European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/500

14.3.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/500 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2025

tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 15 en artikel 24, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 16 februari 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 10 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (“de basisverordening”) een antisubsidieprocedure ingeleid met betrekking tot de invoer van bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko (“het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (het “bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 3 januari 2024 was ingediend door de Association of European Wheel Manufacturers (“de klager” of “EUWA”). De klacht werd ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor bepaalde aluminium wielen in de zin van artikel 10, lid 6, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal inzake subsidiëring en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan was voldoende om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen.

(3)

Voorafgaand aan de opening van het antisubsidieonderzoek stelde de Commissie de Marokkaanse overheid (3) ervan in kennis dat zij een door het nodige bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen en nodigde zij de Marokkaanse overheid uit voor overleg overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening; op 16 februari 2024 maakte de Commissie een memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal bekend (4). Op 12 februari 2024 vond overleg plaats met de Marokkaanse overheid. Er kon echter geen overeenstemming worden bereikt.

(4)

Op 17 november 2021 opende de Commissie een afzonderlijk antidumpingonderzoek naar hetzelfde product van oorsprong uit Marokko (“het afzonderlijke antidumpingonderzoek”) (5). De Commissie concludeerde dat het betrokken product met dumping op de markt van de Unie werd ingevoerd en stelde op 11 januari 2023 definitieve antidumpingrechten van 9,0 tot 17,5 % in (6).

1.2.   Belanghebbenden en verzoek om anonimiteit

(5)

In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, de Marokkaanse overheid, de overheid van de Volksrepubliek China (de “Chinese overheid”) (7), andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs en de haar bekende importeurs en gebruikers specifiek in kennis gesteld van de opening van het onderzoek en heeft zij hen uitgenodigd om mee te werken.

(6)

De Chinese overheid werd verzocht zich kenbaar te maken en aan het onderzoek mee te werken. De Chinese overheid verzocht echter niet om als belanghebbende te worden beschouwd en verleende geen medewerking.

(7)

De klagers hebben gevraagd hun namen geheim te houden uit vrees voor vergeldingsacties van afnemers. De Commissie was van mening dat vergeldingsacties inderdaad een ernstig risico vormden en ging er derhalve mee akkoord de namen van de klagers geheim te houden. Met het oog op een daadwerkelijke anonimiteit zijn de namen van de andere producenten in de Unie eveneens geheimgehouden, om te voorkomen dat de namen van de klagers door deductie kunnen worden achterhaald.

1.3.   Opmerkingen betreffende de opening van het onderzoek

(8)

De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(9)

De Commissie ontving opmerkingen over de opening van het onderzoek van de Marokkaanse overheid, de European Automobile Manufacturers’ Association (“ACEA”) en de klager.

(10)

Drie partijen verzochten om een hoorzitting met de diensten van de Commissie en werden gehoord: de Marokkaanse overheid, ACEA en Renault Group.

(11)

In de opmerkingen van 8 april en 16 mei 2024 (8) en tijdens de hoorzitting van 17 mei 2024 voerde de Marokkaanse overheid aan dat deze procedure in strijd is met een aantal bepalingen van de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (9) (“de associatieovereenkomst”), en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen (10) (“de overeenkomst inzake geschillenbeslechting”). Volgens de Marokkaanse overheid zijn douanerechten, met inbegrip van compenserende rechten, verboden op grond van de artikelen 8 en 9 van de associatieovereenkomst. De Marokkaanse overheid voerde aan dat uitzonderingen op deze bepalingen alleen zijn opgenomen in de artikelen 24 tot en met 27 van de associatieovereenkomst, waarbij antidumping- of vrijwaringsmaatregelen zijn toegestaan indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan. De Commissie zou zich daarentegen niet op artikel 36 van de associatieovereenkomst kunnen beroepen om de instelling van compenserende rechten te rechtvaardigen. Dit zou in strijd zijn met artikel 2, lid 1, van de overeenkomst inzake geschillenbeslechting, aangezien dergelijke maatregelen buiten het toepassingsgebied van deze bepaling en het mandaat van een arbitragepanel zouden vallen, terwijl alleen antidumpingmaatregelen die op grond van artikel 24 van de associatieovereenkomst zijn toegestaan, specifiek worden vermeld.

(12)

De Commissie was het hier niet mee eens. De artikelen 8 en 9 van de associatieovereenkomst bevatten respectievelijk een verbod om nieuwe douanerechten of heffingen van gelijke werking in de bilaterale handel op te leggen en het recht om producten van oorsprong uit Marokko zonder dergelijke rechten en heffingen in de Unie in te voeren, maar er zijn uitzonderingen op deze verboden. Dergelijke uitzonderingen zijn niet alleen opgenomen in de artikelen 24 tot en met 27 van de associatieovereenkomst, zoals de Marokkaanse overheid beweert, maar ook in artikel 36 van deze overeenkomst.

(13)

In het bijzonder bepaalt artikel 36, lid 3, van de associatieovereenkomst dat de bepalingen inzake de interpretatie en toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) de toepasselijke regels zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de associatieovereenkomst van subsidies die de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt c), van de associatieovereenkomst, indien de associatieraad niet overeenkomstig artikel 36, lid 3, specifieke uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld. De Commissie merkte op dat tot op heden geen dergelijke uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld. Aangezien de relevante uitvoeringsbepalingen van artikel VI van de GATT de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen en de basisverordening (waarbij dergelijke bepalingen in Unierecht zijn omgezet) omvatten, concludeerde de Commissie dat dit inderdaad de relevante wettelijke voorschriften zijn die van toepassing zijn op de lopende procedure tegen Marokko, in volledige overeenstemming met de associatieovereenkomst.

(14)

De Commissie merkte verder op dat in het argument van de Marokkaanse overheid niet wordt gespecificeerd welke materiële regels van toepassing zouden zijn op de subsidies in het kader van de lopende procedure. De Marokkaanse overheid stelt enkel dat invoerrechten of heffingen van gelijke werking in strijd zijn met artikel 8 of 9 van de associatieovereenkomst, en concludeert dat compenserende rechten niet in overeenstemming zouden zijn met deze bepalingen. Dit argument heeft geen logische grond, aangezien het niet alleen zou inhouden dat de regels van de basisverordening en de desbetreffende WTO-regels niet van toepassing zijn op subsidies die onder artikel 36, lid 1, punt c), van de associatieovereenkomst vallen, maar dat deze subsidies eenvoudigweg wettelijk zouden zijn toegestaan, zelfs indien zij de mededinging zouden vervalsen of dreigen te vervalsen en aan de andere materiële vereisten van die bepaling zouden voldoen. Met andere woorden, indien de associatieraad niet overeenkomstig artikel 36, lid 3, de uitvoeringsbepalingen zou vaststellen, zouden dergelijke verstorende subsidies automatisch rechtmatig worden, ook al zouden zij in strijd zijn met de basisverordening en de WTO-regels ter uitvoering van artikel VI van de GATT. Dit zou een abnormaal gevolg zijn dat niet wordt geschraagd door enige wettelijke bepaling in de associatieovereenkomst, noch door de ontstaansgeschiedenis ervan.

(15)

Het argument van de Marokkaanse overheid op basis van artikel 2, lid 1, van de overeenkomst inzake geschillenbeslechting verandert niets aan deze conclusies. Het doel en het toepassingsgebied van deze overeenkomst zijn uitsluitend het vermijden en beslechten van eventuele geschillen die voortvloeien uit titel II van de associatieovereenkomst. Titel II omvat de artikelen 8 en 9 van de associatieovereenkomst, maar niet artikel 36. Geschillen over andere bepalingen van de associatieovereenkomst, waaronder artikel 36, vallen onder artikel 86 van de associatieovereenkomst. De Commissie heeft er om te beginnen op gewezen dat deze bepalingen betrekking hebben op de procedureregels voor de eventuele beslechting van geschillen over de uitlegging en toepassing van de materiële bepalingen van de associatieovereenkomst. De vraag of de overeenkomst inzake geschillenbeslechting of artikel 86 van de associatieovereenkomst van toepassing is op mogelijke geschillen over het definitieve besluit over de lopende procedure inzake compenserende maatregelen heeft geen gevolgen voor de toepasselijke materiële regels die aan deze procedure ten grondslag liggen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 12 tot en met 14, heeft de Commissie geconcludeerd dat de toepasselijke regels de regels van de basisverordening en de relevante WTO-regels ter uitvoering van artikel VI van de GATT zijn. De Commissie merkte op dat niets in deze verordening afbreuk doet aan het recht van de Marokkaanse overheid om voor mogelijke geschillen over de bevindingen in deze verordening de meest geschikte rechterlijke of alternatieve mogelijkheid voor geschillenbeslechting te kiezen, onder meer in het kader van de associatieovereenkomst en/of de overeenkomst inzake geschillenbeslechting.

(16)

De Marokkaanse overheid stelde ook dat het verzoek over het algemeen onvoldoende bewijsmateriaal bevat om een antisubsidieonderzoek te openen, zoals de rechtspraak van de WTO vereist. De Marokkaanse overheid voerde met name aan dat de klacht geen specifiek bewijs bevat dat de twee producenten-exporteurs die in Marokko actief zijn, van de vermeende subsidieprogramma’s zouden hebben geprofiteerd. Zij voerde aan dat de vermeende subsidies aan de producenten-exporteurs in het beste geval speculatief zijn en niet voldoen aan de criteria van de artikelen 11.2 en 11.3 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (“SCM-overeenkomst van de WTO”).

(17)

Meer in het bijzonder voerde de Marokkaanse overheid aan dat er onvoldoende bewijs was dat de twee bekende producenten-exporteurs subsidies van de overheid hadden ontvangen en dat uit de klacht onvoldoende bleek dat deze subsidies via overheidsinstanties waren verstrekt. Hetzelfde argument werd aangevoerd voor belastingvrijstellingen en preferentiële leningen die door Marokkaanse banken werden verstrekt. In dit verband voerde de Marokkaanse overheid aan dat in de klacht geen bankaanbod of betalingen van banken waren opgenomen als bewijs van de preferentiële leningen aan de producenten-exporteurs. Met betrekking tot subsidies in verband met de verstrekking van grond verklaarde de Marokkaanse overheid dat de in de klacht verstrekte documenten betrekking hebben op verouderde informatie van de Marokkaanse Rekenkamer uit 2016, waarin sprake is van financiering buiten de beoordelingsperiode van het onderzoek, die geen verband houdt met de producenten-exporteurs. Wat de specificiteit betreft, stelde de Marokkaanse overheid dat de klacht geen bewijs bevatte dat de twee producenten-exporteurs deel uitmaakten van de automobielsector die door de Marokkaanse overheid werd gesteund.

(18)

Tot slot voerde de Marokkaanse overheid aan dat het instellen van compenserende maatregelen tegen de vermeende Chinese financiële steun die aan Marokko wordt toegerekend, in strijd is met de WTO-regels en dat de Commissie vóór de opening van het onderzoek onvoldoende bewijsmateriaal had verkregen om de vermeende Chinese financiering aan de Marokkaanse overheid toe te rekenen.

(19)

De Commissie was het niet eens met deze argumenten. Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de basisverordening moet een klacht de gegevens bevatten waarover de klager redelijkerwijs beschikt. Het juridisch vereiste bewijsniveau om een onderzoek te openen (“voldoende bewijsmateriaal”) verschilt van het bewijsniveau dat nodig is voor een eindbeslissing over het bestaan van subsidiëring, schade of een oorzakelijk verband. Derhalve kan bewijsmateriaal dat kwantitatief of kwalitatief ontoereikend is om een eindbeslissing over het bestaan van subsidiëring, schade of een oorzakelijk verband te rechtvaardigen, niettemin toereikend zijn om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen.

(20)

De Commissie verwijst ook naar het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal, waarin de in de klacht genoemde subsidieregeling in detail werd geanalyseerd en werd geconcludeerd dat er voldoende bewijsmateriaal was om het bestaan van de beweerde subsidiëring in de openingsfase aan te tonen. Zoals ook de klager in zijn opmerkingen bij de opening van het onderzoek heeft benadrukt, wordt het bestaan van een aantal subsidies die door de Marokkaanse overheid aan de producenten-exporteurs zijn toegekend, in het algemeen bevestigd door de ondertekening van een bilaterale investeringsovereenkomst met beide producenten-exporteurs. De klager beschikt echter redelijkerwijs niet over de precieze inhoud van die overeenkomsten, omdat dit vertrouwelijke informatie tussen de Marokkaanse overheid en de producenten-exporteurs betreft en derhalve na de opening van het onderzoek nader moet worden onderzocht. Evenzo maken afzonderlijke aanbiedingen van banken en betalingstransacties met banken doorgaans geen deel uit van het publieke domein en waren zij dus redelijkerwijs niet beschikbaar voor de klager.

(21)

Met betrekking tot de verstrekking van grond tegen een ontoereikende prijs merkte de Commissie op dat de grondaankopen plaatsvonden bij de oprichting van de producenten-exporteurs, dat wil zeggen in 2018. Een verslag uit 2016 kan dus niet als achterhaald worden beschouwd. Hoe dan ook was de klacht niet alleen gebaseerd op dit rapport, maar ook op het plan voor industriële versnelling, dat duidelijk van kracht was ten tijde van de aankoop van de grond, en op het feit dat de producenten-exporteurs zich in speciale economische zones bevinden, waarvoor specifieke regels gelden.

(22)

Wat de opname van de producenten-exporteurs in de automobielsector betreft, blijkt reeds uit het in de klacht verstrekte bewijsmateriaal dat de Marokkaanse overheid de automobielsector heeft opgedeeld in acht ecosystemen, die niet alleen de afgewerkte auto omvatten, maar ook de afzonderlijke onderdelen ervan. Een van deze ecosystemen omvat de aandrijflijn en de transmissie van de auto’s, waaronder ook de wielen vallen.

(23)

Wat ten slotte de gestelde, aan de Marokkaanse overheid toegerekende Chinese financiële steun betreft, merkt de Commissie op dat in het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal de rechtsgrondslag voor deze subsidieregeling, zoals door het Gerecht aanvaard, duidelijk wordt toegelicht. Hierin werden ook de elementen uiteengezet die relevant zijn voor de toerekening aan de Marokkaanse overheid, waaronder het feit dat de staatshoofden en ministers van beide partijen de Chinese investeringen en het Chinese kapitaal in het kader van het “Belt and Road”-initiatief (“BRI”) hebben erkend en verwelkomd. De beide regeringen voerden besprekingen op het hoogste niveau, brachten gezamenlijke verklaringen uit en sloten formeel partnerschapsovereenkomsten om het BRI en de bijbehorende subsidieregelingen in Marokko uit te voeren. Het investeringsproject van CITIC Dicastal werd in dat kader herhaaldelijk uitdrukkelijk genoemd. De Commissie concludeerde derhalve dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte over de subsidies die waren verstrekt in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid. De argumenten van de Marokkaanse overheid werden derhalve afgewezen.

(24)

Bovendien voerde de Marokkaanse overheid aan dat de klager geen werkelijk oorzakelijk verband had aangetoond tussen de invoer van aluminium wielen uit Marokko en de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie voor aluminium wielen. Zij stelde dat de klager de gevolgen van de invoer voor bedrijfstak van de Unie voor aluminium wielen niet objectief had onderzocht. Bovendien voerde zij aan dat de invoer uit derde landen onvoldoende was beoordeeld en dat uit een analyse van de ontwikkeling van het verkoopvolume bleek dat de producenten in de Unie hun marktaandeel volledig verloren aan de invoer uit Turkije. De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat de klager geen rekening had gehouden met andere factoren, zoals een daling van de vraag naar aluminium wielen en een stijging van de kosten van aluminium tijdens de beoordelingsperiode.

(25)

De Commissie was het niet eens met het argument en stelde dat de klager juist een duidelijk oorzakelijk verband had aangetoond tussen de invoer van aluminium wielen uit Marokko en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. De analyse van de klager omvat een onderzoek naar de gevolgen van de invoer uit derde landen, rekening houdend met de aanzienlijke toename van de uitvoer van Marokkaanse aluminium wielen naar de markt van de Unie, die leidde tot een belangrijke verhindering van prijsverhogingen en aanzienlijke marktverstoringen. Zoals aangetoond in punt 5.2 heeft de invoer uit Turkije en andere derde landen niet bijgedragen aan de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. Bovendien heeft de klager wel degelijk een analyse uitgevoerd en daarbij zorgvuldig rekening gehouden met andere mogelijke factoren, zoals de daling van de vraag naar aluminium wielen en de stijging van de kosten van aluminium. De volledige schade voor de bedrijfstak van de Unie, die aanzienlijk werd verergerd door de toename van de invoer uit Marokko, kan echter niet aan deze factoren alleen worden toegeschreven.

(26)

De Marokkaanse overheid maakte ook opmerkingen over vrijwel alle schade-indicatoren in de klacht door aan te voeren dat de schadeconclusies van de klagers geen objectief onderzoek op basis van positief bewijsmateriaal omvatten en niet in overeenstemming waren met de vereisten van artikel 15 van de SCM-overeenkomst van de WTO. Bovendien voerde zij aan dat de klager onvoldoende bewijs had geleverd van een oorzakelijk verband tussen de invoer van aluminium wielen uit Marokko en de vermeende schade voor de bedrijfstak van de Unie.

(27)

In dit verband merkte de Commissie op dat het argument van de Marokkaanse overheid verder gaat dan de vereisten van artikel 10, lid 3, van de basisverordening, aangezien de rol van de Commissie in de openingsfase erin bestaat de juistheid en toereikendheid van het door de klager verstrekte bewijsmateriaal te onderzoeken om vast te stellen of er voldoende bewijsmateriaal is om de opening te rechtvaardigen. Aangezien de Commissie dit inderdaad heeft gedaan, werd het argument van de Marokkaanse overheid afgewezen.

(28)

Op basis van alle bovenstaande argumenten wees de Commissie de argumenten van de Marokkaanse overheid af.

1.3.1.   Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen

(29)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte de Marokkaanse overheid op dat de associatieovereenkomst geen bepaling over subsidies bevat die vergelijkbaar is met artikel 24 van de associatieovereenkomst. Bovendien zou artikel 36 van de associatieovereenkomst geen algemene uitzondering voor alle schendingen van de overeenkomst vormen en deel uitmaken van titel IV — Betalingen, kapitaal, concurrentie en andere economische bepalingen. Bijgevolg zou artikel 36 niet van toepassing zijn op andere bepalingen, met name die van titel II betreffende het vrije verkeer van goederen.

(30)

De Marokkaanse overheid voerde aan dat geschillen met betrekking tot artikel 36 van de associatieovereenkomst op grond van de overeenkomst inzake geschillenbeslechting onder artikel 86 van de associatieovereenkomst vallen, in tegenstelling tot schendingen van de artikelen 8 en 9 van de associatieovereenkomst, die onder de overeenkomst inzake geschillenbeslechting vallen. De Marokkaanse overheid merkte op dat de Commissie niet was ingegaan op het argument dat artikel 36 niet kan worden aangevoerd als affirmatieve verdediging met betrekking tot de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 8 en 9 van de associatieovereenkomst. Ter ondersteuning hiervan baseerde zij zich op het bilaterale geschil tussen de EU en Oekraïne inzake het verbod op de uitvoer van hout over de relevante bepalingen van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne (11).

(31)

De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat niet was aangetoond dat de Commissie maatregelen mocht nemen op grond van artikel 36, lid 6, van de associatieovereenkomst. Met name zou de mededeling van feiten en overwegingen geen bevindingen bevatten over het bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 36, lid 1, punt c), van de associatieovereenkomst, dat wil zeggen een situatie waarin de Marokkaanse overheid overheidssteun heeft verleend die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties. Volgens de Marokkaanse overheid heeft de Commissie in dit verband niet aangetoond dat de GATT van toepassing is op de vermeende desbetreffende subsidieprogramma’s. Niets in de GATT zou namelijk voorzien in de mogelijkheid om compenserende maatregelen in te stellen tegen transnationale subsidies.

(32)

De Marokkaanse overheid voerde voorts aan dat zelfs indien sprake was van praktijken die onverenigbaar waren met artikel 36, lid 1, punt c), artikel 36, lid 6, bepaalt dat maatregelen kunnen worden genomen in het kader van de GATT, en dat dit moet worden gelezen in overeenstemming met de bepalingen van titel II betreffende het vrije verkeer van goederen. Aangezien titel II betreffende het vrije verkeer van goederen niet voorziet in de mogelijkheid om vanwege subsidiëring douanerechten in te stellen in de bilaterale handel, zou een verwijzing in artikel 36, lid 3, van de associatieovereenkomst naar maatregelen in het kader van de GATT aldus moeten worden uitgelegd dat enkel gebruik kan worden gemaakt van de in deel III van de SCM-overeenkomst van de WTO (inzake raadpleging en geschillenbeslechting) bedoelde rechtsmiddelen en niet van deel V van die overeenkomst (dat wil zeggen eenzijdige compenserende rechten).

(33)

De Commissie was het hier niet mee eens. In tegenstelling tot wat de Marokkaanse overheid beweert, baseerde de Commissie haar conclusies op de specifieke juridische redenen die zijn uiteengezet in de overwegingen 12 tot en met 15. De argumenten waarop de Marokkaanse overheid zich beroept, zijn gebaseerd op selectieve citaten van de daarin vervatte redenen die uit de volledige juridische context zijn gehaald en los van de motivering worden beschouwd.

(34)

Met betrekking tot het argument dat artikel 36 van de associatieovereenkomst ook op basis van het bilaterale geschil tussen de EU en Oekraïne inzake het verbod op de uitvoer van hout niet als affirmatieve verdediging zou kunnen worden gebruikt, merkte de Commissie op dat de Marokkaanse overheid het eens was met haar interpretatie in overweging 15 dat geschillen die voortvloeien uit artikel 36 worden beheerst door artikel 86 van de associatieovereenkomst, in tegenstelling tot de artikelen 8 en 9, die onder de overeenkomst inzake geschillenbeslechting vallen. De Commissie merkte voorts op dat artikel 36, lid 6, tweede alinea, van de associatieovereenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat praktijken die onverenigbaar zijn met artikel 36, lid 1, punt c), die onbetwistbaar de subsidies omvatten waarop deze procedure betrekking heeft, kunnen worden onderworpen aan passende maatregelen die overeenkomstig de GATT en andere relevante instrumenten worden vastgesteld. Zoals verduidelijkt in overweging 13, zijn de relevante bepalingen die van toepassing zijn op de subsidies waarop deze procedure betrekking heeft, artikel VI van de GATT en de SCM-overeenkomst van de WTO ter uitvoering daarvan, zoals omgezet in de basisverordening van de EU. Het beroep van de Marokkaanse overheid op het bilaterale geschil tussen de EU en Oekraïne is juridisch irrelevant, niet alleen in het licht van deze overwegingen, maar ook omdat het gaat om een andere bilaterale overeenkomst tussen de EU en Oekraïne, die veel recenter is en geen bepaling als artikel 36 bevat, aangezien het een afzonderlijk hoofdstuk 2 over handelsbeschermende maatregelen bevat. Deze overeenkomst tussen de EU en Oekraïne bevat specifieke regels voor bilaterale geschillenbeslechtingsprocedures die alleen tussen deze partijen van toepassing zijn. Zelfs indien de materiële en procedurele regels van de overeenkomsten volledig identiek zouden zijn, wat niet het geval is, zou een besluit van een krachtens de associatieovereenkomst EU/Oekraïne ingesteld arbitragepanel alleen bindend zijn voor de partijen in dat verband. Om al deze redenen wees de Commissie dit argument van de Marokkaanse overheid af.

(35)

Met betrekking tot het argument van de Marokkaanse overheid dat de Commissie het bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 36, lid 1, punt c), van de associatieovereenkomst niet had aangetoond, herhaalde de Commissie de conclusies die zij trok in de overwegingen 13 tot en met 15. De situatie waarop deze procedure betrekking heeft, valt volledig onder artikel 36, lid 1, punt c), omdat het gaat om overheidssteun in verschillende vormen van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die de mededinging verstoren en schade toebrengen aan de bedrijfstak van de Unie, en die overeenkomstig artikel 36, leden 3 en 6, van de associatieovereenkomst duidelijk vallen onder de desbetreffende bepalingen van artikel VI van de GATT, de SCM-overeenkomst van de WTO en de basisverordening van de EU. Bovendien is de bewering van de Marokkaanse overheid dat wat zij “transnationale subsidies” noemt, niet onder de associatieovereenkomst vallen omdat zij niet in de GATT zijn voorzien, juridisch onjuist, zoals blijkt uit de conclusie in punt 3.5 dat financiële bijdragen op grond van de basisverordening aan een ander WTO-lid kunnen worden toegerekend. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(36)

Wat betreft de bewering van de Marokkaanse overheid dat de bepalingen van artikel 36, leden 6 en 3, van de associatieovereenkomst moeten worden gelezen in samenhang met die van titel II betreffende het vrije verkeer van goederen, merkte de Commissie op dat deze bepalingen verschillen en betrekking hebben op verschillende onderliggende situaties. Titel II van de associatieovereenkomst heeft betrekking op het vrije verkeer van goederen en bevat in de artikelen 8 en 9 betreffende het verkeer van industrieproducten het verbod om nieuwe douanerechten of heffingen van gelijke werking in te stellen, zoals ook uiteengezet in overweging 12. Deze bepalingen weerspiegelen de bepalingen van de artikelen I tot en met III van de GATT betreffende het vrije verkeer van goederen, met de overeenkomstige verboden, behoudens bepaalde beginselen en uitzonderingen. Artikel 36 van de associatieovereenkomst maakt daarentegen deel uit van een andere titel, namelijk titel IV (“Betalingen, kapitaal, concurrentie en andere economische bepalingen”), en heeft onder meer betrekking op verstoringen van de mededinging als gevolg van overheidssteun, met inbegrip van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies. Het gaat om situaties van oneerlijke handel en verstoord economisch gedrag als gevolg van dergelijke subsidies van de overheid van een van de partijen. Zij vallen derhalve onder artikel VI van de GATT, de SCM-overeenkomst van de WTO en de basisverordeningen van de EU. Deze specifieke regels zijn van toepassing op deze specifieke situaties, die verschillend zijn en een uitzondering vormen op het vrije verkeer van goederen. Wat betreft de bewering dat artikel 36, leden 3 en 6, van de associatieovereenkomst alleen een beroep zou toestaan op deel V van de SCM-overeenkomst van de WTO, bevatten deze bepalingen geen enkele expliciete of impliciete beperking van het toepassingsgebied van de relevante GATT-regels en de regels ter uitvoering van de GATT-bepalingen, met inbegrip van de SCM-overeenkomst van de WTO. Dit argument is ook gebaseerd op een onjuiste uitlegging en een onjuist begrip van een vermeende wisselwerking tussen de bepalingen van de titels II en IV van de associatieovereenkomst, zoals hierboven is verduidelijkt. Op basis hiervan werden de argumenten van de Marokkaanse overheid verworpen.

(37)

In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte de Marokkaanse overheid op dat de Commissie in het informatiedocument ten onrechte de meeste argumenten van de Marokkaanse overheid had afgewezen met betrekking tot de onrechtmatige opening van het onderzoek vanwege een gebrek aan voldoende bewijs van schade veroorzakende subsidiëring en andere kwesties. Volgens de Marokkaanse overheid had de Commissie haar standpunt verdedigd door de verklaringen uit de openingsdocumenten te herhalen, met name wat betreft de toereikendheid van het bewijs van subsidiëring om de zaak te openen, of door eenvoudigweg de juridische argumenten af te wijzen op grond van het feit dat de Commissie de door de Marokkaanse overheid gevraagde beoordelingen in de fase van de opening van het onderzoek niet hoefde uit te voeren. De Marokkaanse overheid wijst erop dat verschillende cruciale argumenten helemaal niet werden behandeld, bijvoorbeeld met betrekking tot het feit dat de Commissie in het stadium van de opening van het onderzoek onvoldoende en onjuiste informatie van de klager over het bestaan van subsidies in de vorm van invoerrechten en btw op ingevoerde goederen had aanvaard. Hieruit blijkt volgens de Marokkaanse overheid dat de Commissie een onderzoek heeft geopend zonder kennis te hebben van de exacte omvang van de programma’s die zij voornemens was te onderzoeken.

(38)

De Commissie is het oneens met de beoordeling van de Marokkaanse overheid. Zoals te zien is in de overwegingen 20 tot en met 23, beperkte de Commissie zich niet slechts tot algemene opmerkingen, maar gaf zij ook specifieke voorbeelden en voerde zij argumenten aan om de stellingen van de Marokkaanse overheid te weerleggen. Met betrekking tot de specifieke kwestie van subsidies in de vorm van invoerrechten en btw op ingevoerde goederen merkte de Commissie op dat de eerste opmerkingen van de Marokkaanse overheid alleen betrekking hadden op een vermeend gebrek aan specificiteit. In dit verband verwijst de Commissie naar de klacht en naar het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal, waaruit duidelijk blijkt dat deze regeling als specifiek werd beschouwd op basis van (onder meer) de specifieke voorwaarden van Wet nr. 19-94 en Dahir nr. 1-95-1 van 26 januari 1995 voor de oprichting van een onderneming in een speciale economische zone. De specificiteit werd tijdens het onderzoek verder bevestigd, zoals blijkt uit punt 3.7.

(39)

De Marokkaanse overheid stelde ook dat de gegevens in de klacht verouderd waren, aangezien zij meer dan zes maanden oud waren.

(40)

De Commissie merkte op dat het onderzoektijdvak van de klachten vaak verschilt van het in de procedure zelf gebruikte tijdvak, gezien het tijdsverloop tussen de indiening van een klacht en de opening van een onderzoek. De basisverordening voorziet niet in een wettelijke verplichting als het gaat om de periode waarop de gegevens in de klacht betrekking hebben, maar bepaalt dat deze gegevens moet bevatten die redelijkerwijs beschikbaar zijn voor de klager. De Commissie was van oordeel dat de gegevens in de klacht voldoende recent waren om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen.

(41)

Tot slot merkte de Marokkaanse overheid op dat de Commissie haar niet had geraadpleegd over de nieuwe subsidieprogramma’s die in de loop van het onderzoek aan het licht waren gekomen en de Commissie zodoende artikel 13.2 van de SCM-overeenkomst van de WTO zou hebben geschonden. De Marokkaanse overheid was dus niet in kennis gesteld van het voornemen van de Commissie om compenserende maatregelen in te stellen tegen preferentiële financiering die door bepaalde entiteiten aan Dika Morocco Africa S.A. (“DMA”) zou zijn verstrekt, noch kreeg zij de gelegenheid om dit voornemen te bespreken.

(42)

De vermeende nieuwe subsidieregelingen waarop de Marokkaanse overheid wijst, betreffen de subsidies die DMA heeft ontvangen in het kader van de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid. Het feit dat dergelijke subsidies de vorm van preferentiële financiering konden aannemen, werd reeds vóór de inleiding van de procedure benadrukt in deel D.3 van de klacht en in punt 4.2 van het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal. In de loop van het onderzoek kwamen dus geen nieuwe regelingen aan het licht die verder overleg met de Marokkaanse overheid noodzakelijk maakten. De subsidies die werden ontvangen in het kader van de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid werden in elk geval behandeld in de vragenlijsten, de procedure met betrekking tot tekortkomingen en het controlebezoek aan de Marokkaanse overheid. De Marokkaanse overheid had dus ruimschoots de gelegenheid om tijdens het onderzoek ook op deze kwesties in te gaan. Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

(43)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de Commissie de Dicastal-groep een onredelijke last had opgelegd door de omvang van het onderzoek naar de subsidieprogramma’s uit te breiden, meer verbonden ondernemingen om informatie te verzoeken en korte termijnen voor het antwoorden op de vragenlijst vast te stellen. Volgens DMA heeft de Commissie de artikelen 12.1, 12.1.1 en 12.8 van de SCM-overeenkomst van de WTO geschonden.

(44)

De Commissie wees het argument af. In de vragenlijst voor de meewerkende producenten-exporteurs was duidelijk omschreven welke met de producent-exporteur verbonden ondernemingen specifieke delen van de vragenlijst moesten beantwoorden. Het betrof onder meer alle verbonden ondernemingen die betrokken waren bij het verstrekken van vaste activa, basisproducten, kapitaal, leningen, garanties of andere vormen van financiering aan de producent-exporteur, alsook bij de aankoop of leasing van grond. Dit antwoord moest worden ingediend binnen dertig dagen nadat de Commissie de partijen ervan in kennis had gesteld dat zij afzag van een steekproef van producenten-exporteurs overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, dat uitvoering geeft aan artikel 12.1.1 van de SCM-overeenkomst van de WTO. Naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek kreeg de Dicastal-groep bovendien een ruimhartige verlenging van de termijn. De groep verstrekte echter slechts gedeeltelijke antwoorden op de vragenlijst voor een aantal van de verbonden ondernemingen die bij bovengenoemde activiteiten betrokken waren. Pas na verschillende ronden van verzoeken wegens tekortkomingen ontving de Commissie de gevraagde informatie. Uiteraard kende de Commissie geen extra termijn van dertig dagen toe voor antwoorden op deze verzoeken, aangezien de ondernemingen van de Dicastal-groep reeds in verband met hun eerste antwoord voldoende tijd hadden gekregen om de vragenlijst te beantwoorden. De Commissie heeft dus noch het aantal ondernemingen dat werd verzocht de vragenlijst te beantwoorden, uitgebreid, noch de ondernemingen van de groep korte termijnen voor de respectieve antwoorden gegeven.

(45)

Bovendien heeft de Commissie, zoals vermeld in overweging 42, subsidieregelingen onderzocht waarop de klacht en het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal betrekking hadden. De Commissie was daarom van mening dat dit geen extra lasten voor de Dicastal-groep opleverde.

1.4.   Samenstelling van een steekproef

(46)

In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening.

1.4.1.   Steekproef van producenten in de Unie

(47)

In het bericht van inleiding kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie had de steekproef samengesteld op basis van het productie- en verkoopvolume van het soortgelijke product in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Er was ook rekening gehouden met de geografische spreiding. Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden 27 % van de totale geschatte productie. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen.

(48)

Met betrekking tot de voorlopige steekproef werden opmerkingen van de klager ontvangen. Na analyse van de ontvangen opmerkingen stelde de Commissie vast dat een van de in de voorlopige steekproef gekozen ondernemingen geen producent van het soortgelijke product was. Bijgevolg besloot de Commissie de steekproef te wijzigen.

(49)

De Commissie stelde overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening een definitieve steekproef samen. Het criterium voor de selectie was representativiteit in termen van productievolume van het soortgelijke product in de Unie tussen 1 januari 2023 en 31 december 2023. De definitieve steekproef van producenten in de Unie vertegenwoordigde meer dan 22 % van het totale productievolume van de bekende producenten in de Unie van het soortgelijke product en 24 % van de geschatte totale waarde van de verkoop in de Unie van het soortgelijke product; de steekproef had bovendien een goede geografische spreiding. De definitieve steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie.

1.4.2.   Steekproef van importeurs

(50)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken.

(51)

Geen van de haar bekende niet-verbonden importeurs leverde de gevraagde informatie en stemde ermee in om in de steekproef te worden opgenomen.

1.4.3.   Steekproef van producenten-exporteurs in Marokko

(52)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie alle producenten-exporteurs in Marokko de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast verzocht de Commissie de Vertegenwoordiging van het Koninkrijk Marokko bij de Europese Unie eventuele andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, te identificeren en/of contact met hen op te nemen.

(53)

Twee producenten-exporteurs uit het betrokken land verstrekten de verlangde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties besloot de Commissie dat een steekproef niet noodzakelijk was.

1.5.   Individueel onderzoek

(54)

Geen enkele producent-exporteur in Marokko heeft op grond van artikel 27, lid 3, van de basisverordening om een individueel onderzoek verzocht.

1.6.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(55)

De Commissie heeft vragenlijsten toegestuurd aan de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, aan de klager, aan drie bekende gebruikers en aan twee producenten-exporteurs. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (12) beschikbaar gesteld.

(56)

De Commissie stuurde een vragenlijst aan de Marokkaanse overheid.

(57)

De vragenlijst voor de Marokkaanse overheid omvatte specifieke vragenlijsten voor i) overheidsfondsen die steun verleenden aan de onderzochte producenten-exporteurs, met name het Hassan II-fonds en het Fonds voor industriële ontwikkeling en investeringen, ii) eventuele financiële instellingen die leningen of exportkredieten hadden verstrekt aan de onderzochte producenten-exporteurs, en iii) zones voor industriële versnelling waar de onderzochte producenten-exporteurs gevestigd waren.

(58)

De Marokkaanse overheid werd verzocht de antwoorden van deze entiteiten te verzamelen en aan de Commissie toe te zenden.

(59)

De Commissie ontving antwoorden van de producenten-exporteurs, de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, drie gebruikers en de Marokkaanse overheid.

(60)

De antwoorden van de producenten-exporteurs en de Marokkaanse overheid op de vragenlijst bevatten niet alle in de vragenlijst vereiste informatie. De Commissie verzocht de producenten-exporteurs en de Marokkaanse overheid om de ontbrekende informatie door middel van schriftelijke aanmaningen.

(61)

Onverminderd de toepassing van artikel 28 van de basisverordening verzamelde en controleerde de Commissie alle informatie die nodig werd geacht voor het doen van vaststellingen in verband met subsidiëring, schade en het belang van de Unie. Krachtens artikel 26 van de basisverordening werden controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:

 

drie producenten in de Unie. De namen van de producenten worden om redenen van geheimhouding niet bekendgemaakt, in overeenstemming met overweging 7;

producenten-exporteurs en hun verbonden ondernemingen in Marokko en de Volksrepubliek China (“VRC”):

Hands 8 S.A., Tanger, Marokko (“Hands 8”);

Dika Morocco Africa S.A. (“DMA”), Kenitra, Marokko en zijn verbonden ondernemingen (“Dicastal-groep”):

DIKA Morocco Castings (“DMC”), Kenitra, Marokko;

Changsha Dicastal Technology Co., Ltd (“Changsha Dicastal”), Changsha, provincie Hunan, VRC;

Dicastal (Asia) Investment Holdings Company Limited (“Dicastal Asia”), Qinhuangdao, provincie Hebei, VRC;

CITIC Dicastal Co., Ltd (“CITIC Dicastal”), Qinhuangdao, provincie Hebei, VRC;

CITIC Dicastal (Hong Kong) Investment Holdings Company Limited (“Dicastal HK”), Qinhuangdao, provincie Hebei, VRC;

gebruikers:

de Renault Group, Parijs, Frankrijk;

Stellantis, Parijs, Frankrijk.

1.7.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(62)

Het onderzoek naar de subsidiëring en de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).

1.8.   Niet-instelling van voorlopige maatregelen en vervolg van de procedure

(63)

Op 18 oktober 2024 stelde de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening in kennis van haar voornemen geen voorlopige maatregelen in te stellen en het onderzoek voort te zetten.

(64)

De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(65)

In antwoord op het besluit van de Commissie om geen voorlopige maatregelen in te stellen, gaf EUWA de Commissie te kennen teleurgesteld te zijn over het besluit om geen voorlopige compenserende maatregelen in te stellen (13). In haar opmerkingen verzocht EUWA de Commissie om met terugwerkende kracht compenserende rechten in te stellen op grond van artikel 16 van de basisverordening, natuurlijk onder de voorwaarde dat de Commissie in haar onderzoek zou concluderen dat compenserende rechten gerechtvaardigd waren.

(66)

De Commissie nam nota van het verzoek, maar wees het af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 16 van de basisverordening voor instelling met terugwerkende kracht, met name omdat in dit geval geen registratie had plaatsgevonden en er geen voorlopige rechten waren ingesteld.

1.9.   Mededeling van de definitieve bevindingen

(67)

Op 23 januari 2025 lichtte de Commissie alle partijen in over de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was een definitief antisubsidierecht in te stellen op het betrokken product (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(68)

Op 29 januari 2025 verzocht de Marokkaanse overheid om tussenkomst van de raadadviseur-auditeur met betrekking tot bepaalde beweerdelijk vertrouwelijke informatie die van haar afkomstig was, maar die niet formeel in documentaire vorm voor het dossier was ingediend, met name het Uitvoeringsplan voor de gezamenlijke opbouw van het “Belt and Road”-initiatief tussen de regering van het Koninkrijk Marokko en de regering van de Volksrepubliek China (“het uitvoeringsplan van het BRI”). Hoewel het document tijdens hun controlebezoek ter plaatse aan de diensten voor handelsbeschermingsinstrumenten ter beschikking was gesteld, zij het op informele wijze, voerde de Marokkaanse overheid aan dat het document alleen was gedeeld voor raadpleging ter plaatse, maar niet voor verzameling en levering aan Brussel, aangezien hiermee het vertrouwelijke karakter van de informatie in kwestie zou worden geschonden.

(69)

Op basis daarvan beval de raadadviseur-auditeur de volgende aanpak aan: “De diensten moeten elke verwijzing naar de desbetreffende informatie verwijderen uit het algemene informatiedocument dat voor alle belanghebbenden beschikbaar is, door het huidige algemene informatiedocument in te trekken en te vervangen door een nieuwe versie, met inachtneming van het recht van de Marokkaanse overheid op vertrouwelijkheid, en door alle belanghebbenden in de procedure te verzoeken de vorige versie van het algemene informatiedocument te wissen. De diensten moeten ook de in bewijsstuk 12a van het controleverslag opgenomen uittreksels van het uitvoeringsplan van het BRI vernietigen en dit als onderdeel van het onderzoeksdossier buiten beschouwing laten”.

(70)

Met betrekking tot het beweerdelijk vertrouwelijke karakter van het uitvoeringsplan van het BRI herinnerde de Commissie eraan dat overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening informatie die als vertrouwelijk wordt verstrekt, als dusdanig wordt behandeld indien daarvoor geldige redenen worden opgegeven. De Commissie merkte op dat de raadadviseur-auditeur van mening was dat een dergelijke geldige reden was aangetoond en dat alle informatie die als vertrouwelijk moest worden behandeld uit het algemene informatiedocument moest worden verwijderd. De Commissie heeft het algemene informatiedocument dienovereenkomstig herzien.

(71)

Wat betreft de aanbeveling om de uittreksels van het uitvoeringsplan van het BRI in bewijsstuk 12a van het controleverslag te vernietigen en deze als onderdeel van het onderzoeksdossier buiten beschouwing te laten, merkte de Commissie op dat niet wordt betwist dat het genoemde document tijdens het controlebezoek ter plaatse bij de Marokkaanse overheid ter beschikking van de diensten van de Commissie was gesteld. Evenmin wordt betwist dat de Marokkaanse overheid in haar opmerkingen over de artikel 28-brief uitdrukkelijk verwees naar de toegang tot dit document die de diensten van de Commissie was verleend om de inhoud en de gevolgen ervan voor dit onderzoek te verifiëren, zoals ook beschreven in overweging 94. Hoewel bewijsstuk 12a van het controleverslag volledig in overeenstemming was met de vertrouwelijkheid van de ter plaatse verkregen informatie en een openbaarmaking van de onderliggende informatie aan uitsluitend de Marokkaanse overheid ook een volledige bescherming van de vertrouwelijkheid zou hebben gewaarborgd, heeft de Commissie het bewijsstuk niettemin vernietigd en buiten beschouwing gelaten als onderdeel van het dossier.

(72)

Bijgevolg merkte de Commissie, onverminderd bovenstaande handelwijze, op dat de pogingen van de Marokkaanse overheid om uit het vertrouwelijke dossier uittreksels te laten verwijderen die afkomstig waren uit een document dat op vertrouwelijke basis aan de diensten van de Commissie ter beschikking was gesteld, als een weigering van toegang, het anderszins niet-verstrekken van de nodige informatie of pogingen om het onderzoek te belemmeren in de zin van artikel 28 van de basisverordening konden worden aangemerkt.

(73)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden opmerkingen ingediend door de meewerkende producenten-exporteurs in Marokko, de Marokkaanse overheid, de European Automobile Manufacturers’ Association (“ACEA”) en de klager. De Marokkaanse overheid en DMA verzochten ook om hoorzittingen met de Commissie.

(74)

De Marokkaanse overheid voerde in dit verband aan dat de Commissie de belanghebbenden geen zinvolle gelegenheid had geboden om opmerkingen te maken over de mededeling van feiten en overwegingen, waarbij zij met name wees op de afwijzing van het verzoek van de Marokkaanse overheid om een verlenging van de termijn voor het maken van opmerkingen, door slechts een verlenging met één dag toe te kennen, hetgeen in strijd zou zijn geweest met artikel 12.1 van de SCM-overeenkomst van de WTO en de Marokkaanse overheid zou hebben belet aan de Commissie al het schriftelijke bewijsmateriaal over te leggen dat de Marokkaanse overheid relevant achtte voor de verschillende kwesties waarop het informatiedocument betrekking had.

(75)

De Commissie was het hier niet mee eens. De Commissie herinnerde eraan dat de termijn voor het indienen van opmerkingen was vastgesteld overeenkomstig artikel 30, lid 5, van de basisverordening. De Commissie merkte voorts op dat een verlenging van de termijnen volgens punt 9 van het bericht van inleiding alleen kan worden toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden en mits daarvoor naar behoren gemotiveerde redenen zijn aangevoerd. In deze gevallen kan een verlenging van maximaal drie dagen worden toegekend. De Marokkaanse overheid had niet aangetoond dat er sprake was van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. De Commissie was ook van mening dat het verzoek in een bijzonder laat stadium van de procedure was ingediend en dat, indien het verzoek voor de gehele gevraagde periode zou zijn ingewilligd, dit de tijdige voltooiing van de procedure in gevaar zou hebben gebracht. Niettemin stemde de Commissie in met een verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(76)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de Commissie artikel 12.4 van de SCM-overeenkomst van de WTO had geschonden door vertrouwelijke gegevens over de Dicastal-groep openbaar te maken. In dit verband herinnerde de onderneming aan haar opmerkingen van 24 januari 2025 waarin zij verzocht om vertrouwelijke behandeling van informatie in het algemene informatiedocument.

(77)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen wees DMA de Commissie erop dat bepaalde vertrouwelijke gegevens in het algemene informatiedocument waren opgenomen. De Commissie onderzocht het argument snel en wijzigde het algemene informatiedocument om de vertrouwelijke informatie te beschermen overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening. De Commissie deelde de belanghebbenden vervolgens snel mee dat er een nieuw algemeen informatiedocument was verspreid en verzocht deze partijen de eerdere versie van het document te vernietigen.

(78)

Voorts voerde DMA aan dat de Commissie artikel 22.5 van de SCM-overeenkomst van de WTO had geschonden door gebruik te maken van de volgende informatie die geen grondslag had in het dossier van het onderzoek: a) benchmarkinformatie voor leningen, b) de OESO-landenrisicoclassificatie voor Marokko, c) het adres van de eigenaar van Wisdom, d) documenten waarnaar in voetnoten werd verwezen met gebruikmaking van weblinks waartoe DMA en haar verbonden ondernemingen geen toegang hadden.

(79)

De Commissie was het hier niet mee eens. De benchmarks voor leningen en de OESO-landenrisicoclassificatie werden aan de betrokken partij bekendgemaakt als onderdeel van de ondernemingsspecifieke mededeling van feiten en overwegingen. Het adres van de eigenaar van Wisdom is beschikbaar in het publieke domein en tegen een kleine vergoeding toegankelijk via het handelsregister van Hongkong (14). De documenten waarnaar in de voetnoten werd verwezen, werden op de dag van de mededeling van de definitieve bevindingen beschikbaar gesteld in het niet-vertrouwelijke onderzoeksdossier. Na ontvangst van opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen werden aanvullende documenten die de Commissie had gebruikt om op de opmerkingen van de belanghebbenden in te gaan, alsook de klacht van de Marokkaanse overheid over de openbaarmaking van vertrouwelijke informatie zoals beschreven in overweging 68, beschikbaar gesteld in het niet-vertrouwelijke dossier. De toegang tot bepaalde bronnen (weblinks) was inderdaad geografisch beperkt tot IP-adressen uit de VRC. In die gevallen konden de in de VRC gevestigde ondernemingen van de Dicastal-groep echter toegang krijgen tot die informatiebronnen. Hoe dan ook was de desbetreffende informatie opgenomen in het pakket documenten dat op 23 januari 2025 openbaar werd gemaakt.

(80)

Tot slot voerde DMA aan dat de Commissie artikel 22.5 ook had geschonden door niet in te gaan op a) het antwoord van de Dicastal-groep op de eerste artikel 28-brief (zie overweging 110) en b) de opmerkingen over de financieringsbron van Changsha Dicastal.

(81)

De Commissie was het hier niet mee eens. De Commissie heeft het antwoord van de Dicastal-groep op de eerste artikel 28-brief behandeld in de overwegingen 280 tot en met 305, die reeds in het algemene informatiedocument waren opgenomen. In de opmerkingen over de financieringsbronnen van Changsha Dicastal probeerde de Dicastal-groep aan te tonen dat Changsha Dicastal geen subsidies van de Chinese overheid, leningen van de Chinese banken of financiële instellingen of van CITIC Dicastal had ontvangen die hadden kunnen worden gebruikt om zijn investering in Marokko te financieren. De Commissie betwistte deze argumenten niet. In plaats daarvan behandelde de Commissie in de overwegingen 221, 257, 259 en 371 de kwestie van de financiering van Changsha Dicastal door CITIC Dicastal om middelen aan te trekken voor de investering in Marokko.

(82)

Tot slot voerden ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid na de mededeling van de definitieve bevindingen aan dat hun rechten van verdediging niet waren gewaarborgd, met het argument dat op bepaalde, beperkte plekken in de niet-vertrouwelijke antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie geen zinvolle samenvatting was verstrekt. Zij voerden ook aan dat de niet-vertrouwelijke versies van de controleverslagen van de Commissie evenmin hun rechten van verdediging waarborgden.

(83)

De Commissie merkte op dat deze partijen in geen enkel vroeg stadium van de procedure opmerkingen hadden gemaakt over de kwaliteit van de niet-vertrouwelijke antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Bovendien zetten zij niet uiteen op welke wijze welke rechten van verdediging niet werden gewaarborgd door de niet-vertrouwelijke versies van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en door de niet-vertrouwelijke versies van de controleverslagen. Daarnaast verzochten zij er niet om vertrouwelijke informatie buiten beschouwing te laten wegens het vermeende ontbreken van niet-vertrouwelijke samenvattingen. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(84)

Het onderzoek heeft betrekking op aluminium wielen voor motorvoertuigen van de GS-posten 8701 tot en met 8705 , al dan niet met toebehoren en al dan niet met banden, van oorsprong uit Marokko, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8708 70 10 en ex 8708 70 50 (Taric-codes: 8708 70 10 15, 8708 70 10 50, 8708 70 50 15 en 8708 70 50 50) (“het betrokken product”).

(85)

Aluminium wielen worden in de Unie gewoonlijk verkocht via twee distributiekanalen: de markt van fabrikanten van originele uitrusting (“Original Equipment Manufacturers” — “OEM”) — in hoofdzaak autofabrikanten — en de aftermarket (“AM”), waartoe bijvoorbeeld distributeurs, detailhandelaren, reparatiebedrijven en dergelijke behoren. Het betrokken product uit Marokko werd tijdens de beoordelingsperiode uitsluitend aan de OEM-markt verkocht. Op de OEM-markt organiseren autofabrikanten aanbestedingsprocedures voor aluminium wielen en zijn zij vaak betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw wiel dat met hun merk wordt geassocieerd. De producenten in de Unie en de Marokkaanse exporteurs kunnen inschrijven op dezelfde aanbestedingen.

2.2.   Soortgelijk product

(86)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:

het betrokken product;

het product dat in Marokko wordt geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht; en

het product dat in de Unie door de bedrijfstak van de Unie en door producenten in derde landen wordt geproduceerd en wordt verkocht.

(87)

De Commissie heeft in dit stadium beslist dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening.

3.   SUBSIDIËRING

3.1.   Subsidies en subsidieprogramma’s die door de onderzoeken worden bestreken

(88)

Op grond van de informatie in de klacht, het bericht van inleiding en de antwoorden op de vragenlijsten van de Commissie werd de beweerde subsidiëring via de volgende subsidies van de Marokkaanse overheid onderzocht:

(a)

rechtstreekse overdracht van middelen:

(1)

subsidies in het kader van de volgende programma’s:

(1)

het Fonds voor industriële ontwikkeling en investeringen (“IDIF”);

(2)

het Hassan II-fonds (“HIIF”);

(3)

steun voor beroepsopleiding;

(2)

preferentiële financiering:

(1)

verstrekt door de Marokkaanse overheid;

(2)

verstrekt in het kader van de samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid;

(3)

exportkredietverzekering in het kader van de samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid;

(b)

inkomsten waarvan de overheid afstand doet of die de overheid niet int, die haar normaal toekomen:

(1)

vrijstelling van invoerrechten in zones voor industriële versnelling (“Industrial Acceleration Zones” — “IAZ”);

(2)

btw-vrijstelling in IAZ’s;

(3)

in IAZ’s van toepassing zijnde vrijstellingen van andere belastingen, rechten en administratieve maatregelen;

(c)

verstrekking van goederen of diensten tegen een ontoereikende prijs:

(1)

verstrekking van grond tegen een ontoereikende prijs.

(89)

De Commissie heeft onderzocht of deze subsidies voor de producenten-exporteurs financiële voordelen of voordelen in natura opleverden in de zin van artikel 4 van de basisverordening.

3.2.   Gedeeltelijke niet-medewerking en gebruik van beschikbare gegevens

3.2.1.   Toepassing van artikel 28 van de basisverordening op de Marokkaanse overheid

(90)

De Commissie verzocht de Marokkaanse overheid in haar vragenlijst, in de schriftelijke aanmaning en tijdens het controlebezoek om bepaalde informatie over de bilaterale samenwerking tussen de VRC en Marokko te verstrekken. In deze informatieverzoeken stonden onder andere vragen over het juridische en institutionele kader en het bestaan van intergouvernementele overeenkomsten tussen de VRC en Marokko.

(91)

In de vragenlijst en in de schriftelijke aanmaning werd de Marokkaanse overheid met name verzocht een lijst te verstrekken van documenten en overeenkomsten betreffende de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid. De Marokkaanse overheid diende deze documenten echter niet in. In plaats daarvan stelde de Marokkaanse overheid slechts één van deze overeenkomsten uit 2022 ter plaatse ter beschikking. Daarnaast beschikte de Commissie ook niet over documentatie met betrekking tot de uitvoering van de verstrekte overeenkomsten en de raadplegingsmechanismen die in dit verband door de Chinese en de Marokkaanse overheid waren ingesteld, onder meer over gezamenlijke projecten in het kader van het uitvoeringsplan van het BRI, waaronder de activiteiten van CITIC Dicastal in Marokko.

(92)

Bovendien waren de vertegenwoordigers van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat verantwoordelijk is voor de onderhandeling over en de ondertekening en monitoring van de overeenkomsten in kwestie, tijdens het controlebezoek aan de Marokkaanse overheid niet beschikbaar om de inhoud en de context van de gevraagde documenten te bespreken.

(93)

Daarnaast heeft de Marokkaanse overheid, ondanks het verzoek in de vragenlijst en in de tot de Marokkaanse overheid gerichte schriftelijke aanmaning, de kaderovereenkomst van 2015 om de marktdeelnemers in de automobielsector te ondersteunen en bij te staan, niet verstrekt. Deze overeenkomst werd ondertekend door de Marokkaanse overheid en vertegenwoordigers van de Marokkaanse banksector, waaronder de AttijariWafa Bank, die een lening verstrekte aan een van de producenten-exporteurs.

(94)

In haar antwoord op de artikel 28-brief verstrekte de Marokkaanse overheid de kaderovereenkomst van 2015 met de AttijariWafa Bank. De Marokkaanse overheid benadrukte dat zij tijdens het controlebezoek ook de samenwerkingsovereenkomst tussen de Chinese staatsexportkredietverzekeraar en de Marokkaanse Bank voor Buitenlandse Handel had verstrekt, alsook een papieren versie van het Uitvoeringsplan voor de gezamenlijke opbouw van het “Belt and Road”-initiatief tussen de regering van het Koninkrijk Marokko en de regering van de Volksrepubliek China (“het uitvoeringsplan van het BRI”) van 5 januari 2022, en verduidelijkte dat dit plan, aangezien het jaren na de afronding van de investering door CITIC Dicastal werd ondertekend, niet relevant was voor het onderzoek. De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat in geen van deze documenten sprake was van enige samenwerking tussen de twee regeringen met betrekking tot DMA of de productie van aluminium wielen, en dat deze derhalve geen noodzakelijke informatie voor het onderzoek van de Commissie vormden.

(95)

Met betrekking tot de aanbeveling van de raadadviseur-auditeur merkt de Commissie op dat de Marokkaanse overheid weigerde het uitvoeringsplan van het BRI te verstrekken en dit derhalve geen deel uitmaakt van het dossier, zoals uiteengezet in overweging 70.

(96)

Zoals uiteengezet in overweging 72, deed de Marokkaanse overheid na de bekendmaking van de definitieve bevindingen van de Commissie een poging om de uittreksels uit het uitvoeringsplan van BRI te laten verwijderen uit het vertrouwelijke dossier. Dit laatste gedrag bevestigt dat het betwiste document dat in het bezit is van de Marokkaanse overheid, indien naar behoren ingediend zoals gevraagd, de bevindingen van de Commissie zou staven.

(97)

De Commissie heeft immers op basis van openbaar beschikbare informatie vastgesteld dat in het uitvoeringsplan van het BRI wordt terugverwezen naar het memorandum van overeenstemming tussen de regering van de Volksrepubliek China en de regering van het Koninkrijk Marokko over de gezamenlijke bevordering van de economische gordel van de zijderoute en de maritieme zijderoute van de 21e eeuw (“het memorandum van overeenstemming van het BRI”) van 2017 (15) en naar de gezamenlijke verklaring over de totstandbrenging van een strategisch partnerschap tussen Marokko en de VRC, waarin ook melding wordt gemaakt van het staatsbezoek van mei 2016 tussen de koning van Marokko, Mohammed VI, en de Chinese president Xi Jinping (16) — de documenten die de Marokkaanse overheid niet verstrekte. Daarom was de Commissie op basis van de beschikbare gegevens van oordeel dat de tekst van het uitvoeringsplan van het BRI, anders dan de Marokkaanse overheid beweert, relevante informatie bevatte voor haar beoordeling in dit onderzoek. Derhalve en aangezien de Marokkaanse overheid het memorandum van overeenstemming van het BRI, het uitvoeringsplan van het BRI en verschillende andere bilaterale samenwerkingsdocumenten niet verstrekte, maakte de Commissie voor haar bevindingen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening gebruik van de beschikbare gegevens.

(98)

Wat de inhoud van het uitvoeringsplan van het BRI betreft, voerde de Marokkaanse overheid aan dat zij dit plan had laten zien om aan te tonen dat het Marokkaanse project van DMA niet onder dit document viel, en dat dit document hoe dan ook irrelevant was, aangezien het werd ondertekend na de afronding van het Marokkaanse project van DMA, zoals uiteengezet in overweging 94. Op basis van de bepalingen van artikel 28 en gezien de bevindingen in overweging 96 kwam de Commissie tot de tegenovergestelde conclusie. De Commissie stelde in het bijzonder op basis van de omstandigheden waarin het document in kwestie werd verstrekt en vervolgens werd weggenomen, vast dat het uitvoeringsplan van het BRI wel degelijk betrekking had op het Marokkaanse project van DMA en dat, hoewel het achteraf was ondertekend, het relevant was voor de beoordeling van het project van DMA, omdat de Marokkaanse overheid na de beoordeling in de mededeling van feiten en overwegingen niet zou hebben getracht dit document uit het dossier te laten verwijderen indien dit geen informatie zou bevatten die deze elementen bevestigde. Het aanvullende bewijsmateriaal en de bevindingen in overweging 97 bevestigen dit.

(99)

De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat de Commissie haar onderzoek had moeten starten door de Chinese overheid een vragenlijst te sturen en deze vervolgens ter plaatse in de VRC te controleren, in plaats van alleen een vragenlijst aan de Marokkaanse overheid te sturen. Aangezien de Commissie de Chinese overheid geen vragenlijst heeft toegezonden, noch de Chinese overheid heeft verzocht enige informatie te verstrekken die nuttig is voor dit onderzoek, kon de Marokkaanse overheid niet eenzijdig vertrouwelijke overeenkomsten vrijgeven die met de Chinese overheid waren gesloten.

(100)

De Commissie was het niet eens met de opmerkingen van de Marokkaanse overheid. Zoals in overweging 6 is benadrukt, verzocht de Commissie de Chinese overheid bij het begin van het onderzoek zich te melden en mee te werken aan het onderzoek. De Chinese overheid meldde zich echter niet, verzocht niet om als belanghebbende te worden beschouwd en besloot niet om aan het onderzoek mee te werken. Het argument werd dan ook afgewezen.

(101)

Tot slot voerde de Marokkaanse overheid aan dat op basis van secundaire bronnen om verschillende redenen niet kon worden aangetoond dat zij had toegestaan dat DMA kon profiteren van financiële bijdragen van een derde land die voortvloeiden uit de vermeende bilaterale samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid. Deze opmerking houdt verband met de beoordeling van de bevindingen van het onderzoek door de Commissie in plaats van met de indiening van de nodige informatie op grond van artikel 28 van de basisverordening, en zal derhalve worden behandeld in de gedetailleerde motivering van de Commissie in de punten 3.4 en 3.5.

(102)

In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Marokkaanse overheid aan dat zij de Commissie voldoende “noodzakelijke” informatie had verstrekt over het feit dat geen sprake was van samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid met betrekking tot de productie van aluminium wielen in Marokko. De Marokkaanse overheid betoogde dat geen van de door de Commissie gevraagde documenten informatie bevatte die relevant zou zijn geweest voor dit onderzoek. Belangrijk is dat de Marokkaanse overheid het “Belt and Road Initiative” (“BRI”) nooit heeft aangehaald als voorwaarde of reden voor de investering van CITIC Dicastal in Marokko. De Marokkaanse overheid zou ook geen document hebben opgesteld waaruit zou blijken dat zij had verzocht om de in het kader van het BRI verstrekte Chinese subsidies voor de investering van CITIC Dicastal in Marokko. Aangezien de Marokkaanse overheid het BRI dus niet in aanmerking zou hebben genomen voor de investering van CITIC Dicastal in Marokko, zou zij dus niet verplicht zijn om strikt vertrouwelijke informatie over andere samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid aan de Commissie bekend te maken. Aangezien dergelijke informatie buiten het toepassingsgebied van dit onderzoek zou vallen, was de Marokkaanse overheid van mening dat de gevraagde informatie niet “noodzakelijk” was voor het onderzoek, en dat het niet verstrekken van deze informatie er derhalve niet toe leidde dat er geen bewijsmateriaal beschikbaar was.

(103)

Voorts betoogde de Marokkaanse overheid dat de Commissie artikel 28 van de basisverordening niet op haar kon toepassen, aangezien de Commissie de vragenlijst niet aan de Chinese overheid had verstrekt. Volgens de Marokkaanse overheid staat een eenvoudig verzoek om medewerking op de dag van de opening van het onderzoek niet gelijk aan een verzoek om de nodige informatie. De Marokkaanse overheid is van mening dat, indien een belanghebbende niet is meegedeeld welke informatie die hij moet verstrekken, niet kan worden aangevoerd dat hij de toegang tot de nodige informatie heeft geweigerd of anderszins de nodige informatie heeft achtergehouden of het onderzoek aanzienlijk heeft belemmerd. De instructies van de Commissie over het soort informatie dat zij van de Chinese overheid verlangde zouden onduidelijk zijn geweest, zodat de Commissie er niet voor zou mogen kiezen om de beschikbare gegevens te gebruiken (17). De Marokkaanse overheid merkte op dat de Commissie de Chinese overheid in alle eerdere onderzoeken naar grensoverschrijdende financiële steun die uitsluitend gericht waren op de Egyptische overheid en de Indonesische overheid, om informatie had verzocht.

(104)

De Commissie was het niet eens met de beoordeling van de Marokkaanse overheid. Ten eerste waren de bilaterale overeenkomsten die de Marokkaanse overheid weigerde te verstrekken, zoals aangetoond in de overwegingen 177 tot en met 220, noodzakelijk om het bestaan van samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid naar behoren te onderzoeken, aangezien zij een kader vormden waarbinnen het investeringsproject van CITIC Dicastal plaatsvond. Ten tweede was de Commissie van oordeel dat de Chinese overheid voldoende was geïnformeerd over de opening van het onderzoek en het verzoek van de Commissie om haar medewerking te verlenen. In dit verband verstrekte de Commissie de Chinese overheid op de dag van de opening van het onderzoek het bericht van inleiding en verzocht zij haar mee te werken met de Marokkaanse autoriteiten. De Commissie vestigde de aandacht van de Chinese overheid op punt 5.3 van het bericht van inleiding, waarin zij de autoriteiten van de VRC uitnodigde aan het onderzoek deel te nemen. De Chinese overheid was dus naar behoren geïnformeerd over de procedure, met inbegrip van het feit dat haar medewerking noodzakelijk zou zijn voor het onderzoek. De Chinese overheid reageerde echter nooit op deze mededelingen, noch registreerde zij zich als belanghebbende in het onderzoek. De Commissie legde ook tijdens de controle ter plaatse aan de Marokkaanse overheid uit welke stappen zij had ondernomen om de Chinese overheid uit te nodigen tot medewerking. In dit verband bevestigde de Marokkaanse overheid ook dat de Chinese overheid had geweigerd mee te werken aan de procedure nu zij de Marokkaanse overheid geen toestemming had gegeven om de Commissie de gevraagde bilaterale overeenkomsten te verstrekken, waaronder bijvoorbeeld het uitvoeringsplan van het BRI van 2022. Anders dan de Marokkaanse overheid stelt, was er dan ook geen onduidelijkheid over de noodzaak van medewerking van de Chinese overheid en haar weigering om de Commissie deze medewerking te verlenen.

3.2.2.   Toepassing van artikel 28 van de basisverordening op DMA en zijn verbonden ondernemingen

(105)

Uit het onderzoek bleek dat DMA en zijn verbonden ondernemingen ongebruikelijke zakelijke transacties verrichtten met Wisdom Integration Investment Technology Co., Limited (“Wisdom”), een in november 2019 in Hongkong gevestigde onderneming, die volgens DMA geen banden had met de Dicastal-groep.

(106)

Het ging hierbij met name om aankopen door DMA van aluminiumingots van Wisdom in 2023 en ook enkele aankopen in 2022, die aan het einde van het onderzoektijdvak nog niet waren betaald. Bovendien werden deze ingots aan DMA verkocht tegen een prijs die aanzienlijk lager was dan de marktprijs. Wisdom verstrekte ook een lening aan Dicastal Asia, die werd gebruikt om de kapitaalinbreng van de onderneming in DMA te verhogen.

(107)

De Commissie stelde vast dat Wisdom weliswaar formeel in Hongkong was gevestigd, maar dat de eigenaar ervan Chinees staatsburger was met een adres in Qinhuangdao, de stad waarin ook CITIC Dicastal zijn statutaire zetel heeft. Bovendien bleek uit de tijdens de controle ter plaatse bij DMA verzamelde documenten dat Wisdom hetzelfde geregistreerde adres in Hongkong had als de twee in Hongkong gevestigde ondernemingen van de groep, Dicastal Asia en Dicastal HK.

(108)

Tijdens de controle ter plaatse bij DMA legden de vertegenwoordigers van CITIC Dicastal uit dat CITIC Dicastal Wisdom als leverancier van aluminiumingots aan DMA had aanbevolen op basis van de langdurige samenwerking met de eigenaar van Wisdom, die naar verluidt een deskundige in de aluminiumsector was.

(109)

Op basis van de bovenstaande informatie in het dossier en de informatie die tijdens de controle ter plaatse bij DMA werd verstrekt, verzocht de Commissie Wisdom in een schriftelijke aanmaning van 10 september 2024 relevante delen van de antisubsidievragenlijst te beantwoorden. Daarnaast vroeg de Commissie naar de aard van de juridische en zakelijke relatie met de eigenaar van Wisdom en naar het adres van waaruit Wisdom daadwerkelijk haar activiteiten uitoefende. Tot slot verzocht de Commissie om nadere informatie over de niet-inning van de uitstaande schuld in verband met de aankoop van aluminiumingots. De Commissie vroeg ook tijdens de controle ter plaatse bij CITIC Dicastal naar deze elementen met betrekking tot Wisdom.

(110)

Wisdom weigerde echter mee te werken en de Dicastal-groep weigerde aanvullende informatie te verstrekken die verder ging dan de in overweging 108 genoemde informatie. Daarom stelde de Commissie de Dicastal-groep in kennis van haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen met betrekking tot de in de overwegingen 105 tot en met 107 beschreven kwesties (“eerste artikel 28-brief”).

(111)

In haar antwoord op de eerste artikel 28-brief stelde de Dicastal-groep dat i) zij niet verbonden was met Wisdom en ii) de informatie over Wisdom niet nodig was. De Commissie wees deze argumenten af en bevestigde haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening op deze kwesties toe te passen. Aangezien deze argumenten en de bijbehorende argumenten de inhoud en de bevindingen betreffen met betrekking tot de kwesties waarop de eerste artikel 28-brief en de toepassing van de beschikbare gegevens betrekking hebben, worden zij in detail behandeld in punt 3.5.2.1.2.

(112)

Voorts bleek uit het onderzoek dat DMA zijn productieapparatuur kocht van Changsha Dicastal, die niet de fabrikant van die machines was. Tijdens de controle ter plaatse bij Changsha Dicastal weigerde de onderneming de lijst van de oorspronkelijke fabrikanten van de apparatuur te verstrekken. Hierdoor kon de Commissie de werkelijke herkomst en waarde van de aan DMA geleverde apparatuur niet nader onderzoeken.

(113)

DMA vermeldde bovendien voor een aanzienlijk aantal transacties geen of onjuiste goederencodes, waaronder de apparatuur werd ingevoerd. De onderneming voerde tegelijkertijd voor geen van de gerapporteerde transacties het toepasselijke invoerrecht in. Hoewel de Commissie dit punt tijdens de controle ter plaatse bij DMA aan de orde stelde, vulde de onderneming de ontbrekende informatie niet aan in de herziene versie van de respectieve tabel van de antisubsidievragenlijst, die de onderneming aan het einde van de controle ter plaatse indiende. Hierdoor kon de Commissie de invoerrechten die op de onderneming van toepassing waren, en dus de omvang van de subsidie in de vorm van een vrijstelling van invoerrechten op kapitaalgoederen, niet controleren.

(114)

De Commissie stelde de Dicastal-groep in kennis van haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening ook toe te passen met betrekking tot de in de overwegingen 112 en 113 uiteengezette kwesties (“tweede artikel 28-brief”).

(115)

In haar antwoord op de tweede artikel 28-brief gaf de Dicastal-groep aan het niet eens te zijn met de beoordeling van de Commissie.

(116)

Ten eerste stelde zij dat Changsha Dicastal, door de lijst van de oorspronkelijke fabrikanten van machines die aan DMA waren verkocht tijdens de controle ter plaatse aan de Commissie te hebben overgelegd, het onderzoek naar de werkelijke herkomst en waarde van de betrokken apparaten mogelijk had gemaakt.

(117)

Ten tweede voerde de Dicastal-groep aan dat zij de tabel van de antisubsidievragenlijst betreffende de invoer van machines zo goed mogelijk had ingevuld, aangezien zij geen administratie bijhield die de onderneming in staat zou stellen informatie over de in de tabel gevraagde douanerechten en -codes te verstrekken. De groep voerde ook aan dat de Marokkaanse overheid de Commissie in haar antwoord op de haar toegezonden vragenlijst de gevraagde informatie had verstrekt. De Dicastal-groep herhaalde deze argumenten ook in haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen.

(118)

De Commissie was het hier niet mee eens. Het feit dat de Commissie tijdens de controle ter plaatse kort de lijst van leveranciers van machines kon inzien, doet niets af aan het feit dat de Commissie de ondernemingen niet nader kon onderzoeken. Voorts was de Commissie van oordeel dat DMA over alle informatie beschikte die nodig was om de goederencodes en douanerechten te bepalen die van toepassing waren op ingevoerde machines. De onderneming beschikte met name voor alle ingevoerde machines over de douaneaangiften bij invoer. Voor bepaalde transacties bevatte de administratie van de onderneming zelfs de toepasselijke goederencodes in de beschrijving van het in de boekhouding geboekte actief. De douanerechten zijn openbaar beschikbaar in de Marokkaanse douanewetgeving en waren dus gemakkelijk beschikbaar voor de onderneming om een volledig antwoord te geven op het desbetreffende deel van de antisubsidievragenlijst.

(119)

Bijgevolg bevestigde de Commissie haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen op de kwesties die in de tweede artikel 28-brief aan de orde waren gesteld.

3.3.   Achtergrond van het preferentiële beleid voor de Marokkaanse automobielsector

(120)

De Marokkaanse overheid heeft de automobielsector, met inbegrip van de levering van auto-onderdelen en toebehoren zoals aluminium wielen, geselecteerd als een belangrijke sector die in eigen land moet worden ontwikkeld om de economische situatie van het land te verbeteren. De Marokkaanse overheid heeft daarvoor in de loop der jaren een aantal preferentiële beleidsmaatregelen uitgevoerd. Dit beleid omvatte verschillende stimulansen om onder meer buitenlandse investeringen, financiering en knowhow naar Marokko aan te trekken. De economische groei kon niet louter intern worden verwezenlijkt door nationale middelen te mobiliseren. In de overheidsplannen en het preferentiële beleid werd benadrukt dat buitenlandse directe investeringen moesten worden aangetrokken en dat de vrije en/of preferentiële toegang van Marokko tot belangrijke markten, zoals die van de Unie en de VS, moest worden benut.

(121)

In 2014 stond de automobielsector op de derde plaats wat de binnenlandse industriële productie betreft, na de fosfaat- en de chemische industrie, en op de tweede plaats wat de uitvoer betreft, na de chemische industrie. Dankzij de inspanningen van de Marokkaanse overheid stond de automobielsector in 2021 echter op de eerste plaats in termen van uitvoer en inkomende buitenlandse directe investeringen. In 2021 had zelfs twee derde van de buitenlandse directe investeringen in Marokko betrekking op de automobielsector (18). Het belang van buitenlandse investeringen in de automobielsector wordt ook geïllustreerd door het aantal acties ter bevordering van de handel in die sector, die door het Marokkaanse agentschap voor de ontwikkeling van investeringen en uitvoer (“Agence Marocaine de Développement des Investissements et des Exportations” — “AMDIE”) werd aangemerkt als een van de meest strategische sectoren van de Marokkaanse economie en die goed was voor 18 % van alle in dat jaar ondernomen acties (19).

3.3.1.   Nationaal pact voor de industrialisering 2009-2015

(122)

In 2008 riep koning Mohamed VI de regering op een strategie vast te stellen voor de ontwikkeling van industriële en dienstensectoren en van nieuwe technologieën. Met een dergelijke strategie zouden de door de globalisering geboden kansen op het gebied van investeringsstromen optimaal moeten worden benut. Daarnaast benadrukte koning Mohamed VI dat de banksector via een op te richten mechanisme moest worden betrokken bij de nationale en sociale ontwikkeling.

(123)

Deze ideeën vertaalden zich in het nationaal pact voor de industrialisering 2009-2015 (Pacte national pour l’émergence industrielle — “PNEI”), een sociaal contract dat werd gesloten tussen de Marokkaanse overheid enerzijds en het Algemeen Verbond van Marokkaanse Ondernemingen en de Beroepsvereniging van Marokkaanse banken anderzijds. In het PNEI identificeerde de Marokkaanse overheid zes strategische diensten- en industriesectoren waarin Marokko een duidelijk en exploiteerbaar concurrentievoordeel had, waarvan de automobielsector er een was.

(124)

Wat de automobielsector betreft, was het PNEI gericht op het opzetten van een netwerk van leveranciers van onderdelen voor autofabrikanten, het aantrekken van een tweede grote buitenlandse autofabrikant (naast Renault) naar Marokko en het aantrekken van fabrikanten van speciale voertuigen die arbeidsintensief zijn als gevolg van assemblage in kleine series.

(125)

Het aanbod voor leveranciers van onderdelen bestond uit drie maatregelen:

(a)

stimulansen in de vorm van een mogelijke vestiging in zones voor vrije uitvoer, die in 2021 werden omgedoopt tot zones voor industriële versnelling (hierna “vrije zones”, “FZE’s” of “IAZ’s” genoemd), en in de vorm van aanloopsubsidies uit het Hassan II-fonds van maximaal 10 % van de totale waarde van de investering;

(b)

de ontwikkeling van gekwalificeerd personeel, met inbegrip van opleidingen die zijn afgestemd op de behoeften van de automobielsector;

(c)

een aanbod aan onroerend goed dat voldoet aan de beste internationale normen in specifieke geïntegreerde industriële platforms (“P2I”) met een status van vrije zone.

(126)

In het PNEI was voor de automobielsector voorzien in twee P2I’s met een status van vrije zone, één in Tanger en één in Kenitra. De stimulansen voor in IAZ’s gevestigde ondernemingen werden vastgelegd in Wet nr. 19-94 en Dahir nr. 1-95-1 van 26 januari 1995. Dergelijke stimulansen omvatten, maar zijn niet beperkt tot, een vrijstelling en/of verlaging van de vennootschapsbelasting en de bedrijfsbelasting en een vrijstelling van invoerrechten.

(127)

Naast de stimulansen in verband met vrije zones bieden P2I’s percelen voor verhuur of verkoop, gebruiksklare gebouwen voor verhuur of verkoop, diensten ter plaatse (bv. onderhoud van infrastructuur, beveiliging, catering, gezondheidsdiensten, bankdiensten, reisbureaus), één loket waarin verschillende overheidsdiensten voor investeerders worden samengebracht, optimale logistieke connectiviteit enzovoort.

(128)

De uitvoering van de strategie begon met een belangrijke investeringsverbintenis van Renault, dat in 2008 begon met de bouw van een fabriek in de vrije zone in Tanger; deze fabriek is sinds 2012 in bedrijf (20). In het kader van het PNEI kwam een aantal leveranciers van onderdelen, zoals Yazaki, Leoni, Antolin, Delphi en Valeo, naar Marokko (21).

(129)

Hoewel de vrije zone van Tanger al in 1997 was ingesteld (22), werd hieraan in 2013 in het kader van het PNEI de Tangier Automotive City toegevoegd (23). Deze twee zones in Tanger beslaan een oppervlakte van respectievelijk 400 en 517 ha. De Atlantic Free Zone in Kenitra werd in 2011 opgericht en beslaat 488 ha (24).

(130)

De uitvoering van het PNEI heeft tussen 2008 en 2011 geleid tot 110 000 nieuwe banen en een stijging van de industriële uitvoer met 22 %. Marokko kwam als een aantrekkelijke en concurrerende bestemming op de radar van wereldleiders in de industrie dankzij de ontwikkeling van infrastructuur in het kader van het PNEI en de gunstige ligging ervan op het kruispunt tussen Europa, Afrika, het Midden-Oosten en Amerika, en dankzij gemakkelijke preferentiële toegang tot talrijke markten. In het kader van het PNEI zijn de buitenlandse directe investeringen sinds 2009 met gemiddeld 23 % per jaar gestegen (25).

3.3.2.   Plan voor industriële versnelling 2014-2020

(131)

In 2014 werd het PNEI opgevolgd door het plan voor industriële versnelling 2014-2020 (“Plan d’Accélération Industrielle” — “PAI”), dat volledig aansloot op de doelstellingen van het PNEI en tot doel had van de industrie de belangrijkste bron van economische groei te maken.

(132)

Het PAI was gericht op het vergroten van de werkgelegenheid voor jongeren, het vergroten van het aandeel van de industrie in het bbp, het stimuleren van de uitvoer, het verbeteren van de buitenlandse directe investeringen en het verhogen van de productiviteit door middel van gerichte steun aan industriële spelers. De helft van de 500 000 nieuwe banen die in het PAI waren gepland, moest door buitenlandse directe investeringen worden gecreëerd (26). Dit toont eens te meer aan dat de Marokkaanse overheid afhankelijk is van middelen uit het buitenland om de doelstellingen van haar industriestrategie te verwezenlijken.

(133)

In het kader van het PAI trok Marokko een tweede grote buitenlandse autofabrikant aan. In juni 2015 ondertekende Stellantis (toenmalige PSA-groep) een memorandum van overeenstemming met de CDG-groep betreffende de bouw van een fabriek in de zone voor vrije uitvoer van Kenitra (27). Stellantis investeerde 6 miljard MAD (557 miljoen EUR) en stelde in 2019 een fabriek in bedrijf met een capaciteit van 200 000 voertuigen en 200 000 motoren per jaar (28).

(134)

Op basis van de in het kader van het PNEI behaalde resultaten erkende de Marokkaanse overheid dat de versnippering van de bedrijfstak moest worden teruggedrongen door de totstandbrenging van industriële ecosystemen. De automobielsector bleef op de radar van de Marokkaanse overheid als een van de belangrijkste bedrijfstakken.

(135)

In het kader van het PAI creëerde de Marokkaanse overheid acht ecosystemen (29) in de automobielsector, waaronder autobekabeling, auto-interieur/-stoelen, autoaccu’s, metaalstempels, OEM-bevoorrading en aandrijflijnen. De Marokkaanse overheid ondertekende prestatieovereenkomsten met de afzonderlijke ecosystemen waarin de prestatiedoelstellingen en de verbintenissen van de Marokkaanse overheid voor elke gedeeltelijke industriële subsector werden uiteengezet, alsook een prestatieovereenkomst voor horizontale maatregelen voor de automobielsector.

(136)

De prestatieovereenkomst voor het ecosysteem voor aandrijflijnen werd in februari 2016 ondertekend door het ministerie van Economie en Financiën, het ministerie van Industrie, Handel, Investeringen en Digitale Economie (hierna “het ministerie van Industrie en Handel” genoemd) en de Marokkaanse vereniging voor de automobielindustrie en -handel (Association Marocaine pour l’Industrie at le Commerce de l’Automobile — “AMICA”). Zoals bevestigd in de investeringsovereenkomst tussen de Marokkaanse overheid en CITIC Dicastal en bij de wijziging van het prestatiecontract van 2018, maakt de productie van aluminium wielen deel uit van het ecosysteem voor aandrijflijnen.

(137)

In de prestatieovereenkomst verbond AMICA zich tot het scheppen van 10 000 extra banen, 6,5 miljard MAD extra verkopen en extra investeringen van dezelfde waarde, en tot een betere integratie van het ecosysteem in de Marokkaanse economie door middel van meer lokale componenten. Anderzijds beloofde de Marokkaanse overheid de exploitanten in het ecosysteem voor aandrijflijnen te voorzien van aantrekkelijk geprijsde grond, buitenlandse investeerders te benaderen en te mobiliseren, onder meer met het oog op de oprichting van joint ventures met lokale ondernemingen, investeringsbanken te mobiliseren om buitenlandse investeerders te ondersteunen en investeringssubsidies te verstrekken. De investeringssubsidie, die normaliter beperkt is tot 20 % van de waarde van de investering, werd in het kader van het aanbod voor pioniers verhoogd tot 30 % voor de eerste drie ondernemingen op vier werkterreinen (ijzergieterijen, gieten van aluminium, zwaartekrachtgieten van aluminium, aluminiumraffinage).

(138)

Om in één enkele financieringsbron voor het PAI te voorzien, stelde de Marokkaanse overheid in 2015 het Fonds voor industriële ontwikkeling en investeringen in als speciale toewijzingsrekening van de staatsbegroting (30). De totale middelen voor de uitvoering van het PAI werden vastgesteld op 3 miljard MAD per jaar voor de periode 2014-2020. Volgens de prestatieovereenkomst werd aanvankelijk 450 miljoen MAD toegewezen aan het ecosysteem voor aandrijflijnen. De prestatieovereenkomst werd echter in oktober 2018 gewijzigd. Gezien de ontwikkeling van de productie van aluminium wielen in Marokko werd de begroting voor het ecosysteem voor aandrijflijnen bijna verviervoudigd tot 1,71 miljard MAD.

(139)

Om de actoren in de gehele automobielsector gemakkelijk toegang te geven tot aanvullende financiering, ondertekenden de Marokkaanse overheid en AMICA bovendien in juli 2015 een partnerschapsovereenkomst met verschillende banken (31), waaronder de AttijariWafa Bank Group. De partnerschapsovereenkomst machtigt de bank onder meer om de automobielsector kredietlijnen in vreemde valuta te verstrekken om zijn operationele behoeften tegen een preferentieel rentetarief te financieren.

(140)

Voorts ondertekenden de Marokkaanse overheid en Hands Corporation op 19 februari 2018 een investeringsovereenkomst, waarbij de Marokkaanse overheid zich ertoe verbond aan Hands 8 stimulansen, subsidies en steunmaatregelen te verstrekken die gericht waren op de verschillende fasen van de oprichting van de fabriek voor de vervaardiging van het onderzochte product. De fasen van de opstelling van het industrieel plan omvatten verschillende soorten investeringen en uitgaven, met name de aankoop van de grond, de bouw van fabrieken, de aankoop van nieuwe apparatuur en software voor de werking ervan, de bijbehorende technische bijstand voor installatie en tests, en beroepsopleiding.

3.3.3.   Nieuw investeringshandvest 2022

(141)

Tijdens het controlebezoek verduidelijkte de Marokkaanse overheid dat het oorspronkelijke investeringshandvest van 1995 tot en met 2022 van toepassing was en dat het naast de stimulansen in het kader van het PAI 2014-2020 bestond. Om de stimulansen in het kader van deze programma’s op efficiëntere wijze te verlengen, werd een nieuw ministerie van Investeringen opgericht met als specifieke doelstelling een nieuw investeringshandvest op te stellen en alle eerdere stimuleringsprogramma’s samen te brengen. In de tussentijd bleef de Marokkaanse overheid het oude investeringshandvest en de bepalingen van het PAI 2014-2020 toepassen. Het nieuwe investeringshandvest, waarin alle eerdere steunprogramma’s werden gecombineerd, werd in december 2022 goedgekeurd en is sinds 2023 van kracht. Ondernemingen met investeringsovereenkomsten die dateren van vóór het nieuwe investeringshandvest, kunnen blijven profiteren van de stimulansen die op grond van de vorige regels zijn toegekend.

3.4.   Samenwerking tussen Marokko en China

3.4.1.   Rechtsgrondslag

(142)

De relevante bilaterale overeenkomsten en andere documenten die in de loop der jaren tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid zijn ondertekend, alsmede de gezamenlijk afgelegde verklaringen, omvatten:

de Overeenkomst tussen de regering van de Volksrepubliek China en de regering van het Koninkrijk Marokko inzake aanmoediging en wederzijdse bescherming van investeringen (27 maart 1995);

de Overeenkomst inzake economische en technische samenwerking (2002);

de Overeenkomst voor samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie (2006);

de overeenkomsten en memoranda van overeenstemming die in november 2014 werden ondertekend in het kader van het economisch forum VRC-Marokko in Peking;

het Memorandum van overeenstemming inzake samenwerking op het gebied van infrastructuur (2016);

de Gezamenlijke verklaring over de totstandbrenging van het strategisch partnerschap tussen de twee landen (in mei 2016 ondertekend door koning Mohammed VI van Marokko en president Xi Jinping), alsmede de daaruit voortvloeiende Verklaring over de totstandbrenging van een strategische samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid;

het Memorandum van overeenstemming tussen de regering van de Volksrepubliek China en de regering van het Koninkrijk Marokko over de gezamenlijke bevordering van de economische gordel van de zijderoute en de maritieme zijderoute van de 21e eeuw (november 2017);

het Memorandum van overeenstemming tot oprichting van een bedrijfsraad voor de zijderoute (“Conseil d’affaires de la route de la soie”), ondertekend in maart 2018;

de Kaderovereenkomst inzake samenwerking op het gebied van financiering en verzekeringen tussen de Chinese staatsexportkredietverzekeraar (“Sinosure”) en de Marokkaanse Bank voor Buitenlandse Handel (“Banque Marocaine du Commerce Extérieur” — “BMCE”), 25 april 2019;

het Uitvoeringsplan voor de gezamenlijke opbouw van het “Belt and Road”-initiatief tussen de regering van het Koninkrijk Marokko en de regering van de Volksrepubliek China, 5 januari 2022;

het Memorandum van overeenstemming voor het opzetten van een industrieel project voor de productie van aluminium wielen in het Koninkrijk Marokko tussen het Koninkrijk Marokko en CITIC Dicastal, september en december 2017;

de Investeringsovereenkomst voor het opzetten van een industrieel project voor de productie van aluminium wielen in het Koninkrijk Marokko tussen het Koninkrijk Marokko en CITIC Dicastal, 26 juli 2018.

3.4.2.   Inleiding en feitelijke context van de bilaterale samenwerking: juridische en beleidsdocumenten

(143)

Naast de subsidies en andere preferentiële beleidsmaatregelen, zoals beschreven in het vorige punt, probeerde de Marokkaanse overheid ook investeringen, preferentiële financiering en knowhow aan te trekken uit derde landen die over de nodige financiële middelen en knowhow beschikten. Een logische partner in dit verband was de VRC, gezien het bestaan van het uitgebreide preferentiële programma “One Belt One Road”, ook bekend als “Belt and Road”-initiatief (“BRI”). Tegelijkertijd was er in de VRC een gevestigde producent van aluminium wielen, CITIC Dicastal, die tot de CITIC-groep behoort (32).

(144)

Marokko heeft zich gepositioneerd als het mediterrane productieknooppunt en heeft investeerders aangetrokken op basis van zijn geografische ligging, ontwikkelde infrastructuur en vrije toegang tot belangrijke markten op grond van een reeks vrijhandelsovereenkomsten, met name tot de markt van de Unie op basis van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst (zie de overwegingen 11 tot en met 15) (33).

(145)

De samenwerking tussen de VRC en Marokko gaat terug tot 1995: op 27 maart 1995 ondertekenden de twee landen de Overeenkomst tussen de regering van de Volksrepubliek China en de regering van het Koninkrijk Marokko inzake aanmoediging en wederzijdse bescherming van investeringen. De VRC moedigde Chinese ondernemingen met een sterke en goede reputatie aan om zich in Marokko te vestigen. Marokko bood Chinese ondernemingen verschillende vormen van steun en gemak, zodat zij zaken konden doen op de Marokkaanse markt.

(146)

In november 2014 vond in Peking het Economisch Forum VRC-Marokko plaats en werd met succes een aantal overeenkomsten en memoranda van overeenstemming ondertekend die betrekking hadden op veel economische gebieden.

(147)

In januari 2016 had de VRC het document “Several Opinions of the State Council on Promoting the Innovative Development of Processing Trade” (34) uitgebracht om ondernemingen te helpen internationale samenwerking op het gebied van productiecapaciteit uit te voeren en een positieve wisselwerking tussen internationale samenwerking en de binnenlandse industriële transformatie en modernisering te bevorderen. In overweging 17 van dit document was voorzien in de verdieping van de industriële samenwerking met landen langs de “Belt and Road”, terwijl in overweging 18 werd opgeroepen het niveau van de samenwerking tussen de VRC en Afrika op het gebied van industrialisering te verbeteren en zich te concentreren op samenwerking op het gebied van de productiecapaciteit voor de verwerkende handel.

(148)

In mei 2016 bracht koning Mohammed VI van Marokko een staatsbezoek aan de VRC. De twee staatshoofden ondertekenden de Gezamenlijke verklaring over de totstandbrenging van het strategisch partnerschap tussen de twee landen. De samenwerkingsinstrumenten tussen de twee regeringen werden vervolgens in 2016 verder versterkt met een verklaring over de totstandbrenging van een strategische samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid. De belangrijkste elementen van die samenwerking zijn opgenomen in deel 2 van de verklaring, die betrekking heeft op economie, handel en investeringen, en kunnen als volgt worden samengevat: i) de noodzaak om het economische en handelspartnerschap tussen beide landen te versterken en ten volle gebruik te maken van de rol van het Gemengd Comité voor handel, economische en technische samenwerking tussen de VRC en Marokko, en de omvang van de handel tussen beide landen in het algemeen uit te breiden; ii) partnerschappen op het gebied van de industrie te ontwikkelen; iii) de inhoud van de overeenkomst van 1995 en de memoranda en overeenkomsten die in november 2014 werden ondertekend, actief uit te voeren; iv) de financiële toezichthoudende autoriteiten van de twee landen aan te moedigen een mechanisme voor samenwerking op het gebied van toezicht in te stellen; v) de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van het menselijk potentieel tussen de twee landen te versterken; vi) binnen de capaciteit van de VRC bijstand te blijven verlenen voor de economische ontwikkeling van het Koninkrijk Marokko; de Marokkaanse overheid beloofde op haar beurt gunstige voorwaarden te scheppen voor Chinese ondernemingen die zakendoen in Marokko.

(149)

De samenwerking werd verder vergemakkelijkt toen de Bank of China in 2016 een kantoor in Marokko opende. In november 2017 werd op de officiële website van de “Belt and Road”-databank van de Chinese overheid vermeld dat de minister van Buitenlandse Zaken van de VRC, Wang Yi, in Peking gesprekken had gevoerd met de minister van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking van Marokko. Na de besprekingen ondertekenden de ministers van Buitenlandse Zaken van de twee landen gezamenlijk het Memorandum van overeenstemming tussen de regering van de Volksrepubliek China en de regering van het Koninkrijk Marokko over de gezamenlijke bevordering van de economische gordel van de zijderoute en de maritieme zijderoute van de 21e eeuw (“het memorandum van overeenstemming van het BRI”). Dit werd ook gemeld op het “Belt and Road”-portaal van de website van de Chinese overheid. Zoals vermeld in punt 3.2.1, beschikte de Commissie niet over de gedetailleerde inhoud van deze overeenkomst, aangezien deze gedurende het onderzoek niet door de Marokkaanse overheid werd verstrekt.

(150)

In 2017 werd ook een fonds opgericht om Chinese ondernemingen naar Marokko te lokken, volgens een artikel op de Chinese website van het BRI. Daarin staat: “De hoop is dat meer Chinese be- en verwerkende ondernemingen naar Marokko zullen gaan, dat er sprake zal zijn van meer economische en handelssamenwerking en investeringen en dat er meer fabrieken zullen worden gebouwd. Een Marokkaanse ambtenaar voor economie en handel merkte in een interview op dat Marokko lage loonkosten, een grote afzetmarkt, preferentiële belastingheffing enzovoort heeft. Marokko heeft momenteel vrijhandelsovereenkomsten met de Europese Unie, de Verenigde Staten, Turkije enzovoort, en de vrijhandelsovereenkomsten en preferentiële handelsregelingen beslaan 56 landen. Marokko bedient een markt van meer dan 1 miljard mensen. Om Chinees kapitaal aan te trekken, heeft Marokko niet alleen een overheidsfonds van 2 miljard USD opgericht dat specifiek bestemd is voor investeringen van Chinese ondernemingen, maar heeft het ook beloofd te dienen als een “springplank” voor Chinese ondernemingen om Europa en de Verenigde Staten binnen te komen. Daarnaast heeft het ook een vijfjarenplan voor industriële versnelling gelanceerd.”

(151)

In maart 2018 ondertekenden de representatieve ondernemersverenigingen van beide landen een Memorandum van overeenstemming tot oprichting van een bedrijfsraad voor de zijderoute (“Conseil d’affaires de la route de la soie”). De voorzitter van de Chinese vereniging, de heer Zengwei, verklaarde dat hij denkt dat Marokko niet moet worden gezien als een markt van 35 miljoen consumenten, maar veeleer als een kruispunt tussen verschillende markten die nu goed zijn voor 1 miljard consumenten. De heer Zengwei bevestigde dat zijn land vastbesloten is Marokko te helpen zijn economische ontwikkeling te verzekeren, met name door meer te investeren in verschillende sectoren van economische activiteit. In het kader van dit memorandum creëerden de twee landen de nodige mechanismen voor het houden van regelmatige vergaderingen om de samenwerking tussen beide partijen te onderzoeken en te evalueren (35). In deze verklaring wordt duidelijk het voornemen van de Chinese overheid vermeld om het BRI uit te breiden tot Marokko om toegang te krijgen tot de gehele markt van de Unie, en om een uitvoeringsmechanisme in het leven te roepen om de bilaterale samenwerking in het kader van het BRI te monitoren en te evalueren.

(152)

Met betrekking tot preferentiële financiering werd in 2019 een overeenkomst ondertekend tussen de Chinese officiële exportkredietinstelling Sinosure en de Marokkaanse Bank voor Buitenlandse Handel. In het kader van deze overeenkomst zou Sinosure op actieve en overkoepelende wijze samenwerken met de Marokkaanse Bank of Foreign Trade om financierings- en verzekeringssteun te verlenen aan door de VRC gefinancierde ondernemingen om de Marokkaanse markt te betreden, en bijstand te verlenen voor de ontwikkeling van de economie en handel van de VRC en Marokko (36).

(153)

Tot slot hebben de Chinese en de Marokkaanse overheid op 5 januari 2022 (37) hun samenwerking verder versterkt door de ondertekening van het Uitvoeringsplan voor de gezamenlijke opbouw van het “Belt and Road”-initiatief tussen de regering van het Koninkrijk Marokko en de regering van de Volksrepubliek China (“het uitvoeringsplan van het BRI”), waarmee wordt voortgebouwd op het memorandum van overeenstemming van het BRI van 2017 en dat tot doel heeft dit verder uit te voeren. In deze overeenkomst wordt immers specifiek rekening gehouden met het memorandum van overeenstemming van het BRI en de gezamenlijke verklaring van 2016.

(154)

Op basis van de consensus die in het memorandum van overeenstemming van het BRI werd bereikt, identificeren beide partijen vervolgens in het uitvoeringsplan van het BRI industriële sectoren en activiteiten met een gedeeld belang en synergieën tussen de industriële strategie van Marokko en het Chinese BRI. In dit verband worden prioriteiten voor industriële samenwerking opgesomd (38). Op het Chinese portaal voor het BRI wordt er zelfs op gewezen dat de Chinese overheid zich er in het kader van deze overeenkomst toe verbindt grote Chinese ondernemingen aan te moedigen zich op Marokkaans grondgebied te vestigen en in Marokko te investeren, zoals de automobielsector. Interessant is dat op hetzelfde portaal de afbeelding van het project van CITIC Dicastal wordt gebruikt om dit te illustreren (39).

(155)

Voorts wordt in openbare informatie gesteld dat potentiële investeerders in het kader van de overeenkomst zullen worden ondersteund aan de hand van het financiële kader dat binnen het BRI beschikbaar is. De Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken merkte op dat dit akkoord tot doel heeft de toegang tot de Chinese financiering uit hoofde van het “Belt and Road”-initiatief te bevorderen, met het oog op de opzet van grootschalige projecten in Marokko en de bevordering van de handel en joint ventures op verschillende gebieden, zoals de industrie (40).

(156)

In de relevante juridische documenten waarin het investeringsproject van de Dicastal-groep wordt beschreven, wordt bevestigd dat dit preferentiële juridische en beleidsklimaat dat voortvloeit uit het binnenlandse beleid van Marokko en vervolgens de bilaterale samenwerking met de VRC, het kader vormde waarbinnen de Dicastal-groep in Marokko investeerde (zie onder meer punt 3.4.3).

3.4.3.   Details van het investeringsproject van de Dicastal-groep

(157)

Het investeringsproject van de Dicastal-groep in Marokko valt volledig onder de bilaterale projecten voor industriële samenwerking waarop het memorandum van overeenstemming van het BRI en het uitvoeringsplan van het BRI gericht zijn. Het memorandum van overeenstemming van het BRI tussen de twee landen, waarover tegelijk met het memorandum van overeenstemming werd onderhandeld en dat tegelijkertijd werd ondertekend, en de investeringsovereenkomst werden respectievelijk in december 2017 en juli 2018 door CITIC Dicastal en de Marokkaanse overheid ondertekend om een industrieel project in de automobielsector op te zetten voor de productie van aluminium wielen.

(158)

Het project omvatte een investering van 350 miljoen EUR voor de oprichting van twee productie-installaties met een capaciteit van 6 miljoen stuks per jaar, waarvan 90 % bestemd is voor uitvoer. De uitvoering vond plaats in twee fasen: de eerste installatie werd in juni 2019 in bedrijf genomen, gevolgd door een tweede installatie eind 2019.

(159)

Dit automobielproject viel duidelijk onder de prioriteiten voor industriële samenwerking voor beide landen, namelijk het PAI van de Marokkaanse overheid enerzijds en het BRI en Made in China 2025 van de Chinese overheid anderzijds, en waarover overeenstemming werd bereikt in het memorandum van overeenstemming van het BRI, alsook, volgens de beschikbare gegevens, onder het uitvoeringsplan van het BRI. De investeringsovereenkomst bevestigt dat de Marokkaanse overheid een actief beleid is gaan voeren om de industriële sector te ontwikkelen aan de hand van het plan voor industriële versnelling en om investeerders in de automobielsector aan te trekken.

(160)

Deze doelstelling wordt ook bevestigd door openbare verklaringen van ambtenaren van de Marokkaanse overheid. Tijdens de openingsceremonie van de tweede fabriek van de Dicastal-groep in Kenitra op 25 november 2019 zei de Marokkaanse minister van Handel en Industrie, Moulay Hafid Elalamy, dat deze fabriek een voorbeeld was van de succesvolle samenwerking tussen Marokko en de VRC op industrieel gebied en deel uitmaakt van de uitvoering van het initiatief van de Chinese regering genaamd “One Road, One Belt”, waarbij werd benadrukt dat de Chinese investeerder een van de grootste industriële groepen in staatseigendom in de VRC is.

(161)

Dat CITIC Dicastal via dit project beleid van de Chinese overheid uitvoerde, met inbegrip van het BRI en Made in China 2025, wordt bevestigd door verdere elementen in het dossier. CITIC Dicastal behoort tot de CITIC Group Corporation, een nationale beleggingsinstelling die in handen is van de staat (punt 1.1 van bijlage 3 — Ondernemingsplan bij de investeringsovereenkomst). De CITIC Group Corporation, een Chinese staatsonderneming, en haar verbonden ondernemingen hebben bewezen het BRI te ondersteunen door middel van financiering en investeringen (41). Hoewel de investeringsovereenkomst niet rechtstreeks tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid is ondertekend, maar tussen de onderneming CITIC Dicastal en de Marokkaanse overheid, blijkt uit de tekst van de overeenkomst bovendien duidelijk dat CITIC Dicastal in dit geval als gevolmachtigde van de Chinese overheid optrad. Hieruit blijkt duidelijk dat CITIC Dicastal de entiteit is die door de Chinese overheid is gekozen om het beleid van de Chinese overheid op het gebied van het BRI in Marokko uit te voeren door middel van de ondertekening van de investeringsovereenkomst.

(162)

In die zin was de Commissie op basis van de beschikbare informatie van oordeel dat CITIC Dicastal optrad als een staatsonderneming namens de Chinese overheid. Zoals uiteengezet in punt 3.5.2.1.3, staat CITIC Dicastal onder zeggenschap van de Chinese overheid en de Chinese Communistische Partij (“CCP”) en voert het beleidsdoelstellingen uit, onder meer in de context van de overzeese expansie waarin het BRI voorziet. Zoals met name uiteengezet in de overwegingen 328 en 329, blijkt uit de statuten van CITIC Dicastal en de aanwezigheid van functionarissen van de CCP dat de CCP niet alleen aanwezig is in de relevante besluitvormingsorganen van de onderneming, maar ook actief betrokken is bij de zakelijke beslissingen van de onderneming, onder meer om ervoor te zorgen dat de verschillende nationale economische beleidsmaatregelen in de VRC, waaronder het BRI en het Marokkaanse project, worden nageleefd. Het bij de investeringsovereenkomst gevoegde ondernemingsplan bevestigt dat CITIC Dicastal zich laat leiden door het “2025 Made in China”-plan. In het punt over de achtergrond van het project wordt naar het Marokkaanse PAI en het BRI samen verwezen, met vermelding van het bezoek van november 2016, en naar het in punt 3.4.2 vermelde memorandum van overeenstemming. Hierin wordt bevestigd dat DMA is opgericht in het kader van het Chinese “Belt and Road”-initiatief en in overeenstemming is met het 13e vijfjarenplan van CITIC Dicastal, dat vermoedelijk de uitvoering door de onderneming betreft van het 13e vijfjarenplan van de Chinese overheid op centraal, provinciaal en gemeentelijk niveau. De opening van de derde fabriek van CITIC Dicastal voor de productie van aluminiumgietstukken in februari 2022 vond plaats in aanwezigheid van de Marokkaanse minister van Industrie en Handel en de Chinese ambassadeur in Marokko, die zei dat het project de grootste investering van de VRC in Marokko is, wat een belangrijke verwezenlijking is van de samenwerking in het kader van het BRI (42).

(163)

In ruil daarvoor kreeg DMA, de operationele onderneming die was opgericht om het project met betrekking tot CITIC Dicastal uit te voeren, bij de investeringsovereenkomst recht op de Marokkaanse investeringssteun in het kader van het IDIF en op stimulansen die voortvloeiden uit de vestiging in een zone voor industriële versnelling, zoals bevestigd in het deel over het doel van de investeringsovereenkomst.

(164)

Deze elementen worden ook bevestigd in het memorandum van overeenstemming dat de Marokkaanse overheid en CITIC Dicastal op 11 december 2017 hebben ondertekend. In de inleiding van dit document wordt verwezen naar het preferentiële beleidsklimaat waarvoor Marokko heeft gezorgd als basis voor het investeringsproject. Daarnaast bevat het document een lijst van de specifieke investeringsstimulansen die de Marokkaanse overheid toekent.

3.5.   Subsidies verleend in het kader van de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid

3.5.1.   Juridische beoordeling

(165)

In de SGV- (43), glasvezel- (44) en SSCR-onderzoeken (45) stelde de Commissie vast dat de basisverordening ook van toepassing is op situaties waarin de financiële bijdrage niet rechtstreeks wordt verstrekt door de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer, maar door een overheid van een derde land. Er moet een aantoonbaar verband worden vastgesteld tussen de maatregelen van de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer en het gedrag en de acties van de overheid van het derde land (zoals het verlenen van financiële steun aan bepaalde ondernemingen die uiteindelijk wordt toegewezen aan de productieactiviteiten in het land van oorsprong of van uitvoer). Wanneer een overheid bijvoorbeeld een overheid van een derde land verzoekt of ertoe aanzet namens haar een financiële bijdrage te leveren ten behoeve van producten die in dat laatste land worden geproduceerd, moet de financiële bijdrage overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening worden toegerekend aan de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer.

(166)

In de gevoegde zaken C-269/23 P en C-272/23 P (46) bevestigde het Hof van Justitie dat het begrip “financiële bijdrage” situaties omvat waarin wordt aangetoond dat de financiële bijdrage die oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk afkomstig is van de overheid van een ander derde land dan het land van oorsprong of uitvoer van een bepaald product, op basis van het gedrag van de overheid van het land van oorsprong of uitvoer, als door die overheid verleend kan worden aangemerkt.

(167)

In deze situaties moet, gelet op het gedrag van de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer, worden aangetoond dat deze overheid kan worden geacht die financiële bijdrage te hebben toegekend. Het Hof van Justitie bevestigde dat een subsidie de vorm kan aannemen van een buitenlandse investering door de overheid van een bepaald derde land in een of meer in een ander derde land gevestigde ondernemingen, op voorwaarde dat uit het gedrag van die overheid kan worden afgeleid dat zij die financiële bijdrage aan die onderneming of ondernemingen heeft toegekend, door deze formeel aan hen te verlenen of door hen in de praktijk toe te staan daarvan te profiteren (47). Dit kan met name het geval zijn wanneer de vaststelling van wetgeving, de vaststelling van een besluit, de verlening van een vergunning of het gebruik van enige andere maatregel door een WTO-lid noodzakelijk is om die onderneming(en) in staat te stellen op zijn grondgebied een financiële bijdrage van dat andere lid te verkrijgen, ongeacht of die behoefte legaal is of voortvloeit uit het feit dat dat andere lid in de praktijk het recht op die financiële bijdrage afhankelijk heeft gesteld van die wetgeving, dat besluit, die vergunning of die andere maatregel.

(168)

Zodra de financiële bijdrage van een overheid van een derde land aan de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer wordt toegerekend, wordt de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer de “subsidieverlenende autoriteit” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening, aangezien zij verantwoordelijk is voor het gedrag in kwestie.

(169)

Daarom zal de Commissie in het kader van dit onderzoek onderzoeken of, op basis van het specifieke beschikbare bewijsmateriaal, de financiële bijdragen van de Chinese overheid aan de activiteiten van CITIC Dicastal in Marokko moeten worden toegerekend aan de Marokkaanse overheid in het licht van artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening.

(170)

Uit alle documenten, met inbegrip van het bewijsmateriaal met betrekking tot de industriestrategie van de Marokkaanse overheid zoals beschreven in punt 3.3, en de overeenkomsten betreffende de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid, zoals beschreven in punt 3.4.2, blijkt dat de Marokkaanse overheid actief een gunstig binnenlands beleid en een gunstig wetgevend en preferentieel financieringsklimaat heeft nagestreefd om een aantal specifieke sectoren, waaronder de automobielsector, te ontwikkelen. Aluminium wielen behoren, als onderdeel van de subsector voor aandrijflijnen die onder het PAI van de Marokkaanse overheid valt, duidelijk tot deze sector en komen dus in aanmerking voor deze preferentiële omgeving.

(171)

In het kader van dit beleid heeft de Marokkaanse overheid een kader voor nauwe samenwerking met de Chinese overheid opgezet om in Marokko gevestigde ondernemingen in staat te stellen gebruik te maken van de preferentiële financiering die beschikbaar is in het kader van het Chinese BRI, en met name om het specifieke Chinees-Marokkaanse project te financieren dat gericht is op de oprichting en ontwikkeling van de activiteiten van CITIC Dicastal in Marokko, via zijn verbonden onderneming DMA.

(172)

Het BRI is een strategisch overheidsprogramma en een groot infrastructuur- en investeringsprogramma met een internationaal bereik. Het uitvoeringsplan van het BRI laat er geen twijfel over bestaan dat het initiatief nauw samenhangt met de strategie van de VRC om te internationaliseren en een industriële wereldleider te worden.

(173)

De Chinese overheid richt zich op het ondersteunen van de Chinese industrie bij de uitbreiding naar het buitenland, in overeenstemming met het beleid om een reeks internationaal concurrerende nationale kampioenen te creëren en wereldwijd een rol te gaan spelen. De bewoordingen van de centrale vijfjarenplannen (met een specifiek onderdeel over het BRI) bevestigen dit: volgens de plannen zal worden aangemoedigd dat meer Chinese apparatuur, technologie, normen en diensten de internationale markt betreden door internationale samenwerking op het gebied van productiecapaciteit en productie van apparatuur aan te gaan door middel van overzeese investeringen, projectcontracten, technologische samenwerking, de uitvoer van apparatuur en andere middelen, met bijzondere aandacht voor sectoren als staal, non-ferrometalen, bouwmaterialen, spoorwegen, elektrische energie, chemische technologie, textiel, auto’s, communicatie, technische machines, luchtvaart en ruimtevaart, scheepsbouw en oceaantechniek.

(174)

De zakelijke reputatie en knowhow van de Dicastal-groep in de VRC, in combinatie met de noodzaak van expansie in het buitenland van de groep, onder meer om de door de Unie op dit product ingestelde antidumpingrechten te vermijden, en de noodzaak van organische groei (48) sluiten duidelijk aan bij de beleidsdoelstellingen van de Marokkaanse overheid in de automobielsector. Deze doelstellingen en de doelstelling om het “Made in China”-beleid van CITIC Dicastal uit te voeren door het ontwerp van de lay-out, het bouwplan, de kernapparatuur, het productieproces en de beheersvorm van de VRC naar Marokko uit te voeren, worden bevestigd door andere bronnen in de pers (49). Tegelijkertijd is de automobielsector, zoals hierboven vermeld, ook een van de prioritaire gebieden voor de Chinese “Going Global”-strategie in het kader van het BRI. Bijgevolg wordt de automobielsector in het uitvoeringsplan van het BRI, dat gebaseerd is op het memorandum van overeenstemming van het BRI, genoemd als prioriteit voor bilaterale industriële samenwerkingsprojecten in het kader van het BRI.

(175)

Naar aanleiding van het bezoek van de hoogste vertegenwoordiger van Marokko in 2016, zoals toegelicht in overweging 148, en na de ondertekening van het memorandum van overeenstemming van het BRI, voerde de Marokkaanse overheid haar binnenlandse beleidsdoelstellingen uit met behulp van het kader van de bilaterale overeenkomsten. Dit gebeurde via de investeringsovereenkomst tussen CITIC Dicastal en de Marokkaanse overheid, waarbij CITIC Dicastal recht kreeg op binnenlandse steun van de Marokkaanse overheid voor zijn project in Marokko in ruil voor preferentiële steun in het kader van het BRI van de Chinese overheid.

(176)

In het bijzonder verzocht de Marokkaanse overheid Chinese banken om een intentieverklaring (“Letter of Intent”) waarin de Chinese financiering werd bevestigd als voorwaarde voor de investering in Marokko, in het kader van artikel 7.4, punt c), van de investeringsovereenkomst. Dit maakte deel uit van de garanties en verbintenissen van CITIC Dicastal overeenkomstig artikel 7.6, punt b), van de investeringsovereenkomst. Niet-naleving van deze verbintenissen door CITIC Dicastal zou leiden tot de automatische beëindiging van de overeenkomst op grond van artikel 22.1 daarvan. Gezien het belang van deze voorwaarde heeft de Marokkaanse overheid specifiek gecontroleerd of aan deze voorwaarde was voldaan, zoals blijkt uit het evaluatieverslag. In dit verband verzocht de Marokkaanse overheid om aanvullende informatie over de intentieverklaringen die oorspronkelijk voor de beoordeling waren verstrekt, om te bevestigen dat de nodige financiering voor het investeringsproject door de Chinese overheid was toegezegd. Het feit dat het project uiteindelijk werd uitgevoerd, bevestigt dat CITIC Dicastal had voldaan aan zijn verplichtingen om de Chinese financiering te verstrekken, zoals uiteengezet in de investeringsovereenkomst en de bijlagen daarbij. Er is dus een aantoonbaar verband tussen de acties van de Marokkaanse overheid en de financiële steun van de Chinese overheid voor de investering in Marokko: tenzij de Chinese overheid de financiële steun verleende, zou de Marokkaanse overheid de investering in Marokko niet hebben toegestaan. Uit die acties van de Marokkaanse overheid blijkt ondubbelzinnig dat zij het investeringsproject alleen toestond en alleen de nodige vergunning verleende voor het investeringsproject van CITIC Dicastal omdat de vereiste financiële steun van de financiële instellingen van de Chinese overheid werd verstrekt. Zonder een dergelijke vergunning van de Marokkaanse overheid zou het investeringsproject van CITIC Dicastal met financiële steun van de Chinese overheid niet mogelijk zijn geweest.

(177)

Zoals benadrukt in overweging 97, heeft de Commissie, aangezien de Marokkaanse overheid het memorandum van overeenstemming van 2017, het uitvoeringsplan van het BRI en verschillende andere bilaterale samenwerkingsdocumenten niet had verstrekt, ter ondersteuning van haar beoordeling op basis van artikel 28 van de basisverordening gebruikgemaakt van een aantal relevante openbaar beschikbare elementen. De Commissie stelde inderdaad vast dat in het uitvoeringsplan van het BRI wordt verwezen naar het memorandum van overeenstemming van het BRI van 2017 en de gezamenlijke verklaring over de totstandbrenging van een strategisch partnerschap tussen Marokko en de VRC van 2016.

(178)

Ten eerste bevestigen de beschikbare gegevens met betrekking tot het uitvoeringsplan van het BRI dat het memorandum van overeenstemming van het BRI en de bilaterale betrekkingen tussen de landen onder meer waren opgezet in het kader van het economisch startplan en de industriestrategie aan Marokkaanse zijde, en in het kader van het BRI aan Chinese zijde, zoals onderstreept in overweging 154. Hieruit blijkt dat de Marokkaanse overheid ernaar streefde om Chinese investeringen in het land aan te trekken in ruil voor steun.

(179)

Ten tweede blijkt uit de beschikbare gegevens dat in het uitvoeringsplan van het BRI ook specifiek wordt verwezen naar de automobielsector (50).

(180)

Wat ten derde de financiële steun betreft, heeft het uitvoeringsplan van het BRI tot doel toegang te verlenen tot het Chinese financieringskader in het kader van het BRI, zoals reeds vermeld in overweging 155. Dit kader omvat de leidende beginselen voor de financiering van de ontwikkeling van het “Belt and Road”-initiatief (51). Volgens openbaar beschikbare informatie moeten landen die deze leidende beginselen onderschrijven gezamenlijk een positief signaal afgeven dat zij de ontwikkeling van de “Belt and Road” ondersteunen en financieren. Zij ondersteunen het kanaliseren van financiële middelen ten behoeve van de reële economie van de betrokken landen en regio’s, waarbij prioriteit wordt gegeven aan gebieden als samenwerking op het gebied van industriële capaciteit, en zij worden aangemoedigd hun ondersteunende beleid en financieringsregelingen te coördineren. Zij waarderen de leidende rol van overheidsmiddelen bij het plannen en opbouwen van grote projecten en zij moedigen de financiële beleidsinstellingen en exportkredietinstellingen van de betrokken landen aan om financiële beleidsondersteuning te blijven bieden voor de ontwikkeling van de “Belt and Road”. Ten slotte is het plan dat commerciële banken, aandelenfondsen, verzekeringen en leasing- en garantiebedrijven fondsen en andere financiële diensten zullen verlenen voor de ontwikkeling van de “Belt and Road”. Hieruit blijkt dat de Marokkaanse overheid instemde met de preferentiële financiële steun die de Chinese overheid binnen het kader van het BRI aan het Chinees-Marokkaanse project verleende.

(181)

Tot slot verzocht de Commissie de Marokkaanse overheid, zoals uiteengezet in de overwegingen 91 en 92, weliswaar om meer informatie over de bestaande specifieke toezichtmechanismen, maar verstrekte de Marokkaanse overheid hierover geen informatie.

(182)

De Commissie was van oordeel dat de in het dossier beschikbare gegevens op basis van artikel 28 van de basisverordening bevestigen dat de bilaterale samenwerking tussen Marokko en de VRC, met name op basis van het memorandum van overeenstemming van het BRI van 2017, het uitvoeringsplan van het BRI en de gezamenlijke verklaring die bij die gelegenheid door de leiders van beide landen werd ondertekend, was opgezet om het preferentiële industrie- en ontwikkelingsbeleid van Marokko en het overeenkomstige Chinese preferentiële beleid in het kader van het BRI en de “Made in China”-strategie uit te voeren. De automobielsector, met inbegrip van de productie van aluminium wielen, was een specifieke begunstigde van dit preferentiële beleid. De beschikbare gegevens bevestigen verder dat de Marokkaanse overheid voornemens was Chinese producenten aan te trekken voor grote industriële projecten in de automobielsector, en dat preferentiële financiering van zowel Marokkaanse als Chinese zijde zou worden gebruikt voor de succesvolle uitvoering van de gezamenlijke projecten. In overeenstemming met het in het SGV- en het SSCR-onderzoek verzamelde bewijs concludeerde de Commissie dat de Marokkaanse en de Chinese overheid ook een administratief apparaat hadden opgezet om de succesvolle uitvoering van de projecten die onder de bilaterale samenwerking vielen, te vergemakkelijken door middel van de uitbetaling van subsidies en handelsfacilitering, met inbegrip van de investering door CITIC Dicastal. De Marokkaanse en de Chinese overheid werkten daarom nauw samen om bijzondere juridische en economische kenmerken vast te stellen die de Chinese autoriteiten in staat stelden alle faciliteiten die inherent zijn aan het BRI van de VRC rechtstreeks toe te kennen aan de activiteiten van CITIC Dicastal in vrije zones die waren opgezet om die investeringsprojecten aan te trekken.

(183)

Het bilaterale samenwerkingskader werd vervolgens door de Marokkaanse overheid in de praktijk gebracht door middel van de ondertekening van de investeringsovereenkomst tussen CITIC Dicastal, die optrad namens de Chinese overheid, en de Marokkaanse overheid. Zoals reeds vermeld in overweging 161, sloot CITIC Dicastal deze overeenkomst namens de Chinese overheid met de Marokkaanse overheid. In ruil voor de verstrekking van kapitaal door CITIC Dicastal in het kader van het BRI, bood de Marokkaanse overheid de met CITIC Dicastal verbonden entiteit DMA recht op de Marokkaanse investeringssteun in het kader van IDIF en verdere stimulansen. In dit verband merkte de Commissie ook op dat het businessplan van CITIC Dicastal, dat aan de investeringsovereenkomst is gehecht en derhalve door de Marokkaanse overheid is goedgekeurd, duidelijk verwijst naar het bilaterale samenwerkingskader en naar het complementaire karakter van het Marokkaanse en Chinese steunbeleid. In het hoofdstuk over de achtergrond van het project staat dat het project in overeenstemming is met het nationale beleid van de Marokkaanse overheid in het kader van het PAI om buitenlandse investeringen in de automobielsector aan te trekken, en dat het project tegelijkertijd wordt uitgevoerd in overeenstemming met de nationale strategie in het kader van het Chinese BRI en met Made in China 2025. Er wordt ook specifiek verwezen naar de gezamenlijke verklaring van 2016 en naar het memorandum van overeenstemming van het BRI van 2017.

(184)

De Commissie richtte zich vervolgens op de specifieke financieringsregelingen van het investeringsproject van CITIC Dicastal, naast de elementen in overweging 176. Artikel 7.4 van de investeringsovereenkomst voorziet in een gedetailleerd kapitalisatieplan van de nieuwe Marokkaanse dochteronderneming, met inbegrip van betalingsvoorwaarden, een tijdschema voor de verhoging van het aandelenkapitaal binnen een bepaalde termijn en de mogelijkheid om de rest van de investeringsbehoeften te financieren via andere financieringsmethoden, zoals bankschulden. In artikel 7.6 wordt verduidelijkt dat CITIC Dicastal gebonden is door het artikel met betrekking tot de kapitalisatie van de operationele onderneming en de voorwaarden voor de verhoging en verlaging van het aandelenkapitaal van de operationele onderneming. Op grond van dezelfde bepalingen is een verlaging van het aandelenkapitaal alleen mogelijk indien de Marokkaanse overheid geen bezwaar maakt, gezien haar bevoegdheid om toe te zien op de naleving van de voorwaarden van de investeringsovereenkomst (met name artikel 7.4, punt b)). CITIC Dicastal verbond zich er ook toe de Marokkaanse overheid de akten en documenten te verstrekken die de verhoging en betaling van het aandelenkapitaal rechtvaardigden. Artikel 25 voorziet in een door de Marokkaanse overheid opgericht stuurcomité om toezicht te houden op de uitvoering van het project. Op de datum van de industriële inbedrijfstelling moest CITIC Dicastal dit comité een door een externe accountant gecertificeerd verslag voorleggen met een samenvatting van de financiële elementen waaruit de voltooiing van de overeenkomstige capaciteitsinvestering bleek. In de overeenkomst zijn ook nadere rapportageverplichtingen vastgelegd.

(185)

Bovendien wordt in het bij de overeenkomst gevoegde investeringsplan verduidelijkt dat CITIC Dicastal het project zal financieren door middel van een combinatie van bankleningen en zelffinanciering. Deze financiële aspecten werden ook geanalyseerd en geëvalueerd door de Marokkaanse overheid, zoals blijkt uit de projectevaluatie- en goedkeuringsverslagen die de Marokkaanse overheid heeft verstrekt om het investeringsproject te bekrachtigen. De Marokkaanse overheid was dus volledig betrokken bij alle stappen van de kapitaalinvestering en keurde de financiële aspecten van de door CITIC Dicastal ingediende investering goed.

(186)

In dit verband heeft de Marokkaanse overheid de Chinese overheid en CITIC Dicastal er dus toe aangezet in Marokko te investeren door onder meer binnenlandse subsidies aan te bieden. In ruil daarvoor verwachtte de Marokkaanse overheid van de Chinese overheid dat zij technische knowhow en preferentiële financiering zou verstrekken in de vorm van kapitaalinvesteringen die onder de financiering in het kader van het BRI vielen, en ging zij een nauwe bilaterale samenwerking met de Chinese overheid aan. Als gevolg daarvan slaagde de Marokkaanse overheid erin het specifieke project in de automobielsector voor de productie van aluminium wielen veilig te stellen door middel van de investering in de met CITIC Dicastal verbonden entiteit DMA, waardoor zij profiteerde van de preferentiële financiering van de Chinese overheid en van de door deze onderneming ingebrachte knowhow. De Marokkaanse overheid slaagde erin deze investering aan te trekken, mede vanwege de door CITIC Dicastal vermelde doelstelling om de door de EU ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de uitvoer van aluminium wielen te vermijden (52), alsook vanwege de behoefte van CITIC Dicastal om organische groei op de overzeese markt tot stand te brengen (zie ook overweging 174).

(187)

Uit alle bovenstaande elementen blijkt dat sprake is van een aantoonbaar verband tussen de noodzaak voor de Marokkaanse overheid om investeringen en kapitaal uit de VRC aan te trekken om haar binnenlandse beleid voor de ontwikkeling van de automobielsector te verwezenlijken, en de verstrekking van de financiële bijdrage van de Chinese overheid in de vorm van preferentiële financiering in ruil voor toegang tot de voordelen in deze speciale economische zones die door de Marokkaanse overheid waren gecreëerd en de mogelijkheid om uiteindelijk naar de markt van de Unie te kunnen uitvoeren door de reeds sinds januari 2023 geldende antidumpingrechten op aluminium wielen van oorsprong uit de VRC te ontwijken en tegelijkertijd groei in het buitenland tot stand te brengen.

(188)

Op basis van al deze elementen en op basis van artikel 28 van de basisverordening heeft de Commissie derhalve geconcludeerd dat de Marokkaanse overheid CITIC Dicastal door haar optreden in staat heeft gesteld te profiteren van de preferentiële financiering van de Chinese overheid in het kader van het BRI. Zoals het Hof van Justitie heeft opgemerkt, kan “een [...] subsidie de vorm [...] aannemen van een buitenlandse investering door de overheid van een bepaald derde land in een of meer ondernemingen die in een ander derde land zijn gevestigd, mits op grond van het gedrag van deze overheid kan worden aangenomen dat zij deze financiële bijdrage aan die onderneming of ondernemingen heeft toegekend door deze hun formeel te verlenen of hen in de praktijk in staat te stellen daarvan te profiteren” (53) Op grond van het vastgestelde samenwerkingskader tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid, de goedkeuring van de vereiste vergunningen om het investeringsproject in Marokko uit te voeren, met name wat betreft het verlenen van toegang tot de specifieke economische zones die daartoe door de Marokkaanse overheid waren ingesteld, de mechanismen die werden ingesteld om de verlening van de financiële steun door de Chinese overheid te waarborgen en de bevoegdheid om toezicht te houden op de naleving van de investeringsovereenkomst met betrekking tot variaties in het aandelenkapitaal van CITIC Dicastal, moet de verlening van dergelijke financiële steun voor de activiteiten van CITIC Dicastal in Marokko worden toegerekend aan de Marokkaanse overheid.

(189)

Zoals met name in overweging 176 is uiteengezet, heeft de Marokkaanse overheid zorgvuldig beoordeeld of de verbintenissen en verplichtingen van CITIC Dicastal waren nagekomen, met inbegrip van het financieringsaspect. Dit wordt bevestigd door de goedkeuring door het gezamenlijke evaluatiecomité van de Marokkaanse overheid, dat verantwoordelijk was voor de definitieve goedkeuring van het project in juli 2018, aangezien het in overweging 176 genoemde evaluatieverslag werd gepresenteerd en integraal deel uitmaakte van het goedkeuringsbesluit. In de notulen wordt onder meer specifiek bevestigd dat het project zou profiteren van de industriële knowhow van de Dicastal-groep en dat er sprake zou zijn van een bewezen bijdrage aan de nationale strategie die in de automobielsector was vastgesteld en, meer in het bijzonder, aan het ecosysteem voor aandrijflijnen. Met deze conclusie werd dus bevestigd dat het project van CITIC Dicastal in aanmerking kwam voor staatssteun, ook uit bronnen van de Chinese overheid, met de uitdrukkelijke erkenning van de Marokkaanse overheid. De Marokkaanse overheid behield zich verdere rechten voor om voortdurend te controleren of het project correct wordt uitgevoerd om haar nationale doelstellingen te verwezenlijken. Artikel 25 van de investeringsovereenkomst voorziet met name in de oprichting van een stuurcomité, bestaande uit vertegenwoordigers van de Marokkaanse overheid, om toezicht te houden op het industriële project en de uitvoering van de voorwaarden van de investeringsovereenkomst. Deze concrete acties van de Marokkaanse overheid en/of deze rechten van de Marokkaanse overheid om concrete acties te ondernemen om ervoor te zorgen dat het investeringsproject correct wordt uitgevoerd, met inbegrip van het feit dat de Chinese preferentiële financiering wordt verstrekt om de ontwikkeling en het project te financieren, bevestigden duidelijk dat deze financiële bijdragen die CITIC Dicastal en/of DMA voor dit project hebben ontvangen, aan de Marokkaanse overheid moeten worden toegerekend.

3.5.1.1.   Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen

(190)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Marokkaanse overheid aan dat de SCM-overeenkomst van de WTO niet voorziet in de mogelijkheid om compenserende maatregelen in te stellen tegen transnationale subsidies, aangezien hiermee uitvoering wordt gegeven aan artikel VI, lid 3, van de GATT, waarin wordt verwezen naar subsidies die “in het land van oorsprong of uitvoer [zijn] verleend”. De Marokkaanse overheid attendeerde ook op het verslag van de groep van deskundigen inzake antidumpingrechten en compenserende rechten van 1959, waarin wordt gewezen op de bepaling van artikel VI op grond waarvan compenserende rechten kunnen worden ingesteld om de gevolgen van subsidies te compenseren, ongeacht of deze in het producerende of het uitvoerende land zijn verleend (54).

(191)

De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat in artikel 1.1, punt a), 1), van de SCM-overeenkomst van de WTO is bepaald dat een subsidie wordt geacht te bestaan indien een overheid of een overheidsinstantie een financiële bijdrage levert binnen het gebied van een lid. Naast de termen “overheid” en “overheidsinstantie” bepaalt artikel 1, lid 1, punt a), 1), iv), dat subsidies ook kunnen worden verleend door particuliere organen die de overheid van een Lid met die functie heeft belast of daartoe opdracht heeft gegeven. De Marokkaanse overheid concludeerde dat artikel 1.1, punt a), 1) een uitputtende lijst bevat, aangezien alleen deze drie soorten entiteiten financiële bijdragen kunnen leveren die een subsidie vormen.

(192)

Ter ondersteuning van deze stelling voerde de Marokkaanse overheid aan dat in de artikelen 2.1 en 2.2 van de SCM-overeenkomst van de WTO ook is aangegeven dat een subsidie als “specifiek” kan worden beschouwd wanneer zij wordt toegekend aan ondernemingen “binnen het rechtsgebied van de subsidieverlenende autoriteit”. In het internationaal recht wordt onder “rechtsgebied” in de regel een territorium verstaan, dat wil zeggen dat de bevoegdheid in beginsel door een staat niet buiten zijn grondgebied kan worden uitgeoefend, behalve op grond van een uitdrukkelijke andersluidende regel. Daarom zou de SCM-overeenkomst van de WTO geen betrekking hebben op subsidies die door een Lid buiten zijn grondgebied worden verleend aan ondernemingen buiten zijn rechtsgebied, en zouden dit in geen geval specifieke subsidies zijn.

(193)

De Commissie merkte op dat de door de Marokkaanse overheid voorgestelde interpretatie door het Hof van Justitie is verworpen in de gevoegde zaken C-269/23 P en C-272/23 P. De Commissie wees deze argumenten derhalve af.

(194)

De Commissie merkte verder op dat de Marokkaanse overheid het consequent had over “transnationale subsidies”. De Commissie herinnerde eraan dat een dergelijk concept van transnationale subsidies waarnaar de Marokkaanse overheid herhaaldelijk verwijst, niet bestaat. Het gaat hier om subsidies waarbij financiële bijdragen worden verstrekt door een buitenlandse overheid, dat wil zeggen de Chinese overheid, aan entiteiten die zijn gevestigd in een ander land waar het betrokken product wordt geproduceerd en uitgevoerd, namelijk Marokko. De financiële steun van de Chinese overheid wordt toegerekend aan de Marokkaanse overheid als de overheid van het land van uitvoer. Dergelijke steun wordt in dit geval een financiële bijdrage van de Marokkaanse overheid. Overeenkomstig overweging 167 worden deze financiële bijdragen, zodra deze aan de Marokkaanse overheid zijn toegerekend, beoordeeld in het licht van de andere relevante elementen om vast te stellen of er in dit land van uitvoer sprake is van een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie die een voordeel oplevert voor de onderneming die op zijn grondgebied produceert. Deze onjuiste term “transnationale subsidies” die door de Marokkaanse overheid misleidend wordt gebruikt, is een verkeerde voorstelling van de juridische kwalificatie en de beoordeling van de financiële bijdragen die de Commissie in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid heeft verricht. Deze term en dit concept zijn onjuist en bestaan niet, en geven niet weer waartegen de Commissie in het kader van het onderzoek compenserende maatregelen overwoog. Daarom is elk argument van de Marokkaanse overheid op basis van deze onjuiste kwalificatie van het relevante juridische begrip juridisch onjuist en zou het alleen al op deze grond kunnen worden afgewezen. Deze argumenten worden hoe dan ook afgewezen op basis van de conclusie in overweging 193.

(195)

De Marokkaanse overheid voerde verder aan dat de Commissie was uitgegaan van een discriminerend vermoeden dat landen die bij het BRI betrokken zijn, de onderscheidende kenmerken van het BRI, zoals de preferentiële financiële steun en andere vormen van bijstand, niet buiten beschouwing kunnen laten. Volgens de Marokkaanse overheid is de Commissie van mening dat elk land dat aan het BRI deelneemt, zich ervan bewust is dat deze samenwerking met China financiering van Chinese instellingen onder niet-marktvoorwaarden met zich mee zal brengen. Daarom is de Commissie systematisch van mening dat Chinese overzeese projecten binnen het toepassingsgebied van haar voorlopige theorie vallen, ook al is er geen specifieke samenwerking met betrekking tot het project in kwestie, zoals het geval is in verband met DMA. Dit verleent de Commissie in wezen de bevoegdheid om elke Chinese financiering in een land van uitvoer te neutraliseren, mits kan worden aangetoond dat het land van uitvoer betrokken is bij het BRI.

(196)

DMA voerde aan dat de Commissie negatieve conclusies had getrokken toen zij concludeerde dat er sprake was van samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid met betrekking tot DMA.

(197)

De Marokkaanse overheid benadrukte ook dat zij geen Chinese investeringen in het land heeft gestimuleerd in ruil voor steun. In die zin verschilt de situatie volgens de Marokkaanse overheid sterk van de eerdere onderzoeken van de Commissie naar transnationale subsidies.

(198)

In de glasvezelzaak met betrekking tot Egypte identificeerde de Commissie een specifieke samenwerkingsovereenkomst tussen Egypte en de VRC (de “overeenkomst inzake de Egyptische zone voor economische en commerciële samenwerking in Suez”) waarin uitdrukkelijk was voorzien in Chinese preferentiële financiering voor het investeringsproject in kwestie in Egypte. In de SSCR-zaak met betrekking tot Indonesië stelde de Commissie vast dat Indonesië een investerings- en financieringsovereenkomst met het China-ASEAN Investment Cooperation Fund (CAF) had bekrachtigd om het investeringsproject in kwestie in Indonesië te ontwikkelen. In het onderhavige geval was er geen regeling voor de rechtstreekse overdracht van middelen van Chinese banken of andere financiële instellingen, noch zijn er aanwijzingen dat de Marokkaanse overheid heeft deelgenomen aan of heeft ingestemd met een overdracht van middelen aan DMA. De Marokkaanse overheid heeft het BRI nooit genoemd als voorwaarde of reden voor de investering van CITIC Dicastal in Marokko. Bovendien gaf de Marokkaanse overheid niet te kennen dat zij Chinese subsidies in het kader van het BRI wenste ter ondersteuning van de investering van CITIC Dicastal in het land.

(199)

De Commissie was het niet eens met de argumenten dat de instelling van antisubsidiemaatregelen met betrekking tot financiering in het kader van het BRI discriminerend is omdat niet aan de relevante bewijsnorm zou zijn voldaan. De vereisten en de bewijsstandaard om de toerekening van een financiële bijdrage van een buitenlandse overheid aan de overheid van het land van oorsprong of uitvoer te rechtvaardigen, zijn door het Hof van Justitie vastgesteld in de gevoegde zaken C-269/23 P en C-272/23 P, zoals uiteengezet in de overwegingen 166 en 167. Dienaangaande overwoog het Hof dat het bewijs dat een financiële bijdrage van een buitenlandse overheid (in dit geval de VRC) kan worden toegeschreven aan de overheid van het land van oorsprong of van uitvoer (in dit geval Marokko), kan worden gebaseerd op het gedrag van dit laatste land (55). Het Hof bevestigde voorts dat een subsidie de vorm kan aannemen van een buitenlandse investering door de overheid van een derde land in ondernemingen die in een ander derde land zijn gevestigd. Dat is het geval in deze procedure, waarbij de Chinese overheid direct of indirect middelen in het kader van het BRI heeft verstrekt voor een buitenlandse investering in Marokko door CITIC Dicastal via DMA. Wat de bewijsnorm betreft, heeft het Hof geoordeeld dat uit het gedrag van de overheid van het derde land, dat wil zeggen de VRC, kan worden afgeleid dat zij, in het kader van haar overeengekomen samenwerking met de Marokkaanse overheid, financiële bijdragen heeft toegekend aan de onderneming die de investering in het buitenlandse rechtsgebied heeft gedaan, namelijk CITIC Dicastal en DMA. (56) Aan deze norm is duidelijk voldaan op basis van alle argumenten en bewijzen die in de punten 3.4 en 3.5 zijn uiteengezet. In dit verband trok de Commissie, in tegenstelling tot wat DMA beweert, geen “negatieve conclusies”, maar baseerde zij zich op al het bewijsmateriaal in het dossier en vulde zij de resterende lacunes aan, ook op basis van conclusies overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening, gezien de wijdverbreide niet-medewerking van de Marokkaanse overheid op deze punten.

(200)

De verwijzing van de Marokkaanse overheid naar de zaken met betrekking tot glasvezel uit Egypte en SSCR uit Indonesië is niet doorslaggevend, omdat de respectieve feiten verschillen en ook de voorwaarden voor de samenwerking tussen de Chinese overheid en het respectieve land van uitvoer verschillen. De bevindingen van de Commissie in elke zaak zijn gebaseerd op de specifieke feiten en omstandigheden van elke zaak. Zoals de Commissie heeft aangetoond, tonen de feiten en het bewijsmateriaal in deze zaak duidelijk aan dat de voorwaarden en het bilaterale kader tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid, alsook het respectieve binnenlandse preferentiële beleid van deze landen, de toerekening van de financiële steun van de Chinese overheid voor het project van CITIC Dicastal in Marokko aan de Marokkaanse overheid ondersteunden, volledig in overeenstemming met de norm die het Hof van Justitie heeft vastgesteld in de gevoegde zaken C-269/23 P en C-272/23 P.

(201)

De Marokkaanse overheid en DMA voerden verder aan dat de Commissie niet had aangetoond dat het DMA-project het resultaat was van de bilaterale samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid. De Marokkaanse overheid wees erop dat er ten tijde van de oprichting en kapitalisatie van DMA geen bilaterale samenwerking bestond tussen Marokko en de VRC in de automobielsector of in het kader van het BRI, en dat de Chinese overheid geen preferentiële financiering aan DMA verstrekte, terwijl de in overweging 142 bedoelde bilaterale overeenkomsten algemeen van aard zijn en niet specifiek de oprichting van DMA voorschrijven. DMA voerde aan dat in het memorandum van overeenstemming van het BRI, dat in november 2017 werd ondertekend, dat wil zeggen na de ondertekening van het memorandum tot oprichting van de onderneming in september 2017, dat de onderneming bij haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen had gevoegd, geen melding werd gemaakt van de onderneming zelf of van projecten voor aluminium wielen in het algemeen.

(202)

De Marokkaanse overheid stelde daarnaast dat uit een vergelijking van de respectieve investeringsovereenkomsten met CITIC Dicastal en Hands 8 bleek dat deze in wezen identiek waren en dat Hands 8 juist had geprofiteerd van de door de Marokkaanse overheid verstrekte investeringssubsidie, terwijl CITIC Dicastal deze in de investeringsovereenkomst voorziene subsidie niet had ontvangen. DMA voegde hieraan toe dat de verklaring in de investeringsovereenkomst dat de Volksrepubliek China, via de CITIC Dicastal Group, een nieuwe impuls wil geven aan haar wereldwijde aanwezigheid, door de uitvoering van een industrieel project in het Koninkrijk Marokko, verkeerd was begrepen. De onderneming voerde aan dat de besluiten van CITIC Dicastal om in Marokko te investeren, waren ingegeven door commerciële overwegingen en strategische bedrijfsdoelstellingen.

(203)

De Marokkaanse overheid en DMA voerden verder aan dat uit het onderzoek bleek dat er absoluut geen Chinese banken, andere financiële instellingen of Chinese overheidsinstanties waren die de oprichting van DMA in Marokko ondersteunden. Deze bevinding onderstreept dat DMA een strikt particuliere investering van CITIC Dicastal was, zonder betrokkenheid of steun van entiteiten uit de publieke sector.

(204)

In de investeringsovereenkomst werd niet verwezen naar enige financiële toezeggingen van de Chinese overheid. In dit verband voerde DMA aan dat de in overweging 175 bedoelde intentieverklaringen geen financieringsverbintenissen van de Chinese overheid of de Chinese banken of financiële instellingen bevatten. Het verstrekte een beëdigde verklaring met deze strekking van de algemeen directeur van DMA, die de inhoud van deze documenten zou kennen.

(205)

De specifieke financieringsregelingen die zijn vastgelegd in de investeringsovereenkomst als bedoeld in overweging 183, zouden evenmin van enige steun van de Chinese overheid getuigen. In dit verband herhaalde DMA dat CITIC Dicastal pas eind 2023 de eigendom van DMA overnam.

(206)

De financiering van de investering door CITIC Dicastal via een combinatie van bankleningen en zelffinanciering, zoals uiteengezet in het bij de investeringsovereenkomst gevoegde investeringsplan, zou betrekking hebben op Marokkaanse banken, en niet op Chinese.

(207)

De Marokkaanse overheid en DMA stelden ook dat de verklaringen van dignitarissen, zoals de opmerkingen die tijdens de opening van DMA werden gemaakt, ceremonieel waren en gericht waren op het bevorderen van bilaterale betrekkingen, en geen concreet bewijs vormden van rechtstreekse samenwerking van de overheid bij de oprichting van de fabriek.

(208)

Voorts merkte de Marokkaanse overheid op dat de Commissie de beschikbare gegevens had toegepast op een wijze die niet in overeenstemming was met artikel 12.7 van de SCM-overeenkomst van de WTO. Volgens de Marokkaanse overheid had de Commissie willekeurig feiten geselecteerd die punitief van aard waren en haar bevindingen gebaseerd op louter niet-feitelijke veronderstellingen en speculaties.

(209)

Tot slot voerde DMA aan dat het feit dat de Marokkaanse overheid de investeringssubsidie in het kader van het IDIF niet aan DMA had verstrekt, in strijd was met beweringen over het bestaan van samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid, en dat het feit dat CITIC Dicastal pas eind 2023 eigenaar van DMA werd, betekende dat het geen BRI-beleid in Marokko had kunnen uitvoeren.

(210)

De Commissie was het niet eens met de beweringen van de Marokkaanse overheid en DMA dat er geen bewijs was dat de Marokkaanse overheid zich specifiek richtte op de BRI-financiering voor dit project en dat de investeringsovereenkomst verkeerd was geïnterpreteerd en nagenoeg identiek was aan de overeenkomst met de andere producent-exporteur, Hands 8. Uit het in de punten 3.4 en 3.5 beschreven bewijsmateriaal blijkt eens te meer dat CITIC Dicastal van de Chinese overheid het recht had gekregen om in het kader van het BRI en andere Chinese beleidsmaatregelen financiële bijdragen te ontvangen voor zijn buitenlandse investeringen in Marokko in het kader van de bilaterale samenwerking tussen de twee regeringen, waarmee dus volledig werd voldaan aan de norm die het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-269/23 P en C-272/23 P heeft vastgesteld. Het argument van de Marokkaanse overheid zou dus op deze grond alleen al kunnen worden verworpen.

(211)

Voorts zij opgemerkt dat het aanzienlijke gebrek aan medewerking van de Marokkaanse overheid, die vrijwel alle documenten met de details van de bilaterale samenwerking weigerde over te leggen, de Commissie ertoe had gebracht te concluderen dat deze niet-medewerking het onderzoek op dit punt duidelijk belemmerde. Niettemin blijkt uit al het bewijsmateriaal en de conclusies in de punten 3.4 en 3.5 ook dat dit argument ongegrond is, aangezien de Marokkaanse overheid zich ten volle bewust was van de preferentiële financiering in het kader van het BRI als een belangrijk middel om het preferentiële beleid van de Marokkaanse overheid te financieren, onder meer in de automobielsector, waarin het project van CITIC Dicastal de grootste Chinese investering in Marokko was. De Commissie merkte hoe dan ook op dat van de bewijsstukken die voor de samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid worden gebruikt, het memorandum van overeenstemming van het BRI en het uitvoeringsplan van het BRI het BRI in hun naam hebben staan, waaruit blijkt dat dit hun belangrijkste doel was en dat de financiering van het BRI voor de Marokkaanse overheid van groot belang was om het sectorale en ontwikkelingsbeleid te verwezenlijken. Al deze bevindingen zijn achteraf verder bevestigd door de tekst van het werkelijke memorandum van overeenstemming van het BRI, dat door DMA werd overgelegd in het kader van zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen (zie ook de overwegingen 212 en 215). Het feit dat toegang tot Chinese financiering volledig deel uitmaakte van de overeenkomst en dat dit bekend was bij de Marokkaanse overheid, wordt bevestigd door twee verschillende Marokkaanse ministers, van Handel en van Buitenlandse Zaken, zoals uiteengezet in de overwegingen 155 en 160, waarbij de laatste specifiek verwees naar het DMA-project, alsook door het Chinese BRI-portaal, zoals vermeld in overweging 154.

(212)

Bovendien achtte de Commissie het zeer veelzeggend dat uiteindelijk DMA zelf en niet de Marokkaanse overheid het memorandum van overeenstemming van het BRI in het dossier van het onderzoek heeft ingediend als nieuw bewijsmateriaal in het kader van zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen. Het memorandum van overeenstemming van het BRI is een overeenkomst tussen overheden waarin de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid wordt beschreven, onder meer om het BRI in Marokko uit te voeren. De Marokkaanse overheid weigerde dit specifiek bij de Commissie in te dienen op grond van het feit dat het vertrouwelijke overheidsinformatie bevatte en dat zij toestemming van de Chinese overheid nodig had om het in te dienen, die naar verluidt ontbrak. Dat DMA in het bezit was van het memorandum van overeenstemming van het BRI en het uiteindelijk indiende, bewijst nogmaals dat deze onderneming het had verkregen omdat haar project plaatsvond in het kader van de nauwe samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid in het kader van het BRI, zoals ook blijkt uit de kruisverwijzing in het ondernemingsplan van de investeringsovereenkomst (zie ook overweging 215). Een andere conclusie uit het feit dat DMA in het bezit was van het memorandum van overeenstemming van het BRI is dat CITIC Dicastal inderdaad optrad als overheidsinstantie bij de uitvoering van het BRI voor het Marokkaanse project, aangezien het dit ook namens de Chinese overheid heeft ondertekend. Zou CITIC Dicastal, een verbonden onderneming van DMA, geen overheidsinstantie zijn geweest en niet rechtstreeks de wil van de Chinese overheid tot uitdrukking hebben gebracht, dan zou het niet in het bezit zijn geweest van en toegang hebben gehad tot een vertrouwelijke overeenkomst tussen regeringen zoals het memorandum van overeenstemming van het BRI. Al deze elementen bevestigen, in tegenstelling tot wat de Marokkaanse overheid en DMA beweren, dat het Marokkaanse project van DMA volledig binnen het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid en binnen het kader van het BRI en het beleid van de Marokkaanse overheid viel, en dat CITIC Dicastal voor de uitvoering van het project als overheidsinstantie handelde via zijn verbonden entiteit DMA.

(213)

Wat de vergelijking tussen de investeringsovereenkomsten van DMA en Hands 8 betreft, zijn er twee cruciale verschillen die de Marokkaanse overheid en DMA niet vermelden wanneer zij aanvoeren dat de bewoordingen ervan in wezen identiek zijn of verkeerd worden geïnterpreteerd. Ten eerste heeft CITIC Dicastal, zoals uiteengezet in overweging 161, de investeringsovereenkomst ondertekend als gevolmachtigde van de Chinese overheid, die duidelijk achter de overeenkomst zat. De specifieke formulering van de overeenkomst met CITIC Dicastal, namelijk “De Volksrepubliek China, via de CITIC Dicastal-groep ...”, is nergens te vinden in de overeenkomst met Hands 8, dat de overeenkomst in eigen hoedanigheid en niet namens zijn regering heeft ondertekend.

(214)

Ten tweede wordt in het hoofddeel van de tekst van de investeringsovereenkomst met CITIC Dicastal weliswaar niet verwezen naar het BRI, maar bevat het ondernemingsplan dat als bijlage bij de overeenkomst is gevoegd en dus een integraal deel van de overeenkomst vormt, een specifiek punt over de uitvoering van het BRI en het “Made in China 2025”-beleid, in tegenstelling tot de investeringsovereenkomst met Hands 8 en de bijlagen daarbij. In deze bijlage wordt ook specifiek verwezen naar het memorandum van overeenstemming van het BRI van november 2017 en naar het staatsbezoek van de Marokkaanse koning van 2016 en de daaruit voortvloeiende verklaring over de totstandbrenging van een strategische samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid. De Commissie merkte ook op dat er, in tegenstelling tot wat DMA beweert, twee versies van het memorandum van overeenstemming tussen de Marokkaanse overheid en CITIC Dicastal bestaan: de eerste werd in september 2017 ondertekend en de tweede (laatste) in november 2017, dat wil zeggen precies gelijktijdig met het memorandum van overeenstemming van het BRI. Er is dus geen probleem wat het verband en de timing betreft tussen het memorandum van overeenstemming van het BRI en de bewijsstukken betreffende de investering in DMA.

(215)

Ten derde kan het feit dat het memorandum van overeenstemming van het BRI inderdaad een katalysator voor financiële steun is, en niet alleen een algemene verklaring over bilaterale samenwerking, nu ook worden bevestigd aan de hand van de inhoud van het document zelf. Het memorandum van overeenstemming van het BRI werd uiteindelijk door DMA in het dossier ingediend in zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen. In het memorandum van overeenstemming van het BRI wordt namelijk benadrukt dat een van de doelstellingen van het memorandum van overeenstemming erin bestaat projecten te ondersteunen in verband met de investering in extra Chinese productiecapaciteit in het kader van het BRI, en dat financiële instellingen in de samenwerkende landen worden aangemoedigd om financiële steun te verlenen aan dergelijke projecten. Om redenen van vertrouwelijkheid worden de specifieke citaten van de tekst die als basis voor deze overweging is gebruikt, in een specifieke mededeling aan DMA en de Marokkaanse overheid verstrekt.

(216)

Ten vierde worden de meer gedetailleerde bevindingen en bewijzen waaruit blijkt hoe de als overheidsinstantie optredende Chinese banken en de Chinese overheid specifiek voor het project van DMA financiering hebben verstrekt in het kader van het BRI, uitvoerig beschreven in de punten 3.4 en 3.5, en worden zij in dit punt nader uiteengezet. Wat specifiek de in overweging 176 genoemde intentieverklaringen betreft, merkt de Commissie op dat de onderneming geen van de oorspronkelijke verklaringen heeft ingediend en dat de door de Marokkaanse overheid verstrekte informatie uitdrukkelijk betrekking had op financiering door Chinese banken (niet door Marokkaanse banken), terwijl in de door DMA verstrekte beëdigde verklaring wordt verwezen naar bepaalde ondernemingen die betrokken waren bij de kapitaalverhoging van DMA, zodat deze niet relevant is. De Commissie wenst ook te benadrukken dat de enige lening door een Marokkaanse bank pas werd verstrekt in 2023, dus vijf jaar na de oprichting van DMA.

(217)

Ten vijfde zijn de verklaringen van dignitarissen, die ook in dezelfde punten en in dit punt zijn opgenomen, niet louter ceremonieel en worden zij beschouwd als relevant bewijs van de standpunten van dignitarissen van de Marokkaanse overheid in hun hoedanigheid. Daarom zijn zij, samen met het andere bewijsmateriaal dat door de Commissie in aanmerking is genomen, relevant voor de bevindingen over deze kwesties, temeer op grond van artikel 28 van de basisverordening in een context van volledige niet-medewerking van de Marokkaanse overheid met betrekking tot dit aspect van het onderzoek.

(218)

Wat ten slotte het argument betreft dat de Marokkaanse overheid de in de investeringsovereenkomst voorziene investeringssubsidie daadwerkelijk alleen aan Hands 8 en niet aan CITIC Dicastal had uitgekeerd, is de enige reden hiervoor dat deze laatste niet voldeed aan bepaalde voorwaarden die aan het verkrijgen van een dergelijke subsidie waren verbonden. Deze omstandigheid lijkt erop te duiden dat CITIC Dicastal niet echt behoefte had aan de investeringssubsidie van de Marokkaanse overheid, vermoedelijk omdat de aanzienlijke preferentiële financiering die in de VRC in het kader van het BRI werd ontvangen, reeds toereikend was om de investeringsbehoeften te dekken. Uit deze elementen blijkt ook dat de Chinese overheid een aanvullende partner was voor de succesvolle uitvoering van het binnenlandse industriebeleid van de Marokkaanse overheid vanwege de financiering die beschikbaar was in het kader van het BRI, in tegenstelling tot Zuid-Korea, dat dergelijke soortgelijke preferentiële financiering niet aanbood. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

(219)

De Marokkaanse overheid betwistte ook de conclusies van de Commissie met betrekking tot het gezamenlijke toezicht van de Marokkaanse en de Chinese overheid op de oprichting en ontwikkeling van DMA, bijvoorbeeld via het stuurcomité dat door de Marokkaanse overheid was opgericht om toezicht te houden op de uitvoering van het project, alsook de conclusies met betrekking tot de rol van CITIC Dicastal als gevolmachtigde voor de Chinese overheid en het beschouwen van de onderneming als overheidsinstantie.

(220)

Bij gebrek aan medewerking van de Marokkaanse overheid baseerde de Commissie zich op grond van artikel 28 van de basisverordening op het relevante bewijsmateriaal in het dossier. Het in de investeringsovereenkomst genoemde stuurcomité is een van de gezamenlijke organen die werden opgericht om toezicht te houden op de correcte uitvoering van het investeringsproject, waaruit blijkt dat de bilaterale samenwerking proactief werd gevolgd en uitgevoerd onder toezicht van de overheid. Daarnaast wordt in het memorandum van overeenstemming van het BRI ook verwezen naar bilaterale samenwerkingsmechanismen om de uitvoering van de gezamenlijke programma’s die onder het memorandum van overeenstemming vallen, te monitoren en te coördineren. Dit was, samen met de andere beschikbare gegevens waarop de Commissie zich baseerde, een relevant element voor de bevindingen bij gebrek aan verdere medewerking. Derhalve werd dit argument afgewezen.

3.5.2.   Preferentiële financiering verstrekt door een overheid of een overheidsinstantie in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid

3.5.2.1.   Preferentiële financiering aan DMA voor het investeringsproject in Marokko

(221)

De Commissie stelde vast dat de Chinese overheid steun verleende voor het project van CITIC Dicastal in Marokko. Uit het bewijsmateriaal bleek dat CITIC Dicastal tussen 2017 en 2023 subsidies van de Chinese overheid en preferentiële leningen van Chinese financiële instellingen (met inbegrip van verbonden banken) die als overheidsinstanties optreden, had verkregen. Deze middelen werden (ten minste gedeeltelijk) toegewezen aan het project van CITIC Dicastal in Marokko. De Commissie heeft overtuigend bewijs gevonden dat CITIC Dicastal, handelend als overheidsinstantie, in plaats van de middelen rechtstreeks aan DMA (de overeengekomen ontwikkelaar van het Marokkaanse project voor CITIC Dicastal) te verstrekken, de door de Chinese overheid ontvangen middelen via verschillende verbonden entiteiten heeft gekanaliseerd. In het bijzonder verstrekte CITIC Dicastal leningen aan Dicastal HK, die vervolgens leningen ten bedrage van 100 miljoen EUR aan DMA verstrekte. CITIC Dicastal verhoogde in de periode 2018-2020 ook de kasstroom (57) van Changsha Dicastal, een zakenpartner en dus verbonden met CITIC Dicastal, die de activiteiten van DMA direct ondersteunde door de levering van apparatuur of indirect via een andere entiteit die verbonden was met CITIC Dicastal (Dicastal Asia) en de eigenaar van DMA, die DMA verschillende leningen en kapitaalinjecties verstrekte. Bovendien gebruikte CITIC Dicastal Wisdom om aan DMA verdere leningen en goedkope basisproducten te verstrekken. In januari 2024, toen het Marokkaanse project met succes werd uitgevoerd, nam CITIC Dicastal de eigendom van Dicastal Asia over, waardoor het feitelijk de enige aandeelhouder van DMA werd. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat DMA financiële bijdragen heeft ontvangen van CITIC Dicastal via zijn verbonden entiteiten.

3.5.2.1.1.   Subsidies en preferentiële financiering verstrekt door de Chinese overheid en door Chinese banken en financiële instellingen aan CITIC Dicastal

(a)   Bronnen van externe middelen

(222)

Zoals uiteengezet in punt 3.5.1, bleek uit de relevante documenten met betrekking tot het investeringsproject duidelijk dat CITIC Dicastal in het kader van het BRI en het andere preferentiële beleid dat door de Chinese overheid werd uitgevoerd de financiering ontving die nodig was om het Marokkaanse project uit te voeren. Uit het bewijsmateriaal in het dossier bleek met name dat CITIC Dicastal in de periode 2017-2023 een aantal subsidies van verschillende entiteiten van de Chinese overheid ontving, onder meer voor investeringen en buitenlandse handel (58). Uit het bewijsmateriaal bleek verder dat CITIC Dicastal in de periode 2017-2023 direct of indirect aanzienlijke bedragen aan preferentiële leningen tegen zeer lage tarieven ontving van externe Chinese banken en andere financiële instellingen, alsook van de verbonden ondernemingen CITIC Bank en CITIC Finance (59).

(223)

CITIC Dicastal ontving direct of indirect preferentiële leningen van de volgende niet-verbonden banken:

Agricultural Bank of China;

Bank of China;

Bank of China (Hong Kong) Limited;

Bank of Communications;

China Construction Bank;

China Development Bank;

Industrial Bank (CIB);

China Merchants Bank;

Export-Import Bank of China;

Industrial and Commercial Bank of China;

China Minsheng Bank;

Mizuho Bank;

Oversea-Chinese Banking Corporation Bank (OCBC Bank);

Standard Chartered Bank (Hong Kong) Limited;

Westpac Bank.

(224)

Daarnaast ontving CITIC Dicastal leningen van verbonden banken/financiële instellingen binnen de CITIC-groep:

CITIC Bank;

CITIC Finance Co., Ltd.

(225)

Deze banken en financiële instellingen verstrekten meer dan genoeg middelen om de waarde van de investering in Marokko meerdere keren te dekken, zoals vastgelegd in de investeringsovereenkomst. Het totaal van deze leningen, die in verschillende valuta’s luidden, bedroeg in de periode 2017-2023 enkele miljarden euro. Ongeveer een derde van deze leningen luidde in euro. Deze valuta werd gebruikt als referentievaluta in de investeringsovereenkomst voor het investeringsproject in Marokko. Zoals blijkt uit de punten 3.4.3 en 3.5.1 voerde CITIC Dicastal, door te investeren in Marokko, het BRI uit. Het is derhalve redelijk om in de omstandigheden van deze zaak te concluderen dat CITIC Dicastal ten minste een deel van dergelijke aanzienlijke externe middelen die het van de Chinese overheid en Chinese banken ontving, via zijn verbonden entiteiten aan DMA verstrekte om de bouw van de fabrieken en andere uitgaven die onder het investeringsproject vielen, alsook werkkapitaal voor de Marokkaanse activiteiten, te financieren.

(226)

Met betrekking tot deze preferentiële leningen die CITIC Dicastal ontving, heeft de Commissie beoordeeld of de bovengenoemde Chinese banken en financiële instellingen een financiële bijdrage hadden geleverd aan CITIC Dicastal als “overheidsinstantie” in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), en artikel 2, punt b), van de basisverordening, uitgelegd in het licht van de desbetreffende WTO-rechtspraak.

(b)   Rechtsnorm

(227)

Volgens de desbetreffende rechtspraak van de WTO (60) is een overheidsinstantie een entiteit die overheidsgezag bezit, uitoefent of daarmee is bekleed. Een onderzoek door een overheidsinstantie moet per geval worden uitgevoerd, terdege rekening houdend met de essentiële kenmerken en functies van de desbetreffende entiteit, de relatie met de overheid van die entiteit en de juridische en economische omgeving in het land waarin de onderzochte entiteit actief is. Al naargelang de specifieke omstandigheden van elk geval kan relevant bewijsmateriaal bestaan uit: i) bewijs dat een entiteit feitelijk overheidsfuncties uitoefent, in het bijzonder wanneer dat bewijs wijst op een aanhoudende en systematische praktijk; ii) bewijsmateriaal betreffende de omvang en inhoud van overheidsregels met betrekking tot de sector waarin de onderzochte entiteit actief is; en iii) bewijs dat een overheid op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag. Bij een onderzoek naar een overheidsinstantie moet een onderzoekende autoriteit alle relevante kenmerken van de entiteit beoordelen en naar behoren in ogenschouw nemen en alle soorten bewijsmateriaal bestuderen die ter zake dienend kunnen zijn voor die beoordeling; hierdoor moet ze voorkomen zich uitsluitend op één kenmerk te richten zonder andere mogelijk relevante kenmerken naar behoren in ogenschouw te nemen.

(228)

Om een entiteit in een specifiek geval te kenmerken als een overheidsinstantie, kan het relevant zijn om na te gaan of de functies of het gedrag van de entiteit dusdanig van aard zijn dat ze in de rechtsorde van het betreffende lid doorgaans worden aangemerkt als aan de overheid gerelateerd, rekening houdend met de classificatie en functies van entiteiten binnen WTO-leden in het algemeen. Of de functies of het gedrag dusdanig van aard zijn dat ze in de rechtsorde van het betreffende lid doorgaans worden aangemerkt als aan de overheid gerelateerd, kan dus een relevante overweging zijn om te bepalen of een specifieke entiteit al dan niet een overheidsinstantie is.

(229)

Er zijn veel verschillende manieren waarop de overheid in enge zin entiteiten bevoegdheid kan verlenen. Derhalve kunnen verschillende soorten bewijs relevant zijn om aan te tonen dat aan een bepaalde entiteit een dergelijke bevoegdheid is verleend. Bewijs dat een entiteit de facto overheidsfuncties uitoefent, kan dienen als bewijs dat zij beschikt over of bekleed is met overheidsgezag, in het bijzonder wanneer dat bewijs wijst op een aanhoudende en systematische praktijk.

(230)

Het bewijs dat een overheid op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag kan in bepaalde omstandigheden dienen als bewijs dat de entiteit in kwestie overheidsgezag bezit en dat gezag uitoefent bij de uitvoering van overheidsfuncties. Staatseigendom van een entiteit is weliswaar geen doorslaggevend criterium maar kan, in samenhang met andere elementen, inderdaad als bewijs dienen. Zoals in de rechtspraak van de WTO ook werd erkend (61), is het bestaan van louter formele banden tussen een entiteit en de overheid in enge zin echter veelal niet toereikend om overheidsgezag aan te tonen. Zo bewijst bijvoorbeeld de loutere omstandigheid dat een overheid meerderheidsaandeelhouder van een entiteit is nog niet dat zij op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over het gedrag van die entiteit en a fortiori niet dat zij haar overheidsgezag heeft verleend. In sommige gevallen waarin uit het bewijsmateriaal blijkt dat er voldoende aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid zijn en er ook bewijs is dat die zeggenschap betekenisvol was, kan dat bewijsmateriaal echter tot de gevolgtrekking leiden dat de betrokken entiteit overheidsgezag uitoefent.

(231)

Een onderzoek naar een openbare instantie richt zich niet primair op de vraag of er een logisch verband bestaat tussen het gedrag dat beweerdelijk aanleiding vormt voor een financiële bijdrage en een “overheidsfunctie”. In dit verband vereist de rechtsnorm voor vaststellingen dat er sprake is van overheidsinstanties op grond van artikel 1.1, punt a), 1), van de SCM-overeenkomst van de WTO geen verband van een bepaalde mate of aard dat noodzakelijkerwijs moet worden aangetoond tussen een vastgestelde overheidsfunctie en de specifieke financiële bijdrage in kwestie. Het relevante onderzoek richt zeer veeleer op de entiteit die dat gedrag vertoont, haar essentiële kenmerken en haar relatie met de overheid. Deze nadruk op de entiteit, in plaats van op het gedrag dat beweerdelijk aanleiding vormt voor een financiële bijdrage, sluit aan bij het feit dat een “overheid” (in de enge zin) en een “overheidsinstantie” een zekere mate van gemeenschappelijkheid of overlapping hebben in hun wezenlijke kenmerken — d.w.z. ze zijn beide aan de overheid gerelateerd.

(232)

De aard van het gedrag of de praktijk van een entiteit kan zeker als bewijs dienen dat relevant is voor een onderzoek naar een openbare instantie. Het gedrag van een entiteit — met name wanneer dit wijst op een aanhoudende en systematische praktijk — is namelijk een van de diverse soorten bewijs dat, al naar gelang de omstandigheden van elk onderzoek, licht kan werpen op de essentiële kenmerken van een entiteit en haar relatie met de overheid in enge zin. De beoordeling van dit bewijs heeft echter tot doel de centrale vraag te beantwoorden of de entiteit zelf de essentiële kenmerken en functies bezit waardoor ze kan worden aangemerkt als een overheidsinstantie. Zo was het voor de beoordeling of een entiteit een overheidsinstantie is in de context van de Chinese handelsbanken in staatsbezit (“SOCB’s”) in DS379 relevant om te weten dat: i) de CEO’s van de hoofdkantoren van de SOCB’s door de overheid worden benoemd en dat de CCP aanzienlijke invloed op hun keuze uitoefent; en ii) dat het SOCB’s nog altijd ontbreekt aan risicobeheer- en analytische vaardigheden. Dit bewijs beperkte zich niet tot de kredietverlening van SOCB’s, maar ging in op hun organisatiekenmerken, besluitvormingsbevoegdheid en algemene relatie met de Chinese overheid. In DS379 merkte de beroepsinstantie derhalve op dat het ministerie van Handel van de Verenigde Staten inderdaad rekening hield met bewijsmateriaal dat betrekking had op het gedrag van SOCB’s (leningen verstrekken), maar dit deed in het kader van zijn onderzoek naar de essentiële kenmerken van die entiteiten en hun relatie met de Chinese overheid. Deze SOCB’s oefenden overheidsfuncties uit namens de Chinese overheid.

(233)

Bovendien heeft de Beroepsinstantie meegewogen dat de overheid in kwestie geen medewerking verleende tijdens het onderzoek. In DS379 bevestigde de Beroepsinstantie namelijk de vaststelling door het ministerie van Handel van de Verenigde Staten dat de SOCB’s in het onderzoek betreffende CFS Paper overheidsinstanties vormden, en wel op grond van de volgende overwegingen: i) vrijwel de gehele bankensector in de VRC is in handen van de overheid, ii) artikel 34 van de Wet inzake handelsbanken stelt dat banken worden geacht hun leenactiviteiten uit te voeren in overeenstemming met de behoeften van de nationale economie en de maatschappelijke ontwikkeling en in de geest van het industriebeleid van de staat, iii) uit bewijsmateriaal blijkt dat het SOCB’s nog altijd ontbreekt aan risicobeheer- en analytische vaardigheden, en iv) het ministerie van Handel van de Verenigde Staten ontving tijdens dat onderzoek niet het vereiste bewijsmateriaal om zich een omvattend beeld te vormen van de wijze waarop leningen in de papierindustrie worden aangevraagd, toegekend en beoordeeld (62).

(234)

Tot slot, om te worden aangemerkt als overheidsinstantie, hoeven de staatsondernemingen in kwestie niet noodzakelijkerwijs onder zeggenschap van de Chinese overheid te staan bij elke verkoop van basisproducten aan downstreamproducenten.

(c)   Chinese staatsbanken en financiële instellingen die optreden als overheidsinstantie

(235)

De Commissie heeft op basis van de hierboven samengevatte relevante regels en rechtspraak beoordeeld of de Chinese banken en financiële instellingen die direct of indirect financiering aan CITIC Dicastal verstrekten, als overheidsinstantie handelden. De Commissie heeft specifiek informatie verzameld met betrekking tot de overheidseigendom en met betrekking tot formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid in deze banken. Vervolgens richtte zij zich op de essentiële kenmerken en functies van deze banken en hun relatie met de Chinese overheid, onder meer door het analyseren van bewijs van indirecte zeggenschap van de staat, ingrijpen van de Chinese overheid op de markt om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefende met betrekking tot hun kredietverleningsbeleid en risicobeoordeling, en de vraag of deze ondernemingen namens de Chinese overheid overheidsfuncties uitoefenden.

(236)

Zoals hierboven vermeld, weigerde de Chinese overheid mee te werken aan het onderzoek. Daarom heeft de Commissie op basis van de beschikbare informatie beoordeeld of de betrokken Chinese financiële instellingen als overheidsinstanties handelden. Daartoe heeft de Commissie haar bevindingen gebaseerd op eerdere onderzoeken en andere relevante elementen.

(237)

Zoals vermeld in de punten 3.4.1.2 tot en met 3.4.1.5 van het SGV-antisubsidieonderzoek en in de punten 3.3.1.2 tot en met 3.3.1.4 van het glasvezelonderzoek, heeft de Commissie specifiek een lijst opgesteld van de staatsbanken en andere financiële instellingen die overheidsinstanties bleken te zijn. Deze lijst bevat de meeste in de overwegingen 223 en 224 genoemde banken en financiële instellingen die direct of indirect financiering hebben verstrekt aan de Dicastal-groep, aangezien zij Chinese staatsbanken zijn en/of er formele aanwijzingen zijn dat de Chinese overheid zeggenschap over deze banken uitoefent. Voorts concludeerde de Commissie in dezelfde punten van de antisubsidieonderzoeken inzake SGV en glasvezel dat de Chinese overheid een normatief kader had gecreëerd voor alle banken en financiële instellingen die actief waren in de VRC, dat moest worden nageleefd door de managers en toezichthouders, die door de Chinese overheid waren benoemd en die verantwoording verschuldigd waren aan de Chinese overheid. Derhalve baseerde de Chinese overheid zich op dit normatieve kader om betekenisvolle zeggenschap over alle staatsbanken en andere banken en financiële instellingen in de VRC uit te oefenen.

(238)

Naast het algemene rechtskader dat in de antisubsidieonderzoeken inzake SGV en glasvezel is uiteengezet, was de volledige juridische context die werd vermeld in het kader van de bilaterale samenwerking zoals uiteengezet in punt 3.4, alsook de specifieke juridische, beleids- en economische context van het preferentiële beleid van de VRC in de sector aluminium wielen zoals beschreven in punt 3.5.2.1.3, van toepassing op de preferentiële financiering die door deze financiële instellingen aan CITIC Dicastal werd verstrekt.

(239)

Op basis van alle bovenstaande feiten en bewijzen heeft de Commissie vastgesteld dat alle betrokken Chinese beleids- en staatsbanken, alsook alle andere Chinese banken en financiële instellingen die financiering hebben verstrekt aan CITIC Dicastal, het hierboven uiteengezette rechtskader hebben uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de sector aluminium wielen. Zij waren derhalve “overheidsinstanties” in de zin van artikel 2, punt b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening.

(240)

Nadere bijzonderheden met betrekking tot deze externe financiering worden toegelicht in de punten 3.4.3, 3.5.1 en 3.5.2.1.3. Aangezien CITIC Dicastal en, meer in het algemeen, de CITIC-groep het Marokkaanse investeringsproject uitvoerden in het kader van het BRI, en gezien de aanzienlijke investeringsbehoeften van dit project en de bijzondere situatie van CITIC Dicastal zoals uiteengezet in punt 3.5.2.1.2, is het redelijk te concluderen dat ten minste een deel van deze externe financiering werd gebruikt voor de financiering van het Marokkaanse project. CITIC Dicastal voerde de financieringsvereisten in het kader van de investeringsovereenkomst in verschillende stappen uit. Meer bepaald werd de financiering niet rechtstreeks aan DMA verstrekt, maar indirect via een aantal intermediaire bedrijven onder zeggenschap van CITIC Dicastal, zoals nader wordt toegelicht in punt 3.5.2.1.2.

3.5.2.1.2.   Verstrekking van preferentiële financiering aan DMA door CITIC Dicastal optredend als overheidsinstantie

(a)   Verstrekking van preferentiële financiering door CITIC Dicastal via zijn verbonden entiteiten

(241)

Bij de uitvoering van de investeringsovereenkomst met de Marokkaanse overheid besloot CITIC Dicastal de preferentiële financiering voor DMA, de voor de uitvoering van het Marokkaanse project opgerichte operationele onderneming, te kanaliseren via de volgende vier verbonden entiteiten:

Changsha Dicastal;

Dicastal Asia;

Dicastal HK;

Wisdom.

(242)

Vanwege de specifieke situatie ten tijde van de uitvoering van de investeringsovereenkomst, zoals gespecificeerd in de volgende overwegingen, verstrekte CITIC Dicastal de voor het Marokkaanse project vereiste middelen niet rechtstreeks aan DMA. In plaats daarvan koos het hiervoor voor een complexere regeling via deze verbonden entiteiten. Tegelijkertijd zorgde CITIC Dicastal voor een nauwe controle van de geldstromen via deze entiteiten, zoals hieronder ook wordt aangegeven.

(243)

Naar aanleiding van de ondertekening van de investeringsovereenkomst in juli 2018 werd de aandeelhoudersstructuur van CITIC Dicastal in 2019 grondig herzien. Terwijl het aanvankelijk een volledige (indirecte) dochteronderneming van de CITIC Group Corporation was, werd in 2019 bijna 60 % van zijn aandelen overgedragen aan andere aandeelhouders. De overdracht van aandelen werd pas eind 2020 afgerond, zoals bevestigd door het meest recente kapitaalevaluatieverslag van CITIC Dicastal. De onderneming bleef een niet-volle dochteronderneming van CITIC Group Corporation en haar financiële resultaten worden nog steeds geconsolideerd in de jaarrekening van CITIC Group Corporation.

(244)

Gezien de veranderingen in zijn eigendom heeft CITIC Dicastal het investeringsproject in Marokko niet rechtstreeks uitgevoerd. In plaats daarvan heeft het met verschillende zakenpartners samengewerkt om het project op te starten volgens het tijdschema dat in de investeringsovereenkomst was vastgelegd.

(245)

DMA, de producent-exporteur in Marokko, werd aanvankelijk opgericht door Kerry Invest Pty Ltd, welke onderneming 99 % van het initiële eigen vermogen bijdroeg. De enige aandeelhouder van Kerry Invest is een voormalig directeur/secretaris van CITIC Dicastal Australia Pty Ltd (dat in 2018 werd ontbonden).

(246)

Tegelijkertijd benaderde CITIC Dicastal Changsha Dicastal, zijn zakenpartner, zoals nader toegelicht in punt 3.5.2.1.2, b), met een voorstel om samen te werken aan het investeringsproject in Marokko. Dit werd een zakelijk afspraak met Changsha Dicastal, zoals bevestigd door de vertegenwoordiger van CITIC Dicastal tijdens het controlebezoek ter plaatse bij DMA. Op basis hiervan werd DMA een indirecte dochteronderneming van Changsha Dicastal via zijn dochteronderneming in Hongkong, Dicastal Asia, die in november 2018 werd opgericht als vehikel voor de uitvoering van het Marokkaanse investeringsproject.

(247)

Eind 2023, en als formele afsluiting van zijn oorspronkelijke investeringsproject in Marokko, nam CITIC Dicastal formeel de eigendom van Dicastal Asia over (via de dochteronderneming Dicastal HK in Hongkong), waardoor het feitelijk de enige aandeelhouder van DMA werd (63). Op basis hiervan heeft CITIC Dicastal ook uitstaande schulden van DMA aan Changsha Dicastal voor geleverde kapitaalgoederen “verworven”, zoals uiteengezet in punt 3.5.2.1.2, b). De verandering van eigenaar werd geregistreerd op 30 januari 2024.

(248)

Uit het bewijsmateriaal in het dossier blijkt dat CITIC Dicastal verbonden was met DMA en werd beschouwd als de investeerder en projecteigenaar van de investering in Marokko, nog voordat het uiteindelijk formeel eigenaar van DMA werd, zoals uiteengezet in de onderstaande overwegingen.

(249)

Ten eerste werd DMA, zoals uitgelegd in punt 3.4.3, opgericht als gevolg van een investeringsovereenkomst die CITIC Dicastal namens de Chinese overheid met de Marokkaanse overheid had ondertekend. In de investeringsovereenkomst wordt CITIC Dicastal aangewezen als investeerder en hoofdpartner in het investeringsproject. Zoals ook uiteengezet in de punten 3.4.3 en 3.5.1, wordt in artikel 7 van de investeringsovereenkomst met betrekking tot het kapitaalvereiste gespecificeerd dat de investeerder (CITIC Dicastal) zich ertoe verbindt alle kapitaal en stemrechten van de operationele onderneming ter beschikking te stellen, dat het aandelenkapitaal en de stemrechten rechtstreeks in handen zullen zijn van CITIC Dicastal, en dat de aandelen ten minste 15 jaar moeten worden aangehouden, met een bijzondere procedure voor een eventuele vroegtijdige afstoting die goedkeuring van de Marokkaanse overheid vereist.

(250)

Ten tweede werd CITIC Dicastal altijd door externe partijen gezien en/of gepresenteerd als de werkelijke projecteigenaar. Dit bleek onder meer uit de evaluatie van de leningsaanvraag van DMA bij de Attijari International Bank in 2021, alsook uit de analyse van de jaarrekening van CITIC Limited, waarin werd verwezen naar de opening in juli 2019 van de eerste fase van een nieuwe productie-installatie in Marokko (64).

(251)

Ten derde had Changsha Dicastal, de feitelijke aandeelhouder van DMA in de periode 2018-2023, een overeenkomst met CITIC Dicastal over de investering in Marokko, zoals uiteengezet in overweging 246. Bovendien ondertekende Changsha Dicastal een exclusieve productieovereenkomst met CITIC Dicastal, zoals nader toegelicht in de overwegingen 256 en 259, waardoor het volledig afhankelijk was van CITIC Dicastal als enige afnemer.

(252)

Ten slotte ondertekende DMA een exclusieve productieovereenkomst met CITIC Dicastal, waarin het zich ertoe verbond zijn volledige productiecapaciteit voor de producten van CITIC Dicastal te reserveren. Het ontving daarnaast de rechten voor het gebruik en de weergave van het logo van CITIC Dicastal op de producten en in zijn gebouwen. Op basis hiervan werd CITIC Dicastal de enige directe afnemer van DMA. Tegelijkertijd was CITIC Dicastal, als enige eigenaar van de door DMA geproduceerde aluminium wielen, belast met de aanbestedingsprocedure voor de verkoop van de wielen aan de autofabrikanten.

(253)

Op basis van deze elementen heeft de Commissie vastgesteld dat DMA sinds de oprichting ervan verbonden was met CITIC Dicastal, ten minste in de zin van artikel 127, lid 1, punt b), of artikel 127, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 (de uitvoeringshandeling van het douanewetboek van de Unie, de “uitvoeringshandeling van het DWU”) (65). Na de formele overname in november 2023, zoals hierboven beschreven, was DMA ook formeel verbonden met CITIC Dicastal in de zin van artikel 127, lid 1, punt e), van de uitvoeringshandeling van het DWU.

(254)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat het niet verbonden was met CITIC Dicastal en dat de Commissie negatieve conclusies had getrokken toen zij concludeerde dat CITIC Dicastal financiële bijdragen aan DMA had verstrekt.

(255)

De Commissie merkte op dat dit argument van DMA een loutere opmerking was die niet door enig bewijsmateriaal werd gestaafd. Zoals blijkt uit dit punt, waren de bevindingen van de Commissie niet gebaseerd op negatieve conclusies, maar op een aantal objectieve feiten en bewijsmateriaal in het dossier overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. Derhalve verwierp de Commissie dit argument.

(b)   Preferentiële financiering aan DMA via Changsha Dicastal

(256)

Changsha Dicastal heeft geen aandeelhoudersrelatie met CITIC Dicastal. Het heeft echter een exclusieve productieovereenkomst met CITIC Dicastal, op basis waarvan Changsha Dicastal zijn volledige productiecapaciteit gebruikt om aluminium wielen te produceren onder het merk Dicastal. CITIC Dicastal verbindt zich er daarentegen toe de productie van Changsha Dicastal te kopen voor verkoop aan zijn eindafnemers.

(257)

Bovendien had Changsha Dicastal, zoals vermeld in overweging 246, een zakelijke afspraak met CITIC Dicastal met betrekking tot de investering in Marokko. In ruil voor samenwerking bij de tijdige uitvoering van de investeringsovereenkomst met de Marokkaanse overheid verbond CITIC Dicastal zich ertoe zijn steun voor Changsha Dicastal op de binnenlandse Chinese markt uit te breiden. Dit vertaalde zich in een verhoging van de kasstroom van Changsha Dicastal. De verkoopmarge van de onderneming steeg in de periode 2018-2020 aanzienlijk ten opzichte van de marges die vóór 2017 en na 2020 werden bereikt. Changsha Dicastal kreeg dus extra middelen om de investeringsactiviteiten in Marokko te financieren. In 2018 boekte Changsha Dicastal een vordering bij CITIC Dicastal met een hoogte die ongeveer overeenkomt met de kapitaalinbreng via Dicastal Asia aan DMA in 2019 (66).

(258)

Daarom heeft de Commissie vastgesteld dat de ondernemingen, hoewel zij niet verbonden waren door middel van aandeelhouderschap, ten minste werden erkend als in zaken verbonden in de zin van artikel 127, lid 1, punt b), of artikel 127, lid 2, van de uitvoeringshandeling van het DWU.

(259)

Als enige afnemer op grond van de productieovereenkomst was CITIC Dicastal de enige bron van inkomsten van Changsha Dicastal. In combinatie met de zakelijke afspraak over het hierboven beschreven investeringsproject was CITIC Dicastal in staat de kasstroom van Changsha Dicastal te beheersen en de richting en het gebruik ervan te beïnvloeden.

(260)

Changsha Dicastal leverde het grootste deel van de apparatuur die werd gebruikt voor de vervaardiging van de aluminium wielen aan DMA. Hoewel deze aankopen plaatsvonden in de periode 2018-2022, waarbij het grootste deel van de apparatuur in 2020 werd geleverd, was aan het begin van het onderzoektijdvak meer dan 90 % van de aankoopwaarde niet afgewikkeld. Zo heeft Changsha Dicastal aan DMA preferentiële, renteloze financiering verstrekt in de vorm van een late betaling van facturen voor de levering van apparatuur.

(261)

Daarnaast heeft Changsha Dicastal via haar dochteronderneming in Hongkong, Dicastal Asia, aanvullende middelen aan DMA overgedragen, zoals hieronder nader wordt beschreven.

(c)   Preferentiële financiering verstrekt aan DMA via Dicastal Asia

(262)

Dicastal Asia is een rechtstreekse, volle dochteronderneming van Changsha Dicastal die uitsluitend is opgericht met het oog op de uitvoering van de investering in Marokko. Hoewel het in Hongkong is geregistreerd, beschikt het niet over personeel in Hongkong, noch worden zijn gegevens op die locatie opgeslagen. In plaats daarvan bevinden haar personeel en registers zich op het hoofdkantoor van CITIC Dicastal in Qinhuangdao (VRC), zoals vastgesteld bij het controlebezoek, dat werd uitgevoerd in 2024, nadat CITIC Dicastal DMA had overgenomen (via Dicastal HK en Dicastal Asia). Dicastal Asia verrichtte geen andere activiteiten naast dat het diende als vehikel voor het investeringsproject in Marokko, waarvan CITIC Dicastal de uiteindelijke investeerder was. Daarom bleken de activiteiten van Dicastal Asia te worden bepaald door de zakelijke doelstellingen van CITIC Dicastal in Marokko.

(263)

De Commissie stelde derhalve vast dat Dicastal Asia verbonden was met CITIC Dicastal als zijn erkende partner in zaken in de zin van artikel 127, lid 1, punt b), van de uitvoeringshandeling van het DWU en van CITIC Dicastal opdracht had gekregen om preferentiële financiering aan DMA te verstrekken.

(264)

Dicastal Asia verstrekte DMA verschillende vormen van preferentiële financiering, die uiteindelijk werden omgezet in aandelenkapitaal.

(265)

DMA werd vanaf zijn oprichting gefinancierd met leningen van zes durfkapitaalondernemingen. DMA boekte deze schulden als te betalen lasten in zijn boekhouding. In 2021 nam Dicastal Asia deze schulden over. Dicastal Asia gebruikte een reeks leningen van Wisdom om de vorderingen van de initiële investeerders af te wikkelen.

(266)

Naast de van de durfkapitaalondernemingen ontvangen middelen werd DMA vanaf zijn oprichting ook gefinancierd met in totaal zes leningen van Dicastal Asia. Dicastal Asia financierde deze leningen met een verhoging van de kapitaalinbreng van Changsha Dicastal en met een lening van Changsha Dicastal.

(267)

Toen Dicastal Asia in 2021 de enige eigenaar werd van de schuld van DMA die voortvloeide uit de in de vorige overwegingen beschreven transacties, vormde het de schuld om tot een verhoging van zijn kapitaalinbreng in DMA.

(268)

Bovendien verstrekte Dicastal Asia in 2021 een financiële lening aan DMA. De lening was renteloos en DMA betaalde de hoofdsom van de lening pas eind 2023 terug. Zoals hierboven uiteengezet, werd deze lening gedekt door de reeks leningen die Dicastal Asia van Wisdom had ontvangen.

(d)   Preferentiële financiering verstrekt aan DMA via Dicastal HK

(269)

Dicastal HK is een volle dochteronderneming van CITIC Dicastal, geregistreerd in Hongkong. Net als in het geval van Dicastal Asia werd bij de controle ter plaatse bevestigd dat de onderneming niet beschikte over personeel of een registratie in Hongkong, maar in Qinhuangdao, in de gebouwen van CITIC Dicastal. Dicastal HK werd opgericht voordat CITIC Dicastal besloot in Marokko te investeren. Het werd eerder door de onderneming gebruikt om te investeren in dochterondernemingen in Europa. Na de start van het Marokkaanse project diende het om preferentiële financiering te verstrekken aan DMA als de belangrijkste leverancier van aluminium wielen aan de Europese autofabrikanten.

(270)

Daarom stelde de Commissie vast dat Dicastal HK verbonden was met CITIC Dicastal in de zin van artikel 127, lid 1, punt e), van de uitvoeringshandeling van het DWU, onder zeggenschap stond van CITIC Dicastal en van die onderneming de opdracht had gekregen om preferentiële financiering aan DMA te verstrekken.

(271)

In 2020 verstrekte Dicastal HK aan DMA een financiële lening in euro. De hoofdsom werd gedurende het onderzoektijdvak in verschillende tranches volledig terugbetaald. Dicastal HK ontving op zijn beurt verschillende leningen van CITIC Dicastal ter dekking van de aan DMA geleende middelen.

(e)   Preferentiële financiering verstrekt aan DMA via Wisdom

(272)

DMA kocht het grootste deel van de aluminiumingots, de belangrijkste grondstof voor de productie van aluminium wielen, van Wisdom. Zoals uiteengezet in punt 3.2.2, bracht het onderzoek ongebruikelijke zakelijke transacties tussen Wisdom en de Dicastal-groep aan het licht. De Commissie heeft daarom de potentiële banden tussen Wisdom en de groep geanalyseerd. Zoals hieronder wordt geconcludeerd, stelde de Commissie op basis van de beschikbare feiten vast dat Wisdom verbonden was met de Dicastal-groep.

(273)

Voor de levering van aluminiumingots bracht Wisdom DMA een prijs in rekening die aanzienlijk lager was dan de prijs van ingots die bij een niet-verbonden leverancier waren gekocht. Bovendien betaalde DMA, ondanks een overeengekomen betalingstermijn van negentig dagen, niet voor leveringen van aluminiumingots die het in de loop van 2023 had ontvangen. Zo verstrekte Wisdom financiering aan DMA via preferentiële prijzen van aluminiumingots en de vertraagde inning van betalingen voor de respectieve leveringen.

(274)

Daarnaast verstrekte Wisdom aan Dicastal Asia een reeks leningen met een totale waarde van tientallen miljoenen euro, die uiteindelijk werden gebruikt om het eigen vermogen van DMA te verhogen en haar een financiële lening te verstrekken, zoals hierboven uiteengezet onder c).

(275)

Op basis van deze transacties, de documenten in het dossier en het bewijsmateriaal dat tijdens de controlebezoeken aan de Dicastal-groep werd verzameld, zoals ook toegelicht in punt 3.2.2, had de Commissie redenen om aan te nemen dat Wisdom een met de Dicastal-groep verbonden entiteit was. Bij haar beoordeling hield de Commissie rekening met de volgende factoren.

(276)

Wisdom werd in november 2019 in Hongkong opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 100 HKD (ongeveer 12,50 EUR). De onderneming werd opgericht door een enige aandeelhouder, een Chinees staatsburger.

(277)

Zoals uiteengezet in punt 3.2.2, heeft de Commissie vastgesteld dat de Chinese staatsburger die optreedt als enige aandeelhouder van Wisdom was geregistreerd in Qinhuangdao, waar ook CITIC Dicastal zijn statutaire zetel heeft. Bovendien bleek dat Wisdom in Hongkong hetzelfde geregistreerde adres had als de twee in Hongkong gevestigde ondernemingen van de Dicastal-groep, dat wil zeggen Dicastal Asia en Dicastal HK.

(278)

Ondanks de herhaalde pogingen van de Commissie om meer informatie te verkrijgen over de activiteiten van Wisdom en zijn juridische en economische relatie met DMA en de Dicastal-groep, zowel van Wisdom zelf als van de Dicastal-groep, weigerde Wisdom mee te werken aan het onderzoek en verstrekte de Dicastal-groep niet alle door de Commissie gevraagde informatie.

(279)

In geen enkel argument van CITIC Dicastal werd uitgelegd hoe en waarom een beweerdelijk niet-verbonden onderneming met een bescheiden eigen vermogen van 12,50 EUR een beweerdelijk niet-verbonden groep zou financieren door middel van de vertraagde betaling van facturen voor aluminiumingots en het niet innen van rente op leningen met een totale waarde van miljoenen euro’s, en hoe een dergelijke grote onderneming als CITIC Dicastal deze leverancier zou kunnen vertrouwen voor dergelijke aanzienlijke leveringen van ingots. Wat de vraag betreft waarom CITIC Dicastal Wisdom als leverancier van ingots van DMA had aanbevolen, stelde het enkel dat CITIC Dicastal een langdurige samenwerking had met de eigenaar van Wisdom als deskundige op het gebied van aluminium.

(280)

In het kader van de procedure betreffende de toepassing van artikel 28 van de basisverordening, die in punt 3.2.2 wordt behandeld, voerde CITIC Dicastal aan dat het niet verbonden was met Wisdom en dat de door de Commissie met betrekking tot Wisdom gevraagde informatie niet noodzakelijk was.

(281)

Wat de relatie betreft, voerde CITIC Dicastal aan dat de door de Commissie aangevoerde omstandigheden geen bewijs vormden van een verband tussen de Dicastal-groep en Wisdom op basis van het toepasselijke Unierecht, namelijk artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU. Volgens CITIC Dicastal bevestigden de gecontroleerde verslagen en de boekhouding van de ondernemingen van de groep dat Wisdom niet als verbonden onderneming in de boekhouding van de groep was opgenomen.

(282)

De Commissie wees deze argumenten af. Ten eerste is, zoals CITIC Dicastal terecht heeft opgemerkt, artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU de rechtsgrondslag voor het vaststellen van een relatie in het kader van deze procedure. Het feit dat een bepaalde onderneming niet als verbonden entiteit wordt vermeld in de gecontroleerde verslagen en financiële boekhouding van de Dicastal-groep is irrelevant, omdat de rechtsgrondslag voor een dergelijke rapportage en voor de consolidatie voor boekhoudkundige doeleinden de respectieve boekhoud- en auditregels in de rechtsstelsels van Hongkong of de VRC zijn, en niet artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU. Voorts kan de vraag of en hoe deze audit- en boekhoudregels daadwerkelijk worden toegepast en gehandhaafd in Hongkong of de VRC, indien een onderneming een entiteit niet als verbonden rapporteert, in de praktijk ook een rol spelen met betrekking tot dit argument.

(283)

De Commissie merkte voorts op dat zij een relatie had vastgesteld tussen de twee onderdelen van de Dicastal-groep (een onderdeel dat via een aandeelhoudersrelatie met CITIC Dicastal was verbonden, de andere met Changsha Dicastal) op basis van het bestaan van de productieovereenkomst tussen CITIC Dicastal en Changsha Dicastal. De transacties van Changsha Dicastal met zijn dochterondernemingen enerzijds en met de met CITIC Dicastal verbonden ondernemingen anderzijds werden niet in de gecontroleerde verslagen of boekhoudbescheiden van de ondernemingen als transacties met verbonden partijen vermeld.

(284)

Bovendien beschikt de Commissie alleen over informatie over de transacties tussen Wisdom en het onderdeel Changsha Dicastal van de Dicastal-groep. Daarom kon niet worden uitgesloten dat het verbonden was met het onderdeel CITIC Dicastal van de Dicastal-groep via een relatie op basis van een gemeenschappelijke aandeelhouders-, gemeenschappelijke management- of familieband tussen de managers en/of eigenaren van Wisdom en het CITIC Dicastal-onderdeel van de Dicastal-groep. Op grond van de bovenstaande overwegingen wees de Commissie deze argumenten af.

(285)

Wat betreft de feitelijke elementen met betrekking tot de grondslag waarop de Commissie zich baseert om het bestaan van een relatie aan te nemen, verstrekte de Dicastal-groep aanvullende informatie om de beweringen over de vrije verstrekking van grondstoffen en leningen door Wisdom aan de Dicastal-groep te weerleggen. Zij toonde met name aan dat DMA de aankopen van aluminium van Wisdom na het onderzoektijdvak in 2024 gedeeltelijk had betaald en dat de aan Dicastal Asia verstrekte lening ook na het onderzoektijdvak in 2024 werd terugbetaald. Zij voerde verder aan dat het een gangbare praktijk was voor meerdere in Hongkong geregistreerde ondernemingen om een gemeenschappelijk adres te delen en dat dit dus geen bewijs was voor de theorie van een bestaande relatie tussen de Dicastal-groep en Wisdom.

(286)

De Commissie beschouwde het bestaan van de hierboven beschreven transacties en een gemeenschappelijk geregistreerd adres met andere ondernemingen als voldoende elementen die wijzen op het bestaan van een relatie tussen Wisdom en de Dicastal-groep. Op grond van die elementen was het verzoek van de Commissie aan de Dicastal-groep en Wisdom om aanvullende informatie om na te gaan of dergelijke elementen door nadere informatie zouden worden bevestigd, volledig gerechtvaardigd, aangezien zij zonder de medewerking van Wisdom niet konden worden onderzocht. Daarom werden deze argumenten afgewezen. De inhoud van deze argumenten wordt nader behandeld in dit punt.

(287)

De Dicastal-groep beweerde ook dat zij alles in het werk had gesteld om de antisubsidievragenlijst aan Wisdom toe te zenden. Deze onderneming reageerde echter niet op dergelijke inspanningen. Evenzo kon communicatie tussen de Dicastal-groep en Wisdom niet openbaar worden gemaakt om redenen van commerciële vertrouwelijkheid en de privacy.

(288)

De Commissie was van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevatte om aan te tonen dat de ondernemingen verbonden waren. Bezorgdheid over de commerciële vertrouwelijkheid en de privacy vormen geen geldige reden om te weigeren documenten en informatie die relevant zijn voor het onderzoek aan de Commissie te tonen, aangezien zij volledig worden beschermd door de bescherming van vertrouwelijke informatie overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(289)

Met betrekking tot de vraag of de door de Commissie gevraagde informatie noodzakelijk was, voerde de Dicastal-groep aan dat, gezien het land waar Wisdom was geregistreerd en het land van oorsprong van de aan DMA geleverde grondstof, de door de Commissie gevraagde informatie over Wisdom niet nodig was, aangezien het onderzoek beperkt was tot de vermeende samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid. Mogelijke financiële bijdragen buiten het grondgebied van Marokko of de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid vielen derhalve buiten het toepassingsgebied van dit onderzoek.

(290)

De Commissie was het hier niet mee eens. Het is een gangbare praktijk voor Chinese ondernemingen om dochterondernemingen in Hongkong op te richten, dat een gunstig ondernemingsklimaat biedt om in het buitenland te handelen of te investeren, zoals gunstigere vennootschapsbelastingtarieven, toegang tot kapitaalmarkten en vrij converteerbare valuta. In veel gevallen voeren de in Hongkong geregistreerde ondernemingen hun activiteiten daadwerkelijk uit vanuit de bedrijfsruimten van hun moederondernemingen in de VRC. Deze praktijk kan ook worden waargenomen binnen de Dicastal-groep, waar zowel CITIC Dicastal als Changsha Dicastal investeringsmaatschappijen in Hongkong hebben gevestigd. Zoals bevestigd door de controles ter plaatse, bevonden de administratie en het personeel van deze dochterondernemingen zich op het hoofdkantoor van CITIC Dicastal in Qinhuangdao. Daarnaast heeft CITIC Group Corporation (de uiteindelijke eigenaar van CITIC Dicastal) zelf een onderneming, CITIC Limited, in Hongkong opgericht en zijn meerderheidsactiva in de in Hongkong geregistreerde onderneming geïnjecteerd (67). Hoewel de geleverde grondstof noch uit de VRC noch uit Marokko afkomstig was, financierde Wisdom DMA via een aanzienlijk vertraagde inning van betalingen voor de levering van aluminiumingots en een aanzienlijk lage prijs in vergelijking met de markt. Wisdom werd opgericht in de VRC en voerde het Chinese preferentiële beleid uit ten gunste van producenten van aluminium wielen, zoals hieronder nader wordt toegelicht. Daarom was de Commissie van oordeel dat de oorsprong van de ingots in dit opzicht irrelevant was. Op grond daarvan wees de Commissie deze argumenten af.

(291)

Hoewel zij het bestaan van samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid met betrekking tot DMA voortdurend ontkende, steunde de Marokkaanse overheid het standpunt van de Dicastal-groep over de noodzaak om de gevraagde informatie te verkrijgen in haar eigen opmerkingen. Onder verwijzing naar artikel 12.7 van de SCM-overeenkomst van de WTO en artikel 28, lid 1, van de basisverordening voerde de Marokkaanse overheid in dit verband aan dat de beschikbare gegevens alleen konden worden toegepast op informatie die door de onderzoekende autoriteit als noodzakelijk was aangemerkt. Voorts bleef de Marokkaanse overheid bij haar standpunt dat de Commissie, in overeenstemming met het verslag van het panel in de zaak VS — Zwaargesatineerd papier (68) en het arrest van het Hof van Justitie in de zaak European Bicycle Manufacturers Association (EBMA)/Giant (China) Co. Ltd (69), moet bewijzen dat bepaalde informatie noodzakelijk is, alvorens een beroep te doen op de beschikbare gegevens. De Marokkaanse overheid herinnerde er voorts aan dat de Commissie overeenkomstig overweging 7 van bijlage II bij de antidumpingovereenkomst van de WTO (“Antidumpingovereenkomst”), die naar analogie wordt toegepast in het kader van antisubsidieonderzoeken, bijzonder voorzichtig moest handelen bij het selecteren van de bronnen van de beschikbare gegevens. In dit verband wees de Marokkaanse overheid erop dat de onderzoekende autoriteit, waar mogelijk, gebruik moest maken van beschikbare gegevens uit andere onafhankelijke bronnen of van andere belanghebbenden. De Marokkaanse overheid benadrukte ook dat de Dicastal-groep een aantal antwoorden op de vragenlijst had verstrekt, controlebezoeken had aanvaard en ook in het stadium na de controlebezoeken had meegewerkt. Tot slot waarschuwde de Marokkaanse overheid de Commissie voor het gebruik van de beschikbare negatieve gegevens in het kader van de beweerde niet-medewerking en herinnerde zij de Commissie eraan dat nieuwe subsidieregelingen die door de Commissie zijn geïdentificeerd, met de Marokkaanse overheid moeten worden besproken alvorens het onderzoek tot dergelijke programma’s uit te breiden.

(292)

De Commissie hield ten volle rekening met deze argumenten van de Marokkaanse overheid. In het licht van de argumenten in de overwegingen 286 tot en met 290 wees de Commissie deze argumenten af, aangezien de van Wisdom en de Dicastal-groep gevraagde informatie noodzakelijk was voor het onderzoek overeenkomstig de wetgeving en de WTO-rechtspraak waarnaar de Marokkaanse overheid verwees. Zoals hieronder nader wordt toegelicht, baseerde de Commissie zich in haar bevindingen niet op “negatieve” gegevens, maar maakte zij zeer voorzichtig gebruik van de in het dossier beschikbare gegevens. Deze argumenten van de Marokkaanse overheid werden derhalve afgewezen.

(293)

Op basis van alle bovenstaande overwegingen en al het bovenstaande bewijsmateriaal bevestigde de Commissie haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen om vast te stellen of Wisdom verbonden was met de Dicastal-groep en als zodanig met de CITIC-groep overeenkomstig artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU. Daartoe baseerde de Commissie zich bij haar beoordeling op een aantal beschikbare gegevens en moest zij conclusies trekken om de resterende leemten waar nodig op te vullen.

(294)

Ten eerste merkte de Commissie op dat Wisdom en de twee in Hongkong gevestigde ondernemingen van de Dicastal-groep die betrokken waren bij het Marokkaanse project, dat wil zeggen Dicastal Asia en Dicastal HK, op hetzelfde adres in Hongkong waren geregistreerd.

(295)

Naast de in punt 3.2.2 en in de vorige overwegingen beschreven argumenten en weerleggingen voerde CITIC Dicastal aan dat Wisdom, Dicastal Asia en Dicastal HK hetzelfde geregistreerde adres in Hongkong hadden omdat alle drie de ondernemingen dezelfde wettelijke vertegenwoordiger gebruikten. Het voor de drie ondernemingen geregistreerde adres was het adres van de wettelijke vertegenwoordiger in Hongkong.

(296)

Dit argument bewees niet dat de ondernemingen niet verbonden waren. In voorkomend geval kan het feit dat ondernemingen dezelfde wettelijke vertegenwoordiger en hetzelfde geregistreerde adres hebben ook worden beschouwd als een aanwijzing van een relatie in de zin van artikel 28 van de basisverordening, aangezien het gebruikelijk is dat verbonden partijen dezelfde vertegenwoordiger en hetzelfde juridische adres gebruiken om de efficiëntie van de administratieve procedures te maximaliseren en tegelijkertijd de onderliggende kosten tot een minimum te beperken.

(297)

Bovendien bleek uit het onderzoek dat Dicastal Asia en Dicastal HK niet over personeel in Hongkong beschikten, aangezien hun personeel en registratie zich in plaats daarvan bevonden in de gebouwen van CITIC Dicastal in Qinhuangdao, provincie Hebei, VRC. De Commissie had derhalve redenen om aan te nemen dat Wisdom zijn activiteiten evenmin vanuit Hongkong verrichtte. Rekening houdend met het feit dat het adres van de eigenaar en directeur van Wisdom zich ook in Qinhuangdao bevond, was de Commissie van oordeel dat de vestigingsplaats van Wisdom ook in Qinhuangdao was, omdat noch Wisdom, noch CITIC Dicastal op dit punt medewerking verleende.

(298)

Een ander cruciaal element waaruit de relatie blijkt, zoals hierboven ook is uiteengezet, is het feit dat CITIC Dicastal ondanks de geringe kapitalisatie van Wisdom op deze onderneming vertrouwde voor de levering van aanzienlijke hoeveelheden aluminiumingots die van cruciaal belang waren voor zijn bedrijfscontinuïteit in Marokko. De Commissie achtte het zeer onwaarschijnlijk dat niet-verbonden partijen zonder verdere garanties een dergelijke belangrijke overeenkomst zouden hebben gesloten. De leveringsovereenkomst voor aluminiumingots tussen Wisdom en DMA bevat geen dergelijke garanties of sancties, bijvoorbeeld voor het niet leveren van de gespecificeerde overeengekomen hoeveelheden, die aanzienlijk zijn. Daarom toont ook dit element duidelijk de relatie tussen deze entiteiten aan.

(299)

Bovendien ontving Wisdom, zoals hierboven en in punt 3.2.2 vermeld en zoals hieronder nader wordt toegelicht, tot het einde van het onderzoektijdvak geen betalingen van DMA voor de aanzienlijke leveringen van aluminiumingots en bracht het voor deze ingots een prijs in rekening die aanzienlijk lager was dan de marktprijs. Daarnaast verstrekte het aanzienlijke financiering aan Dicastal Asia die aan het einde van het onderzoektijdvak niet was terugbetaald.

(300)

De Commissie was van oordeel dat deze elementen sterk wezen op een relatie tussen Wisdom en CITIC Dicastal, ten minste als wettelijk erkende partners in zaken of personen die in zaken verbonden zijn, overeenkomstig artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU. Indien de relatie tussen Wisdom en CITIC Dicastal marktconform was geweest, zou CITIC Dicastal hebben aangedrongen op een overeenkomst met gedetailleerde garanties om de levering van het basisproduct te waarborgen, terwijl Wisdom actief had geprobeerd betalingen van de leveringen van ingots te ontvangen, evenals boetes wegens betalingsachterstanden en aanvullende schadevergoeding wegens contractbreuk. Volgens de overeenkomst voor de levering van aluminium tussen Wisdom en DMA is er een duidelijke betalingstermijn. De overeenkomst voorziet ook in een geschillenbeslechtingsclausule. Bovendien voorziet de overeenkomst in de mogelijkheid om de overeenkomst te beëindigen. Wisdom nam geen van deze in het kader van de leveringsovereenkomst met DMA toegestane maatregelen op grond van de niet-betaling voor de leveringen gedurende een zo lange periode. Indien de partijen niet verbonden waren geweest zou Wisdom, met name gelet op de enorme geleverde hoeveelheden en de overeenkomstige bedragen, de passende maatregelen hebben genomen om de uitvoering van de overeenkomst af te dwingen door te proberen zijn betalingen terug te vorderen, mogelijk de overeenkomst op te zeggen en een schadevordering in te stellen tegen DMA.

(301)

CITIC Dicastal voerde aan dat de aankopen van aluminium van Wisdom door DMA in 2024 na het onderzoektijdvak gedeeltelijk werden betaald en dat de aan Dicastal Asia verstrekte lening ook in 2024 werd terugbetaald. De Commissie was echter van oordeel dat deze omstandigheden niets afdeden aan het feit dat Wisdom en de Dicastal-groep zich niet gedroegen als onafhankelijke entiteiten die marktconform en onder normale marktvoorwaarden handelden. Een eenvoudige terugbetaling na het onderzoektijdvak, zonder andere opgelegde en betaalde boetes en compensaties, na jaren van contractbreuk verandert niets aan de in de vorige overweging beschreven feitelijke situatie die duidelijk de relatie tussen de partijen bevestigt.

(302)

Bovendien was, zoals hieronder nader wordt toegelicht, de door Wisdom aan DMA in rekening gebrachte prijs voor de aluminiumingots aanzienlijk lager dan de prijs die door de niet-verbonden leveranciers werd aangerekend voor de rechtstreekse levering van aluminiumingots. Bij gebrek aan medewerking heeft de Commissie geconcludeerd dat er geen andere redenen waren voor dit gedrag van Wisdom dan het feit dat het verbonden was met CITIC Dicastal. Een niet-verbonden leverancier zou hebben getracht de prijs en de overeenkomstige winst uit de verkoop van aluminiumingots te maximaliseren. Aangezien de prijs van deze grondstof gekoppeld is aan de internationale prijs van de London Metal Exchange en deze grondstof wereldwijd als goed wordt verhandeld, is er voor dergelijke prijsverschillen geen andere plausibele verklaring in het dossier dan de relatie tussen deze entiteiten.

(303)

Een bijkomend element ter ondersteuning van de vaststelling van een band is dat de leveringsovereenkomst voor aluminiumingots tussen Wisdom en DMA precies dezelfde is als die tussen CITIC Dicastal en DMA. Beide overeenkomsten hebben precies dezelfde artikelen en bijna identieke voorwaarden (met uitzondering van het prijsstellingsmechanisme), en zelfs dezelfde formattering. De Commissie heeft deze overeenkomsten vergeleken met de aluminiumingotovereenkomst van een werkelijk niet-verbonden leverancier met DMA en stelde vast dat die totaal andere voorwaarden en een totaal andere formattering had. Daarom bevestigde ook dit element dat Wisdom en CITIC Dicastal verbonden waren.

(304)

Op basis van al deze in het dossier beschikbare gegevens concludeerde de Commissie dat Wisdom een met CITIC Dicastal verbonden entiteit was in de zin van artikel 127 van de uitvoeringshandeling van het DWU. Wisdom is ten minste erkend als in zaken verbonden in de zin van artikel 127, lid 1, punt b), van de uitvoeringshandeling van het DWU en/of in zaken verbonden op grond van artikel 127, lid 2, van de uitvoeringshandeling van het DWU. De Commissie heeft op basis van de bovenstaande feiten ook geconcludeerd dat sprake is van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 127, lid 1, punt d), e), f) of g), van de uitvoeringshandeling van het DWU.

(305)

In het licht van de bovenstaande elementen concludeerde de Commissie dat Wisdom, als met CITIC Dicastal verbonden entiteit met een zeer nauwe betrokkenheid bij de succesvolle voltooiing van het Marokkaanse project, fungeerde als een vehikel voor de indirecte verstrekking van een financiële bijdrage, vergelijkbaar met de andere drie verbonden entiteiten die CITIC Dicastal gebruikt om preferentiële financiering aan DMA te kanaliseren.

(306)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de Commissie negatieve conclusies had getrokken over de relatie tussen CITIC Dicastal en Wisdom. Voorts herhaalde het zijn argumenten met betrekking tot de in de overwegingen 281, 285, 287 en 289 beschreven relatie tussen CITIC Dicastal en Wisdom. De onderneming voerde verder aan dat de conclusies van de Commissie met betrekking tot het bestaan van ongebruikelijke zakelijke transacties, de relatie tussen CITIC Dicastal en Wisdom en het gebruik van de beschikbare gegevens in dit verband ongegrond en ongerechtvaardigd waren.

(307)

Volgens DMA waren de oprichting van Wisdom in november 2019 en de sluiting van een verkoopovereenkomst in maart 2020 waarmee Wisdom de belangrijkste leverancier van aluminiumingots aan DMA werd, in overeenstemming met de gangbare handelspraktijken.

(308)

Met betrekking tot de onbetaalde facturen voor de levering van aluminiumingots voerde DMA aan dat het had aangetoond dat dit gebeurde als gevolg van een geschil over de prijs van de ingots. Het geschil zou eind 2023 zijn beslecht. Na de ondertekening van een nieuwe overeenkomst op basis van het beslechte geschil betaalde DMA in 2024 in wezen alle schulden. Wat de prijs van de ingots onder de marktprijs betreft, voerde DMA aan dat zijn leverancier een gok had genomen met betrekking tot de prijsformule. Nadat Wisdom besefte dat de formule niet werkte, verzocht het om bovengenoemde heronderhandeling van de verkoopovereenkomst. DMA voerde aan dat de Commissie de in deze overweging beschreven feiten had genegeerd.

(309)

DMA herhaalde dat het gemeenschappelijke geregistreerde adres met twee andere ondernemingen van de Dicastal-groep niet noodzakelijkerwijs wees op een relatie, aangezien veel ondernemingen hetzelfde adres hebben. Evenzo voerde DMA aan dat het feit dat de eigenaar van Wisdom een adres in de stad heeft waar zich de zetel van CITIC Dicastal bevindt, geen rechtstreekse band tussen de twee ondernemingen impliceerde. Bovendien voerde de partij aan dat zij niet op de hoogte was van het adres van de eigenaar en dat het argument van de Commissie niet werd gestaafd door informatie in het dossier van het onderzoek. DMA betwistte niet dat het werkelijke adres vanwaar Wisdom haar activiteiten ontplooide, verschilde van het geregistreerde adres.

(310)

DMA voerde aan dat de aanbeveling van Wisdom door CITIC Dicastal als leverancier van aluminiumingots aan DMA op basis van de deskundigheid van de eigenaar van Wisdom in de aluminiumsector en hun geschiedenis van langdurige samenwerking in het bedrijfsleven gebruikelijk was. Volgens DMA heeft dit gedrag de onafhankelijkheid van de ondernemingen niet ondermijnd.

(311)

Ten slotte mag de weigering van de Dicastal-groep om aanvullende informatie over Wisdom en de relatie van Wisdom met de onderneming en/of de eigenaar ervan te verstrekken, niet worden opgevat als de erkenning van eventuele misstanden. Volgens DMA vloeit de weigering om mee te werken in verband met de betrekkingen van de groep met Wisdom voort uit het recht van de ondernemingen om gevoelige bedrijfsinformatie en financiële gegevens te beschermen.

(312)

De Commissie wees de in de overwegingen 306 tot en met 311 uiteengezette argumenten af. In de eerste plaats was de Commissie het niet eens met de bewering dat zij negatieve conclusies zou hebben getrokken. Bij gebrek aan medewerking van Wisdom en de Dicastal-groep in verband met haar betrekkingen met Wisdom, analyseerde de Commissie enkel de beschikbare gegevens en trok zij op basis daarvan conclusies. Hoewel de individuele bevindingen afzonderlijk beschouwd mogelijk geen bewijs vormen van een bestaande relatie tussen CITIC Dicastal en Wisdom, leidden zij samen tot de in overweging 304 beschreven conclusies. Bovendien had de Commissie de meeste individuele argumenten reeds behandeld in de overwegingen 275 tot en met 303.

(313)

Meer in het bijzonder houden de niet-onderbouwde verklaringen over de onbetaalde facturen voor aluminiumingots in overweging 308 geen stand tegen het bewijsmateriaal in het dossier. De aanvullende overeenkomst die zou zijn ondertekend om het prijsgeschil op te lossen, had alleen betrekking op bestellingen van oktober tot en met december 2023, die hoorden bij in november en december 2023 afgegeven facturen. Dit verklaarde dus niet waarom de reeds in september 2022 afgegeven facturen evenmin waren betaald. Bovendien konden de argumenten dat de ondertekening van een overeenkomst voor het grootste deel van de ingots nodig was met een onderneming die slechts enkele maanden daarvoor was opgericht, een gangbare handelspraktijk vormde en dat de overeenkomst volgde op aanbevelingen van CITIC Dicastal op basis van langdurige samenwerking met de eigenaar van Wisdom, niet worden gestaafd door enig inhoudelijk bewijsmateriaal in het dossier, aangezien Wisdom helemaal niet meewerkte en de Dicastal-groep weigerde informatie te verstrekken over de aard en de duur van haar contacten met de eigenaar van Wisdom. Indien kan worden aangenomen dat de verklaring in overweging 310 feitelijk juist is, bevestigt zij hoe dan ook alleen de bevindingen van een nauwe band tussen Wisdom en Dicastal. Ten slotte was het adres van de eigenaar van Wisdom, zoals uiteengezet in overweging 79, openbaar en toegankelijk via het handelsregister van Hongkong.

(f)   Conclusie

(314)

Uit het bovenstaande bewijsmateriaal en de bovenstaande elementen blijkt dat CITIC Dicastal vanaf 2017 steun van de Chinese overheid in de VRC heeft ontvangen in de vorm van subsidies en preferentiële leningen van de Chinese overheid en van Chinese banken en financiële instellingen die als overheidsinstantie optreden. Deze externe financiering werd verstrekt in het kader van het preferentiële beleid van de Chinese overheid, met inbegrip van het BRI. CITIC Dicastal ondertekende in 2018 namens de Chinese overheid een investeringsovereenkomst met de Marokkaanse overheid voor de uitvoering van het project voor de bouw van een fabriek voor de vervaardiging van aluminium wielen in het kader van de nauwe samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid. DMA was de operationele entiteit die voor de uitvoering van het project in Marokko werd opgericht. Vanwege zijn specifieke situatie ten tijde van de uitvoering verstrekte CITIC Dicastal de op grond van de investeringsovereenkomst vereiste financiering voor de uitvoering van het Marokkaanse project aan DMA via de intermediaire entiteiten Changsha Dicastal, Dicastal Asia, Dicastal HK en Wisdom, waarbij het erop toezag dat deze entiteiten de middelen inderdaad naar DMA zouden kanaliseren. CITIC Dicastal was sinds de ondertekening van de investeringsovereenkomst projectleider en garant voor de financiering, ondanks het feit dat het niet onmiddellijk formeel eigenaar van DMA werd door de verwerving van zijn aandelen. Het besloot het project te financieren via deze intermediaire entiteiten met ten minste een deel van de financiering die direct of indirect van de Chinese banken en financiële instellingen werd ontvangen. CITIC Dicastal trad daarom op als de verstrekker van de financiële bijdrage, aangezien het tijdens de uitvoering van het project altijd controleerde dat de aan de intermediaire entiteiten verstrekte middelen uiteindelijk aan DMA zouden worden overgedragen met het oog op de succesvolle voltooiing van het project. Als laatste stap na deze financieringsmodaliteiten voltooide CITIC Dicastal begin 2024 de formele verwerving van DMA-aandelen, waarmee het zijn verbintenissen met de Marokkaanse overheid als projecteigenaar in het kader van de investeringsovereenkomst nakwam.

(315)

Hoewel de specifieke transacties waarmee preferentiële financiering werd verleend, worden beschreven in punt 3.5.2.2, moest in het onderzoek worden vastgesteld of CITIC Dicastal optrad als een overheidsinstantie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), en artikel 2, punt b), van de basisverordening toen het indirect (via zijn verbonden entiteiten) de financiële bijdragen aan DMA verstrekte.

(316)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de Dicastal-groep in de loop van het onderzoek ruim voldoende bewijsmateriaal had verstrekt waaruit bleek dat financiering door de Chinese overheid aan de Chinese entiteiten van de Dicastal-groep niet bestemd was en zelfs niet kon zijn voor het BRI, Marokko of DMA.

(317)

In dit verband verwees de onderneming naar a) een opmerking van Changsha Dicastal waarin werd uitgelegd dat het zijn eigen middelen gebruikte om de investering in Marokko uit te voeren, b) een tijdens de controle ter plaatse bij DMA verzameld bewijsstuk waarin de regelingen tussen CITIC Dicastal en Changsha Dicastal met betrekking tot het Marokkaanse project waren toegelicht, en c) ter plaatse gecontroleerde leningsovereenkomsten van Changsha Dicastal waaruit bleek dat de kredietnemer de middelen niet mocht gebruiken voor een investering in het buitenland.

(318)

Volgens DMA beweerde de Commissie ten onrechte dat CITIC Dicastal middelen van de Chinese overheid via een reeks verbonden entiteiten aan DMA had verstrekt. De onderneming voerde verder aan dat de conclusie dat CITIC Dicastal Changsha Dicastal had gefinancierd aan de hand van hogere verkoopinkomsten, geen grondslag had in het dossier van het onderzoek. DMA noemde ook de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de verstrekking van preferentiële financiering via goedkope leningen en door Wisdom verstrekte basisproducten, speculatie.

(319)

De Commissie wees de in de overwegingen 316 tot en met 318 uiteengezette argumenten af. Zoals uiteengezet in overweging 81, had de Commissie rekening gehouden met de opmerkingen van Changsha Dicastal over de financieringsbronnen die voor de investering in Marokko waren gebruikt. Evenzo had zij rekening gehouden met de in de respectieve bewijsstukken verstrekte informatie en de leningsovereenkomsten van Changsha Dicastal. In dit verband beweerde de Commissie nooit dat Changsha Dicastal een van de ontvangen leningen rechtstreeks voor de investering in Marokko had gebruikt. Zoals uiteengezet in de overwegingen 221, 257, 259 en 371, werd de investering indirect gefinancierd door CITIC Dicastal door middel van hogere verkoopinkomsten. In tegenstelling tot wat DMA beweerde, werden dergelijke conclusies getrokken op basis van informatie uit gecontroleerde verslagen van Changsha Dicastal, en van rekeningen en vorderingen van zowel Changsha Dicastal als CITIC Dicastal, zoals uiteengezet in overweging 221, waarin ook wordt verwezen naar door de Commissie gebruikte documenten.

3.5.2.1.3.   CITIC Dicastal optredend als overheidsinstantie

(320)

Zoals toegelicht in punt 3.5.2.1.1, ontving CITIC Dicastal externe preferentiële financiering van de Chinese overheid en/of andere Chinese financiële instellingen. Vervolgens verstrekte het die financiële steun aan DMA via zijn verbonden juridische entiteiten Changsha Dicastal, Dicastal Asia, Dicastal HK en Wisdom, waarbij het controleerde dat de financieringsstroom werd gebruikt voor het Marokkaanse investeringsproject. Daarom trad CITIC Dicastal, als projectindiener van het investeringsproject met de Marokkaanse overheid, op als de verstrekker van de financiële bijdrage aan DMA. In het kader van het onderzoek werd derhalve beoordeeld of CITIC Dicastal optrad als een overheidsinstantie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), en artikel 2, punt b), van de basisverordening bij het verstrekken van financiering aan DMA voor zijn Marokkaanse activiteiten via de verbonden juridische entiteiten. De relevante regels en jurisprudentie voor deze beoordeling worden samengevat in punt 3.5.2.1.1, b).

(321)

De Commissie keek eerst naar staatseigendom en andere formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid over CITIC Dicastal, alsook naar de juridische relatie ervan met DMA.

(322)

CITIC Dicastal maakt deel uit van de CITIC-groep. De upstream-controlelaag van de CITIC-groep behoort tot CITIC Group Corporation, een Chinese staatsonderneming die werd opgericht na goedkeuring door de Staatsraad en die namens de Staatsraad wordt gefinancierd door het ministerie van Financiën (70). CITIC Group Corporation heeft de uiteindelijke zeggenschap over een groot aantal verbonden entiteiten (71) (hierna “de CITIC-groep” genoemd). Haar belangrijkste actief is een belang van 58,13 % in CITIC Limited. Sinds haar oprichting in 1979 is de CITIC-groep een pionier op het gebied van de economische hervorming van de VRC. Zij doet investeringen op gebieden met potentieel op lange termijn en op gebieden die aansluiten op de nationale prioriteiten (72).

(323)

CITIC Limited heeft een belang van 42 % in CITIC Dicastal via CITIC Industrial Investment Group Corp., Ltd (“CIIG”).

(324)

Bovendien is CITIC Dicastal voor 26 % van zijn aandelen in handen van Aluminum Alliances Limited, een in Hongkong geregistreerde vennootschap. Volgens de gegevens in het handelsregister van Hongkong zijn de directeuren de heer Liu Erh Fei en Asia Capital Investment Limited. De heer Liu Erh Fei is oprichter en CEO van Asia Investment Capital, de beheersinstelling van het Asia Investment Fund. Het Asia Investment Fund is een private-equity-investeringsfonds in dollar dat in Hongkong is opgericht door het Chinese ministerie van Financiën, met goedkeuring van de Staatsraad, en andere gekwalificeerde binnenlandse en buitenlandse institutionele investeerders. Het fonds houdt zich aan de beginselen van marktgerichte, geïnternationaliseerde en professionele activiteiten, gevestigd in de VRC, in Azië, met blik op de wereld (73).

(325)

De visie van CITIC Group Corporation bestaat erin een uitmuntend conglomeraat met een blijvende reputatie op te bouwen en tegelijkertijd zijn opdracht af te stemmen op de nationale doelstellingen en bij te dragen tot de nationale verjonging (74).

(326)

CITIC Group Corporation en verschillende groepsondernemingen spelen actief in op het nationale beleid en de nationale doelstellingen die rechtstreeks van belang zijn voor de productie van aluminium wielen. De functionarissen van de groep waren zeer ingenomen met de nieuwe ideeën en doelstellingen die secretaris-generaal Xi Jinping namens het 19e Centraal Comité heeft gepresenteerd in zijn verslag aan het 20e Nationaal Congres van de CCP. Zij waren het erover eens dat de groep op een alomvattende manier met haar kracht moet bijdragen aan het opbouwen van een modern socialistisch land en het bevorderen van de grote verjonging van de Chinese natie met modernisering naar Chinese stijl, aangezien zij altijd solidair was geweest met de partij en het grote doel van het land in de praktijk blijft brengen. Een filiaal in Myanmar benadrukte dat de gezamenlijke aanleg van de “Belt and Road” een populair internationaal publiek product en internationaal samenwerkingsplatform is geworden. Een andere vertegenwoordiger van een partijafdeling in een van de ondernemingen van de groep verklaarde dat het noodzakelijk was om de nieuwe vereisten en regelingen van het 20e Nationaal Congres van de Communistische Partij van China in de strategie voor de ontwikkeling van ondernemingen te integreren, de rol van de verzekeringssector als economische “schokdemper” en sociale “stabilisator” ten volle te benutten en nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe acties te tonen om gemeenschappelijke welvaart te bevorderen (75).

(327)

Uit het onderzoek is gebleken dat de CCP zeggenschap uitoefende en de besluiten van de ondernemingen beïnvloedde via verschillende huidige of voormalige leden van de raad van bestuur in verschillende ondernemingen van de CITIC-groep, waaronder CITIC Dicastal. De voorzitter van CITIC Dicastal, Zhu Zhihua, was ook partijsecretaris in de onderneming (76). De voormalige adjunct-algemeen directeur, Gao Xiuying, vertegenwoordigde het permanent comité van de CCP van de onderneming in de raad van bestuur van CITIC Dicastal (77). Een andere directeur van CITIC Dicastal, Zhang Jian, die zijn aandeelhouder CIIG vertegenwoordigde, was ook secretaris van het partijcomité van CIIG (78). De secretaris van het partijcomité van CITIC Bank, Fang He Ying, was voorzitter en uitvoerend directeur van de bank, alsook plaatsvervangend algemeen directeur van de CITIC Group Corporation (79).

(328)

De invloed van de CCP op de ondernemingen van de CITIC-groep blijkt ook uit hun statuten en vertaalt zich in hun bedrijfsactiviteiten.

(329)

De statuten van CITIC Dicastal zijn opgesteld om te waarborgen dat de onderneming onder meer de bepalingen van de statuten van de CCP naleeft. De statuten van CITIC Dicastal vereisen de oprichting van een CCP-organisatie in de onderneming om het algemene leiderschap van de CCP te versterken, de richting te bepalen en de algemene situatie in de onderneming te beheren. Voorts voorzien de statuten in de oprichting van een partijcomité in de onderneming, waarvan de leden lid kunnen worden van de raad van bestuur, de raad van toezichthouders en de directie van de onderneming. Een van de taken van het partijcomité is het bekijken en bespreken van belangrijke bedrijfsmanagementkwesties van de onderneming. Dit onderzoek en overleg dienen als voorbereidende werkzaamheden voor de raad van bestuur en de directie om beslissingen te nemen over belangrijke vraagstukken. Op grond van de statuten moet de raad van bestuur luisteren naar de adviezen van het partijcomité met betrekking tot belangrijke zakelijke beslissingen en vraagstukken. De bestuurders oefenen de door de onderneming verleende rechten met de nodige discretie, zorg en zorgvuldigheid uit om ervoor te zorgen dat de bedrijfsactiviteiten van de onderneming in overeenstemming zijn met de nationale wetten, voorschriften en diverse nationale economische beleidsmaatregelen.

(330)

Het verslag van XI Jinping vond ook zijn weerklank binnen CITIC Dicastal: Liu Xinghua, lid van het propagandacomité van de partijafdeling in de “Lighthouse Factory” en Aluminium Wheel Line 6, zei dat CITIC Dicastal het gedachtegoed van Xi Jinping over het socialisme met Chinese kenmerken voor het nieuwe tijdperk als “vuurtoren van gedachten” zou moeten gebruiken, systematisch het begrip ervan zou moeten bestuderen en verdiepen en de “Lighthouse Factory” zou moeten leiden om te zorgen voor hoogwaardigere ontwikkeling. Kameraad Dai Wenhu, secretaris van de partijafdeling van het afdelingskantoor van Aluminium Wheel Line 2, zei in de gedachtewisseling over productie- en kwaliteitskracht dat productie de levenslijn van de nationale economie is. De onderneming zou het concept moeten handhaven dat kwaliteit het leven van Dicastal is en moeten bijdragen tot de opbouw van een productiecapaciteit en een kwaliteitskracht door het essentiële technologische onderzoek naar de productie van apparatuur te versterken en een intelligente productie volledig te bevorderen (80).

(331)

Een van de verbonden verstrekkers van financiële middelen aan CITIC Dicastal was CITIC Bank. Deze entiteit staat ook onder uiteindelijke zeggenschap van CITIC Group Corporation via CITIC Corporation Limited, CITIC Limited en CITIC Financial Holdings, haar directe meerderheidsaandeelhouder, die in 2023 een belang van 64 % in CITIC Bank had (81).

(332)

Volgens haar statuten (82) richt CITIC Bank de CCP-organisatie op, voert zij de activiteiten van de CCP uit, houdt zij zich aan het algemene leiderschap van de CCP en versterkt zij dit en biedt zij ruimte aan het partijcomité om zijn algemene leidende rol uit te voeren bij het bepalen van de richting, het beheer van de algemene situatie en het waarborgen van de uitvoering. De directeuren van de bank oefenen de door de bank toegekende rechten voorzichtig, overeenkomstig hun geweten en zorgvuldig uit om ervoor te zorgen dat de bedrijfsvoering van de bank voldoet aan de vereisten van de nationale wetten, administratieve voorschriften en diverse nationale economische beleidsmaatregelen, met inbegrip van het beleid inzake de productie van aluminium wielen.

(333)

Uit het bovenstaande bewijsmateriaal blijkt dat er overtuigende formele aanwijzingen zijn dat de Chinese overheid zeggenschap heeft over CITIC Dicastal, onder meer via de sterke formele aanwijzingen van zeggenschap met andere entiteiten van de CITIC-groep die betrokken zijn bij het investeringsproject in Marokko. Dergelijke zeggenschap wordt uitgeoefend via de eigendom en de besluitvormingsstructuur en het besluitvormingsproces, door de Chinese overheid en/of de aanwezigheid van de CCP in de activiteiten van deze verschillende ondernemingen om ervoor te zorgen dat het overheidsbeleid dat rechtstreeks relevant is voor de productie van aluminium wielen naar behoren wordt uitgevoerd. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat CITIC Dicastal het door de Chinese overheid gevoerde beleid uitvoert.

(334)

Naast de staatseigendom en andere formele aanwijzingen dat de Chinese overheid zeggenschap uitoefent, heeft de Commissie onderzocht of CITIC Dicastal overheidsgezag bezit, uitoefent of daarmee is bekleed. In dit verband was het onderzoek gericht op de relatie van CITIC Dicastal met de Chinese overheid, het heersende juridische en economische klimaat in de VRC en de vraag of deze entiteit daadwerkelijk overheidsfuncties uitoefent, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden en met name met de reikwijdte en inhoud van het beleid van de Chinese overheid in de sector aluminium wielen.

(335)

Met betrekking tot het heersende Chinese juridische, beleids- en economische klimaat waarin CITIC Dicastal actief is, heeft de Commissie bewijsmateriaal verzameld waaruit de wijdverbreide invloed van de Chinese overheid op de belangrijkste juridische en economische aspecten van haar economie blijkt (83). Meer in het bijzonder met betrekking tot de sector aluminium wielen stelde de Commissie vast dat deze onderhevig is aan aanzienlijk overheidsingrijpen via talrijke preferentiële beleidsmaatregelen in plannen, richtsnoeren, richtlijnen en andere beleidsdocumenten die op alle overheidsniveaus zijn uitgevaardigd, en dat de Chinese overheid nog steeds een aanzienlijke mate van eigendom van en zeggenschap over ondernemingen heeft die in deze sector actief zijn (84)

(336)

Er zijn drie aanvullende elementen die de bevinding ondersteunen dat CITIC Dicastal overheidsfuncties uitoefent.

(337)

Het eerste element is te vinden in de investeringsovereenkomst die op 26 juli 2018 met de Marokkaanse overheid werd ondertekend. Zoals reeds vermeld in de overwegingen 159 tot en met 161 en 183, wordt in deze overeenkomst verwezen naar de bilaterale samenwerking tussen Marokko en de VRC. Meer veelzeggend is dat in punt D) van de preambule wordt verwezen naar de “CITIC Dicastal Group” als toonaangevende fabrikant van aluminium wielen, en dat daarna wordt vermeld dat de VRC via de CITIC Dicastal Group heeft gehandeld. Dit onderstreept dat CITIC Dicastal en zijn groep als geheel, gezien zijn specialistische knowhow op het gebied van de productie van aluminium wielen, specifiek door de Chinese overheid is gekozen om de overkoepelende beleidsdoelstellingen van het BRI in Marokko uit te voeren, in de specifieke context van de bilaterale samenwerking tussen de twee landen.

(338)

Het tweede element is dat de CITIC-groep, die CITIC Dicastal en DMA omvat, door de Chinese overheid formeel is erkend voor de uitvoering van het BRI en het naar buiten gerichte beleid, en dat de investeringsovereenkomst die zij op 26 juli 2018 met de Marokkaanse overheid heeft ondertekend, wordt beschouwd als zijnde in overeenstemming met het BRI. Reeds in 2017 benadrukte de CITIC-groep (85) dat zij de strategie voor naar buiten gericht beleid had uitgevoerd en grootschalige investeringen had gedaan langs de “Belt and Road”. De CITIC-groep verklaarde dat zij actief zou blijven deelnemen aan de ontwikkeling van de “Belt and Road” door een grotere bijdrage te leveren aan de bevordering van de gemeenschappelijke ontwikkeling van de VRC en de landen en regio’s langs de route. Van de zeven samenwerkingskringen die zijn beschreven om het BRI uit te voeren, noemde de CITIC-groep de synergiekring met verschillende nationale ministeries en commissies, met staatsondernemingen, alsook met lokale overheden en staatsondernemingen. In dit verband ondersteunde de CITIC Bank het BRI al in 2017, door gelijktijdig te investeren en te financieren, met aanzienlijke bedragen die werden verstrekt in de vorm van financieringssteun en via een speciaal “Belt and Road”-fonds.

(339)

Voorts verwijst CITIC Dicastal in een artikel dat in juli 2019 werd gepubliceerd (zie ook overweging 174) (86) naar het overheidsbeleid waarmee de aanpassing en verbetering van de industriestrategie actief wordt bevorderd, en stelt het dat CITIC Dicastal de strategie voor naar buiten gericht beleid verder bevordert en productiebases in het buitenland bouwt. Deze bron toont ook de nauwe banden en betrokkenheid tussen het topmanagement van CITIC Group Corporation (dat wil zeggen de voorzitter en de algemeen directeur) en de ontwikkeling en activiteiten van CITIC Dicastal. Wat het Marokkaanse project betreft, hebben de leiders van CITIC Group Corporation CITIC Dicastal aangemoedigd om zijn binnenlandse bedrijfsmodel in Marokko te repliceren, met inbegrip van gecontroleerde marktmiddelen om investeringen in sociaal kapitaal te stimuleren. Dit model zou met Marokko voor het eerst in het buitenland worden toegepast op basis van zijn toezegging om een nationaal “Belt and Road”-project te worden.

(340)

Het derde element waaruit blijkt dat CITIC Dicastal met overheidsgezag is bekleed, is gebaseerd op het feit dat CITIC Dicastal in een aantal Chinese plannen en beleidsdocumenten specifiek wordt genoemd als een van de ondernemingen die zijn gekozen om het BRI uit te voeren en de uitbreiding van de internationale capaciteit te bevorderen. In punt 6 van het uitvoeringsplan van Qinhuangdao van 2020 over de productie van apparatuur in het kader van het BRI wordt de bevordering van het investeringsproject van CITIC Dicastal in Marokko uitdrukkelijk genoemd (87).

(341)

Wat betreft de preferentiële financiering, worden CITIC Dicastal en Marokko bovendien, naast alle elementen die worden beschreven in punt 3.5.1, in punt 6 over de bevordering van de productie van apparatuur van een mededeling van 2018 van de provincie Hebei over de uitvoering van het BRI en de bevordering van internationale samenwerking op het gebied van capaciteiten specifiek genoemd als begunstigde van de investeringsbevordering (88).

(342)

Voorts werd in januari 2020 een strategische samenwerkingsovereenkomst (89) ondertekend tussen de CITIC-groep en Sinosure, waarbij de secretaris van het partijcomité en de voorzitter van CITIC Bank en het lid van het partijcomité en de adjunct-algemeen directeur van Sinosure aanwezig waren. CITIC Bank was de eerste bank met statutair aandelenkapitaal die een dergelijke overeenkomst met Sinosure ondertekende, vanwege hun langetermijnrelatie. De financiering beliep meer dan 20 miljard USD. Uit deze overeenkomst bleek dat deze ondernemingen vastbesloten waren de nationale strategie gezamenlijk uit te voeren en ondernemingen te ondersteunen om de internationale markt te betreden. Deze samenwerking werd weerspiegeld door de vestiging van Sinosure in Hebei, die specifiek verwees naar steun voor het BRI voor het CITIC Dicastal-project (90). De vestiging van de Chinese Export-Import Bank in Hebei gaf ook specifiek aan dat zij CITIC Dicastal ondersteunt en financiert (91).

(343)

Wat CITIC Bank en CITIC Finance betreft, heeft de Commissie zich voor de analyse inzake het functioneren als overheidsinstantie hoe dan ook gebaseerd op de bevindingen met betrekking tot de andere Chinese banken en financiële instellingen die direct of indirect financiering verstrekken aan CITIC Dicastal, zoals uiteengezet in punt 3.5.2.1.1, aangezien deze eveneens van toepassing zijn op CITIC Bank en CITIC Finance. Op basis hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat CITIC Bank en CITIC Finance bij het verstrekken van financiering aan CITIC Dicastal optraden als een overheidsinstantie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), en artikel 2, punt b), van de basisverordening.

(344)

Samengevat heeft de Commissie op basis van het in dit punt beschreven totaal aan bewijsmateriaal geconcludeerd dat CITIC Dicastal handelde als een overheidsinstantie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), gelezen in samenhang met artikel 2, punt b), van de basisverordening bij het verstrekken van de financiële bijdragen aan DMA via de verbonden entiteiten. Uit het relevante bewijsmateriaal bleek dat er formele aanwijzingen waren dat de staat eigenaar was van en zeggenschap had over CITIC Dicastal via de directe of indirecte participatie van de Chinese overheid en/of de CCP in het aandelenkapitaal en/of in de raad van bestuur die de relevante zakelijke beslissingen nam, en dat CITIC Dicastal het beleid van de Chinese overheid uitvoerde in het kader van het Marokkaanse project, met inbegrip van het BRI. Uit het bovenstaande bewijsmateriaal bleek verder dat het relevante juridische, beleids- en economische klimaat in de VRC waarin CITIC Dicastal actief is, zowel in het algemeen als specifiek in de sector aluminium wielen, een aanzienlijke overheidsaanwezigheid vertoont, die tot uitdrukking komt in preferentiële beleidsmaatregelen en plannen die de normale marktwerking aanzienlijk verstoren. Bovendien bleek uit het relevante bewijsmateriaal duidelijk dat CITIC Dicastal met overheidsgezag is bekleed, omdat het overheidsfuncties uitoefent, aangezien CITIC Dicastal en andere entiteiten binnen dezelfde groep van oudsher het preferentiële beleid van de Chinese overheid hebben uitgevoerd. Wat CITIC Dicastal en zijn investeringsproject in Marokko betreft, is het duidelijk dat het gaat om de uitvoering van het Chinese BRI, het naar buiten gerichte en het “Made in China”-beleid, alsook van het andere Chinese preferentiële beleid ter ondersteuning van de sector aluminium wielen, onder meer in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid.

(345)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen verklaarde de Marokkaanse overheid weliswaar dat zij niet het recht had opmerkingen te maken over ondernemingen uit derde landen en hun bestuur, maar diende zij niettemin opmerkingen in over de bevindingen van de Commissie. De Marokkaanse overheid voerde eenvoudigweg aan dat de vestiging van de Marokkaanse fabriek door CITIC Dicastal in haar beleving werd uitgevoerd als een particuliere investering die geen verband hield met de Chinese overheid, en benadrukte nogmaals het gebrek aan bewijs voor het bilaterale samenwerkingskader in verband met de ondertekening van de investeringsovereenkomst tussen CITIC Dicastal, handelend namens de Chinese overheid, en de Marokkaanse overheid.

(346)

De Commissie merkte op dat dit argument slechts een verklaring is die werd gedaan nadat de Marokkaanse overheid erkende dat zij geen opmerkingen over een buitenlandse onderneming kon indienen. Daarom hoefde de Commissie hierop niet in te gaan, ook in het licht van de inhoudelijke weerleggingen op dit punt, zoals hierboven uiteengezet.

(347)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de bevindingen van de Commissie onvoldoende bewijs bevatten dat CITIC Dicastal een overheidsinstantie was.

(348)

Net als in de overwegingen 345 en 346 merkte de Commissie op dat zij niet hoefde in te gaan op de opmerkingen van DMA over de bevindingen dat CITIC Dicastal al dan niet een overheidsinstantie was, aangezien dit een loutere verklaring zonder inhoudelijke argumenten was.

3.5.2.2.   Bevindingen van het onderzoek

(349)

Gezien de bovenstaande conclusies dat, ten eerste, CITIC Dicastal rechtstreeks en via Chinese financiële instellingen die als overheidsinstanties optraden, financiële steun van de Chinese overheid heeft ontvangen, en, ten tweede, dat CITIC Dicastal als overheidsinstantie heeft gehandeld bij het kanaliseren van de financiële steun van de Chinese overheid naar het project in Marokko dat werd uitgevoerd door DMA, heeft de Commissie de volgende specifieke transacties onderzocht die verband hielden met de financiering van het project en die aan DMA werden verstrekt:

de kapitaalverhoging;

financiële leningen;

de facto leningen die verband hielden met de verwerving van kapitaalgoederen;

de facto leningen die verband hielden met de aankoop van grondstoffen;

de levering van grondstoffen voor preferentiële prijzen.

(a)   Kapitaalverhoging

(350)

Zoals beschreven in de overwegingen 264 tot en met 266, steeg het geregistreerde eigen vermogen van DMA in november 2021 aanzienlijk. Deze verhoging werd als volgt gefinancierd:

In 2019 ontving DMA zes leningen van haar Chinese moedermaatschappij Dicastal Asia. DMA heeft deze leningen nooit terugbetaald en evenmin de bijbehorende rente betaald. De leningen werden in 2021 gekapitaliseerd.

Tegelijkertijd heeft Dicastal Asia schulden van DMA overgenomen ten aanzien van zes Chinese durfkapitaalondernemingen en deze aan het eigen vermogen van DMA toegevoegd.

(351)

Dicastal Asia gebruikte middelen die werden verstrekt door haar enige aandeelhouder, Changsha Dicastal, in de vorm van een verhoging van het eigen vermogen en een lening, en door de verbonden onderneming Wisdom in de vorm van een lening, zoals vermeld in de overwegingen 261, 265, 266 en 274. De uiteindelijke Chinese financieringsbron, via Changsha Dicastal, Wisdom en Dicastal Asia, was CITIC Dicastal. Ten tijde van de oprichting van de Marokkaanse dochteronderneming en in de periode daarna ontving CITIC Dicastal zelf middelen van zijn verbonden financiële entiteiten van de groep en van verschillende andere Chinese staatsbanken en financiële instellingen, zoals uiteengezet in de overwegingen 222 tot en met 226.

(1)   Financiële bijdrage

(352)

Op basis van de bevindingen in punt 3.5.2.1 heeft de Commissie geconcludeerd dat CITIC Dicastal handelde als een overheidsinstantie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i), en artikel 2, punt b), van de basisverordening bij het verstrekken van de hierboven vermelde financiële bijdragen aan DMA via verbonden entiteiten.

(353)

Bijgevolg vormt dit programma een financiële bijdrage in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen van de Chinese overheid in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i), die aan de Marokkaanse overheid kan worden toegerekend in het kader van de samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid.

(354)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat er geen sprake was van een financiële bijdrage van de Chinese overheid of een overheidsinstantie met betrekking tot de kapitaalverhoging. De onderneming stelde dat zij eenvoudigweg middelen van de ene rekening naar de andere had overgedragen.

(355)

De onderneming benadrukte voorts dat de feiten van de Commissie onjuist waren, aangezien zij niet alleen de van Dicastal Asia ontvangen middelen, maar ook die van zes niet-verbonden offshoreondernemingen had gekapitaliseerd, en er in het dossier geen bewijs was dat deze zes ondernemingen deelnamen aan het BRI. Daarnaast voerde DMA aan dat de Commissie niet had aangetoond dat die lening van Dicastal Asia afkomstig was van de Chinese overheid of van CITIC Dicastal.

(356)

De Commissie was het niet eens met de in de overwegingen 354 en 355 uiteengezette argumenten. De boekhoudkundige behandeling van deze transacties (herclassificatie van aan het eigen vermogen van de aandeelhouder te betalen leningen/verschuldigde rekeningen) veranderde in wezen niet dat DMA werd vrijgesteld van zijn verplichting om het uitstaande saldo van de verschuldigde rekeningen te betalen en de lening terug te betalen. In plaats daarvan werden deze schulden omgezet in eigen vermogen van de onderneming.

(357)

Bovendien is het in casu niet relevant of de zes offshoreondernemingen al dan niet aan het BRI hebben deelgenomen. Niet zij, maar de directe enige aandeelhouder van DMA, Dicastal Asia, heeft de schuld van DMA kwijtgescholden. Zoals uiteengezet in de overwegingen 350 en 351, vereffende Dicastal Asia eerst de schuld van DMA aan de offshoreondernemingen met gebruik van middelen van CITIC Dicastal die via Changsha Dicastal en Wisdom werden verstrekt. Nadat het eigenaar van deze schulden was geworden, vroeg het DMA niet om deze middelen, maar gebruikte het deze om haar kapitaalinbreng in de Marokkaanse onderneming te verhogen.

(2)   Voordeel

(358)

De schulden van DMA uit leningen van Dicastal Asia en uit aan zes crediteuren verschuldigde rekeningen werden omgezet in eigen vermogen, maar werden nooit direct of indirect terugbetaald via dividenden. De Commissie beschouwde de gekapitaliseerde schulden dus als een kwijtschelding van schulden die door de CITIC-groep aan DMA was verstrekt.

(359)

Dit programma verleent een voordeel dat gelijk is aan het bedrag van de kwijtgescholden schuld. Aangezien de kwijtgescholden schuld echter de vorm aannam van een kapitaalinbreng, moet het voordeel over een langere periode worden verdeeld. Daarom heeft de Commissie aan het onderzoektijdvak een deel van het totale voordeel toegerekend dat overeenkomt met het aandeel van de afschrijving op de totale waarde van de belangrijkste activa van de onderneming, dat wil zeggen haar apparatuur, in het onderzoektijdvak.

(360)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen klaagde DMA dat het onduidelijk was in welke vorm de financiële bijdrage en/of het voordeel waren ontvangen, aangezien de Commissie in overweging 353 verwees naar de rechtstreekse overdracht van middelen en in de overwegingen 358 en 359 naar de kwijtschelding van schulden.

(361)

Wat de berekening van het voordeel betreft, voerde de onderneming aan dat geen enkele schuld was kwijtgescholden omdat deze was gekapitaliseerd, zodat een toerekening van het voordeel aan het onderzoektijdvak op basis van de afschrijving van apparatuur onjuist is.

(362)

De Commissie merkte op dat ook wanneer de transacties waren omschreven als kwijtschelding van schulden, zij een rechtstreekse overdracht van middelen vormden, zoals bevestigd door het Panel in Korea — Handelsschepen (92). Zoals uiteengezet in overweging 356, werd de schuld van DMA definitief kwijtgescholden omdat de onderneming door haar kapitalisatie was vrijgesteld van de verplichting om deze terug te betalen. Bijgevolg wees de Commissie de argumenten in de overwegingen 360 en 361 af.

(3)   Specificiteit

(363)

Deze bijdragen zijn specifiek, aangezien zij vallen binnen het kader van de bilaterale investeringsovereenkomsten van de Chinese en de Marokkaanse overheid, zoals uiteengezet in punt 3.4. De regeling is met name specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat zij volgens het in punt 3.3 beschreven preferentiële beleid van Marokko beperkt is tot een specifiek onderdeel van de automobielsector, en is ook regionaal specifiek omdat zij geldt voor een IAZ, zoals onder andere behandeld in punt 3.3.

(364)

Na de specifieke mededeling van feiten en overwegingen voerde DMA aan dat er geen bewijs was dat de financiële bijdragen specifiek waren voor DMA of de automobielsector, of werden geleverd in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid.

(365)

De Commissie merkte op dat dit argument niet was onderbouwd. Zoals vermeld in overweging 363, deed de Commissie bevindingen op basis van specifiek bewijsmateriaal waaruit de sectorale en regionale specificiteit bleek. De Commissie wees deze argumenten derhalve af.

(4)   Conclusie

(366)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidieregeling voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producent-exporteur is vastgesteld, bedraagt:

Kapitaalverhoging in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid

Naam van de onderneming

Financiële steun

Subsidiepercentage

DMA

Gekapitaliseerde leningen

1,29  %

DMA

Gekapitaliseerde te betalen lasten

1,10  %

(b)   De facto lening die verband hield met kapitaalgoederen en leningen

(367)

DMA ontving in 2020 en 2021 twee financiële leningen van verbonden ondernemingen, zoals in detail omschreven in de overwegingen 268 en 271.

(368)

In 2020 verstrekte Dicastal HK aan DMA een lening, die aan het einde van het onderzoektijdvak volledig werd terugbetaald. Dicastal HK zelf werd gefinancierd met leningen van zijn enige aandeelhouder, CITIC Dicastal, zoals beschreven in overweging 271. Deze leningen hadden een waarde die ruimschoots hoger was dan de waarde van de door Dicastal HK aan DMA verstrekte lening.

(369)

In 2021 verstrekte Dicastal Asia aan DMA een lening die aan het einde van het onderzoektijdvak volledig was terugbetaald. Zoals uiteengezet in de overwegingen 268 en 274, ontving Dicastal Asia ter financiering van de lening een reeks leningen van Wisdom, waarvan de waarde het aan DMA geleende bedrag dekte.

(370)

Bovendien ontving DMA, zoals beschreven in overweging 260, één de facto lening, aangezien Changsha Dicastal aan DMA productieapparatuur ter waarde van meer dan 90 % van de totale waarde van de aangekochte apparatuur leverde. De leveringen vonden plaats tussen 2018 en 2022. DMA betaalde deze apparatuur echter niet tijdig terug. Aan het begin van het onderzoektijdvak had DMA nog steeds een uitstaande schuld uit hoofde van die transacties ten belope van 70 % van de totale waarde ervan. Het betaalde een deel van de geleverde apparatuur tijdens het onderzoektijdvak, waardoor de uitstaande waarde aan het einde van het onderzoektijdvak daalde tot 50 % van de totale waarde van de activa die van Changsha Dicastal waren verworven.

(371)

Zoals beschreven in overweging 257 kon Changsha Dicastal zijn bijdrage aan het investeringsproject in Marokko financieren via de toegenomen kasstroom uit zijn transacties met CITIC Dicastal.

(372)

Bijgevolg konden al deze financiële stromen worden teruggevoerd tot de Chinese uiteindelijke eigenaar, CITIC Dicastal, die zelf middelen ontving van zijn verbonden financiële entiteiten van de groep en van verschillende andere Chinese banken en financiële instellingen in staatseigendom, zoals vastgesteld in de overwegingen 222 tot en met 226.

(1)   Financiële bijdrage

(373)

Op basis van de bevindingen in punt 3.5.2.1 heeft de Commissie geconcludeerd dat CITIC Dicastal handelde als een overheidsinstantie bij het verstrekken van de financiële bijdrage aan DMA via zijn verbonden entiteiten. De financiële instellingen van de CITIC-groep en de banken en financiële instellingen in staatseigendom bleken ook te hebben gehandeld als overheidsinstantie toen zij leningen aan CITIC Dicastal verstrekten.

(374)

De financiële bijdrage bestond in de rechtstreekse overdracht van middelen via de verstrekking van preferentiële financiering in de vorm van leningen en een de facto lening aan DMA in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i).

(375)

Deze financiële bijdragen die CITIC Dicastal als overheidsinstantie via zijn verbonden entiteiten heeft verstrekt, kunnen volgens de bevindingen in punt 3.4 aan de Marokkaanse overheid worden toegerekend in het kader van haar bilaterale samenwerking met de Chinese overheid.

(376)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat het begrip “de facto leningen” noch in de basisverordening, noch in de SCM-overeenkomst van de WTO bestond. In elk geval zou Changsha Dicastal tijdens de controle ter plaatse hebben aangetoond dat DMA vóór Changsha Dicastal geen schuld had. In plaats daarvan zou Changsha Dicastal hebben opgetreden als agent en zou het uitstaande saldo een krediet zijn geweest dat door de feitelijke leveranciers van de apparatuur was verleend. In dit verband herhaalde de onderneming dat zij het niet eens was met de toepassing van artikel 28 van de basisverordening, aangezien de weigering om tijdens de controle ter plaatse een fysieke lijst van oorspronkelijke leveranciers van de apparatuur te verstrekken, er niet toe leidde dat de Commissie de voor dit onderzoek benodigde informatie niet kon verifiëren (zie ook de overwegingen 112, 116 en 118).

(377)

Voorts voerde DMA aan dat er geen bewijs was dat de Chinese overheid of CITIC Dicastal leningen had verstrekt aan Dicastal Asia en Dicastal HK. Volgens DMA blijkt uit de boekhouding en de jaarrekening van CITIC Dicastal duidelijk dat het geen leningen heeft verstrekt aan Changsha Dicastal, Dicastal Asia of Dicastal HK, en bovendien geen betalingen van welke aard ook aan Dicastal Asia heeft verricht.

(378)

Met betrekking tot het begrip “de facto leningen” merkte de Commissie op dat zij deze terminologie alleen gebruikte om die respectieve transacties te onderscheiden van financiële leningen, waarbij de kredietgever op basis van een leningsovereenkomst de werkelijke financiële middelen overboekt naar de bankrekening van de kredietnemer. In deze zaak vormt de de facto lening echter een vergelijkbare situatie waarin de leverancier van de apparatuur door middel van niet-inning of vertraagde inning van betalingen middelen ter beschikking van DMA heeft gesteld die anders niet beschikbaar zouden zijn geweest voor de onderneming.

(379)

Met betrekking tot de bewering dat Changsha Dicastal geen krediet had verstrekt, herinnerde de Commissie eraan dat de Commissie, als gevolg van de weigering van Changsha Dicastal om de lijst van haar beweerdelijke leveranciers van de aan DMA geleverde machines te verstrekken, niet kon onderzoeken welke entiteiten de last van de uitstaande schuld droegen en onder welke omstandigheden en voorwaarden dit beweerdelijke krediet was verlengd. In tegenstelling tot de informatie die Changsha Dicastal tijdens de controle ter plaatse verstrekte, wordt Changsha Dicastal in de door DMA ingediende aankoopovereenkomsten voor apparatuur duidelijk aangemerkt als verkoper en zijn hierin de verplichtingen van Changsha Dicastal vastgesteld om de apparatuur te ontwerpen, te vervaardigen, te leveren, te installeren en te verkopen, en om opleidingen ter plaatse aan te bieden. Changsha Dicastal biedt als verkoper ook alle garanties op basis van de overeenkomsten.

(380)

Met betrekking tot het verstrekken van financiering door de Chinese overheid of CITIC Dicastal aan Changsha Dicastal, Dicastal Asia of Dicastal HK, verwees de Commissie naar de in de overwegingen 257, 268, 271 en 274 genoemde transacties waaruit bleek hoe CITIC Dicastal via zijn verbonden entiteiten middelen aan DMA had verstrekt met betrekking tot de in de overwegingen 367 tot en met 370 beschreven transacties. De Commissie merkte met name op dat CITIC Dicastal leningen aan Dicastal HK had verstrekt, in tegenstelling tot de opmerkingen van DMA over de mededeling van de definitieve bevindingen. Deze informatie werd door Dicastal HK zelf verstrekt en ter plaatse gecontroleerd.

(381)

Bijgevolg wees de Commissie de argumenten in de overwegingen 376 en 377 af.

(2)   Voordeel

(382)

Met deze praktijken wordt een voordeel verleend dat gelijk is aan het verschil tussen de rente die DMA op de lening heeft betaald en het bedrag dat op een vergelijkbare commerciële lening zou zijn betaald.

(383)

Om een benchmarkrentevoet vast te stellen, heeft de Commissie rekening gehouden met de aanvangsdatum van de lening, de looptijd ervan, de valuta en de kredietwaardigheid van de onderneming.

(384)

De twee financiële leningen luidden in EUR. Hoewel de facturen voor de door Changsha Dicastal geleverde apparatuur in CNY werden afgegeven, werden de betalingen uitgevoerd in EUR. De Commissie was daarom van oordeel dat de de facto lening in EUR luidde.

(385)

Om de kredietwaardigheid en het solvabiliteitsrisico op lange termijn van de onderneming te beoordelen, heeft de Commissie gebruikgemaakt van de bedrijfskapitaalratio en de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen.

(386)

Met de bedrijfskapitaalratio wordt het vermogen van de onderneming gemeten om kortlopende verplichtingen te betalen; de ratio vertegenwoordigt de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende verplichtingen. In 2019, 2020 en 2023 bleef de bedrijfskapitaalratio van DMA onder de 1, wat betekent dat de onderneming in die jaren niet in staat zou zijn geweest haar kortlopende verplichtingen na te komen door haar vlottende activa te liquideren. In 2021 en 2022 was de situatie gunstiger en steeg de bedrijfskapitaalratio tot boven de 1. Wanneer echter de voorraden buiten beschouwing zouden zijn gelaten bij de berekening van de kortetermijnliquiditeit (de zuurproef), omdat zij niet onmiddellijk in contanten kunnen worden omgezet, zou de ratio ook in 2021 onder de 1 zijn uitgekomen en in 2022 maar net boven de 1.

(387)

Met de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen wordt het vermogen van de onderneming gemeten om haar langlopende schuldverplichtingen na te komen. Deze indicator toonde een ernstig beeld. De verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen bereikte een waarde van meer dan 2 000 in 2019 en 2020, dat wil zeggen voordat een groot deel van de schuld van de onderneming werd gekapitaliseerd (zie de overwegingen 264 tot en met 266 en 350). Na de kapitaalverhoging bleven de financiële langetermijnverbintenissen hoger dan het eigen vermogen van de aandeelhouder. De verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen bleef in 2021-2022 boven de 5 en in 2023 boven de 3.

(388)

Gelet op de in de overwegingen 385 tot en met 387 beschreven liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen oordeelde de Commissie dat de onderneming niet in een gezonde financiële situatie verkeerde en een hoog risicoprofiel had voor potentiële kredietverstrekkers en investeerders.

(389)

Op basis daarvan heeft de Commissie gebruikgemaakt van de ICE BofA Euro High Yield Index, die de prestaties volgt van op de binnenlandse euro- of euro-obligatiemarkten in EUR openbaar uitgegeven bedrijfsschulden die een rating hebben onder beleggingskwaliteit. Aangezien de leningen en de facto leningen werden verstrekt door Chinese entiteiten voor een buitenlands project in Marokko, was de Commissie van mening dat ook het landenrisico in aanmerking moest worden genomen. Daarom heeft de Commissie de op basis van de ICE BofA Euro High Yield Index vastgestelde rentevoet aangepast voor het landenrisico zoals beoordeeld door de OESO.

(390)

De aanvangsdatum van de twee financiële leningen werd in aanmerking genomen voor de vaststelling van de benchmarkrentevoet, aangezien voor beide leningen een vaste rentevoet gold. De looptijd van de leningen werd in aanmerking genomen bij de berekening van de premie op basis van de landenrisicobeoordeling.

(391)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de Commissie de berekening van het voordeel en de basis voor de berekening van het voordeel voor de de facto lening niet adequaat had toegelicht.

(392)

DMA stelde daarnaast dat de Commissie geen rekening had gehouden met de betalingsvoorwaarden die waren overeengekomen in de overeenkomsten voor de aankoop van de desbetreffende apparatuur. De Commissie zou er met name geen rekening mee hebben gehouden dat was overeengekomen dat de betalingen in verschillende tranches zouden worden verricht en dat een groot deel van de aankoopwaarde pas binnen 270 dagen na de voltooiing van de installatie en de inbedrijfstelling van de apparatuur verschuldigd was. De Commissie had er dus voor moeten zorgen dat alleen apparatuur waarvoor de vervaldatum reeds was verstreken, in de berekening van het voordeel werd opgenomen.

(393)

Met betrekking tot de benchmark voerde de onderneming aan dat de door de Commissie gebruikte benchmark geen betrekking had op leningen en als zodanig niet voldeed aan de vereisten van artikel 14, punt b), van de SCM-overeenkomst van de WTO. Bovendien voerde de onderneming aan dat zij geen toegang had tot de brongegevens en dus de juistheid ervan niet kon bevestigen. DMA voerde aan dat de Commissie de geldmarktrente van het IMF voor Marokko zou moeten gebruiken die volgens DMA de rente van de commerciële instellingen van Marokko nauwkeurig weergeeft.

(394)

De onderneming stelde daarnaast dat de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen van DMA en het landenrisico van Marokko niet waren onderbouwd. De onderneming voerde aan dat de berekeningen van de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen niet waren bekendgemaakt en onbegrijpelijk waren. Volgens DMA is de OESO-landenrisicoclassificatie irrelevant voor leningen, aangezien deze betrekking heeft op “Classificaties van landenrisico van deelnemers aan de regeling inzake officieel ondersteunde exportkredieten”.

(395)

Ten slotte merkte de onderneming op dat het voordeel dat voortvloeide uit uitstaande rekeningen voor apparatuur niet alleen in het onderzoektijdvak, maar over de gemiddelde gebruiksduur van de apparatuur moest worden geboekt.

(396)

De Commissie wees de in de overwegingen 391 tot en met 395 uiteengezette argumenten af.

(397)

Ten eerste werd de berekening van het voordeel voor de de facto lening in algemene termen toegelicht in de overwegingen 382 tot en met 384 en werd een gedetailleerde berekening aan DMA bekendgemaakt in bijlage 2-3.3.2 bij de ondernemingsspecifieke mededeling van feiten en overwegingen.

(398)

Ten tweede was het effect van de betalingsvoorwaarden in casu irrelevant. Met uitzondering van één invoertransactie die minder dan 0,9 % van het uitstaande saldo aan het begin van het onderzoektijdvak vertegenwoordigde, werden alle machines in zodanige perioden geleverd dat de vervaldatum van de laatste levering vóór het begin van het onderzoektijdvak was afgelopen.

(399)

Ten derde was de Commissie het niet eens met de beoordeling van DMA met betrekking tot de overeenstemming van de geselecteerde benchmark met de vereisten van artikel 14, punt b), van de SCM-overeenkomst van de WTO. De benchmark vertegenwoordigde het rendement van risicovolle bedrijfsschulden, dat wil zeggen hoeveel een crediteur heeft verdiend die geld heeft geleend aan een onderneming met een dergelijk risicoprofiel, in EUR, en weerspiegelt dus de valuta van de schuld van DMA en het beleggingsrisicoprofiel van DMA. De Commissie bevestigde dat de link naar de bron van de in de ondernemingsspecifieke mededeling verstrekte benchmarkgegevens correct functioneerde. De link leidde naar de homepage van de Federal Bank of St. Louis (93), waar de onderneming de specifieke benchmark kon zoeken aan de hand van de code in bijlage 2 (blad “Benchmark-EUR loans”) bij de ondernemingsspecifieke mededeling van feiten en overwegingen. De Commissie onderzocht ook of de door DMA voorgestelde geldmarktrentes van het IMF voor Marokko geschikter waren als benchmark. De Commissie stelde vast dat de geldmarktrente overeenkomt met de interbancaire rentevoet (94) en dus niet geschikt is als benchmarkrente.

(400)

Ten vierde merkte de Commissie op dat de berekeningen van de kredietwaardigheidsindicatoren aan DMA waren meegedeeld in bijlage 2-3.2 bij de ondernemingsspecifieke mededeling van feiten en overwegingen. De spreadsheet bevat de formules voor de berekening van elke indicator, een tabel met de voor de berekening gebruikte gegevens en de bronnen van die gegevens (gecontroleerde verslagen en belastingaangiften). De resultaten voor elke indicator waren ook in een zodanige vorm gepresenteerd dat de onderneming elke stap van de berekening kon volgen. Wat de landenrisicopremie betreft, achtte de Commissie deze passend, aangezien de leningen, net als exportkredieten, voor een project in het buitenland waren verstrekt.

(401)

Tot slot verduidelijkte de Commissie dat niet de volledige aankoopwaarde van de apparatuur was gebruikt voor de berekening van het voordeel van het uitstaande saldo van de te betalen rekeningen voor apparatuur met het oog op de instelling van compenserende maatregelen. In plaats daarvan werd alleen de rente die tijdens het onderzoektijdvak had moeten worden betaald over een dergelijke lening die werd verstrekt in de vorm van een vertraagde inning van betalingen, beschouwd als een voordeel in het kader van dit programma. Het voordeel was dus specifiek voor het onderzoektijdvak en vereiste geen verdere toewijzing over een langere periode.

(3)   Specificiteit

(402)

Deze bijdragen zijn ook specifiek, aangezien zij vallen binnen het kader van de bilaterale investeringsovereenkomsten van de Chinese en de Marokkaanse overheid, zoals uiteengezet in punt 3.4. Deze regelingen zijn met name specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat de leningen en de facto leningen volgens het in punt 3.3 beschreven preferentiële beleid van Marokko beperkt zijn tot een specifiek onderdeel van de automobielsector, en zijn ook regionaal specifiek omdat zij van toepassing zijn in een IAZ die ook onder punt 3.3 valt.

(403)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat de analyse van de specificiteit door de Commissie ontoereikend was.

(404)

De Commissie merkte op dat dit argument slechts een bewering was en niet door enig bewijsmateriaal werd gestaafd. Op basis van de elementen waaruit de sectorale en regionale specificiteit blijkt, zoals vermeld in overweging 402, bevestigde de Commissie haar bevindingen.

(4)   Conclusie

(405)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidieregeling voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producent-exporteur is vastgesteld, bedraagt:

De facto lening die verband hield met kapitaalgoederen en leningen in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid

Naam van de onderneming

Financiële steun

Subsidiepercentage

DMA

De facto lening die verband hield met kapitaalgoederen

5,44  %

DMA

Leningen van Dicastal Asia en Dicastal HK

0,51  %

(406)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen steunde de Marokkaanse overheid de argumenten van DMA en merkte zij op dat zij ervan uitging dat DMA en haar groepsvennootschappen hadden aangetoond dat geen van de door de Chinese overheid aan Chinese filialen in de VRC verleende financiële bijdragen bestemd was voor het BRI, Marokko of DMA, zoals ook bleek uit de opmerking van Changsha Dicastal dat het zijn eigen middelen had geïnvesteerd om in DMA-kapitaal te investeren. Vervolgens concludeerde zij dat de Commissie kennelijk ten onrechte had geconcludeerd dat CITIC Dicastal, handelend als overheidsinstantie, de middelen van de Chinese overheid via verschillende verbonden entiteiten had gekanaliseerd. Tot slot voerde de Marokkaanse overheid aan dat er in het dossier geen bewijs was dat DMA werd ondersteund aan de hand van de toegenomen verkoop aan Changsha Dicastal en dat CITIC Dicastal Wisdom gebruikte om verdere leningen en goedkope basisproducten aan DMA te verstrekken.

(407)

De Commissie merkte op dat deze argumenten van de Marokkaanse overheid louter beweringen waren die niet onderbouwd waren. Derhalve hoefde de Commissie deze niet te behandelen. Hoe dan ook heeft de Commissie alle argumenten van DMA met betrekking tot deze kwesties inhoudelijk behandeld en afgewezen.

(c)   Rechtstreekse overdracht van middelen in verband met de levering van aluminiumingots

(408)

DMA kocht aluminiumingots, de belangrijkste grondstof voor de productie van aluminium wielen, van een klein aantal verbonden en niet-verbonden leveranciers. Zoals uiteengezet in de overwegingen 105, 106, 272 en 273, was Wisdom, een onderneming die verbonden bleek te zijn met de Dicastal-groep (zie punt 3.5.2.1), de belangrijkste leverancier van DMA en was ongeveer 75 % van alle aluminiumingots die de onderneming tijdens het onderzoektijdvak aankocht afkomstig van Wisdom. DMA sloot in maart 2020, slechts vier maanden na de oprichting van Wisdom, een overeenkomst met Wisdom voor dergelijke aanzienlijke hoeveelheden aluminiumingots.

(409)

De preferentiële voorwaarden waaronder Wisdom aan DMA aluminiumingots leverde, waren tweeledig.

(410)

Ten eerste had DMA, ondanks een in de overeenkomst tussen Wisdom en DMA duidelijk omschreven betalingstermijn van negentig dagen, Wisdom tot het einde van het onderzoektijdvak voor geen van de tussen december 2022 en het einde van het onderzoektijdvak gekochte ingots betaald. Bovendien nam Wisdom nooit stappen om dergelijke betalingen te verkrijgen op grond van de bepalingen inzake geschillenbeslechting van de overeenkomst, noch beëindigde het de overeenkomst.

(411)

Ten tweede was de door Wisdom aan DMA aangerekende prijs kunstmatig en aanzienlijk lager dan de prijs die rechtstreeks in rekening werd gebracht door de andere buitenlandse niet-verbonden leveranciers van aluminiumingots die ook de producenten van de grondstof waren en DMA aanzienlijke hoeveelheden leverden. De Commissie was van oordeel dat dit prijsverschil duidelijk het gevolg was van de relatie met Wisdom en dat de aanzienlijke verschillen met de prijs van de andere niet-verbonden leveranciers niet konden worden verklaard door andere elementen, zoals de duur van de overeenkomst of de betrokken hoeveelheden.

(1)   Financiële bijdrage

(412)

Gezien de bevindingen zoals vastgesteld in overweging 305 concludeerde de Commissie dat CITIC Dicastal Wisdom gebruikte als een vehikel om de preferentiële steun van de Chinese overheid aan het Marokkaanse project te kanaliseren.

(413)

CITIC Dicastal ontving op zijn beurt middelen van zijn verbonden financiële entiteiten van de groep en van verschillende andere Chinese banken en financiële instellingen in staatseigendom, zoals vastgesteld in de overwegingen 153 tot en met 158.

(414)

Op basis van de bevindingen in punt 3.5.2.1 heeft de Commissie geconcludeerd dat CITIC Dicastal handelde als een overheidsinstantie bij het verstrekken van de financiële bijdrage aan DMA via zijn verbonden entiteiten. De financiële instellingen van de CITIC-groep en de banken en financiële instellingen in staatseigendom bleken ook te hebben gehandeld als overheidsinstantie toen zij leningen aan CITIC Dicastal verstrekten.

(415)

De financiële bijdrage bestond in de rechtstreekse overdracht van middelen via de verstrekking van preferentiële financiering in de vorm van een de facto lening aan DMA via Wisdom in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i). Het bedrag van de financiële bijdrage was gelijk aan de uitstaande schuld uit onbetaalde facturen voor aluminiumingots na de vervaldatum ervan. Daarnaast heeft Wisdom aan DMA aluminiumingots verstrekt voor een aanzienlijk lagere prijs.

(416)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat het geen financiële bijdrage in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen had ontvangen, maar alleen aluminiumingots.

(417)

Het stelde voorts dat er geen relatie bestond tussen CITIC Dicastal en Wisdom. Er zou daarom geen bewijs van een financiële bijdrage en specificiteit zijn.

(418)

DMA voerde ook aan dat Wisdom DMA voor de geleverde ingots geen preferentiële voorwaarden had aangeboden. DMA zou de onbetaalde facturen hebben gebruikt om te voorkomen dat Wisdom de in de overeenkomst overeengekomen prijs zou verhogen. In dit verband wees DMA erop dat de prijs in november en december 2023 overeenkomstig de heronderhandelde overeenkomst was gestegen. In deze periode was deze prijs hoger dan de prijs die werd betaald voor door ALBA geleverde aluminiumingots. Daarnaast betoogde DMA dat het in de loop van 2024 bijna alle openstaande facturen had betaald.

(419)

Voorts voerde DMA aan dat er geen bewijs was dat CITIC Dicastal de preferentiële steun van de Chinese overheid aan DMA had gekanaliseerd. De onderneming stelde met name dat de Commissie alle schulden en vorderingen van CITIC Dicastal in de periode 2017-2023 had gecontroleerd en dus had kunnen bevestigen dat er geen middelen aan Wisdom waren overgedragen. Bovendien is er volgens DMA geen bewijs dat Wisdom preferentiële financiering van de Chinese overheid heeft ontvangen.

(420)

Met betrekking tot de vorm van preferentiële financiering in het kader van deze subsidieregeling waartegen compenserende maatregelen worden genomen, voerde DMA aan dat het begrip “de facto lening” noch in de basisverordening, noch in de SCM-overeenkomst van de WTO bestond en dat de Commissie derhalve had moeten concluderen dat er geen sprake was van een financiële bijdrage.

(421)

De Commissie wees de in de overwegingen 416 tot en met 420 uiteengezette argumenten af.

(422)

Ten eerste bestond de financiële bijdrage in de vorm van rechtstreekse overdracht van middelen, zoals uiteengezet in de overwegingen 409 tot en met 411, in het aanbieden van preferentiële prijzen voor de aluminiumingots door Wisdom en in de vertraagde inning van betalingen door Wisdom tot ver na de in de overeenkomst overeengekomen betalingstermijn.

(423)

Ten tweede werden de bevindingen en conclusies over de relatie tussen CITIC Dicastal en Wisdom, alsook de opmerkingen van de Dicastal-groep over deze kwestie, behandeld in de overwegingen 275 tot en met 313.

(424)

Ten derde besteedde de Commissie in overweging 313 aandacht aan de verklaring van de lagere prijzen die Wisdom aanrekende.

(425)

Ten vierde ging de Commissie in de overwegingen 274 tot en met 313, en met name in de overwegingen 283 en 284, reeds in op de redenen waarom Wisdom niet was opgenomen in de gecontroleerde verslagen en boekhoudbescheiden van CITIC Dicastal. Bovendien was de Commissie het niet eens met de bewering dat zij alle schulden en vorderingen van CITIC Dicastal voor de periode 2017-2023 had geverifieerd. In dit verband verzocht de Commissie CITIC Dicastal om de rekeningen van CITIC Dicastal met betrekking tot transacties met Changsha Dicastal en ontving zij deze.

(426)

Tot slot heeft de Commissie het begrip “de facto lening” in overweging 378 behandeld.

(2)   Voordeel

(427)

Met de in de overwegingen 408 tot en met 411 beschreven praktijken wordt een voordeel toegekend dat gelijk is aan:

het verschil tussen de rente die DMA op de de facto lening heeft betaald en het bedrag dat op een vergelijkbare commerciële lening zou zijn betaald; en

het verschil tussen de prijs die DMA heeft betaald voor de van Wisdom gekochte aluminiumingots en de marktprijs van een vergelijkbare grondstof die door een niet-verbonden leverancier wordt geleverd.

(428)

Wat de de facto lening betreft, heeft de Commissie bij de vaststelling van een benchmarkrentevoet voor de berekening van het voordeel rekening gehouden met de looptijd van de lening, de valuta ervan en de kredietwaardigheid van de onderneming.

(429)

De Commissie heeft bij de berekening van het voordeel rekening gehouden met in 2022 verrichte aankooptransacties met uitstaande betalingen in het onderzoektijdvak. Voor deze transacties werd de looptijd van de lening vastgesteld op één volledig jaar. Voor de in 2023 gefactureerde aankopen werden alleen de aankopen in aanmerking genomen waarvan de vervaldag in 2023 was verstreken. De looptijd van de lening voor deze transacties werd berekend als het verschil tussen de vervaldatum en het einde van het jaar. Ondanks het feit dat slechts delen van deze leningen na het onderzoektijdvak werd terugbetaald, heeft de Commissie ook de bedragen waarvoor geen bewijs van terugbetaling na het onderzoektijdvak werd verstrekt, behandeld als een de facto lening en niet als een rechtstreekse overdracht van het volledige bedrag in de vorm van kwijtschelding van schulden.

(430)

De prijs die Wisdom aanrekende voor de levering van aluminiumingots luidde in USD. Daarom was de Commissie van oordeel dat de de facto lening in USD luidde.

(431)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 385 tot en met 388, had DMA een hoog risicoprofiel voor potentiële kredietverstrekkers en investeerders. Daarom heeft de Commissie als benchmark de verwachte rentevoet gebruikt voor obligaties die worden uitgegeven door ondernemingen met een B-rating (zoals beschikbaar in Bloomberg). Om redenen die in overweging 389 zijn uiteengezet, werd de benchmarkrentevoet verder aangepast voor het landenrisico, zoals beoordeeld door de OESO.

(432)

Aangezien de de facto lening over twee jaar werd gespreid, is de Commissie voor de bepaling van de benchmarkrentevoet en de berekening van de landenrisicopremie uitgegaan van een looptijd van de lening van twee jaar.

(433)

Wat het verschil in aankoopprijs voor de berekening van het voordeel betreft, heeft de Commissie de gemiddelde aankoopprijs die DMA betaalde voor door Wisdom in het onderzoektijdvak geleverde aluminiumingots vergeleken met de gemiddelde aankoopprijs die DMA betaalde voor aluminiumingots die in het onderzoektijdvak door de andere grootste niet-verbonden leverancier werden geleverd.

(434)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde DMA dat de voor de feitelijke lening gebruikte benchmarkrentevoet in strijd was met artikel 14.b van de SCM-overeenkomst van de WTO en verwees zij naar haar argumenten met betrekking tot de facto leningen in verband met kapitaalgoederen en leningen, zoals beschreven in overweging 393.

(435)

Met betrekking tot de methode voor de berekening van het voordeel voor de preferentiële prijs van aluminiumingots voerde de onderneming aan dat de Commissie de in november en december 2023 ontvangen leveringen moest uitsluiten, aangezien was aangetoond dat de door Wisdom aangerekende prijzen hoger waren dan de door ALBA aangerekende prijzen.

(436)

Aangaande de benchmarkprijs van aluminiumingots betoogde DMA dat de Commissie, wanneer zij de invoerprijs van door ALBA geleverde aluminiumingots gebruikte, artikel 14.d van de SCM-overeenkomst van de WTO heeft geschonden, waarin is bepaald dat of de beloning toereikend is, wordt vastgesteld door een vergelijking te maken met de marktvoorwaarden voor de betreffende goederen of diensten in het land van aankoop. Volgens de onderneming heeft de Commissie niet aangetoond dat de prijzen van ingevoerd aluminium overeenstemmen met de Marokkaanse marktvoorwaarden.

(437)

Ten slotte voerde de onderneming aan dat het voor dit programma vastgestelde voordeel niet mag worden toegerekend aan de totale omzet van de onderneming. Aangezien de bij Wisdom gekochte aluminiumingots slechts een deel van alle tijdens het onderzoektijdvak verworven ingots vertegenwoordigden, had de Commissie alleen het overeenkomstige deel van het berekende voordeel mogen toerekenen.

(438)

De Commissie wees de in de overwegingen 434 tot en met 437 uiteengezette argumenten af.

(439)

Ten eerste heeft de Commissie in overweging 399 de argumenten van de onderneming met betrekking tot de benchmarktrentevoet behandeld. Ook in het geval van de benchmarkrentevoet voor leningen in USD heeft de Commissie de brongegevens aan de onderneming bekendgemaakt in bijlage 2 (blad “Benchmark-USD-leningen”) bij de ondernemingsspecifieke openbaarmaking. De verwachte rentevoet voor obligaties die zijn uitgegeven door ondernemingen met een B-rating is een geschikte maatstaf voor de rentevoet die een onderneming met een hoog risicoprofiel zou moeten betalen indien zij in USD luidende middelen wil lenen.

(440)

Ten tweede stelde de Commissie de subsidiëring voor een specifiek onderzoektijdvak vast. Zij onderzocht de gewogen gemiddelde prijzen van Wisdom en ALBA in die periode. De Commissie was van mening dat het verzoek van de onderneming om de vergelijking uit te voeren op basis van een kortere periode niet onderbouwd was.

(441)

Ten derde was de Commissie van mening dat de invoerprijs van door ALBA geleverde aluminiumingots een geschikte maatstaf was voor de binnenlandse, Marokkaanse prijzen van ingots, aangezien de ingevoerde ingots op prijs moesten concurreren met de grondstof wanneer zij op de binnenlandse markt werden aangekocht.

(442)

Ten slotte was de Commissie van mening dat zij bij de toerekening van het voordeel aan de totale omzet van de onderneming een voorzichtige benadering had gevolgd. Het is onbetwistbaar dat DMA de volledige waarde van het voor dit programma vastgestelde voordeel heeft genoten, en niet alleen het deel dat overeenkomt met het aandeel van de door Wisdom geleverde aluminiumingots in de totale hoeveelheid van de in het onderzoektijdvak gekochte ingots. Integendeel, er zou kunnen worden aangevoerd dat, aangezien de ingots slechts voor een deel van de totale hoeveelheid tijdens het onderzoektijdvak geproduceerde aluminium wielen werden gebruikt, de totale waarde alleen over het overeenkomstige aandeel van de totale omzet had moeten worden toegerekend.

(3)   Specificiteit

(443)

Deze bijdragen zijn ook specifiek, aangezien zij vallen binnen het kader van de bilaterale investeringsovereenkomsten van de Chinese en de Marokkaanse overheid, zoals uiteengezet in punt 3.4. Deze regelingen zijn met name specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat de de facto lening en de rechtstreekse overdracht van middelen in de vorm van de preferentiële prijsstelling voor aluminiumingots volgens het in punt 3.3 beschreven preferentiële beleid van Marokko beperkt zijn tot één specifiek onderdeel van de automobielsector, en zijn ook regionaal specifiek omdat zij van toepassing zijn in een IAZ die ook onder punt 3.3 valt. In het bijzonder verstrekte Wisdom via de entiteit Dicastal Asia leningen aan DMA om deze als investeringen in DMA te gebruiken.

(4)   Conclusie

(444)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidieregeling voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producent-exporteur is vastgesteld, bedraagt:

Rechtstreekse overdracht van middelen in verband met de levering van aluminiumingots in het kader van de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid

Naam van de onderneming

Financiële steun

Subsidiepercentage

DMA

De facto lening in verband met de verstrekking van basisproducten

2,03  %

DMA

Preferentiële prijs van basisproducten

15,65  %

3.6.   Rechtstreekse overdracht van door de Marokkaanse overheid verstrekte middelen

3.6.1.   Subsidies in het kader van het IDIF

(445)

De klager voerde aan dat Marokkaanse producenten-exporteurs profiteerden van subsidies die door het IDIF werden verstrekt in het kader van de investeringsovereenkomsten die door de betrokken ondernemingen en de Marokkaanse overheid waren ondertekend.

(a)   Rechtsgrondslag

(446)

Het IDIF is een overheidsinvesteringsfonds dat subsidies verstrekt aan zijn begunstigden, dat door de Marokkaanse regering oorspronkelijk is opgericht op grond van kaderwet nr. 18-95 tot vaststelling van het investeringshandvest (95) en door de begrotingswet van 1995 en de latere wijzigingen daarvan (96)“Fonds de promotion des investissements” is genoemd. In 2015 werd het fonds omgedoopt tot “Fonds de Développement Industriel et des Investissements” om de nadruk te leggen op de industriële focus ervan. Het doel van het IDIF is het consolideren van de industriële activiteiten van het land, het moderniseren en het ontwikkelen van zijn vermogen om ingevoerde producten te vervangen.

(447)

Het IDIF wordt rechtstreeks beheerd door de Marokkaanse overheid, namelijk door de regeringsleider, de minister van Financiën en de minister van Industrie, zoals bepaald in artikel 1 van Decreet nr. 2-14-715 tot uitvoering van de begrotingswet van 2015 (97).

(b)   Bevindingen van het onderzoek

(448)

Het IDIF is een overheidsinstrument waarmee investeringssteun wordt verleend in de vorm van subsidies die aan investeerders worden toegekend. De soorten activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het IDIF vallen, worden omschreven als het financieren van industriële ontwikkeling, het dragen door de staat van de kosten van de voordelen die in het kader van de investeringsovereenkomsten aan investeerders worden toegekend en uitgaven die nodig zijn om investeringen te bevorderen en te ondersteunen.

(449)

Om voor het IDIF in aanmerking te komen, moet een project door de Marokkaanse overheid in het kader van het plan voor industriële versnelling (“PAI”) (2014-2020) als “strategisch project” of “structureringsproject” worden aangemerkt. Zoals benadrukt in punt 3.3 is de automobielsector een van de strategische industriële sectoren die met het PAI worden ondersteund. Het voordeel is ook afhankelijk van de ondertekening van een investeringsovereenkomst tussen de Marokkaanse overheid en de investeerder in het kader van de wet inzake het investeringshandvest. Bovendien moeten de subsidiabiliteitscriteria voor investeringsprojecten voldoen aan ten minste een van de volgende vijf criteria van het investeringshandvest: i) een waarde hebben die groter is dan of gelijk is aan 200 miljoen MAD (d.w.z. 18,5 miljoen EUR) over een periode van drie jaar; ii) worden uitgevoerd in een van de in Decreet nr. 2-98-520 (van 30 juni 1998) genoemde provincies of prefecturen (98); iii) het scheppen van ten minste 250 stabiele banen over een periode van drie jaar mogelijk maken; iv) de overdracht van technologie waarborgen; v) bijdragen tot de bescherming van het milieu.

(450)

Uit het IDIF worden financiële bijdragen verstrekt in de vorm van subsidies die worden toegekend aan geselecteerde investeerders, met een jaarlijkse begroting van 3 miljard MAD (d.w.z. 280 miljoen EUR). De volgende voordelen zijn beschikbaar in het kader van het fonds:

Subsidies voor materiële en immateriële investeringen, die tot 30 % van het totale investeringsbedrag, exclusief belastingen, kunnen dekken (met inbegrip van de verwerving van pacht van de grond tot maximaal 20 % van de kosten van de grond; kosten voor technische bijstand; uitgaven in verband met onderzoek en ontwikkeling, innovatie enz.);

Een exportgroeipremie van maximaal 10 % van de extra omzet bij uitvoer.

Een jaarlijkse invoersubstitutiepremie: ondernemingen die deel uitmaken van een ecosysteem dat ten minste 60 % van de oorspronkelijk in het buitenland aangekochte inputs heeft overgedragen aan industriële leveranciers in Marokko, kunnen een jaarlijkse invoersubstitutiepremie van maximaal 2 % van deze aankopen krijgen.

(451)

Beide onderzochte producenten-exporteurs van aluminium wielen hebben een bilaterale investeringsovereenkomst met de Marokkaanse staat ondertekend. Beide projecten worden door de Marokkaanse overheid ook aangemerkt als “strategisch” voor het land in het kader van het PAI, en hebben ongeveer 1 200 banen gecreëerd voor DMA en 1 300 banen voor Hands (99).

(452)

De investeringsovereenkomsten voor beide ondernemingen hadden alleen betrekking op het deel investeringssubsidie van de regeling. De producenten-exporteurs hebben geen premies voor de groei van de uitvoer en voor invoersubstitutie aangevraagd. Bovendien werd vastgesteld dat, hoewel beide ondernemingen in aanmerking kwamen voor de subsidie, DMA niet voldeed aan bepaalde in de overeenkomst vastgestelde formele criteria en derhalve in het onderzoektijdvak nog geen investeringssteun had aangevraagd. Alleen Hands 8 ontving reeds een deel van de investeringssteun overeenkomstig de voorwaarden die waren vastgesteld in de investeringsovereenkomst tussen Hands Corporation (moederonderneming) en de Marokkaanse overheid.

(c)   Financiële bijdrage

(453)

Dit subsidieprogramma is een financiële bijdrage in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen van de Marokkaanse overheid in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), van de basisverordening. De Marokkaanse overheid heeft aan Hands 8 een financiële bijdrage voor fase 1 van het investeringsproject uitbetaald die gelijk is aan 30 % van de totale investeringen waarin de gewijzigde investeringsovereenkomst voorzag; deze uitbetaling had betrekking op de periode van 2020 tot en met 2023.

(d)   Voordeel

(454)

De financiële bijdrage levert een voordeel op dat gelijk is aan het bedrag van de subsidie.

(455)

Aangezien de gerelateerde voordelen die voortvloeien uit de investeringsovereenkomst betrekking hebben op activa, werd het voordeel voor het onderzoektijdvak berekend door het subsidiebedrag toe te rekenen volgens de afschrijvingsperiode van de activa waarvoor de investeringen werden gedaan, met name dertig jaar voor grond en gebouwen en zeven tot tien jaar voor machines.

(e)   Specificiteit

(456)

De regeling is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, aangezien zij beperkt is tot geselecteerde investeerders voor de industriële activiteiten van een eindbegunstigde onderneming die deel uitmaakt van de automobielsector, overeenkomstig het preferentiële beleid van Marokko, zoals beschreven in punt 3.3. De regeling is ook regionaal specifiek, aangezien zij van toepassing is in een IAZ die ook onder andere in punt 3.3 wordt behandeld.

(f)   Conclusie

(457)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Subsidies in het kader van het IDIF

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

Hands 8

1,57  %

3.6.2.   In het kader van het HIIF verstrekte subsidies

(458)

Het Hassan II-fonds voor economische en sociale ontwikkeling (“HIIF”) werd opgericht in 1999 en werd gefinancierd uit de privatisering van staatsondernemingen. In 2002 werd het HIIF bij Wet nr. 36-01 omgevormd tot een overheidsinstantie (“établissement public”), als een afzonderlijke rechtspersoon. Het fonds heeft geen aandelenkapitaal, maar wordt volledig gefinancierd uit de staatsbegroting van Marokko.

(459)

Artikel 1 van Wet nr. 36-01 bepaalt dat de Marokkaanse Staat de bevoegdheid heeft om toezicht uit te oefenen op de activiteiten en het algemene beheer van het fonds. Daarnaast is de premier van Marokko de voorzitter van het fonds en heeft hij het grootste stemgewicht in het hoogste bestuursorgaan van het fonds, namelijk de raad van bestuur, die toezicht houdt op alle activiteiten van het fonds. De raad van bestuur bestaat verder uit overheidsinstanties en de directeur van de nationale centrale bank van Marokko, Bank Al-Maghrib. Overeenkomstig artikel 6 heeft de raad van bestuur de uiteindelijke controle- en toezichtbevoegdheden met betrekking tot onder meer de selectiecriteria voor subsidiabele projecten en de feitelijke financieringsbesluiten en de uitbetaling van middelen.

(460)

Het doel van het HIIF is financiële bijstand te verlenen (in de vorm van investeringen in eigen vermogen, voorschotten of terugbetaalbare leningen, of niet-terugbetaalbare financiële bijdragen) aan economische en financiële ontwikkelingsprogramma’s, de bevordering van de werkgelegenheid door mikrokredieten, en projecten die bijdragen tot de bevordering van investeringen en werkgelegenheid.

(461)

In het kader van het nationaal pact voor de industrialisering, dat later werd opgevolgd door het PAI, bood het HIIF steun aan drie sectoren (automobielsector, luchtvaart en elektronica). Wat de automobielsector betreft, was het fonds betrokken bij de verstrekking van starterspremies, de financiering van beroepsopleiding en de oprichting van een geïntegreerd industrieel platform, dat wil zeggen de IAZ’s waar de meewerkende exporteurs waren gevestigd. Er werd vastgesteld dat het HIIF kapitaalbelang heeft in de twee IAZ’s en ook subsidies heeft verstrekt voor de ontwikkeling van infrastructuur in die vrije zones.

(462)

Op basis van het feit dat met het HIIF het beleid van de Marokkaanse overheid voor economische en sociale ontwikkeling wordt uitgevoerd, dat de financiering ervan uiteindelijk door de Marokkaanse overheid wordt verstrekt en dat de besluitvorming uiteindelijk door de Marokkaanse overheid wordt gecontroleerd, heeft de Commissie geconcludeerd dat het HIIF een overheidsinstantie is in de zin van de WTO-rechtspraak (100).

(463)

Het feit dat de Marokkaanse overheid via het HIIF de door de IAZ’s voor grond aangerekende prijs controleerde en dat het HIIF subsidies voor de ontwikkeling van infrastructuur verstrekte, kwam tot uiting in de preferentiële prijs die de meewerkende producenten-exporteurs voor de grond betaalden. Deze transacties werden geanalyseerd in het kader van de subsidieregeling met betrekking tot de verstrekking van grond tegen een ontoereikende prijs in punt 3.8.

3.6.3.   Preferentiële financiering

(464)

De klager stelt dat de banksector een geïntegreerd en concurrerend financieringsaanbod aanbiedt in het kader van een partnerschapsovereenkomst tussen de staat en de banksector, die zich ertoe verbindt industriële ondernemingen te ondersteunen (concurrerende tarieven, steun voor herstructurering, steun voor internationalisering, enz.). De inhoud van de partnerschapsovereenkomst tussen de staat en de banksector is niet openbaar, maar de belangrijkste bankinstelling van het land — AttijariWafa Bank — verwijst op haar website naar het bestaan ervan (101). In het bankaanbod genaamd “Plan Automotive” wordt verwezen naar financieringsoplossingen en begeleidende mechanismen in partnerschap met de “Caisse Centrale de Garantie”, “Maroc PME” en het ministerie van Industrie en Handel. Volgens de klager duidt het bestaan van dit “Plan Automotive” erop dat financiële middelen en diensten, zoals leningen of garanties, ter beschikking worden gesteld van de begunstigde onder bepaalde voorwaarden die worden beïnvloed door de staat, als een met naam genoemde partij bij de partnerschapsovereenkomst.

(a)   Rechtsgrondslag

(465)

De rechtsgrondslag voor de preferentiële financiering van een van de meewerkende producenten-exporteurs is de partnerschapsovereenkomst van 14 juli 2015 tussen het ministerie van Industrie en Handel, de Marokkaanse vereniging voor de automobielindustrie en -handel (“AMICA”) en de AttijariWafa Bank Group (“AWB-groep”) (“de partnerschapsovereenkomst”). De overeenkomst werd ondertekend in het kader van het PAI 2014-2020 en de bijbehorende prestatieovereenkomsten voor de automobielsector.

(b)   Bevindingen van het onderzoek

(466)

In de in het kader van het PAI 2014-2020 ondertekende prestatieovereenkomst voor de automobielsector wordt verwezen naar een overeenkomst die op 14 juli 2015 werd ondertekend tussen het ministerie van Economie en Financiën, het ministerie van Industrie en Handel, de AWB-groep, de Banque Centrale Populaire en de Banque Marocaine du Commerce Exterieur om de marktdeelnemers in de automobielsector te ondersteunen en bij te staan. De inhoud van de overeenkomsten is niet openbaar, noch heeft de Marokkaanse overheid het document in haar antwoorden en het controleproces ter beschikking van de Commissie gesteld.

(467)

Bij gebreke van de verlangde inlichtingen was de Commissie van mening dat zij cruciale en noodzakelijke informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen. Daarom deelde de Commissie de Marokkaanse overheid mee dat zij mogelijk artikel 28, lid 1, van de basisverordening zou toepassen en zich voor deze punten zou baseren op de beschikbare gegevens.

(468)

In antwoord hierop diende de Marokkaanse overheid alleen de partnerschapsovereenkomst van 14 juli 2015 met de AWB-groep in. In deze partnerschapsovereenkomst wordt uitdrukkelijk verwezen naar het PAI van de Marokkaanse overheid en de bijbehorende ontwikkelingsprojecten voor het ecosysteem van de automobielsector. Ook wordt gewezen op de toezegging van de AWB-groep om ondernemingen die actief zijn in de automobielsector te ondersteunen door middel van een passend financieringsaanbod en ondersteunende initiatieven, en wordt verwezen naar de beleidsdoelstellingen van de overeenkomst, te weten de gezamenlijke ambitie van de partijen om gezamenlijk op te treden om de industriële basis van het land te versterken en te zorgen voor de opkomst van concurrerende automobielecosystemen. Het doel van de overeenkomst is namelijk ondernemingen die actief zijn in de automobielecosystemen te ondersteunen door hun een uitgebreid steun- en financieringsaanbod te bieden om hun ontwikkeling te stimuleren en hun concurrentievermogen te verbeteren.

(469)

Volgens artikel 4 van de partnerschapsovereenkomst verbindt de AWB-groep zich ertoe de best mogelijke steun te verlenen aan ondernemingen die actief zijn in de automobielsector, in de vorm van specifieke financieringsoffertes voor alle behoeften van ondernemingen die in deze sector actief zijn, alsook gestructureerde steun voor de ontwikkeling van ecosystemen. De preferentiële voorwaarden worden voor elk van de specifieke financieringsinstrumenten in detail vermeld. Deze preferentiële voorwaarden omvatten korte termijnen voor de verwerking van de kredietaanvragen, kortingen of het niet in rekening brengen van aanvraagkosten, projectgerelateerde garanties, minimale preferentiële rentetarieven die in de overeenkomst specifiek voor de automobielsector zijn vastgesteld, met inbegrip van preferentiële rentetarieven voor leningen in vreemde valuta, en preferentiële huur in het geval van leasingregelingen.

(470)

De Marokkaanse overheid stelt dat de bovengenoemde partnerschapsovereenkomst werd ondertekend in het kader van het PAI 2014-2020, dat reeds was afgelopen op het moment van ondertekening van de leningsovereenkomst tussen de dochteronderneming van de AWB-groep en DMA, die in 2023 plaatsvond.

(471)

Zoals echter wordt benadrukt in overweging 141, zijn de stimulansen die in het kader van het PAI 2014-2020 zijn ingevoerd, overgenomen onder de paraplu van het nieuwe investeringshandvest en blijft de Marokkaanse overheid de automobielsector ondersteunen door middel van speciale financieringsregelingen (zo worden nog steeds partnerschapsovereenkomsten met andere banken ondertekend die vergelijkbaar zijn met de met de AWB-groep ondertekende partnerschapsovereenkomst (102)). Bovendien is in de partnerschapsovereenkomst geen vervaldatum vermeld. Op de website van de AWB-groep wordt ook nog steeds melding gemaakt van de beschikbaarheid van financiering in het kader van het “Plan Automotive” (103).

(472)

Rekening houdend met het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de partnerschapsovereenkomst met de AWB-groep preferentiële leningsvoorwaarden voor de sector bevatte. Bij gebrek aan informatie over alle andere overeenkomsten die tussen de Marokkaanse overheid en de andere banken zijn gesloten, heeft de Commissie geconcludeerd dat deze ook preferentiële leningsvoorwaarden voor de sector omvatten.

(473)

DMA ontving een lening van de Attijari International Bank (“AIB”). AIB is een speciale Marokkaanse offshore-entiteit die deel uitmaakt van de AWB-groep. Als zodanig is de onderneming actief in vreemde valuta en verstrekt zij alleen leningen aan ondernemingen met zogenaamde “offshore-projecten”, dat wil zeggen ondernemingen die in buitenlandse handen zijn en gevestigd zijn in de speciale economische zones van Marokko of IAZ’s die geacht worden zich buiten de binnenlandse Marokkaanse financiële markt te bevinden. Er zijn immers beperkingen op leningen in vreemde valuta voor binnenlandse marktdeelnemers op de binnenlandse financiële markt.

(474)

Dit wordt bevestigd op de website van de bank, waar staat dat zij tot doel heeft de beweging ter bevordering van buitenlandse investeringen die heeft geleid tot de totstandbrenging van een vrije exportzone in Tanger, te ondersteunen. Door middel van haar activiteiten breidt de AttijariWafa-bankgroep haar reeks bankproducten en -diensten uit tot multinationals die actief zijn in de verschillende vrijhandelszones in Marokko en tot internationale exploitanten. AIB heeft volgens de website een solide reputatie als toonaangevende bank in de offshore financiële zone van Tanger.

(475)

In 2017 lanceerde de AttijariWafa-bankgroep haar “Offshore Plan”, een nieuw aanbod op basis van de diensten van de Offshore Attijari International Bank (AIB), voor ondersteuning van deskundigen van de internationale financiële markt en de diensten van de bank in het kader waarvan dagelijks preferentiële voorwaarden voor rekeningen worden aangeboden.

(476)

Aan de hand van dit aanbod neemt de AttijariWafa-bankgroep proactief deel aan de ondersteuning van buitenlandse investeerders bij de uitvoering van hun projecten en de ontwikkeling van hun activiteiten. …. AIB is de grootste offshorebank in termen van marktaandeel voor zowel deposito’s (51 %) als verplichtingen (35 %)”. Dit Offshore Plan bestaat nog steeds, aangezien het financieringsaanbod nog steeds beschikbaar is op de website van de bank (104).

(477)

AIB is een volle dochteronderneming van AWB. De meerderheidsaandeelhouder (46,5 %) van AWB is Al Mada. Al Mada is een investeringsfonds dat eigendom is van de Marokkaanse koninklijke familie en tot taak heeft zich in te zetten voor de opkomst van een moderne economie en de verbetering van de levensomstandigheden in de gebieden en van de bevolkingsgroepen met wie zij samenwerkt.

(478)

Rekening houdend met de eigendom van de bank die een lening aan DMA heeft verstrekt, het feit dat haar enige klantenbasis in IAZ’s gevestigde ondernemingen zijn, die door de Marokkaanse overheid via het PAI worden ondersteund, en het bestaan van een overeenkomst tussen de Marokkaanse overheid en de AWB-groep met betrekking tot preferentiële steun aan de automobielsector, concludeerde de Commissie dat de bank in kwestie de lening in opdracht en op instructie van de Marokkaanse overheid verstrekte, in overeenstemming met het overheidsbeleid.

(479)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen gaven de Marokkaanse overheid en DMA aan dat de bevindingen van de Commissie dat de financiële instellingen ermee belast zijn/de opdracht hebben gekregen om financiering te verstrekken aan producenten van aluminium wielen, niet in overeenstemming waren met artikel 3, lid 1, punt a), iv), van de basisverordening en artikel 1.1, punt a), 1, iv), van de SCM-overeenkomst van de WTO. Volgens hen had de Commissie niet voldaan aan de wettelijke norm voor het toevertrouwen van functies en het belasten met functies, dat wil zeggen dat zij niet had aangetoond dat de Marokkaanse overheid particuliere financiële instellingen verantwoordelijkheden had gegeven of haar gezag over particuliere financiële instellingen had uitgeoefend om een financiële bijdrage aan DMA te leveren.

(480)

De Marokkaanse overheid en DMA voerden met name aan dat: i) er geen sprake was van zeggenschap van de overheid over de particuliere banksector in Marokko en dat de Marokkaanse financiële markt volledig concurrerend was en dat particuliere banken leningen verstrekten aan alle ondernemingen, op basis van rentetarieven die op een vrije en concurrerende markt waren ontwikkeld, ii) AIB een particuliere bank was en de partnerschapsovereenkomst van 2015 haar bedrijfsvoering niet beïnvloedde, iii) de partnerschapsovereenkomst hoe dan ook alleen betrekking had op leningen in vreemde valuta tot 12 miljoen MAD, terwijl de door DMA ontvangen lening een veel hogere waarde had, iv) het klantenbestand van AIB niet beperkt was tot in IAZ’s gevestigde ondernemingen, v) AIB geen leningsovereenkomst met DMA had gesloten op grond van een overeenkomst tussen de Marokkaanse overheid en de AWB-groep met betrekking tot preferentiële steun aan de automobielsector, vi) de leningsovereenkomst niet automatisch was gesloten, maar uitsluitend op basis van commerciële overwegingen die werden ondersteund door de leningaanvraag en het onderzoek hiervan door AIB, en vii) AIB de discretionaire bevoegdheid had om haar klanten te selecteren en de door haar aangeboden financieringsvoorwaarden vast te stellen. Een uitstekend voorbeeld van deze autonomie was volgens hen het besluit van AIB om een verlenging van een lening aan Hands 8 te weigeren.

(481)

De Commissie wees dit argument af. Ten eerste heeft het maximum van 12 miljoen MAD voor een in de partnerschapsovereenkomst opgenomen lening betrekking op kortlopende leningen (of veeleer kredietlijnen voor de financiering van het werkkapitaal), en wordt dit daarom vermeld in artikel 4.1.2 van de overeenkomst. De aan DMA verstrekte lening, die betrekking had op apparatuur, zou in plaats daarvan onder artikel 4.1.1 van de overeenkomst (investeringsfinanciering) vallen, waarin geen dergelijk maximum is vastgesteld en waarin niet specifiek naar enige valuta wordt verwezen. Voorts voorziet artikel 4.1.2.6 van de partnerschapsovereenkomst in de mogelijkheid om specifieke (d.w.z. op de klant afgestemde) kredieten te verstrekken aan de automobielsector, bijvoorbeeld voor specifieke aanbiedingen aan baanbrekende bedrijven of ondernemingen met specifieke knowhow of deskundigheid. De voorbeelden in dit artikel hebben betrekking op financiering in zowel MAD als vreemde valuta, en het artikel bevat geen maxima.

(482)

Ten tweede werd de door DMA ontvangen lening toegekend tegen de preferentiële rentevoet zoals voorzien in de partnerschapsovereenkomst, ondanks de lage kredietwaardigheid van de onderneming, zoals bevestigd in de overwegingen 385 tot en met 388 en door de lage interne kredietrating die AIB aan DMA gaf, zoals die tijdens het controlebezoek bij de Marokkaanse overheid werd verzameld (105). Bovendien werd in de leningaanvraag van DMA (106) vermeld dat de apparatuur van het project, die reeds was geïnstalleerd, maar nog niet was betaald, moest worden gefinancierd, aangezien de huidige middelen van de onderneming haar niet in staat stelden om te financieren.

(483)

Ten derde merkte de Commissie met betrekking tot het klantenbestand van de bank en de aan andere ondernemingen verstrekte leningen in de aanvullende informatie die de bank na de mededeling van de definitieve bevindingen verstrekte, dat 78 % van de verstrekte middelen betrekking had op buitenlandse ondernemingen die actief zijn in de automobielsector, die ofwel in IAZ ofwel in speciale economische zones zijn gevestigd (voor die welke waren opgericht vóór de inwerkingtreding van de IAZ-wetgeving), en nog eens 6 % in verband met de ontwikkeling van IAZ (d.w.z. 84 % van de middelen werd verstrekt aan de automobielsector en ondernemingen in de IAP-zone). Hieruit blijkt dat de financiering van de bank sterk gericht is op buitenlandse marktdeelnemers met investeringen in de automobielsector die onder de partnerschapsovereenkomst vallen, en verband houden met het PAI, alsook met de ontwikkeling van IAZ’s.

(484)

Ten slotte kon de bewering dat AIB de verlenging van de lening aan Hands 8 zou hebben geweigerd, niet worden gecontroleerd, aangezien deze informatie pas na de mededeling van feiten en overwegingen aan het licht kwam, niet werd gestaafd door documenten of referenties, en, in tegenstelling tot wat de Marokkaanse overheid in de opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen stelde, tijdens het controlebezoek niet was besproken. Zelfs indien de verklaring juist zou zijn, toont het feit dat AIB een verlenging van de lening aan Hands 8 heeft afgewezen als zodanig echter niet aan dat AIB vrij handelde als marktdeelnemer zonder instructies van de overheid. Het blijft immers een feit dat AIB een lening tegen een preferentieel tarief heeft verstrekt aan een onderneming waaraan zij een lage interne rating had toegekend (zie overweging 482), en dat de besluitvorming van AIB voorrang gaf aan buitenlandse ondernemingen die onder de PAI-paraplu vielen en ondernemingen die gevestigd waren in IAZ’s, zoals uiteengezet in overweging 483.

(485)

Kortom, al het bovenstaande bevestigt dat AIB optreedt als financiële instelling waaraan taken zijn toevertrouwd en dat zij als zodanig financiering verstrekt aan de aangemoedigde automobielindustrie zonder naar behoren rekening te houden met commerciële overwegingen.

(c)   Financiële bijdrage

(486)

De lening die DMA van AIB (en indirect van AWB) ontving, vormde een financiële bijdrage in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen, omdat de betrokken financiële instelling van de Marokkaanse overheid de opdracht en de instructie had gekregen om preferentiële financiering te verstrekken, teneinde specifiek financiering te verstrekken aan de automobielsector. De Marokkaanse overheid heeft in verschillende beleidsdocumenten, zoals het PNEI of het PAI, toegezegd de ontwikkeling van de automobielsector te zullen financieren. Zoals uiteengezet in de overwegingen 136 en 137 heeft de Marokkaanse overheid in de in het kader van het PAI ondertekende prestatieovereenkomst voor het ecosysteem voor aandrijflijnen, waartoe de productie van aluminium wielen behoort, toegezegd investeringsbanken te mobiliseren om buitenlandse investeerders te ondersteunen. Vervolgens creëerde zij een specifieke functie, namelijk het verlenen van financiële steun aan de automobielsector. In de prestatieovereenkomst wordt rechtstreeks verwezen naar de partnerschapsovereenkomst tussen de Marokkaanse overheid en de AWB-groep. Anderzijds wordt in de investeringsovereenkomst tussen de Marokkaanse overheid en CITIC Dicastal ook het belangrijkste beleid beschreven dat de Marokkaanse overheid heeft vastgesteld om de automobielsector te ontwikkelen, met inbegrip van het PAI en de prestatieovereenkomst voor het ecosysteem voor aandrijflijnen. Daarom was de Commissie van oordeel dat AIB in opdracht van de Marokkaanse overheid handelde om de toezegging van de Marokkaanse overheid na te komen om financiering te verstrekken aan de automobielsector en de specifieke taak uit te voeren die de Marokkaanse overheid daartoe had gecreëerd.

(487)

De Commissie heeft ook onderzocht of het verstrekken van leningen tegen preferentiële voorwaarden een functie is die in werkelijkheid niet afwijkt van overheidsfuncties. Dit criterium vereist dat wordt bevonden dat de levering van goederen door de particuliere lichamen waaraan functies worden toevertrouwd in werkelijkheid niet afwijkt van de hypothetische levering van dergelijke goederen door de overheid zelf. De Commissie is van oordeel dat dit het geval is. Om de doelstellingen van het Marokkaanse overheidsbeleid te verwezenlijken om de ontwikkeling van de automobielsector te stimuleren, heeft de Marokkaanse overheid, in plaats van de preferentiële leningen rechtstreeks te verstrekken, particuliere entiteiten opgedragen dit namens haar te doen. Bovendien moet een dergelijke handeling, voor zover een dergelijke verstrekking van leningen de uitgave van inkomsten met zich meebrengt (zoals het opofferen van marktrendementen door particuliere entiteiten), worden opgevat als de typische functies die de overheid normaal zelf zou vervullen (107).

(d)   Voordeel

(488)

Met de lening in kwestie is een voordeel verleend dat gelijk is aan het verschil tussen de rente die de begunstigde op de lening heeft betaald en het bedrag dat op een vergelijkbare commerciële lening zou zijn betaald.

(489)

Om een benchmarkrentevoet vast te stellen, heeft de Commissie rekening gehouden met de looptijd van de lening, de valuta ervan en de kredietwaardigheid van de onderneming, gemeten aan de hand van haar kortetermijnliquiditeit en de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 385 tot en met 388, heeft de Commissie vastgesteld dat DMA voor potentiële kredietverstrekkers en investeerders een hoog risicoprofiel had. Op basis daarvan heeft de Commissie gebruikgemaakt van de ICE BofA Euro High Yield Index, die de prestaties volgt van op de binnenlandse euro- of euro-obligatiemarkten in EUR openbaar uitgegeven bedrijfsschuld die een rating heeft onder beleggingskwaliteit.

(490)

In hun opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen voerden de Marokkaanse overheid en DMA aan dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat DMA een hoog risicoprofiel had opgeleverd voor AIB. De lening vormde een minimaal risico voor AIB, aangezien de bouw van de fabriek reeds was voltooid op het moment dat de lening werd verstrekt. Daarnaast beschikt DMA over een stabiele klantenkring, zoals blijkt uit een langetermijncontract met CITIC Dicastal.

(491)

De Marokkaanse overheid voerde ook aan dat de Commissie een ongeschikte benchmark heeft gebruikt om het voordeel te berekenen. De Marokkaanse overheid was van mening dat de vaststelling van de rentevoet door de Commissie in strijd was met artikel 14, punt b), van de SCM-overeenkomst van de WTO. Volgens de Marokkaanse overheid heeft de ICE BofA Euro High Yield Index, afkomstig van de Federal Reserve Bank of St. Louis, die door de Commissie wordt gebruikt, geen betrekking op leningen en heeft zij niets te maken met de commerciële leningen die in Marokko zijn verstrekt.

(492)

De Marokkaanse overheid voerde aan dat de Commissie veeleer IMF-gegevens over Marokkaanse rentevoeten als benchmark had moeten gebruiken, met name omdat IMF-gegevens regelmatig door de onderzoekende autoriteiten worden gebruikt in handelsbeschermingsprocedures in andere landen (met name in de Verenigde Staten). In tegenstelling tot de ICE BofA Euro High Yield Index biedt de IMF-benchmark rentevoeten per land. De Marokkaanse overheid heeft ook als mogelijk alternatief rentevoeten voorgesteld die AIB op feitelijke basis aanrekende voor in EUR luidende leningen die werden verstrekt aan Marokkaanse offshore-ondernemingen.

(493)

Het eerste argument met betrekking tot de keuze van de benchmark door de Commissie is van dezelfde aard als het argument van DMA met betrekking tot de berekening van het voordeel uit de grensoverschrijdende leningen, dat wordt beschreven in de overwegingen 393 tot en met 394 en vervolgens is behandeld en verworpen in overweging 399, waarin de Commissie benadrukte dat de benchmark het rendement van in EUR luidende risicovolle bedrijfsschulden vertegenwoordigde, d.w.z. hoeveel een crediteur die in EUR heeft geleend aan een onderneming met een dergelijk risicoprofiel heeft verdiend, hetgeen een afspiegeling vormt van het soort schuld van DMA, de valuta van de schuld van DMA en het investeringsrisicoprofiel van DMA. De Commissie heeft ook de door de Marokkaanse overheid voorgestelde geldmarkttarieven van het IMF voor Marokko als geschiktere benchmark onderzocht. De Commissie stelde vast dat de voorgestelde geldmarktrente van het IMF eerder overeenkomt met een interbancaire rentevoet (108) dan met een rente van een bank aan een onderneming. Daarom weerspiegelt zij het kredietrisico van de lening in dit geval niet en is zij dus niet geschikt als benchmark.

(494)

Daarnaast merkte de Commissie op dat het Excel-blad met de rentetarieven die AIB aanrekent op in EUR luidende leningen voornamelijk betrekking lijkt te hebben op ondernemingen in de automobielsector en/of in speciale economische zones. Om representatief te zijn als benchmark zou zij informatie moeten bevatten over ondernemingen die niet door het preferentiële beleid van de Marokkaanse overheid worden getroffen. De weinige regels die mogelijk betrekking konden hebben op dergelijke ondernemingen werden echter pas na de mededeling van de definitieve bevindingen toegevoegd en konden niet worden geverifieerd. De verstrekte informatie is ontoereikend om met zekerheid vast te stellen dat deze leningen niet onder het preferentiële beleid van de Marokkaanse overheid vallen en is ook ontoereikend om de kredietwaardigheid van de begunstigden van de verstrekte leningen te bepalen.

(495)

Het niveau van een rentevoet is immers niet alleen gekoppeld aan de valuta waarin zij wordt uitgegeven, maar ook aan het individuele kredietrisico van de onderneming. In dit verband heeft de Commissie in de overwegingen 385 tot en met 388 reeds vastgesteld dat de onderneming zich niet in een gezonde financiële situatie bevond, en de gebruikte benchmark weerspiegelt deze situatie, aangezien deze het rendement vertegenwoordigde van risicovolle bedrijfsschulden, d.w.z. hoeveel een crediteur die geld heeft geleend aan een onderneming met een dergelijk risicoprofiel heeft verdiend, en uitgedrukt in EUR, hetgeen dus de valuta van de schuld van DMA en het beleggingsrisicoprofiel van DMA weerspiegelt. Daarom heeft de Commissie een geschikte benchmark gebruikt die is aangepast aan de specifieke kenmerken van de aan DMA verstrekte lening.

(e)   Specificiteit

(496)

Deze regeling is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening omdat zij volgens het in punt 3.3 beschreven preferentiële beleid van Marokko beperkt is tot een specifieke aangemoedigde onderneming, aangezien deze deel uitmaakt van de automobielsector, en is ook regionaal specifiek omdat zij van toepassing is in een IAZ, zoals onder andere behandeld in punt 3.3.

(497)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistten de Marokkaanse overheid en DMA de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de specificiteit van de regeling. Volgens de Marokkaanse overheid bleek zowel uit de aanvraag van de lening door DMA als uit de resultaten van het onderzoek door AIB dat de lening in kwestie niet was verstrekt op basis van enig beleid van de Marokkaanse overheid of vanwege de vestiging van DMA in de IAZ. De Marokkaanse overheid voerde meer bepaald aan dat de aangemoedigde bedrijfstakken in hun geheel geen voldoende afzonderlijk segment van de economie vormen om als “bepaalde ondernemingen” in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening en artikel 2, lid 1, punt a), van de SCM-overeenkomst van de WTO te worden beschouwd. DMA onderstreepte ook dat de leningen van AIB niet beperkt waren tot de automobielindustrie en de in de IAZ gevestigde ondernemingen.

(498)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zoals uiteengezet in overweging 481, houdt de lening verband met het beleid van de Marokkaanse overheid en de partnerschapsovereenkomst en is zij dus een mechanisme ter ondersteuning van de automobielsector. De lening houdt ook verband met de ontwikkeling van de IAZ. Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden de Marokkaanse overheid en DMA aan dat de lening in kwestie niet was verstrekt op basis van enig beleid van de Marokkaanse overheid of omdat DMA in de IAZ was gevestigd, maar deze beweringen werden niet met bewijsmateriaal gestaafd.

(f)   Conclusie

(499)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Preferentiële financiering verstrekt door de Marokkaanse overheid

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

DMA

0,53  %

3.7.   Inkomsten waarvan de overheid afstand doet of die de overheid niet int

(500)

De klager beweert dat de in een IAZ gevestigde ondernemingen subsidies ontvangen in de vorm van vrijstellingen van verschillende fiscale, douane- en administratieve maatregelen. Om voor deze fiscale, douane- en administratieve maatregelen in aanmerking te komen, moeten ondernemingen een vergunning hebben om in een IAZ te zijn gevestigd.

(a)   Rechtsgrondslag

(501)

Bij Wet nr. 19-94 en Dahir nr. 1-95-1 van 26 januari 1995 zijn in Marokko de vrijhandelszones ingesteld. Overeenkomstig artikel 21 van Wet nr. 19-94 zijn goederen die vrijhandelszones binnenkomen vrijgesteld van invoerrechten.

(502)

Overeenkomstig artikel 6 van het algemeen belastingwetboek van Marokko, uitgave 2023, en hoofdstuk I van Circulaire nr. 733 betreffende de fiscale bepalingen van Begrotingswet nr. 50-22 voor het boekjaar 2023 zijn ondernemingen die actief zijn in de zones voor industriële versnelling gedurende de eerste vijf opeenvolgende jaren geheel vrijgesteld van inkomstenbelasting.

(503)

Overeenkomstig artikel 6 van Wet nr. 47-06, nadien gewijzigd bij Wet nr. 07-20, zijn ondernemingen die gevestigd zijn in de zones voor industriële versnelling vrijgesteld van bedrijfsbelasting.

(b)   Bevindingen van het onderzoek

(504)

IAZ’s worden opgericht naar Marokkaans recht bij Wet nr. 19-94 en Dahir nr. 1-95-1 van 26 januari 1995 (voorheen “vrije zones voor uitvoer” genoemd). IAZ’s zijn specifieke gebieden van het land die bestemd zijn voor industriële activiteiten voor uitvoer en aanverwante diensten. IAZ’s zijn vrijgesteld van de gemeenschappelijke regelgeving inzake buitenlandse handel en deviezencontrole. Elke IAZ wordt opgericht en afgebakend bij een decreet tot vaststelling van de aard en de activiteiten van de ondernemingen die zich in de zone kunnen vestigen.

(505)

Om zich overeenkomstig Wet nr. 19-94 in een IAZ te kunnen vestigen, moeten ondernemingen een aanvraag indienen en de vergunning verkrijgen van de plaatselijke commissie van exportverwerkingszones die door de gouverneur van de regio worden voorgezeten, en moeten zij ten minste 70 % van hun omzet behalen uit uitvoer.

(506)

Beide meewerkende producenten-exporteurs waren gevestigd in een IAZ. De Commissie stelde vast dat zij hadden geprofiteerd van:

een vrijstelling van invoerrechten op grondstoffen en kapitaalgoederen;

een vrijstelling en/of verlaging van de vennootschapsbelasting;

een vrijstelling van de bedrijfsbelasting (de belastingschuld wordt gebaseerd op de waarde van het vermogen van de onderneming).

(507)

Wat de kapitaalgoederen betreft, heeft DMA voor een aanzienlijk aantal transacties verzuimd goederencodes te melden of onjuiste goederencodes vermeld waaronder de apparatuur werd ingevoerd. De onderneming voerde tegelijkertijd voor geen van de gerapporteerde transacties het toepasselijke invoerrecht in.

(508)

Bij gebreke van de verlangde inlichtingen was de Commissie van mening dat zij cruciale en noodzakelijke informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen. Daarom paste de Commissie artikel 28, lid 1, van de basisverordening toe en greep zij voor deze punten terug op beschikbare gegevens.

(c)   Financiële bijdrage

(509)

Dergelijke praktijken vormen een financiële bijdrage in de vorm van gederfde inkomsten van de overheid (invoerrechten, vennootschapsbelasting, bedrijfsbelasting) die zouden zijn geïnd indien de overheid de vrijstelling niet had verleend.

(d)   Voordeel

(510)

Het voordeel voor de begunstigde van deze vrijstellingen is gelijk aan het bedrag aan invoerrechten en belastingbesparingen (het bedrag dat normaliter verschuldigd zou zijn, maar niet geïnd is).

(511)

Het financiële voordeel voor de ondernemingen als gevolg van de vrijstelling van invoerrechten is gelijk aan het bedrag van de besparingen op invoerrechten. Indien de overheid de vrijstelling niet had verleend, zouden invoerrechten van 2,5 % tot 40 % ad valorem zijn geïnd.

(512)

Met betrekking tot de gedeeltelijke niet-medewerking van DMA, zoals beschreven in de overwegingen 113 en 117, heeft de Commissie op basis van de beschikbare gegevens voor de onjuist of niet gerapporteerde goederencodes met betrekking tot kapitaalgoederen de in MacMap (109)vermelde invoerrechten gebruikt. Wanneer geen goederencodes konden worden vastgesteld, werden de meest representatieve rechten voor ingevoerde kapitaalgoederen gebruikt.

(513)

Voor kapitaalgoederen heeft de Commissie aan het onderzoektijdvak een deel van het totale voordeel toegerekend dat overeenkomt met het aandeel van de afschrijving op de waarde van de ingevoerde activa van de onderneming. Voor materialen en reserveonderdelen was de Commissie van oordeel dat het voordeel bestond in het totale bedrag aan gederfde invoerrechten tijdens het onderzoektijdvak.

(514)

Het financiële voordeel voor de ondernemingen dat voortvloeit uit de vrijstelling van de vennootschapsbelasting is gelijk aan de niet-geïnde belasting, die 32 % zou bedragen voor de buiten de IAZ gevestigde ondernemingen die niet dezelfde vrijstelling genieten.

(515)

De financiële voordelen voor de ondernemingen die voortvloeien uit de vrijstelling van de bedrijfsbelasting bestaan uit een vermeden financiële uitgave van 0,25 % van de totale omzet in de onderzochte periode en 0,003 % van de totale waarde van de activa van het boekjaar voorafgaand aan het onderzochte tijdvak.

(e)   Specificiteit

(516)

De voordelen in verband met de vrijstelling van invoerrechten en -heffingen zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, aangezien zij bij wet uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan ondernemingen die zijn gevestigd in speciale economische zones, waarvoor ondernemingen eerst een aanvraag moeten indienen en vervolgens door de staat moeten worden geselecteerd en goedgekeurd.

(517)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Marokkaanse overheid, DMA en Hands 8 verschillende opmerkingen ingediend over de verschillende subsidies die zijn toegekend in de vorm van gederfde of niet-geïnde overheidsinkomsten.

(518)

De Marokkaanse overheid en DMA merkten op dat de Commissie verplicht is de specificiteit te beoordelen van elk vermeend programma of instrument waartegen zij compenserende maatregelen wil instellen, en niet kan volstaan met één zin over specificiteit voor vier verschillende vermeende programma’s, zoals in overweging 516 is gebeurd.

(519)

Wat meer in het bijzonder de verlaging van de inkomstenbelasting betreft, voerden de Marokkaanse overheid en DMA aan dat deze werd toegepast op een zeer breed en divers scala van bedrijfstakken en sectoren en dat het vermeende programma derhalve niet beperkt was tot een voldoende discreet segment van de Marokkaanse economie om als “specifiek” in de zin van artikel 2, lid 1, punt a), van de SCM-overeenkomst van de WTO te kunnen worden aangemerkt. Er werd met name aangevoerd dat alle ondernemingen, ongeacht of zij al dan niet in de IAZ actief zijn, in aanmerking komen voor een vijfjarige vrijstelling voor industriële activiteiten waarvoor een vergunning is verleend. Voor ondernemingen buiten de zone bevat Decreet nr. 2-17-743 van 19 juni 2018 een lijst van sectoren, die zeer breed is en vrijwel alle industriesectoren van Marokko bestrijkt. De aard van de voorwaarden van de regeling (objectief, neutraal, horizontaal van toepassing) maakt de regeling dus niet-specifiek.

(520)

Wat de vrijstelling van de bedrijfsbelasting betreft, stelden de Marokkaanse overheid, DMA en Hands 8 dat alle nieuwe beroepsactiviteiten in aanmerking komen voor een totale vrijstelling van de bedrijfsbelasting over een periode van vijf jaar en dat dit ook geldt voor ondernemingen buiten de IAZ.

(521)

Wat het vermeende voordeel als gevolg van de schorsing van de douanerechten op grondstoffen betreft, merkten de Marokkaanse overheid, DMA en Hands 8 op dat een buiten de IAZ gevestigde onderneming ook in aanmerking kwam voor terugbetaling van rechten op grond van de artikelen 101 tot en met 103 (Aftrek en terugbetaling) van het Marokkaanse algemene belastingwetboek en artikel 159 (teruggave van rechten) van het Marokkaanse douanewetboek, indien zij invoerrechten op grondstoffen hadden betaald en vervolgens de eindproducten waarin deze grondstoffen zijn verwerkt hadden uitgevoerd.

(522)

Volgens de Marokkaanse overheid zou hetzelfde gelden voor de vrijstelling van douanerechten voor kapitaalgoederen: deze vrijstelling is universeel van toepassing in alle sectoren, ongeacht de locatie van de onderneming in de IAZ of niet. Deze vrijstelling wordt verleend op grond van artikel 164-1-p van het wetboek van indirecte belastingen, dat van toepassing is op materieel dat bestemd is voor projecten in het kader van investeringsprogramma’s met een waarde van 50 miljoen DH of meer.

(523)

De Commissie wees deze argumenten af. De voordelen die voortvloeien uit de preferentiële fiscale en douanebehandeling zoals hierboven beschreven, houden verband met de vestiging van de onderneming in de IAZ.

(524)

De vrijstelling van de inkomstenbelasting en van de bedrijfsbelasting voor ondernemingen die buiten de IAZ zijn gevestigd, zijn beperkt tot de eerste vijf jaar waarin ondernemingen actief zijn. Zowel DMA als Hands 8 waren in het OT al langer dan vijf jaar actief. Wat het voordeel en de specificiteit betreft, moet een vergelijking worden gemaakt tussen ondernemingen die zich in het OT in dezelfde situatie bevonden, d.w.z. tussen ondernemingen die meer dan vijf jaar actief waren en in IAZ zijn gevestigd, en ondernemingen die meer dan vijf jaar actief zijn en buiten de IAZ zijn gevestigd. Als een dergelijke vergelijking wordt gemaakt, kan gemakkelijk worden vastgesteld dat DMA en Hands 8 deze vrijstellingen van de inkomstenbelasting en de bedrijfsbelasting alleen in het OT konden genieten omdat zij zich in een IAZ bevonden. Bovendien zijn de vrijstellingen zelfs gedurende de eerste vijf jaar waarin een onderneming actief is, beperkt tot een gesloten lijst van industriële sectoren die één voor één specifiek worden opgesomd in Decreet nr. 2-17-743 van 19 juni 2018, en waarvoor de Marokkaanse overheid geen objectieve selectiecriteria heeft ingediend.

(525)

Wat de regeling inzake de teruggave van rechten en de daaropvolgende vrijstelling van invoerrechten op grondstoffen betreft, kunnen deze rechten mogelijk worden terugbetaald aan de ondernemingen buiten de IAZ. Om als een passende regeling inzake de teruggave van rechten te worden beschouwd, moet het verbruik van ingevoerde grondstoffen bij de productie van de uitgevoerde goederen worden gecontroleerd. In de IAZ gevestigde ondernemingen worden echter voorafgaand aan de productie en de uitvoer vrijgesteld van de betaling van deze invoerrechten en deze vrijstelling is automatisch. Bovendien beperkt het douanewetboek de regeling voor de terugbetaling van rechten buiten de IAZ tot bepaalde ingevoerde producten, die gewoonlijk met een specifieke bijzondere bestemming verband houden (110). De door de producenten van aluminium wielen ingevoerde grondstoffen staan niet op die lijst. Indien zij buiten de IAZ waren gevestigd, konden zij dus helemaal niet in aanmerking komen voor teruggave van rechten.

(526)

Ten slotte is ook de vrijstelling van invoerrechten voor kapitaalgoederen buiten de IAZ beperkt tot bepaalde sectoren, namelijk tot de ondernemingen met een ondertekende investeringsovereenkomst, en slechts voor de periode van drie jaar vanaf de oprichting van de onderneming, met een mogelijke verlenging met nog eens twee jaar (111). Zoals reeds uiteengezet in overweging 524, waren zowel DMA als Hands 8 tijdens het OT al meer dan vijf jaar operationeel. In de situatie die tijdens het OT bestond, konden beide ondernemingen dus alleen voor deze vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen omdat zij in een IAZ waren gevestigd. Bovendien beperkt artikel 164, lid 1, van het douanewetboek, zelfs tijdens de eerste vijf jaar waarin een onderneming actief is, de vrijstelling van invoerrechten op kapitaalgoederen tot ondernemingen die een investeringsovereenkomst met de Marokkaanse overheid hebben gesloten. Zoals benadrukt in de algemene achtergrond van het Marokkaanse industriebeleid in punt 3.3, in de toelichting bij het investeringsproject van DMA in punt 3.4.3 en in de werking van het IDIF-fonds in punt 3.6.1, zijn investeringsovereenkomsten intrinsiek verbonden met het preferentiële beleid van de Marokkaanse overheid voor aangemoedigde industriële sectoren, zoals die onder de paraplu van het PAI. De goedkeuring en ondertekening van een investeringsovereenkomst met de Marokkaanse overheid is bijvoorbeeld een voorwaarde voor het ontvangen van subsidies van het IDIF of voor het ontvangen van goedkope grond in een IAZ. Bijgevolg zijn vrijstellingen van invoerrechten op kapitaalgoederen zelfs tijdens de eerste periode van vijf jaar beperkt tot de sectoren die door de Marokkaanse overheid worden aangemoedigd onder de paraplu van het PAI.

(2)   Conclusie

(527)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Vrijstelling van belastingen en invoerrechten in IAZ’s

Naam van de onderneming

Omschrijving

Subsidiepercentage

DMA

Invoerrechten op grondstoffen

1,33  %

DMA

Invoerrechten op kapitaalgoederen

1,74  %

DMA

Vennootschapsbelasting

0,99  %

DMA

Bedrijfsbelasting

0,47  %

Hands 8

Invoerrechten op grondstoffen

1,87  %

Hands 8

Invoerrechten op kapitaalgoederen

0,25  %

Hands 8

Vennootschapsbelasting

0,28  %

Hands 8

Bedrijfsbelasting

0,49  %

3.8.   Verstrekking van grond door de Marokkaanse overheid tegen een ontoereikende prijs

(528)

De klager stelt dat de Marokkaanse Staat zich er in het plan voor industriële versnelling toe heeft verbonden 1 000 hectare ter beschikking te stellen voor de aanleg van nieuwe industrieterreinen die gereed zijn voor gebruik, op verzoek en tegen aantrekkelijke prijzen. Bovendien profiteren geïntegreerde sectorale industriële platforms vaak van de status van vrije zone en worden hier grond, gebouwen, logistiek, diensten en opleiding ter plaatse gecombineerd (112). De Marokkaanse Staat publiceert elk jaar een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de selectie van projecten voor de aanleg of sanering van industrieterreinen die in aanmerking komen voor een financiële subsidie van de Marokkaanse overheid.

(529)

Onder verwijzing naar de jaren voorafgaand aan het onderzoektijdvak verwees de klager naar het feit dat de Marokkaanse rekenkamer (“Cour des Comptes”) er in 2018 op wees dat de keuze van grond voor het creëren van nieuwe industriegrond wordt bepaald door de juridische status van de grond (staat, collectief) om de kosten tot een minimum te beperken. Als gevolg daarvan zijn de meeste nieuwe industrieterreinen staatsgronden of collectieve gronden (113). De totale kosten van de werkzaamheden en ontwikkeling van nieuwe industrieparken worden door de staat gefinancierd. In 2016 beliepen deze 11,87 miljard MAD (1,1 miljard EUR) voor geïntegreerde industrieparken en 3,86 miljard MAD (360 miljoen EUR) voor industrieparken. Naast de werkzaamheden ter plaatse hebben overheidsinstanties tot 1,12 miljard MAD (100 miljoen EUR) gefinancierd voor werkzaamheden buiten het terrein (water- en energievoorziening, sanitaire voorzieningen en infrastructuur voor toegang tot locaties).

(a)   Rechtsgrondslag

(530)

De verstrekking van grond onder de preferentiële voorwaarden is gebaseerd op:

het Nationaal pact voor de industrialisering 2009-2015;

het Plan voor industriële versnelling 2014-2020;

de uitvoeringsovereenkomst inzake planning, ontwikkeling, promotie, marketing en beheer van het geïntegreerde industriële platform Kenitra, ondertekend door het ministerie van Economie en Financiën, het ministerie van Industrie en Handel, het Hassan II-fonds en MEDZ Group CDG, november 2010;

de uitvoeringsovereenkomst inzake planning, ontwikkeling, promotie, marketing en beheer van het geïntegreerde industriële platform Tanger-Jouamaa, ondertekend door het ministerie van Economie en Financiën, het ministerie van Industrie en Handel, het Hassan II-fonds en het Tangier Mediterranean Special Agency, augustus 2012;

de investeringsovereenkomst voor het opzetten van een industrieel project voor de productie van aluminium wielen in het Koninkrijk Marokko tussen het Koninkrijk Marokko en CITIC Dicastal, 26 juli 2018;

de investeringsovereenkomst voor het opzetten van een industrieel project voor de productie van aluminium wielen in het Koninkrijk Marokko tussen het Koninkrijk Marokko, Hands Corporation Ltd. en Hands 8, 19 februari 2018.

(b)   Bevindingen van het onderzoek

(531)

Beide meewerkende producenten-exporteurs zijn gevestigd in een IAZ: DMA in de Atlantic Free Zone in Kénitra (“AFZ”); Hands 8 in de Tanger Automotive City/Tanger Free Zone (“TAC/TFZ”). De IAZ’s zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door beheersmaatschappijen:

MEDZ Group CDG (“MEDZ”) is eigenaar en exploitant van de AFZ;

Tanger Med Group (“TMG”) is eigenaar en exploitant van de TAC/TFZ.

(532)

Beide meewerkende producenten-exporteurs kochten grond aan van de ondernemingen die de respectieve IAZ beheerden. Een onderneming moet van de Marokkaanse overheid toestemming hebben gekregen om zich op grond van haar investeringsovereenkomst in een IAZ te vestigen.

(533)

MEDZ is bijna volledig in handen van CDG Développement (“CDGD”) (zeven personen bezitten elk één aandeel, tegenover 21 500 aandelen in eigendom van CDGD en één aandeel in eigendom van Caisse de Dépôt et de Gestion (“CDG”)). CDGD is een volle dochteronderneming van CDG, dat in eigendom is van de staat en dat een publiekrechtelijke en bij wet opgerichte overheidsinstantie is (die valt onder Dahir nr. 1-59-074 van 10 februari 1959), die tot taak heeft middelen vrij te maken ter ondersteuning van het overheidsbeleid ten dienste van de economische ontwikkeling van Marokko.

(534)

TMG is een staatsonderneming. De belangrijkste aandeelhouder is het Hassan II-fonds met een belang van 87,5 %, gevolgd door minderheidsaandeelhouders: de Marokkaanse overheid (12,38 %) en de CDG-groep (0,12 %). Zoals in overweging 462 is vastgesteld, is HIIF een overheidsinstantie.

(535)

De niet-ontwikkelde grond die door de beheersmaatschappijen werd verworven, was grotendeels in handen van de staat, aangezien het om collectieve stamgebieden ging die door het ministerie van Landbouw werden beheerd. De prijs voor deze gronden werd vastgesteld door een regeringscommissie. De infrastructuurwerkzaamheden die nodig waren om de grond geschikt te maken voor industriële investeerders, werden door de beheersmaatschappijen uitgevoerd in overeenstemming met een door de staat goedgekeurd bedrijfsplan. Bovendien verstrekte het Hassan II-fonds subsidies aan de beheersmaatschappijen voor een deel van deze infrastructuurwerkzaamheden. Ten slotte zijn de beheersmaatschappijen op grond van een met de Marokkaanse overheid gesloten overeenkomst verplicht een prijs in rekening te brengen voor de ontwikkelde grond na voltooiing van de infrastructuurwerkzaamheden, zoals bepaald door de overheid in de bovengenoemde overeenkomst. Deze respectieve preferentiële prijzen werden eerder door de Marokkaanse overheid vastgesteld in de bijlagen bij de in overweging 344 genoemde uitvoeringsovereenkomsten tussen het HIIF, de ministeries van de Marokkaanse overheid en de beheersmaatschappijen van de in punt a) bedoelde IAZ’s. In het kader van deze overeenkomsten verbinden de beheersmaatschappijen van de IAZ’s zich ertoe deze prijslijst na te leven. Tijdens het controlebezoek erkende de Marokkaanse overheid dat deze prijs lager is dan de normale marktprijs, aangezien deze een winstmarge inhoudt die lager is dan de normale winst die door een particuliere marktdeelnemer zou worden verlangd. Bovendien bevestigde de Marokkaanse overheid dat zij de beheersmaatschappijen subsidies verstrekte die uit het HIIF werden gefinancierd voor de ontwikkeling van de infrastructuur, waardoor de verkoopprijs van dergelijke grond verder daalde. Ten slotte verplicht de overeenkomst tussen de beheersmaatschappij en de Marokkaanse overheid de beheersmaatschappij om de door de Marokkaanse overheid vastgestelde verkoopprijs te verlagen indien zij minder kosten maakt dan voorzien voor de infrastructuurwerkzaamheden. De beheersmaatschappijen kregen dus de opdracht om de prijs van de grond die aan in de IAZ’s gevestigde ondernemingen werd verkocht, vast te stellen op een niveau dat lager was dan de normale marktprijs.

(536)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Marokkaanse overheid dat de bevinding van de Commissie dat het Hassan II-fonds voor economische en sociale ontwikkeling (hierna: “HIIF”) een “overheidsinstantie” is, niet in overeenstemming is met artikel 2, punt b), van de basisverordening en artikel 1, lid 1, punt a), 1), van de SCM-overeenkomst van de WTO. De bevindingen dat de Marokkaanse overheid betekenisvolle zeggenschap over het HIIF uitoefende, waren gebrekkig, aangezien de Commissie alleen de benoeming van de directie bij een entiteit beschouwde als bewijs van betekenisvolle zeggenschap. De Marokkaanse overheid wees erop dat het HIIF onafhankelijk moet handelen volgens de besluiten van de raad van bestuur. Deze raad van bestuur bestaat uit drie leden die onafhankelijk zijn van de regering. Overeenkomstig artikel 10 van Wet nr. 36.01 heeft de raad van bestuur de operationele controle over de besluiten van het HIIF en niet de directieraad.

(537)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 458 tot en met 463, wordt het HIIF volledig gefinancierd uit de staatsbegroting van Marokko, heeft de Marokkaanse Staat de bevoegdheid om toezicht uit te oefenen op de activiteiten en het algemene beheer van het fonds en heeft hij de uiteindelijke controle- en toezichtbevoegdheden met betrekking tot onder meer de selectiecriteria voor subsidiabele projecten en de feitelijke financieringsbesluiten en de uitbetaling van middelen. Bovendien wordt de raad van bestuur van het fonds volgens het antwoord van het HIIF op de vragenlijst voorgezeten door de premier en heeft hij verschillende hoge overheidsfunctionarissen als leden, terwijl de uitvoerende raad van het fonds (die inderdaad uit drie leden bestaat) nog niet was benoemd, met uitzondering van de voorzitter. De voorzitter van de uitvoerende raad van het HIIF had moeten worden benoemd overeenkomstig artikel 49 van de grondwet, zoals vereist bij Wet nr. 08-21 (114). In aanhangsel nr. 1 bij die wet (“Lijst van strategische openbare instellingen en ondernemingen”) staat het HIIF duidelijk vermeld. In artikel 49 van de grondwet (115) wordt verwezen naar de benoemingen “op voordracht van de regeringsleider en op initiatief van de betrokken minister, tot […] alsmede tot de hoofden van strategische openbare instellingen en ondernemingen. In een organieke wet wordt de lijst van deze strategische instellingen en ondernemingen gespecificeerd”.

(c)   Financiële bijdrage

(538)

Dergelijke praktijken vormen een financiële bijdrage in de vorm van de verstrekking van grond tegen een ontoereikende prijs die eigendom is van entiteiten die hiertoe opdracht krijgen van de Marokkaanse overheid. MEDZ en TMG, die indirect in handen zijn van de staat, hebben bij de uitvoeringsovereenkomsten de opdracht gekregen om goedkope grond aan te bieden en aldus de publieke taak te vervullen om de doelstellingen van de Marokkaanse overheid te verwezenlijken om de automobielsector te ontwikkelen.

(d)   Voordeel

(539)

Een voordeel in het kader van deze regeling wordt berekend als het verschil tussen wat de begunstigden daadwerkelijk hebben betaald en wat zij hadden moeten betalen als zij de goederen of diensten tegen marktvoorwaarden zouden hebben aangekocht.

(540)

Aangezien alle in soortgelijke zones vastgestelde prijzen preferentieel zijn en bij gebrek aan informatie over de marktprijs van ontwikkelde grond in Marokko tijdens het onderzoektijdvak, heeft de Commissie de hypotheekovereenkomst van DMA — waarbij de bank de reële marktwaarde van de door DMA als onderpand verstrekte grond onafhankelijk beoordeelde — gebruikt als benchmark voor de marktprijs van grond. Aangezien de hypotheekovereenkomst in 2023 werd gesloten, maar de meewerkende producenten-exporteurs de grond in 2018 en 2019 kochten, heeft de Commissie de benchmark aangepast op basis van de variatie in de prijs van de index voor industrieel vastgoed voor Marokko. Aangezien de grond naar verwachting gedurende een langere periode in gebruik zal zijn, heeft de Commissie 1/30 van het totale voordeel toegewezen aan het onderzoektijdvak.

(541)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de Marokkaanse overheid en DMA aan dat de Commissie geen gebruik mocht maken van de hypotheekovereenkomst van DMA van 2023, met inbegrip van de beoordeling van de waarde van de grond als benchmark voor de marktprijs van de in 2018 en 2019 aangekochte grond. Hoewel de Commissie de benchmark heeft gecorrigeerd op basis van de variatie in de index voor industrieel vastgoed voor Marokko, was deze benchmark voor de grondprijs volgens de Marokkaanse overheid en DMA niet representatief voor grond in verschillende delen van Marokko, die niet vergelijkbaar zijn.

(542)

De Commissie heeft het argument verworpen. De benchmark die werd gebruikt voor de berekening van het voordeel was de werkelijke marktwaarde van de grond van DMA, gecorrigeerd voor inflatie tot het onderzoektijdvak.

(543)

Ook voerde Hands 8 in zijn opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen aan dat de benchmark die werd gebruikt om de marktwaarde van grond te bepalen, ongeschikt was. De onderneming wees erop dat zij in Tanger was gevestigd, terwijl de door de Commissie gebruikte benchmark betrekking had op grond in Kénitra. Hands 8 voerde aan dat er aanzienlijke verschillen waren in de prijs van de grond, afhankelijk van de locatie. In dit verband heeft de partij een onafhankelijk taxatierapport verstrekt waarin de marktwaarde van de grond die eigendom is van Hands 8 werd geraamd op basis van de prijzen van grond nabij en buiten de TAC zoals geregistreerd door het kadaster van Tanger (Conservation Foncière de Tanger).

(544)

De Commissie heeft het argument verworpen. Ten eerste dateert het taxatierapport van januari 2024 en diende de onderneming het pas in na de mededeling van de definitieve bevindingen. Daarom kon niet worden uitgesloten dat de onderneming het rapport uitsluitend voor dit onderzoek heeft gecontracteerd om de Commissie een vermeende marktgebaseerde waarde van de grond te verstrekken. Belangrijker is dat de in het taxatierapport verstrekte informatie niet vergezeld ging van de onderliggende documenten die werden gebruikt om de grondwaarde te bepalen. Zo kon de Commissie op basis van het rapport de ligging van de percelen, de vergelijkbaarheid van de grond met de grond die eigendom is van Hands 8, en de nauwkeurigheid van de totale prijs en omvang van de percelen die in aanmerking werden genomen, niet bevestigen.

(e)   Specificiteit

(545)

De voordelen in verband met de verstrekking van grond tegen een ontoereikende prijs zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, aangezien alleen ondernemingen die door de Marokkaanse overheid zijn geselecteerd en gevestigd zijn in speciale economische zones, d.w.z. aangewezen geografische regio’s binnen de jurisdictie van de steunverlenende autoriteit, in aanmerking komen (zie overweging 535).

(546)

Zoals vermeld in de overwegingen 124 tot en met 127, werd de automobielsector in het PNEI, dat later is vervangen door het PAI, specifiek aangemerkt als een van de belangrijkste bedrijfstakken waarvan de ontwikkeling onder meer moet worden ondersteund door de oprichting van geïntegreerde industriële platforms. De Marokkaanse overheid richtte twee van dit soort platforms, één in Kénitra en één in Tanger, op de automobielsector en verleende hun de status van IAZ.

(547)

De investeringsovereenkomsten tussen de Marokkaanse overheid en de investeerders van de twee meewerkende producenten-exporteurs bevestigen dat de Marokkaanse overheid de ondernemingen uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft geboden om zich in de respectieve IAZ’s te vestigen. In de overeenkomsten wordt ook verwezen naar het feit dat in de respectieve zones waar de investeringen worden gedaan, wordt geprofiteerd van de voordelen die voortvloeien uit de speciale regelingen van Marokko in deze zones, met inbegrip van de voordelen die voortvloeien uit Wet 19/94, zoals nader beschreven in de overwegingen 124 tot en met 127. De Marokkaanse overheid verbond zich er ook toe de ondernemingen bijstand te verlenen bij de aankoop van de grond in de zones.

(f)   Conclusie

(548)

Het subsidiepercentage dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de meewerkende producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Verstrekking van grond voor een ontoereikende prijs

Naam van de onderneming

Subsidiepercentage

DMA

0,38  %

Hands 8

1,14  %

3.9.   Regelingen waartegen geen compenserende maatregelen zijn ingesteld

(549)

Er werd geen bewijs van subsidiëring gevonden in verband met de volgende regelingen:

de exportkredietverzekering in het kader van de samenwerking tussen de Chinese en de Marokkaanse overheid;

de vrijstelling van btw op ingevoerde kapitaalgoederen;

de steun voor beroepsopleiding.

3.10.   Conclusie over subsidiëring

(550)

De Commissie heeft het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor de meewerkende ondernemingen overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening berekend door elke subsidie of elk subsidieprogramma te onderzoeken, en heeft deze cijfers opgeteld om voor elke producent-exporteur in het onderzoektijdvak de totale subsidiëring te berekenen. Om de totale subsidiëring te berekenen, heeft de Commissie eerst het percentage van de subsidiëring berekend: dit is het subsidiebedrag als percentage van de totale omzet van de onderneming in het onderzoektijdvak. Dat percentage werd vervolgens gebruikt om het subsidiebedrag te berekenen dat werd toegekend voor de uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het onderzoektijdvak. Dit subsidiebedrag werd later uitgedrukt als een percentage van de cif-waarde van dezelfde uitvoer.

(551)

Aangezien er geen steekproef was en er dus geen andere meewerkende producenten-exporteurs waren, werd geen gewogen gemiddeld subsidiepercentage berekend.

(552)

Aangezien de mate van medewerking hoog was, achtte de Commissie het passend het residuele subsidiepercentage vast te stellen op het niveau van de meewerkende onderneming met het hoogste subsidiepercentage.

(553)

Aangezien de situatie van DMA vrij abnormaal was (de Commissie heeft geen bewijs gevonden van een soortgelijke subsidiëring door de Marokkaanse overheid in samenwerking met de Chinese overheid of de overheid van andere derde landen met betrekking tot Hands 8), achtte de Commissie het passend om de subsidiebedragen in verband met de samenwerking tussen de Marokkaanse en de Chinese overheid in mindering te brengen. Het resultaat was iets lager dan het voor Hands 8 vastgestelde subsidiebedrag (5,05 %), zodat het voor Hands 8 vastgestelde percentage als residueel percentage moet worden toegepast.

(554)

Op grond hiervan zijn de bedragen van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Naam van de onderneming

Totaal subsidiepercentage

DMA

31,45  %

Hands 8

5,60  %

Residueel

5,60  %

(555)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde DMA aan dat het definitieve subsidiepercentage overeenkomstig artikel 19.3 van de SCM-overeenkomst van de WTO moest worden gecorrigeerd voor het deel van de subsidiëring dat reeds door gelijktijdig ingestelde antidumpingmaatregelen werd aangepakt. De onderneming verwees naar situaties waarin het compenserende recht het volledige subsidiebedrag vertegenwoordigt en waarin antidumpingrechten, die ten minste tot op zekere hoogte op basis van dezelfde subsidiëring zijn berekend, gelijktijdig worden ingesteld. Dit is waarschijnlijk wanneer de dumpingmarges worden berekend op basis van een methode voor landen zonder markteconomie overeenkomstig de WTO-rechtspraak waarop DMA zich baseert (116). DMA wees er met name op dat de dumpingmarge van DMA in de afzonderlijke antidumpingprocedure was gebaseerd op de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor productsoorten die in representatieve hoeveelheden werden verkocht door de meewerkende producent-exporteur Hands 8. Daarnaast voerde DMA aan dat Hands 8 volgens de bevindingen van dit antisubsidieonderzoek niet heeft geprofiteerd van de levering van kapitaalgoederen of grondstoffen tegen een ontoereikende prijs. In dat verband heeft DMA verzocht om op zijn minst de dumpingmarge te corrigeren voor het bedrag van de feitelijke lening in verband met kapitaalgoederen en de preferentiële prijs van grondstoffen voor DMA overeenkomstig artikel 19.3 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(556)

De Commissie was het hier niet mee eens. Om te beginnen merkte de Commissie op dat de overeenkomstige bepaling van artikel 19.3 van de SCM-overeenkomst van de WTO artikel 15, lid 2, van de basisverordening is. Het argument van DMA is gebaseerd op een verkeerd begrip van de methode die in de antidumpingprocedure is gevolgd als gevolg van het totale gebrek aan medewerking van DMA. Het argument is met name gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de Commissie de normale waarde van Hands 8 zou hebben gebruikt om te worden vergeleken met de uitvoerprijzen van DMA. Dit is niet juist. Als gevolg van het volledige gebrek aan medewerking van DMA aan de antidumpingprocedure werd deze onderneming immers onderworpen aan het residuele recht dat van toepassing was op alle niet-meewerkende ondernemingen in Marokko. Dit voor het gehele land geldende recht werd vastgesteld op basis van een deelverzameling van dumpingmarges voor productsoorten die in representatieve hoeveelheden werden verkocht door de enige meewerkende producent-exporteur in het antidumpingonderzoek, namelijk Hands 8. De dumpingmarges waren het resultaat van zowel de normale waarde als de uitvoerprijs, berekend voor Hands 8, die in gelijke mate werden beïnvloed door subsidiëring (indien van toepassing). Een dergelijke methode kan derhalve geen aanleiding geven tot een mogelijke dubbeltelling in de zin van artikel 15, lid 2, van de basisverordening. De methode die werd gebruikt om de normale waarde voor Hands 8 te berekenen, was de standaardmethode voor landen met een markteconomie en niet de methode voor landen zonder markteconomie die in de WTO-rechtspraak waarop DMA zich baseerde aan de orde was. In situaties waarin de standaardmethode wordt toegepast, kon dubbeltelling alleen plaatsvinden in het geval van uitvoersubsidies, waardoor de uitvoerprijs rechtstreeks wordt verlaagd. Dit is hier niet het geval, aangezien er geen sprake was van dubbeltelling als gevolg van artikel 15, lid 2, of artikel 24, lid 1, met betrekking tot Hands 8. In dit verband zou de stelling van DMA ook leiden tot de paradoxale situatie dat hoewel er geen sprake was van dubbeltelling en geen aftrek voor Hands 8, DMA daarentegen in aanmerking zou komen voor een dergelijke aftrek op basis van haar vermeende en ongegronde dubbeltelling. Het feit dat Hands 8 niet heeft geprofiteerd van de levering van grondstoffen tegen een ontoereikende prijs of van een feitelijke lening is juridisch irrelevant en doet aan deze conclusie niets af. De Commissie merkte hoe dan ook op dat de aldus berekende dumpingmarge in het kader van de toepassing van de beschikbare gegevens als maatstaf was gekozen voor de vaststelling van de residuele dumpingmarge voor de niet-meewerkende producenten, met inbegrip van DMA, ter vervanging van de marge die zou zijn berekend indien DMA zou hebben meegewerkt. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(557)

Voorts verwees DMA na de mededeling van de definitieve bevindingen naar artikel 19.1, artikel 19.4 en artikel 21.1 van de SCM-overeenkomst van de WTO en naar artikel VI:3 van de GATT 1994, en wees zij erop dat een onderzoekende autoriteit, om vast te stellen of er nog steeds compenserende rechten nodig zijn, moet vaststellen of er sprake is van subsidiëring, d.w.z. of de subsidie blijft bestaan.

(558)

In dit verband verwees de onderneming naar het feit dat DMA aan het einde van het onderzoektijdvak van eigenaar veranderde. Zoals uiteengezet in de overwegingen 247 en 262, verkocht Dicastal Asia haar deelneming in DMA aan CITIC Dicastal. DMA voerde aan dat de Commissie rekening had moeten houden met de bevindingen van het WTO-panel in de zaak US — Lead and Bismuth II. Volgens punt 6.81 van het verslag van het panel geldt dat bij een verandering van eigenaar tegen reële marktwaarde een niet-terugkerende financiële bijdrage die aan een eerdere onderneming is toegekend niet kan worden beschouwd als een financiële bijdrage en een indirect aan een opvolgende onderneming toegekend voordeel.

(559)

In dit verband voerde DMA aan dat zij voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit blijkt dat er tijdens het onderzoektijdvak sprake was van een verandering van eigenaar tegen reële marktwaarde. Volgens DMA heeft de Commissie echter niet onderzocht of er na de overname van DMA door CITIC Dicastal nog steeds sprake was van een financiële bijdrage en een voordeel.

(560)

De Commissie was het hier niet mee eens. Deze argumenten zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat CITIC Dicastal, Changsha Dicastal, Dicastal Asia, Dicastal HK en DMA niet-verbonden entiteiten waren en dat de onderliggende transacties tegen reële marktwaarde zijn verricht. Zoals ruimschoots is aangetoond in de overwegingen 248 tot en met 252, 256, 258, 262, 263, 269, 270 en 293 tot en met 313, concludeerde de Commissie dat CITIC Dicastal verbonden was met DMA en dat al deze entiteiten sinds het begin en tijdens de uitvoering van het Marokkaanse project verbonden waren. DMA heeft niet aangetoond dat de entiteiten niet verbonden waren, noch dat de betrokken transacties marktconform waren en de reële marktwaarde weerspiegelden. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

4.   SCHADE

4.1.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie

(561)

Tijdens het onderzoektijdvak werd het soortgelijke product door ongeveer 27 producenten in de Unie vervaardigd. Zij vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

(562)

De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 46,8 miljoen stuks. De Commissie heeft het cijfer vastgesteld op basis van alle beschikbare informatie met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie, zoals het antwoord op de macro-economische vragenlijst die door de klager werd ingediend. Zoals in overweging 49 is uiteengezet, vertegenwoordigen de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie 22 % van het geschatte totale productievolume van het soortgelijke product in de Unie.

4.2.   Verbruik in de Unie

(563)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld aan de hand van de totale verkoop door de bedrijfstak van de Unie in de Unie, plus de totale invoer in de Unie uit derde landen. De gegevens over de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie zijn verkregen uit de klacht en aangepast op basis van de gegevens in de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor het onderzoektijdvak. Voor de invoer heeft de Commissie zich gebaseerd op de Comext-databank van Eurostat. Aangezien de Comext-databank van Eurostat echter alleen het gewicht van de invoer vermeldt en niet het aantal ingevoerde stuks van aluminium wielen, moest het gewicht in aantal stuks worden omgerekend. De klager paste in de klacht dezelfde omrekeningsratio toe als de ratio die in het afzonderlijke antidumpingonderzoek voor hetzelfde product werd gebruikt, namelijk 11,3 kg per stuk. Geen van de belanghebbenden maakte hierover opmerkingen. Deze verhouding werd derhalve bevestigd en gebruikt bij de vaststelling van het verbruik in de Unie per stuk.

(564)

De markt van de Unie is verdeeld over twee distributiekanalen: OEM en AM. Het grootste deel van de verkopen betreft echter de OEM-markt, met een marktaandeel van 90 %. Aangezien de Marokkaanse producenten uitsluitend op de OEM-markt verkochten en omdat de AM-markt een klein deel van de totale markt van de Unie uitmaakt, werd besloten het verbruik niet over de twee distributiekanalen te verdelen.

(565)

Het verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 1

Verbruik in de Unie

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Totaal verbruik in de Unie (x 1 000  stuks)

55 987

57 346

60 076

64 592

Index

100

102

107

115

Bron:

Comext-databank van Eurostat, EUWA en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(566)

Het verbruik in de Unie steeg tussen 2020 en het onderzoektijdvak met 15 %. Vanwege de COVID-pandemie was 2020 echter zo al een lage basis. In 2020 was de productie van de automobielsector aanzienlijk gedaald; dit had rechtstreekse gevolgen voor de leveranciers van aluminium wielen, aangezien hun verkoop daalde als gevolg van stillegging van de productie en van fabrieken. De markt verbeterde in 2021 licht, maar in het onderzoektijdvak lag het verbruik nog steeds ver onder het niveau van vóór de pandemie. Meer bepaald bedroeg het verbruik in 2019 ongeveer 74 miljoen stuks, wat 14 % hoger was dan het verbruik in het onderzoektijdvak.

4.3.   Invoer uit het betrokken land

4.3.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(567)

De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van de Comext-databank van Eurostat. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van het aandeel van deze invoer in het totale verbruik in de Unie.

(568)

De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Omvang van invoer (x 1 000 stuks) en marktaandeel

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Omvang van de invoer uit het betrokken land (x 1 000  stuks)

878

2 401

3 754

5 930

Index

100

273

428

675

Marktaandeel

2  %

4  %

6  %

9  %

Index

100

267

398

585

Bron:

Comext-databank van Eurostat.

(569)

In 2020 was de invoer uit Marokko goed voor ongeveer 878 000 stuks en had deze een marktaandeel van 2 %. De invoer nam in de beoordelingsperiode aanzienlijk toe, met een invoervolume van 5,9 miljoen stuks in het onderzoektijdvak en een marktaandeel van 9 %. Deze groei vond plaats ondanks het feit dat in juli 2022, na de inwerkingtreding van de voorlopige verordening (117), antidumpingrechten werden ingesteld. Deze invoer betrof uitsluitend de OEM-markt.

4.3.2.   Prijzen van de invoer uit het betrokken land, prijsonderbieding en verhindering van prijsverhoging

(570)

De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van de Comext-databank van Eurostat. De prijsonderbieding voor de invoer werd vastgesteld aan de hand van gegevens van de meewerkende producenten-exporteurs en de meewerkende producenten in de Unie.

(571)

De gewogen gemiddelde prijzen van de invoer in de Unie uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 3

Invoerprijzen (EUR/stuk)

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Marokko

41,7

45,6

57,2

54,4

Index

100

109

137

130

Bron:

Comext-databank van Eurostat.

(572)

De gemiddelde prijs van de invoer uit Marokko steeg tijdens de beoordelingsperiode met 30 %. Deze invoerprijs ligt echter ongeveer 16 % lager dan de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie en ongeveer 9 % onder de dichtstbijzijnde invoer uit een derde land van het soortgelijke product tijdens het onderzoektijdvak (zie de tabellen 7 en 11).

(573)

De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:

de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in rekening werd gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek; en

de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijzen per productsoort die door de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten in Marokko aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werden berekend, op cif-basis, met de nodige correcties voor douanerechten en kosten na invoer.

(574)

De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Aanpassingen voor de OEM/AM-verkoop werden niet noodzakelijk geacht, nu het AM-kanaal, dat goed is voor ongeveer 10 % van de verkoop, een beperkt effect heeft op de algemene beoordeling van de markt van de Unie. Daarom heeft de Commissie besloten het verbruik in het kader van dit onderzoek niet tussen de twee verkoopkanalen te splitsen. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daaruit bleek een prijsonderbiedingsmarge tussen 17,1 % en 46,5 % van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie.

(575)

Bovendien daalden de prijzen van de invoer uit Marokko in het onderzoektijdvak ten opzichte van 2022, terwijl het volume en het marktaandeel ervan op de markt van de Unie toenamen. Dit leidde ertoe dat de bedrijfstak van de Unie de prijzen in het onderzoektijdvak niet kon verhogen, aangezien de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen moest verlagen tot onder de productiekosten en verliezen moest incasseren om enig marktaandeel te behouden, ondanks de hoge productiekosten, die in vergelijking met 2022 nog steeds hoog waren.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Algemene opmerkingen

(576)

Overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de weerslag van de invoer met subsidie op de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische factoren die in de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(577)

Zoals in overweging 49 is vermeld, werd voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef.

(578)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van gegevens die zij van de klager in zijn antwoord op de macro-economische vragenlijst ontving en die zij corrigeerde op basis van de gegevens in de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor het onderzoektijdvak. De macro-economische gegevens hadden dus betrekking op alle producenten in de Unie. Bij het beoordelen van de micro-economische indicatoren ging de Commissie uit van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in hun antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. De gegevens hadden betrekking op de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(579)

De macro-economische indicatoren zijn productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de subsidiemarge en herstel van eerdere subsidiëring.

De micro-economische indicatoren zijn gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.4.2.   Macro-economische indicatoren

4.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(580)

De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 4

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Productievolume (x 1 000  stuks)

44 883

44 962

43 589

46 865

Index

100

100

97

104

Productiecapaciteit (x 1 000  stuks)

60 867

59 878

59 529

57 736

Index

100

98

98

95

Bezettingsgraad (%)

74  %

75  %

73  %

81  %

Index

100

102

99

110

Bron:

antwoorden op de vragenlijst van de Association of European Wheel Manufacturers (EUWA) en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(581)

Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie daalde tussen 2020 en 2022 met 3 %. Het productievolume bevond zich in 2020 al op een laag punt als gevolg van de COVID-19-pandemie. Tijdens het onderzoektijdvak nam de productie toe, voornamelijk als gevolg van het herstel van de bedrijfstak na stilleggingen van de productie tijdens COVID-19 en verstoringen van de mondiale toeleveringsketens. Het productievolume dat in het onderzoektijdvak werd bereikt, lag echter nog steeds bijna 18 % onder het volume van vóór de pandemie (57 097 000 stuks in 2019). Bovendien steeg de productie veel minder snel dan het verbruik in de betrokken periode (4 % tegenover 15 %, zie tabel 1).

(582)

Terwijl de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 5 % daalde, schommelde de bezettingsgraad tussen de 74 en 81 % (81 % in het onderzoektijdvak).

4.4.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(583)

De verkoopvolumes en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 5

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Verkoopvolume op de markt van de Unie (x 1 000  stuks)

39 720

39 126

38 427

41 919

Index

100

99

97

106

Marktaandeel (%)

71  %

68  %

64  %

65  %

Index

100

96

90

91

Bron:

EUWA en in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(584)

Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie daalde tussen 2020 en 2022 met 3 %, wat duidt op een verslechtering in die periode. De situatie van de bedrijfstak werd echter beter tijdens het onderzoektijdvak, toen producenten zich begonnen te herstellen van de COVID-19-crisis en de verstoringen van de toeleveringsketen die fabrikanten wereldwijd hadden getroffen. Ondanks dit herstel bleef het verkoopvolume aanzienlijk onder het niveau van vóór de pandemie (55 502 000 stuks in 2019) en steeg het in de betrokken periode veel minder sterk (6 %) dan het verbruik (15 %).

(585)

Hoewel het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak toenam, was er over het geheel genomen sprake van een verlies aan marktaandeel, dat tijdens de beoordelingsperiode met zes procentpunt daalde.

4.4.2.3.   Groei

(586)

Zoals uiteengezet in punt 4.4.2.1 daalde de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie met 5 %, terwijl het productievolume tijdens de beoordelingsperiode met 4 % steeg.

(587)

Hoewel er sprake is van een lichte stijging van de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie, wordt dit overschaduwd door de hogere productiekosten voor factoren zoals grondstoffen, arbeid en energieprijzen, zoals blijkt uit punt 4.3.2.

(588)

De toename van het volume van de invoer met subsidiëring en de stijging van de productiekosten hebben samen de mogelijkheid van herstel getemperd, ondanks enkele positieve veranderingen tijdens het onderzoektijdvak. Daarom werden de groeivooruitzichten van de bedrijfstak van de Unie in het algemeen in gevaar gebracht en was er sprake van een verlies aan marktaandeel.

4.4.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(589)

De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 6

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Aantal werknemers

16 797

16 620

16 026

16 654

Index

100

99

95

99

Productiviteit (stuks/werknemer)

2 672

2 705

2 720

2 814

Index

100

101

102

105

Bron:

EUWA en in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(590)

Het aantal werknemers bleef stabiel, met een lichte daling van één procentpunt tijdens de beoordelingsperiode. De productiviteit nam echter toe als gevolg van het gebruik van hulpbronnen en een grotere efficiëntie in de bedrijfstak van de Unie.

4.4.2.5.   Hoogte van het subsidiepercentage en herstel van eerdere subsidiëring

(591)

Alle subsidiepercentages lagen ver boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke subsidiebedragen voor de bedrijfstak van de Unie waren niet verwaarloosbaar, gezien het volume en de prijzen van de invoer uit het betrokken land.

(592)

Dit is het eerste antisubsidieonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke subsidiëring in het verleden vast te stellen.

4.4.3.   Micro-economische indicatoren

4.4.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(593)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 7

Verkoopprijzen in de Unie

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Gemiddelde verkoopprijs op de markt van de Unie (EUR/stuk)

49

53

70

65

Index

100

108

142

133

Productiekosten per eenheid (EUR/stuk)

49

66

84

82

Index

100

135

171

167

Bron:

in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(594)

De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie stegen tussen 2020 en 2022 met 42 % en daalden vervolgens met 9 % in het onderzoektijdvak.

(595)

Tijdens de beoordelingsperiode stegen de productiekosten in de Unie met 67 %. Deze stijging was voornamelijk het gevolg van hogere grondstofkosten, met name de aluminiumprijs, die in de beoordelingsperiode aanzienlijk steeg. Ook andere productiekosten stegen, waaronder energie- en loonkosten, maar in mindere mate. Als gevolg van de hogere productiekosten leverde de prijsverhoging door de bedrijfstak van de Unie de producenten geen voordeel op. Door de laaggeprijsde invoer met subsidiëring uit het betrokken land kon de bedrijfstak van de Unie de prijzen niet voldoende verhogen om de gestegen productiekosten te compenseren. Terwijl de productiekosten per eenheid tussen 2022 en het eind van het onderzoektijdvak met 4 % daalden, daalden de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 9 % om marktaandeel te behouden met het oog op de lage prijzen van de invoer met subsidiëring.

(596)

Deze stijging van de kosten en de aanhoudende prijsdruk door de invoer met subsidiëring uit het betrokken land leidden tot een afname van de winstgevendheid van de producenten in de Unie (zie tabel 10).

4.4.3.2.   Loonkosten

(597)

De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 8

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

33 078

35 319

38 494

43 960

Index

100

107

116

133

Bron:

in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(598)

De gemiddelde loonkosten per werknemer van de bedrijfstak van de Unie stegen tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk, met 33 %.

(599)

Arbeid is een belangrijk onderdeel van de totale productiekosten en een stijging van de loonkosten leidt tot een stijging van de productiekosten. Dit betekent dat producenten vaak hun prijzen zullen moeten verhogen om de totale kosten te dekken, wat betekent dat zij op lange termijn minder concurrerend zijn.

4.4.3.3.   Voorraden

(600)

De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 9

Voorraden

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Eindvoorraden (x 1 000  stuks)

492

686

642

718

Index

100

139

130

146

Eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie

1,1

1,5

1,5

1,5

Index

100

136

136

136

Bron:

in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(601)

De voorraden namen in de beoordelingsperiode met 46 % toe. Tussen 2021 en 2022 was er een daling van 9 %, maar in het onderzoektijdvak namen de voorraden weer met 12 % toe. De sector aluminium wielen in de Unie werkt met meerjarige kadercontracten tussen producenten en afnemers, waarbij laatstgenoemden de hoeveelheden en de prijzen vaststellen. Deze kadercontracten worden uitgevoerd middels aankooporders naar gelang van de behoeften van de afnemer. Hierdoor kan de bedrijfstak van de Unie zijn productie en voorraden plannen. Voorraden zijn derhalve geen belangrijke indicator bij de beoordeling van de prestaties van de bedrijfstak van de Unie.

4.4.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(602)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 10

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van omzet)

1  %

-3  %

-1  %

-3  %

Index

100

– 322

– 108

– 334

Kasstroom (x 1 000  EUR)

39 937

11 100

19 529

-1 041

Index

100

28

49

–3

Investeringen (x 1 000  EUR)

19 848

19 807

23 104

26 751

Index

100

100

116

135

Rendement van investeringen (%)

4  %

-1  %

-1  %

-2  %

Index

100

–25

–25

–50

Bron:

in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(603)

De Commissie stelde de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vast door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet.

(604)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk af tot sprake was van een verliesgevende situatie. Hoewel de verkoopprijzen tijdens het onderzoektijdvak stegen, was de bedrijfstak van de Unie niet in staat de stijgende kosten op te vangen, waardoor verlies werd gemaakt.

(605)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. In de beoordelingsperiode daalde de nettokasstroom sterk, met een dramatische 103 %. Deze grote daling van de nettokasstroom duidt erop dat de bedrijfstak van de Unie onder aanzienlijke financiële druk staat, aangezien zijn kasreserves zijn uitgeput door de verminderde winstgevendheid.

(606)

Het rendement van de investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Net als de winstgevendheid en de nettokasstroom vertoonde het rendement van investeringen tijdens de beoordelingsperiode een negatieve trend. De investeringen van de bedrijfstak van de Unie waren tussen 2020 en 2021 stabiel, met een stijging van de investeringen tijdens het onderzoektijdvak. Ondanks de toename van de investeringen, met name in automatisering en technologische verbeteringen, kon de bedrijfstak van de Unie echter geen positief rendement op zijn investeringen behalen. De negatieve trend ten aanzien van het rendement van investeringen gedurende de beoordelingsperiode toont aan dat de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk verslechterden.

(607)

De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren door hun verslechterde financiële situatie minder goed in staat om kapitaal aan te trekken. Het onvermogen om kapitaal aan te trekken heeft het vermogen van de bedrijfstak van de Unie belemmerd om te investeren in groei of herstel, waardoor zijn financiële problemen zijn verergerd en het vermogen van de bedrijfstak om op de druk van de markt te reageren, is ondermijnd.

(608)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen voeren ACEA (118), de Marokkaanse overheid (119) en DMA (120) aan dat er discrepanties zijn met de cijfers die zijn vastgesteld in het antidumpingonderzoek en het huidige antisubsidieonderzoek, die gebaseerd waren op de antwoorden op de macro-economische vragenlijst van EUWA. Beide hebben betrekking op 2020 en hoewel soortgelijke methoden en cijfers zijn gebruikt om macro-economische indicatoren te bepalen, heeft de Commissie verschillende cijfers vastgesteld. Zowel DMA als de Marokkaanse overheid voeren aan dat uit dit bewijs blijkt dat er geen objectief onderzoek naar positief bewijsmateriaal is verricht, in strijd met artikel 15.1 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(609)

EUWA (121) was het niet eens met hun argumenten en wees op twee belangrijke verschillen tussen het afzonderlijke antidumpingonderzoek en het huidige onderzoek. Ten eerste is het aantal bij het onderzoek betrokken producenten in de Unie veranderd. Ten tweede vertegenwoordigt EUWA niet 100 % van de productie in de Unie, zodat zij zich moet baseren op ramingen om een deel van de EU-markt te beoordelen. Als gevolg van deze veranderingen in de bedrijfstak van de Unie moest EUWA zowel de rechtstreeks verzamelde gegevens als de raming voor het resterende deel van de bedrijfstak van de Unie aanpassen. In het huidige onderzoek schatte EUWA dat de producenten in de Unie die gegevens verstrekten een percentage van de totale productie in de Unie vertegenwoordigden. Om de totale productie in de Unie te berekenen op basis van de door alle klagers verstrekte gegevens, werd een specifieke verhouding toegepast. De verhouding die werd gebruikt om de gegevens en de namen van de deelnemende ondernemingen te ramen, werd vertrouwelijk gehouden om te voorkomen dat het niveau van steun voor de klacht werd onthuld en om mogelijke vergeldingsmaatregelen te voorkomen. EUWA wees er ook op dat de verschillen in de invoergegevens deels het gevolg zijn van het feit dat de gegevens van Eurostat en Taric regelmatig worden gemonitord en gecorrigeerd, wat kan leiden tot discrepanties, afhankelijk van het moment waarop de gegevens worden geëxtraheerd.

(610)

De Commissie erkende de door EUWA aan de orde gestelde punten en was het ermee eens dat de Eurostat- en Taric-gegevens regelmatig worden gemonitord en gecorrigeerd, wat kan leiden tot wijzigingen en discrepanties in de beschikbare gegevens. De Commissie wees de aangevoerde argumenten af.

(611)

ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid voerden verder aan dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie, wat het volume betreft, niet wijst op schade, maar op de uitdagingen waarmee autofabrikanten in de EU worden geconfronteerd. Zij stellen dat de bedrijfstak van de Unie geen schade lijdt in termen van volume, maar in plaats daarvan wordt getroffen door de moeilijkheden die autofabrikanten ondervinden. Hoewel de volumes van aluminium wielen worden beïnvloed door de autoproductie in de Unie, wordt in de volumeanalyse geen rekening gehouden met de problemen van de autofabrikanten in de EU tijdens de pandemie, waarbij het herstel pas in 2022 van start ging. Desondanks blijft de autoproductie in de Unie aanzienlijk onder het niveau van vóór de pandemie. Zij voeren ook aan dat, hoewel de capaciteit en het marktaandeel tussen 2020 en het onderzoektijdvak niet zijn verbeterd, het just-in-time-systeem aantoont dat er in dit opzicht geen sprake is van schade. Het verbruik nam toe en de bedrijfstak van de Unie bereikte een bezettingsgraad van meer dan 80 %. Daarom zijn zij van mening dat de conclusie dat uit macro-economische indicatoren aanmerkelijke schade blijkt, niet in overeenstemming is met artikel 15.1 en artikel 15.4 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(612)

De Commissie erkende dat de autoproductie in de EU weliswaar mogelijk te lijden heeft gehad onder pandemiegerelateerde problemen, maar dat het belangrijk was te benadrukken dat de invoer met subsidiëring uit Marokko de markt blijft verstoren. Deze invoer wordt vaak onder de kostprijs geprijsd, waardoor de producenten in de Unie, die al te kampen hebben met stijgende productiekosten, extra onder druk komen te staan. Hoewel de bedrijfstak van de Unie een bezettingsgraad van meer dan 80 % heeft bereikt, bewijst dit op zich niet dat er geen sprake is van schade. De bezettingsgraad weerspiegelt niet altijd nauwkeurig de winstgevendheid of de marktomstandigheden. Als uitsluitend wordt gekeken naar de bezettingsgraad, en de winstgevendheidstrends en het verlies aan marktaandeel buiten beschouwing worden gelaten, ontbreekt het volledige beeld van de schade. Ondanks de gevolgen van de pandemie wordt de bedrijfstak van de Unie nog steeds geconfronteerd met aanmerkelijke schade als gevolg van de oneerlijke concurrentie door de invoer met subsidiëring tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbieden en onderdrukken. Bijgevolg wees de Commissie het argument af.

(613)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voeren ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid aan dat de potentiële prijseffecten van de invoer uit Marokko en de prijsfactoren op de markt voor aluminium wielen verkeerd zijn gekarakteriseerd. Zij stellen dat, aangezien op het PCN gebaseerde en statistische vergelijkingen waarop de Commissie zich beroept, niet toereikend zijn, de analyse van micro-economische indicatoren door de Commissie in verschillende opzichten gebrekkig is. Ten eerste merken zij op dat de statistische prijzen van de Marokkaanse invoer niet de laagste zijn op de markt en dat antidumpingrechten in aanmerking moeten worden genomen om een juist beeld te krijgen. Ten tweede stellen zij dat de prijsdruk niet het gevolg is van de invoer uit Marokko, maar van schommelingen in de aluminiumprijzen. ACEA voert voorts aan dat het gewicht per eenheid voor de invoer uit Turkije moet worden vastgesteld op 9,5 kg. Dit zou automatisch leiden tot grotere invoer uit Turkije tegen lagere eenheidsprijzen. De Marokkaanse overheid voert aan dat de analyse van micro-economische indicatoren derhalve niet in overeenstemming is met artikel 15.1 en artikel 15.4 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(614)

In haar opmerkingen erkende EUWA dat aluminiumprijzen belangrijk zijn, met name in het kader van meerjarige contracten. Zij voerde echter aan dat dit niet uitsluit dat andere factoren, zoals invoerdruk, negatieve gevolgen hebben voor de prijzen binnen de bedrijfstak van de Unie. Zoals blijkt uit het algemene informatiedocument, kon de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de laaggeprijsde invoer met subsidiëring uit Marokko de prijzen niet voldoende verhogen om de gestegen productiekosten te compenseren. De instroom van deze goedkopere invoer oefende een neerwaartse druk uit op de prijzen, ongeacht de grondstofkosten, en kon van invloed zijn op nieuwe onderhandelingen over contracten of toekomstige aanbestedingen. Hoewel de aluminiumprijzen een factor zijn, leidt het negeren van het effect van de toegenomen invoer uit Marokko op de neerwaartse druk op de prijzen derhalve tot een overdreven vereenvoudiging van de situatie en is dit niet overtuigend. EUWA voert aan dat het bewijsmateriaal wijst op een duidelijk verband tussen de stijging van de invoer uit Marokko en verhindering van prijsverhogingen, zelfs met schommelende aluminiumprijzen.

(615)

De Commissie merkte op dat aluminiumprijzen wel degelijk een rol spelen in de totale kosten van aluminium wielen. Uit het onderzoek bleek echter dat de prijs van de invoer met subsidiëring uit Marokko onder de productiekosten ligt, waardoor de prijzen op de markt van de Unie rechtstreeks onder druk komen te staan. Het verband tussen de invoer uit Marokko en de verhindering van prijsverhogingen blijft duidelijk, ongeacht de ontwikkeling van de aluminiumprijzen. Wat het argument van ACEA inzake het gewicht per eenheid van de invoer uit Turkije betreft, erkent de Commissie dat dit in het afzonderlijke antidumpingonderzoek is behandeld en dat uit dit onderzoek is gebleken dat de markttrend verschuift naar grotere wieldiameters, wat heeft geleid tot een toename van het gewicht per stuk. De Commissie is van mening dat het argument dat de analyse van de indicatoren niet in overeenstemming is met de SCM-overeenkomst van de WTO, onjuist is. De analyse van de Commissie omvat een uitgebreide beoordeling van de marktdynamiek, met inbegrip van het effect van de invoer met subsidiëring op de prijzen, het marktaandeel en de winstgevendheid. Het bewijsmateriaal ondersteunt de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie te maken heeft met aanmerkelijke schade als gevolg van oneerlijke concurrentie. Daarom heeft de Commissie deze argumenten verworpen.

4.4.4.   Conclusie inzake schade

(616)

Aangezien de meeste economische indicatoren een negatief beeld geven, duiden zij er duidelijk op dat de bedrijfstak van de Unie met aanzienlijke economische problemen kampt.

(617)

De omvang van de invoer uit het betrokken land is in de beoordelingsperiode aanzienlijk gestegen, waarbij het marktaandeel toenam van 2 % in 2020 tot 9 % in het onderzoektijdvak. De gemiddelde prijs van het ingevoerde product is ongeveer 16 % lager dan de prijs in de Unie. Deze groei van zowel het marktaandeel als de omvang van de invoer uit het betrokken land is bijzonder veelzeggend, aangezien op de invoer antidumpingrechten van toepassing zijn.

(618)

Hoewel de gemiddelde verkoopprijs in de Unie tijdens de beoordelingsperiode steeg, stegen de gemiddelde productiekosten met 67 % en wogen de voordelen van de prijsstijging hier niet tegen op. Dit leidde tot een verslechtering van de winstgevendheid. De prijsdruk van de invoer met subsidiëring tegen lagere prijzen leidde vanaf 2021 tot verliezen, die gedurende het onderzoektijdvak groter werden. De bedrijfstak van de Unie had marktaandeel verloren en de ontwikkeling van de kasstroom en het rendement van investeringen waren negatief, waardoor het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn activiteiten zelf te financieren, werd ondermijnd.

(619)

Zoals hierboven uiteengezet, vertoonden belangrijke economische indicatoren, zoals winstgevendheid, kasstroom, rendement van investeringen en marktaandeel, tijdens de beoordelingsperiode een aanzienlijke verslechtering. Deze verslechtering maakte het onmogelijk voor de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken, waardoor zijn groei uiteindelijk werd belemmerd en zelfs zijn voortbestaan in gevaar werd gebracht.

(620)

Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 4, van de basisverordening.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

(621)

Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met subsidiëring uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie tevens onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met subsidiëring uit het betrokken land, niet aan de invoer met subsidiëring werd toegeschreven. Deze factoren zijn: de COVID-19-pandemie, de invoer uit derde landen, de ontwikkeling van de productiekosten, de uitvoerprestaties en het verbruik.

5.1.   Gevolgen van de invoer met subsidiëring

(622)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie de wijzigingen in zowel het volume en de prijs van de invoer uit het betrokken land als de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie beoordeeld.

(623)

Tijdens de beoordelingsperiode nam de invoer uit het betrokken land aanzienlijk toe. Hoewel het verbruik in de Unie in deze periode ook toenam, profiteerde de bedrijfstak van de Unie niet van deze groei, aangezien zijn marktaandeel met 9 % daalde. Het marktaandeel van het betrokken land steeg in de beoordelingsperiode daarentegen van 2 % tot 9 %. Wat opvallend was, was dat deze sterke stijging van de invoer plaatsvond ondanks de instelling van antidumpingrechten op het betrokken product.

(624)

De gemiddelde prijs van het betrokken product uit Marokko steeg tussen 2020 en het onderzoektijdvak met 30 %. Hij bleef echter 16 % onder de gemiddelde prijs in de Unie. De grotere omvang van de laaggeprijsde invoer maakte het voor de bedrijfstak van de Unie moeilijk om te concurreren, in een context waarin de stijgende productiekosten in de Unie zijn vermogen om deze prijzen te volgen verder onder druk zetten.

(625)

De grotere invoervolumes uit het betrokken land in combinatie met de lage gemiddelde verkoopprijzen ervan hadden een negatieve invloed op de economische prestaties van de bedrijfstak van de Unie. Hoewel de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen verhoogde, maakte deze correctie het slechts mogelijk om bepaalde kosten te dekken, waardoor er geen ruimte was voor winst en zelfs verlies werd geleden.

(626)

Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de invoer uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend, waarbij zowel de omvang als de prijzen schade hebben veroorzaakt.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

5.2.1.   Invoer uit derde landen

(627)

Het volume van de invoer uit andere derde landen ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 11

Invoer uit derde landen

Land

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Turkije

Volume (x 1 000  stuks)

7 131

8 054

10 337

10 342

 

Index

100

113

145

145

 

Marktaandeel (%)

13

14

17

16

 

Index

100

110

135

127

 

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

50

53

67

66

 

Index

100

106

134

132

VRC

Volume (x 1 000  stuks)

2 215

2 093

1 791

1 807

 

Index

100

94

81

82

 

Marktaandeel (%)

4

4

3

3

 

Index

100

94

75

71

 

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

49

58

76

64

 

Index

100

118

155

131

Thailand

Volume (x 1 000  stuks)

1 532

1 410

1 553

1 513

 

Index

100

92

101

99

 

Marktaandeel (%)

3

2

3

2

 

Index

100

90

94

86

 

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

49

53

66

60

 

Index

100

108

135

122

Andere derde landen

Volume (x 1 000  stuks)

4 511

4 261

4 213

3 080

 

Index

100

94

93

68

 

Marktaandeel (%)

8

7

7

5

 

Index

100

92

87

59

 

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

63

75

97

95

 

Index

100

119

154

151

Totaal van alle derde landen behalve Marokko

Volume (x 1 000  stuks)

15 389

15 819

17 894

16 743

 

Index

100

103

116

109

 

Marktaandeel (%)

27

28

30

26

 

Index

100

100

108

94

 

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

53

60

75

71

 

Index

100

113

142

134

Bron:

Comext-databank van Eurostat.

(628)

De uit andere derde landen ingevoerde hoeveelheden hadden een marktaandeel van 27 % in 2020 en 26 % in het onderzoektijdvak, wat wijst op een lichte daling van zowel de omvang als het marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode. De gemiddelde invoerprijs van deze invoer steeg tussen 2020 en 2022 met 42 %, waarschijnlijk als gevolg van een herstel na de COVID-19-crisis. Dit was een tijdelijke piek, aangezien de prijs vervolgens in het onderzoektijdvak met 8 % daalde. Ondanks deze daling bleef de totale invoerprijs 9 % hoger dan de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie en ongeveer 31 % hoger dan de gemiddelde prijs van de invoer uit het betrokken land tijdens het onderzoektijdvak. Turkije is het enige derde land dat zijn marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode heeft vergroot. De prijs van de invoer uit Turkije tijdens het onderzoektijdvak was echter vergelijkbaar met die van de bedrijfstak van de Unie, maar was nog steeds 21 % hoger dan de prijs van de invoer uit het betrokken land.

(629)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voerden ACEA, de Marokkaanse overheid en DMA aan dat mogelijke schade het gevolg is van factoren die geen verband houden met de invoer uit Marokko. Zij stellen dat de invoer uit andere landen, met name Turkije, niet over het hoofd mag worden gezien. Ten eerste ontbreekt een uitgebreide evaluatie van de algemene trends in de invoer uit andere landen dan Marokko. De invoer uit Turkije is gestaag toegenomen en er zijn consistent grotere hoeveelheden op de EU-markt gekomen dan via de invoer uit Marokko, waardoor het marktaandeel van de invoer uit Turkije aanzienlijk hoger bleef dan dat van de invoer uit Marokko. Voorts stellen zij dat de omvang van de invoer uit Turkije wordt ondermijnd en dat de prijs per eenheid wordt opgedreven door het gebruik van een onjuiste omrekening van gewicht per stuk van 11,3 kg, terwijl Turkse aluminium wielen gemiddeld 9,5 kg wegen. Daarom is de analyse van de invoer uit andere derde landen dan Marokko en de schade die deze aan de bedrijfstak van de Unie heeft berokkend, niet in overeenstemming met artikel 15.1 en artikel 15.5 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(630)

De argumenten van ACEA, de Marokkaanse overheid en DMA dat mogelijke schade het gevolg is van factoren die geen verband houden met de invoer uit Marokko, gaan niet in op de belangrijkste kwestie in dit geval. Hoewel de invoer uit andere landen, waaronder Turkije, relevant is, gaat het idee dat de invoer uit Turkije groter moet zijn dan de gevolgen van de invoer uit Marokko mank. Het argument dat de invoer uit Turkije in grotere hoeveelheden de EU-markt heeft betreden, is onvoldoende reden om de specifieke gevolgen van de invoer uit Marokko buiten beschouwing te laten, en als zodanig werd dit argument afgewezen. De bewering dat de invoer uit Turkije in grotere hoeveelheden de EU-markt heeft betreden, is onvoldoende bewijs om de specifieke gevolgen van de invoer uit Marokko weg te nemen. Dit argument werd afgewezen. Daarnaast werd het argument met betrekking tot de omrekening van het gewicht per stuk voor Turkse aluminium wielen behandeld in het afzonderlijke antidumpingonderzoek, wat de Commissie ertoe heeft gebracht dit argument ook af te wijzen. Het argument dat de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden als gevolg van de invoer uit andere landen dan Marokko niet in overeenstemming is met artikel 15.1 en artikel 15.5 van de SCM-overeenkomst van de WTO, gaat voorbij aan het feit dat een goede beoordeling van alle bijdragende factoren, met inbegrip van de invoer uit Marokko, van essentieel belang is voor een nauwkeurige en eerlijke beoordeling van de situatie.

(631)

De Commissie concludeerde dat de invoer uit andere derde landen niet mede de oorzaak was van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden.

5.2.2.   COVID-19-pandemie

(632)

De COVID-19-pandemie had in 2020 ernstige negatieve gevolgen voor de markt van de Unie en de internationale markten. Vanaf het tweede kwartaal van 2020 stond de bedrijfstak van de Unie voor grote uitdagingen, aangezien de verkoop en de productie aanzienlijk vertraagden, waarbij de productie in sommige gevallen tijdelijk werd stopgezet. Het verbruik in de Unie daalde met 24 % ten opzichte van de jaren ervoor. De markt herstelde zich in 2021 en 2022 langzaam, waarbij het verbruik in het onderzoektijdvak met 15 % toenam. Deze stijging ligt echter nog steeds ruim onder het niveau van vóór de pandemie.

(633)

De stijging van de vraag na COVID-19 kwam niet ten goede aan de producenten in de Unie, maar wel aan de Marokkaanse invoer, die steeg tot meer dan vijf miljoen stuks in het onderzoektijdvak, met een marktaandeel van 9 %. In combinatie met het feit dat het marktaandeel van de invoer uit andere landen stabiel was, betekende dit dat het verlies van marktaandeel van de producenten in de Unie volledig te wijten was aan de sterke toename van de invoer met subsidiëring uit het betrokken land.

(634)

De Commissie concludeerde dat de COVID-19-pandemie niet mede de oorzaak was van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden.

5.2.3.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

(635)

De uitvoer van de producenten in de Unie ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 12

Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie

 

2020

2021

2022

Onderzoektijdvak

Uitvoervolume (x 1 000  stuks)

3 960

4 632

4 236

4 501

Index

100

117

107

114

Gemiddelde prijs (EUR/stuk)

61

77

114

77

Index

100

126

187

126

Bron:

EUWA voor uitvoerhoeveelheden en gemiddelde prijs op basis van gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(636)

De uitvoer naar niet-verbonden afnemers vertegenwoordigde 9,6 % van de totale productie van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak. In de beoordelingsperiode groeide het uitvoervolume met 17 %, ten opzichte van een lage basis in de periode 2020-2021, maar in het onderzoektijdvak daalde deze vervolgens met 3 %. De uitvoerprijs steeg tussen 2021 en 2022 aanzienlijk, voornamelijk als gevolg van het herstel van de bedrijfstak na de COVID-19-pandemie. De uitvoerprijs daalde tijdens het onderzoektijdvak echter tot het niveau van 2021, hoewel deze in dezelfde periode hoger bleef dan de prijs op de markt van de Unie.

(637)

Gezien de prijsniveaus van de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie naar derde landen heeft de Commissie geconcludeerd dat de uitvoerprestaties niet hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade.

5.2.4.   Verbruik

(638)

Het verbruik in de Unie steeg tijdens de beoordelingsperiode met 15 %, hoewel het ruim onder het niveau van vóór de pandemie bleef. Doorgaans zou een toename van het verbruik de bedrijfstak van de Unie ten goede komen, maar in dit geval deed zich het tegenovergestelde voor en daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 9 %. Ondertussen bleef de invoer uit het betrokken land stijgen tot meer dan 5,9 miljoen eenheden tijdens het onderzoektijdvak en nam het marktaandeel toe van 2 % in 2020 tot 9 % in het onderzoektijdvak.

(639)

Ondanks de toename van het verbruik werd de schade voor de bedrijfstak van de Unie voornamelijk veroorzaakt door de verhindering van een prijsverhoging als gevolg van de instroom van invoer met subsidiëring. Terwijl het verbruik toenam, daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, wat erop duidt dat de schade werd veroorzaakt door de concurrentiedruk van deze laaggeprijsde invoer.

5.2.5.   Gevolgen van meerjarige contracten en ontwikkeling van de productiekosten

(640)

De verkoop van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie was voornamelijk gebaseerd op meerjarige contracten met autofabrikanten, waarin de prijzen werden vastgesteld voor de duur van de productie van een specifiek automodel. Als gevolg daarvan is de flexibiliteit van de bedrijfstak van de Unie om de verkoopprijzen tijdens de looptijd van deze jaarcontracten te verhogen beperkt, zelfs wanneer de grondstofprijzen stijgen. Er zij op gewezen dat ongeveer 97 % van de verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gebaseerd is op jaarcontracten. De bedrijfstak van de Unie heeft over het algemeen de mogelijkheid om zijn prijzen aan te passen bij onderhandelingen over contracten voor het volgende jaar.

(641)

Hoewel de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie in deze periode stegen, was de stijging niet voldoende om de stijgende productiekosten te dekken. Zoals uiteengezet in punt 4.4.3.1, stegen de gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 67 %. Aangezien de invoer uit het betrokken land bleef toenemen, werd de bedrijfstak van de Unie geconfronteerd met prijsdruk die werd veroorzaakt door deze laaggeprijsde invoer. Als gevolg daarvan kon de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen niet langer naar behoren aanpassen om gelijke tred te houden met de stijgende productiekosten, wat leidde tot problemen met de winstgevendheid en verliezen vanaf 2021.

(642)

In hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid aan dat de schade te wijten is aan de ontwikkeling van de kosten van de producenten in de Unie, en niet aan de invoer met subsidiëring uit Marokko. Zij voeren aan dat de vermeende winstgevendheidsproblemen niet worden veroorzaakt door prijsdruk uit Marokko en dat de schade het gevolg is van stijgende kosten. De verkoop van aluminium wielen is gebaseerd op meerjarige contracten die zijn geïndexeerd aan de LME-aluminiumprijzen. Er is echter geen indexering voor vaste kosten en de aanname is dat productiviteitsverbeteringen kortingen vanaf het jaar na het begin van de productie rechtvaardigen. Als gevolg daarvan zullen de vaste kosten doorgaans dalen. Desondanks zijn er in de betrokken periode aanzienlijke bewijzen dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te maken hebben gehad met stijgende vaste kosten, met name als gevolg van de torenhoge energie- en arbeidskosten. Hoewel de verkoopprijzen de aluminiumprijzen hebben gevolgd, zijn de kosten bijgevolg hoog gebleven als gevolg van de elektriciteits- en arbeidskosten. De invoer uit Marokko is voor geen van deze factoren verantwoordelijk.

(643)

Hoewel de in de steekproef opgenomen producenten zich baseren op jaarcontracten in plaats van op meerjarencontracten, zoals vermeld in overweging 640, kan de schade niet uitsluitend worden toegeschreven aan de ontwikkeling van de kosten, ongeacht of deze vast of variabel zijn, wanneer de gevolgen van de invoer met subsidiëring en de laaggeprijsde invoer zo aanzienlijk zijn. Hoewel stijgende kosten een factor zijn, is de belangrijkste oorzaak van de schade de oneerlijke concurrentiedruk van de invoer met subsidiëring uit Marokko, zowel wat betreft de hoeveelheden als de lage prijzen, waardoor de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet kon verhogen en de winstgevendheid werd geschaad. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(644)

De Commissie concludeerde derhalve dat de praktijk om verkoopprijzen vast te stellen door middel van jaarcontracten geen afbreuk deed aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring en de vastgestelde schade.

5.3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(645)

Er bestaat een nauw verband tussen de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie en de toename van de invoer uit het betrokken land.

(646)

De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schade veroorzakende gevolgen van de invoer met subsidiëring. Geen van de andere factoren vormde een oorzaak voor de negatieve ontwikkelingen in de bedrijfstak van de Unie, waaronder het verlies aan marktaandeel, de lagere winstgevendheid of de geleden verliezen en het dalende rendement van investeringen.

(647)

Op basis van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de invoer met subsidiëring uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of ze individueel dan wel collectief werden beschouwd, geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring en de aanmerkelijke schade.

(648)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen voerden ACEA en DMA aan dat er geen verband bestaat tussen de invoer uit Marokko en de uitdagingen waarmee de bedrijfstak van de Unie wordt geconfronteerd. Zij stellen dat de invoer uit Marokko qua prijzen vergelijkbaar is met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, en dat beweringen inzake een neerwaartse prijsdruk niet worden gestaafd door het bewijsmateriaal, dat met name ontoereikend is. Zij wijzen erop dat de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie te wijten zijn aan factoren zoals de omvang van de invoer uit Turkije, problemen in verband met de winstgevendheid als gevolg van de prijsstelling en kostenstructuren van de in de steekproef opgenomen EU-producenten, en het feit dat niet in voldoende capaciteit werd geïnvesteerd.

(649)

De Commissie was het hier niet mee eens. Zoals uiteengezet in punt 5.2.1, vond de invoer uit Turkije plaats tegen iets hogere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie en in elk geval veel hogere prijzen dan die van de invoer uit Marokko. Bovendien heeft de bedrijfstak van de Unie, zoals blijkt uit tabel 4, zijn bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode verhoogd door zijn capaciteit te verlagen. Tegelijkertijd kon de bedrijfstak van de Unie, in tegenstelling tot wat werd beweerd met betrekking tot de ontoereikende capaciteit, tijdens het onderzoektijdvak alleen al 89 % van het totale verbruik in de Unie dekken, naast de invoer uit Marokko en derde landen. De argumenten inzake prijsstelling en kostenstructuur zijn reeds behandeld in overweging 615. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de door de betrokken partijen aangevoerde factoren niet hebben bijgedragen aan of afbreuk hebben gedaan aan het vastgestelde oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring uit Marokko en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(650)

ACEA, de Marokkaanse overheid en DMA voerden ook aan dat de toerekeningsanalyse tekortkomingen vertoonde en dat de Commissie haar toerekeningsanalyse heeft beperkt tot een correlatie van het ene tot het andere eindpunt. Zij betoogden dat de toerekeningsanalyse op het gebied van prijsstelling gebrekkig is door gebruik te maken van statistische en op PCN gebaseerde vergelijkingen, die ongegrond zijn. Zij merkten op dat vergelijkingen onnauwkeurig zijn, aangezien de Commissie geen rekening heeft gehouden met antidumpingrechten en kosten na invoer, die na toevoeging betekenen dat de Marokkaanse invoerprijzen vergelijkbaar waren met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT. De toerekeningsanalyse is derhalve in strijd met artikel 15.1 en artikel 15.5 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(651)

De toerekeningsanalyse van de Commissie werd niet beperkt tot een eenvoudige correlatie van het ene tot het andere eindpunt, maar bestond uit een grondige beoordeling waarbij rekening werd gehouden met de volledige reikwijdte van de factoren die van invloed waren op de bedrijfstak van de Unie. De analyse omvatte verschillende aspecten, zoals markttrends, prijsdruk en productiekosten, die allemaal wijzen op de nadelige gevolgen van de invoer uit Marokko. De toerekeningsanalyse van de Commissie was robuust, alomvattend en in overeenstemming met de SCM-overeenkomst van de WTO, en in de aangevoerde argumenten wordt onvoldoende ingegaan op de volledige reikwijdte van de analyse of het duidelijke bewijs van door de invoer uit Marokko veroorzaakte aanmerkelijke schade. Daarom wees de Commissie het argument af.

6.   BELANG VAN DE UNIE

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(652)

Er waren 27 bekende producenten van het soortgelijke product die in het onderzoektijdvak in de Unie produceerden. De bedrijfstak van de Unie stelt meer dan 16 500 werknemers direct te werk en nog veel meer werknemers zijn er indirect van afhankelijk.

(653)

Hoewel maatregelen van kracht zijn in de vorm van antidumpingrechten, hebben deze de verdere toename van de invoer met subsidiëring uit het betrokken land niet verhinderd.

(654)

Indien deze situatie niet wordt rechtgezet, zal de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade blijven lijden, aangezien zijn financiële situatie, met name wat betreft winstgevendheid, het rendement van investeringen en de kasstroom, naar verwachting verder zal verslechteren. Dit geldt met name gezien de aanhoudende toename van de invoer met subsidiëring uit het betrokken land tijdens het onderzoektijdvak, die een gevaar bleef voor de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie.

(655)

Dienovereenkomstig concludeerde de Commissie dat het instellen van maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn.

6.2.   Belang van de niet-verbonden importeurs en gebruikers

(656)

Bij de opening van het onderzoek werd contact opgenomen met importeurs en gebruikers. Geen enkele importeur heeft echter aan het onderzoek medewerking verleend.

(657)

Drie gebruikers werkten mee, zoals vermeld in overweging 59, maar de Commissie besloot slechts twee gebruikers te controleren, aangezien de invoer van de derde gebruiker zeer beperkt was. Ook de European Automobile Manufacturers’ Association (ACEA) heeft aan het onderzoek meegewerkt.

(658)

Autofabrikanten zijn de afnemers van de bedrijfstak voor aluminium wielen van de Unie en kopen reeds een deel van hun behoefte aan aluminium wielen bij producenten in de Unie. Tijdens het onderzoektijdvak was de invoer uit het betrokken land goed voor een marktaandeel van 9 % in de Unie, terwijl de invoer uit andere derde landen een marktaandeel van 26 % had, met hogere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie. Als gevolg daarvan hebben autofabrikanten toegang tot meerdere bevoorradingsbronnen, waaronder de bedrijfstak van de Unie, Marokko en andere derde landen. Dit werd verder ondersteund door het feit dat de aankopen van aluminium wielen uit Marokko goed waren voor ongeveer 28 % van de totale aankopen van aluminium wielen door de twee gecontroleerde gebruikers tijdens het onderzoektijdvak. Bovendien vertegenwoordigden aluminium wielen, op basis van de gegevens die de gebruikers in hun antwoorden op de vragenlijst hebben verstrekt, ongeveer 0,71 % van hun productiekosten. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de gevolgen van de maatregelen ten aanzien van aluminium wielen voor autofabrikanten beperkt zijn.

(659)

ACEA maakte opmerkingen over de mededingingsvoorwaarden op de markt voor aluminium wielen. Aangezien aluminium wielen op bestelling worden aangekocht, is er veel tijd nodig voor het ontwerp en de productie ervan. De minimale aanlooptijd tussen de gunning van een aanbesteding en de daadwerkelijke levering van de verkoop kan ongeveer twee jaar bedragen. Daarom moet de mededinging op basis van volume en prijs tussen leveranciers worden beoordeeld op basis van hun offertes en prestaties in aanbestedingen. De in de klacht gebruikte methode, waarbij het volume van de daadwerkelijk geleverde verkoop en de factuurprijzen uit die periode op basis van PCN-criteria worden geanalyseerd, laat duidelijk te wensen over. Renault, een gebruiker van aluminium wielen op de markt van de Unie, merkte ook op dat de schadeanalyse moet worden uitgevoerd op het niveau van aanbestedingen, aangezien de prijsconcurrentie daar plaatsvindt. Over aanbestedingen wordt meer dan een jaar vóór de daadwerkelijke verkoop onderhandeld. Volgens Renault is de aanbesteding het kritieke punt waarop de mededinging plaatsvindt, en moeten de concurrentiedynamiek en de potentiële schade daarom in dit stadium worden beoordeeld.

EUWA was het niet eens met dit argument en verklaarde dat informatie uit aanbestedingen slechts een gedeeltelijk beeld geeft van de werkelijke volumes en prijzen van latere verkopen in de Unie.

(660)

De Commissie heeft de werkelijke geleverde hoeveelheden en de in de Unie betaalde of te betalen prijzen tijdens het onderzoektijdvak onderzocht om de gevolgen van het volume en de prijs van de invoer met subsidiëring voor de bedrijfstak van de Unie die het soortgelijke product produceert, vast te stellen. Deze gegevens, met inbegrip van verkoopoverzichten van transacties en prijsvergelijkingen per soort, ingediend door zowel de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie als de producenten-exporteurs, voorzagen in de werkelijke hoeveelheden die tijdens het onderzoektijdvak werden verkocht en gefactureerd. Er werd vastgesteld dat de werkelijke verkoopcijfers vaak verschilden van de cijfers in de aanbestedingsvoorwaarden, aangezien in de werkelijke verkoopgegevens, in tegenstelling tot de aanbestedingsgegevens — al dan niet uitgestelde — kortingen en rabatten waren meegenomen die tijdens het onderzoektijdvak werden toegepast. Daarnaast kunnen binnen elk automodel verschillende soorten aluminium wielen worden aangeboden, en kunnen autofabrikanten de totale verkoop van elke soort gedurende de gehele levensduur van dat model niet voorspellen. Aanbestedingscontracten weerspiegelen doorgaans een geraamd aantal te leveren wielen, waarbij de exacte hoeveelheid gewoonlijk slechts enkele weken voor de levering wordt bepaald. Daarom werd geoordeeld dat de analyse op basis van aanbestedingsgegevens de mededingingsvoorwaarden op de markt voor aluminium wielen niet nauwkeurig zou weergeven. Bijgevolg wees de Commissie het argument af.

(661)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde ACEA haar verzoek om de volume- en prijsconcurrentie tussen leveranciers te beoordelen op basis van hun offertes en prestaties bij aanbestedingen. Aangezien ACEA geen nieuwe elementen ter ondersteuning van dit verzoek heeft verstrekt, bleef de Commissie bij haar standpunt zoals uiteengezet in de vorige overweging.

(662)

ACEA voerde aan dat aluminium wielen uit Marokko niet in overeenstemming zijn met het volledige productassortiment aluminium wielen dat door producenten in de Unie wordt aangeboden, en dat de uit Marokko ingevoerde aluminium wielen over het algemeen overeenkomen met kleinere aluminium wielen.

(663)

Zoals uiteengezet in overweging 53, hebben de in Marokko vervaardigde producten dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken en worden zij voor dezelfde basistoepassingen gebruikt als de producten die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. De Commissie merkte ook op dat Marokkaanse producenten een reeks OEM’s aan de markt van de Unie leveren en dat deze wielen aan de EU-normen moeten voldoen. Bijgevolg was de Commissie van oordeel dat de vergelijking van productsoorten een nauwkeurigere weerspiegeling vormde van de mededinging op basis van prijs en volume tussen de invoer uit Marokko en de verkoop door de bedrijfstak van de Unie. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(664)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voeren ACEA (122), de Marokkaanse overheid (123) en DMA (124) aan dat aluminium wielen uit Marokko en de EU overeenkomen met verschillende categorieën aluminium wielen. Zij merken op dat de invoer uit Marokko doorgaans kleinere aluminium wielen betreft, een lager marktsegment dan de duurdere grotere aluminium wielen, aluminium wielen met hogere/technische afwerking of gesmede aluminium wielen. DMA voerde aan dat door de verschillen in productmix tussen uit Marokko ingevoerde aluminium wielen en door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde aluminium wielen niet te onderzoeken en in aanmerking te nemen, wordt gehandeld in strijd met artikel 15.1, artikel 15.2 en artikel 15.4 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(665)

In haar opmerkingen ter weerlegging verklaarde EUWA (125) dat aluminium wielen weliswaar in verschillende grootten, met verschillende oppervlaktebehandelingen en met verschillende soorten afwerkingen beschikbaar zijn, maar dat dit er niet automatisch toe leidt dat deze voor prijsanalyse onvergelijkbaar zijn. Zij beweert dat het gebruik van productcontrolenummers door de Commissie een goed voorbeeld is van de wijze waarop een onderzoekende autoriteit rekening kan houden met variaties in producten om prijsvergelijkingen te maken.

(666)

De Commissie herhaalde haar standpunt dat de in Marokko vervaardigde producten dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt als de producten die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Bijgevolg stelde de Commissie vast dat de vergelijking van productsoorten een nauwkeurigere weerspiegeling is van de concurrentie op basis van prijs en volume tussen de invoer uit Marokko en de verkoop door de bedrijfstak van de Unie. De Commissie heeft dit argument bijgevolg afgewezen.

(667)

ACEA voerde aan dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen de invoer uit Marokko en de beweerde aanmerkelijke schade. Zij wees erop dat de klager, ondanks de toename van de verkoop uit en het marktaandeel van Turkije, geen zaak tegen Turkije heeft ingeleid. ACEA voerde ook aan dat elk uit Turkije en andere derde landen ingevoerd wiel de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood, wat volgens ACEA het oorzakelijk verband tussen de vermeende schade en de veel kleinere invoer uit Marokko tenietdoet.

(668)

EUWA was het niet eens met het argument van ACEA en merkte op dat de ontwikkeling van de verkoop in de Unie van producenten in de Unie, zowel in absolute als in relatieve termen, ontegenzeglijk negatief is. De reden hiervoor is dat de bedrijfstak van de Unie het aflegt tegen de concurrentie van de oneerlijke invoer met subsidiëring uit Marokko en sneller verkoopvolumes in de Unie heeft verloren dan de door ACEA gesignaleerde inkrimping van de vraag. EUWA stelt dat de gemiddelde invoerprijzen bevestigen dat het oorzakelijk verband alleen aan Marokko kan worden toegeschreven. De gemiddelde prijzen van de invoer uit andere derde landen, waaronder Turkije, zijn aanzienlijk hoger dan die van Marokko.

(669)

Zoals uiteengezet in punt 5.2.1, bedroeg het marktaandeel van andere derde landen tijdens het onderzoektijdvak samen 26 %, een daling met 4 procentpunt ten opzichte van 2022. De prijs van de invoer uit deze derde landen bleef ongeveer 9 % hoger dan de prijs in de Unie en aanzienlijk hoger dan de prijs van de invoer uit Marokko. Hoewel het marktaandeel van de invoer uit Turkije tijdens de beoordelingsperiode met 3 procentpunt steeg, was de prijs van de invoer uit Turkije vergelijkbaar met de prijs in de Unie en 21 % hoger dan die van de invoer uit Marokko. Dit argument werd in dit verband afgewezen.

(670)

Zowel Renault als ACEA verklaarden dat de automobielindustrie in de Unie voor een aanzienlijke uitdaging staat als gevolg van de beperkte productiecapaciteit van binnenlandse producenten, waardoor zij afhankelijk is van externe bronnen om aan de vraag te voldoen. Fabrikanten in de Unie kunnen niet uitsluitend vertrouwen op lokale leveranciers, aangezien zij niet over de nodige capaciteit beschikken om in de behoeften van de bedrijfstak te voorzien. Bijgevolg moet ongeveer 20 % van de benodigde aluminium wielen worden ingevoerd. Het betrekken van producten uit Marokko biedt verschillende voordelen, zoals lagere vervoerskosten in vergelijking met andere regio’s, waardoor het een kosteneffectieve oplossing is. Bovendien geniet Marokko preferentiële toegang tot de Europese markt, wat de handel kan vergemakkelijken en kan leiden tot lagere tarieven, waardoor het concurrentievermogen van aluminium wielen van oorsprong uit Marokko verder kan worden verbeterd.

(671)

EUWA was het niet eens met deze bewering en stelde dat de capaciteit van de Europese fabrieken niet volledig wordt benut. Afhankelijk van de ontvangen bestellingen past elke fabriek haar personeel en het aantal ploegen dienovereenkomstig aan. EUWA merkt op dat er voor producenten van aluminium wielen dan ook aanzienlijke ruimte is om hun bezettingsgraad te verhogen en grotere hoeveelheden te leveren.

(672)

De Commissie merkte op dat Marokko weliswaar kostenvoordelen zoals lagere vervoerskosten en preferentiële toegang tot de Unie kan bieden, maar dat in dit standpunt niet ten volle rekening wordt gehouden met de bredere strategische risico’s die verbonden zijn aan de uitbesteding van essentiële onderdelen. Het betrekken van aluminium wielen uit Marokko of andere externe leveranciers leidt tot kwetsbaarheden in de toeleveringsketen, met name gezien de mondiale economische onzekerheid, fluctuerende vervoerskosten en potentiële geopolitieke spanningen. Een gediversifieerde toeleveringsketen is zeker belangrijk, maar een te grote afhankelijkheid van leveranciers van buiten de Unie kan de veerkracht van de Unie op de lange termijn in gevaar brengen.

(673)

Voorts merkte de Commissie op dat het verbruik in de Unie in het onderzoektijdvak 64,6 miljoen stuks bedroeg. De totale capaciteit van de bedrijfstak van de Unie bedroeg 57,8 miljoen stuks, terwijl de werkelijke productie 46,9 miljoen stuks bedroeg. Hierdoor blijven capaciteiten binnen de bedrijfstak van de Unie onbenut. De bedrijfstak van de Unie beschikte derhalve al over voldoende productiecapaciteit om in bijna 90 % van de binnenlandse vraag naar aluminium wielen in de Unie te voorzien. Het beheer van de bezettingsgraad (zoals personeelsaanpassingen en ploegenaantallen) verschilt van de theoretische nominale capaciteit van fabrieken in de Unie, die veel hoger is. Veel fabrieken in de Unie werken niet met drie ploegen, en in sommige gevallen zelfs niet met twee. Als gevolg daarvan hebben producenten van aluminium wielen een aanzienlijk potentieel om hun bezettingsgraad te verhogen en meer bestellingen aan te nemen, mits de OEM’s ervoor kiezen deze orders aan Europese fabrikanten toe te wijzen. Het argument met betrekking tot de ontoereikende capaciteit werd bijgevolg verworpen.

(674)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voerden ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid aan dat de schade door de bedrijfstak zelf werd veroorzaakt als gevolg van onvoldoende capaciteit in de EU, waardoor invoer noodzakelijk was. Dit houdt verband met het just-in-time-beleid, waarvoor het noodzakelijk is dat leveranciers van aluminium wielen flexibel zijn en inspelen op veranderingen in de vraag. In dit verband biedt inkoop uit Marokko en Turkije duidelijke voordelen ten opzichte van alternatieven zoals China of Thailand, zoals lagere vervoerskosten en preferentiële toegang tot de EU-markt door middel van handelsovereenkomsten. Zij voerden aan dat de invoer uit derde landen, waaronder Marokko, van cruciaal belang is voor het behoud van het just-in-time-systeem, gezien de aanzienlijke ondercapaciteit in de bedrijfstak voor aluminium wielen van de Unie. Bovendien wordt het argument dat de bedrijfstak van de Unie de capaciteit indien nodig zou kunnen vergroten, niet gestaafd met bewijsmateriaal en is dit in tegenspraak met historische gegevens. ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid voerden aan dat de bedrijfstak van de Unie zichzelf schade heeft toegebracht door te blijven weigeren om te investeren in voldoende capaciteit.

(675)

De Commissie benadrukte dat dit argument reeds is behandeld in overweging 673, en dat er geen nieuw bewijsmateriaal ter ondersteuning ervan werd voorgelegd. De Commissie erkende dat de bedrijfstak van aluminium wielen van de Unie, indien nodig, zijn capaciteit op korte termijn zou kunnen vergroten. De Commissie benadrukte echter dat de schade waarmee de bedrijfstak van de Unie te kampen heeft, niet alleen kan worden toegeschreven aan onvoldoende capaciteit of aan het just-in-time-beleid. De onderliggende oorzaak is de verstoring van de markt als gevolg van invoer met subsidiëring, waardoor EU-producenten een concurrentienadeel ondervinden en hun vermogen om in de nodige capaciteit te investeren, wordt belemmerd. Het argument werd bijgevolg verworpen.

(676)

Renault merkte op dat autofabrikanten voortdurend worden geconfronteerd met uitdagingen zoals stijgende kosten, regelgeving en oneerlijke concurrentie vanuit het buitenland. Antisubsidiemaatregelen zouden de energietransitie van de automobielindustrie in de Unie belemmeren en aanvullende rechten op aluminium wielen uit Marokko zouden de inspanningen van de bedrijfstak van de Unie ondermijnen om de productiekosten te verlagen en de productie van elektrische voertuigen op batterijen op te schalen, wat uiteindelijk de ontwikkeling van deze sector zou schaden. ACEA merkte ook op dat de instelling van antisubsidiemaatregelen niet in het belang van de Unie is en de reeds moeilijke situatie voor autofabrikanten in de Unie zal verergeren, met name in het segment batterijelektrische voertuigen.

(677)

EUWA was het niet eens met deze opmerking en begreep de logica hiervan niet. In beginsel worden in het externe handelsbeleid van de Unie alle economische sectoren gelijk behandeld als het gaat om handelsbescherming en de aanpak van oneerlijke handel. Aluminium wielen vertegenwoordigen een marginaal deel van de prijs van auto’s (0,5 %). Bijgevolg stelde EUWA dat de gevolgen van een antisubsidierecht voor autofabrikanten minimaal zouden zijn.

(678)

De Commissie merkte op dat autofabrikanten met soortgelijke uitdagingen worden geconfronteerd als wielproducenten, zoals stijgende kosten en concurrentie uit het buitenland. Autofabrikanten profiteren nu echter van rechten op elektrische voertuigen uit China, wat helpt om een deel van deze druk te verlichten. Ondanks buitenlandse concurrentie zijn autofabrikanten winstgevend gebleven, in tegenstelling tot producenten van aluminium wielen, waarvan de winstgevendheid tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk is gedaald, zoals beschreven in punt 4.4.3.4. Dit argument wordt bijgevolg afgewezen.

(679)

Renault voerde aan dat er geen aanmerkelijke schade is voor de bedrijfstak van de Unie. Terwijl in de klacht wordt verwezen naar 2019 met betrekking tot de schadeanalyse, wees Renault erop dat de zaak zich toespitst op de periode van 2020 tot en met 2023, waarin geen aanmerkelijke schade duidelijk is. De indicatoren duiden op positieve prestaties tijdens deze periode. Uit de overwegingen in verband met het belang van de Unie blijkt dat er in dit geval geen behoefte is aan antisubsidiemaatregelen. Met deze maatregelen zou in feite een bedrijfstak worden ondersteund die geen significante tekenen van aanmerkelijke schade vertoont en die al buitensporige bescherming tegen invoerconcurrentie geniet.

(680)

De Commissie erkende dat de klacht betrekking had op 2019, aangezien het de relevante periode was, die de drie jaar voorafgaand aan het onderzoektijdvak bestreek. Het onderzoek zelf was echter gericht op de periode van 2020 tot en met 2023, waarbij het onderzoektijdvak specifiek betrekking had op het kalenderjaar 2023. Zoals opgemerkt in overweging 606, geven de meeste economische indicatoren een negatief beeld en duiden zij er duidelijk op dat de bedrijfstak van de Unie met aanzienlijke economische problemen kampt. Hoewel sommige indicatoren een positieve trend laten zien, blijft de algemene situatie van de bedrijfstak van de Unie verslechteren. Deze verslechtering vindt plaats ondanks het bestaan van maatregelen en is toe te schrijven aan de voortdurende toename van de invoer uit het betrokken land. Het argument werd bijgevolg verworpen.

(681)

ACEA voerde aan dat de Commissie een passende schademarge moet berekenen en de regel van het laagste recht moet toepassen. Het wees erop dat de gecombineerde antidumping- en compenserende rechten niet hoger mogen zijn dan de schademarge, die in het afzonderlijke antidumpingonderzoek naar behoren had moeten worden vastgesteld op het niveau van 3,7 %, op basis van offertes in het kader van aanbestedingen.

(682)

De Commissie merkte op dat ACEA niet heeft aangetoond dat het niet in het belang van de Unie was om het compenserende recht op het totale subsidiebedrag vast te stellen. Bovendien zijn de in het afzonderlijke antidumpingonderzoek vastgestelde schademarges hoger dan de gecombineerde antidumping- en compenserende rechten. Daarnaast konden de door ACEA aangevoerde prijsvergelijkingen en schademarge om de in het afzonderlijke antidumpingonderzoek uitvoerig uiteengezette redenen niet op de offertes in het kader van aanbestedingen worden gebaseerd. Het argument werd derhalve afgewezen.

(683)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen verklaarden ACEA, DMA en de Marokkaanse overheid dat goede prijsvergelijkingen de vaststelling van een schademarge en de toepassing van de regel van het laagste recht moeten omvatten. Zij verklaarden dat toereikende prijsvergelijkingen moeten worden uitgevoerd op basis van methoden die in overeenstemming zijn met de WTO-regels, zodat een schademarge kan worden vastgesteld en de regel van het laagste recht kan worden toegepast.

(684)

De Commissie merkte op dat in juni 2018 nieuwe antidumping- en antisubsidieregels zijn ingevoerd om de handelsbeschermingsmaatregelen van de EU te moderniseren en te versterken. Een van de belangrijkste wijzigingen was de wijze waarop de EU de regel van het laagste recht toepast. Op grond van de nieuwe regels kan de regel van het laagste recht niet langer worden gebruikt in antisubsidieonderzoeken, tenzij duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het belang van de Unie is om maatregelen vast te stellen met betrekking tot het vastgestelde bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies. In deze procedure kan de Commissie, gezien het feit dat de vastgestelde tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies handelsverstorend zijn, niet duidelijk concluderen dat het in het belang van de Unie is om de regel van het laagste recht toe te passen. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(685)

ACEA voerde aan dat geen mogelijke antisubsidiemaatregelen mogen worden toegepast totdat een lopend onderzoek van het Duitse Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) is afgerond. Dit onderzoek heeft betrekking op vermeende antitrustkwesties op de markt voor aluminium wielen van de Unie die de eerlijke mededinging kunnen beperken. ACEA is van mening dat indien de Duitse antitrustautoriteiten hun bezorgdheid over concurrentieverstorend gedrag bevestigen, de Commissie het huidige onderzoek onverwijld moet beëindigen en de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van aluminium wielen uit de VRC en Marokko moet opheffen.

(686)

De Commissie erkent dat de Duitse antitrustautoriteit melding heeft gemaakt van een onderzoek naar mogelijke schendingen van de mededingingswetgeving door fabrikanten van aluminium wielen voor lichte voertuigen. De specifieke kenmerken van het onderzoek zijn echter nog onduidelijk en er is zeer weinig openbare informatie beschikbaar. Daarom heeft dat onderzoek weinig invloed op het huidige onderzoek van de Commissie, zodat dit argument wordt afgewezen.

(687)

ACEA stelde dat AM-wielen en OEM-wielen via afzonderlijke, niet-overlappende kanalen worden gedistribueerd. Marokko voert alleen OEM-wielen uit. De bedrijfstak van de Unie boekt 35 % winst in het AM-segment, wat erop wijst dat hij niet geconfronteerd wordt met aanmerkelijke schade of dreigende schade. ACEA heeft de Commissie verzocht om eerst een afzonderlijke schadeanalyse uit te voeren voor het AM- en het OEM-segment, en de resultaten dienovereenkomstig bekend te maken. Bovendien zou de Commissie op basis van niet-betwist bewijsmateriaal dat door de klager is verstrekt, moeten concluderen dat geen sprake is van aanmerkelijke schade of dreigende schade voor de bedrijfstak van de Unie in het AM-segment als gevolg van de invoer van aluminium wielen uit Marokko.

(688)

De Commissie merkte op dat hoewel aluminium wielen in het OEM-segment en in het AM-segment via verschillende distributiekanalen worden verkocht, zij dezelfde fysische en technische kenmerken hebben en onderling uitwisselbaar zijn. Daarom moeten OEM en AM worden beschouwd als afzonderlijke verkoopkanalen en niet als afzonderlijke segmenten. Het grootste deel van de verkopen, ongeveer 90 %, verloopt via het OEM-kanaal. Als gevolg hiervan heeft het AM-kanaal, dat goed is voor ongeveer 10 % van de verkoop, een beperkt effect op de algemene beoordeling van de markt van de Unie. Dit effect wordt verder geminimaliseerd door het feit dat Marokkaanse producenten uitsluitend via het OEM-kanaal verkochten, wat vergelijkbaar was met de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, die bijna hun volledige verkoop via het OEM-kanaal verrichtten. Bijgevolg had dit geen invloed op de prijsvergelijkingsanalyse, die op micro-economisch niveau werd uitgevoerd aan de hand van gegevens die waren verstrekt door de producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Op basis hiervan heeft de Commissie besloten het verbruik in het kader van het onderzoek niet te splitsen tussen de twee verkoopkanalen.

(689)

In haar opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde ACEA haar argument dat de OEM- en AM-segmenten van de markt afzonderlijk moeten worden geanalyseerd om de schade en het oorzakelijk verband te beoordelen. Dit argument werd ondersteund door de Marokkaanse overheid en DMA. Zij voerden aan dat de Commissie geen onderscheid heeft gemaakt tussen de OEM- en AM-segmenten, die zij beschouwen als twee verschillende marktsegmenten met belangrijke verschillen in afnemers, handelsvolumes, aankoopmethoden, prijsstelling en winstfactoren. Zij voerden aan dat deze verschillen van invloed zijn op de wijze waarop de Commissie kijkt naar het volume, de prijs en de oorzaak, omdat de invoer uit Marokko geen invloed heeft op het AM-segment. Zij verzochten de Commissie de OEM- en AM-segmenten afzonderlijk te behandelen, wat volgens hen zou leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van aanmerkelijke schade of dreiging voor het AM-segment, waardoor compenserende rechten ongerechtvaardigd zouden worden. DMA voerde verder aan dat het niet maken van een onderscheid tussen deze segmenten in strijd is met artikel 15.1, artikel 15.2, artikel 15.4 en artikel 15.5 van de SCM-overeenkomst van de WTO.

(690)

Zoals uiteengezet in overweging 688, merkte de Commissie op dat hoewel aluminium wielen in het OEM-segment en in het AM-segment via verschillende kanalen worden verkocht, zij dezelfde fysische en technische kenmerken hebben en onderling uitwisselbaar zijn. Daarom verkopen beide segmenten hetzelfde product met een vergelijkbaar eindgebruik. De Commissie ziet geen noodzaak om hier een onderscheid te maken en het uitvoeren van de schadebeoordeling voor de gehele bedrijfstak van aluminium wielen in de Unie, die alle verkoopkanalen omvat, is een eerlijke en juridisch gerechtvaardigde aanpak. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

6.3.   Conclusie inzake belang van de Unie

(691)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om aan te nemen dat instelling van de maatregelen ten aanzien van de invoer van aluminium wielen van oorsprong uit Marokko niet in het belang van de Unie zou zijn.

(692)

ACEA voerde in haar opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen aan dat het instellen van maatregelen niet in het belang van de bedrijfstak van de Unie is. Zij stelt dat compenserende rechten niet zullen leiden tot een verhoging van de productie, aangezien de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie reeds ontoereikend is en zijn buffercapaciteitslimieten heeft overschreden. Bovendien stelt zij dat de Commissie ten onrechte de gevolgen van de sinds juli 2022 voorlopig ingestelde antidumpingmaatregelen heeft afgezwakt.

(693)

De Commissie benadrukte dat de kwestie van ontoereikende capaciteit reeds is behandeld in de overwegingen 673 en 675. De bedrijfstak van de Unie beschikt nog steeds over onbenutte capaciteit die kan worden gebruikt om de productie te verhogen. Zelfs als sommige installaties niet op volledige capaciteit werken, hebben zij de flexibiliteit om de productie op te voeren zonder dat daarvoor nieuwe investeringen of ingrijpende aanpassingen nodig zijn om aan de vraag te voldoen. Hoewel ACEA suggereert dat het opleggen van maatregelen niet tot onmiddellijke productiestijgingen zou leiden, zijn de voordelen op lange termijn van dergelijke acties duidelijk. Door oneerlijke concurrentie aan te pakken, dragen deze rechten bij tot een stabielere en meer voorspelbare markt voor producenten in de Unie, waardoor investeringen en groei binnen de bedrijfstak van de Unie worden aangemoedigd. Bijgevolg wees de Commissie het argument af.

(694)

ACEA voert aan dat de invoer van aluminium wielen van cruciaal belang is vanwege het gebrek aan capaciteit van de Unie en haar afhankelijkheid van het just-in-time-systeem. Aangezien autofabrikanten in de EU op of boven de buffercapaciteit werken en geen belangstelling hebben in een verhoging van de productie, kunnen zij geen extra aluminium wielen uit de Unie betrekken. Bovendien stelt ACEA dat het idee om de Marokkaanse invoer te vervangen door alternatieve leveranciers onrealistisch is. Wereldwijd zijn er slechts 13,2 miljoen aluminium wielen beschikbaar, en het aantrekken en inwerken van nieuwe leveranciers zou langdurige aanbestedingsprocedures vereisen, met het risico van tekorten en productieonderbrekingen. Daarnaast wordt het mondiale aanbod gedeeld met andere regio’s en bevinden de beschikbare bronnen zich op grote afstand, wat ingaat tegen het just-in-time-systeem en de milieudoelstellingen van de EU. Autofabrikanten in de EU moeten hun leveranciers diversifiëren, en Marokko blijft van essentieel belang gezien zijn nabijheid, handelsovereenkomsten en leveringsbetrouwbaarheid. De bewering dat het betrekken uit Marokko kwetsbaarheden met zich meebrengt, is misplaatst, aangezien diversificatie via betrouwbare, preferentiële handelspartners zoals Marokko en Turkije noodzakelijk is voor een veilige toeleveringsketen.

(695)

De Commissie erkende dat de kwesties inzake capaciteit en het just-in-time systeem zijn behandeld in overweging 675. Zij merkte op dat ACEA weliswaar de nadruk legt op de logistieke uitdagingen van de bevoorrading uit verder weg gelegen regio’s, maar dat dit geen rechtvaardiging vormt voor een blijvende afhankelijkheid van de invoer uit Marokko. De Commissie benadrukte dat de bevordering van lokale productie de risico’s in verband met kwetsbaarheden in de externe toeleveringsketen zou helpen beperken, met name in het licht van geopolitieke onzekerheden. Diversificatie mag niet alleen afhankelijk zijn van specifieke derde landen, maar moet gericht zijn op het waarborgen van eerlijke concurrentie en het investeren in binnenlandse capaciteit om een gelijk speelveld te herstellen. Bijgevolg wees de Commissie het argument af.

(696)

ACEA voert aan dat de instelling van compenserende rechten op de invoer van aluminium wielen uit Marokko negatieve gevolgen zou hebben voor de autofabrikanten in de EU en de consumenten zou schaden. Zij wijst op verschillende belangrijke factoren, waaronder het feit dat aluminium wielen een klein percentage (0,7 %) van de kosten van autofabrikanten vertegenwoordigen, maar dat de automobielsector in de EU van vitaal belang is voor de economie, en goed is voor 6,8 % van de werkgelegenheid in de EU en 171,4 miljard EUR aan jaarlijkse uitvoer. Zij benadrukt ook dat autofabrikanten in de EU te maken hebben gehad met aanhoudende uitdagingen, waaronder het tekort aan halfgeleiders, stijgende energiekosten en verstoringen van de toeleveringsketen als gevolg van de oorlog in Oekraïne, en dat dit de productiecapaciteit onder druk heeft gezet. De auto-industrie in de EU staat al onder druk van de bestaande handelsbeschermingsmaatregelen, en compenserende rechten zouden deze situatie nog verergeren. Gezien deze factoren benadrukt ACEA dat het instellen van compenserende rechten de kosten voor EU-fabrikanten, met name de sector batterijelektrische voertuigen, alleen maar zou verhogen, zonder de bedrijfstak voor aluminium wielen ten goede te komen of de uitdagingen van de Unie op te lossen.

(697)

De Commissie merkte op dat ACEA weliswaar wijst op verschillende uitdagingen waarmee de automobielindustrie in de EU wordt geconfronteerd, maar dat haar argument voorbijgaat aan de bredere context van marktverstoring als gevolg van invoer met subsidiëring uit Marokko. Compenserende rechten zijn van essentieel belang om de eerlijke concurrentie te herstellen en de duurzaamheid op lange termijn van de bedrijfstak voor aluminium wielen van de Unie te waarborgen. Hoewel aluminium wielen een klein percentage van de kosten van autofabrikanten vertegenwoordigen, legt het cumulatieve effect ervan, in combinatie met andere uitdagingen, aanzienlijke druk op EU-fabrikanten. Door te vertrouwen op invoer met subsidiëring wordt het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie ondermijnd. De voorgestelde compenserende rechten zullen bijdragen tot een gelijk speelveld, investeringen aanmoedigen, de capaciteit vergroten en op lange termijn zowel de consumenten als de automobielsector van de Unie ten goede komen. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

(698)

ACEA herhaalde het eerder aangevoerde argument dat geen compenserende rechten mogen worden ingesteld totdat het lopende onderzoek van het Duitse Bundeskartellamt is afgerond. Zij voerde aan dat de Commissie verdere stappen had moeten ondernemen om aanvullende informatie te verzamelen, mogelijk door Duitsland om medewerking te verzoeken. Zij merkt op dat producenten van aluminium wielen in de Unie proberen de concurrentie te beperken, zowel binnen de EU als van invoer, wat uiteindelijk indruist tegen de belangen van de Unie.

(699)

De Commissie erkende dat dit argument is onderzocht in overweging 686. Zij merkte op dat het onderzoek nog lopende is en dat het passend is het officiële resultaat af te wachten alvorens hierover conclusies te trekken. Daarom heeft de Commissie het argument afgewezen.

7.   DEFINITIEVE COMPENSERENDE MAATREGELEN

(700)

Gezien de conclusies inzake subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie en overeenkomstig artikel 15 van de basisverordening, moet er een definitief compenserend recht worden ingesteld.

7.1.   Hoogte van de definitieve compenserende maatregelen

(701)

In artikel 15, lid 1, derde alinea, van de basisverordening is bepaald dat het definitieve compenserende recht niet meer bedraagt dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

(702)

In artikel 15, lid 1, vierde alinea, staat: “Wanneer de Commissie op basis van al deze voorgelegde informatie duidelijk kan besluiten dat het niet in het belang van de Unie is om overeenkomstig de derde alinea de omvang van de maatregelen te bepalen, is het compenserend recht lager indien dit lagere bedrag voldoende is om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen”.

(703)

Zoals reeds uiteengezet in de overwegingen 682 en 684, zal het niveau van de compenserende maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 15, lid 1, derde alinea.

(704)

De Commissie ging ook na of sommige subsidieregelingen uitvoerafhankelijke subsidies betreffen die neerkomen op een verlaging van de uitvoerprijzen en dus dienovereenkomstig een verhoging van de dumpingmarges, om te beslissen of zij overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de basisverordening de dumpingmarge moest verlagen met de geconstateerde subsidiebedragen in verband met uitvoerafhankelijke subsidies. Aangezien de Commissie geen compenserende maatregelen instelde voor uitvoerafhankelijke subsidieregelingen, stelde zij bijgevolg naast het bij Verordening (EU) 2023/99 vastgestelde antidumpingrecht het definitieve compenserende recht in op het niveau van het vastgestelde definitieve subsidiebedrag.

(705)

Gelet op het voorgaande moeten de definitieve compenserende rechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, worden vastgesteld als volgt:

Onderneming

Definitief compenserend recht

DMA

31,4  %

Hands 8

5,6  %

Alle overige invoer van oorsprong uit Marokko

5,6  %

(706)

Het bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele compenserende recht is gebaseerd op de bevindingen van het onderhavige onderzoek. Het weerspiegelt daarom de situatie die bij het onderzoek ten aanzien van de betrokken onderneming werd vastgesteld. In tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op “alle andere ondernemingen”, geldt dit recht dus uitsluitend voor de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die door de genoemde onderneming werden vervaardigd. Deze rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit Marokko”.

(707)

Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele rechten. Het verzoek moet worden gericht aan de Commissie. Dit verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(708)

Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele compenserende rechten te garanderen. De ondernemingen met individuele compenserende rechten moeten aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur overleggen. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, wordt onderworpen aan het compenserende recht dat van toepassing is op “alle andere invoer van oorsprong uit Marokko”.

(709)

Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele compenserende rechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle voorschriften van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.

(710)

Wanneer de uitvoer van de onderneming die van een lager individueel recht profiteert, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 23, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.

8.   SLOTBEPALINGEN

(711)

Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 (126), als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.

(712)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 25, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op aluminium wielen voor motorvoertuigen van de GS-posten 8701 tot en met 8705 , al dan niet met toebehoren en al dan niet met banden, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8708 70 10 en ex 8708 70 50 (Taric-codes: 8708 70 10 15, 8708 70 10 50, 8708 70 50 15 en 8708 70 50 50) en van oorsprong uit Marokko.

2.   Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, is als volgt:

Onderneming

Definitief compenserend recht

Aanvullende Taric-code

Dika Morocco Africa S.A.

31,4  %

C897

Hands 8 S.A.

5,6  %

C873

Alle overige invoer van oorsprong uit Marokko

5,6  %

C999

3.   De individuele compenserende rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die luidt als volgt: “Ondergetekende bevestigt dat de (hoeveelheid) aluminium wielen verkocht voor uitvoer naar de Europese Unie waarop deze factuur betrekking heeft, geproduceerd is door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in Marokko. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit Marokko” geldt.

4.   Wanneer een aangifte voor het vrije verkeer wordt aangeboden voor het in lid 1 genoemde product, ongeacht de oorsprong ervan, wordt in het desbetreffende vak van die aangifte het aantal stuks van de ingevoerde producten vermeld, onverminderd de in de gecombineerde nomenclatuur gedefinieerde bijzondere maatstaf.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55.

(2)   PB C 1483 van 16.2.2024, blz. 1.

(3)  De term “Marokkaanse overheid” wordt in deze verordening in brede zin gebruikt en omvat de Staatsraad alsmede alle ministeries, departementen, agentschappen en instanties op centraal, regionaal of lokaal niveau.

(4)  TRON-referentienummer: t24.001626.

(5)   PB C 464 van 17.11.2021, blz. 19.

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/99 van de Commissie van 11 januari 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko (PB L 10 van 12.1.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/99/oj).

(7)  De term “Chinese overheid” wordt in deze verordening in brede zin gebruikt en omvat de Staatsraad alsmede alle ministeries, departementen, agentschappen en instanties op centraal, regionaal of lokaal niveau.

(8)  TRON-referentienummers: t24.003099 en t24.003771.

(9)   PB L 70 van 18.3.2000, blz. 2, zoals later gewijzigd. De geconsolideerde versie is beschikbaar op https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:02000A0318(01)-20190719.

(10)   PB L 176 van 5.7.2011, blz. 2.

(11)  Eindverslag van het arbitragepanel dat werd ingesteld bij artikel 307 van de Associatieovereenkomst tussen Oekraïne, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds, “Restrictions applied by Ukraine on exports of certain wood products to the European Union”, 11 december 2020.

(12)   https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-history?caseId=2716.

(13)  TRON-referentienummer t24.009219 — 23/10/2024.

(14)  Handelsregister van Hongkong. Beschikbaar op https://www.e-services.cr.gov.hk/.

(15)   “Morocco, China Sign Agreement on Joint Implementation Plan for Belt and Road Initiative”. Beschikbaar op https://www.moroccoworldnews.com/2022/01/346356/morocco-china-agree-on-morocco-china-belt-and-road-initiative (laatst geraadpleegd op 5 februari 2025).

(16)   “Morocco and China sign Joint Belt and Road Implementation Plan”. Beschikbaar op https://diplomatie.ma/en/morocco-and-china-sign-joint-belt-and-road-implementation-plan (laatst geraadpleegd op 5 februari 2025).

(17)  Panelverslag, Mexico — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van rijst, punten 7.193-7.194.

(18)  Jaarverslag 2021 van AMDIE. Beschikbaar op https://www.morocconow.com/wp-content/uploads/2023/04/Rapport-dactivite-AMDIE-2021-Francais-.pdf (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025).

(19)  Ibid.

(20)  Usine de Tanger. Beschikbaar op https://www.renaultgroup.com/groupe/implantations/usine-tanger (laatst geraadpleegd op 18 december 2024).

(21)  Oxford Business Group, 2018 Morocco Report, “Industry overview: New ecosystem”, blz. 85-91. Beschikbaar op https://oxfordbusinessgroup.com/reports/morocco/2018-report/industry (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025).

(22)  Vrije zone van Tanger. Beschikbaar op https://industrial-estate.gov.ma/fiche-zone.php?lang=en&id=447&nature_offer=-1&area=-1&area_max=0 (laatst geraadpleegd op 18 december 2024).

(23)  Tangier Automotive City. Beschikbaar op https://industrial-estate.gov.ma/fiche-zone.php?lang=en&id=305&nature_offer=-1&area=-1&area_max= (laatst geraadpleegd op 18 december 2024).

(24)  Atlantic Free Zone. Beschikbaar op https://industrial-estate.gov.ma/fiche-zone.php?lang=en&id=500&nature_offer=-1&area=-1&area_max= (laatst geraadpleegd op 18 december 2024).

(25)  Plan voor industriële versnelling 2014-2020. Beschikbaar op https://www.mcinet.gov.ma/en/content/industrial-acceleration-plan-2014-2020 (laatst geraadpleegd op 3 januari 2025).

(26)  Ibid.

(27)  CDG: “Supporting the PSA Group in the establishment of a car factory in Morocco”. Beschikbaar op https://cdg.ma/en/cdg-cdg-supporting-psa-group-establishment-car-factory-morocco (laatst geraadpleegd op 3 januari 2025).

(28)   “PSA Peugeot Citroën and the Kingdom of Morocco signed an agreement for the implementation of an industrial complex”. Beschikbaar op https://www.mcinet.gov.ma/en/content/psa-peugeot-citro%C3%ABn-and-kingdom-morocco-signed-agreement-implementation-industrial-complex-0# (laatst geraadpleegd op 3 januari 2025).

(29)  Plan d’Accélération Industrielle, blz. 2. Beschikbaar op https://attijarientreprises.com/sites/default/files/2022-03/Plan_d_Acceleration_Industrielle.pdf (laatst geraadpleegd op 3 januari 2025).

(30)  Decreet nr. 2-14-715 van 2 Rabii 11436 (25 december 2014) tot aanwijzing van de ordonnateurs van de speciale toewijzingsrekening genaamd het Fonds voor industriële ontwikkeling en investeringen.

(31)  Er werd ook een partnerschapsovereenkomst ondertekend met de Banque Centrale Populaire en de Banque Marocaine du Commerce Extérieur in juli 2015 en met Crédit Agricole du Maroc in juni 2023. Beschikbaar op https://www.maroc.ma/en/news/automotive-industry-ministry-professional-association-sign-agreement-support-operators (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(32)  Voor de toepassing van dit document verwijst “CITIC Group Corporation” naar de uiteindelijke moedermaatschappij en “CITIC-groep” naar de groep van ondernemingen onder de paraplu van de CITIC Group Corporation.

(33)  Zie bijvoorbeeld: “Why Morocco”. Beschikbaar op https://www.morocconow.com/why-morocco/ en https://www.morocconow.com/wp-content/uploads/2021/11/PitchGeneraliste.pdf (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco: Hub of Africa”. Beschikbaar op https://millermagazine.com/blog/morocco-hub-of-africa-2650 (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco. A sea of opportunity beyond the Mediterranean”. Beschikbaar op https://www.roncucciandpartners.com/en/2024/05/28/morocco-a-sea-of-opportunity-beyond-the-mediterranean/ (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco Has Become Global Hub in Several Advanced Sectors, Says Gov’t Head”. Beschikbaar op https://www.maroc.ma/en/news/morocco-has-become-global-hub-several-advanced-sectors-says-govt-head (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco’s Manufacturing Mission”. Beschikbaar op https://sponsored.bloomberg.com/article/morocco-now/morocco-s-manufacturing-mission (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco emerging as key global production hub”. Beschikbaar op https://www.business-sweden.com/insights/blog/morocco-emerging-as-key-global-production-hub/ (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Discover Morocco”. Beschikbaar op https://www.tangermedzones.com/en/discover-morocco/ (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco: A trade hub for Africa and Europe”. Beschikbaar op https://www.meed.com/morocco-a-trade-hub-for-africa-and-europe/ (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025). “Morocco turns to hi-tech manufacturing”. Beschikbaar op https://african.business/2022/04/energy-resources/morocco-turns-to-hi-tech-manufacturing (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(34)   “Several Opinions of the State Council on Promoting the Innovative Development of Processing Trade” (2016), NDRC [2016] nr. 4. Beschikbaar op https://www.gov.cn/zhengce/content/2016-01/18/content_5033735.htm (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(35)   “Morocco, China to establish Silk Road business council”. Beschikbaar op https://eng.yidaiyilu.gov.cn/p/51195.html (laatst geraadpleegd op 17 januari 2025).

(36)   “Sinosure and Morocco’s Foreign Trade Bank Signed a Framework Cooperation Agreement”. Beschikbaar op https://www.sohu.com/a/311265067_264447 en https://www.sinosure.com.cn/mobile/xbdt/195980.shtml (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(37)   “China and Morocco sign a cooperation plan for jointly building the Belt and Road Initiative”. Beschikbaar op https://www.ndrc.gov.cn/fzggw/wld/njz/lddt/202201/t20220105_1311482.html (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(38)  Ibid.

(39)   “China, Morocco sign joint implementation plan of BRI”. Beschikbaar op https://eng.yidaiyilu.gov.cn/p/212818.html (laatst geraadpleegd op 6 februari 2025).

(40)   “Morocco and China sign Joint Belt and Road Implementation Plan”. Beschikbaar op https://diplomatie.ma/en/morocco-and-china-sign-joint-belt-and-road-implementation-plan (laatst geraadpleegd op 5 februari 2025).

(41)   “Belt and Road to get $113b in CITIC financing”. Beschikbaar op http://english.www.gov.cn/news/top_news/2015/06/26/content_281475134729436.htm (laatst geraadpleegd op 6 december 2024).

(42)   “Chinese auto parts manufacturer CITIC to set up 3rd plant in Morocco”, 17 februari 2022. Beschikbaar op https://eng.yidaiyilu.gov.cn/p/222859.html (laatst geraadpleegd op 17 januari 2025). “Dicastal Morocco Africa renforce sa présence au Maroc”. Beschikbaar op https://www.mcinet.gov.ma/fr/actualites/discatal-morocco-africa-renforce-sa-presence-au-maroc (laatst geraadpleegd op 17 januari 2025). “Chinese auto parts manufacturer CITIC to set up 3rd plant in Morocco”. Beschikbaar op https://english.news.cn/africa/20220217/fbad9addfab64c918ad17863e55c0b13/c.html (laatst geraadpleegd op 17 januari 2025).

(43)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 1).

(44)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/870 van de Commissie van 24 juni 2020 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig compenserend recht op de invoer van continuglasvezelproducten van oorsprong uit Egypte en tot heffing van een definitief compenserend recht op de geregistreerde invoer van continuglasvezelproducten van oorsprong uit Egypte (PB L 201 van 25.6.2020, blz. 10).

(45)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/433 van de Commissie van 15 maart 2022 tot instelling van definitieve compenserende rechten op koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit India en Indonesië en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit India en Indonesië (PB L 88 van 16.3.2022, blz. 24).

(46)  Arrest van het Hof van Justitie van 28 november 2024, Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics SAE en Jushi Egypt for Fiberglass Industry SAE, C-269/23 P en C-272/23 P, ECLI:EU:C:2024:984, punten 74-110.

(47)  Het Gerecht kwam in zaak T-480/20 tot dezelfde conclusie: “De Chinese en de Egyptische overheid hebben de SETC-zone dus in nauwe samenwerking opgezet als een zone die door de juridische en economische bijzonderheden ervan de Chinese overheidsinstanties de mogelijkheid bood om de Chinese ondernemingen in dat gebied rechtstreeks alle aan de Chinese “Nieuwe Zijderoute” inherente faciliteiten te verlenen” (punt 91) (cursivering toegevoegd).

(48)  Economic Herald. “CITIC Dicastal, A new force for Chinese manufacturing to take off overseas”, 15 juli 2019. Beschikbaar op https://www.jingjidaokan.com (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025).

(49)  Economic Herald. “CITIC Dicastal, A new force for Chinese manufacturing to take off overseas”, 15 juli 2019. Beschikbaar op https://www.jingjidaokan.com (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025). China Nonferrous Metals News. “Building a New Bridge of China-Africa Practical Cooperation – Citic Dicastal’s North Africa Factory, 2023”. Beschikbaar op https://www.chinania.org.cn/html/hangyexinwen/guoneixinwen/2023/0602/53398.html en http://world.people.com.cn/n1/2023/0522/c1002-32691419.html (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(50)   “MOROCCO: First North African Belt and Road Agreement Signed with China”. Beschikbaar op https://research.hktdc.com/en/article/OTYyNTgwNjYx (laatst geraadpleegd op 5 februari 2025).

(51)   “Guiding Principles on Financing the Development of the Belt and Road”. Beschikbaar op https://eng.yidaiyilu.gov.cn/p/13757.html (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(52)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/99 van de Commissie van 11 januari 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko (PB L 10 van 12.1.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/99/oj).

(53)  Arrest van het Hof van Justitie van 28 november 2024, Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics SAE en Jushi Egypt for Fiberglass Industry SAE, C-269/23 P en C-272/23 P, ECLI:EU:C:2024:984, punt 84.

(54)  Document L/978, goedgekeurd op 13 mei 1959 (bijlage A.4), punt 11.

(55)  Zie arrest in zaak C-269/23 P, punt 77.

(56)  Zie arrest in zaak C-269/23 P, punt 84.

(57)  Gecontroleerde rapporten voor de periode 2018-2023 van Changsha Dicastal die in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 1 werden ingediend en tijdens de verificatie ter plaatse als bewijs werden verzameld; lijsten van te betalen en invorderbare rekeningen ingediend door Changsha Dicastal in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 4.

(58)  Tabel E-2.2.1.c Leningen verstrekt in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 3 en herzien tijdens de controle ter plaatse, en een lijst van alle leningen die in de periode 2017-2022 werden ontvangen die is verstrekt in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 4.

(59)  Ibid.

(60)  WT/DS379/AB/R (US — Anti-dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 318. Zie ook WT/DS436/AB/R (US — Carbon Steel (India)), Verslag van de Beroepsinstantie van 8 december 2014, punten 4.9, 4.10 en 4.17-4.20, en WT/DS437/AB/R (US — Countervailing Duty Measures on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 18 december 2014, punt 4.92.

(61)  WT/DS379/AB/R (US — Anti-dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 318.

(62)  WT/DS379/AB/R (US — Anti-dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 349.

(63)   “CITIC Dicastal Co., Ltd.’s acquisition of Dicastal (Asia) Investment Holding Co., Ltd.”. Beschikbaar op https://scjgj.beijing.gov.cn/ztzl/jyzjzajgs/jyzjzjyajgs/202311/t20231103_3294853.html (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(64)  CITIC Limited. Jaarrapport 2019. Beschikbaar op https://www.citic.com/uploadfile/2020/0421/20200421062822309.pdf (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(65)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/2447/oj).

(66)  Gecontroleerde rapporten voor de periode 2018-2023 van Changsha Dicastal die in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 1 werden ingediend en tijdens de verificatie ter plaatse als bewijs werden verzameld; lijsten van te betalen en invorderbare rekeningen ingediend door Changsha Dicastal in antwoord op schriftelijke aanmaning nr. 4.

(67)   “About CITIC. Brief introduction”. Beschikbaar op https://www.group.citic/en/About_CITIC/Brief_Introduction/ (laatst geraadpleegd op 8 januari 2025).

(68)  Panelverslag, VS — Zwaargesatineerd papier, punten 7.174 en 7.175.

(69)  Arrest van het Hof van Justitie van 14 december 2017, European Bicycle Manufacturers Association (EBMA)/Giant (China) Co. Ltd, C-61/16 P, ECLI:EU:C:2017:968, punt 65.

(70)   “CITIC. Corporate Governance and Risk Management”. Beschikbaar op https://www.group.citic/en/About_CITIC/Governance_Risk/ (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(71)   “CITIC Group Corporation had more than 2 000 subsidiaries as of September 2024”. Beschikbaar op https://www.group.citic/uploadfile/2022/1121/子公司名单.pdf (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(72)   “Announcement - Continuing Connected Transactions”, 20 november 2023, blz. 13. Beschikbaar op https://tools.euroland.com/tools/Pressreleases/GetPressRelease/?ID=4425436&lang=en-GB&companycode=hk-cpf&v= (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(73)  Beschikbaar op http://www.cvca.org.cn/home/rwxx/rwxx.html?page=liuerfei (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(74)   “CITIC. Brief introduction”. Beschikbaar op https://www.group.citic/en/About_CITIC/Brief_Introduction/ (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(75)   “Forge ahead courageously on the new journey of great rejuvenation - the report of the 20th National Congress of the Communist Party of China has aroused warm response in CITIC Group”. Beschikbaar op https://www.citic.com/html/2022/News_1021/2589.html (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(76)   “CITIC Dicastal held strategic talks with BYD and was invited to attend BYD’s new energy vehicle core supplier conference”. Beschikbaar op https://www.dicastal.com/Index/Detail/index/cid/070213/id/338 (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025).

(77)   “Gao Xiuying, former member of the Standing Committee of the CPC Committee of CITIC Dicastal Co., Ltd., was expelled from the Party and removed from office”. Beschikbaar op https://www.chinanews.com.cn/gn/2024/12-13/10335966.shtml (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025).

(78)   “Zhang Jian – personal profile”. Beschikbaar op https://vip.stock.finance.sina.com.cn/corp/view/vCI_CorpManagerInfo.php?stockid=000998&Pcode=30383454&Name=%D5%C5%BC%E1 (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025).

(79)   “China CITIC Bank – Directors”. Beschikbaar op https://www.citicbank.com/about/survey/directorate/ (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025). “CITIC Group – Group leadership – Group Party Committee”. Beschikbaar op https://www.group.citic/html/About_CITIC/Directors_Senior/ (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025). “CITIC Group – Group leadership – Senior Management”. Beschikbaar op https://www.group.citic/html/About_CITIC/Directors_Senior/ (laatst geraadpleegd op 19 januari 2025).

(80)  Ibid.

(81)  China CITIC Bank. Jaarverslag 2023, blz. 176 en 178. Beschikbaar op https://www.citicbank.com/about/investor_1011/financialaffairs/report/2023/202404/P020240429732182698660.pdf (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(82)  Statuten van China CITIC Bank Co., Ltd. Beschikbaar op https://www.citicbank.com/about/survey/regulation/202110/P020240730610518853121.pdf (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(83)  Zie het Werkdocument van de diensten van de Commissie over verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China, SWD(2017) 483 final/2 van 20.12.2017. Beschikbaar op https://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2017/december/tradoc_156474.pdf.

(84)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2023/112 van de Commissie van 11 januari 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 18 van 19.1.2023, blz.66, en met name punt 3.3.1, overwegingen 41-70).

(85)   “CITIC Group: Implementing national strategies and comprehensively deploying the “Belt and Road” ”. Beschikbaar op https://www.foundation.citic/icms/null/null/ns:LHQ6LGY6LGM6MmM5Y2Q1OGU1ZWM2ODE4YzAxNWY1MTU3YzUyMDAwY2IscDosYTosbTo=/show.vsml (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(86)  CITIC Dicastal, “A new force for Chinese manufacturing to take off overseas, Editorial Department of this Journal”, 15 juli 2019. Beschikbaar op https://www.jingjidaokan.com › null.

(87)  Zie het uitvoeringsplan van Qinhuangdao van 2020 voor actieve deelname aan de aanleg van de “Belt and Road” en de bevordering van internationale samenwerking op het gebied van productiecapaciteiten. Beschikbaar op http://fgw.qhd.gov.cn/home/details?code=MTk0MTkzNzM4Mzk2&pcode=MA%CE%B3%CE%B3&id=461926 (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(88)  Mededeling van het Algemeen Kantoor van de Volksregering van de provincie Hebei over de uitvaardiging van het uitvoeringsplan voor actieve deelname aan de aanleg van de “Belt and Road” en de bevordering van internationale samenwerking op het gebied van productiecapaciteiten, 2018/110. Beschikbaar op http://fgcx.bjcourt.gov.cn:4601/law?fn=lar1478s159.txt and https://law.esnai.com/mview/189605 (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025).

(89)  De strategische overeenkomst tussen CITIC en Sinosure van 2020. Beschikbaar op https://www.group.citic/html/2020/News_1123/2317.html (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(90)   “Policy-based export insurance credit strongly supports the “six stability” and “six guarantees” work of our province, 2021”. Beschikbaar op https://dfjr.hebei.gov.cn (laatst geraadpleegd op 18 januari 2025).

(91)   “The Hebei Branch of the Export-Import Bank of China is making every effort to implement the special loan plan to help stabilize the basic foreign trade situation”. Beschikbaar op http://www.eximbank.gov.cn/info/jgdt/202102/t20210208_25738.html (laatst geraadpleegd op 10 januari 2025).

(92)  Panelverslag, Korea — Handelsschepen, punten 7.411 tot en met 7.413.

(93)  Federal Bank of St. Louis. Beschikbaar op https://fred.stlouisfed.org (laatst geraadpleegd op 7 februari 2025).

(94)   “International Financial Statistics. Country Notes”, blz. 113. Beschikbaar op https://www.elibrary.imf.org/display/book/9781455217588/9781455217588.xml (laatst geraadpleegd op 7 februari 2025).

(95)  Dahir n° 1-95-213 du 14 joumada II 1416 (8 novembre 1995) portant promulgation de la loi-cadre n° 18-95 formant charte de l’Investissement.

(96)  Décret n° 2-00-895 du 6 kaada 1421 (31 janvier 2001) pris pour l’application des articles 17 et 19 de la loi-cadre no 18-95 formant charte de l’investissement; Décret n°2-15-625 modifiant le décret n° 2-00-895 du 6 kaada 1421 (31 janvier 2001) pris pour l’application des articles 17 et 19 de la loi-cadre n°18-95 formant charte de l’investissement; Décret n° 2-04-847 du 8 ramadan 1425 (22 octobre 2004) complétant le décret n° 2-00-895 du 6 kaada 1421 (31 janvier 2001) pris pour l’application des articles 17 et 19 de la loi-cadre n° 18-95 formant charte de l’investissement.

(97)  Decreet nr. 1-14-195 van 24 december 2014 tot vaststelling van Begrotingswet nr. 100-14 voor het begrotingsjaar 2015.

(98)  Al Hociema, Berkane, Jerada, Nador, Oujda-Amgad, Taounate, taourirt, Taza, Tétouan, Chefchaouen, Larache, Tanger Assilah, Beni Makada, Tata, Smara, Boujdour, Guelmim, Oued Dahab, Tan Tan.

(99)  Ministerie van Industrie en Handel. “The Chinese group CITIC Dicastal and the Moroccan State sign an investment agreement for an industrial project in the automotive sector”, juli 2018. Beschikbaar op https://www.mcinet.gov.ma/en/content/chinese-group-citic-dicastal-and-moroccan-state-sign-investment-agreement-industrial-project (laatst geraadpleegd op 17 december 2024).

(100)  WT/DS379/AB/R (US — Anti-dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 11 maart 2011, DS 379, punt 318. Zie ook WT/DS436/AB/R (US — Carbon Steel (India)), Verslag van de Beroepsinstantie van 8 december 2014, punten 4.9, 4.10 en 4.17-4.20, en WT/DS437/AB/R (US — Countervailing Duty Measures on Certain Products from China), verslag van de Beroepsinstantie van 18 december 2014, punt 4.92.

(101)  Attijariwafa Bank, “Offre dédiée”. Beschikbaar op https://www.attijariwafabank.com/fr/profil/grande-entreprise-pme/plans-dedies (laatst geraadpleegd op 17 december 2024).

(102)  Ministerie van Industrie en Handel. “Signature d’une convention de partenariat pour la mise en place d’un dispositif financier pour accompagner les opérateurs du secteur automobile, 15 juin 2023 ”. Beschikbaar op https://www.mcinet.gov.ma/fr/actualites/signature-dune-convention-de-partenariat-pour-la-mise-en-place-dun-dispositif-financier (laatst geraadpleegd op 18 december 2024).

(103)  AttijariWafa Bank, “Offre dédiée”. Beschikbaar op https://www.attijariwafabank.com/fr/profil/grande-entreprise-pme/plans-dedies (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(104)  AttijariWafa Bank, “Offre dédiée”. Beschikbaar op https://www.attijariwafabank.com/fr/profil/grande-entreprise-pme/plans-dedies (laatst geraadpleegd op 9 januari 2025).

(105)  Bewijsstuk 4a van het controlebezoek bij de Marokkaanse overheid.

(106)  Bewijsstuk 43 van het antwoord van de Marokkaanse overheid op de schriftelijke aanmaning.

(107)  Zie bijvoorbeeld Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344 van de Commissie van 12 augustus 2019 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 212 van 13.8.2019, blz. 1), overweging 117.

(108)  International Financial Statistics. Country Notes, blz. 113. Beschikbaar op https://www.elibrary.imf.org/display/book/9781455217588/9781455217588.xml (laatst geraadpleegd op 7 februari 2025).

(109)  Beschikbaar op https://www.macmap.org/en/download (laatst geraadpleegd op 4 december 2024).

(110)  Zie artikel 159, lid 2, en artikel 173, lid 1, van en aanhangsel III bij het douanewetboek. Volgens artikel 173-1° van het douanewetboek geldt het volgende “Goederen die in aanmerking komen voor de teruggaveregeling die is ingesteld bij artikel 159 van voornoemd douanewetboek zijn de goederen die zijn vermeld in aanhangsel III bij dit decreet”.

(111)  Artikel 164, lid 1, van het douanewetboek.

(112)  Overeenkomstig “Loi n° 19-94 Relative aux Zones Franches d’Exportation”, Bulletin Officiel, 1995-02-15, nr. 4294, blz. 117-121, zoals vervolgens gewijzigd bij Wet 14.21 om de term “zone franche” te vervangen door “zone d’accélération industrielle”. Zie ook “Code des douanes et impôts indirects relevant de l’administration des douanes et impôts indirects approuvé par le dahir portant loi n° 1-77-339 du 25 chaoual 1397 (9 octobre 1977), tel qu’il a été modifié et complété”.

(113)  Cour des Comptes. “Espaces d’acceuil industriels”. Beschikbaar op https://www.courdescomptes.ma/wp-content/uploads/2023/01/9.-Espaces-dacceuil-industriels.pdf (laatst geraadpleegd op 17 december 2024).

(114)  Organieke wet nr. 08-21 tot wijziging en aanvulling van organieke wet nr. 02-12 betreffende de benoeming in hogere functies overeenkomstig de artikelen 49 en 92 van de grondwet. Beschikbaar op https://courconstitutionnelle.ma/Documents/LoisOrganique/08-21-fr.pdf (laatst geraadpleegd op 13 februari 2025).

(115)  Marokkaanse grondwet. Beschikbaar op https://www.bladi.net/img/pdf/Constitution-maroc-2011.pdf (laatst geraadpleegd op 13 februari 2025).

(116)  WTO/DS379/AB/R (US — Anti-Dumping and Countervailing Duties on Certain Products from China), verslag van de WTO-beroepsinstantie van 11 maart 2011, punt 582.

(117)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1221 van de Commissie van 14 juli 2022 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko (PB L 188 van 15.7.2022, blz. 114, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1221/oj).

(118)  TRON-referentienummer: t25:001776.

(119)  TRON-referentienummer: t25:001772.

(120)  TRON-referentienummer: t25:001778.

(121)  TRON-referentienummer: t25:001846.

(122)  TRON-referentienummer: t25:001776.

(123)  TRON-referentienummer: t25:001772.

(124)  TRON-referentienummer: t25:001778.

(125)  TRON-referentienummer: t25:001846.

(126)  Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L-serie, 26.9.2024 ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/500/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)