European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/796

25.4.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/796 VAN DE COMMISSIE

van 24 april 2025

tot instelling van een definitief compenserend recht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/45 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Opening van het onderzoek

(1)

Op 27 maart 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 10 van de basisverordening een antisubsidieonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van mobiele toegangsuitrusting (“MAE”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land” of “de VRC”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 13 februari 2024 is ingediend door de “Coalition to restore a level playing field in the EU Mobile Access Equipment Sector” (“CMAE” of “de klager”). De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor mobiele toegangsuitrusting in de zin van artikel 10, lid 6, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over subsidies en schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.

(3)

Voorafgaand aan de opening van het antisubsidieonderzoek heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening de Chinese overheid (3) ervan in kennis gesteld dat zij een met het nodige bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen, en heeft zij haar uitgenodigd voor overleg. Het overleg vond plaats op 25 maart 2024. Er werd echter geen overeenstemming bereikt.

(4)

Op 13 november 2024 opende de Commissie een afzonderlijk antidumpingonderzoek naar hetzelfde product van oorsprong uit de VRC (“het afzonderlijke antidumpingonderzoek”). Op 9 januari 2025 heeft de Commissie definitieve antidumpingrechten ingesteld en heeft zij de op het betrokken product van oorsprong uit de VRC ingestelde voorlopige rechten definitief geïnd (“de definitieve antidumpingverordening”) (4). De rechten variëren van 20,6 % tot 54,9 %. De analyse van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in deze verordening is mutatis mutandis identiek aan die in de bevindingen van het afzonderlijke antidumpingonderzoek, aangezien de definitie van de bedrijfstak van de Unie, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de beoordelingsperiode en het onderzoektijdvak in beide onderzoeken dezelfde zijn.

1.2.   Registratie

(5)

De Commissie heeft bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2725 van de Commissie van 24 oktober 2024 (5) de invoer van het betrokken product onderworpen aan registratie zodat, indien het onderzoek leidt tot de instelling van compenserende rechten, deze rechten overeenkomstig de toepasselijke bepalingen met terugwerkende kracht op de geregistreerde invoer kunnen worden geheven indien aan de nodige voorwaarden is voldaan (“de registratieverordening”).

1.3.   Belanghebbenden

(6)

In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs, de autoriteiten van de VRC alsmede de haar bekende importeurs en gebruikers specifiek in kennis gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(7)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

(8)

De Commissie heeft geen opmerkingen over de opening van het onderzoek ontvangen, noch een verzoek om te worden gehoord.

1.4.   Samenstelling van de steekproef

(9)

In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening.

1.4.1.   Steekproef van producenten in de Unie

(10)

In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft de steekproef samengesteld op basis van de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden van het soortgelijke product in de Unie in het onderzoektijdvak die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht.

(11)

Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie die goed waren voor 55 % van de geschatte totale productie in de Unie en 52 % van de verkoop van alle producenten in de Unie van het soortgelijke product op de markt van de Unie. Door de drie grootste producenten en verkopers in de Unie in het onderzoektijdvak, gevestigd in twee verschillende lidstaten, te selecteren, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden onderzocht die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen. De Commissie heeft geconcludeerd dat de steekproef van producenten in de Unie derhalve representatief was voor de bedrijfstak van de Unie.

1.4.2.   Steekproef van importeurs

(12)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in bijlage 1 bij het bericht van inleiding gevraagde informatie uiterlijk zeven dagen na de datum van bekendmaking van het bericht te verstrekken. Geen enkele importeur heeft de informatie verstrekt en medewerking verleend aan het onderzoek.

1.4.3.   Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC

(13)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werden alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie gevraagd eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen.

(14)

Zestien producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie voor de steekproef vier (groepen van) ondernemingen geselecteerd die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De steekproef werd samengesteld op basis van de grootste representatieve hoeveelheden wat betreft productie, verkoop of uitvoer naar de Unie in het onderzoektijdvak die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De Commissie hield ook rekening met het mogelijk in aanmerking komen van de groepen van producenten-exporteurs voor de in het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal (6) opgenomen subsidieregelingen, en keek behalve naar de uitvoer dus ook naar de productie en binnenlandse verkoop, op grond van de antwoorden in de steekproefformulieren.

(15)

Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. De Commissie heeft in dit verband opmerkingen ontvangen van de klager.

(16)

De klager stelde dat i) de steekproef geen ondernemingen mag bevatten die in Amerikaanse handen zijn, aangezien zij waarschijnlijk niet in aanmerking komen voor het merendeel van de subsidieregelingen en zij vermoedelijk zeer beperkte toegang tot de Chinese binnenlandse markt zouden hebben, en ii) Chinese particuliere ondernemingen oververtegenwoordigd waren in de steekproef en Chinese overheidsondernemingen, die vermoedelijk meer geïntegreerd zijn, sterker aanwezig zijn op de binnenlandse markt en eerder in aanmerking komen voor financiering en subsidies, ondervertegenwoordigd waren.

(17)

Nadat de Commissie de opmerkingen zorgvuldig had geanalyseerd, was zij van mening dat de producenten-exporteurs van MAE die actief waren in de VRC adequaat waren vertegenwoordigd in de steekproef, en dat deze in overeenstemming was met het EU- en WTO-recht. Bij aanvang bracht de Commissie in herinnering dat artikel 27 van de basisverordening voorziet in een ruime beoordelingsmarge bij het samenstellen van de steekproef overeenkomstig de erin vermelde relevante criteria. Met name bepaalt artikel 27, lid 2, duidelijk: “De definitieve selectie van partijen […] geschiedt door de Commissie”.

(18)

Wat de specifieke argumenten van de klager betreft, werd de steekproef samengesteld op basis van de grootste representatieve hoeveelheden wat betreft productie, verkoop of uitvoer naar de Unie in het onderzoektijdvak die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. Derhalve koos de Commissie er onder meer voor om in de steekproef één onderneming op te nemen die in Amerikaanse handen is, als grootste producent-exporteur, evenals de grootste Chinese producent wat de productie en binnenlandse verkoop in de VRC betreft, hoewel deze onderneming niet tot de grootste exporteurs naar de Unie behoorde.

(19)

Zoals vermeld in overweging 16, was het in aanmerking komen voor subsidieregelingen een van de elementen die de Commissie bij het samenstellen van de steekproef in acht nam. De Commissie beschouwde dit criterium echter niet als doorslaggevend om ervoor te zorgen dat de samenstelling van de steekproef niet vertekend was.

(20)

Om de bovengenoemde reden gebruikte de Commissie de bedrijfsvorm van de onderneming evenmin als een criterium voor de steekproef. Alle soorten ondernemingen (in buitenlandse handen, in Chinese particuliere handen, in Chinese overheidshanden) waren vertegenwoordigd. Voorts vond de Commissie in de antwoorden betreffende de steekproef geen gronden voor de stelling dat Chinese overheidsondernemingen in het algemeen meer geïntegreerd zijn, sterker aanwezig zijn op de binnenlandse markt en eerder in aanmerking komen voor financiering en subsidies dan particuliere ondernemingen.

(21)

In het licht van alle bovenstaande overwegingen besliste de Commissie om haar voorlopige steekproef te bevestigen, die (in aantal eenheden) goed was voor 54 % van de productie, 47 % van de binnenlandse verkoop en 59 % van het geraamde totale uitvoervolume van de VRC naar de Unie in het onderzoektijdvak. De Commissie achtte de steekproef representatief op grond van artikel 27 van de basisverordening.

1.4.4.   Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken

(22)

De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de Chinese overheid, de vier groepen van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de klager, de haar bekende importeurs en gebruikers. De vragenlijsten voor de ondernemingen zijn op de dag van opening van het onderzoek ook online beschikbaar gesteld.

(23)

De Commissie heeft antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de Chinese overheid, de vier groepen van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, een groep van producenten-exporteurs die om een individueel onderzoek verzocht, de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de klager.

(24)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van subsidiëring, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 26 van de basisverordening zijn controlebezoeken verricht bij de volgende partijen:

 

Producenten in de Unie en hun vereniging:

Haulotte Arges (Roemenië)

Haulotte Group (Frankrijk)

Manitou (Frankrijk)

Coalition to restore a level playing field in the EU Mobile Access Equipment Sector

 

Producenten-exporteurs in de VRC:

Dingli Group

Shanghai Dingce Financial Leasing Co., Ltd., Shanghai, China

Zhejiang Dingli Machinery Co., Ltd., Hangzhou, China

JLG Group

Oshkosh JLG (Tianjin) Equipment Co., Ltd., Tianjin, China

Sinoboom Group

Hunan Sinoboom Intelligent Machinery Co., Ltd., Changsha, China

Hunan Sinoboom Machinery Equipment Co., Ltd., Changsha, China

Hunan Xiaobang Machinery Equipment Co., Ltd., Changsha, China

Zoomlion Group

Changde Zoomlion Hydraulic Co., Ltd., Changde, China

Hunan Teli Hydraulic Co., Ltd., Changde, China

Hunan Zoomlion Intelligent Technology Co., Ltd., Changsha, China

Zoomlion Heavy Industry Science and Technology Co., Ltd., Changsha, China

Zoomlion Intelligent Access Machinery Co., Ltd., Changsha, China

1.4.5.   Individueel onderzoek

(25)

Terex (Changzhou) Machinery Co., Ltd., een producent-exporteur in de VRC, verzocht op grond van artikel 27, lid 3, van de basisverordening om een individueel onderzoek. Vervolgens diende deze onderneming, samen met haar verbonden ondernemingen in de VRC, ook een antwoord op de vragenlijst in.

(26)

Rekening houdend met het aantal verbonden ondernemingen in de Terex-groep, die ook zouden moeten worden gecontroleerd, en het aantal ondernemingen dat reeds werd bestreken door de steekproef, concludeerde de Commissie dat aanvaarding van het verzoek om een individueel onderzoek de tijdige afronding van de procedure nodeloos omslachtig zou maken. Het verzoek werd daarom afgewezen.

(27)

De Terex-groep betwistte dat besluit van de Commissie tijdens de hoorzitting waarom na de mededeling van de definitieve bevindingen was verzocht. De Terex-groep heeft echter geen elementen aangedragen die het onderzoek van haar verzoek om een individueel onderzoek zouden rechtvaardigen zonder de tijdige afronding van het onderzoek in gevaar te brengen. Bovendien werden na de hoorzitting geen presentatie of schriftelijke opmerkingen ingediend. De conclusie van de Commissie betreffende het aantal ondernemingen van de Terex-groep dat mogelijk betrokken zou zijn bij het individuele onderzoek, waardoor de analyse van het verzoek te belastend was voor een tijdige afronding van het onderzoek, werd derhalve bevestigd.

1.5.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(28)

Het onderzoek naar de subsidiëring en de schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023 (“het onderzoektijdvak” of “OT”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).

1.6.   Het niet-instellen van voorlopige maatregelen

(29)

Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de basisverordening was de uiterste termijn voor instelling van de voorlopige maatregelen 26 december 2024. Op 2 december 2024 heeft de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig artikel 29 bis van de basisverordening in kennis gesteld van haar voornemen om geen voorlopige maatregelen in te stellen.

1.7.   Vervolg van de procedure

(30)

De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte.

(31)

Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen.

(32)

Op 4 maart 2025 heeft de Commissie alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief compenserend recht in te stellen op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de VRC (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden hebben binnen een bepaalde termijn opmerkingen kunnen maken ten aanzien van deze mededeling van de definitieve bevindingen.

(33)

Naar aanleiding van opmerkingen van Zoomlion Group over de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de berekening van het subsidiepercentage voor deze groep gecorrigeerd. De geactualiseerde berekeningen werden meegedeeld aan Zoomlion Group (“aanvullende mededeling van feiten en overwegingen”), die de tijd kreeg om opmerkingen in te dienen.

1.7.1.   Opmerkingen over procedurele kwesties

(34)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden opmerkingen ontvangen van de Chinese overheid, de Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten (“CCCME”), Zoomlion Group en de CMAE. De Commissie heeft hoorzittingen gehouden met de CCCME, de CMAE en Terex (Changzou) Machinery Co., Ltd. Geen enkele belanghebbende heeft om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur verzocht.

(35)

In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen wees de CCCME op bepaalde procedurele kwesties met betrekking tot het feit dat de Commissie de berekeningen van externe benchmarks niet aan de belanghebbenden heeft meegedeeld. De CCCME stelde ook dat in de mededeling van de definitieve bevindingen niet is ingegaan op haar voorlopige opmerkingen van 2 december 2024.

(36)

De Commissie wees deze argumenten af. De externe benchmarks en gedetailleerde berekeningen van de subsidiebedragen zijn meegedeeld aan de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, die ook lid zijn van de CCCME. Duidelijkheidshalve zijn die benchmarks op 17 maart 2025 ook toegevoegd aan het niet-vertrouwelijke dossier.

(37)

De opmerkingen van de CCCME van 2 december werden ingediend na het verstrijken van de in het bericht van inleiding vermelde termijn. De CCCME werd ervan in kennis gesteld dat zij na de mededeling van de definitieve bevindingen nog steeds haar opmerkingen opnieuw kon indienen, wat zij ook heeft gedaan. Die opmerkingen worden behandeld in deze verordening.

1.7.2.   Opmerkingen over de productomschrijving en de schadeanalyse

(38)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen diende de CCCME opmerkingen in die vergelijkbaar waren met die welke reeds waren gemaakt aangaande de definitieve bevindingen van de Commissie in het afzonderlijke antidumpingonderzoek, betreffende de productomschrijving, de schadebeoordeling, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie.

(39)

Zoals vermeld in punt 1.1, is de analyse van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in deze verordening mutatis mutandis identiek aan die in de bevindingen van het afzonderlijke antidumpingonderzoek, aangezien de definitie van de bedrijfstak van de Unie, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de beoordelingsperiode en het onderzoektijdvak in beide onderzoeken dezelfde zijn. Ook de analyse van de productomschrijving, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie is ongewijzigd gebleven. Daarom verwees de Commissie voor deze opmerkingen van de CCCME naar de punten 2.4 en 5.2.3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1915 van de Commissie van 11 juli 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China (7), en naar de punten 2.4, 4.1, 4.5 en 5 van de definitieve antidumpingverordening, waarin die opmerkingen in detail zijn behandeld.

2.   ONDERZOCHT PRODUCT

2.1.   Onderzocht product

(40)

Het onderzochte product betreft mobiele toegangsuitrusting (“MAE”) die is ontworpen voor het heffen van personen en zelfaandrijvend is, met een maximale werkhoogte van minstens zes meter, en delen daarvan die voorgeassembleerd of klaar om te worden geassembleerd zijn, met uitzondering van individuele componenten die afzonderlijk gepresenteerd worden, en met uitzondering van uitrusting om personen te heffen die is geïnstalleerd op voertuigen van de hoofdstukken 86 en 87 van het geharmoniseerd systeem (“het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8427 10 10 , ex 8427 20 19 , ex 8428 90 90 , ex 8431 20 00 en ex 8431 39 00 (Taric-codes: 8427 10 10 10, 8427 20 19 10, 8428 90 90 20, 8431 20 00 60 en 8431 39 00 10).

(41)

De productomschrijving omvat machines die worden gebruikt voor het heffen van personen in een brede waaier aan toepassingen, waaronder kniktelescoophoogwerkers, telescoophoogwerkers, schaarliften en verticale masten.

(42)

De delen, zij het voorgeassembleerd of klaar om te worden geassembleerd, bestaan uit met name vier categorieën: 1) chassis, 2) toren of draaischijf, 3) platform of korven, 4) hefmechanisme voor MAE. Het hefmechanisme omvat gieken (telescopische en/of geknikte, met of zonder armen) voor telescoophoogwerkers, kniktelescoophoogwerkers of verticale masten en scharen voor schaarliften. Zij omvatten geen individuele componenten die afzonderlijk gepresenteerd worden.

2.2.   Betrokken product

(43)

Het betrokken product betreft mobiele toegangsuitrusting, afkomstig uit de Volksrepubliek China (“het betrokken product”).

2.3.   Soortgelijk product

(44)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysieke en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:

het betrokken product;

het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van de VRC, en

het onderzochte product dat in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en aldaar wordt verkocht.

De Commissie heeft geconcludeerd dat die producten daarom soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening.

3.   SUBSIDIE

3.1.   Inleiding: presentatie van plannen, projecten en andere documenten van de overheid

(45)

Alvorens de vermeende subsidiëring in de vorm van specifieke subsidies of subsidieprogramma’s te onderzoeken, heeft de Commissie plannen, projecten en andere documenten van de overheid die relevant zijn voor de analyse van de onderzochte subsidieprogramma’s beoordeeld.

(46)

Om te beginnen wees de Commissie erop dat de algemene economische structuur van de VRC wordt gekenmerkt door een bijzonder sterke rol van de staat, waarbij de overheidsinstanties op hun beurt worden gecontroleerd door de Chinese Communistische Partij (“CCP”), de regerende politieke entiteit van het land. Als gevolg daarvan opereren ondernemingen in de VRC in een specifieke omgeving die — in tegenstelling tot de westerse economieën waar de marktkrachten het dominerende principe van organisatie vormen — talrijke mechanismen omvat waarmee de Chinese overheid een aanzienlijke mate van zeggenschap over elk aspect van de economische activiteit in het land verwerft. Deze strenge controle verhindert dat marktdeelnemers zich gedragen als rationele marktdeelnemers die winstmaximalisatie nastreven, en dwingt hen in feite te handelen als een tak van de overheid bij het uitvoeren van haar beleid en plannen.

(47)

De volgende kenmerken zijn het belangrijkst bij het overdragen van de beleidsbeslissingen van de Chinese overheid in de dagelijkse bedrijfsvoering van marktdeelnemers: i) de doctrine van de socialistische markteconomie, ii) het leiderschap van de CCP, iii) het systeem van industriële planning, iv) het financiële stelsel.

(48)

De doctrine van de socialistische markteconomie, die is verankerd in de Chinese grondwet (8), verleent de staat een inherente en alomvattende controle over de economie, die veel verder gaat dan de traditionele normen voor de vaststelling van een regelgevingskader waarin marktspelers vrij kunnen opereren. Artikel 6 van de grondwet luidt met name als volgt: “De basis van het socialistische economische stelsel van de Volksrepubliek China is socialistische publieke eigendom van de productiemiddelen […]. In de eerste fase van het socialisme handhaaft de staat het fundamentele economische stelsel waarin overheidseigendom overheerst en diverse vormen van eigendom zich naast elkaar ontwikkelen, en houdt hij zich aan het distributiesysteem waarin distributie op basis van arbeid overheerst en verschillende wijzen van distributie naast elkaar bestaan”. Bovendien staat in artikel 15 van de grondwet het volgende: “De staat hanteert een socialistische markteconomie. De staat versterkt de economische wetgeving en verbetert macroregulering en controle. Overeenkomstig het recht verbiedt de staat ondernemingen of personen het sociaaleconomisch bestel te verstoren.” Daarnaast krijgt de staat in artikel 11 van de grondwet een interventionistische rol toegekend die verder gaat dan de bescherming van de rechten en belangen van de niet-publieke sectoren, in de zin dat de staat “de ontwikkeling van de niet-publieke sectoren van de economie aanmoedigt, ondersteunt en aanstuurt, en overeenkomstig het recht toezicht en controle uitoefent op de niet-publieke sectoren”.

(49)

Deze constitutionele grondslagen komen tot uiting in alle relevante wetteksten (9), die benadrukken dat de socialistische markteconomie het leidende beginsel is waarop de Chinese economie is gebaseerd. Bovendien maakt de staat, onder leiding van de CCP, op grote schaal gebruik van diverse — zowel stimulerende als beperkende — instrumenten om de economie te sturen in de richting van socialistische modernisering, d.w.z. naar doelstellingen (waaronder doelstellingen van het industriebeleid) die door de Chinese overheid zijn vastgesteld.

(50)

Het leiderschap van de CCP — hoewel zij formeel is verankerd in de grondwet van het land (10), in de relevante secundaire wetgeving en in de statuten van de partij (11) zelf — neemt in de praktijk verschillende vormen aan; dit komt met name doordat in de VRC geen scheiding der machten bestaat en de partij derhalve volledige controle uitoefent over de wetgevende (12), de uitvoerende (13) en de rechterlijke (14) macht van de staat; bovendien houdt de partij toezicht op cruciale gebieden van de economie, met inbegrip van de financiële sector en de industriële sectoren die als strategisch worden beschouwd, met name door eigendom en/of door benoeming en roulering van personeel op sleutelposities; het opzetten van partijcellen is bovendien verplicht in alle ondernemingen met meer dan drie partijleden (15), zowel in staatsbedrijven als in particuliere ondernemingen, en partijstructuren binnen ondernemingen eisen vaak het recht op om deel te nemen aan de operationele besluitvorming van de ondernemingen. Door al deze controlemechanismen heeft de CCP een stevige greep op de economie van het land en kan zij haar economisch beleid in overeenstemming met haar strategische overwegingen en prioriteiten formuleren en uitvoeren.

(51)

De richting die de Chinese economie opgaat, wordt in grote mate bepaald door een uitgebreid planningssysteem waarin prioriteiten en doelen worden gesteld waarop de centrale en de lokale overheid zich moeten concentreren. Op alle overheidsniveaus bestaan plannen die alle economische sectoren bestrijken. De bij de planningsinstrumenten bepaalde doelstellingen zijn van bindende aard en de autoriteiten op elk bestuurlijk niveau houden toezicht op de uitvoering van de plannen door het desbetreffende lagere overheidsniveau. Over de gehele linie leidt het planningssysteem in de VRC ertoe dat middelen worden toegewezen aan sectoren die door de overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat de toewijzing overeenkomstig de marktwerking plaatsvindt (16).

(52)

Voor het toewijzen van middelen overeenkomstig de beleidsprioriteiten van de Chinese overheid is instrumentalisering van de financiële sector voor de Chinese autoriteiten van essentieel belang. Het financiële stelsel van de VRC wordt nog steeds gedomineerd door de bankensector en de staat controleert de bankensector (zie ook punt 3.6.1), via eigendom (zie overwegingen 134 tot en met 136) en door persoonlijke banden. Dienovereenkomstig heeft de Chinese overheid, in haar hoedanigheid van meerderheids-/controlerende aandeelhouder, de bevoegdheid om de belangrijkste posities te benoemen binnen het management van beleidsbanken in overheidshanden (zie overweging 144) en van banken die geheel of gedeeltelijk in handen zijn van de staat zelf of van rechtspersonen die in handen zijn van de staat.

(53)

Bovendien bevatten de statuten van grote Chinese banken doorgaans een specifiek hoofdstuk over de oprichting van een partijcomité (17). Volgens de statuten van de Industrial and Commercial Bank of China (“ICBC”) zijn bijvoorbeeld “de voorzitter van de raad van bestuur van de bank en de secretaris van het partijcomité dezelfde persoon” (18). In artikel 53 worden de taken van het partijcomité opgesomd, met inbegrip van het toezicht op de praktische uitvoering van de besluiten van de partij en van de staat binnen de bank. Het partijcomité speelt ook een rol bij de selectie en evaluatie van het personeel, samen met de raad van bestuur. Ten slotte moet het partijcomité worden betrokken bij de bespreking van “belangrijke operationele en beheerskwesties en belangrijke vraagstukken in verband met de belangen van werknemers, en moet het opmerkingen en suggesties formuleren” (19). Bovendien moet het partijcomité overeenkomstig de bepalingen betreffende de raad van bestuur worden geraadpleegd voordat een besluit wordt genomen over belangrijke kwesties (20). De statuten van de Agricultural Bank of China bevatten dezelfde bewoordingen over de oprichting van het partijcomité in artikel 58 en over de betrokkenheid van het comité bij de bespreking van belangrijke kwesties in artikel 161 (21).

(54)

Naast het vermogen van de Chinese overheid om zeggenschap uit te oefenen over de bankensector door middel van eigendom en organisatorische opzet, oefent zij ook zeggenschap over de sector uit in het licht van de toepasselijke Chinese wetgeving (zie punt 3.6.1.4 voor de analyse van de relevante regelgevingsdocumenten), op grond waarvan de banken zich bij het nemen van financiële beslissingen moeten conformeren aan de doelstellingen van het industriebeleid van het land.

(55)

Concluderend kan worden gesteld dat al deze elementen aantonen dat de structuur van het wettelijke en politieke systeem in de VRC berust op een strakke greep van de overheid op alle aspecten van de economie en de handel, aangezien deze centraal worden beheerd en gecontroleerd door de Chinese overheid. De marktdeelnemers maken integraal deel uit van dit systeem, niet als actoren op de vrije markt die hun bedrijfsbeslissingen louter laten leiden door economische logica en winstmaximalisatie, maar eerder als een van de integrale actoren die het overkoepelende beleid en de specifieke doelstellingen die de Chinese overheid op centraal niveau heeft vastgesteld, ten uitvoer leggen.

3.2.   Overheidsplannen en -beleid ter ondersteuning van de bedrijfstak voor MAE

(56)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie een aantal documenten inzake industrieel beleid die zeker sinds 2010 achtereenvolgens zijn ingevoerd en hieronder worden genoemd, geanalyseerd om te bepalen of de beoordeelde subsidies en subsidieprogramma’s een onderdeel vormen van de uitvoering van de centrale planning van de Chinese overheid tot stimulering van de bedrijfstak voor MAE.

Inleiding: MAE als onderdeel van de bouwmachinesector

(57)

MAE maakt samen met andere soorten uitrusting die hoofdzakelijk worden gebruikt voor bouw- en infrastructuurwerken zoals grondverzetters, kranen enz. integraal deel uit van de bouwmachinesector. In de VRC wordt de bouwmachinesector gecoördineerd door de China Construction Machinery Association (“CCMA”), waarbij de MAE-activiteiten onder de afdeling “decoratie en hoogtewerken” vallen. De bouwmachinesector wordt ook wel de technische bouwkundesector genoemd (22).

(58)

Voorts wordt in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bouwmachinesector (23) naar MAE verwezen in het kader van technische bouwkunde. Hetzelfde geldt voor plannen op provinciaal en gemeentelijk niveau (zie de overwegingen 74 tot en met 77). Op basis daarvan concludeerde de Commissie dat MAE tot de bouwmachinesector/technische bouwkundesector behoort.

Besluit nr. 40 van de Staatsraad tot afkondiging en uitvoering van de “Tijdelijke bepalingen inzake de bevordering van de aanpassing van de industriële structuur”

(59)

Besluit nr. 40 van de Staatsraad van de Volksrepubliek China is een in 2005 uitgevaardigd wettelijk document ter bevordering van aanpassingen van de industriële structuur in de VRC door de ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken en de verwijdering van verouderde productiecapaciteit aan te moedigen. De “richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur” (24) (“richtsnoeren”), die een uitvoeringsmaatregel van Besluit nr. 40 vormen, dienen als basis voor investeringsbeslissingen door industriële sectoren aan te wijzen die bevoorrechte toegang tot krediet moeten krijgen. Hierin verschaft de Chinese overheid ook richtsnoeren voor het beheer van investeringsprojecten en voor het opstellen en uitvoeren van beleid inzake overheidsfinanciën, belastingheffing, leningen, grond, invoer en uitvoer. De Nationale Commissie voor ontwikkeling en hervorming (“de NDRC”) bracht in februari 2013 richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur uit die zij in 2019 wijzigde. De klager en de Commissie hebben vastgesteld dat de richtsnoeren een verwijzing bevatten naar de sector van “grote bouwmachines”, waartoe MAE behoort.

Made in China 2025

(60)

In 2015 publiceerde de Chinese overheid haar alomvattende industriestrategie voor de lange termijn, die bekend staat als “Made in China 2025” (25). In deze strategie zijn mijlpalen vastgesteld voor de modernisering van de geselecteerde productiesectoren van het land tegen 2020 en 2025 en werd het voornemen van de Chinese overheid herhaald om in dat verband gebruik te maken van verbeterde beleidsmaatregelen voor financiële steun, onder meer het kanaliseren van de financiering via staatsbanken naar overzeese uitbreiding van de be- en verwerkende industrie, alsook naar de uitbreiding van fiscale en belastingsteun. Van cruciaal belang is dat in de richtsnoeren “Made in China” wordt vermeld dat: “financiering wordt toegewezen aan projecten die geen financiering kunnen vinden op de markt en die centrale steun nodig hebben”. Bijgevolg is er sprake van aanzienlijke overheidssteun om de ontwikkeling van de in kaart gebrachte sectoren van de economie te bevorderen door middelen naar de uitvoering van beleidsdoelstellingen te kanaliseren (26).

(61)

In Made in China 2025 wordt de bouwmachinesector ook specifiek genoemd. Er wordt gesteld dat de Chinese overheid van plan is “verbeteringen aan de productkwaliteit te versnellen. Een actieplan ter verbetering van de kwaliteit van industriële producten uit te voeren, gericht op sleutelsectoren zoals […] bouwmachines” (27). Zij is ook van plan “O&O en de industrialisering te bevorderen van producten zoals […] slimme bouwmachines” (28) en “de hoogwaardige ontwikkeling van de waardeketen van sectoren zoals […] bouwmachines […] te stimuleren” (29).

(62)

In dit verband steunt de Chinese overheid via het programma Made in China 2025 de snelle ontwikkeling van de bouwmachinesector, en bevordert zij tegelijkertijd onderzoek en ontwikkeling (O&O) en de industrialisering van de sector.

Het 14e Chinese nationale vijfjarenplan

(63)

Gezien de aard van het Chinese planningssysteem moeten plannen op een hoger niveau — zoals de 12e, 13e of 14e nationale vijfjarenplannen — door alle relevante autoriteiten worden opgevolgd en uitgevoerd. In de nationale plannen zijn uitdrukkelijk verplichtingen in dat verband opgenomen, zoals artikel LXV van het 14e nationale vijfjarenplan (30), waarin wordt gesteld dat de Chinese overheid “de organisatie en coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van dit plan zal versterken en de monitoring en evaluatie van de planning en de uitvoering, beleidsborging en beoordelings- en toezichtmechanismen zal opzetten en verbeteren”. Dienovereenkomstig moeten autoriteiten op een lager niveau “een gunstig beleids-, institutioneel en juridisch klimaat creëren. In de jaarplannen wordt uitvoering gegeven aan de ontwikkelingsdoelen en kerntaken die in dit plan worden voorgesteld” (31).

(64)

Cruciaal is dat de Chinese overheid zich er ondubbelzinnig toe verbindt om financiële steun te verlenen, evenals steun in de vorm van andere productiefactoren — zoals land — aan projecten en sectoren die in het plan worden geïdentificeerd: “Wij zullen het beginsel naleven dat het plan de koers bepaalt, met overheidsuitgaven als garantie, financiële steun en coördinatie met andere beleidslijnen. […] Wij zullen ervoor zorgen dat de overheidsuitgaven het overheidsbeleid volgen en dienen, de financiële steun voor belangrijke nationale strategische taken vergroten, de coördinatie van financiële plannen voor de middellange termijn en jaarlijkse begrotingen, plannen voor overheidsinvesteringen en de uitvoering van dit plan versterken, en wij zullen prioriteit geven aan centrale fiscale middelen voor de belangrijkste taken en grote technische projecten die in dit plan zijn geïdentificeerd. Wij zullen erop aandringen dat projecten het plan volgen en dat de middelen en productiefactoren de projecten volgen, een lijst van grote technische projecten ontwikkelen op basis van dit plan, de goedkeuringsprocedures voor de projecten in de lijst vereenvoudigen en ervoor zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan de selectie van de planningslocaties, het grondaanbod en de kapitaalbehoeften. De vraag naar grond voor individuele grote technische projecten wordt op een uniforme manier door de staat gegarandeerd” (32).

(65)

Met betrekking tot MAE en de sector waartoe ze behoort, wordt in het plan verwezen naar bouwmachines of technische bouwkunde onder deel III “De ontwikkeling van een modern industrieel systeem versnellen en de totstandbrenging van de reële economie consolideren en versterken”, hoofdstuk VIII “Brede uitrol van de strategie voor het uitbouwen van een sterk land”, afdeling 3 “De optimalisering en modernisering van de be- en verwerkende industrie bevorderen”.

Het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bedrijfstak voor bouwmachines

(66)

De VRC heeft ook een specifiek vijfjarenplan voor de bouwmachinesector gepubliceerd. De CCMA heeft er zelf op gewezen dat “de China Construction Machinery Industry Association op 8 juli 2021, in opdracht van het departement voor de bedrijfstak voor apparatuur van het ministerie van Industrie en Informatietechnologie het “14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bedrijfstak voor bouwmachines” officieel heeft uitgevaardigd” (33). In dit plan wordt de bouwmachinesector aangemerkt als “een van de belangrijke pijlerindustrieën voor het uitbouwen van de nationale economie”. De industrie “zal de beslissingen en de activiteiten van het Centraal Comité van de Partij oprecht uitvoeren gedurende de periode van het 13e vijfjarenplan” en “de structurele hervormingen aan de aanbodzijde krachtdadig bevorderen en uitvoeren”. In dit vijfjarenplan worden de doelstellingen voor de bouwmachinesector in het kader van de Chinese economie als geheel bevestigd. De top-downaansturing door de Chinese staat is duidelijk wanneer in het plan bijvoorbeeld wordt gesteld dat “(…) de mate van internationalisering, het technologisch en innovatievermogen, de schaal en het totale volume, de kwantiteit en de kwaliteit, de alomvattende capaciteiten van de waardeketen, en vele andere aspecten aanzienlijk zijn verbeterd, wat een enorme bijdrage levert aan het uitbouwen van de nationale economie”. In het plan is geen ruimte voor vrije marktontwikkeling, en er worden duidelijke milieu- en technische doelstellingen vastgesteld voor de bedrijfstak: “er is grote vooruitgang geboekt bij het aanpassen van de structuur van de industrie. Belangrijke resultaten inzake innovatie en ontwikkeling, snelle ontwikkeling van slimme bouwmachines, belangrijke technische uitrusting (…), verdere verbetering van de kwaliteit, prestaties, betrouwbaarheid en duurzaamheid, brede toepassing van het industriële internet, uitstekende resultaten op het gebied van groene ontwikkeling, concrete vooruitgang bij standaardisering, en groepsnormen moeten worden ontwikkeld in de industrie”.

(67)

In het plan wordt bijzondere aandacht besteed aan innovatie. In het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines wordt benadrukt dat de bouwmachinesector de innovatiegestuurde ontwikkelingsstrategie tijdens het 13e vijfjarenplan (2016-2020) grondig heeft uitgevoerd. In de bouwmachinesector is er “voortdurend sprake van nieuwe doorbraken op het gebied van O&O en bevordering van de toepassing van hoogwaardige en slimme kerntechnologieën voor producten. Hij voldoet volledig aan de behoeften van belangrijke projecten inzake opbouw van de nationale economie, en heeft een groot aantal wetenschappelijke onderzoeksresultaten opgeleverd. Bijgevolg is de sector een belangrijke drijvende kracht geworden voor de permanente groei van de industrie” (34).

(68)

Tot slot is het plan sterk gericht op hoogwaardige producten — een terugkerend thema bij de subsidiëring van MAE. Onder de titel “Proefproject inzake innovatie voor nieuwe hoogtechnologische bouwmachines” wordt in het vijfjarenplan onderstreept dat de Chinese overheid “ondernemingen aanmoedigt om zich toe te spitsen op hoogwaardige producten”. Het is ook gericht op basistechnologieën en belangrijke gangbare technologieën op het gebied van slimme hoogwaardige bouwmachines (35). Meer specifiek wordt in het plan verwezen naar “hoogwerker” en “hefplatform” bij het behandelen van “3. Bijzondere aandacht voor het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van producten en kernonderdelen van bouwmachines” (36).

(69)

Daarnaast is met betrekking tot inputs voor bouwmachines in het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines vastgesteld dat “er nog steeds een bepaalde kloof bestaat, onder meer voor kernonderdelen van bouwmachines zoals hoogwaardige hydraulische onderdelen, transmissieonderdelen en motoren”. In het plan wordt beoogd de bouwmachinesector te verbeteren door “een industrieel, collaboratief innovatiesysteem tot stand te brengen dat de belangrijkste motoruitrusting en kernonderdelen omvat, de doorbraak en industrialisering van kernonderdelen en belangrijke gangbare technologieën te versnellen, en een industriële cluster van geavanceerde bouwmachines van wereldklasse op te bouwen” (37).

3.3.   MAE als aangemoedigde bedrijfstak

(70)

De Chinese overheid voerde aan dat MAE geen aangemoedigde bedrijfstak is aangezien het product niet is opgenomen in de “richtsnoeren”, het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines, of in het document “Made in China 2025”.

(71)

Op grond daarvan was de Chinese overheid van mening dat regelingen inzake preferentiële behandeling niet mochten worden onderzocht wegens het gebrek aan specificiteit. De Chinese overheid merkte ook op dat het feit dat sommige upstream- en downstreamsectoren tot een aangemoedigde bedrijfstak behoren geen gevolgen heeft voor de toestand van de MAE-sector zelf, en dat de regelingen in verband met de levering van inputs voor een ontoereikende prijs evenmin mogen worden onderzocht.

(72)

Het onderzoek bracht echter aan het licht dat MAE deel uitmaakt van de bouwmachinesector, die zelf een aangemoedigde bedrijfstak is zoals vermeld in Besluit nr. 40 (zie overweging 59); het document Made in China 2025 (zie overweging 61) en het 14e vijfjarenplan (zie overweging 65). In het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines (zie overweging 69) wordt MAE aangemerkt als een deel van de sector, met afdelingen betreffende “hoogwerkers” en “hefplatformen”.

(73)

Er wordt ook verwezen naar MAE als een aangemoedigde bedrijfstak in verschillende documenten op provinciaal en gemeentelijk niveau.

(74)

In het 14e vijfjarenplan inzake ontwikkeling van de vervaardiging van hoogwaardige uitrusting van de provincie Zhejiang worden “slimme hoogwerkers” aangemerkt als deel van de technische bouwkunde (38).

(75)

Het Bouwplan voor industriële transformatie en modernisering van de demonstratiezone in Xuzhou, Jiangsu 2019-2025 (39) is gericht op de bouw van een “industriecentrum voor de vervaardiging van uitrusting van wereldklasse” en “is toegespitst op de ontwikkeling van een technische bouwkundesector met hefcapaciteiten”. De ontwikkeling van het Xuzhou-cluster is ook bevestigd in persberichten (40). Volgens het artikel is het cluster voor technische bouwkunde in Xuzhou een van de zes internationale geavanceerde productieclusters die de provincie Jiangsu beoogt aan te leggen tijdens het 14e vijfjarenplan, terwijl het gemeentelijke partijcomité en de gemeentelijke overheid van Xuzhou hebben aangegeven dat de bouwmachinesector de “nummer 1-industrie” is, en zij hebben vervolgens het “Ontwikkelingsplan voor de bedrijfstak voor bouwmachines van Xuzhou (2021-2030)” en het “Actieplan voor innovatieontwikkeling van de industriële cluster voor bouwmachines van Xuzhou (2022-2025)” opgesteld om “de innovatieve ontwikkeling van de bouwmachinesector van de stad te bevorderen, de schaal van de sector te blijven uitbreiden, het concurrentievermogen en de invloed van de sector breed te versterken, en een nieuwe doelstelling vast te stellen om de industriële cluster voor bouwmachines van Xuzhou uit te bouwen tot een geavanceerd productiecluster van wereldniveau”.

(76)

Wat de provincie Hunan betreft, voorziet het werkverslag 2024 van de gemeente Changsha (41) in de uitvoering van de actie ter bevordering van de cluster bouwmachines en de bevordering van de bouw van projecten zoals Zoomlion Smart Industrial City, Sunny Science and Technology City en Xingbang Intelligent International Smart Manufacturing City. De steun van de provincie Hunan aan de MAE-sector wordt ook bevestigd in persberichten: “De verbeterde stabiliteit en gelijkmatigheid is een microkosmos van de systematische transformatie en modernisering van de producenten van hoogteplatformen in Hunan. Op dit moment richt Hunan zich op deze voordelige industrie, door de heropbouw van de industriële basis te versterken, evenals het onderzoek naar en de ontwikkeling van belangrijke technische uitrusting. Veel ondernemingen voor hoogteplatformen spannen zich in voor ontwikkeling in de richting van lichtgewicht producten, grote ladingen, laag energieverbruik, nauwkeurige en slimme besturing, en hebben bepaalde doorbraken bereikt” (42).

(77)

Voorts heeft Zoomlion een strategische samenwerkingsovereenkomst gesloten met de gemeentelijke overheid van Xiangtan, waarbij het een beroep doet op de voordelen van Xiangtan inzake speciaal staal, nieuwe materialen en op andere gebieden, om gezamenlijk het ondersteunend industriepark van Zoomlion aan te leggen (43). De tweede MAE-producent in Hunan profiteerde van de financiële steun van staatsonderneming Hunan Chasing Financial Holding (44). Zowel Zoomlion als Sinoboom Group is in dit onderzoek opgenomen in de steekproef van producenten-exporteurs.

(78)

Het onderzoek bracht aan het licht dat de VRC prioritaire ondersteuning biedt aan hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen, een sector waaronder MAE valt. Zoals verder verduidelijkt in de punten 3.10.1 en 3.10.2 beschikken alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs over een certificaat van in hightech en in nieuwe technologieën gespecialiseerde onderneming, wat bevestigt dat producenten-exporteurs van MAE tot een aangemoedigde bedrijfstak behoren.

(79)

Tot slot en zoals aangegeven in overweging 57, bevat de structuur van de CCMA een afzonderlijke tak voor MAE.

(80)

In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat MAE, als onderdeel van de bouwmachinesector, een aangemoedigde bedrijfstak is.

(81)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CCCME dat de door de Commissie in de punten 3.2 en 3.3 beschreven beleidsdocumenten en -plannen te ruim waren en verwezen naar de sector bouwmachines, “waardoor de nodige specificiteit ontbrak om concreet overheidsingrijpen in de MAE-bedrijfstak aan te tonen”.

(82)

Ook herhaalde de Chinese overheid haar argument dat het feit dat MAE deel uitmaakt van de sector bouwmachines niet automatisch impliceert dat MAE-producten worden aangemoedigd, zelfs als de sector bouwmachines als een aangemoedigde bedrijfstak wordt aangemerkt.

(83)

De Commissie was het daar niet mee eens. Er is aangetoond dat MAE deel uitmaakt van de sector bouwmachines en dus van een aangemoedigde bedrijfstak. Voorts wordt in verschillende documenten op provinciaal en gemeentelijk niveau die in de overwegingen 74 tot en met 77 zijn aangehaald, rechtstreeks verwezen naar “hoogteplatformen” of “machines met hefcapaciteit”. Provinciale en gemeentelijke plannen worden beschouwd als een verlengstuk van nationale plannen die de uitvoering ervan op subcentraal niveau sturen. Bovendien profiteren MAE-producenten van een verlaging van de vennootschapsbelasting voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen, zoals beschreven in punt 3.3.1. Als die ondernemingen voor deze verlaging in aanmerking komen, worden zij geacht actief te zijn op de hightechgebieden die door de staat worden ondersteund.

3.4.   Gedeeltelijke niet-medewerking en gebruik van beschikbare gegevens

3.4.1.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening ten aanzien van de Chinese overheid

(84)

Hoewel de Chinese overheid tijdens het onderzoek op bepaalde informatieverzoeken van de Commissie heeft geantwoord, waren er opmerkelijke gevallen van geringe medewerking. In haar antwoord op de vragenlijst voor de regering heeft de Chinese overheid met name nagelaten essentiële informatie te verstrekken over de voorbereiding van, het toezicht op en de uitvoering van diverse regelingen. Al deze kritieke elementen zijn nauwkeurig gedocumenteerd in de artikel 28-brief die naar de Chinese overheid is gestuurd. De Chinese overheid heeft opmerkingen gemaakt, die de Commissie behandelt in de onderstaande punten.

3.4.2.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening ten aanzien van de verstrekking van preferentiële leningen

(85)

Om op een effectieve wijze de noodzakelijke informatie van de financiële instellingen in de VRC te verkrijgen, en ook om administratieve redenen, heeft de Commissie de Chinese overheid verzocht specifieke vragenlijsten door te sturen naar elke financiële instelling die leningen of exportkredieten had verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(86)

De Chinese overheid was van mening dat het verzoek van de Commissie aan de Chinese overheid om de specifieke vragenlijst door te sturen, in strijd was met de artikelen 12.1 en 12.9 van de SCM-overeenkomst. De Chinese overheid was van mening dat de verplichting om het onderzoek uit te voeren en informatie te verzamelen bij financiële instellingen, bij de onderzoeksautoriteit ligt en de Commissie de Chinese overheid niet kan verzoeken om de vragenlijsten door te sturen naar financiële instellingen op basis van een vermoeden dat deze entiteiten overheidsinstanties zijn. De Chinese overheid voerde aan dat deze op een vermoeden gebaseerde benadering onverenigbaar is met artikel 1.1, punt a), 1, van de SCM-overeenkomst. De Chinese overheid voerde ook aan dat de Commissie al toegang had tot de lijst van handelsbanken van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en dat zij de vragenlijsten rechtstreeks naar de betrokken financiële instellingen had kunnen sturen.

(87)

De Chinese overheid stelde verder dat de financiële instellingen niet naar behoren op de hoogte waren gesteld van de van hen verlangde informatie, geen dertig dagen de tijd hadden gekregen om de gevraagde informatie te verstrekken en evenmin voldoende gelegenheid hadden gekregen om de relevante informatie schriftelijk te verstrekken in de zin van artikel 12.1 van de SCM-overeenkomst. Bovendien was de Chinese overheid ook van mening dat personeelsleden van die handelsbanken volgens artikel 53 van de wet inzake handelsbanken geen staatsgeheimen of bedrijfsgeheimen mogen onthullen waarvan zij in de loop van hun dienstverband kennis hebben gekregen, en daarom de vragenlijst niet kunnen beantwoorden.

(88)

De Commissie was het niet met dit standpunt eens. Ten eerste gaat de Commissie ervan uit dat de Chinese overheid de beschikking heeft over de van entiteiten in staatsbezit gevraagde informatie voor alle entiteiten waarin zij de belangrijkste aandeelhouder is of de meeste aandelen houdt. Daarnaast, hoewel de Commissie er op geen enkele wijze van uitging dat de entiteiten overheidsinstanties zijn, was zij van mening dat de Chinese overheid over de nodige bevoegdheden beschikte voor een uitwisseling van informatie met financiële instellingen, ook wanneer deze niet in staatsbezit zijn, aangezien zij alle onder de bevoegdheden vallen van de Nationale autoriteit voor financiële regelgeving (de “NFRA”), die in 2023 in de plaats is gekomen van de China Banking and Insurance Regulatory Commission (45) (“CBIRC”). In dit verband is het feit dat de Commissie rechtstreeks contact had kunnen opnemen met de betrokken financiële instellingen niet relevant. De vorm en modaliteiten voor het verzamelen van de noodzakelijke informatie blijven ter beoordeling van de onderzoeksautoriteit (46). De Commissie merkte ook op dat de Chinese overheid in eerdere onderzoeken (47) de vragenlijst aan bepaalde banken had doorgestuurd zonder de aanpak van de Commissie in twijfel te trekken. Bovendien heeft de Commissie, wat de gevraagde informatie en de termijn voor het beantwoorden van de vragenlijst betreft, van geen enkele financiële instelling een verzoek om verduidelijking of een verzoek tot verlenging van de termijn ontvangen.

(89)

De Commissie heeft haar vragenlijst niet tot het personeel van de financiële instellingen gericht, maar tot de instellingen zelf. In ieder geval is het feit dat bepaalde informatie als staatsgeheim of bedrijfsgeheim kan worden beschouwd, niet relevant in het kader van een antisubsidieprocedure, gezien alle ingediende informatie die als vertrouwelijk wordt beschouwd, vertrouwelijk wordt behandeld. Bovendien werd aan de in de steekproef opgenomen producenten gevraagd om een bankmachtiging te verstrekken die de vertegenwoordigers van de Commissie de uitdrukkelijke toestemming verleent om alle documenten (48) met betrekking tot de door individuele financiële instellingen verstrekte leningen te beoordelen. Sommige van de in de steekproef opgenomen groepen verstrekten de gevraagde machtiging voor bepaalde soorten leningen.

(90)

Bij gebrek aan die informatie was de Commissie van mening dat zij cruciale informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen. De Commissie heeft de Chinese overheid derhalve meegedeeld dat zij bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van preferentiële financiering overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten teruggrijpen op de beschikbare gegevens. Meer specifiek bracht de Commissie de Chinese overheid ervan op de hoogte dat zij geen enkel antwoord had ontvangen van de Chinese banken die een preferentiële lening hadden verstrekt aan de in de steekproef opgenomen producenten. Op grond daarvan kon de Commissie de argumenten van de Chinese overheid niet bevestigen, onder meer met betrekking tot de kredietwaardigheid en de verstrekking van leningen of andere financieringsinstrumenten waarvan de in steekproef opgenomen producenten hadden geprofiteerd. Voorts verstrekte de Chinese overheid geen informatie over de aandeelhouders van de banken die door de in de steekproef opgenomen producenten waren meegedeeld, en verstrekte zij evenmin een bewijs of onderbouwing met betrekking tot het mechanisme voor de bepaling van de primaire rentevoet voor leningen zoals toegelicht in haar antwoord op de vragenlijst.

(91)

Op 21 januari 2025 heeft de Chinese overheid opmerkingen ingediend over de brief van de Commissie van 15 januari 2025, waarin zij haar voornemen kenbaar maakte om de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening (“artikel 28-brief”).

(92)

In antwoord op het verzoek om bijlage A door te sturen naar de financiële instellingen, stelde de Chinese overheid dat de Commissie haar informatieverzoeken rechtstreeks tot de relevante entiteiten moest richten. Bovendien stelde de Chinese overheid dat financiële instellingen onafhankelijke economische entiteiten zijn die geen banden hebben met de Chinese overheid. Bovendien beweerde de Chinese overheid dat in bijlage A om vertrouwelijke en gevoelige bedrijfsinformatie wordt verzocht.

(93)

De Commissie was het niet met dit standpunt eens. Ten eerste gaat de Commissie ervan uit dat de Chinese overheid de beschikking heeft over de informatie die wordt gevraagd van entiteiten in staatsbezit (zowel ondernemingen als publieke/financiële instellingen) voor alle entiteiten waarin zij een meerderheids- of groot belang heeft. Volgens de wet van de VRC inzake staatsdeelnemingen (49) worden namelijk de taken en bevoegdheden van een investeerder in ondernemingen waarin de staat een belang heeft, namens de Chinese overheid uitgeoefend door toezicht- en beheersbureaus die zijn opgezet door de Commissie voor toezicht op en beheer van staatsactiva van de Staatsraad, en door lokale instanties in de VRC. Die bureaus hebben dus recht op inkomsten uit die investeringen en medezeggenschap bij belangrijke besluitvorming en de selectie van directieleden van ondernemingen met overheidskapitaal. Bovendien staan ondernemingen met overheidskapitaal volgens artikel 17 van voornoemde wet inzake staatsdeelnemingen onder het beheer en toezicht van de overheid en bevoegde overheidsdiensten en -instanties en zijn zij verantwoording verschuldigd aan hun investeerders.

(94)

Daarnaast beschikt de Chinese overheid over de nodige bevoegdheden voor een uitwisseling van informatie met financiële instellingen ook wanneer deze niet in staatsbezit zijn, aangezien zij alle onder de bevoegdheden van de Chinese autoriteit voor bankregelgeving vallen. Zo is de NFRA volgens de artikelen 33 en 36 van de wet inzake het bankentoezicht (50) bijvoorbeeld bevoegd om alle in de VRC gevestigde financiële instellingen te verplichten informatie over te leggen, zoals jaarrekeningen, statistische verslagen en gegevens over bedrijfsactiviteiten en bedrijfsvoering. De NFRA kan financiële instellingen tevens opdracht geven informatie te delen met het publiek.

(95)

Voorts verzocht de Commissie de Chinese overheid enkel om de specifieke vragenlijsten (bijlage A) door te sturen naar de betrokken financiële instellingen en de Commissie het bewijs te bezorgen dat de Chinese overheid de bovengenoemde specifieke vragenlijsten had bezorgd. In de bijlagen was informatie opgenomen voor de desbetreffende financiële instellingen met betrekking tot de uiterste termijnen en de methoden voor indiening, evenals de verwerking van niet-vertrouwelijke gegevens. De Chinese overheid heeft eenvoudigweg nagelaten deze vragenlijsten door te sturen.

(96)

Tegelijkertijd verzocht de Commissie de Chinese overheid om het systeem en het toepasselijke mechanisme te tonen dat had geleid tot de bepaling van de primaire rentevoet voor leningen om de kwaliteit en de transparantie te beoordelen van de rentevoet die de Chinese financiële instellingen hadden toegepast om leningen toe te kennen aan de MAE-sector. De Chinese overheid weigerde bewijs te verstrekken over een dergelijk mechanisme. De Chinese overheid stelde dat zij het mechanisme voor de bepaling van de primaire rentevoet voor leningen had toegelicht.

(97)

De Commissie beschouwde de opmerkingen als ongegrond. De Commissie heeft herhaaldelijk specifieke, duidelijke en relevante vragen gesteld, maar de Chinese overheid weigerde de relevante informatie te verstrekken. De Chinese overheid heeft geen bewijzen verstrekt van of de werking laten zien van het mechanisme voor de bepaling van de primaire rentevoet voor leningen, noch in haar antwoord op de vragenlijst, noch tijdens de controle ter plaatse, waardoor niet kon worden bevestigd hoe deze werd bepaald.

(98)

Bij gebrek aan de gevraagde informatie was de Commissie van mening dat zij cruciale informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen. De Commissie concludeerde derhalve dat zij zich voor haar bevindingen inzake preferentiële leningen moest baseren op de beschikbare feiten.

(99)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de CCCME het standpunt van de Chinese overheid dat de toepassing van artikel 28 van de basisverordening niet mag worden gebaseerd op de weigering van de Chinese overheid om de door de Commissie gevraagde informatie te verzamelen, die de Commissie zelf bij andere partijen bij het onderzoek moet opvragen. Deze algemene verklaring zet de specifieke opmerkingen van de Commissie in de overwegingen 93 tot en met 95 echter niet op losse schroeven. Daarom werd het besluit om met betrekking tot preferentiële financiering gebruik te maken van de beschikbare gegevens gehandhaafd.

3.4.3.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening ten aanzien van de subsidies/exportkredietverzekeringen/grondgebruiksrechten/elektriciteit/inkomenssteun/inputs

(100)

De Commissie heeft de Chinese overheid in de artikel 28-brief meegedeeld dat zij essentiële informatie met betrekking tot bepaalde onderzochte subsidieregelingen zoals subsidies, exportkredietverzekeringen en de verlening van grondgebruik, niet had ontvangen. Daarom deelde de Commissie de Chinese overheid mee dat zij bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van de bovengenoemde regelingen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten teruggrijpen op de beschikbare gegevens.

(101)

Met betrekking tot subsidies heeft de Chinese overheid geen bewijsmateriaal verstrekt dat zij lagere overheden had gecontacteerd om informatie op te vragen over de subsidies die aan in de steekproef opgenomen producenten waren verstrekt. Bijgevolg heeft zij geen melding gedaan van enige subsidies die door de in de steekproef opgenomen producenten van MAE zijn ontvangen, noch heeft zij informatie verstrekt over de subsidiabiliteitscriteria of de rechtsgrondslag ervan.

(102)

Met betrekking tot exportkredietverzekeringen merkte de Commissie op dat Sinosure in feite de enige financiële instelling was die een antwoord op de vragenlijst van bijlage A had verstrekt. Dit antwoord vertoonde echter gebreken met betrekking tot vele essentiële aspecten:

Sinosure verstrekte geen informatie over de in zijn jaarverslag gerapporteerde inkomsten uit investeringen;

Sinosure diende geen bewijsmateriaal in over kwesties met betrekking tot zijn jaarrekening, zoals exploitatiekosten, inkomsten, inkomsten uit investeringen, het totale verzekerde bedrag, het verzekerde bedrag van de bedrijfstak voor machines;

Sinosure verstrekte geen informatie over zijn statuten;

Sinosure verstrekte geen informatie over in de steekproef opgenomen producenten, zelfs al waren relevante machtigingen van de onderneming voorhanden;

Sinosure diende geen bewijsmateriaal in over het onafhankelijke karakter van zijn kredietrisicobeoordelingssysteem.

(103)

Al deze documenten en informatie werden ook niet verstrekt door de Chinese overheid, hoewel de Commissie deze tijdens het controlebezoek had opgevraagd.

(104)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Chinese overheid dat de Commissie niet had aangetoond dat de niet verstrekte informatie noodzakelijke informatie was en betwistte zij de toepassing van artikel 28, lid 1. In dit verband verwees zij naar de rapporten van het panel en de Beroepsinstantie in de zaak VS — Zwaargesatineerd papier (51), waarin werd geconcludeerd dat de onderzoekende autoriteit “eerst moest vaststellen dat de ontdekte informatie informatie was die nodig was om een vaststelling van subsidiëring van het onderzochte product af te ronden” en dat zij “niet zonder verdere verduidelijking kan concluderen dat de ontbrekende informatie “noodzakelijk” is in de zin van artikel 12.7”. De Chinese overheid voerde ook aan dat zij veel materiaal had geleverd met betrekking tot het exportkredietverzekeringsprogramma en dat de informatie in het dossier volstond voor het onderzoek.

(105)

De Commissie merkt op dat informatie als “noodzakelijk” in de zin van artikel 28, lid 1, van de basisverordening moet worden beschouwd als zij van dien aard is dat zij de Commissie in staat stelt in het kader van een antisubsidieonderzoek passende conclusies te trekken. In dit verband was de gevraagde informatie volgens de Commissie noodzakelijk, met name om te beoordelen of Sinosure handelde als overheidsinstantie, onder overheidscontrole stond, handelde volgens marktbeginselen of winst maakte. De Commissie was ook van mening dat de beperkte informatie die door de Chinese overheid werd verstrekt en de argumenten in haar vragenlijst niet konden worden gecontroleerd aan de hand van geldig ondersteunend bewijsmateriaal, nu de Chinese overheid had geweigerd de gevraagde onderliggende documenten of bewijzen te verstrekken, hetgeen heeft geleid tot een gerechtvaardigde toepassing van de beschikbare gegevens in dit verband. Daarom werden deze argumenten afgewezen.

(106)

Wat de grondgebruiksrechten betreft, verstrekte de Chinese overheid geen informatie over de verwerving van grond door de producenten/exporteurs van MAE. De Chinese overheid kon niet toelichten hoe ondernemingen in sommige omstandigheden gratis grond konden verwerven. Zij verstrekte geen gegevens over mogelijke benchmarks met betrekking tot de verlening van grondgebruiksrechten.

(107)

Met betrekking tot elektriciteit, inkomenssteun en inputs heeft de Commissie verschillende documenten en informatie waar ze om had verzocht niet ontvangen. Al deze documenten zijn opgesomd in de artikel 28-brief die naar de Chinese overheid is gestuurd (52). Zoals vermeld in punt 3.11 kon de Commissie echter geen conclusies trekken over de vraag of deze programma’s aanleiding gaven tot compenserende maatregelen.

(108)

De Chinese overheid maakte in haar antwoord op de artikel 28-brief van de Commissie bezwaar tegen de toepassing van de beschikbare gegevens.

(109)

De Chinese overheid maakte geen opmerkingen over het niet-verstrekken van de gevraagde documenten en informatie over subsidies en exportkredietverzekeringen.

(110)

Over grondgebruiksrechten voerde de Chinese overheid aan dat de Commissie had verzocht om onbestaande documenten en informatie.

(111)

De Commissie was het niet eens met deze stelling. De Commissie kon zich er tijdens het controlebezoek bij de Chinese overheid van vergewissen dat zij volledig op de hoogte was van transacties in verband met grondgebruiksrechten en dat zij kon aantonen welke prijs was betaald voor door een in de steekproef opgenomen producent verworven grondgebruiksrechten. Anders dan de Chinese overheid betoogt, bracht het onderzoek aan het licht dat deze documenten wel degelijk bestaan en beschikbaar waren voor de Chinese overheid. De Commissie kon dit met name afleiden uit het feit dat de Chinese overheid tijdens het controlebezoek via een webplatform (53) toegang had tot de details van transacties met grondgebruiksrechten (met inbegrip van de bekendmaking van aankondigingen en transactieprijzen), terwijl die informatie niet was verstrekt in haar antwoord op de vragenlijst. Op grond daarvan was de Commissie van mening dat de Chinese overheid bij het behandelen van de verzoeken van de Commissie om informatie en documenten niet naar beste vermogen had gehandeld.

(112)

Aangezien de Commissie van de Chinese overheid geen informatie heeft ontvangen over de hierboven genoemde elementen, was de Commissie van oordeel dat zij noodzakelijke informatie die relevant was voor het onderzoek, niet had ontvangen en dat zij zich voor haar bevindingen met betrekking tot subsidies, exportkredietverzekeringen en de verlening van grondgebruiksrechten tegen een ontoereikende prijs moest baseren op de beschikbare gegevens.

3.5.   Subsidies en subsidieprogramma’s waarover de Commissie in het huidige onderzoek bevindingen vaststelt

(113)

Op grond van de informatie in het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal, het bericht van inleiding en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie werden de volgende subsidies van de Chinese overheid onderzocht:

de verstrekking van preferentiële financiering en gerichte kredieten door beleidsbanken en handelsbanken in overheidshanden (bv. preferentiële leningen, kredietlijnen, preferentiële obligaties, bankaccepten, preferentiële exportfinanciering en -verzekering);

subsidieprogramma’s;

verstrekking van goederen en diensten door de overheid tegen een ontoereikende prijs:

verlening van grondgebruiksrechten door de overheid tegen een ontoereikende prijs,

verstrekking van elektriciteit door de overheid tegen een ontoereikende prijs,

verstrekking van inputs (machines, batterijen, hydraulische onderdelen en hefsystemen, banden, stalen materialen) door de overheid tegen een ontoereikende prijs,

verstrekking van verzendings- en logistieke diensten door de overheid tegen een ontoereikende prijs.

gederfde inkomsten vanwege programma’s voor vrijstelling en vermindering van belastingen:

lagere vennootschapsbelasting voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen,

preferentiële aftrek vóór belastingen van uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling,

versnelde afschrijving van instrumenten en apparatuur die hoogtechnologische ondernemingen gebruiken voor hoogtechnologische ontwikkeling en productie,

vrijstelling van dividend tussen gekwalificeerde ingezeten ondernemingen.

inkomenssteun.

3.6.   Preferentiële financiering

3.6.1.   Financiële instellingen die preferentiële financiering verstrekken

(114)

Volgens de informatie die is verstrekt door de vier in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs, hebben zij leningen ontvangen van 24 in de VRC gevestigde financiële instellingen. Van deze 24 financiële instellingen waren er 20 in handen van de staat. Ten aanzien van de overige financiële instellingen geldt dat zij hetzij in particulier bezit waren, hetzij dat de Commissie niet kon vaststellen of zij staats- of particulier eigendom waren. Geen enkele van de financiële instellingen, ongeacht of zij volledig of gedeeltelijk in overheidshanden waren, heeft de specifieke vragenlijst ingevuld, ondanks een verzoek aan de Chinese overheid dat betrekking had op alle financiële instellingen die aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen leningen hadden verstrekt.

(115)

Zoals vermeld in overweging 86 heeft de Chinese overheid de vragenlijst niet doorgestuurd naar financiële instellingen en geen informatie verstrekt over de eigendom van de financiële instellingen die leningen verstrekten aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bijgevolg kon de Commissie niet vaststellen of de resterende vier financiële instellingen in overheids- of particuliere handen waren.

3.6.1.1.   Financiële instellingen in staatseigendom die optreden als overheidsinstanties

Juridische norm

(116)

De Commissie onderzocht of de staatsbanken handelden als overheidsinstanties in de zin van artikel 3 en artikel 2, punt b), van de basisverordening. Volgens de desbetreffende rechtspraak van de WTO (54) is een overheidsinstantie een entiteit die “overheidsgezag bezit, uitoefent of daarmee is bekleed”. Een onderzoek door een overheidsinstantie moet per geval worden uitgevoerd, terdege rekening houdend met “de essentiële kenmerken en functies van de overheidsinstantie”, de “relatie met de overheid” van die entiteit en “de juridische en economische omgeving in het land waarin de onderzochte entiteit actief is”. Al naar gelang de specifieke omstandigheden van elk geval kan relevant bewijsmateriaal bestaan uit: i) bewijs dat “een entiteit feitelijk overheidsfuncties uitoefent”, in het bijzonder wanneer dat bewijs “wijst op een aanhoudende en systematische praktijk”; ii) bewijs betreffende “de omvang en inhoud van overheidsbeleid met betrekking tot de sector waarin de onderzochte entiteit actief is”, en iii) bewijs dat een overheid “op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag”. Bij een onderzoek naar een overheidsinstantie moet een onderzoekende autoriteit “alle relevante kenmerken van de entiteit beoordelen en naar behoren in ogenschouw nemen” en alle soorten bewijsmateriaal bestuderen die ter zake dienend kunnen zijn voor die beoordeling; hierdoor moet ze voorkomen “zich uitsluitend op één kenmerk te richten zonder andere mogelijk relevante kenmerken naar behoren in ogenschouw te nemen”.

(117)

In het bijzonder is in de rechtspraak van de WTO gespecificeerd dat (55): “Doorslaggevend is of een entiteit bevoegd is om overheidsfuncties uit te oefenen, ongeacht de wijze waarop dat gebeurt. Er zijn veel verschillende manieren waarop de overheid in enge zin entiteiten bevoegdheid kan verlenen. Derhalve kunnen verschillende soorten bewijs relevant zijn om aan te tonen dat aan een bepaalde entiteit een dergelijke bevoegdheid is verleend. Bewijs dat een entiteit de facto overheidsfuncties uitoefent, kan dienen als bewijs dat zij beschikt over of bekleed is met overheidsgezag, in het bijzonder wanneer dat bewijs wijst op een aanhoudende en systematische praktijk. Hieruit volgt ons inziens dat het bewijs dat een overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag, in bepaalde omstandigheden kan bewijzen dat de betrokken entiteit met overheidsgezag is bekleed en dat gezag uitoefent bij de uitvoering van overheidsfuncties. Wij benadrukken echter dat, afgezien van een uitdrukkelijke delegatie van bevoegdheid in een rechtsinstrument, het bestaan van louter formele banden tussen een entiteit en de overheid in enge zin waarschijnlijk niet zal volstaan om het vereiste bezit van overheidsgezag aan te tonen. Zo bewijst bijvoorbeeld de loutere omstandigheid dat een overheid meerderheidsaandeelhouder van een entiteit is, niet dat zij betekenisvolle zeggenschap uitoefent over de gedragingen van die entiteit, en a fortiori niet dat zij haar overheidsgezag heeft verleend. In sommige gevallen waarin uit het bewijsmateriaal blijkt dat er voldoende aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid zijn en er ook bewijs is dat die zeggenschap betekenisvol was, kan dat bewijsmateriaal echter tot de gevolgtrekking leiden dat de betrokken entiteit overheidsgezag uitoefent”.

(118)

Om een entiteit in een specifiek geval te kenmerken als een overheidsinstantie, kan het relevant zijn om na te gaan “of de functies of het gedrag van de entiteit dusdanig van aard zijn dat ze in de rechtsorde van het betrokken lid doorgaans aangemerkt worden als aan de overheid gerelateerd” (56), rekening houdend met de classificatie en functies van entiteiten binnen WTO-leden in het algemeen. Of de functies of het gedrag dusdanig van aard zijn dat ze in de rechtsorde van het betrokken lid doorgaans worden aangemerkt als aan de overheid gerelateerd, kan een relevante overweging zijn om te bepalen of een specifieke entiteit al dan niet een overheidsinstantie is.

(119)

Er zijn veel verschillende manieren waarop de overheid in enge zin entiteiten bevoegdheid kan verlenen. Derhalve kunnen verschillende soorten bewijs relevant zijn om aan te tonen dat aan een bepaalde entiteit een dergelijke bevoegdheid is verleend. Bewijs dat een entiteit de facto overheidsfuncties uitoefent, kan dienen als bewijs dat zij beschikt over of bekleed is met overheidsgezag, in het bijzonder wanneer dat bewijs wijst op een aanhoudende en systematische praktijk.

(120)

Het bewijs dat een overheid op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag kan in bepaalde omstandigheden dienen als bewijs dat de entiteit in kwestie overheidsgezag bezit en dat gezag uitoefent bij de uitvoering van overheidsfuncties. Staatseigendom van een entiteit is weliswaar geen doorslaggevend criterium maar kan, in samenhang met andere elementen, inderdaad als bewijs dienen. Het bestaan van louter formele banden tussen een entiteit en de overheid in enge zin is echter veelal niet toereikend om overheidsgezag aan te tonen. Zo bewijst bijvoorbeeld de loutere omstandigheid dat een overheid meerderheidsaandeelhouder van een entiteit is nog niet dat zij op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over het gedrag van die entiteit en a fortiori niet dat zij haar overheidsgezag heeft verleend. In sommige gevallen waarin uit het bewijsmateriaal blijkt dat er voldoende aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid zijn en er ook bewijs is dat die zeggenschap betekenisvol was, kan dat bewijsmateriaal echter tot de gevolgtrekking leiden dat de betrokken entiteit overheidsgezag uitoefent.

(121)

Een onderzoek naar een openbare instantie richt zich niet primair op de vraag of er een logisch verband bestaat tussen het gedrag dat beweerdelijk aanleiding vormt voor een financiële bijdrage en een “overheidsfunctie”. In dit verband vereist de juridische norm voor de vaststelling dat sprake is van een overheidsinstantie op grond van artikel 1.1, punt a), 1), van de SCM-overeenkomst geen verband van een bepaalde mate of aard dat noodzakelijkerwijs moet worden aangetoond tussen een vastgestelde overheidsfunctie en de specifieke financiële bijdrage in kwestie. Het relevante onderzoek richt zeer veeleer op de entiteit die dat gedrag vertoont, haar essentiële kenmerken en haar relatie met de overheid. Deze nadruk op de entiteit, in plaats van op het gedrag dat beweerdelijk aanleiding vormt voor een financiële bijdrage, sluit aan bij het feit dat een “overheid” (in de enge zin) en een “overheidsinstantie” een “zekere mate van gemeenschappelijkheid of overlapping hebben in hun wezenlijke kenmerken” — d.w.z. ze zijn beide aan de overheid gerelateerd.

(122)

De aard van het gedrag of de praktijk van een entiteit kan zeker als bewijs dienen dat relevant is voor een onderzoek naar een openbare instantie. Het gedrag van een entiteit — met name wanneer dit wijst op een “aanhoudende en systematische praktijk” — is namelijk een van de diverse soorten bewijs dat, al naar gelang de omstandigheden van elk onderzoek, licht kan werpen op de essentiële kenmerken van een entiteit en haar relatie met de overheid in enge zin. De beoordeling van dit bewijs heeft echter tot doel de centrale vraag te beantwoorden of de entiteit zelf de essentiële kenmerken en functies bezit waardoor ze kan worden aangemerkt als een overheidsinstantie. Zo was het voor de beoordeling of een entiteit een overheidsinstantie is in de context van de Chinese handelsbanken in staatsbezit (“SOCB’s”, State-Owned Commercial Banks) in DS379 relevant om te weten dat: i) “de CEO’s van de hoofdkantoren van de SOCB’s door de overheid worden benoemd en dat de CCP aanzienlijke invloed op hun keuze uitoefent”, en ii) dat het SOCB’s “nog altijd ontbreekt aan risicobeheer- en analytische vaardigheden”. Dit bewijs beperkte zich niet tot de kredietverlening van SOCB’s, maar ging in op hun organisatiekenmerken, besluitvormingsbevoegdheid en algemene relatie met de Chinese overheid. De WTO-Beroepsinstantie merkte in DS379 derhalve op dat het ministerie van Handel (“Department of Commerce”) van de Verenigde Staten inderdaad rekening hield met bewijsmateriaal dat betrekking had op het gedrag van SOCB’s [“leningen verstrekken”], maar dit deed in het kader van zijn onderzoek naar de essentiële kenmerken van die entiteiten en hun relatie met de Chinese overheid. Deze SOCB’s oefenden overheidsfuncties uit namens de Chinese overheid.

(123)

Bovendien heeft de Beroepsinstantie meegewogen dat de overheid in kwestie geen medewerking verleende tijdens het onderzoek. In DS379 bevestigde de Beroepsinstantie namelijk de vaststelling door het ministerie van Handel van de Verenigde Staten dat de SOCB’s in het onderzoek betreffende CFS Paper “overheidsinstanties” vormden, en wel op grond van de volgende overwegingen: i) vrijwel de gehele bankensector in China is in handen van de overheid; ii) artikel 34 van de Wet inzake handelsbanken stelt dat banken worden geacht hun leenactiviteiten uit te voeren in overeenstemming met de behoeften van de nationale economie en “de maatschappelijke ontwikkeling en in de geest van het industriebeleid van de staat”; iii) uit bewijsmateriaal blijkt dat het SOCB’s nog altijd ontbreekt aan risicobeheer- en analytische vaardigheden, en iv) het feit dat “het ministerie van Handel van de Verenigde Staten tijdens dat onderzoek niet het vereiste bewijsmateriaal ontving om zich een omvattend beeld te vormen van de wijze waarop leningen in de papierindustrie worden aangevraagd, toegekend en beoordeeld” (57).

(124)

Om te bepalen of staatsbanken overheidsgezag bezitten, uitoefenen of ermee belast zijn, heeft de Commissie terdege rekening gehouden met de kernkenmerken en -functies van de banken, hun relatie met de overheid, en het juridische en economische klimaat in het land waar de onderzochte entiteit actief is. Wat dit betreft, verzamelde de Commissie informatie over het eigenaarschap van de staat en over formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid in de staatsbanken. Zij analyseerde ook of zeggenschap op betekenisvolle wijze was uitgeoefend met het oog op het geldende normatieve kader. Daartoe moest de Commissie zich baseren op de beschikbare gegevens, gezien de weigering van de Chinese overheid om de desbetreffende vragenlijsten door te sturen naar de betrokken financiële instellingen en om bewijs te leveren inzake het besluitvormingsproces dat tot de preferentiële leningen had geleid, zoals vermeld in punt 3.4.2.

3.6.1.2.   Kernkenmerken en -functies van staatsbanken

(125)

De Chinese bankensector wordt gedomineerd door staatsbanken, die op basis van hun specifieke primaire functies doorgaans SOCB’s of beleidsbanken in overheidshanden worden genoemd (zie overwegingen 52 en 113).

(126)

Aangezien de staat via verschillende kanalen zeggenschap houdt over de staatsbanken — naast aandelenbezit, zorgt hij ook voor de aanwezigheid van partijstructuren en hun invloed in de financiële instellingen en legt hij bepaalde soorten commercieel gedrag van de banken op door middel van regelgevende maatregelen (zie punt 3.6.1.4) — is hij in staat gebruik te maken van de middelen van de financiële sector om zijn beleidsdoelstellingen na te streven (zie ook overwegingen 142 tot en met 144), met inbegrip van de overkoepelende doelstelling om “de ontwikkeling van de socialistische markteconomie te bevorderen”, zoals bepaald in artikel 1 van de bankenwet (zie punt 3.6.1.4 voor een meer gedetailleerde analyse van de bankenwet).

(127)

Bijgevolg worden de kernfuncties van bankinstellingen, en met name hun kredietbeleid, zodanig vormgegeven dat beleidsdoelen worden gediend; de economische prestaties van de banken zijn ondergeschikt aan de vereisten van het industriebeleid van de Chinese overheid. Het toepasselijke rechtskader en de institutionele structuur zorgen er in dit verband voor dat telkens wanneer de Chinese overheid economische prioriteiten vaststelt, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de MAE-sector, de nodige middelen via de financiële sector prioritair naar overeenkomstige projecten worden doorgesluisd. Bijgevolg vervullen staatsbanken in feite overheidstaken, aangezien hun belangrijkste leidinggevenden verbonden moeten zijn aan de CCP — en dus in de eerste plaats loyaal moeten zijn aan de partij — en hun kernactiviteiten moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de door de overheidsinstanties vastgestelde beleidsdoelstellingen.

3.6.1.3.   Eigendom, formele aanwijzingen voor en uitoefening van zeggenschap van de Chinese overheid

(128)

Zoals vermeld in overweging 86 weigerde de Chinese overheid om de vragenlijsten naar de banken door te sturen op grond dat dit verzoek in strijd is met de SCM-overeenkomst doordat ongeoorloofd om informatie wordt verzocht van Chinese financiële instellingen die onjuist als overheidsinstanties zijn ingedeeld, door hen niet naar behoren in kennis te stellen en door geen rekening te houden met bezwaren inzake vertrouwelijkheid krachtens het Chinese recht.

(129)

In de loop van het onderzoek heeft de Commissie haar recht om gegevens op te vragen bij Chinese financiële instellingen, waaronder entiteiten in staatsbezit, die onder zeggenschap staan van de Chinese autoriteiten, toegelicht en bevestigd dat alle vertrouwelijke informatie zal worden behandeld in overeenstemming met de relevante vertrouwelijkheidsprotocollen. Bovendien werd afstand gedaan van het vertrouwelijkheidsvereiste, zoals blijkt uit de schriftelijke toestemming van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, waarbij zij expliciet afstand doen van hun voorrechten inzake vertrouwelijkheid.

(130)

Bijgevolg en zoals uiteengezet in overweging 128, heeft geen van de financiële instellingen in handen van de overheid die leningen hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, de specifieke vragenlijst ingevuld. De lijst van banken omvat: Agricultural Bank of China, Bank of Beijing (58), Bank of China, Bank of Communications Co. Ltd, Bank of Ningbo, China Construction Bank Corporation, China Industrial Bank Co. Ltd, China Merchants Bank, China Minsheng Bank (59), Export-Import Bank of China (EXIM bank), Industrial and Commercial Bank (ICBC), Ping An Bank (60), Shanghai Pudong Development Bank Co. Ltd, China Postal Savings Bank Co. Ltd., Bank of Changsha, Bank of Hunan, China Bohai Bank, China Development Bank, China Guangfa Bank, Commercial Bank of China, Hongkong and Shanghai Banking Corporation (HSBC), Huxia Bank, City Bank (China).

(131)

De Chinese overheid heeft geen informatie verstrekt, noch over de eigendomsstructuur van de banken, noch over hun bestuursstructuur, risicobeoordelingen of voorbeelden van specifieke leningen aan de MAE-bedrijfstak.

(132)

Derhalve heeft de Commissie besloten de beschikbare gegevens te gebruiken om te bepalen of die financiële instellingen in handen van de overheid als overheidsinstanties moeten worden aangemerkt.

(133)

In een eerder antisubsidieonderzoek (61) stelde de Commissie vast dat de banken die leningen hebben verstrekt aan de in het kader van het onderzoek in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs, geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de staat of van rechtspersonen die in handen zijn van de staat. Daar de banken de specifieke vragenlijst niet hebben ingevuld, heeft de Commissie gebruikgemaakt van openbaar beschikbare gegevens, zoals de website van de bank, jaarverslagen en informatie die beschikbaar is in bankregisters of op het internet. In overeenstemming met de bevindingen van dit eerdere onderzoek bevestigde het werkdocument van de diensten van de Commissie (62) dat de staat de bankensector domineert (63) door een meerderheidsbelang te houden in alle handelsbanken in staatseigendom, en door de meerderheid van de aandelen te houden in een aantal handelsbanken, hetzij via directe investeringen via Central Huijin, hetzij indirect via andere rechtspersonen in staatseigendom. In overweging 130 worden de door de producenten-exporteurs gerapporteerde bankentiteiten genoemd waarin de staat een meerderheidsbelang heeft. Bij gebrek aan wijzigingen sinds recente soortgelijke onderzoeken (64) werd geoordeeld dat alle financiële instellingen in staatseigendom die financiering verstrekten aan de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs geheel of gedeeltelijk eigendom waren van de staat zelf of van rechtspersonen in staatseigendom.

(134)

Wat betreft de formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid in de staatsbanken, merkte de Commissie die banken aan als “essentiële financiële instellingen in overheidshanden”. Met name luidt het in de “Tijdelijke regeling betreffende de raad van toezicht in essentiële financiële instellingen in staatseigendom” (65) als volgt: “De in deze regeling genoemde essentiële openbare financiële instellingen zijn beleidsbanken in overheidshanden, handelsbanken, vermogensbeheerders, effectenmakelaars, verzekeringsmaatschappijen enz. (hierna “financiële instellingen in staatsbezit” genoemd), waarvan de Staatsraad de raad van toezicht benoemt”.

(135)

De raad van toezicht van de essentiële openbare financiële instellingen wordt aangewezen overeenkomstig de “Tijdelijke regeling betreffende de raad van toezicht in essentiële openbare financiële instellingen”. Op basis van de artikelen 3 en 5 van deze tijdelijke regeling stelde de Commissie vast dat de leden van de raad van toezicht worden aangewezen door en verantwoording verschuldigd zijn aan de Staatsraad, hetgeen illustreert dat de staat institutionele zeggenschap heeft over de commerciële activiteiten van de meewerkende staatsbank.

(136)

Wat de SOCB’s betreft, merkte de Commissie op dat de zes grootste banken eind 2022 meer dan 40 % van de totale activa van de Chinese financiële sector vertegenwoordigden (66). Ten minste twee van deze zes SOCB’s, namelijk ICBC en ABC, behoren tot de financiële instellingen die leningen hebben verstrekt aan de in dit onderzoek in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs (zie overweging 130). De staat heeft een meerderheidsaandeel in zowel ICBC (67) als ABC (68). De staat controleert niet alleen de zes grootste SOCB’s, maar heeft ook aanzienlijke aandelen in een aantal andere SOCB’s, waarbij zijn betrokkenheid vaker indirect is, bijvoorbeeld via staatsbedrijven. Verscheidene van deze SOCB’s, die goed zijn voor ongeveer 20 % van de totale activa van de Chinese bankensector in 2021, zoals Shanghai Pudong Development Bank, China Everbright Bank, Ping An Bank, China Minsheng Bank, behoren tot de financiële instellingen die leningen hebben verstrekt aan de in het huidige onderzoek in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs (zie overweging 130 voor een volledige lijst), met een verschillende mate van staatsdeelneming, variërend van ongeveer 3 % in het geval van China Minsheng Bank (69) tot meer dan 80 % voor China Everbright Bank (70).

(137)

De Commissie stelde tevens vast dat financiële instellingen in handen van de overheid hun statuten in 2017 hebben gewijzigd om de rol van de CCP op het hoogste besluitvormingsniveau van de banken te versterken (71).

(138)

In deze nieuwe statuten is bepaald dat:

de functie van voorzitter van de raad van bestuur wordt bekleed door de secretaris van het partijcomité;

de CCP als taak heeft ervoor te zorgen en erop toe te zien dat de bank de beleidslijnen en richtsnoeren van de CCP en de staat ten uitvoer legt, en een leidende rol speelt en een poortwachtersfunctie uitoefent bij de aanstelling van personeel (met inbegrip van het hogere management), en

de raad van bestuur bij elke belangrijke beslissing rekening houdt met de mening van het partijcomité.

(139)

In overweging 53 worden specifieke voorbeelden gegeven van deze wijzigingen in de statuten met betrekking tot ICBC en ABC.

3.6.1.4.   Betekenisvolle zeggenschap van de Chinese overheid

(140)

De Commissie verzamelde daarnaast informatie inzake de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap had over het gedrag van financiële instellingen in handen van de overheid, met betrekking tot hun leenbeleid en risicobeoordelingsbeleid bij de verstrekking van leningen aan de MAE-sector. Dienaangaande is rekening gehouden met de volgende regelgevende documenten:

1)

artikel 34 van de wet van de VRC inzake handelsbanken (“bankenwet”);

2)

artikel 15 van de algemene regels betreffende leningen (toegepast door de People’s Bank of China);

3)

Besluit nr. 40;

4)

uitvoeringsmaatregelen van de CBIRC inzake administratieve vergunningen voor handelsbanken met Chinees kapitaal (Verordening van de CBIRC [2017] nr. 1);

5)

uitvoeringsmaatregelen van de CBIRC inzake administratieve vergunningen voor banken met buitenlands kapitaal (Verordening van de CBIRC [2015] nr. 4);

6)

administratieve maatregelen inzake de beroepsbekwaamheid van leden van de directie en het hoger management van financiële instellingen in de bankensector (CBIRC [2013] nr. 3);

7)

driejarig actieplan ter verbetering van de corporate governance in de bank- en verzekeringssectoren (2020-2022) (CBIRC, 28 augustus 2020);

8)

kennisgeving over de methode voor de beoordeling van de prestaties van handelsbanken (CBIRC, 15 december 2020);

9)

kennisgeving over de toezichtvoorschriften inzake het gedrag van grote aandeelhouders van bank- en verzekeringsinstellingen (CBIRC, [2021] nr. 43).

(141)

De Commissie stelde bij de analyse van deze regelgevende documenten vast dat de financiële instellingen in de VRC handelen binnen een juridisch kader dat hen verplicht om te zorgen voor overeenstemming met de doelstellingen van het industriebeleid van de Chinese overheid, waaronder de ontwikkeling van de MAE-sector. MAE wordt erkend als onderdeel van de bouwmachinesector en wordt nadrukkelijk naar voren geschoven in belangrijke nationale en regionale plannen, waaronder Made in China 2025, het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines, en verschillende provinciale en gemeentelijke ontwikkelingsstrategieën in Zhejiang, Jiangsu en Hunan. Deze beleidsmaatregelen bevorderen financiële ondersteuning, stimulansen voor O&O en industriële clustervorming, waardoor financiële instellingen worden gestimuleerd financiering voor ondernemingen in deze sector te prioriteren.

(142)

Op algemeen niveau is in artikel 34 van de bankenwet, die geldt voor alle financiële instellingen die actief zijn in de VRC, bepaald dat “handelsbanken kredieten verlenen in overeenstemming met de behoeften van de nationale economische en sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat”. Hoewel in artikel 4 van de bankenwet het volgende is bepaald: “Handelsbanken verrichten hun bedrijfsactiviteiten overeenkomstig de wet zonder inmenging van enige entiteit of particulier. Handelsbanken staan met het volledige vermogen van de rechtspersoon onafhankelijk in voor hun wettelijke aansprakelijkheid”, bleek uit het onderzoek dat artikel 4 van de bankenwet met inachtneming van artikel 34 van de bankenwet wordt toegepast, d.w.z. dat de banken het door de staat vastgestelde overheidsbeleid uitvoeren en de instructies van de staat volgen.

(143)

Bovendien luidt artikel 15 van de algemene regels betreffende leningen als volgt: “Overeenkomstig het beleid van de staat mogen de betrokken departementen rentesubsidies verlenen voor leningen, teneinde de groei van bepaalde bedrijfstakken en de economische ontwikkeling in bepaalde gebieden te bevorderen”.

(144)

Zo ook verplicht Besluit nr. 40 alle financiële instellingen kredieten specifiek aan “aangemoedigde” projecten te verstrekken. Zoals reeds toegelicht in punt 3.3, en meer in het bijzonder in de overwegingen 72 tot en met 80, vallen projecten van de bedrijfstak voor MAE in de “aangemoedigde” categorie. Besluit nr. 40 bevestigt derhalve de eerdere bevinding inzake de bankenwet, namelijk dat banken overheidsgezag uitoefenen in de vorm van de verlening van preferentiële kredieten. De Commissie heeft tevens vastgesteld dat de NFRA verstrekkende goedkeuringsbevoegdheden heeft die alle aspecten van het management van alle in de VRC gevestigde financiële instellingen (met inbegrip van particuliere financiële instellingen en financiële instellingen in buitenlandse handen) betreffen, zoals (72):

goedkeuring van de benoeming van het gehele management van de financiële instellingen, zowel op het niveau van het hoofdkwartier als op het niveau van lokale filialen. De toestemming van de NFRA is vereist voor de aanwerving van leidinggevenden op alle niveaus van het management, van de hoogste functies tot aan filiaalhoofden, en zelfs voor leidinggevenden die worden aangesteld in buitenlandse filialen en leidinggevenden in ondersteunende functies (zoals IT-managers), en

allerlei administratieve goedkeuringsprocedures, waaronder goedkeuring voor de oprichting van nieuwe filialen, voor het ontplooien van nieuwe bedrijfsactiviteiten of het verkopen van nieuwe producten, voor de wijziging van de statuten van de bank, voor de verkoop van meer dan 5 % van de aandelen van de bank, voor kapitaalverhogingen, voor een verplaatsing van de zetel, voor wijzigingen in de organisatiestructuur enz.

(145)

De bankenwet is juridisch bindend. In punt 3.6.1.4 is vastgesteld dat de vijfjarenplannen en Besluit nr. 40 bindend van aard zijn. Het bindende karakter van de regelgeving van de NFRA berust op de bevoegdheden waarover zij als regelgevende autoriteit beschikt. Het bindende karakter van andere documenten blijkt uit de daarin vervatte bepalingen inzake toezicht en evaluatie.

(146)

Besluit nr. 40 van de Staatsraad draagt alle financiële instellingen op alleen kredietondersteuning te verstrekken aan investeringsprojecten met betrekking tot de aangemoedigde categorie en belooft de uitvoering van “andere preferentiële beleidsmaatregelen ten aanzien van projecten in de aangemoedigde sectorale categorie”. Op basis hiervan zijn banken verplicht om kredietsteun te verlenen aan de bedrijfstak voor MAE als een aangemoedigde bedrijfstak.

(147)

Bovendien moeten zelfs beslissingen van particuliere handelsbanken onder toezicht van de CCP staan en in overeenstemming zijn met het nationale beleid. Een van de drie overkoepelende doelstellingen van de staat met betrekking tot het bestuur van het bankwezen bestaat thans in de versterking van het leiderschap van de Partij in de bank- en verzekeringssector, ook wat operationele en beheersaangelegenheden in ondernemingen betreft. In dit verband wordt in het driejarig actieplan van de CBIRC voor de jaren 2020-2022 opgedragen “verder uitvoering te geven aan de geest die ten grondslag lag aan de toespraak van secretaris-generaal Xi Jinping over de bevordering van de hervorming van corporate governance in de financiële sector”. Bovendien is afdeling II van het plan gericht op het bevorderen van de organische integratie van de partijleiding in de corporate governance: “Wij laten de integratie van de leidende rol van de Partij in de corporate governance systematischer, gestandaardiseerder en meer op basis van procedures verlopen. Belangrijke operationele en beheersaangelegenheden moeten door het partijcomité zijn besproken voordat de raad van bestuur of de directie hierover een besluit neemt”.

(148)

Ook heeft de Chinese overheid onlangs bepaald dat zelfs aandeelhouders van financiële instellingen de uitoefening van de controle door de Chinese overheid moeten vergemakkelijken via het corporate governance-kader van de instelling, en wel als volgt: “Grote aandeelhouders van banken en verzekeringsinstellingen moeten de banken en verzekeringsinstellingen steunen bij het opzetten van een onafhankelijke en deugdelijke corporategovernancestructuur met doeltreffende controlemechanismen en de banken en verzekeringsinstellingen aanmoedigen en steunen om te zorgen voor de organische integratie van de leidende rol van de Partij en corporate governance” (73).

(149)

Tot slot wordt in de criteria voor de beoordeling van de prestaties van de NFRA voor handelsbanken nu met name rekening gehouden met de wijze waarop de financiële instellingen “de nationale ontwikkelingsdoelstellingen en de reële economie dienen”, en in het bijzonder met de wijze waarop zij “strategische en opkomende bedrijfstakken dienen” (74).

(150)

Derhalve kwam de Commissie tot de conclusie dat de Chinese overheid een normatief kader had gecreëerd dat moest worden nageleefd door de managers en toezichthouders van de meewerkende staatsbank, die door de Chinese overheid worden benoemd en die aan haar verantwoording zijn verschuldigd. De Chinese overheid oefende derhalve op basis van dit normatieve kader, telkens wanneer de meewerkende staatsbank leningen aan de bedrijfstak voor MAE verstrekte, betekenisvolle zeggenschap over het gedrag van deze meewerkende staatsbank uit. De kernfuncties van de staatsbank houden verband met de specifieke taken die de Chinese overheid via dit normatieve raamwerk heeft toegewezen, wat ertoe heeft geleid dat de bank een instrument van de Chinese overheid is geworden dat overheidsfuncties uitvoert.

(151)

In de loop van het onderzoek verwees de Chinese overheid naar de interpretatie van de bankenwet door het Nationale Volkscongres en naar artikel 4 van de bankenwet, waarmee zij aanvoerde dat handelsbanken in de VRC opereerden als onafhankelijke juridische entiteiten die “hun eigen beslissingen nemen”, “zonder inmenging van enige entiteit of particulier” en dat “geen enkele entiteit of particulier een handelsbank kan dwingen leningen te verstrekken of een garantie te verstrekken”.

(152)

Zoals uiteengezet in overweging 145 was de Commissie van oordeel dat de Chinese bankenwet en Besluit nr. 40 een dwingend karakter hebben. Daarnaast bieden de bevindingen van het onderzoek en de bevindingen van de Commissie in eerdere onderzoeken met betrekking tot hetzelfde subsidieprogramma (75) geen steun aan het argument dat banken bij het nemen van beslissingen inzake leningen geen rekening houden met het beleid en de plannen van de overheid. De Commissie heeft bijvoorbeeld vastgesteld dat de vier groepen van producenten-exporteurs profiteerden van preferentiële leningen met rentetarieven die onder de marktrente lagen.

(153)

In het onderzoek is ook vastgesteld dat artikel 4 alleen van toepassing is voor zover het in overeenstemming is met artikel 33. Dit betekent dat banken kunnen handelen binnen hun algemeen juridisch kader, maar dat zij moeten voldoen aan het beleid van de staat wanneer dat hen wordt opgedragen. Hoewel artikel 4 van de bankenwet deel uitmaakt van hoofdstuk I, waarin de algemene bepalingen zijn opgenomen, maakt artikel 33 daarentegen deel uit van hoofdstuk IV, waarin de basisregels voor leningen zijn neergelegd. De tekst van artikel 33, “handelsbanken verlenen kredieten in overeenstemming met de behoeften van de nationale economie en de sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat”, toont aan dat deze bepaling geen richtinggevend karakter, maar eerder een dwingend karakter heeft en banken een duidelijke instructie geeft om bij de uitvoering van hun leenactiviteiten rekening te houden met het industriebeleid van de staat. De Commissie merkte ook op dat Besluit nr. 40 van de Staatsraad alle financiële instellingen opdraagt alleen kredietondersteuning te verstrekken aan aangemoedigde projecten, en de uitvoering belooft van “andere preferentiële beleidsmaatregelen voor projecten die behoren tot de categorieën van aangemoedigde bedrijfstakken”. Hoewel artikel 17 van dat besluit ook voorschrijft dat de banken de beginselen van de kredietverlening eerbiedigen, stelde de Commissie vast dat de banken ten tijde van het onderzoek de beginselen van de kredietverlening niet eerbiedigden. De Commissie verzocht om bewijsstukken die aantoonden dat de financiële instellingen die beginselen eerbiedigden. De Chinese overheid en de financiële instellingen hebben die informatie niet verstrekt. Bijgevolg moest de Commissie die beoordeling maken op basis van de beschikbare gegevens. Uit die gegevens bleek dat aan de producenten-exporteurs leningen waren verstrekt ongeacht hun financiële situatie en kredietwaardigheid. Deze bevinding is niet nieuw en dateert al van eerdere onderzoeken (76), waarin de Commissie aantoonde dat artikel 17 niet effectief wordt vertaald naar een beginsel van kredietverlening voor aangemoedigde bedrijfstakken. Tijdens het huidige onderzoek kon de Commissie geen vaststellingen over de naleving doen wegens het gebrek aan medewerking, wat de bezorgdheid over de transparantie en de toepassing van passende procedures inzake kredietbeoordeling verder versterkte.

(154)

Tot slot, zoals opgemerkt in de overwegingen 137 en 138, toont het feit dat alle belangrijke operationele en managementkwesties van de bank worden getoetst door de Partij, die nauw verweven is met de bestuursstructuur van de banken, en het feit dat de prestaties van de banken worden geëvalueerd in overeenstemming met hun inspanningen om strategische en opkomende ondernemingen zoals de bedrijfstak voor MAE te bedienen, ook de strikte en bindende aard aan van het regelgevingskader voor de activiteiten van de financiële instellingen.

(155)

Bij gebrek aan medewerking en concreet bewijs dat de kredietwaardigheid was beoordeeld, onderzocht de Commissie derhalve het algemene rechtskader dat is uiteengezet in de overwegingen 142 tot en met 150, in combinatie met het gedrag van de meewerkende staatsbank wat de leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen betreft. Dit gedrag was in tegenspraak met haar officiële standpunt, aangezien staatsbanken in de praktijk niet handelden op basis van een grondige, op de markt gebaseerde risicobeoordeling.

(156)

In de loop van het onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat aan de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs leningen zijn verstrekt tegen rentetarieven die onder of dichtbij de primaire rentevoet voor leningen liggen, zoals aangekondigd door het National Interbank Funding Center (NIFC). De primaire rentevoet werd op 20 augustus 2019 ingevoerd en vervangt de vorige referentierentevoet van de centrale bank van de People’s Bank of China (PBOC) (77). Het verstrekken van financiering tegen tarieven die lager zijn dan of dicht bij de nationale risicovrije rentevoet op de markt tussen banken liggen, toont duidelijk aan dat er niet voldoende rekening is gehouden met risico’s. Bij gebrek aan medewerking van de Chinese overheid en de financiële instellingen moest de Commissie gebruik maken van de beschikbare gegevens en kwam zij tot de conclusie dat de leningen werden verstrekt ongeacht de reële financiële situatie en het kredietrisicoprofiel van de ondernemingen, zoals vastgesteld in punt 3.6.3. De leningen werden dus verstrekt tegen rentetarieven die lager waren dan de marktrente die overeenstemde met het risicoprofiel van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs.

(157)

Op basis daarvan concludeerde de Commissie dat de Chinese overheid met betrekking tot leningen aan aangemoedigde bedrijfstakken een normatief kader heeft gecreëerd, waaraan de managers en toezichthouders, die door de Chinese overheid zijn benoemd en die aan haar verantwoording verschuldigd zijn, gebonden zijn. Dat normatieve kader liet de beheerders en toezichthouders van de bank geen enkele speelruimte om dit kader al dan niet te volgen ten aanzien van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, zodat het management van die bank zich in een afhankelijke positie bevond.

(158)

Derhalve baseerde de Chinese overheid zich op dit normatieve kader om, telkens wanneer de meewerkende staatsbank leningen verstrekte aan de MAE-bedrijfstak, betekenisvolle zeggenschap over haar gedrag uit te oefenen.

(159)

Bij gebrek aan concreet bewijs van kredietrisicobeoordelingen heeft de Commissie het algemene juridische kader onderzocht dat van toepassing is op leningen aan aangemoedigde bedrijfstakken zoals de bedrijfstak voor MAE, in combinatie met het gedrag van de meewerkende staatsbank, en heeft zij vastgesteld dat de bank niet handelde op basis van grondige marktgebaseerde kredietrisicobeoordelingen.

(160)

Bovendien werden, zoals uiteengezet in overweging 152, leningen verstrekt aan de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs tegen rentevoeten die lager waren dan of dicht bij de primaire rentevoet voor leningen lagen, ongeacht hun financiële situatie en kredietrisicoprofiel. Gezien het risicoprofiel van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zoals beschreven in punt 3.6.4.3 en het feit dat bepaalde in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs volgens de door de Commissie uitgevoerde risicoanalyse een BB-kredietrating en andere een B-kredietrating hadden moeten krijgen en dus rentepercentages hadden moeten betalen die aanzienlijk hoger waren dan de risicovrije rentevoet, heeft de Commissie geconcludeerd dat de betrokken leningen onder de marktrente werden verstrekt.

(161)

De Commissie kwam daarom tot de conclusie dat de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap heeft uitgeoefend over het gedrag van de meewerkende staatsbank met betrekking tot haar kredietbeleid en risicobeoordeling ten aanzien van de bedrijfstak voor MAE.

(162)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Chinese overheid haar argument dat artikel 4 van de wet inzake handelsbanken niet ondergeschikt is aan artikel 34 en dat artikel 34 niet in strijd mag zijn met de bepaling van artikel 4 inzake de onafhankelijkheid van banken. Zij stelde ook dat de bankenwet niet voorziet in straffen voor banken die artikel 34 niet naleven. Daarnaast voerde de Chinese overheid aan dat artikel 15 van de algemene regels betreffende leningen niet kan dienen als basis voor het argument dat de Chinese overheid commerciële banken verplicht preferentiële leningen te verstrekken, en verwees dienaangaande naar een herziening van de algemene regels betreffende leningen. De Chinese overheid voegde daaraan toe dat Besluit nr. 40 niet van toepassing is op de MAE-bedrijfstak, aangezien alleen aangemoedigde projecten zoals beschreven in de richtsnoeren kunnen worden geacht te worden aangemoedigd.

(163)

De Commissie verwees nogmaals naar het in overweging 123 vermelde verslag van de Beroepsinstantie, waarin werd bevestigd dat banken verplicht zijn om kredieten te verlenen “in overeenstemming met de behoeften van de nationale economie en de sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat” en merkte op dat het gestelde ontbreken van straffen irrelevant was, aangezien de Chinese banksector grotendeels in handen van de staat is, en dat commerciële bankbeslissingen onder toezicht van de CCP moeten staan en in overeenstemming moeten blijven met het nationale beleid, hetgeen door geen enkele belanghebbende wordt betwist. Wat artikel 15 van de algemene regels betreffende leningen betreft, merkte de Commissie op dat de Chinese overheid geen bewijs van die herziening heeft verstrekt en dat de wet zelf niet is gewijzigd of ingetrokken, zodat dit artikel nog steeds van toepassing is, zoals de Chinese overheid in haar opmerking over de mededeling van de definitieve bevindingen zelf heeft gesteld. De Commissie verwees ook naar overweging 59, waarin zij heeft geconcludeerd dat de MAE-sector deel uitmaakt van de in de richtsnoeren vermelde sector van “grote bouwmachines”, hetgeen bevestigt dat MAE een aangemoedigde sector is. Op grond van het bovenstaande werden deze argumenten afgewezen.

3.6.1.5.   Conclusie inzake alle financiële instellingen in staatseigendom

(164)

De Commissie stelde vast dat de staatsbanken het hierboven beschreven rechtskader hebben uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de MAE-sector. Dat betekent dat zij optraden als overheidsinstantie in de zin van artikel 2, punt b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening en in overeenstemming met de desbetreffende rechtspraak van de WTO.

(165)

Daarnaast stelde de Commissie op basis van dezelfde gegevens vast dat zelfs indien de financiële instellingen in handen van de overheid niet als overheidsinstanties zouden moeten worden beschouwd, zij om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 3.6.2 zouden worden beschouwd als financiële instellingen waaraan de Chinese overheid functies die zij normaal zelf zou vervullen, heeft toevertrouwd of waarmee zij hen heeft belast in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. Hun gedragingen zouden dus hoe dan ook aan de Chinese overheid worden toegerekend.

3.6.2.   Particuliere financiële instellingen waaraan de Chinese overheid functies heeft toevertrouwd of waarmee zij hen heeft belast

(166)

De Commissie stelde in deze zaak vast dat de volgende in de VRC werkzame banken en particuliere financiële instellingen leningen hadden verstrekt aan de in het onderhavige onderzoek in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs: Citibank (China) Co., Ltd., China Bohai bank, China Mingsheng bank en HSBS bank.

(167)

Net als in eerdere onderzoeken (78) werd in overeenstemming met de in de overwegingen 140 tot en met 161 verstrekte overeenkomstige analyse geoordeeld dat deze banken en particuliere financiële instellingen actief waren onder toezicht van de NFRA (die de CRBC vervangt), en door de Chinese overheid functies kregen toevertrouwd of ermee werden belast. Omdat geen informatie werd verstrekt die het tegendeel bewijst, heeft de Commissie in het onderhavige onderzoek dezelfde conclusie gehandhaafd.

(168)

De Commissie heeft onderzocht of deze financiële instellingen door de Chinese overheid zijn belast met de verlening van subsidies aan de MAE-sector of dat hun die functie is toevertrouwd in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening.

(169)

Volgens de Beroepsinstantie van de WTO vindt “toevertrouwen van functies” plaats wanneer een overheid een verantwoordelijkheid toewijst aan een particulier lichaam, en verwijst “belasten met functies” naar situaties waarin de overheid haar gezag uitoefent ten aanzien van een particulier lichaam (79). In beide gevallen gebruikt de overheid een particulier lichaam om namens haar de financiële bijdrage te leveren en “in de meeste gevallen kan men verwachten dat het toevertrouwen van functies aan of het belasten met functies van een particulier lichaam gepaard gaat met een vorm van dreiging of aansporing” (80). Tegelijkertijd mogen leden overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), iv), geen compenserende maatregelen instellen tegen producten “indien de overheid louter haar algemene regelgevende bevoegdheden uitoefent” (81) of indien overheidsinterventie “al dan niet een bepaald resultaat als gevolg kan hebben, enkel gebaseerd op de gegeven feitelijke omstandigheden en op de uitoefening van vrije keuze door de deelnemers aan die markt” (82). Het toevertrouwen van functies of belasten met functies impliceert eigenlijk “een actievere rol van de overheid dan louter aansporing” (83).

(170)

De Commissie merkte op dat het in de overwegingen 142 tot en met 147 beschreven normatieve kader voor de bedrijfstak van toepassing is op alle financiële instellingen in de VRC, met inbegrip van particuliere financiële instellingen. Zo hebben de bankenwet en de verschillende verordeningen van de NFRA (voormalige CBIRC) bijvoorbeeld zowel betrekking op alle banken met Chinees kapitaal als op alle banken met buitenlands kapitaal die onder het toezicht van de NFRA staan.

(171)

Bovendien bevatte het merendeel van de leenovereenkomsten met particuliere financiële instellingen vergelijkbare voorwaarden als de overeenkomsten met de staatsbanken en waren de rentevoeten van de particuliere financiële instellingen vergelijkbaar met die van de financiële instellingen die staatseigendom zijn. Hieruit blijkt dat er feitelijk preferentiële leenvoorwaarden door deze banken worden verleend in overeenstemming met de controle die de Chinese overheid uitoefent op de bankensector.

(172)

Bij gebreke van enige afwijkende informatie van de particuliere financiële instellingen concludeerde de Commissie dat, voor zover het de MAE-sector betreft, aan alle financiële instellingen (inclusief particuliere financiële instellingen) die in China actief zijn onder toezicht van de NFRA door de staat functies zijn toevertrouwd of dat zij daarmee belast zijn in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), eerste streepje, van de basisverordening, dus functies die niet verschillen van functies die normaal worden vervuld door overheidsinstanties, teneinde uitvoering te geven aan overheidsbeleid en de MAE-sector leningen te verstrekken tegen preferentiële tarieven (84).

3.6.3.   Kredietratings

(173)

In eerdere antisubsidieonderzoeken heeft de Commissie, op basis van een door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gepubliceerde studie (85) waarin een discrepantie tussen internationale en Chinese kredietratings werd aangetoond, reeds geconstateerd dat de aan Chinese ondernemingen toegekende binnenlandse kredietratings niet betrouwbaar zijn. Volgens het IMF is door lokale ratingbureaus namelijk aan 90 % van de Chinese obligaties een rating van AA tot AAA toegekend. Dit is niet te vergelijken met andere markten, zoals de EU of de Verenigde Staten van Amerika (“VS”). Op de markt van de VS heeft bijvoorbeeld minder dan 2 % van de ondernemingen zulke uitstekende ratings. De Chinese kredietratingbureaus neigen dus sterk tot ratings aan de hoogste kant van de ratingschaal. Zij hanteren zeer globale ratingschalen en poolen vaak obligaties met zeer uiteenlopende wanbetalingsrisico’s binnen een en dezelfde brede ratingcategorie (86). Volgens de “China bond market insight 2021” van Bloomberg (87) wordt de obligatiemarkt gedomineerd door vijf Chinese lokale ratingbureaus: China Chengxin, Dagong, Lianhe, Shanghai Brilliance en Golden Credit Rating, en heeft ongeveer 90 % van de obligaties een rating AAA van de plaatselijke ratingbureaus. Veel van de emittenten hebben echter een lagere S&P globale emittentenrating van A en BBB gekregen (88).

(174)

Bovendien wordt de basisrating van de emittent door buitenlandse ratingbureaus, zoals Standard & Poor’s en Moody’s, bij de beoordeling van in het buitenland uitgegeven Chinese obligaties doorgaans verhoogd op basis van een inschatting van het strategische belang van de betrokken onderneming voor de Chinese overheid en de omvang van eventuele impliciete garanties (89).

(175)

Als aanvulling op deze analyse hebben eerdere zaken aangetoond dat de Chinese overheid ook op de ratingmarkt haar invloed kan uitoefenen (90).

(176)

Volgens de in de eerdere zaken door de Chinese overheid verstrekte informatie waren er veertien kredietratingbureaus actief op de Chinese obligatiemarkt, waaronder twaalf binnenlandse ratingbureaus. Ten tweede is er geen vrije toetreding tot de Chinese markt voor kredietrating. Het betreft in wezen een gesloten markt, aangezien ratingbureaus een vergunning nodig hebben van de China Securities Regulatory Commission (“CSRC”) of van de PBOC alvorens activiteiten te kunnen ontplooien (91). De PBOC kondigde medio 2017 aan dat het onder bepaalde voorwaarden aan buitenlandse kredietratingbureaus zou worden toegestaan kredietbeoordelingen uit te voeren voor een deel van de markt voor binnenlandse obligaties. Deze ratingbureaus volgen evenwel Chinese ratingschalen en zijn dus, zoals toegelicht in overweging 174, niet zonder meer vergelijkbaar met internationale ratingbureaus.

(177)

De bevindingen van de Commissie worden bevestigd door een onderzoek van Allianz Global Investors uit 2021, waarin wordt gesteld: “Het onshore-kredietratingsysteem van China verschilt van internationale ratingafspraken. Onshore-obligaties met een rating AA+ zouden bijvoorbeeld op internationale schaal doorgaans als “hoogrentend” worden beoordeeld” (92) .

(178)

Tot slot wees de OESO er in 2022 op dat “tekortkomingen op de kredietratingmarkt, waaronder opgeblazen ratings en zwakke waarschuwingssystemen, de gezonde ontwikkeling van de obligatiemarkt belemmeren” (93) .

(179)

Bovendien heeft de Commissie ook vastgesteld (94) dat het Chinese ratingsysteem niet kan worden beschouwd als uitsluitend gedreven door marktkrachten en dat het op een verstoorde basis functioneert.

(180)

Gelet op de in de overwegingen 173 tot en met 178 beschreven situatie kwam de Commissie tot de conclusie dat Chinese kredietratings geen betrouwbare beoordeling van het kredietrisico van de onderliggende activa vormen. Die ratings waren bovendien vertekend door de beleidsdoelstellingen om belangrijke strategische bedrijfstakken, zoals die voor MAE, aan te moedigen.

(181)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Chinese overheid dat het Chinese kredietbeoordelingssysteem betrouwbaar is en dat de kredietratings van de ondernemingen opnieuw moesten worden beoordeeld. Zij betoogde ook dat de Commissie de in de steekproef opgenomen ondernemingen willekeurig had beoordeeld zonder de vereiste kennis en certificaten en zonder een volledig inzicht in de activiteiten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bovendien voerde de Chinese overheid aan dat de eigendom van de ratingbureaus die op de Chinese markt actief zijn, meer gevarieerd is, met een toenemende aanwezigheid van internationale ratingbureaus zoals S&P en Moody’s China Limited, waardoor de ratingmethoden worden geoptimaliseerd.

(182)

Volgens de Commissie heeft zij de kredietrating van de in de steekproef opgenomen ondernemingen niet op willekeurige wijze beoordeeld. Integendeel, de Commissie heeft volledig transparant gehandeld en heeft de bepaling van de kredietrating van de in de steekproef opgenomen ondernemingen gebaseerd op een reeks financiële indicatoren. De Commissie was ook van oordeel dat de ontwikkeling van de marktstructuur in de VRC geen gevolgen had voor de tekortkomingen op de Chinese kredietratingmarkt, zoals beschreven in de overwegingen 173 tot en met 180. Daarom werden deze argumenten afgewezen.

(183)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CCCME dat het bestaan van 14 ratingbureaus, waaronder twee buitenlandse, de Chinese ratingmarkt robuust en onafhankelijk maakte. Zij voegde daaraan toe dat het gebruik van verschillende ratingcategorieën door lokale Chinese ratingbureaus geen afbreuk doet aan hun onafhankelijkheid en de authenticiteit van de ratingresultaten. Zij betoogde ook dat de conclusie van de Commissie dat de kredietratingmarkt van de VRC “gesloten” is, gebaseerd is op achterhaald en onjuist geïnterpreteerd bewijsmateriaal; de CCCME was met name van mening dat de rol van de CSRC en de PBOC bij het reguleren van de kwalificatie van de ratingbureaus noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat die ratingbureaus over de nodige deskundigheid beschikken, en verwees naar de verbeteringen in de regelgeving die door het in overweging 178 genoemde OESO-verslag worden erkend.

(184)

De Commissie was het niet met deze argumenten eens. Hoewel de Commissie niet betwist dat sommige buitenlandse bureaus op de Chinese markt actief zijn, was zij van mening dat die buitenlandse bureaus slechts “een klein deel van de ratings op de Chinese kredietratingmarkt vertegenwoordigen” en “dezelfde ratingschalen hanteren als de Chinese bureaus en dat zij hun rating verhogen op basis van het strategische belang van de ondernemingen voor de Chinese overheid en impliciete staatsgaranties” (95), waardoor zij niet als onafhankelijk kunnen worden beschouwd. Wat de vermeende verouderde aard van het door de Commissie verstrekte bewijsmateriaal betreft, merkte de Commissie op dat de CCCME selectief de oudste door de Commissie overgelegde bewijsstukken heeft gekozen, en verschillende referenties uit de jaren 2021-2022 heeft genegeerd die in de overwegingen 177 en 178 zijn gebruikt, alsook de verwijzing naar het werkdocument van de diensten van de Commissie met de titel “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China” (Verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China), dat is gepubliceerd in april 2024 (zie overweging 179), lang nadat buitenlandse ratingbureaus actief werden in de VRC. Uit deze referenties blijkt duidelijk dat de situatie van de Chinese ratingmarkt in het onderzoektijdvak niet wezenlijk was veranderd. Wat de rol van de CSRC en de PBOC betreft, heeft de Commissie het OESO-verslag niet betwist, noch het feit dat de rol van die entiteiten de beoordeling van de kwalificaties van de ratingbureaus omvat. De rol van de PBOC is echter niet beperkt tot die beoordeling, maar omvat ook “het toezicht op en het beheer van kredietratings in het hele land” zoals bepaald in artikel 3 van de Tijdelijke maatregelen voor het beheer van de kredietbeoordelingsinstellingen, die gezamenlijk zijn gepubliceerd door de People’s Bank of China, de Nationale Commissie voor ontwikkeling en hervorming, het ministerie van Financiën en de China Securities Regulatory Commission (Verordening [2019] nr. 5). Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

3.6.4.   Preferentiële financiering: leningen

3.6.4.1.   Soorten leningen

Kort- en langlopende leningen

(185)

De Commissie stelde vast dat ondernemingen in alle vier in de steekproef opgenomen groepen gebruikmaakten van kortlopende en langlopende leningen om hun activiteiten te financieren. Die leningen werden hoofdzakelijk gebruikt voor dagelijkse activiteiten, behoeften aan bedrijfskapitaal, speciale projecten en investeringen. Een van de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs gebruikte ook langlopende exportkredieten.

3.6.4.2.   Specificiteit

(186)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 142 tot en met 147, worden uit hoofde van verschillende rechtsinstrumenten die specifiek betrekking hebben op ondernemingen in de bedrijfstak voor MAE, de financiële instellingen ermee belast leningen aan de MAE-bedrijfstak te verstrekken tegen preferentiële tarieven. Uit die documenten blijkt dat de financiële instellingen alleen preferentiële financiering verstrekken aan een beperkt aantal ondernemingen of bedrijfstakken die het desbetreffende beleid van de Chinese overheid naleven. Volgens de Commissie is de verwijzing naar de bedrijfstak voor MAE duidelijk genoeg, aangezien deze wordt aangeduid aan de hand van zijn benaming, een verwijzing naar het vervaardigde product of de groep binnen de bedrijfstak waartoe hij behoort. Bovendien genoot een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs een door de China Development Bank verstrekte lening, waarmee “projecten in door de staat erkende essentiële sectoren” worden ondersteund. Het feit dat de Chinese overheid een beperkte groep van aangemoedigde bedrijfstakken — waaronder de MAE-bedrijfstak — ondersteunt, maakt deze subsidie derhalve specifiek.

3.6.4.3.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(187)

De Commissie berekende de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie op basis van het tijdens het onderzoektijdvak aan de ontvangers toegekende voordeel. Overeenkomstig artikel 6, punt b), van de basisverordening is het aan de ontvangers toegekende voordeel het verschil tussen de interest die de onderneming heeft betaald voor de preferentiële lening en de interest die de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening die zij op de markt had kunnen verkrijgen.

(188)

Zoals uiteengezet in de punten 3.6.1 en 3.6.2, zijn de door Chinese financiële instellingen verstrekte leningen het gevolg van aanzienlijke overheidsinterventie, en weerspiegelen zij niet de rentevoeten die normaal gesproken op een functionerende markt van toepassing zouden zijn.

(189)

De algemene financiële situatie van de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen was verschillend. Elk van hen ontving in het onderzoektijdvak verschillende soorten leningen; deze verschilden onder meer wat looptijd, zekerheden, garanties en andere voorwaarden betreft. Om deze twee redenen had elke onderneming een gemiddelde rentevoet op basis van de leningen die zij ontving.

(190)

De Commissie beoordeelde de financiële situatie van elke in de steekproef opgenomen groep producenten-exporteurs afzonderlijk om met die specifieke kenmerken rekening te houden. In dit verband volgde de Commissie de berekeningsmethode voor preferentiële financiering via leningen die in het kader van het antisubsidieonderzoek betreffende aluminium converter foil van oorsprong uit de VRC, alsook het antisubsidieonderzoek betreffende warmgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de VRC, en de antisubsidieonderzoeken betreffende banden van oorsprong uit de VRC, bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezel van oorsprong uit de VRC, optischevezelkabels van oorsprong uit de VRC en nieuwe batterijvoertuigen, ontworpen voor het vervoer van personen van oorsprong uit de VRC (96) was vastgesteld, en die in de overwegingen hierna wordt toegelicht. Bijgevolg berekende de Commissie het voordeel dat de praktijken van preferentiële financiering via leningen voor elke in de steekproef opgenomen groep producenten-exporteurs opleverden op individuele basis, en wees zij dat voordeel toe aan het onderzochte product.

1)   Sinoboom Group

(191)

Zoals in overweging 90 is vermeld, hebben de leningverstrekkende Chinese financiële instellingen geen antwoord op de vragenlijst overgelegd dat verduidelijking kan bieden over de uitgevoerde kredietwaardigheidsbeoordeling. Om het voordeel te bepalen, moest de Commissie derhalve onderzoeken of de rentetarieven voor de leningen aan Sinoboom Group op marktniveau lagen.

(192)

Sinoboom Group rapporteerde dat zij zich in een winstgevende financiële situatie bevond, met, volgens haar eigen financiële rekeningen voor het boekjaar 2023, een winstmarge van 12 %.

(193)

Sinoboom Group gebruikte kortlopende en langlopende schulden om haar activiteiten te financieren. De Commissie heeft de liquiditeitspositie op korte termijn en de solvabiliteitspositie op lange termijn van de groep beoordeeld.

(194)

Wat de liquiditeitspositie op korte termijn betreft, gaf de groep aan dat de gemiddelde bedrijfskapitaalratio tijdens het onderzoektijdvak 1,44 was. Hoewel de vlottende activa van de onderneming in een aanvaardbaar bereik liggen, is dit niet bijzonder sterk. Dit wijst erop dat de onderneming technisch weliswaar aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen, maar dat haar liquiditeitspositie slechts in geringe mate adequaat is. Ingeval van onverwachte financiële druk is het mogelijk dat de onderneming het moeilijk heeft haar activiteiten te handhaven zonder activa van de hand te doen of bijkomende schulden aan te gaan. Een meer solide liquiditeitspositie zou nodig zijn om in geval van marktvolatiliteit of onverwachte gebeurtenissen voor financiële stabiliteit te zorgen.

(195)

Wat de solvabiliteit betreft, wijst de verhouding tussen schulden en eigen middelen van de onderneming van 1,98 op een grote afhankelijkheid van schulden. De onderneming steunt bijna tweemaal meer op geleende middelen dan op eigen middelen, wat een aanzienlijk financieel risico inhoudt. Een dergelijk hoog hefboomeffect maakt de onderneming kwetsbaar voor stijgende rentevoeten of perioden van economische neergang, aangezien haar vermogen om schulden af te lossen dan mogelijk wordt ingeperkt. De afhankelijkheid van schuldfinanciering vergroot het risico op insolventie, vooral indien de groei van de ontvangsten of de winstgevendheid vertraagt. Dit hefboomeffect is een ernstig punt van zorg dat de financiële gezondheid van de onderneming in gevaar kan brengen.

(196)

Volgens de Commissie komt de algemene financiële situatie van de groep overeen met een BB-rating. Volgens de kredietratingdefinities van Standard & Poor’s is een debiteur met de rating BB onder stabiele omstandigheden nog wel in staat aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Desondanks kan het zijn dat de debiteur als gevolg van ongunstige zakelijke, financiële of economische omstandigheden minder goed in staat of minder bereid is om zijn financiële verplichtingen na te komen. Deze benchmark wordt bijgevolg passend geacht om rekening te houden met de hoge schuldniveaus en de sterke afhankelijkheid van hefboomfinanciering van de groep.

(197)

De toeslag die wordt verwacht voor obligaties die door ondernemingen met een BB-rating worden uitgegeven, werd vervolgens toegepast op de benchmarkrentevoet van de PBOC, of na 20 augustus 2019 op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, teneinde de marktrente te bepalen.

(198)

Dat surplus werd bepaald door berekening van de relatieve spread tussen de indexcijfers van obligaties van bedrijven uit de VS met een AA-rating en een BB-rating op basis van gegevens van Bloomberg voor segmenten van de industrie. De aldus berekende relatieve spread werd vervolgens opgeteld bij de benchmarkrentevoet van de PBOC of, na 20 augustus 2019, op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, op de datum waarop de lening was verstrekt en voor de looptijd van de betrokken lening. Dit gebeurde voor elke aan de onderneming verstrekte lening en financiële leasing afzonderlijk.

2)   Zoomlion Group

(199)

De Commissie constateerde dat het kredietratingbureau Fitch in 2021 aan Zoomlion Group een rating B had toegekend. De Commissie sloot zich aan bij deze rating aangezien deze in overeenstemming was met het financiële profiel van de groep zoals beoordeeld op basis van de jaarrekeningen met betrekking tot het onderzoektijdvak.

(200)

Aangezien de leningverstrekkende instellingen geen antwoorden op de vragenlijst hebben verstrekt waarin de kredietwaardigheidsbeoordeling werd toegelicht, moest de Commissie, om het voordeel te bepalen, beoordelen of de rentevoeten voor de leningen aan Zoomlion Group op marktniveau lagen.

(201)

Zoomlion Group verklaarde dat zij zich in een over het algemeen winstgevende financiële situatie bevond, met, volgens haar eigen financiële rekeningen, een winstmarge van ongeveer 8 % in 2023. De winstgevendheid van Zoomlion is redelijk, maar vrij bescheiden in vergelijking met het gemiddelde van de ondernemingen in de sector, en kan haar vermogen om te herinvesteren en om economische schommelingen te beheersen, beperken.

(202)

Deze groep gebruikte kortlopende en langlopende schulden om haar activiteiten te financieren. De Commissie heeft de liquiditeitspositie op korte termijn en de solvabiliteitspositie op lange termijn van de onderneming beoordeeld.

(203)

Wat de kortetermijnliquiditeit betreft, heeft de Commissie de bedrijfskapitaalratio gebruikt. Deze ratio meet het vermogen van de onderneming tot betaling van haar kortlopende verplichtingen, met inbegrip van de kortlopende schulden.

(204)

De bedrijfskapitaalratio bedroeg 1,17 tijdens het onderzoektijdvak. Dit wijst erop dat de liquiditeit adequaat maar onzeker was, aangezien de ratio slechts iets boven de aanvaardbare drempel lag. Dit wijst er ook op dat de onderneming met haar vlottende activa weliswaar kan voldoen aan haar kortlopende verplichtingen, maar dat eventuele onverwachte stijgingen van de passiva of een vertraging bij de omzetting van activa uitdagingen met zich mee kunnen brengen. Rekening houdend met deze indicator voor liquiditeit op de korte termijn, concludeerde de Commissie dat de onderneming in kwestie een kwetsbare kortetermijnliquiditeitspositie vertoonde.

(205)

De Commissie heeft de beoordeling van het solvabiliteitsrisico op lange termijn gebaseerd op de schuldquote. Deze meet het vermogen van de onderneming tot betaling van haar langlopende verplichtingen. Zij wordt door kredietverstrekkers en obligatiebeleggers gebruikt om de kredietwaardigheid van de onderneming te beoordelen.

(206)

De schuldquote meet de hoeveelheid verplichtingen, in het bijzonder de langlopende schuld. De onderneming had een ratio van 1,93, wat wijst op een sterke afhankelijkheid van schulden voor financiering, waardoor het financieel risico aanzienlijk toeneemt. Een hoog hefboomeffect betekent dat de onderneming moeilijkheden ervaart om aan haar schuldverplichtingen te voldoen, vooral in perioden van verminderde inkomsten of stijgende rentevoeten. Deze afhankelijkheid van schulden beklemtoont dat er behoefte is aan een evenwichtigere kapitaalstructuur.

(207)

De efficiëntie van de onderneming bij het benutten van haar activa ondersteunt geen hoge kredietbeoordeling. De omzetratio van activa bedraagt 0,3 en betekent dat de onderneming slechts 0,30 RMB aan inkomsten genereert voor elke 1 RMB aan activa en dus ondermaats presteert wat de benutting van middelen betreft. Ook het rendement op activa van 2,77 % is laag, wat erop wijst dat de onderneming geen grote waarde haalt uit investeringen. Deze indicatoren duiden op inefficiënties bij het beheer van activa die het vermogen van de onderneming om inkomsten en winst te genereren in de weg staan.

(208)

Gelet op de in de overwegingen 202 tot en met 207 beschreven liquiditeits-, solvabiliteits- en efficiëntieproblemen oordeelde de Commissie derhalve dat de onderneming niet in een gezonde financiële situatie verkeert en een hoog risicoprofiel vertoont voor potentiële kredietverstrekkers en beleggers.

(209)

Volgens de Commissie komt de algemene financiële situatie van de groep overeen met een rating B, een rating die niet als “beleggingskwaliteit” wordt aangemerkt.

(210)

Op basis van openbaar beschikbare gegevens op Bloomberg heeft de Commissie voor de bepaling van de marktkoers als benchmark de verwachte premie voor obligaties uitgegeven door ondernemingen met een rating B gebruikt, die werd toegepast op de benchmarkrentevoet voor leningen van de PBOC, of na 20 augustus 2019 op de primaire rentevoet voor leningen zoals bekendgemaakt door de NIFC (97).

(211)

Dat surplus werd bepaald door berekening van de relatieve spread tussen de indexcijfers van obligaties van ondernemingen uit de VS met een rating AA en een rating B op basis van gegevens van Bloomberg voor segmenten van de industrie. De aldus berekende relatieve spread werd vervolgens opgeteld bij de benchmarkrentevoet van de PBOC of, na 20 augustus 2019, bij de door het NIFC bekendgemaakte primaire rentevoet voor leningen, op de datum waarop de lening was verstrekt (98) en voor de looptijd van de betrokken lening. Dit gebeurde voor elke aan de groep van ondernemingen verstrekte lening afzonderlijk.

(212)

Voor in vreemde valuta uitgedrukte leningen geldt hetzelfde wat marktverstoringen en het ontbreken van valide kredietratings betreft, omdat deze leningen worden verstrekt door dezelfde Chinese financiële instellingen. Net als in het vorige geval werd een passende benchmark daarom bepaald aan de hand van bedrijfsobligaties met een rating B met een relevante denominatie die tijdens het onderzoektijdvak zijn uitgegeven.

(213)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Zoomlion Group dat de analyse van de financiële ratio’s geen lagere kredietrating rechtvaardigde dan die voor ondernemingen zoals Dingli Group en Sinoboom Group. Na een zorgvuldig vergelijkend onderzoek van de situatie van de verschillende in de steekproef opgenomen ondernemingen bevestigde de Commissie haar beoordeling op grond van het feit dat Zoomlion Group in vergelijking met de andere in de steekproef opgenomen ondernemingen meestal ondermaats presteerde.

3)   Dingli Group

(214)

Zoals in overweging 90 is vermeld, hebben de leningverstrekkende Chinese financiële instellingen geen kredietwaardigheidsbeoordeling overgelegd. Om het voordeel te bepalen, moest de Commissie derhalve onderzoeken of de rentetarieven voor de leningen aan Dingli Group op marktniveau lagen.

(215)

Dingli Group rapporteerde dat zij zich in een financiële situatie van hoge winstgevendheid en solide groei bevond, met, volgens haar eigen financiële rekeningen voor het boekjaar 2023, een hoge winstmarge (8 %-13 %).

(216)

Dingli Group gebruikte kortlopende en langlopende schulden om haar activiteiten te financieren. De Commissie heeft de liquiditeitspositie op korte termijn en de solvabiliteitspositie op lange termijn van de groep beoordeeld.

(217)

Wat de kortetermijnliquiditeit betreft, zou de onderneming, wanneer de situatie van verschillende Dingli-entiteiten in combinatie wordt beschouwd, waarschijnlijk in een gemengde liquiditeitspositie verkeren. Dingli Machinery vertoont een sterke bedrijfskapitaalratio van meer dan 2, wat wijst op een solide vermogen om aan de kortlopende verplichtingen te voldoen. De bedrijfskapitaalratio van Dingli Leasing bedraagt echter minder dan 1,2 en wijst slechts op een bescheiden vermogen om aan de kortlopende verplichtingen te voldoen. Het gemiddelde van de bedrijfskapitaalratio’s van beide ondernemingen zou waarschijnlijk tussen deze twee cijfers vallen, wat aangeeft dat de financiële stabiliteit op korte termijn weliswaar aanvaardbaar is, maar dat de geconsolideerde entiteit de liquiditeit zorgvuldig zou moeten beheren om mogelijke financiële spanningen te voorkomen.

(218)

Wat de langlopende schulden betreft, zou de groep te maken krijgen met een hoog hefboomeffect door de hoge verhouding tussen schulden en eigen middelen van meer dan 2,8 voor Dingli Leasing, terwijl de meer conservatieve verhouding van minder dan 0,7 voor Dingli Machinery het totale financiële risico vermindert. De gecombineerde verhouding tussen schulden en eigen middelen zou waarschijnlijk bescheidener maar nog steeds vrij hoog zijn, en een aanzienlijke afhankelijkheid van schulden laten zien. Dit brengt potentiële risico’s met zich mee, vooral in onzekere economische omstandigheden.

(219)

Vanuit het oogpunt van efficiëntie ligt de omzetting van activa van minder dan 0,5 voor Dingli Machinery laag, wat wijst op een aantal inefficiënties, terwijl de omzetting van activa van minder dan 0,15 voor Dingli Leasing zeer ondermaats is, wat aangeeft dat de onderneming zeer weinig inkomsten genereert per eenheid activa. Dit toont aan dat er sprake is van gecombineerde inefficiënties bij de benutting van activa in beide bedrijven. De onderneming zal zich moeten toespitsen op het optimaliseren van de activiteiten, ongebruikte activa van de hand moeten doen of de operationele strategieën voor het verhogen van de opbrengsten versterken.

(220)

Volgens de Commissie komt de algemene financiële situatie van de groep overeen met een BB-rating. Volgens de kredietratingdefinities van Standard & Poor’s is een debiteur met de rating BB onder stabiele omstandigheden nog wel in staat aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Desondanks kan het zijn dat de debiteur als gevolg van ongunstige zakelijke, financiële of economische omstandigheden minder goed in staat of minder bereid is om zijn financiële verplichtingen na te komen. Deze benchmark wordt bijgevolg passend geacht om rekening te houden met de hoge schuldniveaus en de sterke afhankelijkheid van hefboomfinanciering van de groep.

(221)

De toeslag die wordt verwacht voor obligaties die door ondernemingen met een BB-rating worden uitgegeven, werd vervolgens toegepast op de benchmarkrentevoet van de PBOC, of na 20 augustus 2019 op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, teneinde de marktrente te bepalen.

(222)

Dat surplus werd bepaald door berekening van de relatieve spread tussen de indexcijfers van obligaties van bedrijven uit de VS met een AA-rating en een BB-rating op basis van gegevens van Bloomberg voor segmenten van de industrie. De aldus berekende relatieve spread werd vervolgens opgeteld bij de benchmarkrentevoet van de PBOC of, na 20 augustus 2019, op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, op de datum waarop de lening was verstrekt en voor de looptijd van de betrokken lening. Dit gebeurde voor elke aan de onderneming verstrekte lening en financiële leasing afzonderlijk.

(223)

Voor in vreemde valuta uitgedrukte leningen in de VRC geldt hetzelfde wat marktverstoringen en het ontbreken van valide kredietratings betreft, omdat deze leningen worden verstrekt door dezelfde Chinese financiële instellingen. Net als in het vorige geval werd een passende benchmark daarom bepaald aan de hand van bedrijfsobligaties met een rating BB met een relevante denominatie die tijdens het onderzoektijdvak zijn uitgegeven.

4)   JLG

(224)

Zoals in overweging 90 is vermeld, hebben de leningverstrekkende Chinese financiële instellingen geen kredietwaardigheidsbeoordeling overgelegd. Om het voordeel te bepalen, moest de Commissie derhalve onderzoeken of de rentetarieven voor de leningen aan JLG Group op preferentieel niveau lagen.

(225)

JLG rapporteerde een lage winstgevendheid (minder dan 3 %) en een laag rendement op activa, volgens haar eigen financiële rekeningen voor het jaar 2023.

(226)

JLG gebruikte kortlopende en langlopende schulden om haar activiteiten te financieren. De Commissie heeft de liquiditeitspositie op korte termijn en de solvabiliteitspositie op lange termijn van de groep beoordeeld.

(227)

Wat de liquiditeitspositie op korte termijn betreft, gaf de groep aan dat de gemiddelde bedrijfskapitaalratio tijdens het onderzoektijdvak 1,40 was. Hoewel de vlottende activa van de onderneming in een aanvaardbaar bereik liggen, is dit niet bijzonder sterk. Dit wijst erop dat de onderneming technisch weliswaar aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen, maar dat haar liquiditeitspositie slechts in geringe mate adequaat is. Ingeval van onverwachte financiële druk is het mogelijk dat de onderneming het moeilijk heeft haar activiteiten te handhaven zonder activa van de hand te doen of bijkomende schulden aan te gaan. Een meer solide liquiditeitspositie zou nodig zijn om in geval van marktvolatiliteit of onverwachte gebeurtenissen voor financiële stabiliteit te zorgen.

(228)

Wat de solvabiliteit betreft, wijst de verhouding tussen schulden en eigen middelen van de onderneming van 2,19 op een grote afhankelijkheid van schulden. De onderneming gebruikt tweemaal zoveel schulden als eigen middelen voor de financiering van haar activiteiten, waardoor zij is blootgesteld aan een aanzienlijk risico. Een dergelijk hoog hefboomeffect maakt de onderneming kwetsbaar voor stijgende rentevoeten of perioden van economische neergang, aangezien haar vermogen om schulden af te lossen dan mogelijk wordt ingeperkt. De afhankelijkheid van schuldfinanciering vergroot het risico op insolventie, vooral indien de groei van de ontvangsten of de winstgevendheid vertraagt. Dit hefboomeffect is een ernstig punt van zorg dat de financiële gezondheid van de onderneming in gevaar kan brengen.

(229)

Volgens de Commissie komt de algemene financiële situatie van de groep overeen met een B-rating. Een debiteur met de rating B is onder stabiele omstandigheden nog wel in staat aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Desondanks kan het zijn dat de debiteur als gevolg van ongunstige zakelijke, financiële of economische omstandigheden minder goed in staat of minder bereid is om zijn financiële verplichtingen na te komen. Deze benchmark wordt bijgevolg passend geacht om rekening te houden met de hoge schuldniveaus en de sterke afhankelijkheid van het hefboomeffect van de groep, evenals haar zwakke liquiditeit en winstgevendheid.

(230)

De toeslag die wordt verwacht voor obligaties die door ondernemingen met een rating van B worden uitgegeven, werd vervolgens toegepast op de benchmarkrentevoet van de PBOC, of na 20 augustus 2019 op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, teneinde de marktrente te bepalen.

(231)

Dat surplus werd bepaald door berekening van de relatieve spread tussen de indexcijfers van obligaties van ondernemingen uit de VS met een rating AA en een rating B op basis van gegevens van Bloomberg voor segmenten van de industrie. De aldus berekende relatieve spread werd vervolgens opgeteld bij de benchmarkrentevoet van de PBOC of, na 20 augustus 2019, op de door het NIFC aangekondigde primaire rentevoet voor leningen, op de datum waarop de lening was verstrekt en voor de looptijd van de betrokken lening. Dit gebeurde voor elke aan de onderneming verstrekte lening en financiële leasing afzonderlijk.

3.6.4.4.   Conclusie inzake preferentiële financiering: leningen

(232)

De Commissie heeft vastgesteld dat alle in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs in het onderzoektijdvak preferentiële financiering via leningen hebben gekregen. Gezien het bestaan van een financiële bijdrage, een voordeel voor de producenten-exporteurs en de specificiteit, beschouwde de Commissie preferentiële financiering via leningen als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie.

(233)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat de door de Commissie gebruikte benchmark voor de berekening van het voordeel en de hoogte van de subsidie onjuist was. De CCCME stelde ten eerste dat de Commissie geen gebruik had mogen maken van een buitenlandse benchmark, op grond van het feit dat de Commissie niet had aangetoond dat er geen heersende marktvoorwaarden waren, zoals bepaald in artikel 6, punt d), van de basisverordening. Voorts voerde zij aan dat de Commissie niet heeft uitgelegd hoe zij ervoor heeft gezorgd dat de spread van de indices van Amerikaanse bedrijfsobligaties voldoende de heersende marktomstandigheden in de VRC weerspiegelde, waar de in de steekproef opgenomen MAE-producenten hun financiering ontvingen. Ten tweede stelde de Chinese overheid dat de Commissie de absolute spread in plaats van de relatieve spread had moeten toepassen, op grond dat de absolute spread voldoende rekening hield met de risicoblootstellingen van bedrijfsobligaties met verschillende kredietratings. De CCCME stelde ook dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom de toepassing van de relatieve spread passender was dan toepassing van de absolute spread en waarom de primaire rentevoet gelijkwaardig was aan een rentevoet voor ondernemingen met een AA-rating.

(234)

De Commissie was van oordeel dat zij had aangetoond dat er in de VRC geen heersende marktvoorwaarden bestonden, zodat zij geen passende benchmark kon berekenen op basis van de in de VRC heersende omstandigheden. In dit verband verwees de Commissie naar de conclusies in de punten 3.6.1.4, 3.6.1.5 en 3.6.2, waaruit bleek dat de Chinese overheid zich baseerde op een normatief kader om op zinvolle wijze zeggenschap uit te oefenen over de handelsbanken in staatsbezit en particuliere handelsbanken die overheidsbeleid uitvoeren bij het verstrekken van financiering aan marktdeelnemers in de VRC. Voorts wordt eraan herinnerd dat geen van de handelsbanken die financiering verstrekten aan de in de steekproef opgenomen producenten, aan het onderzoek heeft meegewerkt, zodat de Commissie geen toegang had tot informatie over de MAE-producenten of over andere sectoren die niet door de autoriteiten van de VRC werden aangemoedigd.

(235)

Bij gebrek aan medewerking van enige Chinese financiële instelling moest de Commissie een beroep doen op een buitenlandse benchmark. De Commissie was van mening dat de Amerikaanse markt nagenoeg even groot was en dat daarvoor representatieve statistieken betreffende obligaties met verschillende kredietratings beschikbaar waren. De Commissie merkte ook op dat geen enkele belanghebbende in dit verband een geldige alternatieve buitenlandse benchmark heeft voorgesteld.

(236)

Wat het gebruik van de relatieve spread betreft, erkende de Commissie eerst dat commerciële banken gewoonlijk een in absolute cijfers uitgedrukt surplus gebruiken, en dat deze praktijk voornamelijk op praktische overwegingen leek te berusten, omdat de rentevoet uiteindelijk een absoluut cijfer is. Het absolute cijfer is echter de vertaling van een risicobeoordeling die op een relatieve beoordeling is gebaseerd. Zoals in eerdere onderzoeken is vastgesteld, betekent de relatieve evaluatie dat het wanbetalingsrisico van een onderneming met een BB-rating X % groter is dan het wanbetalingsrisico van de overheid of een risicoloze onderneming. De relatieve spread houdt rekening met wijzigingen van de onderliggende marktvoorwaarden, terwijl een absolute spread daar geen rekening mee houdt (99). In de tweede plaats weerspiegelen rentevoeten niet alleen het specifieke risicoprofiel van een onderneming, maar ook land- en valutaspecifieke risico’s. Bij de relatieve spread wordt dus rekening gehouden met veranderingen in de onderliggende marktvoorwaarden, terwijl daarmee geen rekening wordt gehouden bij gebruik van een absolute spread. Zoals in het onderhavige geval is het vaak zo dat het land- en valutaspecifieke risico varieert in de tijd en dat die variatie verschilt naargelang het land. Daaruit volgt dat de risicovrije rentevoeten aanzienlijk variëren in de tijd en dat zij nu eens lager zijn in de VS, en dan weer in China. Die verschillen hebben te maken met factoren zoals geconstateerde en verwachte groei van het bbp, economisch sentiment en inflatie. Aangezien de risicovrije rentevoet varieert in de tijd, kan dezelfde nominale absolute spread een zeer uiteenlopende risicobeoordeling weergeven. Vanuit het oogpunt van een investeerder is de relatieve spread dus een betere maatstaf, aangezien deze de omvang van het rendementsverschil en de wijze waarop het rendementsverschil door het niveau van de basisrentevoet wordt beïnvloed, weerspiegelt. Ten derde is de relatieve spread ook landneutraal. Indien bijvoorbeeld de risicovrije rentevoet in de VS lager is dan de risicovrije rentevoet in de VRC, zal de methode leiden tot hogere absolute handelsmarges. Anderzijds zal de methode, indien de risicovrije rentevoet in de VRC lager is dan de risicovrije rentevoet in de VS, leiden tot lagere absolute handelsmarges.

(237)

Wat het gebruik van de primaire rentevoet als uitgangspunt betreft, komt de primaire rentevoet, zoals vermeld in overweging 156 en erkend door de Chinese overheid, overeen met de meest preferentiële kredietrente die een commerciële bank aanbiedt aan haar belangrijkste cliënten (100). Op grond hiervan werden de bovenstaande argumenten afgewezen.

(238)

Na de definitieve en de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen stelde Zoomlion Group dat de Commissie het bedrag van het voordeel met betrekking tot rente voor leningen en bankaccepten ten onrechte had berekend op basis van 360 dagen in plaats van 365. De Commissie heeft dit argument afgewezen omdat de basis van 360 dagen voor financiële instellingen een standaardberekeningspraktijk is (101). Om deze redenen werd dit argument afgewezen.

(239)

De subsidiebedragen die zijn vastgesteld in verband met de preferentiële financiering via leningen tijdens het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen, bedroegen:

Preferentiële financiering: leningen

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

0,62  %

JLG Group

0,01  %

Hunan Sinoboom Group

0,28  %

Zoomlion Group

1,71  %

3.6.5.   Preferentiële financiering: andere vormen van financiering

3.6.5.1.   Kredietlijnen

(240)

Het doel van een kredietlijn is een maximumkrediet vast te stellen dat de onderneming op ieder moment kan gebruiken om haar lopende activiteiten te financieren, zodat bedrijfskapitaal flexibel kan worden gefinancierd en er direct over kan worden beschikt. De kredietlijnovereenkomsten die aan de in de steekproef opgenomen groepen zijn verleend, hebben betrekking op de verschillende vormen van financiering die beschikbaar zijn voor de ondernemingen die dergelijke overeenkomsten ondertekenen, en die betrekking hebben op alle soorten kortetermijnfinanciering, zoals kortetermijnleningen, bankaccepten, kredietbrieven enz. Bovendien komen kredietlijnen volgens de financiële literatuur in de meeste gevallen ook in markteconomieën voor. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt voor meer dan 80 % van de bankkredieten die aan Amerikaanse ondernemingen wordt verstrekt (102). Bovendien zouden banken in Canada, waar bankaccepten een rechtstreekse en onvoorwaardelijke verplichting van de accepterende bank zijn (zoals het geval is in de VRC), normaal gesproken alleen bankaccepten accepteren van zakelijke kredietnemers die een vaste kredietlijn bij die bank hebben (103). Bijgevolg was de Commissie van mening dat in beginsel alle kortetermijnfinancieringen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, zoals kortlopende leningen, bankaccepten enz., door een kredietlijninstrument zouden moeten zijn gedekt (104).

(241)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CCCME dat het bestaan van een kredietlijn geen voorwaarde is voor kortetermijnleningen. In haar opmerkingen verwees zij naar het lagere bancaire financieringspercentage voor Spaanse ondernemingen.

(242)

De Commissie was van mening dat de situatie op de Spaanse markt niet representatief was en dat statistieken over de Amerikaanse markt, die groter is en beter vergelijkbaar is met de Chinese markt, geschikter waren. Uit eerdere en huidige onderzoeken is hoe dan ook gebleken dat Chinese marktdeelnemers voor het verkrijgen van financiering afhankelijk zijn van dergelijke kredietlijnen.

a)   Bevindingen van het onderzoek

(243)

De Commissie stelde vast dat Chinese financiële instellingen aan elke in de steekproef opgenomen groep kredietlijnen in verband met de verstrekking van financiering hadden aangeboden. Die bestonden uit kaderovereenkomsten waarbij de bank de in de steekproef opgenomen ondernemingen toestond tot een bepaald plafond gebruik te maken van diverse schuldinstrumenten, zoals werkkapitaalleningen, bankaccepten en andere vormen van handelsfinanciering.

(244)

Zoals vermeld in overweging 240, moet alle kortetermijnfinanciering worden gedekt door een kredietlijn. De Commissie vergeleek daarom het bedrag aan kredietlijnen van de meewerkende ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak met het bedrag aan door die ondernemingen in dezelfde periode gebruikte kortetermijnfinanciering, om vast te stellen of alle kortetermijnfinanciering door een kredietlijn werd bestreken. Waar het bedrag aan kortetermijnfinanciering hoger was dan het plafond van de kredietlijn, verhoogde de Commissie het bedrag van de bestaande kredietlijn met het bedrag dat de producenten-exporteurs feitelijk hadden gebruikt boven dat plafond.

b)   Voordeel

(245)

Onder normale marktomstandigheden zou voor kredietlijnen een zogenoemde “afsluit- of bereidstellingsprovisie” in rekening worden gebracht om de kosten en de risico’s voor de bank bij het openen van een kredietlijn te dekken, alsook een “verlengingsprovisie” die jaarlijks in rekening wordt gebracht voor de verlenging van de geldigheid van de kredietlijnen (105). Deze provisies dekken administratieve kosten, zoals de kosten voor het verwerken van de aanvraag en het uitvoeren van veiligheidscontroles, maar ook de kosten die voortvloeien uit de prudentiële vereisten die aan banken worden opgelegd, aangezien het kapitaal dat in het kader van een kredietlijn wordt toegezegd de kapitaalratio’s van de bank verlaagt, die nodig zijn om waarborgen te bieden tegen systeemrisico’s. De Commissie stelde echter vast dat alle in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen profiteerden van gratis verstrekte kredietlijnen. Derhalve werd aan de onderzochte groepen ondernemingen een voordeel toegekend in de zin van artikel 6, punt d), van de basisverordening.

(246)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat de afsluit- en verlengingsprovisies niet altijd van toepassing zijn op grote ondernemingen, zoals producenten van MAE, die een zakelijke relatie met grote banken hebben. Meer in het bijzonder stelde zij dat over dergelijke provisies doorgaans bilateraal wordt onderhandeld. In dit verband wees de CCCME op bepaalde bankwebsites waar sprake is van een “overeenkomst” of “discussie” over de te betalen provisie. De CCCME erkende echter dat zij wegens de vertrouwelijkheid van kredietlijnovereenkomsten geen bewijs kon verstrekken over de hoogte van dergelijke onderhandelde provisies. Daarom kon de Commissie dat argument niet als gegrond beschouwen en wees zij het af.

c)   Specificiteit

(247)

Financiële instellingen moeten, zoals vermeld in overweging 144, krachtens Besluit nr. 40 kredietondersteuning bieden aan “aangemoedigde” bedrijfstakken.

(248)

De Commissie was van oordeel dat, aangezien kredietlijnen onlosmakelijk verbonden zijn met alle soorten kortetermijnfinanciering die aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen werden verstrekt, deze moeten worden beschouwd als een vorm van preferentiële financiële steun van financiële instellingen aan aangemoedigde bedrijfstakken zoals de MAE-sector. Zoals vermeld in punt 3.3, behoort de MAE-sector tot de aangemoedigde bedrijfstakken en komt zij derhalve in aanmerking voor alle mogelijke financiële steun.

(249)

De CCCME stelde dat geen enkele Chinese marktdeelnemer afsluit- of verlengingsprovisies betaalt en was daarom van mening dat een dergelijke regeling niet specifiek was voor de MAE-sector.

(250)

Ten eerste merkte de Commissie op dat de website van de Bank of China melding maakt van het in rekening brengen van vergoedingen voor het bestaan van kredietlijnen (106). Ten tweede merkte de Commissie op dat de CCCME niet heeft aangetoond dat ondernemingen in de VRC evenzeer kunnen profiteren van de preferentiële voorwaarden voor de MAE-sector. Aangezien kredietlijnen intrinsiek verbonden zijn met andere soorten preferentiële kredietverstrekking, zoals leningen, en omdat zij onderdeel zijn van de kredietondersteuning die specifiek aan aangemoedigde bedrijfstakken wordt verstrekt, is de specificiteitsanalyse voor leningen zoals die in punt 3.6.4.2 is uiteengezet, ook van toepassing op kredietlijnen. Op grond daarvan werd het argument afgewezen.

d)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(251)

Overeenkomstig artikel 6, punt d), ii), van de basisverordening oordeelde de Commissie dat het aan de ontvangers toegekende voordeel het verschil was tussen het bedrag dat zij hadden betaald als vergoeding voor het openen of verlengen van de kredietlijnen door Chinese financiële instellingen en het bedrag dat zij zouden betalen voor een vergelijkbare commerciële kredietlijn tegen een niet-verstoorde marktkoers.

(252)

Geen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen betaalde een vergoeding voor haar kredietlijn. Ook heeft de Commissie bij eerdere onderzoeken niet kunnen vaststellen dat er in het land zelf kosten in rekening worden gebracht voor kredietlijnen. Openbaar beschikbare informatie lijkt erop te wijzen dat er in sommige gevallen kosten voor kredietlijnen worden berekend voor ondernemingen in de VRC (107), maar de hoogte daarvan kon niet worden achterhaald. Derhalve moest de Commissie buiten China op zoek gaan naar een passende benchmarkvergoeding. De tarieven voor de afsluitprovisie en de verlengingsprovisie werden daarom vastgesteld op respectievelijk 1,75 % en 1,25 %, onder verwijzing naar publiekelijk beschikbare gegevens (108).

(253)

In beginsel moeten de afsluitprovisie en de verlengingsprovisie forfaitair worden betaald, respectievelijk bij de opening van een nieuwe kredietlijn en de verlenging van een bestaande kredietlijn. Voor de berekening heeft de Commissie echter rekening gehouden met kredietlijnen die vóór het onderzoektijdvak waren geopend of verlengd, maar die tijdens het onderzoektijdvak beschikbaar waren voor de in de steekproef opgenomen groepen, en met de kredietlijnen die tijdens het onderzoektijdvak waren geopend.

(254)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat de afsluitprovisie en de verlengingsprovisie pro rata temporis van toepassing moeten zijn op het gemiddelde ongebruikte saldo van de kredietlijn of het uitstaande saldo van de kredietlimiet. In dit verband verwees de CCCME naar een website van een bank waarin werd verzocht om betaling van een afsluit- of verlengingsprovisie voor het niet-uitbetaalde bedrag.

(255)

De Commissie was het daar niet mee eens. De te betalen provisie staat niet gelijk aan een rentevoet, zodat bij de berekening ervan geen rekening mag worden gehouden met de looptijd. Voorts was de Commissie van oordeel dat het door de CCCME aangevoerde bewijsmateriaal afkomstig was uit verschillende bronnen die niet wezen op een gemeenschappelijk standaardgedrag van de banken, waarbij het argument van de CCCME onvoldoende werd gestaafd door bewijsmateriaal en derhalve niet overtuigend werd geacht.

(256)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Zoomlion Group op dat de berekening van het subsidiebedrag voor deze regeling met betrekking tot de producent-exporteur van MAE verschilde van de berekening die voor de moederonderneming werd gemaakt. In het eerste geval heeft de Commissie de totale verschuldigde vergoeding namelijk niet aan het OT toegerekend op basis van het aantal dagen dat elke kredietlijn binnen het OT viel.

(257)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zij overwoog dat de afsluitprovisie en de verlengingsprovisie als een vergoeding forfaitair moeten worden betaald, respectievelijk bij de opening van een nieuwe kredietlijn en de verlenging van een bestaande kredietlijn, ongeacht de looptijd van de kredietlijn. De Commissie merkte echter ook op dat de methode voor de berekening van het subsidiebedrag voor de moederonderneming niet strookte met dit beginsel. Dit werd dienovereenkomstig gecorrigeerd, zodat de hierboven beschreven methode op alle kredietlijnen en ondernemingen werd toegepast. Op 21 maart 2025 werden de gecorrigeerde berekeningen opnieuw meegedeeld aan Zoomlion Group.

(258)

Na de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen herhaalde Zoomlion Group haar argument dat de looptijd van de kredietlijn in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het voordeel. Zij verwees naar overweging 245 en de aard van de provisies (administratieve kosten) en naar vakliteratuur over bedrijfsfinanciering (109), volgens welke “een bereidstellingsprovisie een vergoeding is die door een kredietgever aan een kredietnemer in rekening wordt gebracht om de kredietgever te compenseren voor het openhouden van een kredietlijn. De vergoeding garandeert ook de belofte van een kredietverstrekker om de kredietlijn op specifieke data onder de overeengekomen voorwaarden te verstrekken, ongeacht de voorwaarden op de financiële markten. De vergoeding compenseert de kredietgever voor de risico’s die verbonden zijn aan een open kredietlijn ondanks onzekere toekomstige marktomstandigheden en het huidige onvermogen van de kredietgever om rente op de hoofdsom in rekening te brengen”, en betoogde dat de looptijd van de kredietlijn en het bedrag ervan van invloed waren op het door de financiële instelling gedragen risico. Zoomlion Group verwees ook naar het feit dat de Commissie bij haar berekening van de subsidie rekening had gehouden met kredietlijnen die vóór en tijdens het onderzoektijdvak waren geopend, en voerde aan dat het bestaan van deze “parallelle” kredietlijnen noopte tot het gebruik van de looptijd van de kredietlijnen voor de berekening van het subsidiebedrag. Zoomlion Group was ook van mening dat kredietlijnen een financieel instrument zijn dat vergelijkbaar is met termijnleningen en bankaccepten, waarvan het voordeel kan worden berekend met inachtneming van de looptijd.

(259)

Hoewel Zoomlion deze aanvullende opmerkingen na de in dit verband gestelde termijn heeft ingediend (Zoomlion was niet verzocht opmerkingen in te dienen over kwesties waarop de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen geen betrekking had), heeft de Commissie die opmerkingen in overweging genomen. Volgens overweging 245 en de door Zoomlion Group aangehaalde vakliteratuur zijn de belangrijkste reden voor financiële instellingen om een vergoeding in rekening te brengen de administratieve kosten voor het openen of openhouden van een kredietlijn, ongeacht de financiële omstandigheden op een markt. Dergelijke transacties brengen voor de financiële instellingen een risico mee, maar dat staat los van de looptijd van de kredietlijn, die middelen ter beschikking stelt van een marktdeelnemer waarover hij normaal gesproken rente zal betalen bij het lenen van middelen voor een bepaalde duur via verschillende kredietinstrumenten, zoals leningen, kredietbrieven of bankaccepten. Wat het via de kredietlijn toegekende bedrag betreft, heeft de Commissie dit bedrag wel degelijk in haar berekeningen in aanmerking genomen. Wat “parallelle” kredietlijnen betreft, bleek uit de analyse van de Commissie dat er bij dezelfde financiële instelling geen parallelle of opeenvolgende kredietlijnen waren, zodat alle kredietlijnen waarvoor een voordeel werd berekend, konden worden beschouwd als op zichzelf staande kredietlijnen die Zoomlion Group in verschillende perioden binnen het onderzoektijdvak een voordeel verschaften, ongeacht het tijdstip waarop zij werden toegekend. De Commissie was ook van mening dat de door Zoomlion Group beschreven extreme voorbeelden niet representatief waren voor haar werkelijke situatie. Voorts was de Commissie van mening dat kredietlijnen een ander financieel instrument zijn dan leningen of bankaccepten. Terwijl kredietlijnen een voorwaarde of raamovereenkomst zijn voor het verkrijgen van financiering, zijn termijnleningen of bankaccepten de eigenlijke financieringsinstrumenten. Op deze gronden werden die argumenten afgewezen.

(260)

Zoomlion Group voerde ook aan dat de provisies die bij de toekenning van kredietlijnen zijn betaald, bij de berekening van het subsidiebedrag in mindering moeten worden gebracht. De Commissie merkte op dat aanvaarding van dit verzoek het subsidiepercentage niet zou wijzigen, aangezien de betaalde provisies onbeduidend waren en niet van toepassing waren op alle toegekende kredietlijnen.

3.6.5.2.   Bankaccepten

(261)

Bankaccepten zijn een financieel product dat gericht is op het ontwikkelen van een actievere binnenlandse geldmarkt door de verbreding van kredietfaciliteiten. Een bankaccept is een vorm van kortlopende financiering die kan zorgen voor “lagere financieringskosten en een grotere kapitaalefficiëntie” voor de trekker (110). Daarnaast, zoals vermeld op de website van de PBOC, “kan het bankaccept dienen om te garanderen dat de overeenkomst tussen de koper en de verkoper tot stand komt en wordt uitgevoerd, evenals om via het krediet van de Bank of China te zorgen voor een betere verhouding tussen omzet en bedrijfskapitaal (111)”. Verder bevordert DBS Bank op haar website het gebruik van bankaccepten als middel om “het werkkapitaal te verbeteren doordat betalingen worden uitgesteld” (112). De algemene voorwaarden voor de uitgifte en het gebruik van bankaccepten zijn vastgelegd in de Wet op de verhandelbare instrumenten van de VRC (113).

a)   Bevindingen van het onderzoek

(262)

De Commissie heeft in eerdere onderzoeken reeds vastgesteld dat bankaccepten in grote mate als betaalmiddel bij handelstransacties worden gebruikt in plaats van postwissels, met een gunstige uitwerking op de kasstroom en het werkkapitaal van de trekker (114).

(263)

Bankaccepten kunnen immers alleen worden gebruikt om echte handelstransacties af te handelen en in dat verband moet de trekker voldoende bewijs verstrekken, bv. in de vorm van een koop/verkoopovereenkomst, factuur en leveringsbon enz. Bankaccepten kunnen in koopovereenkomsten worden opgenomen als standaardbetaalmiddel, samen met andere middelen zoals een bankoverschrijving of postwissel.

(264)

Het bankaccept wordt getrokken door de aanvrager (de trekker, die tevens de koper is in de onderliggende handelstransactie) en geaccepteerd door een bank. Door de wissel te accepteren, verplicht de bank zich tot onvoorwaardelijke betaling van het in de wissel vermelde geldbedrag aan de begunstigde/toonder op de opgegeven datum (vervaldag).

(265)

In het algemeen bevat de bankacceptovereenkomst een lijst van de door het bedrag van de wissel gedekte transacties, samen met een vermelding van de betalingstermijn van de leverancier en de datum waarop het bankaccept vervalt.

(266)

De Commissie stelde ook vast dat bankaccepten in de VRC in het algemeen worden afgegeven in het kader van een bankacceptovereenkomst waarin de gegevens van de bank, de leveranciers en de koper, de verplichtingen van de bank en de koper worden vermeld, evenals de waarde per leverancier, de met de leverancier afgesproken betalingstermijn en de vervaldag van het bankaccept.

(267)

Voorts stelde de Commissie vast dat in kredietlijnovereenkomsten bankaccepten in het algemeen worden genoemd als mogelijkheid om gebruik te maken van de financieringslimiet, naast andere instrumenten voor kortetermijnfinanciering, zoals bedrijfskapitaalleningen.

(268)

Afhankelijk van de door de betrokken bank gestelde voorwaarden kan van de trekker worden verlangd een klein bedrag te storten op een daarvoor bestemde rekening, een pandrecht te vestigen en acceptprovisie te betalen. De trekker is hoe dan ook verplicht het volledige bedrag van het bankaccept uiterlijk op de vervaldatum van het bankaccept over te maken op de daarvoor bestemde rekening.

(269)

Na acceptatie door de bank wordt het bankaccept door de trekker geëndosseerd en overgedragen aan de begunstigde, die tevens de leverancier is in de onderliggende handelstransactie, als betaling van de factuur. Bijgevolg wordt de betalingsverplichting van de koper (trekker) aan de leverancier (begunstigde) geannuleerd. Er ontstaat een nieuwe betalingsverplichting van de koper jegens de accepterende bank voor hetzelfde bedrag (dat de trekker verplicht is uiterlijk op de vervaldag van het bankaccept contant aan de bank te betalen). Dit is trouwens tijdens het controlebezoek bij een eerder onderzoek (115) door de Chinese overheid bevestigd: zodra de onderneming de leverancier met het bankaccept betaalt, heeft zij geen verplichting meer jegens de leverancier, maar wel jegens de bank, omdat degene die om afgifte van het bankaccept heeft verzocht, de bank op de vervaldatum voor het geheel moet betalen. Het afgeven van een bankaccept heeft derhalve het effect dat de verplichting van de trekker jegens de leverancier wordt vervangen door een verplichting jegens de bank.

(270)

De looptijd van bankaccepten hangt af van de door de bank gestelde voorwaarden en is maximaal één jaar.

(271)

De begunstigde (of toonder) van het bankaccept heeft drie mogelijkheden in de periode tot de vervaldatum:

wachten tot de vervaldatum om het volledige bedrag van de op de wissel vermelde nominale waarde contant betaald te krijgen door de accepterende bank;

het bankaccept endosseren, d.w.z. gebruiken als middel voor betaling van zijn verplichtingen aan andere partijen, of

het bankaccept verdisconteren bij de accepterende bank of een andere bank en tegen betaling van een disconto beschikken over de contante opbrengst.

(272)

De dag van afgifte van het bankaccept valt doorgaans samen met de vervaldag van de betalingstermijn die met de leverancier is overeengekomen, maar kan ook eerder of later vallen. Uit het onderzoek bleek dat, ten aanzien van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, de afgiftedatum in het algemeen op of tegen, en in sommige gevallen zelfs na de vervaldag van de overeengekomen betalingstermijn viel. De Commissie stelde vast dat de vervaldatum van de bankaccepten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de meeste gevallen tussen een maand en een jaar na de vervaldag van de betalingstermijn van de factuur lag.

(273)

Wat de boekhoudkundige behandeling van bankaccepten betreft, worden bankaccepten als verplichtingen jegens de bank opgenomen in de rekeningen van de trekkers, d.w.z. de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Het kredietinformatiecentrum (“Credit Reference Center”) van de People’s Bank of China (“CRCP”) erkent bankaccepten als “uitstaand krediet” dat door de banken is verleend, op hetzelfde niveau als leningen, kredietbrieven of handelsfinanciering. Er zij ook op gewezen dat het CRCP informatie ontvangt van de financiële instellingen, die verschillende soorten leningen verstrekken, en dat die financiële instellingen aldus bankaccepten als verplichtingen jegens hen hebben erkend. Bovendien is in de in het onderzoek verzamelde bankacceptovereenkomsten bepaald dat in het geval de koper op de vervaldatum van de bankaccepten niet het volledige bedrag heeft betaald, de bank het onbetaalde bedrag behandelt als een achterstallige lening bij de bank.

(274)

Wat de kasstroom betreft, biedt het instrument de trekker daarom de facto een uitstel van de vervaldatum voor betaling, omdat de feitelijke contante betaling van het transactiebedrag plaatsvindt op de vervaldag van het bankaccept en niet op het moment waarop de trekker zijn leverancier moest betalen. Zonder een dergelijk financieel instrument zou de trekker gebruikmaken van zijn eigen werkkapitaal, waaraan kosten zijn verbonden, of bij een bank een kortlopende bedrijfskapitaallening sluiten om zijn leveranciers te betalen, waaraan eveneens kosten zijn verbonden. Door met een bankaccept te betalen, maakt de trekker in feite gedurende een maand tot een jaar gebruik van de geleverde goederen of diensten zonder een contante betaling te doen en zonder kosten te maken.

(275)

Ter illustratie van het gebruik van bankaccepten ter vervanging van kortetermijnleningen stelde de Commissie vast dat sommige in de steekproef opgenomen ondernemingen, namelijk Dingli Group, nauwelijks leningen hadden. De bankaccepten die deze ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak hebben uitgegeven, vertegenwoordigden echter een aanzienlijk deel van hun schulden.

(276)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CCCME dat bankaccepten geen vorm van kortetermijnfinanciering zijn omdat de MAE-producenten de banken moesten terugbetalen op de overeengekomen vervaldatum van het bankaccept.

(277)

Om de in de overwegingen 269 tot en met 274 genoemde redenen was de Commissie het niet met de CCCME eens. Het gebruik van een bankaccept verschuift de verplichting om de leverancier te betalen naar de bank, terwijl de MAE-producent een betalingsverplichting jegens de bank heeft, die wordt erkend in zijn boekhouding en door het CRCP. Bovendien wordt, afhankelijk van de voorwaarden van de bankacceptovereenkomst, de oorspronkelijke termijn voor betaling aan de leverancier meestal door de bank met meerdere maanden verlengd. Uiteindelijk wordt een dergelijke lening op korte tot middellange termijn, afgezien van een minimale vergoeding, kosteloos aan de MAE-producenten verstrekt. Op grond hiervan werd het argument afgewezen.

b)   Voordeel

(278)

Onder normale marktomstandigheden (116) gaan bankaccepten bij gebruik als financieringsinstrument gepaard met kosten voor de trekker. Uit het onderzoek kwam naar voren dat alle in de steekproef opgenomen ondernemingen in het onderzoektijdvak bankaccepten hadden gebruikt en alleen provisie betaalden voor de door de bank verleende acceptatiedienst, die gewoonlijk 0,05 % van de nominale waarde van de wissel bedroeg (117). Geen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen betaalde echter kosten voor het met bankaccepten gefinancierde uitstel van de contante betaling voor de levering van goederen of diensten. Daarom oordeelde de Commissie dat de ondernemingen voordeel hadden bij de financiering in de vorm van bankaccepten waarvoor zij geen kosten maakten.

(279)

Op grond van het voorgaande concludeerde de Commissie dat via het stelsel van bankaccepten in de VRC alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hun lopende activiteiten gratis konden financieren, hetgeen neerkwam op een tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel zoals beschreven in de overwegingen 287 tot en met 291, overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), i), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening.

(280)

Dit ligt in de lijn van eerdere onderzoeken, waarin de Commissie vaststelde (118) dat bankaccepten in feite hetzelfde doel en effect hebben als bedrijfskapitaalleningen op korte termijn, aangezien zij door ondernemingen worden gebruikt om hun lopende activiteiten te financieren in plaats van gebruik te maken van kortlopende werkkapitaalleningen, en dat daaraan derhalve dezelfde kosten verbonden moeten zijn als die welke zijn verbonden aan een kortetermijnfinanciering van het bedrijfskapitaal.

c)   Specificiteit

(281)

Op het gebied van specificiteit moeten financiële instellingen, zoals vermeld in overweging 144, krachtens Besluit nr. 40 kredietondersteuning bieden aan aangemoedigde bedrijfstakken.

(282)

De Commissie oordeelde dat ook bankaccepten een vorm van preferentiële financiële steun van financiële instellingen aan aangemoedigde bedrijfstakken zoals de MAE-sector zijn. Zoals nader is beschreven in punt 3.3, komt de MAE-sector als aangemoedigde bedrijfstak immers in aanmerking voor alle mogelijke financiële steun. Bovendien zijn bankaccepten, net als kredietlijnen, intrinsiek verbonden met andere soorten preferentiële kredietverstrekking, zoals leningen, en omdat zij onderdeel zijn van de kredietondersteuning die specifiek aan aangemoedigde bedrijfstakken wordt verstrekt, zijn de analyse inzake het functioneren als overheidsinstantie en de specificiteitsanalyse zoals die in de punten 3.6.1.1 tot en met 3.6.1.5 en in punt 3.6.2.2 voor leningen zijn uiteengezet, ook van toepassing.

(283)

Bovendien heeft de CBIRC in 2020 een kennisgeving uitgegeven waarin wordt gesteld dat ter versterking van de kredietondersteuning aan downstreamondernemingen in cruciale bedrijfstakken, banken en financiële instellingen kredietondersteuning kunnen verlenen aan downstreamondernemingen om goederen te verkrijgen en goederen te betalen door middel van bankaccepten, binnenlandse kredietbrieven, voorschotten enz. Bankaccepten maken als financieringsvorm dus deel uit van het stelsel voor preferentiële financiële steun door financiële instellingen aan aangemoedigde bedrijfstakken, zoals de bedrijfstak voor MAE.

(284)

Er werd geen bewijs verstrekt dat andere ondernemingen in de VRC (buiten de aangemoedigde bedrijfstakken) onder dezelfde preferentiële voorwaarden kunnen profiteren van bankaccepten.

(285)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat bankaccepten door bijna alle marktdeelnemers in de VRC worden gebruikt en dus niet specifiek zijn. Zij voegde daaraan toe dat de Commissie de specificiteit niet had aangetoond.

(286)

Volgens de Commissie was dit argument niet onderbouwd. Er werd meer bepaald geen bewijs verstrekt dat aantoont dat andere ondernemingen in de VRC (buiten de aangemoedigde bedrijfstakken) onder dezelfde preferentiële voorwaarden als de MAE-sector kunnen profiteren van bankaccepten. Om deze redenen werd dit argument afgewezen.

d)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(287)

Voor de berekening van de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie beoordeelde de Commissie het in het onderzoektijdvak aan de ontvangers toegekende voordeel.

(288)

Zoals vermeld in overweging 275, stelde de Commissie vast dat bankaccepten door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden gebruikt voor hun behoeften aan kortetermijnfinanciering zonder dat zij daarvoor een vergoeding betaalden.

(289)

De Commissie concludeerde daarom dat trekkers van bankaccepten een vergoeding zouden moeten betalen voor de financieringsperiode. De Commissie ging ervan uit dat de financieringsperiode van start ging op de datum van uitgifte van het bankaccept en verstreek op de vervaldatum van het bankaccept. Wat betreft de bankaccepten die vóór het onderzoektijdvak zijn uitgegeven en de bankaccepten met een vervaldatum na het einde van het onderzoektijdvak, heeft de Commissie het voordeel alleen berekend voor de financieringsperiode die binnen het onderzoektijdvak valt.

(290)

Overeenkomstig artikel 6, punt b), van de basisverordening, overwegende dat bankaccepten een vorm van kortlopende financiering zijn en dat zij in feite hetzelfde doel hebben als kortlopende werkkapitaalleningen, oordeelde de Commissie dat het aldus aan de ontvangers toegekende voordeel gelijk is aan het verschil tussen het bedrag dat de onderneming werkelijk had betaald als vergoeding voor de financiering middels bankaccepten en het bedrag dat had moeten worden betaald volgens een rentetarief voor kortlopende financiering.

(291)

De Commissie bepaalde het voordeel dat voortvloeide uit de niet-betaling van kosten voor kortetermijnfinanciering. De Commissie oordeelde, zoals reeds werd vastgesteld in eerdere onderzoeken (119), dat aan bankaccepten dezelfde kosten verbonden moeten zijn als aan kortlopende leningen. Om die reden hanteerde de Commissie dezelfde methode als die welke is toegepast voor kortlopende leningen in RMB, zoals beschreven in punt 3.6.4.

(292)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat bankaccepten niet mogen worden beschouwd als een lening waarvoor een rentebenchmark moet worden gebruikt, maar veeleer als een betalingsgarantie in ruil voor een vergoeding/commissie. In dit verband verwees zij naar de website van de New York Federal Reserve Bank (120), waar een parallel wordt getrokken tussen bankaccepten en bankgaranties.

(293)

De Commissie was het daar niet mee eens. Gezien de aard van de bankaccepten, die voorzien in een verlengde betalingstermijn door middel van een gratis kortetermijnlening, was de Commissie van oordeel dat het voordeel moest worden berekend op basis van een niet-verstoorde rentevoetbenchmark. Met betrekking tot de verwijzing naar de website van de New York Federal Reserve Bank merkte de Commissie eerst op dat het genoemde document achterhaald is (1981). Het Chinese systeem van bankaccepten verschilt ook van het daar beschreven systeem, in die zin dat door het gebruik van bankaccepten betalingstermijnen worden verlengd. Om deze redenen werd dit argument afgewezen.

(294)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Zoomlion Group op dat de Commissie een subsidiebedrag voor vorderingen op bankaccepten verkeerd had berekend. De Commissie aanvaardde dit argument. De gecorrigeerde berekeningen werden opnieuw meegedeeld aan Zoomlion Group.

(295)

Voorts stelde Zoomlion in haar opmerkingen naar aanleiding van de definitieve en de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen dat het voordeel met betrekking tot de bankaccepten moest worden gebaseerd op het bedrag daarvan na aftrek van de door Zoomlion Group verstrekte garanties, op grond van het feit dat het nettobedrag het werkelijke bedrag van de financiering weergeeft. Zij herhaalde ook dat de door Zoomlion Group voor bankaccepten betaalde vergoeding in mindering moet worden gebracht op de berekening van het voordeel.

(296)

De Commissie merkte op dat het verstrekken van een garantie in de vorm van een storting in contanten of een andere vorm van garantie een gangbare praktijk is en dat financiële instellingen de aan te rekenen rente niet berekenen op basis van de waarde van de lening minus de door de kredietnemer gestorte contanten of andere geboden garanties. De Commissie merkte ook op dat de door Zoomlion Group betaalde vergoeding niet als een rente kan worden aangemerkt. Het gaat veeleer om een administratieve vergoeding voor de uitgifte van het bankaccept. Op deze gronden werden die argumenten afgewezen.

3.6.5.3.   Obligaties

(297)

Een van de in de steekproef opgenomen groepen, Zoomlion, profiteerde van preferentiële financiering in de vorm van obligaties.

a)   Rechtsgrondslag/regelgevingskader

Wet van de Volksrepubliek China inzake effecten (versie van 2014) (“effectenwet”) (121);

Administratieve maatregelen inzake de uitgifte en verhandeling van bedrijfsobligaties, Verordening van de China Securities Regulatory Commission nr. 113 van 15 januari 2015;

Voorschrift betreffende het beheer van bedrijfsobligaties, uitgevaardigd door de Staatsraad op 18 januari 2011;

Administratieve maatregelen inzake schuldfinancieringsinstrumenten van niet-financiële ondernemingen op de interbancaire obligatiemarkt, uitgevaardigd door de People’s Bank of China, Verordening van de People’s Bank of China [2008] nr. 12 van 9 april 2008.

(298)

Volgens het regelgevingskader kunnen obligaties in de VRC niet vrijelijk worden uitgegeven of verhandeld. Elke emissie moet worden goedgekeurd door verschillende overheidsinstanties, waaronder de PBOC, de NDRC of de CSRC, al naargelang het type obligatie en het type emittent. Krachtens de voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties zijn voor de uitgifte van bedrijfsobligaties tevens jaarlijkse quota vastgesteld.

(299)

Daarenboven moest, krachtens artikel 16 van de effectenwet die tijdens het OT van toepassing was, een openbare uitgifte van bedrijfsobligaties aan de volgende eisen voldoen: “het gebruik van de opbrengsten moet in overeenstemming zijn met het industriebeleid van de staat […]” en “de opbrengsten van een openbare uitgifte van obligaties mogen alleen worden gebruikt voor (een) goedgekeurd(e) doel(en)”. In artikel 12 van de voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties wordt nog eens benadrukt dat de bestemming van de aangetrokken middelen moet stroken met het industriebeleid van de staat. De uitgifte van bedrijfsobligaties onder dergelijke voorwaarden is gericht op een aangemoedigde bedrijfstak zoals de bedrijfstak voor MAE en strookt met de praktijk van financiële instellingen om die bedrijfstakken te steunen (122).

(300)

Overeenkomstig artikel 16, lid 5, van de effectenwet mag “de couponrente van de bedrijfsobligaties niet hoger zijn dan de door de Staatsraad vastgestelde couponrente”. Bovendien geeft artikel 18 van de voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties nadere bijzonderheden door te bepalen: “de rentevoet die voor bedrijfsobligaties wordt aangeboden, is in geen geval hoger dan 40 % van de geldende rentevoet die door banken aan particulieren wordt aangeboden voor spaardeposito’s met dezelfde vaste looptijd”.

(301)

Voorts is in artikel 18 van de Administratieve maatregelen inzake de uitgifte en verhandeling van bedrijfsobligaties bepaald dat alleen bepaalde obligaties die voldoen aan strenge kwaliteitscriteria, zoals een kredietrating AAA, in aanmerking komen voor openbare uitgifte aan publieke investeerders of alleen naar goeddunken van de emittent in aanmerking kunnen komen voor openbare uitgifte aan gekwalificeerde beleggers. Bedrijfsobligaties die niet aan deze normen voldoen, kunnen alleen openbaar worden uitgegeven aan gekwalificeerde beleggers. De meeste bedrijfsobligaties worden daarom uitgegeven aan gekwalificeerde beleggers die door de CSRC zijn erkend en Chinese institutionele beleggers zijn.

(302)

Hoewel het wet- en regelgevingskader van deze alternatieve financieringsbron duidelijk was geïdentificeerd, weigerde de Chinese overheid hierover enige informatie te verstrekken. De bevindingen werden derhalve gebaseerd op de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

(303)

Als aangemoedigde bedrijfstak in het kader van de “catalogus met leidende beginselen voor herstructurering van de industrie” heeft de bedrijfstak voor MAE bovendien recht op kredietondersteuning door financiële instellingen op grond van Besluit nr. 40. Het feit dat de obligaties die door de in de steekproef opgenomen ondernemingen zijn uitgegeven, een lage rentevoet hebben, namelijk een rente onder of dichtbij de primaire rentevoet voor leningen, is een sterke aanwijzing dat de financiële instellingen, die de belangrijkste investeerders in deze obligaties zijn, verplicht zijn deze ondernemingen “kredietondersteuning” te verlenen en bij het nemen van de investerings- of financieringsbeslissing rekening te houden met andere dan commerciële overwegingen, zoals doelstellingen van het overheidsbeleid. Een investeerder die onder marktvoorwaarden handelt, zou immers gevoeliger zijn voor het financiële rendement van de investeringen en zou hoogstwaarschijnlijk niet beleggen in bedrijfsobligaties met een zeer lage rentevoet. Dit is vooral het geval bij financiële instellingen, omdat het rendement op deze obligaties dicht bij of lager ligt dan het tarief waartegen zij zelf middelen kunnen verkrijgen van andere financiële instellingen.

(304)

Bovendien blijkt uit de conclusies van de Commissie in punt 3.6.4 over de financiële situatie van de vier groepen producenten-exporteurs ten aanzien van hun liquiditeits- en solvabiliteitsprofiel, dat investeerders die onder marktvoorwaarden handelen, niet zouden investeren in financiële instrumenten zoals de obligaties van deze groepen die een laag financieel rendement bieden, terwijl de emittent een hoog liquiditeits- en solvabiliteitsrisico heeft. Daarom zouden volgens de Commissie alleen investeerders die andere motieven hebben dan een financieel rendement van hun investeringen, zoals het voldoen aan de wettelijke verplichting om financiering te verstrekken aan ondernemingen in aangemoedigde bedrijfstakken, een dergelijke investering doen.

b)   Financiële instellingen die optreden als overheidsinstanties

(305)

Volgens de China bond market insight 2022 van Bloomberg zijn de op de interbancaire obligatiemarkt genoteerde obligaties goed voor 88 % van het totale handelsvolume van obligaties (123). Volgens diezelfde studie zijn de meeste beleggers institutionele beleggers, waaronder financiële instellingen. Zo vertegenwoordigen handelsbanken 57 % van de beleggers en beleidsbanken 3 % (124). De beleggers die obligaties kopen, zijn derhalve vooral Chinese banken, waaronder staatsbanken.

(306)

Op grond van het bovenstaande was de Commissie van mening dat er sprake is van een grote hoeveelheid ondersteunend bewijsmateriaal, waaruit blijkt dat een groot deel van de investeerders in de bedrijfsobligaties die zijn uitgegeven door de in de steekproef opgenomen ondernemingen, financiële instellingen zijn die wettelijk verplicht zijn om kredietondersteuning te verlenen aan MAE-producenten.

(307)

Zoals beschreven in overweging 299, vereisen artikel 16 van de effectenwet en artikel 12 van de voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties dat een openbare uitgifte van bedrijfsobligaties in overeenstemming is met het industriebeleid van de staat. Dit heeft tot gevolg dat obligaties alleen mogen worden uitgegeven voor doeleinden die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de planning van de Chinese overheid met betrekking tot aangemoedigde bedrijfstakken. De institutionele beleggers, die volgens overweging 305 grotendeels handelsbanken en beleidsbanken zijn, moeten zich houden aan de beleidsrichtsnoeren van Besluit nr. 40, dat samen met de catalogus met leidende beginselen voor herstructurering van de industrie voorziet in een specifieke behandeling van bepaalde projecten binnen bepaalde aangemoedigde bedrijfstakken, zoals de bedrijfstak voor MAE. De voorkeursbehandeling voor alle in de steekproef opgenomen groepen resulteerde in het besluit om te beleggen in obligaties die worden uitgegeven met een rentevoet die niet beantwoordt aan de marktcriteria.

(308)

Voorts, zoals reeds in punt 3.6.1 werd beschreven, worden de financiële instellingen gekenmerkt door een sterke overheidsaanwezigheid en kan de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap over die instellingen uitoefenen. Het algemene rechtskader waarbinnen deze financiële instellingen opereren, is ook van toepassing op obligaties.

(309)

In overweging 164 heeft de Commissie geconcludeerd dat financiële instellingen in staatseigendom overheidsinstanties zijn in de zin van artikel 2, punt b), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening, en dat in elk geval wordt geacht dat hen door de Chinese overheid functies zijn toevertrouwd of dat zij met functies belast zijn die normaliter de overheid toebehoren in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening. In punt 3.6.2 concludeerde de Commissie dat de overheid eveneens functies toevertrouwt aan particuliere financiële instellingen en hen daarmee belast.

(310)

De Commissie verzamelde ook concrete bewijzen van de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap op basis van concrete uitgiften van obligaties. Met het oog hierop evalueerde zij daarom het algemene rechtskader dat is uiteengezet in overweging 298, samen met de concrete bevindingen van het onderzoek.

c)   Bevindingen van het onderzoek

(311)

De Commissie heeft vastgesteld dat de obligaties werden uitgegeven met een rentevoet die lager is dan het niveau dat gezien de financiële situatie en het kredietrisicoprofiel van de ondernemingen had mogen worden verwacht, met inbegrip van een rentevoet die lager is dan het risicovrije referentietarief dat door de NIFC wordt gepubliceerd, zoals vermeld in overweging 316.

(312)

In de praktijk wordt de rente op de obligaties beïnvloed door de kredietrating van de onderneming, zoals in het geval van leningen. Zoals de Commissie in overweging 180 concludeerde, is de lokale markt voor kredietrating echter vertekend en zijn de kredietratings onbetrouwbaar.

(313)

Op grond van de bovenstaande overwegingen concludeerde de Commissie dat de Chinese financiële instellingen de beleidsinstructies van Besluit nr. 40 en in de betreffende richtsnoeren over obligaties hebben gevolgd door preferentiële financiering te verstrekken aan ondernemingen die tot een aangemoedigde bedrijfstak behoren en dus hebben gehandeld als overheidsinstanties in de zin van artikel 2, punt b), van de basisverordening, of als instanties aan wie de overheid functies heeft toevertrouwd of daarmee heeft belast in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening.

d)   Voordeel

(314)

Door de uitgifte van obligaties te organiseren met lagere rentevoeten dan de marktrente die met het daadwerkelijke risicoprofiel van de emittent zou zijn overeengekomen, zoals is vastgesteld in overweging 180, en door ermee in te stemmen in dergelijke obligaties te investeren, verleenden de financiële instellingen een voordeel aan de in de steekproef opgenomen producent.

e)   Specificiteit

(315)

De Commissie was van oordeel dat de preferentiële financiering door middel van obligaties specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, omdat de obligaties niet kunnen worden uitgegeven zonder goedkeuring door overheidsinstanties en omdat in de effectenwet is bepaald dat de uitgifte van obligaties moet stroken met het industriebeleid van de staat. Zoals reeds vermeld in overweging 80, wordt de MAE-sector in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bouwsector, dat in 2021 werd uitgegeven door de China Construction Machinery Association (“CCMA”), beschouwd als een aangemoedigde bedrijfstak.

f)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(316)

Aangezien obligaties in wezen een soort schuldinstrument zijn dat in beginsel vergelijkbaar is met leningen, en aangezien de berekeningsmethode voor leningen al op een mand met obligaties is gebaseerd, besloot de Commissie de in punt 3.6.4 beschreven berekeningsmethode voor leningen te volgen. Dat houdt in dat de relatieve spread tussen obligaties van ondernemingen in de VS met een rating AA en obligaties van ondernemingen in de VS met een rating B met dezelfde looptijd wordt toegepast op de primaire rentevoet voor leningen van de PBOC, teneinde een marktgebaseerde rentevoet voor obligaties te bepalen, die vervolgens met de door de onderneming daadwerkelijk betaalde rente wordt vergeleken om het verschafte voordeel te bepalen.

(317)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Zoomlion Group op dat de Commissie dezelfde obligatie meerdere malen had opgenomen in de berekening van het subsidiebedrag voor de moederonderneming.

(318)

De Commissie aanvaardde dit argument en schrapte de rentevoordelen die voor dezelfde obligaties meermaals waren geteld. De gecorrigeerde berekeningen werden opnieuw meegedeeld aan Zoomlion Group.

(319)

Na de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen diende Zoomlion Group verdere opmerkingen in over de berekening van de voordelen. Die argumenten werden aanvaard en de berekening is dienovereenkomstig gecorrigeerd.

3.6.5.4.   Conclusie over andere vormen van preferentiële financiering

(320)

De Commissie stelde vast dat alle in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs preferentiële financiering hebben ontvangen in de vorm van kredietlijnen, bankaccepten en obligaties. Gezien het bestaan van een financiële bijdrage, een voordeel voor de producenten-exporteurs en specificiteit, beschouwde de Commissie deze vormen van preferentiële financiering als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie.

(321)

Als gevolg van de correcties van de berekening van het subsidiebedrag in verband met kredietlijnen, bankaccepten en bedrijfsobligaties die zijn uiteengezet in de overwegingen 256 tot en met 260, 294 tot en met 296 en 317 tot en met 360, steeg het totale subsidiebedrag voor andere soorten preferentiële financiering voor Zoomlion Group van 4,96 % tot 5,46 %.

(322)

Het subsidiepercentage dat is vastgesteld in verband met de hiervoor beschreven preferentiële financiering tijdens het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, bedroeg:

Preferentiële financiering: andere vormen van financiering

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

3,08  %

JLG Group

0,35  %

35  %

Sinoboom Group

0,96  %

Zoomlion Group

5,46  %

3.7.   Preferentiële verzekering: exportkredietverzekering

(323)

De klager voerde aan dat Sinosure aan aangemoedigde bedrijfstakken zoals de bedrijfstak voor MAE preferentiële exportkredietverzekering aanbood tegen gunstige voorwaarden. Op haar algemene website vermeldt Sinosure dat zij de Chinese uitvoer van goederen bevordert, in het bijzonder de uitvoer van hoogtechnologische producten. Volgens een onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (“OESO”) was de Chinese hoogtechnologische industrie, waartoe de MAE-bedrijfstak behoort, goed voor 21 % van de totale door Sinosure verstrekte exportkredietverzekeringen (125). Daarnaast heeft Sinosure actief meegewerkt aan de invulling van het initiatief “Made in China 2025” door bedrijven de weg te wijzen naar nationale kredietmiddelen, te zorgen voor wetenschappelijke en technologische innovatie en technologische modernisering, en “naar buiten gerichte” bedrijven te helpen om concurrerender te worden op de wereldmarkt (126).

a)   Rechtsgrondslag

b)   Bevindingen van het onderzoek

(324)

De in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen hadden gedurende het onderzoektijdvak lopende exportverzekeringsovereenkomsten met Sinosure.

(325)

Zoals aangegeven in overweging 102 verstrekte Sinosure geen informatie over de in zijn jaarverslag gerapporteerde investeringsinkomsten, noch bewijsmateriaal over kwesties met betrekking tot zijn jaarrekening zoals exploitatiekosten, inkomsten, inkomsten uit investeringen, het totale verzekerde bedrag, het verzekerde bedrag van de bedrijfstak voor machines; informatie over zijn statuten, informatie over de in de steekproef opgenomen producenten, zelfs al waren relevante machtigingen van de onderneming en ondersteunende informatie over de onafhankelijkheid van zijn kredietrisicobeoordelingssysteem voorhanden.

(326)

De Commissie moest de verstrekte informatie derhalve aanvullen met de beschikbare gegevens.

(327)

Volgens in eerdere antisubsidieonderzoeken (129) verstrekte informatie en volgens de website van Sinosure (130) is Sinosure een beleidsgerichte verzekeraar in overheidshanden die is opgericht en wordt gesteund door de staat met het oog op de ondersteuning van ontwikkeling en samenwerking met betrekking tot buitenlandse economische activiteiten en handel van de VRC. De onderneming is voor 100 % in eigendom van de staat. Zij beschikt over een raad van bestuur en een raad van toezicht. De overheid is bevoegd tot aanstelling en ontslag van de leden van het hoger management van de onderneming. Op grond van deze informatie concludeerde de Commissie dat er ten aanzien van Sinosure formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid zijn.

(328)

De Commissie verzamelde voorts informatie over de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefende over de gedragingen van Sinosure met betrekking tot de MAE-bedrijfstak.

(329)

Volgens de Mededeling over de uitgifte van de editie 2006 van de exportcatalogus van hoogtechnologische producten uit de VRC nr. 16 kunnen “in de editie 2006 van de exportcatalogus opgenomen producten in aanmerking komen voor preferentiële beleidsmaatregelen van de staat voor de uitvoer van hightechproducten”. In de exportcatalogus van hoogtechnologische producten wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van bouwmachines (131).

(330)

In het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bouwsector, dat in 2021 werd uitgegeven door de China Construction Machinery Association (“CCMA”), is MAE in de bijlage bij dit plan uitdrukkelijk opgenomen als een aangemoedigde categorie van industriële producten. Meer specifiek zijn machines voor hoogtewerken en nooduitrusting vermeld onder deze indeling op bladzijde 3 van de bijlage. Deze vermelding toont duidelijk aan dat strategische nadruk wordt gelegd op de bevordering van geavanceerde bouwmachines en dat binnen de bedrijfstak steeds meer belang wordt gehecht aan MAE.

(331)

Bovendien was Sinosure volgens de Mededeling over de uitvoering van de strategie voor het stimuleren van handel via wetenschap en technologie met behulp van exportkredietverzekeringen (132) gehouden meer steun te verlenen aan de essentiële bedrijfstakken en producten door haar algemene steun voor de uitvoer van hoogtechnologische en met nieuwe technologie vervaardigde producten, met inbegrip van “informatie- en communicatieproducten”, te versterken. Sinosure moet hoogtechnologische bedrijfstakken en bedrijfstakken voor nieuwe technologieën, zoals de MAE-bedrijfstak, die zijn opgesomd in de Exportcatalogus van hoogtechnologische producten uit China als zwaartepunt van haar activiteiten beschouwen en uitgebreide steun verlenen middels verzekeringsprocedures, goedkeuring onder bepaalde voorwaarden, snellere behandeling van claims en flexibele tarieven. Wat de flexibele tarieven betreft, moet Sinosure producten de maximale premiekorting verlenen waarin de variabele tarieven van de kredietverzekeringsonderneming voorzien. Voorts staat in het jaarverslag van Sinosure voor 2022 (133) dat “Specifieke ondersteuningsmaatregelen voor de […] technische bouwkundesectoren waren opgesteld”. In het jaarverslag van Sinosure voor 2023 (134) wordt ook gesteld dat: “De raad van toezicht een adviserende rol heeft gespeeld door gerichte onderzoeken uit te voeren naar […], een bedrijfsbehoefte van de sector voor bouwkundige machines”.

(332)

De Commissie concludeerde op basis hiervan dat de Chinese overheid een normatief kader had gecreëerd dat moest worden nageleefd door de managers en toezichthouders die door de Chinese overheid waren benoemd en die aan deze overheid verantwoording waren verschuldigd. Derhalve oefent de Chinese overheid middels een dergelijk normatief kader betekenisvolle zeggenschap uit over de gedragingen van Sinosure.

(333)

De Commissie verzamelde ook concrete bewijzen van de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap aan de hand van concrete verzekeringsovereenkomsten. Tijdens de controle ter plaatse hield de Chinese overheid vol dat de premies van Sinosure in de praktijk marktgericht waren en gebaseerd waren op risicobeoordelingsbeginselen. Er werden echter geen specifieke voorbeelden gegeven die betrekking hadden op de MAE-sector of de in de steekproef opgenomen ondernemingen, hoewel de in de steekproef opgenomen groepen relevante machtigingen hadden verstrekt om toegang te bieden tot de desbetreffende documentatie.

(334)

Bij gebreke van concrete bewijzen onderzocht de Commissie daarom de concrete gedragingen van Sinosure in verband met de aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen verstrekte verzekeringen. Die gedragingen waren in tegenspraak met haar officiële standpunt, aangezien haar handelwijze niet op marktbeginselen was gebaseerd.

(335)

Na een vergelijking van de totale schade-uitkeringen met de totale verzekerde bedragen, op basis van de gegevens in het jaarverslag van Sinosure over 2023 (135), kwam de Commissie tot de conclusie dat Sinosure gemiddeld 0,29 % van het verzekerde bedrag als premie in rekening zou moeten brengen om de kosten van de schadeclaims te dekken (nog geheel afgezien van overheadkosten).

(336)

Bovendien merkte de Commissie op dat Sinosure een nettoverlies had geleden uit zijn activiteiten in 2022 en 2023, d.w.z. de aanbieding van exportkredietverzekering, en dat de onderneming in het geheel verlieslatend zou zijn indien zij geen aanzienlijke opbrengsten zou halen uit investeringsinkomsten. Zoals vermeld in overweging 102 verstrekte Sinosure geen informatie over dergelijke investeringsinkomsten.

(337)

Bijgevolg stelde de Commissie vast dat het hierboven omschreven rechtskader door Sinosure wordt uitgevoerd in de uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de MAE-bedrijfstak. Sinosure trad op als overheidsinstantie in de zin van artikel 2, punt b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening en overeenkomstig de desbetreffende rechtspraak van de WTO. Bovendien genoten de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voordeel, aangezien de verzekering werd verstrekt tegen tarieven onder het bedrag dat Sinosure minimaal nodig had om haar operationele kosten te dekken.

(338)

De Commissie stelde tevens vast dat de subsidies die in het kader van het exportverzekeringsprogramma waren verleend, specifiek waren, aangezien zij niet konden worden verkregen zonder dat er sprake was van uitvoer, en dus afhankelijk waren van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, punt a), van de basisverordening.

c)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(339)

Aangezien Sinosure tijdens het onderzoektijdvak een dominante marktpositie had, was het voor de Commissie niet mogelijk een op de markt gebaseerde binnenlandse verzekeringspremie te vinden. In overeenstemming met eerdere antisubsidieonderzoeken maakte de Commissie daarom gebruik van de meest geschikte externe benchmark waarvoor eenvoudig toegankelijke informatie voorhanden was, namelijk de premietarieven die door de Export-Import Bank of the United States of America worden toegepast op niet-financiële instellingen voor uitvoer naar OESO-landen.

(340)

De Commissie oordeelde dat het aan de begunstigden toegekende voordeel gelijk is aan het verschil tussen het bedrag dat de onderneming daadwerkelijk had betaald als verzekeringspremie en het bedrag dat zij had moeten betalen bij toepassing van het in overweging 291 vermelde externe benchmarkpremietarief.

(341)

Sinoboom en Zoomlion profiteerden van deze regeling, en hoewel hun voordeel verwaarloosbaar was, werd het in aanmerking genomen bij de berekening van hun totale subsidiemarge. Op een fijnmaziger niveau werd de voor hen vastgestelde marge echter op 0,00 % gezet wegens afronding.

(342)

Het subsidiepercentage dat met betrekking tot deze regeling voor het onderzoektijdvak voor de volgende in de steekproef opgenomen groepen is vastgesteld, bedroeg:

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli

0,05  %

Sinoboom

0,00  %

Zoomlion

0,00  %

3.8.   Subsidieprogramma’s

a)   Rechtsgrondslag

(343)

De subsidies werden toegekend door nationale, provinciale, stedelijke of districtsautoriteiten. Er zijn geen juridische details verstrekt aan de Commissie over de specifieke wet op grond waarvan die voordelen werden toegekend, als er al een rechtsgrondslag voor was. Zoals aangegeven in overweging 101 verstrekte de Chinese overheid die informatie evenmin.

b)   Bevindingen van het onderzoek

(344)

De Commissie stelde vast dat alle vier de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen profiteerden van een verscheidenheid aan subsidieprogramma’s. Gezien de grote hoeveelheid subsidies die de Commissie heeft aangetroffen in de boekhouding van de in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen, wordt in deze verordening slechts een samenvatting van de belangrijkste bevindingen gegeven. De bewijzen van het bestaan van een groot aantal subsidies en van het feit dat die subsidies door verschillende lagen van de Chinese overheid werden verleend, werden aanvankelijk door de in de steekproef opgenomen groepen verstrekt en bevestigd op grond van hun jaarrekeningen en tijdens de bezoeken ter plaatse. Gedetailleerde bevindingen met betrekking tot deze subsidies werden aan de individuele ondernemingen in hun specifieke informatiedocumenten verstrekt.

c)   Voordeel

(345)

Deze subsidies waren subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, omdat er sprake was van een overdracht van middelen van de Chinese overheid in de vorm van steun aan de in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen, waarmee een voordeel werd toegekend dat gelijk was aan het bedrag van de steun.

d)   Specificiteit

(346)

De Commissie heeft alle door de in de steekproef opgenomen ondernemingen ontvangen subsidies beoordeeld en vastgesteld dat ze niet allemaal specifiek waren voor de productie van MAE. De subsidies die verband hielden met technologie, innovatie en ontwikkeling, de aankoop van vaste activa, industriële ondersteuning en promotie, werden echter beschouwd als specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), en artikel 4, lid 3, van de basisverordening, aangezien zij beperkt lijken te zijn tot bepaalde ondernemingen, bepaalde bedrijfstakken, of specifieke projecten in specifieke regio’s.

(347)

Deze subsidies voldeden bovendien niet aan de eisen voor niet-specifieke subsidies die zijn vastgesteld in artikel 4, lid 2, punt b), van de basisverordening, aangezien de criteria om in aanmerking te komen en de werkelijke selectiecriteria voor ondernemingen niet transparant en niet objectief zijn en evenmin automatisch gelden.

e)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(348)

Het voordeel werd berekend als het bedrag dat in het onderzoektijdvak is ontvangen of daaraan is toegerekend, waarbij het bedrag werd afgeschreven over de gebruiksduur van de vaste activa waarvoor de vóór het onderzoektijdvak ontvangen subsidie werd verleend. Op basis van de mededeling van de Commissie “Berekening van de omvang van de subsidie bij antisubsidieonderzoeken” (136) werden in het onderzoektijdvak ontvangen eenmalige subsidies van minder dan 1 % ad valorem toegerekend, zelfs indien zij bestemd waren voor de aankoop van vaste activa. Deze toewijzingsmethode is geheel in overeenstemming met het WTO-verslag van de informele deskundigengroep waarin wordt gesteld dat subsidies die bestemd zijn voor de aankoop van vaste activa daaraan moeten worden toegewezen, waarbij “het passend werd geacht, voornamelijk uit het oogpunt van administratief gemak, dat zeer kleine subsidies aan het onderzoektijdvak worden toegerekend, ongeacht het type of andere overwegingen. Voor deze drempel wordt een niveau van minder dan 0,5 procent van de verkoop voor elke afzonderlijke subsidie aanbevolen” (137).

f)   Conclusie

(349)

Het subsidiepercentage dat is vastgesteld in verband met de hiervoor beschreven subsidieprogramma’s tijdens het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen, bedroeg:

Subsidies

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

3,59 %

JLG Group

0,14 %

Sinoboom Group

1,37 %

Zoomlion Group

0,77 %

3.9.   Verstrekking van goederen en diensten door de overheid tegen een ontoereikende prijs

Verlening van grondgebruiksrechten door de overheid tegen een ontoereikende prijs

(350)

Alle grond is in de VRC eigendom van de staat of van een collectief gevormd door dorpen of gemeenten alvorens het juridisch of economisch eigendom kan worden overgedragen aan rechtspersonen of particulieren. Alle percelen grond in stedelijke gebieden zijn eigendom van de staat en alle percelen in plattelandsgebieden zijn eigendom van de dorpen of gemeenten in die gebieden.

(351)

Krachtens de grondwet van de VRC en de wet op het grondbeheer kunnen ondernemingen en particulieren echter “grondgebruiksrechten” kopen. Voor industriegrond loopt de erfpacht gewoonlijk 50 jaar, verlengbaar met een nieuwe periode van 50 jaar.

(352)

De Chinese overheid gaf aan dat grondgebruiksrechten geen goederen (andere stoffelijke of roerende persoonlijke bezittingen dan geld (138)) noch diensten zijn, en dat het aangevoerde programma bijgevolg geen “verstrekking van goederen en diensten tegen een ontoereikende prijs” vormen als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a), iii), van de basisverordening.

(353)

De Commissie was het niet eens met deze bewering. Ten eerste bevat de Manual on Statistics of International Trade in Services (“het Handboek”) waarop de Chinese overheid zich beroept wanneer zij beweert dat grondgebruiksrechten geen diensten zijn, een categorie met betrekking tot “[…] overheidsdiensten die nergens anders zijn opgenomen” en die worden aangemerkt als belangrijke onderdelen van standaarddiensten. Daarnaast blijft het zo dat de bepaling inzake grondgebruiksrechten, ongeacht de rechtsmiddelen waarmee de grond werd verworven, uiteindelijk neerkomt op de verstrekking van grond. In dit verband heeft het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO reeds bevestigd dat grond als een “onroerend” goed wordt beschouwd en dat artikel 1.1, punt a, 1, iii), van de SCM-overeenkomst mag worden toegepast (139). De verlening van grondgebruiksrechten staat dus gelijk aan de verstrekking van goederen of diensten.

(354)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Chinese overheid dat een specifiekere definitie van “niet elders opgenomen overheidsdiensten” in het Handboek aantoont dat deze categorie geen grondgebruiksrechten kan omvatten. Op basis daarvan verzocht de Chinese overheid om het onderzoek naar dit programma te beëindigen.

(355)

De Commissie merkte op dat, ongeacht het bovenstaande punt, het tweede argument in overweging 353 geldig blijft: de verstrekking van grondgebruiksrechten komt uiteindelijk neer op de verstrekking van grond. Daarom bevestigde de Commissie haar standpunt dat de verstrekking van grondgebruiksrechten een verstrekking van “goederen en diensten” is en wees zij het verzoek om beëindiging af.

a)   Rechtsgrondslag/regelgevingskader

(356)

De verlening van grondgebruiksrechten in de VRC valt onder de wet op het grondbeheer van de Volksrepubliek China (140). Daarnaast maken de volgende documenten tevens deel uit van de rechtsgrondslag:

1)

de artikelen 205-462 van het Burgerlijk Wetboek, die in werking zijn getreden in januari 2021, en met name de artikelen 246, 260-261 en 330-361;

2)

de wet op het grondbeheer van de Volksrepubliek China (Beschikking nr. 28 van de president van de VRC) (141) als laatst gewijzigd in 2019 bij Beschikking nr. 32 van de president van de VRC;

3)

de wet inzake het beheer van stedelijk onroerend goed van de Volksrepubliek China (Beschikking nr. 29 van de president van de VRC) (142) als gewijzigd in 2019 en bekendgemaakt bij Beschikking nr. 32 van de president van de VRC;

4)

de tijdelijke regeling betreffende de toewijzing en de overdracht van het recht op het gebruik van staatsgrond in stedelijke gebieden van de Volksrepubliek China (Besluit nr. 55 van de Staatsraad van de VRC) (143) als gewijzigd op 29 november 2020 bij Besluit nr. 732 van de Staatsraad;

5)

de verordening tot uitvoering van de wet op het grondbeheer van de Volksrepubliek China (Verordening van de Staatsraad van de Volksrepubliek China [2014] nr. 653) (144) als in 2021 gewijzigd bij Besluit nr. 743 van de Staatsraad;

6)

de bepaling inzake de toewijzing van het recht op het gebruik van bouwgrond in staatsbezit door uitnodigingen tot het doen van een bod, veilingen en prijsopgaven (Aankondiging nr. 39 van de CSRC) (145), en

7)

het bericht van de Staatsraad over de desbetreffende aangelegenheden inzake de versterking van het grondbeheer (Guo Fa (2006) nr. 31) (146).

b)   Bevindingen van het onderzoek

(357)

Volgens artikel 10 van de bepaling inzake de toewijzing van het recht op het gebruik van bouwgrond in staatsbezit via uitnodigingen tot het doen van een bod, veilingen en prijsopgaven stellen de lokale autoriteiten de grondprijzen vast volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond, dat om de drie jaar wordt geactualiseerd, en het industriebeleid van de overheid.

(358)

In eerdere onderzoeken (147) heeft de Commissie vastgesteld dat de prijzen van grondgebruiksrechten in de VRC niet representatief waren voor een marktprijs die tot stand komt door het vrije spel van vraag en aanbod, aangezien het veilingsysteem onduidelijk en niet-transparant is en in de praktijk niet functioneert, en de prijzen door de autoriteiten op willekeurige wijze worden vastgesteld. Zoals in de vorige overweging is opgemerkt, bepalen de autoriteiten de prijzen volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond, dat naast andere criteria de instructie bevat om bij de prijsbepaling voor industriegrond ook het industriebeleid in aanmerking te nemen.

(359)

Het voorgaande bewijs weerlegt de stelling van de Chinese overheid dat de voor grondgebruiksrechten betaalde prijzen in de VRC representatief zijn voor een marktprijs die tot stand komt door het vrije spel van vraag en aanbod.

(360)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Chinese overheid haar argument dat het prijsvormingsmechanisme voor grondgebruiksrechten en de markt voor grondgebruiksrechten in de VRC duidelijk, transparant en functioneel zijn. Zij stelde ook dat zij tijdens de verificatie het veilingsysteem en het prijsevaluatiesysteem grondig heeft toegelicht. Volgens de Chinese overheid moet de Commissie haar standpunt over de markt voor grondgebruiksrechten actualiseren en herzien en zich niet langer baseren op achterhaalde bevindingen van de vorige onderzoeken.

(361)

De Commissie merkte echter op dat de bevindingen in eerdere en recente antisubsidieonderzoeken voldoende onderbouwd waren en betrekking hebben op dezelfde subsidieprogramma’s als die welke in dit onderzoek worden genoemd. De Commissie baseerde zich in elk van deze eerdere onderzoeken op een soortgelijk rechtskader voor grondgebruiksrechten in de VRC en met name op het feit dat lokale autoriteiten de grondprijzen vaststellen volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond en het industriebeleid van de overheid. Dit onderzoek gaf in dit opzicht geen noemenswaardige verandering te zien en de Chinese overheid heeft geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat dit beleid is stopgezet.

(362)

De Commissie herinnerde er ook aan dat de Chinese overheid geen informatie heeft verstrekt over de verwerving van grond door de producenten/exporteurs van MAE. De Chinese overheid kon niet toelichten hoe ondernemingen in sommige omstandigheden gratis grond konden verwerven. Zoals uiteengezet in overweging 106, behoorden deze tekortkomingen tot de punten die in de artikel 28-brief aan de orde zijn gesteld.

(363)

Op grond van de informatie die in dit onderzoek beschikbaar was, heeft de Commissie die argumenten dan ook verworpen.

c)   Voordeel

(364)

De bevindingen van dit onderzoek tonen aan dat de situatie met betrekking tot de verwerving van grondgebruiksrechten in de VRC niet transparant is en dat de prijzen op willekeurige wijze door de autoriteiten werden bepaald.

(365)

De verlening van grondgebruiksrechten door de Chinese overheid moet dus worden beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), iii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening in de vorm van de verstrekking van goederen, waardoor de ontvangende ondernemingen een voordeel hebben verkregen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 350 en 351 en 357 tot en met 359, is er in de VRC geen functionerende grondmarkt, en blijkt uit het gebruik van een externe benchmark (zie overweging 369) dat het bedrag dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor gebruiksrechten hebben betaald, ver onder de normale marktwaarde ligt.

d)   Specificiteit

(366)

In het kader van de preferentiële toegang tot industriegrond voor ondernemingen in bepaalde bedrijfstakken merkte de Commissie op dat bij de prijsbepaling door de plaatselijke overheden rekening moet worden gehouden met het industriebeleid van de overheid, zoals vermeld in overweging 358. Binnen dit industriebeleid is de MAE-sector, als onderdeel van de bouwsector, aangemerkt als een aangemoedigde bedrijfstak. Bovendien moeten overheidsinstanties overeenkomstig Besluit nr. 40 van de Staatsraad bij de verstrekking van grond rekening houden met de “leidende catalogus voor industriële herstructurering” en het industriebeleid. Uit artikel XVIII van Besluit nr. 40 blijkt dat bedrijfstakken die “beperkt” zijn, geen toegang krijgen tot grondgebruiksrechten. Daaruit volgt dat de subsidie specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, punten a) en c), van de basisverordening, omdat de preferentiële verstrekking van grond beperkt is tot ondernemingen in bepaalde bedrijfstakken, in dit geval de MAE-bedrijfstak, en dat de overheidspraktijken op dit gebied onduidelijk en niet transparant zijn.

e)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(367)

Zoals bij eerdere onderzoeken (148) en overeenkomstig artikel 6, punt d), ii), van de basisverordening, werden de grondprijzen van het afzonderlijke douanegebied van Taiwan, Penghu, Kinmen en Matsu (“Chinees Taipei”) gebruikt als externe benchmark (149). Het aan de ontvangers verleende voordeel werd berekend aan de hand van het verschil tussen het bedrag dat elk van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs daadwerkelijk voor grondgebruiksrechten betaalde (dat wil zeggen de werkelijk betaalde prijs zoals vermeld in het contract en, in voorkomend geval, de in het contract vermelde prijs verminderd met de terugbetalingen/subsidies van de lokale overheid) en het bedrag dat normaal gezien had moeten zijn betaald op basis van Chinees Taipei als benchmark.

(368)

De Commissie vindt Chinees Taipei om de volgende redenen geschikt als externe benchmark:

het vergelijkbare niveau van economische ontwikkeling en bbp, alsmede de vergelijkbare economische structuur in Chinees Taipei en de meeste Chinese provincies en steden waarin de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevestigd zijn;

de fysieke nabijheid van de VRC en Chinees Taipei;

de hoge graad van industriële infrastructuur waarover zowel Chinees Taipei als veel Chinese provincies beschikken;

de sterke economische banden en grensoverschrijdende handel tussen Chinees Taipei en de VRC;

de hoge bevolkingsdichtheid in veel Chinese provincies en in Chinees Taipei;

de gelijkenis tussen het soort grond en de transacties om tot een relevante benchmark te komen in Chinees Taipei en in de VRC, en

de gemeenschappelijke demografische, linguïstische en culturele kenmerken van Chinees Taipei en de VRC.

(369)

Aan de hand van de bij eerdere onderzoeken (150) toegepaste methode gebruikte de Commissie de gemiddelde grondprijs per vierkante meter in Chinees Taipei, gecorrigeerd voor inflatie en voor de ontwikkeling van het bbp sinds de data van de respectieve contracten voor grondgebruiksrechten. De informatie over de prijzen voor industriegronden sinds 2015 is afkomstig van de website van het Bureau voor de industrie van het ministerie van Economische Zaken van Taiwan (151). Voor de voorgaande jaren werden de prijzen gecorrigeerd op basis van de inflatie en de ontwikkeling van het bbp per capita tegen actuele prijzen in USD voor Chinees Taipei, zoals door het IMF gepubliceerd voor 2015.

(370)

De Chinese overheid voerde aan dat de bovenstaande benchmark niet juist is aangezien de Commissie de prijs voor grondeigendom in Chinees Taipei vergelijkt met de prijs voor grondgebruiksrechten voor beperkte duur in de VRC.

(371)

In dit verband merkte de Commissie op dat de keuze van Chinees Taipei als benchmark was gebaseerd op het onderzoek van verschillende in overweging 368 genoemde factoren. De Commissie was echter van mening dat zelfs als er bepaalde verschillen in de marktvoorwaarden zouden bestaan tussen grondgebruiksrechten op het Chinese vasteland en de verkoop van grond in Chinees Taipei, deze niet van dien aard zouden zijn dat zij de keuze van Chinees Taipei als geldige benchmark ongeldig zouden maken. De Commissie heeft in de loop van het onderzoek geen andere geschikte benchmark of correctiemethode kunnen vinden waarmee naar behoren rekening zou kunnen worden gehouden met deze verschillen in de marktvoorwaarden.

(372)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Chinese overheid haar standpunt dat de prijs van grondbezit geen benchmark kan zijn voor de grondgebruiksrechten. Er werden echter geen nieuwe argumenten aangedragen die het standpunt van de Commissie in de overwegingen 368 en 371 zou ontkrachten. De Commissie merkte ook op dat de Chinese overheid evenmin geen betrouwbare benchmark kon voorleggen waarmee rekening zou worden gehouden met het verschil tussen grondgebruiksrechten en eigendomsrechten. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(373)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CCCME dat de keuze van de Commissie voor grondprijzen in Chinees Taipei als benchmark niet passend was, gezien het aanzienlijke verschil in economische ontwikkeling en bbp per capita tussen Chinees Taipei en de VRC (dat zelfs nog groter is als alleen de provincie Hunan, waar de productie van MAE voornamelijk plaatsvindt, als vergelijkingspunt wordt genomen). Dit verschil was nog groter in het verleden, toen de producenten van MAE daadwerkelijk grondgebruiksrechten hebben verkregen. De CCCME merkte ook op dat aanpassingen van de benchmark op basis van de inflatie en de ontwikkeling van het bbp niet passend waren, aangezien de correctie-indexen veranderingen in Chinees Taipei weerspiegelen, die niet vergelijkbaar zijn met de respectieve ontwikkelingen in de VRC. Tot slot stelde de CCCME dat de Commissie de gedetailleerde berekening van de benchmark niet openbaar heeft gemaakt en de CCCME en de door haar vertegenwoordigde ondernemingen dus het recht heeft ontnomen om te begrijpen hoe het subsidiebedrag was berekend.

(374)

Zoals uiteengezet in overweging 371, heeft de Commissie zich gebaseerd op de benchmark die als de meest geschikte werd beschouwd, zelfs rekening houdend met de verschillen tussen de marktvoorwaarden. De Commissie heeft in de loop van het onderzoek geen andere geschikte benchmark of correctiemethode kunnen vinden waarmee naar behoren rekening zou kunnen worden gehouden met deze verschillen in de marktvoorwaarden. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(375)

Met betrekking tot het argument van ontoereikende openbaarmaking merkte de Commissie op dat de berekeningen van het subsidiebedrag zijn meegedeeld aan de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, die lid zijn van de CCCME. Duidelijkheidshalve zijn die benchmarks ook toegevoegd aan het niet-vertrouwelijke dossier.

(376)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Zoomlion Group aan dat het subsidiebedrag in het kader van deze regeling moest worden herberekend wegens de gestelde abnormale ontwikkeling van de prijzen van industriegrond in Chinees Taipei in 2021 en 2022. De onderneming voerde aan dat de Commissie de prijsniveaus van deze twee jaren buiten beschouwing moest laten en deze moest vervangen door een indexering van het prijsniveau van voorgaande jaren.

(377)

De Commissie was het daar niet mee eens. De methode voor de berekening van het subsidiebedrag in het kader van deze regeling en de respectieve benchmarks werd nauwkeurig geacht. Daarom zag de Commissie geen reden of feitelijke of rechtsgrondslag voor een correctie alleen omdat bepaalde MAE-producenten hun grondgebruiksrechten in specifieke jaren hadden verkregen. Niettemin merkte de Commissie op dat Zoomlion Group geen gegevens of ondersteunend bewijsmateriaal heeft verstrekt tot staving van haar bewering over de “abnormale ontwikkeling van de prijzen van industriegrond in Chinees Taipei”.

f)   Conclusie

(378)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Grondgebruiksrechten tegen een ontoereikende prijs

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

2,09  %

JLG Group

0,19  %

Sinoboom Group

1,86  %

Zoomlion Group

1,53  %

3.10.   Gederfde inkomsten wegens programma’s voor vrijstelling en vermindering van belastingen

3.10.1.   Aftrekmogelijkheden voor de vennootschapsbelasting voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen

(379)

Volgens de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC geldt voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen waaraan de staat prioritaire steun moet verlenen, een verlaagd vennootschapsbelastingtarief van 15 % in plaats van het standaardtarief van 25 %.

a)   Rechtsgrondslag

(380)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door artikel 28 van de wet op de vennootschapsbelasting en artikel 93 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC (152), alsmede:

circulaire van het ministerie van Wetenschap en Technologie, het ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst inzake de herziening en uitvaardiging van administratieve maatregelen voor de erkenning van hoogtechnologische ondernemingen (nr. 32 van 2016);

circulaire van het ministerie van Wetenschap en Technologie, het ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst inzake de herziening en uitvaardiging van de “richtsnoeren voor het beheer van de erkenning van hoogtechnologische ondernemingen” (nr. 195 van 2016);

aankondiging van de nationale belastingdienst over de toepassing van preferentiële vennootschapsbelasting op hoogtechnologische ondernemingen (aankondiging nr. 24 van 2017);

de catalogus van door de staat ondersteunde belangrijke geavanceerde technologieën van 2016 (153).

(381)

Hoofdstuk IV van de wet op de vennootschapsbelasting bevat bepalingen betreffende “preferentieel belastingbeleid”. Artikel 25 van de wet op de vennootschapsbelasting, dat de aanhef vormt van hoofdstuk IV, luidt: “De staat verleent belastingvoordelen aan ondernemingen die actief zijn in bedrijfstakken of projecten waarvan de ontwikkeling door de staat speciaal wordt ondersteund en aangemoedigd”. In artikel 28 van de wet op de vennootschapsbelasting is bepaald dat “het vennootschapsbelastingtarief voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen die speciale steun van de staat nodig hebben, wordt verlaagd tot 15 %”.

(382)

In artikel 93 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting wordt het volgende verduidelijkt:

“De belangrijke hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen die door de staat worden gesteund als bedoeld in lid 2 van artikel 28 van de wet op de vennootschapsbelasting, zijn de ondernemingen die eigenaar zijn van belangrijke intellectuele-eigendomsrechten en voldoen aan de volgende voorwaarden:

1.

zij vallen binnen het toepassingsgebied van de belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen;

2.

het aandeel van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in de opbrengsten van de verkoop mag niet lager zijn dan het voorgeschreven aandeel;

3.

het aandeel van de inkomsten uit hoogtechnologische technologie/producten/diensten in de totale inkomsten van de onderneming mag niet lager zijn dan het voorgeschreven aandeel;

4.

het aandeel van de technici in het totale personeel van de onderneming mag niet lager zijn dan het voorgeschreven aandeel;

5.

andere voorwaarden die zijn vastgelegd in de maatregelen voor het beheer van hoogtechnologische ondernemingen.

Maatregelen voor het beheer van hoogtechnologische ondernemingen en van belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen worden gezamenlijk opgesteld door de onder de Staatsraad ressorterende departementen Technologie, Financiën en Belastingen en treden in werking na goedkeuring door de Staatsraad”.

(383)

In bovengenoemde bepalingen staat duidelijk dat het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting is voorbehouden aan “belangrijke hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen die door de staat worden gesteund”, die eigenaar zijn van belangrijke intellectuele-eigendomsrechten en voldoen aan bepaalde voorwaarden, zoals “vallen binnen het toepassingsgebied van de belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen”.

(384)

Overeenkomstig artikel 11 van de Administratieve maatregelen betreffende de erkenning van hightechondernemingen moet een onderneming, om als hightech te worden erkend, tegelijkertijd aan bepaalde voorwaarden voldoen, waaronder: “dat zij de eigendom heeft verworven van intellectuele-eigendomsrechten, hetgeen een centrale rol speelt in de technische ondersteuning van haar belangrijkste producten (diensten), via onafhankelijk onderzoek, overdracht, fusies en overnames enz.” en “dat de technologie die een centrale rol speelt in de technische ondersteuning van haar belangrijkste producten (diensten) binnen de reikwijdte valt die is vastgesteld in de “door de staat ondersteunde belangrijke geavanceerde technologieën””.

(385)

Ondernemingen waaraan op grond van deze maatregel voordelen worden toegekend, moeten hun belastingaangifte en relevante bijlagen indienen. Het feitelijke bedrag van het voordeel wordt opgenomen in de belastingaangifte.

b)   Bevindingen van het onderzoek

(386)

De Commissie stelde vast dat ondernemingen binnen de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak als hoogtechnologische ondernemingen konden worden aangemerkt en dus profiteerden van een verlaagd tarief voor de vennootschapsbelasting van 15 %. Slechts drie van de in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen maakten echter gebruik van deze regeling in het onderzoektijdvak.

c)   Voordeel

(387)

De Commissie was van oordeel dat de belastingverrekening in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing.

d)   Specificiteit

(388)

Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze regeling beperkt tot ondernemingen die actief zijn in bepaalde door de staat vastgestelde hoogtechnologische prioriteitsgebieden. De bedrijfstak voor MAE is een dergelijke hoogtechnologische prioriteit.

(389)

De wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, beperkt dus de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen en sectoren.

(390)

De Chinese overheid voerde aan dat dit subsidieprogramma niet specifiek was aangezien in de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, objectieve criteria of voorwaarden voor de toekenning van subsidies en voor het bedrag van de belastingvermindering zijn vastgesteld, en dat het in aanmerking komen voor subsidie automatisch is en de criteria en voorwaarden om in aanmerking te komen strikt in acht worden genomen.

(391)

De Commissie was het niet met dit argument eens. In artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening is bepaald dat “een subsidie specifiek is wanneer de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan deze autoriteit handelt, de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt”. De rechtsgrondslag van de betrokken subsidieregeling is namelijk hoofdstuk IV “Belastingpreferenties” van de wet op de vennootschapsbelasting. Dit hoofdstuk voorziet door de titel en inhoud ervan uitdrukkelijk in een specifieke preferentiële behandeling die “de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt”. Meer specifiek wordt in artikel 93 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting het volgende verduidelijkt: “belangrijke hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen die door de staat moeten worden gesteund [moeten voldoen aan bepaalde] voorwaarden”, zoals “1. zij vallen binnen het toepassingsgebied van de belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen”. Zoals uit het bovenstaande blijkt, komen niet alle ondernemingen of bedrijfstakken in aanmerking voor dezelfde preferentiële fiscale behandelingen. Bijgevolg werden de subsidies in het kader van deze belastingvrijstelling beschouwd als specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening.

e)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(392)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak hebben genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale verschuldigde belasting tegen het verlaagde belastingtarief.

f)   Conclusie

(393)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Aftrekmogelijkheden voor de vennootschapsbelasting voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

3,77  %

Sinoboom Group

1,87  %

Zoomlion Group

1,29  %

3.10.2.   Preferentiële aftrek vóór belastingen van uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling

(394)

De belastingverrekening voor onderzoek en ontwikkeling biedt ondernemingen een preferentiële fiscale behandeling voor hun O&O-activiteiten in bepaalde, door de staat vastgestelde hoogtechnologische prioriteitsgebieden, wanneer hun O&O-uitgaven bepaalde drempels overschrijden.

(395)

Meer in het bijzonder wordt in geval van O&O-uitgaven die een onderneming doet bij het uitvoeren van een O&O-activiteit nog eens 100 % van het bedrag aan daadwerkelijke gedane O&O-uitgaven afgetrokken vóór belasting, bovenop op de aftrek van de werkelijke uitgaven zoals voorgeschreven per 1 januari 2023, op voorwaarde dat de genoemde uitgaven niet worden omgezet in immateriële activa en in het lopende boekjaar in de winst-en-verliesrekening worden geboekt.

(396)

Indien de bedoelde uitgaven zijn omgezet in immateriële activa, mogen die uitgaven per 1 januari 2023 worden afgeschreven tegen een percentage van 200 % van de kosten van de immateriële activa vóór belasting.

a)   Rechtsgrondslag

(397)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door artikel 30, lid 1, van de wet op de vennootschapsbelasting, artikel 95 van de uitvoeringsvoorschriften voor de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC, en de volgende kennisgevingen:

aankondiging van de nationale belastingdienst inzake aangelegenheden betreffende het toewijzingsbereik van de gewogen aftrek van O&O-uitgaven vóór belasting (Aankondiging nr. 40 van 2017);

aankondiging van het ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst betreffende verdere verbetering van het beleid inzake de gewogen aftrek van O&O-uitgaven vóór belasting (Aankondiging nr. 7 van 2023).

b)   Bevindingen van het onderzoek

(398)

De Commissie stelde vast dat ondernemingen in de in de steekproef opgenomen groepen profiteerden van een aanvullende aftrek van onderzoeks- en ontwikkelingskosten in verband met onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe technieken.

c)   Voordeel

(399)

De Commissie was van oordeel dat de belastingverrekening in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing.

d)   Specificiteit

(400)

Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze maatregel beperkt tot ondernemingen die O&O-uitgaven doen in bepaalde door de staat vastgestelde hoogtechnologische voorrangsgebieden, zoals de MAE-sector. De wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, beperkt dus de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen en sectoren.

(401)

De Chinese overheid voerde aan dat “superaftrek voor onderzoek en ontwikkeling” niet specifiek is aangezien dit een universeel belastingbeleid betreft met als doel ondernemingen te stimuleren om hun investeringen in O&O-activiteiten op te voeren. Volgens de Chinese overheid zijn er objectieve criteria en voorwaarden voor de toepassing van het programma en is het programma automatisch van toepassing wanneer aan de overeenkomstige criteria is voldaan.

(402)

De Commissie was het niet eens met de interpretatie die de Chinese overheid aan de wetten en uitvoeringsmaatregelen geeft, omdat uit die wetten en uitvoeringsmaatregelen blijkt dat het programma beperkt is tot bepaalde sectoren en ondernemingen die door de Chinese overheid worden gesteund, en dat criteria worden gehanteerd die niet objectief of neutraal lijken (zij moeten bijvoorbeeld in overeenstemming zijn met het toepassingsgebied van de “belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde gebieden”). Deze subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening aangezien ze alleen van toepassing is op ondernemingen die actief zijn op bepaalde hoogtechnologische gebieden, zoals de MAE-bedrijfstak. Bovendien is in artikel 30 van de wet op de vennootschapsbelasting bepaald dat O&O-uitgaven van ondernemingen in verband met de ontwikkeling van nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe technieken bij de berekening van het belastbare inkomen extra kunnen worden afgetrokken, en wordt in artikel 95 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting verduidelijkt wat de aftrek precies inhoudt, terwijl in artikel 4 van de mededeling over het verbeteren van de aftrek voor uitgaven inzake O&O-ontwikkeling wordt opgesomd op welke bedrijfstakken de aftrek vóór belasting niet van toepassing is (met een zekere beoordelingsmarge, aangezien de lijst wordt afgesloten met de formulering “[…] en alle andere door het ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst vastgestelde bedrijfstakken”).

(403)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Chinese overheid dat de verklaring van de Commissie dat “het programma beperkt is tot bepaalde sectoren en ondernemingen die door de Chinese overheid worden gesteund [...], zij moeten bijvoorbeeld in overeenstemming zijn met het toepassingsgebied van de belangrijke door de staat gesteunde hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde gebieden”, mank gaat.

(404)

De Chinese overheid gaf echter toe dat voor dit programma enkel ondernemingen in aanmerking komen die uitgaven hebben gedaan in verband met het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe processen. Hoe het woord “nieuw” in dit verband moet worden gedefinieerd, werd niet uitgelegd. De Chinese overheid heeft evenmin opmerkingen ingediend over de duidelijk discretionaire mogelijkheid dat de autoriteiten bepaalde bedrijfstakken uitsluiten van de toepassing van deze belastingaftrek. Daarom was de Commissie het niet eens met het argument van de Chinese overheid dat “bij wet duidelijk en objectief is bepaald” wie in aanmerking komt voor dit programma. Het argument werd dan ook afgewezen.

e)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(405)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak hebben genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale verschuldigde belasting na de extra aftrek van 100 % van de eigenlijke O&O-uitgaven.

f)   Conclusie

(406)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Aftrek vóór belasting voor O&O

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Dingli Group

1,09  %

JLG Group

0,08  %

Sinoboom Group

0,93  %

Zoomlion Group

0,87  %

3.10.3.   Vrijstelling van dividend tussen gekwalificeerde ingezeten ondernemingen

(407)

De wet op de vennootschapsbelasting biedt preferente vennootschapsbelasting aan ondernemingen die actief zijn in bedrijfstakken of projecten waarvan de ontwikkeling specifiek wordt ondersteund en aangemoedigd door de staat en die in het bijzonder vrijgesteld zijn van belasting over inkomen uit deelnemingen, zoals dividend- en bonusbetalingen, tussen in aanmerking komende binnenlandse ondernemingen.

a)   Rechtsgrondslag

(408)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door artikel 26, lid 2, van de wet op de vennootschapsbelasting, samen met de uitvoeringsvoorschriften voor de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC.

(409)

In artikel 25 van de wet op de vennootschapsbelasting, dat de aanhef vormt van hoofdstuk IV, “Preferentieel belastingbeleid”, is het volgende bepaald: “De staat verleent belastingvoordelen aan ondernemingen die actief zijn in bedrijfstakken of projecten waarvan de ontwikkeling door de staat speciaal wordt ondersteund en aangemoedigd”. Verder is in artikel 26, lid 2, bepaald dat de belastingvrijstelling geldt voor inkomsten uit beleggingen in aandelen tussen “in aanmerking komende ingezeten ondernemingen”, wat de werkingssfeer ervan lijkt te beperken tot slechts bepaalde ingezeten ondernemingen.

b)   Bevindingen van het onderzoek

(410)

De Commissie stelde vast dat één onderneming in de in de steekproef opgenomen groepen belastingvrijstelling had gekregen van inkomsten uit dividenden tussen gekwalificeerde binnenlandse ondernemingen.

c)   Voordeel

(411)

De Commissie was van oordeel dat deze regeling een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing.

(412)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Chinese overheid aan dat dit programma tot doel heeft dubbele belasting te voorkomen en dat het ondernemingen daarom geen extra belastingvoordelen biedt door af te zien van inkomsten of deze niet te innen.

(413)

Hoewel de Commissie het ermee eens was dat de afschaffing van dubbele belasting een internationaal erkende belastingpraktijk is, is deze niet in alle landen in gelijke mate van toepassing. De Chinese overheid heeft niet aangetoond hoe de aftrek in kwestie specifiek dubbele belasting voorkomt (namelijk door aan te tonen dat de dividenden waarvoor de vrijstelling geldt, elders worden belast en dat de regel alleen geldt voor situaties van dubbele heffing). Het argument werd derhalve afgewezen.

d)   Specificiteit

(414)

Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze vrijstelling beperkt tot uitsluitend gekwalificeerde ingezeten ondernemingen die op grote schaal door de staat worden gesteund en waarvan de ontwikkeling door de staat wordt aangemoedigd. De wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, beperkt dus de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen en sectoren.

(415)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Chinese overheid aan dat de conclusie van de Commissie dat slechts enkele ondernemingen in aanmerking komen voor dit programma onjuist is, aangezien de Commissie de term “gekwalificeerd” in artikel 26 van de wet op de vennootschapsbelasting verkeerd heeft geïnterpreteerd. Volgens de Chinese overheid wordt het woord “gekwalificeerd” daarin gebruikt in de context van “gekwalificeerde inkomsten uit investeringen” in plaats van in de context van “gekwalificeerde ingezeten ondernemingen”.

(416)

De Commissie was het daar niet mee eens. Artikel 26, lid 2, van de wet op de vennootschapsbelasting maakt deel uit van hoofdstuk IV “Belastingpreferenties”, dat voorziet in een aantal preferentiële fiscale behandelingen die vrijstellingen van de algemene belastingregels zijn. Bovendien bepaalt artikel 25 van de Wet op de vennootschapsbelasting, dat de aanhef vormt van hoofdstuk IV, “Preferentieel belastingbeleid”: “De staat verleent belastingvoordelen aan ondernemingen die actief zijn in bedrijfstakken of projecten waarvan de ontwikkeling door de staat speciaal wordt ondersteund en aangemoedigd”. Daarnaast is in artikel 26, lid 2, bepaald dat de belastingvrijstelling geldt voor inkomsten uit beleggingen in aandelen tussen “in aanmerking komende ingezeten ondernemingen”, wat de werkingssfeer ervan lijkt te beperken tot slechts bepaalde ingezeten ondernemingen. Daarom was de Commissie van oordeel dat een dergelijk preferentieel belastingbeleid beperkt is tot bepaalde bedrijfstakken die specifiek door de staat worden gesteund en aangemoedigd, zoals de MAE-bedrijfstak, en derhalve specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening. Dit wordt ook bevestigd door de Engelse versie van de belastingaangifte (formulier A107010, regel 3) die door verschillende in de steekproef opgenomen groepen is ingediend en waarin wordt verwezen naar “II) Dividenden, bonussen en ander inkomen uit deelnemingen tussen gekwalificeerde ingezeten ondernemingen zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting (4 + 5 + 6 + 7 + 8)” in de Chinese versie van de belastingaangifte in dit verband.

e)   Berekening van de hoogte van de subsidie

(417)

De Commissie berekende het subsidiebedrag door het normale belastingtarief toe te passen op de dividendinkomsten die zijn afgetrokken van het belastbare inkomen.

f)   Conclusie

(418)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Vrijstelling van dividend in de vennootschapsbelasting

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Sinoboom Group

0,04  %

3.11.   Andere regelingen

(419)

In het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal waren andere regelingen vermeld waarvoor in de klacht voldoende bewijsmateriaal bestond dat wees op het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die beschikbaar zijn voor producenten-exporteurs van MAE. De lijst van die programma’s omvat, maar is niet beperkt tot:

verstrekking van elektriciteit door de overheid tegen een ontoereikende prijs;

verstrekking van inputs door de overheid tegen een ontoereikende prijs;

verstrekking van verzendings- en logistieke diensten door de overheid tegen een ontoereikende prijs;

gederfde inkomsten in de vorm van versnelde afschrijving van instrumenten en apparatuur die hoogtechnologische ondernemingen gebruiken voor hoogtechnologische ontwikkeling en productie;

inkomenssteun.

(420)

In het kader van dit onderzoek kon de Commissie echter geen conclusies trekken over de vraag of deze programma’s aanleiding geven tot compenserende maatregelen. Dit belet niet dat de Commissie die maatregelen in de toekomst kan onderzoeken, mede tijdens nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening.

(421)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de CMAE dat voor de bovengenoemde regelingen uit het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal bleek dat de klager voor de vaststelling van de hoogte van de subsidiëring informatie had verstrekt die beschikbaar was uit onderzoeken betreffende derde landen. De CMAE merkte ook op dat de Commissie voor de meeste van deze regelingen de Chinese overheid in kennis had gesteld van haar voornemen om gebruik te maken van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. Daarom verzocht de CMAE de Commissie alle nodige stappen te ondernemen om tot een conclusie te komen over de vraag of deze regelingen aanleiding geven tot compenserende maatregelen.

(422)

De Commissie merkte op dat er weliswaar voldoende bewijsmateriaal was om het onderzoek naar de betrokken regelingen te openen, maar dat zij de beoordeling van die regelingen niet kon afronden wegens een aantal factoren, zoals het aantal te onderzoeken regelingen, de intrinsieke complexiteit ervan en de termijn van 13 maanden voor antisubsidieonderzoeken. Zoals vermeld in overweging 420, doet dit echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om in de toekomst tot bevindingen over deze regelingen te komen, ook in het kader van nieuwe onderzoeken.

3.12.   Conclusie over subsidiëring<

(423)

De Commissie heeft het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor de meewerkende groepen van ondernemingen overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening berekend door elke subsidie of elk subsidieprogramma te onderzoeken, en heeft deze cijfers opgeteld om voor elke producent-exporteur in het onderzoektijdvak de totale subsidiëring te berekenen. Om de totale subsidiëring te berekenen, heeft de Commissie eerst het percentage van de subsidiëring berekend: het subsidiebedrag als percentage van de omzet van de onderneming of de omzet voor het onderzochte product van de onderneming. Dat percentage werd vervolgens gebruikt om het subsidiebedrag te berekenen dat werd toegewezen aan de uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het onderzoektijdvak. Dit subsidiebedrag werd later uitgedrukt als een percentage van de cif-waarde van die uitvoer.

(424)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte Zoomlion Group de verdeelsleutel die de Commissie had gebruikt om de door de moederonderneming ontvangen subsidies aan de MAE-producent toe te wijzen. Zij stelde dat als verdeelsleutel de omzet met betrekking tot transacties van een bepaalde input tussen deze ondernemingen, uitgedrukt als percentage van de omzet van de groep, had moeten worden gebruikt. Zoomlion Group betwistte ook de berekening van de geconsolideerde omzet die bij de berekening van het subsidiepercentage als noemer werd gebruikt, met het argument dat de omzet van de groep had moeten worden gebruikt in plaats van de geconsolideerde omzet van de moederonderneming.

(425)

De Commissie wees deze argumenten af. In de eerste plaats was de Commissie van mening dat, bij gebreke van een geschiktere methode van toerekening, een toewijzing op basis van de omzet conservatief was voor zover het een moedervennootschap betreft. Zij merkte ook op dat de transacties in verband met inputs niet de enige transacties tussen de verbonden ondernemingen waren, aangezien de moederonderneming ook betrokken was bij de verkoop van het onderzochte product. In de tweede plaats was de Commissie van mening dat de geconsolideerde omzet correct was berekend, op basis van geverifieerde informatie die door Zoomlion Group was verstrekt. De door Zoomlion Group gesuggereerde omzet van de groep was daarentegen in de loop van het onderzoek niet overgelegd en evenmin geverifieerd. Hij werd pas als benadering ingediend na de mededeling van de definitieve bevindingen. De Commissie overwoog ook dat de gegevens van de moederonderneming relevanter waren dan die van de groep, aangezien de moederonderneming bidirectionele transacties (zowel verkoop van inputs als aankoop van het onderzochte product) verrichtte met de entiteit die het onderzochte product vervaardigde en verkocht, waaruit hun onderlinge verbondenheid bleek en wat de consolidatie op haar niveau rechtvaardigde. Daarom werd een toewijzing op basis van de geconsolideerde omzet het meest geschikt geacht.

(426)

Na de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen herhaalde Zoomlion Group het argument dat de Commissie ten onrechte de omzet van de moederonderneming had gebruikt in plaats van de totale omzet van de groep. Zij voegde daaraan toe dat indien de Commissie die omzet als verdeelsleutel zou gebruiken, zij bij de toewijzing in de teller uitsluitend de omzet aan niet-verbonden ondernemingen mag gebruiken, en niet de omzet aan verbonden ondernemingen.

(427)

Om de in overweging 425 genoemde redenen en gezien de sterke band tussen de moederonderneming en de producent van MAE (in de vorm van een meerderheidsbelang van de moederonderneming in de producent van MAE) en de beschikbaarheid van een geverifieerde geconsolideerde omzet voor het onderzoektijdvak voor de moederonderneming, zoals verstrekt door Zoomlion Group, vond de Commissie dat het passender was voor de toewijzing van de voordelen die omzet te gebruiken dan gebruik te maken van een benadering van de geconsolideerde omzet van de groep voor het onderzoektijdvak die niet vóór de mededeling van de definitieve bevindingen was ingediend of geverifieerd. Wat het gebruik van (een klein deel van) de verkoop aan verbonden ondernemingen in de teller betreft, meende de Commissie dat die benadering ten goede kwam aan Zoomlion Group, aangezien zij aannam dat de verkoop aan niet-verbonden afnemers normaal gesproken tegen een hogere prijs zou plaatsvinden dan tussen verbonden partijen, zodat de teller enigszins was onderschat, wat leidde tot een iets lagere toewijzing aan het onderzochte product en een lager subsidiebedrag. Op deze gronden werden de argumenten van Zoomlion Group afgewezen.

(428)

Als gevolg van de correcties in de berekening van het subsidiebedrag voor Zoomlion Group die zijn samengevat in overweging 321, steeg het totale subsidiepercentage voor de groep van 11,14 % tot 11,65 %. Zoomlion Group kreeg een volledige nieuwe mededeling van de berekeningen met een verklarende beschrijving van de aangebrachte wijzigingen, inclusief van kleine technische en schrijffouten in de oorspronkelijke berekeningen.

(429)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening werd de totale subsidie voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, berekend op basis van het totale gewogen gemiddelde bedrag van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld, dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs, met uitzondering van verwaarloosbare bedragen. De Commissie is immers van mening dat de beschikbare gegevens die in die gevallen zijn gebruikt, de informatie die nodig is om het bedrag van de subsidiëring op billijke wijze te bepalen, niet ingrijpend beïnvloedden, zodat exporteurs die niet zijn verzocht mee te werken aan het onderzoek, door die aanpak niet worden geschaad.

(430)

Gezien de hoge mate van medewerking van de Chinese producenten-exporteurs en het feit dat de steekproef ook representatief is voor de subsidiabiliteit, achtte de Commissie het passend om het bedrag voor “alle andere ondernemingen” vast te stellen op het niveau van het hoogste bedrag dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Het bedrag voor “alle andere ondernemingen” is toegepast voor de ondernemingen die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt.

(431)

Op grond hiervan zijn de bedragen van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Naam van de onderneming

Totaal subsidiepercentage

Dingli Group

14,28  %

JLG Group

0,00  %

Sinoboom Group

7,31  %

Zoomlion Group

11,65  %

Niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen

12,12  %

Alle andere ondernemingen

14,28  %

4.   SCHADE

4.1.   Uitsluiting van invoer van JLG Group uit de analyse van invoer met subsidiëring

(432)

Behalve voor JLG Group lag de hoogte van de subsidiepercentages die werden vastgesteld ten aanzien van de invoer uit de VRC boven de de-minimisdrempel van artikel 14, lid 3, van de basisverordening. De invoer van JLG Group was de minimis en kon dus niet in aanmerking worden genomen in de onderstaande schadeanalyse, maar werd wel in aanmerking genomen bij het analyseren van de effecten van andere factoren op de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden.

(433)

Om te beoordelen of de bevindingen inzake de afwezigheid van subsidiëring met betrekking tot JLG Group konden worden uitgebreid naar de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, beoordeelde de Commissie het volume en de prijzen van de invoer van JLG Group ten opzichte van alle andere invoer uit de VRC naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak.

(434)

In het onderzoektijdvak bedroeg het volume van de invoer zonder subsidie van JLG Group [20 %-25 %] van de totale invoer uit de VRC, en vertegenwoordigde het ongeveer [40 %-45 %] van de invoer in de steekproef. Vervolgens heeft de Commissie de gemiddelde cif-uitvoerprijs van JLG Group vergeleken met de gemiddelde cif-uitvoerprijzen van de drie andere in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs op basis van de gecontroleerde gegevens en de gemiddelde prijs van alle Chinese invoer naar de Unie, op basis van de ingediende antwoorden betreffende de steekproef (154). Zij stelde vast dat de gemiddelde cif-uitvoerprijs van JLG Group tijdens het onderzoektijdvak [25 %-30 %] hoger lag dan de gemiddelde uitvoerprijs van de andere in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. In dezelfde periode lag de gemiddelde cif-uitvoerprijs van JLG Group op basis van de antwoorden betreffende de steekproef [40 %-45 %] hoger dan de uitvoerprijs van alle andere producenten-exporteurs. Aangezien deze totale uitvoer van alle producenten-exporteurs (met uitzondering van de uitvoer van JLG Group) goed was voor [75 %-80 %] van de totale invoer uit de VRC naar de Unie in het onderzoektijdvak, was de Commissie van mening dat zij de bevindingen van afwezigheid van subsidiëring met betrekking tot JLG Group niet kon uitbreiden naar de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en naar alle invoer uit de VRC naar de Unie in het algemeen.

4.2.   Eenheden en delen van eenheden

(435)

Het in punt 2 omschreven onderzochte product omvat zowel eenheden (hele machines) als delen van eenheden. De onderstaande analyse van de verschillende schade-indicatoren is echter alleen toegespitst op eenheden en niet op afzonderlijke delen daarvan. Hoewel de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode zowel eenheden als delen daarvan produceerde, heeft hij geen delen afzonderlijk verkocht of gekocht. De geproduceerde delen worden altijd gebruikt voor een specifiek machinetype, dat gewoonlijk op bestelling wordt geproduceerd. Daarom werd de schadeanalyse alleen op eenheden gebaseerd.

4.3.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(436)

Volgens de klager werd het soortgelijke product in de Unie tijdens het onderzoektijdvak door 22 producenten vervaardigd. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(437)

De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 35 000 eenheden (volledige machines). De Commissie baseerde dit cijfer op alle informatie die over de bedrijfstak van de Unie beschikbaar was, namelijk de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de klager, die waar mogelijk zijn getoetst aan de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(438)

Zoals in punt 1.4.1 is vermeld, zijn drie producenten in de Unie opgenomen in de steekproef, en zij vertegenwoordigen samen 56 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie.

4.4.   Verbruik in de Unie

(439)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van:

de verkoopgegevens over de verkopen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie, verstrekt door de CMAE, getoetst aan de gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie;

de verkoophoeveelheden die de meewerkende producenten-exporteurs hebben verstrekt voor invoer uit de VRC (155), en

de invoer uit alle andere derde landen, zoals geregistreerd in de Comext-databank van Eurostat (156).

(440)

Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 1

Verbruik in de Unie (in eenheden)

 

2020

2021

2022

OT

Totaal verbruik in de Unie

28 481

45 725

58 226

63 086

Index

100

161

204

222

Bron:

CMAE, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, gegevens verstrekt door de meewerkende producenten-exporteurs, Eurostat.

(441)

Tijdens de beoordelingsperiode is het verbruik in de Unie met 122 % toegenomen.

4.5.   Invoer uit het betrokken land

4.5.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(442)

De invoer uit de VRC is gebaseerd op de gegevens van de meewerkende producenten-exporteurs, waarvan werd aangenomen dat zij 100 % van de invoer naar de Unie vertegenwoordigen (157).

(443)

Het marktaandeel van de invoer uit de VRC is vastgesteld door vergelijking van de omvang van de invoer met het verbruik op de markt van de Unie als vermeld in tabel 2.

(444)

De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Omvang van invoer (in eenheden) en marktaandeel

 

2020

2021

2022

OT

Omvang van de invoer uit de VRC (eenheden) (158)

5 000 -15 000

15 000 -25 000

20 000 -30 000

20 000 -30 000

Index

100

236

299

314

Marktaandeel

29  %

42  %

42  %

41  %

Index

100

147

146

142

Bron:

Gegevens verstrekt door de meewerkende producenten-exporteurs.

(445)

Tijdens de beoordelingsperiode is de omvang van de invoer van het betrokken product uit de VRC met 214 % toegenomen, en is het marktaandeel ervan gestegen van 29 % in 2020 tot 41 % in het onderzoektijdvak, zijnde een stijging met 42 %.

4.5.2.   Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding

(446)

De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van de gegevens van de meewerkende producenten-exporteurs, waarvan werd aangenomen dat zij bijna 100 % van de invoer naar de Unie vertegenwoordigen (159).

(447)

De gewogen gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Invoerprijs (EUR/eenheid)

 

2020

2021

2022

OT

Prijs van de invoer uit de VRC (per eenheid)

11 040

11 883

16 377

17 008

Index

100

108

148

154

Bron:

Gegevens verstrekt door de meewerkende producenten-exporteurs.

(448)

In de beoordelingsperiode is de gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC met 54 % toegenomen tot 17 008 EUR/eenheid in het onderzoektijdvak.

(449)

De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:

de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort die de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in rekening brachten aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek, en

de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijzen per productsoort die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werden berekend, op cif-basis, met de nodige correcties voor douanerechten en kosten na invoer.

(450)

De prijzen werden voor dezelfde productsoort vergeleken voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Op basis van het bovenstaande werd een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 21 % vastgesteld voor de invoer met subsidiëring uit de VRC op de markt van de Unie.

(451)

Ongeacht het bestaan van prijsonderbieding heeft de Commissie ook vastgesteld dat de invoer uit de VRC aanzienlijke druk uitoefende op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, die in het onderzoektijdvak onder de kostprijs moest verkopen.

4.6.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.6.1.   Algemene opmerkingen

(452)

Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de gesubsidieerde invoer voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(453)

Zoals vermeld in punt 1.4.1, werd voor de vaststelling van de mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef.

(454)

Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van gegevens in de klacht en het antwoord van de klager op een specifieke vragenlijst. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(455)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de subsidiemarge.

(456)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde prijzen per eenheid, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.6.2.   Macro-economische indicatoren

4.6.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(457)

De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 4

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad (in eenheden)

 

2020

2021

2022

OT

Productievolume (eenheden)

17 743

26 427

32 349

35 402

Index

100

149

182

200

Productiecapaciteit

70 732

70 762

73 152

75 111

Index

100

100

103

106

Bezettingsgraad

25  %

37  %

44  %

47  %

Index

100

149

176

188

Bron:

CMAE, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(458)

In de beoordelingsperiode is de productie van de bedrijfstak van de Unie met 100 % toegenomen tot meer dan 35 000 eenheden in het onderzoektijdvak. De toegenomen productie had een positief effect op de bezettingsgraad, die in de beoordelingsperiode met 88 % toenam.

4.6.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(459)

Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2020

2021

2022

OT

Verkoopvolume op de markt van de Unie (eenheden)

14 675

18 214

22 048

23 794

Index

100

124

150

162

Marktaandeel

52 %

40 %

38 %

38 %

Index

100

77

73

73

Bron:

CMAE, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(460)

In de beoordelingsperiode is het verkoopvolume van de producenten in de Unie van het betrokken product met 62 % gestegen. Aangezien zij echter niet in staat waren ten volle van de stijging van het verbruik in de Unie met 122 % te profiteren (zie tabel 2), nam het marktaandeel van de producenten in de Unie met 27 % af.

4.6.2.3.   Groei

(461)

In de beoordelingsperiode is het verbruik van het betrokken product met 122 % gestegen. In dezelfde periode is het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met ongeveer 27 % gedaald en is het marktaandeel van de invoer uit de VRC van het betrokken product met 47 % gestegen. Hoewel de productie en de verkoop van de bedrijfstak in de Unie in absolute cijfers zijn toegenomen, kon deze niet profiteren van het verbruik in de Unie wat het marktaandeel betreft. Integendeel, de bedrijfstak van de Unie verloor marktaandeel en was dus zelfs niet in staat om zijn positie te handhaven.

4.6.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(462)

De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2020

2021

2022

OT

Aantal werknemers

2 215

2 624

3 027

3 099

Index

100

118

137

140

Productiviteit (eenheden/vte)

8

10

11

11

Index

100

126

133

143

Bron:

CMAE, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(463)

Tijdens de beoordelingsperiode is de werkgelegenheid in de Unie toegenomen met 40 %. In combinatie met de toegenomen productiviteit (met 43 %), nam de productie in dezelfde periode toe met 100 % (zie tabel 5).

4.6.2.5.   Hoogte van de subsidiemarge

(464)

Behalve voor JLG Group lagen alle vastgestelde subsidiemarges (zie punt 3.6.4) ruim boven het de-minimisniveau. De gevolgen van de hoogte van de subsidiëring voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk gezien de omvang en de prijzen van de invoer uit het betrokken land.

4.6.3.   Micro-economische indicatoren

(465)

Twee van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie behoorden tot dezelfde groep. Bijgevolg bestond de steekproef slechts uit twee verschillende marktdeelnemers. De Commissie aanvaardde daarom het verzoek van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie om de informatie in orden van grootte te verstrekken wegens de vertrouwelijkheid ervan.

4.6.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(466)

De gewogen gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 7

Verkoopprijzen in de Unie

 

2020

2021

2022

OT

Gemiddelde prijs in de Unie in orden van grootte (EUR/eenheid)

(30 000 -35 000 )

(30 000 -35 000 )

(30 000 -35 000 )

(35 000 -40 000 )

Index

100

102

105

116

Productiekosten in orden van grootte

(EUR/eenheid)

(30 000 -35 000 )

(30 000 -35 000 )

(35 000 -40 000 )

(35 000 -40 000 )

Index

100

101

114

114

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(467)

De bovenstaande tabel geeft de ontwikkeling weer van de verkoopprijzen per eenheid op de markt van de Unie in vergelijking met de overeenkomstige productiekosten tijdens de beoordelingsperiode.

(468)

In de beoordelingsperiode stegen de prijzen van de productiefactoren aanzienlijk. De kostenstijging met meer dan 30 % had voornamelijk betrekking op de prijzen van staal, halfgeleiders en energie. Aangezien de bezettingsgraad steeg van een zeer laag niveau in 2020 (25 %) tot 47 % in het onderzoektijdvak en de vaste kosten gelijk bleven, stegen de totale kosten in mindere mate.

(469)

Tegelijkertijd steeg het volume van de invoer van MAE uit de VRC tussen 2020 en 2022 met 199 % (zie tabel 2) tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie (zie tabel 3). Door deze prijsdruk kon de bedrijfstak van de Unie de prijzen niet verhogen om de stijgende kosten weer te geven. Als gevolg daarvan werd de bedrijfstak van de Unie gedwongen zijn prijzen op een onhoudbaar laag niveau vast te stellen om niet te veel marktaandeel te verliezen. Hoewel de productiekosten wegens de orden van grootte niet rechtstreeks zichtbaar zijn in tabel 7, waren de productiekosten gedurende de hele periode dan ook gemiddeld hoger dan de verkoopprijzen. Bijgevolg bleef de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode verliesgevend (zie tabel 10), zelfs in een situatie van een groeiende markt en een stijgende verkoop. Onder normale marktomstandigheden, d.w.z. zonder sterk toenemende invoer tegen onredelijk lage prijzen, had de bedrijfstak van de Unie daarvan kunnen profiteren en weer winstgevend worden.

(470)

De gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie namen toe met 16 %, en de gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de Unie stegen tijdens de beoordelingsperiode met 14 %. De belangrijkste factor die de stijging van de productiekosten heeft beïnvloed, was de stijging van de grondstofprijs tijdens de beoordelingsperiode. Gemiddeld lagen de productiekosten gedurende de beoordelingsperiode hoger dan de verkoopprijzen.

4.6.3.2.   Loonkosten

(471)

De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2020

2021

2022

OT

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

(50 000 -60 000 )

(50 000 -60 000 )

(60 000 -70 000 )

(60 000 -70 000 )

Index

100

98

102

107

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(472)

Tijdens de beoordelingsperiode zijn de gemiddelde loonkosten per werknemer met 7 % gestegen.

4.6.3.3.   Voorraden

(473)

De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Voorraden

 

2020

2021

2022

OT

Eindvoorraden (ton)

(1 000 -1 500 )

(1 000 -1 500 )

(1 000 -1 500 )

(1 500 -2 000 )

Index

100

78

102

130

Eindvoorraden als percentage van de productie

5 -10

0 -5

0 -5

5 -10

Index

100

52

56

65

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(474)

De eindvoorraden varieerden in de beoordelingsperiode. In het onderzoektijdvak lagen deze 30 % hoger dan in 2020. De eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie zijn tijdens de beoordelingsperiode met 35 % afgenomen.

(475)

De meeste productsoorten van het soortgelijke product worden door de bedrijfstak van de Unie geproduceerd op basis van specifieke bestellingen van de gebruikers. Voorraden worden dan ook niet als een zinvolle schade-indicator voor deze bedrijfstak beschouwd.

4.6.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(476)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen

 

2020

2021

2022

OT

 

[(–5  %)-0  %]

[(–5  %)-0  %]

[(–15  %)-(–10  %)]

[(–5  %)-0  %]

Index

100

127

–85

141

Kasstroom (1 000 )

[40 000 -50 000 ]

[20 000 -30 000 ]

[(–30 000 )-(–20 000 )]

[–30 000 -(–20 000 )]

Index

100

53

–49

–46

Investeringen (1 000 )

[30 000 -40 000 ]

[10 000 -20 000 ]

[10 000 -20 000 ]

[10 000 -20 000 ]

Index

100

43

42

36

Rendement van investeringen

[5  %-10  %]

[35  %-40  %]

[(–45  %)-(–40  %)]

[(–35  %)-(–30  %)]

Index

100

408

– 424

– 330

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(477)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van de aldus gerealiseerde omzet.

(478)

In 2020 werd de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie al beïnvloed door de toename van de invoer uit de VRC, die in 2018 was begonnen. Zoals uiteengezet in punt 4.6.3.1 weerhield de prijsdruk als gevolg van oneerlijke invoer op de markt van de Unie de bedrijfstak van de Unie ervan de prijzen te verhogen om de stijgende kosten te weerspiegelen. Als gevolg daarvan werd de bedrijfstak van de Unie gedwongen zijn prijzen op een onhoudbaar laag niveau vast te stellen om een voldoende volume te handhaven. Aangezien de bedrijfstak van de Unie onder druk van de laaggeprijsde invoer uit de VRC zijn productie niet kon verhogen, kwam dit tot uiting in een lage bezettingsgraad, die steeg van 25 % in 2020 tot 47 % in het OT, maar onder de 50 % bleef ten opzichte van de bezettingsgraad van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, die, afhankelijk van de onderneming en het jaar, tussen 53 % en 99 % lag.

(479)

Hoewel de winstgevendheid in 2021 met 27 % verbeterde, bleef de bedrijfstak van de Unie verliesgevend. In 2022 verslechterde de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, toen de winstgevendheid met 185 % daalde. De daling van de winstgevendheid in 2022 werd veroorzaakt door de abnormale stijging van de productiekosten als gevolg van de gestegen grondstofprijzen in combinatie met het feit dat de verkoopprijzen voor een bepaalde periode waren vastgesteld. Daarom konden de verkoopprijzen niet dienovereenkomstig worden verhoogd, wat leidde tot zware verliezen. Ondanks de groeiende markt en de enorme toename van het verbruik kon de bedrijfstak van de Unie dus niet gelijke tred houden met de voortdurende kostenstijging. Deze situatie is in 2022 nog verslechterd. Als gevolg daarvan nam de algehele winstgevendheid tijdens de beoordelingsperiode toe, maar deze beleef in het onderzoektijdvak negatief, tussen [(–5 %)-0 %]. De kasstroom daalde aanzienlijk (met 146 %) en parallel hiermee nam het jaarlijks investeringsniveau af met 64 % in de beoordelingsperiode. Het rendement van investeringen volgde dezelfde neerwaartse trend en nam tijdens de beoordelingsperiode met 440 % af.

4.6.3.5.   Conclusie over schade

(480)

In het jaar 2020 dat als referentiepunt voor de analyse van de trends werd genomen, werden volgens de klager sterk de gevolgen gevoeld van de pandemie, en de activiteiten van de bedrijfstak van de Unie behaalden het laagste niveau van de afgelopen tien jaar. Bijgevolg wees de stijging van de indicatoren vanaf 2020 niet op een groeiende industrie, maar op een herstel richting het eerdere activiteitenniveau.

(481)

De door de klager ingediende gegevens voor 2019 bevestigden inderdaad dat de productie en verkoop van de bedrijfstak van de Unie in 2020 uitzonderlijk laag waren: in 2019 was het productievolume van de producenten in de Unie vergelijkbaar met het productieniveau in het onderzoektijdvak, en de verkoop van de bedrijfstak in de Unie op de markt van de Unie daalde met 14 % tussen 2019 en het onderzoektijdvak. Aangezien het referentiejaar 2020 echter werd beïnvloed door de pandemie, vertoonden een aantal indicatoren een stijging in de beoordelingsperiode. Met name nam de productie van de bedrijfstak van de Unie met 100 % toe en de verkoop op de markt van de Unie nam met 62 % toe.

(482)

Ondanks de aanzienlijke stijging van het verbruik in de Unie van het betrokken product gedurende de beoordelingsperiode (met 122 %), slaagde de bedrijfstak van de Unie er niet in zijn verkoop dienovereenkomstig te doen stijgen om op zijn minst zijn marktaandeel te kunnen behouden. Integendeel, als gevolg van de invoer uit de VRC tegen aanzienlijk gesubsidieerde prijzen nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode af van 52 % tot 38 %. Tegelijkertijd nam het volume van de invoer uit de VRC in dezelfde periode aanzienlijk toe, met 214 %, en steeg het marktaandeel van 29 % tot 41 %. Boven op de verliezen die de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode opliep, ontwikkelden ook andere schade-indicatoren, zoals de kasstroom, het investeringsniveau en het rendement van investeringen, zich negatief.

(483)

Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 4, van de basisverordening.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

(484)

Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met subsidie uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade kon hebben geleden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met subsidie uit het betrokken land, niet aan de invoer met subsidie werd toegeschreven. De Commissie heeft de invoer uit derde landen, de invoer zonder subsidiëring uit de VRC en de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie onderzocht. Er waren geen andere factoren bekend die de schade aan de bedrijfstak van de Unie konden hebben veroorzaakt.

5.1.   Gevolgen van de invoer met subsidiëring

(485)

Zoals aangegeven in punt 4.5.1 namen de invoerhoeveelheden van het betrokken product uit de VRC in de beoordelingsperiode aanzienlijk toe. Bovendien onderboden de prijzen van de invoer de prijzen van de bedrijfstak van de Unie gemiddeld met 21 %. De bedrijfstak van de Unie was daardoor niet in staat zijn marktaandeel te handhaven of te vergroten, en te profiteren van het toegenomen verbruik van het betrokken product op de markt van de Unie tijdens de beoordelingsperiode. Deze situatie had ernstige gevolgen voor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, die gedurende de gehele beoordelingsperiode negatief was.

(486)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat deze invoer met subsidiëring een negatief effect had op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

(487)

De Commissie heeft ook onderzocht of het mogelijk was dat andere bekende factoren, individueel of gezamenlijk, het vastgestelde oorzakelijke verband tussen de vormen van invoer met subsidiëring in die mate zouden afzwakken dat het niet langer om een reëel en wezenlijk verband ging.

5.2.1.   Invoer uit andere landen en invoer zonder subsidiëring

5.2.1.1.   Invoer uit andere landen

(488)

De Commissie heeft de invoer uit derde landen vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat. Aangezien de gegevens voor deze invoer onder sommige GN-codes slechts in ton (en niet in eenheden) werden gerapporteerd, kon de Commissie geen omvang en prijzen per eenheid vaststellen zoals voor de bedrijfstak van de Unie en de invoer uit de VRC was gedaan op basis van door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs verstrekte gegevens. De omvang en de prijzen van de invoer uit andere derde landen konden derhalve niet rechtstreeks worden vergeleken met die van de bedrijfstak van de Unie en de invoer uit de VRC en waren derhalve slechts indicatief, hoewel de trends op basis van deze volumes en prijzen gedurende de beoordelingsperiode juist waren. Om het marktaandeel vast te stellen, heeft de Commissie echter gebruikgemaakt van een omrekeningsfactor van ton in eenheden op basis van de gegevens van de meewerkende Chinese producenten-exporteurs (160). Wat de prijzen betreft, achtte de Commissie dit niet juist, aangezien het gebruik van een omrekeningsfactor, gezien de verschillen in productmix, niet tot nauwkeurige prijzen per eenheid zou leiden.

(489)

Het betrokken product werd behalve uit de VRC in de Unie ook ingevoerd uit verschillende andere landen, die gezamenlijk goed waren voor 8 % van het marktaandeel in het onderzoektijdvak:

Tabel 11

Invoer uit andere landen (in ton)

Land

 

2020

2021

2022

OT

Verenigd Koninkrijk

Volume (ton)

0

5 291

6 827

8 497

 

Index

100

129

161

 

Marktaandeel

0  %

2  %

2  %

3  %

 

Gemiddelde prijs

0

5,90

5,22

5,76

 

Index

100

89

98

Verenigde Staten

Volume (ton)

9 104

8 164

7 985

8 052

 

Index

100

90

88

88

 

Marktaandeel

7  %

4  %

3  %

3  %

 

Gemiddelde prijs

2,41

2,18

2,94

2,35

 

Index

100

122

122

98

Andere derde landen

 

 

 

 

 

 

Volume (ton)

7 540

7 986

9 362

9 586

 

Index

100

106

124

127

 

Marktaandeel

5  %

4  %

3  %

3  %

 

Gemiddelde prijs

5,76

5,67

5,88

6,01

 

Index

100

102

102

104

Totaal van alle derde landen behalve de VRC

 

 

 

 

 

 

Volume (ton)

16 643

21 442

24 174

26 135

 

Index

100

129

145

157

 

Marktaandeel

12  %

10  %

8  %

8  %

 

Gemiddelde prijs

3,93

4,40

4,72

4,80

 

Index

100

120

120

122

Bron:

Eurostat.

(490)

Naast de VRC waren de twee volgende grootste landen van invoer in de Unie de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, die in het onderzoektijdvak elk een marktaandeel van 3 % in handen hadden. De overige landen (uitgezonderd de VRC) vertegenwoordigden in het onderzoektijdvak gezamenlijk een marktaandeel van ongeveer 3 %. De prijzen van de invoer uit deze landen stegen in de beoordelingsperiode met 22 %.

(491)

In absolute cijfers nam het niveau van de invoer uit alle derde landen (behalve de VRC) samen met 57 % toe, terwijl het marktaandeel van al deze landen wegens het toegenomen verbruik op de markt van de Unie echter afnam met 4 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode, en veel lager was dan het marktaandeel van de invoer uit de VRC.

(492)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de invoer uit andere landen niet heeft bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden.

5.2.1.2.   Invoer zonder subsidiëring uit de VRC

(493)

Zoals vermeld in punt 4.1 werd vastgesteld dat het subsidiepercentage van JLG Group lager lag dan de in artikel 14, lid 3, van de basisverordening vastgestelde de-minimisdrempel, en beschouwde de Commissie deze invoer derhalve samen met andere factoren om te beoordelen of deze invoer mogelijk had bijgedragen aan de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden.

Tabel 12

Invoer zonder subsidiëring (in eenheden)

 

2020

2021

2022

OT

Invoer zonder subsidiëring

(2 000 -3 000 )

(3 000 -4 000 )

(6 000 -7 000 )

(8 000 -9 000 )

Index

100

171

306

372

Gemiddelde prijs

(5 000 -10 000 )

(10 000 -15 000 )

(15 000 -20 000 )

(15 000 -20 000 )

Index

100

142

237

237

Marktaandeel

(5  %-10  %)

(5  %-10  %)

(10  %-15  %)

(10  %-15  %)

Index

100

106

150

168

(494)

De invoer zonder subsidiëring steeg tijdens de beoordelingsperiode met 272 % van [2 000-3 000] eenheden in 2020 tot [8 000-9 000] eenheden in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van deze invoer steeg met 68 % van [5 %-10 %] in 2020 tot [10 %-15 %] in het onderzoektijdvak. Zoals aangegeven in punt 4.1 lag de gemiddelde cif-uitvoerprijs van JLG Group tijdens het onderzoektijdvak [25 %-30 %] hoger dan de gemiddelde uitvoerprijs van de andere in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. In dezelfde periode lag de gemiddelde cif-uitvoerprijs van JLG Group op basis van de antwoorden betreffende de steekproef [40 %-45 %] hoger dan de uitvoerprijs van alle andere producenten-exporteurs. De prijzen van JLG Group bleven tijdens de beoordelingsperiode echter ruim onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en bijgevolg werd aangenomen dat deze laaggeprijsde invoer en de stijging van de invoervolumes ervan een negatief effect hadden op de prestaties van de bedrijfstak van de Unie, en dus mogelijk hebben bijgedragen aan de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. Aangezien de gemiddelde prijzen ervan echter hoger waren dan die van de invoer met subsidiëring, de volumes ervan kleiner waren en het marktaandeel van deze invoer zonder subsidiëring beperkt was, was de Commissie van mening dat deze invoer het vastgestelde oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met subsidiëring uit de VRC niet heeft afgezwakt.

5.2.2.   Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie

(495)

De Commissie heeft het uitvoervolume beoordeeld op basis van de door de CMAE ingediende informatie. De uitvoerprijzen werden vastgesteld op basis van de antwoorden die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben gegeven op de vragenlijst.

(496)

Het volume en de prijzen van de uitvoer door de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 13

Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie

 

2020

2021

2022

OT

Volume van de uitvoer (eenheden)

4 037

8 303

10 127

11 658

Index

100

206

251

288

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

(30 000 -35 000 )

(35 000 -40 000 )

(30 000 -35 000 )

(30 000 -35 000 )

Index

100

106

103

93

Bron:

CMAE, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(497)

In de beoordelingsperiode kon de bedrijfstak van de Unie zijn uitvoervolume met 188 % doen toenemen. Zoals aangegeven in punt 4.6.3.5 ondervond de bedrijfstak van de Unie in 2020 echter ernstige gevolgen van de pandemie, die een effect had op het uitvoerniveau. Vóór de pandemie was het uitvoerniveau vergelijkbaar met dat van 2021.

(498)

De gemiddelde uitvoerprijzen daalden in de beoordelingsperiode met 7 % en lagen in het OT onder de gemiddelde productiekosten. Deze uitvoerprijzen per eenheid varieerden echter van ongeveer 13 000 EUR/eenheid tot 49 000 EUR/eenheid.

(499)

In het algemeen bleek uit het onderzoek dat het grootste deel van de uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie winstgevend was. Derhalve werd geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie positief waren en niet konden hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

5.3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(500)

De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke effecten van de invoer met subsidie. Het eventuele effect van deze andere factoren op de prestaties van de bedrijfstak van de Unie was echter beperkt.

(501)

In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie een oorzakelijk verband vastgesteld tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met subsidiëring uit de VRC, dat door de bovengenoemde factoren niet werd afgezwakt.

6.   BELANG VAN DE UNIE

(502)

De Commissie heeft onderzocht of de instelling van maatregelen, ondanks de vaststelling van schade veroorzakende subsidiëring, niet in strijd zou zijn met het belang van de Unie in de zin van artikel 31 van de basisverordening. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, toeleveranciers, gebruikers, distributeurs en niet-verbonden importeurs.

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(503)

De bedrijfstak van de Unie die mobiele hoogteplatformen produceert, bestaat volgens de klager uit 22 ondernemingen en hierin zijn volgens zijn informatie meer dan 3 000 personeelsleden werkzaam. Geen van de producenten had bezwaar tegen de inleiding van het onderzoek.

(504)

Zoals werd geconcludeerd in punt 4.6.3.5 had de invoer met subsidiëring uit de VRC negatieve gevolgen voor de situatie van de producenten van het betrokken product in de Unie: ondanks de toename in het verbruik op de markt van de Unie nam het marktaandeel van de producenten in de Unie niet toe, en daalde hun winstgevendheid.

(505)

De instelling van compenserende rechten zal naar verwachting leiden tot het herstel van eerlijke handelsvoorwaarden op de markt van de Unie en zal de bedrijfstak van de Unie in staat stellen zijn winstgevendheid te verbeteren en te herstellen.

(506)

Derhalve concludeert de Commissie dat de instelling van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie is.

6.2.   Belang van de toeleveranciers

(507)

Naast de directe werkgelegenheid, steunde de MAE-bedrijfstak ook op een uitgebreid netwerk van toeleveranciers van de verschillende MAE-componenten die nadien worden geassembleerd op de productielijnen van de bedrijfstak van de Unie. De klagers alleen hadden volgens hun informatie ten minste 280 leveranciers, waarvan er naar schatting 260 actief waren in de Unie. Dit zou volgens de raming van de bedrijfstak van de Unie goed zijn voor ongeveer 32 000 banen in de EU, in ten minste 14 verschillende lidstaten: Italië, Polen, Frankrijk, Duitsland, België, Hongarije, Slovenië, Zweden, Denemarken, Finland, Spanje, Nederland, Ierland en Roemenië. Veel van deze leveranciers waren volgens de klager kmo’s in afgelegen of kwetsbare gebieden van de Unie. Sommige kmo’s waren volgens hem sterk afhankelijk van de vraag van de bedrijfstak voor MAE van de Unie.

(508)

Nu de Commissie niet over meer informatie beschikt, is zij, gelet op het bovenstaande, van mening dat naast het positieve effect op de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, de instelling van compenserende rechten mogelijk positieve gevolgen zal hebben voor de MAE-leveranciers, die in tal van lidstaten gevestigd zijn.

6.3.   Belang van gebruikers, distributeurs en niet-verbonden importeurs

6.3.1.   Verhuurbedrijven

(509)

Volgens de klager zijn de meeste gebruikers (75 %-90 %) verhuurbedrijven. Er nam geen enkele gebruiker deel aan het onderzoek.

(510)

Aangezien de machines een lange levensduur hebben en elke machine veelvuldig wordt gebruikt en verhuurd, werd de prijsschommeling volgens de klager afgezwakt. Aangezien de gemiddelde prijs van een machine ongeveer [35 000-40 000] EUR bedraagt, worden eventuele prijsschommelingen bovendien gespreid over verschillende jaren, over verschillende gebruikstoepassingen en over verschillende klanten. Naar zijn mening is de omvang van de vloot van grote verhuurbedrijven ook vrij groot vergeleken met het jaarlijkse verbruik in de Unie. In zijn geheel beschouwd, zorgen de omvang van deze vloten en het vrij lage vervangingspercentage ervoor dat de gebruikers veel minder kwetsbaar zijn voor prijsschommelingen. Verhuurbedrijven zijn naar zijn mening ook beschermd tegen potentiële prijsstijgingen die het gevolg kunnen zijn van de maatregelen omdat zij deze effecten kunnen doorberekenen aan hun klanten, waardoor zij hun marges kunnen behouden.

(511)

De klager voerde ook aan dat machines ook vaak worden doorverkocht door verhuurbedrijven of andere kopers. Deze wederverkopen, zelfs na meerdere jaren van gebruik, kunnen worden uitgevoerd tegen een aanzienlijk percentage van de aankoopprijs. Bijgevolg zou een eventuele prijsstijging als gevolg van de maatregelen ook weer de wederverkoopprijs van de gebruikte machines doen stijgen.

(512)

Gelet op het bovenstaande was de Commissie van mening dat het effect op de verhuurbedrijven inderdaad minder aanzienlijk was dan als zij het betrokken product verder zouden “verwerken”. Omdat deze machines in het algemeen eigendom blijven van de verhuurbedrijven, zou een eventuele prijsstijging direct weerspiegeld worden in een stijging van de activa. Doordat de machines gedurende een langere periode worden gebruikt, kan naar de mening van de Commissie ook het negatieve effect van een potentiële prijsstijging worden verminderd.

(513)

Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat maatregelen geen onevenredig effect zouden hebben op verhuurbedrijven.

6.3.2.   Overige afnemers

(514)

De overige afnemers van MAE zijn voornamelijk bouw-, industriële en landbouwbedrijven die deze machines regelmatig moeten gebruiken, zoals logistieke centra en luchthavens. In de meeste gevallen gaat het om grote bedrijven.

(515)

Volgens de klager is het effect van prijsstijgingen op deze ondernemingen beperkt aangezien de mobiele hoogteplatformen slechts een gering aandeel van hun uitrusting en van hun kosten uitmaken. Deze eindgebruikers zijn ondernemingen met voldoende omvangrijke activiteiten waardoor de investeringen in de platformen slechts een beperkt aandeel van hun kosten uitmaken.

(516)

De Commissie was van oordeel dat de ondernemingen die MAE aankopen andere kernactiviteiten hebben, en dat de kosten van MAE doorgaans gering zijn in verhouding tot de totale kosten van deze ondernemingen. Eventuele prijsstijgingen van MAE zouden hun kosten doen stijgen, maar niet in die mate dat dit ernstige financiële gevolgen zou hebben voor hun werkzaamheden. Bijgevolg is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het effect van de maatregelen op deze andere gebruikers beperkt was.

6.3.3.   Niet-verbonden importeurs en handelaren

(517)

Omdat geen importeurs of handelaren hun medewerking hebben verleend, was de Commissie van mening dat de niet-verbonden importeurs en handelaren de mobiele toegangsuitrusting konden blijven betrekken uit meerdere bronnen, en dat zij deze konden doorverkopen tegen prijzen die hen in staat stelden hun marges te handhaven. De Commissie was bijgevolg van mening dat indien compenserende maatregelen worden ingesteld, het effect ervan op niet-verbonden importeurs en handelaren beperkt zou zijn.

6.4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(518)

Hoewel het algemene prijsniveau van MAE naar verwachting zal toenemen, stelde de Commissie gelet op het bovenstaande vast dat de algemene voordelen van de maatregelen opwegen tegen de mogelijke negatieve effecten voor importeurs en gebruikers. De Commissie was van oordeel dat het ook belangrijk was voor de hoofdgebruikers — de verhuurbedrijven — dat productie van MAE blijft plaatsvinden op de markt van de Unie, om hun vloot te diversifiëren. Indien de verhuurbedrijven volledig afhankelijk zouden zijn van invoer, zouden zij mogelijk te maken krijgen met langere doorlooptijden, verstoringen van de toelevering, en prijsstijgingen op langere termijn.

7.   DEFINITIEVE COMPENSERENDE MAATREGELEN

(519)

Gezien de conclusies inzake subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie, moet een definitief compenserend recht worden ingesteld om de door de invoer met subsidiëring van het betrokken product vanuit de VRC veroorzaakte schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen.

7.1.   Hoogte van de definitieve compenserende maatregelen

(520)

In artikel 15, lid 1, derde alinea, van de basisverordening is bepaald dat het compenserend recht niet meer bedraagt dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

(521)

In artikel 15, lid 1, vierde alinea, staat vervolgens: “Wanneer de Commissie op basis van al deze voorgelegde informatie duidelijk kan besluiten dat het niet in het belang van de Unie is om overeenkomstig de derde alinea de omvang van de maatregelen te bepalen, is het compenserend recht lager indien dit lagere bedrag voldoende is om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen.”.

(522)

Aangezien bij de Commissie geen dergelijke informatie is ingediend, wordt de hoogte van de compenserende maatregelen bepaald overeenkomstig artikel 15, lid 1, derde alinea.

(523)

Nu de definitieve maatregelen in dit geval worden gebaseerd op de vastgestelde hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, is de schademarge niet vastgesteld.

(524)

Gezien het voorgaande zijn de definitieve compenserende rechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt:

Onderneming

Definitief compenserend recht

Hunan Sinoboom Intelligent Equipment Co., Ltd.

7,31  %

Zoomlion Intelligent Access Machinery Co., Ltd.

11,65  %

Zhejiang Dingli Machinery Co., Ltd.

14,28  %

Andere meewerkende ondernemingen

12,15  %

Alle andere ondernemingen

14,28  %

(525)

Het antisubsidieonderzoek werd parallel uitgevoerd met een afzonderlijk antidumpingonderzoek naar hetzelfde betrokken product van oorsprong uit de VRC, waarin de Commissie antidumpingmaatregelen heeft ingesteld ter hoogte van de dumpingmarge voor Sinoboom en Dingli, en op het niveau van de schademarge voor Zoomlion. De onderneming Zoomlion behoorde niet tot de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het antidumpingonderzoek, en de dumpingmarge voor de onderneming was gebaseerd op de schademarge voor alle andere meewerkende ondernemingen.

(526)

De normale waarde in het antidumpingonderzoek werd overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (161) berekend aan de hand van niet-verstoorde kosten en winsten in een passend representatief derde land. Bijgevolg stelde de Commissie overeenkomstig artikel 15, lid 2, van de basisverordening en om dubbeltelling te vermijden, eerst het definitieve compenserende recht vast op het niveau van het vastgestelde definitieve subsidiebedrag en vervolgens het resterende definitieve antidumpingrecht, dat overeenkomt met de desbetreffende dumpingmarge verminderd met het bedrag van het compenserend recht, tot maximaal de desbetreffende in het afzonderlijke antidumpingonderzoek vastgestelde schademarge. Aangezien de Commissie de vastgestelde dumpingmarge verminderde met het gehele vastgestelde subsidiebedrag in de VRC, was er geen sprake van dubbeltelling in de zin van artikel 24, lid 1, van de basisverordening.

(527)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CCCME aan dat er toch sprake was van dubbeltelling, zelfs in een situatie waarin de definitieve antidumpingrechten werden ingesteld op het schadeopheffende niveau, en wel om twee redenen. Ten eerste zouden de definitieve antidumpingrechten die op het schadeopheffende niveau zijn vastgesteld, tot gevolg hebben dat de subsidiëring die is ingebed in de lagere Chinese uitvoerprijs reeds wordt gecompenseerd. Ten tweede is voor de in de antidumpingprocedure niet in de steekproef opgenomen ondernemingen een dumpingmarge vastgesteld die overeenkomt met het gewogen gemiddelde niveau van die van de in de steekproef opgenomen producenten. De dumpingmarges van twee van de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen waren extreem hoog als gevolg van de gedeeltelijke toepassing van de beschikbare gegevens. Volgens de CCCME leidde dit tot een onredelijke gewogen gemiddelde dumpingmarge, waardoor de definitieve vaststelling van het definitieve recht van de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen op oneerlijke wijze werd beperkt.

(528)

De Commissie was het niet eens met die argumenten. Ten eerste werd, zoals reeds uiteengezet in overweging 526, het risico van dubbeltelling weggenomen nu de Commissie de vastgestelde dumpingmarge heeft verlaagd met het volledige in de VRC vastgestelde subsidiebedrag. Het doel van de vaststelling van de schademarge is anders, namelijk te beoordelen of een lagere marge dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de schade weg te nemen. Bijgevolg houdt de schademarge geen verband met enige dubbeltelling, die betrekking heeft op de beoordeling of (een deel van) de dumpingmarge door subsidiëring wordt veroorzaakt en niet welke hoogte van het recht toereikend is om de schade weg te nemen. Deze zogenoemde regel van het laagste recht is alleen van toepassing in antidumpingprocedures en niet in antisubsidieprocedures. Plafonnering van het gecombineerde niveau van antidumping- en antisubsidierechten tot de schademarge, zoals de CCCME voorstelt, zou de facto leiden tot de toepassing van de regel van het laagste recht in een antisubsidieprocedure, wat de antisubsidiebasisverordening niet toestaat.

(529)

Wat ten tweede de situatie van de niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten betreft, was de Commissie van mening dat hun antidumpingrecht was gebaseerd op de (lagere) gemiddelde schademarge in de steekproef, zodat het gemiddelde compenserende recht in de steekproef aan hun recht kon worden toegevoegd. Het argument van de CCCME dat de gemiddelde dumpingmarge in de steekproef kunstmatig hoog was, was feitelijk correct noch onderbouwd. Anders dan de CCCME beweerde, werden de beste beschikbare gegevens niet toegepast op twee in de steekproef opgenomen ondernemingen, maar slechts op één onderneming, en dat slechts in beperkte mate. De toepassing van de beste beschikbare gegevens had slechts een gering effect op de dumpingmarges. Hoe dan ook heeft de CCCME geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de gedeeltelijke toepassing van de beste beschikbare gegevens op één onderneming heeft geleid tot een kunstmatig hoge gemiddelde dumpingmarge in de steekproef.

(530)

De CMAE voerde daarentegen aan dat de Commissie de vastgestelde dumpingmarge niet met het volledige subsidiebedrag had mogen verlagen, aangezien ten minste een deel van de subsidiëring niet was opgenomen in de dumpingmarge. Volgens de CMAE zouden er voor een aantal door de Commissie vastgestelde subsidies, zoals giften, preferentiële financiering, belastingvrijstelling en -vermindering, geen dubbele corrigerende maatregelen zijn gezien de specificiteit van de gegevens die in het parallelle antidumpingonderzoek zijn gebruikt om de normale waarde te berekenen. Volgens de klager heeft de Commissie in het parallelle antidumpingonderzoek de normale waarde berekend door de waarde van de inputs en productiefactoren te vervangen. Zij heeft echter niet beoordeeld of er in het antisubsidieonderzoek sprake was van subsidies voor de inputs of voor elektriciteit. Dit betekent dat er geen risico bestaat op een dubbele correctie voor de subsidies en de dumpingmarge die zou voortvloeien uit de vervanging van de waarde van inputs of elektriciteit in het kader van de door de Commissie gebruikte methode inzake dumping. Bijgevolg stelt de CMAE dat cumulatie van de compenserende maatregelen met de antidumpingrechten mogelijk is tot 14,25 % voor Dingli en 7,31 % voor Sinoboom.

(531)

De Commissie merkte op dat haar benadering om bij de berekening van de normale waarde volgens de methode van artikel 2, lid 6 bis, van de antidumpingbasisverordening het subsidiebedrag volledig in mindering te brengen op de dumpingmarge, volstrekt in overeenstemming is met de antidumpingbasisverordening en de antisubsidiebasisverordening en de desbetreffende teksten van de WTO. De Commissie erkende het argument van de klager dat het zelfs in het kader van de methode voor de berekening van de normale waarde op basis van niet-verstoorde prijzen en kosten in beginsel mogelijk zou zijn compenserende en antidumpingrechten te cumuleren, tenzij voor uitvoersubsidies. Dit werd onder bepaalde relevante voorwaarden uitdrukkelijk erkend in de desbetreffende rechtspraak van de WTO (162). Met betrekking tot de subsidies die van invloed zijn op de financiële resultaten van de producenten-exporteurs, zoals giften, preferentiële financiering en preferentiële belastingregelingen, erkende de Commissie de argumenten en het bewijsmateriaal van de klager dat de financiële resultaten van de onderneming in het representatieve land slechter konden zijn dan het geval zou zijn geweest indien deze onderneming dergelijke subsidies in Brazilië had ontvangen. Aangezien deze argumenten en het desbetreffende bewijsmateriaal echter in een zeer laat stadium van het onderzoek werden ingediend, kon de Commissie geen aanvullende informatie verzamelen en niet naar behoren ingaan op de ingediende informatie, zodat zij geen uitspraak kon doen over de gegrondheid van dit argument. In een situatie waarin het onduidelijk is of de in het kader van het antidumpingonderzoek gevolgde benadering voor de berekening van de normale waarde zou betekenen dat sommige in dit onderzoek vastgestelde subsidies volledig geneutraliseerd zouden worden, heeft de Commissie daarom in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid besloten haar benadering, die reeds aan de belanghebbenden in deze zaak is meegedeeld, te handhaven. Deze conclusie doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om deze kwestie in de toekomst opnieuw te bezien.

(532)

Gezien de hoge mate van medewerking van producenten-exporteurs in de VRC, stelde de Commissie het recht voor “alle andere ondernemingen” vast op het niveau van het hoogste recht ten aanzien van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Het recht voor “alle andere ondernemingen” is van toepassing op de ondernemingen die niet aan het onderhavige onderzoek hebben meegewerkt.

(533)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening werd de totale subsidie voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, berekend op basis van het totale gewogen gemiddelde bedrag van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld, dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs.

(534)

Op grond van het bovenstaande worden de in te stellen rechten als volgt vastgesteld:

Onderneming

Dumpingmarge

Subsidiepercentage

Schademarge

Compenserend recht

Antidumpingrecht

Hunan Sinoboom Intelligent Equipment Co., Ltd.

49,30  %

7,3  %

54,90  %

7,3  %

42,0  %

Zoomlion Intelligent Access Machinery Co., Ltd.

48,10  %

11,6  %

30,10  %

11,6  %

30,1  %

Zhejiang Dingli Machinery Co., Ltd.

20,60  %

14,2  %

47,60  %

14,2  %

6,4  %

Terex (Changzhou) Machinery Co., Ltd.

48,69  %

12,1  %

22,90  %

12,1  %

22,9  %

Andere in bijlage I vermelde meewerkende ondernemingen, met uitzondering van Terex (Changzhou) Machinery Co. Ltd.

48,10  %

12,1  %

30,10  %

12,1  %

30,1  %

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek, maar niet in het antisubsidieonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage II

48,10  %

14,2  %

30,10  %

14,2  %

30,1  %

Andere ondernemingen die niet in het antidumpingonderzoek maar wel in het antisubsidieonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage III

66,70  %

12,1  %

54,90  %

12,1  %

54,6  %

Alle andere ondernemingen

66,70  %

14,2  %

54,90  %

14,2  %

52,5  %

(535)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele compenserende rechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat geldt voor “alle andere ondernemingen”.

(536)

Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individueel rechten. Het verzoek moet worden gericht aan de Commissie. Dit verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

7.2.   Clausule inzake speciaal toezicht

(537)

Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele compenserende rechten te garanderen. De ondernemingen met individuele compenserende rechten moeten aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur overleggen. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Invoer die niet vergezeld gaat van een dergelijke factuur, wordt onderworpen aan het compenserend recht dat van toepassing is op “alle andere ondernemingen”.

(538)

Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele compenserende rechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.

(539)

Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 23, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.

(540)

De statistieken inzake MAE zijn vaak uitgedrukt in stuks. De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (163) bevat evenwel geen bijzondere maatstaf voor mobiele toegangsuitrusting. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat bij invoer niet alleen het gewicht in kg of ton, maar ook het aantal stuks van het betrokken product in de aangifte voor het vrije verkeer moet worden opgenomen. Het aantal stuks moet worden aangegeven voor GN-codes ex 8427 10 10 , ex 8427 20 19 , ex 8428 90 90 , ex 8431 20 00 en ex 8431 39 00 (Taric-codes: 8427 10 10 10, 8427 20 19 10, 8428 90 90 20, 8431 20 00 60 en 8431 39 00 10).

8.   REGISTRATIE

(541)

Zoals vermeld in punt 1.2 heeft de Commissie de invoer van MAE aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 16, lid 4, van de basisverordening.

(542)

Aangezien er geen voorlopige rechten zijn ingesteld, was inning met terugwerkende kracht niet mogelijk. De registratie van de invoer moet derhalve worden beëindigd.

9.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(543)

De Commissie heeft de belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief compenserend recht op het betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek de VRC aan te bevelen. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld.

(544)

Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (164) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.

(545)

Zoals uiteengezet in overweging 526 heeft de Commissie, om dubbeltelling te voorkomen, van de dumpingmarge een deel van het subsidiebedrag afgetrokken. Derhalve geldt dat indien de definitieve compenserende rechten worden gewijzigd of opgeheven, de hoogte van de antidumpingrechten automatisch in gelijke mate moeten worden verhoogd, om rekening te houden met de werkelijke mate van dubbeltelling ten gevolge van deze wijziging of opheffing. Deze wijziging van de antidumpingrechten moet plaatsvinden met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening.

(546)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op mobiele toegangsuitrusting die is ontworpen voor het heffen van personen en zelfaandrijvend is, met een maximale werkhoogte van minstens zes meter, en delen daarvan die voorgeassembleerd of klaar om te worden geassembleerd zijn, bestaande uit 1) chassis, 2) toren of draaischijf, 3) platform of korven, 4) hefmechanisme voor mobiele toegangsuitrusting (met inbegrip van gieken (telescopische en/of geknikte, met of zonder armen) voor telescoophoogwerkers, kniktelescoophoogwerkers of verticale masten en scharen voor schaarliften), met uitzondering van individuele componenten van de delen die afzonderlijk gepresenteerd worden, en met uitzondering van uitrusting om personen te heffen die is geïnstalleerd op voertuigen van de hoofdstukken 86 en 87 van het geharmoniseerd systeem, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8427 10 10 , ex 8427 20 19 , ex 8428 90 90 , ex 8431 20 00 en ex 8431 39 00 (Taric-codes: 8427 10 10 10, 8427 20 19 10, 8428 90 90 20, 8431 20 00 60 en 8431 39 00 10), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, is als volgt:

Onderneming

Compenserend recht

Aanvullende Taric-code

Hunan Sinoboom Intelligent Equipment Co., Ltd.

7,3  %

89DL

Zoomlion Intelligent Access Machinery Co., Ltd.

11,6  %

89DQ

Zhejiang Dingli Machinery Co., Ltd.

14,2  %

89DO

Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in bijlage I

12,1  %

Zie bijlage I

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek, maar niet in het antisubsidieonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage II

14,2  %

Zie bijlage II

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek geen, maar in het antisubsidieonderzoek wel medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage III

12,1  %

Zie bijlage III

Alle andere ondernemingen

14,2  %

8999

3.   De compenserende rechten zijn niet van toepassing op Oshkosh JLG (Tianjin) Equipment Technology Co., Ltd. (Aanvullende Taric-code 89DM).

4.   De individuele compenserende rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in de gebruikte eenheden) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

5.   Wanneer een aangifte voor het vrije verkeer wordt aangeboden voor het in lid 1 bedoelde product, ongeacht de oorsprong ervan, wordt in het desbetreffende vak van die aangifte het aantal stuks van de ingevoerde producten vermeld, mits deze vermelding verenigbaar is met bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87.

De lidstaten stellen de Commissie maandelijks in kennis van de nettomassa en het aantal stuks dat in het vrije verkeer is gebracht onder de Taric-codes: 8427 10 10 10, 8427 20 19 10, 8428 90 90 20, 8431 20 00 60 en 8431 39 00 10.

6.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

7.   Indien het compenserende recht voor bepaalde producenten-exporteurs in mindering is gebracht op het antidumpingrecht, leiden verzoeken om terugbetaling uit hoofde van artikel 21 van Verordening (EU) 2016/1037 ook tot een beoordeling van de dumpingmarge die gedurende het onderzoektijdvak voor de terugbetaling op de producent-exporteur van toepassing is.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/45 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:

Onderneming

Definitief antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Hunan Sinoboom Intelligent Equipment Co., Ltd.

42,0  %

89DL

Oshkosh JLG (Tianjin) Equipment Technology Co., Ltd.

22,5  %

89DM

Zoomlion Intelligent Access Machinery Co., Ltd.

30,1  %

89DQ

Terex (Changzhou) Machinery Co., Ltd. (Opgenomen in bijlage I)

22,9  %

89DN

Zhejiang Dingli Machinery Co., Ltd.

6,4  %

89DO

Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in bijlage I

30,1  %

Zie bijlage I

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek, maar niet in het antisubsidieonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage II

30,1  %

Zie bijlage II

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek geen, maar in het antisubsidieonderzoek wel medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage III

54,6  %

Zie bijlage III

Alle andere ondernemingen

52,5  %

8999”

2)

Een nieuw artikel 1, lid 6, wordt ingevoegd:

“6.   Bij wijziging of opheffing van de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/796 (*1) van de Commissie ingestelde definitieve compenserende rechten worden de in lid 2 vermelde rechten per onderneming in gelijke mate verhoogd, tot maximaal de geconstateerde werkelijke dumpingmarge of de schademarge, naargelang het geval en vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

(*1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/796 van de Commissie van 24 april 2025 tot instelling van een definitief compenserend recht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/45 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/796, 25.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/796/oj).”."

3)

Een nieuw artikel 1, lid 7, wordt ingevoegd:

“7.   Indien het compenserende recht voor bepaalde producenten-exporteurs in mindering is gebracht op het antidumpingrecht, leiden verzoeken om terugbetaling uit hoofde van artikel 21 van Verordening (EU) 2016/1037 ook tot een beoordeling van de dumpingmarge die gedurende het onderzoektijdvak voor de terugbetaling op die producent-exporteur van toepassing is.”

4)

De bijlage wordt vervangen door de bijlagen I, II en III.

Artikel 3

1.   De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer uit hoofde van artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2725 te beëindigen.

2.   Er zal niet met terugwerkende kracht een definitief compenserend recht worden geheven op geregistreerde invoer.

3.   Gegevens die zijn verzameld overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2725, worden niet langer bewaard.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 april 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1037/oj.

(2)  Bericht van inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van mobiele toegangsuitrusting (MAE) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2024/2362, 27.3.2024; ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/2362/oj).

(3)  De term “Chinese overheid” wordt in deze verordening in ruime zin gebruikt en omvat alle ministeries, departementen, agentschappen en instanties op centraal, regionaal of lokaal niveau.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/45 van de Commissie van 8 januari 2025 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/45, 9.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/45/oj).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2725 van de Commissie van 24 oktober 2024 tot onderwerping van de invoer van mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2024/2725, 25.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2725/oj).

(6)  Zie t24.002997.

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1915 van de Commissie van 11 juli 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op mobiele toegangsuitrusting van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/1915, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1915/oj).

(8)  Grondwet van de VRC, goedgekeurd op 4 december 1982, zoals gewijzigd; te raadplegen via: http://en.moj.gov.cn/2021-06/22/c_634901.htm.

(9)  Zie bijvoorbeeld de artikelen 1 en 206 van het burgerlijk wetboek van de VRC, waarin het volgende is bepaald: “Deze wet is geformuleerd […] met het oog op de bescherming van de wettelijke rechten en belangen van civielrechtelijke personen, [...] ontwikkeling van het socialisme met Chinese kenmerken, en het bevorderen van de belangrijkste socialistische waarden” en “de staat handhaaft en verbetert de fundamentele socialistische economische stelsels, zoals het eigendomssysteem waarbij verschillende vormen van eigendom zich ontwikkelen naast publieke eigendom als belangrijkste pijler, het distributiesysteem waarbij meerdere vormen van distributie naast elkaar bestaan met distributie op basis van arbeid als belangrijkste pijler, en het systeem van de socialistische markteconomie. De staat consolideert en ontwikkelt de publieke sector van de economie en stimuleert en ondersteunt de ontwikkeling van de niet-publieke sector van de economie en stuurt deze aan. De staat zorgt voor een socialistische markteconomie […]”; te raadplegen via: https://www.trans-lex.org/601705/_/civil-code-of-the-peoples-republic-of-china-/. Evenzo bepaalt artikel 1 van de vennootschapswet van de VRC het volgende: “De vennootschapswet van de Volksrepubliek China […] is vastgesteld om de organisatie en de activiteiten van ondernemingen te standaardiseren, de wettelijke rechten en belangen van ondernemingen, aandeelhouders en schuldeisers te beschermen, de sociale en economische orde te waarborgen en de ontwikkeling van de socialistische markteconomie te bevorderen”; te raadplegen via: http://mg.mofcom.gov.cn/article/policy/201910/20191002905610.shtml.

(10)  Zie artikel 1 van de grondwet: “Het socialistische systeem is het fundamentele stelsel van de Volksrepubliek China. De leidende rol van de Communistische Partij van China is de essentiële eigenschap van het socialisme met Chinese kenmerken. Het is elke organisatie of persoon verboden het socialistische systeem schade toe te brengen”.

(11)  Zie het algemene programma van de statuten van de CCP, dat luidt als volgt: “De leidende rol van de Communistische Partij van China is de belangrijkste eigenschap van het socialisme met Chinese kenmerken en vormt de grootste kracht van dit systeem. De partij is de hoogste macht voor politiek leiderschap. De partij oefent in alle delen van het land het algemene leiderschap uit op alle werkterreinen”; te raadplegen via: https://english.news.cn/20221026/d7fff914d44f4100b6e586372d4060a4/c.html (geraadpleegd op 3 juni 2024).

(12)  Zie voor de samenstelling van het Nationale Volkscongres en zijn relatie met de Chinese Communistische Partij bijvoorbeeld: https://npcobserver.com/about-npc/.

(13)  Zie https://www.gov.cn/.

(14)  Zie artikel 12 van de wet op de rechters van de VRC, waarin is bepaald dat rechters “de grondwet van de Volksrepubliek China, de leidende rol van de Communistische Partij van China en het socialistische systeem moeten handhaven”; te raadplegen via: www.npc.gov.cn/englishnpc/c23934/202012/9c82d5dbefbc4ffa98f3dd815af62dfb.shtml#:~:text=Article%201%3A%20This%20Law%20is,in%20accordance%20with%20the%20law.

(15)  Zie artikel 30 van de statuten van de CCP: “Een partijorganisatie op primair niveau wordt opgericht in een onderneming, […], overheidsorgaan, […] en elke andere [organisatie waar mensen werkzaam zijn] op primair niveau waar drie of meer volwaardige partijleden zijn”.

(16)  Werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the Purposes of Trade Defence Investigations” (“Verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken”), 20 december 2017, SWD(2017) 483 final/2 (“het rapport over de VRC van 2017”) — hoofdstuk 4, blz. 41-42, 83. Zie ook het geactualiseerde werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the Purposes of Trade Defence Investigations” (“Verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken”), 10 april 2024, SWD(2024) 91 final (“het rapport over de VRC”) — hoofdstuk 4, blz. 57-59, 99.

(17)  Statuten van de ICBC, hoofdstuk 6, artikelen 52-53; te raadplegen via: http://v.icbc.com.cn/userfiles/Resources/ICBCLTD/download/2017/gszc_en.pdf (laatst geraadpleegd op 29 januari 2025).

(18)  Ibid., artikel 52.

(19)  Ibid., artikel 53, lid 3.

(20)  Ibid., artikel 144.

(21)  Statuten van de ABC; te raadplegen via: https://www.abchina.com/en/investor-relations/corporate-announcements/announcements/201811/W020181126632885896610.pdf (laatst geraadpleegd op 29 januari 2025).

(22)   www.cncma.org/upfile/file/20210713/1626143544661031384.pdf.

(23)  Seetao, “Construction Machinery 14th Five-Year Development Plan Released”, 19 juli 2021, https://www.seetao.com/details/97137.html.

(24)   https://www.gov.cn/xinwen/2019-11/06/5449193/files/26c9d25f713f4ed5b8dc51ae40ef37af.pdf.

(25)  Zie https://www.gov.cn/zhengce/content/2015-05/19/content_9784.htm; er is een Engelse vertaling beschikbaar op: https://cset.georgetown.edu/wp-content/uploads/t0432_made_in_china_2025_EN.pdf.

(26)  ISDP, “Made in China 2025”, juni 2018, https://isdp.eu/publication/made-china-2025/.

(27)  Mededeling van de Staatsraad over de publicatie Made in China 2025 (vertaling), blz. 16 (beschikbaar op: https://cset.georgetown.edu/wp-content/uploads/t0432_made_in_china_2025_EN.pdf).

(28)  Idem, blz. 12.

(29)  Idem, blz. 23.

(30)  Zie https://www.gov.cn/xinwen/2021-03/13/content_5592681.htm. Een Engelse vertaling is beschikbaar op: https://cset.georgetown.edu/wp-content/uploads/t0284_14th_Five_Year_Plan_EN.pdf.

(31)  Zie artikel LXV, afdeling 1, van het plan.

(32)  Zie artikel LXV, afdeling 3, van het plan.

(33)   www.cncma.org/article/10579 (laatst geraadpleegd op 24 februari 2025).

(34)  14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bedrijfstak voor bouwmachines, blz. 16.

(35)  Idem, blz. 139-140.

(36)  Zie het aanhangsel bij het 14e vijfjarenplan voor bouwmachines.

(37)  Idem, blz. 139-140.

(38)   https://zjjcmspublic.oss-cn-hangzhou-zwynet-d01-a.internet.cloud.zj.gov.cn/jcms_files/jcms1/web1585/site/attach/0/157823f5651e42ea85038c86b74becca.pdf.

(39)   https://www.ndrc.gov.cn/fzggw/jgsj/zxs/sjdt/202004/P020200401627898788135.pdf.

(40)  Cluster voor technische bouwkunde van Xuzhou: Consolideren van de “nummer 1-industrie” en oproep voor “Hoofdstad voor technische bouwkunde van de VRC” (https://www.js.gov.cn/art/2022/11/14/art_63909_10663820.html).

(41)   https://hnfzyjy.hnu.edu.cn/info/1109/6191.htm.

(42)   http://cpc.people.com.cn/n1/2024/0529/c64387-40245669.html.

(43)   http://www.yuelu.gov.cn/rdzt/1757360/qsh/plzl/202203/t20220323_10509367.html.

(44)   https://stock.hnchasing.com/main/aboutUs/jtyw/detail/1600404406236819458.html.

(45)  In 2023 is de NFRA in de plaats gekomen van de China Banking and Insurance Regulatory Commission (“CBIRC”).

(46)  Panelverslag, China — slachtkuikenproducten (artikel 21.5 — VS), punten 7.229 tot en met 7.231. WT/DS427.

(47)  Zie http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/1239/oj, overweging 139 in PB L 325 van 5.12.2013, blz. 88 (zonnepanelenzaak) en http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/1690/oj, overweging 48 in PB L 283 van 12.11.2018, blz. 7 (bandenzaak).

(48)  Zoals, maar niet enkel, leenovereenkomsten, leningaanvragen, interne beoordeling van de bank van de leningaanvraag, documenten met betrekking tot de goedkeuring van de lening.

(49)  Wet van de Volksrepubliek China inzake staatsdeelnemingen, Besluit nr. 5 van de president van de Volksrepubliek China van 28 oktober 2008, artikelen 11 en 12.

(50)  Wet van de Volksrepubliek China inzake de regulering van en het toezicht op de banksector, Beschikking nr. 58 van de president van de Volksrepubliek China van 31 oktober 2006.

(51)  Panelverslag, VS — Zwaargesatineerd papier, punt 7.175; verslag van de Beroepsinstantie, VS — Zwaargesatineerd papier, punt 5.81.

(52)  T25.000833 van 15.1.2025.

(53)   www.landchina.com.

(54)  WT/DS379/AB/R (VS — antidumping- en compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 318. Zie ook WT/DS436/AB/R (VS — koolstofstaal (India)), verslag van de Beroepsinstantie van 8 december 2014, punten 4.9, 4.10 en 4.17 tot en met 4.20, en WT/DS437/AB/R (VS — compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 18 december 2014, punt 4.92.

(55)  WT/DS379/AB/R (VS — antidumping- en compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 318. Zie ook WT/DS436/AB/R (VS — koolstofstaal (India)), verslag van de Beroepsinstantie van 8 december 2014, punten 4.9, 4.10 en 4.17 tot en met 4.20, en WT/DS437/AB/R (VS — compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 18 december 2014, punt 4.92.

(56)  WT/DS379/AB/R (VS — antidumping- en compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 297.

(57)  WT/DS379/AB/R (VS — antidumping- en compenserende rechten op bepaalde producten uit China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 349.

(58)  Zie het jaarverslag 2022 van Bank of Beijing (april 2023) https://pdf.valueonline.cn/web/viewer.html?v=20200509&file=https:// oss.valueonline.cn/cloud-irh-bucket/public/formal/0/167278f7-743a-4dca-be0f-bb065e3f8748.pdf.

(59)  Zie China Minsheng Bank, jaarverslag 2022; te raadplegen via: https://ir.cmbc.com.cn/media/mc3d2wm2/.

%E4%B8%AD%E5%9B%BD%E6%B0%91%E7%94%9F%E9%93%B6%E8%A1%8C2022%E5%B9%B4%E5%B9%B4%E5% BA%A6%E6%8A%A5%E5%91%8A.pdf, blz. 94.

(60)  Zie Ping An Bank, homepage — Investor Relations — Belangrijkste aandeelhouders; te raadplegen via: https://group.pingan.com/investor_relations/major_shareholders.html.

(61)   Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1690 van de Commissie van 9 november 2018 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, punten 210 en 211 (PB L 283 van 12.11.2018, blz. 1, overwegingen 210 en 211).

(62)  Geactualiseerd werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the Purposes of Trade Defence Investigations” (“Verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken”), 10 april 2024, SWD(2024) 91 final (“het rapport over de VRC”) — hoofdstuk 6.3, Bankensector, blz. 137-144.

(63)   Zie ook Chorzempa, M. en Véron, N., “Will China’s impending overhaul of its financial regulatory system make a difference?” (“Zal de op handen zijnde herziening van de financiële regelgeving in China een verschil maken?”), PIIE, maart 2023, blz. 2; te raadplegen via: https://www.piie.com/sites/default/files/2023-03/pb23-1.pdf .

(64)   Ibid., voetnoot 56.

(65)  Besluit van de Staatsraad van de Volksrepubliek China (nr. 283).

(66)   Zie bijvoorbeeld: https://www.statista.com/statistics/434566/leading-banks-in-china-assets/ .

(67)   Zie het jaarverslag 2021 van ICBC; te raadplegen via file.finance.sina.com.cn/211.154.219.97:9494/MRGG/CNSESH_STOCK/2022/2022-3/2022-03-31/7943541.PDF.

(68)  Zie het jaarverslag 2021 van ABC; te raadplegen via: https://www.abchina.com/en/investor-relations/performance-reports/annual- reports/202204/P020220427580795705015.pdf.

(69)  Zie het jaarverslag 2022 van China Minsheng Bank; te raadplegen via: https://ir.cmbc.com.cn/media/mc3d2wm2/%E4%B8%AD%E5%9B%BD%E6%B0%91%E7%94%9F%E9%93%B6%E8%A1%8C2022%E5%B9%B4%E5%B9%B4%E5%BA%A6%E6%8A%A5%E5%91%8A.pdf, blz. 94.

(70)  Zie het halfjaarverslag 2021 van China Everbright Bank; te raadplegen via: https://vip.stock.finance.sina.com.cn/corp/view/vCB_AllBulletinDetail.php?stockid=601818&id=7512500.

(71)   https://www.reuters.com/article/us-china-banks-party-idUSKBN1JN0XN.

(72)  Volgens de uitvoeringsmaatregelen van de CBIRC inzake administratieve vergunningen voor handelsbanken met Chinees kapitaal (Verordening van de CBIRC [2017] nr. 1), de uitvoeringsmaatregelen van de CBIRC inzake administratieve vergunningen voor banken met buitenlands kapitaal (Verordening van de CBIRC [2015] nr. 4) en de administratieve maatregelen inzake de beroepsbekwaamheid van leden van de directie en het hoger management van financiële instellingen in de bankensector (CBIRC [2013] nr. 3). Toen de NFRA in de plaats kwam van de CBIRC, zijn de uitvoeringsmaatregelen niet gewijzigd.

(73)  Artikel 13 van de kennisgeving over de toezichtvoorschriften inzake het gedrag van grote aandeelhouders van bank- en verzekeringsinstellingen (CBIRC, [2021] nr. 43).

(74)  Zie de mededeling van de CBIRC over de methode voor de beoordeling van de prestaties van handelsbanken, gepubliceerd op 15 december 2020: http://jrs.mof.gov.cn/gongzuotongzhi/202101/t20210104_3638904.htm.

(75)  Zie bijvoorbeeld de WPP-zaak, de bandenzaak en de zaak elektrische fietsen.

(76)   Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2017/969 van de Commissie van 8 juni 2017 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/649 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 146 van 9.6.2017, blz. 17) (“WPP-zaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1690 van de Commissie van 9 november 2018 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1579 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/163 (PB L 283 van 12.11.2018, blz. 1) (“bandenzaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2287 van de Commissie tot instelling van definitieve compenserende rechten op aluminium converter foil van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 458 van 22.12.2021, blz. 344) (“ACF-zaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 33) (“SGV-zaak”), Uitvoeringsverordening (EU) 2022/72 van de Commissie tot instelling van definitieve compenserende rechten op optischevezelkabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 12 van 19.1.2022, blz. 34) (“OFC-zaak”), en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1866 van de Commissie van 3 juli 2024 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op nieuwe batterijvoertuigen, ontworpen voor het vervoer van personen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L, 4.7.2024 (“batterijvoertuigenzaak”).

(77)   http://www.pbc.gov.cn/zhengcehuobisi/125207/125213/125440/3876551/de24575c/index2.html.

(78)   Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2017/969 van de Commissie van 8 juni 2017 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/649 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 146 van 9.6.2017, blz. 17) (“WPP-zaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1690 van de Commissie van 9 november 2018 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1579 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/163 (PB L 283 van 12.11.2018, blz. 1) (“bandenzaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2287 van de Commissie tot instelling van definitieve compenserende rechten op aluminium converter foil van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 458 van 22.12.2021, blz. 344) (“ACF-zaak”); Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 33) (“SGV-zaak”), Uitvoeringsverordening (EU) 2022/72 van de Commissie tot instelling van definitieve compenserende rechten op optischevezelkabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 12 van 19.1.2022, blz. 34) (“OFC-zaak”), en Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1866 van de Commissie van 3 juli 2024 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op nieuwe batterijvoertuigen, ontworpen voor het vervoer van personen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L, 4.7.2024 (“batterijvoertuigenzaak”).

(79)  WT/DS/296 (DS296 United States — Countervailing duty investigation on Dynamic Random Access Memory (DRAMS) from Korea), verslag van de Beroepsinstantie van 21 februari 2005, punt 116.

(80)  Verslag van de Beroepsinstantie, DS 296, punt 116.

(81)  Verslag van de Beroepsinstantie, DS 296, punt 115.

(82)  Verslag van de Beroepsinstantie, DS 296, punt 114, in overeenstemming met het panelverslag ter zake (DS 194, punt 8.31).

(83)  Verslag van de Beroepsinstantie, DS 296, punt 115.

(84)  Zie de zaken aangehaald in voetnoot 80.

(85)  IMF Working Paper “Resolving China’s Corporate Debt Problem” (“China’s schuldenprobleem oplossen”), door Wojciech Maliszewski, Serkan Arslanalp, John Caparusso, José Garrido, Si Guo, Joong Shik Kang, W. Raphael Lam, T. Daniel Law, Wei Liao, Nadia Rendak, Philippe Wingender, Jiangyan, oktober 2016, WP/16/203.

(86)  Livingston, M., Poon, W.P.H. en Zhou, L. (2017), “Are Chinese Credit Ratings Relevant? A Study of the Chinese Bond Market and Credit Rating Industry” (Zijn Chinese kredietratings relevant? Een onderzoek naar de Chinese obligatiemarkt en kredietratingsector), in: Journal of Banking & Finance, blz. 24.

(87)   “China bond market insight 2021”, https://assets.bbhub.io/professional/sites/10/China-bond-market-booklet.pdf.

(88)   “China bond market insight 2021”, voetnoot 59, blz. 31.

(89)  Price, A.H., Brightbill T.C., DeFrancesco R.E., Claeys, S.J., Teslik, A. en Neelakantan, U. (2017), “China’s broken promises: why it is not a market-economy” (China’s gebroken beloften: waarom het geen markteconomie is), Wiley Rein LLP, blz. 68.

(90)   PB L 458 van 22.12.2021, overwegingen 210 tot en met 214 (“ACF-zaak”), PB L 146 van 9.6.2017, overwegingen 159-161, (“WPP-zaak”), PB L 283 van 12.11.2018, overwegingen 239-241 (“bandenzaak”), PB L 189 van 15.6.2020, overwegingen 279-284 (“SGV-zaak”), PB L 12 van 19.1.2022, overwegingen 274-279 (“OFC-zaak”) en PB L, 2024/208, 4.7.2024, overwegingen 474-478 (“batterijvoertuigenzaak”).

(91)  Zie voetnoot 71 in Uitvoeringsverordening (EU) 2022/72 van de Commissie van 18 januari 2022 tot instelling van definitieve compenserende rechten op optischevezelkabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op optischevezelkabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

(92)  Te raadplegen via https://ch.allianzgi.com/-/media/allianzgi/globalagi/china-microsite/9-things-to-know/9-things-to-know-about-chinas- bond-markets.pdf.

(93)  Zie OECD Economic Surveys: China, maart 2022, blz. 34-35; te raadplegen via: https://www.oecd-ilibrary.org/docserver/b0e499cf-en.pdf.

(94)  Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the Purposes of Trade Defence Investigations” (“Verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China met het oog op handelsbeschermingsonderzoeken”), 10 april 2024, SWD(2024) 91 final (“het rapport over de VRC”) — hoofdstuk 6, blz. 156-160.

(95)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2754 van de Commissie van 29 oktober 2024 tot instelling van een definitief compenserend recht op nieuwe batterijelektrische voertuigen, ontworpen voor het vervoer van personen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/2754, 29.10.2024, overweging 218).

(96)   PB L 458 van 22.12.2021, blz. 344, overweging 237 (“ACF-zaak”); PB L 146 van 9.6.2017, blz. 17, overwegingen 152 tot en met 244 (“WPP-zaak”); PB L 283 van 12.11.2018, blz. 1, overweging 236 (“bandenzaak”); PB L 189 van 15.6.2020, blz. 33, overweging 300 (“SGV-zaak”); PB L 12 van 19.1.2022, blz. 75, overweging 294 (“OFC-zaak”), en PB L, 2024/208, 4.7.2024, blz. 81, overweging 490 (“batterijvoertuigenzaak”).

(97)  Zie overweging 453.

(98)  In geval van leningen met een vaste rente. Voor leningen met variabele rente werd de benchmarkrentevoet van de PBOC tijdens het onderzoektijdvak genomen.

(99)  WPP-zaak, overweging 175.

(100)   https://www.icbc.com.cn/en/column/1438058389078163465.html.

(101)   https://www.vorys.com/publication-365-360-Interest-Calculation-Latest-Developments-in-Ohio-Case-Law-Provide-Guidance-in-Interest-Calculation-Methods#:~:text=Banks%20most%20commonly%20use%20the,on%20a%2030%2Dday%20month.&text=To%20calculate%20the%20interest%20payment,365%2C%20then%20divide%20by%20360.

(102)   https://www.bde.es/f/webbde/SES/Secciones/Publicaciones/PublicacionesSeriadas/DocumentosTrabajo/08/Fic/dt0821e.pdf.

(103)   https://www.bankofcanada.ca/wp-content/uploads/2018/06/SDP-2018-6.pdf.

(104)  Zie overweging 346 van de SGV-zaak en overweging 530 van de batterijvoertuigenzaak (voorlopige verordening).

(105)  Zie bijvoorbeeld https://en.wikipedia.org/wiki/Line_of_credit, https://users.ssc.wisc.edu/~jchoi266/Choi_Jason_JMP.pdf, https://pages.stern.nyu.edu/~sternfin/vacharya/public_html/pdfs/working-papers/ARFE_ContingentCredit_AJS.pdfARFE_ContingentCredit_AJS.pdf (nyu.edu), https://www.business.hsbc.uk/-/media/library/business-uk/pdfs/156-business-banking-price-list.pdf.

(106)   https://pic.bankofchina.com/bocappd/report/202403/P020240328682010029214.pdf, blz. 266.

(107)  Zie bijvoorbeeld Bank of China: Credit Line https://www.bankofchina.com/en/cbservice/cb2/cb22/200806/t20080630_1324055.html (bankofchina.com).

(108)   https://www.metrobankonline.co.uk/business/borrowing/products/business-overdrafts/, geraadpleegd op 24 februari 2025.

(109)   https://corporatefinanceinstitute.com/resources/commercial-lending/commitment-fee/; https://content.next.westlaw.com/Glossary/PracticalLaw/I03f4dae6eee311e28578f7ccc38dcbee?transitionType= Default&contextData=(sc.Default), https://en.wikipedia.org/wiki/Line_of_credit.

(110)  Zie de website van de People’s Bank of China: https://www.boc.cn/en/cbservice/cncb6/cb61/200811/t20081112_1324239.html.

(111)  Ibid.

(112)  Zie de website van DBS Bank: https://www.dbs.com.cn/corporate/financing/working-capital/bank-acceptance-draft-bad-issuance.

(113)   https://english.www.gov.cn/services/doingbusiness/202102/24/content_WS6035f46ec6d0719374af97ba.html.

(114)  Zie de SGV-zaak, overwegingen 359 tot en met 370, de ACF-zaak, overwegingen 334 tot en met 356, en de OFC-zaak, overwegingen 358 tot en met 370.

(115)  Zie de SGV-zaak, overweging 381.

(116)  Zie bijvoorbeeld het geval van Canada: https://www.bankofcanada.ca/wp-content/uploads/2018/06/SDP-2018-6.pdf.

(117)  In overeenstemming met het tarief dat is vastgesteld in de Administratieve maatregelen voor betaling en afwikkeling 393/1997, uitgegeven door de PBOC.

(118)  Zie de SGV-zaak, overweging 385, de ACF-zaak, overweging 353, en de OFC-zaak, overweging 373.

(119)  Zie de SGV-zaak, overweging 399, en de ACF-zaak, overweging 356.

(120)   https://www.newyorkfed.org/medialibrary/media/research/quarterly_review/1981v6/v6n2article6.pdf.

(121)  Laatst gewijzigd op 28 december 2019 bij Presidentieel besluit nr. 37, van kracht vanaf 1 maart 2020.

(122)  Zie de OFC-zaak, overwegingen 400 en 401.

(123)   https://assets.bbhub.io/professional/sites/10/China-bond-market-booklet-2022.pdf, blz. 15.

(124)  Idem, blz. 33.

(125)  OESO-rapport “Chinese export credit policies and programmes”, blz. 7, punt 32, beschikbaar op https://www.oecd.org/.officialdocuments/publicdisplaydocumentpdf/?cote=TAD/ECG(2015)3&doclanguage=en, laatst geraadpleegd op 18 augustus 2021.

(126)  Zie website van Sinosure, Company profile, Supporting “Made in China, https://www.sinosure.com.cn/en/Resbonsiblity/smic/index. shtml, laatst geraadpleegd op 17 augustus 2021.

(127)  Zie voetnoot 30.14 FYP Construction Machinery EN, blz. 179, punten 4 en 5.

(128)   https://zjjcmspublic.oss-cn-hangzhou-zwynet-d01 a.internet.cloud.zj.gov.cn/jcms_files/jcms1/web1585/site/attach/0/157823f5651e42ea85038c86b74becca.pdf, afdeling IV.1 Belangrijkste taken.

(129)  Zie de in voetnoot 5 aangehaalde bandenzaak, overweging 429.

(130)   https://www.sinosure.com.cn/en/Sinosure/Profile/index.shtml, laatst geraadpleegd op 18 augustus 2021.

(131)  Exportcatalogus van hoogtechnologische producten uit China, bv. nr. 775, 780, 781, 1035, 1098, 1100, 1104, 1107 en 1109.

(132)   http://www.mMAEom.gov.cn/aarticle/b/g/200411/20041100300040.html, laatst geraadpleegd op 12 augustus 2021.

(133)  Jaarverslag 2022 van Sinosure, blz. 10, www.sinosure.com.cn/images/xwzx/ndbd/2022/07/01/614A436D74F31027D0FF4290DBC964F8.pdf.

(134)  Jaarverslag 2023 van Sinosure, blz. 19, www.sinosure.com.cn/images/xwzx/ndbd/2024/07/09/961D4764432B71CF10660C000F29D9F9.pdf.

(135)  Jaarverslag 2023 van Sinosure, blz. 3, www.sinosure.com.cn/images/xwzx/ndbd/2024/07/09/961D4764432B71CF10660C000F29D9F9.pdf.

(136)  98/C 394/04 (PB C 394 van 17.12.1998, blz. 6).

(137)  G/SCM/W/Rev.2*.

(138)  Panelverslag Softwood Lumber IV, punten 7.23-7.24.

(139)  Panelverslag WTO, Verenigde Staten - Preliminary Determinations With Respect To Certain Softwood Lumber From Canada, WT/DS236/R, punten 5.4 e.v. (vastgesteld op 1 november 2002).

(140)  Zie de wet op het grondbeheer van de VRC van 25 juni 1986, als gewijzigd, beschikbaar op: https://www.fao.org/faolex/results/details/en/c/LEX-FAOC003560.

(141)  Zie de Verordening tot uitvoering van de wet op het grondbeheer van de VRC van 27 december 1998, zoals gewijzigd, beschikbaar op: https://www.fao.org/faolex/results/details/en/c/LEX-FAOC170451.

(142)  Zie https://law.pkulaw.com/chinalaw/d8db5e659bc282b9bdfb.html.

(143)  Zie https://law.pkulaw.com/chinalaw/66cde758ad66f43bbdfb.html.

(144)  Zie https://law.pkulaw.com/chinalaw/6ef282863f024c04bdfb.html.

(145)  Zie https://law.pkulaw.com/chinalaw/58891db210496a5fbdfb.html?keyword=%E5%9B%BD%E6%9C%89%E5%BB%BA%E8%AE%BE%E7%94%A8%E5%9C%B0%E4%BD%BF%E7%94%A8%E6%9D%83.

(146)  Zie https://www.gov.cn/zwgk/2006-09/05/content_378186.htm.

(147)  Zie WPP-zaak, overwegingen 295 tot en met 299; bandenzaak, overwegingen 488 tot en met 490; SGV-zaak, overwegingen 500 tot en met 502; OFC-zaak, overwegingen 541 tot en met 543, en ACF-zaak, overwegingen 540 tot en met 548, en batterijvoertuigenzaak, overwegingen 681 tot en met 683.

(148)  Zie bandenzaak, SGV-zaak, OFC-zaak en ACF-zaak.

(149)  Bevestigd door het Gerecht in het arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huacheng Paper/Raad, T-444/11 (ECLI:EU:T:2014:773).

(150)  Zie de SGV-zaak, de OBS-zaak, de zonnepanelenzaak, de OFC-zaak en de BEV-zaak.

(151)   https://lvr.land.moi.gov.tw.

(152)  Uitvoeringsverordeningen van de wet op de vennootschapsbelasting van de Volksrepubliek China (herzien in 2019) — Verordening van de Staatsraad van de Volksrepubliek China nr. 714.

(153)   http://kj.quanzhou.gov.cn/wsbs/xgxz/201703/t20170322_431820.htm.

(154)  Er wordt meegewogen dat de meewerkende producenten-exporteurs bijna 100 % van de invoer uit de VRC naar de Unie vertegenwoordigen.

(155)  De invoerstatistieken in Comext zijn uitgedrukt in ton. De Commissie heeft de tonnen omgezet naar eenheden op basis van een omrekeningswaarde die werd vastgesteld op basis van de gegevens van de meewerkende producenten-exporteurs.

(156)  De invoerstatistieken in Comext zijn uitgedrukt in ton. De Commissie heeft de tonnen omgezet naar eenheden op basis van een omrekeningswaarde die werd vastgesteld op basis van de gegevens van de meewerkende producenten-exporteurs.

(157)  Zoals toegelicht in punt 4.1 werd de invoer van JLG Group in de Unie niet geacht te zijn gesubsidieerd, en deze werd derhalve behandeld als “andere invoer”.

(158)  De gegevens over de omvang van de invoer worden in orden van grootte weergegeven zodat geen gevoelige informatie over de invoerprijzen van JLG openbaar wordt gemaakt.

(159)  Zoals toegelicht in punt 4.1 werd de invoer van JLG Group naar de Unie niet geacht te zijn gesubsidieerd, en deze werd derhalve behandeld als “andere invoer”.

(160)  De Commissie gebruikte een omrekeningsfactor van 4 888 kg per eenheid.

(161)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj).

(162)  Zie WT/DS379/AB/R, punten 541-542, 543, 599 en 602. Zie ook Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 1, overweging 1135 e.v., ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/776/oj).

(163)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1987/2658/oj).

(164)  Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).


BIJLAGE I

Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de Volksrepubliek China (VRC):

Land

Naam

Aanvullende Taric-code

VRC

Lingong Heavy Machinery Co., Ltd.

89DP

VRC

Terex (Changzhou) Machinery Co., Ltd.

89DN

VRC

XCMG Fire Fighting Safety Equipment Co., Ltd.

89DR

VRC

Haulotte Access Equipment Manufacturing (Changzhou) Co., Ltd.

89DT

VRC

Fronteq (Changzhou) Machinery Co., Ltd.

89DU

VRC

Jiangsu Liugong Machinery Co., Ltd.

89DV

VRC

Hangcha Group Co., Ltd.

89DW

VRC

Shandong Chufeng Heavy Industry Machinery Co., Ltd.

89DX

VRC

Mantall Heavy Industry Co., Ltd

89DZ

VRC

Jinan Juxin Machinery Co., Ltd

89EB

VRC

Shandong Yuntian Intelligent Machinery Equipment Co., Ltd.

89EC


BIJLAGE II

Producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China (VRC) die hebben meegewerkt aan het antidumpingonderzoek, maar niet aan het antisubsidieonderzoek:

Land

Naam

Aanvullende Taric-code

VRC

Reeslift Ltd.

89DY

VRC

Shandong Qiyun Group Co., Ltd.

89EA

VRC

Sunward Intelligent Equipment Co., Ltd.

89DS


BIJLAGE III

Producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China (VRC) die hebben meegewerkt aan het antisubsidieonderzoek, maar niet aan het antidumpingonderzoek:

Land

Naam

Aanvullende Taric-code

VRC

Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd

89MH


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/796/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)