|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/790 |
8.8.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/790 VAN DE COMMISSIE
van 23 april 2025
tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het operationele functioneren van colleges van toezichthouders
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 51, lid 5, tweede alinea, en artikel 116, lid 5, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2013/36/EU legt voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten regels vast voor toezichtbevoegdheden en -instrumenten. Colleges van toezichthouders zijn de instrumenten waarmee toezichtactiviteiten worden gecoördineerd. Krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU moeten de consoliderende toezichthouders colleges van toezichthouders oprichten om de uitoefening van bepaalde toezichthoudende taken te vergemakkelijken, en moeten zij zorgen voor passende coördinatie en samenwerking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van derde landen. Daarnaast moeten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, colleges van toezichthouders oprichten en voorzitten wanneer artikel 116 van die richtlijn niet van toepassing is. |
|
(2) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie (2) stelt regels vast voor het operationele functioneren van colleges van toezichthouders die overeenkomstig artikel 51, lid 3, en artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU moeten worden opgericht. Aangezien de in Richtlijn 2013/36/EU beschreven prudentiële vereisten met betrekking tot toezichtcolleges zijn gewijzigd, moeten diverse bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 worden geactualiseerd. Daarnaast moeten, om een soepele en tijdige uitwisseling van informatie tussen de leden en waarnemers van de colleges van toezichthouders en met de colleges die overeenkomstig andere sectorale wetgeving zijn opgericht, heldere en voorspelbare procedures worden vastgesteld binnen een helder beschreven operationeel raamwerk volgens specifieke templates. Om aan deze behoefte voor een verbetering van de uitwisseling van informatie van de colleges van toezichthouders tegemoet te komen, moeten de betrokken templates dienovereenkomstig worden geactualiseerd. Gezien het aantal wijzigingen dat in die uitvoeringsverordening nodig zou zijn om de aanpassingen van Richtlijn 2013/36/EU tot uiting te brengen, en ter wille van de duidelijkheid en rechtszekerheid, moet Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 worden ingetrokken en vervangen. |
|
(3) |
Het in kaart brengen van de groepsentiteiten in de Unie en in derde landen is een essentiële stap voor het identificeren van de in de artikelen 116 en 51 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde leden en potentiële waarnemers van de colleges van toezichthouders en vervolgens het oprichten van die colleges. Om bij te dragen tot de uitvoering van de karteringsexercitie, moet deze worden geleid door de consoliderende toezichthouder, in samenwerking met de potentiële leden van het college van toezichthouders die de mogelijkheid moeten krijgen opmerkingen te maken over en hun bijdrage te leveren aan die exercitie. Om ervoor te zorgen dat alle relevante informatie wordt verzameld en in de kartering tot uiting komt, moet deze worden uitgevoerd met gebruikmaking van een gemeenschappelijke template. Het is van essentieel belang dat de gemeenschappelijke karteringstemplate de opzet van colleges van toezichthouders weerspiegelt, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de colleges en de waarnemerspositie van colleges die overeenkomstig andere wetgeving zijn opgericht. |
|
(4) |
Op basis van de behoefte aan doeltreffende samenwerking tussen de leden van de colleges van toezichthouders, moeten die leden de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan de samenstelling van het college waar het waarnemers betreft. Wanneer de consoliderende toezichthouder voornemens is een autoriteit te verzoeken om als waarnemer deel te nemen, moeten de leden met een kennisgeving worden geïnformeerd en moeten zij voldoende tijd krijgen om dergelijke verzoeken te beoordelen. Wanneer dit soort waarnemerspositie niet door wetgeving wordt voorgeschreven, moeten de leden de mogelijkheid hebben daartegen bezwaar te maken. Bijgevolg is het van essentieel belang erop toe te zien dat tijdens de oprichting van het college de verzoeken van de consoliderende toezichthouder aan toekomstige leden voorafgaan aan die aan toekomstige waarnemers. |
|
(5) |
Om te zorgen voor een soepele communicatie tussen de leden en waarnemers van het college van toezichthouders, en met name in noodgevallen, moet de consoliderende toezichthouder een contactenlijst opstellen met alle nodige contactgegevens en met gegevens voor contact buiten werktijd, en moet hij die contactenlijst meedelen aan de leden en waarnemers van het college. |
|
(6) |
Het proces van het aangaan en wijzigen van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen moet worden geleid door de consoliderende toezichthouder, die ervoor moet zorgen dat de leden van het college van toezichthouders de mogelijkheid hebben om opmerkingen te maken bij en hun input te leveren voor de voorgestelde regelingen, waaronder de deelnemingsvoorwaarden voor waarnemers. Om ervoor te zorgen dat de door de toezichtcolleges aangegane regelingen consequent zijn in termen van structuur en behandelde bepalingen, maar toch de nodige mate van flexibiliteit bieden om collegespecifieke regelingen en afspraken op te nemen, moeten deze regelingen worden opgesteld aan de hand van een gemeenschappelijke template. Om ervoor te zorgen dat steeds adequaat informatie wordt gedeeld bij een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten, moet de template ook een beschrijving bevatten van de informatie die moet worden uitgewisseld indien zich dit soort gebeurtenis voordoet. |
|
(7) |
Als gevolg van de COVID-19-pandemie moest voor de vergaderingen van colleges van toezichthouders vaak worden overgeschakeld naar virtuele kanalen en zijn virtuele bijeenkomsten een belangrijk onderdeel van het functioneren van de colleges geworden. Om die verandering van praktijken te weerspiegelen, en om de continuïteit van de functies van de colleges bij vergelijkbare gebeurtenissen in de toekomst te garanderen, moet de consoliderende toezichthouder flexibiliteit krijgen om over de vorm van de collegevergaderingen te beslissen. Hoewel het college van toezichthouders steeds de mogelijkheid moet hebben om virtuele vergaderingen te organiseren, moet de consoliderende toezichthouder bij zijn keuze voor de vergadervorm rekening houden met de doelstellingen van de vergadering, en met name voor het bereiken van gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU en over de beoordeling van het groepsherstelplan overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(8) |
Om ervoor te zorgen dat het college van toezichthouders een platform vormt voor de uitwisseling van informatie, samenwerking en coördinatie — met als doel het beschermen van de belangen van depositohouders en beleggers in hun lidstaten en het beschermen van de financiële stabiliteit binnen de Unie — moet de uitwisseling van informatie met de leden (en waarnemers), en met name met de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau of de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst, worden versterkt. Daarom moet de consoliderende toezichthouder een specifiek informatie-element naar de waarnemers van het college van toezichthouders doorgeleiden, wanneer de consoliderende toezichthouder dit relevant acht voor de uitoefening van hun taken, met name in gevallen waarin een groepsentiteit inbreuk maakt, of door een snel verslechterende financiële situatie in de nabije toekomst dreigt inbreuk te maken, op Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) of Richtlijn 2013/36/EU, in noodsituaties of in het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten. Om de vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s of kwetsbaarheden beter te kunnen opvangen zodat deze kunnen worden meegenomen in het verslag met de risicobeoordeling van de groep en het verslag met de beoordeling van het liquiditeitsrisico, moeten de consoliderende toezichthouder en overige leden van het college van toezichthouders vooraf overeenstemming bereiken over de indicatoren die ten minste jaarlijks dienen te worden uitgewisseld. Die indicatoren moeten worden berekend op basis van de toezichtdata die bevoegde autoriteiten verzamelen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3117 van de Commissie (5). Om te borgen dat regelmatig informatie over de indicatoren wordt uitgewisseld, moet de template voor de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen een bijlage bevatten met een lijst van overeengekomen indicatoren. |
|
(9) |
Het opstellen en bijwerken van het raamwerk van het college voor noodsituaties moet worden geleid door de consoliderende toezichthouder, die ervoor moet zorgen dat de leden van het college van toezichthouders de mogelijkheid hebben opmerkingen te maken bij en hun input te leveren voor het voorgestelde raamwerk. De specifieke operationele regelingen voor elk college van toezichthouders wat betreft informatie-uitwisseling, samenwerking en coördinatie tussen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders in een noodsituatie moeten worden beschreven in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen zodat doelmatige en doeltreffende samenwerking bij en beheer van een noodsituatie gegarandeerd is. Om te verzekeren dat bij de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie wordt rekening gehouden met alle relevante informatie met het oog op het best mogelijke beheer van de situatie, is het van cruciaal belang dat de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau betrokken wordt. Daarom moet de input van het afwikkelingscollege door de consoliderende toezichthouder worden gedeeld met de leden van het college van toezichthouders en worden meegenomen bij het uitwerken van de gecoördineerde toezichtrespons. |
|
(10) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Bankautoriteit (“EBA”) aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(11) |
De EBA heeft open publieke consultaties georganiseerd over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en het advies ingewonnen van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
OPERATIONEEL FUNCTIONEREN VAN IN ARTIKEL 116 VAN RICHTLIJN 2013/36/EU BEDOELDE COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS
Artikel 1
Kartering van een groep instellingen
1. De consoliderende toezichthouder dient de ontwerpkartering, die is opgesteld overeenkomstig artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 van de Commissie (7), in bij de autoriteiten die in aanmerking komen om, krachtens artikel 3, lid 1, van die verordening, lid te worden van het college van toezichthouders (“potentiële leden van het college van toezichthouders”), nodigt die autoriteiten uit hun zienswijzen te verschaffen en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
2. Ten behoeve van de kartering en onverminderd artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU neemt de consoliderende toezichthouder alle zienswijzen in overweging die de potentiële leden van het college van toezichthouders formuleren.
3. Na voltooiing van de kartering doet de consoliderende toezichthouder deze toekomen aan alle potentiële leden van het toezichtcollege.
4. De consoliderende toezichthouder werkt de kartering, overeenkomstig de in de leden 1, 2 en 3 beschreven procedure, ten minste op jaarbasis bij. De kartering wordt frequenter bijgewerkt wanneer er significante veranderingen zijn in de structuur van de groep van instellingen.
5. De consoliderende toezichthouder gebruikt de template uit bijlage I voor het maken en bijwerken van de kartering.
Artikel 2
Oprichting van een college van toezichthouders
1. De consoliderende toezichthouder zendt het in artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde verzoek aan de in dat artikel bedoelde autoriteiten en bepaalt een termijn voor de aanvaarding ervan.
Autoriteiten die een in de eerste alinea bedoeld verzoek ontvangen, krijgen de status van leden van het college van toezichthouders bij het aanvaarden van het verzoek of, indien binnen de aanvaardingstermijn geen bezwaar is gemaakt, na het verstrijken van die termijn.
2. De consoliderende toezichthouder verstrekt de autoriteiten die het in lid 1 bedoelde verzoek hebben ontvangen, een kennisgeving. Die kennisgeving bevat het volgende:
|
a) |
de lijst met autoriteiten die de consoliderende toezichthouder verzoekt waarnemer te worden van het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791; |
|
b) |
de lijst met autoriteiten die de consoliderende toezichthouder verzoekt waarnemer te worden van het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791; |
|
c) |
het voorstel met de voorwaarden voor deelname van de in de punten a) en b) bedoelde waarnemers aan het college van toezichthouders; |
|
d) |
ten aanzien van in artikel 3, lid 2, punt a), en artikel 3, lid 3, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde toezichthoudende autoriteiten uit derde landen: het advies van de consoliderende toezichthouder over de gelijkwaardigheidsbeoordeling van de vertrouwelijkheidseisen die op de toezichthoudende autoriteit van het derde land van toepassing zijn. |
3. In de in lid 2 bedoelde kennisgeving bepaalt de consoliderende toezichthouder een adequate termijn waarbinnen leden van het college van toezichthouders die niet akkoord gaan, schriftelijk hun volledig met redenen omklede bezwaar tegen het in punt b), c) of d) van dat lid bedoelde voorstel of advies van de consoliderende toezichthouder kunnen formuleren. Indien binnen die termijn geen bezwaren zijn geformuleerd, worden de leden van het college van toezichthouders geacht te hebben ingestemd met het voorstel of het advies.
4. De consoliderende toezichthouder treedt in dialoog met leden die niet akkoord gaan als bedoeld in lid 3, met de hulp van de EBA en de overige leden van het college van toezichthouders, al naargelang, teneinde overeenstemming te bereiken.
5. Wanneer alle leden van het college van toezichthouders overeenstemming hebben bereikt over het in lid 2 bedoelde voorstel en advies, zendt de consoliderende toezichthouder de in artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde autoriteiten de verzoeken om waarnemer te worden van het college van toezichthouders en bepaalt hij een termijn voor de aanvaarding van die verzoeken. Dat verzoek gaat vergezeld van de voorwaarden om als waarnemer te kunnen deelnemen.
De in de eerste alinea bedoelde autoriteiten krijgen de status van waarnemers van het college van toezichthouders bij het aanvaarden van het verzoek en de voorwaarden om als waarnemer deel te nemen, of na het verstrijken van de aanvaardingstermijn indien zij vóór die termijn geen bezwaar hadden gemaakt.
6. In artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde autoriteiten kunnen verzoeken om waarnemers van een college van toezichthouders te mogen worden. Dat verzoek wordt aan de consoliderende toezichthouder gericht. Wanneer de consoliderende toezichthouder beslist om die autoriteiten te verzoeken aan het college van toezichthouders deel te nemen als waarnemers, is de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel beschreven procedure van toepassing.
Artikel 3
Contactenlijsten
1. De consoliderende toezichthouder zorgt voor het opstellen en bijhouden van een contactenlijst die de volledige contactgegevens bevat, en een contactenlijst voor noodsituaties die de volledige contactgegevens en de gegevens voor contacten buiten werktijd bevat die bij noodsituaties moeten worden gebruikt, en deelt deze contactenlijsten mee aan de leden en waarnemers van het college van toezichthouders, gebruikmakend van de template in bijlage II. De contactenlijst en de contactenlijst voor noodsituaties worden gehecht aan de in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.
2. De leden van het college van toezichthouders verschaffen de consoliderende toezichthouder hun contactgegevens en gegevens voor contacten buiten werktijd en informeren de consoliderende toezichthouder zonder onnodige vertraging over iedere verandering in die gegevens.
3. Nadat de consoliderende toezichthouder informatie over een in lid 2 bedoelde verandering heeft ontvangen, deelt hij zonder onnodige vertraging een bijgewerkte versie van de contactenlijst of contactenlijst voor noodsituaties mee aan de leden en waarnemers van het college van toezichthouders.
Artikel 4
Schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen
1. De consoliderende toezichthouder werkt een voorstel uit voor het aangaan van in artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.
2. De consoliderende toezichthouder deelt zijn voorstel mee aan de leden van het college van toezichthouders, nodigt hen uit hun zienswijzen te verschaffen en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
3. Voor het afronden van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen houdt de consoliderende toezichthouder rekening met alle door de leden van het college van toezichthouders geformuleerde zienswijzen en licht hij, zo nodig, toe waarom die zienswijzen niet zijn opgenomen.
4. Wanneer de consoliderende toezichthouder de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen heeft afgerond, deelt hij deze aan de leden van het college van toezichthouders mee.
5. Indien de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders zulks noodzakelijk achten, wordt de tenuitvoerlegging van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen getoetst door middel van simulatieoefeningen of op een andere wijze, naargelang het geval.
6. De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders overwegen, indien nodig, om de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen te wijzigen indien er veranderingen plaatsvinden in een van de in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde elementen.
De schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen worden gewijzigd overeenkomstig lid 7, om iedere verandering in het lidmaatschap van het college van toezichthouders te weerspiegelen.
De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders herzien de elementen van de in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen op een in die regelingen bepaalde regelmatige basis.
7. De consoliderende toezichthouder en de leden van het toezichtcollege wijzigen de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen volgens de in de leden 1 tot en met 4 beschreven procedure.
8. De consoliderende toezichthouder gebruikt de template in bijlage II om schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen aan te gaan en te wijzigen.
Artikel 5
Vergaderingen en werkzaamheden van colleges van toezichthouders
1. Colleges van toezichthouders beleggen ten minste één vergadering per jaar. De consoliderende toezichthouder kan echter, met instemming van alle leden van het college van toezichthouders en rekening houdende met de specifieke aspecten van de groep, een andere vergaderfrequentie bepalen.
2. De consoliderende toezichthouder legt de doelstellingen van de vergaderingen van het college van toezichthouders vast. De consoliderende toezichthouder ziet erop toe dat die doelstellingen worden weerspiegeld in de vergaderagenda.
3. De consoliderende toezichthouder beslist of de vergadering in fysieke of in virtuele vorm plaatsvindt, afhankelijk van de doelstellingen van de vergadering.
4. De consoliderende toezichthouder zendt de ontwerpagenda van de vergadering aan alle leden van het college van toezichthouders, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en aan de waarnemers van het college van toezichthouders die de consoliderende toezichthouder voornemens is uit te nodigen overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791, en hij nodigt hen uit om voorstellen voor eventuele verdere agendapunten te doen.
De consoliderende toezichthouder houdt rekening met voorstellen voor agendapunten die de in de eerste alinea bedoelde leden en waarnemers hebben gedaan, en licht, op verzoek, toe waarom die voorstellen niet zijn opgenomen.
5. De consoliderende toezichthouder en de leden en waarnemers van het college van toezichthouders die bij een specifieke vergadering of activiteit betrokken zijn, wisselen documenten en bijdragen aan werkdocumenten ruim vóór de vergadering of de activiteit uit, zodat alle deelnemers aan de vergadering of activiteit actief aan het overleg kunnen bijdragen.
Artikel 6
Uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders
1. Wanneer de consoliderende toezichthouder van een lid van het toezichtcollege de in artikel 9, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie ontvangt, geleidt hij die informatie door naar de overige leden van het college van toezichthouders.
Indien de consoliderende toezichthouder van oordeel is dat de in de eerste alinea bedoelde informatie niet relevant is voor een bepaald lid van het college van toezichthouders, raadpleegt hij dat lid eerst en verstrekt hij dat lid de essentiële punten van de informatie zodat dat lid de relevantie van die informatie kan bepalen.
2. De consoliderende toezichthouder en de leden van het toezichtcollege geleiden de in artikel 9, leden 4 en 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie onderling door.
3. Wanneer zulks voor het doelmatige en doeltreffende functioneren van het college van toezichthouders noodzakelijk is, organiseert de consoliderende toezichthouder dat college in verschillende substructuren. Wanneer het college van toezichthouders in verschillende substructuren is georganiseerd, houdt de consoliderende toezichthouder alle leden van het college van toezichthouders, zonder onnodige vertraging, volledig op de hoogte van de binnen verschillende substructuren ondernomen acties of genomen maatregelen.
4. De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders bereiken overeenstemming over de wijze waarop informatie wordt uitgewisseld en geven aan die overeenstemming verdere invulling in de overeenkomstig artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.
Artikel 7
Uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en waarnemers van het college van toezichthouders
1. Wanneer overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU een gemeenschappelijk besluit over instellingsspecifieke prudentiële vereisten is bereikt, verstrekt de consoliderende toezichthouder de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de in artikel 17, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie.
2. In het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten, deelt de consoliderende toezichthouder de betrokken waarnemers de desbetreffende informatie mee die ten behoeve van artikel 18 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 is gedeeld.
Artikel 8
Doorlopende toetsing van de toestemming om interne benaderingen te hanteren
1. Wanneer in een lidstaat gevestigde instellingen, daaronder begrepen de EU-moederonderneming, niet langer voldoen aan de vereisten om een interne benadering te hanteren overeenkomstig artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 4 of lid 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013, of wanneer in artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde betrokken leden (“betrokken lid”) materiële tekortkomingen overeenkomstig artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU constateren, werken de consoliderende toezichthouder en het betrokken lid, in volledig overleg, samen om overeenstemming te bereiken over volgende punten:
|
a) |
de intrekking van de toestemming om het interne model te hanteren als bedoeld in artikel 11, lid 2, punt c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791; |
|
b) |
de beperking op het hanteren van het interne model als bedoeld in artikel 11, lid 2, punt c), van die gedelegeerde verordening; |
|
c) |
het opleggen van aanvullende eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 11, lid 2, punt d), van die gedelegeerde verordening. |
2. De consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op entiteiten die het goedgekeurde interne model hanteren en te maken hebben met de in lid 1 bedoelde tekortkomingen, nemen gezamenlijk het besluit over de intrekking van de toestemming om een intern model te hanteren of over de beperking op het hanteren van het interne model. De samenwerking tussen de consoliderende toezichthouder en die leden verloopt volgens de in de artikelen 3 tot en met 9 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie (8) beschreven procedure.
3. Een in lid 1, punt c), van dit artikel bedoeld besluit over het opleggen van aanvullende eigenvermogensvereisten wordt genomen overeenkomstig de in artikel 113, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU beschreven procedure voor een gezamenlijk besluit over het kapitaal.
4. De consoliderende toezichthouder informeert alle overige leden van het college van toezichthouders over de krachtens lid 1 genomen besluiten, wanneer hij van oordeel is dat deze informatie waarschijnlijk van invloed zal zijn op andere werkzaamheden van het college of dat deze informatie van essentieel belang is voor de uitoefening van de taken van andere leden van het college.
Artikel 9
Kennisgeving van niet-materiële uitbreidingen of veranderingen in interne benaderingen
1. De consoliderende toezichthouder informeert alle betrokken leden van het college van toezichthouders onverwijld over alle niet-materiële uitbreidingen of veranderingen van een goedgekeurd intern model die op instellingen in een lidstaat van invloed kunnen zijn.
2. Een betrokken lid van een college van toezichthouders informeert de consoliderende toezichthouder over niet-materiële uitbreidingen of veranderingen die van invloed zijn op instellingen die onder de toezichtbevoegdheid van dat lid vallen.
3. Een betrokken lid van een college van toezichthouders dat zorgen heeft over de indeling van een uitbreiding als niet-materieel, deelt die zorgen mee aan de consoliderende toezichthouder. De consoliderende toezichthouder verstrekt die informatie aan de andere betrokken leden van het college van toezichthouders.
Een consoliderende toezichthouder die zorgen heeft over de indeling van een uitbreiding of verandering als niet-materieel, deelt die zorgen mee aan alle betrokken leden van het college van toezichthouders. De consoliderende toezichthouder en die leden plegen nader overleg over die zorgen om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over het materiële karakter van de uitbreiding of verandering.
4. Wanneer de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het toezichtcollege van oordeel zijn dat uitbreidingen of veranderingen van een goedgekeurd intern model door de instelling in kwestie ten onrechte als niet-materieel zijn aangemerkt, stellen zij die instelling onverwijld hiervan op de hoogte.
Artikel 10
Uitwisseling van informatie over vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico’s en kwetsbaarheden
1. De leden van het college van toezichthouders berekenen de in artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde indicatoren op basis van de informatie die bevoegde autoriteiten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3117 bij ondertoezichtstaande instellingen inzamelen.
De overeengekomen indicatoren worden opgenomen in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen, als bedoeld in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791, en zijn gebaseerd op de template voor de lijst van indicatoren in bijlage II bij deze verordening.
2. Elk lid van het college van toezichthouders dat deelneemt aan het opstellen van een verslag met de risicobeoordeling van de groep waarvan sprake in artikel 113, lid 2, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU of een verslag met de beoordeling van het liquiditeitsrisico van de groep waarvan sprake in artikel 113, lid 2, punt b), van die richtlijn ten behoeve van het bereiken van gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig dat artikel, deelt de consoliderende toezichthouder de waarden mee van de overeengekomen indicatoren voor de instelling die onder zijn toezichtbevoegdheid valt, in voorkomend geval.
3. De consoliderende toezichthouder verstrekt elk in lid 2 bedoeld lid van het college van toezichthouders:
|
a) |
de in dat lid 2 bedoelde waarden; |
|
b) |
de waarden van de overeengekomen indicatoren voor de EU-moederonderneming en op geconsolideerd niveau. |
4. De consoliderende toezichthouder en de in lid 2 bedoelde leden van het college van toezichthouders wisselen de waarden van de overeengekomen indicatoren ten minste jaarlijks uit of vaker indien overeengekomen door die bevoegde autoriteiten. In het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten, worden de waarden van de in dat lid bedoelde indicatoren die door deze gebeurtenis worden geraakt, zonder onnodige vertraging bijgewerkt en uitgewisseld door de consoliderende toezichthouder en de in lid 2 bedoelde leden van het college van toezichthouders.
Artikel 11
Programma voor onderzoek en het toevertrouwen van taken en delegeren van verantwoordelijkheden
1. Wanneer het in artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gezamenlijke besluit over instellingsspecifieke prudentiële vereisten is bereikt, verschaffen de leden van het college van toezichthouders de consoliderende toezichthouder hun bijdrage ten behoeve van het vaststellen van het in artikel 116, lid 1, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde programma voor onderzoek van het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791.
2. Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde bijdragen stelt de consoliderende toezichthouder een ontwerpprogramma voor onderzoek op voor het college van toezichthouders, met inbegrip van (in voorkomend geval) het toevertrouwen van taken en het delegeren van verantwoordelijkheden.
3. De consoliderende toezichthouder laat het ontwerpprogramma voor onderzoek circuleren onder de leden van het college van toezichthouders, nodigt hen uit om schriftelijk hun zienswijzen over de gebieden voor gezamenlijke werkzaamheden en voorstellen voor het toevertrouwen van taken en het delegeren van verantwoordelijken te verschaffen en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
4. Voor het afronden van het programma voor onderzoek houdt de consoliderende toezichthouder rekening met alle door de leden van het college van toezichthouders geformuleerde zienswijzen en voorbehouden en licht hij, zo nodig, toe waarom die zienwijzen niet zijn opgenomen.
5. Wanneer de consoliderende toezichthouder het programma voor onderzoek klaar heeft, deelt hij dat programma aan de leden van het college van toezichthouders mee, samen met overeenkomsten die zij hebben bereikt, op vrijwillige basis, over het toevertrouwen van taken en het delegeren van verantwoordelijkheden overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791.
6. Het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders wordt ten minste jaarlijks bijgewerkt, of vaker indien de noodzaak hiertoe blijkt uit de toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) krachtens artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU, of als gevolg van gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig artikel 113 van die richtlijn.
7. De consoliderende toezichthouder werkt het programma voor onderzoek overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 5 beschreven procedure bij.
Artikel 12
Uitwisseling van informatie bij een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten
In het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de groep of zijn entiteiten als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791, gebruiken de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college van toezichthouders de template in bijlage II om de in artikel 18, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie te communiceren.
Artikel 13
Collegeraamwerk voor noodsituaties
1. Voor de toepassing van artikel 19 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 werkt de consoliderende toezichthouder een voorstel uit tot vaststelling van een collegeraamwerk voor noodsituaties.
2. De consoliderende toezichthouder deelt zijn voorstel mee aan de leden van het college van toezichthouders, nodigt hen uit hun zienswijzen te verschaffen en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
3. De consoliderende toezichthouder houdt rekening met zienswijzen en voorbehouden die de leden van het college van toezichthouders hebben geformuleerd en geeft, wanneer die zienswijzen en voorbehouden niet in aanmerking zijn genomen, de redenen daarvoor aan.
4. De consoliderende toezichthouder deelt de definitieve versie van het collegeraamwerk voor noodsituaties mee aan de leden van het college van toezichthouders.
5. De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders herzien het collegeraamwerk voor noodsituaties ten minste jaarlijks en werken dat collegeraamwerk zo nodig bij.
6. De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders werken het collegeraamwerk voor noodsituaties bij overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 4 beschreven procedure.
Artikel 14
Uitwisseling van informatie in een noodsituatie
1. Een consoliderende toezichthouder die kennis krijgt van een noodsituatie die van invloed is, of dreigt te zijn, op een instelling of bijkantoor van de groep die in een lidstaat is gevestigd, waarschuwt zonder onnodige vertraging de EBA en het lid van het college van toezichthouders dat toezicht houdt op de instelling of het bijkantoor waarop die noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn.
2. Een lid van het college van toezichthouders dat kennis krijgt van een noodsituatie die van invloed is, of dreigt te zijn, op een instelling of bijkantoor van de groep die in een lidstaat gevestigd is, waarschuwt de consoliderende toezichthouder zonder onnodige vertraging.
3. De consoliderende toezichthouder zorgt ervoor dat alle overige leden van het college van toezichthouders adequaat worden geïnformeerd over het volgende:
|
a) |
de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie als bedoeld in artikel 15; |
|
b) |
de gecoördineerde toezichtrespons als bedoeld in artikel 16, met inbegrip van de ondernomen of geplande acties, en de monitoring daarvan, als bedoeld in artikel 17; |
|
c) |
de vroegtijdige-interventiemaatregelen die zijn genomen krachtens de artikelen 27, 28 en 29 van Richtlijn 2014/59/EU, voor zover van toepassing, rekening houdende met de noodzaak tot coördinatie van die maatregelen overeenkomstig artikel 30 van die richtlijn, of met het bepalen van de afwikkelingsvoorwaarden krachtens artikel 32 van die richtlijn. |
4. Een noodsituatie die tot een specifieke groepsentiteit beperkt blijft, wordt door het lid van het college van toezichthouders dat met het toezicht op die betreffende groepsentiteit belast is, samen met de consoliderende toezichthouder beheerd.
5. De in artikel 20, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie wordt onmiddellijk bijgewerkt zodra nieuwe informatie beschikbaar komt.
6. Wanneer de uitwisseling van informatie of enigerlei communicatie als bedoeld in artikel 20 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 mondeling plaatsvindt, bevestigen de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging schriftelijk de inhoud van die communicatie of informatie.
Artikel 15
Coördinatie van de beoordeling door toezichthouders van een noodsituatie
1. Voor de toepassing van artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 coördineert de consoliderende toezichthouder het uitwerken van een ontwerp van gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie, op basis van zijn eigen beoordeling en die van de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op de groepsentiteiten waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn.
2. Het ontwerp van gecoördineerde beoordeling door toezichthouders omvat de groepsentiteiten waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn. De zienswijzen en beoordelingen van de in artikel 14, lid 4, bedoelde leden van het college van toezichthouders die met het toezicht op die groepsentiteiten belast zijn, en de input van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau worden afdoende in aanmerking genomen door de consoliderende toezichthouder.
3. Wanneer een noodsituatie beperkt blijft tot een specifieke groepsentiteit, voert het lid van het college van toezichthouders dat met het toezicht op die groepsentiteit belast is, de beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie uit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder.
Artikel 16
Coördinatie van de toezichtrespons op een noodsituatie
1. Voor de toepassing van artikel 22 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 leidt de consoliderende toezichthouder het uitwerken van een toezichtrespons op de noodsituatie ten aanzien van de groep en de groepsentiteiten waarop noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn. De zienswijzen en beoordelingen van de leden van het college van toezichthouders die met het toezicht op die groepsentiteiten belast zijn, worden afdoende in aanmerking genomen door de consoliderende toezichthouder.
2. Wanneer een noodsituatie beperkt blijft tot een specifieke groepsentiteit, werkt het lid van het college van toezichthouders dat met het toezicht op die groepsentiteit belast is, de gecoördineerde toezichtrespons op de noodsituatie uit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder.
3. De consoliderende toezichthouder en de leden van het toezichtcollege voeren de in de leden 1 en 2 bedoelde taken zonder onnodige vertraging uit.
4. Het uitwerken van de gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van een noodsituatie waarvan sprake in artikel 15 en het uitwerken van de gecoördineerde toezichtrespons op die noodsituatie kunnen parallel aan elkaar worden uitgevoerd.
Artikel 17
Monitoring en bijwerking van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie
1. Voor de toepassing van artikel 23 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 coördineert de consoliderende toezichthouder de monitoring van de uitvoering van de in de gecoördineerde toezichtrespons gespecificeerde toezichtmaatregelen.
2. De leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op de groepsentiteiten waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn, informeren de consoliderende toezichthouder over het verloop van de noodsituatie en over de tenuitvoerlegging van de toezichtmaatregelen met betrekking tot hun groepsentiteiten, al naargelang.
3. De consoliderende toezichthouder verstrekt de leden van het college van toezichthouders, daaronder begrepen de EBA, updates over de monitoring van de gecoördineerde toezichtrespons. Die updates omvatten de groep en de groepsentiteiten waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn.
4. De consoliderende toezichthouder en de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op de groepsentiteiten waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn, gaan na of het noodzakelijk is om de gecoördineerde toezichtrespons bij te werken, rekening houdende met de informatie die zij van elkaar ontvangen bij het monitoren van de tenuitvoerlegging van die respons.
5. De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde taken worden zonder onnodige vertraging uitgevoerd.
HOOFDSTUK 2
OPERATIONEEL FUNCTIONEREN VAN IN ARTIKEL 51, LID 3, VAN RICHTLIJN 2013/36/EU BEDOELDE COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS
Artikel 18
Kartering van instellingen, oprichting van een college van toezichthouders, contactenlijsten en schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen
1. Voor in artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde colleges van toezichthouders voert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de volgende taken uit:
|
a) |
opstellen en bijwerken van de kartering van een instelling; |
|
b) |
oprichten van een toezichtcollege; |
|
c) |
opstellen en bijwerken van contactenlijsten; |
|
d) |
aangaan en wijzigen van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen. |
2. Voor de toepassing van lid 1 zijn de artikelen 1 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
Vergaderingen en werkzaamheden van het college van toezichthouders
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst brengt een regelmatige samenwerking met leden van het college van toezichthouders tot stand in de vorm van vergaderingen of andere werkzaamheden.
2. De organisatie van vergaderingen en werkzaamheden, en de doelstellingen daarvan, worden door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst meegedeeld aan de leden van het college van toezichthouders, daaronder begrepen de EBA.
3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst legt duidelijk de doelstellingen van de vergaderingen of werkzaamheden vast en ziet erop toe dat die doelstellingen in de agendapunten van de vergaderingen of in de werkzaamheden worden weerspiegeld.
4. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zendt de ontwerpagenda van de vergadering aan alle leden van het college van toezichthouders, aan de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat van herkomst en aan de waarnemers van het college van toezichthouders die de consoliderende toezichthouder voornemens is uit te nodigen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791, en hij nodigt hen uit voorstellen voor eventuele verdere agendapunten te doen. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst houdt rekening met voorstellen voor agendapunten die deze leden hebben gedaan, en licht desgevraagd toe waarom deze niet zijn opgenomen.
5. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden en waarnemers van het college van toezichthouders die bij een specifieke vergadering of activiteit betrokken zijn, laten documenten en bijdragen voor werkdocumenten voldoende ruim vóór de activiteit of vergadering circuleren zodat de deelnemende leden en waarnemers van het college daarmee afdoende rekening kunnen houden.
Artikel 20
Algemeen raamwerk voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en leden van het college van toezichthouders
1. Wanneer de consoliderende toezichthouder van een lid van het toezichtcollege de in artikel 30, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie ontvangt, geleidt hij die informatie door naar de overige leden van het college van toezichthouders.
Indien de consoliderende toezichthouder van de lidstaat van herkomst van oordeel is dat de in de eerste alinea bedoelde informatie niet relevant is voor een bepaald lid van het college van toezichthouders, raadpleegt hij dat lid eerst en verstrekt hij de essentiële punten van de informatie zodat dat lid de relevantie van die informatie kan bepalen.
2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders geven de in artikel 30, lid 4, van de gedelegeerde verordening bedoelde informatie aan elkaar door.
3. Wanneer zulks voor het doelmatige en doeltreffende functioneren van het college van toezichthouders noodzakelijk is, organiseert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat college in verschillende substructuren. Wanneer het college van toezichthouders in verschillende substructuren is georganiseerd, houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst alle leden van het college van toezichthouders, zonder onnodige vertraging, volledig op de hoogte van de binnen verschillende substructuren ondernomen acties of genomen maatregelen.
4. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders bereiken overeenstemming over de wijze waarop informatie wordt uitgewisseld en geven aan die overeenstemming verdere invulling in de overeenkomstig artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.
Artikel 21
Algemeen raamwerk voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en waarnemers van het college van toezichthouders
1. De in artikel 31, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aan de afwikkelingsautoriteit van die lidstaat verstrekt zodra de in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP) is afgerond.
2. In het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de instelling of haar significante bijkantoren, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de betrokken waarnemers de desbetreffende informatie mee die ten behoeve van artikel 35 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 is gedeeld.
Artikel 22
Programma voor onderzoek
1. Voor het opstellen van het in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde programma voor onderzoek van het college van toezichthouders en overeenkomstig artikel 33 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 verstrekken de leden van het college van toezichthouders hun bijdrage aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
2. Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde bijdragen stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst ten behoeve van het college van toezichthouders een ontwerpprogramma voor onderzoek op.
3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst laat dit ontwerpprogramma voor onderzoek circuleren onder de leden van het college van toezichthouders, nodigt hen uit om schriftelijk hun zienswijzen over de gebieden voor gezamenlijke werkzaamheden te verschaffen en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
4. Voor het afronden van het programma voor onderzoek houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met alle door de leden van het college van toezichthouders geformuleerde zienswijzen en licht hij, zo nodig, toe waarom die zienswijzen niet zijn opgenomen.
5. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst het programma voor onderzoek klaar heeft, deelt hij dat programma aan de leden van het college van toezichthouders mee.
6. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst werkt het programma voor onderzoek van het college van toezichthouders ten minste jaarlijks bij overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel beschreven procedure, of vaker wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst of de leden van het college van toezichthouders die bijwerking noodzakelijk achten als gevolg van de krachtens artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU uitgevoerde toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP).
Artikel 23
Uitwisseling van informatie bij een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de instelling of haar significante bijkantoren
In het geval van een in artikel 35, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel van de instelling of haar significante bijkantoren, gebruiken de in artikel 35, lid 1, van die verordening bedoelde bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en betrokken leden van het college van toezichthouders de template in bijlage II om onderling de in artikel 35, lid 1, van die verordening bedoelde informatie uit te wisselen.
Artikel 24
Collegeraamwerk voor noodsituaties
1. Voor de toepassing van artikel 36 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 werkt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst een voorstel uit tot vaststelling van een collegeraamwerk voor noodsituaties.
2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet haar voorstel tot vaststelling van een collegeraamwerk voor noodsituaties toekomen aan de leden van het college van toezichthouders, nodigt hen uit hun zienswijzen te geven en geeft een termijn aan voor het indienen van die zienswijzen.
3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst houdt rekening met zienswijzen die de leden van het college van toezichthouders hebben geformuleerd en geeft, wanneer die zienswijzen niet in aanmerking zijn genomen, de redenen daarvoor aan.
4. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst deelt de definitieve versie van het collegeraamwerk voor noodsituaties aan de leden van het college van toezichthouders mee.
5. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders herzien het collegeraamwerk voor noodsituaties, ten minste op jaarbasis, en werken het zo nodig bij.
6. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de leden van het college van toezichthouders werken het collegeraamwerk voor noodsituaties bij overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 4 beschreven procedure.
Artikel 25
Uitwisseling van informatie in een noodsituatie
1. De in artikel 37, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 bedoelde informatie wordt onmiddellijk bijgewerkt zodra nieuwe informatie beschikbaar komt.
2. Wanneer de uitwisseling van informatie of enigerlei communicatie als bedoeld in artikel 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 mondeling plaatsvindt, bevestigen de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging schriftelijk de inhoud van die communicatie of informatie.
3. Wanneer een lid van het toezichtcollege kennis krijgt van een noodsituatie die van invloed is of dreigt te zijn op een bijkantoor in zijn rechtsgebied, waarschuwt dit lid de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging.
Artikel 26
Coördinatie van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie
1. Voor de toepassing van artikel 38 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 coördineert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst het uitwerken van een ontwerp van gecoördineerde beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie, op basis van zijn eigen beoordeling en die van de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op bijkantoren waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn.
2. Het ontwerp van gecoördineerde beoordeling door toezichthouders omvat de bijkantoren waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn. De zienswijzen en beoordelingen van de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op bijkantoren waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn, komen afdoende tot uiting in het ontwerp van gecoördineerde beoordeling door toezichthouders.
3. Wanneer een noodsituatie beperkt blijft tot een specifiek bijkantoor, voert het lid van het college van toezichthouders dat met het toezicht op dat bijkantoor belast is, de beoordeling door toezichthouders van de noodsituatie uit in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
Artikel 27
Coördinatie, monitoring en bijwerking van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie
1. Bij het uitwerken van de gecoördineerde respons op een noodsituatie overeenkomstig artikel 39 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst afdoende rekening met de zienswijzen van de leden van het college van toezichthouders die toezicht houden op bijkantoren waarop de noodsituatie van invloed is of dreigt te zijn.
2. In voorkomend geval coördineert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de monitoring van de uitvoering van de in de toezichtrespons vastgestelde maatregelen.
3. De leden van het college van toezichthouders stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst op de hoogte van het verloop van de noodsituatie en de uitvoering van overeengekomen maatregelen met betrekking tot de bijkantoren in hun rechtsgebied.
4. Alle actualiseringen met betrekking tot de monitoring van de gecoördineerde toezichtrespons worden door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verstrekt aan de leden van het college van toezichthouders, daaronder begrepen de EBA.
5. Het uitwerken van de beoordeling door toezichthouders van een noodsituatie waarvan sprake in artikel 26 en het uitwerken van de gecoördineerde toezichtrespons op die noodsituatie kunnen parallel aan elkaar worden uitgevoerd.
Artikel 28
Intrekking
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken uitvoeringsverordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.
Artikel 29
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 april 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het nader bepalen van het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 21 van 28.1.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/99/oj).
(3) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).
(4) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/3117 van de Commissie van 29 november 2024 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie (PB L, 2024/3117, 27.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/3117/oj).
(6) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1093/oj).
(7) Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 van Commissie van 23 april 2025 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van toezichtcolleges en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie (PB L, 2025/791, 8.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/791/oj).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 21 van 28.1.2016, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/100/oj).
BIJLAGE I
Karteringstemplate
BIJLAGE II
Template voor schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen van het toezichtcollege, vastgesteld voor de <XY> groep/<A> instelling
ALGEMENE BEPALINGEN
A. Inleiding
|
B. <XY> groep/<A> instelling en identificatie van leden en waarnemers
a) Beschrijving en structuur van de <XY> groep/<A> instelling
|
b) Identificatie van de bevoegde autoriteiten die lid zijn van het college
|
c) Identificatie van de autoriteiten die als waarnemers deelnemen aan het college
|
C. Raamwerk voor het coördineren van interactie met het afwikkelingscollege
|
D. Raamwerk voor het coördineren van interactie met het AML/CFT college
|
E. Raamwerk voor interactie met het college voor het financieel conglomeraat
|
F. Raamwerk voor de coördinatie van de interactie met andere overheidsinstanties in de lidstaten en toezichthoudende autoriteiten van derde landen
|
G. Raamwerk voor het uitwisselen van informatie
|
H. Behandeling van vertrouwelijke informatie
|
I. Governanceregelingen inzake het toevertrouwen van taken en delegatie van verantwoordelijkheden (indien van toepassing)
|
J. Beschrijving van de verschillende substructuren van het college (in voorkomend geval) en beschrijving van de regeling voor samenwerking tussen de beide overeenkomstig artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU opgerichte toezichtcolleges
|
RAAMWERK VOOR DE PLANNING EN COÖRDINATIE VAN TOEZICHTWERKZAAMHEDEN IN GOING-CONCERNSITUATIES
K. Raamwerk voor de planning en coördinatie van toezichtwerkzaamheden in going-concernsituaties
|
L. Beleid van het college voor communicatie met de EU-moederonderneming of -instelling en haar dochterondernemingen of bijkantoren
|
M. Andere overeenkomsten met betrekking tot het functioneren van het college tussen de consoliderende toezichthouder of bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en andere leden en waarnemers van het college
|
SAMENWERKING BIJ EEN GEBEURTENIS MET NADELIGE MATERIËLE GEVOLGEN VOOR HET RISICOPROFIEL VAN DE GROEP OF ZIJN ENTITEITEN GEVESTIGD IN EEN LIDSTAAT
|
RAAMWERK VOOR DE PLANNING EN COÖRDINATIE VAN TOEZICHTWERKZAAMHEDEN BIJ DE VOORBEREIDING OP EN IN NOODSITUATIES
N. Introductie en identificatie van contactpersonen en contactgegevens voor noodsituaties
|
O. Uit te wisselen informatie en in een noodsituatie te volgen procedures
a) Raamwerk voor in een noodsituatie uit te wisselen informatie
|
b) Raamwerk voor coördinatie- en samenwerkingsprocedures voor noodsituaties
|
c) Raamwerk voor het beheer van noodsituaties
|
d) Raamwerk voor externe communicatie
|
SLOTBEPALINGEN
|
(1) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/oj).
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 van Commissie van 23 april 2025 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van toezichtcolleges en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie (PB L, 2025/791, 8.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2025/791/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/790 van de Commissie van 23 april 2025 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het operationele functioneren van colleges van toezichthouders (PB L, 2025/790, 8.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/790/oj).
(4) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 710/2014 van de Commissie van 23 juni 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van het gezamenlijke besluitvormingsproces betreffende instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 188 van 27.6.2014, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2014/710/oj).
Bijlage A
Contactenlijst
|
|
Laatst bijgewerkt: |
|
||||||
|
Autoriteit |
Naam en functie contactpersoon |
Telefoonnummer |
E-mailadres |
||||
|
Consoliderende toezichthouder/Bevoegde autoriteit lidstaat van herkomst |
|
Vast Mobiel Vast Mobiel |
|
||||
|
Bevoegde autoriteit lidstaat van ontvangst |
|
Vast Mobiel Vast Mobiel |
|
||||
|
EBA |
|
|
|
||||
|
Toezichthoudende autoriteit derde land Afwikkelingsautoriteit op groepsniveau Hoofdtoezichthouder AML/CFT-college |
|
|
|
||||
|
Indien van toepassing: Afwikkelingsautoriteit AML/CFT-autoriteit |
|
|
|
||||
Bijlage B
Contactenlijst voor noodsituaties
|
Laatst bijgewerkt: |
|
|||||||
|
Autoriteit |
Naam en functie contactpersoon |
Telefoonnummer |
Nummer buiten werktijd |
E-mailadres |
||||
|
Consoliderende toezichthouder/Bevoegde autoriteit lidstaat van herkomst |
|
Vast Mobiel Vast Mobiel |
|
|
||||
|
Bevoegde autoriteit lidstaat van ontvangst |
|
Vast Mobiel Vast Mobiel |
|
|
||||
|
EBA |
|
|
|
|
||||
|
Toezichthoudende autoriteit derde land Afwikkelingsautoriteit op groepsniveau Hoofdtoezichthouder AML/CFT-college |
|
|
|
|
||||
|
Indien van toepassing: Afwikkelingsautoriteit AML/CFT-autoriteit |
|
|
|
|
||||
|
Beveiligd e-mailadres voor gebruik in noodsituaties: |
||||||||
|
URL van beveiligde website voor gebruik in noodsituaties: |
||||||||
BIJLAGE C
Lijst van indicatoren
|
|
Bestreken thema’s |
Overeengekomen lijst met indicatoren |
|
Verplichte thema’s: |
|
|
Kapitaal en hefbomen |
|
|
Liquiditeit |
|
|
Activakwaliteit |
|
|
Funding |
|
|
Winstgevendheid |
|
|
Concentratierisico |
|
|
Aanvullende/optionele thema’s: |
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage D
Indicatieve template voor het delen van informatie in het geval van een gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel
|
|
Soort informatie |
Beschrijving |
|||||||||||||
|
Informatie over de gebeurtenis |
||||||||||||||
|
1 |
De gebeurtenis die het potentieel heeft nadelige materiële gevolgen voor het risicoprofiel te veroorzaken en die nauwe monitoring vanuit het toezicht verantwoordt. |
Aard en beschrijving van de gebeurtenis, met inbegrip van de ernst ervan. Is de gebeurtenis alleen van invloed op de groep/entiteit/groepsentiteiten of is zij van invloed op meer entiteiten in een lidstaat/in de EU? |
||||||||||||
|
2 |
Impact van de gebeurtenis op de financiële markten |
Indien de gebeurtenis op meer entiteiten in een lidstaat/in de EU van invloed is, beschrijf dan kort hoe de gebeurtenis van invloed is op de financiële markten in die jurisdicties. |
||||||||||||
|
3 |
Systemische impact van de gebeurtenis |
Heeft de gebeurtenis het potentieel om zich te ontwikkelen tot een systemische impact in een lidstaat/in de EU? |
||||||||||||
|
Informatie over de geraakte instellingen |
||||||||||||||
|
4 |
Geraakte entiteit |
Naam |
||||||||||||
|
5 |
Bevoegde autoriteit |
De toezichthouder van de geraakte entiteit |
||||||||||||
|
6 |
Soort instelling |
|
||||||||||||
|
7 |
Belang van de geraakte entiteit |
|
||||||||||||
|
8 |
Belangrijkste implicaties van de gebeurtenis met nadelige materiële gevolgen voor de entiteit |
Directe en indirecte implicaties van de gebeurtenis voor:
met actuele of verwachte kwalitatieve en kwantitatieve informatie. |
||||||||||||
|
9 |
Ten behoeve van punt 8 (Belangrijkste implicaties) worden de volgende indicatoren gebruikt |
Kies uit de overeengekomen lijst van indicatoren in bijlage C de indicatoren die worden gedeeld indien een gebeurtenis zich voordoet (dit belet niet dat toezichthouders meer indicatoren delen). |
||||||||||||
|
10 |
Kwetsbaarheden van de instelling die de gebeurtenis verergeren |
Nadere gegevens over kwetsbaarheden die de effecten van de gebeurtenis kunnen verergeren (bv. kwetsbaarheden van de IT-systemen, modellen voor het boeken van transacties (“booking models”), grensoverschrijdende aanwezigheid, juridische of toezichtkwesties). |
||||||||||||
|
11 |
Intragroepsbesmetting |
met actuele of verwachte kwalitatieve en kwantitatieve informatie. |
||||||||||||
|
12 |
Externe besmetting |
met actuele of verwachte kwalitatieve en kwantitatieve informatie. |
||||||||||||
|
Acties, maatregelen en communicatie |
||||||||||||||
|
13 |
Maatregelen en acties door de groep genomen |
Door de entiteit genomen maatregelen en acties en de impact daarvan op
met actuele of verwachte kwalitatieve en kwantitatieve informatie. |
||||||||||||
|
14 |
Maatregelen en acties die de groep voornemens is te nemen |
Maatregelen en acties die de instelling/groep voornemens is te nemen, en de verwachte impact daarvan op:
met actuele of verwachte kwalitatieve en kwantitatieve informatie. |
||||||||||||
|
15 |
Door de bevoegde autoriteit genomen acties |
Beschrijving van de acties, het doel en het (de) effect(en) ervan |
||||||||||||
|
16 |
Acties die de bevoegde autoriteit voornemens is te ondernemen |
Beschrijving van de acties, het doel en het (de) verwachte effect(en) ervan |
||||||||||||
|
17 |
Externe communicatie van de groep |
Persberichten en andere externe communicatie van de groep |
||||||||||||
|
18 |
Geplande externe communicatie van de bevoegde autoriteit |
Persberichten en andere externe communicatie gepland door de bevoegde autoriteit |
||||||||||||
BIJLAGE III
Concordantietabel
|
Deze uitvoeringsverordening |
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 |
|
n.v.t. |
Artikel 1 |
|
Artikel 1 |
Artikel 2 |
|
Artikel 2 |
Artikel 3 |
|
Artikel 3 |
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
Artikel 5 |
|
Artikel 5 |
Artikel 6 |
|
Artikel 6 |
Artikel 7 |
|
Artikel 7 |
Artikel 7 |
|
Artikel 8 |
Artikel 8 |
|
Artikel 9 |
Artikel 9 |
|
Artikel 10 |
Artikel 10 |
|
Artikel 11 |
Artikel 11 |
|
Artikel 12 |
— |
|
Artikel 13 |
Artikel 12 |
|
Artikel 14 |
Artikel 13 |
|
Artikel 15 |
Artikel 14 |
|
Artikel 16 |
Artikel 15 |
|
Artikel 17 |
Artikel 16 |
|
Artikel 18 |
Artikel 17 |
|
Artikel 19 |
Artikel 18 |
|
Artikel 20 |
Artikel 19 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
Artikel 20 |
|
Artikel 23 |
— |
|
Artikel 24 |
Artikel 21 |
|
Artikel 25 |
Artikel 22 |
|
Artikel 26 |
Artikel 23 |
|
Artikel 27 |
Artikel 24 |
|
Artikel 28 |
— |
|
Artikel 29 |
Artikel 25 |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/790/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)