European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/2787

31.10.2024

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/2787 VAN DE COMMISSIE

van 23 juli 2024

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad wat opname van mulchfolies in bestanddelencategorie 9 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (1), en met name artikel 42, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2019/1009 bevat voorschriften voor het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten. EU-bemestingsproducten mogen uitsluitend materialen bevatten die behoren tot een van de bestanddelencategorieën in bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009. Die verordening verplicht de Commissie criteria voor de biologische afbreekbaarheid van mulchfolies te beoordelen met als doel deze als bestanddeel van CMC 9 op te nemen. De Commissie heeft deze beoordeling uitgevoerd aan de hand van een externe studie (“de studie”) (2).

(2)

Mulchfolies worden gebruikt om de fysische of chemische eigenschappen, de structuur of de biologische activiteit van de bodem in stand te houden, te verbeteren of te beschermen. Zij zouden kunnen bijdragen tot het behoud van water in de bodem en de bodemtemperatuur kunnen verhogen, wat een positief effect heeft op de ontwikkeling van gewassen. Aangezien mulchfolies onkruid verstikken, zullen de gewassen niet langer met onkruid moeten concurreren om zonlicht en nutriënten. Daarom zou het gebruik van mulchfolies kunnen leiden tot een efficiënter gebruik van meststoffen. Mulchfolies zouden ook het gebruik van herbiciden verminderen en zo bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling die is uiteengezet in de mededeling over de “van boer tot bord”-strategie om het totale gebruik en risico van chemische pesticiden tegen 2030 met 50 % te verminderen.

(3)

Uit de studie is gebleken dat er zowel biologisch afbreekbare als niet-biologisch afbreekbare mulchfolies in de handel zijn die als nationale bemestingsproducten worden gebruikt. Er moeten passende voorschriften worden vastgesteld om biologisch afbreekbare polymeren in de vorm van mulchfolies in het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/1009 op te nemen. De biologische afbraak moet zowel in de bodem als in het aquatisch milieu worden beoordeeld.

(4)

In het kader van de studie is een instrument ontwikkeld om de biologische afbreekbaarheid van polymeren te voorspellen aan de hand van een wiskundig model en de correlatie tussen biologische afbreekbaarheid onder testomstandigheden en natuurlijke omgevingen die representatief zijn voor de verschillende regio’s van de Unie. Zo werden in het onderzoek verschillende factoren beoordeeld, zoals de bodemtemperatuur, de pH van de bodem, het watergehalte in de bodem, de watertemperatuur en andere factoren die verband houden met de eigenschappen van polymeren (chemische structuur, kristalliniteit, oppervlak en dikte). In de studie werden voorstellen gedaan met betrekking tot de criteria voor biologische afbreekbaarheid in de bodem en in het water.

(5)

Wat de criteria voor biologische afbreekbaarheid in bodems betreft, moet de biologische afbraak van mulchfolies binnen maximaal 24 maanden worden aangetoond, aangezien bij het gebruik ervan grote hoeveelheden polymeren op de boden worden aangebracht. Om de testperiode te verkorten, moet een versnelde testmethode worden toegestaan. Uit de studie bleek dat er een adequate correlatie bestaat tussen reële omstandigheden en temperaturen die hoger zijn dan 25 °C, de temperatuur die in testomstandigheden wordt gebruikt. Testen bij een hogere temperatuur, zoals 37 °C, versnelt de biologische afbraak, en wordt nog steeds aanvaardbaar geacht in termen van microbiologie en milieuafhankelijke factoren in reële omstandigheden. Uit de resultaten van het in de studie ontwikkelde bodeminstrument bleek dat de testperiode in specifieke gevallen kon worden verkort. Daarom moet een versnelde test bij 37 °C onder specifieke omstandigheden worden ingevoerd als alternatieve optie om de uiteindelijke afbraak of mineralisatie van 90 % aan te tonen.

(6)

Bij de criteria voor biologische afbreekbaarheid van aquatische milieus moet rekening worden gehouden met zowel de functie van mulchfolies als de beschikbare testmethoden. Wat de functie betreft, worden mulchfolies op de bodem aangebracht om de fysische of chemische eigenschappen, de structuur of de biologische activiteit van de bodem gedurende gemiddeld twaalf maanden in stand te houden, te verbeteren of te beschermen. Mulchfolies zijn dus ontworpen om langzaam te worden afgebroken wanneer zij worden blootgesteld aan verschillende omgevingsfactoren, met name zonlicht en regen. De biologische afbraak die zich onvermijdelijk tijdens die werkingsperiode voordoet, moet worden beperkt zodat de mulchfolie nog steeds zijn functie kan vervullen. De beschikbare testmethoden voor biologische afbreekbaarheid in water zijn betrouwbaar gedurende een periode van twaalf maanden. Daarom moeten de criteria voor de biologische afbreekbaarheid in aquatische milieus tijdens de testperiode worden vastgesteld op een niveau dat ervoor zorgt dat zij hun functie kunnen vervullen en er ook zorgt dat er geen sprake is van een opeenhoping van polymeren in aquatische milieus. Aangenomen wordt dat het biologischeafbraakproces na de testperiode van twaalf maanden zich zal voortzetten en binnen 24 maanden na de werkingsperiode de 90 % zal bereiken. Hoewel die uiteindelijke afbraak niet met de bestaande testmethoden kan worden aangetoond, is het toch een veilige aanname, aangezien het potentieel voor biologische afbraak van het materiaal reeds is aangetoond en het aan dezelfde omgevingsfactoren zal blijven worden blootgesteld. Gezien de lopende werkzaamheden voor de ontwikkeling van testmethoden voor de biologische afbraak in aquatische milieus en ter ondersteuning van innovatie, moeten mulchfolies waarvoor de criteria voor biologische afbreekbaarheid in de bodem ook in het aquatisch milieu kunnen worden aangetoond, ook in het toepassingsgebied van de harmonisatievoorschriften van de EU worden opgenomen.

(7)

In reële omstandigheden worden mulchfolies op de bodem aangebracht. Het is niet de bedoeling dat zij aquatische milieus bereiken. Hoewel de verplaatsing van delen muchfolies naar het aquatische milieu niet volledig kan worden uitgesloten, worden de potentiële risico’s voor het aquatisch milieu verminderd omdat de betrokken polymeren de waterlichamen pas zouden bereiken nadat de afbraak in de bodem is begonnen. Om de potentiële risico’s verder te beperken, moet een etiketteringsvoorschrift worden vastgesteld om eindgebruikers te waarschuwen het product niet in de nabijheid van oppervlaktewaterlichamen te gebruiken en bufferzones aan te houden, in overeenstemming met de nationale maatregelen inzake het gebruik van meststoffen. Bij het ontbreken van dergelijke maatregelen moet een bufferzone van minimaal 3 m in acht worden genomen. Om uitspoeling naar waterlichamen te voorkomen en biologische afbraak in de bodem te bevorderen, moet de etikettering van mulchfolies ook een instructie bevatten om het product na de werkingsperiode in de bodem op te nemen.

(8)

Om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen, moeten de testmethoden om aan te tonen dat aan de criteria voor biologische afbreekbaarheid is voldaan, worden vermeld. Die testmethoden zijn vastgelegd in Europese of internationale normen en zijn dus betrouwbaar en reproduceerbaar.

(9)

Polymeren die al in CMC 9 zijn opgenomen, moeten een test op de acute toxiciteit voor plantengroei, een test op de acute toxiciteit voor regenwormen en een test op remming van de nitrificatie met in de bodem levende micro-organismen doorstaan. Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te waarborgen, moeten dezelfde tests ook van toepassing zijn op polymeren in mulchfolies. Aangezien mulchfolies in grotere hoeveelheden worden gebruikt dan de andere polymeren in CMC 9, moeten de polymeren in mulchfolies ook een test op chronische toxiciteit voor regenwormen doorstaan.

(10)

Verordening (EU) 2019/1009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2019/1009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1009/oj.

(2)  Study to assess biodegradability criteria for polymers used in EU fertilising products as coating agents or to increase water retention capacity or wettability and of mulch films, ISBN 978-92-68-05051-7; doi:10.2873/23399.


BIJLAGE I

Deel II, afdeling “CMC 9: ANDERE POLYMEREN DAN NUTRIËNTENPOLYMEREN” van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende punt 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis

Een EU-bemestingsproduct van PFC 3 mag een polymeer in de vorm van een mulchfolie bevatten.”.

2)

Het volgende punt 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis

Het polymeer in een mulchfolie zoals bedoeld in punt 1 bis moet voldoen aan de criteria voor biologische afbreekbaarheid van aanhangsel 2 van deze bijlage.”.

3)

In punt 3 wordt de inleidende zin vervangen door:

„Voor de in punt 1, a) en b), en punt 1 bis bedoelde polymeren, vertonen noch het polymeer, noch de bijproducten van de afbraak ervan een algemeen nadelig effect op de gezondheid van dieren en planten, of op het milieu, onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden bij het gebruik ervan in het EU-bemestingsproduct. De in punt 1, a) en b), en punt 1 bis bedoelde polymeren doorstaan een test op de acute toxiciteit voor plantengroei, een test op de acute toxiciteit voor regenwormen en een test op remming van de nitrificatie met in de bodem levende micro-organismen, overeenkomstig de volgende voorschriften:”.

4)

Het volgende punt 4 wordt toegevoegd:

“4.

Het in punt 1 bis bedoelde polymeer moet een test op chronische toxiciteit voor regenwormen doorstaan met de volgende resultaten:

a)

na een incubatieperiode van 28 dagen wijken de geconstateerde sterfte en de biomassa van overlevende volwassen wormen in een aan het testmateriaal blootgestelde bodem niet meer dan 10 % af ten opzichte van de resultaten verkregen met de overeenkomstige, niet aan het testmateriaal blootgestelde blanco bodem;

b)

na een incubatieperiode van 56 dagen wijkt het geconstateerde aantal nakomelingen in een aan het testmateriaal blootgestelde bodem niet meer dan 10 % af ten opzichte van de resultaten verkregen met de overeenkomstige, niet aan het testmateriaal blootgestelde blanco bodem.

De resultaten worden enkel als geldig beschouwd indien bij de controles (d.w.z. de blanco bodem):

a)

de geconstateerde sterfte onder volwassenen na een incubatieperiode van 28 dagen niet meer dan 10 % bedraagt;

b)

elk replicaat (bevattende 10 volwassenen) na een incubatieperiode van 56 dagen ten minste 30 nakomelingen produceert, en

c)

de variatiecoëfficiënt van de voortplanting niet meer dan 30 % bedraagt.”.

5)

Het volgende aanhangsel 2 wordt toegevoegd:

“Aanhangsel 2

Criteria voor de biologische afbreekbaarheid van polymeren voor mulchfolie zoals bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1 bis

1.   

De biologische afbreekbaarheid van polymeren in mulchfolies zoals bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1 bis, wordt aangetoond in de volgende twee milieucompartimenten:

a)

compartiment 1: de bodem;

b)

compartiment 2: zoet, estuarien of zeewater of het grensvlak tussen water en sediment.

2.   

Het polymeer moet het volgende verwezenlijken:

a)

in compartiment 1:

1)

uiteindelijke afbraak van ten minste 90 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen 24 maanden plus de werkingsperiode van het product zoals aangegeven op het etiket, of

2)

mineralisatie van ten minste 90 %, gemeten als CO2-ontwikkeling, gedurende 24 maanden plus de werkingsperiode van het product zoals aangegeven op het etiket;

b)

in compartiment 2:

1)

uiteindelijke afbraak van ≥ 30 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen twaalf maanden, of

2)

uiteindelijke afbraak van ten minste 90 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen 24 maanden plus de werkingsperiode van het product zoals aangegeven op het etiket.

3.   

Voor het aantonen van de naleving van de criteria voor biologische afbreekbaarheid in punt 2, a), moet een van de volgende testmethoden worden gebruikt:

a)

EN ISO 17556:2019 Kunststoffen — Bepaling van de totale aerobe biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in de bodem door het meten van het zuurstofverbruik met een respirometer of het gehalte van vrijgekomen kooldioxide;

b)

ISO/CD 23517:2021 Plastics — Soil biodegradable materials for mulch films for use in agriculture and horticulture;

c)

ASTM D5988-96:2018 Standard Test Method for Determining Aerobic Biodegradation in Soil of Plastic Materials.

4.   

Indien er tussen 25 °C en 37 °C geen faseovergang plaatsvindt (glasovergang of smelten), kan de temperatuur tijdens het testen overeenkomstig de punten 3, a), b) en c), worden aangepast tot 37 °C.

In dat geval wordt de naleving van het relevante criterium in punt 2, a), geacht te zijn aangetoond indien het polymeer het volgende verwezenlijkt:

a)

ten minste 45 % uiteindelijke afbraak of mineralisatie zoals bedoeld in punt 2, a), in een afzonderlijke test bij 25 °C binnen tien maanden, waarbij de afbraak of mineralisatie vordert en de plateaufase niet is bereikt, tenzij de afbraak of mineralisatie ten minste 90 % bedraagt, en

b)

een van de volgende criteria:

(i)

uiteindelijke afbraak van ten minste 90 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen tien maanden plus de werkingsperiode van het product zoals aangegeven op het etiket, of

(ii)

mineralisatie van ten minste 90 %, gemeten als CO2-ontwikkeling, gedurende tien maanden plus de werkingsperiode van het product zoals aangegeven op het etiket;

5.   

Voor het aantonen van de naleving van de criteria voor biologische afbreekbaarheid in punt 2, b), moet een van de volgende testmethoden worden gebruikt:

a)

EN/ISO 14851:2019 Kunststoffen — Bepaling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving — Methode met bepaling van het zuurstofverbruik in een gesloten respirometer;

b)

EN/ISO 14852:2021 Kunststoffen — Bepaling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving — Methode door analyse van afgegeven kooldioxide;

c)

ASTM D6691:2018 Standard Test Method for Determining Aerobic Biodegradation of Plastic Materials in the Marine Environment by a Defined Microbial Consortium or Natural Sea Water Inoculum;

d)

EN/ISO 19679:2020 Kunststoffen — Bepaling van aerobe biologische afbreekbaarheid van niet-drijvende kunststof materialen in een zeewater-zandsediment interface — Methode door analyse van vrijgekomen koolstofdioxide

e)

EN/ISO 18830:2017 Kunststoffen — Bepaling van aerobe biologische afbreekbaarheid van niet-drijvende kunststof materialen in een zeewater-zandsediment interface — Methode door het meten van het zuurstofverbruik in een gesloten respirometer

6.   

Polymeren kunnen in een van de volgende vormen worden getest:

a)

in de vorm van een folie zoals die in de handel wordt gebracht;

b)

in een poedervorm van de gemalen folie.

7.   

De volgende materialen mogen als referentiematerialen worden gebruikt:

a)

positieve controles: biologisch afbreekbare materialen zoals microkristallijn cellulosepoeder, asvrije cellulosefilters of poly-β-hydroxyboterzuur;

b)

negatieve controles: niet biologisch afbreekbare polymeren zoals polyethyleen of polystyreen.

”.

BIJLAGE II

In deel I, punt 1, van bijlage III bij Verordening (EU) 2019/1009 wordt het volgende punt f bis) toegevoegd:

“f bis)

voor producten van PFC 3 die een polymeer bevatten zoals bedoeld in deel II, afdeling CMC 9, punt 1 bis, van bijlage II:

a)

de tijdspanne na gebruik waarin de bodemverbeteraar zijn functie vervult (de “werkingsperiode”); deze is niet langer dan de tijdspanne tussen twee toedieningen van bemestingsproducten in overeenstemming met de in punt d) bedoelde instructies voor het gebruik;

b)

een instructie om bij de toepassing van het product de bufferzones in acht te nemen die overeenkomstig de desbetreffende nationale voorschriften voor bemestingsproducten vereist zijn, of, bij het ontbreken van dergelijke regels, om het product ten minste 3 m van enig oppervlaktewaterlichaam toe te passen;

c)

een instructie om de nationale voorschriften voor het hanteren van mulchfolies na de werkingsperiode te volgen of, bij het ontbreken van dergelijke voorschriften, om het product na de werkingsperiode in de bodem op te nemen en daar te houden;”.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/2787/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)