|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/48 |
10.1.2025 |
BESLUIT (EU) 2025/48 VAN DE RAAD
van 28 november 2024
over het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad die is opgericht bij de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, wat betreft de wijziging van die overeenkomst door de vervanging van Protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (1) (de “overeenkomst”), is bij Besluit 2000/384/EG, EGKS van de Raad en de Commissie (2) door de Unie gesloten en is op 1 juni 2000 in werking getreden. De overeenkomst omvat Protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (“Protocol nr. 4”). |
|
(2) |
Op grond van artikel 39 van Protocol nr. 4 kan de bij artikel 67 van de overeenkomst opgerichte Associatieraad (de “Associatieraad”) besluiten de bepalingen van Protocol nr. 4 te wijzigen. |
|
(3) |
De Associatieraad zal op de volgende vergadering of via briefwisseling een besluit tot wijziging van de overeenkomst vaststellen door de vervanging van Protocol nr. 4. |
|
(4) |
Het is passend het standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad, aangezien het besluit van de Associatieraad rechtsgevolgen zal hebben. |
|
(5) |
De Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (3) (de “conventie”) is door de Unie gesloten bij Besluit 2013/94/EU van de Raad (4) en is met betrekking tot de Unie in werking getreden op 1 mei 2012. De Staat Israël (“Israël”) is ook partij bij de conventie. |
|
(6) |
De conventie bevat bepalingen over de oorsprong van goederen die op grond van de desbetreffende overeenkomsten tussen de partijen bij de conventie worden verhandeld. De conventie is van toepassing onverminderd de beginselen die in de desbetreffende overeenkomsten zijn neergelegd. |
|
(7) |
In artikel 6 van de conventie is bepaald dat elke partij de nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de conventie daadwerkelijk wordt toegepast. Daartoe moet de Associatieraad een besluit vaststellen waarbij in Protocol nr. 4 een dynamische verwijzing naar de conventie wordt opgenomen, zodat steeds wordt verwezen naar de recentste versie van de geldende conventie. |
|
(8) |
Bij Besluit (EU) 2019/2198 (5) heeft de Raad zijn steun uitgesproken voor de wijzigingen van de conventie die voorzien in een nieuwe reeks gemoderniseerde en flexibelere oorsprongsregels (de “wijzigingen van de conventie”). De wijzigingen van de conventie treden in werking op 1 januari 2025. De Unie en Israël hebben kenbaar gemaakt dat zij, in afwachting van de inwerkingtreding van de wijzigingen van de conventie, die nieuwe reeks regels zo spoedig mogelijk bilateraal willen toepassen op een alternatieve basis naast de huidige regels. |
|
(9) |
Op de technische vergadering die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, is de meerderheid van de partijen bij de conventie overeengekomen, op een bilaterale overgangsbasis een alternatieve reeks oorsprongsregels uit te voeren op basis van de wijzigingen van de conventie (de “overgangsregels”). De overgangsregels zijn parallel aan de regels van de conventie van toepassing, in afwachting van de inwerkingtreding van de wijzigingen van de conventie. |
|
(10) |
De toepassing van de overgangsregels zorgt ervoor dat de handelsstromen en douanepraktijken worden aangepast in afwachting van de inwerkingtreding van de wijzigingen van de conventie. |
|
(11) |
Sinds 1 september 2021 is al een aantal herziene bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels tussen de partijen bij de conventie (6) in werking getreden, op grond waarvan de overgangsregels van toepassing zijn geworden in afwachting van de inwerkingtreding van de wijzigingen van de conventie. |
|
(12) |
Begin 2021 heeft de Unie een voorstel verzonden met betrekking tot de overgangsregels van Israël. Op de 11e vergadering van het Subcomité douanesamenwerking en heffingen van 12 januari 2023 in Brussel deelde Israël de Unie mee dat die overgangsregels konden worden aanvaard mits een systeem van “permeabiliteit” zou worden gewaarborgd. In het licht van het Israëlische voorstel was het oorspronkelijke voorstel van de Unie niet langer relevant. De Unie moet daarom in de Associatieraad een standpunt bepalen ten aanzien van de overgangsregels. |
|
(13) |
Het doel van de overgangsregels is minder strenge regels te introduceren, waardoor goederen gemakkelijker voor de preferentiële oorsprongsstatus in aanmerking komen. Aangezien de overgangsregels over het algemeen minder streng zijn dan die van de conventie, kunnen goederen die aan de oorsprongsregels van de conventie voldoen, ook worden aangemerkt als van oorsprong uit hoofde van de overgangsregels, met uitzondering van sommige landbouwproducten die zijn ingedeeld in de hoofdstukken 2, 4 tot en met 15 en 16 (behalve verwerkte visserijproducten) en in de hoofdstukken 17 tot en met 24 van de nomenclatuur die is opgenomen in de versie van 2022 van het geharmoniseerd systeem dat is gebaseerd op het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (7), zoals gewijzigd. |
|
(14) |
De overgangsregels zijn parallel aan de oorsprongsregels van de conventie van toepassing, waardoor twee afzonderlijke zones van cumulatie ontstaan. Daarom moet in Protocol nr. 4 een bepaling worden opgenomen over de algemene toepassing van de permeabiliteit tussen de conventie en de overgangsregels. |
|
(15) |
Het standpunt van de Unie in de Associatieraad moet derhalve worden gebaseerd op het aangehechte ontwerpbesluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad die is opgericht bij de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, wat betreft de wijziging van die overeenkomst door de vervanging van Protocol nr. 4 betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking, is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van de Associatieraad.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld en verstrijkt op 31 december 2025.
Gedaan te Brussel, 28 november 2024.
Voor de Raad
De voorzitter
NAGY M.
(1) PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.
(2) Besluit 2000/384/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 19 april 2000 inzake de sluiting van een Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (PB L 147 van 21.6.2000, blz. 1).
(3) PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(4) Besluit 2013/94/EU van de Raad van 26 maart 2012 betreffende de sluiting van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels (PB L 54 van 26.2.2013, blz. 3).
(5) Besluit (EU) 2019/2198 van de Raad van 25 november 2019 inzake het namens de Europese Unie in het bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels opgerichte Gemengd Comité in te nemen standpunt over de wijziging van de conventie (PB L 339 van 30.12.2019, blz. 1).
(6) De Europese Unie, IJsland, de Zwitserse Bondstaat (met inbegrip van Liechtenstein), het Koninrijk Noorwegen, de Faeröer, de Staat Israël, het Hasjemitisch Koninrijk Jordanië, Palestina (deze benaming mag niet worden uitgelegd als erkenning van een staat Palestina en laat de afzonderlijke standpunten van de lidstaten ter zake onverlet), de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo), de Republiek Noord-Macedonië, de Republiek Servië, Montenegro, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne.
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2025/48/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)