European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/791

8.8.2025

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2025/791 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2025

tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van toezichtcolleges en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 51, lid 4, tweede alinea, en artikel 116, lid 4, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2013/36/EU legt regels vast voor toezichtbevoegdheden en -instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten. Colleges van toezichthouders zijn de instrumenten om toezichtwerkzaamheden te coördineren. Krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU moeten de consoliderende toezichthouders colleges van toezichthouders oprichten om de uitoefening van bepaalde toezichthoudende taken te vergemakkelijken, en moeten zij zorgen voor passende coördinatie en samenwerking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van derde landen. Daarnaast moeten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, colleges van toezichthouders oprichten en voorzitten wanneer artikel 116 van die richtlijn niet van toepassing is.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/98 van de Commissie (2) stelt algemene voorwaarden vast voor het functioneren van de colleges van toezichthouders die overeenkomstig artikel 51, lid 3, en artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU moeten worden opgericht. Nieuwe bepalingen zijn opgenomen in Richtlijn 2013/36/EU wat betreft de vergunningverlening aan bepaalde financiële holdings en gemengde financiële holdings, de oprichting van intermediaire EU-moederondernemingen, en colleges voor in de Unie geleide groepen waarvan de dochterondernemingen in derde landen zijn gevestigd. Daarnaast zijn beleggingsondernemingen geschrapt uit het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/36/EU aangezien de definitie van de term “instelling” niet langer beleggingsondernemingen omvat, terwijl sommige bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU wel nog op beleggingsondernemingen van toepassing zijn. Om rekening te houden met die meervoudige wijzigingen en ter wille van de rechtszekerheid, is het noodzakelijk Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 in te trekken en te vervangen.

(3)

De kartering van een groep — die de groepsentiteiten in de Unie of in een derde land moet identificeren en voor elke groepsentiteit een beschrijving moet geven van het karakter en de locatie ervan, de autoriteiten die bij het toezicht erop betrokken zijn, de toepasselijke prudentiële vrijstellingen, het belang van die entiteit voor de groep en voor het land waar zij een vergunning heeft verkregen of gevestigd is, alsmede de criteria op grond waarvan dit belang wordt bepaald — geldt als een cruciaal element voor het identificeren van de leden en potentiële waarnemers van het college van toezichthouders. In dat verband is informatie over het belang van een bijkantoor voor de groep en het belang voor de lidstaat waar dit is gevestigd, van essentieel belang om te kunnen uitmaken of de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat aan werkzaamheden van het college moeten deelnemen. Ook informatie over de aard van de groepsentiteiten (of het om instellingen, bijkantoren of andere entiteiten uit de financiële sector gaat) en over het land waar zij een vergunning hebben verkregen of zijn gevestigd (of het om een lidstaat of een derde land gaat), is van belang voor het identificeren van de leden van het college van toezichthouders en potentiële waarnemers. Om dat belang te bepalen, moet een aantal criteria worden geformuleerd.

(4)

Overeenkomstig artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU mogen bevoegde autoriteiten instellingen toestaan om twee intermediaire EU-moederondernemingen te hebben, hetgeen de oprichting van twee colleges van toezichthouders met zich brengt. Wanneer twee colleges van toezichthouders zijn opgericht, moet nauwe samenwerking tussen deze beide colleges worden verzekerd. Daartoe moet de consoliderende toezichthouder of de groepstoezichthouder van het ene college als waarnemer deelnemen aan het andere college.

(5)

Overeenkomstig artikel 116, lid 1 bis, van Richtlijn 2013/36/EU moet de consoliderende toezichthouder ook colleges van toezichthouders oprichten wanneer alle grensoverschrijdende dochterondernemingen van een EU-moederinstelling of een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding hun hoofdkantoor in derde landen hebben. Voor colleges van toezichthouders die op grond van dat artikel zijn opgericht, moet worden geborgd dat de consoliderende toezichthouder alle autoriteiten uit derde landen waar er dochterondernemingen van de groep bestaan, uitnodigt om waarnemer in het betrokken college van toezichthouders te worden, omdat zulks van cruciaal zal zijn om hun belang te bepalen en om een prudente risicobeheersing op het niveau van de EU-moederonderneming mogelijk te maken. In alle overige op grond van artikel 116, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU opgerichte colleges van toezichthouders, moeten evenwel alleen autoriteiten uit derde landen waar er sprake is van een significante aanwezigheid van de groep, worden uitgenodigd om waarnemer in het college van toezichthouders te worden. Om te garanderen dat in alle gevallen wordt voldaan aan de in het Unierecht vastgestelde vereisten inzake het beroepsgeheim, moet het autoriteiten uit derde landen alleen worden toegestaan om waarnemer in colleges van toezichthouders te worden indien zij gebonden zijn aan vertrouwelijkheidseisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie gelden.

(6)

Om de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de met het prudentiële toezicht belaste bevoegde autoriteiten en andere bij het toezicht op een groep betrokken autoriteiten te versterken, en om te verzekeren dat informatie voor de uitoefening van hun respectieve taken wordt gedeeld, moet de consoliderende toezichthouder aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, de leidende toezichthouder van het college dat is opgericht voor het faciliteren van samenwerking tussen AML/CFT-autoriteiten (“het AML/CFT-college”), de toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar belangrijke instellingen of bijkantoren zijn gevestigd, de toezichthoudende autoriteit van een lidstaat waar een tweede intermediaire EU-moederonderneming is gevestigd, en de coördinator van het financiële conglomeraat, wanneer die autoriteiten door de consoliderende toezichthouder zijn geïdentificeerd, het verzoek richten om waarnemer te worden in het college van toezichthouders. De status van waarnemer moet het voor de consoliderende toezichthouder mogelijk maken die autoriteiten uit te nodigen op vergaderingen, wanneer hun aanwezigheid relevant is gelet op de agenda van die vergaderingen.

(7)

Krachtens artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) moet de Europese Bankautoriteit (“de EBA”) het functioneren van colleges van toezichthouders monitoren en de consistentie en coherentie bij de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4), Richtlijn 2013/36/EU, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie (5) bevorderen. De uitkomsten van die monitoring hebben laten zien dat bepaalde aspecten van de operationele regelingen van colleges van toezichthouders — zoals de regelmatige uitwisseling van vroegtijdige waarschuwingsindicatoren of de samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten of de autoriteiten belast met de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering (“AML/CFT-autoriteiten”) — verder moeten worden versterkt. Daarom is het noodzakelijk de rol van colleges van toezichthouders te versterken als een instrument voor de uitwisseling van informatie tussen de leden ervan en voor de samenwerking en coördinatie met waarnemers, met inbegrip van andere sectorale colleges.

(8)

Om de efficiëntie van colleges van toezichthouders te versterken, moeten de in artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen alle werkterreinen van het college bestrijken. De schriftelijk vastgelegde regelingen moeten ook betrekking hebben op regelingen tussen sommige collegeleden die zich met specifieke werkzaamheden van het college bezighouden, zoals de werkzaamheden die via specifieke substructuren van het college worden verricht. De schriftelijk vastgelegde regelingen dienen ook operationele aspecten van de werkzaamheden van het college te omvatten, aangezien die aspecten van essentieel belang zijn voor het functioneren van het college van toezichthouders, zowel in going-concernsituaties als in noodsituaties. Daar het van essentieel belang is om de samenwerking binnen het college te verzekeren voorafgaand aan en ten behoeve van de verschaffing van input over kwesties betreffende groepsafwikkeling, moeten in de schriftelijk vastgelegde regelingen de processen voor het coördineren van de relevante input worden bepaald, alsmede de verantwoordelijkheden en de rol van de consoliderende toezichthouder bij het communiceren van die input aan het afwikkelingscollege via de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 44, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (6). De schriftelijk vastgelegde regelingen moeten omvattend, coherent en uitputtend zijn en moeten de bevoegde autoriteiten tevens een adequaat en passend uitgangspunt verschaffen voor het vervullen van hun betrokken verplichtingen en taken binnen — veeleer dan buiten — het college van toezichthouders.

(9)

Leden van het college van toezichthouders moeten overleggen en afspraken maken over de reikwijdte en mate van betrokkenheid van (eventuele) waarnemers bij het college van toezichthouders. Om de samenwerking en de uitwisseling van informatie met de waarnemers, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de leidende AML/CFT-toezichthouder, moeten de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen het raamwerk vastleggen voor de samenwerking met elk van die waarnemers en de met hen uit te wisselen informatie. De schriftelijk vastgelegde regelingen moeten ook overeenkomsten bestrijken tussen leden van het college van toezichthouders die zich met specifieke werkzaamheden van het college bezighouden, zoals de werkzaamheden die via specifieke substructuren van het college van toezichthouders worden verricht.

(10)

Om alle werkzaamheden van het college te kunnen uitvoeren, moeten de consoliderende toezichthouder en de overige leden van het college beschikken over een overzicht van de werkzaamheden die door alle groepsentiteiten worden verricht, ook die welke worden verricht door de entiteiten die financiële activiteiten uitoefenen zonder te kwalificeren als instellingen; en door de entiteiten die buiten de Unie actief zijn. De interactie tussen de consoliderende toezichthouder, de leden van het college, de toezichthoudende autoriteiten en overheidsinstanties of -organen van derde landen die met het toezicht op een groepsentiteit belast zijn of daarbij betrokken zijn — waaronder de autoriteiten die belast zijn met het prudentiële toezicht op de groepsentiteiten uit de financiële sector of de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het tegengaan van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of de bescherming van consumenten —, moet worden bevorderd door deze toezichthoudende autoriteiten en overheidsinstanties of -organen van derde landen, in voorkomend geval, in de gelegenheid te stellen als waarnemers aan de werkzaamheden van het college deel te nemen.

(11)

Om de identificatie te vergemakkelijken van vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden voor de groep en entiteiten daarvan, met inbegrip van gebeurtenissen met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten en het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen, of voor het systeem waarbinnen de groep en zijn entiteiten opereren, en in geval van noodsituaties, moet de uitwisseling van informatie binnen colleges van toezichthouders worden versterkt.

(12)

Leden van het college van toezichthouders die aan de uitvoering van de in artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken deelnemen, moeten het college van toezichthouders gebruiken als het voornaamste platform om informatie uit te wisselen over de beoordeling van de belangrijkste elementen van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) als bedoeld in artikel 97 van die richtlijn, wanneer het een grensoverschrijdende groep betreft, waarbij tegelijkertijd wordt erkend dat in de diverse lidstaten op verschillende wijze uitvoering kan worden gegeven aan dit proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder afhankelijk van de manier waarop deze Unievoorschriften in nationale wetgeving zijn omgezet, mede rekening houdende met de door de EBA krachtens artikel 107, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU uitgevaardigde richtsnoeren.

(13)

Om de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten te faciliteren en beslissingen te coördineren voor de aanpak van kwesties in verband met de inachtneming door een instelling van de voorwaarden betreffende benaderingen waarvoor bevoegde autoriteiten eerst toestemming moeten geven voordat deze voor de berekening van eigenvermogensvereisten mogen worden gebruikt (hanteren van interne modellen voor kredietrisico, marktrisico, tegenpartijrisico en operationeel risico), moeten de voorwaarden voor samenwerking tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten bij de uitwisseling van informatie over de resultaten van deze interne benaderingen en de voorwaarden voor het overleggen en het bereiken van overeenstemming over maatregelen voor de aanpak van vastgestelde inefficiënties, nader worden bepaald.

(14)

Om de samenwerking binnen het college van toezichthouders te bevorderen en om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het groepstoezicht te vergroten, moeten de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders overleggen en, op vrijwillige basis, overeenstemming bereiken over het toevertrouwen van taken en het delegeren van verantwoordelijkheden, voor zover relevant.

(15)

Elk college van toezichthouders moet beslissen over de informatie die moet worden uitgewisseld en periodiek bijgewerkt, en moet die informatie opsommen in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen. Om de capaciteit van het college van toezichthouders te versterken om toenemende risico’s en kwetsbaarheden in beeld te brengen, moeten leden van het college van toezichthouders en, in voorkomend geval, waarnemers regelmatig kwantitatieve en kwalitatieve informatie uitwisselen. Voorts moeten de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen de procedure vaststellen voor het coördineren van de desbetreffende input en de verantwoordelijkheden en de rol van de consoliderende toezichthouder bij het communiceren van die input aan waarnemers. Om te verzekeren dat de uitwisseling van informatie wordt geactiveerd tussen de consoliderende toezichthouders en de leden van het college van toezichthouders wanneer de groep of zijn entiteiten worden geraakt door een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen, moeten de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders de belangrijkste kenmerken van dit soort gebeurtenis specificeren in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de groep, en moeten zij overeenstemming bereiken over de informatie die moet worden uitgewisseld wanneer dit soort gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen zich voordoet.

(16)

Om het verzamelen en delen van de desbetreffende informatie binnen het college van toezichthouders te vergemakkelijken, moeten leden van het college van toezichthouders alle informatie uitwisselen die nodig is om de uitoefening van de in de artikelen 112 en 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken te faciliteren. Voor datzelfde doel moet de consoliderende toezichthouder met de leden van het college van toezichthouders de informatie delen die hij heeft ontvangen van het overeenkomstig artikel 119, lid 1, van Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte college, wanneer die informatie relevant is voor het uitoefenen van de in artikel 112 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken, en met name voor de planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden, en voor de in artikel 113 van die richtlijn bedoelde taken, en met name voor het uitvoeren van de risicobeoordeling van de groep en het bereiken van gezamenlijke besluiten.

(17)

Leden van het college van toezichthouders moeten hun werkzaamheden ter voorbereiding op en tijdens noodsituaties coördineren, zoals ongunstige ontwikkelingen die het ordelijke functioneren en de integriteit van de financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie of een deel daarvan ernstig kunnen ondermijnen, dan wel andere situaties die de financiële en economische positie van een bankgroep of een van zijn dochterondernemingen aantasten of uitdrukkelijk kunnen aantasten. De planning en coördinatie van de werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten ter voorbereiding op en tijdens noodsituaties moeten derhalve onder meer, maar niet uitsluitend de werkzaamheden omvatten die in de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU zijn beschreven, en met name werkzaamheden die dienen om het opstellen van de groepsherstelplannen te coördineren en gecoördineerde input aan afwikkelingsautoriteiten te verschaffen, waar nodig, ter voorbereiding op en in noodsituaties.

(18)

Wanneer leden van het college van toezichthouders het hoofd moeten bieden aan een noodsituatie, moeten zij, onder de coördinatie van de consoliderende toezichthouder, een gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de situatie uitwerken, overeenstemming bereiken over een gecoördineerde toezichtrespons, en de implementatie van hun respons monitoren om erop toe te zien dat de noodsituatie correct wordt beoordeeld en aangepakt. Leden van het college van toezichthouders moeten eveneens erop toezien dat alle externe communicatie op een gecoördineerde wijze plaatsvindt en betrekking heeft op elementen die de leden van het college van tevoren zijn overeengekomen.

(19)

Gezien de diverse wijzigingen die hebben plaatsgevonden, moet Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 ter wille van de duidelijkheid worden ingetrokken en vervangen. Daarom moeten verwijzingen naar Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

(20)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de EBA bij de Commissie heeft ingediend.

(21)

De EBA heeft open publieke consultaties georganiseerd over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

“AML/CFT-autoriteit”: een autoriteit die van overheidswege belast is met het doen naleven van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (8);

“groepstoezichthouder”: een groepstoezichthouder zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 15), van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad (9).

HOOFDSTUK 2

OPRICHTING EN FUNCTIONEREN VAN IN ARTIKEL 116 VAN RICHTLIJN 2013/36/EU BEDOELDE COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS

Afdeling 1

Oprichting en functioneren van colleges van toezichthouders

Artikel 2

Kartering van een groep instellingen

1.   De consoliderende toezichthouder brengt een groep van instellingen in kaart overeenkomstig de procedure van artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 van de Commissie (10), om de volgende groepsentiteiten en bijkantoren te identificeren:

a)

instellingen en bijkantoren die in een lidstaat zijn gevestigd, met inbegrip van financiële holdings of gemengde financiële holdings die overeenkomstig artikel 21 bis van Richtlijn 2013/36/EU zijn goedgekeurd;

b)

entiteiten uit de financiële sector waaraan in een lidstaat vergunning is verleend;

c)

instellingen en bijkantoren die in een derde land zijn gevestigd.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt a), komt de volgende informatie in de kartering tot uiting:

a)

de lidstaat waar de instelling een vergunning heeft verkregen of waar het bijkantoor is gevestigd;

b)

de bevoegde autoriteit die met het toezicht op de instelling belast is, of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst waar het bijkantoor is gevestigd, alsmede andere autoriteiten uit de financiële sector van die lidstaat, zoals bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het tegengaan van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en de bescherming van consumenten;

c)

de vraag of de instelling individueel aan prudentieel toezicht is onderworpen, dan wel of de instelling krachtens artikel 7, 8 of 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 op individuele basis ontheffing is verleend van de toepassing van de vereisten uit de delen twee tot en met acht van die verordening;

d)

het belang van de instelling voor de lidstaat waar die instelling een vergunning heeft gekregen, en de criteria die de bevoegde autoriteiten hebben gebruikt om dat belang te bepalen, en met name:

i)

de grootte van de instelling ten opzichte van de lokale markt in termen van totale activa en posten buiten de balanstelling;

ii)

de vraag of het marktaandeel van de instelling in termen van deposito’s meer dan 2 % bedraagt in de lidstaat waar die instelling over een vergunning beschikt;

iii)

de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de activiteiten van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betaal-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat waar die instelling over een vergunning beschikt;

iv)

de uitkomst van de beoordeling van de systeemrelevantie krachtens artikel 131, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU; en informatie over het belang van die instelling voor de groep, op voorwaarde dat het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van die instelling meer dan 1 % bedraagt van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis;

e)

het belang van het bijkantoor voor de lidstaat waar dat bijkantoor is gevestigd, en met name:

i)

de vraag of het bijkantoor als significant is aangemerkt dan wel of gevraagd is om het als zodanig aan te merken overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU;

ii)

informatie over het belang van dat bijkantoor voor de groep, op voorwaarde dat het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van dat bijkantoor meer dan 1 % bedraagt van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis.

3.   Voor de toepassing van lid 1, punten b) en c), komt de volgende informatie in de kartering tot uiting:

a)

de lidstaat waar de entiteit uit de financiële sector is gevestigd of het derde land waar de instelling of het bijkantoor is gevestigd;

b)

de autoriteit die belast is met of betrokken is bij het toezicht op die entiteit uit de financiële sector, die instelling of dat bijkantoor;

c)

informatie over het belang van de entiteit uit de financiële sector, van de instelling of van het bijkantoor voor de groep, op voorwaarde dat het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van die entiteit uit de financiële sector, die instelling of dat bijkantoor meer dan 1 % bedraagt van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis.

4.   In de kartering van de groep van instellingen komt het volgende tot uiting:

a)

wanneer artikel 116, lid 1 bis, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is: de vraag of de hoofdkantoren van alle grensoverschrijdende dochterondernemingen van een EU-moederinstelling of een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in derde landen over een vergunning beschikken;

b)

wanneer artikel 21 ter van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is: de vraag of één of twee intermediaire EU-moederondernemingen in de Unie zijn gevestigd.

Artikel 3

Leden en waarnemers van een college van toezichthouders

1.   De consoliderende toezichthouder verzoekt de volgende autoriteiten om lid te worden van het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790:

a)

de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instellingen die dochterondernemingen zijn van een EU-moederinstelling, en de bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU zijn gevestigd;

b)

de tot het ESCB behorende centrale banken van de lidstaten die overeenkomstig nationale wetgeving bij het prudentieel toezicht op de in punt a) bedoelde juridische entiteiten betrokken zijn, maar die geen bevoegde autoriteiten zijn;

c)

de EBA.

2.   De consoliderende toezichthouder verzoekt de volgende autoriteiten waarnemer te worden van het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790:

a)

voor de in artikel 116, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde colleges van toezichthouders: toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar instellingen of bijkantoren zijn gevestigd die voor de groep van belang worden geacht zoals beschreven in artikel 2, lid 3, punt c), van deze verordening, op voorwaarde dat die toezichthoudende autoriteiten van derde landen onderworpen zijn aan in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde vertrouwelijkheidsvereisten;

b)

voor de in artikel 116, lid 1 bis, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde colleges van toezichthouders: toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar instellingen over een vergunning beschikken, of waar bijkantoren die van belang worden geacht, zoals beschreven in artikel 2, lid 3, punt c), van deze verordening, zijn gevestigd, op voorwaarde dat die toezichthoudende autoriteiten van derde landen onderworpen zijn aan in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde vertrouwelijkheidsvereisten;

c)

de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;

d)

de leidende toezichthouder van het college dat is opgericht om de samenwerking tussen AML/CFT-autoriteiten te faciliteren (AML/CFT-college);

e)

wanneer een tweede intermediaire EU-moederonderneming is opgericht overeenkomstig artikel 21 ter, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2013/36/EU: de consoliderende toezichthouder van het tweede college van toezichthouders dat is opgericht met betrekking tot die tweede intermediaire EU-moederonderneming krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU of de groepstoezichthouder krachtens artikel 48 van Richtlijn (EU) 2019/2034;

f)

voor een financieel conglomeraat: de in artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) bedoelde coördinator wanneer deze van de consoliderende toezichthouder verschilt.

3.   De consoliderende toezichthouder kan de volgende autoriteiten verzoeken waarnemer te worden in het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 2, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar niet-significante bijkantoren zijn gevestigd;

b)

de toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar instellingen of bijkantoren zijn gevestigd, niet zijnde de in lid 2, punten a) en b), bedoelde autoriteiten;

c)

de overheidsinstanties of -organen in een lidstaat die belast zijn met of betrokken bij het toezicht op een groepsentiteit of bijkantoor, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van diezelfde lidstaat van ontvangst erin heeft toegestemd om lid of waarnemer van het college van toezichthouders te worden, daaronder begrepen:

i)

de AML/CFT-autoriteit van lidstaten van ontvangst;

ii)

autoriteiten belast met het toezicht op markten voor financiële instrumenten;

iii)

autoriteiten belast met consumentenbescherming;

iv)

autoriteiten belast met het prudentieel toezicht op entiteiten van de groep in de financiële sector;

d)

afwikkelingsautoriteiten van lidstaten van ontvangst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van diezelfde lidstaat van ontvangst erin heeft toegestemd om lid of waarnemer van het college van toezichthouders te worden.

Artikel 4

Communicatie over de oprichting en samenstelling van een college van toezichthouders

De consoliderende toezichthouder communiceert aan de EU-moederonderneming van de groep de oprichting van een college, de identiteit van de leden en waarnemers daarvan, en eventuele veranderingen in de samenstelling van dat college.

Artikel 5

Schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

De in artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen bevatten ten minste de volgende elementen:

a)

informatie over de algehele structuur van de betrokken groep, die alle groepsentiteiten en bijkantoren omvat;

b)

identificatie van de leden en waarnemers van het college van toezichthouders;

c)

de voorwaarden voor deelneming van waarnemers in het college van toezichthouders als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 3, en gezien artikel 17, met inbegrip van:

i)

de rol van de waarnemers bij vergaderingen en werkzaamheden van het college van toezichthouders, en in noodsituaties;

ii)

de rechten en plichten van waarnemers met betrekking tot de informatie die zal worden uitgewisseld en de desbetreffende procedure voor de uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en de waarnemers;

iii)

de verstrekking aan leden van het college van toezichthouders van informatie die van de waarnemers is ontvangen;

d)

de regelingen voor de uitwisseling van informatie, met inbegrip van de reikwijdte van de informatie, de frequentie waarmee die wordt uitgewisseld en de beveiligde communicatiekanalen;

e)

de regelingen voor het omgaan met vertrouwelijke informatie;

f)

de regelingen voor de toewijzing van taken en de delegatie van verantwoordelijkheden, indien van toepassing;

g)

een beschrijving van substructuren van het college van toezichthouders;

h)

de regelingen voor de planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden in going-concernsituaties;

i)

de regelingen voor de planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden ter voorbereiding op en tijdens noodsituaties, met inbegrip van noodplannen, communicatiemiddelen en procedures;

j)

het beleid van de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders op het gebied van communicatie met de EU-moederonderneming en de groepsentiteiten of significante bijkantoren;

k)

overeengekomen procedures en termijnen voor de verspreiding van de documenten voor vergaderingen van het college van toezichthouders;

l)

andere overeenkomsten tussen de leden van het college van toezichthouders, met inbegrip van overeengekomen indicatoren voor de detectie van vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden;

m)

de regelingen om overeenkomstig de artikelen 12, 13, 16, 18, 45 nonies, 91 en 92 van Richtlijn 2014/59/EU input te geven aan de consoliderende toezichthouder, onder meer ten behoeve van de in die artikelen bedoelde consultatieprocedure;

n)

een beschrijving van de rol van de geconsolideerde toezichthouder, in het bijzonder met betrekking tot de coördinatie van het aan het betrokken afwikkelingscollege verschaffen van de in punt m) bedoelde input via de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;

o)

de regelingen voor de situatie waarin een lid of een waarnemer zijn deelname aan het college van toezichthouders stopzet;

p)

de kenmerken van een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de groep en zijn entiteiten, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de groep, en de uit te wisselen informatie, zoals overeengekomen door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders, indien dit soort gebeurtenis zich voordoet.

Artikel 6

Deelname aan vergaderingen en werkzaamheden van colleges van toezichthouders

1.   Wanneer de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 116, lid 7, van Richtlijn 2013/36/EU beslist welke autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen, houdt deze rekening met het volgende:

a)

de te bespreken onderwerpen, de te verrichten werkzaamheden en de doelstellingen van de vergadering of de activiteit, en met name wat betreft de relevantie daarvan voor elke groepsentiteit en voor de uitoefening van de taken van de waarnemers;

b)

het belang van de groepsentiteit voor de lidstaat waar de groepsentiteit is gevestigd, en het belang daarvan voor de groep.

2.   De consoliderende toezichthouder heeft de mogelijkheid om de waarnemers van het college van toezichthouders alleen voor die specifieke agendapunten of die specifieke activiteit uitnodigen die voor de uitoefening van de taken van de waarnemer van belang zijn.

3.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders zorgen er, op basis van de besproken onderwerpen en nagestreefde doelstellingen, voor dat de meest geschikte vertegenwoordigers deelnemen aan vergaderingen of werkzaamheden van het college van toezichthouders. Die vertegenwoordigers zijn, als leden van het college van toezichthouders, gemachtigd om hun autoriteiten maximaal te committeren aan de beslissingen die voor de vergaderingen of werkzaamheden gepland staan.

4.   De consoliderende toezichthouder kan, op basis van de onderwerpen en doelstellingen van de vergadering of activiteit, vertegenwoordigers van groepsentiteiten uitnodigen om deel te nemen aan een vergadering of activiteit van het college van toezichthouders.

Artikel 7

Toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden

1.   Wanneer de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders het in artikel 16 van deze verordening bedoelde programma voor onderzoek vaststellen en bijwerken, wisselen zij zienswijzen uit over de mogelijkheid taken toe te wijzen en verantwoordelijkheden te delegeren. Op basis daarvan overwegen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders om, op vrijwillige basis, een overeenkomst te sluiten over de toewijzing van taken, met inbegrip van een eventuele delegatie van verantwoordelijkheden (in voorkomend geval), krachtens artikel 116, lid 1, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU, indien verwacht mag worden dat die toewijzing of die delegatie leidt tot een doelmatiger en doeltreffender toezicht op de groep, en met name door het wegwerken van onnodige overlappingen in toezichteisen, met inbegrip van vereisten ten aanzien van informatieverzoeken.

2.   Van het sluiten van een overeenkomst over de toewijzing van taken of de delegatie van verantwoordelijkheden wordt kennisgegeven aan de EU-moederonderneming door de consoliderende toezichthouder en aan de betrokken instelling door de bevoegde autoriteit die haar taken toewijst of haar verantwoordelijkheden delegeert.

3.   Wanneer tussen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders geen overeenstemming kan worden bereikt over de toewijzing van taken of de delegatie van verantwoordelijkheden, stelt de consoliderende toezichthouder de EBA daarvan in kennis.

Artikel 8

Uitwisseling van informatie tussen de leden van het college van toezichthouders en een groep van instellingen

1.   De consoliderende toezichthouder en elk lid van het college van toezichthouders is verantwoordelijk voor het communiceren met en het richten van informatieverzoeken aan de instellingen en bijkantoren die onder hun toezichtopdracht vallen.

2.   De consoliderende toezichthouder of een lid van het college van toezichthouders die, bij wijze van uitzondering, voornemens is informatie mee te delen aan of op te vragen bij een instelling die of een bijkantoor dat buiten zijn toezichtopdracht valt, stelt het voor die instelling of dat bijkantoor verantwoordelijke lid van het college van toezichthouders daarvan vooraf in kennis.

Afdeling 2

Planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden in going-concernsituaties

Artikel 9

Uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is om de uitoefening van hun in de artikelen 112 en 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde functies en taken te faciliteren, onverminderd de geheimhoudingsvereisten die zijn neergelegd in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van die richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (12).

2.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is om de uitoefening van de in artikel 8 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde taken te faciliteren.

3.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders wisselen de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie uit, ongeacht of deze is ontvangen van een groepsentiteit, een bevoegde autoriteit, een toezichthoudende autoriteit of een andere bron, en in overeenstemming met de procedure van artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790. Die informatie is voldoende adequaat, nauwkeurig en actueel.

4.   De consoliderende toezichthouder deelt de leden van het college het volgende mee:

a)

de naam van het depositogarantiestelsel waaraan de instelling (en haar bijkantoren) overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad (13) deelneemt;

b)

de maximale dekking van het depositogarantiestelsel per in aanmerking komende deposant;

c)

het dekkingsbereik en de soorten gedekte deposito’s;

d)

alle uitsluitingen van de dekking, met inbegrip van de producten en soorten deposanten;

e)

de financieringsregelingen van het depositogarantiestelsel, in het bijzonder of het stelsel vooraf of achteraf wordt gefinancierd, en het volume van het depositogarantiestelsel;

f)

contactgegevens van de beheerder van het depositogarantiestelsel.

5.   De leden van het college van toezichthouders die op significante bijkantoren toezicht houden, verschaffen de consoliderende toezichthouder informatie over belemmeringen voor de overdracht van contant geld en zekerheden naar of vanuit dat bijkantoor.

6.   Wanneer er een verandering is in de informatie die overeenkomstig dit artikel is verstrekt, wisselen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders zonder onnodige vertraging bijgewerkte informatie uit.

Artikel 10

Uitwisseling van informatie over de uitkomst van de toetsing en evaluatie door de toezichthouder ten behoeve van de uitvoering van risicobeoordelingen van de groep en het bereiken van gezamenlijke besluiten

1.   Ten behoeve van het bereiken van de in artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten wisselen de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college op zowel individueel als geconsolideerd niveau, zonder onnodige vertraging, alle informatie uit die nodig is om dergelijke gezamenlijke besluiten te bereiken.

2.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders wisselen informatie uit over de uitkomst van het overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU uitgevoerde toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP). Die informatie omvat het volgende:

a)

een analyse van het bedrijfsmodel, met inbegrip van een beoordeling van de levensvatbaarheid van het huidige bedrijfsmodel en de houdbaarheid van de prospectieve bedrijfsstrategie;

b)

interne governanceregelingen en instellingsbrede controlemechanismen;

c)

individuele risico’s voor het kapitaal van de instelling, die het volgende omvatten:

i)

inherente individuele risico’s;

ii)

risicomanagement en -controles;

d)

kapitaaltoereikendheidsbeoordeling en de beoordeling van het risico van buitensporige hefboomwerking, met inbegrip van voorgestelde aanvullende eigenvermogensvereisten krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU;

e)

risico’s voor de liquiditeit en funding van de instelling, die het volgende omvatten:

i)

liquiditeitsrisico en fundingrisico;

ii)

beheer van het liquiditeits- en fundingrisico;

f)

beoordeling van de liquiditeitstoereikendheid, met inbegrip van de krachtens artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU voorgestelde kwantitatieve en kwalitatieve liquiditeitsmaatregelen;

g)

andere toezichtmaatregelen, met inbegrip van toezichtmaatregelen krachtens artikel 102 van Richtlijn 2013/36/EU, of vroegtijdige-interventiemaatregelen genomen of gepland om de ondoelmatigheden aan te pakken die als gevolg van de toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) zijn geconstateerd;

h)

uitkomsten van de overeenkomstig artikel 100 van Richtlijn 2013/36/EU uitgevoerde stresstests voor toezichtdoeleinden, met inbegrip van de kapitaaltoereikendheid in stresssituaties en voorstellen voor aanwijzingen over aanvullend eigen vermogen overeenkomstig artikel 104 ter van Richtlijn 2013/36/EU;

i)

bevindingen van inspecties ter plaatse en van monitoring op afstand die van belang zijn voor de beoordeling van het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten.

Artikel 11

Uitwisseling van informatie met betrekking tot de doorlopende toetsing van de toelating om interne benaderingen te hanteren en niet-materiële uitbreidingen van of wijzigingen in interne modellen

1.   De consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op instellingen die, overeenkomstig artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 4 of lid 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013 toestemming hebben gekregen om interne benaderingen te hanteren, wisselen alle informatie uit die relevant is voor de uitkomst van de in artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde doorlopende toetsing van de toestemming om interne benaderingen te hanteren.

2.   Wanneer de consoliderende toezichthouder of een in lid 1 bedoeld betrokken lid van het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU heeft geconstateerd dat een in een lidstaat gevestigde instelling, met inbegrip van de EU-moederonderneming, niet langer aan alle vereisten voor het hanteren van een interne benadering voldoet of dat er van materiële tekortkomingen sprake is, wisselt die consoliderende toezichthouder of dat lid van het college van toezichthouders onmiddellijk de volgende informatie uit, voor zover van toepassing, om het bereiken van een gezamenlijke overeenkomst als bedoeld in artikel 8 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 te faciliteren:

a)

een beoordeling van het effect van de geconstateerde tekortkomingen en eventuele problemen van niet-naleving van de vereisten voor het hanteren van interne modellen en van de materialiteit van die tekortkomingen en kwesties;

b)

een beoordeling van het door de EU-moederinstelling of in een lidstaat gevestigde instelling gepresenteerde plan om de naleving te herstellen van de vereisten voor het hanteren van interne benaderingen en om de geconstateerde tekortkomingen weg te werken, met inbegrip van informatie over het tijdschema voor de uitvoering van dat plan;

c)

informatie over het voornemen van de consoliderende toezichthouder of een betrokken lid van het college van toezichthouders om de toestemming voor het hanteren van interne benaderingen in te trekken of het hanteren van die interne benaderingen te beperken tot de sectoren waar aan de vereisten wordt voldaan, of de sectoren waar binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan, of de sectoren waarop de geconstateerde tekortkomingen geen invloed hebben;

d)

informatie over voorgenomen aanvullende eigenvermogensvereisten die overeenkomstig artikel 104, lid 1, punt d), van Richtlijn 2013/36/EU als toezichtmaatregel worden opgelegd om problemen van niet-naleving of geconstateerde tekortkomingen te verhelpen.

3.   De consoliderende toezichthouder en de in lid 1 bedoelde betrokken leden van het college van toezichthouders wisselen ook informatie uit over uitbreidingen van de toestemming om interne benaderingen te hanteren of over wijzigingen in deze interne benaderingen die niet materieel zijn, als bedoeld in artikel 13 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie (14).

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt besproken en in aanmerking genomen bij het uitwerken van de risicobeoordeling van de groep en om overeenkomstig artikel 113, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU tot een gezamenlijk besluit te komen.

5.   De consoliderende toezichthouder stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd, in kennis van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wanneer die informatie voor die bevoegde autoriteiten relevant is.

Artikel 12

Uitwisseling van informatie over vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die deelnemen aan het uitwerken van het in artikel 113, lid 2, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde verslag met de risicobeoordeling van de groep of aan het in artikel 113, lid 2, punt b), van die richtlijn bedoelde verslag met de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep om overeenkomstig genoemd artikel gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten te bereiken, wisselen kwantitatieve informatie uit met de bedoeling vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden te detecteren en input te leveren voor het verslag met de risicobeoordeling van de groep en het verslag met de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep. Daartoe komen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders een lijst met indicatoren overeen die regelmatig moet worden uitgewisseld overeenkomstig artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie is gebaseerd op de informatie die de bevoegde autoriteiten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3117 van de Commissie (15) hebben verzameld. Die informatie bestrijkt alle groepsentiteiten die in een lidstaat zijn gevestigd, en ten minste de volgende gebieden:

a)

kapitaal en hefboomwerking;

b)

liquiditeit;

c)

activakwaliteit;

d)

funding;

e)

winstgevendheid;

f)

concentratierisico.

3.   Naast de in lid 1 bedoelde informatie identificeren de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders risico’s en kwetsbaarheden voor de groep en zijn entiteiten door kwalitatieve en kwantitatieve informatie uit te wisselen over:

a)

de macro-economische omgeving waarin de groep van instellingen en zijn groepsentiteiten actief zijn;

b)

ongunstige marktontwikkelingen die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kunnen ondermijnen in de lidstaten waar entiteiten van een groep of significante bijkantoren zijn gevestigd, en die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de entiteiten van de groep of zijn significante bijkantoren.

4.   Wanneer een groepsentiteit, zoals bedoeld in artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, inbreuk maakt of, onder meer als gevolg van een snel verslechterende financiële positie, in de nabije toekomst inbreuk dreigt te maken op de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 of Richtlijn 2013/36/EU, verstrekken de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders elkaar informatie over het volgende:

a)

de vraag of voorwaarden voor toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen vervuld zijn;

b)

de vraag of vroegtijdige-interventiemaatregelen voor de groep of voor groepsentiteiten genomen zijn of gepland staan overeenkomstig de artikelen 27 en 30 van Richtlijn 2014/59/EU;

c)

een indicatie van de potentiële consequenties van die vroegtijdige-interventiemaatregelen.

5.   De consoliderende toezichthouder deelt, in voorkomend geval, de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie over niet-nakoming, sancties en andere corrigerende maatregelen

1.   De consoliderende toezichthouder deelt de leden van het college van toezichthouders informatie mee over situaties ten aanzien waarvan de consoliderende toezichthouder heeft bepaald dat een EU-moederinstelling die onder zijn toezichtopdracht valt, op individueel of op geconsolideerd niveau:

a)

Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU niet is nagekomen;

b)

voorwerp is van bestuurlijke sancties of andere bestuurlijke maatregelen die overeenkomstig de artikelen 64 tot en met 67 van Richtlijn 2013/36/EU zijn opgelegd.

2.   De leden van het college van toezichthouders delen de consoliderende toezichthouder informatie mee over situaties ten aanzien waarvan die leden hebben bepaald dat een instelling die of een bijkantoor dat onder hun toezichtopdracht valt:

a)

Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU niet is nagekomen;

b)

voorwerp is van bestuurlijke sancties of andere bestuurlijke maatregelen die overeenkomstig de artikelen 64 tot en met 67 van Richtlijn 2013/36/EU zijn opgelegd.

De consoliderende toezichthouder deelt, overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790, de betrokken informatie mee aan de leden van het college van toezichthouders waarvoor die informatie relevant is.

3.   Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 uitgewisselde informatie overleggen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders over de mogelijke impact van de in de leden 1 en 2 bedoelde problemen van niet-naleving en sancties voor de betrokken groepsentiteiten of voor de groep als geheel.

Artikel 14

Uitwisseling van informatie voor de beoordeling van het groepsherstelplan

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die deelnemen aan het proces om een gezamenlijk besluit te bereiken over de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde kwesties, wisselen alle noodzakelijke informatie uit.

2.   Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de consoliderende toezichthouder het groepsherstelplan aan de leden van het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790.

3.   De consoliderende toezichthouder stelt alle leden van het college van toezichthouders in kennis van de uitkomst van het in lid 1 bedoelde proces.

Artikel 15

Uitwisseling van informatie over overeenkomsten voor financiële steun binnen de groep

De consoliderende toezichthouder stelt alle leden van het college van toezichthouders in kennis van de belangrijkste voorwaarden voor de toelating van overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2014/59/EU verleende overeenkomsten voor financiële steun binnen de groep.

Artikel 16

Programma voor onderzoek

1.   Met het oog op de vaststelling van het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 116, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU identificeren de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders de te ondernemen toezichtwerkzaamheden.

2.   Het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders bevat ten minste het volgende:

a)

de gebieden voor gezamenlijke werkzaamheden die zijn geïdentificeerd op basis van de risicobeoordeling en de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep en de krachtens artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU genomen gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten, dan wel als gevolg van andere door het college van toezichthouders ondernomen werkzaamheden, zoals inspanningen om de efficiëntie van het toezicht te vergroten door onnodige overlappingen in de toezichteisen weg te nemen als bedoeld in artikel 116, lid 1, punt d), van die richtlijn;

b)

de respectieve programma’s voor toezichtonderzoek door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders voor instellingen en bijkantoren die in een lidstaat gevestigd zijn;

c)

de focusgebieden van de werkzaamheden van het college van toezichthouders en zijn geplande toezichtwerkzaamheden, met inbegrip van een beoordeling van de uitvoering van groepsbeleid, geplande werkzaamheden op afstand en geplande inspecties ter plaatse als bedoeld in artikel 99, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU;

d)

de leden van het college van toezichthouders die belast zijn met de uitvoering van de geplande toezichtwerkzaamheden;

e)

(in voorkomend geval) de toewijzing van taken en verantwoordelijkheden voor, respectievelijk, de toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden;

f)

(in voorkomend geval) de waarnemers van het college van toezichthouders wanneer die waarnemers bij een toezichtactiviteit betrokken zijn;

g)

het verwachte tijdschema — zowel qua timing als qua duur — voor de geplande toezichtwerkzaamheden.

Artikel 17

Uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en de waarnemers van het college van toezichthouders

1.   Wanneer de in de artikelen 12 tot en met 18 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van de waarnemers, deelt de consoliderende toezichthouder die informatie mee aan de betrokken waarnemers.

2.   De consoliderende toezichthouder verschaft de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau het volgende:

a)

het krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU vereiste eigen vermogen en handvatten over aanvullend eigen vermogen die instellingen overeenkomstig artikel 104 ter van die richtlijn zijn meegedeeld;

b)

voor de toepassing van de artikelen 12, 13, 16, 18, 25, 30, 45 nonies, 91 en 92 van Richtlijn 2014/59/EU relevante informatie;

c)

het tijdschema van het gezamenlijke besluit over de evaluatie en beoordeling van het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, met inbegrip van een datum voor de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau om, overeenkomstig artikel 6, lid 4, van die richtlijn, eventueel aanbevelingen te doen;

d)

het tijdschema van de gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU;

e)

de in artikel 12, lid 4, en artikel 15 van deze verordening bedoelde informatie.

Artikel 18

Een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten

1.   De consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college van toezichthouders wisselen kwantitatieve en kwalitatieve informatie uit over gebeurtenissen met materiële nadelige gevolgen bij instellingen of bij andere entiteiten van een groep die ernstige gevolgen voor de instellingen zouden kunnen hebben, als bedoeld in artikel 117, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU.

2.   In het geval van dit soort gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn in een lidstaat gevestigde instellingen die belangrijk zijn overeenkomstig artikel 2, lid 2, of zijn significante bijkantoren, beoordelen bevoegde autoriteiten de gevolgen van dit soort gebeurtenis op de groep en zijn entiteiten, en bepalen zij:

a)

de aard en de ernst van de gebeurtenis;

b)

de (potentiële) impact van de gebeurtenis op het beschikbare eigen vermogen en het liquiditeitsniveau van de groep of zijn entiteiten en de vraag of de groep en zijn entiteiten in ongunstige macro-economische, micro-economische en geopolitieke omstandigheden aan Verordening (EU) nr. 575/2013 of Richtlijn 2013/36/EU kunnen blijven voldoen;

c)

de mogelijkheden om bij een ernstige verstoring van de bedrijfsactiviteiten te functioneren;

d)

het risico op grensoverschrijdende besmetting en de potentiële systemische impact.

3.   Zodra de consoliderende toezichthouder door een lid van het college van toezichthouders is gewaarschuwd over een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel, of nadat hij dit soort gebeurtenis heeft geconstateerd, stelt hij de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door deze gebeurtenis worden geraakt, of dreigen te worden geraakt, en de EBA in kennis. Waarnemers, en met name de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, worden in kennis gesteld indien de informatie relevant is voor de uitoefening van hun taken.

4.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die worden geraakt, of dreigen te worden geraakt, door de gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen, monitoren de situatie en werken de in lid 1 bedoelde informatie, in voorkomend geval, onmiddellijk bij wanneer relevante nieuwe informatie beschikbaar komt.

5.   Op basis van de uitkomst van de beoordeling van de in lid 2 bedoelde gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen en het verwachte verloop van die gebeurtenis kunnen de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college van toezichthouders het uitwerken van een gecoördineerde toezichtrespons coördineren.

Afdeling 3

Planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden bij de voorbereiding op en tijdens noodsituaties

Artikel 19

Collegeraamwerk voor noodsituaties

1.   Overeenkomstig artikel 112, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU stellen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college voor het college een raamwerk vast om op mogelijke noodsituaties te anticiperen (“het collegeraamwerk voor noodsituaties”), waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken en de structuur van de groep instellingen.

2.   Het collegeraamwerk voor noodsituaties omvat ten minste het volgende:

a)

de collegespecifieke procedures die van toepassing zijn wanneer zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet;

b)

het minimum aan informatie dat wordt uitgewisseld wanneer zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet.

3.   Het in lid 2, punt b), bedoelde minimum aan informatie omvat het volgende:

a)

een schets van de noodsituatie die zich heeft voorgedaan, met inbegrip van de onderliggende oorzaak van de noodsituatie, en de verwachte gevolgen van de noodsituatie voor de groepsentiteiten en de groep als geheel, voor de marktliquiditeit en voor de stabiliteit van het financiële stelsel;

b)

een uiteenzetting van de maatregelen en stappen die de consoliderende toezichthouder, leden van het college van toezichthouders of de groepsentiteiten zelf in reactie op de noodsituatie hebben ondernomen of gepland;

c)

de recentst beschikbare kwantitatieve informatie over de liquiditeits- en kapitaalpositie — op individuele en op geconsolideerde basis — van de groepsentiteiten die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt.

Artikel 20

Uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is voor het faciliteren van de uitoefening van de in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van die richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.

2.   Zodra de consoliderende toezichthouder door een lid van het college van toezichthouders is gewaarschuwd over een noodsituatie, of nadat hij een noodsituatie heeft geconstateerd, deelt hij de in artikel 19, lid 2, punt b), bedoelde informatie, volgens de in punt a) van dat lid, bedoelde procedures, mee aan de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, en aan de EBA.

3.   Afhankelijk van de aard, ernst, potentiële systeemeffecten of andere gevolgen en de kans op besmetting van de noodsituatie kunnen de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten die door deze noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, en de consoliderende toezichthouder aanvullende informatie uitwisselen.

4.   Wanneer de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van waarnemers, en met name van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, deelt de consoliderende toezichthouder die informatie mee aan die waarnemers.

5.   Bij de respons op een in artikel 16 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 bedoelde noodsituatie, betrekt de consoliderende toezichthouder zonder onnodige vertraging de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau bij die respons en deelt hij van die autoriteit ontvangen input met de leden van het college van toezichthouders.

Artikel 21

Coördinatie van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie

1.   Wanneer zich een noodsituatie voordoet, zorgt de consoliderende toezichthouder voor de coördinatie en voorbereiding van de beoordeling van de noodsituatie (“de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders”) in samenwerking met de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door deze noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt.

2.   In de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie, die overeenkomstig de procedure van artikel 15 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 wordt uitgevoerd, komt het volgende aan bod:

a)

de aard en ernst van de noodsituatie;

b)

de (potentiële) gevolgen van de noodsituatie voor de groep als geheel en voor groepsentiteiten die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt;

c)

het risico op grensoverschrijdende besmetting.

3.   Voor de toepassing van lid 2, punt c), houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de potentiële systeemeffecten in lidstaten waar groepsentiteiten of significante bijkantoren zijn gevestigd.

Artikel 22

Coördinatie van de toezichtrespons op een noodsituatie

1.   Wanneer zich een noodsituatie voordoet, coördineert de consoliderende toezichthouder het uitwerken van een toezichtrespons op de noodsituatie (“de gecoördineerde toezichtrespons”) in samenwerking met de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door deze noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt.

2.   De gecoördineerde toezichtrespons is gebaseerd op de in artikel 21 bedoelde gecoördineerde beoordeling door toezichthouders en vermeldt de vereiste toezichtacties, de reikwijdte ervan en het tijdschema voor de uitvoering ervan.

3.   De gecoördineerde toezichtrespons houdt rekening met input van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.

Artikel 23

Monitoring van de uitvoering van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, monitoren de uitvoering van de in artikel 22 bedoelde gecoördineerde toezichtrespons en wisselen daarover informatie uit.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat een update over de uitvoering van de overeengekomen acties binnen de vastgestelde termijn, zoals bedoeld in artikel 22, lid 2, en de noodzaak om die acties bij te werken of aan te passen.

Artikel 24

Coördinatie van externe communicatie in een noodsituatie

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op groepsentiteiten of significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, coördineren hun externe communicatie zo veel mogelijk.

2.   Voor de toepassing van lid 1 bereiken de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders overeenstemming over de volgende elementen:

a)

de toewijzing van verantwoordelijkheden voor het coördineren van de externe communicatie in de verschillende stadia van de noodsituatie;

b)

de mate waarin informatie moet worden openbaargemaakt, rekening houdende met de noodzaak om het marktvertrouwen te behouden en andere openbaarmakingsverplichtingen wanneer financiële instrumenten die zijn uitgegeven door groepsentiteiten die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, publiek worden verhandeld op een of meer gereglementeerde markten in de Unie;

c)

de coördinatie van publieke verklaringen, met inbegrip van de verklaringen die door slechts één lid van het college van toezichthouders worden afgegeven, met name indien deze publieke verklaringen gevolgen dreigen te hebben voor groepsentiteiten die onder toezicht staan van andere leden van het college van toezichthouders;

d)

de toewijzing van verantwoordelijkheden en het bepalen van de passende timing om contact op te nemen met groepsentiteiten;

e)

de toewijzing van verantwoordelijkheden en de te ondernemen stappen met het oog op de externe communicatie van de gecoördineerde maatregelen die zijn genomen om de noodsituatie aan te pakken;

f)

een beschrijving van potentiële coördinatie met een andere groep die of een ander college dat mogelijk te maken heeft met een noodsituatie waardoor de groep wordt geraakt, zoals een crisismanagementgroep of een afwikkelingscollege.

HOOFDSTUK 3

FUNCTIONEREN VAN IN ARTIKEL 51, LID 3, VAN RICHTLIJN 2013/36/EU BEDOELDE COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS

Afdeling 1

Oprichting en functioneren colleges van toezichthouders

Artikel 25

Leden en waarnemers van een college van toezichthouders

1.   Nadat overeenkomstig artikel 18 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 de instelling met bijkantoren in andere lidstaten in kaart is gebracht, verzoekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de volgende autoriteiten om lid te worden van het college van toezichthouders:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd;

b)

de tot het ESCB behorende centrale banken van de lidstaten die overeenkomstig nationale wetgeving bij het prudentieel toezicht op de in punt a) bedoelde significante bijkantoren betrokken zijn, maar die geen bevoegde autoriteiten zijn;

c)

de EBA.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verzoekt de volgende autoriteiten uit om waarnemer te worden in het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 2, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790:

a)

de toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar instellingen over een vergunning beschikken, of waar belangrijk geachte bijkantoren, zoals beschreven in artikel 2, lid 3, punt c), van deze verordening, zijn gevestigd, op voorwaarde dat die toezichthoudende autoriteiten van derde landen onderworpen zijn aan in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU bepaalde vertrouwelijkheidsvereisten;

b)

de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst;

c)

de AML/CFT-autoriteit van de lidstaat van herkomst;

d)

wanneer een tweede intermediaire EU-moederonderneming overeenkomstig artikel 21 ter, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2013/36/EU is opgericht: de consoliderende toezichthouder of de groepstoezichthouder van dat tweede college van toezichthouders;

e)

voor een financieel conglomeraat: de in artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2002/87/EG bedoelde coördinator wanneer die verschilt van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de volgende autoriteiten verzoeken om waarnemers te worden in het college van toezichthouders overeenkomstig de procedure van artikel 2, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar niet-significante bijkantoren zijn gevestigd;

b)

de toezichthoudende autoriteiten van derde landen niet zijnde de in lid 2, punt a), bedoelde autoriteiten;

c)

de overheidsinstanties of -organen van een lidstaat die belast zijn met of betrokken bij het toezicht op de instelling of haar bijkantoren, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van diezelfde lidstaat van ontvangst erin heeft toegestemd om lid of waarnemer van het college van toezichthouders te worden, daaronder begrepen:

i)

de AML/CFT-autoriteit in een lidstaat van ontvangst;

ii)

bevoegde autoriteiten belast met het toezicht op markten voor financiële instrumenten;

iii)

autoriteiten belast met consumentenbescherming;

d)

afwikkelingsautoriteiten van lidstaten van ontvangst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van diezelfde lidstaat van ontvangst erin heeft toegestemd om lid of waarnemer van het college van toezichthouders te worden.

Artikel 26

Communicatie over de oprichting en samenstelling van een college van toezichthouders

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst communiceert de oprichting van een college van toezichthouders, de identiteit van de leden en waarnemers daarvan, en eventuele veranderingen in de samenstelling van dat college.

Artikel 27

Schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

De oprichting en het functioneren van college van toezichthouders voor in artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde significante bijkantoren vinden plaats op basis van schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen die overeenkomstig artikel 5 van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 28

Deelname aan vergaderingen en werkzaamheden van colleges van toezichthouders

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU beslist welke autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college van toezichthouders deelnemen, houdt deze rekening met het volgende:

a)

de te bespreken onderwerpen, de te overwegen werkzaamheden en de doelstellingen van de vergadering of de activiteit, en met name wat betreft de relevantie daarvan voor elk bijkantoor en voor de uitoefening van de taken van de waarnemers;

b)

het belang van het bijkantoor in de lidstaat waar dat bijkantoor is gevestigd, en het belang ervan voor de instelling.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst heeft de mogelijkheid om de waarnemers van het college van toezichthouders alleen voor die specifieke agendapunten of die specifieke activiteit uit te nodigen die van belang zijn voor de uitoefening van de taken van de waarnemer.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders zorgen er, op basis van de besproken onderwerpen en nagestreefde doelstellingen, voor dat de meest geschikte vertegenwoordigers deelnemen aan vergaderingen of werkzaamheden van het college van toezichthouders. Die vertegenwoordigers zijn, als leden van het college van toezichthouders, gemachtigd om hun autoriteiten maximaal te committeren aan de beslissingen die voor de vergaderingen of werkzaamheden gepland staan.

4.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan, op basis van de onderwerpen en doelstellingen van de vergadering of activiteit, vertegenwoordigers van de instelling uitnodigen om deel te nemen aan vergaderingen of werkzaamheden van het college van toezichthouders.

Artikel 29

Communicatie met de instelling en haar bijkantoren

De communicatie met de instelling en haar bijkantoren wordt georganiseerd in overeenstemming met de toezichtverantwoordelijkheden de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders zoals bepaald in titel V, hoofdstuk 4, en titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

Afdeling 2

Planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden in going-concernsituaties

Artikel 30

Uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en leden van het college van toezichthouders

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is om de samenwerking op grond van artikel 50 en artikel 51, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU te faciliteren.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is om de in de artikelen 6, 7 en 8 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde samenwerking te faciliteren.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders wisselen de in de artikelen 6 en 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie (16) bedoelde informatie uit.

4.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders wisselen de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie uit, ongeacht of deze is ontvangen van de instelling, een bevoegde of toezichthoudende autoriteit of een andere bron. Die informatie is voldoende adequaat, nauwkeurig en actueel.

Artikel 31

Uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de waarnemers in het college van toezichthouders

1.   Wanneer de in artikel 32 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van de waarnemers zoals beschreven in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen van het college van toezichthouders, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst die informatie aan de betrokken waarnemers mee.

2.   De afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wisselen alle informatie uit die vereist is om het college van toezichthouders en het afwikkelingscollege hun rol te laten vervullen zoals beschreven in, respectievelijk, artikel 51, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 88 van Richtlijn 2014/59/EU.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verschaft de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst het volgende:

a)

het krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU vereiste eigen vermogen en aanwijzingen over aanvullend eigen vermogen die instellingen overeenkomstig artikel 104 ter van die richtlijn zijn meegedeeld;

b)

voor de toepassing van de artikelen 12, 13, 16, 18, 25, 30, 45 nonies, 91 en 92 van Richtlijn 2014/59/EU relevante informatie;

c)

de in artikel 32, lid 3, van deze verordening bedoelde informatie.

Artikel 32

Uitwisseling van informatie over de uitkomst van de toetsing en evaluatie door de toezichthouder en informatie over vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst deelt de leden van het college van toezichthouders het volgende mee:

a)

de in de artikelen 3, 4, 5, 7 tot en met 13 en 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 bedoelde informatie;

b)

de in artikel 429 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde waarde van de hefboomratio van de moederentiteit;

c)

het in artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde eigenvermogensvereiste en eventuele handvatten over aanvullend eigen vermogen overeenkomstig artikel 104 ter van die richtlijn als gevolg van de overeenkomstig artikel 97 van die richtlijn uitgevoerde toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP).

2.   Ten behoeve van de identificatie van risico’s en kwetsbaarheden voor de instelling en haar significante bijkantoren wisselen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders kwalitatieve en kwantitatieve informatie uit over:

a)

de macro-economische omgeving waarin de instellingen en hun significante bijkantoren actief zijn;

b)

ongunstige marktontwikkelingen die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kunnen ondermijnen in de lidstaten waar de instelling of haar significante bijkantoren zijn gevestigd, en die nadelig kunnen uitwerken op de instelling en haar significante bijkantoren.

3.   Wanneer de instelling, zoals bedoeld in artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, inbreuk maakt of, onder meer als gevolg van een snel verslechterende financiële positie, in de nabije toekomst inbreuk dreigt te maken op de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 of Richtlijn 2013/36/EU, verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de leden van het college van toezichthouders de volgende informatie:

a)

de vraag of voorwaarden voor toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen vervuld zijn;

b)

de vraag of vroegtijdige-interventiemaatregelen genomen zijn of gepland staan overeenkomstig de artikelen 27 en 30 van Richtlijn 2014/59/EU;

c)

een indicatie van de potentiële consequenties van die vroegtijdige-interventiemaatregelen.

Artikel 33

Uitwisseling van informatie voor de beoordeling van het herstelplan

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst consulteert, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, de leden van het college van toezichthouders over het herstelplan voor zover dit relevant is voor het betrokken significante bijkantoor.

2.   Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, overeenkomstig artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790, het herstelplan van de instelling aan de leden van het college van toezichthouders.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt alle leden van het college van toezichthouders in kennis van de in lid 1 bedoelde consultatie.

Artikel 34

Programma voor onderzoek

1.   Met het oog op de opstelling van het in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde programma voor onderzoek van het college van toezichthouders bepalen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders de te ondernemen toezichtwerkzaamheden.

2.   Het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders bevat ten minste het volgende:

a)

de gezamenlijke werkgebieden die zijn geïdentificeerd op basis van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) krachtens artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU, dan wel op basis van andere door het college van toezichthouders ondernomen werkzaamheden;

b)

de focusgebieden van de werkzaamheden van het college van toezichthouders en zijn geplande toezichtwerkzaamheden, met inbegrip van geplande controles en inspecties ter plaatse bij de significante bijkantoren krachtens artikel 52, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

c)

de leden van het college van toezichthouders die belast zijn met de uitvoering van de geplande toezichtwerkzaamheden;

d)

(in voorkomend geval) de toewijzing van taken en verantwoordelijkheden voor, respectievelijk, de toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden;

e)

(in voorkomend geval) de waarnemers van het college van toezichthouders wanneer die waarnemers bij een toezichtactiviteit betrokken zijn;

f)

het verwachte tijdschema — zowel qua timing als qua duur — voor de geplande toezichtwerkzaamheden.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders vaststellen en bijwerken, wisselen zij zienswijzen uit over de mogelijkheid om taken toe te wijzen en verantwoordelijkheden te delegeren. Op basis daarvan overwegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders om, op vrijwillige basis, een overeenkomst te sluiten over de toewijzing van taken, met inbegrip van een eventuele delegatie van verantwoordelijkheden (in voorkomend geval), krachtens artikel 116, lid 1, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU, op voorwaarde dat verwacht mag worden dat die toewijzing of die delegatie leidt tot een doelmatiger en doeltreffender toezicht op de groep, en met name door het wegwerken van onnodige overlappingen in toezichteisen, met inbegrip van vereisten ten aanzien van informatieverzoeken.

4.   Van de sluiting van een overeenkomst over de toewijzing van taken of de delegatie van verantwoordelijkheden wordt kennisgegeven aan de betrokken instelling door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en aan het betrokken bijkantoor door de bevoegde autoriteit die haar bevoegdheden delegeert.

Artikel 35

Een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de instelling of haar significante bijkantoren

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de betrokken leden van het college van toezichthouders wisselen kwantitatieve en kwalitatieve informatie uit over gebeurtenissen met materiële nadelige gevolgen bij de instelling of bij haar significante bijkantoren die ernstige gevolgen voor de instelling zouden kunnen hebben, als bedoeld in artikel 117, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU.

2.   In het geval van dit soort gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel van de instelling of haar in een lidstaat gevestigde bijkantoren, beoordelen bevoegde autoriteiten de gevolgen van dit soort gebeurtenis op de instelling en haar significante bijkantoren, en bepalen zij:

a)

de aard en de ernst van de gebeurtenis;

b)

de (potentiële) impact van de gebeurtenis op het beschikbare eigen vermogen en het liquiditeitsniveau van de instelling en haar significante bijkantoren en de vraag of de instelling in ongunstige macro-economische, micro-economische en geopolitieke omstandigheden aan Verordening (EU) nr. 575/2013 of Richtlijn 2013/36/EU kan blijven voldoen;

c)

de mogelijkheden van de instelling en haar significante bijkantoren om bij een ernstige verstoring van de bedrijfsactiviteiten te functioneren;

d)

het risico op grensoverschrijdende besmetting en de potentiële systemische impact.

3.   Zodra de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst door een lid van het college van toezichthouders is gewaarschuwd over een gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen voor het risicoprofiel, of nadat zij dit soort gebeurtenis heeft geconstateerd, stelt zij de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door deze gebeurtenis worden geraakt, of dreigen te worden geraakt, en de EBA in kennis. Waarnemers, en met name de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst, worden in kennis gesteld indien die informatie relevant is voor de uitoefening van hun taken.

4.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die worden geraakt, of dreigen te worden geraakt, door de gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen, monitoren de situatie en werken de in lid 1 bedoelde informatie, in voorkomend geval, onmiddellijk bij zodra relevante nieuwe informatie beschikbaar komt.

5.   Op basis van de uitkomst van de beoordeling van de in lid 2 bedoelde gebeurtenis met materiële nadelige gevolgen en het verwachte verloop van die gebeurtenis kunnen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de betrokken leden van het college van toezichthouders het uitwerken van een gecoördineerde toezichtrespons coördineren.

Afdeling 3

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en tijdens noodsituaties en slotbepalingen

Artikel 36

Collegeraamwerk voor noodsituaties

1.   Overeenkomstig artikel 112, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college voor het college een kader vast om op mogelijke noodsituaties te anticiperen (“collegeraamwerk voor noodsituaties”).

2.   Het collegeraamwerk voor noodsituaties omvat ten minste het volgende:

a)

de collegespecifieke procedures die van toepassing zijn wanneer zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet;

b)

het minimum aan informatie dat wordt uitgewisseld wanneer zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet.

3.   Het in lid 2, punt b), bedoelde minimum aan informatie omvat het volgende:

a)

een schets van de noodsituatie die zich heeft voorgedaan, met inbegrip van de onderliggende oorzaak van de noodsituatie, en de verwachte gevolgen van de noodsituatie voor de instelling, voor de marktliquiditeit en voor de stabiliteit van het financiële stelsel;

b)

een uiteenzetting van de maatregelen en stappen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, leden van het college van toezichthouders of de instelling zelf in reactie op de noodsituatie hebben ondernomen of gepland;

c)

de recentst beschikbare kwantitatieve informatie over de liquiditeits- en kapitaalpositie van de instelling.

Artikel 37

Uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is voor het faciliteren van de uitoefening van de in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van die richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.

2.   Zodra de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst door een lid van het college van toezichthouders is gewaarschuwd over een noodsituatie, of nadat zij een noodsituatie heeft geconstateerd, deelt zij de in artikel 36, lid 2, punt b), bedoelde informatie, volgens de in punt a) van dat lid bedoelde procedures, mee aan de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, en aan de EBA.

3.   Afhankelijk van de aard, ernst, potentiële systeemeffecten of andere gevolgen en de kans op besmetting van de noodsituatie kunnen de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door deze noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aanvullende informatie uitwisselen.

4.   Wanneer de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van waarnemers, en met name van de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst die informatie mee aan die waarnemers.

5.   In het geval van een respons op een in artikel 27 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 bedoelde noodsituatie betrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst bij die respons en deelt zij van die autoriteit ontvangen input met de leden van het college van toezichthouders.

Artikel 38

Coördinatie van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie

1.   Wanneer zich een noodsituatie voordoet, zorgt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst krachtens artikel 112, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU voor de coördinatie en voorbereiding van de beoordeling van de noodsituatie (“de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders”) in samenwerking met de leden van het college.

2.   In de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie komt het volgende aan bod:

a)

de aard en ernst van de noodsituatie;

b)

de (potentiële) gevolgen van de noodsituatie voor de instelling en voor haar bijkantoren die worden geraakt of dreigen te worden geraakt;

c)

het risico op grensoverschrijdende besmetting.

3.   Voor de toepassing van lid 2, punt c), houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de mogelijke systeemeffecten in lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd.

Artikel 39

Coördinatie van de toezichtrespons op een noodsituatie

1.   Wanneer zich een noodsituatie voordoet, coördineert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst krachtens artikel 112, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU het uitwerken van een toezichtrespons op de noodsituatie (“gecoördineerde toezichtrespons”) in samenwerking met de leden van het college van toezichthouders.

2.   De gecoördineerde toezichtrespons wordt gebaseerd op de in artikel 38 bedoelde gecoördineerde beoordeling door toezichthouders en vermeldt de vereiste toezichtacties, de reikwijdte ervan en het tijdschema voor de uitvoering ervan.

3.   De gecoördineerde toezichtrespons wordt uitgewerkt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt. De gecoördineerde toezichtrespons houdt rekening met input van het voor het beheer van de noodsituatie relevante afwikkelingscollege voor de instelling, zoals bepaald door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst.

Artikel 40

Monitoring van de uitvoering van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door de noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, monitoren de uitvoering van de in artikel 39 bedoelde gecoördineerde toezichtrespons en wisselen daarover informatie uit.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat een update over de uitvoering van de overeengekomen acties binnen de vastgestelde termijn, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, en de noodzaak om die acties bij te werken of aan te passen.

Artikel 41

Coördinatie van externe communicatie in een noodsituatie

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op significante bijkantoren die door een noodsituatie worden geraakt of dreigen te worden geraakt, coördineren hun externe communicatie zo veel mogelijk, rekening houdende met de in artikel 24, lid 2, bedoelde elementen.

Artikel 42

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken gedelegeerde verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 43

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders (PB L 21 van 28.1.2016, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2016/98/oj).

(3)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1093/oj).

(4)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het nader bepalen van het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 21 van 28.1.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/99/oj).

(6)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).

(7)  Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten, en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1114/oj).

(8)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/849/oj).

(9)  Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/2034/oj).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 van 23 april 2025 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het operationele functioneren van de colleges van toezichthouders (PB L, 2025/790, 8.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/790/oj).

(11)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/87/oj).

(12)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/65/oj).

(13)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake algemene productveiligheid (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/49/oj).

(14)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 21 van 28.1.2016, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/100/oj).

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3117 van de Commissie van 29 november 2024 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie (PB L, 2024/3117, 27.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/3117/oj).

(16)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de informatie die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst aan elkaar verstrekken (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2014/524/oj).


BIJLAGE

CONCORDANTIETABEL

Deze gedelegeerde verordening

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98

Artikel 1

Artikel 1 (nieuw)

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 17

Artikel 20

Artikel 18

Artikel 21

Artikel 19

Artikel 22

Artikel 20

Artikel 23

Artikel 21

Artikel 24

Artikel 22

Artikel 25

Artikel 23

Artikel 26

Artikel 24

Artikel 27

Artikel 25

Artikel 28

Artikel 26

Artikel 29

Artikel 27

Artikel 30

Artikel 28

Artikel 31

Artikel 29

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 30

Artikel 34

Artikel 31

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 32

Artikel 37

Artikel 33

Artikel 38

Artikel 34

Artikel 39

Artikel 35

Artikel 40

Artikel 36

Artikel 41

Artikel 37

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 38


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2025/791/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)