European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/36

10.1.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/36 VAN DE COMMISSIE

van 9 januari 2025

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaald polyvinylchloride van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   WERKWIJZE

1.1.   Opening

(1)

Op 15 november 2023 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van polyvinylchloridesuspensie (“s-pvc”) van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika (“de betrokken landen”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (het “bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 2 oktober 2023 was ingediend door het “Polyvinyl Chloride Trade Committee” (“Handelscomité polyvinylchloride”) (“de klagers”). De klacht werd ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor s-pvc in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.

1.2.   Voorlopige maatregelen

(3)

Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de partijen op 14 juni 2024 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarge en de marge die toereikend is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken.

(4)

De Commissie ontving een aantal opmerkingen van belanghebbenden.

(5)

Foamalite Ltd (“Foamalite”), een in Ierland gevestigde gebruiker van s-pvc, uitte haar zorgen over een “specifiek Iers probleem”, dat inhoudt dat haar belangrijkste concurrent is gevestigd in Noord-Ierland en s-pvc met lagere rechten kan invoeren, waardoor zij te maken zou kunnen krijgen met meer concurrentie van een gebruiker buiten de Unie, met name Turkije. Foamalite exporteert ongeveer een derde van haar productie naar landen buiten de Unie, waarvan een belangrijk deel naar het Verenigd Koninkrijk. De Commissie merkt op dat het gebruik van de Unieregeling actieve veredeling de invoer van s-pvc zonder rechten mogelijk maakt wanneer het veredelde goed zou worden wederuitgevoerd. Dit zou ervoor zorgen dat het concurrentievermogen van Foamalite buiten de Unie niet zou worden aangetast door de rechten. Wat de concurrentie met een in Noord-Ierland gevestigde concurrent betreft, merkte de Commissie op dat de concurrent in Noord-Ierland aan dezelfde maatregelen zal worden onderworpen als Foamalite in de Unie, zoals bepaald in artikel 5 van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (3).

(6)

De Commissie verduidelijkte dat de opmerkingen van TCI Sanmar en Foamalite geen betrekking hadden op de juistheid van de onderliggende dumping- en schadeberekeningen in de zin van artikel 19 bis van de basisverordening. Om die reden is de Commissie in de voorlopige verordening niet op deze opmerkingen ingegaan. Deze opmerkingen wordt nochtans behandeld in de overwegingen 35 en 36 van de onderhavige uitvoeringsverordening.

(7)

Formosa Plastics Corporation (“Formosa”), een producent in de Verenigde Staten van Amerika (“VS”), stelde dat de Commissie een aantal administratieve fouten had gemaakt in haar berekeningen. Deze opmerking komt aan de orde in overweging 60 van deze uitvoeringsverordening.

(8)

In juli 2024 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1896 van de Commissie (4) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaald polyvinylchloride (“pvc”) van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika.

1.3.   Vervolg van de procedure

(9)

Na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen hebben de Egyptische overheid, de Amerikaanse overheid, TCI Sanmar Chemicals S.A.E. (“TCI Sanmar”), Formosa, Oxy Vinyls, LP (“Oxy Vinyls”), Westlake Corporation (“Westlake”) en de klagers binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening vastgestelde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend waarin zij hun standpunt over de voorlopige bevindingen kenbaar maakten.

(10)

De belanghebbenden die daarom hadden verzocht, zijn in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Op 3 oktober 2024 heeft een hoorzitting met Oxy Vinyls plaatsgevonden.

(11)

De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige bevindingen herzien.

(12)

De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op bepaald polyvinylchloride (“pvc”) van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen. De Amerikaanse overheid, TCI Sanmar, Formosa, Oxy Vinyls, Westlake, Shintech, Tricon Dry Chemicals en de European PVC Window Profiles Association (EPPA) hebben opmerkingen ingediend binnen de daarvoor vastgestelde termijn.

(13)

Reeds ingediende opmerkingen over de voorlopige verordening die door de partijen werden herhaald in hun opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen, zonder nieuwe materiële elementen aan te voeren, worden in deze verordening slechts eenmaal behandeld.

1.4.   Samenstelling van een steekproef

(14)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de Commissie opmerkingen inzake de representativiteit van de steekproef van producenten in de Unie ontvangen van de Egyptische overheid, de Amerikaanse overheid en Formosa. De partijen zetten vraagtekens bij de representativiteit van een steekproef van de Unie die ongeveer 25 % van de geschatte productie van s-pvc en 26 % van de verkoop in de Unie omvatte. De Amerikaanse overheid verwees in dit verband naar het verslag van de WTO-Beroepsinstantie in de zaak EG — Bevestigingsmiddelen (EC — Fasteners) waarin deze verklaarde dat een binnenlandse bedrijfstak die goed is voor 27 % van de totale geschatte productie van het soortgelijke product, niet voldoet aan de kwantitatieve drempel en als steekproef niet in overeenstemming is met artikel 4.1 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO (WTO Anti-Dumping Agreement — “ADA”) (5).

(15)

De Commissie merkt in de eerste plaats op dat geen van de belanghebbenden opmerkingen over de steekproef van producenten in de Unie had ingediend nadat deze in de inleidende fase bekend was gemaakt. In de tweede plaats had de door de Amerikaanse overheid aangehaalde zaak betrekking op de definitie van “major proportion” (“groot deel”) en de inleiding van de procedure uit hoofde van respectievelijk artikel 4.1 en artikel 5.4 van de ADA en niet op de samenstelling van de steekproef. Deze artikelen zijn derhalve niet van toepassing op de samenstelling van de steekproef. Dienovereenkomstig werd deze opmerking afgewezen.

(16)

De Amerikaanse overheid verzocht de Commissie tevens om uitleg over de wijze waarop zij de steekproef had samengesteld. Zoals vermeld in het bericht van inleiding (6), heeft de Commissie bij de opening van het onderzoek een voorlopige steekproef samengesteld en kon informatie daarover worden gevonden in het dossier dat door belanghebbenden kon worden ingezien (7). In de mededeling in het dossier werden de namen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen vermeld, evenals de criteria die voor hun selectie waren gebruikt, te weten de omvang van het productie- en het verkoopvolume van het soortgelijke product in de EU tijdens het onderzoektijdvak. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. De Commissie ontving echter geen opmerkingen over de voorlopige steekproef.

(17)

De Amerikaanse overheid en Formosa uitten ook hun twijfels over het feit dat in de steekproef twee verwerkers waren opgenomen. Vaststaat dat INOVYN Manufacturing Belgium SA en Vynova Wilhelmshaven GmbH s-pvc produceren in het kader van verwerkingsovereenkomsten. De Commissie is van mening dat de productie van s-pvc in het kader van een verwerkingsovereenkomst niet impliceert dat deze twee in de steekproef opgenomen entiteiten geen producenten zijn, integendeel zelfs. Zoals de bedrijfstak van de Unie heeft verklaard in zijn antwoord op deze opmerkingen, was de opneming van verwerkers ook nodig om de verschillende bedrijfsmodellen die in de Unie van toepassing zijn te bestrijken. De twee entiteiten die s-pvc produceren in het kader van verwerkingsovereenkomsten behoren tot de grootste s-pvc-producenten in de Unie. In tegenstelling tot wat de Amerikaanse overheid betoogde, had de Commissie wel degelijk rekening gehouden met de volledige productiekosten van de producenten, na daartoe toegang tot de boekhouding van de ondernemers te hebben verkregen.

(18)

Formosa voerde aan dat het niet-vertrouwelijke dossier onvoldoende informatie over de exacte regelingen tussen de verwerkers en hun ondernemers bevatte om belanghebbenden in staat te stellen de representativiteit van de steekproef te beoordelen.

(19)

Formosa heeft echter geen opmerkingen over de voorgestelde steekproef van de bedrijfstak van de Unie ingediend nadat deze beschikbaar was gesteld in het niet-vertrouwelijke dossier, noch heeft zij in de loop van het onderzoek opmerkingen ingediend over de volledigheid van het niet-vertrouwelijke dossier. In ieder geval bevatte het niet-vertrouwelijke dossier van het onderzoek voldoende gedetailleerde informatie om de verwerkers in een eerder stadium van de procedure te identificeren, met inbegrip van hun verschillende verkoopstructuren, en was het voor de belanghebbenden bijgevolg mogelijk om de representativiteit van de steekproef te beoordelen. Om die reden worden deze argumenten van de hand gewezen.

(20)

De Amerikaanse overheid en Formosa voerden aan dat de Commissie bij het samenstellen van de steekproef geen rekening had gehouden met de geografische spreiding van de bedrijfstak van de Unie. In antwoord op deze opmerking herhaalde de Commissie dat de steekproef van de producenten in de Unie was samengesteld in volledige overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening, aangezien de steekproef bestond uit de drie grootste producenten in de Unie qua productie en verkoop in de Unie. Bovendien zijn al deze producenten in de Unie gevestigd in verschillende lidstaten (België, Duitsland en Nederland), waardoor is gezorgd voor een goede geografische spreiding, rekening houdend met het gewicht van de producerende lidstaten. Deze opmerkingen werden derhalve niet aanvaard.

(21)

Bijgevolg werden de opmerkingen over de representativiteit van de steekproef van de Unie afgewezen.

(22)

Aangezien geen andere opmerkingen met betrekking tot de steekproef zijn ontvangen, worden de overwegingen 8 tot en met 15 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.5.   Individueel onderzoek

(23)

Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 16 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.6.   Opmerkingen over de opening van het onderzoek

(24)

De Amerikaanse overheid bekritiseerde de “te ver gaande redactie” van documenten van de klagers, die volgens haar afbreuk deed aan het vermogen van de Amerikaanse partijen om opmerkingen te leveren op belangrijke elementen van de klacht. Dit zou in strijd zijn met de artikelen 6.4 en 6.5 van de ADA.

(25)

De Commissie heeft deze kritiek onderzocht en kwam tot de slotsom dat de Amerikaanse overheid de situatie onjuist had voorgesteld door te verklaren dat “alle bijlagen bij de klacht in hun geheel vertrouwelijk zijn” terwijl dat niet het geval was. Voor een groot aantal bijlagen geldt dat de niet-vertrouwelijke versie identiek is aan de vertrouwelijke versie. Voor veel andere bijlagen geldt dat de niet-vertrouwelijke versie een getrouwe weergave vormt van de informatie in de vertrouwelijke versie, waarbij terdege rekening is gehouden met gevoelige bedrijfsinformatie. In sommige specifieke gevallen kon geen niet-vertrouwelijke samenvatting beschikbaar worden gesteld vanwege de aard van de informatie in kwestie. In die gevallen was dit gemotiveerd door de partij(en) die de informatie had(den) verstrekt en was het verzoek om vertrouwelijke behandeling beoordeeld en aanvaard door de Commissie. De Commissie concludeerde derhalve dat de niet-vertrouwelijke versie van de klacht in overeenstemming was met de bepalingen van artikel 19, lid 2, van de basisverordening en met de artikelen 6.4 en 6.5 van de ADA.

(26)

De Amerikaanse overheid bekritiseerde ook het feit dat opmerkingen van Oxy Vinyls betreffende overmatig geredigeerd materiaal dat door de bedrijfstak van de Unie was ingediend, door de Commissie waren genegeerd. In dit verband wordt opgemerkt dat de Commissie naar aanleiding van de opmerkingen van Oxy Vinyls contact heeft opgenomen met de in de steekproef opgenomen producent in de Unie, die vervolgens binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een herziene, niet-vertrouwelijke versie van zijn antwoorden op de vragenlijst heeft ingediend.

(27)

Gelet op een en ander worden de overwegingen 17 tot en met 29 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.7.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(28)

Van de Amerikaanse overheid en Formosa werden opmerkingen ontvangen over de beperkte verlengingen die aan producenten-exporteurs waren verleend voor het beantwoorden van de antidumpingvragenlijst en het gebrek aan flexibiliteit bij de vaststelling van het controleschema, hetgeen beide onnodige problemen veroorzaakten voor respondenten in de VS. Ter onderbouwing van haar bezwaren wees de Amerikaanse overheid op het tijdsbestek tussen de verlengde termijn voor het beantwoorden van de vragenlijst en de instelling van voorlopige maatregelen en het tijdsbestek tussen de uitvoering van een controle ter plaatse en het uitbrengen van het verslag van die controle.

(29)

De Commissie verwierp deze bezwaren en achtte de genoemde voorbeelden irrelevant, gelet op het feit dat zij de producenten-exporteurs meer tijd dan de in het bericht van opening vastgestelde 37 dagen had gegeven om de vragenlijst te beantwoorden, in verband met vakantiedagen binnen de Commissie, en dat zij het controleschema zorgvuldig had opgesteld om zo veel mogelijk rekening te houden met de voorkeuren van de producenten-exporteurs. Ook wees zij erop dat het onderzoeksproces als geheel een tijdrovende aangelegenheid is en dat de producenten-exporteurs, nadat zij hun antwoorden op de vragenlijst hadden ingediend, nog verschillende andere gelegenheden hebben gekregen om ontbrekende en/of aanvullende gegevens te verstrekken, tot aan en ook nog tijdens de controles ter plaatse.

(30)

Aangezien hierover geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 30 en 31 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.8.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(31)

Oxy Vinyls voerde aan dat de Commissie het onderzoektijdvak zodanig had gekozen dat dit de vanuit het oogpunt van schade slechtst mogelijke uitkomst voor Amerikaanse exporteurs opleverde, zoals blijkt uit de delta tussen de contractprijzen in de VS en die in de Unie. De Commissie merkte op dat het onderzoektijdvak was gekozen in overeenstemming met haar vaste praktijk en met artikel 6, lid 1, van de basisverordening. Bijgevolg werd dit argument afgewezen.

(32)

Aangezien hierover geen andere opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 32 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(33)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar bevindingen in de overwegingen 33 tot en met 38 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   DUMPING

3.1.   Egypte

3.1.1.   Normale waarde

(34)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar bevindingen in de overwegingen 50 tot en met 58 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.1.2.   Uitvoerprijs

(35)

TCI Sanmar betoogde dat er sprake was van een belangrijke berekeningsfout, aangezien de door de Commissie gebruikte gerapporteerde cif-waarden geen prijzen, grens Unie waren, aangezien de vervoers- en daarmee samenhangende kosten voor alle transacties op basis van FAS- of FCA-prijzen niet werden vermeld in haar verkooptabellen.

(36)

De Commissie merkt op dat producenten-exporteurs, in overeenstemming met haar vaste praktijk en om de gegevens te verzamelen die nodig zijn om de uitvoerprijzen en dumpingmarges te beoordelen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de basisverordening, verplicht zijn om voor elke uitvoertransactie niet alleen de feitelijke factuurprijs te rapporteren, maar ook een afzonderlijke cif-prijs van dezelfde transactie. Indien de leveringsvoorwaarde van de onderliggende transactie niet cif is, moet de producent-exporteur die cif-waarde schatten. In het onderhavige geval heeft de Commissie zich gebaseerd op de door TCI Sanmar verstrekte cif-waarden. Indien de leveringsvoorwaarde van de onderliggende transactie cif was, heeft de Commissie de door TCI Sanmar onjuist gerapporteerde cif-waarde gelijkgesteld aan de feitelijke factuurwaarde. De opmerking en de verduidelijking van de Commissie hadden mutatis mutandis ook betrekking op de cif-prijs die was gebruikt voor de berekening van de schademarge (zie de overwegingen 129 en 130 van de voorlopige verordening).

(37)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen kwam TCI Sanmar terug op haar eerdere opmerkingen over de kwestie en voerde zij aan dat de Commissie zich had gebaseerd op onjuiste cif-waarden en dat de daaropvolgende berekeningsfout gedeeltelijk voortvloeide uit verzoeken van de Commissie aan TCI Sanmar om bepaalde oorspronkelijk in haar antwoorden op de vragenlijst verstrekte gegevens te wijzigen. Daar voegde TCI Sanmar aan toe dat uit gegevens van Eurostat een cif-waarde van 926 EUR per ton bleek, wat aanzienlijk hoger was dan de waarde die de Commissie in haar berekeningen had gebruikt, mede omdat de cif-waarden van Eurostat (naast andere kosten), anders dan de door de Commissie gehanteerde cif-waarden, een handelsmarge omvatten.

(38)

De Commissie verduidelijkt dat volgens haar vaste praktijk gegevens die door individuele ondernemingen in antwoorden op de vragenlijst worden gerapporteerd, met inbegrip van antwoorden op aanmaningen, voorrang hebben op algemene en openbare statistische gegevens, met name indien deze worden gebruikt voor een bedrijfsspecifieke berekening. De statistische gegevens zijn niet bedrijfsspecifiek en zijn ook niet beschikbaar op transactiebasis. De Commissie verduidelijkte ook dat de verantwoordelijkheid voor het rapporteren van nauwkeurige gegevens uiteindelijk bij elke onderzochte partij ligt.

(39)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar bevindingen in de overwegingen 59 en 60 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.1.3.   Vergelijking

(40)

In herinnering wordt gebracht dat de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium moet maken en correcties moet toepassen om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken voor het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om: i) ze terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(41)

Om de normale waarde terug te rekenen naar het handelsstadium af fabriek, werden correcties toegepast in verband met de verpakkingskosten.

(42)

Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor de kosten van vervoer, verzekering, laden en lossen, en verpakking. In verband met de kredietkosten werden correcties toegepast wanneer deze kosten van invloed waren op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen (zie ook overweging 47 van deze verordening en overweging 67 van de voorlopige verordening).

(43)

Na de oplegging van de voorlopige maatregelen herhaalden TCI Sanmar en de Egyptische overheid hun eerdere argument dat de normale waarden neerwaarts moesten worden bijgesteld gezien de gevolgen van de valutacrisis voor de economie van Egypte tijdens het onderzoektijdvak. Daartoe verwees TCI Sanmar naar overweging 64 van de voorlopige verordening, waarin een eerder argument van TCI Sanmar werd samengevat, dat inhield dat de op 6 maart 2024 door de centrale bank van Egypte (“CBE”) vastgestelde wisselkoers moest worden gebruikt voor de berekening van dumping met betrekking tot transacties in het onderzoektijdvak, d.w.z. tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023. Daar voegde TCI Sanmar aan toe dat de onderliggende omstandigheden van de devaluatie van het Egyptische pond (EGP) lieten zien dat de werkelijke waarde daarvan tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijk lager was dan de gepubliceerde CBE-koers. In haar opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde TCI Sanmar aan dat de Commissie in de voorlopige verordening niet op het argument van TCI Sanmar was ingegaan.

(44)

Ook de Egyptische overheid heeft na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen opmerkingen ingediend, waarin zij verwees naar het argument van TCI Sanmar in overweging 43 en eraan toevoegde dat het ingediende bewijs (aanpassing van de wisselkoers van 6 maart 2024) relevant was voor het onderhavige onderzoek. In haar opmerkingen verwees de Egyptische overheid op onduidelijke wijze aan een verslag van de WTO-Beroepsinstantie in de zaak Argentinië — Keramische tegels (Argentina — Ceramic Tiles), waarin de WTO-Beroepsinstantie had vastgesteld dat bewijs dat na het onderzoektijdvak rechtstreeks verband hield met transacties in het onderzoektijdvak niet als irrelevant terzijde mocht worden geschoven.

(45)

De Commissie verwijst naar de overwegingen 65 en 66 van de voorlopige verordening, waarin deze argumenten volledig zijn behandeld en weerlegd. De Commissie was van mening dat het argument van de Egyptische overheid niet kon slagen omdat de CBE gedurende het hele onderzoektijdvak toepasselijke wisselkoersen had vastgesteld, die bijgevolg moesten worden toegepast op de transacties in dat onderzoektijdvak, en dat een wisselkoers van 6 maart 2024 logischerwijs niet kan worden toegepast op transacties die zijn verricht in het onderzoektijdvak, dat liep van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023. In dit verband lijkt het gebruik van de door TCI Sanmar voorgestelde wisselkoers niet in overeenstemming te zijn met de vereisten van artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening.

(46)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde TCI Sanmar opnieuw aan dat de officiële wisselkoersen die door de CBE voor het onderzoektijdvak waren vastgesteld, geen afspiegeling van de marktrealiteit vormden. De Commissie merkt op dat het herhaalde argument geen aanleiding geeft om de eerdere beoordeling van de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 65 en 66 van de voorlopige verordening en overweging 45 van de onderhavige verordening, te wijzigen.

(47)

TCI Sanmar voerde een tweede argument aan met betrekking tot de vergelijking tussen de normale waarden en de uitvoerprijzen, waarnaar de Commissie in overweging 67 van de voorlopige verordening had verwezen. Vanwege de gevoelige aard van de onderliggende feiten heeft de Commissie dit argument alleen met TCI Sanmar besproken.

(48)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde TCI Sanmar het in de voorgaande overweging genoemde argument in verband met een correctie voor de kredietkosten. Gezien de gevoelige aard van de onderliggende feiten, heeft de Commissie de weerlegging van dit argument opnieuw alleen tegenover TCI Sanmar bevestigd.

(49)

De Egyptische overheid herhaalde het in overweging 47 aangevoerde argument van TCI Sanmar en verklaarde louter dat de uitvoerprijzen van de Egyptische exporteur TCI Sanmar op basis van het ingediende bewijs opwaarts moesten worden bijgesteld. Dat argument van TCI Sanmar was gericht op een opwaartse bijstelling van de uitvoerprijs, terwijl de analyse van het argument door de Commissie had geresulteerd in een neerwaartse bijstelling van de uitvoerprijs. De Egyptische overheid was van mening dat de weigering van de Commissie om de uitvoerprijzen van TCI Sanmar opwaarts bij te stellen in strijd was met artikel 2, lid 10, van de basisverordening, dat voorziet in het beginsel van een billijke vergelijking tussen de normale waarden en de uitvoerprijzen. In dat verband verwees de Egyptische overheid naar een verslag van de WTO-Beroepsinstantie over EG — Bevestigingsmiddelen (China), waarin de WTO-Beroepsinstantie zich had uitgesproken over de noodzaak van een billijke vergelijking op grond van artikel 2.4 van de ADA.

(50)

De Commissie bevestigt dat zij een billijke vergelijking heeft gemaakt tussen de normale waarde en de uitvoerprijzen. De onderliggende gegevens konden om redenen van vertrouwelijkheid alleen rechtstreeks met TCI Sanmar worden gedeeld.

(51)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 61 tot en met 68 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.1.4.   Dumpingmarges

(52)

Aangezien er geen aanvaarde opmerkingen over de berekening van de dumpingmarge zijn ontvangen, wordt overweging 72 van de voorlopige verordening bevestigd.

(53)

De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

TCI Sanmar Chemicals S.A.E.

86,1 %

Egyptian Petrochemicals Company

109,5 %

Alle overige ondernemingen

109,5 %

3.2.   Verenigde Staten van Amerika

3.2.1.   Normale waarde

(54)

In haar antwoorden op de vragenlijst verstrekte Westlake de geconsolideerde productiekosten van chloor en bijtende soda, met aftrek van de inkomsten uit de verkoop van bijtende soda. In het voorlopige stadium had de Commissie deze correctie afgewezen. Haar redenen daarvoor werden uiteengezet in de individuele mededeling aan Westlake, en wel als volgt:

i)

chloor en ethyleen zijn de grondstoffen voor de productie van vinylchloride-monomeer (VCM), het basismateriaal dat wordt gebruikt voor de productie van s-pvc. Bijtende soda en chloor zijn nevenproducten van het chloor-alkaliproces. Bijtende soda is dus noch een bijproduct, noch een nevenproduct van de productie van s-pvc, een upstreamproductieproces dat volledig is gescheiden van het productieproces dat bijtende soda oplevert;

ii)

de Commissie had diverse door Westlake verstrekte informatie-elementen geïdentificeerd waarin werd uiteengezet dat chloor en bijtende soda nevenproducten zijn van een elektrochemisch proces waarbij natriumchloridezout en elektriciteit worden gebruikt als grondstoffen. In het betreffende rapport wordt een uitleg gegeven van het volledig geïntegreerde chloor-alkali-naar-s-pvc-proces (het zogenoemde CAV-proces) en wordt bijtende soda gedefinieerd als nevenproduct in het chloor-alkaliproces, niet als bijproduct;

iii)

in een door Westlake ingediend dossier waren de bedrijfsresultaten voor bijtende soda en chloor gescheiden gehouden en waren de EBIT van bijtende soda en chloor twee afzonderlijke bedrijfsresultaten, met elk hun eigen kosten en inkomsten;

iv)

in een ander dossier dat door Westlake werd ingediend, had het bedrijf duidelijk onderscheid gemaakt tussen de twee afzonderlijke producten chloor en bijtend soda door voor beide nevenproducten de productiekosten te rapporteren;

v)

algemeen aanvaard wordt dat een nevenproduct opzettelijk wordt geproduceerd naast het primaire product.

(55)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betwistte Westlake de aanpak van de Commissie op dit punt. Daarbij voerde zij aan dat het van cruciaal belang was om gestand te doen aan de realiteit dat de productie s-pvc en bijtende soda met elkaar verweven is en is gebaseerd op gezamenlijke winsten. Ter onderbouwing van dit punt verwees zij naar de beschrijving van de pvc-productie door de Commissie in haar besluit in het concentratieonderzoek INEOS/Solvay/JV (8). In dat besluit heeft de Commissie bijtende soda omschreven als een bijproduct van de pvc-productie.

(56)

De Commissie merkte op dat, ten eerste, Westlake geen argumenten had aangevoerd ter weerlegging van de punten ii), iii) en iv) in overweging 54, die waren opgenomen in de tot haar gerichte individuele mededeling. Westlake had zich enkel uitgelaten over punt v) (en daarmee impliciet ook over punt i)) door te verklaren dat bijtende soda volgens haar niet als nevenproduct diende te worden aangemerkt. Westlake voerde aan dat bijtende soda in plaats daarvan als bijproduct moest worden aangemerkt, zoals de Commissie in het genoemde concentratieonderzoek had vastgesteld.

(57)

Met betrekking tot INEOS/Solvay/JV merkte de Commissie op dat besluiten die in het kader van concentratieonderzoeken door het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie worden vastgesteld, niet bindend zijn voor handelsbeschermingsonderzoeken die door het directoraat-generaal Handel worden uitgevoerd op basis van andere regels. Hoe dan ook wordt in het gepubliceerde besluit in de zaak INEOS/Solvay/JV feitelijk bevestigd dat bijtende soda een bijproduct is van de elektrolyse van zout en water, niet van s-pvc. Ook wordt in dat besluit verklaard dat bijtende soda het economisch meest relevante bijproduct is in de verticale pvc-keten zelf, en niet alleen in die van s-pvc (9).

(58)

Op basis van het voorgaande werd het argument van Westlake betreffende de correctie met betrekking tot bijtende soda afgewezen.

(59)

Formosa voerde een aantal argumenten aan in verband met de berekening van de normale waarde. Het eerste argument betrof een vermeende fout van de Commissie in de zin dat zij eerst, in het stadium vóór de mededeling, de financiële opbrengsten en kosten zoals gerapporteerd in de winstgevendheidstabel van Formosa had herzien en vervolgens, toen de voorlopige maatregelen werden ingesteld, geen rekening had gehouden met de opmerkingen van Formosa aangaande die herziening. De tweede vermeende fout betrof de beoordeling van de in dezelfde tabel vermelde vervoersgerelateerde kosten. Het derde argument betrof de behandeling van verkoopkortingen. Het vierde argument betrof de berekening van de verkoop-, de administratie- en de algemene (VAA) kosten bij het construeren van de normale waarde. Het laatste argument had betrekking op de methode voor het berekenen van de winstgevende verkopen door de onderneming ten behoeve van de berekening van de dumping.

(60)

Vier van deze argumenten werden verworpen en één argument werd aanvaard. De redenen voor de afwijzing van de vier argumenten en de aanvaarding van één argument werden alleen aan de onderneming zelf meegedeeld, aangezien de opmerkingen niet in een niet-vertrouwelijke versie waren samengevat.

(61)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 73 tot en met 81 van de voorlopige verordening bevestigd.

(62)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Formosa twee argumenten betreffende de berekening van de normale waarde als bedoeld in overweging 59, met name het argument inzake het verzoek tot herziening van de toerekening van de financiële inkomsten en uitgaven in de winstgevendheidstabel en het methodologische argument inzake de wijze waarop de Commissie het VAA-percentage zou moeten berekenen.

(63)

De Commissie wees beide argumenten af op basis van de toelichtingen die zij reeds had verstrekt in bijlage III bij de specifieke documenten die zij in het kader van de mededeling op 29 oktober 2024 aan Formosa had toegezonden (10). Kort gezegd baseerde de Commissie zich voor het eerste argument op geverifieerde cijfers. In verband met het tweede argument bevestigde de Commissie dat het VAA-percentage was berekend in overeenstemming met de vastgestelde methode voor de berekening van dumping, als een percentage van de omzet af fabriek zoals gerapporteerd in de winstgevendheidstabel.

3.2.2.   Uitvoerprijs

(64)

Zoals uiteengezet in overweging 83 van de voorlopige verordening, werd de uitvoerprijs voor de onrechtstreekse verkoop via niet-verbonden handelaren in de VS vastgesteld op basis van de prijs waarvoor het betrokken product aan die handelaren werd verkocht.

(65)

Westlake betoogde dat zij op het moment van verkoop aan deze niet-verbonden handelaren niet wist of de specifieke verkochte goederen, of welke hoeveelheden daarvan, bestemd waren voor de Unie. Bijgevolg waren de prijzen voor deze verkopen niet specifiek voor de markt van de Unie en konden die verkopen niet worden geacht de prijzen bij uitvoer naar de Unie te weerspiegelen. Haar argument was derhalve dat deze verkopen niet in aanmerking hadden mogen worden genomen bij de berekening van de dumping. De Commissie herinnerde eraan dat zij in de loop van het onderzoek informatie had verkregen die haar in staat stelde om voor een groot aantal transacties met die niet-verbonden handelaren de EU als bestemming vast te stellen, en dat alleen de transacties waarvoor de EU als bestemming kon worden vastgesteld in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de uitvoerprijs. Onrechtstreekse uitvoer waarvan de EU niet als bestemming kon worden bevestigd, was uitgesloten van de berekening van de dumping. De Commissie was van oordeel dat het niet relevant was of Westlake op het moment van verkoop aan de niet-verbonden binnenlandse handelaar al dan niet bekend was met de eindbestemming van deze uitvoer. De feiten lieten zien dat deze verkooptransacties verkopen aan de Unie betroffen, met als gevolg dat zij werden opgenomen in de berekening van de dumping. Het argument werd bijgevolg afgewezen.

(66)

Aangezien er geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 82 en 83 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

3.2.3.   Vergelijking

(67)

In herinnering wordt gebracht dat de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium moet maken en correcties moet toepassen om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken voor het handelsstadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om: i) ze terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(68)

Om de normale waarde terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten. Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, verpakkingskosten, kortingen en andere vergoedingen, indien van toepassing.

(69)

Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten. Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten, verpakkingskosten en kortingen, indien van toepassing.

(70)

Aangezien hierover geen opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 84 en 85 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

3.2.4.   Dumpingmarges

(71)

Het gedeeltelijk aanvaarde argument van Formosa resulteerde in een lichte verhoging van de dumpingmarge, van 70,3 %, zoals vermeld in overweging 87 van de voorlopige verordening, tot 71,2 %.

(72)

De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Formosa Plastics Corporation

71,2 %

Westlake Chemicals

58,0 %

Andere medewerkende ondernemingen

62,3 %

Alle overige ondernemingen

77,0 %

4.   SCHADE

(73)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening voerde Formosa aan dat het feit dat verschillende schade-indicatoren waren gebaseerd op schattingen, twijfel deed rijzen over de betrouwbaarheid van die indicatoren.

(74)

In antwoord op deze opmerking merkte de Commissie op dat zij de macro-indicatoren voor de schadebeoordeling, zoals productievolume, verkoopvolume enz., had geschat op basis van de informatie die zij had ontvangen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en Eurostat, zoals in wezen is uiteengezet in overweging 100 van de voorlopige verordening. Bovendien had Formosa geen specifieke problemen met die schattingen vastgesteld of alternatieve schattingen verstrekt.

(75)

Op basis van het voorgaande werden deze argumenten van Formosa afgewezen.

4.1.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie

(76)

Aangezien er geen opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, worden de overwegingen 92 en 93 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Vaststelling van de relevante markt van de Unie

(77)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening herhaalden Westlake en Oxy Vinyls hun argument dat de inkomsten en winsten uit de verkoop van bijtende soda in aanmerking moesten worden genomen in de schadeanalyse en dat de productie van s-pvc en bijtende soda met elkaar verweven was, zoals de markten voor s-pvc en bijtende soda dat ook waren. Oxy Vinyls voerde specifiek aan dat de Commissie niet voldoende had gemotiveerd waarom bij de beoordeling van de schade ook de handel in bijtende soda in aanmerking moest worden genomen. Daarnaast voerde Westlake aan dat s-pvc-producenten die ook chloor produceren, steunen op gezamenlijke winsten op die twee producten.

(78)

De Commissie merkt op dat Westlake en Oxy Vinyls geen aanvullend bewijs hebben aangedragen dat de bevindingen in overweging 97 van de voorlopige verordening en de voorlopige bevindingen in de overwegingen 55 tot en met 58 van deze verordening in twijfel zou trekken. Hoe dan ook herinnert de Commissie eraan dat niet alle producenten in de Unie betrokken zijn bij de productie van chloor. Bovendien zijn s-pvc en bijtende soda nevenproducten van het chloor-alkaliproces en is bijtende soda geen neven- of bijproduct van het s-pvc-productieproces, zodat deze producten afzonderlijk moeten worden behandeld.

(79)

De opmerking van Oxy Vinyls dat de Commissie onvoldoende redenen voor de uitsluiting van bijtende soda van de schadeanalyse had aangevoerd, was zeer vaag, zonder vermelding van de relevante factoren die als gevolg van die uitsluiting repercussies zouden hebben voor de bedrijfstak van de Unie. De Commissie is het om de volgende redenen oneens met bovengenoemd argument van Oxy Vinyls. In de overwegingen 96 en 97 van de voorlopige verordening heeft de Commissie het productieproces van het onderzochte product door de verschillende in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de relevantie van bijtende soda in dat proces duidelijk beschreven. De Commissie merkt hier nogmaals op dat alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie chloor kochten van afzonderlijke — verbonden of niet-verbonden — juridische entiteiten. De productie van bijtende soda vond afzonderlijk van het s-pvc-productieproces plaats en had geen invloed op de productiekosten van het onderzochte product. Dit argument werd derhalve van de hand gewezen. Oxy Vinyls voerde ook aan dat de Commissie de plicht had om de segmentatie van de markt van het onderzochte product te analyseren. In dit verband stelde de Commissie vast dat er geen sprake was van marktsegmentatie voor s-pvc, zoals gedetailleerd is uiteengezet in de overwegingen 98 en 99 van de voorlopige verordening. De producent-exporteur heeft geen nieuw bewijs aangedragen dat de voorlopige conclusie inzake marktsegmentatie in twijfel zou hebben getrokken, zodat dit argument werd afgewezen.

(80)

Op grond van het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 94 tot en met 99 van de voorlopige verordening bevestigd.

(81)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Oxy Vinyls haar argument dat de Commissie pvc en bijtende soda had moeten behandelen als geïntegreerde bedrijfstakken die cumulatief in aanmerking hadden moeten worden genomen in de schadebeoordeling. Ter onderbouwing van dit punt verwees zij in hoofdzaak naar de beschrijving van de pvc-productie door de Commissie in haar besluit in het concentratieonderzoek INEOS/Solvay/JV.

(82)

Wat het bovenstaande betreft, handhaaft de Commissie haar standpunt zoals uiteengezet in overweging 57. Het argument wordt bijgevolg afgewezen.

4.3.   Verbruik in de Unie

(83)

Aangezien er geen verdere opmerkingen aangaande het verbruik in de Unie zijn ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 100 tot en met 103 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.   Invoer uit de betrokken landen

4.4.1.   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen

(84)

De Egyptische overheid, TCI Sanmar en Westlake betwistten de cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit Egypte en de VS, aangezien het marktaandeel van de Egyptische invoer volgens hen te verwaarlozen was. Ter ondersteuning van hun argument verwezen Westlake en TCI Sanmar ook naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Eurofer/Commissie (11), waarin het Hof heeft verduidelijkt dat de drempel van 1 % in artikel 5, lid 7, en artikel 9, lid 3, van de basisverordening geen dwingende grenswaarde is waarboven de Commissie niet kan concluderen dat de invoer uit een bepaald land te verwaarlozen is.

(85)

De Commissie herhaalt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Voorts merkt zij op dat de invoer uit de betrokken landen ook hoger was dan de drempel voor verwaarloosbaarheid zoals vastgesteld in de ADA (12). De Commissie herinnerde eraan dat de invoer uit Egypte in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 1,92 % bereikte, wat duidelijk boven de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening vastgestelde de-minimisdrempel ligt. Bovendien heeft het Hof van Justitie in de zaak Eurofer/Commissie verklaard dat ook een marktaandeel van “net boven” 1 % als te verwaarlozen kan worden beschouwd, waarbij de Commissie beschikt over een zekere beoordelingsmarge om te bepalen wat in elk concreet geval als te verwaarlozen moet worden aangemerkt. In dit specifieke onderzoek was het marktaandeel van 1,92 % in het onderzoektijdvak niet “net boven” 1 % en werd het bijgevolg niet aangemerkt als te verwaarlozen.

(86)

Op basis van het voorgaande worden de overwegingen 104 tot en met 107 van de voorlopige verordening bevestigd.

(87)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde TCI haar argument voor decumulatie, verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Eurofer/Commissie. De Commissie is van oordeel dat zij het argument van TCI naar behoren heeft onderzocht, zoals uiteengezet in overweging 85. Het argument wordt bijgevolg afgewezen.

4.4.2.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen

(88)

Westlake plaatste vraagtekens bij de methode die de Commissie had gekozen voor de schatting van de omvang van de invoer van e-pvc onder GN-code 3904 10 00 . Westlake vroeg zich met name af hoe de Commissie tot de conclusie was gekomen dat de 4 % van het invoervolume onder de genoemde GN-code het volume van de invoer van e-pvc in de EU vertegenwoordigde. Zoals uiteengezet in overweging 102 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie de verdeling van de invoer onder GN-code 3904 10 00 over de twee soorten pvc gebaseerd op de in de klacht vervatte marktinformatie. Voorts merkt de Commissie op dat Westlake geen bewijs heeft geleverd dat de schattingen van de Commissie onjuist waren en dat zij geen alternatieve, betere methode voor de berekening van het aandeel van e-pvc heeft aangedragen. Bovendien is het louter uiten van twijfels, zonder de vermeende problemen te identificeren, niet voldoende om de op marktinlichtingen gebaseerde benadering van de Commissie ter discussie te stellen. Oxy Vinyls voerde aan dat er geen sprake was geweest van een significante toename van invoer met dumping uit de VS, aangezien de invoer gedurende het hele onderzoektijdvak een neerwaartse trend vertoonde. De Commissie merkt op dat dit argument was gebaseerd op de kwartaalgegevens over de invoer uit de VS tijdens het onderzoektijdvak en dat zij concludeerde, gelet op het feit dat de invoer in het laatste kwartaal van het onderzoektijdvak het laagst was, dat de invoer een neerwaartse trend vertoonde. Tabel 1 toont de ontwikkeling van de invoer per kwartaal. In alle vier de kwartalen van het onderzoektijdvak was de invoer uit de betrokken landen hoger dan de kwartaalinvoer die een jaar eerder werd waargenomen.

Tabel 1

Invoervolumes uit de betrokken landen (ton), ontwikkeling per kwartaal

 

Twaalf maanden voorafgaand aan het OT

OT

Jaar

2021

2022

2022

2022

2022

2023

2023

2023

Kwartaal

Q4

Q1

Q2

Q3

Q4

Q1

Q2

Q3

Egypte

1 176

8 676

7 443

10 116

18 327

21 176

11 798

10 702

Verenigde Staten

9 787

10 590

30 744

33 087

53 291

88 610

86 199

39 290

Totaal

10 964

19 266

38 187

43 203

71 619

109 786

97 997

49 992

Verandering t.o.v. voorgaande zelfde kwartaal

(Qn, Jt/Qn, Jt-1)

553 %

470 %

157 %

16 %

Bron:

Eurostat.

(89)

Gezien het bovenstaande heeft de Commissie de opmerkingen afgewezen en de bevindingen in de overwegingen 108 tot en met 110 van de voorlopige verordening bevestigd.

(90)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat de Commissie niet was ingegaan op haar argument betreffende de vermeende overlading van invoer uit de VS naar het Verenigd Koninkrijk via EU-lidstaten, waardoor in deze procedure grotere invoervolumes uit de VS werden geregistreerd.

(91)

De Commissie merkte op dat de invoercijfers van Eurostat geen betrekking hebben op goederen die in havens van de Unie aankomen en via de regeling douanevervoer naar andere bestemmingen worden overgeladen, maar op goederen die in het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht. Dit argument wordt derhalve van de hand gewezen.

(92)

Oxy Vinyls voerde voorts aan dat er geen sprake was van een daadwerkelijke toename van de invoer met dumping uit de VS, maar dat een eventuele toename samenviel met perioden van overmacht, wat erop duidde dat die invoer eenvoudigweg diende om het aanbodtekort op de markt van de Unie op te vullen.

(93)

De Commissie stelde vast dat de meeste situaties van overmacht zich voordeden in het begin van de beoordelingsperiode, oftewel in 2020 en 2021, en dat dit derhalve geen verklaring vormt voor de in het onderzoektijdvak vastgestelde schade na de sterke toename van invoer met dumping vanaf de tweede helft van 2022.

(94)

Gezien het bovenstaande worden de argumenten van Oxy Vinyls van na de mededeling van de definitieve bevindingen afgewezen.

4.4.3.   Prijzen van de ingevoerde producten uit de betrokken landen en prijsonderbieding

(95)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening voerde TCI Sanmar aan dat het feit dat de invoerprijzen in het onderzoektijdvak lager waren dan de prijzen in de Unie, niet volstond als bewijs dat de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak schade had geleden. TCI Sanmar verzocht de Commissie om dezelfde benadering te volgen als in het pentaerytritol-besluit (13) en het onderzoek te beëindigen.

(96)

De door TCI Sanmar aangehaalde zaak is in het geheel niet van toepassing op het onderhavige onderzoek, aangezien de feitelijke situatie in het pentaerytritol-besluit volstrekt anders was. In dat onderzoek was de omvang van de invoer met dumping tijdens het onderzoektijdvak met 8 % gestegen, terwijl in het onderhavige onderzoek de toename van de invoer met dumping tussen 2022 en het onderzoektijdvak 91 % bedroeg, waarbij de volumes in het onderzoektijdvak met een factor twee waren vermenigvuldigd (het volume van de invoer met dumping steeg in 2020-2022 met 131 286 ton, en in 2022, tot het onderzoektijdvak, met nog eens 157 119). In ieder geval worden de feiten van elke antidumpingprocedure op hun eigen merites onderzocht, en de Commissie is niet gebonden aan conclusies die in andere zaken zijn getrokken (14). Dit argument wordt derhalve van de hand gewezen.

(97)

Daarnaast verzocht Oxy Vinyls om een dynamische beoordeling van de prijsonderbieding voor de gehele beoordelingsperiode op grond dat de beoordeling van de Commissie niet adequaat was, omdat deze statisch was. Ter ondersteuning van haar argument haalde Oxy Vinyls een aantal WTO-rapporten aan (15). Dezelfde partij voerde aan dat de spotprijzen en de contractprijzen van de producenten in de VS en de producenten in de Unie ver uit elkaar lagen en dat de Commissie haar schade- en dumpingprijsvergelijkingen had moeten maken op basis van diezelfde reeks prijzen.

(98)

Tot slot voerde de Amerikaanse overheid aan dat de analyse van de prijsonderbieding door de Commissie uitsluitend was gebaseerd op de cif-prijzen die tijdens het onderzoektijdvak waren verkregen van de in de steekproef opgenomen Amerikaanse producenten, en dat het gebruik van dezelfde periode van twaalf maanden voor zowel haar analyse van de prijsonderbieding als de berekening van de dumpingmarges de fundamentele verschillen tussen de twee analyses niet tot uiting bracht.

(99)

De Commissie merkt op dat haar analyse van de prijsonderbieding was verricht overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de basisverordening. Daarnaast heeft de Commissie voor de gehele beoordelingsperiode een prijsvergelijking uitgevoerd, waarbij de prijsontwikkeling is onderzocht en dit is gecombineerd met de gedetailleerde berekeningen van de prijsonderbieding en het prijsbederf, voor het onderzoektijdvak, op basis van bedrijfsspecifieke gegevens voor zowel de producent-exporteur als de bedrijfstak van de Unie. Zoals uiteengezet in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening, is de prijsonderbiedingsmarge bovendien berekend op het niveau van productsoorten en heeft de Commissie deze partijen in de vragenlijsten voor de producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verzocht de verkoopgegevens op basis van de productsoorten alleen te verstrekken voor het onderzoektijdvak. Geen enkele belanghebbende heeft opmerkingen ingediend over de vragenlijst en aangevoerd dat de Commissie bij de producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de verkoopgegevens op productsoortniveau voor de gehele beoordelingsperiode zou moeten opvragen, en ook heeft geen enkele belanghebbende opmerkingen ingediend over het feit dat de productcontrolenummer-structuur (PCN-structuur) geen onderscheid tussen spot- en contractverkoop vereiste. Op grond van het bovenstaande worden de opmerkingen over prijsonderbieding afgewezen.

(100)

Oxy Vinyls en Westlake voerden ook aan dat er geen bewijs was voor een correlatie tussen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en de invoer, maar dat de producenten in de Unie de prijzen hadden verlaagd vanwege de marktdynamiek en niet vanwege de invoer. Voorts voerden TCI Sanmar en Oxy Vinyls aan dat er geen bewijs voor verhindering van prijsverhoging bestond. De Amerikaanse overheid voerde aan dat de Commissie had vastgesteld dat de invoer uit Egypte en de VS alleen in het onderzoektijdvak tot verhindering van prijsverhogingen voor het soortgelijke product had geleid.

(101)

De Commissie stelde vast dat er een duidelijke correlatie bestond tussen de toename van de omvang van de invoer uit de betrokken landen en de geleidelijke daling van de invoerprijzen in de beoordelingsperiode. Hierdoor kon de bedrijfstak van de Unie zijn producten niet verkopen tegen prijzen die de kosten van productie dekten, als gevolg waarvan de bedrijfstak in het onderzoektijdvak verlies leed. Deze correlatie was duidelijk wanneer werd gekeken naar de veranderingen tussen 2022 en het onderzoektijdvak, toen het volume van de invoer met 91 % toenam en het marktaandeel van de invoer met 116 %, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 28 % daalden. Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

(102)

Op grond van het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 111 tot en met 117 van de voorlopige verordening bevestigd.

(103)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Oxy Vinyls haar eerdere argument met betrekking tot de dynamische beoordeling van de prijsonderbieding. De Commissie handhaaft haar bevindingen zoals uiteengezet in overweging 99 hierboven.

4.5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.5.1.   Algemene opmerkingen

(104)

Naast verschillende opmerkingen over specifieke schade-indicatoren die in elk deel waren behandeld, heeft de Commissie opmerkingen van Formosa over haar schadeanalyse in het algemeen ontvangen. Formosa voerde aan dat de Commissie geen deugdelijk bewijs van schade voor de producenten in de Unie had geleverd, aangezien verschillende schade-indicatoren geen negatieve trend vertoonden, maar eerder positief waren of ten minste stabiel bleven, zoals productiecapaciteit, prijzen en winstgevendheid. Bovendien kon de daling van het marktaandeel hoogstens als marginaal worden gekwalificeerd, aangezien het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zelfs tijdens het onderzoektijdvak hoger dan 80 % bleef.

(105)

De Commissie heeft de verschillende indicatoren niet afzonderlijk onderzocht, maar alle schade-indicatoren samen onder de loep genomen, en in tegenstelling tot wat Formosa stelde, vertoonden de meeste van deze indicatoren een negatieve trend. Bovendien is het voor de vaststelling van aanmerkelijke schade niet wettelijk vereist dat alle schade-indicatoren een negatieve trend laten zien.

(106)

Aangezien geen andere specifieke opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 118 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.2.   Macro-economische indicatoren

4.5.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(107)

De Amerikaanse overheid bekritiseerde de Commissie omdat zij de officiële statistieken van 2022 op voorlopige basis had gebruikt om de productie van s-pvc in de Unie voor het onderzoektijdvak te schatten.

(108)

De Commissie heeft gebruikgemaakt van de meest recente statistische gegevens die beschikbaar waren voor het schatten van de productie van s-pvc in de Unie. Bovendien heeft de Amerikaanse overheid geen enkel bewijs aangedragen dat de betrouwbaarheid van de door de Commissie gebruikte gegevens in twijfel zou trekken of recentere gegevens verstrekt voor de schatting van de productie.

(109)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening heeft Eurostat zijn meest recente cijfers over de productie van het betrokken product voor het jaar 2023 gepubliceerd (16). Na deze actualisering bedroeg het relatieve gewicht van de producenten van s-pvc 65 % van de totale productie voor het onderzoektijdvak. De analyse die de Commissie op basis van de gegevens van 2022 had uitgevoerd, waarin het gewicht van de s-pvc-producenten 66 % bedroeg, bleef kortom gelden voor de vaststelling van de productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Dit argument werd derhalve van de hand gewezen.

(110)

Op basis van het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 123 tot en met 127 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.2.2.   Verkoop en marktaandeel

(111)

TCI Sanmar voerde aan dat het feit dat de bedrijfstak van de Unie zijn bijna-monopoliepositie op de markt van de Unie verloor niet het gevolg was van de schadeveroorzakende dumping, maar louter een normaal concurrentieproces en het cyclische karakter van de bedrijfstak, met schommelingen in de vraag en veranderingen in marktaandelen, weerspiegelde. TCI Sanmar voerde aan dat het Gerecht in het arrest Hubei (17) heeft geoordeeld dat een daling van het marktaandeel moet worden beoordeeld in het perspectief van het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap een aanzienlijk marktaandeel had tijdens het onderzoektijdvak.

(112)

De Commissie herinnert eraan dat de omstandigheden van het onderzoek dat ten grondslag lag aan het Hubei-arrest verschilden van die in de onderhavige zaak. In genoemd arrest wordt verklaard dat “zoals verzoekster in wezen terecht aanvoert, met uitzondering van de ontwikkeling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de hierboven weergegeven economische gegevens alle positief zijn en in hun geheel het profiel schetsen van een bedrijfstak die zich in een sterke, en niet in een zwakke of kwetsbare situatie bevindt” (18). De Commissie is dan ook van mening dat uit dat arrest niet kan worden geconcludeerd dat de beoordeling van het marktaandeel door het Gerecht relevant is voor dit onderzoek, waarin sprake was van verschillende negatieve factoren die schade aantonen, naast het verlies van marktaandeel en het feit dat pvc, in tegenstelling tot de productie van naadloze buizen en buizen van ijzer of staal, een cyclische bedrijfstak is die in het onderhavige geval bovendien een stabiele productiecapaciteit behield, zoals in herinnering is gebracht in de overwegingen 126, 127 en 187 van de voorlopige verordening. Het argument werd bijgevolg afgewezen.

(113)

Op basis van het voorgaande worden de overwegingen 128 tot en met 132 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.2.3.   Groei

(114)

Over deze indicator werden geen opmerkingen ontvangen. Overweging 133 van de voorlopige verordening wordt daarom bevestigd.

4.5.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(115)

Over deze indicator werden geen opmerkingen ontvangen. De overwegingen 134 tot en met 138 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

4.5.2.5.   Omvang van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(116)

Over de omvang van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping werden geen opmerkingen ontvangen. De overwegingen 139 en 140 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

4.5.3.   Micro-economische indicatoren

4.5.3.1.   Prijzen en factoren die prijzen beïnvloeden

(117)

De Amerikaanse overheid verwees naar het door Oxy Vinyls verstrekte bewijs voor het feit dat de kosten van ethyleen op de EU-markt met bijna 50 % waren gestegen en dat de kosten van ethyleen op de EU-markt in de eerste helft van 2023 meer dan drie keer hoger waren dan de kosten van ethyleen op de markt van de VS, en wees erop dat dit in de voorlopige verordening niet aan bod kwam. Tegelijkertijd erkende Oxy Vinyls dat de aanzienlijke stijging van de kosten van ethyleen in de Unie in 2022 een piek bereikte.

(118)

In dit verband wordt opgemerkt dat ethyleen, de belangrijkste grondstof voor de productie van s-pvc, naar behoren in aanmerking is genomen in tabel 7 van de voorlopige verordening, samen met andere productiefactoren. Aangezien de schade echter merkbaarder was in het onderzoektijdvak, toen de invoer uit de betrokken landen bijna verdubbelde ten opzichte van 2022, was de piek in de kosten van ethyleen van 2022 niet de schadeveroorzakende factor voor de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak. Ook wordt opgemerkt dat de bedrijfstak van de Unie in een situatie dat er geen sprake van invoer met dumping zou zijn geweest, de prijzen had kunnen verhogen om die kosten terug te verdienen (voor nadere gegevens, zie tabel 1 voor de ontwikkeling van de invoer uit de betrokken landen per kwartaal).

(119)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat de ethyleenkosten in 2023 bleven stijgen, waardoor de producenten in de Unie aanhoudend onder druk stonden. Hoewel Oxy Vinyls in dit verband geen ondersteunend bewijs heeft verstrekt, heeft de Commissie, met behulp van voor het publiek toegankelijke statistieken, vastgesteld dat de gemiddelde wereldwijde prijs van ethyleen in het onderzoektijdvak 16 % lager was dan de gemiddelde prijs in 2022 (19). Het argument werd bijgevolg afgewezen.

(120)

Oxy Vinyls voerde aan dat de producenten in de Unie in het onderzoektijdvak geen “prijsnemers” werden, maar hun prijzen in het onderzoektijdvak moesten verlagen als gevolg van de marktdynamiek. Ook stelde zij dat de producenten in de Unie, na drie jaar van voortdurend stijgende prijzen, op een steeds verder krimpende markt eenvoudigweg hun afnemers van zich dreigden te vervreemden. Opgemerkt werd dat de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak de prijzen niet kon verhogen om de uit de sterke stijging van de invoer met dumping voortvloeiende kosten te dekken, en dat die kosten niet voortvloeiden uit een bepaalde marktdynamiek of vervreemding van afnemers, zoals Oxy Vinyls betoogde. Op basis van het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 141, 142 en 143 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.3.2.   Loonkosten

(121)

Over de loonkosten werden geen opmerkingen ontvangen. De overwegingen 144, 145 en 146 bij de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

4.5.3.3.   Voorraden

(122)

Over de voorraden werden geen opmerkingen ontvangen. De overwegingen 147 en 148 bij de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

4.5.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(123)

De Amerikaanse overheid, Oxy Vinyls en TCI Sanmar voerden aan dat de door de bedrijfstak van de Unie waargenomen schade kon worden verklaard uit de hoge investeringen die in het onderzoektijdvak werden gedaan. Volgens hen hadden die investeringen negatieve gevolgen voor de productiekosten en de winsten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(124)

De Commissie erkent dat om de naleving van de toepasselijke regelgeving te waarborgen (met andere woorden: om in bedrijf te blijven), aanzienlijke investeringen nodig bleken. De vastgestelde schade kan echter niet aan die investeringen worden toegeschreven, aangezien deze over lange perioden worden afgeschreven en de lopende afschrijvingskosten niet hebben verhoogd en derhalve niet hebben bijgedragen tot de waargenomen schade die de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak verliesgevend maakte.

(125)

Ter illustratie van de onjuiste argumentatie van deze partijen worden in de hiernavolgende tabel de bedragen van de investeringen en de afschrijvingskosten over de beoordelingsperiode weergegeven. De tabel laat zien dat de investeringen weliswaar toenamen, maar de totale afschrijving op de productiekosten van s-pvc voor de in de steekproef opgenomen producenten in de beoordelingsperiode met 14 procentpunten daalde omdat ondernemingen investeringen uitstelden. Dit toont aan dat de verliezen die de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak heeft geleden niet in verband kunnen worden gebracht met de omvang van de investeringen.

Tabel 2

Investeringen en afschrijvingskosten (EUR)

 

2020

2021

2022

OT

Investeringen

64 616 015

61 243 727

82 005 921

141 483 932

Index

100

95

127

219

Totale afschrijving van het soortgelijke product

6 730 575

8 316 453

5 295 182

5 763 630

Index

100

124

79

86

Bron:

In de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(126)

Op basis van het voorgaande worden de overwegingen 149 tot en met 154 van de voorlopige verordening bevestigd.

(127)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat de stijgende nalevingskosten in verband met diverse inspanningen van de Unie op milieu- en sociaal gebied een substantiële factor zijn voor eventuele schade voor de bedrijfstak van de Unie, en verzocht zij om dit naar behoren in de beoordeling van de Commissie tot uiting te laten komen. Voorts voerde zij aan dat de producenten in de Unie tegen het einde van de beoordelingsperiode, toen de vermeende schade begon te ontstaan, middelen hadden gereserveerd voor nalevingsdoeleinden. Ook voerde zij aan dat deze kosten hebben bijgedragen tot de daling van het rendement op investeringen voor de producenten in de Unie aan het einde van de beoordelingsperiode.

(128)

De Commissie verwijst in de eerste plaats naar de overwegingen 124 en 125 van deze verordening, waarin de nalevingskosten in de vorm van afschrijvingen worden geanalyseerd. De gevolgen daarvan voor de investeringen zijn naar behoren in aanmerking genomen in de schadeanalyse. Het rendement op investeringen is beoordeeld in de overwegingen 153 en 159 van de voorlopige verordening, waaruit duidelijk naar voren kwam dat dit zich, gezien de verlieslatende situatie van de producenten in de Unie in het onderzoektijdvak, negatief ontwikkelde.

(129)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat het argument dat zij had aangevoerd na de mededeling van de voorlopige bevindingen, en dat inhield dat het onvermogen van de producenten in de Unie om kapitaal aan te trekken redelijkerwijs niet kon worden toegeschreven aan Amerikaanse invoer, niet was behandeld in de mededeling van de definitieve bevindingen.

(130)

Zoals opgemerkt in overweging 154 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie de specifieke situatie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen onderzocht en diverse redenen vastgesteld die het voor die ondernemingen moeilijk maakten om te profiteren van een herverdeling van middelen op groepsniveau. Zoals vermeld in diezelfde overweging 154, waren die redenen onder meer dat voorrang werd geven aan investeringen in andere regio’s van de wereld, dat knelpunten in het productieproces niet werden aangepakt, en dat er uitzonderlijke, aanhoudende bezuinigingen werden doorgevoerd. De rol van de invoer met dumping kon echter niet worden genegeerd vanwege de gevolgen ervan voor de verlieslatende situatie van deze producenten tijdens het onderzoektijdvak en de onzekerheid voor de toekomst die daaruit voortvloeide. Het argument van Oxy Vinyls werd daarom van de hand gewezen.

4.5.4.   Conclusie inzake schade

(131)

Alle door de partijen na de voorlopige verordening aangevoerde argumenten worden afgewezen. De Commissie heeft daarom, op basis van de bevindingen in de voorlopige verordening, geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening en heeft de overwegingen 155 tot en met 161 van de voorlopige verordening bijgevolg bevestigd.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(132)

TCI Sanmar betwistte dat de invoer met dumping aanmerkelijke schade had berokkend aan de bedrijfstak van de Unie, door te stellen dat i) de “sterke” stijging van de invoervolumes was gemeten ten opzichte van het uiterst lage marktaandeel van 1 % en de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak een overweldigend marktaandeel van 80 % had behouden; ii) de prijzen van de invoer geen schade veroorzaakten en de bedrijfstak gedurende de gehele beoordelingsperiode winstgevend was, met uitzondering van het onderzoektijdvak, en iii) de oorzaak van de verliezen door de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak de grote omvang van de investeringen was. De Commissie was van mening dat deze elementen reeds in andere delen aan de orde waren gekomen: zie de overwegingen 85, 96, 99, 124 en 125 van deze verordening.

(133)

Op basis van het voorgaande worden de bevindingen in de overwegingen 163 tot en met 170 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

5.2.1.   Invoer uit derde landen

(134)

Formosa betwistte dat de invoer uit derde landen relatief stabiel was gebleven en drong er bij de Commissie op aan om de ontwikkeling van de invoer zorgvuldiger te onderzoeken.

(135)

De Commissie bevestigde dat de invoer uit alle derde landen met uitzondering van de betrokken landen in het onderzoektijdvak, net als in 2020, stabiel was gebleven (322 205 ton in het onderzoektijdvak tegen 317 781 ton in 2020, in absolute cijfers) en dat hun marktaandeel slechts in bescheiden mate was toegenomen (van 8 % in 2020 tot 10 % in het onderzoektijdvak). Voorts merkt de Commissie op dat Formosa niet heeft uitgelegd wat de Commissie precies anders had moeten analyseren noch bewijs heeft verstrekt dat de bevinding van de Commissie inzake de invoer uit derde landen in twijfel zou hebben getrokken. Dit argument van Formosa werd derhalve afgewezen.

(136)

TCI Sanmar voerde aan dat de invoer uit Mexico significant was en dat het moeilijk te begrijpen was waarom de Commissie van oordeel was dat de invoer uit de betrokken landen een prijsonderdrukkend effect had, maar die uit Mexico niet. De prijs van de invoer uit Mexico was in het onderzoektijdvak iets hoger dan de prijs van de invoer uit Egypte, maar was nog steeds lager dan de prijs van de bedrijfstak van de Unie. TCI Sanmar verzocht de Commissie om rechtzetting van haar verzuim om naar behoren te onderzoeken of de invoer tijdens het onderzoektijdvak uit Mexico, de op een na grootste exporteur naar de Unie, afbreuk had gedaan aan het oorzakelijk verband.

(137)

De Commissie verwijst naar tabel 11 in de voorlopige verordening, waarin duidelijk wordt aangegeven dat de omvang van de invoer uit Mexico in het onderzoektijdvak 9 % lager was dan in 2020 en dat het marktaandeel ervan gedurende de beoordelingsperiode stabiel bleef. In het licht van deze trends houdt de Commissie vast aan haar bevinding dat de invoer uit Mexico, samen met die van andere landen dan de betrokken landen, geen afbreuk deed aan het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping.

(138)

TCI Sanmar merkte ook op dat het marktaandeel van de invoer uit Zuid-Korea tijdens de beoordelingsperiode eveneens was gestegen, van 0 % in 2020 tot 2 % in het onderzoektijdvak. TCI Sanmar verklaarde dat de toename van het volume en het marktaandeel vergelijkbaar was met de toename van de Egyptische invoer en dat de Commissie de toename van de invoer uit Zuid-Korea onvoldoende had onderzocht.

(139)

De Commissie merkt op dat de invoer uit Zuid-Korea tijdens de beoordelingsperiode inderdaad met 48 368 ton steeg, waardoor het land in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 1,6 % verwierf. Ook merkt zij op dat de invoerprijzen van Zuid-Korea in het onderzoektijdvak weliswaar 14 % lager waren dan de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, maar 7 % hoger waren dan die van de betrokken landen. Tegelijkertijd waren de prijzen van de invoer uit Zuid-Korea in alle andere perioden van de beoordelingsperiode consequent hoger dan de prijzen van de producenten in de Unie. Hoewel de Commissie erkent dat de invoer uit Zuid-Korea, met name gezien de toename van zijn marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode, kan hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak heeft geleden, bevestigt zij haar bevinding in overweging 175 van de voorlopige verordening dat de invoer uit andere derde landen (waaronder Zuid-Korea) geen afbreuk deed aan het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen.

(140)

Gelet op het voorgaande worden de bevindingen in de overwegingen 171 tot en met 175 van de voorlopige verordening bevestigd.

(141)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen verklaarde TCI Sanmar het niet eens te zijn met de beoordeling van de Commissie dat de invoer uit Zuid-Korea het oorzakelijk verband niet afzwakte, ten eerste omdat de invoerprijzen uit Zuid-Korea tijdens het onderzoektijdvak lager waren dan die van de producenten in de Unie en ten tweede omdat de Commissie zich had gebaseerd op gegevens uit andere perioden dan het onderzoektijdvak.

(142)

Zoals vermeld in overweging 139, had de Commissie erkend dat de invoer uit Zuid-Korea kon hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Zij bleef echter bij haar standpunt dat de gevolgen ervan, wat hoeveelheden en prijzen betreft, afzonderlijk niet als significant konden worden beschouwd en het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen niet kunnen hebben afgezwakt.

5.2.2.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

(143)

Formosa en Oxy Vinyls voerden aan dat de verwijzing naar de uitvoer naar Zwitserland tegen een prijs onder de marktwaarde en de bewering dat “goedkope” invoer uit de VS en Egypte de markten van derde landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland had overspoeld, ongegrond waren.

(144)

Die bevinding was echter gebaseerd op de beoordeling van de verkoopgegevens die door Amerikaanse producenten en niet-verbonden handelaren waren verstrekt en op een verwijzing naar de invoerstatistieken van Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Bovendien bevestigde het lopende onderzoek in het Verenigd Koninkrijk, met name na het besluit inzake de registratie van invoer met ingang van 26 juli 2024 (20), dat de bevindingen van de Commissie niet ongegrond waren.

(145)

Op basis van het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 176 tot en met 184 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.3.   Overcapaciteit in de s-pvc-bedrijfstak

(146)

Westlake voerde aan dat de reden voor de lage bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en de eventuele negatieve gevolgen daarvan, te maken hadden met het feit dat de bedrijfstak van de Unie veel meer capaciteit had dan de binnenlandse markt kon absorberen. Westlake voerde aan dat de geïnstalleerde capaciteit van de bedrijfstak van de Unie ruim boven het niveau van de vraag in de Unie bleef, ook toen de vraag piekte in 2021, een jaar dat werd gekenmerkt door krachtig economisch herstel in de EU, dat de capaciteit van de producenten in de Unie in dat jaar 22,5 % groter was dan de vraag in de Unie en dat die constante overcapaciteit wel negatieve gevolgen moest hebben voor de producenten in de Unie, maar geen aanwijzing kon zijn voor door de invoer met dumping veroorzaakte schade.

(147)

In datzelfde verband voerde Oxy Vinyls aan dat de Commissie het “relatief hoge niveau van overcapaciteit” weliswaar erkende, maar het probleem afdeed als irrelevant voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie, op de weinig ter zake doende grond dat die overcapaciteit op de een of andere manier normaal was. Oxy Vinyls betoogde dat het niet zo kon zijn dat overcapaciteit in derde landen met argwaan werd bekeken en ertegen werd opgetreden, terwijl overcapaciteit in eigen land als niet-schadelijk werd beschouwd.

(148)

In dit verband merkte de Commissie op dat Westlake in haar opmerkingen de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie niet in aanmerking had genomen bij het berekenen van de overcapaciteit. Aangezien overcapaciteit alleen wordt gemeten in verhouding tot de vraag in de Unie, werden deze opmerkingen bijgevolg afgewezen. Bovendien waren de door Westlake in haar opmerkingen aangevoerde cijfers onjuist. Daarenboven merkte de Commissie op dat de bedrijfstak van de Unie eind 2022 (21), vóór de sterke toename van de invoer met dumping, geen tekenen van een lage bezettingsgraad vertoonde en dat het relatief hoge niveau van overcapaciteit van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak het rechtstreekse gevolg was van de sterke stijging van de invoer met dumping en de tijdelijke economische krimp, die afzonderlijk worden behandeld in punt 5.2.5.

(149)

Op basis van het voorgaande worden de bevindingen in de overwegingen 185 tot en met 190 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.4.   Energiecrisis in de Unie

(150)

De Amerikaanse overheid voerde aan dat de Commissie in overweging 192 van de voorlopige verordening erkende dat de stijging van de prijzen van het soortgelijke product in 2022 kon worden toegeschreven aan de energiecrisis van dat jaar. Ook stelde de Amerikaanse overheid dat de bedrijfstak van de Unie in 2022 werd getroffen door een energiecrisis, waardoor de prijzen van het soortgelijke product stegen.

(151)

De Egyptische regering voerde aan dat “de Commissie onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanzienlijke gevolgen van de energiecrisis en de economische krimp op de markt van de Unie”, waarbij “de conclusie van de Commissie dat de invoerprijzen schade hebben veroorzaakt niet wordt onderbouwd, aangezien de producenten in de Unie te maken kregen met hogere kosten als gevolg van de energiecrisis, maar deze kosten aan de afnemers doorberekenden zonder aanmerkelijke schade te lijden”.

(152)

Formosa verzocht de Commissie haar beoordeling te herzien en de schadelijke gevolgen van de energiecrisis in aanmerking te nemen zonder die schade toe te schrijven aan de invoer met dumping. Formosa voerde ook aan dat de Commissie te veel had vertrouwd op de gegevens van 2021 en de eerste helft van 2022 en de gevolgen van de energiecrisis in de latere maanden van 2022 en begin 2023 ten onrechte buiten beschouwing had gelaten.

(153)

Ten aanzien van het bovenstaande merkte de Commissie op dat zij in overweging 193 van de voorlopige verordening had verwezen naar het feit dat de bedrijfstak van de Unie de hogere kosten, met inbegrip van de hogere energiekosten, in 2022 aan de gebruikers kon doorberekenen. Zoals vermeld in overweging 142 van de voorlopige verordening, was de situatie eind 2022, toen de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie moeite hadden om met de verkoopprijzen alle kosten te dekken, echter niet dezelfde.

(154)

De Commissie herhaalde dat de energiecrisis vanaf 2022 gevolgen had voor de kosten van de bedrijfstak van de Unie. De bedrijfstak van de Unie kon die hogere kosten evenwel slechts doorberekenen tot de invoer met dumping eind 2022 en 2023 sterk toenam (d.w.z. in het onderzoektijdvak). Tot slot was de Commissie van mening dat de analyse van de invoer uit derde landen bevestigde dat indien de energiecrisis, en niet de invoer met dumping, de schade zou hebben veroorzaakt en de bedrijfstak van de Unie deze energiekosten zou hebben doorberekend, naar verwachting een aanzienlijke toename van het marktaandeel van de invoer uit andere landen zou zijn waargenomen. Alleen voor de invoer met dumping werd echter een aanzienlijke toename van het marktaandeel waargenomen.

(155)

Westlake betwistte de verklaring van de klagers over het einde van de energiecrisis eind 2022. In dit verband constateerde de Commissie dat de klagers en de Commissie de energiecrisis beschouwden als een periode waarin de energieprijzen voortdurend stegen, terwijl Westlake en andere Amerikaanse producenten, zoals Formosa, stelden dat de energiecrisis betrekking had op een periode dat de energieprijzen in de Unie aanzienlijk hoger waren dan in de VS. De Commissie betwist niet dat de energieprijzen in de VS lager waren dan in de Unie (en dat nog steeds zijn), maar wijst op het feit dat de energieprijzen in de Unie ophielden te stijgen. De Commissie merkte op dat de gasprijs (de energiebron die het hardst was getroffen door de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne) als gevolg van gezamenlijke maatregelen van de lidstaten “eind 2022 aanzienlijk omlaag [ging] en […] in 2023 relatief stabiel [bleef]” (22). De Commissie herhaalde daarom dat de gegevens voor het onderzoektijdvak niet werden beïnvloed door een voortdurende stijging van de energieprijzen in de Unie. De stabilisatie van de prijzen bevestigde juist dat de gegevens voor het onderzoektijdvak niet werden beïnvloed door veranderingen in de energieprijzen.

(156)

Bijgevolg worden de bevindingen in de overwegingen 191 tot en met 194 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.5.   Economische krimp, marktdynamiek

(157)

Oxy Vinyls voerde aan dat indien er al schade voor de bedrijfstak van de Unie was, die werd veroorzaakt door de krimpende markt van de Unie. Zij verzocht de Commissie het onderzoek op deze grond te beëindigen, in overeenstemming met de praktijk in het verleden. Formosa verzocht de Commissie haar beoordeling te herzien en de schadelijke gevolgen van de algehele economische krimp van de bedrijfstak in aanmerking te nemen zonder eventuele schade toe te schrijven aan de beweerdelijke invoer met dumping. TCI Sanmar voerde ook aan dat de bevindingen van de Commissie haar eigen beoordeling ondergroeven en aantoonden dat de Commissie niet naar behoren had onderzocht of de krimp van de vraag het oorzakelijk verband afzwakte.

(158)

Zoals uiteengezet in overweging 196 van de voorlopige verordening, daalde de vraag naar s-pvc op de markt van de Unie in de beoordelingsperiode met 18 %. In overweging 197 legde de Commissie uit dat de reden hiervoor werd gevormd door de combinatie van hoge inflatie en kredietkosten, die gevolgen had voor de economie in het algemeen en de vraag vanuit de bouwsector — de belangrijkste markt voor pvc — deed afnemen. Bovendien werd in overweging 200 van de voorlopige verordening vastgesteld dat de krimp enige impact had gehad, maar het oorzakelijk verband niet verbrak of verzwakte. In dit verband kan worden onderstreept dat de schade werd vastgesteld in het onderzoektijdvak en dat de krimp van de vraag ten opzichte van 2022 11 % bedroeg, terwijl de invoer met dumping uit Egypte en de VS in dezelfde periode in absolute termen met 91 % steeg, en het marktaandeel met 116 %, en dat de prijzen ervan 20 % onder de prijzen van de producenten in de Unie lagen. Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat ofschoon de krimp van de vraag kan hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, de belangrijkste oorzaak van de schade voor de producenten in de Unie de sterke toename van de invoer met dumping was, en dat de krimp van de vraag dat verband niet heeft afgezwakt.

(159)

Westlake voerde aan dat het feit dat de productie in de Unie in de betrokken periode mogelijk daalde, geen aanwijzing was voor schade door de invoer met dumping, maar eenvoudigweg het logische gevolg van een afnemende vraag in de Unie in 2022 en daarna.

(160)

Het argument van Westlake strookte niet met het feit dat in de situatie van een met 18 % krimpende vraag, de invoer uit de betrokken landen was verachtvoudigd, waardoor het marktaandeel daarvan in de beoordelingsperiode met 9,2 procentpunten toenam terwijl de verkoop van de bedrijfstak van de Unie met 28 % afnam. Bovendien daalde de productie in de Unie met 4 procentpunten meer dan de daling van het verbruik, wat wordt verklaard door het verlies van marktaandeel ten gunste van het marktaandeel van de invoer met dumping.

(161)

De Commissie merkte op dat deze trends haar beoordeling van de door de invoer met dumping veroorzaakte schade in een context van een beperkte vraag bevestigden.

(162)

Op grond daarvan worden de bevindingen in de overwegingen 195 tot en met 200 van de voorlopige verordening bevestigd.

(163)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat de bedrijfstak van de Unie zijn afnemers van zich had vervreemd als gevolg van zijn prijsstrategie, die werd gekenmerkt door opeenvolgende prijsverhogingen tot 2022, en zich gedwongen zag de prijzen te verlagen omdat de afnemers niet bereid waren verdere verhogingen te aanvaarden. Voorts voerde zij aan dat deze combinatie van hoge prijzen en een krimpende vraag uiteindelijk leidde tot verliesgevende verkopen van de bedrijfstak van de Unie. Ter onderbouwing van dit argument verwees zij naar een uitspraak van het Hof van Justitie inzake de noodzaak om bij het bepalen van de schade het gedrag van de producenten in de Unie te beoordelen (23).

(164)

De Commissie merkte in dit verband op dat zij in de overwegingen 195 tot en met 200 van de voorlopige verordening rekening had gehouden met de krimpende vraag tijdens het onderzoektijdvak en had erkend dat dit een bepaalde impact had gehad op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Met betrekking tot de prijzen stelde de Commissie, in tegenstelling tot wat Oxy Vinyls betoogde, echter vast dat deze in het onderzoektijdvak feitelijk aanzienlijk daalden (–28 %), wat samenviel met de aanzienlijke toename van de invoer met dumping (+91 %) ten opzichte van 2022. Het argument van Oxy Vinyls inzake het verstrekte bewijs voor vervreemding werd niet onderbouwd, terwijl Oxy Vinyls niet in aanmerking had genomen dat de bedrijfstak van de Unie niet uit één producent bestaat. Tot slot suggereerde het argument van Oxy Vinyls, gelet op het feit dat de bedrijfstak van de Unie een aantal producenten telt, dat zij zich collectief schuldig maakten aan concurrentievervalsende praktijken.

(165)

Op basis van het voorgaande worden de argumenten van Oxy Vinyls van na de mededeling van de definitieve bevindingen afgewezen.

5.2.6.   Overmacht

(166)

Oxy Vinyls voerde aan dat de toename van de invoer in de VS tussen 2021-2022 en 2022-OT samenviel met een periode van herhaalde uitroepingen van situaties van overmacht door producenten in de Unie en dat de invoer in de VS derhalve louter een leemte in de levering van s-pvc voor de gebruikers in de Unie opvulde. TCI Sanmar voerde aan dat de uitgeroepen situaties van overmacht mogelijk een negatief effect hebben gehad op het vertrouwen tussen afnemers en producenten in de Unie, waardoor afnemers betrouwbare zakenpartners in de betrokken landen zijn gaan zoeken.

(167)

De Commissie herinnerde eraan dat partijen in het kader van het onderzoek geen bewijs voor deze argumenten hadden verstrekt. De Commissie merkte op dat het niet ongebruikelijk was dat zich situaties van overmacht voordeden in de s-pvc-industrie, die over een groot aantal locaties in de Unie was verspreid, en dat deze bedrijfstak voor kritieke grondstoffen afhankelijk was van upstreamsectoren, maar dat er nog geen bewijs was geleverd voor een verband tussen situaties van overmacht en de sterke toename van de invoer met dumping. De meeste situaties van overmacht vonden plaats in 2020 en 2021, ruim vóór de sterke toename van de invoer met dumping uit de betrokken landen.

(168)

Ter illustratie van de zwakte van de argumenten merkte de Commissie ook op dat alle drie de producenten van s-pvc in de VS in 2021 (24) een situatie van overmacht hebben uitgeroepen, hetgeen bevestigt dat die uitroepingen niet uniek waren voor de bedrijfstak van de Unie en erop wijst dat die uitroepingen niet van invloed kunnen zijn op de relatie tussen gebruikers en producenten. Bovendien werden de situaties van overmacht van de bedrijfstak van de Unie, zoals duidelijk is opgemerkt in overweging 203 van de voorlopige verordening, vroeg in de beoordelingsperiode uitgeroepen (in 2020 en 2021), ruim vóór de sterke stijging van de invoer met dumping in het onderzoektijdvak.

(169)

Bijgevolg worden de bevindingen in de overwegingen 201 tot en met 206 van de voorlopige verordening bevestigd.

(170)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Oxy Vinyls bepaalde verklaringen inzake situaties van overmacht uit 2022 en 2023 overgelegd, waarbij zij aanvoerde dat deze zich, in tegenstelling wat de Commissie had verklaard, niet hadden beperkt tot 2020 en 2021. De Commissie erkent dat situaties van overmacht niet ongebruikelijk zijn in een bedrijfstak die wordt gekenmerkt door meerdere productielocaties, wat echter niet wegneemt dat de meeste situaties van overmacht werden uitgeroepen in 2020 en 2021, vóór de sterke toename van de invoer met dumping, zoals in de loop van het onderzoek ook is gerapporteerd door de medewerkende importeurs (25).

(171)

Bovendien heeft de Commissie, gezien de overcapaciteit van de bedrijfstak van de Unie, tijdens haar onderzoek bewijs gevonden dat producenten in de Unie die waren getroffen door een situatie van overmacht erin slaagden om productiecapaciteit van hun verbonden producenten te benutten (zie overweging 205 van de voorlopige verordening). Het argument werd bijgevolg afgewezen.

5.2.7.   Conclusie inzake het oorzakelijke verband

(172)

Alle door de partijen na de voorlopige verordening aangevoerde argumenten zijn afgewezen. Op basis van de bevindingen in de voorlopige verordening heeft de Commissie bijgevolg geconcludeerd dat de invoer met dumping uit Egypte en de VS de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of deze individueel dan wel collectief werden beschouwd, geen afbreuk deden aan het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade.

6.   NIVEAU VAN DE MAATREGELEN

6.1.   Schademarge

(173)

Aangezien de Commissie de invoervolumes in de periode van voorafgaande kennisgeving niet heeft geregistreerd, heeft zij overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van de basisverordening de ontwikkeling van de invoervolumes geanalyseerd om vast te stellen of er in de in overweging 3 beschreven periode van voorafgaande kennisgeving sprake was van een verdere aanzienlijke toename en de eventuele extra schade ten gevolge van die toename te verrekenen in de schademarge.

(174)

Uit gegevens van Eurostat blijkt dat de invoer uit de Egypte en de VS in de periode van voorafgaande kennisgeving van vier weken 35 % lager was dan de gemiddelde invoer in het onderzoektijdvak op vierwekelijkse basis. Op grond daarvan concludeerde de Commissie dat de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft in de periode van voorafgaande kennisgeving niet aanzienlijk was toegenomen.

(175)

Daarom heeft de Commissie de schademarge in dit opzicht niet gecorrigeerd.

(176)

De Egyptische en de Amerikaanse overheid dienden opmerkingen over de correctie van de kosten na invoer in. De Commissie heeft een voorzichtige schatting van de kosten na invoer gehanteerd, van 1,0 % van de cif-waarde die aan de in de steekproef opgenomen exporteurs was meegedeeld, en over dit aspect van de vaststelling van de schademarge werden geen opmerkingen ontvangen.

(177)

De Commissie ontving opmerkingen van de Amerikaanse overheid en de medewerkende producent-exporteur die duidden op een te hoge nagestreefde winst. In die opmerkingen werd aangevoerd dat de nagestreefde winst van 13,1 % niet overeenstemde met een nagestreefde winst die redelijkerwijs onder normale concurrentievoorwaarden kon worden gerealiseerd, aangezien de bovennormale resultaten die in 2021 werden geregistreerd gedurende het grootste deel van 2022 op dat niveau bleven. Westlake werkte de kritiek uit en wees erop dat de invoer uit Egypte en de VS al in 2022 in omvang was gaan toenemen.

(178)

In antwoord op deze argumenten herhaalt de Commissie in de eerste plaats de argumenten die zij in de overwegingen 217, 218 en 219 van de voorlopige verordening heeft aangevoerd, namelijk dat de in 2022 behaalde winst de meest geschikte winst was om te worden gebruikt als nagestreefde winst voor de door de beoordelingsperiode bestreken jaren. Voorts merkt de Commissie op dat het economisch herstel na de covidpandemie voornamelijk in het jaar 2021 plaatsvond en in 2022 voorbij was. Daarnaast erkent de Commissie dat de invoer met dumping reeds in 2022 op de markt aanwezig was en dat dit van invloed kan zijn geweest op de winst van de bedrijfstak van de Unie. Indien dit echter al van invloed was op de gerealiseerde winst, dan had het een drukkend effect op de winst, wat voor de producenten-exporteurs alleen gunstig kon zijn wanneer die winst werd gebruikt voor de berekening van de schademarge.

(179)

TCI Sanmar voerde aan dat de sector in 2022 profiteerde van een sterk herstel na covid en dat de in dat jaar geboekte winst daarom niet als nagestreefde winst diende te worden gebruikt. De Commissie was het niet eens met die stelling, aangezien het volume van het verbruik in 2022 met 18,3 % daalde. Dit argument werd derhalve van de hand gewezen.

(180)

Westlake en TCI Sanmar stelden voor om de waargenomen winst van de bedrijfstak van de Unie in 2019 te gebruiken. De Commissie vroeg zich af waarom het passender zou zijn om een nagestreefde winst te hanteren op basis van resultaten buiten de beoordelingsperiode dan om gebruik te maken van de winst van 2022, een jaar waarin de bedrijfstak van de Unie werd geraakt door de energiecrisis en begon te lijden onder de gevolgen van de invoer met dumping.

(181)

Op basis van het voorgaande worden de overwegingen 216 tot en met 224 van de voorlopige verordening bevestigd.

(182)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde TCI Sanmar aan dat de niet-schadeveroorzakende prijs van 1 405,48 EUR/ton veel te hoog was, onder verwijzing naar de Platts-rapporten over pvc in de periode januari 2014 tot en met maart 2024. Voorts herhaalde zij haar argument inzake de ongeschiktheid van de nagestreefde winst van het jaar 2022 en stelde zij opnieuw voor om de winst van het jaar 2019 te gebruiken.

(183)

De Commissie merkte op dat de niet-schadeveroorzakende prijs wordt berekend overeenkomstig artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening en niet kan worden gebaseerd op rapporten of andere externe bronnen.

(184)

Wat de nagestreefde winst betreft, heeft de Commissie, in aanvulling op de redenering in overweging 180, vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie in 2019 verlies leed en dat 2019 daarom geen geschikt jaar voor dit doel was.

(185)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Oxy Vinyls aan dat de reden voor de hoge schademarge voor de exporteurs in de VS was gelegen in het feit dat de Commissie de spotprijzen van de Amerikaanse uitvoer had vergeleken met de contractprijzen in de Unie of een richtprijs had vastgesteld waarin de “hogere” winstmarge voor contractprijzen was opgenomen.

(186)

Ook stelde Oxy Vinyls dat de door de Commissie gehanteerde richtprijs te hoog was, aangezien deze hoger was dan de verkoopprijzen in de Unie in 2020, 2021 en het onderzoektijdvak. Oxy Vinyls stelde voor om gebruik te maken van een gemiddelde winstmarge en gemiddelde productiekosten over alle vier de perioden van de beoordelingsperiode, wat zou resulteren in productiekosten van 1 040 EUR/ton en een winstmarge van 7,9 %.

(187)

In de eerste plaats herinnert de Commissie eraan dat de geen schade veroorzakende prijs was berekend op basis van de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en dat die berekening geen prijsvergelijking met zich meebracht. Bovendien kan de nagestreefde winst niet worden gebaseerd op perioden met verliezen, zoals het geval is in het door Oxy Vinyls voorgestelde onderzoektijdvak.

(188)

In de tweede plaats merkte de Commissie voor de nagestreefde winst op dat zelfs indien zij de laagste winstmarge van 6 % als bedoeld in artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening zou gebruiken in plaats van 13,1 %, de dumpingmarges voor alle exporteurs in de VS lager zouden zijn dan de respectieve schademarges. Dit betekent dat de hoogte van de antidumpingrechten die van toepassing zijn op de Amerikaanse exporteurs niet zou zijn gewijzigd.

(189)

Derhalve gelden voor de medewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen de volgende definitieve schademarges:

Land

Onderneming

Schademarge (%)

Egypte

Egyptian Petrochemicals Company

100,1

TCI Sanmar Chemicals S.A.E.

74,2

Alle overige ondernemingen

100,1

Verenigde Staten

Formosa Plastics Corporation

90,6

Westlake Chemicals

87,2

Andere medewerkende ondernemingen

88,3

Alle overige ondernemingen

90,6

7.   BELANG VAN DE UNIE

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(190)

Met betrekking tot het belang van de Unie werden geen verdere opmerkingen of informatie ontvangen. Bijgevolg worden de bevindingen in de overwegingen 227 tot en met 232 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Importeurs

(191)

Aangezien er geen opmerkingen inzake het belang van niet-verbonden ondernemingen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 233, 234 en 235 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.3.   Gebruikers

(192)

TCI Sanmar voerde aan dat de Commissie de nadelige gevolgen van de instelling van rechten voor de gebruikers niet in aanmerking had genomen, waarbij zij betoogde dat de producenten in de Unie een bijna-monopolie hadden op de markt van de Unie en de prijzen in de herstelperiode na covid konden verhogen tot aanzienlijk boven de kosten. Volgens haar zullen genoemde rechten afbreuk doen aan het vermogen van gebruikers om zich in de betrokken landen te bevoorraden, ook om enige concurrentiedruk op de producenten in de Unie te behouden.

(193)

De Commissie herhaalt dat de gebruikers uiteindelijk zullen profiteren van een concurrerende Uniemarkt met meerdere s-pvc-producenten, een situatie die alleen kan worden verwezenlijkt als de oneerlijke concurrentie van de invoer met dumping wordt aangepakt. Daarnaast herinnert de Commissie eraan dat de s-pvc-sector in de Unie twaalf producenten telt en dat de kenmerken van het product de markt uiterst concurrerend maken. Bovendien zijn er ook alternatieve bronnen beschikbaar in de Uniemarkt, zoals invoer uit Mexico, Zuid-Korea, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. In ieder geval is het doel van de rechten niet om de invoer uit de betrokken landen te doen stoppen, maar om het gelijke speelveld op de markt van de Unie te herstellen.

(194)

TCI Sanmar verwees naar een situatie van bijna-monopolie in de s-pvc-sector op de markt van de Unie. De Commissie merkt op dat deze verklaring in tegenspraak is met de opmerkingen van TCI Sanmar over de nagestreefde winst, aangezien s-pvc een grondstof is, en ook met het feit dat de drie grootste vestigingen/juridische entiteiten die s-pvc in de Unie produceren niet meer dan een kwart van de productie in de Unie voor hun rekening nemen. Daarenboven zijn er leveranciers uit andere derde landen, zoals vermeld in overweging 171 van de voorlopige verordening.

(195)

Westlake voerde aan dat het “opleggen van zulke hoge rechten zeker een zeer negatief effect zal hebben op gebruikers en downstream-sectoren die afhankelijk zijn van pvc in de EU”. Westlake herhaalde de eerdere opmerkingen van Rehau Industries SE & Co, een van de gebruikers die na de opening van het onderzoek opmerkingen had ingediend, over de schade voor downstreambedrijfstakken in de Unie, waarvoor s-pvc het belangrijkste materiaal is, met name vanwege de hoge prijzen die door de bedrijfstak van de Unie in rekening worden gebracht en de verstoringen van de voorziening. Oxy Vinyls had vergelijkbare opmerkingen en onderstreepte het belang van de invoer uit de VS voor de zekerheid van de s-pvc-voorziening.

(196)

In dit verband erkent de Commissie dat de gebruikers, voornamelijk als gevolg van de dumpingpraktijken, ook s-pvc tegen lagere prijzen uit de betrokken landen konden kopen. De Commissie merkt echter op dat het niet consistent is om enerzijds de voordelen van deze lagere prijzen te onderstrepen en anderzijds te wijzen op de noodzaak om verstoringen van de voorziening te voorkomen. De Commissie herhaalt dat de door de invoer met dumping veroorzaakte schade juist moet worden geadresseerd vanwege het belang van de downstreamsectoren bij een zekere s-pvc-voorziening. Het lijdt weinig twijfel dat de bedrijfstak van de Unie zonder corrigerende maatregelen negatieve vooruitzichten zou hebben en dat de gebruikers te maken zouden krijgen met een kleiner aantal producenten in de Unie en een aanbod dat geconcentreerd is bij dat kleinere aantal producenten. Een dergelijke afname van het aantal producenten in de Unie zou inderdaad een probleem kunnen vormen voor de voorzieningszekerheid van s-pvc in de Unie.

(197)

Vijftien importeurs/gebruikers, de European PVC Window Profiles Association (EPPA) en alle producenten-exporteurs hebben na de instelling van de voorlopige maatregelen aangevoerd dat zij zullen worden blootgesteld aan zeer hoge prijzen op de EU-markt, aangezien de betrokken invoer van de markt zal worden verdreven en de producenten in de Unie zullen worden beschermd tegen daadwerkelijke buitenlandse concurrentie. Ook voerden zij aan dat de maatregelen tevens gevolgen zullen hebben voor de beschikbaarheid van s-pvc op de EU-markt, daar de producenten in de Unie de afgelopen jaren inefficiënt zijn geworden, verschillende productielocaties hebben gesloten en over het algemeen te weinig inspelen op de behoeften van afnemers.

(198)

Een en ander sluit aan bij eerdere, door de Commissie reeds in de voorlopige verordening behandelde en verworpen argumenten, waarbij zij met name onderstreepte dat de s-pvc-industrie in de Unie twaalf producenten omvat en dat de kenmerken van het product de markt uiterst concurrerend maken. Het argument met betrekking tot de sluiting van productielijnen is reeds behandeld in de overwegingen 126, 127 en 187 van de voorlopige verordening. Wat de buitenlandse concurrentie betreft, zijn er bovendien alternatieve bronnen beschikbaar in de Uniemarkt, zoals invoer uit Mexico, Zuid-Korea, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. In ieder geval is het doel van de rechten niet om de invoer uit de betrokken landen te doen stoppen, maar om het gelijke speelveld op de markt van de Unie te herstellen.

(199)

De opmerkingen over het belang van de gebruikers werden van de hand gewezen. De overwegingen 236 tot en met 241 van de voorlopige verordening worden bijgevolg bevestigd.

(200)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de EPPA aan dat het voorgestelde niveau van de maatregelen prohibitief hoog was. In plaats daarvan stelde zij een recht van niet hoger dan 25 % voor. Zij voerde aan dat de bevoorrading van haar leden in gevaar komt als gevolg van de maatregelen, vanwege de incidenten van overmacht bij de producenten in de Unie en omdat de andere producerende landen geen belangstelling hebben voor de EU-markt of zich primair op de bevoorrading van hun binnenlandse markten richten. Voorts voerde zij aan dat de binnenlandse prijzen in de Unie volgens haar schattingen met 40 % tot 50 % zullen stijgen en ongekend hoge niveaus zullen bereiken.

(201)

Ter onderbouwing van deze argumenten verwees zij naar de situaties van overmacht in 2021 en naar de statistieken over de uitvoer van pvc voor Mexico en Zuid-Korea. Ten aanzien van Zuid-Korea droeg zij ook een krantenartikel aan waarin werd vermeld dat “hogere vrachtkosten en langere leveringstermijnen het voor Europese kopers minder aantrekkelijk maken om pvc uit Azië te betrekken”.

(202)

In antwoord op deze argumenten merkt de Commissie op dat de situaties van overmacht naar behoren zijn behandeld in de overwegingen 168 tot en met 171 van deze verordening en in de overwegingen 201 tot en met 206 van de voorlopige verordening. Met betrekking tot Zuid-Korea merkte de Commissie op dat de Europese bestemmingen goed waren vertegenwoordigd in haar statistieken voor de uitvoer van pvc, terwijl Mexico kon bogen op een constante en stabiele aanwezigheid op de markt van de Unie, zoals vastgesteld voor de hele beoordelingsperiode (zie tabel 11 van de voorlopige verordening). Tot slot waren de schattingen van de EPPA over de vermeende sterke prijsverhogingen in de Unie niet onderbouwd.

(203)

De EPPA voerde tevens aan dat de prijsverhogingen van s-pvc als gevolg van de opgelegde rechten zullen leiden tot hogere bouwkosten, verminderde betaalbaarheid van woningen en vertraagde woningbouwprojecten.

(204)

Zoals uiteengezet in overweging 202, waren deze argumenten nog steeds niet onderbouwd en werden zij derhalve afgewezen.

7.4.   Conclusie inzake belang van de Unie

(205)

Op basis van het voorgaande wordt de bevinding in overweging 242 bevestigd.

8.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(206)

In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, het niveau van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product.

(207)

Westlake stelde de Commissie voor om, in het belang van de gebruikers, “een minder prohibitieve vorm van maatregel […] en meer bepaald een ad-valoremrecht, begrensd door een minimuminvoerprijs (MIP), te overwegen”. De klagers betwistten de opportuniteit van een dergelijke maatregel, gegeven de prijsvolatiliteit van de grondstoffen voor de productie van s-pvc, die ongeveer 80 % van de productiekosten uitmaken, en het risico van ontwijking en absorptie als gevolg van de aanwezigheid van indirecte verkoop via niet-verbonden handelaren en de bestaande ruime reservecapaciteit in de Unie, waardoor minimuminvoerprijzen geen passende maatregel zijn om de voorzieningszekerheid voor de gebruikers te waarborgen.

(208)

De Commissie is het ermee eens dat een minimuminvoerprijs niet adequaat zou zijn, aangezien de prijzen van s-pvc worden beïnvloed door de volatiliteit van de energieprijzen, waardoor de prijzen van de grondstoffen volatiel zijn. De Commissie is ook van oordeel dat een minimuminvoerprijs de gebruikers en producenten geen zekerheid zou bieden omtrent de beschikbaarheid van s-pvc, aangezien een dergelijke prijs de dynamiek van de markt niet zou weerspiegelen.

(209)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Westlake, samen met drie andere producenten-exporteurs (Oxy Vinyls, Shintech en Tricon), voornoemd verzoek toegelicht. Zij preciseerden dat de oorspronkelijke minimuminvoerprijs zou worden vastgesteld op het niveau van de gewogen gemiddelde normale waarde, met inbegrip van de vervoerskosten, van de twee in de steekproef opgenomen producenten in de VS tijdens het onderzoektijdvak, en dat deze minimuminvoerprijs van toepassing zou zijn op alle invoer uit de VS. Invoer onder de minimuminvoerprijs zou worden onderworpen aan het individuele ad-valoremrecht voor het verschil tussen de invoerprijs en de minimuminvoerprijs. Om de prijsvolatiliteit van de grondstoffen voor de productie van pvc in aanmerking te nemen en de dynamiek van de markt te weerspiegelen, suggereerden zij dat de Commissie de minimuminvoerprijs regelmatig (op kwartaal- of halfjaarlijkse basis) zou kunnen indexeren op basis van de ethyleenprijzen in West-Europa zoals gepubliceerd door Chemical Market Analytics.

(210)

Daarnaast voerden zij aan dat de prijsverschillen tussen de spotprijzen van de Amerikaanse uitvoer en de EU-spotprijzen substantieel werden in 2022 en in het onderzoektijdvak en in het tijdvak na het onderzoektijdvak weer terugkeerden naar hun traditioneel vergelijkbare niveaus. Zij verzochten dat er, indien de maatregelen zouden worden ingesteld, na twee jaar automatisch een tussentijds nieuw onderzoek zou worden ingeleid.

(211)

De Commissie heeft deze kritiek onderzocht. De Commissie concludeerde dat één enkele minimuminvoerprijs voor producenten met significant verschillende dumpingmarges de verschillende voor de partijen vastgestelde dumpingniveaus niet zou weerspiegelen en bijgevolg de doeltreffendheid van de maatregelen zou kunnen ondermijnen. Bovendien zou de voorgestelde vorm zeer moeilijk uitvoerbaar zijn, aangezien die gepaard zou moeten gaan met een aanzienlijk aantal terugkerende administratieve en wetgevende actualiseringen. Op grond daarvan kon het voorstel definitief niet worden aanvaard.

(212)

Ten aanzien van het verzoek om een automatisch tussentijds nieuw onderzoek na twee jaar merkte de Commissie op dat dit verzoek was gebaseerd op informatie die dateerde van na het onderzoektijdvak en niet naar behoren en adequaat kon worden geverifieerd. Hoe dan ook kan een exporteur of importeur, op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, na het verstrijken van een termijn van ten minste één jaar sedert de instelling van de definitieve maatregelen om een tussentijds nieuw onderzoek verzoeken.

(213)

Op basis van het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:

Land van oorsprong

Onderneming

Definitief antidumpingrecht (%)

Egypte

Egyptian Petrochemicals Company

100,1

TCI Sanmar Chemicals S.A.E.

74,2

Alle overige invoer van oorsprong uit Egypte

100,1

Verenigde Staten

Formosa Plastics Corporation

71,2

Westlake Chemicals

58,0

Oxy Vinyls, LP

62,3

Shintech Incorporated

62,3

Alle overige invoer van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

77,0

(214)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn dus uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit de betrokken landen en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere ondernemingen die niet specifiek in het dispositief van deze verordening worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die zijn verbonden met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit Egypte of de Verenigde Staten van Amerika”.

(215)

Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden gericht tot de Commissie (26). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een bericht over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(216)

Teneinde het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de juiste toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De toepassing van individuele antidumpingrechten is onderworpen aan de overlegging van een geldige handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. De factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit Egypte of de Verenigde Staten van Amerika”.

(217)

Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Ook als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle voorschriften van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte na te gaan en te waarborgen dat het recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.

(218)

Indien het volume van de uitvoer door een van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, in het bijzonder na de instelling van de maatregelen in kwestie, aanzienlijk toeneemt, kan dit op zichzelf worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of een individueel recht of individuele rechten moet of moeten worden ingetrokken om in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen.

(219)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd.

8.1.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(220)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en van de schade die de bedrijfstak van de Unie is berokkend, moeten de bedragen die uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau.

9.   SLOTBEPALING

(221)

Indien na een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie een bedrag moet worden terugbetaald, dan geldt als rentevoet, ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (27), de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.

(222)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van het bij Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van polyvinylchloridesuspensie (“s-pvc”), niet met enige andere stof gemengd, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 3904 10 00 (Taric-codes 3904 10 00 15 en 3904 10 00 80), van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten, is als volgt:

Land van oorsprong

Onderneming

Definitief antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Egypte

Egyptian Petrochemicals Company

100,1

89BA

TCI Sanmar Chemicals S.A.E.

74,2

89BB

Alle overige invoer van oorsprong uit Egypte

100,1

8999

Verenigde Staten

Formosa Plastics Corporation

71,2

89BC

Westlake Chemicals

58,0

89BD

Oxy Vinyls, LP

62,3

89BE

Shintech Incorporated

62,3

89BF

Alle overige invoer van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

77,0

8999

3.   De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die luidt als volgt: “Ondergetekende verklaart dat de hoeveelheid in ton polyvinylchloridesuspensie (“s-pvc”) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door [naam en adres van de onderneming] [aanvullende Taric-code] in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het voor alle andere ondernemingen geldende recht toegepast.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid waren gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1896 houdende de instelling van een voorlopig antidumpingrecht op polyvinylchloridesuspensie (“s-pvc”), niet met enige andere stof gemengd, van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika, worden definitief geïnd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 januari 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.

(2)  Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald polyvinylchloride (“PVC”) van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika (PB C, C/2023/1033, 15.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1033/oj).

(3)   PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/treaty/withd_2020/sign.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1896 van de Commissie van 11 juli 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald polyvinylchloride (“pvc”) van oorsprong uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika (PB L, 2024/1896, 12.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1896/oj).

(5)  WTO-Beroepsinstantie, European Communities — Definitive Anti-Dumping Measures on Certain Iron or Steel Fasteners from China, WTO Doc. WT/DS397/AB/R (15 juli 2011), punten 430 en 468.

(6)  Zie voetnoot 2.

(7)  t23.005593.

(8)  Zaak M.6905 — INEOS/Solvay/JV (2014).

(9)  Zaak M.6905 — INEOS/Solvay/JV, punt 83.

(10)  t24.009617.

(11)  Arrest van 24 februari 2022, Eurofer, Association Européenne de l’Acier, AISBL/Europese Commissie, C-226/20 P, ECLI:EU:C:2022:122, punt 90.

(12)  Zie artikel 5.8 van de ADA.

(13)  Besluit 2007/214/EG van de Commissie van 3 april 2007 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van pentaerytritol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, de Volksrepubliek China, Oekraïne, Rusland en Turkije (PB L 94 van 4.4.2007, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2007/214/oj).

(14)  De Commissie herinnert er in ieder geval aan dat de rechtmatigheid van verordeningen tot instelling van antidumpingrechten moet worden beoordeeld in het licht van de toepasselijke rechtsregels en niet op grond van administratieve praktijken in het verleden. Zie arrest van 12 maart 2020, Eurofer/Commissie, T-835/17, ECLI:EU:T:2020:96, punt 76: “[D]e rechtmatigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten of, zoals in casu, tot beëindiging van de procedure zonder dat antidumpingrechten worden ingesteld, [moet] evenwel worden beoordeeld in het licht van de rechtsregels, met name de bepalingen van de basisverordening, en niet op grond van de vermeende eerdere besluitvormingspraktijk van de Commissie en de Raad.”

(15)  Appellate Body Report, China — HP-SSST (Japan/EU), punt 5.159., Panel Report, China — GOES, punt 7.528.

(16)   https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/product/view/ds-056121__custom_12544654?lang=en.

(17)  Arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd/Raad, T-528/09, ECLI:EU:T:2014:35, https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=40954BAF1F62AA7A028721CFC94C10D9?text=&docid=147002&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1702873.

(18)  Arrest van 29 januari 2014, Hubei/Raad, T-528/09, ECLI:EU:T:2014:35, punt 61.

(19)   Monthly ethylene prices globally 2024 — Statista (laatstelijk geraadpleegd op 13 november 2024).

(20)   Trade remedies notice 2024/07: registration of imports on suspension poly (vinyl chloride) from the United States of America — GOV.UK.

(21)  Bezettingsgraad van 91 % in 2020 en 2021 (zie tabel 4 van de voorlopige verordening).

(22)  Voor nadere informatie over dit onderwerp, zie de website van de Raad van de Europese Unie (https://www.consilium.europa.eu/en/policies/energy-prices-and-security-of-supply/#:~:text=In%20December%202023%2C%20one%20megawatt,energy%20imports%20away%20from%20Russia).

(23)  Zaak C-10/12 P, Transnational Company “Kazchrome” AO en ENRC Marketing AG/Raad van de Europese Unie, punt 13.

(24)  Oxy Vinyls (https://www.chemorbis.com/en/plastics-news/Production-News-Oxy---America---PVC-/2021/02/17/810029#reportH), Westlake ( Westlake lifts US PVC force majeure: letter — S&P Global ) and Formosa (https://www.spglobal.com/commodityinsights/en/market-insights/latest-news/chemicals/070621-formosa-plastics-usa-lifts-february-force-majeure-on-pvc-letter).

(25)  Hoorzitting met Meraxis en Rehau van 24 april 2024, slides 7, 8 en 9.

(26)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.

(27)  Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking) (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/36/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)