|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/704 |
15.4.2025 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2025/704 VAN DE COMMISSIE
van 10 april 2025
tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming en tot intrekking van de Uitvoeringsbesluiten 2014/762/EU en (EU) 2019/1310 van de Commissie
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2025) 2130)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (1), en met name artikel 32, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 1, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU moet het Uniemechanisme voor civiele bescherming (hierna “het Uniemechanisme” genoemd) de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten versterken en de coördinatie op het gebied van civiele bescherming faciliteren, om zodoende te komen tot een grotere doeltreffendheid van systemen op het gebied van de preventie, de paraatheid en de respons ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen. |
|
(2) |
Bij de vaststelling van Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad (2) is Besluit nr. 1313/2013/EU gewijzigd om het Uniemechanisme te versterken, onder meer door de financiële bijstand van de Unie aan de Europese pool voor civiele bescherming (ECPP) te verhogen en rescEU op te zetten als reserve met capaciteiten van de Unie voor civiele bescherming. Voordien werden de Uitvoeringsbesluiten 2014/762/EU (3), (EU) 2018/142 (4) en (EU) 2019/1310 (5) van de Commissie vastgesteld om een kader te bieden voor de uitvoering van Besluit nr. 1313/2013/EU. |
|
(3) |
Voor de passende uitvoering van het rechtskader dat voortvloeit uit de wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU moeten de uitvoeringsvoorschriften worden geactualiseerd, met name om te voorzien in definities en bepalingen inzake teams voor technische bijstand en ondersteuning (TAST’s), het team voor civiele bescherming van de Unie (EUCP-team), met inbegrip van hun registratie, en andere responscapaciteiten, en om consequent te verwijzen naar de ECPP en rescEU, de regels inzake certificering, registratie en donatie van capaciteiten in het kader van het Uniemechanisme bij te werken, en te zorgen voor duidelijke regels inzake gastlandondersteuning en een vereenvoudigde procedure voor het aanvragen en ontvangen van bijstand van de Unie. |
|
(4) |
Ter vereenvoudiging en vergemakkelijking van de toegang tot de bepalingen die momenteel in twee uitvoeringsbesluiten zijn opgenomen, moeten zij in één handeling worden samengevoegd. |
|
(5) |
Het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (Cecis) is een essentieel onderdeel van het Uniemechanisme. Het waarborgt de authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van de tussen de lidstaten uitgewisselde informatie, zowel in routineomstandigheden als in noodsituaties. Er moet een afzonderlijke versie van het Cecis worden onderhouden die toegang biedt aan de secretariaten van de regionale zeeverdragen en derde landen die met de Unie een regionaal zeegebied delen, vanwege de specifieke vereisten voor de respons op gevallen van zeeverontreiniging. |
|
(6) |
Om de operationele doeltreffendheid te waarborgen, moeten minimumeisen worden vastgesteld voor de responscapaciteiten bedoeld in artikel 9 van Besluit nr. 1313/2013/EU. Een responscapaciteit moet zelfvoorzienend zijn en onafhankelijk van enige steun van het land dat van haar activiteit profiteert. De regels inzake zelfvoorziening moeten het mogelijk maken elementen die voor zelfvoorzienende activiteit nodig zijn, te regelen of aan te schaffen in het land dat de bijstand ontvangt. |
|
(7) |
Om te bevestigen dat de responscapaciteiten in de Europese pool voor civiele bescherming (ECPP) aan de nodige vereisten voldoen, moet een certificerings- en registratieprocedure worden ingesteld. |
|
(8) |
Gezien de complexiteit en het samengestelde karakter van sommige rescEU-capaciteiten en de interoperabiliteitseisen voor de componenten ervan, zal certificering alleen vereist zijn voor de rescEU-capaciteiten die de Commissie heeft aangewezen. De te certificeren capaciteiten zullen worden aangewezen na overleg met deskundigen van de lidstaten in de desbetreffende deskundigengroep van de Commissie. Op basis van deze aanwijzing kan het nodig zijn de relevante rescEU-capaciteiten aan hetzelfde certificeringsproces van de Unie te onderwerpen als die in de Europese pool voor civiele bescherming. Aangezien de rescEU-reserve als uiterste middel dient voor bijstand in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, mogen rescEU-capaciteiten waarvoor het certificeringsproces van het Uniemechanisme nog niet is voltooid, zo nodig toch worden ingezet. |
|
(9) |
De voorafgaande beschikbaarstelling van responscapaciteiten aan de ECPP is een concept dat moet worden gedefinieerd, omdat overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU, het bedrag van de financiële bijstand van de Unie voor de inzet van responscapaciteiten in het kader van het Uniemechanisme ervan afhangt of de responscapaciteiten vooraf aan de ECPP beschikbaar zijn gesteld. |
|
(10) |
Krachtens artikel 21, lid 2, punt c), van Besluit nr. 1313/2013/EU moeten responscapaciteiten die financiële steun van de Unie voor aanpassingskosten ontvangen, gedurende een minimumperiode beschikbaar worden gesteld als onderdeel van de ECPP. Deze minimumperiode moet worden gekoppeld aan de ontvangen financiering en tussen drie en tien jaar bedragen, gerekend vanaf de daadwerkelijke beschikbaarheidsdatum van de responscapaciteit, tenzij de economische levensduur ervan korter is. De exacte beschikbaarstellingstermijn moet worden gespecificeerd om de rechtszekerheid te waarborgen. |
|
(11) |
Om de resultaten van de in het kader van het Uniemechanisme ondernomen acties zichtbaar te maken voor de burgers, moeten passende zichtbaarheidsregelingen worden getroffen voor responscapaciteiten van de ECPP en rescEU die voor responsoperaties worden gebruikt. |
|
(12) |
Overeenkomstig artikel 12, lid 5, van Besluit nr. 1313/2013/EU, waarin is bepaald dat de lidstaten voor nationale doeleinden kunnen gebruikmaken van rescEU-capaciteit wanneer deze niet wordt gebruikt of nodig is voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, moeten lidstaten waar rescEU-capaciteiten in de vorm van verbruiksgoederen zijn ondergebracht, die capaciteiten kunnen doneren. |
|
(13) |
Deze mogelijkheid heeft tot doel te zorgen voor een duurzaam beheer van de rescEU-voorraad met betrekking tot capaciteiten die naar verwachting niet zullen worden gebruikt voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming vóór het verstrijken van hun operationele levensduur. Een dergelijke donatie van capaciteit in de vorm van verbruiksgoederen maakt een veel kosteneffectiever gebruik mogelijk. Hiervoor is voorafgaande toestemming van de Commissie nodig. In overleg met de Commissie moeten de lidstaten waar rescEU-capaciteiten zijn ondergebracht, die capaciteiten kunnen doneren wanneer die hun houdbaarheidsdatum naderen, om te waarborgen dat deze worden gebruikt. |
|
(14) |
Wanneer lidstaten bijstand verlenen, moeten zij ervoor zorgen dat de aangeboden bijstand van passende kwaliteit is en geschikt is voor het beoogde gebruik ervan. |
|
(15) |
Voor de ECPP moeten doelstellingen inzake responscapaciteit worden vastgesteld. De Commissie moet hun geschiktheid regelmatig beoordelen op basis van de risico’s die zijn vastgesteld in nationale risicobeoordelingen en andere informatiebronnen. De lidstaten moeten op de hoogte worden gehouden van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen inzake responscapaciteit. |
|
(16) |
Het programma voor opleiding, oefeningen en uitwisseling van deskundigen van het Uniemechanisme blijft van cruciaal belang voor de paraatheid van het personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing en de responscapaciteiten die in het kader van dat mechanisme worden ingezet. Overeenkomstig het in artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU vastgestelde toepassingsgebied moet het programma de preventie-, paraatheids- en responsfasen bestrijken. |
|
(17) |
Om de rampbestendigheid op het gebied van civiele bescherming te versterken, moeten de geïdentificeerde lessen worden toegepast op een alomvattende manier, die de volledige rampenbeheersingscyclus van preventie, paraatheid, respons en herstel bestrijkt en duurzaam is. Daarom moet terdege rekening worden gehouden met de gevolgen die klimaatverandering en aantasting van het milieu meebrengen voor rampenrisico’s. Bij de preventie en beperking van de milieueffecten van rampen moet bijzondere aandacht worden besteed aan het minimaliseren van de milieueffecten van civielebeschermingsoperaties. In het kader van het Uniemechanisme zijn duidelijke operationele procedures voor rampenrespons een belangrijke manier om efficiënte bijstand bij rampen te waarborgen, ook voor de relevante internationale organisaties bedoeld in artikel 16, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU. |
|
(18) |
Met het oog op een doeltreffende coördinatie van de bijstand moet het ERCC zijn beoordeling van kritieke behoeften en zijn aanbevelingen met betrekking tot de inzet van capaciteiten van het Uniemechanisme delen met de lidstaten in de vorm van analytische nota’s. Die beoordelingen moeten voor intern gebruik zijn en worden gebaseerd op de faciliteit voor wetenschappelijk technisch advies (Scientific Technical Advisory Facility — STAF), bestaande systemen voor vroegtijdige waarschuwing en andere beschikbare gegevensbronnen. De selectie van responscapaciteiten moet gebaseerd zijn op specifieke en objectieve criteria. De prioriteit van de specifieke capaciteiten moet door het ERCC worden beoordeeld in het licht van de actuele operationele behoeften en vermogens. Gezien de rol van het ERCC bij de doeltreffende coördinatie van de bijstand, moeten zowel de lidstaten die de bijstand verlenen als het personeel dat de responscapaciteit beheert, het ERCC regelmatig op de hoogte houden van de verleende bijstand. |
|
(19) |
RescEU-capaciteiten worden beschikbaar gesteld voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme. Na een verzoek om bijstand op grond van artikel 15 of artikel 16 van Besluit nr. 1313/2013/EU moet het ERCC een besluit nemen over de inzet van die capaciteit, in nauw overleg met de verzoekende lidstaat en de lidstaat die de rescEU-capaciteit bezit, huurt of leaset. Om een doeltreffend en transparant besluitvormingsproces te waarborgen, moeten criteria voor besluiten tot inzet alsmede relevante operationele procedures worden vastgesteld. Voorts moeten criteria worden vastgesteld voor de besluitvorming over de inzet in geval van onverenigbare verzoeken om het gebruik van rescEU-capaciteiten. |
|
(20) |
RescEU-capaciteiten moeten voor nationale doeleinden kunnen worden aangewend wanneer zij niet worden gebruikt of nodig zijn voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme. Er moeten passende regels voor dergelijk nationaal gebruik worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rescEU-capaciteiten in het kader van het Uniemechanisme paraat en inzetbaar zijn binnen het tijdsbestek dat op basis van de kwaliteitseisen per type rescEU-capaciteit is vastgesteld. |
|
(21) |
Krachtens artikel 12, lid 10, tweede alinea, van Besluit nr. 1313/2013/EU kunnen lidstaten in specifieke gevallen weigeren personeel beschikbaar te stellen voor de inzet van rescEU-capaciteiten buiten de Unie. Voor die specifieke gevallen moeten regels worden vastgesteld. |
|
(22) |
Krachtens artikel 8, lid 1, punt i), van Besluit nr. 1313/2013/EU moeten regels voor gastlandsteun worden vastgesteld. De regels moeten voorzien in de mogelijkheid dat de staat die de bijstand op het gebied van civiele bescherming verleent en de ontvangende staat overeenkomen dat geen gastlandsteun wordt verleend. De regels moeten ook voorschrijven dat een nationaal contactpunt wordt ingesteld om de verstrekking van gastlandsteun te vergemakkelijken; ze moeten echter niet bepalen dat het contactpunt permanent of voor elke afzonderlijke noodsituatie moet worden ingesteld. Er moeten regels worden vastgesteld om financiële bijstand van de Unie mogelijk te maken voor het vooraf opslaan van responscapaciteiten. |
|
(23) |
De beschikbaarheid van technische, coördinatie- en beoordelingsdeskundigen en van teamleiders en adjunct-teamleiders van het EUCP-team is een belangrijk aspect van het Uniemechanisme. De taken en functieprofielen van de deskundigen moeten worden gespecificeerd en de procedure voor de inzet ervan moet worden vastgesteld. |
|
(24) |
Artikel 23 van Besluit nr. 1313/2013/EU bevat bepalingen betreffende steun bij een ramp die een snelle en doeltreffende respons met de hulp van het Uniemechanisme vergemakkelijken. Het is noodzakelijk een meer gestroomlijnde reeks regels en procedures vast te stellen voor het verzoeken om steun van de Unie door de lidstaten en voor het behandelen van dergelijke verzoeken door de Commissie. |
|
(25) |
Er moeten regels worden vastgesteld op grond waarvan de vervoers- en logistieke middelen die nodig zijn voor een doeltreffende en efficiënte gecoördineerde respons op rampen, overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Besluit nr. 1313/2013/EU, kunnen worden gefinancierd in de vorm van een logistieke hub van het Uniemechanisme. De oprichting van een logistieke hub van het Uniemechanisme moet voldoen aan de door het ERCC vastgestelde behoeften, met inbegrip van operationele aanbevelingen van het ERCC via het Cecis voor de locatie van de logistieke hub van het Uniemechanisme en gedetailleerde regels met betrekking tot de verlening van bijstand bij rampen binnen en buiten de Unie. |
|
(26) |
Er moeten regels worden vastgesteld op grond waarvan het ERCC gecoördineerde operaties voor medische evacuatie (medevac) kan faciliteren, zowel binnen als buiten de Unie, wanneer een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 15 of artikel 16 van Besluit nr. 1313/2013/EU wordt ingediend. De regels voor bijstand van de Unie moeten financiering van medevac-operaties mogelijk maken, met inbegrip van extra ondersteunende en aanvullende maatregelen die nodig zijn om de coördinatie van die respons op de meest doeltreffende wijze te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door de oprichting van een hub. |
|
(27) |
Subsidies voor responsacties die overeenkomstig artikel 22 van Besluit nr. 1313/2013/EU aan bevoegde autoriteiten worden toegekend ter vergemakkelijking van de operationele en administratieve aspecten van de bijstand van de Unie, moeten de vorm kunnen aannemen van subsidies voor meerdere acties. |
|
(28) |
Uitvoeringsbesluit 2014/762/EU en Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1310 moeten worden ingetrokken. |
|
(29) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor civiele bescherming, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Dit besluit stelt gedetailleerde voorschriften vast voor de uitvoering van Besluit nr. 1313/2013/EU, met betrekking tot:
|
a) |
de interactie tussen het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) en de contactpunten van de lidstaten; |
|
b) |
de samenstelling van het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (Cecis) en de organisatie van informatie-uitwisseling via het Cecis; |
|
c) |
de identificatie van deskundigen, modulen, andere responscapaciteiten en teams voor technische bijstand en ondersteuning (TAST’s) die ter beschikking zijn gesteld van de Europese pool voor civiele bescherming (ECPP); |
|
d) |
de technische minimumeisen voor modulen en TAST; |
|
e) |
de certificerings-, hercertificerings- en registratieprocedures die nodig zijn voor de werking van de ECPP en rescEU; |
|
f) |
de vaststelling van tekorten in de responscapaciteit van de ECPP en de wijze waarop deze moeten worden verholpen; |
|
g) |
de vaststelling van de capaciteitsdoelstellingen van de ECPP; |
|
h) |
de organisatie van programma’s voor opleiding, oefeningen en uitwisseling van deskundigen; |
|
i) |
het opstellen en promoten van het programma betreffende geleerde lessen; |
|
j) |
de operationele procedures voor de ECPP en rescEU betreffende het reageren op rampen binnen en buiten de Unie en de identificatie van relevante internationale organisaties; |
|
k) |
de procedure voor de inzet van teams voor civiele bescherming van de Europese Unie; |
|
l) |
de organisatie van bijstand van de Unie bij responsacties. |
Artikel 2
Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
1) |
“verzoeker om bijstand”: een lidstaat die of een derde land dat getroffen wordt of dreigt te worden door een ramp, alsook de Verenigde Naties en de agentschappen ervan en andere relevante internationale organisaties vermeld in bijlage VI; |
|
2) |
“civielebeschermingbijstand”: deskundigen, modulen, andere responscapaciteiten of teams voor technische bijstand en ondersteuning op het gebied van civiele bescherming, met hun uitrusting en bijstand in natura, alsmede hulpgoederen of leveringen die nodig zijn om de onmiddellijke gevolgen van een ramp te lenigen; |
|
3) |
“team voor technische bijstand en ondersteuning” (TAST): de personele en materiële middelen die door een of meer lidstaten zijn toegewezen voor logistieke en ondersteunende taken; |
|
4) |
“civielebeschermingsteam van de Europese Unie” (“EUCP-team”): een team bestaande uit deskundigen en, indien nodig, een TAST, dat door het ERCC wordt geselecteerd en ingezet op grond van een mandaat in verband met een verzoek om deskundigheid op het gebied van preventie of paraatheid of een noodrespons in het kader van een lopend verzoek om bijstand; |
|
5) |
“andere responscapaciteit”: een zelfvoorzienende, autonome, inzetbare en vooraf gedefinieerde taakgestuurde en op behoeften gebaseerde regeling van de vermogens van de lidstaten of een mobiel operationeel team van de lidstaten. Het betreft een combinatie van personele en materiële middelen die kan worden gekarakteriseerd in termen van de interventiemogelijkheden of van de taak/taken die zij kan uitvoeren, waarvoor geen technische minimumeisen zijn vastgesteld. “Andere responscapaciteit” omvat ook hulpgoederen; |
|
6) |
“operationele levensduur”: de totale periode gedurende welke een capaciteit haar functie technisch kan vervullen overeenkomstig de kwaliteitseisen, rekening houdend met de componenten ervan; |
|
7) |
“vooraf ter beschikking van de ECPP gestelde responscapaciteit”: een responscapaciteit die door een lidstaat wordt aangeboden voor registratie in de ECPP en ten aanzien waarvan de Commissie de aanbiedende lidstaat er formeel van in kennis heeft gesteld dat de certificering is voltooid. |
HOOFDSTUK 2
COÖRDINATIECENTRUM VOOR RESPONS IN NOODSITUATIES (EMERGENCY RESPONSE COORDINATION CENTRE — ERCC)
Artikel 3
Interactie van het ERCC en de contactpunten van de lidstaten
1. Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt voor het ERCC aan dat 24 uur per dag en zeven dagen per week beschikbaar is. Voor de aanwijzing wordt de “country template” in bijlage I gebruikt.
2. Het ERCC onderhoudt nauw contact met de contactpunten van de lidstaten voor het verrichten van zijn gewone taken en van de responsactiviteiten waarin is voorzien bij dit besluit en bij Besluit nr. 1313/2013/EU.
HOOFDSTUK 3
GEMEENSCHAPPELIJK NOODCOMMUNICATIE- EN INFORMATIESYSTEEM (CECIS)
Artikel 4
Cecis-structuur
Het Cecis bestaat uit de volgende drie componenten:
|
a) |
een netwerk-niveau, waarmee de bevoegde autoriteiten en de contactpunten in de lidstaten en het ERCC worden verbonden; |
|
b) |
een applicatie-niveau, bestaande uit de gegevensbanken en andere informatiesystemen die voor het functioneren van het Uniemechanisme voor civiele bescherming nodig zijn, en meer in het bijzonder die voor:
|
|
c) |
een beveiligingsniveau, bestaande uit de verzameling systemen, regels en procedures die nodig zijn om de authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid te waarborgen van de gegevens welke in het Cecis worden opgeslagen en via het Cecis worden uitgewisseld. |
Artikel 5
Informatiebeveiliging
1. Het Cecis moet documenten, databanken en informatiesystemen op een veilige manier kunnen beheren via de beveiligde trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten (s-Testa) of een vergelijkbaar netwerk.
2. Documenten en informatie die als “EU CONFIDENTIAL” of hoger zijn gerubriceerd, worden overgedragen volgens de speciale regelingen tussen de verzender en de ontvanger(s), zoals bepaald in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (6).
Artikel 6
Informatie en actualisering
1. De lidstaten verstrekken de Commissie passende informatie en maken daarbij gebruik van de in bijlage I opgenomen “country template”.
2. De lidstaten delen informatie mee over contactpunten en, waar passend, van andere diensten die natuurlijke, technologische, chemische, biologische, radiologische en nucleaire en andere door de mens veroorzaakte rampen of milieu-ongevallen behandelen, met inbegrip van zeeverontreiniging.
3. De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke wijziging in de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie.
4. De Cecis-gegevensbank moet een specifiek onderdeel bevatten met informatie over de registratie en beschikbaarheid van responscapaciteiten in de ECPP en rescEU. De Commissie zorgt ervoor dat de nationale contactpunten voor civiele bescherming voortdurend toegang hebben.
5. De lidstaten garanderen dat het specifieke onderdeel van de Cecis-databank steeds actueel is wat betreft de beschikbaarheidsstatus en alle noodzakelijke feitelijke gegevens in verband met de relevante karakteristieken van alle geregistreerde responscapaciteiten in de ECPP.
6. In voorkomend geval kunnen de lidstaten andere relevante nationale autoriteiten of aangewezen bevoegde autoriteiten toegang tot het Cecis verlenen.
Artikel 7
Gebruikersgroep van het Cecis
Een gebruikersgroep met door de lidstaten benoemde vertegenwoordigers staat de Commissie bij met de validering, het testen en de verdere ontwikkeling van het Cecis.
Artikel 8
Uitvoering en verdere ontwikkeling
1. De Commissie beheert het Cecis en ontwikkelt het verder, rekening houdend met de behoeften en de vereisten van de lidstaten.
2. De lidstaten passen de toepasselijke Cecis-informatietechnologie op hun grondgebied toe overeenkomstig de beschikbaarstellingen die zijn verricht aan de hand van de in bijlage I opgenomen “country template”.
Artikel 9
Cecis inzake zeeverontreiniging
1. De Commissie kan ervoor zorgen dat een gespecialiseerde Cecis-applicatie inzake zeevervuiling beschikbaar is voor de lidstaten en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, conform de specifieke bepaling dat een respons geboden is in gevallen van zeeverontreiniging.
2. Die gespecialiseerde Cecis-applicatie kan ook openstaan voor derde landen die een regionaal zeegebied met de Unie delen. De toegang kan ook ad-hoc door de Commissie worden verleend aan de secretariaten van de relevante regionale zeeverdragen.
HOOFDSTUK 4
DESKUNDIGEN, MODULEN, ANDERE RESPONSCAPACITEITEN EN TEAMS VOOR TECHNISCHE BIJSTAND EN ONDERSTEUNING (TAST’s)
Artikel 10
Registratie van deskundigen, modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s
1. De lidstaten registreren informatie over hun deskundigen, modulen en andere responscapaciteiten als bedoeld in artikel 9, lid 6, van Besluit nr. 1313/2013/EU in de Cecis-databank. Zij registreren ook hun TAST in die databank.
2. De Commissie controleren of de voor registratie doorgegeven informatie correct is.
3. De deskundigen, modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s die vooraf ter beschikking van de ECPP zijn gesteld, worden in de Cecis-databank geregistreerd en als zodanig geïdentificeerd.
4. De lidstaten werken de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie zo nodig bij.
Artikel 11
Samenstelling van EUCP-teams, modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s
1. EUCP-teams, modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s kunnen bestaan uit middelen die door een of meer lidstaten worden verstrekt.
2. Wanneer een module, een andere responscapaciteit of TAST uit meer dan één operationele component bestaat, kan het gebruik ervan bij een interventie worden beperkt tot de componenten die nodig zijn voor die interventie.
Artikel 12
Zelfvoorziening van modulen en andere responscapaciteiten
1. De volgende elementen van zelfvoorziening zijn vereist voor elke module, tenzij anders bepaald in de technische minimumeisen van bijlage II, en voor andere responscapaciteiten, met uitzondering van hulpgoederen:
|
a) |
passende beschutting tegen de desbetreffende weersomstandigheden; |
|
b) |
brandstof, stroom en licht voor de consumptie van de operatiebasis en de voor de uitvoering van de missie vereiste apparatuur; |
|
c) |
sanitaire en hygiënevoorzieningen voor het personeel van de module; |
|
d) |
voedsel en water voor het personeel van de module; |
|
e) |
medische of paramedische verzorging (personeel, installaties en materieel) voor het personeel van de module; |
|
f) |
opslag en onderhoud van de apparatuur van de module; |
|
g) |
apparatuur voor de communicatie met de betreffende partners, met name met de verantwoordelijke coördinatoren ter plaatse; |
|
h) |
lokaal vervoer, indien nodig; |
|
i) |
logistieke ondersteuning, apparatuur en personeel voor het onmiddellijk bij aankomst ter plaatse opzetten van een operatiebasis en beginnen van de missie. |
2. Overeenstemming met de eisen op het gebied van zelfvoorziening wordt door de aanbiedende lidstaat op een van onderstaande manieren gewaarborgd:
|
a) |
de noodzakelijke personeelsleden, uitrusting en verbruiksartikelen worden in de module of andere responscapaciteit opgenomen; |
|
b) |
op de plaats van de operatie worden de nodige voorzieningen getroffen; |
|
c) |
de nodige voorafgaande voorzieningen worden getroffen om een niet-zelfvoorzienende responscapaciteit te combineren met een TAST, zodat aan de eisen van artikel 13 kan worden voldaan, voordat de betreffende module wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 10, lid 1. |
3. De periode waarvoor de zelfvoorziening gewaarborgd moet zijn bij het begin van de missie, mag niet korter zijn dan:
|
a) |
96 uur, of |
|
b) |
de termijnen als vastgesteld in bijlage II. |
Artikel 13
Registratie van deskundigen, modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s
1. De modulen en TAST’s voldoen aan de minimale technische eisen van bijlage II.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat:
|
a) |
de modulen en andere responscapaciteiten, met uitzondering van hulpgoederen, kunnen functioneren met andere modulen en andere responscapaciteiten, met uitzondering van hulpgoederen; |
|
b) |
de TAST’s kunnen opereren met andere TAST’s en met relevante actoren ter plaatse; |
|
c) |
de componenten van een module samen als één module kunnen opereren; |
|
d) |
de componenten van een TAST samen als één TAST kunnen opereren; |
|
e) |
modulen, andere responscapaciteiten, met uitzondering van hulpgoederen, en TAST’s kunnen opereren met internationale capaciteiten voor rampenrespons ter ondersteuning van het getroffen land; |
|
f) |
de leiders van interventieteams, hun plaatsvervangers en de contactpersonen van modulen, andere responscapaciteiten, uitgezonderd hulpgoederen, en TAST’s deelnemen aan passende opleidingscursussen en oefeningen die door de Commissie worden georganiseerd, als uiteengezet in hoofdstuk 7. |
HOOFDSTUK 5
Ontwikkeling van de ecpp en rescue
Artikel 14
Capaciteitsdoelstellingen van de ECPP
1. De capaciteitsdoelstellingen van de ECPP worden vermeld in bijlage III.
2. De Commissie evalueert in samenwerking met de lidstaten ten minste om de twee jaar de geschiktheid van de capaciteitsdoelstellingen en actualiseert deze indien nodig op basis van de risico’s die zijn geïdentificeerd in de nationale risicobeoordelingen of andere passende nationale, EU- of internationale informatiebronnen.
3. De lidstaten verstrekken de Commissie tijdig relevante informatie over risico’s die noodzakelijk is voor de evaluatie van de capaciteitsdoelstellingen.
Artikel 15
Certificerings- en registratieprocedure voor ECPP-capaciteiten
1. De certificerings- en registratieprocedure is van toepassing op modulen, andere responscapaciteiten en TAST’s in de ECPP, zoals uiteengezet in bijlage V.
2. De modulen en TAST’s kunnen alleen worden gecertificeerd als zij voldoen aan de minimale technische eisen van bijlage II.
3. Bij ontvangst van een aanvraag voor certificering en registratie bij de ECPP beoordeelt de Commissie of de module, andere responscapaciteit of TAST in kwestie in aanmerking komt voor opname in de ECPP, en deelt zij haar conclusies onverwijld aan de betrokken lidstaat mee. Bij haar beoordeling houdt de Commissie, indien nodig, rekening met de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen, de volledigheid van de verstrekte informatie, de geografische nabijheid en deelname van alle lidstaten, en andere relevante factoren die zij vooraf vaststelt.
4. Na aanvaarding van de aanvraag voor certificering en registratie bij de ECPP start de Commissie de certificeringsprocedure voor de module, andere responscapaciteit of TAST op basis van de verstrekte informatie en eventuele aanvullende informatie die de Commissie van de betrokken lidstaat kan vragen en ontvangen.
5. De Commissie deelt de betrokken lidstaat schriftelijk de tussentijdse en definitieve bevindingen van het certificeringsproces mee.
6. Indien de lidstaat dezelfde responsmodule, andere responscapaciteit of TAST opnieuw ter beschikking van de ECPP stelt, wordt de certificering van die responscapaciteit uiterlijk na vijf jaar opnieuw beoordeeld.
7. Wanneer de Commissie op basis van de beschikbare informatie van oordeel is dat aan de certificeringseisen is voldaan, registreert zij de module, andere responscapaciteit of TAST in de ECPP.
8. De lidstaten registreren de ECPP-capaciteit in het Cecis.
Artikel 16
Certificerings- en registratieprocedure in het ECPP voor deskundigen
1. Teamleiders en adjunct-teamleiders van EUCP-teams worden als gecertificeerd beschouwd en komen in aanmerking voor registratie in de ECPP zodra zij, indien nodig, de relevante cursussen en oefeningen van het programma voor opleiding en oefeningen van het Uniemechanisme hebben voltooid.
2. De lidstaten registreren gecertificeerde teamleiders en adjunct-teamleiders van EUCP-teams in de ECPP nadat zij de Commissie een schriftelijke beschikbaarstelling hebben doen toekomen.
3. De lidstaten kunnen een bepaald aantal coördinatie- en beoordelingsdeskundigen en technische deskundigen in het kader van specifieke profielen, zoals vermeld in bijlage IV, beschikbaar stellen en registreren.
4. Wanneer coördinatie- en beoordelingsdeskundigen en technische deskundigen worden voorgedragen voor inzet, controleert de Commissie of zij over het betrokken profiel beschikken.
Artikel 17
Certificerings- en registratieprocedure voor rescEU-capaciteiten
1. De Commissie stelt samen met de lidstaten vast welke rescEU-capaciteiten door de lidstaten moeten worden gecertificeerd.
2. De lidstaten certificeren de rescEU-capaciteiten overeenkomstig de certificerings- en registratieprocedure van bijlage V, naargelang het geval. Bij het certificeringsproces wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met het multifunctionele karakter van de betrokken rescEU-capaciteiten.
3. RescEU-capaciteiten waarvoor het certificeringsproces van de Unie nog niet is voltooid, kunnen wel worden ingezet overeenkomstig artikel 34.
4. De lidstaten registreren de rescEU-capaciteiten in het Cecis.
Artikel 18
Langdurige beschikbaarstelling van rescEU-capaciteit
1. RescEU-capaciteiten zijn gedurende hun volledige operationele levensduur beschikbaar voor inzet uit hoofde van artikel 34, tenzij anders met de Commissie is overeengekomen of de betrokken capaciteiten overeenkomstig artikel 36 worden gedoneerd.
2. Afhankelijk van de beschikbare begrotingsmiddelen verstrekken de Commissie en de lidstaat waar de capaciteiten zijn ondergebracht de nodige middelen om de beschikbaarheid en inzetbaarheid van de in lid 1 bedoelde capaciteit te waarborgen.
Artikel 19
Beschikbaarstelling aan de ECPP van capaciteiten die Uniefinanciering voor aanpassingskosten ontvangen
1. Lidstaten die overeenkomstig artikel 21, lid 2, punt c), van Besluit nr. 1313/2013/EU financiële steun van de Unie ontvangen voor de aanpassingskosten in verband met capaciteiten, stellen deze capaciteiten ter beschikking van de ECPP voor de volgende minimumperioden:
|
a) |
drie jaar voor capaciteiten waarvoor tot 300 000 EUR aan financiële steun van de Unie is ontvangen; |
|
b) |
vijf jaar voor capaciteiten waarvoor een bedrag van 300 001 EUR tot 1 000 000 EUR aan financiële steun van de Unie is ontvangen; |
|
c) |
zeven jaar voor capaciteiten waarvoor een bedrag van 1 000 001 EUR tot 2 000 000 EUR aan financiële steun van de Unie is ontvangen; |
|
d) |
tien jaar voor capaciteiten waarvoor meer dan 2 000 000 EUR aan financiële steun van de Unie is ontvangen. |
2. Indien de operationele levensduur van een capaciteit korter is dan de in lid 1 bedoelde minimumperiode, komt de minimumperiode overeen met de economische levensduur.
3. De Commissie kan er via het ERCC mee instemmen vrijstelling te verlenen van de in lid 1 bedoelde minimumperiode met betrekking tot een specifieke capaciteit, indien dit naar behoren wordt gemotiveerd door een lidstaat die de financiële steun van de Unie ontvangt.
HOOFDSTUK 6
TEKORTEN IN DE RESPONSCAPACITEIT AANVULLEN
Artikel 20
Toezicht op de vooruitgang bij de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen
1. De Commissie houdt, in samenwerking met de lidstaten, voortdurend toezicht op de vooruitgang die wordt geboekt bij de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen, rekening houdend met de overeenkomstig artikel 22 vastgestelde capaciteiten.
2. De Commissie brengt de lidstaten regelmatig op de hoogte van haar beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen.
Artikel 21
Procedure voor de vaststelling van tekorten in de responscapaciteit in de ECPP
1. Als onderdeel van het toezicht op de vooruitgang bij de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen beoordeelt de Commissie in samenwerking met de lidstaten het verschil tussen de geregistreerde capaciteiten van de lidstaten in de ECPP en de capaciteitsdoelstellingen als vermeld in bijlage III.
2. De Commissie en de lidstaten beschouwen als vooraf ter beschikking van de ECPP gestelde capaciteiten alleen die capaciteiten waarvoor een geldige beschikbaarstelling is gedaan en die zijn gecertificeerd.
3. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van eventueel nog overblijvende tekorten in de responscapaciteit.
Artikel 22
Procedure voor de vaststelling van responscapaciteiten buiten de ECPP
1. Wanneer de Commissie samen met de lidstaten mogelijk significante tekorten in de responscapaciteiten overeenkomstig artikel 21 van dit besluit heeft vastgesteld, onderzoekt zij in samenwerking met de lidstaten of de noodzakelijke capaciteiten beschikbaar zijn buiten de ECPP, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU.
2. De Commissie neemt alleen de volgende capaciteiten in aanmerking als buiten de ECPP beschikbaar:
|
a) |
capaciteiten die zijn geregistreerd in het Cecis; |
|
b) |
capaciteiten die niet worden bestreken door punt a), maar die in de vereiste hoeveelheden gemakkelijk beschikbaar kunnen worden gesteld aan de lidstaat of lidstaten, op de vereiste locatie, binnen het vereiste tijdsschema, en voor de vereiste duur. |
3. Voor de vaststelling van de capaciteiten als bedoeld in lid 2, punt b), richt de Commissie een verzoek tot de nationale contactpunten waarin zij haar evaluatie van mogelijk significante tekorten in de responscapaciteit gedetailleerd beschrijft en de lidstaten verzoekt informatie te verstrekken omtrent mogelijke capaciteiten buiten de ECPP, als bedoeld in dat punt.
4. In haar verzoek op grond van lid 3 stelt de Commissie een antwoordtermijn van maximaal zestig kalenderdagen vast, afhankelijk van hoe lastig het naar verwachting is voor de lidstaten om de in lid 2 bedoelde capaciteiten vast te stellen.
5. De lidstaten stellen de Commissie binnen de gestelde termijn schriftelijk in kennis van de details van eventuele capaciteiten als bedoeld in lid 2.
6. Indien een lidstaat binnen die termijn niet schriftelijk reageert, gaat de Commissie er voor deze beoordeling van uit dat in die lidstaat geen capaciteiten als bedoeld in lid 2 beschikbaar zijn.
7. Gebaseerd op de informatie van de lidstaten en uitsluitend rekening houdend met de capaciteiten als bedoeld in lid 2, beoordeelt de Commissie of die capaciteiten de overeenkomstig artikel 21 van dit besluit vastgestelde tekorten in de responscapaciteit aanvullen. De Commissie beschouwt de tekorten in de responscapaciteit alleen dan als aangevuld, indien de capaciteiten binnen de ECPP plus de capaciteiten als bedoeld in lid 2 samen gelijk zijn aan of groter zijn dan de capaciteitsdoelstellingen die zijn vastgesteld in bijlage III.
Artikel 23
Procedure voor de aanvulling van tekorten in de responscapaciteit
1. Wanneer de Commissie, samen met de lidstaten, overeenkomstig artikel 21 potentieel belangrijke tekorten in responscapaciteiten heeft vastgesteld die niet overeenkomstig artikel 22 kunnen worden aangevuld, stelt zij de lidstaten daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van wat zij beschouwt als tekorten in de responscapaciteit en verzoekt zij hen de belangrijke tekorten in de responscapaciteit aan te vullen, overeenkomstig artikel 12, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU.
2. De lidstaten delen de Commissie mee of, wanneer en hoe zij van plan zijn de belangrijke tekorten in de responscapaciteit aan te vullen, hetzij individueel, hetzij in samenwerking met andere lidstaten.
HOOFDSTUK 7
PROGRAMMA’S VOOR OPLEIDING, OEFENINGEN EN UITWISSELING VAN DESKUNDIGEN
Artikel 24
Gemeenschappelijke bepalingen inzake programma’s voor opleiding, oefeningen en uitwisseling van deskundigen
1. Programma’s voor respectievelijk opleiding, oefeningen en uitwisseling van deskundigen worden vastgesteld ter versterking van de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en met de Commissie op het gebied van civiele bescherming en rampenbeheersing in het kader van het kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming dat is opgericht bij artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU.
2. De Commissie is verantwoordelijk voor de coördinatie en de organisatie van de in lid 1 bedoelde programma’s.
3. Voor de ontwikkeling, uitvoering, strategische oriëntatie en prioriteiten van de in lid 1 bedoelde programma’s werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten via de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1956 van de Commissie (7) opgerichte werkgroep. De werkgroep kan rekening houden met elke aanbeveling van de Commissie die is aangenomen overeenkomstig artikel 6, lid 5, van Besluit nr. 1313/2013/EU en met de werkzaamheden van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot het opstellen van scenario’s overeenkomstig artikel 10 van Besluit nr. 1313/2013/EU.
4. De lidstaten wijzen nationale opleidingscoördinatoren aan die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie op nationaal niveau van de identificatie en aansturing van deskundigen en belanghebbenden die deelnemen aan de programma’s voor opleiding, oefeningen en uitwisseling van deskundigen. De nationale opleidingscoördinatoren handelen in nauw overleg met de relevante nationale en regionale autoriteiten en andere entiteiten, naargelang het geval.
5. De Commissie houdt toezicht op de in lid 1 bedoelde programma’s en zorgt voor een passend evaluatiesysteem.
Artikel 25
Aanvullend karakter van het opleidingsprogramma
Overeenkomstig de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten om hun systemen voor rampenbeheersing toe te rusten met voldoende capaciteit, zoals bepaald in artikel 1, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU, vormt het opleidingsprogramma een aanvulling op de opleiding voor personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing die op het passende nationale niveau wordt gegeven.
Artikel 26
Deelnemers aan het opleidingsprogramma
1. De beoogde deelnemers aan het opleidingsprogramma zijn:
|
a) |
het personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing van de lidstaten dat rechtstreeks betrokken is bij de in de hoofdstukken II, III en IV van Besluit nr. 1313/2013/EU bedoelde operaties en personeel van de bevoegde nationale of regionale autoriteiten of entiteiten met een functie die verband houdt met het Uniemechanisme voor civiele bescherming; |
|
b) |
personeel van de Commissie, met name ERCC-verbindingsfunctionarissen. |
2. Deelname aan het opleidingsprogramma staat in voorkomend geval ook open voor geselecteerde deskundigen van:
|
a) |
instellingen, organen en instanties van de Unie; |
|
b) |
de Verenigde Naties en de agentschappen daarvan; |
|
c) |
de internationale organisaties genoemd in bijlage VI; |
|
d) |
derde landen; |
|
e) |
andere relevante entiteiten. |
Artikel 27
Inhoud, vorm en curricula van de opleidingscursussen
De Commissie stelt, in samenwerking met de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1956 ingestelde werkgroep, de inhoud, de vorm en het curriculum van de cursussen vast, met inbegrip van de selectiecriteria en de toewijzing van plaatsen in de opleidingscursussen.
Artikel 28
Oefenprogramma
1. Het oefenprogramma bestaat uit:
|
a) |
modulen voor simulatieoefeningen en oefeningen op het terrein; |
|
b) |
oefeningen op realistische schaal; |
|
c) |
andere soorten oefeningen, op basis van vastgestelde behoeften. |
Deze oefeningen kunnen buiten de Unie worden gehouden.
2. Meer bepaald beoogt het oefenprogramma:
|
a) |
de paraatheid van systemen voor civiele bescherming en rampenbeheersing te verbeteren; |
|
b) |
de snelle en doeltreffende respons van lidstaten op rampen te waarborgen, meer bepaald wat betreft deskundigen, teams en andere middelen die worden verstrekt bij bijstandsinterventies in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming; |
|
c) |
de kwaliteitseisen voor inzet in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming te verifiëren en verbeteren, teneinde de coördinatie van de bijstand op het gebied van civiele bescherming te versterken; |
|
d) |
de samenwerking tussen de civiele bescherming en andere relevante diensten van de lidstaten en de Commissie te verbeteren, onder meer bij het uitvoeren van grensoverschrijdende oefeningen als bedoeld in artikel 20, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad (8); |
|
e) |
lessen te identificeren en te delen; |
|
f) |
de toepassing van geïdentificeerde lessen te toetsen. |
Artikel 29
Programma voor de uitwisseling van deskundigen
Het programma voor de uitwisseling van deskundigen ondersteunt personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing bij:
|
a) |
het opdoen en delen van specifieke ervaring en directe kennis; |
|
b) |
het vertrouwd raken met technieken en operationele procedures; |
|
c) |
het bestuderen van de aanpak van andere deelnemende noodhulpdiensten en instellingen; |
|
d) |
het als waarnemer deelnemen aan en lessen trekken uit simulatieoefeningen in andere lidstaten; |
|
e) |
het volgen van cursussen voor het verwerven van specifieke expertise die niet beschikbaar is binnen de eigen organisatie. |
Artikel 30
Deelnemers aan het programma voor de uitwisseling van deskundigen
Het programma voor de uitwisseling van deskundigen staat open voor entiteiten voor civiele bescherming en rampenbeheersing, deskundigen en vrijwilligers uit de lidstaten, alsook voor die uit kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten van de EU en landen van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap.
HOOFDSTUK 8
LESSEN IDENTIFICEREN
Artikel 31
Toezicht, analyse en evaluatie
1. De Commissie en de lidstaten wisselen relevante gegevens, informatie en beoordelingen uit die nodig zijn om alle acties op het gebied van civiele bescherming in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming te evalueren, teneinde lessen te identificeren, ook wat betreft goede praktijken en verbeterpunten.
2. De Commissie vergemakkelijkt het identificeren van lessen met relevante belanghebbenden, onder meer door vergaderingen te organiseren in het kader van het Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming dat is opgericht overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU.
Artikel 32
Bevordering van de toepassing van lessen
1. De Commissie monitort en bevordert samen met de lidstaten de toepassing van de geïdentificeerde lessen.
2. Met de geïdentificeerde lessen wordt rekening gehouden bij het besluitvormingsproces voor de verdere ontwikkeling van het Uniemechanisme voor civiele bescherming en de vaststelling van de prioriteiten van:
|
a) |
het in artikel 25 bedoelde opleidingsprogramma, in voorkomend geval met inbegrip van de inhoud en het curriculum van de opleidingscursussen, en het in artikel 28 bedoelde oefenprogramma; |
|
b) |
de oproepen tot preventie- en paraatheidsprojecten; |
|
c) |
de planningsactiviteiten als bedoeld in artikel 10 van Besluit nr. 1313/2013/EU. |
HOOFDSTUK 9
OPERATIONELE PROCEDURES VOOR RAMPENRESPONS
Artikel 33
Verzoeken tot steun en respons
1. Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt, voert het ERCC, na ontvangst van een verzoek om bijstand via het Cecis, onverwijld en voor zover van toepassing, de acties uit waarin is voorzien bij artikel 15, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU.
2. Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt en wellicht bijstand op het gebied van civiele bescherming nodig is, kan de Commissie het betrokken derde land meedelen hoe het om bijstand kan verzoeken in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming.
3. Een lidstaat die of derde land dat getroffen of bedreigd wordt door een ramp en om steun wil verzoeken in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, richt via zijn bevoegde nationale autoriteiten een schriftelijk verzoek tot civielebeschermingsbijstand aan het ERCC. Een derde land kan ook om bijstand via het Uniemechanisme voor civiele bescherming verzoeken door een schriftelijk verzoek om bijstand op het gebied van civiele bescherming in te dienen bij het ERCC via de Verenigde Naties, de agentschappen daarvan of een van de in bijlage VI genoemde internationale organisaties.
4. Een lidstaat die getroffen of bedreigd wordt door een ramp, kan het ERCC verzoeken om wetenschappelijke noodverslagen die worden opgesteld in het kader van de wetenschappelijke en technische adviesfaciliteit (STAF).
5. De verzoeker om bijstand informeert het ERCC over het tijdstip, het punt van binnenkomst en de locatie voor de bijstand waarom is verzocht, over het operationele contactpunt ter plaatse dat de ramp beheert en over de hulpregelingen van het gastland.
6. De Commissie kan extra ondersteunende en aanvullende maatregelen nemen die nodig zijn om te zorgen voor consistentie en efficiëntie bij de verlening van de bijstand en om de coördinatie van de respons te vergemakkelijken.
7. De Commissie kan, voor zover mogelijk, vóór een dreigende ramp of onmiddellijk daarna een analytische nota opstellen, als input voor een alomvattend situationeel bewustzijn. Een dergelijke analysenota wordt onder meer gebaseerd op de STAF en bestaande systemen voor vroegtijdige waarschuwing.
8. Met de volgende criteria (waarvan de prioriteit kan worden afgestemd op de specifieke aard van het verzoek om bijstand) wordt rekening gehouden bij het selecteren van de capaciteiten in de ECPP:
|
a) |
de operationele situatie in de lidstaten en potentiële rampenrisico’s; |
|
b) |
de geschiktheid en toereikendheid van de capaciteiten om op de ramp te reageren; |
|
c) |
de geografische locatie van de capaciteiten, met inbegrip van de geraamde duur en kosten van het vervoer naar het getroffen gebied; |
|
d) |
andere relevante criteria, waaronder duurzaamheid, eerdere ervaring en gebruik van de capaciteiten. |
9. Tenzij anders is overeengekomen met de lidstaten, verzoekt het ERCC de lidstaten niet om specifieke capaciteiten uit de ECPP in te zetten in gebieden waar zich een gewapend conflict voordoet of dreigt, of waar andere omstandigheden heersen die de gezondheid en veiligheid van de betreffende capaciteit en het betrokken personeel in gevaar brengen.
10. De lidstaten die wordt verzocht om capaciteiten uit de ECPP in te zetten, stellen het ERCC overeenkomstig artikel 11, lid 7, van Besluit nr. 1313/2013/EU in kennis van hun uiteindelijke besluit tot inzet. Het ERCC stelt een termijn vast waarbinnen de lidstaat op het verzoek om inzet moet reageren.
11. De verzoeker om bijstand informeert het ERCC op welke aangeboden vormen van steun hij is ingegaan. Het ERCC informeert de lidstaten op welk aangeboden vormen van steun het is ingegaan.
12. De lidstaten die de bijstand verlenen, informeren het ERCC geregeld over de uitzending van responscapaciteiten, met inbegrip van alle capaciteiten die onderdeel zijn van het ECPP.
13. De Commissie kan een EUCP-team selecteren, aanwijzen en uitzenden voor ondersteuning op locatie overeenkomstig artikel 17 van Besluit nr. 1313/2013/EU.
Artikel 34
Criteria voor besluiten tot inzet van rescEU-capaciteiten
1. Na ontvangst van een bijstandsverzoek beoordeelt het ERCC of de bestaande capaciteiten die de lidstaten via het Uniemechanisme voor civiele bescherming hebben aangeboden en de capaciteiten die vooraf ter beschikking van de ECPP zijn gesteld, volstaan om een doeltreffende respons op dat verzoek te waarborgen. Indien een doeltreffende reactie niet kan worden gegarandeerd, neemt de Commissie via het ERCC een besluit over de inzet van rescEU-capaciteiten overeenkomstig de in artikel 12, lid 6, van Besluit nr. 1313/2013/EU vastgestelde procedure.
2. Bij het besluit om rescEU-capaciteiten in te zetten, wordt rekening gehouden met de volgende specifieke criteria:
|
a) |
de operationele situatie in de lidstaten en potentiële rampenrisico’s; |
|
b) |
de geschiktheid en toereikendheid van de rescEU-capaciteiten om op de ramp te reageren; |
|
c) |
de geografische locatie van de rescEU-capaciteiten, met inbegrip van de geraamde duur en kosten van het vervoer naar het getroffen gebied; |
|
d) |
andere relevante criteria, waaronder duurzaamheid, eerdere ervaring en gebruik van de capaciteiten. |
3. Bij onverenigbare verzoeken om bijstand worden de volgende aanvullende criteria in aanmerking genomen bij een besluit over waar de rescEU-capaciteiten worden ingezet:
|
a) |
de verwachte risico’s voor mensenlevens; |
|
b) |
de verwachte risico’s voor kritieke infrastructuur en kritieke entiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2022/2557, ongeacht of die zich binnen of buiten de Unie bevinden; |
|
c) |
de verwachte gevolgen van de rampen, met inbegrip van de gevolgen voor het milieu; |
|
d) |
door het ERCC vastgestelde behoeften; |
|
e) |
het potentiële risico van de verspreiding van rampen; |
|
f) |
de sociaal-economische gevolgen; |
|
g) |
de inroeping van de solidariteitsclausule overeenkomstig artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; |
|
h) |
andere relevante operationele factoren. |
Artikel 35
Nationaal gebruik van rescEU-capaciteiten
1. De lidstaten die rescEU-capaciteiten voor nationale doeleinden gebruiken, zorgen ervoor dat:
|
a) |
deze beschikbaar en paraat zijn voor het uitvoeren van operaties in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming binnen de in de desbetreffende kwaliteitseisen vastgestelde termijn, tenzij anders overeengekomen met de Commissie; |
|
b) |
de rescEU-capaciteiten en andere nationale capaciteit gelijk worden behandeld met betrekking tot adequate voorzieningen op het vlak van onderhoud, opslag, verzekeringen, personeelsbezetting en andere relevante beheers- en onderhoudswerkzaamheden; |
|
c) |
eventuele schade snel wordt hersteld. |
2. De lidstaten stellen de Commissie via het ERCC in kennis van het nationale gebruik van rescEU-capaciteiten en dienen na het gebruik ervan een verslag in bij de Commissie.
3. Wanneer nationaal gebruik van rescEU-capaciteiten gevolgen heeft voor de beschikbaarheid als bedoeld in lid 1, punt a), moeten de lidstaten voorafgaand aan de inzet toestemming van de Commissie verkrijgen via het ERCC.
4. Wanneer de rescEU-capaciteiten in kwestie nodig is voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, zorgen de lidstaten ervoor dat deze zo snel mogelijk beschikbaar is.
Artikel 36
RescEU-donaties
Lidstaten waar rescEU-capaciteiten in de vorm van verbruiksgoederen zijn ondergebracht, kunnen deze capaciteiten in overleg met de Commissie doneren, na hiervoor toestemming van de Commissie te hebben verkregen.
Bij het verlenen van toestemming om rescEU-capaciteiten in de vorm van verbruiksgoederen te doneren, houdt de Commissie met name rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de operationele behoeften van de lopende activeringen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming; |
|
b) |
de operationele levensduur en vervaldatum van de capaciteit; |
|
c) |
het feit of de ontvanger van de donatie in aanmerking komt voor de donatie; |
|
d) |
de behoeften van de ontvanger van de donatie; |
|
e) |
de mate waarin de ontvanger van de donatie in staat is de betrokken capaciteit te ontvangen en te beheren. |
Artikel 37
Weigering personeel in te zetten buiten de Unie
1. Indien overeenkomstig artikel 12, lid 10, van Besluit nr. 1313/2013/EU een besluit is genomen om rescEU-capaciteiten in te zetten buiten de Unie, kunnen de lidstaten weigeren hun personeel in te zetten in de volgende gevallen:
|
a) |
wanneer de diplomatieke betrekkingen tussen de lidstaat en het verzoekende derde land zijn verbroken; |
|
b) |
wanneer gewapende conflicten, de dreiging daarvan of andere even ernstige redenen ertoe zouden leiden dat de veiligheid en beveiliging van het personeel in gevaar zouden komen en de betrokken lidstaat niet aan zijn zorgplicht zou kunnen voldoen. |
2. Een lidstaat die weigert zijn personeel in te zetten, stelt het ERCC hiervan onverwijld in kennis en verstrekt een met redenen omklede motivering.
Artikel 38
Zichtbaarheidsvereisten voor het gebruik van capaciteiten van de ECPP en rescEU
Wanneer capaciteiten van de ECPP en rescEU worden gebruikt voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, geven de lidstaat waar de capaciteit van de ECPP of rescEU is ondergebracht en de lidstaat die om bijstand verzoekt de nodige zichtbaarheid aan de Unie, overeenkomstig artikel 20, punt a), van Besluit nr. 1313/2013/EU.
Artikel 39
Deskundigenmissies
1. De in artikel 47 bedoelde deskundigen zorgen er vóór hun benoeming overeenkomstig artikel 51 voor dat zij beschikbaar zijn voor missies.
2. De uitgezonden deskundigen vervullen de taken die zijn beschreven in artikel 8, lid 1, punt d), van Besluit nr. 1313/2013/EU. Zij brengen periodiek verslag uit aan de verzoeker om bijstand en aan het ERCC.
3. Het ERCC houdt de lidstaten op de hoogte van de voortgang van de missie van de deskundigen.
4. De verzoeker om bijstand informeert het ERCC geregeld over de voortgang van de lopende activiteiten ter plaatse.
5. Het ERCC verzamelt alle ontvangen informatie en verspreidt deze bij de contactpunten en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
Artikel 40
Operationele terugtrekking van capaciteiten
1. Als de verzoekende lidstaat of een van de lidstaten die bijstand verlenen, van oordeel is dat de bijstand van het ERCC en de uitgezonden deskundigen en responscapaciteiten niet langer is vereist of niet langer kan worden verleend, brengt het deze daarvan zo snel mogelijk op de hoogte. De daadwerkelijke terugtrekking wordt op passende wijze georganiseerd door de verzoeker om bijstand en de lidstaten. Het ERCC wordt hiervan op de hoogte gehouden.
2. In derde landen brengt de teamleider van het EUCP-team zo spoedig mogelijk verslag uit aan het ERCC, indien deze, na passend overleg met de verzoeker om bijstand, van oordeel is dat de bijstand niet langer nodig is of niet langer kan worden verleend. Het ERCC zendt die informatie door aan de delegatie van de Unie in het betrokken derde land en aan de betrokken diensten van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten. Het ERCC garandeert in overleg met de verzoeker om bijstand de daadwerkelijke terugtrekking van de uitgezonden deskundigen en responscapaciteiten.
Artikel 41
Criteria voor besluiten tot terugtrekking van rescEU-capaciteiten
1. rescEU-capaciteiten worden teruggetrokken in de volgende gevallen:
|
a) |
na ontvangst van een voorlopige kennisgeving van afsluiting in het Cecis; |
|
b) |
wanneer de operationele behoefte aan capaciteit elders groter is of wanneer de behoeften ter plaatse het gebruik ervan niet langer rechtvaardigen; |
|
c) |
wanneer een van de in de punten a) en b) bedoelde situaties zich voordoet terwijl een actie gaande is. |
2. Een besluit tot terugtrekking van rescEU-capaciteit wordt door de Commissie genomen via het ERCC. Het besluit wordt genomen in nauwe samenwerking met de lidstaat waar de rescEU-capaciteit is ondergebracht en de verzoeker om bijstand, alsook, in voorkomend geval, met derde landen of internationale organisaties.
3. Voor het nemen van het in lid 2 bedoelde besluit neemt de Commissie onder meer de in artikel 34, leden 2 en 3, genoemde criteria in aanmerking.
Artikel 42
Rapporteren en lessen identificeren
1. De bevoegde autoriteiten van de verzoeker om bijstand en van de lidstaten die bijstand hebben verleend, en de uitgezonden deskundigen, kunnen hun conclusies over alle aspecten van de interventie bekendmaken aan het ERCC. Het ERCC stelt een beknopt verslag op over de verstrekte bijstand en eventuele geïdentificeerde lessen.
2. Onverminderd de artikelen 31 en 32 monitort en bevordert het ERCC samen met de lidstaten de toepassing van de geïdentificeerde lessen teneinde de bijstandsinterventies in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming te verbeteren.
Artikel 43
Kosten van de bijstand
1. Tenzij anders is overeengekomen, draagt de verzoeker om bijstand de kosten van de door de lidstaten verleende bijstand.
2. De lidstaat die bijstand verleent, kan, in het bijzonder rekening houdend met de aard van de ramp en de omvang van de schade, de bijstand geheel of ten dele kosteloos aanbieden. Die lidstaat kan voorts te allen tijde geheel of gedeeltelijk afzien van het recht op vergoeding van zijn kosten.
Artikel 44
Operationele kosten
1. De operationele kosten bedoeld in artikel 23, leden 2, 4 ter en 4 quater, van Besluit nr. 1313/2013/EU omvatten alle kosten van het exploiteren van een capaciteit tijdens een operatie. Dergelijke kosten kunnen onder meer betrekking hebben op personeelskosten, internationaal en lokaal vervoer, logistiek, verbruiksgoederen en benodigdheden, onderhoud en andere kosten die nodig zijn om een doeltreffend gebruik van de capaciteit te waarborgen.
2. De in lid 1 bedoelde kosten komen niet in aanmerking voor steun van de Unie indien zij worden gedekt op grond van artikel 45 van dit besluit of artikel 3, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/570 van de Commissie (9), of wanneer zij worden gefinancierd via andere financieringsinstrumenten van de Unie.
3. De in artikel 54 bedoelde procedures voor het verzoeken om bijstand van de Unie zijn ook van toepassing op verzoeken om financiële bijstand voor operationele kosten.
Artikel 45
Gastlandsteun
1. Tenzij anders is overeengekomen, verstrekt de verzoeker om bijstand, voor de duur van de interventie in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, kost, logies en lokaal vervoer voor de bijstandsteams en vult hij voorraden, brandstof en benodigdheden kosteloos aan.
2. De lidstaten wijzen een nationaal contactpunt aan dat belast is met het faciliteren van gastlandsteun en zij stellen de Commissie in kennis van die aanwijzing. Indien voor een individuele noodsituatie een nationaal contactpunt wordt aangewezen, wordt die informatie samen met het verzoek om bijstand verstrekt.
3. In de in artikel 15, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU bedoelde gevallen kan de Commissie de in lid 1 bedoelde kosten medefinancieren.
Artikel 46
Schadevergoeding
1. Lidstaten die om bijstand verzoeken of een donatie ontvangen uit hoofde van artikel 36, verzoeken andere lidstaten niet om een vergoeding voor schade die is veroorzaakt als gevolg van een bijstandsinterventie in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming of als gevolg van een donatie uit hoofde van artikel 36, tenzij is aangetoond dat deze schade het gevolg is van opzet of grove nalatigheid.
2. De lidstaten zien af van het instellen van een vordering tegen de Commissie voor schade als gevolg van bijstandsinterventies in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming of voor gevolgen van het niet-inzetten, ontbinden, terugtrekken of uit hoofde van artikel 36 doneren van rescEU-capaciteit die in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming en dit besluit is verleend, tenzij bewezen is dat deze schade het gevolg is van opzet of grove nalatigheid.
3. Indien derden schade hebben geleden als gevolg van een bijstandsinterventie, werken de lidstaten die om bijstand verzoeken of een donatie ontvangen uit hoofde van artikel 36 en de lidstaat die bijstand verleent of een donatie doet uit hoofde van artikel 36 samen om de vergoeding van die schade te vergemakkelijken, overeenkomstig de bestaande wetgeving en relevante kaders.
HOOFDSTUK 10
PROCEDURE VOOR DE INZET VAN DESKUNDIGEN
Artikel 47
Categorieën deskundigen
De lidstaten rangschikken de deskundigen in de volgende categorieën:
|
a) |
teamleiders en adjunct-teamleiders; |
|
b) |
coördinatie- en evaluatiedeskundigen op het gebied van informatiebeheer, operaties, veiligheid en beveiliging, en logistiek; |
|
c) |
technische deskundigen. |
Artikel 48
Taken en functies
1. De teamleider en de adjunct-teamleider zijn verantwoordelijk voor het leiden van het EUCP-team tijdens een missie. De leider van het interventieteam is verantwoordelijk voor het contact met de autoriteiten van het getroffen land, met het ERCC, met andere internationale organisaties, alsook, indien bijstandsinterventies in het kader van het Uniemechanisme voor civiele protectie buiten de lidstaten plaatsvinden, met de delegatie van de Unie in het betrokken land.
2. De technische deskundigen zijn in staat om advies te verstrekken over specifieke, zeer technische onderwerpen en de daarmee samenhangende risico’s.
3. De coördinatie- en evaluatiedeskundigen zijn in staat om een behoefteanalyse van de situatie maken en advies te verlenen over de te nemen maatregelen.
4. Deskundigen die worden uitgezonden voor paraatheidsmissies, kunnen door de Commissie in overeenstemming met hun aanwijzende lidstaat worden gemachtigd een van de functies als bedoeld in artikel 47 te vervullen, en zij zijn in staat advies te geven en verslag uit te brengen inzake adequate paraatheidsmaatregelen, onder meer met betrekking tot bestuurlijke capaciteit, de noodzaak van vroegtijdige waarschuwing, opleiding, oefeningen en bewustmaking.
5. Deskundigen die worden uitgezonden voor preventiemissies, kunnen door de Commissie in overeenstemming met hun aanwijzende lidstaat worden gemachtigd een van de functies als bedoeld in artikel 47 te vervullen, en zij zijn in staat advies te geven en verslag uit te brengen inzake adequate preventiemaatregelen en de capaciteit voor risicobeheer.
6. De door de Commissie uitgezonden ERCC-verbindingsfunctionarissen worden volledig geïntegreerd in het EUCP-team.
7. De Commissie kan besluiten andere, door relevante internationale organisaties uitgezonden deskundigen in het EUCP-team op te nemen.
Artikel 49
Deskundigengegevensbank
1. De gegevens over de deskundigen worden door de Commissie verzameld in een deskundigengegevensbank en via het Cecis toegankelijk gemaakt.
2. De deskundigen die zijn opgenomen in de ECPP, worden specifiek geïdentificeerd in de gegevensbank bedoeld in lid 1.
Artikel 50
Vereisten inzake opleiding en oefeningen
Indien nodig volgen de deskundigen het opleidingsprogramma en nemen zij deel aan oefeningen overeenkomstig artikel 24.
Artikel 51
Aanwijzing
Bij een verzoek om bijstand zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de aanwijzing van beschikbare deskundigen en voor het melden van hun contactgegevens bij het ERCC.
Artikel 52
Inzet van deskundigen, EUCP-teams en TAST’s
1. De geselecteerde deskundigen en TAST’s worden door het ERCC op zeer korte termijn gemobiliseerd en uitgezonden, zodra zij door de lidstaten voor de specifieke missie zijn aangewezen.
2. De kosten voor het uitzenden van individuele deskundigen, EUCP-teams en TAST’s worden geregeld overeenkomstig artikel 22, punt a), van Besluit nr. 1313/2013/EU.
3. In gevallen waarin een dienstenovereenkomst wordt opgesteld, heeft deze betrekking op de volgende elementen:
|
a) |
de doelstellingen van de missie; |
|
b) |
het mandaat; |
|
c) |
ethische en gedragsbeginselen; |
|
d) |
de beoogde duur van de missie; |
|
e) |
informatie over de lokale contactpersoon; |
|
f) |
de voorwaarden voor verzekeringsdekking; |
|
g) |
de dagvergoeding voor het dekken van uitgaven; |
|
h) |
de specifieke betalingsvoorwaarden; |
|
i) |
richtsnoeren voor technische deskundigen, coördinatie- en evaluatiedeskundigen, en teamleiders en adjunct-teamleiders van het EUCP-team. |
HOOFDSTUK 11
BIJSTAND VAN DE UNIE BIJ RESPONSACTIES
Artikel 53
Bijstand van de Unie bij responsacties
1. Elke lidstaat die bijstand op het gebied van civiele bescherming verleent of een rescEU-capaciteit inzet uit hoofde van artikel 34, kan om bijstand van de Unie verzoeken overeenkomstig artikel 54.
2. De Unie kan bijstand verlenen door:
|
a) |
de lidstaten subsidies toe te kennen voor uitrusting, vervoersmiddelen en logistieke middelen en voor de nodige extra ondersteunende en aanvullende maatregelen, om de coördinatie van de respons te vergemakkelijken; |
|
b) |
de toegang tot uitrusting, vervoers- en logistieke middelen en diensten te vergemakkelijken door middel van pooling met andere lidstaten en van toegang tot de commerciële markt of andere bronnen via de Commissie, zoals vervoersdiensten die worden betrokken bij particuliere of andere entiteiten. |
3. Wanneer de kosten in verband met een verzoek om bijstand van de Unie als bedoeld in lid 2 lager zijn dan 10 000 EUR, zijn zij niet subsidiabel, tenzij zij onder de in lid 4 bedoelde kaderpartnerschappen vallen, of betrekking hebben op de inzet van rescEU-capaciteit of de vergemakkelijking van de toegang tot uitrusting, vervoers- en logistieke middelen en diensten door middel van pooling met andere lidstaten.
4. De Commissie kan met de relevante bevoegde autoriteiten van de lidstaten financiële kaderpartnerschappen aangaan als bedoeld in artikel 130 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (10).
Artikel 54
Verzoeken om bijstand van de Unie bij responsacties
1. Verzoeken om bijstand van de Unie worden door de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 57 uitgevaardigd en via het Cecis of e-mail (of enig ander elektronisch middel) aan de Commissie toegezonden voordat een responsactie in verband met dat verzoek plaatsvindt. De Commissie informeert de verzoekende autoriteit over de informatie die nodig is om gevolg te kunnen geven aan het verzoek.
2. Na ontvangst van een verzoek om bijstand van de Unie door de Commissie komen de kosten van de responsactie waarom wordt verzocht in aanmerking voor financiering door de Unie, onverminderd artikel 55.
3. De Commissie kan besluiten een elektronisch uitwisselingssysteem te gebruiken voor alle uitwisselingen met begunstigden, met inbegrip van de sluiting van subsidieovereenkomsten en de kennisgeving van subsidiebesluiten en eventuele wijzigingen daarbij, krachtens artikel 148 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.
4. Na ontvangst van een verzoek om bijstand van de Unie voor een responsactie stelt de Commissie de door de lidstaten krachtens artikel 9, lid 7, van Besluit nr. 1313/2013/EU aangewezen contactpunten daarvan via het Cecis in kennis.
5. Indien een lidstaat om bijstand van de Unie als bedoeld in artikel 53, lid 2, punt b), verzoekt, kan de Commissie de lidstaten of particuliere marktdeelnemers, of beide, verzoeken haar nadere gegevens te verstrekken over de uitrusting, de vervoersmiddelen en de logistieke middelen die zij kunnen aanbieden. De Commissie vermeldt een uiterste termijn voor het verstrekken van die informatie.
6. De Commissie deelt de op grond van lid 5 ontvangen informatie met de lidstaat die het verzoek indient, samen met alle andere informatie waarover de Commissie beschikt met betrekking tot uitrusting, vervoersmiddelen en logistieke middelen die beschikbaar zijn uit andere bronnen, waaronder de commerciële markt, en zij helpt de lidstaten om toegang te krijgen tot die aanvullende middelen.
7. De verzoekende lidstaat licht de Commissie in over de oplossingen op het gebied van uitrusting, vervoer en logistiek waarvoor hij heeft gekozen en neemt contact op met de lidstaten die dergelijke steun verlenen of met de door de Commissie geïdentificeerde marktdeelnemer die dergelijke diensten verleent. De verzoekende lidstaat informeert de Commissie tevens over de vooruitgang die hij heeft geboekt bij de verlening van bijstand op het gebied van civiele bescherming.
8. Wanneer de lidstaat door de commerciële markt verleende diensten selecteert, geeft hij een schriftelijke bevestiging van zijn verzoek om een vervoers- en logistieke dienst en van zijn toezegging de Commissie overeenkomstig lid 9 terug te betalen.
9. Voor de kosten die de Commissie maakt wanneer de verzoekende lidstaat diensten selecteert die door de commerciële markt worden verleend, doet de Commissie een debetnota toekomen aan de lidstaat die financiële bijstand van de Unie heeft ontvangen.
10. In het geval van artikel 53, lid 2, punt b), kan één lidstaat het voortouw nemen bij de coördinatie van de procedure uit hoofde van dit artikel.
Artikel 55
Besluit betreffende bijstand van de Unie voor responsacties
1. Bij de beoordeling van de verzoeken overeenkomstig artikel 53 houdt de Commissie rekening met het volgende:
|
a) |
de informatie in het door de lidstaat overeenkomstig artikel 54, lid 1, ingediende verzoek om financieringsbijstand door de Unie voor responsacties; |
|
b) |
de behoeften die kenbaar zijn gemaakt door het getroffen land dat het Uniemechanisme voor civiele bescherming activeert, de door het ERCC vastgestelde behoeften en de behoeften van andere getroffen landen, zoals in het geval van activering van consulaire bijstand; |
|
c) |
eventuele behoefteanalyses uitgevoerd door het EUCP-team dat in het getroffen land wordt ingezet en deskundigen die onmiddellijk voor of tijdens de ramp verslag uitbrengen aan de Commissie; |
|
d) |
andere door de lidstaten en internationale organisaties verstrekte relevante en betrouwbare informatie waarover de Commissie ten tijde van haar besluit beschikt; |
|
e) |
de efficiëntie en doeltreffendheid van logistieke of vervoersoplossingen of van operaties die de tijdige verstrekking van de civielebeschermingsbijstand moeten garanderen; |
|
f) |
andere relevante maatregelen van de Commissie. |
2. De lidstaten verstrekken alle aanvullende informatie die nodig is om de verzoeken overeenkomstig artikel 53 te beoordelen. Na ontvangst van een verzoek om aanvullende informatie van de Commissie verstrekken de lidstaten de informatie waarom wordt verzocht zo spoedig mogelijk.
3. De Commissie vermeldt het bedrag van de te betalen voorfinanciering. De betaalde voorfinanciering kan oplopen tot 85 % van de totale financiële bijdrage van de Unie die is gevraagd, naargelang van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen. Voorfinanciering wordt niet verstrekt voor reeds voltooide responsacties. Voorfinanciering wordt niet toegekend voor subsidies die minder bedragen dan de drempel van geringe subsidies als vastgesteld in artikel 2, punt 41, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, tenzij de om financiële steun verzoekende lidstaat kan aantonen dat het uitblijven van voorfinanciering de uitvoering van de activiteiten in gevaar zou brengen.
4. De Commissie stelt de lidstaat die om financiële steun verzoekt en alle andere lidstaten onmiddellijk in kennis van het besluit inzake bijstand van de Unie bij responsacties.
Artikel 56
Schadevergoeding
Onverminderd artikel 340 van het Verdrag doet de lidstaat die om bijstand van de Unie verzoekt, geen verzoek om schadevergoeding door de Unie voor schade toegebracht aan zijn eigendommen of aan zijn personeel wanneer die schade het gevolg is van het verstrekken van vervoersmiddelen of diensten als bedoeld in dit besluit, tenzij bewezen is dat de schade het gevolg is van opzet of grove nalatigheid.
Artikel 57
Aanwijzing van bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om financiële bijstand van de Unie te verzoeken en deze te ontvangen, of machtigen andere entiteiten om financiële bijstand van de Unie te verzoeken en die te ontvangen, voor de uitvoering van andere responsacties op grond van artikel 22, punt c), van Besluit nr. 1313/2013/EU. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging.
2. Entiteiten die capaciteiten bezitten of daadwerkelijk zeggenschap hebben over capaciteiten die vooraf ter beschikking van de ECPP zijn gesteld, kunnen bij inzet van deze capaciteiten door de lidstaten worden aangewezen of gemachtigd in de zin van lid 1.
HOOFDSTUK 12
SLOTBEPALINGEN
Artikel 58
Intrekking
Uitvoeringsbesluit 2014/762/EU en Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1310 worden ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken uitvoeringsbesluiten gelden als verwijzingen naar het onderhavige besluit en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VII.
Artikel 59
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 10 april 2025.
Voor de Commissie
Hadja LAHBIB
Lid van de Commissie
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2013/1313/oj.
(2) Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2019 tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 77 I van 20.3.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/420/oj).
(3) Uitvoeringsbesluit 2014/762/EU van de Commissie van 16 oktober 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming en tot intrekking van de Beschikkingen 2004/277/EG, Euratom en 2007/606/EG, Euratom van de Commissie (PB L 320 van 6.11.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2014/762/oj).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/142 van de Commissie van 15 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/762/EU tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 25 van 30.1.2018, blz. 40, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2018/142/oj).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1310 van de Commissie van 31 juli 2019 tot vaststelling van regels voor de werking van de Europese pool voor civiele bescherming en rescEU (PB L 204 van 2.8.2019 blz. 94, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2019/1310/oj).
(6) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2015/444/oj).
(7) Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1956 van de Commissie van 10 november 2021 betreffende de oprichting en organisatie van het Uniekennisnetwerk op het gebied van civiele bescherming (PB L 399 van 11.11.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2021/1956/oj).
(8) Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 164, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2557/oj).
(9) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/570 van de Commissie van 8 april 2019 tot vaststelling van regels voor de uitvoering van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rescEU-capaciteit en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/762/EU van de Commissie (PB L 99 van 10.4.2019, blz. 41, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2019/570/oj).
(10) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj).
BIJLAGE I
Cecis
“Country template” voor deelname van ____________________ (land) aan het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (Cecis)
als bedoeld in artikel 8, lid 1, punt b), van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad
Bevoegde nationale autoriteit: ________________________________________
Lid van het Comité voor civiele bescherming
|
Voornaam |
|
Achternaam |
|
||
|
Straatadres |
|
Plaats |
|
||
|
Postcode |
|
||||
|
Tel. |
Fax |
E-mail: |
|||
(voor plaatsvervangende leden: andere tabel invullen)
Informatie over de site(s) van het/de contactpunt(en) te verbinden met het Cecis
|
Instelling |
|
||
|
Straatadres |
|
||
|
Plaats |
|
||
|
Postcode |
|
||
|
|
Hoofd operationele dienst van de contactpuntorganisatie |
Contactpersoon voor technische aangelegenheden |
Lokale beveiligingsregistratieambtenaar |
|
Achternaam |
|
|
|
|
Voornaam |
|
|
|
|
Tel. |
|
|
|
|
Fax |
|
|
|
|
E-mail: |
|
|
|
(regels toevoegen bij meer dan één locatie)
De Commissie stelt de bevoegde nationale autoriteit schriftelijk in kennis van alle andere relevante technische specificaties.
OVEREENKOMST
Wij bevestigen de juistheid van het bovenstaande en verbinden ons ertoe:
|
— |
de Europese Commissie alle noodzakelijke informatie en bijstand te verstrekken in de context van de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het GNCIS |
|
— |
de beschikbaarheid te garanderen van de noodzakelijke begrotingsmiddelen voor het functioneren van de connectie. |
Lid van het Comité voor civiele bescherming
|
|
______________________________ |
(Handtekening) |
|
|
______________________________ |
(Datum) |
Directeur-generaal:
|
|
______________________________ |
(Handtekening) |
|
|
______________________________ |
(Datum) |
Gelieve een ondertekende kopie per normale post of per fax te zenden naar de Europese Commissie, DG ECHO.A1 Noodhulpoperaties, alsook per e-mail naar ECHO-ERCC@ec.europa.eu
BIJLAGE II
MINIMALE TECHNISCHE VEREISTEN VOOR MODULES EN TEAMS VOOR TECHNISCHE BIJSTAND EN ONDERSTEUNING
Overstromingen
Pompen met hoog debiet
|
Taken |
Pompwerkzaamheden:
|
||||||||||||
|
Capaciteiten |
Pompwerkzaamheden met mobiele pompen met middelhoog en hoog debiet:
Deze pompen kunnen:
|
||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Pompen met middelhoog en hoog debiet. Slangen en koppelingen die compatibel zijn met verschillende standaardkoppelingen, waaronder de Storz-standaardkoppeling. Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis. |
||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
||||||||||||
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod. Inzetbaar gedurende maximaal 21 dagen. |
Waterzuivering
|
Taken |
Voorziening met drinkwater afkomstig van oppervlaktewater, overeenkomstig de toepasselijke normen en ten minste op het niveau van de WHO-normen. Waterkwaliteitscontrole aan de uitgang van de zuiveringsinstallatie. |
|
Capaciteiten |
Zuivering van 225 000 liter water per dag. Opslagcapaciteit equivalent aan de productie van een halve dag. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Ontziltingsapparatuur (facultatief). Mobiele waterzuiveringseenheid. Mobiele watertank. Mobiel veldlaboratorium. Koppelingen die compatibel zijn met verschillende standaardkoppelingen, waaronder de Storz-standaardkoppeling. Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod. Inzetbaar gedurende een periode van maximaal twaalf weken. |
Bestrijding van overstromingen
|
Taken |
Versterking van bestaande structuren en bouw van nieuwe dammen om verdere overstromingen van rivieren, waterbekkens en waterwegen met een stijgend waterpeil te voorkomen. |
||||||||||||||
|
Capaciteiten |
Vermogen om water op te stuwen tot een hoogte van minstens 0,8 m met gebruikmaking van:
|
||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Materiaal voor het bouwen van waterdichte dammen over een totale afstand van 1 000 m (zand moet door de plaatselijke autoriteiten beschikbaar worden gesteld). Folie/kunststoflagen (zo nodig om een bestaande dam waterdicht te maken, naargelang van de constructie van de dam). Machine voor het vullen van zandzakken. |
||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
||||||||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen. Vermogen om gedurende minstens tien dagen operationeel te zijn. |
Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten
|
Taken |
Zoek- en reddingsacties en bijstand aan mensen die geblokkeerd zitten in een overstromingssituatie, met gebruikmaking van boten. Levensreddende hulp bieden en waar nodig verstrekken van essentiële hulpgoederen. |
||||||||
|
Capaciteiten |
Vermogen om mensen in stedelijke en rurale gebieden op te sporen. Vermogen om mensen in een overstromingsgebied te redden, met inbegrip van eerste medische hulp. Vermogen om samen te werken met zoekacties vanuit de lucht (helikopters en vliegtuigen). Vermogen om te voorzien in de eerste hulpbehoeften in overstromingsgebieden:
De module moet over minstens 5 boten beschikken en in totaal 50 mensen kunnen vervoeren, het personeel van de module niet inbegrepen. De boten moeten bestand zijn tegen koude klimaatomstandigheden en stroomopwaarts een snelheid van minstens 10 knopen kunnen ontwikkelen. Gedurende zeven dagen 24 uur per dag operationeel. |
||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Boten ontworpen voor:
Reddingswerkers voor snelle redding bij noodsituaties in het water. (Geen duikoperaties, uitsluitend redding aan de oppervlakte.) |
||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen. Vermogen om gedurende minstens tien dagen operationeel te zijn. |
Medische producten
Luchtevacuatie van gewonde rampenslachtoffers
|
Taken |
Vervoer van rampenslachtoffers naar gezondheidsinrichtingen voor medische behandeling. |
|
Capaciteiten |
Capaciteit om patiënten op brancards te vervoeren. Dag en nacht inzetbaar. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Helikopters/vliegtuigen met brancards. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12, lid 1, punten f) en g), is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
Medische luchtevacuatie van zwaar besmettelijke zieken
|
Taken |
Luchtvervoer, met inbegrip van behandeling tijdens de vlucht van zwaar besmettelijke zieken, naar gespecialiseerde ziekenhuizen in de Unie. |
||||||||
|
Capaciteiten |
Vliegtuigen met de capaciteit om ten minste een of meer zwaar besmettelijke zieken per vlucht te vervoeren. |
||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Dag en nacht inzetbaar. Een systeem voor veilige behandeling tijdens de vlucht van zwaar besmettelijke zieken, met inbegrip van intensive care (1):
Ondersteuning:
passende procedures om de behandeling van uitrusting en afval, alsook decontaminatie volgens beproefde internationale normen te garanderen, met inbegrip van, waar van toepassing, relevante Uniewetgeving. |
||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12, lid 1, punten f) en g), is van toepassing. |
||||||||
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 24 uur na aanvaarding van het aanbod. |
Medisch team voor noodgevallen (EMT) type 1 (vast): extramurale noodverzorging
|
Taken |
Extramurale eerste noodverzorging van verwondingen en andere ernstige behoeften aan gezondheidszorg, omvattende de volgende diensten:
|
||||||
|
Capaciteiten |
Dagcapaciteit voor ten minste 100 extramurale consultaties/dag. |
||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Team- en personeelsvereisten:
Het team moet voldoen aan de classificatie- en minimumnormen voor buitenlandse medische teams bij plotselinge rampen en daarop volgende of aanvullende richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||
|
Zelfvoorziening |
Het team moet zelfvoorzienend zijn tijdens de hele duur van de inzet. Artikel 12 is van toepassing en daarbovenop ook de minimumnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 24-48 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Ten minste gedurende 14 dagen operationeel. |
Medisch team voor noodgevallen (EMT) type 1 (mobiel): extramurale noodverzorging
|
Taken |
Extramurale eerste noodverzorging van verwondingen en andere ernstige behoeften aan gezondheidszorg, omvattende de volgende diensten:
|
||||||
|
Capaciteiten |
Dagcapaciteit voor ten minste 50 extramurale consultaties/dag. |
||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Team- en personeelsvereisten:
Het team moet voldoen aan de classificatie- en minimumnormen voor buitenlandse medische teams bij plotselinge rampen en daarop volgende of aanvullende richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||
|
Zelfvoorziening |
Het team moet zelfvoorzienend zijn tijdens de hele duur van de inzet. Artikel 12 is van toepassing en daarbovenop ook de minimumnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 24-48 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Ten minste gedurende 14 dagen operationeel. |
Medisch team voor noodgevallen (EMT) type 2: intramurale chirurgische noodverzorging
|
Taken |
Intramurale acute zorg, algemene en obstetrische chirurgie bij trauma en andere ernstige situaties, omvattende de volgende diensten:
Capaciteit voor opvang en integratie binnen de muren van gespecialiseerde verzorgingsteams, indien een aantal van voornoemde diensten niet door het team kan worden geleverd. |
||||||||||||||||||
|
Capaciteiten |
Dag- en nachtdienst (gedurende zeven dagen 24 uur per dag, indien nodig), met ten minste:
|
||||||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Team- en personeelsvereisten:
Het team moet voldoen aan de classificatie- en minimumnormen voor buitenlandse medische teams bij plotselinge rampen en daarop volgende of aanvullende richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Het team moet zelfvoorzienend zijn tijdens de hele duur van de inzet. Artikel 12 is van toepassing en daarbovenop ook de minimumnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||||||||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 48-72 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek, capaciteit om binnen 24-96 uur operationeel te zijn ter plaatse. Capaciteit om operationeel te zijn gedurende ten minste drie weken buiten de Unie, en ten minste 14 dagen binnen de Unie. |
Medisch team voor noodgevallen (EMT) type 3: intramurale verzorging van doorverwezen patiënten
|
Taken |
Complexe intramurale chirurgische verzorging van doorverwezen patiënten, met inbegrip van intensivecarecapaciteit, omvattende de volgende diensten:
De gespecialiseerde diensten kunnen het volgende omvatten:
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Capaciteiten |
Dag- en nachtdienst (gedurende zeven dagen 24 uur per dag, indien nodig), met ten minste:
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Team- en personeelsvereisten:
Het team moet voldoen aan de classificatie- en minimumnormen voor buitenlandse medische teams bij plotselinge rampen en daarop volgende of aanvullende richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Het team moet zelfvoorzienend zijn tijdens de hele duur van de inzet. Artikel 12 is van toepassing en daarbovenop ook de minimumnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie. |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 48-72 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek, capaciteit om binnen 5-zeven dagen operationeel te zijn ter plaatse. Capaciteit om operationeel te zijn gedurende ten minste acht weken buiten de Unie, en ten minste 14 dagen binnen de Unie. |
Onderdak en andere ondersteuning
Noodonderkomen
|
Taken |
Tijdelijk noodonderkomen bieden aan de getroffen bevolking, met inbegrip van huisvesting, hygiëne en sanitaire voorzieningen, medische basisdiensten en mogelijkheden voor sociale bijeenkomsten. Personeel ter beschikking stellen voor het bedienen, mobiliseren, monteren, installeren, en onderhouden van opvangeenheden, waar nodig. In het geval van een overdracht van de opvangcapaciteit moet het betrokken (lokale of internationale) personeel vóór de terugtrekking geschoold worden. |
|
Capaciteiten |
Opvangcapaciteit bestaande uit een fysieke reserve van middelen waarmee — wanneer zij gelijktijdig worden ingezet — aan ten minste 250 personen onderdak kan worden geboden. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Opvangeenheden, waaronder tenten, met verwarming (voor winterse omstandigheden), geschikte ventilatiesystemen (voor zomerse omstandigheden) en basismateriaal, zoals bedden met slaapzak en/of dekens. Sanitair en hygiënefaciliteiten. EHBO-ruimte voor medische basisdiensten. Basishygiënepakketten. Multifunctionele voorzieningen voor de bereiding (facultatief) en consumptie van voedsel, distributie van drinkwater, sociale bijeenkomsten. Stroomgeneratoren en verlichting. Passende regelingen om een adequaat transport en adequate levering van de opvangeenheden te waarborgen. Naar behoren opgeleid personeel en middelen om materiële middelen in het getroffen gebied te bedienen, te mobiliseren, te assembleren, in te voeren en in stand te houden. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 24 uur na aanvaarding van het aanbod fysieke reserve klaar voor vertrek. De duur van de missie en, indien van toepassing, het begin van het overdrachtsproces moeten in overleg met het getroffen land worden vastgesteld. |
Bescherming van cultureel erfgoed
|
Taken |
Technische, operationele en veiligheidsondersteuning voor de bescherming van cultureel erfgoed. |
||||||||||||
|
Capaciteiten |
De module draagt bij tot de bescherming/het behoud van roerend, onroerend en immaterieel cultureel erfgoed door onder meer:
|
||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Bestaat uit een passend team van deskundigen van agentschappen voor rampenbeheer en de bescherming van cultureel erfgoed. Passende uitrusting, zoals:
Andere apparatuur, zoals voor communicatie/informatie-uitwisseling met de betrokken partners. |
||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
||||||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 96 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Vermogen om gedurende tien dagen actief te zijn, met mogelijkheid tot verlenging. |
Noodenergievoorziening
|
Taken |
Zorgen voor noodenergievoorziening. Personeel ter beschikking stellen voor het gebruik, de montage/demontage, de installatie/de-installatie, de bediening en het onderhoud van de capaciteit voor noodenergievoorziening wanneer nodig. In het geval van een overdracht moet het betrokken (lokale en/of internationale) personeel vóór de terugtrekking van het personeel van de module opgeleid worden. |
|
Capaciteiten |
Noodstroominstallaties voor het opwekken en/of leveren van noodenergie ter plaatse bij gelijktijdige inzet. De module moet ten minste één maand stroom kunnen leveren. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Stroomgeneratoren van verschillende omvang met het oog op flexibiliteit en schaalbaarheid. Adequate connectiviteits-, synchronisatie-, monitoring- en krachtoverbrengingssystemen om de capaciteit op de betrokken faciliteiten te kunnen aansluiten en de besturing van eenheden op elkaar te kunnen afstemmen. Een adequate hoeveelheid reserveonderdelen en andere verbruiksgoederen voor de werking van de capaciteit, zoals batterijen, apparatuur voor het oogsten van energie, connectiviteits- en synchronisatieapparatuur, andere soorten apparaten en aanverwante diensten. Adequate procedures om de noodtoevoer van brandstof te waarborgen voor de werking van de capaciteit. Adequate procedures voor het vervoer, het gebruik, de montage/demontage, de installatie/de-installatie, de bediening en het onderhoud van de capaciteit voor noodenergievoorziening. Apparatuur voor noodverlichting in de getroffen zone en bliksemafweersystemen. Adequate opslagfaciliteiten. Naar behoren opgeleid personeel en de nodige middelen voor het vervoer, het gebruik, de montage/demontage, de installatie/de-installatie, de bediening en het onderhoud van de capaciteit voor noodenergievoorziening. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod technisch team en inzetbare componenten klaar voor vertrek. |
Vervoer en logistiek
|
Taken |
Luchtvervoer en aanverwante logistieke diensten verlenen aan personen, met inbegrip van teams die betrokken zijn bij responsoperaties of luchtvervoer van materiaal/uitrusting. |
|
Capaciteiten |
In staat om relevante logistieke ondersteunende functies te vervullen. Dag en nacht inzetbaar. In staat om, indien nodig, opdrachten uit te voeren in vanuit operationeel oogpunt moeilijke omstandigheden. In staat om ten minste vijf passagiers of materiaal te vervoeren (zodat kleine teams/deskundigen/piloten snel kunnen worden ingezet). |
|
Belangrijkste onderdelen |
Luchtvaartuig(en) Logistiek personeel en uitrusting, indien van toepassing Technisch personeel, met inbegrip van bemanning, dat naar behoren is uitgerust en opgeleid om voornoemde taken uit te voeren. Adequate communicatieapparatuur (zoals lucht-lucht en lucht-grond communicatiesystemen voor capaciteit in de lucht). |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12, lid 1, punten f) en g), is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
Bruggencapaciteit
|
Taken |
Voorzien in capaciteit inzake noodbruggen voor voertuigen en voetgangers (2). Personeel ter beschikking stellen om de bruggencapaciteit te vervoeren, te gebruiken, te monteren, te installeren, te bedienen en te onderhouden wanneer dat nodig is. In het geval van een overdracht moet het betrokken (lokale en/of internationale) personeel vóór de terugtrekking van het personeel van de capaciteit opgeleid worden. |
|
Capaciteiten |
De bruggencapaciteit moet in staat zijn in een periode van zes weken (3) zelfstandig bruggen aan te leggen (4), indien nodig met opritten. Voertuigbrug: 1 rijstrook; een lengte van 20 m; een min. belasting van 20 t; loopplaten voor voetgangers. Voetgangersbrug: min. 150 cm breed (geschikt voor rolstoelen); tot 25 m lang; vrijstaand of met drijvende steun; een min. belasting van 5 kN/m2. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Uitrusting en voertuigen voor de uitvoering van alle noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden aan de rivieroevers (5). Passende uitrusting en voertuigen voor het vervoer van de brugonderdelen en het personeel voor de eerste inzet en het vervoer ter plaatse. Uitrusting en voertuigen/kranen om de aanleg ter plaatse van de bruggen te vergemakkelijken. Naar behoren opgeleid personeel en middelen om de uitrusting te gebruiken en te mobiliseren. Passende opslagvoorzieningen in de Unie (6), logistiek en een adequaat systeem voor voorraadbeheer. |
|
Zelfvoorziening |
Wanneer de capaciteit samen met het personeel wordt ingezet, waarborgt de capaciteit ten minste zelfvoorziening tijdens de eerste 96 uur van de inzet. |
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 72 uur na aanvaarding van het aanbod. In voorkomend geval wordt de duur van de missie in overleg met het getroffen land bepaald. |
CBRN en milieu
Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering (CBRNDET)
|
Taken |
Uitvoering/bevestiging van de eerste evaluatie, inclusief:
|
||||||||||||||
|
Capaciteiten |
De identificatie van chemische stoffen en detectie van radiologische gevaren met een combinatie van draagbare, mobiele en laboratoriumapparatuur:
Ondersteuning geven voor onmiddellijke risicovermindering:
|
||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Mobiel chemisch en radiologisch veldlaboratorium. Draagbare of mobiele detectieapparatuur. Apparatuur voor veldbemonstering. Systemen voor dispersiemodellering. Mobiel weerstation. Markeermateriaal. Referentiedocumenten en toegang tot relevante wetenschappelijke expertise. Zekere en veilige opsluiting van monsters en afval. Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel. Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen werken in een besmette en/of zuurstofarme omgeving, in voorkomend geval inclusief gasdichte pakken. Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie. Vliegende bewakingsapparatuur (facultatief). |
||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
||||||||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
CBRN-decontaminatie
|
Taken |
Decontaminatie van door chemische, biologische, radiologische en nucleaire agentia gecontamineerde infrastructuur, gebouwen, voertuigen, uitrusting, essentieel bewijsmateriaal of getroffen personen, met inbegrip van dodelijke slachtoffers. |
|
Capaciteiten |
Adequate decontaminatiecapaciteit voor infrastructuur, gebouwen, of voertuigen, uitrusting en essentieel bewijsmateriaal. Indien de capaciteit betrekking heeft op de ontsmetting van personen, adequate decontaminatiecapaciteit voor ten minste 70 ambulante personen per uur of 10 niet-ambulante personen per uur, alsmede voor dodelijke slachtoffers. In staat tot verwijdering van bekende toxische industriële chemische stoffen, bekende middelen voor chemische oorlogsvoering, biologische infectieuze agentia (pathogenen) en toxines, en radionucliden. In staat om binnen een veilige straal tijdelijke decontaminatiefaciliteiten op te zetten, toezicht te houden op de decontaminatieruimte om de werkomgeving veilig te houden en de doeltreffendheid van de decontaminatie te evalueren. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Geschikte uitrusting, technologie en oplossingen voor de verwijdering van bekende toxische industriële chemische stoffen, bekende middelen voor chemische oorlogsvoering, biologische infectieuze agentia (pathogenen) en toxines, en radionucliden. Geschikte apparatuur om toezicht te houden op de voortgang van de decontaminatieactiviteiten. Passende uitrusting en geschikt personeel voor de decontaminatie van infrastructuur, gebouwen, voertuigen, uitrusting, essentieel bewijsmateriaal en voorzieningen. Indien de capaciteit betrekking heeft op de ontsmetting van personen, passende uitrusting en personeel voor de ontsmetting van ambulante en niet-ambulante personen. Passende capaciteit en procedures om toezicht te houden op de decontaminatieruimte om de werkomgeving veilig te houden en de doeltreffendheid van de decontaminatie te controleren. Geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen om veilig te kunnen functioneren in een gecontamineerde omgeving gedurende de volledige duur van de inzet. Adequate pompsystemen en containers om water lokaal op te vangen. Beveiligde en veilige systemen en procedures voor afvalbeheer tijdens en na de decontaminatie, met inbegrip van oplossingen voor de tijdelijke en veilige opslag van verontreinigd afval, pompen, afvalverbrandingsresten, verontreinigd water en afvalwaterbehandelingsapparatuur. Het beheer van gevaarlijk afval, met inbegrip van verontreinigd water en andere bijproducten, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke Unie- of internationale regelgeving of de wetgeving van het getroffen land, indien deze strenger is en met steun van het getroffen land. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. In staat om het eigen personeel van de capaciteit te ontsmetten. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. In staat om gedurende ten minste 7 aaneengesloten dagen operationeel te blijven. |
Zoek- en reddingsoperaties bij CBRN-gevaren
|
Taken |
Speciale zoek- en reddingsoperaties waarbij het personeel beschermende pakken draagt. |
|
Capaciteiten |
Speciale zoek- en reddingsoperaties met beschermende pakken, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties. Drie gelijktijdig in het kritische gebied werkende personen. Continue interventie gedurende 24 uur. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Markeermateriaal. Zekere en veilige opsluiting van afval. Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel en de geredde slachtoffers. Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen zoek- en reddingsoperaties in een besmette omgeving, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties. Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
Stedelijke zoek- en reddingsoperaties (USAR) en operaties voorbij het puin
Lichte stedelijke zoek- en reddingsoperaties
|
Taken |
Taken volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (8) die onder puin liggen, bv. bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen. De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling. |
||||||||
|
Capaciteiten |
De module moet in staat zijn om volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren het volgende uit te voeren:
|
||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel). Opsporen (technisch zoeken, opsporing met speurhonden). Redden (breken en doorgangen maken, tillen en vervoeren, gebruiken van reddingstouw). Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden (10). |
||||||||
|
Zelfvoorziening |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
||||||||
|
Inzet |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties
|
Taken |
Taken volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (11) die onder puin liggen, bv. bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen. De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling. |
||||||||||||||
|
Capaciteiten |
De module moet in staat zijn om volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren het volgende uit te voeren:
Vermogen om gedurende zeven dagen 24 uur per dag op één locatie te werken. |
||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel). Opsporing (technische opsporing en/of opsporing met speurhonden, opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen). Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruiken van reddingstouw). Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden (14). |
||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
||||||||||||||
|
Inzet |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties
|
Taken |
Taken volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (15) die onder puin liggen, bv. bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen. De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling. |
||||||||||||||
|
Capaciteiten |
De module moet in staat zijn om volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren het volgende uit te voeren:
Vermogen om gedurende tien dagen 24 uur per dag op meer dan één locatie te werken. |
||||||||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel). Opsporen (technische opsporing, opsporing met speurhonden, opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen). Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruiken van reddingstouw). Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden (18). |
||||||||||||||
|
Zelfvoorziening |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
||||||||||||||
|
Inzet |
Volledig in overeenstemming met de INSARAG-richtsnoeren. |
Zoek- en reddingsoperaties in de bergen
|
Taken |
Zoek- en reddingsoperaties uitvoeren in bergachtige gebieden |
|
Capaciteiten |
Zoeken in bergachtige omgevingen (alle soorten gebieden binnen Europa), in staat zijn om dag en nacht reddingsoperaties te verrichten en één technische redding tegelijk uit te voeren; In staat zijn verticale reddingsoperaties uit te voeren in zeer slecht toegankelijke gebieden. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Medische zorg verlenen op het niveau van geavanceerde levensondersteunende behandeling; Communicatiesysteem installeren (draadloos en met kabels); Vermogen om elke andere module te ondersteunen die om geavanceerde technische ondersteuning voor reddingen met touwen verzoekt; Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel); Logistiek (operationele basis, onderhoud en levering, communicatie); Opsporen (technisch zoeken, opsporing met speurhonden, opsporing met drones); Redden (redding in berggebieden, redding op verticaal terrein, lawineredding); Medisch (zorg voor het team, met inbegrip van honden en slachtoffers); Voldoende personeel. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod. In staat om gedurende zeven dagen 24 uur per dag te functioneren. |
Zoek- en reddingsoperaties in grotten
|
Taken |
Zoek- en reddingsoperaties uitvoeren in ondergrondse en gesloten ruimten. Zoeken in een besloten ruimte met technische zoekapparatuur tot 1 000 m diepte (grotten). Mensen redden uit een gesloten ruimte met reddingstechniek met enkeltouw voor horizontaal en verticaal vervoer tot op een diepte van 1 000 m (grotten). |
|
Capaciteiten |
Zoeken in een besloten ruimte met technische zoekapparatuur tot 1 000 m diepte (grotten); Mensen redden uit een gesloten ruimte met reddingstechniek met enkeltouw voor horizontaal en verticaal vervoer tot op een diepte van 1 000 m (grotten). |
|
Belangrijkste onderdelen |
Medische zorg verlenen op het niveau van geavanceerde levensondersteunende behandeling; Communicatiesysteem installeren (draadloos en met kabels); Inzetten van technische explosieven in geval van nauwe passages; Bergbeklimmersuitrusting voor het bereiken van de ingang van de grot; Optioneel vermogen om grotduikoperaties uit te voeren in tunnels gevuld met water en eventuele andere wateromgevingen; Vermogen om elke andere module te ondersteunen die om geavanceerde technische ondersteuning voor reddingen met touwen verzoekt; Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel); Logistiek (operationele basis, onderhoud en levering, communicatie); Opsporing en redding in grotten (waaronder reddingstechnieken met touwen voor horizontaal en verticaal vervoer); Medisch personeel (zorg voor patiënten en personeel); Voldoende personeel. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod. In staat om gedurende zeven dagen 24 uur per dag te functioneren. |
Maritiem
Bestrijding van kust- en zoetwaterverontreiniging
|
Taken |
Insluiting van verontreiniging en opruimen van drijvende verontreinigende stoffen uit overstromingsgebieden en/of kust- of zoet water om de kustlijn of oevers te beschermen. |
|
Capaciteiten |
In staat om snel in te grijpen om waterlichamen of kusten/oevers te beschermen. In staat om zich aan te passen aan verschillende locaties (oppervlakte van het strand, toegangsvoorwaarden). In staat om verschillende soorten en hoeveelheden verontreinigende stoffen (drijvende deeltjes) op te vangen en zich aan te passen aan de mate waarin afvalstoffen worden geloosd. In staat om afval op te slaan. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Containers met een uitrusting die is samengesteld met het oog op de concrete situatie en behoeften. Een multifunctioneel werkplatform met een kleine buitenboordmotor in een transportcontainer. Apparatuur voor het opruimen van verontreiniging in kust- of zoet water (bv. insluitingsbarrières/waterkeringen aan de kust en vereiste accessoires (ankers, kettingen, boeien, touwen), hydraulische stroompakketten, hydraulische slangen en olievervoerslangen, lichte en/of modulaire skimmers, en pompen). Opslagcapaciteit voor afval (bv. inklapbare tanks). Veiligheidsapparatuur: persoonlijke beschermingsmiddelen voor opruimen van olie (bv. overalls, handschoenen, laarzen, brillen, helmen, overschoenen, ontsmettingsapparatuur, uitrusting en accessoires om het gebied af te bakenen, verlichtingssystemen). Communicatieapparatuur. Personeel dat is opgeleid om de taken uit te voeren. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Inzetbaar gedurende maximaal 14 dagen. |
Brand
Module voor de bestrijding van bosbranden met helikopters
|
Taken |
Bijdragen aan het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht. |
|
Capaciteiten |
Een of meer helikopters met een totale capaciteit van 3 000 liter, waarbij geen enkele helikopter een capaciteit van minder dan 1 000 liter heeft. Continu inzetbaar. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Een of meer helikopters met bemanning. Technisch personeel. Wateremmers of waterstortuitrustingen. Eén onderhoudsset. Eén stel reserveonderdelen. Twee reddingstakels. Communicatieapparatuur. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12, lid 1, punten f) en g), is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen
|
Taken |
Bijdragen aan het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht. |
|
Capaciteiten |
Twee vliegtuigen met een capaciteit van elk ten minste 3 000 liter. Continu inzetbaar. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Twee vliegtuigen. Minstens vier bemanningen. Technisch personeel. Veldonderhoudsuitrusting. Communicatieapparatuur. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12, lid 1, punten f) en g), is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
Bestrijding van bosbranden op de grond
|
Taken |
Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met apparatuur op de grond. |
|
Capaciteiten |
Voldoende personeel om gedurende zeven dagen continu inzetbaar te zijn. Vermogen om te werken in moeilijk toegankelijke gebieden. Vermogen om minstens 2 km lange lijnen brandslangen met pompen te installeren en/of continu verdedigingslinies te installeren. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Brandweerlieden opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren, die een aanvullende veiligheidsopleiding hebben gevolgd, rekening houdend met de verschillende soorten branden waarvoor de module kan worden ingezet. Draagbare apparatuur voor het leggen van verdedigingslijnen. Brandslangen, draagbare tanks en pompen voor het aanleggen van brandbestrijdingslijnen. Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, waaronder de Storz-standaardkoppeling. Rugzakken voor watertransport. Uitrusting die met een touw of windas uit een helikopter kan worden neergelaten. Evacuatieprocedures voor de brandweer moeten met het ontvangende land worden afgesproken. |
|
Zelfvoorziening |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
Inzet |
Uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Continu inzetbaar gedurende zeven dagen. |
Bosbrandbestrijding met voertuigen op de grond
|
Taken |
Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met brandweerwagens. |
|
Capaciteiten |
Voldoende personeel en voertuigen voor continue inzet van minstens 20 brandweerlieden tegelijk. |
|
Belangrijkste onderdelen |
Brandweerlieden opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren. Vier terreinvoertuigen. |
|
Zelfvoorziening |
Tankinhoud van minstens 2 000 liter per voertuig. Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, waaronder de Storz-standaardkoppeling. |
|
Inzet |
Artikel 12 is van toepassing. |
|
|
Uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. Continu inzetbaar gedurende zeven dagen. Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen. |
Teams voor technische bijstand en ondersteuning (TAST’s)
Algemene vereisten voor teams voor technische bijstand en ondersteuning
|
Taken |
Voorzien in of zorgen voor:
|
||||||||
|
Capaciteiten |
In staat tot ondersteuning van evaluatie-, coördinatie- en/of paraatheidsteams, een coördinatiecentrum voor operaties ter plaatse, of te worden gecombineerd met een civielebeschermingsmodule als bedoeld in artikel 12, lid 2. |
||||||||
|
Belangrijkste onderdelen |
De volgende ondersteunende componenten die alle operaties ter plaatse en de functies van de coördinatiecentra mogelijk maken, rekening houdend met erkende internationale normen zoals VN-normen:
De componenten moeten in diverse eenheden kunnen worden opgesplitst om een flexibele aanpassing aan de behoeften van een specifieke interventie mogelijk te maken. |
||||||||
|
Inzet |
Uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod klaar voor vertrek. |
(1) Hierbij kan van containers gebruik worden gemaakt.
(2) Spoorbruggen mogen vanwege de complexiteit ervan niet tot de ECPP-capaciteit inzake bruggen worden gerekend.
(3) Er moet rekening worden gehouden met verschillende constructiesystemen, van speciale vakwerksystemen tot snelbouwsystemen.
(4) Voor zowel voetgangersbruggen als voertuigbruggen moeten constructies zonder steunpijlers worden gebruikt. De constructies mogen de doorgang van boten of andere voertuigen niet beperken.
(5) Omvat niet het asfalteren van geschikte paden naar of van de brug.
(6) Voor de logistiek in verband met opslagvoorzieningen omvat “in de Unie” het grondgebied van de lidstaten en van de landen die deelnemen aan het Uniemechanisme voor civiele bescherming.
(7) Indien mogelijk moet bij dit proces rekening worden gehouden met de eisen van het om hulp verzoekende land ten aanzien van het bewijsmateriaal.
(8) Levende slachtoffers.
(9) Basiscapaciteit; meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module “Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.
(10) Afhankelijk van de voorwaarden voor medische en diergeneeskundige vergunningen.
(11) Levende slachtoffers.
(12) Basiscapaciteit; meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module “Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.
(13) Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.
(14) Afhankelijk van de voorwaarden voor medische en diergeneeskundige vergunningen.
(15) Levende slachtoffers.
(16) Basiscapaciteit; meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module “Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.
(17) Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.
(18) Afhankelijk van de voorwaarden voor medische en diergeneeskundige vergunningen.
BIJLAGE III
CAPACITEITSDOELSTELLINGEN VAN DE ECPP
Modulen
|
Module |
Aantal modulen dat tegelijk inzetbaar is |
|
LIGHT USAR (Lichte stedelijke zoek- en reddingsoperaties) |
3 . |
|
Medevac HID (Medische evacuatie van patiënten met een zeer besmettelijke ziekte) |
2 . |
|
CHP (Bescherming van cultureel erfgoed) |
2 . |
|
EES (Noodenergievoorziening) |
2 . |
|
T&L (Vervoer en logistiek) |
2 . |
|
Bestrijding van kust- en zoetwaterverontreiniging |
2 . |
|
Zoek- en reddingsoperaties in de bergen |
3 . |
|
Zoek- en reddingsoperaties in grotten |
3 . |
|
CBRN-decontaminatie |
2 . |
|
Bruggencapaciteit |
2 . |
|
HCP (Pompen met hoog debiet) |
20 . |
|
MUSAR (Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties — één in koude klimaatomstandigheden) |
4 . |
|
WP (Waterzuivering) |
6 . |
|
FFFP (Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen) |
2 . |
|
ES (Noodonderkomen) |
4 . |
|
HUSAR (Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties) |
4 . |
|
CBRNDET (Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering) |
6 . |
|
GFFF (Bestrijding van bosbranden op de grond) |
4 . |
|
GFFF-V (Bestrijding van bosbranden met voertuigen op de grond) |
15 |
|
CBRNUSAR (Stedelijke zoek- en reddingsoperaties in chemische, biologische, radiologische en nucleaire context) |
2 |
|
FC (Bedwinging van overstromingen) |
2 |
|
FRB (Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten) |
2 |
|
MEDEVAC (Medische luchtevacuatie van slachtoffers van rampen) |
2 |
|
FFFH (Module voor de bestrijding van bosbranden met helikopters) |
2 |
|
EMT type 1 vast (medisch team voor noodgevallen type 1: Extramurale noodverzorging — vast) |
15 |
|
EMT type 1 mobiel (medisch team voor noodgevallen type 1: Extramurale noodverzorging — mobiel) |
6 |
|
EMT type 2 (medisch team voor noodgevallen type 2: Intramurale chirurgische noodverzorging). |
6 |
|
EMT type 3 (medisch team voor noodgevallen type 3: Intramurale verzorging van doorverwezen patiënten) |
1 |
Teams voor technische bijstand en ondersteuning
|
Team voor technische bijstand en ondersteuning |
Doel |
|
TAST (Team voor technische bijstand en ondersteuning) |
2 |
Andere responscapaciteiten
|
Andere responscapaciteit |
Aantal andere responscapaciteiten dat tegelijk inzetbaar is |
|
Brandwondenbeoordelingsteams (BBT’s) |
2 |
|
Vervoer en logistiek (anders dan via de lucht) |
2 |
|
Opsporing van verontreiniging (zee, kust, binnenwateren) |
2 |
|
Bestrijding van verontreiniging aan de kust en in binnenwateren (opruimen van verontreiniging op het land, afvalbeheer en hulp voor met olie besmeurde dieren) |
2 |
|
Hulpgoederen en andere soorten bijstand in natura |
Voor zover nodig |
|
Teams voor zoek- en reddingsoperaties op het water |
2 |
|
Teams met speciale zoek- en reddingsuitrusting; bv. zoekrobots |
2 |
|
Systemen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS) |
2 |
|
Teams voor respons op ongevallen op zee (MIRG) |
2 |
|
Structurele ingenieursteams, voor het uitvoeren van schade- en veiligheidsevaluaties, het vaststellen of gebouwen moeten worden afgebroken of hersteld, evaluatie van infrastructuur, stutten voor een korte periode |
2 |
|
Evacuatiesteun: met inbegrip van teams voor informatiebeheer en logistiek |
2 |
|
Brandbestrijding: advies-/evaluatieteams |
2 |
|
Mobiele laboratoria voor noodsituaties op milieugebied |
2 |
|
Communicatieteams of platforms om in afgelegen gebieden snel de communicatie te herstellen |
2 |
|
Afzonderlijke luchtambulance voor medische evacuatie en helikopter voor medische evacuatie binnen Europa en wereldwijd |
2 |
|
Extra opvangcapaciteit: eenheden voor 250 personen (50 tenten); incl. zelfvoorzieningseenheid voor het betrokken personeel |
100 |
|
Bestrijding van mariene verontreiniging (uit de kust, zware uitrusting, opruimschepen) |
2 |
|
Medisch team voor noodgevallen voor gespecialiseerde verzorging |
8 |
|
Mobiele bioveiligheidslaboratoria |
4 |
|
Permanente ingenieurscapaciteit |
2 |
|
Andere responscapaciteiten die noodzakelijk zijn om geïdentificeerde risico’s aan te pakken |
wanneer noodzakelijk |
BIJLAGE IV
PROFIELEN VAN TECHNISCHE DESKUNDIGEN
Milieucluster
|
1. |
Deskundige op het gebied van bosbranden |
|
2. |
Milieudeskundige |
|
3. |
Deskundige op het gebied van de bestrijding van zeeverontreiniging |
|
4. |
Deskundige op het gebied van afvalbeheer |
Gezondheids-/CBRN-cluster
|
5. |
Deskundige op het gebied van water, sanitair en hygiëne (WASH) |
|
6. |
Deskundige op het gebied van epidemiologie/volksgezondheid |
|
7. |
Gezondheidscoördinator |
|
8. |
CBRN-deskundige |
Cluster “horizontaal”
|
9. |
Deskundige op het gebied van vervoer en logistiek |
|
10. |
Deskundige op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed |
|
11. |
Deskundige op het gebied van bouwtechniek |
Geologisch cluster
|
12. |
Geoloog/vulkanoloog |
|
13. |
Deskundige op het gebied van de beoordeling van dammen |
|
14. |
Seismoloog |
Opvangcluster
|
15. |
Deskundige op het gebied van weg- en waterbouwkunde |
|
16. |
Ruimtelijke ordening |
BIJLAGE V
PROCEDURE VOOR DE CERTIFICERING EN REGISTRATIE VAN CAPACITEIT VAN DE ECPP EN RESCUE
VEREISTE INFORMATIE
De informatie die moet worden verstrekt om de certificering en registratie van een bepaalde module, andere responscapaciteit (met uitzondering van hulpgoederen) of het team voor technische bijstand en ondersteuning in de ECPP aan te vragen, omvat de volgende elementen en alle andere informatie die de Commissie nodig acht:
|
1. |
zelfbeoordeling waaruit blijkt dat de modules en teams voor technische bijstand en ondersteuning voldoen aan de eisen die voor dit type responscapaciteit zijn vastgesteld in bijlage II of, voor andere responscapaciteiten, met de relevante informatie; |
|
2. |
factsheet over de responscapaciteit (Cecis-factsheets); |
|
3. |
bevestiging dat alle noodzakelijke regelingen zijn getroffen om te garanderen dat de relevante autoriteit en de nationale contactpunten voortdurend in staat zijn om verzoeken tot inzet zonder verwijl te behandelen wat betreft hun responscapaciteit die in de ECPP is geregistreerd; |
|
4. |
bevestiging dat alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen, inclusief de noodzakelijke financiële regelingen, om te garanderen dat de responscapaciteit die in de ECPP is geregistreerd, onmiddellijk kan worden ingezet na een verzoek tot inzet door de Commissie; |
|
5. |
de exacte duur van de voorafgaande toezegging aan de ECPP (minimaal één jaar, rekening houdend met artikel 19 indien een aanpassingssubsidie is toegekend); |
|
6. |
informatie over de gegarandeerde maximale inzettermijn (maximaal 12 uur na aanvaarding van het aanbod, tenzij anders is vermeld in bijlage II); |
|
7. |
de geografische locatie van het middel, de indicatieve locatie van de inzet (bv. luchthaven), het normale geografische bereik van de inzet, alsook geografische beperkingen, voor zover van toepassing; |
|
8. |
operationele standaardprocedures van de responscapaciteit; |
|
9. |
alle relevante informatie voor het afhandelen van het vervoer, zoals maten, gewichten, vluchtbeperkingen enz., vervoerswijzen die de voorkeur genieten; indien relevant: toegang tot havens; |
|
10. |
enige andere beperking of te voorziene voorwaarden voor de inzet; |
|
11. |
een “ervaringendossier”, met beknopte beschrijvingen van eerdere inzet van de responscapaciteit, deelname aan oefeningen van het Uniemechanisme, opleiding van kernpersoneel (o.a. teamleiders, hun plaatsvervangers) via het Uniemechanisme voor civiele bescherming, naleving van internationale normen voor zover relevant (bv. INSARAG, WHO en Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen); |
|
12. |
een zelfevaluatie van de behoeften tot aanpassing en de daarmee verbonden kosten; |
|
13. |
alle noodzakelijke contactgegevens. |
CERTIFICERINGSPROCEDURE
|
1. |
De certificeringsprocedure voor modules, andere responscapaciteiten, met uitzondering van hulpgoederen en teams voor technische bijstand en ondersteuning, omvat een consultatief bezoek, deelname aan een simulatieoefening en deelname aan een veldoefening. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie besluiten af te zien van de eis van deelname aan een veldoefening voor responscapaciteiten, wanneer is voldaan aan de overeengekomen criteria, zoals gedefinieerd in de certificeringsrichtsnoeren. |
|
2. |
Stedelijke zoek- en reddingsteams worden als gecertificeerd beschouwd als de externe INSARAG-classificatie is voltooid en de classificatie nog steeds geldig is. Voor stedelijke zoek- en reddingsoperaties is geen afzonderlijke certificeringsprocedure in het kader van de ECPP vereist. |
|
3. |
Medische teams voor noodgevallen (typen 1, 2, 3 en gespecialiseerde zorgteams) worden als gecertificeerd beschouwd als de classificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is voltooid en de certificering nog steeds geldig is. Voor medische noodteams is geen afzonderlijke certificeringsprocedure in het kader van de ECPP vereist. |
|
4. |
Mobiele laboratoria voor bioveiligheid worden als gecertificeerd beschouwd als het erkenningsproces van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor mobiele laboratoria voor snelle reactie is voltooid en de erkenning nog steeds geldig is. Voor mobiele laboratoria voor bioveiligheid is geen afzonderlijke certificeringsprocedure in het kader van de ECPP vereist. |
|
5. |
De kwaliteitseisen voor hulpgoederen in het kader van de ECPP moeten voldoen aan de relevante Unie- of internationale voorschriften of normen. De relevante bevoegde autoriteit wordt verzocht een formele verklaring of bewijsstukken in te dienen. Hulpgoederen moeten aan de ECPP worden toegezegd voor een periode van ten minste zes maanden of voor de houdbaarheidstermijn ervan, die niet korter mag zijn dan zes maanden. |
|
6. |
Richtsnoeren bevatten de gedetailleerde procedure en instrumenten voor de certificering en registratie van modules, andere responscapaciteiten en TAST’s. De certificeringsrichtsnoeren worden goedgekeurd door de deskundigengroep Capaciteiten van de Commissie. |
|
7. |
De richtsnoeren bevatten de gedetailleerde procedure en instrumenten voor de certificering, registratie en selectie van deskundigen. De richtsnoeren worden goedgekeurd door de deskundigengroep Capaciteiten van de Commissie. |
|
8. |
Richtsnoeren bevatten de gedetailleerde procedure en instrumenten voor de certificering en registratie van modules, andere responscapaciteiten en TAST’s. De recertificeringsrichtsnoeren worden goedgekeurd door de deskundigengroep Capaciteiten van de Commissie. |
REGISTRATIE
De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het opnemen van capaciteit in het Cecis, wanneer de Commissie hen informeert dat de certificeringsprocedure en de registratie van de capaciteiten in de ECPP zijn voltooid.
BIJLAGE VI
RELEVANTE INTERNATIONALE ORGANISATIES
De bevoegde internationale organisaties van artikel 16, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU zijn:.
|
1. |
Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) |
|
2. |
Internationale Federatie van de nationale verenigingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan (IFRC) |
|
3. |
Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) |
|
4. |
Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) |
BIJLAGE VII
CONCORDANTIETABEL
|
Besluit 2014/762/EU |
Besluit (EU) 2019/1310 |
Dit besluit |
|
Artikel 1 |
|
Artikel 1 |
|
Artikel 2 |
|
Artikel 2 |
|
Artikel 3 |
|
Artikel 3 |
|
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
|
Artikel 5 |
|
Artikel 5 |
|
Artikel 6 |
|
Artikel 6 |
|
Artikel 7 |
|
Artikel 7 |
|
Artikel 8 |
|
Artikel 8 |
|
Artikel 9 |
|
Artikel 9 |
|
Artikel 10 |
|
Artikel 10 |
|
Artikel 11 |
|
Artikel 11 |
|
Artikel 12 |
|
Artikel 12 |
|
Artikel 13 |
|
Artikel 13 |
|
Artikel 14 |
|
Artikel 14 |
|
Artikel 15 |
|
- |
|
Artikel 16 |
|
Artikel 15 Artikel 16 |
|
Artikel 17 |
|
- |
|
Artikel 18 |
|
Artikel 20 |
|
Artikel 19 |
|
Artikel 21 |
|
Artikel 20 |
|
Artikel 22 |
|
Artikel 21 |
|
Artikel 23 |
|
Artikel 22 |
|
- |
|
Artikel 23 |
|
- |
|
Artikel 24 |
|
- |
|
Artikel 25 |
|
- |
|
Artikel 26, lid 1 Artikel 26, lid 2 |
|
Artikel 24, lid 1 Artikel 24, lid 2 |
|
Artikel 27 |
|
Artikel 26 |
|
Artikel 28, lid 1 |
|
- |
|
Artikel 28, lid 2 |
|
Artikel 27 |
|
Artikel 28, lid 3 |
|
- |
|
Artikel 29 |
|
Artikel 29 |
|
Artikel 30 |
|
- |
|
Artikel 31 |
|
Artikel 24, lid 5 |
|
Artikel 32, lid 1 |
|
Artikel 24, lid 1 Artikel 24, lid 2 |
|
Artikel 32, lid 2 |
|
- |
|
Artikel 32, lid 3 |
|
Artikel 28, lid 2 |
|
Artikel 32, lid 4 |
|
Artikel 24, lid 3 |
|
Artikel 32, lid 5 |
|
- |
|
Artikel 33, lid 1 |
|
Artikel 31, lid 1 |
|
Artikel 33, lid 2 |
|
- |
|
Artikel 33, lid 3 |
|
Artikel 31, lid 2 |
|
Artikel 34, lid 1 Artikel 34, lid 2 |
|
Artikel 32, lid 1 Artikel 32, lid 2 |
|
Artikel 34, lid 3 |
|
- |
|
Artikel 34, lid 4 |
|
- |
|
Artikel 35 |
|
Artikel 35 |
|
Artikel 36 |
|
Artikel 39 |
|
Artikel 37 |
|
Artikel 40 |
|
Artikel 38 |
|
Artikel 42 |
|
Artikel 39, lid 1 Artikel 39, lid 2 |
|
Artikel 43 |
|
Artikel 39, lid 3 |
|
Artikel 45, lid 1 |
|
Artikel 39, lid 4 |
|
Artikel 44 |
|
Artikel 40 |
|
Artikel 46 |
|
Artikel 41 |
|
Artikel 47 |
|
Artikel 42 |
|
Artikel 48 |
|
Artikel 43 |
|
Artikel 49 |
|
Artikel 44 |
|
Artikel 50 |
|
Artikel 45 |
|
Artikel 51 |
|
Artikel 46 |
|
Artikel 52 |
|
Artikel 47 |
|
Artikel 53, lid 2 |
|
Artikel 48, lid 1 |
|
Artikel 53, lid 1 |
|
Artikel 48, lid 2 |
|
Artikel 54, lid 1 |
|
Artikel 48, lid 3 |
|
Artikel 54, lid 10 |
|
Artikel 48, lid 4 |
|
- |
|
Artikel 48, lid 5 |
|
54, lid 1 |
|
Artikel 48, lid 6 |
|
54, lid 3 |
|
Artikel 49, lid 1 |
|
Artikel 54, lid 4 |
|
Artikel 49, lid 2 |
|
Artikel 54, lid 5 |
|
Artikel 49, lid 3 |
|
Artikel 54, lid 2 |
|
Artikel 50, lid 1 Artikel 50, lid 2 Artikel 50, lid 5 |
|
- |
|
Artikel 50, lid 3 |
|
Artikel 54, lid 6 |
|
Artikel 50, lid 4 |
|
Artikel 54, lid 7 |
|
Artikel 51, lid 1 |
|
Artikel 53, lid 1 |
|
Artikel 51, lid 2 |
|
- |
|
Artikel 51, lid 3 |
|
Artikel 53, lid 4 |
|
Artikel 52 |
|
- |
|
Artikel 53, lid 1, punt a) Artikel 53, lid 1, punt b) Artikel 53, lid 1, punt c) Artikel 53, lid 1, punt d) Artikel 53, lid 1, punt e) Artikel 53, lid 1, punt g) Artikel 53, lid 2 Artikel 53, lid 3 Artikel 53, lid 4 |
|
Artikel 55 |
|
Artikel 53, lid 1, punt f) |
|
- |
|
Artikel 53, lid 5 |
|
Artikel 53, lid 3 |
|
Artikel 54 |
|
- |
|
Artikel 55 |
|
Artikel 56 |
|
Artikel 56 |
|
Artikel 57 |
|
Artikel 57 |
|
Artikel 58 |
|
Artikel 58 |
|
Artikel 59 |
|
Bijlage I |
|
Bijlage I |
|
Bijlage II |
|
Bijlage II |
|
Bijlage III |
|
Bijlage III |
|
Bijlage IV |
|
- |
|
Bijlage V |
|
Bijlage V |
|
Bijlage VI |
|
- |
|
Bijlage VII |
|
Bijlage VI |
|
Bijlage VIII |
|
- |
|
Bijlage IX |
|
Bijlage VII |
|
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
|
Artikel 2 |
Artikel 19 |
|
|
Artikel 3 |
Artikel 34 |
|
|
Artikel 4 |
Artikel 41 |
|
|
Artikel 5 |
Artikel 35 |
|
|
Artikel 6 |
Artikel 37 |
|
|
Artikel 7 |
- |
|
|
Artikel 8 |
Artikel 38 |
|
|
Artikel 9 |
Artikel 46 |
|
|
Artikel 10 |
Artikel 17 |
|
|
Artikel 11 |
- |
|
|
Artikel 12 |
Artikel 44 |
|
|
Artikel 13 |
Artikel 59 |
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2025/704/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)