vallen, wettelijk gezien geen biodiesel mogen uitvoeren, waarmee de Argentijnse overheid een scheiding heeft aangebracht tussen de binnenlandse markt, de uitvoermarkt en de respectieve marktdeelnemers. |
|
(42) |
Daarnaast worden “voor de hierboven beschreven leveringen [alleen] ondernemingen in aanmerking genomen die ten tijde van de bekrachtiging van deze wet voldoen aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden en die door de handhavingsautoriteit uit hoofde van wet nr. 26.093 zijn goedgekeurd voor de levering van biodiesel in het kader van de bijmengverplichting […]” (20). Dit hield in dat alleen ondernemingen die actieve leveranciers waren onder het vorige mandaat op grond van de biobrandstoffenwet van 2006, leveranciers konden worden op grond van de nieuwe wet. |
|
(43) |
In het kader van het leveringsmandaat voor biodiesel op grond van de biobrandstoffenwet van 2006 bedroeg het verplichte bijmengpercentage van biodiesel in het brandstofmengsel aanvankelijk 10 %. Dit percentage werd bij de biobrandstoffenwet van 2021 verlaagd en vastgesteld op 5 % (21). Op grond van de biobrandstoffenwet van 2021 kon het secretariaat voor Energie het bijmengpercentage zelfs nog verder verlagen tot 3 % wanneer het van mening was dat de economische omstandigheden een verlaging van de brandstofprijzen vereisten, meer in het bijzonder “wanneer de stijging van de prijzen van basisinputs voor de productie van biodiesel de prijs van fossiele brandstoffen aan de pomp zou kunnen verstoren” (22). In juni 2022 werd het verplichte bijmengpercentage bij Resolutie 438/2022 echter verhoogd tot 7,5 % (23). |
|
(44) |
Gedurende een periode van vier maanden van medio juni 2022 tot medio oktober 2022, oftewel net aan het begin van het tijdvak van het nieuwe onderzoek, heeft de Argentijnse overheid bij Decreet nr. 330/2022 en Resolutie 638/2022 het leveringsmandaat voor biodiesel echter tijdelijk met 5 % verhoogd tot 12,5 % vanwege een tekort aan diesel op de markt (24). Bij wijze van uitzondering werd dit verhoogde percentage niet alleen gerealiseerd door ondernemingen die normaal gesproken onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vallen, maar ook door exporteurs van biodiesel (25). Een van deze ondernemingen was Molinos Agro. De Argentijnse overheid gaf aan dat de prijs van deze aanvullende levering van biodiesel vrij te bepalen was, maar bij Decreet nr. 330/2022 werd bepaald dat ook de prijs voor dit tijdelijk verhoogde mandaat werd gereguleerd in de vorm van een maximumprijs (26). |
|
(45) |
Derhalve bedroeg het verplichte bijmengpercentage tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek 12,5 % gedurende een halve maand en 7,5 % gedurende de rest van de periode. |
|
(46) |
Tijdens de controle ter plaatse lichtte de Argentijnse overheid toe dat er in Argentinië ook een kleine binnenlandse markt voor biodiesel bestaat die niet onder de bijmengverplichting valt. Aan deze markt kunnen ook exporteurs van biodiesel en verticaal geïntegreerde biodieselproducenten deelnemen. Deze markt die niet onder de bijmengverplichting valt, vertegenwoordigt slechts 1,5-2 % van de gehele binnenlandse markt voor biodiesel. |
|
(47) |
Bovendien werd Argentinië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, met name tussen december 2022 en juli 2023, getroffen door ernstige droogte, met negatieve gevolgen voor de productie van sojabonen en andere gewassen. Dit is duidelijk te zien in grafiek 1, waarin een aanzienlijke daling is weergegeven in de productie van sojabonen, mais en tarwe gedurende die periode (overweging 125). Niettemin bleef de productiecapaciteit ook tijdens die droogte stabiel en steeg de productie na de droogte, zoals weergegeven in grafiek 1. De Commissie beschouwde de droogte derhalve als een tijdelijk verschijnsel. |
|
(48) |
Hoewel de productie van sojabonen in Argentinië over het algemeen aan de vraag voldoet, zijn de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in 2023 als gevolg hiervan overgegaan tot de invoer van sojabonen uit buurlanden die minder hard door de droogte waren getroffen: Paraguay, noordelijke regio’s van Brazilië en Bolivia. Dit werd ook bevestigd door openbaar beschikbare informatie (27). |
|
(49) |
Deze sojabonen werden ingevoerd in het kader van de tijdelijke invoerregeling, die ook van toepassing was in het oorspronkelijke onderzoek. In het kader van de tijdelijke invoerregeling, die vergelijkbaar is met de EU-regeling actieve veredeling, worden geen invoerrechten geheven voor zover de inputs worden verwerkt en de daaruit voortvloeiende output wordt wederuitgevoerd. |
|
(50) |
Sojabonen die in het kader van de tijdelijke invoerregeling werden ingevoerd, werden alleen gebruikt voor de productie en wederuitvoer van sojameel en -olie, en niet voor biodiesel. De tijdelijke invoerregeling is immers gebaseerd op een conversieverhouding tussen ingevoerde inputs en wederuitgevoerde output, die van toepassing kan zijn op het vermalen van sojabonen tot sojameel en -olie en de wederuitvoer van dit product, maar niet op de verdere productie en wederuitvoer van biodiesel, die een tweede downstreamproductiestap in de waardeketen vormen. |
|
(51) |
Ingevoerde sojabonen konden alleen worden gebruikt voor de productie van biodiesel wanneer zij daadwerkelijk waren ingevoerd, in tegenstelling tot invoer in het kader van de tijdelijke invoerregeling. Dit is om verschillende redenen niet gebeurd. Ten eerste waren sojabonen (net als sojaolie en biodiesel) die werden ingevoerd uit Mercosur-landen (zoals Paraguay, Brazilië en Uruguay) onderworpen aan een belasting op de aankoop van deviezen (met de naam impuesto PAIS (Para una Argentina lnclusiva y Solidaria), berekend als een percentage van de cif-waarde van de invoer. Bovendien waren sojabonen (net als sojaolie en biodiesel) die werden ingevoerd uit niet-Mercosur-landen (zoals Bolivia) onderworpen aan het gemeenschappelijke Mercosur-invoerrecht en aan een statistiekrecht, naast de impuesto PAIS. De invoer van sojabonen in Argentinië is dus duur en derhalve economisch gezien niet aantrekkelijk. Ten tweede verklaarden de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs dat het moeilijker was om de voor bepaalde uitvoerbestemmingen — met name de EU — vereiste duurzaamheidscertificering te verkrijgen voor sojabonen die uit Paraguay en Brazilië worden ingevoerd, in vergelijking met in Argentinië geproduceerde sojabonen. Dit had met name betrekking op de naleving van de regels betreffende ontbossing, die geen betrekking hebben op de Argentijnse uitgestrekte boomloze vlakten. Tot slot moest biodiesel die werd gebruikt om te voldoen aan de bijmengverplichting (oftewel voor het grootste deel van de binnenlandse markt, zoals vermeld in overweging 46) in Argentijnse installaties worden geproduceerd met gebruikmaking van op de binnenlandse markt geproduceerde grondstoffen. Ingevoerde sojabonen konden derhalve alleen worden gebruikt voor de productie van biodiesel voor de zeer kleine binnenlandse niet onder de bijmengverplichting vallende markt of voor de uitvoermarkten, met in dit laatste geval een gebrek aan economische logica en de hoger beschreven certificeringsproblemen. |
3.3. Oorspronkelijk onderzochte regelingen waartegen compenserende maatregelen zijn ingesteld
3.3.1. Overheidssteun aan de bedrijfstak voor biodiesel, onder meer door de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning
|
(52) |
De indiener van het verzoek verwees naar de bevindingen van de Commissie in het oorspronkelijke onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat de Argentijnse overheid aan de telers van sojabonen de uitvoering had toevertrouwd van haar beleid om de binnenlandse markt te segmenteren en aan de bedrijfstak voor biodiesel sojabonen te leveren tegen een minder dan toereikende beloning, of die telers met die uitvoering had belast. Daarnaast heeft de Commissie in het oorspronkelijke onderzoek vastgesteld dat de Argentijnse overheid een voordeel heeft toegekend bestaande in het verschil tussen de door de binnenlandse biodieselproducenten betaalde prijzen en de prijs die zij zouden hebben betaald op basis van de voor sojabonen heersende marktomstandigheden in Argentinië. Voorts werd vastgesteld dat de reeks maatregelen van de Argentijnse overheid specifiek was, aangezien de maatregelen beperkt waren tot een groep ondernemingen of bedrijfstakken, waaronder de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel. |
|
(53) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat deze maatregelen nog steeds van toepassing waren en dat de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel hier de komende jaren gebruik van zal kunnen maken. Deze maatregelen zouden de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel in staat stellen om tegen lagere kosten grondstoffen in te kopen teneinde de productie en de uitvoer van biodiesel te stimuleren. |
3.3.1.1.
|
(54) |
Op 20 januari 2025 heeft de Commissie de Argentijnse overheid ervan in kennis gesteld dat zij, vanwege de hieronder uiteengezette redenen, bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de vermeende steun aan de bedrijfstak voor biodiesel, onder meer door de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning, wellicht gebruik zou moeten maken van beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening. |
|
(55) |
Ten eerste heeft de Commissie de Argentijnse overheid bij de opening van het onderzoek verzocht de contactgegevens (namen, adressen en e-mailadressen) te verstrekken van alle ondernemingen die sojabonen en sojaolie voor de productie van het onderzochte product leveren. |
|
(56) |
In antwoord hierop heeft de Argentijnse overheid alleen de namen en adressen verstrekt van marktdeelnemers in de waardeketen die betrokken zijn bij de distributie van sojaolie, maar niet van de leveranciers van sojabonen. De Argentijnse overheid lichtte toe dat zij alleen de informatie heeft verstrekt waarvan zij van mening was dat deze geen inbreuk zou maken op de wettelijke beperkingen die zijn vastgesteld om de vertrouwelijkheid van de ondernemingen te beschermen overeenkomstig wet nr. 17622 (met name de artikelen 11 en 13) en aanvullende regelgeving. |
|
(57) |
In haar schriftelijke aanmaning tot aanlevering van ontbrekende gegevens herhaalde de Commissie haar verzoek met betrekking tot de contactgegevens van producenten van sojabonen, aangezien de Argentijnse overheid het totale aantal producenten van sojabonen in Argentinië had verstrekt, welk aantal afkomstig was van het vereenvoudigd landbouwinformatiesysteem van de federale belastingdienst, en de Argentijnse overheid derhalve de beschikking zou moeten hebben over deze informatie. |
|
(58) |
In antwoord hierop verklaarde de Argentijnse overheid dat de informatie over de betrokken ondernemingen niet kon worden verstrekt omdat deze niet alleen onder wet nr. 17622 viel, maar ook onder artikel 101 van wet nr. 11683 inzake het belastinggeheim, en de informatie derhalve niet kon worden verstrekt in het kader van het onderzoek. |
|
(59) |
Ten tweede heeft de Commissie de Argentijnse overheid in de vragenlijst ook verzocht informatie over de tien grootste producenten van i) sojabonen en ii) sojaolie in Argentinië te verstrekken, alsook de volgende informatie: a) namen, b) locaties en c) holdingstructuur van de onderneming (bv. staatseigendom, collectief eigendom, particulier eigendom, in buitenlandse handen). Voorts heeft de Commissie de Argentijnse overheid verzocht voor elk van de tien grootste producenten en distributeurs van i) sojabonen en ii) sojaolie in Argentinië nadere gegevens te verstrekken over de leden van de raad van bestuur en het management, en bekend te maken welke leden ook overheidsfunctionarissen zijn of een functie bekleden bij een overheidsinstantie of openbaar lichaam. |
|
(60) |
In haar antwoord verklaarde de Argentijnse overheid dat de gevraagde informatie onder wet nr. 17622 en aanvullende regelgeving viel en niet kon worden verstrekt. |
|
(61) |
In haar schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens herhaalde de Commissie haar bovengenoemde verzoek, wees zij op het antwoord van de Argentijnse overheid op de vragenlijst, gaf zij haar eerste interpretatie van het toepassingsgebied van wet nr. 17622, en verwees zij naar een aantal andere gevallen waarin leveranciers van sojabonen relevante gegevens leken te hebben verstrekt aan centrale en provinciale autoriteiten, welke gegevens mogelijk niet onder het toepassingsgebied van wet nr. 17622 vallen. Daarnaast vroeg de Commissie of de holdingstructuur van een onderneming en de samenstelling van de raad van bestuur in het algemeen werden verstrekt aan het vennootschapsregister. |
|
(62) |
In haar antwoord verduidelijkte de Argentijnse overheid dat informatie van het secretariaat voor Landbouw, Veeteelt en Visserij beschermd is krachtens wet nr. 17622 en derhalve niet kon worden verstrekt in het kader van het onderzoek. Daarnaast lichtte de Argentijnse overheid toe dat elke provincie en elk autonoom grondgebied in Argentinië een register van haar eigen ondernemingen aanlegt en beheert, en erkende zij dat de holdingstructuur van een onderneming en haar raad van bestuur bijvoorbeeld worden verstrekt aan het register van de autonome stad Buenos Aires. De beschikbare informatie over de holdingstructuur van een onderneming was echter afhankelijk van de juridische organisatie van de entiteit, en voor- en achternamen van de leden van de raad van bestuur konden weliswaar worden geraadpleegd, maar waren niet allemaal toegankelijk voor het publiek, en konden derhalve niet in het kader van het onderzoek worden verstrekt. |
|
(63) |
Ten derde heeft de Commissie de Argentijnse overheid in de vragenlijst verzocht bijlage A (vragenlijst voor leveranciers van inputs) door te sturen naar i) de tien grootste producenten en distributeurs van de betrokken inputs, alsook ii) alle andere producenten en distributeurs van sojabonen en sojaolie die inputs hebben geleverd aan de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. In dit verband heeft de Commissie de Argentijnse overheid ervan in kennis gesteld dat zij elke meewerkende onderneming had verzocht een lijst op te stellen van al haar leveranciers van de inputs in kwestie, en heeft zij de Argentijnse overheid gevraagd samen te werken met de medewerkende producenten-exporteurs. De Commissie heeft daarnaast verzocht om bewijsmateriaal (afschrift van een e-mail, brief of fax) waaruit bleek dat de Argentijnse overheid aanhangsel A aan de betrokken producenten en distributeurs had doen toekomen, alsook, indien mogelijk, om bewijs dat de producenten en distributeurs bijlage A hadden ontvangen (bv. een ontvangstbevestiging). |
|
(64) |
In haar antwoord heeft de Argentijnse overheid de gevraagde informatie niet verstrekt, gaf zij niet aan of die informatie reeds in haar bezit was en of zij bijlage A had doorgestuurd naar de desbetreffende producenten en distributeurs van inputs. Zij heeft enkel verklaard dat de gevraagde informatie onder wet nr. 17622 en aanvullende regelgeving viel en derhalve niet kon worden verstrekt. |
|
(65) |
In haar schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens herhaalde de Commissie haar verzoek en verduidelijkte zij dat zij niet om informatie van de Argentijnse overheid vroeg, maar louter om hulp van de Argentijnse overheid bij het verkrijgen van de informatie van de leveranciers van sojabonen. |
|
(66) |
In haar antwoord verduidelijkte de Argentijnse overheid dat zij het verzoek van de Commissie volledig had begrepen, maar herhaalde zij dat zij geen rechtsgrondslag had op grond waarvan de gevraagde informatie kon worden verstrekt, aangezien de gegevens van de betrokken ondernemingen werden beschermd door artikel 101 van wet nr. 11.683 inzake het belastinggeheim en derhalve niet konden worden verstrekt in het kader van het lopende antisubsidieonderzoek. De Argentijnse overheid gaf in haar antwoord wederom niet aan of zij aanhangsel A had doorgestuurd naar de desbetreffende producenten en distributeurs van inputs, en deed hier ook geen bewijs van toekomen. |
|
(67) |
Tijdens de controle ter plaatse heeft de Commissie deze kwesties opnieuw bij de Argentijnse overheid aangekaart. |
|
(68) |
In antwoord hierop maakte de Argentijnse overheid nogmaals melding van de vertrouwelijkheidsverplichtingen waaraan zij gebonden is, en verklaarde zij voorts dat zij geen lijst van de geregistreerde producenten van sojabonen kon verstrekken, ten eerste omdat het aantal producenten van sojabonen per oogstseizoen verandert, en ten tweede omdat het om ongeveer 60 000 producenten van sojabonen per oogstjaar gaat. De Argentijnse overheid legde ook uit dat voor mengbedrijven een andere situatie geldt en zij daarom de namen en contactgegevens van de mengbedrijven in de antwoorden op de vragenlijst kon vermelden. In tegenstelling tot producenten van sojabonen moeten mengbedrijven zich namelijk registreren in een openbaar register om hun bedrijfsactiviteiten uit te mogen voeren. Zoals aangehaald in overweging 80 heeft de Commissie echter vastgesteld dat de Argentijnse overheid de gevraagde informatie had kunnen verstrekken via de databanken van de Argentijnse belastingautoriteiten. |
|
(69) |
Samenvattend, waar het de vermeende levering door de overheid van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning betreft, heeft de Argentijnse overheid de toegang geweigerd tot de benodigde informatie en bewijzen en heeft zij deze gegevens, waar de Commissie om had verzocht in haar vragenlijst, in haar schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens en tijdens het controlebezoek, niet verstrekt. |
|
(70) |
Door de gebrekkige medewerking kon de Commissie niet alle informatie verzamelen die zij noodzakelijk achtte voor haar bevindingen in dit onderzoek. Meer in het bijzonder kon de Commissie geen informatie en gegevens verkrijgen over de producenten van sojabonen en sojaolie en over de gevolgen van een uitvoerheffing op sojabonen, sojaolie en biodiesel (zie de overwegingen 101 en 123) voor het productie- en prijsbeleid van producenten van sojabonen en sojaolie, alsook voor de levering aan de biodieselproducenten. |
|
(71) |
Deze informatie had betrekking op de identiteit van producenten van sojabonen en sojaolie, de mate waarin sprake is van staatseigendom en -zeggenschap waar het de grootste producenten betreft, het gedrag en de beslissingen van de producenten van sojabonen en sojaolie die te maken hebben met uitvoerheffingen en de wijzigingen ervan, hun productiestrategieën en de mogelijkheid om over te schakelen op alternatieve gewassen, de beschikbaarheid van en toegang tot landbouwgrond, de marktkenmerken en -dynamiek met betrekking tot de differentiatie tussen grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, de verkoop- en afzetkanalen en strategieën voor hun binnenlandse en uitvoermarkten, de prijzen en het prijsstellingsbeleid op hun binnenlandse en uitvoermarkten, het effect van de internationale prijs op hun prijsstellingsbeleid, de concurrentiesituatie op de Argentijnse markt en op de uitvoermarkten, hun winstgevendheid in de loop der jaren, het effect van een mogelijke overcapaciteit en strategieën voor het aanleggen van voorraden, de invoer en uitvoer van hun belangrijkste klanten in Argentinië en op de uitvoermarkten, met inbegrip van de rol van de bedrijfstak voor vermaling van sojabonen en de door die bedrijfstak gerealiseerde toegevoegde waarde, alsook de concurrentiesituatie van de bedrijfstak voor vermaling in Argentinië en op internationale markten. |
|
(72) |
Al deze informatie, gegevens en documenten waren noodzakelijk omdat het ontbreken ervan het uitermate lastig maakten om tot een nauwkeurige en onderbouwde conclusie te komen over de voortzetting van subsidiëring met betrekking tot de vermeende subsidieregeling bestaande in de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning. Het ontbreken van al deze benodigde informatie heeft het onderzoek dan ook aanmerkelijk belemmerd. |
|
(73) |
Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de Argentijnse overheid:
|
|
(74) |
Op basis hiervan heeft de Commissie de Argentijnse overheid op 20 januari 2025 in kennis gesteld van haar voornemen om artikel 28, lid 1, van de basisverordening toe te passen en de Argentijnse overheid verzocht opmerkingen in te dienen. |
|
(75) |
Op 27 januari 2025 heeft de Argentijnse overheid haar opmerkingen over de voorgenomen toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening ingediend. Ook CARBIO heeft hierover opmerkingen ingediend. |
|
(76) |
De Argentijnse overheid erkende in wezen dat een deel van de verstrekte informatie onvolledig was of niet voorzag in de verzochte mate van gedetailleerdheid, met name waar het de producenten van sojabonen betrof, maar was het niet eens met de kwalificatie van dit gebrek aan medewerking als een weigering om de benodigde informatie te verstrekken en als een aanmerkelijke belemmering van het onderzoek. Volgens de Argentijnse overheid had de gebrekkige informatieverstrekking eerder te maken met de specifieke omstandigheden van het geval. |
|
(77) |
Ten eerste herinnerden de Argentijnse overheid en CARBIO eraan dat het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen betrekking had op biodiesel, een product waarvoor sojaolie — en niet sojabonen — als input wordt gebruikt. De productie van sojabonen zou dus slechts indirect verband houden met de productie van biodiesel en geen deel uitmaken van noodzakelijke informatie. De Commissie heeft haar analyse echter ten onrechte uitgebreid tot de hele upstreamwaardeketen. |
|
(78) |
In dit verband merkte de Commissie op dat zij de informatie had opgevraagd die noodzakelijk was om de door de indiener van het verzoek in het verzoek geformuleerde stelling inzake subsidiëring te analyseren; die stelling had met name betrekking op de levering van sojabonen — de belangrijkste grondstof voor de productie van biodiesel — tegen een minder dan toereikende beloning, ten gunste van biodieselproducenten. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(79) |
Ten tweede verduidelijkte de Argentijnse overheid dat zij geen lijst van producenten van sojabonen had verzameld of bijgehouden zoals de Commissie had gevraagd, en derhalve niet in staat was dergelijke informatie te verstrekken. |
|
(80) |
De Commissie was niet van oordeel dat de Argentijnse overheid dergelijke informatie, die noodzakelijk was voor het onderzoek, niet kon verstrekken. De Commissie merkte met name op dat de Argentijnse overheid in haar opmerkingen over de toepassing van artikel 28 van de basisverordening had toegelicht dat voor het opstellen van de gevraagde informatie toegang tot de databanken van de Argentijnse belastingautoriteiten nodig zou zijn geweest, waarmee zij bevestigde dat de opgevraagde informatie door de Argentijnse overheid had kunnen worden voorbereid. De Commissie trok derhalve de kwalificatie van geweigerde toegang tot de benodigde informatie en aanmerkelijke belemmering van het onderzoek waar het de contactgegevens van de leveranciers van sojabonen betrof in, en concludeerde dat de Argentijnse overheid de benodigde opgevraagde informatie niet heeft verstrekt. Ongeacht de kwalificatie was er echter nog altijd sprake van een gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid bij het verstrekken van de benodigde informatie, en had de Commissie niet de beschikking over de opgevraagde informatie. Daarom ging zij over tot de toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening. |
|
(81) |
Ten derde lichtte de Argentijnse overheid toe dat zij alle informatie waarover zij beschikte, had verstrekt, maar juridisch gezien werd belet andere soorten gegevens te verstrekken, met name informatie betreffende de naam, de locatie, de holdingstructuur en gegevens over de leden van de raad van bestuur en het management — met inbegrip van hun relatie tot de Argentijnse overheid — van de tien grootste producenten van sojabonen en sojaolie in Argentinië. |
|
(82) |
De Commissie merkte op dat de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (de “SCM-overeenkomst”) gedetailleerde regels en verplichtingen bevat op basis waarvan de onderzoekende autoriteit vertrouwelijke informatie moet beschermen. De Commissie was van oordeel dat, indien dergelijke informatie niet wordt verstrekt, de onderzoekende autoriteit gebruik mag maken van de beschikbare gegevens. De Commissie was derhalve genoodzaakt de kwalificatie van een weigering om de benodigde informatie te verstrekken en aanmerkelijke belemmering van het onderzoek met betrekking tot de informatie over de tien grootste producenten van sojabonen en sojaolie in Argentinië te handhaven, en wees dit argument af. |
|
(83) |
Tot slot richtte de Argentijnse overheid zich op de in overweging 71 bedoelde lijst van informatie die de Commissie niet kon verkrijgen. Zij voerde ten eerste aan dat de lijst van producenten van sojabonen die ontbrekende informatie niet had kunnen vervangen; ten tweede dat zij een deel van die informatie had verstrekt tijdens controles ter plaatse, en ten derde dat er andere betrouwbare bronnen waren die informatie konden verstrekken over de winstgevendheid en de toegevoegde waarde van vermaling, en dat deze bronnen niet gebonden waren aan dezelfde wettelijke vereisten die van toepassing zijn op de Argentijnse overheid, meer in het bijzonder de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Wat dit laatste betreft heeft ook de Argentijnse vereniging van de waardeketen van sojabonen (Asociación de la Cadena de la Soja Argentina — “ACSOJA”) informatie verstrekt over het vermogen om over te schakelen op andere gewassen en over marktgerelateerde besluiten. |
|
(84) |
De Commissie merkte op dat de in overweging 71 bedoelde informatie niet alleen betrekking had op het ontbreken van de lijst van producenten van sojabonen, maar ook op het niet-verstrekken van alle in overweging 73 bedoelde opgevraagde informatie. Daarnaast heeft de Commissie de andere door de Argentijnse overheid verstrekte informatie niet buiten beschouwing gelaten, maar had nauwkeurigere informatie kunnen worden verkregen, rechtstreeks van de producenten van sojabonen, indien de Argentijnse overheid aanhangsel A naar hen had doorgestuurd. Tot slot stelde de Commissie de informatie die de Argentijnse overheid en ACSOJA tijdens de controle hadden verstrekt niet ter discussie, maar kon deze informatie niet worden beschouwd als vervanging van de niet-verstrekte informatie en stond deze informatie los van de kwalificatie betreffende het gebrek aan medewerking vanuit de Argentijnse overheid. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(85) |
Samenvattend, bij gebreke van de benodigde informatie van de Argentijnse overheid heeft de Commissie zich overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening voor haar bevindingen in verband met de in de overwegingen 70 en 71 bedoelde aspecten van het onderzoek, gedeeltelijk gebaseerd op de beschikbare gegevens. |
|
(86) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Argentijnse overheid dat zij niet in het bezit was van een lijst van producenten van sojabonen. |
|
(87) |
Zoals vermeld in overweging 80 voerde de Commissie niet aan dat de Argentijnse overheid in het bezit was van een dergelijke lijst, maar merkte zij op dat de Argentijnse overheid had bevestigd dat de in de lijst gevraagde gegevens konden worden opgesteld en verstrekt. |
|
(88) |
Bovendien voerde de Argentijnse overheid aan dat voor het opstellen van een dergelijke lijst en het toezenden van de vragenlijst aan de tien grootste leveranciers van sojabonen en sojaolie niet alleen toegang tot de gegevens nodig zou zijn geweest, maar ook dat zij de wettelijke bepalingen die haar beletten dergelijke informatie met derden te delen, had moeten overtreden. In dit verband voerde de Argentijnse overheid aan dat de Commissie zich ten onrechte op de regels van de SCM-overeenkomst had beroepen, met het argument dat de verplichting voor overheidsambtenaren met betrekking tot de toegang tot en het delen van bepaalde soorten informatie losstaat van en geen verband houdt met de in de SCM-overeenkomst vastgestelde procedure voor de behandeling van vertrouwelijke informatie. |
|
(89) |
Bovendien voerde de Argentijnse overheid aan dat de Commissie sinds het oorspronkelijke onderzoek op de hoogte was van deze beperkingen en had moeten aangeven welke specifieke producenten van sojabonen zij van cruciaal belang achtte voor deelname aan het huidige onderzoek. Voor deze producenten zouden de beperkingen in verband met de Argentijnse overheid dus niet gelden en konden de vragenlijsten aan hen worden gericht. |
|
(90) |
De Commissie was van oordeel dat de SCM-overeenkomst ook van toepassing is op situaties waarin overheidsambtenaren door nationale geheimhoudingsverplichtingen gebonden zijn, zoals in overweging 82 vermeld. Anders zou het onderzochte lid zich altijd op nationale geheimhoudingsverplichtingen kunnen beroepen om geen medewerking te verlenen in het kader van een antisubsidieonderzoek. De Commissie is verplicht de verstrekte vertrouwelijke informatie te beschermen. Bovendien kan de Commissie de verzamelde informatie overeenkomstig artikel 29, lid 6, van de basisverordening niet voor andere doeleinden gebruiken, aangezien de in het kader van een antisubsidieonderzoek ontvangen informatie alleen mag worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd. De Commissie merkte voorts op dat zij niet van tevoren op de hoogte kon zijn van de beperking van de Argentijnse overheid om dergelijke gegevens te verstrekken op grond van een eerder onderzoek, daar de omstandigheden gewijzigd kunnen zijn. Daar de Argentijnse overheid noch bij het oorspronkelijke onderzoek noch bij dit nieuwe onderzoek ooit een lijst van producenten van sojabonen heeft ingediend, kon de Commissie geen van deze producenten kennen of identificeren. Wat nog belangrijker is: de Argentijnse overheid stelde deze oplossing pas voor na de mededeling van de definitieve bevindingen, dat wil zeggen in een zeer laat stadium van het onderzoek toen het niet meer mogelijk was deze toe te passen, en legde niet uit waarom vertrouwelijkheidsbeperkingen niet van toepassing zouden zijn. Derhalve werden deze argumenten afgewezen. |
|
(91) |
De Argentijnse overheid heeft ook een aantal argumenten aangevoerd in verband met het ontbreken van de in overweging 71 vermelde informatie, waarin zij haar standpunt over elk van deze argumenten toelichtte of verwees naar de antwoorden van de Argentijnse overheid in het kader van dit onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. |
|
(92) |
De Commissie heeft in overweging 84 reeds uitgelegd dat zij geen problemen had met de door de Argentijnse overheid verstrekte gegevens, maar veeleer met de gegevens die niet door of via de Argentijnse overheid waren verstrekt, met name omdat de Argentijnse overheid aanhangsel A nooit aan de betrokken leveranciers heeft toegezonden. In aanhangsel A heeft de Commissie het standpunt van de Argentijnse overheid niet gevraagd over de gegevens die de leveranciers van sojabonen en sojaolie moesten verstrekken. De Commissie had dit reeds onderzocht en was op de hoogte van het standpunt van de Argentijnse overheid dankzij het — weliswaar onvolledige — antwoord van de Argentijnse overheid op de vragenlijst. De Commissie wilde veeleer het standpunt en de informatie van de leveranciers inwinnen, rekening houdend met het feit dat de onderzochte regeling bestond in de levering van sojabonen tegen een ontoereikende vergoeding. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.2.
|
(93) |
Om het bestaan van een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie vast te stellen, moeten drie elementen aanwezig zijn: a) een financiële bijdrage of inkomens-/prijzensteun; b) een voordeel, en c) specificiteit. |
|
(94) |
Om tot een conclusie te komen over het eerste element, heeft de Commissie geanalyseerd of de door de Argentijnse overheid vastgestelde reeks maatregelen leidt tot een financiële bijdrage in de vorm van een levering van sojabonen van overheidswege tegen een minder dan toereikende beloning aan de Argentijnse producenten-exporteurs van biodiesel in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening, en/of de door de Argentijnse overheid vastgestelde reeks maatregelen onder de categorie inkomens-/prijzensteun van de bedrijfstak voor biodiesel valt overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b), van de basisverordening. |
3.3.1.3.
|
(95) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie opgemerkt dat alle in de steekproef opgenomen ondernemingen sojabonen op de binnenlandse markt hebben gekocht van hetzij verbonden hetzij niet-verbonden ondernemingen teneinde ze te verwerken tot sojaolie en vervolgens tot biodiesel. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs kochten geen sojaolie om tot biodiesel te verwerken (met uitzondering van verwaarloosbare aankopen door een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, die overeenkwamen met 0,004 % van zijn aankopen van sojabonen en sojaolie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek), aangezien zij de sojabonen zelf tot sojaolie hebben vermalen als tussenstap voor de productie van biodiesel. Derhalve is de analyse in het hiernavolgende toegespitst op de vraag of de Argentijnse overheid sojabonen (en niet sojaolie) tegen een minder dan toereikende beloning heeft geleverd. |
|
(96) |
Artikel 3, lid 1, punt a), iv), tweede streepje, van de basisverordening bepaalt dat een financiële bijdrage bestaat indien een overheid: “aan een particulier lichaam een of meer van de onder i), ii) en iii) genoemde soorten functies toevertrouwt of dat lichaam daarmee belast, welke functies zij normaal zelf zou vervullen en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen”. Van de in artikel 3, lid 1, punt a), iii), van de basisverordening beschreven soort functies is sprake wanneer “de overheid goederen levert of diensten biedt, niet bestaande uit algemene infrastructuur, of goederen aankoopt”. Deze bepalingen weerspiegelen hetgeen is bepaald onder iii) en iv) van artikel 1.1, punt a), 1), van de SCM-overeenkomst en moeten worden geïnterpreteerd en toegepast in het licht van de relevante WTO-rechtspraak. |
|
(97) |
In overeenstemming met de relevante WTO-rechtspraak (28) heeft de Commissie onderzocht of de bevindingen van het oorspronkelijke onderzoek met betrekking tot i) de aard van de interventie van de Argentijnse overheid (oftewel, houdt deze in dat aan telers van sojabonen functies worden toevertrouwd of dat deze met functies worden belast?), ii) de aard van de lichamen waaraan functies worden toevertrouwd (oftewel, zijn de telers van sojabonen particuliere lichamen in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening?), en iii) het optreden van de lichamen waaraan functies zijn toevertrouwd of die met functies zijn belast (oftewel, hebben de telers van sojabonen waaraan functies werden toevertrouwd of die met functies werden belast, sojabonen geleverd aan de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel tegen een minder dan toereikende beloning en hebben zij derhalve gehandeld als een gemachtigde van de Argentijnse overheid?), ook in het nieuwe onderzoek nog van toepassing zijn. De Commissie heeft al het bewijsmateriaal in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en de bijbehorende bijlagen over de voortzetting van de maatregel beoordeeld, alsmede het tijdens het onderzoek aangetroffen bewijsmateriaal. De Commissie heeft voorts gecontroleerd of de door de producenten van sojabonen uitgevoerde functie normaal door de overheid zelf zou worden vervuld (oftewel, kan het leveren van sojabonen aan producenten van sojaolie in Argentinië tegen een minder dan toereikende beloning als typerende activiteit van de overheid worden beschouwd?) en of een dergelijke functie in werkelijkheid niet afwijkt van de normale praktijken van overheden (oftewel, wijkt het werkelijke leveren van sojabonen door telers in werkelijkheid af van wat de overheid doorgaans zelf zou hebben gedaan?). |
3.3.1.3.1. Het toevertrouwen van functies aan of het belasten van telers van sojabonen met functies door de Argentijnse overheid
|
(98) |
De Commissie heeft eerst geanalyseerd of de steun van de Argentijnse overheid aan de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel nog altijd daadwerkelijk een doelstelling van het overheidsbeleid is en niet louter een “bijkomend gevolg” van de uitoefening van haar algemene regelgevende bevoegdheden. Net als in het oorspronkelijke onderzoek werd in het huidige onderzoek met name onderzocht of de vastgestelde prijsverstoringen deel uitmaakten van de doelstellingen van de overheid of dat deze verstoringen veeleer een “onwillekeurig” bijkomend gevolg waren van de algemene overheidsregulering. In overeenstemming met de conclusies in overweging 85 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening besloten gedeeltelijk gebruik te maken van de beschikbare gegevens om te bepalen of er sprake is van een toevertrouwen van functies aan of een belasten met functies van de telers van sojabonen door de Argentijnse overheid. |
|
(99) |
In het oorspronkelijke onderzoek kwam de Commissie tot de conclusie dat uit een aantal documenten bleek dat de Argentijnse overheid de ondersteuning en ontwikkeling van de bedrijfstak voor biodiesel uitdrukkelijk als beleidsdoelstelling nastreefde, met name door te trachten de binnenlandse prijs van de inputs (sojabonen) te verlagen en zo een financiële bijdrage te leveren aan de productie van biodiesel (29). Voorts kwam de Commissie tot de conclusie dat deze steun werd verleend door middel van verschillende maatregelen die, ondanks het feit dat zij sinds de invoering ervan in 1994 verscheidene malen zijn gewijzigd, voortdurend zijn toegepast om, zoals de Argentijnse overheid zelf in de wetgeving heeft vermeld, de binnenlandse prijs van sojabonen te verlagen in de context van de stijgende prijzen op de wereldmarkt en dat ten voordele van de ontwikkeling van de keten van toegevoegde waarde in Argentinië, die onder andere de bedrijfstak voor biodiesel omvat (30). |
|
(100) |
Ook in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd de bedrijfstak voor biodiesel ondersteund door middel van verschillende maatregelen die aan de Argentijnse overheid konden worden toegerekend (waaronder een uitvoerheffing op sojabonen; maatregelen om de productie van andere graansoorten tegen te gaan, zoals het instellen van uitvoerquota; andere maatregelen ter ondersteuning van telers van sojabonen, in de vorm van het vereiste dat biodiesel die in het kader van het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt wordt geleverd, een plaatselijke toegevoegde waarde moet hebben, en subsidies voor producenten van sojabonen om de productie en verkoop op de binnenlandse markt aan biodieselproducenten voort te zetten). |
Uitvoerheffing
|
(101) |
In het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie uitleg gegeven over de ontwikkeling van de uitvoerheffing op sojabonen sinds de invoering ervan in 1994 tegen een tarief van 3,5 %, tot 30 % uit hoofde van Decreet nr. 133/2015 (31). De Argentijnse overheid heeft in dit kader in haar opmerkingen over de opening van het huidige onderzoek toegelicht dat verschillende van de daarin beschreven resoluties niet langer van toepassing waren. Dit was het geval voor Resolutie 10/2007, Resolutie 369/2007, Resolutie 64/2008 en Resolutie 125/2008. |
|
(102) |
Sinds het oorspronkelijke onderzoek is bij Decreet nr. 230/2020 (32), dat sinds maart 2020 de rechtsgrondslag vormt en van toepassing is, het uitvoerheffingtarief op zowel sojabonen als sojaolie verhoogd van 30 % naar 33 %. |
|
(103) |
Daarna voorzag Decreet nr. 790/2020 (33), dat in oktober 2020 van kracht werd, in een geleidelijke wijziging van de uitvoerheffingtarieven in de daaropvolgende maanden, die vanaf januari 2021 resulteerde in een gedifferentieerd tarief van de uitvoerheffing voor sojabonen en sojaolie. Vanaf januari 2021 gold daarmee voor sojaolie een verlaagd tarief van 31 %, terwijl sojabonen onderworpen bleven aan het tarief van 33 %. |
|
(104) |
Bij Decreet nr. 131/2022 (34), dat in maart 2022 van kracht werd, werd de bij Decreet nr. 790/2020 vastgestelde verlaging van de uitvoerheffing op sojaolie echter tijdelijk opgeschort tot en met 31 december 2022. Bijgevolg werd de hogere uitvoerheffing op sojaolie, zoals vastgesteld bij Decreet nr. 230/2020 (33 %), opnieuw ingevoerd. De uitvoerheffing op sojabonen bleef gedurende deze periode 33 %. |
|
(105) |
Met ingang van 1 januari 2023 trad Decreet nr. 790/2020 automatisch opnieuw in werking, en was de uitvoerheffing van 31 % op sojaolie en 33 % op sojabonen weer van toepassing. |
|
(106) |
In het eerste kwartaal van het tijdvak van het nieuwe onderzoek gold derhalve een uitvoerheffing van 33 % op zowel sojabonen als sojaolie, terwijl in de laatste drie kwartalen van het tijdvak van het nieuwe onderzoek een uitvoerheffing van 33 % gold voor sojabonen en van 31 % voor sojaolie. |
|
(107) |
Biodiesel zelf is onderworpen aan een uitvoerheffing. Overeenkomstig Decreet nr. 230/2020 werd de uitvoerheffing op biodiesel met ingang van maart 2020 verhoogd van 27 % naar 30 %. Vervolgens werd de uitvoerheffing overeenkomstig Decreet nr. 790/2020, dat in oktober 2020 van kracht werd, voor oktober 2020 verlaagd naar 26 %, maar in de daaropvolgende maanden geleidelijk verhoogd, hetgeen vanaf januari 2021 resulteerde in een uitvoerheffing van 29 %. Bij Decreet nr. 131/2022 werd de uitvoerheffing van 30 % op grond van Decreet nr. 230/2020 tijdelijk opnieuw ingevoerd tot en met 31 december 2022. Tot slot werd de uitvoerheffing op biodiesel per 1 januari 2023 opnieuw vastgesteld op 29 %. |
|
(108) |
Het uitvoerheffingtarief voor biodiesel bedroeg daarmee 30 % in het eerste kwartaal van het tijdvak van het nieuwe onderzoek en 29 % in de laatste drie kwartalen van het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(109) |
Tijdens de controle ter plaatse lichtte de Argentijnse overheid toe dat het kleinere verschil betreffende de tarieven van de uitvoerheffingtarieven aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek tussen de drie producten (33 % voor sojabonen, 31 % voor sojaolie en 29 % voor biodiesel) overeenstemde met de totstandbrenging van toegevoegde waarde tussen de productiestappen. |
|
(110) |
De twee uitvoerheffingen, enerzijds op sojabonen en sojaolie en anderzijds op biodiesel, worden echter op verschillende wijze berekend, wat inhoudt dat de verklaring van de Argentijnse overheid in dit verband niet kan worden bevestigd. |
|
(111) |
De Argentijnse overheid heeft tijdens de controle ter plaatse namelijk uitgelegd dat de uitvoerbelasting op sojabonen en sojaolie van toepassing is als percentage van een officiële fob-prijs van het betrokken product, die dagelijks wordt gepubliceerd door het Secretariaat voor Landbouw, Veehouderij en Visserij overeenkomstig Resolutie 411E/2017 van het ministerie van Agro-industrie en op basis van het gemiddelde van de prijzen die de exporteurs in de loop van de dag hebben opgegeven (35). Er wordt een officiële fob-prijs gepubliceerd voor zowel sojabonen als sojaolie, maar niet voor biodiesel. |
|
(112) |
Sterker nog, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs lichtten tijdens de controle ter plaatse toe dat de fob-prijs in USD die bij uitvoer van biodiesel bij de douaneautoriteiten wordt opgegeven, reeds de (ook in USD uitgedrukte) uitvoerheffing omvat, wat betekent dat de uitvoerheffing van 29 % op biodiesel in feite wordt berekend aan de hand van een prijs die lager is dan de totale fob-prijs die bij de douane wordt opgegeven. Bijgevolg bedraagt het feitelijke tarief (tasa efectiva) op biodiesel slechts 22,48 % van de fob-prijs in USD. |
|
(113) |
Uit het bovenstaande volgt dat het daadwerkelijke verschil tussen de uitvoerheffing op biodiesel en de uitvoerheffing op het eerste product dat zich upstream in de waardeketen bevindt, d.w.z. sojaolie, groter is dan de 2 % die uit de twee belastingtarieven volgt (respectievelijk 29 % en 31 %) en in werkelijkheid 8,52 % bedraagt (d.w.z. het verschil tussen het feitelijke tarief van 22,48 % voor biodiesel en het tarief van 31 % voor sojaolie). Daarnaast was dit daadwerkelijke verschil nog groter in het eerste kwartaal van het tijdvak van het nieuwe onderzoek, toen de uitvoerheffing van 30 % op biodiesel overeenkwam met een feitelijk tarief van 23,07 % en de uitvoerheffing op sojaolie werd vastgesteld op 33 %. Het daadwerkelijke verschil in dit kwartaal bedroeg 9,93 %. Dit werd bevestigd door zowel Argentijnse als internationale publieke bronnen (36). |
|
(114) |
De Commissie stelde bijgevolg vast dat de beoordeling door verschillende internationale agentschappen van de gevolgen van de verschillende uitvoerheffingtarieven, zoals gemeld in het oorspronkelijke onderzoek (37), nog altijd van toepassing en geldig was. |
|
(115) |
Volgens de OESO legt de Argentijnse overheid met name door haar uitvoerheffingsregeling “hogere tarieven [op] aan producenten van grondstoffen of inputs, terwijl op eindproducten lagere tarieven van toepassing zijn. [...] Het prijsvoordeel dat aan binnenlandse downstreambedrijfstakken wordt verleend, kan de mededinging op zowel de binnenlandse als de buitenlandse markten verstoren” (38). Bovendien heeft het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) in een aan Argentinië gewijd verslag verklaard: “Gedifferentieerde uitvoerheffingen voor biobrandstoffen ten opzichte van andere van dezelfde grondstof afgeleide producten hebben de uitvoer van biobrandstoffen, in het bijzonder biodiesel, bevorderd” (39). De Wereldbank verklaarde op haar beurt dat de Argentijnse overheid “hoge uitvoerheffingen oplegt op zowel sojaolie als biodiesel” (die ten tijde van het verslag werden vastgesteld op respectievelijk 32 % en 16,6 %), die als effect hebben dat “de kosten van de grondstoffen op de binnenlandse markt worden verlaagd, en dat de uitvoer van biodiesel wordt aangemoedigd” (40). |
|
(116) |
De Commissie merkte op dat deze beoordeling in overeenstemming is met de doelstellingen van het beleid van de Argentijnse overheid zoals beschreven in de desbetreffende wetgeving. De Commissie merkte op dat in een van de niet-genummerde overwegingen van Decreet nr. 131/2022 — waarin de uitvoerheffing van 33 % op sojabonen werd gehandhaafd en de uitvoerheffing op sojaolie en biodiesel tijdelijk werd verhoogd — werd gesteld dat een van de doelstellingen waarvoor de Argentijnse overheid was gemachtigd uitvoerrechten te heffen, erin bestaat “de binnenlandse prijzen te stabiliseren totdat zij een passend niveau hebben bereikt en om een aanbodvolume in stand te houden dat aan de behoeften van de binnenlandse markt voldoet”. |
|
(117) |
Het feit dat de uitvoerheffing op sojabonen bedoeld was om de levering van de grondstof aan met name de bedrijfstak voor biodiesel te waarborgen, bleek uit de ontstaansgeschiedenis van de maatregel. Reeds in het vorige onderzoek had de Commissie opgemerkt dat in de gezamenlijke resoluties 438/2012, 269/2012 en 1001/2012 (41) werd gerefereerd aan het verschil tussen het feitelijke tarief voor biodiesel en het tarief voor de belangrijkste input ervan (d.w.z. sojabonen) (42), en dat bij Decreet nr. 133/2015 (43) de uitvoerheffing op sojabonen werd aangepast en eraan werd herinnerd dat “de toename van het beplante areaal en de recordoogst van het afgelopen seizoen niet hebben verhinderd dat het concurrentievermogen en de winstgevendheid van de gehele bijbehorende waardeketen (met inbegrip van biodiesel) zijn afgenomen” (44). |
|
(118) |
In opeenvolgende besluiten werd een soortgelijke aanpak gevolgd. Zo werd in de overwegingen van Decreet nr. 1343/2016 (45), waarbij de bij Decreet nr. 133/2015 vastgestelde uitvoerrechten enigszins werden verlaagd, toegelicht dat “het noodzakelijk is doeltreffende maatregelen te blijven treffen die met de verwezenlijking van dat doel samengaan, met name in het geval van sojabonen en de bijproducten daarvan, en die de markt voorspelbaarheid en zekerheid bieden met betrekking tot de geleidelijke wijze waarop de op dergelijke goederen toepasselijke uitvoerrechten zullen worden verlaagd” (cursivering toegevoegd). Biodiesel is een bijproduct van sojabonen. |
|
(119) |
Evenzo werd er in Decreet 1025/2017 (46), waarbij de uitvoerbelasting op biodiesel werd vastgesteld op 8 %, aan herinnerd dat “een harmonisatie tussen de uitvoerrechten voor biodiesel en die van de belangrijkste grondstof ervan, sojaolie, noodzakelijk is om onderlinge convergentie tot stand te brengen” (cursivering toegevoegd). |
|
(120) |
In Decreet nr. 230/2020 en Decreet nr. 131/2022 werd dit verband niet uitdrukkelijk vermeld, omdat deze decreten alleen voorzagen in een wijziging van de voor verschillende producten geldende uitvoerheffingtarieven. In plaats daarvan bleef het officiële standpunt van de Argentijnse overheid met betrekking tot sojabonen als input voor biodiesel evident in Decreet nr. 790/2020, daar dit uitsluitend betrekking had op uitvoerheffingen op sojabonen en op op sojabonen gebaseerde producten, waaronder biodiesel. In Decreet nr. 790/2020 wordt er met name aan herinnerd dat “bij Decreet nr. 230/20 de uitvoerrechten op verschillende goederen zijn vastgesteld, onder meer in de vorm van bepaalde tariefcodes van de GEMEENSCHAPPELIJKE NOMENCLATUUR VAN MERCOSUR (N.C.M.) die verwijzen naar bepaalde producten van sojabonen en bijproducten” (cursivering toegevoegd). De producten van sojabonen waarvoor het uitvoerheffingtarief was gewijzigd, omvatten biodiesel. |
|
(121) |
Het was derhalve duidelijk dat de Argentijnse overheid door, net als in het oorspronkelijke onderzoek, de uitvoerheffingtarieven voor sojabonen, sojaolie en biodiesel tegelijkertijd vast te stellen door middel van dezelfde wetgevingshandeling, zoals Decreet nr. 790/2020, voornemens was haar beleid met betrekking tot sojabonen ook in het tijdvak van het nieuwe onderzoek als middel te gebruiken om de beschikbaarheid van biodiesel tegen lage prijzen te waarborgen. Dit wordt bevestigd door het feit dat in overweging 109 de Argentijnse overheid heeft verklaard dat zij de drie uitvoerheffingtarieven voor sojabonen, sojaolie en biodiesel in overeenstemming met de verschillende stappen van toegevoegde waarde beschouwde en daarmee als onderdeel van dezelfde waardeketen. |
|
(122) |
Deze bevinding wordt verder bevestigd door het feit dat de uitvoerheffing alle stappen in de waardeketen bestrijkt, van de betrokken input — sojabonen — tot de tussenstap — sojaolie — tot het onderzochte product, d.w.z. biodiesel, waarbij geen sprake is van een “veiligheidsnet” of alternatief voor het binnenlandse aanbod voor producenten van sojabonen, aangezien alle exporteurs van biodiesel verticaal geïntegreerd zijn en ook de belangrijkste marktdeelnemers zijn die sojabonen tot sojaolie vermalen. |
|
(123) |
Uit bovenstaande volgt dat de Argentijnse overheid door uitvoerheffingen op sojabonen in te stellen de Argentijnse telers van sojabonen in een economisch irrationale situatie plaatst, waardoor zij ertoe worden aangezet om hun goederen op de binnenlandse markt te verkopen tegen een prijs die lager ligt dan die welke zij zonder deze uitvoerheffingen zouden kunnen krijgen. Hun wordt aldus een rationele keuzemogelijkheid ontnomen en zij worden ertoe aangezet om zich te voegen naar de beleidsdoelstellingen achter de heffing van uitvoerrechten. |
Uitvoerquota voor mais en tarwe
|
(124) |
In het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de irrationele situatie waarin telers van sojabonen zich bevonden, werd versterkt door andere uitvoerbeperkingen, zoals uitvoerquota voor mais en tarwe van 2008 tot 2015, waardoor de uitvoer van andere gewassen werd ontmoedigd, producenten ermee werden belast de productie van sojabonen (in tegenstelling tot andere graansoorten) voort te zetten en de binnenlandse prijs nog verder daalde (47). Deze lange periode van beperkingen van de uitvoer van andere gewassen heeft geleid tot een aanzienlijke toename van de productie van sojabonen, de zogenoemde “sojización” (48). Zoals blijkt uit grafiek 1 is de productie van sojabonen tussen 2008 en 2015 bijna verdubbeld, tot een recordproductie van 61,4 miljoen ton. Na de afschaffing van de uitvoerquota in 2015 en tot het oogstjaar 2016/2017 is de productie van sojabonen in deze beperkte periode niet significant gedaald in vergelijking met die van andere gewassen en is zij in grote lijnen gelijk gebleven (49). |
|
(125) |
Grafiek 1 bevat een overzicht van de Commissie van de productie van sojabonen, mais en tarwe per oogstjaar sinds 2008, ter aanvulling van de respectieve gegevens die in het oorspronkelijke onderzoek zijn gerapporteerd. In dit verband is het oogstjaar de periode van oogst tot oogst. Er is dus een zekere discrepantie tussen oogst- en kalenderjaren. Het oogstjaar voor sojabonen begint op 1 april en eindigt op 31 maart. Grafiek 1 Argentijnse productie van sojabonen, mais en tarwe per oogstjaar
|
|
(126) |
Uit de gegevens bleek dat de productie van met name mais en tarwe sinds 2018 zonder uitvoerquota is gestegen, terwijl de productie van sojabonen is gedaald. De indiener van het verzoek stelde dat deze daling het gevolg was van de door de Europese Unie, de VS en Peru ingestelde handelsbeschermingsmaatregelen. |
|
(127) |
Met het oog op de negatieve gevolgen van de handelsbeschermingsmaatregelen voerde de indiener van het verzoek aan dat de Argentijnse overheid bij Resolutie 276/2021 (50) opnieuw uitvoerquota voor mais en tarwe had vastgesteld, die naar verwachting hetzelfde verschuivingseffect zouden hebben als het tussen 2008 en 2015 gevoerde beleid. |
|
(128) |
De Commissie heeft derhalve onderzocht of de uitvoerquota voor mais en tarwe nog steeds van kracht waren. |
|
(129) |
ACSOJA lichtte tijdens de controle ter plaatse toe dat er geen verplichting bestaat om van het ene gewas naar het andere over te schakelen en dat het aan de telers is om te beslissen welke gewassen op het door hen verbouwde land worden geteeld, of het nu gaat om sojabonen of andere gewassen. De Argentijnse overheid lichtte in haar antwoord op de vragenlijst en tijdens de controle ter plaatse toe dat het bij Resolutie 276/2021 ingestelde systeem niet als uitvoerquota mag worden uitgelegd, aangezien het veeleer ging om het bereiken van optimale uitvoervolumes of van evenwichtige uitvoerhoeveelheden (volúmenes de equilibrio). Deze volumes werden vastgesteld door een adviesraad (Consejo Consultivo) bestaande uit vertegenwoordigers van binnenlandse verbruikers, de uitvoersector en de Argentijnse overheid. De adviesraad stelt op basis van het binnenlands verbruik en de uitvoerbehoeften het optimale uitvoervolume vast, dat op basis van vraag en aanbod wordt aangepast. De Argentijnse overheid lichtte toe dat de volumes gewoonlijk hoger waren dan de werkelijke uitvoer, aangezien het doel was om marktdeelnemers voorspelbaarheid te bieden in plaats van de uitvoer te belemmeren. Indien echter 90 % van het optimale uitvoervolume wordt bereikt, kunnen alleen verplichte verklaringen inzake uitvoer (declaraciones juradas de venta al exterior —“DJVE” 30), die geldig zijn voor uitvoer binnen een periode van 30 dagen, aan de douaneautoriteiten worden overgelegd — in plaats van DJVE’s die geldig zijn voor uitvoer binnen een periode van 360 dagen (DJVE 360). Zodra het optimale uitvoervolume volledig werd bereikt, mocht er geen mais en tarwe meer worden uitgevoerd. De optimale uitvoervolumes waren openbaar beschikbaar (51). |
|
(130) |
Uit het onderzoek is gebleken dat voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek het oorspronkelijke optimale uitvoervolume voor het oogstjaar 2022/2023 10 miljoen ton mais bedroeg (52), dat vervolgens werd gewijzigd in 20 miljoen ton (53) en daarna in 26 miljoen ton (54). |
|
(131) |
Het oorspronkelijke optimale uitvoervolume voor het oogstjaar 2022/2023 van 2 miljoen ton tarwe (55) werd daarentegen later gewijzigd in 10 miljoen ton (56) en vervolgens gehandhaafd op in 10 miljoen ton (57). |
|
(132) |
Na het tijdvak van het nieuwe onderzoek, in december 2023, werd het optimale uitvoervolume bereikt en blokkeerde de Argentijnse overheid de registratie van nieuwe DJVE’s gedurende enkele dagen (58). Een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gaf ook aan dat zelfs wanneer het optimale uitvoervolume in een bepaald jaar werd bereikt en de uitvoer werd geblokkeerd, dit geen significant effect had op de uitvoer omdat dit tegen het einde van dat jaar plaatsvond. |
|
(133) |
De Commissie merkte op dat het verschuivingseffect als gevolg van het nieuwe systeem in het kader van Resolutie 276/2021 weliswaar kan zijn gehinderd door de droogte die in 2023 — in het tijdvak van het nieuwe onderzoek — gevolgen had voor de productie van alle drie de betrokken gewassen in Argentinië, zoals blijkt uit grafiek 1, maar dat de productie van sojabonen in 2021/2022, vóór de droogte, nog steeds 42 % hoger was dan vóór de uitvoering door de Argentijnse overheid van het beleid om in 2008/2009 beperkingen te stellen aan de graanproductie ten behoeve van telers van sojabonen. Bovendien heeft de productie van sojabonen zich in 2023/2024, na de droogte, hersteld en is deze in 2021/2022 gestegen ten opzichte van de productie vóór de droogte, terwijl de productie van zowel mais als tarwe het niveau van vóór de droogte niet heeft bereikt. |
|
(134) |
Bovendien nam de productie van mais en tarwe in de periode zonder beperkingen tussen 2015 en 2021 toe, terwijl de productie van sojabonen afnam. |
|
(135) |
Tot slot voorziet het stelsel op basis van het optimale uitvoervolume weliswaar in aanpasbare quota, maar werd de uitvoer van mais en tarwe geblokkeerd zodra de drempel van het uitvoervolume werd bereikt. Het feit dat dit in 2023 slechts enkele dagen het geval was, wil niet zeggen dat de uitvoer niet langer geblokkeerd had kunnen worden, aangezien dit in het tijdvak van het nieuwe onderzoek onder de discretionaire bevoegdheid van de Argentijnse overheid viel. |
|
(136) |
Op basis hiervan concludeerde de Commissie dat de sinds 2021 en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geldende optimale uitvoervolumes gunstiger waren voor de productie van sojabonen dan voor de productie van mais en tarwe, waardoor telers ermee werden belast de productie van sojabonen (in tegenstelling tot andere graansoorten) voort te zetten en de binnenlandse prijs daalde in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen van de Argentijnse overheid. |
Tijdelijk verbod op de invoer van sojabonen en andere maatregelen ter ondersteuning van telers van sojabonen
|
(137) |
In het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie uitleg gegeven over de gevolgen van een tijdelijk verbod op de invoer van sojabonen en, na de afschaffing ervan, van de zeer omslachtige procedures voor de invoer van sojabonen, voor het gebruik van op de binnenlandse markt geproduceerde sojabonen voor de productie van biodiesel. De Commissie kwam voorts tot de conclusie dat het invoerverbod in combinatie met het uitvoerrecht op sojabonen een bevestiging vormde van de beleidsdoelstelling van de Argentijnse overheid om de ontwikkeling van een volledig binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te stimuleren door lokale componenten in de toeleveringsketen op te nemen. Het heeft gezorgd voor een kunstmatige, door de overheid gestuurde productie van sojabonen in Argentinië voor binnenlands verbruik, die ervoor zorgt dat door middel van lokale leveringen aan de lokale vraag naar sojabonen kan worden voldaan en die erop gericht is de geformuleerde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken (59). |
|
(138) |
In het tijdvak van het nieuwe onderzoek was er geen sprake van een invoerverbod op sojabonen. |
|
(139) |
Zoals uiteengezet in overweging 38 heeft de biobrandstoffenwet van 2021 — die van toepassing was in het tijdvak van het nieuwe onderzoek — de invoer van sojabonen echter ontmoedigd aangezien hier een vereiste lokale component in was opgenomen. In dat kader moet biodiesel die wordt gebruikt om te voldoen aan de bijmengverplichting, worden geproduceerd in Argentijnse installaties met gebruikmaking van op de binnenlandse markt geproduceerde grondstoffen. Als gevolg daarvan richtte de Argentijnse overheid een markt voor intern gebruik op voor op de binnenlandse markt geproduceerde sojabonen, waarmee een scheiding werd aangebracht tussen de binnenlandse waardeketen en de wereldmarkt en de binnenlandse waardeketen werd beschermd tegen de druk van invoer. Door deze marktinterventie heeft de Argentijnse overheid haar doel bereikt om de productie te verhogen en de binnenlandse prijzen te verlagen ten voordele van de bedrijfstak voor biodiesel. |
Subsidies aan producenten van sojabonen
|
(140) |
In het oorspronkelijke onderzoek had de Commissie vastgesteld dat de Argentijnse overheid de telers van sojabonen op de productie van sojabonen richtte, waardoor het binnenlandse aanbod van sojabonen toenam ten gunste van de ontwikkeling van de bedrijfstak voor biodiesel (60). |
|
(141) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat de Argentijnse overheid steun was blijven verlenen aan producenten van sojabonen, met name door de uitvoering van twee compensatieprogramma’s. |
|
(142) |
De eerste was een compensatie- en stimuleringsprogramma voor kleine producenten en coöperaties van soja overeenkomstig decreet 786/2020 (61). De indiener van het verzoek voerde aan dat de telers van sojabonen in het kader van dit programma naargelang van hun ingezaaide arealen terugbetaling van de uitvoerheffingen ontvingen, en dat de regeling weliswaar van kracht was tot en met 31 december 2020, maar werd voortgezet in de vorm van latere overheidsmaatregelen en wetgeving, die de indiener van het verzoek niet nader heeft toegelicht. |
|
(143) |
De Commissie heeft derhalve onderzocht of de regeling tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog steeds van kracht was. |
|
(144) |
De Argentijnse overheid voerde aan dat de telers van sojabonen niet in aanmerking kwamen voor de terugbetaling van de uitvoerheffingen, aangezien die heffingen niet voor hun rekening kwamen. De Argentijnse overheid lichtte toe dat in de desbetreffende overweging van Decreet nr. 786/2020 wordt verwezen naar wet nr. 27541 (62) uit hoofde waarvan de Argentijnse overheid de uitvoerheffingen weliswaar met 33 % kan verhogen, maar dat als voorwaarde is gesteld dat 3 % van de incrementele waarde van de uitvoerheffingen wordt toegewezen aan de oprichting van een fonds om het concurrentievermogen van kleine en middelgrote producenten en coöperaties te vergroten (63). In wet nr. 27541 staat voorts: “De nationale uitvoerende macht stelt mechanismen [van] segmentering en stimulering vast om de winstgevendheid en het concurrentievermogen te verbeteren van kleine producenten en coöperaties wier activiteiten worden beïnvloed door de eventuele verhoging van de uitvoerrechten [...]” (cursivering toegevoegd) (64). De uitbetaling vanuit dit fonds was gebaseerd op de hoeveelheid sojabonen die telers tussen februari 2020 en december 2020 hadden verkocht, tot een maximum in termen van hoeveelheid sojabonen per ingezaaide hectare. |
|
(145) |
Vanwege het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid bij het doorsturen van aanhangsel A naar de leveranciers van sojabonen, kon de Commissie niet nagaan of de telers van sojabonen van deze regeling hadden geprofiteerd. Op basis van artikel 28 vormde de gedetailleerde toelichting van de Argentijnse overheid echter beschikbare gegevens waaruit bleek dat de regeling inderdaad actief was en er uitbetalingen hadden plaatsgevonden met betrekking tot verkopen tot en met 31 december 2020. Aangezien de indiener van het verzoek niet had aangegeven welke latere overheidsmaatregelen en wetgeving in de voortzetting van deze regeling hadden voorzien, kon de Commissie in dit verband geen maatregel identificeren. De Argentijnse overheid bevestigde dat de maatregel van toepassing was op de verkoop tot en met 31 december 2020. Als gevolg daarvan concludeerde de Commissie dat de uitbetalingen vanuit deze regeling tot en met 31 december 2020 plaatsvonden en deze regeling derhalve in het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet actief was. |
|
(146) |
Het tweede programma bestond uit een compensatieprogramma voor kleine en middelgrote producenten van sojabonen en mais op grond van de in november 2022 vastgestelde Resolutie 862/2022 (65). In het kader van dit programma had iedere producent van sojabonen recht op een voordeel van maximaal 6 500 USD per voor de teelt van sojabonen opgegeven hectare, met een totaal voordeel voor de begunstigden van 1,73 miljoen USD. |
|
(147) |
Uit het onderzoek is gebleken dat het compensatieprogramma werd gefinancierd vanuit het uitvoerstimuleringsfonds (Fondo Incremento Exportador), ingesteld overeenkomstig artikel 9 van Decreet nr. 576/2022 (66). Dit fonds werd op zijn beurt gefinancierd uit de aanvullende uitvoerrechten (onder meer op sojabonen, sojaolie en biodiesel) die werden geïnd via het uitvoerstimuleringsprogramma (Programa de Incremento Exportador) als gevolg van de hogere uitvoer. Overeenkomstig Decreet nr. 576/2022 was dit uitvoerstimuleringsprogramma van de Argentijnse overheid erop gericht de export te bevorderen, door exporteurs van op sojabonen gebaseerde producten een aantrekkelijke USD/ARS-wisselkoers aan te bieden (de zogeheten sojadollar), welke in een economische context een toevoer van vreemde valuta zeker stelde. |
|
(148) |
De periode voor uitvoering en beëindiging van het compensatieprogramma is vastgesteld in artikel 5 van Resolutie 862/2022, waarin is bepaald dat de termijn voor het indienen van aanvragen 15 werkdagen bedroeg, te rekenen vanaf de bekendmaking van de regeling in het Argentijnse staatsblad. Na het verstrijken van deze termijn was het niet mogelijk nieuwe aanvragen in te dienen. Bijgevolg is de uitvoering van het programma, zoals bepaald in artikel 8 van Resolutie 862/2022, in december 2022 effectief gemaakt door de vaststelling van Resolutie 276/2022 (67), waarin de lijst van begunstigden van het programma is opgenomen. Met deze administratieve handeling is de toepassing van het programma beëindigd. De indiener van het verzoek heeft niet beweerd dat het programma verder zou zijn voortgezet, en de Commissie heeft hier geen bewijs van gevonden. |
|
(149) |
Het compensatieprogramma was in het tijdvak van het nieuwe onderzoek derhalve actief. Vanwege het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid bij het doorsturen van aanhangsel A naar de leveranciers van sojabonen, kon de Commissie niet vaststellen in hoeverre dit compensatieprogramma van invloed was op de leveranciers. Op basis van artikel 28 vormde de lijst van begunstigden van het programma echter voldoende bewijs van de uitbetaling vanuit dit programma in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(150) |
Samenvattend vormen het compensatieprogramma en de rechtsgrondslagen ervan duidelijk bewijs dat de Argentijnse overheid de verwachting had dat haar uitvoermaatregelen mogelijk negatieve gevolgen zouden hebben voor de binnenlandse telers van sojabonen, en dat zij er niet voor terugdeinsde om de opbrengsten van dezelfde uitvoermaatregelen (d.w.z. de inkomsten uit de uitvoerheffingen) te gebruiken om die gevolgen te verzachten in de vorm van compensaties aan de telers van sojabonen. Deze regeling is een bijkomende manier waarop de Argentijnse overheid aan de telers van sojabonen de uitvoering toevertrouwt van haar beleid om aan de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel sojabonen te leveren tegen een minder dan toereikende beloning, of die telers met die uitvoering belast. |
Analyse
|
(151) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek was de Commissie in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal van oordeel dat de rol van de Argentijnse overheid “actiever was dan louter aansporing”, zoals door de beroepsinstantie vereist (68). De gecombineerde door de Argentijnse overheid genomen reeks maatregelen beperkt de vrijheid van handelen van de telers van sojabonen door hun zakelijke overwegingen tegen welke prijs en waar zij hun product willen verkopen, in de praktijk te beperken. |
|
(152) |
Telers van sojabonen worden op deze manier verhinderd een zo hoog mogelijk inkomen te realiseren, namelijk het inkomen dat zij zouden kunnen verkrijgen zonder het uitvoerrecht op sojabonen (bv. door hun productie uit te voeren om te profiteren van hogere prijzen of door de binnenlandse prijzen te verhogen) en andere vergelijkbare beperkende maatregelen. |
|
(153) |
Dit wordt verder ondersteund door Resolutie 862/2022, waarin de Argentijnse overheid specifieke maatregelen heeft getroffen om de bedrijfstak voor sojabonen en de bijbehorende waardeketen te helpen de voorgevallen achteruitgang van het concurrentievermogen en de winstgevendheid van de gehele bijbehorende waardeketen om te buigen. De telers van sojabonen worden dus door de Argentijnse overheid financieel ondersteund, aangemoedigd of ermee belast om, met het oog op het bedienen van de binnenlandse markt, de productie te handhaven, ook al zou een rationele leverancier in een situatie waarin uitvoer wordt ontmoedigd, zijn productie en prijzen aanpassen. |
|
(154) |
Met deze maatregelen zet de Argentijnse overheid de telers van sojabonen er derhalve toe aan om de sojabonen in Argentinië te houden, aangezien zij niet mogen verkopen voor betere prijzen, die zij in Argentinië zouden kunnen krijgen indien deze maatregelen niet bestonden. |
|
(155) |
In deze zin wordt aan de producenten van inputs door de Argentijnse overheid “de functie toevertrouwd” of worden zij door de Argentijnse overheid “met de functie belast” om tegen een minder dan toereikende beloning goederen te leveren aan de binnenlandse gebruikers van sojabonen, d.w.z. biodieselproducenten. De telers van sojabonen wordt de verantwoordelijkheid gegeven om in Argentinië een kunstmatige, gesegmenteerde en laaggeprijsde binnenlandse markt te creëren. |
|
(156) |
Met andere woorden, de hierboven beschreven reeks door de Argentijnse overheid toegepaste maatregelen was erop gericht de negatieve gevolgen van de maatregelen voor de telers van sojabonen tot een minimum te beperken en hen ertoe aan te zetten een bepaald gedrag te vertonen, niet alleen als resultaat of gevolg van de maatregelen van de Argentijnse overheid. Terwijl de telers van sojabonen hun binnenlandse productie licht kunnen verlagen in reactie op uitvoerheffingen en andere beperkende maatregelen, blijkt uit het bewijsmateriaal dat de productie niet stopte, en evenmin aanzienlijk afnam (behalve in 2023 als gevolg van de droogte, zie tabel 1). De Commissie heeft geconcludeerd dat dit het gevolg is van het feit dat de Argentijnse overheid telers van sojabonen functies heeft toevertrouwd of met functies heeft belast om de productie voort te zetten. |
|
(157) |
De maatregelen om de gevolgen van de uitvoerbeperkingen van de Argentijnse overheid voor producenten van sojabonen te beperken, werden vastgesteld op basis van dezelfde rechtsgrondslagen als die waarin uitvoerbeperkingen werden opgelegd (bv. het uitvoerstimuleringsfonds in Decreet nr. 576/2022 tot vaststelling van het uitvoerstimuleringsprogramma, alsook in de vroegere wet nr. 27541, uit hoofde waarvan de Argentijnse overheid de uitvoerheffingen weliswaar met 33 % kan verhogen, maar als voorwaarde is gesteld dat 3 % van de incrementele waarde van de uitvoerheffingen wordt toegewezen aan de oprichting van een fonds voor getroffen telers van sojabonen). De gevolgen zijn de Argentijnse overheid derhalve vooraf en niet pas achteraf bekend, en zijn derhalve niet “onwillekeurig”. Er is een duidelijk “aantoonbaar verband” tussen het beleid en het gedrag van de betrokken particuliere lichamen, die als een gemachtigde van de Argentijnse overheid handelen om het overheidsbeleid ervan uit te voeren waarbij aan de bedrijfstak voor biodiesel sojabonen worden geleverd tegen een minder dan toereikende beloning. |
|
(158) |
CARBIO en de Argentijnse overheid voerden aan dat de betrokken uitvoerheffingen geen tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie waren. Volgens CARBIO vormen uitvoerheffingen geen financiële bijdrage in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. CARBIO betoogde dat de door het Gerecht (69) en de rechtspraak van de WTO gegeven uitlegging van het toevertrouwen van functies of het belasten met functies niet kon leiden tot de conclusie dat de Argentijnse overheid producenten van sojabonen functies heeft toevertrouwd of met functies heeft belast. De uitvoerheffing op sojabonen heeft er niet toe geleid dat producenten van sojabonen hun producten moesten verkopen tegen prijzen die lager waren dan de prijzen op de wereldmarkt. Volgens de Argentijnse overheid was de belasting veeleer bedoeld om de belastinginkomsten te verhogen en vormde zij volgens begrotingsgegevens nog steeds een zeer belangrijke bron van inkomsten voor de Argentijnse overheid. |
|
(159) |
De Commissie herinnerde eraan dat het enkele feit dat de heffing van uitvoerrechten als zodanig niet uitdrukkelijk in artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening wordt genoemd, niet wil zeggen dat een dergelijke heffing potentieel niet de aard van een financiële bijdrage zou kunnen hebben en derhalve onder de definitie van subsidie in de zin van de basisverordening en de SCM-overeenkomst zou vallen, meer in het bijzonder wanneer de heffing in samenhang met andere overheidsmaatregelen plaatsvindt. De rechtspraak van het Gerecht bevestigt immers dat de doelstelling van het stelsel van uitvoerbeperkingen erin kan bestaan de bedrijfstak voor biodiesel direct en indirect te ondersteunen (70). De Commissie heeft ruimschoots bewijs geleverd dat de uitvoerheffing op sojabonen is gebruikt als een instrument om samen met andere instrumenten telers van sojabonen ertoe aan te zetten zich te voegen naar de geformuleerde beleidsdoelstellingen, en wel op een wijze die neerkomt op een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie, zoals beschreven in artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening. Wat de doelstelling van de uitvoerheffingen betreft, merkte de Commissie op dat in de wetgeving ook de doelstelling werd genoemd om “de binnenlandse prijzen te stabiliseren totdat zij een passend niveau hebben bereikt en om een aanbodvolume in stand te houden dat aan de behoeften van de binnenlandse markt voldoet”, zoals gesteld in overweging 116. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(160) |
CARBIO en de Argentijnse overheid voerden aan dat de uitvoerheffingen hun keuze om hun producten te produceren, te verkopen en uit te voeren, niet anderszins hadden beperkt. Daarnaast voerde de Argentijnse overheid aan dat de officiële fob-prijzen alleen betrekking hadden op de vaststelling van de uitvoerheffing en dat de uitvoerprijzen vrijelijk konden worden bepaald. |
|
(161) |
De Commissie merkte op dat uit het onderzoek is gebleken dat de productie van sojabonen inderdaad werd beïnvloed door de uitvoerbeperkingen op andere gewassen, dat de binnenlandse prijs van sojabonen onder de wereldmarktprijs bleef (zie grafiek 3) en dat de hoogte van de op sojabonen betaalde uitvoerheffingen afhankelijk was van de door de Argentijnse overheid vastgestelde officiële fob-prijs. De op de officiële fob-prijs gebaseerde uitvoerheffing biedt de telers van sojabonen per definitie niet de vrijheid om de uitvoerprijs vast te stellen. Tot slot blijkt uit bovenstaande analyse dat de uitvoerheffing niet het enige instrument is dat de Argentijnse overheid heeft ontwikkeld om telers van sojabonen met bepaalde functies te belasten. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(162) |
Samenvattend heeft de Commissie, net als in het oorspronkelijke onderzoek, vastgesteld dat de Argentijnse overheid aan de telers van sojabonen nog altijd de uitvoering toevertrouwt van haar beleid om de binnenlandse markt te segmenteren en aan de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel sojabonen te leveren tegen een minder dan toereikende beloning, of die telers nog altijd met die uitvoering belast. |
|
(163) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat sojabonen geen directe grondstof voor biodiesel zijn en dat de Commissie hiermee in haar analyse rekening moet houden, met name door de sojaolie, waarop Argentinië een natuurlijk concurrentievoordeel heeft, als input te beschouwen. |
|
(164) |
De Commissie bevestigde dat zij met dit aspect rekening heeft gehouden bij de berekening van het subsidiebedrag voor de in de steekproef opgenomen Argentijnse producenten-exporteurs. De noemer van het voordeel voor de regeling was immers de omzet die werd gegenereerd door de verkoop van producten op basis van sojabonen, en niet alleen van biodiesel. Daarom hoefde de Commissie het ontvangen voordeel niet toe te rekenen op basis van het eindgebruik van de aangekochte sojabonen. Ten slotte hoefde de Commissie, aangezien de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs verticaal geïntegreerd waren, geen rekening te houden met verdere stappen in de waardeketen tussen de sojabonen en de biodiesel en er was geen stelling inzake levering van sojaolie die kon worden geanalyseerd, aangezien de olie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zelf werd geproduceerd. Bovendien heeft de Commissie in punt 3.3.1.3.3 van deze verordening, met name in tabel 1, de rol van sojaolie in de waardeketen tussen sojabonen en biodiesel geanalyseerd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(165) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de Argentijnse overheid en CARBIO aan dat de uitvoerheffing een maatregel van fiscaal beleid van algemene strekking was. De Argentijnse overheid verklaarde dat de bronnen waarop de Commissie haar in overweging 115 vermelde bevindingen baseerde, niet bevestigen dat de uitvoerheffing tot doel had sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning aan de bedrijfstak voor biodiesel te leveren. CARBIO herinnerde eraan dat de uitvoerheffingen dateren van vóór de oprichting van de bedrijfstak voor biodiesel in Argentinië in 2007 en zijn gebruikt als fiscaal beleidsinstrument. CARBIO meldde dat ze zelfs een last kunnen vormen voor de producenten-exporteurs, die er geen vergoeding voor ontvangen. Bijgevolg zouden de gevolgen van de uitvoerheffing voor de sojaprijzen en eventuele voordelen een neveneffect zijn geweest van de inning van overheidsinkomsten door de Argentijnse overheid en “slechts een bijproduct van overheidsregulering” (71). Een dergelijke gewone inning van inkomsten zou niet voldoen aan de wettelijke norm van “een actievere rol van de overheid dan louter aansporing” (72). |
|
(166) |
De Commissie herinnerde eraan dat zij in overweging 116 had vastgesteld dat een van de doelstellingen waarvoor de Argentijnse overheid bevoegd was uitvoerrechten te heffen, erin bestond “de binnenlandse prijzen te stabiliseren totdat zij een passend niveau hebben bereikt en om een aanbodvolume in stand te houden dat aan de behoeften van de binnenlandse markt voldoet”. Bovendien wordt in de overwegingen 117 tot en met 123 aangetoond dat de uitvoerheffing op sojabonen bedoeld was om de levering van grondstoffen aan met name de bedrijfstak voor biodiesel te waarborgen. Daarom concludeerde de Commissie, hoewel zij erkende dat de uitvoerheffing op sojabonen ook als fiscaal beleidsinstrument kan zijn gebruikt, dat dit niet het enige doel was. Voor zover uit de Argentijnse wetgeving bleek dat de overheid met de uitvoerheffing de ontwikkeling van de downstreamindustrie, met name de bedrijfstak voor biodiesel, beoogde, is het effect van de uitvoerheffing op de prijzen geen “louter bijproduct” van de regelgeving van de Argentijnse overheid, maar de aangegeven bedoeling van de Argentijnse overheid. In deze context sluit het feit dat de uitvoerheffingen dateren van vóór de oprichting van de bedrijfstak voor biodiesel in Argentinië in 2007 niet de mogelijkheid uit dat een beleidsinstrument wordt aangepast aan of toegepast op nieuwe beleidsdoelstellingen die later zijn ontstaan. Uit het oorspronkelijke onderzoek bleek namelijk dat de reden voor de wijziging van het tarief van de uitvoerbelasting in 2007 juist bestond in “nieuwe productieve toepassingen, waarbij biobrandstoffen uitdrukkelijk als voorbeeld werden genoemd” (73). Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(167) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde CARBIO haar in de overwegingen 158 en 160 vermelde opmerkingen. Evenzo herhaalde de Argentijnse overheid haar in overweging 158 vermelde opmerkingen. Beide verwezen naar de uitlegging van artikel 1.1 (a) (1) (iv) van de SCM-overeenkomst door het panel in de zaak US — Export Restraints, volgens welke een uitvoerbeperking “niet kan worden aangemerkt als door de overheid toevertrouwde of door de overheid gerichte levering van goederen in de zin van punt iv)” (74). Beide vermeldden ook dat de Unie in haar verklaring van een derde partij in de zaak VS — Uitvoerbeperkingen uitdrukkelijk met deze jurisprudentie instemde (75). Bovendien voerde CARBIO aan dat uitvoerbeperkingen geen middel kunnen zijn om functies aan particuliere marktdeelnemers toe te vertrouwen of hen te belasten met functies in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. Ter ondersteuning verwees CARBIO naar de uitlegging door het Gerecht (76) en naar de uitlegging van artikel 1.1, punt a), 1), iv), van de SCM-overeenkomst door het panel in China — GOES (77) en in VS — Countervailing Measures (China), waarin werd uitgelegd dat “[w]anneer de Chinese overheid de mogelijkheden van binnenlandse producenten van magnesia en cokes om deze producten uit te voeren beperkt, zij de binnenlandse producenten geen “verantwoordelijkheid” geeft om iets te doen” (78). Bijgevolg voerde CARBIO aan dat uitvoerbeperkingen niet kunnen worden beschouwd als een financiële bijdrage in de vorm van een opdracht of instructie. Daaruit volgde dat volgens CARBIO de uitvoerheffingen en de uitvoerbeperkingen voor mais en tarwe geen subsidies waren die aanleiding geven tot compenserende maatregelen. |
|
(168) |
De Commissie merkte op dat zij niet alleen uitvoerbeperkingen zoals de uitvoerheffing en de uitvoerbeperkingen voor mais en tarwe heeft geanalyseerd, maar een volledige reeks maatregelen met inbegrip van — maar niet beperkt tot — die uitvoerbeperkingen, zoals beschreven in de overwegingen 101 tot en met 150. Door deze reeks maatregelen kon de Argentijnse overheid de sojaproducenten functies toevertrouwen of hen met functies belasten om haar beleidsdoelstellingen na te leven op een wijze die overeenstemt met een subsidie die tot compenserende maatregelen aanleiding geeft in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening. Argumenten die alleen betrekking hebben op de uitvoerbeperkingen hebben derhalve geen effect in de context van de analyse van de Commissie. Bijgevolg werden deze argumenten afgewezen. |
|
(169) |
CARBIO maakte bezwaar tegen de verwijzing van de Commissie naar het arrest PT Wilmar Bioenergi Indonesia e.a./Commissie in overweging 159, met name dat het de bewering van de Commissie zou ondersteunen dat de Commissie zelf ruimschoots heeft aangetoond dat de uitvoerheffing op sojabonen samen met andere instrumenten werd gebruikt als een instrument om sojabonentelers ertoe aan te zetten de verklaarde beleidsdoelstellingen na te leven op een wijze die neerkomt op een subsidie die aanleiding geeft tot compenserende maatregelen. CARBIO voerde aan dat het arrest deze bewering niet ondersteunt, vooral omdat de uitvoerbeperkingen waarover het in dat arrest ging, gekoppeld waren aan internationale prijzen. |
|
(170) |
De Commissie was van mening dat het in overweging 159 genoemde arrest de rechtspraak van het Gerecht bevestigt dat de doelstelling van het stelsel van uitvoerbeperkingen erin kan bestaan de bedrijfstak voor biodiesel direct en indirect te ondersteunen. Zij verwees echter niet naar dat arrest om haar bevinding in verband met de uitvoerheffing op sojabonen te staven. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(171) |
Hoewel de Argentijnse overheid erkende dat de Commissie de verschillende heffingsgrondslag (d.w.z. de in aanmerking genomen fob-prijs) voor sojabonen en sojabonenolie enerzijds en biodiesel anderzijds correct had vastgesteld, voerde zij voorts aan dat de Commissie deze verwarde met de belastbare waarde (d.w.z. de waarde waarover de uitvoerheffing wordt berekend) en het verschil tussen het effectieve tarief van de uitvoerheffing op biodiesel en het tarief van de uitvoerheffing op sojabonen en sojabonenolie in overweging 113 verkeerd had geïnterpreteerd. Volgens de Argentijnse overheid had de Commissie het effectieve tarief van de uitvoerheffing op biodiesel moeten vergelijken met een beweerd effectief tarief van de uitvoerheffing op sojabonen en sojaolie, dat veel lager was. Volgens de Argentijnse overheid is de heffingsgrondslag weliswaar verschillend, maar wordt de belastbare waarde voor de drie uitvoerheffingen op dezelfde wijze berekend. |
|
(172) |
De Commissie merkte op dat de Argentijnse overheid op dit punt tegenstrijdige informatie heeft verstrekt. In antwoord op vraag C.II.22 van de vragenlijst verklaarde de Argentijnse overheid zelf: “Wanneer voor goederen officiële prijzen gelden (bijvoorbeeld voor goederen waarop wet nr. 21453 van toepassing is [dat wil zeggen sojabonen en sojaolie]), is de belastbare waarde gelijk aan de officiële prijs” (cursivering toegevoegd). Hieruit volgt dat de Commissie de belastbare waarde voor sojabonen en sojaolie correct heeft vastgesteld op de officiële fob-prijs, zodat de uitvoerheffing rechtstreeks op de officiële fob-prijs wordt geheven, zonder een effectief tarief voor sojabonen en sojaolie te berekenen. Het in overweging 113 beschreven en in openbare bronnen gerapporteerde verschil is dus daadwerkelijk van toepassing. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(173) |
De Argentijnse overheid had ook kritiek op de kwalificatie als “irrationeel” van de situatie van de producenten van sojabonen als gevolg van de maatregelen van de Argentijnse overheid in overweging 123, gezien de verwachte gezonde productie in 2025. |
|
(174) |
De Commissie merkte op dat de kwalificatie als “irrationeel” betrekking had op de verkoop en niet op de productie, en wees dit argument van de hand. |
|
(175) |
Bovendien voerde de Argentijnse overheid aan dat de optimale uitvoervolumes voor mais en tarwe geen steun voor de producenten van sojabonen waren, maar bedoeld waren om marktverstoringen als gevolg van de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne te beperken. De Argentijnse overheid voerde verder aan dat de analyse van de Commissie juist gericht was op de gevolgen van de maatregel. Bovendien merkte de Argentijnse overheid op dat de optimale volumes het hele jaar door naar boven waren bijgesteld, en niet naar beneden, wat het geval zou zijn geweest als het doel was geweest de productie van sojabonen te stimuleren. Ten slotte heeft de Commissie er volgens de Argentijnse overheid geen rekening mee gehouden dat producenten van sojabonen vrij zijn om op een ander gewas over te schakelen en dat het quotum bijna gelijktijdig met de geldigheidsduur ervan werd opgebruikt. |
|
(176) |
De Commissie concludeerde in overweging 136 dat de optimale uitvoervolumes de productie van sojabonen eerder bevorderden dan ondersteunden. Bovendien werden de optimale uitvoervolumes geïntroduceerd bij Resolutie 276/2021 van 16 december 2021, vóór de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne in februari 2022. Ten slotte heeft de Commissie geen compenserende maatregelen ingesteld tegen de optimale uitvoervolumes afzonderlijk, maar als deel uitmakend van een reeks maatregelen waarmee de Argentijnse overheid leveranciers van sojabonen functies heeft toevertrouwd of met functies heeft belast, met het uitdrukkelijke doel sojabonen tegen een minder dan toereikende vergoeding aan de bedrijfstak voor biodiesel te leveren. De wijzigingen van de optimale uitvoervolumes waren gebaseerd op het binnenlandse verbruik en de exportbehoeften. Een opwaartse aanpassing van de volumes weerspiegelde dus eenvoudigweg een afgenomen binnenlands verbruik en een toegenomen exportbehoefte. De doelstelling om de productie van sojabonen te bevorderen, bleek daarentegen net uit het opleggen van de optimale uitvoervolumes voor mais en tarwe. Er zij op gewezen dat het opleggen van de optimale uitvoervolumes plaatsvond na een periode zonder uitvoerbeperkingen. Tijdens deze periode zonder uitvoerbeperkingen was de productie van sojabonen gedaald, terwijl de productie van mais en tarwe was gestegen. De vrijheid om tussen gewassen te wisselen, versterkt de bevindingen van de Commissie, aangezien de productiegegevens in grafiek 1 de sterke correlatie tussen de productie van sojabonen en uitvoerbeperkingen aantonen, zoals ook blijkt uit de gewaskeuze van de producenten in de periode zonder beperkingen. Ten slotte behielden de optimale uitvoervolumes een harde bovengrens, zoals blijkt uit het feit dat de volumes werden opgebruikt, zodat het bestaan ervan de productie van sojabonen juist in de hand werkt. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.3.2. Toevertrouwen van functies aan particuliere lichamen of particuliere lichamen belasten met functies in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening
|
(177) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie vervolgens beoordeeld of de telers van sojabonen in Argentinië particuliere lichamen zijn waaraan door de Argentijnse overheid functies worden toevertrouwd of die door de Argentijnse overheid met functies worden belast in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. |
|
(178) |
De in de steekproef opgenomen Argentijnse producenten-exporteurs kochten alle voor de productie van biodiesel gebruikte sojabonen van binnenlandse bronnen. Deze sojabonen werden hoofdzakelijk van particuliere telers van sojabonen gekocht, naast bepaalde hoeveelheden van het staatsbedrijf YPF SA. |
|
(179) |
De Argentijnse overheid lichtte toe dat Argentinië meer dan 60 000 telers van sojabonen heeft, die verspreid zijn over een groot gebied en hun producten onder verschillende economische en productieomstandigheden produceren, en voerde aan dat zij niet kunnen worden beschouwd als een particulier lichaam waaraan functies zijn toevertrouwd of die met functies zijn belast op grond van artikel 1.1, punt a), 1), iv), van de SCM-overeenkomst, maar dat zij onderworpen zijn aan de regelgevende bevoegdheden van de staat en aan het door hem voorgeschreven begrotingsbeleid, dat algemeen van toepassing is. |
|
(180) |
De Commissie merkte op dat het aantal of de verschillen in locatie of productieomstandigheden op zich niet haaks staan op de vaststelling van het toevertrouwen van functies of het belasten met functies. De versnipperde structuur van de markt voor sojabonen wijst veeleer op een zwak marktevenwicht, vooral in vergelijking met het kleine aantal verticaal geïntegreerde biodieselexporteurs (volgens de Argentijnse overheid minder dan twaalf), die ook de grootste vermalerijen voor sojabonen zijn, met veel meer marktmacht. Bovendien is het belastingbeleid in kwestie — de uitvoerheffingen — niet algemeen van toepassing, maar heeft het specifiek betrekking op agrovoedingsproducten en de daarvan afgeleide producten, met name sojabonen, sojaolie en biodiesel. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(181) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek was de Commissie derhalve, op basis van de beschikbare informatie, van oordeel dat alle telers van sojabonen particuliere lichamen zijn waaraan de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning is toevertrouwd door de Argentijnse overheid in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. |
3.3.1.3.3. Levering van sojabonen door telers van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning
|
(182) |
In het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie onderzocht of de telers van sojabonen het beleid van de Argentijnse overheid om sojabonen te leveren tegen een minder dan toereikende beloning, daadwerkelijk hebben uitgevoerd. |
|
(183) |
De Commissie verrichtte dezelfde analyse, waarbij de destijds verzamelde gegevens werden bijgewerkt. In overeenstemming met de conclusies in overweging 85 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening besloten gedeeltelijk gebruik te maken van de beschikbare feiten om te bepalen of er sprake was geweest van levering van sojabonen door telers van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning. |
|
(184) |
Door de in de overwegingen 101 tot en met 150 beschreven reeks maatregelen heeft de Argentijnse overheid de telers van sojabonen ertoe aangezet om lokaal tegen lagere prijzen te verkopen dan anders het geval zou zijn geweest, d.w.z. bij ontbreken van die maatregelen zouden de telers van sojabonen de sojabonen tegen de veel hogere prijs op de wereldmarkt hebben uitgevoerd of gewoon hun aanbod hebben aangepast aan de vereisten van de markt. De telers van sojabonen hebben dit echter niet gedaan wegens het beleid van de Argentijnse overheid ter bevordering van de ontwikkeling van de downstreambedrijfstak voor biodiesel. |
|
(185) |
Zoals blijkt uit tabel 1 wordt nagenoeg de gehele binnenlandse productie van sojabonen verder tot sojaolie verwerkt door vermaling. De gegevens met betrekking tot productie, uitvoer, invoer en binnenlandse verwerking door vermaling van sojabonen in de loop van de jaren zijn als volgt: Tabel 1 Argentijnse productie van sojabonen, sojaolie en biodiesel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(186) |
Zoals uiteengezet in overweging 133 was de daling van de productie van sojabonen tot 2022 het gevolg van de afschaffing van de uitvoerquota voor mais en tarwe, in combinatie met door de Europese Unie, de VS en Peru gehanteerde handelsbeschermingsmaatregelen. De daaropvolgende daling in 2023 was het gevolg van de ernstige droogte in Argentinië. In 2024, na de droogte, herstelde de productie van sojabonen zich en steeg deze ten opzichte van de productie vóór de droogte in 2022. |
|
(187) |
De tendens wordt weergegeven in grafiek 2 hieronder (in MT): Grafiek 2 Verwerking van sojabonen in Argentinië
|
|
(188) |
Uit tabel 1 en grafiek 2 blijkt dat nagenoeg de hele productie van sojabonen bestemd was voor vermaling en dat het binnenlandse verbruik van de aldus verkregen sojaolie hoofdzakelijk voor de productie van biodiesel is gebruikt. Bovendien voerde Argentinië, zelfs bij de lage productie als gevolg van de droogte van 2023, meer sojabonen in om aan zijn capaciteit voor vermaling te voldoen. |
|
(189) |
Voorts worden sojabonen pas uitgevoerd als volledig is voorzien in het binnenlandse verbruik zowel wat de verwerking van sojabonen door vermaling als de productie van biodiesel betreft. Tabel 1 en grafiek 2 tonen ook de zeer beperkte invoer van sojabonen in de jaren gedurende welke de uitvoerbeperkingen van toepassing waren, met uitzondering van het droogtejaar 2023. Dit wordt ook bevestigd door het bedrijfsmodel dat is waargenomen bij de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Geen van hen voerde namelijk sojabonen in voor de productie van biodiesel. Het was veeleer zo dat zij de sojabonen uitsluitend invoerden voor verwerking in hun vermalingsfaciliteiten en vervolgens alle aldus verkregen sojaolie en al het aldus verkregen sojameel uitvoerden naar buiten Argentinië. |
|
(190) |
De hoofddoelstelling van de maatregelen van de Argentijnse overheid is dus bereikt: aan de binnenlandse vraag naar een input voor de binnenlandse biodieselproductie is volledig voldaan door middel van in eigen land geproduceerde sojabonen, ten nadele van de producenten van sojabonen, die als gevolg van de uitvoerbeperkingen hun winsten niet konden optimaliseren door al hun producten uit te voeren of op de binnenlandse markt tegen hogere prijzen te verkopen. |
|
(191) |
Volgens de WTO-rechtspraak ter zake geldt dat er in de meeste gevallen enige vorm van dreiging of aansporing door de overheid zou moeten zijn jegens de leveranciers van inputs, ten bewijze van het bestaan van een toevertrouwen van of een belasten met functies. Dat er mogelijk enige beslissingsvrijheid wordt gelaten, doet niet automatisch afbreuk aan deze bevinding. Deze analyse per geval geschiedt op basis van bewijsmateriaal. In dit geval is het opmerkelijk te noemen dat de uitvoer vrij beperkt is in een zeer internationale grondstoffenmarkt, terwijl Argentinië wereldwijd een van de grootste producenten van sojabonen is, vooral gezien het feit dat de prijs op de internationale markten aanzienlijk hoger is dan de binnenlandse prijs in Argentinië (zie grafiek 3). |
|
(192) |
Uit het in de Argentijnse wetgeving vervatte bewijsmateriaal (zie de overwegingen 116 tot en met 120)) blijkt dat de beleidsdoelstelling van de Argentijnse overheid erin bestaat de downstreambedrijfstakken met een hogere toegevoegde waarde, waaronder biodiesel, te ontwikkelen en te begunstigen. Bovendien heeft de Argentijnse overheid duidelijk verklaard dat zij ernaar streeft de downstreambedrijfstakken te beschermen tegen de stijging van de internationale prijzen. |
|
(193) |
Het is ook duidelijk dat de talloze kleine producenten van sojabonen, hoewel zij er niet formeel door de Argentijnse overheid van worden weerhouden hun producten uit te voeren, er door dit beleid toe worden aangezet om bijna hun gehele productie in eigen land te verkopen tegen lagere prijzen dan de prijzen die zij anders op de internationale markten zouden hebben gekregen. Er is geen enkele aanwijzing in het dossier dat de Argentijnse overheid op enigerlei wijze probeert om direct of indirect een toename van de uitvoer en dus een maximalisatie van de winst voor de producenten van sojabonen aan te moedigen en/of actief te ondersteunen, ondanks de bekende moeilijkheden van kleine producenten om klanten in het buitenland te vinden, in een vreemde taal te communiceren en alle omslachtige administratieve formaliteiten voor de uitvoer te regelen. |
|
(194) |
Bij gebrek aan andere bewijzen van het tegendeel in het dossier en gezien het gebrek aan voldoende medewerking van de Argentijnse overheid om in dit verband relevant bewijsmateriaal en relevante informatie te verstrekken, heeft de Commissie geconcludeerd dat uit dit bewijsmateriaal blijkt dat de telers van sojabonen ertoe worden aangezet om hun productie in eigen land ten behoeve van de downstreambedrijfstakken (waaronder de biodieselproducenten) te verkopen, in plaats van hun opbrengsten op andere manieren te maximaliseren door bijvoorbeeld hun productie aan te passen of zelfs op een andere soort productie over te schakelen (zoals andere graansoorten). |
|
(195) |
Het feit dat telers van sojabonen nog steeds een zekere beslissingsvrijheid genieten om althans formeel in het buitenland te verkopen en dat uitvoer daadwerkelijk in zeer beperkte mate plaatsvond, doet niet af aan de voornaamste conclusie dat hun functies zijn toevertrouwd of dat zij met functies zijn belast in de zin van de WTO-rechtspraak (80). |
|
(196) |
Voorts heeft de Commissie, net als in het oorspronkelijke onderzoek, het effect dat het aanbod aan sojabonen wegens de maatregelen van de Argentijnse overheid op de binnenlandse prijs van sojabonen in Argentinië heeft, geanalyseerd. |
|
(197) |
De Commissie heeft zich daarbij gebaseerd op de gemiddelde binnenlandse prijs van sojabonen in Argentinië, die is gebaseerd op maandelijkse gegevens van de graanbeurs in Buenos Aires voor Rosario, Bahía Blanca en Quequén, die door de Argentijnse overheid zijn verstrekt. |
|
(198) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek hebben de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs daadwerkelijk in zekere mate sojabonen ingevoerd. Hoewel de ondernemingen deze invoer niet voor de productie van biodiesel hebben gebruikt — de invoer werd gebruikt voor de productie van sojaolie die vervolgens werd uitgevoerd — kon de prijs van deze invoer als representatief worden beschouwd, aangezien de sojabonen werden ingevoerd om te worden verwerkt door vermaling en als sojaolie opnieuw te worden uitgevoerd, en de prijs ervan de wereldmarktprijs voor sojabonen weerspiegelde (Golf van Mexico). |
|
(199) |
Grafiek 3 hieronder toont de prijsschommelingen tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek (behalve voor de maanden waarvoor geen binnenlandse prijs werd gemeld) en het prijsverschil tussen de Argentijnse binnenlandse prijs en de wereldmarktprijs. Grafiek 3 Argentijnse binnenlandse prijs tegenover de wereldmarktprijs
|
|
(200) |
Grafiek 3 toont het prijsverschil tussen de Argentijnse binnenlandse prijs en de wereldmarktprijs, alsook de cif-invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, gedurende het gehele tijdvak van het nieuwe onderzoek. Door het belastende beleid van de Argentijnse overheid kunnen de telers van sojabonen geen winst maken op basis van de wereldmarktprijzen. De telers van sojabonen wordt in feite een rationele keuzemogelijkheid onthouden om op de internationale markten tegen veel hogere prijzen te verkopen. |
|
(201) |
In plaats daarvan behalen zij vergelijkbare winsten op zowel de binnenlandse als de internationale markt, waarbij de binnenlandse prijzen met het bedrag van de uitvoerheffing moeten worden verminderd. Zo drukt de Argentijnse overheid de binnenlandse prijzen ten voordele van de binnenlandse downstreambedrijfstakken. |
|
(202) |
De Argentijnse overheid “belast” door de telers van sojabonen een rationele keuzemogelijkheid te onthouden. Zoals uit de grafiek blijkt, is het verschil tussen de binnenlandse prijzen en de internationale prijzen gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek bovendien niet alleen consistent gebleven, maar heeft het de bedrijfstak voor biodiesel en alle andere downstreambedrijfstakken (zoals de vermalerijen, die hoofdzakelijk geïntegreerd zijn met biodieselproducenten) ook beschermd tegen de hogere prijzen op de internationale markt. |
|
(203) |
De reeks maatregelen van de Argentijnse overheid heeft bijgevolg zijn vooropgezette doel bereikt, namelijk de binnenlandse prijzen verlagen tegen de achtergrond van de stijgende internationale prijzen ten voordele van de binnenlandse bedrijfstak met toegevoegde waarde, waaronder de bedrijfstak voor biodiesel. |
|
(204) |
In het licht van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de telers van sojabonen in Argentinië de levering van sojabonen aan de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel is toevertrouwd of dat zij daarmee zijn belast tegen minder dan een toereikende beloning. |
|
(205) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CARBIO aan dat de Commissie in het huidige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen niet tot de conclusie was gekomen dat producenten van sojabonen de prijs van sojabonen niet vrij konden vaststellen, in tegenstelling tot wat in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld (81). CARBIO merkte op dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens de controle uitlegden dat kopers en verkopers op de sojabonenmarkt vrij transacties verrichten en prijzen vaststellen. Bovendien voerde CARBIO aan dat de uitvoerheffing de leveranciers van sojabonen niet van hun rationele keuze beroofde en hun vermogen om te exporteren niet ondermijnde, zoals blijkt uit tabel 1 en overweging 195. Tot slot stond het de telers vrij om te beslissen welke gewassen zij wilden verbouwen. |
|
(206) |
In tegenstelling tot wat werd beweerd, concludeerde de Commissie in overweging 161 dat de binnenlandse prijs van sojabonen, net als in het oorspronkelijke onderzoek, onder de wereldmarktprijs bleef en dat de producenten van sojabonen als gevolg van de uitvoerheffing niet vrij waren om de uitvoerprijs vast te stellen. De verklaringen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs spraken deze twee bevindingen niet tegen. Bovendien heeft de Commissie in de overwegingen 161, 193, 194 en 195 reeds uitgelegd hoe de handelingsvrijheid van de producenten van sojabonen door de Argentijnse overheid werd ingeperkt. Tot slot weerhield de vrijheid om te beslissen welke gewassen te telen de Commissie er niet van om in overweging 135 te concluderen dat de optimale uitvoervolumes ertoe bijdroegen dat de productie van sojabonen werd bevoordeeld ten opzichte van die van mais en tarwe. Derhalve werden deze argumenten afgewezen. |
|
(207) |
De Argentijnse overheid voerde aan dat het gebrek aan bewijs wat betreft het optreden van de Argentijnse overheid om de exportactiviteiten van producenten van sojabonen te ondersteunen, niet mag worden gelijkgesteld met bewijs van het tegendeel. Bovendien heeft de Commissie er volgens de Argentijnse overheid geen rekening mee gehouden dat de internationale grondstoffenmarkt complex is en dat producenten van sojabonen deze markt niet rechtstreeks maar veeleer via handelaren betreden. |
|
(208) |
De Commissie merkte op dat haar bevinding betrekking had op de mate van discretionaire bevoegdheid van de producenten van sojabonen die door de Argentijnse overheid werd beperkt, op basis van positief bewijsmateriaal dat in het kader van het onderzoek was verzameld — en niet op het ontbreken daarvan — en dat de Argentijnse overheid na de mededeling van de definitieve bevindingen geen aanvullend bewijsmateriaal heeft verstrekt. Het feit dat het over het algemeen handelaren zijn die zich op de internationale grondstoffenmarkt begeven, zou de uitvoer door producenten van sojabonen niet moeten belemmeren. Argentijnse producenten-exporteurs van biodiesel voeren immers doorgaans via handelaren uit. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.3.4. De functie die de overheid normaal zou vervullen en de praktijk die in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen
|
(209) |
Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek (82), was de Commissie van oordeel dat de levering van sojabonen op Argentijnse bodem aan de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel een taak is die de overheid normaal zelf vervult, op grond van het feit dat staten krachtens het algemene internationale recht soevereiniteit hebben over hun natuurlijke hulpbronnen. In plaats van de inputs rechtstreeks aan de bedrijfstak voor biodiesel te leveren met het oog op de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de Argentijnse overheid om de ontwikkeling van de bedrijfstak voor biodiesel te stimuleren, met inbegrip van zijn uitvoerpotentieel, zet de Argentijnse overheid particuliere entiteiten er door middel van een reeks maatregelen toe aan dit namens de Argentijnse overheid te doen, en daarmee een functie te vervullen die in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen en het afstand doen van inkomsten met zich brengt. |
|
(210) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat de levering van sojabonen geen functie was die normaal gesproken door de overheid wordt vervuld, omdat de Argentijnse overheid niet deelnam aan de activiteiten in verband met de productie van sojabonen. Evenzo voerde CARBIO aan dat de Commissie niet had aangetoond dat besluiten van particuliere leveranciers over de productie en verkoop van sojabonen, ingezaaid op grond in particulier bezit in Argentinië, een functie is die normaal gesproken door de Argentijnse overheid zelf wordt vervuld. Volgens de Argentijnse overheid en CARBIO betekent het feit dat een staat regelgevende bevoegdheden kan uitoefenen met betrekking tot natuurlijke hulpbronnen op zijn grondgebied, niet dat de levering van die natuurlijke hulpbronnen aan particuliere ondernemingen ook een functie is die normaal gesproken door de overheid zelf wordt vervuld. Integendeel, de commerciële exploitatie, distributie en verkoop van natuurlijke hulpbronnen is een functie die normaal gesproken door particuliere ondernemingen zelf wordt vervuld, waarbij de rol van de staat beperkt is tot regulering en toezicht. Met andere woorden, terwijl de regulering van en het toezicht op natuurlijke hulpbronnen een functie is die normalerwijze door de overheid zelf wordt vervuld, is het rechtstreeks leveren van natuurlijke hulpbronnen aan particuliere entiteiten dat niet. |
|
(211) |
Wat ten eerste de argumenten betreft dat de Argentijnse overheid niet deelnam aan de productie van sojabonen, dat de leveranciers in particuliere handen zijn en dat zij sojabonen verkopen die op grond in particuliere handen zijn geteeld, merkte de Commissie op dat de Argentijnse overheid de producenten van sojabonen functies heeft toevertrouwd of hen met functies heeft belast om een bepaalde beleidsdoelstelling te verwezenlijken. De levering van sojabonen door de producenten van sojabonen aan wie die functie was toevertrouwd, verschilde niet van een situatie waarin de Argentijnse overheid zelf rechtstreeks de sojabonen produceerde. Bovendien is de Commissie het niet eens met het kunstmatige onderscheid dat CARBIO maakt, namelijk dat de commerciële exploitatie, distributie en verkoop van natuurlijke hulpbronnen geen functie is die normaal gesproken wordt vervuld door de overheid zelf, die beperkt is tot de regulering van en het toezicht op natuurlijke hulpbronnen. Het gevolg van een dergelijke benadering zou zijn dat de levering van goederen of diensten tegen een minder dan toereikende beloning nooit kan worden beschouwd als een functie die door de overheid zelf wordt vervuld, omdat de functie van de staat eenvoudigweg zou bestaan uit het reguleren van de levering van dergelijke goederen of diensten. De Commissie heeft een dergelijk onderscheid niet aanvaard en was van oordeel dat, juist dankzij de uitoefening van de regelgevende bevoegdheden van de Argentijnse overheid bij de levering van sojabonen, de levering van sojabonen kan worden beschouwd als een functie die normaal gesproken door de overheid zelf wordt vervuld. In deze context is het feit dat de ontvangers van dit goed particuliere entiteiten zijn en geen staatsbedrijven, niet van invloed op deze conclusie, aangezien het irrelevant is voor de beleidsdoelstelling om de bedrijfstak voor biodiesel te ontwikkelen. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.3.5. Conclusie over de financiële bijdrage
|
(212) |
Door een reeks maatregelen, waaronder heffing van uitvoerrechten, kwantitatieve beperkingen, subsidies aan binnenlandse producenten en openbare beleidsverklaringen, heeft de Argentijnse overheid de binnenlandse telers van sojabonen aangespoord om sojabonen lokaal te verkopen en hen “toevertrouwd” en hen ermee “belast” deze grondstof in Argentinië tegen een minder dan toereikende beloning te leveren. De maatregelen in kwestie hebben het gewenste effect gesorteerd, namelijk het verstoren van de binnenlandse sojabonenmarkt in Argentinië en het verlagen van de prijs naar een kunstmatig laag niveau, in het voordeel van de downstreambedrijfstak voor biodiesel. De functie bestaande in de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning is een functie die de overheid normaliter zelf vervult met het oog op de beleidsdoelstelling om de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. De praktijk van de telers van sojabonen met betrekking tot de uitoefening van deze functie wijkt bovendien in werkelijkheid niet af van de praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen als zij vergelijkbare beleidsdoelstellingen nastreven door andere vormen van ondersteuning (zoals subsidies of inkomsten waarvan de overheid heeft afgezien). |
|
(213) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de Argentijnse overheid een onrechtstreekse financiële bijdrage in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening heeft verstrekt, zoals geïnterpreteerd en toegepast in overeenstemming met de relevante WTO-norm krachtens artikel 1.1, punt a), iv), van de SCM-overeenkomst. |
3.3.1.4.
|
(214) |
In het oorspronkelijke onderzoek was de Commissie van oordeel dat de categorieën “financiële bijdrage” en ”inkomens- of prijzensteun” elkaar niet uitsluiten (83). Overeenkomstig deze interpretatie heeft de Commissie niet alleen onderzocht of de door de Argentijnse overheid genomen reeks maatregelen kon worden aangemerkt als “financiële bijdrage” in de vorm van de levering van goederen tegen een minder dan toereikende beloning, maar ook of de reeks maatregelen van de Argentijnse overheid kon worden aangemerkt als inkomens- of prijzensteun in de zin van artikel 3, lid 1, punt b), van de basisverordening (84). |
|
(215) |
Zoals aangegeven in het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal, was de Commissie van oordeel dat de indiener van het verzoek in het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bewijsmateriaal heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de reeks maatregelen van de Argentijnse overheid ook kon worden aangemerkt als inkomens- of prijzensteun in de zin van artikel 3, lid 1, punt b), van de basisverordening. De Commissie heeft derhalve ten eerste onderzocht of de Argentijnse overheid nog altijd blijk gaf van haar voornemen om de oprichting en ontwikkeling van de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen; ten tweede, welke maatregelen de Argentijnse overheid, al dan niet in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, heeft vastgesteld om de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen, en ten derde of deze maatregelen konden worden gekwalificeerd als “enige vorm van inkomens-/prijzensteun” in de zin van artikel XVI van de GATT 1994. |
3.3.1.4.1. Het voornemen van de Argentijnse overheid om de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen
|
(216) |
In het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie in het kader van de analyse van inkomens- of prijzensteun gewezen op wetgeving waaruit blijkt dat de Argentijnse overheid voornemens is de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen, met name Decreet nr. 1396/2001 (85), Resolutie 1156/2004 (86) en de biobrandstoffenwet van 2006. |
|
(217) |
In het huidige onderzoek heeft de Commissie, naast de in de overwegingen 117 tot en met 122 genoemde elementen inzake de uitvoerheffing, en de conclusie die is getrokken met betrekking tot de optimale uitvoervolumes van mais en tarwe in overweging 136 en de subsidies aan telers van sojabonen in overweging 150, onderzocht of uit de latere wetgeving bleek dat de Argentijnse overheid een expliciet beleid hanteerde om de ontwikkeling van de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de biobrandstoffenwet van 2006 niet langer van kracht en was deze vervangen door de biobrandstoffenwet van 2021, waarbij het mandaat voor de levering van biodiesel aan de binnenlandse markt werd vastgesteld. |
|
(218) |
In overweging 38 heeft de Commissie reeds herinnerd aan de taken van het secretariaat van Energie, oftewel de handhavingsautoriteit in het kader van de biobrandstoffenwet van 2021. Met het oog op de analyse van de inkomens- of prijsondersteuning herinnert de Commissie eraan dat de rol van het secretariaat van Energie erin bestaat “de beschikbaarheid te garanderen van de inputs die nodig zijn voor de voorbereiding van biobrandstoffen voor de verplichte bijmenging, door knopen te kunnen doorhakken en de mechanismen vast te kunnen stellen die het nodig acht om die te verwerven volgens de normale en gebruikelijke marktomstandigheden en zonder enige verstoring, waarbij in voorkomend geval de uitvoerprijs van dergelijke inputs wordt beperkt, verminderd met de respectieve kosten” (87). Uit deze taak blijkt dat de Argentijnse overheid de productie van sojabonen heeft opgezet met het oog op de productie van biodiesel en om ervoor te zorgen dat hier voldoende aanbod van is. Daartoe was de Argentijnse overheid gemachtigd om, na aftrek van de relevante kosten, een maximumprijs vast te stellen voor de inputs voor biodiesel die in het kader van het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt werden verkocht, in overeenstemming met de uitvoerprijs van dergelijke inputs. Met andere woorden, de prijs van de voor de binnenlandse markt bestemde inputs zou lager zijn geweest dan de prijs van de voor de uitvoermarkt bestemde inputs. Uit deze bepaling blijkt derhalve dat de Argentijnse overheid met de biobrandstoffenwet van 2021 voornemens was de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. |
|
(219) |
Dit wordt nader en uitdrukkelijk bevestigd in artikel 16 van de biobrandstoffenwet van 2021 getiteld “Invoersubstitutie”, dat het secretariaat van Energie machtigt “de invoer van fossiele brandstoffen te vervangen door biobrandstoffen” en “investeringen voor de industrialisering van nationale grondstoffen te bevorderen” (88). Zoals de Argentijnse overheid tijdens de controle ter plaatse heeft bevestigd, heeft industrialisering (industrialización) in de context van de waardeketen van sojabonen betrekking op het vermalen zelf. Daarom verwijst artikel 16 van de biobrandstoffenwet van 2021 in de praktijk naar de bevordering van investeringen in de vermaling van sojabonen ter bevordering van de productie van biodiesel. Dit is een aanvullend middel om de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. |
|
(220) |
Daarnaast bleef de beoordeling van de vaststelling van de binnenlandse prijs van biodiesel in het oorspronkelijke onderzoek (89) geldig tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Op grond van de biobrandstoffenwet van 2021 is de Argentijnse overheid in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de prijs blijven vaststellen van de biodiesel die op de binnenlandse markt werd verkocht in het kader van het leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt, oftewel vrijwel de gehele binnenlandse markt voor biodiesel. |
|
(221) |
In het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd de binnenlandse prijs van biodiesel bijna maandelijks vastgesteld, zonder onderscheid tussen soorten ondernemingen; deze prijs was openbaar te raadplegen (90). |
|
(222) |
Geen enkele van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft tijdens het onderzoektijdvak quota ontvangen en de binnenlandse markt bediend (hoewel dit voor andere producenten van biodiesel in de Renova-Group wel het geval was). In de perioden binnen het tijdvak van het nieuwe onderzoek waarin de binnenlandse prijzen onveranderd bleven en de producenten-exporteurs opgaven wat hun uitvoer had opgebracht, leken de door de Argentijnse overheid vastgestelde binnenlandse prijzen echter hoger te zijn dan de gemiddelde fob-uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Bij de fob-uitvoerprijs ging het om de prijs zowel exclusief als inclusief de uitvoerheffing op biodiesel (behalve in twee perioden waarin de binnenlandse prijzen en uitvoerprijzen op elkaar waren afgestemd, met inbegrip van de uitvoerheffing op biodiesel). |
|
(223) |
Door de prijs van binnenlandse biodiesel kunstmatig op een kunstmatig hoog niveau vast te stellen, heeft de Argentijnse overheid dus een beleid van prijzensteun voor de verkoop door kleine en middelgrote biodieselproducenten op de binnenlandse markt gevoerd. |
De expliciete steun van de Argentijnse overheid op nationaal en provinciaal niveau aan de bedrijfstak voor biodiesel
|
(224) |
Daarnaast heeft de indiener van het verzoek als bewijs aangevoerd dat de Argentijnse overheid de bedrijfstak voor biodiesel blijft steunen in de vorm van i) het financieringsprogramma voor werkkapitaal in de bedrijfstak voor biodiesel overeenkomstig Resolutie 947/2023 (91), en ii) de inkomsten waarvan is afgezien uit hoofde van de biobrandstoffenwet van 2021. |
|
(225) |
Dit zijn nieuwe vermeende regelingen met betrekking tot biodieselproducenten en de Commissie heeft deze in de respectieve punten hieronder geanalyseerd om vast te stellen of er in het kader van deze regelingen een voordeel is toegekend. Om vast te kunnen stellen of hieruit steun door de Argentijnse overheid aan de bedrijfstak voor biodiesel blijkt, heeft de Commissie de rechtsgrondslagen ervan — die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht waren — alsook een publieke verklaring daarover geanalyseerd. Bewijsmateriaal uit de biobrandstoffenwet van 2021 is vermeld in de overwegingen 218 en 219. Bovendien leek artikel 22 van de biobrandstoffenwet van 2021, zoals uiteengezet in de overwegingen 313 en 314, te voorzien in een vrijstelling van de belasting op vloeibare brandstoffen en de CO2-heffing, die alleen van toepassing zijn op biodiesel van nationale oorsprong die in brandstoffen is gemengd. Tijdens de controle ter plaatse leek de Argentijnse overheid dit standpunt te delen. Het antwoord van de Argentijnse overheid op de vragenlijst leek er daarentegen echter op te duiden dat, overeenkomstig artikel 4 van titel III van wet nr. 23.966 (92), de met brandstoffen gemengde biodiesel, van nationale oorsprong of ingevoerd, nooit onderworpen is aan de belasting op vloeibare brandstof en de CO2-heffing, aangezien dergelijke belastingen alleen worden geheven op de benzine, de gasolie of de dieselcomponent van de gemengde brandstof, ongeacht of deze component of de gemengde biodiesel van nationale oorsprong of ingevoerd is. Artikel 4 voorzag immers niet in een tarief voor biodiesel, waar dit wel het geval was voor andere brandstoffen. Het bleef derhalve onduidelijk of er sprake was van discriminatie in de belastingheffing op basis van de oorsprong van de biodiesel. |
|
(226) |
Zoals uiteengezet in overweging 315, was het niet mogelijk om een voordeel in het kader van deze regeling te berekenen, aangezien deze belasting kennelijk werd geheven op de gemengde brandstof die het resultaat was van het mengen verderop in de waardeketen, en niet op het niveau van de biodieselproducenten. Uit het feit op zich dat biobrandstoffen, met inbegrip van biodiesel (zoals uitdrukkelijk vermeld in artikel 4 van titel III van wet nr. 23.966), worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de belasting op vloeibare brandstoffen en de CO2-heffing, blijkt echter duidelijk dat de Argentijnse overheid voornemens was het verbruik van biodiesel, met name biodiesel van nationale oorsprong, te bevorderen en aldus de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. |
|
(227) |
Het financieringsprogramma voor werkkapitaal in de bedrijfstak voor biodiesel heeft daarentegen tot doel “betere financieringsvoorwaarden te bieden voor de aankoop van de noodzakelijke inputs voor de productie van biodiesel voor verplichte vermenging met diesel op grond van wet nr. 27.640” (93). Ter gelegenheid van een ceremonie voor de uitvoering van het programma heeft de president van de Banco de la Nación Argentina (“BNA”), een van de grootste banken van het land die volledig in handen is van de staat, uitdrukkelijk verklaard dat het krediet tot doel had “meer banen te scheppen, te kunnen blijven exporteren, en vreemde valuta aan te houden” (94). Hieruit volgt dat er geen twijfel bestaat over het feit dat het financieringsprogramma voor werkkapitaal in de bedrijfstak voor biodiesel tot doel had de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen door betere financieringsvoorwaarden te bieden, met name ter ondersteuning van de uitvoer van biodiesel. Hoewel de Commissie in overweging 311 heeft geconcludeerd dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet hebben geprofiteerd van het financieringsprogramma, was de regeling in het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht voor in aanmerking komende biodieselproducenten en vormde zij derhalve geldig bewijsmateriaal met het oog op de inkomens- of prijzensteun. |
|
(228) |
Bovendien voerde de indiener van het verzoek aan dat uit verschillende handelingen van provinciale overheden bleek dat de steun voor de bedrijfstak voor biodiesel ook op provinciaal niveau werd verleend. |
|
(229) |
Meer in het bijzonder meldde de indiener van het verzoek ten eerste dat de provincie Santa Fe een programma had gelanceerd dat erop gericht is voor alle openbare bussen biodiesel in zuivere vorm (B100) te gebruiken (95). |
|
(230) |
Ten tweede kondigde de provincie Córdoba de financiering aan van kredieten ter bevordering van de lokale productie en het lokale verbruik van biodiesel (96). |
|
(231) |
Ten derde stelde de provincie Córdoba haar beleid ter bevordering van biobrandstoffen vast in de vorm van provinciale wet nr. 10721 (97), die tot doel had de productie van biodiesel te consolideren en de vervanging van fossiele brandstoffen door biodiesel te bevorderen. Provinciale wet nr. 10721 voorziet in verschillende doelstellingen, waaronder de consolidatie van de productie van biobrandstoffen en “het bevorderen van de geleidelijke vervanging van fossiele brandstoffen door [...] het preferentiële verbruik van biobrandstoffen, met als doel grootschalig gebruik te bevorderen” (cursivering toegevoegd) (98). |
|
(232) |
Al deze maatregelen op provinciaal niveau zijn na het oorspronkelijke onderzoek getroffen. |
|
(233) |
De nieuwe maatregel van de provincie Santa Fe was bedoeld om het “massaal gebruik van biobrandstoffen (biodiesel [...])” (99) in diverse economische sectoren te bevorderen, waaronder met name het openbaar vervoer en het wagenpark. Naast de verplichting voor het openbaar vervoer en de voertuigen die worden gebruikt om openbare aanbestedingen uit te voeren om biodiesel in zuivere vorm (B100) als brandstof te gebruiken, voorzag de provinciale wet van Santa Fe in de mogelijkheid om “vrijstelling en/of verlaging van de bruto inkomstenbelasting, zegelbelasting en/of enkele motorrijtuigenbelasting” toe te kennen aan ondernemingen die hebben bijgedragen tot de doelstellingen van de provinciale wet van Santa Fe 14010 (100). Deze bijdrage werd gemeten op basis van de investeringen die deze ondernemingen hadden gedaan om het gebruik van biodiesel in hun activiteiten te vergroten. Zo heeft de provinciale wet van Santa Fe nr. 14010 door de investeringen van particuliere ondernemingen via belastingvrijstellingen te belonen, het gebruik van biodiesel (en dus de verkoop van biodiesel in de provincie) in veel economische sectoren in de provincie actief bevorderd. De belastingvrijstellingen van de provincie Santa Fe waarvan biodieselproducenten hadden geprofiteerd, zijn specifiek geanalyseerd in de overwegingen 270 tot en met 289. Wat betreft inkomens- of prijzensteun bleek uit de provinciale wet van Santa Fe nr. 14010 het voornemen van de Argentijnse overheid om de bedrijfstak voor biodiesel op provinciaal niveau te ondersteunen. |
|
(234) |
Wat de nieuwe door de provincie Córdoba getroffen maatregelen betreft, heeft de indiener van het verzoek erkend dat aangevoerd bewijs van door de provincie Córdoba verleende subsidies in het oorspronkelijke onderzoek was afgewezen op grond van het feit dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet profiteerden van de provinciale wetgeving van Córdoba (101). Niettemin voerde de indiener van het verzoek aan dat deze elementen alsnog van belang waren, aangezien zij de lokale toepassing van nationaal beleid inzake biobrandstoffen aantoonden en relevant zouden kunnen zijn indien het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen gericht zou zijn op andere in de steekproef opgenomen producenten. |
|
(235) |
De Commissie merkte op dat, hoewel er ten opzichte van het oorspronkelijke onderzoek een andere steekproef is gebruikt, geen enkele in de steekproef opgenomen producent-exporteur in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen biodiesel produceerde in de provincie Córdoba. Zij konden dan ook niet profiteren van de hier vermelde regelingen. De door de provincie Córdoba toegekende subsidies waarvoor de indiener van het verzoek de Commissie had verzocht een nieuw onderzoek in te stellen, verschilden echter van de hier vermelde subsidies en worden behandeld in de overwegingen 297, 298 en 299. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen konden evenmin profiteren van de hier vermelde subsidies, aangezien zij niet in de provincie Córdoba waren gevestigd. Het kan echter niet worden uitgesloten dat andere biodieselproducenten in de provincie Córdoba hiervan in het tijdvak van het nieuwe onderzoek hadden kunnen profiteren. De Commissie was derhalve, uitsluitend met het oog op inkomens- of prijzensteun, van oordeel dat uit deze maatregelen bleek dat de Argentijnse overheid voornemens was de bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen op provinciaal niveau. |
Conclusie inzake het voornemen van de Argentijnse overheid om de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen
|
(236) |
De Commissie concludeerde derhalve dat de Argentijnse overheid ook in het tijdvak van het nieuwe onderzoek kennelijk voornemens was de ontwikkeling van de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel te ondersteunen. |
3.3.1.4.2. Ondersteunende maatregelen voor de bedrijfstak voor biodiesel
|
(237) |
Zoals besproken in de overwegingen 216 tot en met 236 heeft de Argentijnse overheid duidelijk gestreefd naar ondersteuning van de bedrijfstak voor biodiesel door middel van een reeks maatregelen, waaronder het kunstmatig verstoren van de binnenlandse markt voor sojabonen, de prijsstelling van de in het kader van het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt verkochte biodiesel, het financieringsprogramma voor werkkapitaal in de bedrijfstak voor biodiesel uit hoofde van Resolutie 947/2023, de inkomsten waarvan is afgezien uit hoofde van de biobrandstoffenwet van 2021, en de door de provincies Santa Fe en Córdoba getroffen maatregelen. Deze maatregelen voorzagen in directe of indirecte ondersteuning van de inkomsten van biodieselproducenten. Bovendien heeft de Argentijnse overheid met de biobrandstoffenwet van 2021 de reeds bij de biobrandstoffenwet van 2006 vastgestelde stimuleringsregeling voor de productie van biodiesel voortgezet. De Commissie concludeerde derhalve op basis van de beschikbare gegevens dat de Argentijnse overheid in de jaren na het oorspronkelijke onderzoek gebruik is blijven maken van een reeks maatregelen om de inkomens in de bedrijfstak voor biodiesel te ontwikkelen en te ondersteunen. |
3.3.1.4.3. De reeks maatregelen die de Argentijnse overheid heeft vastgesteld kunnen worden gekwalificeerd als “enige vorm van inkomens-/prijzensteun” in de zin van artikel XVI van de GATT 1994
|
(238) |
Met de in de overwegingen 216 tot en met 236 beschreven reeks maatregelen verleent de Argentijnse overheid inkomenssteun aan de bedrijfstak voor biodiesel. |
|
(239) |
Bovendien heeft de Argentijnse overheid door middel van de biobrandstoffenwet van 2021 een verplichte bijmengverplichting voortgezet volgens welke mengbedrijven in Argentinië biodiesel moeten kopen tegen door de Argentijnse overheid vastgestelde kunstmatig hoge prijzen en prijzensteun wordt verleend aan de bedrijfstak voor biodiesel. |
|
(240) |
Uit al deze maatregelen blijkt dat de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel wordt gesteund en kunstmatig wordt gestimuleerd. |
|
(241) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de Argentijnse overheid via de bovengenoemde reeks maatregelen de bedrijfstak voor biodiesel direct of indirect inkomens- of prijzensteun verleent en zo bijdraagt tot zijn concurrentievermogen. |
|
(242) |
Zoals bleek in het oorspronkelijke onderzoek heeft de Argentijnse overheid door de binnenlandse biodieselmarkt te reguleren en alleen de kleinere biodieselondernemingen quota toe te kennen, gezorgd voor een bedrijfstak waarin de grootste producenten worden belemmerd om op de binnenlandse markt te verkopen en zij dus volledig op de uitvoer zijn gericht, waardoor het concurrentievermogen op de uitvoermarkt van de bedrijfstak voor biodiesel wordt bevorderd (102). Tabel 2 Argentijnse productie en uitvoer van biodiesel (in MT)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(243) |
Zoals blijkt uit tabel 2 bleef de bedrijfstak voor biodiesel een op uitvoer gerichte bedrijfstak. Sinds 2020 werd zelfs tot 74 % van de productie uitgevoerd, afhankelijk van het jaar, en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd bijna de helft van de productie uitgevoerd. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs legden uit dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (waarin de verbintenis van kracht was) de prijzen in de Unie — hun enige uitvoerbestemming in het tijdvak van het nieuwe onderzoek — laag waren, en dat zij over het algemeen alleen producten uitvoerden wanneer de prijzen in vergelijking met de uit hoofde van de verbintenis geldende minimuminvoerprijs hoog genoeg waren om winst te maken. Tegelijkertijd betekende het verhoogde leveringsmandaat voor biodiesel (12,5 %) en de mogelijkheid om het aanvullende mandaat ook te laten leveren door ondernemingen die normaal gesproken niet onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vallen, tot medio oktober 2022 dat een groter deel van de productie naar het binnenlandse verbruik ging in plaats van naar de uitvoer. Dit verklaart het feit dat het percentage van de uitvoer ten opzichte van de productie lager is dan in voorgaande jaren. Een vergelijkbare situatie deed zich voor in 2020, toen het leveringsmandaat voor biodiesel bij de biobrandstoffenwet van 2006 was vastgesteld op 10 %, voordat het in 2021 werd verlaagd naar 5 % bij de biobrandstoffenwet van 2021 (om vervolgens vanaf juni 2022 te worden verhoogd naar 7,5 %). In dit verband houdt een hoger leveringsmandaat voor diesel een hoger binnenlands verbruik in, terwijl een lager leveringsmandaat voor diesel een stimulans vormt voor de uitvoer. Door het leveringsmandaat in het kader van de biobrandstoffenwet van 2021 te verlagen, heeft de Argentijnse overheid ervoor gezorgd dat de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel steeds meer gericht is op de uitvoermarkt. De lagere niveaus van productie en totale uitvoer in absolute cijfers tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek waren te wijten aan een algemene daling van de productie als gevolg van de droogte in Argentinië die gevolgen had voor de grondstof van biodiesel, te weten sojabonen. |
|
(244) |
De steun aan de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel heeft de uitvoer van biodiesel dus bevorderd, waardoor de biodieselproducenten op oneerlijke wijze konden concurreren met biodieselproducenten in andere landen die niet van lagere inputprijzen genoten. De Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel is nog altijd hoofdzakelijk gericht op de uitvoermarkten, en met name de markt van de Unie. |
3.3.1.4.4. Conclusies inzake inkomens- of prijzensteun
|
(245) |
De Argentijnse overheid voerde aan dat de kwalificatie van uitvoerheffingen als inkomens- of prijzensteun voor de bedrijfstak voor biodiesel haaks staat op de rol van uitvoerheffingen op biodiesel bij het toevertrouwen van of belasten met functies, aangezien de prijzen van de bedrijfstak voor biodiesel daardoor daalden. |
|
(246) |
De Commissie merkte op dat de analyse van het toevertrouwen van of belasten met functies gericht was op de uitvoerheffingen op sojabonen, en niet op biodiesel, en op de gevolgen voor de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning, met lagere kosten en hogere winsten/inkomsten tot gevolg. Daarmee hebben deze uitvoerheffingen, naast andere steunmaatregelen van de Argentijnse overheid, bijgedragen tot de verlening van inkomens- of prijzensteun. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(247) |
Daarom concludeerde de Commissie dat de Argentijnse overheid door middel van een reeks maatregelen direct of indirect inkomens- of prijssteun bleef verlenen aan de bedrijfstak voor biodiesel in de zin van artikel 3, lid 1, punt b), van de basisverordening, wat resulteerde in de uitvoer van het grootste deel van de binnenlandse productie. |
|
(248) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat de meeste maatregelen ter ondersteuning van de bevinding inzake inkomens- of prijzensteun betrekking hebben op de binnenlandse markt, waaraan exporteurs van biodiesel niet mogen deelnemen. Dit gold met name voor de bevinding in overweging 218 met betrekking tot de biobrandstoffenwet van 2021, die inputs voor de productie van biodiesel voor de binnenlandse markt garandeert. De Argentijnse overheid voerde ook aan dat het secretariaat geen zeggenschap heeft over sojabonen, omdat dit geen directe input voor biodiesel is, en dat de maximumprijs van toepassing is op de inputs voor de productie van biodiesel binnen het mandaat en niet op de biodiesel zelf. Een dergelijke maximumprijs gold alleen als de marktvoorwaarden voor de aankoop van de inputs niet van toepassing waren. |
|
(249) |
De Commissie was het hier niet mee eens. Uit het onderzoek bleek inderdaad dat individuele ondernemingen binnen de groepen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs aan de binnenlandse markt voor biodiesel deelnamen. Bovendien heeft de biobrandstoffenwet van 2021 gevolgen voor de exporteurs omdat hij de exporterende entiteiten verbiedt op de binnenlandse markt actief te zijn en hen daarom tot uitvoer verplicht. Bovendien bevoordeelt de steun voor de levering van inputs voor de productie van biodiesel voor de binnenlandse markt ook individuele ondernemingen binnen de groepen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Wat de bevoegdheid van het secretariaat over inputs voor biodiesel betreft, legde de Argentijnse overheid niet uit wat het doel van deze wettelijke bepaling is, tenzij de continuïteit van het aanbod en de maximumprijs van sojabonen garanderen. De Argentijnse overheid specificeerde niet welke andere inputs dan sojabonen in de wettelijke bepaling werden genoemd. Tot slot werd de binnen het mandaat verkochte biodiesel al verkocht tegen een door de overheid gereguleerde prijs en had deze geen extra door het secretariaat vastgestelde maximumprijs nodig. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.5.
|
(250) |
Nu is vastgesteld dat de in de overwegingen 101 tot en met 150 beschreven reeks maatregelen een financiële bijdrage van de Argentijnse overheid vormt door middel van het aan particuliere lichamen toevertrouwen van een functie of het met een functie belasten van particuliere lichamen en/of dat de in de overwegingen 216 tot en met 236 beschreven reeks maatregelen inkomens-/prijzensteun vormt, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 5 van de basisverordening de hoogte van de subsidie berekend in termen van het door de ontvanger daarmee verkregen voordeel waarvan het bestaan in het tijdvak van het nieuwe onderzoek is vastgesteld. |
|
(251) |
Net als in het oorspronkelijke onderzoek en aangezien de meeste maatregelen van de Argentijnse overheid tot doel hadden de binnenlandse prijs van sojabonen kunstmatig te verlagen, wat tot een hoger inkomen voor de Argentijnse biodieselproducenten heeft geleid, heeft de Commissie aan de hand van het verschil tussen de door de binnenlandse biodieselproducenten betaalde prijzen en een referentiepunt op basis van de voor sojabonen heersende marktomstandigheden in Argentinië onderzocht of de steun van de Argentijnse overheid aan de bedrijfstak voor biodiesel een voordeel inhield. |
|
(252) |
De Commissie heeft eerst de gewogen gemiddelde aankoopprijs van sojabonen berekend die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek is betaald door de in de steekproef opgenomen Argentijnse producenten-exporteurs. Het gewogen gemiddelde werd per maand berekend, op basis van de sojabonen zoals geleverd door de telers van sojabonen aan de biodieselfabrieken in Argentinië. |
|
(253) |
De gemiddelde aankoopprijs werd gebaseerd op de prijzen (exclusief btw) en hoeveelheden die in de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs ingediende lijsten met facturen per transactie werden aangegeven en die tijdens controles ter plaatse werden gecontroleerd. |
|
(254) |
Deze gemiddelde prijs moest met een passend referentiepunt worden vergeleken. Net als in het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie gebruikgemaakt van de maandelijkse gewogen gemiddelde prijs van sojabonen die door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden ingevoerd. Deze werden op cif-basis ingevoerd en hadden gemiddeld hetzelfde prijsniveau, ongeacht de oorsprong ervan. De werkelijke invoerprijzen van sojabonen die tegen cif-voorwaarden aan de fabrieken voor vermaling zijn geleverd, lagen op hetzelfde prijsniveau als de wereldmarktprijs, die wordt uitgedrukt als de prijs Golf van Mexico. De invoer van sojabonen vertegenwoordigde een aanzienlijk deel van de aankopen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, namelijk 38 %, een hoger percentage dan in het oorspronkelijke onderzoek als gevolg van de droogte in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Deze aankopen waren verdeeld over honderden transacties. |
|
(255) |
Derhalve was de Commissie van oordeel dat de werkelijke prijzen die de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor ingevoerde sojabonen hebben betaald, worden geacht de onverstoorde marktomstandigheden in Argentinië weer te geven, met inbegrip van de algemeen geldende leveringskosten die zijn inbegrepen in de uiteindelijke prijs (103). |
|
(256) |
Het feit dat die door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs ingevoerde sojabonen niet voor de productie van biodiesel, maar voor de productie van sojaolie werden gebruikt, doet niets af aan deze conclusie, omdat de vraag naar sojabonen voor de productie van biodiesel in Argentinië tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek volledig werd gedekt door het binnenlandse aanbod van sojabonen. Tegelijkertijd zijn er geen kwaliteitsverschillen tussen de verschillende beschikbare sojabonen die de ingevoerde sojabonen onbruikbaar zouden maken voor de productie van biodiesel. De Commissie was derhalve van oordeel dat die aankopen een passend referentiepunt vormden. |
|
(257) |
Op basis hiervan heeft de Commissie de werkelijke prijs waartegen de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs sojabonen in Argentinië hebben ingevoerd (die alle uit buurlanden afkomstig waren), gebruikt als de dichtst mogelijke benadering van onverstoorde Argentijnse binnenlandse prijzen voor deze producten. Zoals uiteengezet in overweging 254 lagen die prijzen op hetzelfde niveau als de wereldmarktprijzen. |
|
(258) |
Vervolgens heeft de Commissie per maand een vergelijking gemaakt tussen de prijs die de Argentijnse producenten voor in eigen land geproduceerde sojabonen hebben betaald en de gewogen gemiddelde werkelijke invoerprijs voor sojabonen. Deze invoer vond volledig plaats in het kader van een tijdelijke invoerregeling en was daarom niet onderworpen aan invoerrechten. De door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werkelijk betaalde prijs werd geacht overeen te komen met de in Argentinië heersende marktvoorwaarden en -omstandigheden. |
|
(259) |
Het totale bedrag van het verschil komt overeen met de “besparing” die door de Argentijnse biodieselproducenten die sojabonen aankopen op de verstoorde Argentijnse markt is verkregen, ten opzichte van de prijs die zij zonder de verstoringen zouden hebben betaald. Uiteindelijk komt dit totale bedrag overeen met het in het tijdvak van het nieuwe onderzoek door de Argentijnse producenten van de Argentijnse overheid verkregen voordeel. |
|
(260) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie het bedrag van deze subsidies omgeslagen over de totale omzet van de op sojabonen gebaseerde productie van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak (de noemer), omdat de subsidie een voordeel verleende aan de gehele productie van op sojabonen gebaseerde producten en niet enkel aan het voor de uitvoer bestemde betrokken product of de voor uitvoer bestemde productie. |
|
(261) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de Argentijnse overheid en CARBIO aan dat de Commissie de conclusie dat de gemiddelde invoerprijzen de heersende marktvoorwaarden weerspiegelden, niet voldoende had gemotiveerd; waarbij zij refereerden aan het ontbreken van verstoringen en erop wezen i) dat de invoerprijzen in overeenstemming waren met de wereldmarktprijzen en ii) dat zij een aanzienlijk deel van de aankopen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vertegenwoordigden. CARBIO voerde aan dat deze redenering in tegenspraak was met de bevinding van de Commissie in overweging 190 dat in het binnenland geproduceerde sojabonen volledig hebben voldaan aan de binnenlandse vraag naar een input voor de binnenlandse biodieselproductie en dat ingevoerde sojabonen niet voor de productie van biodiesel werden gebruikt. |
|
(262) |
In tegenstelling tot wat werd beweerd, legde de Commissie in overweging 254 uit waarom de invoerprijs van sojabonen die werkelijk door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd betaald, de heersende marktomstandigheden weerspiegelde. Bovendien zijn het feit dat de invoerprijzen overeenkwamen met de wereldmarktprijzen — in tegenstelling tot de Argentijnse binnenlandse prijzen— en dat de invoer een aanzienlijk deel van de aankopen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vertegenwoordigde, belangrijke elementen om vast te stellen dat een benchmark de heersende marktvoorwaarden weerspiegelt. Het feit dat ingevoerde sojabonen niet voor de productie van biodiesel werden gebruikt, doet niets af aan deze conclusie omdat ingevoerde sojabonen in dezelfde maalinstallaties werden vermalen als in Argentinië geproduceerde sojabonen die voor de productie van biodiesel werden gebruikt. Naast de door CARBIO in herinnering gebrachte bevindingen van de Commissie nam de Commissie in overweging 258 dus ook het feit in aanmerking dat ingevoerde sojabonen werden geleverd in de havens in de nabijheid van de installaties die werden gebruikt voor het malen van zowel binnenlandse als ingevoerde sojabonen voor de productie van biodiesel. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(263) |
Bovendien voerde CARBIO aan dat de gemiddelde invoerprijzen van sojabonen geen geschikte benchmark vormden omdat zij de marktomstandigheden in Argentinië niet weerspiegelden. Met name werden ingevoerde sojabonen ingevoerd in het kader van de tijdelijke invoerregeling en niet gebruikt voor de productie van biodiesel, en werden zij geleverd onder cif-voorwaarden, terwijl voor de binnenlandse aankoop van sojabonen geen internationale leveringskosten in rekening werden gebracht. |
|
(264) |
De Commissie merkte op dat zij in overweging 262 al had beschreven waarom zij van mening was dat de ingevoerde sojabonen de heersende marktomstandigheden in Argentinië weerspiegelden. Bovendien was de Commissie van oordeel dat de cif-invoerprijs passend was, omdat deze prijs een afspiegeling vormt van de prijs van de in de haven gevestigde fabriek voor vermaling, waar ook in het binnenland geproduceerde sojabonen voor de productie van biodiesel werden vermalen. Zoals in overweging 254 al is gezegd, lagen de cif-invoerprijzen bovendien op hetzelfde prijsniveau als de wereldmarktprijs. Ten slotte voegde CARBIO geen verdere argumenten toe waarom de invoerprijs geen geschikte benchmark zou zijn. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(265) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CARBIO ook aan dat de Commissie bij de berekening van het voordeel alleen rekening had gehouden met het verschil tussen de voor binnenlandse sojabonen betaalde prijs en de benchmark wanneer de betaalde prijs lager was dan de benchmark. Wanneer de voor binnenlandse sojabonen betaalde prijs echter hoger was dan de benchmark, heeft de Commissie het verschil buiten beschouwing gelaten, terwijl het bedrag boven de benchmark van het totale bedrag van het voordeel had moeten worden afgetrokken. |
|
(266) |
De Commissie merkte op dat de methode voor de berekening van het voordeel voor de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning gerechtvaardigd was. Het panel in de zaak VS — Anti-Dumping and Countervailing Duties (China) oordeelde immers dat “het niet “compenseren” van positieve voordeelbedragen met “negatieve” voordeelbedragen” in overeenstemming was met de SCM-overeenkomst (104). Bovendien was de Commissie in elk geval van oordeel dat het argument niet doeltreffend was omdat, zelfs als de Commissie de door CARBIO voorgestelde methode zou toepassen, de voortzetting van de subsidiëring nog steeds zou worden vastgesteld op basis van de resulterende subsidiemarge. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.1.6.
|
(267) |
De reeks maatregelen van de Argentijnse overheid was erop gericht een voordeel toe te kennen aan bepaalde bedrijfstakken, waaronder de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel. Hoewel de verstoringen betreffende sojabonen ook een voordeel verlenen aan andere downstreamproducten dan biodiesel, is het voordeel slechts beschikbaar voor bepaalde bedrijfstakken in Argentinië, namelijk producenten in de waardeketen voor sojabonen. Daarnaast blijkt de specifieke focus van de Argentijnse overheid op de bedrijfstak voor biodiesel in de waardeketen van sojabonen uit het verband tussen sojabonen en biodiesel in de desbetreffende wetgeving zoals vermeld in de overwegingen 117 tot en met 122. Zelfs indien de steun voor biodiesel van de Argentijnse overheid door middel van diverse maatregelen ook aan andere biobrandstoffen wordt verleend, blijven deze maatregelen toch beperkt tot een groep ondernemingen of bedrijfstakken. Zij zijn derhalve specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening. |
3.3.1.7.
|
(268) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat de Argentijnse overheid door middel van een reeks maatregelen, te weten de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning en/of inkomens- of prijzensteun, steun heeft verleend aan de bedrijfstak voor biodiesel. De Argentijnse overheid heeft de ontvangers een voordeel verleend dat specifiek is en dus neerkomt op een subsidie die aanleiding geeft tot compenserende maatregelen. |
3.3.1.8.
|
(269) |
Het subsidiepercentage dat in het kader van deze reeks maatregelen voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:
|
3.3.2. Door de provincie Santa Fe verleende vrijstellingen van de provinciale belasting
|
(270) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat producenten van biodiesel in de provincie Santa Fe nog steeds profiteren van inkomsten waarvan de overheid afstand doet door het gedurende een periode van 15 jaar verlenen van belastingvrijstellingen, zoals door de Commissie vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek (105). |
3.3.2.1.
|
(271) |
Uit het onderzoek is gebleken dat een van de rechtsgrondslagen die in het oorspronkelijke onderzoek werden genoemd, namelijk de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 (106), inderdaad nog altijd van toepassing was en dat de enige wijziging ervan werd vastgesteld bij de provinciale wet van Santa Fe nr. 12956 (107), waarin de belastingen werden bepaald die in aanmerking kwamen voor de vrijstelling: vennootschapsbelasting, leges, onroerendgoedbelasting, belasting op diensten en motorrijtuigenbelasting (108). Dit is nader ten uitvoer gelegd bij regelgevend Decreet nr. 158/07 (109) en de bijlage daarbij, en Resolutie 121/21 (110), waarin het model voor het verzoek is opgenomen. |
|
(272) |
De provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 heeft als opschrift “provinciale toetreding” tot wet nr. 26.093, waarin het vorige leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt is geregeld. Hoewel deze laatste is vervangen door de biobrandstoffenwet van 2021, is de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 niet verder gewijzigd. |
|
(273) |
Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek voorziet provinciale wet nr. 12692 in belastingvrijstellingen (evenals -verlagingen of -uitstel) voor ondernemingen in de provincie die zich bezighouden met onderzoek, ontwikkeling, opwekking, productie en gebruik van producten die verband houden met hernieuwbare energie, en met name de productie van biodiesel. Biobrandstoffen worden vermeld in artikel 3, punt c), artikel 4, artikel 5, punt d), en artikel 10 van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692, en de productie van biodiesel wordt specifiek vermeld in artikel 10 van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692. |
|
(274) |
Uit het huidige onderzoek is ook gebleken dat de belastingvrijstellingen weliswaar voor een periode van maximaal 15 jaar kunnen worden verleend, maar dat zij jaarlijks kunnen worden verlengd. Verlengingen worden niet automatisch verleend, maar pas nadat is aangetoond dat de begunstigde de gesubsidieerde activiteit heeft voortgezet, ten minste 80 % van de productie heeft vervuld en het aantal werknemers heeft aangehouden dat werd toegezegd bij de oorspronkelijke aanvraag van de belastingvrijstelling. De jaarlijkse verlenging was ook afhankelijk van de budgettaire ruimte waarover de provinciale overheid van Santa Fe beschikte op basis van de jaarlijkse begrotingswet (111). |
|
(275) |
Uit het onderzoek is gebleken dat er sinds 2020 geen jaarlijkse verlengingen zijn toegekend op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat bepaalde ondernemingen in de Renova-Group biodiesel produceerden in Santa Fe, die later werd uitgevoerd door Viterra en Molinos Agro, en dat zij in het verleden, d.w.z. vóór het tijdvak van het nieuwe onderzoek, van deze vrijstelling hadden geprofiteerd. Deze ondernemingen hadden in het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog altijd recht op de vrijstelling van leges en de onroerendgoedbelasting (d.w.z. hun vrijstelling viel nog steeds binnen de toegekende periode van 15 jaar); al vóór het tijdvak van het nieuwe onderzoek ontvingen zij geen jaarlijkse verlenging van de vrijstellingen. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs van biodiesel (LDC Argentinië, Molinos Agro en Viterra Argentinië) kwamen niet in aanmerking voor de belastingvrijstellingen omdat zij niet rechtstreeks eigenaar waren van de productiefaciliteiten in Santa Fe of omdat de begunstigden van de belastingvrijstellingen uitsluitend gemachtigd moesten zijn voor de gestimuleerde activiteit, in dit geval de productie van biodiesel, terwijl de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zich bezighielden met uiteenlopende productiewerkzaamheden en activiteiten die verder gingen dan de productie van biodiesel (112). |
|
(276) |
Hoewel een van zijn biodieselproducenten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog altijd recht had op vrijstelling van leges en de onroerendgoedbelasting, heeft de Renova-Group in het tijdvak van het nieuwe onderzoek derhalve geen belastingvrijstellingen genoten uit hoofde van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692. |
|
(277) |
Uit het onderzoek is gebleken dat er belastingvrijstellingen waren verleend op basis van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 (113). |
|
(278) |
Bij provinciale wet nr. 8478 van Santa Fe, die dateert van 1979, is, samen met provinciaal decreet 3856/1979 en provinciaal Decreet 1361/2022 (114), een systeem ingevoerd ter bevordering van de industriële ontwikkeling van de provincie, met inbegrip van de toekenning van belastingvrijstellingen, -verlagingen of -uitstel voor een maximumduur van maximaal 10 jaar (115). Er werd een systeem van jaarlijkse verlenging toegepast dat vergelijkbaar is met dat van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692. |
|
(279) |
Tot de bedrijfstakken die onder deze regeling vallen, behoorden alle ondernemingen die betrokken waren bij een industriële activiteit die “fysische, chemische of fysisch-chemische verwerking in vorm of in essentie van grondstoffen of materialen tot nieuwe producten door middel van een geïnduceerd proces, door de toepassing van uniforme productietechnieken, het gebruik van machines of apparaten en de herhaling van unitaire handelingen of processen in vaste installaties met zich meebrengt” (116). De productie van biodiesel voldoet aan deze beschrijving. |
|
(280) |
Wat de onderlinge relatie tussen de stelsels van belastingvrijstelling betreft, voorziet de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 in een bijzondere regeling en de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 in een algemene regeling. In het regelgevingskader voor het stelsel van belastingvrijstelling in het kader van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 is immers bepaald dat “Voor gevallen waarin deze verordeningen niet voorzien, zijn de bepalingen betreffende aanvullende en regelgevende normen, als vervat in de “industriële stimuleringsregeling — wet nr. 8.478”, subsidiair van toepassing” (117). Hoewel de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 alleen van toepassing was op ondernemingen die zich bezighouden met hernieuwbare energie, met name de productie van biodiesel, was de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 derhalve van toepassing op een groter aantal bedrijfstakken. |
|
(281) |
Producenten van biodiesel in de provincie Santa Fe vielen echter onder beide wetten. Met name in het geval van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 profiteerde de Renova-Group van de belastingvrijstellingen, aangezien er geen beperking geldt voor het aantal bedrijfsactiviteiten waarbij de begunstigde kan worden betrokken. |
|
(282) |
Dit blijkt uit het feit dat een producent van biodiesel in de Renova-Group, welke biodiesel later door Molinos Agro en Viterra Argentinië werd uitgevoerd, vóór het tijdvak van het nieuwe onderzoek recht had op vrijstelling van leges en de onroerendgoedbelasting op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478. Dit blijkt voorts uit het feit dat aan een in de steekproef opgenomen producent-exporteur in de Renova-Group kort na het tijdvak van het nieuwe onderzoek een nieuwe vrijstelling van de vennootschapsbelasting, de onroerendgoedbelasting en de motorrijtuigenbelasting werd verleend. |
|
(283) |
Tot slot is er geen bewijs geleverd van vrijstelling van omzetbelasting in Santa Fe uit hoofde van artikel 127 en van vrijstelling van leges in Santa Fe uit hoofde van artikel 183.29. Specifiek met betrekking tot de vrijstelling van omzetbelasting hebben CARBIO en de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs toegelicht dat de omzet van de uitvoer geen relevante omzet is die onderworpen is aan de provinciale vennootschapsbelasting, zoals bepaald in artikel 179, punt c), van de belastingwet van Santa Fe (118). |
|
(284) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat er met betrekking tot dit programma sprake was van niet-gespecificeerde fouten en een gedeeltelijke interpretatie. Daar dit argument niet onderbouwd was, heeft de Commissie het van de hand gewezen. |
3.3.2.2.
|
(285) |
Ondanks het feit dat één groep van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs recht had op vrijstelling van leges en de onroerendgoedbelasting op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692, werden er in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen belastingvrijstellingen verleend aangezien er geen jaarlijkse verlengingen waren uitgevoerd. Het was dan ook niet mogelijk om een eventueel voordeel te berekenen. |
|
(286) |
Er werden geen belastingvrijstellingen verleend op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478, aangezien de vrijstellingen voor één groep van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs ofwel vóór het begin van het tijdvak van het nieuwe onderzoek waren verlopen ofwel pas daarna werden verleend. |
3.3.2.3.
|
(287) |
De belastingvrijstellingen op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 zijn rechtens specifiek, aangezien zij alleen van toepassing waren op de sectoren die verband houden met hernieuwbare energie, met name met de productie van biodiesel. Daarnaast is de regeling ook regionaal specifiek in de zin dat zij alleen ten goede komt aan de genoemde bedrijfstakken die in de provincie Santa Fe activiteiten hebben ontplooid of hier hebben geïnvesteerd. |
|
(288) |
De belastingvrijstellingen op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 zijn rechtens specifiek, aangezien zij alleen van toepassing waren op de in artikel 4 van provinciaal Decreet nr. 3856/1979 beschreven bedrijfstakken, welke beschrijving de productie van biodiesel omvat. Daarnaast is de regeling ook regionaal specifiek in de zin dat zij alleen ten goede komt aan de genoemde bedrijfstakken die in de provincie Santa Fe activiteiten hebben ontplooid of hier hebben geïnvesteerd. |
3.3.2.4.
|
(289) |
Aangezien in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen voordeel werd ontvangen, was het niet mogelijk de hoogte van de subsidie te berekenen. |
3.4. Oorspronkelijk onderzochte regelingen waarvoor geen voordeel werd vastgesteld
|
(290) |
De indiener van het verzoek verzocht de Commissie een nieuw onderzoek in te stellen naar bepaalde programma’s waarvan de Commissie had vastgesteld dat zij in het oorspronkelijke onderzoek niet waren verstrekt aan de Argentijnse in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
3.4.1. Verstrekking van leningen en exportfinanciering tegen preferentiële voorwaarden en preferentiële leningen
|
(291) |
De indiener van het verzoek voerde in het oorspronkelijke onderzoek aan dat de BNA — waarover de Argentijnse overheid feitelijk het dagelijkse beheer voert via haar bevoegdheid om alle leden van de raad van bestuur te benoemen — exportfinanciering en preferentiële leningen heeft verstrekt die specifiek de bedrijfstak voor biodiesel van Argentinië tot voordeel hebben gestrekt. Om in het kader van dit programma een krediet te ontvangen, moest de ontvanger aantonen dat de financiering werd toegepast ten behoeve van de verschillende stadia van het productie- en commercialiseringsproces voor de uitvoer van het product. |
3.4.1.1.
|
(292) |
Er werden geen bewijzen gevonden dat er tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek door de BNA leningen of uitvoerkredieten aan de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zouden zijn verstrekt. |
3.4.1.2.
|
(293) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs geen preferentiële leningen hebben ontvangen tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
3.4.2. Inkomsten waarvan de overheid afstand doet of die zij niet int uit hoofde van de biobrandstoffenwet van 2006
|
(294) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat artikel 13, punt d), en artikel 15.1 van de biobrandstoffenwet van 2006 de ontwikkeling van biobrandstoffen bevorderden en in verschillende middelen voorzagen om de binnenlandse bedrijfstak voor biodiesel te helpen ontwikkelen en ondersteunen, waarmee de subsidie specifiek is. Er werden diverse fiscale subsidies toegekend, onder meer voor de versnelde afschrijving van kapitaalgoederen. Om voor dit voordeel in aanmerking te komen, moet een onderneming haar statutaire zetel in Argentinië hebben en zich uitsluitend bezighouden met de ontwikkeling van biobrandstoffen. Versnelde afschrijving stelt de biodieselproducenten in staat hun belastingschuld te verminderen door hun belastbare inkomen te verlagen. De belastingverlaging wordt beschouwd als een financiële bijdrage van de overheid, aangezien het gaat om inkomsten waarvan afstand is gedaan. Daarnaast biedt artikel 15 van de biobrandstoffenwet van 2006 producenten van biodiesel de mogelijkheid om de belastinggrondslag op basis waarvan de minimaal veronderstelde vennootschapsbelasting wordt berekend, te verlagen. Om in aanmerking te komen, moet de onderneming gevestigd zijn in Argentinië en zich uitsluitend bezighouden met de ontwikkeling van biobrandstoffen, en moet de ontvanger een producent van biobrandstoffen zijn. |
3.4.2.1.
|
(295) |
Uit het onderzoek is gebleken dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek een voordeel heeft ontvangen uit hoofde van de in artikel 13, punt d), en de in artikel 15 van de biobrandstoffenwet van 2006 genoemde stimulansen. |
3.4.2.2.
|
(296) |
Deze maatregel is tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gebruikt en daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat hiervoor geen voordeel kon worden vastgesteld. De Commissie merkte voorts op dat de bepalingen van de biobrandstoffenwet van 2006 zijn komen te vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de biobrandstoffenwet van 2021 (119), zodat het nog altijd onduidelijk was of artikel 13, punt d), en de in artikel 15, lid 1, van de biobrandstoffenwet van 2006 nog van kracht waren en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek tot enig voordeel hadden geleid. |
3.4.3. Door de provincie Córdoba verleende vrijstellingen van de provinciale belasting
|
(297) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat de provincie Córdoba verschillende belastingvoordelen had vastgesteld bij de provinciale wet van Córdoba nr. 9397 (120), die de “provinciale toetreding” tot de biobrandstoffenwet van 2006 vormde. De ontwikkeling en het duurzame gebruik van biobrandstoffen werden voor een periode van 15 jaar wettelijk vrijgesteld van de vennootschapsbelasting, belastingen op productie, industrialisering en opslag, en leges met betrekking tot besluiten, overeenkomsten en transacties met betrekking tot biobrandstoffen. Alleen ondernemingen met rechtspersoonlijkheid die biobrandstoffen produceren, verwerken en/of opslaan, kwamen in aanmerking. Biobrandstofprojecten konden voorts profiteren van steun in de vorm van leningen van de centrale bank, tegen een verlaagde rentevoet en besparingen van het energieverbruik. |
3.4.3.1.
|
(298) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de belastingvrijstellingen beschikbaar waren voor producenten van biobrandstoffen in de provincie Córdoba (121). In het huidige onderzoek is deze bevinding bevestigd. In het tijdvak van het huidige onderzoek was echter geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs van biodiesel in de provincie Córdoba gevestigd. |
3.4.3.2.
|
(299) |
De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben derhalve geen voordeel gehad bij deze belastingvrijstelling en daarom concludeerde de Commissie dat hier geen voordeel voor kon worden vastgesteld. De Commissie concludeerde echter dat de subsidie nog steeds van kracht was. |
3.4.4. Door de provincie Buenos Aires verleende vrijstellingen van de provinciale belasting
|
(300) |
Volgens de indiener van het verzoek heeft de provincie Buenos Aires de provinciale wet nr. 13.719 vastgesteld teneinde de begunstigden vrij te stellen van de betaling van bruto-inkomstenbelasting en onroerendgoedbelasting gedurende een periode van 15 jaar, op voorwaarde dat het project bestemd was voor uitvoerdoeleinden, dat de installatie zich in de provincie Buenos Aires bevond, en dat de begunstigden overeenkomstig de biobrandstoffenwet van 2006 als producenten van biobrandstoffen waren gekwalificeerd en geregistreerd. |
3.4.4.1.
|
(301) |
Uit het oorspronkelijke onderzoek bleek dat de belastingvrijstellingen beschikbaar waren voor producenten van biobrandstoffen in de provincie Buenos Aires (122). In het huidige onderzoek is deze bevinding bevestigd. In het tijdvak van het huidige onderzoek was echter geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs van biodiesel in de provincie Buenos Aires gevestigd. |
3.4.4.2.
|
(302) |
De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben derhalve geen voordeel gehad bij deze belastingvrijstelling en daarom concludeerde de Commissie dat hier geen voordeel voor kon worden vastgesteld. De Commissie concludeerde echter dat de subsidie nog steeds van kracht was. |
3.4.5. Systeem van de provincie Santiago del Estero voor stimulering en industriële ontwikkeling (“PSPID”) — provinciale wet nr. 6750
|
(303) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat in 2005 in de provincie Santiago del Estero een provinciaal systeem is ingevoerd voor industriële promotie en ontwikkeling ter bevordering van nieuwe bedrijfstakken in de provincie en ter uitbreiding van bestaande bedrijfstakken, overeenkomstig de provinciale wet van Santiago del Estero nr. 6750 (123). De volgende acht voordelen waren beschikbaar: 1) terugbetaling van maximaal dertig procent van de gedane investeringen voor een periode van maximaal vijf jaar; 2) terugbetaling van maximaal vijftig procent of een belastingkrediet met het oog op de betaling van toekomstige belastingen voor investeringen in wegen, elektriciteitsnetten enz., uitgevoerd door de bij de projecten betrokken ondernemingen; 3) volledige of geleidelijke vrijstelling van bestaande of nog in te stellen provinciale belastingen; 4) voorzieningen voor de aankoop, een locatie- of bruikleenovereenkomst met een koopoptie binnen een periode van vijf jaar en het leasen van roerend goed en onroerend goed van de provinciale overheid; 5) verlening van administratieve, technologische en financiële bijstand en technische adviesdiensten door overheidsorganisaties; 6) steun en deelname door de staat bij het beheer van vrijstellingen en belasting- en tariefverlagingen, stimulerings- of beschermingsmaatregelen en andere belastingvrijstellingen (nulrecht) op nationaal of gemeentelijk niveau; 7) subsidies tot vijftig procent van de rentevoet van de kredietlijn voor de gestimuleerde ondernemingen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden, en 8) de toekenning van leningen ter bevordering van investeringen. |
3.4.5.1.
|
(304) |
Uit het onderzoek is gebleken dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het tijdvak van het huidige onderzoek echter gevestigd was in de provincie Santiago del Estero. |
3.4.5.2.
|
(305) |
De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben derhalve geen voordeel gehad bij deze belastingvrijstelling en daarom concludeerde de Commissie dat hier geen voordeel voor kon worden vastgesteld. De Commissie concludeerde echter dat de subsidie nog steeds van kracht was. |
3.5. Nieuwe regelingen
|
(306) |
De indiener van het verzoek heeft nieuwe vermeende subsidies in kaart gebracht die in het oorspronkelijke onderzoek niet waren onderzocht. |
3.5.1. Rechtstreekse overdracht van middelen: financieringsprogramma voor werkkapitaal in de bedrijfstak voor biodiesel
|
(307) |
Bij Resolutie 947/2023 (124) is een financieringsprogramma voor de biobrandstoffensector in Argentinië ingesteld, dat geldig is tot en met 31 december 2023. Het hoofddoel van de resolutie was het bevorderen van de ontwikkeling van de bedrijfstak voor biobrandstoffen in Argentinië. Volgens dit programma werd 988 000 000 ARS uit de nationale schatkist geïnvesteerd in het Nationaal Fonds voor Productieve Ontwikkeling (“FONDEP”). |
|
(308) |
Volgens de indiener van het verzoek bood FONDEP kleine en middelgrote ondernemingen gunstige financieringsvoorwaarden voor de aankoop van inputs die nodig zijn voor de productie van biodiesel. Zoals reeds aangehaald in overweging 225 heeft de president van de BNA uitdrukkelijk verklaard dat het krediet tot doel had “meer banen te scheppen, te kunnen blijven exporteren, en vreemde valuta aan te houden” (125). |
3.5.1.1.
|
(309) |
Uit het onderzoek is gebleken dat dit programma, dat bestemd was voor kleine en middelgrote ondernemingen, bedoeld was ter ondersteuning van biodieselproducenten die onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vielen, oftewel niet de exporteurs van biodiesel. Hoewel sommige producenten van biodiesel in de Renova-Group onder het leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vielen, hebben zij in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen beroep gedaan op financiering vanuit FONDEP. Uit het onderzoek is derhalve gebleken dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het tijdvak van het nieuwe onderzoek financiering vanuit FONDEP heeft ontvangen. |
|
(310) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat er met betrekking tot dit programma sprake was van niet-gespecificeerde fouten en een gedeeltelijke interpretatie. Daar dit argument niet onderbouwd was, heeft de Commissie het van de hand gewezen. |
3.5.1.2.
|
(311) |
Deze maatregel is tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gebruikt en daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat hiervoor geen voordeel kon worden vastgesteld. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek bleef de regeling echter beschikbaar voor in aanmerking komende biodieselproducenten. |
3.5.2. Inkomsten waarvan is afgezien uit hoofde van de nieuwe biobrandstoffenwet nr. 27640 van 2021
|
(312) |
Volgens de indiener van het verzoek is in de nieuwe biobrandstoffenwet van 2021 bepaald dat biobrandstoffen zijn vrijgesteld van de belasting op vloeibare brandstoffen en van de CO2-heffing. Bovendien zijn in de biobrandstoffenwet van 2021 belastingvoordelen vastgesteld voor biobrandstoffen in de vorm van een lagere belasting over de toegevoegde waarde, lagere vennootschapsbelasting, lagere belastingen op de invoer van diesel en lagere belastingen op de waterstofinfrastructuur. |
3.5.2.1.
|
(313) |
Uit het onderzoek is gebleken dat in artikel 22 van de biobrandstoffenwet van 2021 is vastgesteld dat “biodiesel en bio-ethanol niet zullen worden belast uit hoofde van de belasting op vloeibare brandstoffen en de CO2-heffing (ICO2), zoals respectievelijk vastgesteld in titel III, hoofdstukken I en II, van wet nr. 23966, waarbij voornoemde behandeling zich uitstrekt tot alle stadia van de productie, distributie en het in de handel brengen. In het geval van menging van die biobrandstoffen met fossiele brandstoffen wordt de belasting alleen geheven op de fossielebrandstofcomponent die aan het mengsel wordt toegevoegd. De fiscale behandeling waarin dit artikel voorziet, is van toepassing tot de datum van beëindiging van de regeling en zal van toepassing zijn zolang de belangrijkste grondstoffen die in de respectieve productieprocessen worden gebruikt, van nationale oorsprong zijn”. |
|
(314) |
In artikel 4 van titel III van wet nr. 23966 is echter het volgende bepaald: “In het geval van biodiesel en bio-ethanol zal de belasting volledig worden voldaan door de betaling van de belasting op de bestanddelen nafta, gasolie en dieselolie of andere belaste bestanddelen. Dit is niet van toepassing op biobrandstoffen in zuivere vorm.” Artikel 4 voorzag niet in een tarief voor biodiesel, in tegenstelling tot andere brandstoffen. |
|
(315) |
Het bleef derhalve onduidelijk of er sprake was van discriminatie in de belastingheffing op basis van de oorsprong van de biodiesel. Het was echter duidelijk dat zuivere biodiesel, zoals het betrokken product, niet aan de belasting was onderworpen. Bovendien bleek, in tegenstelling tot wat in het verzoek werd beweerd, dat de belasting werd geheven op brandstofmengsels op basis van biodiesel, die door de mengbedrijven verderop in de waardeketen worden geproduceerd. Hoewel deze bevindingen relevant kunnen zijn voor de analyse van de inkomens- of prijzensteun, zoals aangegeven in de overwegingen 225 en 227, stelde de Commissie vast dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet rechtstreeks van deze belastingvrijstelling profiteerden omdat het huidige onderzoek biodiesel en de producenten-exporteurs ervan betreft — en niet van biodiesel afgeleide mengsels van brandstoffen. |
|
(316) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Argentijnse overheid aan dat er met betrekking tot dit programma sprake was van niet-gespecificeerde fouten en een gedeeltelijke interpretatie. Daar dit argument niet onderbouwd was, heeft de Commissie het van de hand gewezen. |
3.5.2.2.
|
(317) |
Deze maatregel is tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gebruikt en daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat hiervoor geen voordeel kon worden vastgesteld. |
3.6. Conclusie inzake subsidiëring
|
(318) |
De Commissie heeft het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies berekend overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen, door het enige subsidieprogramma te onderzoeken waarvan zij in het tijdvak van het nieuwe onderzoek voordeel bleken te hebben ontvangen, oftewel de steun van de Argentijnse overheid aan de bedrijfstak voor biodiesel, onder meer door de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning. Om de subsidiëring uit hoofde van deze regeling te berekenen, heeft de Commissie eerst het percentage van de subsidiëring berekend, oftewel de hoogte van de subsidie als percentage van de totale omzet van de onderneming bij de verkoop van op sojabonen gebaseerde producten. Dit percentage werd vervolgens gebruikt om de subsidie te berekenen die werd toegekend voor uitvoer van het betrokken product naar de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Daarna werd het subsidiebedrag per ton betrokken product berekend die tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek naar de Unie was uitgevoerd, en werden de marges berekend als percentage van de cif-waarde (kosten, verzekering en vracht) van dezelfde uitvoer per ton. |
|
(319) |
Het totale subsidiebedrag overschrijdt de in artikel 14, lid 5, van de basisverordening vermelde de-minimisdrempel. |
|
(320) |
Bovendien heeft de Commissie vastgesteld dat, zelfs indien zij niet door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden gebruikt, andere oorspronkelijk onderzochte subsidies samen met andere nieuwe subsidies van kracht bleven. Derhalve werd geconcludeerd dat de onderzochte subsidieregelingen van toepassing waren tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
3.7. Waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring
|
(321) |
Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van subsidiëring, is de Commissie, in overeenstemming met artikel 18, lid 2, van de basisverordening, nagegaan of voortzetting van subsidiëring waarschijnlijk zou zijn indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. |
|
(322) |
In dit verband heeft de Commissie de volgende elementen onderzocht: de voorzienbare toekomstige ontwikkelingen van het beleid van de Argentijnse overheid, de productiecapaciteit en reservecapaciteit in Argentinië, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, met inbegrip van de verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijsniveau in de Unie, en de mogelijke absorptiecapaciteit van derde landen. |
3.7.1. Toekomstige ontwikkelingen van het beleid van de Argentijnse overheid
|
(323) |
Er werd vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies van de Argentijnse overheid zijn blijven ontvangen. Er werd vastgesteld dat de subsidiëring ook op nationaal niveau voortduurde, aangezien de meeste regelingen in het hele land beschikbaar waren voor exporteurs van biodiesel. |
|
(324) |
Wat de uitvoerheffing op sojabonen en sojaolie betreft, heeft de Argentijnse overheid tijdens de controle ter plaatse bevestigd dat de tarieven van 31 % voor sojaolie en 33 % voor sojabonen na het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog steeds van toepassing waren. Uit openbare informatie bleek dat dit tot ten minste juli 2024 het geval was (126). Bovendien heeft de Argentijnse overheid tijdens de controle ter plaatse bevestigd dat het uitvoerheffingtarief van 29 % voor biodiesel ook na het tijdvak van het nieuwe onderzoek nog steeds van toepassing was. Ook hier bleek uit openbare informatie dat dit tot ten minste juli 2024 het geval was (127). Tijdens de controle ter plaatse merkte de Argentijnse overheid voorts op dat uitvoerheffingen nog steeds belangrijke inkomsten zijn voor de federale begroting van Argentinië. |
|
(325) |
Wat betreft de optimale uitvoervolumes die, zoals uiteengezet in overweging 132, ook na het tijdvak van het nieuwe onderzoek werden gehanteerd, gaf de Argentijnse overheid aan dat het nieuwe Argentijnse overheidsbestuur op 20 december 2023, oftewel na het tijdvak van het nieuwe onderzoek, Decreet nr. 70/2023 (128) heeft vastgesteld, waarvan artikel 142 het beginsel vaststelde dat “de nationale uitvoerende macht geen uitvoer- of invoerverboden of -beperkingen mag vaststellen uit economische overwegingen. Deze mogen alleen bij wet worden vastgesteld”. Beperkingen werden geacht uit economische overwegingen te zijn vastgesteld wanneer zij gericht waren op een reeks doelstellingen, waaronder “het stabiliseren van binnenlandse prijzen totdat zij een passend niveau hebben bereikt of het in stand houden van een aanbodvolume dat aan de behoeften van de binnenlandse markt voldoet” en “het voorzien in de behoeften met betrekking tot de overheidsfinanciën”. Bovendien is in artikel 144 het volgende bepaald: “De nationale uitvoerende macht stelt geen uitvoer- of invoerverboden of -quota vast uit economische overwegingen of op economische gronden.” Dit beginsel is in praktijk gebracht bij Resolutie 302/2024 (129) van 8 mei 2024, tot intrekking van Resolutie 276/2021 en de optimale uitvoervolumes. |
|
(326) |
Het in Decreet nr. 70/2023 verankerde beginsel werd overgenomen in de ontwerpversie van de omnibuswet (130), die een onderdeel bevatte over de invoering van een nieuw regelgevingskader voor biodiesel. Dit onderdeel heeft de parlementaire controle echter niet doorstaan en de omnibuswet is uiteindelijk zonder dit beginsel gepubliceerd. Het vereiste betreffende de plaatselijke toegevoegde waarde en het kader voor het leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt, met inbegrip van de vaststelling van de binnenlandse prijs van biodiesel, zijn derhalve na het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet gewijzigd. De Argentijnse overheid verduidelijkte dat alle onderdelen van de omnibuswet die niet door het Congres zijn aangenomen, zoals het onderdeel dat betrekking heeft op het nieuwe kader voor biobrandstoffen, waarschijnlijk opnieuw aan het Congres zullen worden voorgelegd in een vorm die en op een tijdstip dat de Argentijnse overheid zal vaststellen, hoewel er geen concrete stap in die richting is gezet. |
|
(327) |
Tijdens de controle ter plaatse heeft de Argentijnse overheid nader toegelicht dat er een wetsontwerp tot wijziging van de biobrandstoffenwet van 2021 in behandeling was bij een van de parlementaire commissies van het Lagerhuis. Het project was voorgesteld door de Liga Bioenergética, een groep van zes Argentijnse provincies waar landbouwers en producenten van biodiesel gevestigd zijn. Het werd ook vermeld in openbare informatie (131). Het parlementaire traject was echter nog altijd gaande. |
|
(328) |
Het compensatieprogramma voor kleine en middelgrote producenten van sojabonen en mais is, zoals vermeld in overweging 148, in december 2022, oftewel tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek, stopgezet. |
|
(329) |
Wat de belastingvrijstellingen in de provincie Santa Fe betreft, is, ondanks het feit dat er voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen voordeel kon worden berekend, uit het onderzoek gebleken dat niet alleen de belastingvrijstellingen op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692 nog steeds van kracht waren (en dat een producent van biodiesel in de Renova-Group, welke biodiesel later door Molinos Agro en Viterra Argentinië werd uitgevoerd, nog altijd recht had op vrijstelling van leges en de onroerendgoedbelasting, ondanks het feit dat er geen jaarlijkse verlenging van het recht had plaatsgevonden), maar dat dit ook gold voor belastingvrijstellingen op grond van de provinciale wet van Santa Fe nr. 8478 (en dat een in de steekproef opgenomen producent-exporteur in de Groep Renova kort na het tijdvak van het nieuwe onderzoek een nieuwe vrijstelling kreeg). |
|
(330) |
Samenvattend kan worden gesteld dat de subsidieregelingen die aanleiding geven tot compenserende maatregelen en die in het huidige onderzoek zijn vastgesteld, terugkerende voordelen opleveren en dat er geen aanwijzingen zijn dat — mogelijk in de toekomst door te voeren — wijzigingen in de regelingen ertoe kunnen leiden dat deze terugkerende voordelen worden stopgezet. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de regelingen in de nabije toekomst volledig zullen worden uitgefaseerd of dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet langer voordelen uit hoofde van deze regelingen zouden verkrijgen. |
|
(331) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde CARBIO aan dat slechts één van de subsidieregelingen die in het kader van dit onderzoek werden vastgesteld en die aanleiding geven tot compenserende maatregelen, terugkerende voordelen opleverde, namelijk de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning. |
|
(332) |
De Commissie was het hier niet mee eens. Zoals in overweging 329 vermeld, kon de Commissie voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek weliswaar geen voordeel berekenen in verband met de belastingvrijstellingen in de provincie Santa Fe, maar wordt niet betwist dat na het tijdvak van het nieuwe onderzoek een voordeel werd ontvangen. In ieder geval zijn er, zoals aangegeven in overweging 329, geen aanwijzingen dat de belastingvrijstellingen in de provincie Santa Fe in de nabije toekomst zullen worden afgeschaft. Om na te gaan of het waarschijnlijk is dat de subsidiëring zal worden voortgezet, kan deze regeling dus ook worden beschouwd als een regeling die terugkerende voordelen oplevert. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(333) |
CARBIO meldde ook dat, na het tijdvak van het nieuwe onderzoek, in januari 2025 bij Decreet 38/2025 de uitvoerheffing op sojabonen werd verlaagd van 33 % naar 26 % (132). Eventuele gevolgen voor de producenten van sojabonen zouden dus zijn afgenomen. Bovendien zou volgens CARBIO de uitvoerheffing op sojabonen sinds januari 2025 dus hoger zijn dan de uitvoerheffing op biodiesel (29 %) en zou de Commissie het citaat in overweging 115 moeten herzien, waarbij hogere tarieven worden geheven op grondstoffen en lagere tarieven op eindproducten, wat een prijsvoordeel oplevert voor binnenlandse downstreambedrijfstakken. |
|
(334) |
De Commissie merkte op dat deze verdere aanpassing van de uitvoerheffing op sojabonen bevestigde dat de Argentijnse overheid het recht heeft het uitvoerheffingstelsel regelmatig aan te passen. De Commissie concludeerde daarom dat de betrokken subsidiemaatregelen door deze aanpassing niet werden ingetrokken en dat ook na het tijdvak van het nieuwe onderzoek een voordeel zal worden toegekend. Bovendien merkte de Commissie op dat bij Decreet 38/2025 ook het uitvoerheffingtarief voor biodiesel werd gewijzigd van 29 % in 23 % (133), waardoor het in overweging 115 genoemde citaat werd gehandhaafd. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(335) |
CARBIO voegde daaraan toe dat de verlaging van het uitvoerheffingtarief voor sojabonen, in combinatie met het feit dat de subsidiemarge een verlaging van de subsidiëring ten opzichte van het oorspronkelijke onderzoek liet zien en dat de Commissie in overweging 328 heeft vastgesteld dat het compensatieprogramma voor kleine en middelgrote sojabonen- en maisproducenten is beëindigd, tot de conclusie moet leiden dat voortzetting van subsidiëring niet waarschijnlijk is. |
|
(336) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat de subsidiëring wordt voortgezet, en de door CARBIO vermelde factoren hebben deze conclusie niet afgezwakt, aangezien de andere in de overwegingen 101 tot en met 150 vermelde maatregelen, die samen neerkwamen op de levering van sojabonen tegen een minder dan toereikende beloning, niet zijn beëindigd. Daarom zal ook na het tijdvak van het nieuwe onderzoek een voordeel worden toegekend. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
3.7.2. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Argentinië
|
(337) |
De Commissie heeft onderzocht of de invoer met subsidiëring uit Argentinië in de Unie in aanzienlijke hoeveelheden zou plaatsvinden indien de maatregelen zouden komen te vervallen, en daarmee ook de van kracht zijnde verbintenis waarbij de producenten-exporteurs zich ertoe hebben verbonden om bij uitvoer naar de Unie een minimuminvoerprijs te hanteren. |
|
(338) |
Op basis van door de Argentijnse overheid verstrekte openbaar beschikbare informatie blijkt dat de productiecapaciteit in Argentinië sinds 2020 stabiel is gebleven op 3 920 550 ton (134). Zoals reeds vermeld in overweging 47 bleef de capaciteit stabiel, ook in het licht van de droogte die Argentinië tussen 2022 en 2023 teisterde, hetgeen het tijdelijke karakter van dit verschijnsel bevestigt. |
|
(339) |
In vergelijking met de werkelijke productie resulteerde dit in een reservecapaciteit van meer dan 2 miljoen ton in het tijdvak van het nieuwe onderzoek en gedurende de gehele beoordelingsperiode. Tabel 3 Argentijnse reservecapaciteit (MT)
|
||||||||||||||||||||||||||
|
(340) |
Uit het bovenstaande volgt dat Argentinië in het tijdvak van het nieuwe onderzoek slechts een benuttingsgraad van 30 % had en een aanzienlijke reservecapaciteit in stand hield, ten belope van 15 % van het verbruik in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, zoals weergegeven in tabel 4. Zoals uit de uitvoergegevens in tabel 2 blijkt, kan de aanzienlijke reservecapaciteit niet door de binnenlandse markt worden geabsorbeerd en is deze derhalve grotendeels beschikbaar voor de uitvoer. Hieruit volgt dat, indien de maatregelen zouden komen te vervallen en daarmee ook de van kracht zijnde verbintenis, aanzienlijke invoerhoeveelheden naar de Unie kunnen worden hervat, met name gezien de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, zoals uiteengezet in de volgende overwegingen. |
3.7.3. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(341) |
De Commissie heeft onderzocht of het waarschijnlijk was dat de Argentijnse producenten-exporteurs hun uitvoer tegen gesubsidieerde prijzen naar de markt van de Unie zouden verhogen indien de maatregelen zouden komen te vervallen. De Commissie heeft eerst het gemiddelde prijsniveau van de Argentijnse uitvoer naar de markten van derde landen geanalyseerd en vergeleken met het gemiddelde prijsniveau van de Argentijnse uitvoer naar de markt van de Unie, teneinde de potentiële uitvoerprijs van biodiesel zonder de compenserende maatregelen te bepalen. |
|
(342) |
Om de prijzen van de uitvoer naar de Unie te vergelijken met de prijzen van de uitvoer naar derde landen op hetzelfde niveau, heeft de Commissie het niveau van de prijzen bij uitvoer naar de Unie en het niveau van de prijzen bij uitvoer naar derde landen die openbaar beschikbaar zijn in de Argentijnse uitvoerstatistieken (135), beide op fob-niveau, onderzocht. |
|
(343) |
Op basis hiervan heeft de Commissie vastgesteld dat de eenheidsprijs van biodiesel bij uitvoer naar de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 25 % hoger was dan de eenheidsprijs bij uitvoer naar derde landen (Canada en China), waardoor de markt van de Unie lucratiever (en dus aantrekkelijker) is voor Argentijnse producenten-exporteurs. Rekening houdend met het feit dat de geanalyseerde prijs bij uitvoer naar de Unie wordt beïnvloed door de minimuminvoerprijs in het kader van de verbintenis, toont het niveau van de prijzen bij uitvoer naar derde landen het potentiële niveau aan van de prijzen met subsidiëring naar de Unie zonder de maatregelen en de verbintenis. |
|
(344) |
De controle van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs stelde de Commissie immers in staat inzicht te krijgen in de effecten van de op grond van de verbintenis vastgestelde minimuminvoerprijs. Uit de controle is gebleken dat de Argentijnse producenten-exporteurs, indien de prijzen in de Unie lager zijn dan de minimuminvoerprijs of indien deze prijzen onvoldoende winst mogelijk maken bovenop de minimuminvoerprijs, er de voorkeur aan geven sojaolie of andere tussenproducten uit te voeren als geneutraliseerde olie (geproduceerd op dezelfde productielijn als biodiesel, maar één stap verderop in de productieketen), die niet onderworpen zijn aan compenserende rechten uit de Unie en lagere productiekosten hebben dan biodiesel. Een dergelijk zakelijk besluit vereist geen lange aanpassingstermijnen, aangezien het uiterst gemakkelijk is om biodieselfabrieken in en uit te schakelen. Daarom voorkomt de minimuminvoerprijs in het kader van de verbintenis de uitvoer onder de minimuminvoerprijs, die zonder de maatregelen en de verbintenis waarschijnlijk zou plaatsvinden. |
|
(345) |
De Commissie heeft onderzocht of de Unie een aantrekkelijke markt vormde voor Argentijnse exporteurs van biodiesel. |
|
(346) |
Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek voerden de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uitsluitend biodiesel naar de Unie uit. Op basis van door de Argentijnse overheid verstrekte openbaar beschikbare informatie blijkt dat de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de belangrijkste uitvoerbestemming voor Argentijnse biodiesel was en dat dit in ieder geval sinds 2020 het geval was (136). In de openbaar beschikbare informatie wordt bevestigd dat “de Europese Unie nog altijd de belangrijkste en vrijwel enige markt voor Argentijnse biodiesel is” (137). |
|
(347) |
Zoals aangehaald in overweging 243 zorgde het leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt van 7,5 %, dat gedurende het grootste deel van het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht was en ook na deze periode ongewijzigd bleef, bovendien voor een verlaging van de hoeveelheid biodiesel die op de binnenlandse markt van Argentinië werd verbruikt ten opzichte van het vorige mandaat van 10 % uit hoofde van de biobrandstoffenwet van 2006 en het tijdelijke mandaat van 12,5 %. Bijgevolg stimuleert een laag leveringsmandaat van biodiesel voor de binnenlandse markt meer productie richting de uitvoer, met name naar de Unie. |
|
(348) |
Meer in het algemeen is de bedrijfstak voor biodiesel in Argentinië grotendeels een op uitvoer gerichte bedrijfstak, waarin slechts kleinere ondernemingen zich toeleggen op het bedienen van de binnenlandse markt. De grotere uitvoerende ondernemingen daarentegen bevinden zich langs de rivier de Paraná, op een strategische locatie voor uitvoer die rechtstreekse verzending naar de Unie en andere uitvoerbestemmingen mogelijk maakt. |
3.7.4. Mogelijke absorptiecapaciteit van markten van derde landen
|
(349) |
Tot slot heeft de Commissie onderzocht of de markten van derde landen over de capaciteit beschikken om een deel van de Argentijnse productie van biodiesel te absorberen. |
|
(350) |
Peru en de VS, die voorheen beide traditionele uitvoerbestemmingen voor Argentijnse biodiesel waren, hebben in respectievelijk 2016 en 2017 prohibitieve antidumpingrechten en compenserende rechten op Argentijnse biodiesel ingesteld (138). |
|
(351) |
Zoals blijkt uit tabel 2 is de uitvoer uit Argentinië naar derde landen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek gestegen. Volgens openbare Argentijnse statistieken (139) was deze stijging vooral toe te schrijven aan een grotere uitvoer naar Canada. Over het geheel genomen maakte deze uitvoer naar derde landen echter slechts een fractie uit van het totale uitvoervolume in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, namelijk slechts 3,6 %, terwijl het resterende deel volledig op de Unie was gericht. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de enige andere uitvoerbestemming China, met een onbeduidende hoeveelheid van 21 ton die uit Argentinië werd ingevoerd. China produceert echter zelf ook biodiesel en zal de toegenomen uitvoervolumes niet kunnen absorberen. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat derde landen waarschijnlijk niet in staat zijn de Argentijnse uitvoer van biodiesel te absorberen. |
3.7.5. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring
|
(352) |
In het licht van het bovenstaande en overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de basisverordening, concludeerde de Commissie dat voortzetting van subsidiëring waarschijnlijk zou zijn indien de geldende maatregelen komen te vervallen. |
|
(353) |
Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek de invoer uit Argentinië tegen gesubsidieerde prijzen op de markt van de Unie werd voortgezet. |
|
(354) |
Voorts heeft de Commissie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld dat de overcapaciteit in Argentinië aanzienlijk was. De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie wat omvang en verkoopprijzen betreft, wees er bovendien op dat de Argentijnse uitvoer waarschijnlijk zou worden verlegd naar de markt van de Unie als de compenserende maatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(355) |
Op basis hiervan achtte de Commissie het waarschijnlijk dat Argentijnse producenten-exporteurs hun uitvoer van biodiesel tegen gesubsidieerde prijzen naar de markt van de Unie zullen verhogen indien de compenserende maatregelen, en daarmee ook de van kracht zijnde verbintenis, zouden komen te vervallen. |
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(356) |
Het soortgelijke product werd vervaardigd door 43 producenten in de Unie die lid waren van de EBB, plus naar schatting 20 andere producenten in de Unie die geen lid zijn van de EBB. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening. |
|
(357) |
De totale productie in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vastgesteld op ongeveer 14 925 455 ton. De Commissie stelde dat cijfer vast op basis van de macrogegevens in de vragenlijst die door de EBB werd verstrekt na het controlebezoek. De gegevens van de EBB over de biodieselproductie in de Unie waren gebaseerd op gegevens van een externe aanbieder van marktinformatie genaamd Stratas. |
|
(358) |
In het verlengde van wat in overweging 16 werd aangegeven, vertegenwoordigden de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, in het licht van het in de loop van het onderzoek herziene productiecijfer van de Unie, 12 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(359) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de volumes van de verkoop in de Unie door de bedrijfstak van de Unie, zoals ingediend door de EBB en bij de EBB ter plaatse gecontroleerd, en op basis van de Comext-databank voor invoergegevens. |
|
(360) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(361) |
Het verbruik in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode positief ontwikkeld, in overeenstemming met de toenemende verplichtingen voor het gebruik en de vermenging van biodiesel in de Unie. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(362) |
De Commissie heeft het volume van de invoer vastgesteld op basis van invoerstatistieken van Comext en de GTA. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van het verbruik van biodiesel in de Unie in tabel 4 en van gegevens over de verkoop door producenten in de Unie zoals ingediend door de indiener van het verzoek, Comext en de GTA. |
|
(363) |
De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Invoervolume (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(364) |
De invoer uit Argentinië fluctueerde, maar nam in de beoordelingsperiode over het geheel genomen af (– 44 % in totaal). Het marktaandeel van deze invoer daalde van 5,1 % in 2020 naar 2,6 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Er zij op gewezen dat de in overweging 2 bedoelde verbintenis gedurende de gehele beoordelingsperiode van kracht is gebleven. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(365) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld aan de hand van gegevens van Comext. |
|
(366) |
De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(367) |
De prijs van de invoer uit Argentinië steeg in de beoordelingsperiode aanzienlijk (+ 95 % in totaal). De prijsstijging moet worden gezien in het licht van de verbintenis waarnaar in overweging 2 wordt verwezen en die gedurende de gehele beoordelingsperiode van kracht is gebleven. |
|
(368) |
De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst. |
|
(369) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(370) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en wees uit dat de Argentijnse prijzen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie niet onderboden. Het ontbreken van prijsonderbieding moet worden gezien in het licht van de prijsverbintenissen die de Argentijnse exporteurs in 2019 hebben aangeboden. |
4.4. Invoer uit andere derde landen dan Argentinië
|
(371) |
De invoer van biodiesel uit andere derde landen dan Argentinië was voornamelijk afkomstig uit China, het Verenigd Koninkrijk en Singapore. |
|
(372) |
Het volume van de invoer in de Unie evenals het marktaandeel en de prijsontwikkelingen voor de invoer van biodiesel uit andere derde landen ontwikkelden zich als volgt: Tabel 7 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(373) |
Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de gemiddelde prijs van de invoer uit andere derde landen dan Argentinië over het algemeen hoger dan de prijs van de invoer uit Argentinië. De prijzen van de invoer zijn echter niet rechtstreeks vergelijkbaar als gevolg van verschillen in handelsstromen en/of gebruikte grondstoffen. Een zinvolle vergelijking tussen biodieselprijzen, -volumes en -marktaandelen van oorsprong uit verschillende landen kan alleen worden gemaakt wanneer rekening wordt gehouden met de betrokken productmix. In dit verband werd Chinese biodiesel gemaakt uit grondstoffen die een hogere prijs op de markt van de Unie zouden bedingen als gevolg van een dubbel tellende premie in het kader van de richtlijnen hernieuwbare energie (“RED”), terwijl een groot deel van de invoer uit andere derde landen dan China op gewassen was gebaseerd, zoals onder meer blijkt uit het statistisch overzicht van de EBB van 2023 (142), de GAIN-verslagen over China (143) en de Europese Unie (144), marktinformatie (145) en een reeks handelsbeschermingsonderzoeken van de Commissie (146). |
|
(374) |
Wat betreft de invoer uit Singapore vormen de prijzen van die invoer geen goede weerspiegeling van de daadwerkelijke marktvoorwaarden. De invoer in de Unie van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk (147) betrof voornamelijk verhandelde goederen (148) ,, mogelijk met inbegrip van een verrekening tussen grensoverschrijdende producenten in het VK (149)/de EU tegen verrekenprijzen; de Commissie kon die goederen niet nader traceren. Daarnaast zijn er tekenen die duiden op abnormale handelspraktijken in de sector in het Verenigd Koninkrijk tijdens de beoordelingsperiode (150). Ten derde hebben de relevante autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk oliemaatschappijen vergunningen voor actieve veredeling verleend voor ingevoerde biodiesel, waardoor het mogelijk was biodiesel die niet afkomstig was uit het Verenigd Koninkrijk via het Verenigd Koninkrijk in de Unie in te voeren, met een vertekening van de statistieken tot gevolg. Die praktijken zijn pas recentelijk beëindigd (151) (152). |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(375) |
De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een beoordeling van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
|
(376) |
Zoals vermeld in overweging 16, is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie beoordeeld aan de hand van een steekproef. |
|
(377) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens in het antwoord van de indiener van het verzoek op de macrovragenlijst. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(378) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere subsidiëring. |
|
(379) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1.
|
(380) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(381) |
De productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad lagen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek op relatief vergelijkbare niveaus als in 2020. De productievolumes daalden in het tijdvak van het nieuwe onderzoek echter aanzienlijk ten opzichte van 2022. |
4.5.2.2.
|
(382) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(383) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met bijna 10 procentpunt af tot een marktaandeel van 64,7 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De verkoopvolumes en het overeenkomstige marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie begonnen in 2021 te dalen. |
4.5.2.3.
|
(384) |
De productie van de bedrijfstak van de Unie is tijdens de beoordelingsperiode niet toegenomen, ondanks de positieve ontwikkeling van het verbruik van biodiesel in die periode. Het verkoopvolume en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zijn tijdens de referentieperiode in feite gedaald. |
4.5.2.4.
|
(385) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(386) |
De Commissie merkte op dat niet alle producenten in de Unie hun werkgelegenheidsgegevens volgens dezelfde aanpak aan de EBB hebben verstrekt en dat voor niet-rapporterende ondernemingen soms ramingen nodig waren, waardoor enkele tekortkomingen waren ontstaan in de gegevens over werkgelegenheid waarover de Commissie beschikte. Hoe dan ook werd het hierboven vermelde geraamde aantal werknemers redelijk nauwkeurig en toereikend geacht voor dit onderzoek, daar een aanzienlijk deel van de gegevens door de Commissie zelf was gecontroleerd tijdens de controles ter plaatse bij de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de indiener van het verzoek. |
4.5.2.5.
|
(387) |
De subsidiemarges van alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs lagen boven het de-minimisniveau. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke subsidiemarges voor de bedrijfstak van de Unie waren echter beperkt, aangezien de prijzen van de invoer uit Argentinië het resultaat waren van de aangeboden verbintenissen. |
|
(388) |
Zoals opgemerkt in overweging 3 is het onderzochte product reeds aan verschillende antidumping- en antisubsidieonderzoeken onderworpen. |
|
(389) |
De bestaande antidumping- en antisubsidiemaatregelen tegen de VS (uitgebreid tot zendingen uit Canada, met enkele vrijstellingen (153)) werden tijdens de beoordelingsperiode verlengd. Er zijn geen aanwijzingen dat deze maatregelen niet doeltreffend zijn geweest. |
|
(390) |
In 2020 vertoonde de bedrijfstak van de Unie duidelijk tekenen van herstel na de afronding van het oorspronkelijke onderzoek en de instelling in 2019 van definitieve compenserende maatregelen tegen de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië (154). |
|
(391) |
De bedrijfstak van de Unie begon zich net te herstellen van eerdere schade veroorzakende subsidiëring van biodiesel uit Argentinië en Indonesië toen een toenemend volume aan biodiesel tegen lage prijzen uit de VRC op de markt van de Unie werd ingevoerd. De invoer met dumping uit de VRC had tijdens de beoordelingsperiode gevolgen voor zowel het volume als de prijzen, waaronder verhindering van prijsverhogingen op de markt van de Unie, en had een duidelijk negatief effect op de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(392) |
De bedrijfstak van de Unie heeft in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade geleden door de invoer van Chinese biodiesel. Antidumpingmaatregelen ten aanzien van de VRC die betrekking hadden op dezelfde beoordelingsperiode als het onderhavige nieuwe onderzoek, werden in augustus 2024 voorlopig ingesteld en vervolgens in februari 2025 bevestigd (155). |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1.
|
(393) |
De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Verkoopprijzen in de Unie en productiekosten per eenheid
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(394) |
Van 2020 tot 2022 volgden de verkoopprijzen de ontwikkeling van de kosten, waarbij beide tegen 2022 met 90 % stegen. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek kon de bedrijfstak van de Unie de stijging van de kosten niet in zijn verkoopprijzen weerspiegelen en werd hij gedwongen bijna tegen kostprijs te verkopen. |
|
(395) |
Aan het einde van de beoordelingsperiode was het verschil tussen de productiekosten per eenheid en de verkoopprijs per eenheid gedaald tot nauwelijks 2 EUR. |
4.5.3.2.
|
(396) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||||
|
(397) |
De loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie namen in de beoordelingsperiode gemiddeld met 15 % toe. Aangezien de loonkosten minder dan 3 % van de productiekosten voor biodiesel uitmaken, heeft de stijging van de loonkosten — die volgens Eurostat niet in strijd is met de gemiddelde totale stijging van de loonkosten in de Unie met 12 % in de periode 2020-2023 (156) — een verwaarloosbaar effect op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
4.5.3.3.
|
(398) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 13 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(399) |
De Commissie had eerder verklaard dat het niveau van de voorraden een minder zinvolle indicator is voor dit soort bedrijfstakken (157). De Commissie heeft bevestigd dat de bedrijfstak van de Unie ernaar streefde de voorraden laag te houden, maar dat dit niet altijd mogelijk was in het licht van de marktsituatie. Zij heeft ook opgemerkt dat, aangezien het onderzochte product in bulk wordt verkocht, één enkele levering een aanzienlijk volume van meer dan 10 000 ton kan omvatten, wat een aanzienlijke invloed kan hebben op het voorraadniveau, afhankelijk van de precieze datum van de transactie. |
4.5.3.4.
|
(400) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 14 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(401) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie was tijdens de beoordelingsperiode zeer laag en daalde in het tijdvak van het nieuwe onderzoek tot break-even. |
|
(402) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De trend in de nettokasstroom verslechterde tijdens de beoordelingsperiode sterk en was vanaf 2021 zeer negatief. |
|
(403) |
De investeringen in de in de steekproef opgenomen ondernemingen fluctueerden tijdens de beoordelingsperiode. Over het algemeen worden investeringen jaren vóór hun uitvoering goedgekeurd. De investeringen in het laatste deel van de beoordelingsperiode waren reeds lang geplande projecten en hadden slechts betrekking op twee ondernemingen. |
|
(404) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Deze indicator vertoonde een dalende lijn, parallel aan de winstgevendheid, en was gedurende de gehele beoordelingsperiode zeer laag en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek een schamele 1,3 %, wat met name het gevolg was van de zeer lage winstgevendheid. |
|
(405) |
Het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken, had vanaf 2021 te lijden onder de zeer negatieve kasstroom. |
4.6. Conclusie over schade
|
(406) |
Uit bovenstaande beoordeling van economische macro- en micro-economische indicatoren blijkt dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade leed, aangezien een aanzienlijk marktaandeel werd verloren en de verkoopprijzen onvoldoende stegen om de sterke stijging van de productiekosten door te berekenen, wat resulteerde in een daling van de winstgevendheid die negatieve gevolgen had voor het rendement van investeringen en de kasstroom. Dat enkele indicatoren (productiecapaciteit, aantal werknemers) niet zijn verslechterd, doet niets af aan de vaststelling van schade. |
|
(407) |
Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met subsidiëring
|
(408) |
In de beoordelingsperiode daalde de omvang van de invoer uit Argentinië met 44 %, zoals blijkt uit tabel 5, terwijl het verbruik met ongeveer 9 % toenam (zoals blijkt uit tabel 4). Dit resulteerde in een daling van het marktaandeel van de invoer uit Argentinië met 2,4 procentpunt van 5,1 % naar 2,7 %, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met bijna 9 procentpunt daalde om in het tijdvak van het nieuwe onderzoek op 64,7 % uit te komen. |
|
(409) |
De prijzen van de in de steekproef opgenomen Argentijnse exporteurs, die goed waren voor 68 % van de Argentijnse invoer van biodiesel in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, onderboden de prijzen in de Unie niet. Aangezien de prijzen van de Argentijnse invoer in tabel 6 in het tijdvak van het nieuwe onderzoek hoger waren dan de prijzen van de in de steekproef opgenomen Argentijnse exporteurs, concludeerde de Commissie dat de prijzen van de Argentijnse invoer over het geheel genomen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet onderboden. |
|
(410) |
CARBIO voerde aan dat de invoer van Argentijnse biodiesel niet de oorzaak was van eventuele door de producenten in de Unie geleden schade. |
|
(411) |
Uit het onderzoek kon niet worden geconcludeerd dat de invoer met subsidiëring uit Argentinië heeft bijgedragen tot de aanmerkelijke schade die de biodieselproducenten in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek hebben geleden. |
5.2. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(412) |
Uit bovenstaande analyse blijkt dat de omvang en het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Argentinië in de beoordelingsperiode over het geheel genomen niet zijn toegenomen. De geldende verbintenissen hielden in dat de prijzen van de invoer met subsidiëring uit Argentinië hoog genoeg waren en de bedrijfstak van de Unie niet in de weg stonden bij het bereiken van duurzame prijsniveaus en redelijke winstmarges. |
|
(413) |
De bedrijfstak van de Unie verloor een aanzienlijk marktaandeel, met name aan de Chinese invoer van biodiesel op basis van afval. De Commissie kon geen prijsschade vaststellen als gevolg van invoer uit Argentinië. |
|
(414) |
Op basis van het bovenstaande kwam de Commissie tot de conclusie dat de invoer met subsidiëring uit het betrokken land, gezien het prijsniveau ervan, de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen aanmerkelijke schade kon hebben berokkend. |
6. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE DIE WORDT VEROORZAAKT DOOR DE INVOER UIT ARGENTINIË
|
(415) |
Zoals door de Commissie aangegeven in overweging 407, heeft de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade geleden. De Commissie heeft in bovenstaand onderdeel ook geconcludeerd dat de in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgestelde schade voor de bedrijfstak van de Unie niet kon zijn veroorzaakt door de invoer met subsidiëring uit Argentinië, voornamelijk vanwege het prijsniveau ervan, dat wordt beïnvloed door het bestaan van een verbintenis. De door de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer met dumping van biodiesel uit de VRC (158). De Commissie was van oordeel dat de gevolgen van de hoogte van de werkelijke subsidiemarges voor de bedrijfstak van de Unie zonder de verbintenissen niet verwaarloosbaar zouden zijn geweest, gezien de omvang en de prijzen van de invoer uit Argentinië tijdens de beoordelingsperiode en de aard van het product, d.w.z. een basisproduct. De Commissie heeft derhalve overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van de door de invoer met subsidiëring uit Argentinië veroorzaakte schade waarschijnlijk is, mochten de geldende maatregelen komen te vervallen. |
|
(416) |
In dit verband heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de productiecapaciteit en reservecapaciteit in Argentinië, de verhouding tussen de prijzen in het betrokken land, de prijzen bij uitvoer naar de Unie en de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen; het waarschijnlijke prijsniveau van de invoer uit Argentinië zonder compenserende maatregelen; de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en de gevolgen van het potentiële invoervolume en de waarschijnlijke prijsniveaus van de invoer voor de bedrijfstak van de Unie indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(417) |
Zoals blijkt uit tabel 3 en de GAIN-verslagen (159), en zoals geconcludeerd in overweging 340, beschikken de producenten-exporteurs in het betrokken land over een aanzienlijke reservecapaciteit en daarmee over de mogelijkheid om de productie van biodiesel aanzienlijk te verhogen bij een gunstige marktsituatie. In zijn opmerkingen na de opening van het onderzoek betwistte CARBIO dit punt met als argument dat er in de nabije toekomst geen investeringen zouden worden gedaan, dat de productie en productiecapaciteit van biodiesel in Argentinië waren gedaald en dat deze trend zich in de toekomst zou voortzetten als gevolg van de effecten van de opwarming van de aarde in Argentinië. Ondanks de uitdagingen in de landbouw als gevolg van de opwarming van de aarde blijft het een feit dat de productiecapaciteit in Argentinië in 2024 meer dan vijfmaal het binnenlandse verbruik bedroeg (160) en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek overeenkwam met ongeveer 25 % van het verbruik van biodiesel in de Unie (161). De argumenten van CARBIO werden derhalve afgewezen. |
|
(418) |
In een schrijven van 15 maart 2024 voerde CARBIO aan dat het niet waarschijnlijk is dat de Argentijnse invoer van biodiesel opnieuw zal toenemen bij het ontbreken van maatregelen, aangezien de markt van de Unie aan aantrekkelijkheid heeft ingeboet als gevolg van bepaalde wetgevingsinitiatieven (onder meer in de zin dat sommige lidstaten het gebruik van sojaolie geleidelijk hebben afgeschaft en het feit dat de Unie de voorkeur geeft aan op afval gebaseerde biodiesel middels de EU-initiatieven inzake ontbossingsvrije toeleveringsketens), de nieuwe bijmengverplichtingen in Argentinië en de mogelijkheid voor Argentinië om biodiesel op nieuwe markten af te zetten, met name Brazilië (162). |
|
(419) |
De Commissie stelde vast dat de verklaringen van CARBIO niet met feiten werden onderbouwd. Wat de vermeende onwaarschijnlijke herhaling van een toename van de Argentijnse invoer van biodiesel in de Unie betreft, merkte de Commissie op dat de Unie de grootste consument van biodiesel ter wereld is en in 2023 goed was voor ongeveer 23 % van het wereldwijde verbruik (163). Ondanks de kunstmatig hoge prijzen op de binnenlandse markt van Argentinië als bedoeld in overweging 239, en de nieuwe bijmengverplichtingen in Argentinië, was het binnenlandse verbruik van biodiesel in het betrokken land zeer laag en vertegenwoordigde het 0,9 % van de Argentijnse biodieselproductie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De uitvoer van biodiesel was de belangrijkste pijler van de Argentijnse bedrijfstak voor biodiesel en hoewel de uitvoer varieerde naargelang de marktomstandigheden, bleef de Unie jaar na jaar verreweg de belangrijkste uitvoermarkt voor Argentijnse biodiesel, zoals blijkt uit de antwoorden van de Argentijnse overheid op de vragenlijst (164). Hoewel uitvoer voor de Argentijnse bedrijfstak van het grootste belang is, heeft Argentinië te maken met toenemende moeilijkheden bij de verkoop in het buitenland. Zoals vermeld in overweging 350 hebben de Peruaanse en Amerikaanse autoriteiten strenge antisubsidie- en antidumpingmaatregelen ingesteld ten aanzien van Argentijnse biodiesel, waardoor hun invoer uit Argentinië is verlaagd (165). Volgens de Argentijnse statistieken was de uitvoer van biodiesel uit Argentinië naar andere bestemmingen dan de Unie in 2024 in wezen beperkt tot Canada, zoals opgemerkt in overweging 351. De uitvoer naar Canada was goed voor minder dan 10 % van de Argentijnse uitvoer, en dit tegen minder aantrekkelijke prijzen dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie. Er waren geen realistische vooruitzichten dat Argentijnse producenten hun product naar andere markten zouden kunnen uitvoeren (166). Niettegenstaande de wetswijzigingen die naar verluidt gevolgen zouden hebben voor de aantrekkelijkheid van de biodieselmarkt van de Unie, zet de Unie zich in voor het stimuleren van alternatieven voor traditionele fossiele diesel, onder meer in de vorm van conventionele biodiesel, zoals bevestigd in RED III (167). Al met al blijft de markt van de Unie aantrekkelijk in termen van omvang, prijs en toegankelijkheid, zodat het zeer waarschijnlijk is dat het vervallen van de geldende compenserende maatregelen zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met subsidiëring uit het betrokken land. |
|
(420) |
Bovendien bleef het invoervolume uit het betrokken land tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk, zoals blijkt uit tabel 5. Er zijn 32 biodieselfabrieken in Argentinië, die allemaal gebruikmaken van plantaardige olie afkomstig van het vermalen van sojabonen als grondstof (168), d.w.z. een grondstof die, net als het grootste deel van de productie in de Unie, niet in aanmerking komt voor een dubbel tellende premie in het kader van de richtlijn hernieuwbare energie en dus lagere prijzen op de markt kan bedingen dan biodiesel uit de in bijlage IX bij RED II vermelde grondstoffen. Biodiesel is een basisproduct en de concurrentie tussen Argentijnse biodiesel en in de Unie geproduceerde biodiesel op de markt wordt derhalve bepaald door de prijzen. |
|
(421) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen merkte CARBIO op dat het gebrek aan maatregelen ten aanzien van de Argentijnse invoer naar alle waarschijnlijkheid niet zou leiden tot een herhaling van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie, omdat: 1) de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië de laatste jaren aanzienlijk is gedaald en de beoordeling door de Commissie van de beschikbare reservecapaciteit in Argentinië voorbijging aan de conclusie van de Commissie zelf dat biodieselproducenten die onder het Argentijnse leveringsmandaat voor de binnenlandse markt vallen, wettelijk niet mogen uitvoeren; 2) er geen sprake is van prijsonderbieding en de verbintenis de gevolgen van eventuele beweerde subsidiëring compenseert, en 3) de oorzaak van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade wordt toegeschreven aan de invoer met dumping van Chinese biodiesel, zoals ook door de Commissie werd bevestigd. |
|
(422) |
De Commissie was het niet eens met bovenstaande verklaringen van CARBIO. Wat het eerste punt betreft, zij opgemerkt dat CARBIO het bestaan erkende van beschikbare reservecapaciteit die mogelijk naar de Unie kon worden uitgevoerd (zij het in geringere mate dan de Commissie concludeerde). Bovendien werd bij het onderzoek in overweging 40 vastgesteld dat een biodieselproducent in de groep van een in de steekproef opgenomen producent-exporteur biodiesel produceerde die later zowel op de binnenlandse markt als op de exportmarkt werd verkocht. Voor een dergelijke biodieselproducent hield de toewijzing van een quotum in het kader van het leveringsmandaat voor biodiesel een lagere uitvoercapaciteit in. Daarom is er een wisselwerking tussen de capaciteit voor de binnenlandse markt en de capaciteit voor de exportmarkt. Wat het tweede punt betreft, merkte de Commissie op dat de geldende verbintenis de gevolgen van de beweerde subsidiëring bij het ontbreken van de huidige maatregelen niet zou neutraliseren, omdat de verbintenis gekoppeld is aan het bestaan van de compenserende maatregelen zelf. Met andere woorden, bij het ontbreken van maatregelen en van de verbintenis zou de onderbieding zich waarschijnlijk herhalen. Wat het derde punt betreft: hoewel in het nieuwe onderzoek werd geconcludeerd dat de tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek waargenomen schade niet werd veroorzaakt door invoer uit Argentinië, werd ook geconcludeerd dat, als de maatregelen niet worden gehandhaafd, het opnieuw verschijnen van Argentijnse invoer tegen oneerlijke prijzen schade zou veroorzaken en het herstel van de schade voor de bedrijfstak van de Unie, dat wordt verwacht als gevolg van de recente instelling van antidumpingrechten op invoer met dumping uit de VRC, zou belemmeren. |
|
(423) |
Gezien de in dit onderdeel samengevatte bevindingen is de verwachting dus dat, indien de maatregelen zouden komen te vervallen, Argentijnse exporteurs een prikkel zouden hebben om naar de Unie uit te voeren tegen prijzen die de verkoopprijzen van de producenten in de Unie onderbieden, op een niveau dat vergelijkbaar is met dat van het oorspronkelijke onderzoek. Dit zou leiden tot een prijsdruk op de bedrijfstak van de Unie, die vervolgens verkoopvolumes zou verliezen en/of zich genoodzaakt zou zien om zijn prijzen te verlagen, met alle gevolgen van dien voor de winstgevendheid. |
|
(424) |
Op grond hiervan werd geconcludeerd dat het ontbreken van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met subsidiëring uit Argentinië en dat zich waarschijnlijk opnieuw aanmerkelijke schade als gevolg van invoer met subsidiëring uit Argentinië zou voordoen. |
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(425) |
Overeenkomstig artikel 31 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande compenserende maatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een afweging van alle betrokken belangen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs, handelaren en gebruikers. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(426) |
De bedrijfstak van de Unie bestaat uit meer dan 60 producenten in de hele Unie en biedt bijna 6 000 directe arbeidsplaatsen. Geen van de producenten had bezwaar tegen het onderzoek. |
|
(427) |
De Commissie heeft vastgesteld dat het niet verlengen van de maatregelen ertoe zou leiden dat de bedrijfstak van de Unie, die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek op een kostendekkend niveau opereerde, als gevolg van een sterk toenemende invoer van biodiesel tegen lage prijzen verliesgevend zou worden en faillissementen zou riskeren, wat de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie verder in gevaar zou brengen. |
|
(428) |
De voortzetting van de bestaande maatregelen zou de bedrijfstak van de Unie in staat stellen zijn herstelproces te vervolgen en uiteindelijk duurzame winstniveaus te bereiken. |
|
(429) |
Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de verlenging van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. |
7.2. Belang van de niet-verbonden importeurs, handelaren en distributeurs
|
(430) |
Eén in de Unie actieve handelaar werd als belanghebbende in de procedure geregistreerd, maar heeft geen opmerkingen gemaakt. |
|
(431) |
Ondernemingen die betrokken zijn bij de productie en distributie van fossiele diesel en die ook betrokken waren bij de verplichte vermenging van fossiele diesel met biodiesel, werd bij de opening van het onderzoek verzocht vragenlijsten in te vullen. De enige onderneming die de vragenlijst heeft beantwoord, beweerde onvoldoende kennis te hebben om een standpunt over een mogelijke verlenging van de maatregelen te formuleren. Voor deze respondent maakte biodiesel een zeer klein deel van de totale bedrijfsactiviteiten uit. In het licht hiervan, het standpunt van de partij en het feit dat de partij het grootste deel van de informatie niet in de vereiste mate van detail heeft verstrekt, d.w.z. beperkt tot de activiteiten met betrekking tot (Argentijnse) biodiesel, heeft de Commissie geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren dat handhaving van de maatregelen een wezenlijk effect op haar zou hebben. |
|
(432) |
CARBIO voerde aan dat de recente instelling van antidumpingrechten op de invoer van biodiesel uit de VRC ertoe zal leiden dat China als leveringsbron verdwijnt, zodat de markt van de Unie de komende jaren meer biodiesel zal moeten invoeren. De antidumpingmaatregelen op de invoer uit de VRC zijn echter bescheiden, variërend van 10 % tot 35,6 %, en kunnen niet als prohibitief worden beschouwd. Bovendien zijn er alternatieve bevoorradingsbronnen zonder handelsbeschermingsmaatregelen beschikbaar. Dit blijkt uit het aanzienlijke marktaandeel van de invoer uit verschillende andere derde landen (zie tabel 7). De Commissie was van oordeel dat de voortzetting van de bestaande maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat zou stellen zijn herstelproces te vervolgen en zijn binnenlandse markt verder te bevoorraden. |
|
(433) |
De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat de verlenging van de maatregelen niet in belangrijke mate schadelijk zou zijn voor de belangen van de importeurs, handelaren en distributeurs. Deze marktdeelnemers maken deel uit van de toeleveringsketen en zullen de kosten die voortvloeien uit de maatregelen, voor zover die zich voordoen bij gebreke van verbintenissen, doorberekenen aan gebruikers en consumenten. |
7.3. Belang van gebruikers en consumenten
|
(434) |
Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande maatregelen negatieve gevolgen hebben gehad voor de gebruikers van biodiesel in de Unie. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande maatregelen een negatief effect hebben gehad op hun winstgevendheid. |
|
(435) |
Opgemerkt zij dat de uiteindelijke brandstofprijzen veeleer de prijs van fossiele ruwe olie volgen (169) en dat ongeveer 40 % van de dieselprijs in tankstations in de EU uit heffingen bestaat (170), die kunnen worden gedifferentieerd naargelang van de verschillende belangen of behoeften. Ook kunnen stimulansen voor het gebruik van biodiesel van toepassing zijn (171). Rekening houdend met deze feiten en het geringe percentage biodiesel (doorgaans niet meer dan 10 %) dat over het algemeen met fossiele diesel wordt gemengd, werd niet aangetoond dat de verlenging van maatregelen duidelijk zou indruisen tegen de belangen van gebruikers of consumenten of zwaarder zou wegen dan de positieve gevolgen van handhaving van de status quo voor de bedrijfstak van de Unie. |
7.4. Andere factoren
|
(436) |
Daarnaast was de Commissie van mening dat de handhaving van de bestaande maatregelen de inspanningen op het gebied van duurzaamheid en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de toeleveringsketen zal stimuleren en een positief effect zal hebben op de toeleveringsindustrie in de Unie, aangezien de inkomsten en de bezettingsgraad zullen toenemen. |
7.5. Conclusie betreffende het belang van de Unie
|
(437) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië niet te handhaven. |
8. COMPENSERENDE MAATREGELEN
|
(438) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake voortzetting van subsidiëring, waarschijnlijkheid van herhaling van door de invoer uit Argentinië veroorzaakte schade en het belang van de Unie, moeten de compenserende maatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië worden gehandhaafd. |
|
(439) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten tot een minimum te beperken, zijn bijzondere maatregelen nodig om de toepassing van de individuele rechten te garanderen. De toepassing van individuele rechten is alleen van toepassing na overlegging van een geldige handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het compenserende recht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit Argentinië”. |
|
(440) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele compenserende rechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(441) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 23, lid 3, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(442) |
In overweging 2 werd opgemerkt dat de Commissie de aangeboden verbintenissen bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245 heeft aanvaard. De Commissie was van oordeel dat deze een einde maken aan de schadelijke gevolgen van de invoer met subsidiëring en het risico op ontwijking in voldoende mate beperken. |
|
(443) |
CARBIO en de Argentijnse overheid voerden aan dat, indien de geldende maatregelen worden verlengd, de bestaande verbintenis moet worden voortgezet. CARBIO beschouwde de verbintenis als een doeltreffend mechanisme dat fungeert als een prijsstabiliserende factor voor de invoerprijzen van biodiesel in de Unie, gezien de hoge prijzen waartegen Argentijnse biodiesel werd verhandeld en de in het verzoek vermelde negatieve prijsonderbiedingsmarge (– 2 %). CARBIO merkte op dat zijn leden gedisciplineerd zijn en zich ertoe hebben verbonden hun inspanningen in een verlengde overeenkomst voort te zetten. |
|
(444) |
De Commissie merkte op dat het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bedoeld is om te beoordelen of voortzetting van de compenserende maatregelen gerechtvaardigd is. Een beoordeling van de geldende verbintenis valt buiten het toepassingsgebied van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. |
|
(445) |
Naar aanleiding van het voornemen van de Commissie om artikel 28, lid 1, van de basisverordening op de Argentijnse overheid toe te passen, riep de EBB in plaats daarvan op om de verbintenissen op te heffen, hetgeen gerechtvaardigd was door het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid. De EBB wees met name op de rol van de overheid bij de verbintenis op grond van de basisverordening. Bovendien benadrukte de EBB dat een van de ontbrekende gegevens in overweging 71, betreffende de prijzen en het prijsbeleid van de producenten van sojabonen en sojaolie, van essentieel belang was voor het vaststellen van de minimuminvoerprijs in het kader van de verbintenis. Daarnaast merkte de EBB op dat de Argentijnse overheid geen informatie heeft verstrekt over een zeer liquide en transparante markt, zoals de markt voor sojabonen in Argentinië, en dat Molinos Agro in zijn antwoord op de vragenlijst heeft bevestigd dat de markt voor sojabonen ook zo kon worden beschreven. Tot slot zou het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid het vertrouwen hebben geschonden waarop de aanvaarding van de verbintenis was gebaseerd. |
|
(446) |
De Argentijnse overheid en CARBIO voerden aan dat de prijsinformatie die individuele leveranciers van sojabonen in het kader van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen hadden kunnen verstrekken, verschilde van de prijs van sojabonen op de Argentijnse binnenlandse markt, die de relevante factor vormt voor de vaststelling van de minimuminvoerprijs. De Argentijnse overheid wees er ook op dat het niet indienen van dezelfde informatie in het oorspronkelijke onderzoek niet aan de aanvaarding van een verbintenis in de weg had gestaan. Bijgevolg voerden de Argentijnse overheid en CARBIO aan dat het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid geen schending van de verbintenis vormde, mede gezien het feit dat de Argentijnse overheid geen partij bij de verbintenis was. Volgens de Argentijnse overheid blijkt uit het antwoord van Molinos Agro op de vragenlijst bovendien dat het bijhouden van een register van producenten van sojabonen in een transparante markt in de praktijk geen nut heeft. Tot slot voerde CARBIO aan dat de voortzetting van de verbintenis in het belang van de Unie was. |
|
(447) |
De Commissie merkte op dat een beoordeling van de geldende verbintenis buiten het toepassingsgebied van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen valt. Dit argument werd derhalve buiten beschouwing gelaten. |
|
(448) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde CARBIO dezelfde opmerkingen als in overweging 443, waarop de Commissie in overweging 444 reeds was ingegaan. |
|
(449) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de EBB dat de Commissie de gevolgen van het gebrek aan medewerking van de Argentijnse overheid aan onderhavig onderzoek in het licht van de geldende verbintenis moest beoordelen. Hij voerde aan dat dit in het kader van onderhavig nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen of in een afzonderlijke beoordeling moest gebeuren. Bovendien was de EBB van oordeel dat het ontbreken van nauwkeurige informatie over de sojabonenmarkt in Argentinië het voor de Commissie onmogelijk zou maken om een minimuminvoerprijs vast te stellen, aangezien deze wordt berekend op basis van de maandelijkse prijsnoteringen voor sojaolie die door de Argentijnse overheid worden gepubliceerd. Daarom was de verbintenis volgens de EBB niet gerechtvaardigd en moest zij worden geschorst. |
|
(450) |
De Commissie herhaalde dat een beoordeling van de geldende verbintenis buiten het toepassingsgebied van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen valt. In principe loopt dit echter niet vooruit op de opening van een beoordeling of de verbintenis al dan niet is geschonden, wat in ieder geval losstaat van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Daarom werd dit argument in het kader van dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. |
|
(451) |
Bovendien heeft de EBB een aantal argumenten aangevoerd over het verband tussen de niet door de Argentijnse overheid verstrekte informatie en de vaststelling van de minimuminvoerprijs. |
|
(452) |
De Commissie merkte op dat een beoordeling van de geldende verbintenis buiten het toepassingsgebied van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen valt. Deze argumenten werden derhalve buiten beschouwing gelaten. |
|
(453) |
Wanneer de Commissie ingevolge artikel 13, lid 9, van de basisverordening onder verwijzing naar specifieke transacties haar aanvaarding van een verbintenis wegens een schending opzegt en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart, ontstaat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld. |
|
(454) |
De individuele rechten voor ondernemingen die in deze verordening worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het onderzochte product voor zover het van oorsprong is uit Argentinië en door de genoemde rechtspersonen is geproduceerd. Op de invoer van het onderzochte product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit Argentinië” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele echten. |
|
(455) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele rechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (172). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(456) |
Alle belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond om handhaving van de bestaande maatregelen aan te bevelen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Er werden opmerkingen ontvangen van de Argentijnse overheid, CARBIO en de EBB, die in de desbetreffende punten hierboven zijn behandeld. |
|
(457) |
Een exporteur of producent die het betrokken product in de periode die wordt gebruikt voor de vaststelling van de hoogte van het momenteel op zijn uitvoer toepasselijke recht niet naar de Unie heeft uitgevoerd, kan de Commissie verzoeken om toepassing van het compenserende recht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product niet naar de Unie heeft uitgevoerd in de periode die werd gebruikt voor de vaststelling van het niveau van het recht dat momenteel van toepassing is op zijn uitvoer; ii) hij niet verbonden is met een onderneming die dat wel heeft gedaan en dus onderworpen is aan de compenserende rechten, en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
|
(458) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (173) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(459) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 33), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 33), ex 1518 00 95 (Taric-code 1518 00 95 21), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 91 33), ex 2710 19 42 (Taric-codes 2710 19 42 21 en 2710 19 42 29), ex 2710 19 44 (Taric-codes 2710 19 44 21, 2710 19 44 29 en 2710 19 44 33), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 33), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 33), 2710 20 11 , 2710 20 16 , ex 3824 99 92 (Taric-codes 3824 99 92 10, 3824 99 92 14 en 3824 99 92 17), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (174) (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 33), van oorsprong uit Argentinië.
2. Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Onderneming |
Compenserend recht |
Aanvullende Taric-code |
|
Aceitera General Deheza S.A. |
33,4 % |
C493 |
|
Bunge Argentina S.A. |
33,4 % |
C494 |
|
LDC Argentina S.A. |
26,2 % |
C495 |
|
Molinos Agro S.A. |
25,0 % |
C496 |
|
Viterra Argentina S.A. |
25,0 % |
C497 |
|
Vicentin S.A.I.C. |
25,0 % |
C498 |
|
COFCO International Argentina S.A. |
28,2 % |
C490 |
|
Cargill S.A.C.I. |
28,2 % |
C491 |
|
Alle overige invoer van oorsprong uit Argentinië |
33,4 % |
C999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) [onderzocht product] die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) [aanvullende Taric-code] in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle andere ondernemingen geldt.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. De voor het vrije verkeer aangegeven goederen worden vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde compenserende recht, mits zij zijn vervaardigd, verzonden en gefactureerd door een onderneming waarvan de Commissie een verbintenis heeft aanvaard en waarvan de naam is vermeld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245 van de Commissie, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, en zij zijn ingevoerd in overeenstemming met de bepalingen van hetzelfde uitvoeringsbesluit van de Commissie.
2. De in lid 1 bedoelde goederen zijn vrijgesteld van het compenserende recht op voorwaarde dat: a) de goederen vergezeld gaan van een geldige verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in bijlage 1 bij deze verordening zijn vermeld; b) de goederen vergezeld gaan van een verbinteniscertificaat voor uitvoer, overeenkomstig bijlage 2 bij deze verordening, en c) de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.
3. Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer: a) wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid en in lid 2 genoemde voorwaarden niet is voldaan, of b) wanneer de Commissie haar aanvaarding van de verbintenis overeenkomstig artikel 13, lid 9, van Verordening (EU) 2016/1037 intrekt bij een verordening of besluit waarin zij naar specifieke transacties verwijst en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart.
Artikel 3
Onder bepaalde, in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245, zoals gewijzigd, vastgestelde voorwaarden geven de ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en waarvan de namen in de bijlage bij dat besluit zijn vermeld, ook voor transacties die niet van het compenserend recht zijn vrijgesteld een factuur af. Deze factuur is een handelsfactuur die ten minste de gegevens bevat die in bijlage 3 bij deze verordening zijn vermeld.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 mei 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1037/oj.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie van 11 februari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB L 40 van 12.2.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/244/oj).
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245 van de Commissie van 11 februari 2019 tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden na de instelling van definitieve compenserende rechten op de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB L 40 van 12.2.2019, blz. 71, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2019/245/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/261 van de Commissie van 10 februari 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/261, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/261/oj).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1266 van de Commissie van 29 juli 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 277 van 2.8.2021, blz. 34, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1266/oj).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1267 van de Commissie van 29 juli 2021 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 277 van 2.8.2021, blz. 62, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1267/oj).
(8) Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antisubsidiemaatregelen (PB C 183 van 25.5.2023, blz. 2).
(9) Het begrip “Argentijnse overheid” wordt in deze verordening in ruime zin gebruikt en omvat alle ministeries, departementen, agentschappen en diensten op centraal, regionaal of lokaal niveau.
(10) Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (codificatie) (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).
(11) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antisubsidiemaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB C, C/2024/1355, 9.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1355/oj).
(12) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2714.
(13) De lijst in het bericht van inleiding was slechts ter informatie. De definitieve lijst bevat de huidige indeling.
(14) Ley 26093, Régimen de Regulación y Promoción para la Producción y Uso Sustentables de Biocombustibles. Autoridad de aplicación. Funciones. Comisión Nacional Asesora. Habilitación de plantas productoras. Mezclado de Biocombustibles con Combustibles Fósiles. Sujetos beneficiarios del Régimen Promocional. Infracciones y sanciones.
(15) Ley 27640, Marco Regulatorio de Biocombustibles: Aprobación.
(16) Artikel 3, biobrandstoffenwet van 2021.
(17) Artikel 4, biobrandstoffenwet van 2021.
(18) “Argentina: Biofuels Annual ”, Ministerie van Landbouw van de Verenigde Staten (USDA) — verslag nr. AR2021-0018 van het Global Agriculture Information Network (GAIN), 18 augustus 2021 (“GAIN-verslag van 2021”), blz. 3, beschikbaar op: https://www.fas.usda.gov/data/argentina-biofuels-annual-6 en “ Argentina: Biofuels Annual ”, Ministerie van Landbouw van de Verenigde Staten (USDA) — verslag nr. AR2023-0008 van het Global Agriculture Information Network (GAIN), 26 augustus 2023 (“GAIN-verslag van 2023”), blz. 4-5, beschikbaar op: https://www.fas.usda.gov/data/argentina-biofuels-annual-8.
(19) Artikel 11, lid 1, biobrandstoffenwet van 2021.
(20) Artikel 11, lid 3, biobrandstoffenwet van 2021.
(21) Artikel 8, biobrandstoffenwet van 2021.
(22) Artikel 8, biobrandstoffenwet van 2021.
(23) Ministerio de Economía — Secretaría de Energía, Resolución 438/2022, RESOL-2022-438-APN-SE#MEC.
(24) Decreto 330/2022, DECNU-2022-330-APN-PTE - Régimen de Corte Obligatorio Transitorio Adicional de Biodiésel en Ministerio de Economía - Secretaría de Energía, Resolución 638/2022, RESOL-2022-638-APN-SE#MEC.
(25) Artikel 2, Decreet 330/2022.
(26) Artikel 4, Decreet 330/2022.
(27) https://www.datamarnews.com/noticias/the-end-of-sojizacion-argentinas-new-path-as-soybean-importer/.
(28) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 77 tot en met 82.
(29) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 85.
(30) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 86.
(31) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 89 tot en met 100.
(32) Decreto 230/2020, DCTO-2020-230-APN-PTE — Fíjase alícuota del Derecho de Exportación.
(33) Decreto 790/2020, DCTO-2020-790-APN-PTE — Derecho de Exportación.
(34) Decreto 131/2022, DCTO-2022-131-APN-PTE — Suspensión Decreto N° 790/2020.
(35) Officiële fob-prijzen zijn beschikbaar, met inbegrip van voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek beschikbaar via de volgende link: https://dinem.magyp.gob.ar/dinem_fob.wp_fob_consall.aspx.
(36) “Revés para el complejo soja: cómo afecta el aumento de DEX a la industria del biodiesel santafesino que sopesará un aporte extra de USD 6 millones este año”, Informativo semanal Año XXXIX — N° Edición 2044, 25 maart 2022, Bolsa de Comercio de Rosario, beschikbaar op: https://www.bcr.com.ar/es/mercados/investigacion-y-desarrollo/informativo-semanal/noticias-informativo-semanal/reves-para-el en 2024 GAIN-verslag, blz. 10-11.
(37) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 87.
(38) The Economic Impact of Export Restrictions on Raw Materials, gepubliceerd in 2010, blz. 18, beschikbaar op: http://www.oecd.org/publications/the-economic-impact-of-export-restrictions-on-raw-materials-9789264096448-en.htm.
(39) Renewable Energy Policy Brief Argentina, juni 2015, beschikbaar op: https://www.irena.org/-/media/Files/IRENA/Agency/Publication/2015/IRENA_RE_Latin_America_Policies/IRENA_RE_Latin_America_Policies_2015_Country_Argentina.pdf?la=en&hash=4A7F4CDAB9E00B7739363467AB2B2ADA67C94CDC.
(40) Liquid Biofuels: Background Brief for the World Bank Group Energy Sector Strategy, Background Paper for the World Bank Group Energy sector strategy, maart 2010, blz. 9, beschikbaar op https://www.ourenergypolicy.org/wp-content/uploads/2016/03/Biofuel_brief_Web_version.pdf.
(41) Ministerio de Economía y Finanzas Públicas, Ministerio de Industria y Ministerio de Planificación Federal, Inversión Pública y Servicios, Comercio Exterior, Resolución Conjunta 438/2012, 269/2012, 1001/2012 créanse el Registro de Operadores de Soja Autorizados (ROSA) y la “Unidad Ejecutiva Interdisciplinaria de Monitoreo”. Derógase la Resolución No 109/09.
(42) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 99.
(43) Ministerio de Agroindustria, Decreto 133/2015, Derecho de exportación. Alícuota.
(44) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 100.
(45) Ministerio de Agroindustria, Decreto 1343/2016, Derecho de exportación. Alícuota. Modificación.
(46) Comercio Exterior, Decreto 1025/2017, Derogación. Decreto N° 1719/2012.
(47) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 104 en 105.
(48) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 107.
(49) Ibidem.
(50) Ministerio de Agricultura, Ganadería y Pesca, Resolución 276/2021, RESOL-2021-276-APN-MAGYP.
(51) https://www.magyp.gob.ar/sitio/areas/ss_mercados_agropecuarios/djve/index.php?accion=imp.
(52) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 3/2022, 6 mei 2022.
(53) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 5/2022, 8 november 2022.
(54) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 1/2023, 26 oktober 2023.
(55) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 06/2021, 17 december 2021.
(56) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 2/2022, 28 maart 2022.
(57) Subsecretaria de Mercados Agropecuarios, Circular SSMA N° 1/2023, 26 oktober 2023.
(58) Circular 2/2023, 11 december 2023 en Circular 3/2023, 14 december 2023.
(59) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 106.
(60) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 108.
(61) Decreto 786/2020, DCTO-2020-786-APN-PTE — Disposiciones.
(62) Ley 27541, Ley de Solidaridad Social y Reactivación Productiva en el Marco de la Emergencia Pública.
(63) Artikel 52, wet nr. 27541.
(64) Artikel 53, wet nr. 27541.
(65) Ministerio de Economía, Resolución 862/2022, RESOL-2022-862-APN-MEC.
(66) Decreto 576/2022, Programa de Incremento Exportador, DECNU-2022-576-APN-PTE — Creación.
(67) Ministerio de Economía — Secretaría de Agricultura, Ganadería y Pesca, Resolución 276/2022, RESOL-2022-276-APN-SAGYP#MEC.
(68) Verslag van de beroepsinstantie, DS296 Verenigde Staten — Countervailing Duty Investigation on DRAMS, punt 115.
(69) Met name het arrest van 14 december 2022, PT Pelita Agung Agrindustri en PT Permata Hijau Palm Oleo/Commissie, T-143/20, ECLI:EU:T:2022:811, punt 102.
(70) Zie het arrest van 14 december 2022, PT Wilmar Bioenergi Indonesia e.a./Commissie, waartegen geen hogere voorziening is ingesteld, T-111/20, EU:T:2022:809, punt 146.
(71) T-300/16, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, punt 117 en verslag van de beroepsinstantie, Verenigde Staten — Countervailing Duty Investigation on Dynamic Random Access Memory Semiconductors (DRAMS) from Korea, WT/DS296/AB/R, aangenomen op 20 juli 2005, DSR 2005:XVI, blz. 8131, punt 114.
(72) Verslag van de beroepsinstantie, VS — Countervailing Duty Investigation on DRAMS, punt 114.
(73) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 93, en overwegingen 94 en 95.
(74) Panelverslag, Verenigde Staten — Measures Treating Exports Restraints as Subsidies, WT/DS194/R en Corr.2, aangenomen op 23 augustus 2001, DSR 2001:XI, blz. 5767, punten 8.38 en 8.75.
(75) Bijlage B-1: Samenvatting van de door de Europese Commissie ingediende schriftelijke verklaring van een derde partij, WT/DS194/R, punt 17 en blz. 6.
(76) Arrest van het Gerecht van 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T-300/16, ECLI: EU:T:2019:235, punt 108.
(77) Panelverslag, China — Countervailing and Anti-Dumping Duties on Grain Oriented Flat-Rolled Electrical Steel from the United States, WT/DS414/R en Add.1, aangenomen op 16 november 2012, bevestigd door verslag van de beroepsinstantie WT/DS414/AB/R, DSR 2012:XII, blz. 6369, punt 7.85.
(78) Panelverslag, Verenigde Staten — Countervailing Duty Measures on Certain Products from China, WT/DS437/R en Add.1, aangenomen op 16 januari 2015, zoals gewijzigd bij verslag van de beroepsinstantie WT/DS437/AB/R, DSR 2015:I, blz. 183.
(79) Volgens het antwoord van de Argentijnse overheid op de vragenlijst hadden de gegevens over het vermalen van sojabonen en andere vormen van gebruik betrekking op de maandelijkse Estimaciones Agrícolas, zoals gepubliceerd door het Secretariaat voor Landbouw, Veeteelt en Visserij van het ministerie van Economische Zaken (https://www.magyp.gob.ar/sitio/areas/estimaciones/estimaciones/informes/). Om de hoeveelheden voor vermaling vast te stellen, heeft de Commissie gebruikgemaakt van andere officiële gegevens die in de maandelijkse Industrialización de granos zijn gepubliceerd door het Secretariaat voor Landbouw, Veeteelt en Visserij van het ministerie van Economische Zaken (https://www.magyp.gob.ar/sitio/areas/gestion/). Uit deze gegevens bleken echter alleen al voor bepaalde oogstjaren (april tot en met maart) grotere hoeveelheden voor vermaling (industrialización) in vergelijking met de door de Argentijnse overheid gebruikte reeks gegevens. Aangezien het grootste deel van het verbruik van sojabonen bestemd was voor vermaling en om de consistentie en vergelijkbaarheid van de gegevens in tabel 1 te waarborgen, heeft de Commissie de door de Argentijnse overheid ingediende gegevens voor vermaling en andere toepassingen derhalve alleen gebruikt voor vermaling, rekening houdend met het feit dat de gegevens mogelijk een onderschatting betreffen.
(80) Panelverslag, DS 296, VS — Countervailing Duty Investigation on DRAMS, punt 7.38. Hoewel dit panelverslag werd aangevochten, gold dat niet voor met name deze conclusie.
(81) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 125.
(82) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 164.
(83) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 171 tot en met 176.
(84) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 177.
(85) Decreto 1396/2001, Plan de Competitividad para el Combustible Biodiesel. Modificaciones al Impuesto sobre los Combustibles Líquidos y el Gas Natural. Normas Complementarias.
(86) Secretaría de Agricultura, Ganadería, Pesca y Alimentos, Resolution 1156/2004, Biocombustibles, Créase el Programa Nacional de Biocombustibles. Principales objetivos. Misiones y funciones.
(87) Artikel 3, biobrandstoffenwet van 2021.
(88) Artikel 16, biobrandstoffenwet van 2021.
(89) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 192 tot en met 195.
(90) https://glp.se.gob.ar/biocombustible/reporte_precios.php.
(91) Ministerio de Economía, Resolución 947/2023, RESOL-2023-947-APN-MEC.
(92) Ley No 23.966, Financiamiento del Regimen Nacional e Prevision Social. Afectacion del I.V.A.. Impuesto sobre Combustibles Liquidos y Gas Natural. Modificaciones a la Ley del Fondo Nacional de la Vivienda. Derogacion de Regimenes de Jubilaciones Especiales. Impuesto sobre los Bienes Personales no incorporado al Proceso Economico. Destino de los recursos de privatizaciones. Modificacion de la Ley de Tasas Judiciales.
(93) Artikel 1, Resolutie 947/2023.
(94) https://biodiesel.com.ar/16276/biocombustibles-la-secretaria-de-energia-de-argentina-lanza-credito-a-tasa-preferencial-para-la-industria-del-biodiesel.
(95) Ley provincial 14010, Creación del Programa Provincial de Uso Sustentable de Biocombustibles (“provinciale wet van Santa Fe nr. 14010”).
(96) https://biodiesel.com.ar/15931/powerbioempresa-lider-en-la-fabricacion-de-plantas-de-biodiesel-que-acompana-el-programa-de-autocomsumo-de-biodiesel-100-que-impulsa-el-gobierno-de-cordoba.https://biodiesel.com.ar/15931/powerbioempresa-lider-en-la-fabricacion-de-plantas-de-biodiesel-que-acompana-el-programa-de-autocomsumo-de-biodiesel-100-que-impulsa-el-gobierno-de-cordoba.
(97) Ley provincial 10721, Ley de Promoción y Desarrollo para la Producción y Consumo de Biocombustibles y Bioenergía (“provinciale wet van Córdoba nr. 10721”).
(98) Artikel 2, punt n), provinciale wet van Córdoba nr. 10721.
(99) Artikel 1 van de provinciale wet van Santa Fe nr. 14010.
(100) Artikel 5 van de provinciale wet van Santa Fe nr. 14010.
(101) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 281.
(102) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 199.
(103) Zie in dat verband de bevindingen van de beroepsinstantie in WT/DS436/AB/R Verenigde Staten — Countervailing Measures on Certain Hot-Rolled Carbon Steel Flat Products From India, 8 december 2014, punten 4.292 tot en met 4.322.
(104) Panelverslag, Verenigde Staten — Definitive Anti-Dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China, WT/DS379/R, aangenomen op 25 maart 2011, gewijzigd bij Rapport WT/DS379/AB/R van de Beroepsinstantie, DSR 2011:VI, blz. 3143, punt 11.68.
(105) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overwegingen 296 en 297.
(106) Ley 12.692, Adhesión provincial a la Ley Nacional no 26093.
(107) Ley 12956, Modificatoria de la Ley 12692 sobre adhesión provincial a la Ley Nacional no 26.093 de Energías Renovables.
(108) Artikel 1 van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12956.
(109) Decreto 158/07, Provincia de Santa Fe. Régimen promocional provincial. Energías renovables no convencionales. Impuestos sobre los ingresos brutos y de sellos. Exenciones, reducciones y diferimientos. Ley 12.692. Su reglamentación. Con las modificaciones de los Dtos. 2.644/12 (B.O.: 1/10/12 – Sta. Fe) y 2.949/14 (B.O.: 23/9/14 – Sta. Fe).
(110) Ministerio de Ambiente y Cambio Climático de la provincia de Santa Fe — Resolución 121/21.
(111) Artikel 3 van regelgevend Decreet nr. 158/07.
(112) Artikel 5, punt b), van de provinciale wet van Santa Fe nr. 12692.
(113) Ley 8478, Promoción industrial.
(114) Decreet 1361.
(115) Artikelen 1 en 4, punt a).
(116) Artikel 4 van provinciaal Decreet nr. 3856/1979.
(117) Artikel 5 van provinciaal Decreet nr. 158/07.
(118) Ley 3456, Código Fiscal de la Provincia de Santa Fe.
(119) Artikel 21, biobrandstoffenwet van 2021.
(120) Ley 9397 Adhesion de la provincial a ley nacional no 26.093, y declaracion de interes public de la promocion de la produccion, procesamiento y uso sustentable de biofuels.
(121) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 280.
(122) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie, overweging 283.
(123) Provincia de Santiago del Estero, Ley 6.750, Sistema Provincial de Promocion y Desarrollo Industrial.
(124) Ministerio de Economia, Resolución 947/2023, Programa de Financiamiento para Capital de Trabajo en la Industria del Biodiesel — Crease.
(125) https://biodiesel.com.ar/16276/biocombustibles-la-secretaria-de-energia-de-argentina-lanza-credito-a-tasa-preferencial-para-la-industria-del-biodiesel.
(126) “Argentina: Biofuels Annual”, United States Department of Agriculture (USDA) — Global Agriculture Information Network (GAIN) report No. AR2024-0011, 5 augustus 2024 (“GAIN-verslag van 2024”), blz. 10-11, beschikbaar op: https://www.fas.usda.gov/data/argentina-biofuels-annual-9.
(127) Ibid.
(128) Decreto 70/2023, DNU-2023-70-APN-PTE — Disposiciones.
(129) Ministerio de Economía, Resolución 302/2024, RESOL-2024-302-APN-MEC.
(130) Uiteindelijk gepubliceerd als Ley 27742, Ley de Bases y Puntos de Partida para la Libertad de los Argentinos.
(131) GAIN-verslag van 2024, blz. 2 en 6.
(132) Decreto 38/2025, DECTO-2025-38-APN-PTE — Derecho de Exportación.
(133) Onder douanecode 3826 00 00 .
(134) GAIN-verslag van 2023, blz. 16. De gegevens in miljoen liter werden omgerekend naar ton met de volgende equivalentiefactor: 1 000 l = 1 m3 = 0,885 t.
(135) http://datos.energia.gob.ar/dataset/estadisticas-de-biodiesel-y-bioetanol/archivo/4e04bc74-8625-412c-acc2-48412f2509b4.
(136) http://datos.energia.gob.ar/dataset/estadisticas-de-biodiesel-y-bioetanol/archivo/4e04bc74-8625-412c-acc2-48412f2509b4.
(137) GAIN-verslag van 2024, blz. 19.
(138) GAIN-verslag van 2024, blz. 17.
(139) http://datos.energia.gob.ar/dataset/estadisticas-de-biodiesel-y-bioetanol/archivo/4e04bc74-8625-412c-acc2-48412f2509b4.
(140) Comext-gegevens voor zuivere biodiesel en mengsels daarvan.
(141) Comext-gegevens alleen voor zuivere biodiesel. Gegevens voor code 2710 19 43 29 voor Singapore. Gegevens voor code 3826 00 10 voor Argentinië, het VK en andere derde landen. Gegevens voor de codes 2710 19 43 29 en 3826 00 10 voor andere landen met uitzondering van de VRC (voor het aandeel van het VK in de “andere landen met uitzondering van de VRC” werd alleen code 3826 00 10 in aanmerking genomen).
(142) Statistisch overzicht 2023 van de EBB, beschikbaar op https://ebb-eu.org/wp-content/uploads/2024/03/EBB_Statistical_Report2023-Final.pdf (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(143) GAIN. “Biofuels Annual” van 19 oktober 2023. China. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/china-biofuels-annual-9 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(144) GAIN. “Biofuels Annual” van 14 augustus 2023. Europese Unie. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/european-union-biofuels-annual-3 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(145) Gezien https://www.reuters.com/business/energy/malaysian-2024-biofuel-output-seen-rising-if-b20-biodiesel-usage-expanded-2024-03-05/ (laatst geraadpleegd op 18 november 2024), is Maleisische biodiesel biodiesel op basis van palmolie. Zie voor een mondiaal overzicht blz. 27 van het verslag van de UFOP over het mondiale marktaanbod 2023/2024, beschikbaar op https://www.ufop.de/files/8217/0548/9837/UFOP-2116_Report_Global_Market_Supply_A5_EN_23_24_160124.pdf.
(146) Zie bijvoorbeeld Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344 van de Commissie van 12 augustus 2019 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 212 van 13.8.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1344/oj). Overweging 32 luidt als volgt: “Het onderzoek toonde aan dat biodiesel die in Indonesië wordt geproduceerd, voornamelijk palmoliemethylester (“palm oil methyl ester” — “PME”) is, een derivaat van palmolie.”
(147) Voor informatie over grondstoffen in het Verenigd Koninkrijk, zie bijvoorbeeld https://www.gov.uk/government/statistics/bioenergy-crops-in-england-and-the-uk-2008-2023/bioenergy-crops-in-england-and-the-uk-2008-2023, en de aanvraag in het openbare dossier van het onderzoek door de Trade Remedies Service, beschikbaar op https://www.trade-remedies.service.gov.uk/public/case/AD0058/.
(148) De invoer naar de Unie vanuit het Verenigd Koninkrijk, een land met een grote vraag naar binnenlandse biodiesel, werd geacht voornamelijk verhandelde goederen te betreffen, aangezien het volume ervan in tabel 12 van de voorlopige verordening in wezen tweemaal de totale biodieselproductie in dat land bedroeg. Dit blijkt uit tabel C.41.1. van OESO/FAO (2022), OECD-FAO Agricultural Outlook 2022-2031, Parijs, https://doi.org/10.1787/f1b0b29c-en. Zie ook blz. 30-32 van de aanvraag in het openbare dossier van het onderzoek door de Trade Remedies Service, beschikbaar op https://www.trade-remedies.service.gov.uk/public/case/AD0058/, waarin staat dat de Greenergy-group omvangrijke exportactiviteiten verrichtte. De tabel op blz. 27 (150 000 – 200 000 ton van Olleco plus Argent) in dezelfde aanvraag, en de ramingen op blz. 29 (320 000 – 370 000 ton voor Greenergy) in de aanvraag, lijken erop te duiden dat de productie van biodiesel in het Verenigd Koninkrijk ongeveer een half miljoen ton bedroeg (of iets meer).
(149) Verenigd Koninkrijk.
(150) De overwegingen 12 en 13 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1273 van de Commissie van 7 mei 2024 tot beëindiging van het onderzoek naar de mogelijke ontwijking door de invoer van uit de Volksrepubliek China en het Verenigd Koninkrijk verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China en het Verenigd Koninkrijk, van de compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië, en tot beëindiging van de registratie van die invoer (PB L, 2024/1273, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2024/1273/oj).
(151) https://rtfa.org.uk/2024/07/23/uk-renewable-fuels-industry-calls-for-inward-processing-policy-to-be-made-more-transparent/ (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(152) https://www.spglobal.com/commodityinsights/en/market-insights/latest-news/agriculture/040324-uk-to-instate-biofuel-import-duties-after-halting-exemptions (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(153) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/731 van de Commissie van 12 mei 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1266 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1267 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 136 van 13.5.2022, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/731/oj).
(154) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj).
(155) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/261 van de Commissie van 10 februari 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/261, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/261/oj).
(156) Eurostat, jaargegevens loonkosten — Nace Rev.2 (https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/bookmark/ 995c4de3-9520-4cc1-9dc2-3c78325a2fc8?lang=en).
(157) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie van 11 februari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB L 40 van 12.2.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/244/oj), overweging 394.
(158) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/261 van de Commissie van 10 februari 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/261, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/261/oj).
(159) Tabel 5 van het GAIN-verslag — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf.
(160) Tabel 5 van het GAIN-verslag — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf.
(161) Tabel 5 van het GAIN Report — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf.
(162) In opmerking t24.002793 wees CARBIO op de verhoging van het leveringsmandaat voor biodiesel in Brazilië naar 14 % vanaf maart 2024 en naar 15 % vanaf maart 2025 (tegenover de huidige 12 %). CARBIO voegde daaraan toe dat Brazilië in het kader van de bijmengverplichting het gebruik van ingevoerde biodiesel vanaf januari 2024 had goedgekeurd.
(163) https://www.statista.com/statistics/1485491/biofuel-consumption-by-type-region-world/.
(164) t24.007393.
(165) GAIN-verslag — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024, blz. 20. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf.
(166) Tabel 5 van het GAIN-verslag — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf. Bladzijde 19 luidt als volgt: “Er wordt geen uitvoer naar de Verenigde Staten, Peru of andere in aanmerking komende markten verwacht.”
(167) Voor meer informatie, zie: https://energy.ec.europa.eu/topics/renewable-energy/renewable-energy-directive-targets-and-rules/renewable-energy-directive_en.
(168) Tabel 5 van het GAIN-verslag — Biofuels Annual, Argentina, 5 augustus 2024. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels+Annual_Buenos+Aires_Argentina_AR2024-0011.pdf.
(169) https://www.bmwk.de/Redaktion/EN/Artikel/Energy/petroleum-fuel-prices.html.
(170) In haar Weekly Oil Bulletin geeft de Commissie per EU-lidstaat een overzicht van de gemiddelde prijzen voor diesel en benzine (Eurosuper 95) en het belastingaandeel van de uiteindelijke prijs. Zie https://energy.ec.europa.eu/data-and-analysis/weekly-oil-bulletin_en.
(171) Meer informatie van de vereniging FuelsEurope is te vinden in de volgende grafiek: https://www.fuelseurope.eu/uploads/files/modules/documents/file/1688474562_PHVWHHTy6LUHcLLbJzKRaj44vRiRLrTghMB8aXzf.pdf#:~:text=No%20tax%20incentive%3A%20Biofuels%20do%20not%20bene%EF%AC%81t%20from,a%20percentage%20of%20fossil%20fuel%20content%20above%2070%25.
(172) Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.
(173) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking) (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(174) Zoals momenteel gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2522 van de Commissie van 23 september 2024 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L, 2024/2522, 31.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2522/oj). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, met die in de desbetreffende GN- en Taric-codes.
BIJLAGE 1
De volgende gegevens moeten worden vermeld op de door de onderneming opgestelde handelsfactuur die de naar de Europese Unie uitgevoerde goederen waarop de verbintenis van toepassing is, vergezelt:
|
1) |
het opschrift “HANDELSFACTUUR — GOEDEREN DIE ONDER EEN VERBINTENIS VALLEN”; |
|
2) |
de naam van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld en de naam van de onderneming die de goederen vervaardigt; |
|
3) |
het factuurnummer; |
|
4) |
de datum van afgifte van de factuur; |
|
5) |
de aanvullende Taric-code waaronder de in de factuur vermelde goederen aan de grens van de Europese Unie moeten worden ingeklaard; |
|
6) |
een nauwkeurige en duidelijke omschrijving van de goederen, met inbegrip van:
|
|
7) |
de verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:
|
|
8) |
de naam van de onderneming die als importeur optreedt en die de rechtstreekse ontvanger is van de factuur; |
|
9) |
de naam van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring: “Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor export naar de Europese Unie waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in Argentinië in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door de Europese Commissie is aanvaard bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245. Hij/zij verklaart dat de gegevens in deze factuur volledig en juist zijn.”. |
BIJLAGE 2
Verbinteniscertificaat voor uitvoer
De volgende gegevens moeten worden vermeld op het verbinteniscertificaat voor uitvoer dat door CARBIO moet worden afgegeven voor elke door de onderneming opgestelde handelsfactuur die de naar de Europese Unie uitgevoerde goederen waarop de verbintenis van toepassing is, vergezelt:
|
1) |
de naam, het adres en het telefoonnummer van de Cámara Argentina de Biocombustibles (“CARBIO”); |
|
2) |
de naam van de in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245 vermelde onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld en de naam van de onderneming die de goederen vervaardigt; |
|
3) |
het factuurnummer; |
|
4) |
de datum van afgifte van de factuur; |
|
5) |
de aanvullende Taric-code waaronder de in de factuur vermelde goederen aan de grens van de Europese Unie moeten worden ingeklaard; |
|
6) |
een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van:
|
|
7) |
de exacte hoeveelheid uitgevoerde eenheden, uitgedrukt in metrieke ton; |
|
8) |
het nummer en de vervaldatum (drie maanden na de afgifte) van het certificaat; |
|
9) |
de naam van de werknemer van CARBIO die het certificaat heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring: “Ondergetekende bevestigt dat dit certificaat wordt afgegeven voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Unie van de goederen waarop de handelsfactuur betrekking heeft en waarop de verbintenis van toepassing is, en dat het certificaat wordt afgegeven in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [onderneming] werd aangeboden en door de Europese Commissie bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/245 werd aanvaard. Hij/zij verklaart dat de in dit certificaat verstrekte informatie juist is en dat de hoeveelheden waarop dit certificaat betrekking heeft de in de verbintenis vermelde hoeveelheid niet overschrijden.”; |
|
10) |
de datum; |
|
11) |
handtekening en stempel van CARBIO. |
BIJLAGE 3
De volgende gegevens moeten worden vermeld op de handelsfactuur bij de naar de Europese Unie uitgevoerde goederen waarop de compenserende rechten van toepassing zijn:
|
1) |
het opschrift “HANDELSFACTUUR — GOEDEREN WAAROP COMPENSERENDE RECHTEN VAN TOEPASSING ZIJN”; |
|
2) |
de naam van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld en de naam van de onderneming die de goederen vervaardigt; |
|
3) |
het factuurnummer; |
|
4) |
de datum van afgifte van de factuur; |
|
5) |
de aanvullende Taric-code waaronder de in de factuur vermelde goederen aan de grens van de Europese Unie moeten worden ingeklaard; |
|
6) |
een nauwkeurige en duidelijke omschrijving van de goederen, met inbegrip van:
|
|
7) |
de verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:
|
|
8) |
De naam en handtekening van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld. |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/835/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)