|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2024/920 |
22.3.2024 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/920 VAN DE COMMISSIE
van 13 december 2023
tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen ter specificatie van de prestatiegerelateerde triggers en van de criteria voor de kalibratie van die triggers
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 26 quater, lid 5, zesde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor de toepassing van de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde retrospectieve triggers moet het startpunt worden bepaald voor de meting van de toename van het cumulatieve bedrag aan blootstellingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden, of van de toename van de cumulatieve verliezen. In de regel moet de datum van voltooiing van de transactie als startpunt voor de meting worden genomen. Er kunnen echter gevallen zijn waarin het niet mogelijk is die datum van voltooiing van de transactie als startpunt voor de meting te gebruiken, onder meer wanneer de transactie een aanvullingsperiode omvat dan wel een vooraf bepaalde periode van opbouw van de gesecuritiseerde portefeuille die na de datum van voltooiing valt. Daarom moeten voor die gevallen specifieke regels worden vastgesteld. |
|
(2) |
Het detachment point (D) van een tranche bepaalt het punt waarop de hoofdsom van die tranche volledig verloren gaat als gevolg van verliezen in de onderliggende pool. Wanneer de beschermde tranche verliezen begint te lijden, daalt het detachment point dus dienovereenkomstig. Om te voorkomen dat de tranches die kredietverbetering bieden, reeds zijn afgelost wanneer aanzienlijke verliezen optreden aan het einde van de transactie, moet de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde extra retrospectieve trigger worden gekoppeld aan een daling van het detachment point van de beschermde tranche met de hoogste rang, teneinde de kredietverbetering te waarborgen die wordt geboden door de beschermde tranche met de hoogste rang ten aanzien van tranches van hogere rang die door de initiator gedurende de looptijd van de transactie worden aangehouden. Om dezelfde reden moet de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt c), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde prospectieve trigger zich voordoen wanneer de verwachte prestatie van de pool van onderliggende blootstellingen verslechtert door een toename van het concentratierisico in de securitisatie in de loop van de tijd of, voor transacties met een minder uitgesproken concentratierisico, door een verslechtering van de gemiddelde kredietkwaliteit van die pool van onderliggende blootstellingen in de loop van de tijd. |
|
(3) |
Een sterk geconcentreerde pool van onderliggende blootstellingen verhoogt het risico op grote verliezen op de securitisatie. Aangezien een concentratierisico zich vaker voordoet in pools van onderliggende blootstellingen met een lage granulariteit, moet een drempel worden vastgesteld voor de minimale granulariteit van de pool van onderliggende blootstellingen, gemeten aan de hand van het effectieve aantal blootstellingen in de pool. In gevallen met een minder groot concentratierisico moet de prospectieve trigger afhankelijk zijn van de gemiddelde kredietkwaliteit van de onderliggende portefeuille. Ter bepaling van die trigger moet de kredietkwaliteit van de onderliggende portefeuille worden gemeten vanaf de initiëring van de securitisatie. |
|
(4) |
Gezien de verscheidenheid aan soorten onderliggende portefeuilles en structuren in on-balance-sheet securitisaties is het niet mogelijk te voorzien in een uniforme kalibratie die van toepassing zou zijn op alle transacties, zodat criteria moeten worden vastgesteld voor het bepalen van de niveaus van de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde prestatiegerelateerde triggers. Om te vermijden dat er een significant risico ontstaat dat kredietverbetering biedende tranches in die mate zijn afgelost dat zij geen afdoende bescherming bieden en aanzienlijke verliezen aan het einde van de transactie niet kunnen opvangen, moeten die criteria omzichtig worden vastgesteld. Daartoe moeten de partijen bij de securitisatie de doeltreffendheid van de retrospectieve triggers toetsen in een back-loaded loss distribution scenario, rekening houdend met de verliezen over de volledige looptijd van de transactie zoals verwacht op de datum van voltooiing van de transactie. |
|
(5) |
Om geen afbreuk te doen aan bestaande contracten die zijn gesloten vóór de specificatie van de verplichte prestatiegerelateerde triggers en van de criteria voor de kalibratie van die triggers, moet worden voorzien in een overgangsregeling voor uitstaande eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (“STS”) on-balance-sheet securitisaties. |
|
(6) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit bij de Commissie heeft ingediend. |
|
(7) |
De Europese Bankautoriteit heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“beschermde tranche met de hoogste rang” in een securitisatie: de minst achtergestelde tranche in termen van verdeling van verliezen die in aanmerking komt voor kredietprotectie uit hoofde van de kredietprotectieovereenkomst; |
|
2) |
“kredietrisico-subklasse”: segment van de onderliggende portefeuille waaraan de blootstellingen uit die portefeuille overeenkomstig artikel 4, lid 5, zijn toegewezen en dat een op basis van kredietrisicogerelateerde criteria gemeten niveau van kredietrisico inhoudt, waarbij alle segmenten elkaar uitsluiten en een kredietrisico inhouden dat groter of kleiner is dan enig ander segment; |
|
3) |
“back-loaded loss distribution scenario”: scenario waarbij op de datum van voltooiing van de transactie twee derde van het absolute bedrag aan verliezen die naar verwachting over de volledige looptijd van die transactie zullen optreden, zich blijkt te hebben voorgedaan in het laatste derde deel van de verwachte looptijd. |
Artikel 2
Nadere bepaling van het uitstaande bedrag van de onderliggende portefeuille voor de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde retrospectieve triggers
1. Behalve in de gevallen als bedoeld in de leden 2 en 3 is het uitstaande bedrag van de onderliggende portefeuille voor de toepassing van de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde retrospectieve triggers het uitstaande bedrag van de onderliggende portefeuille op de datum van voltooiing van de transactie.
2. Indien de securitisatie een aanvullingsperiode omvat, is het uitstaande bedrag van de onderliggende portefeuille het laagste van de volgende bedragen:
|
a) |
het uitstaande bedrag op de datum van voltooiing van de transactie; |
|
b) |
het uitstaande bedrag aan het einde van de aanvullingsperiode. |
3. Indien de securitisatie een vooraf bepaalde periode omvat waarin de portefeuille van gesecuritiseerde blootstellingen wordt opgebouwd en die aanvangt op de datum van voltooiing van de transactie, waarbij de kredietprotectieovereenkomst van toepassing is vanaf de datum van voltooiing van de transactie, is het uitstaande bedrag van de onderliggende portefeuille het volgende:
|
a) |
gedurende de vooraf bepaalde opbouwperiode is het uitstaande bedrag het maximumbedrag van de gesecuritiseerde blootstellingen dat volgens de kredietprotectieovereenkomst aan het einde van die vooraf bepaalde periode is toegestaan; |
|
b) |
na afloop van de vooraf bepaalde opbouwperiode is het uitstaande bedrag het aan het einde van die vooraf bepaalde periode uitstaande bedrag. |
4. Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 berekenen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst de toename van het cumulatieve bedrag aan blootstellingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden of de toename van de cumulatieve verliezen vanaf de datum van voltooiing van de transactie.
Artikel 3
Nadere bepaling van de wijze waarop de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde extra retrospectieve trigger moet worden toegepast
1. De partijen bij de kredietprotectieovereenkomst stellen een drempel vast voor het percentage waarmee het overeenkomstig artikel 256, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) berekende detachment point van de beschermde tranche met de hoogste rang is afgenomen ten opzichte van het niveau op de datum van voltooiing van de transactie of, indien de securitisatie een vooraf bepaalde periode omvat waarin de portefeuille van gesecuritiseerde blootstellingen wordt opgebouwd, ten opzichte van het niveau aan het einde van die vooraf bepaalde opbouwperiode.
2. De in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde extra retrospectieve trigger doet zich voor op elk moment na de datum van voltooiing van de transactie waarop het detachment point meer afneemt dan de overeenkomstig lid 1 van dit artikel bepaalde drempel.
Artikel 4
Nadere bepaling van de wijze waarop de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, punt c), van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde prospectieve trigger moet worden toegepast
1. De prospectieve trigger wordt bepaald overeenkomstig lid 2 of lid 4 van dit artikel, naargelang het effectieve aantal blootstellingen in de pool (“N”), berekend overeenkomstig artikel 259, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op de datum van voltooiing van de transactie.
2. Indien N minder dan 100 bedraagt, stellen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst een drempel vast voor het aantal grootste gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking tot afzonderlijke debiteuren, berekend overeenkomstig lid 3.
De prospectieve trigger doet zich voor wanneer op enig moment het aantal grootste gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking tot afzonderlijke debiteuren, berekend overeenkomstig lid 3, onder de overeenkomstig de eerste alinea bepaalde drempel daalt.
3. Voor de bepaling van het aantal grootste gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking tot afzonderlijke debiteuren als bedoeld in lid 2 nemen de partijen bij de securitisatie de volgende stappen in de onderstaande volgorde:
|
a) |
zij consolideren meerdere blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur en behandelen deze als één blootstelling; |
|
b) |
zij sorteren de geconsolideerde blootstellingen met betrekking tot afzonderlijke debiteuren naar hun uitstaande bedrag, in afnemende volgorde; |
|
c) |
zij tellen de uitstaande bedragen van de geconsolideerde blootstellingen met betrekking tot afzonderlijke debiteuren op, te beginnen met de grootste blootstelling, in afnemende volgorde; |
|
d) |
er wordt gestopt met optellen overeenkomstig punt c) wanneer de toevoeging van de volgende blootstelling ertoe zou leiden dat het totaal hoger uitkomt dan de som van de uitstaande bedragen van de beschermde tranche met de hoogste rang en van de daaraan achtergestelde tranches. |
4. Indien N gelijk is aan of groter is dan 100, stellen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst een drempel vast voor de mate waarin de verhouding tussen het uitstaande bedrag van de hogere kredietrisico-subklassen, zoals bepaald overeenkomstig lid 8, en het totale uitstaande bedrag van alle gesecuritiseerde blootstellingen (“ratio van hogere kredietrisico-subklassen”) is gestegen ten opzichte van de overeenkomstige ratio op de datum van voltooiing van de transactie.
De prospectieve trigger doet zich voor wanneer op enig moment de overeenkomstig de eerste alinea bepaalde drempel wordt overschreden.
5. De partijen bij de kredietprotectieovereenkomst vermelden de criteria voor het toewijzen van blootstellingen aan kredietrisico-subklassen duidelijk in de transactiedocumentatie.
Voor de toepassing van de eerste alinea bepalen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst in die overeenkomst hoe tussen individuele kredietrisico-subklassen wordt gedifferentieerd, rekening houdend met:
|
a) |
de in artikel 170, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde klassen, wanneer de initiator overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening de IRB-benadering toepast ter bepaling van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico voor gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, met uitzondering van blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in punt b), en met betrekking tot instellingen en centrale overheden en centrale banken; |
|
b) |
de in artikel 170, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde klassen, wanneer de initiator overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening de IRB-benadering toepast ter bepaling van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico voor gesecuritiseerde blootstellingen die worden behandeld als gespecialiseerde kredietverlening waarop de methoden van artikel 153, lid 5, van die verordening van toepassing zijn; |
|
c) |
de in artikel 170, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde klassen of groepen, wanneer de initiator overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening de IRB-benadering toepast ter bepaling van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico voor gesecuritiseerde blootstellingen die worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen; |
|
d) |
in alle andere gevallen, het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving dat de initiator gebruikt voor zijn jaarrekeningen. |
6. Van de overeenkomstig lid 5 bepaalde kredietrisico-subklassen wijzen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst de volgende blootstellingen toe aan hogere kredietrisico-subklassen:
|
a) |
alle blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, zoals bedoeld in artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
b) |
alle blootstellingen met betrekking tot een debiteur met aangetaste kredietwaardigheid; |
|
c) |
alle andere blootstellingen die volgens de kredietprotectieovereenkomst een hoger kredietrisico met zich meebrengen dan die bedoeld in de punten a) en b). |
De partijen bij de kredietprotectieovereenkomst sluiten van de in de eerste alinea bedoelde toewijzing alle blootstellingen uit die het voorwerp zijn geweest van een kredietgebeurtenis in het kader van de kredietprotectieovereenkomst en waarvoor een tussentijdse of definitieve kredietprotectiebetaling is verricht waardoor het totale bedrag van de beschermde tranche en de andere tranches die daaraan zijn achtergesteld, is verminderd.
7. Indien de gesecuritiseerde blootstellingen meer dan één van de in lid 5, punten a) tot en met d), bedoelde groepen blootstellingen omvatten, wijzen de partijen bij de kredietprotectieovereenkomst de blootstellingen toe aan de hogere kredietrisico-subklassen voor elk van deze groepen zoals bepaald overeenkomstig lid 5.
8. Voor de toepassing van lid 4 is het uitstaande bedrag van de hogere kredietrisico-subklassen de som van de uitstaande bedragen van alle gesecuritiseerde blootstellingen die overeenkomstig de leden 6 en 7 aan de subklassen zijn toegewezen.
Artikel 5
Criteria voor het bepalen van het niveau van de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde triggers
De partijen bij de kredietprotectieovereenkomst stellen de drempels voor de in artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 bedoelde prestatiegerelateerde triggers vast op een niveau dat waarborgt dat aan alle volgende criteria wordt voldaan:
|
a) |
de triggers treden in werking voordat de tranches die kredietprotectie bieden, in die mate zijn afgelost dat zij aanzienlijke verliezen die optreden tijdens het laatste deel van de looptijd van de transactie, niet kunnen opvangen; |
|
b) |
met betrekking tot retrospectieve triggers is de doeltreffendheid van die triggers getest in een back-loaded loss distribution scenario; |
|
c) |
indien de initiator deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepast ter bepaling van de eigenvermogensvereisten voor zijn blootstelling aan de securitisatie, zijn zowel de berekening van de tijdens de looptijd te verwachten verliezen als de aannamen in het kader van een back-loaded loss distribution scenario in overeenstemming met die welke worden gebruikt voor de beoordeling van de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico en van de overeenkomstige overdracht van risico uit hoofde van artikel 245 van die verordening. |
Artikel 6
Uitstaande STS on-balance-sheet securitisaties met een niet-sequentiële rangorde van betalingen
Voor STS on-balance-sheet securitisaties waarbij is voorzien in een niet-sequentiële rangorde van betalingen en prestatiegerelateerde triggers overeenkomstig artikel 26 quater, lid 5, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402 en die overeenkomstig artikel 27, lid 1, van die verordening vóór 11 april 2024 bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten zijn aangemeld, mogen initiators en SSPE’s, zonder te voldoen aan de vereisten van de artikelen 1 tot en met 5 van deze verordening, de aanduiding “STS” of “eenvoudig, transparant en gestandaardiseerd” of een aanduiding die direct of indirect hiernaar verwijst, blijven gebruiken, mits die securitisaties voldoen aan artikel 18 van die verordening.
Artikel 7
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 december 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35.
(2) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(3) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/920/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)