|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/623 |
31.3.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/623 VAN DE COMMISSIE
van 28 maart 2025
tot vaststelling, overeenkomstig Verordening (EU) 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumvoorschriften voor certificaten van natuurlijke personen en de voorwaarden voor de wederzijdse erkenning van dergelijke certificaten op het gebied van de terugwinning van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 517/2014 (1), en met name artikel 10, lid 8,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2024/573 bevat verplichtingen betreffende de certificering van natuurlijke en rechtspersonen om bepaalde activiteiten uit te voeren waarbij gefluoreerde broeikasgassen of relevante alternatieven voor gefluoreerde broeikasgassen, met inbegrip van natuurlijke koelmiddelen, betrokken zijn. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) 2024/573 zijn nieuwe regels ingevoerd met betrekking tot certificeringsverplichtingen voor de terugwinning van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit desbetreffende apparatuur. De nieuwe regels hebben met name betrekking op een uitgebreide lijst van stoffen. |
|
(3) |
Daarom moeten, overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2024/573, de minimumvoorschriften voor de certificering van natuurlijke personen worden geactualiseerd met betrekking tot de stoffen en de vaardigheden en kennis die moeten worden bestreken in verband met de terugwinning van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, en moeten regels voor de certificering en de voorwaarden voor de wederzijdse erkenning van certificaten worden vastgesteld. |
|
(4) |
Verordening (EU) 2024/573 heeft Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2) vervangen. Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie (3) moet derhalve worden ingetrokken. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) 2024/573 opgerichte comité voor gefluoreerde broeikasgassen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op natuurlijke personen die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit desbetreffende apparatuur.
Artikel 2
Certificaten voor natuurlijke personen
1. Natuurlijke personen die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit apparatuur, zijn houder van een in artikel 3 bedoeld certificaat.
2. Natuurlijke personen die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit apparatuur, zijn niet onderworpen aan het voorschrift van lid 1 van dit artikel, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
zij zijn ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat voor de betrokken activiteit, en |
|
b) |
zij voeren de activiteit uit onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat voor die activiteit die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de activiteit. |
De in de eerste alinea vastgestelde afwijking is van toepassing voor de duur van de perioden waarin de in artikel 1 bedoelde activiteiten worden uitgevoerd, voor een totale duur van ten hoogste 24 maanden.
Artikel 3
Certificering van natuurlijke personen
1. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 4 geeft een certificaat af aan natuurlijke personen die geslaagd zijn voor een theoretisch en praktisch examen dat door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 5 is georganiseerd en betrekking heeft op de in bijlage I vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.
2. Het certificaat bevat ten minste het volgende:
|
a) |
de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum; |
|
b) |
de activiteit die de houder van het certificaat mag verrichten; |
|
c) |
de afgiftedatum en de handtekening van de afgever. |
3. De lidstaten kunnen certificeringsinstanties toestaan om aanvragers vrij te stellen van de verplichting om te slagen voor het in lid 1 bedoelde examen wanneer zij over eerder verworven kwalificaties, vaardigheden en kennis beschikken die gelijkwaardig zijn aan de in bijlage I vermelde kwalificaties, vaardigheden en kennis.
De lidstaten kunnen certificeringsinstanties toestaan om aanvragers alleen te verplichten een aanvullend examen af te leggen wanneer de eerder verworven vaardigheden en kennis van de aanvrager gedeeltelijk overeenstemmen met de in bijlage I vermelde vaardigheden en kennis.
Artikel 4
Certificeringsinstantie
1. De lidstaten specificeren in hun nationale wetgeving een certificeringsinstantie die gemachtigd is om certificaten af te geven aan natuurlijke personen die betrokken zijn bij een of meer van de in artikel 1 bedoelde activiteiten, of wijzen een autoriteit of autoriteiten aan die bevoegd is of zijn om een dergelijke certificeringsinstantie aan te wijzen.
De certificeringsinstantie voert haar activiteiten op onafhankelijke en onpartijdige wijze uit.
2. De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.
3. De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde natuurlijke persoon kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 5
Evalueringsinstantie
1. In elke lidstaat wordt een evalueringsinstantie aangewezen die examens voor de in artikel 2, lid 1, bedoelde natuurlijke personen organiseert. Certificeringsinstanties als bedoeld in artikel 4 komen eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie. De evalueringsinstantie voert haar activiteiten op onafhankelijke en onpartijdige wijze uit.
2. Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in bijlage I vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst. De evalueringsinstantie stelt een examenruimte ter beschikking waar de veiligheid van de kandidaten wordt gewaarborgd, met name wanneer zij werkzaamheden uitvoeren met ontvlambare oplosmiddelen.
3. De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluatie kunnen worden gedocumenteerd.
4. De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een examen aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geëxamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische examens.
Artikel 6
Voorwaarden voor wederzijdse erkenning
1. De wederzijdse erkenning van certificaten tussen de lidstaten geldt alleen voor certificaten die overeenkomstig artikel 3 voor natuurlijke personen zijn afgegeven voor de in die certificaten vermelde activiteiten.
2. De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten geen evaluatie- of andere beoordelingsprocedures of onevenredige administratieve eisen opleggen met het oog op de erkenning van deze certificaten of met het oog op het in dienst nemen van houders van deze certificaten voor de daarin vermelde activiteiten.
3. De lidstaten mogen houders van een in een andere lidstaat afgegeven certificaat om een vertaling vragen van dat certificaat in een andere officiële taal van de Unie.
Artikel 7
Bestaande certificaten, opfriscursussen of evaluatieprocedures
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 10, lid 9, van Verordening (EU) 2024/573 voorgeschreven opfriscursussen of evaluatieprocedures de in bijlage I bij deze verordening vermelde praktische en theoretische kennis en vaardigheden van de gecertificeerde natuurlijke personen aantonen.
2. Krachtens artikel 10, lid 9, van Verordening (EU) 2024/573 zien de lidstaten erop toe dat houders van bestaande certificaten overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 306/2008 deze certificaten alleen mogen blijven gebruiken als zij hun vaardigheden en kennis verbeteren tot het niveau dat vereist is voor het certificaat als bedoeld in artikel 3 van deze verordening en als vermeld in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 8
Intrekking
1. Verordening (EG) nr. 306/2008 wordt ingetrokken.
2. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 maart 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L, 2024/573, 20.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/573/oj.
(2) Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/517/oj).
(3) Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur (PB L 92 van 3.4.2008, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/306/oj).
BIJLAGE I
Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen
Het in artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 2, bedoelde examen omvat het volgende:
|
a) |
een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom “Soort test” aangegeven met (T); |
|
b) |
een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom “Soort test” aangegeven met (P).
|
BIJLAGE II
Concordantietabel
|
Verordening (EG) nr. 306/2008 |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2, lid 1 |
Artikel 2, lid 1 |
|
Artikel 2, lid 2 |
Artikel 2, lid 2 |
|
Artikel 2, lid 3 |
— |
|
Artikel 3, lid 1 |
Artikel 3, lid 1 |
|
Artikel 3, lid 2 |
Artikel 3, lid 2 |
|
Artikel 3, lid 3 |
— |
|
Artikel 3, lid 4 |
— |
|
Artikel 4, lid 1 |
Artikel 4, lid 1 |
|
Artikel 4, lid 2 |
Artikel 4, lid 2 |
|
Artikel 4, lid 3 |
Artikel 4, lid 3 |
|
Artikel 5, lid 1 |
Artikel 5, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 5, lid 2 |
|
Artikel 5, lid 3 |
Artikel 5, lid 3 |
|
Artikel 5, lid 4 |
Artikel 5, lid 4 |
|
Artikel 6, lid 1 |
— |
|
Artikel 6, lid 2 |
— |
|
Artikel 6, lid 3 |
— |
|
Artikel 7, lid 1 |
Artikel 6, lid 1 |
|
Artikel 7, lid 2 |
Artikel 6, lid 3 |
|
Artikel 8 |
Artikel 9 |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/623/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)