European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie L


2024/895

20.3.2024

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/895 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2023

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 wat betreft de berekening van in aanmerking komende passiva en de overgangsregeling

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 103, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad (2) is de definitie van “in aanmerking komende passiva”, zoals destijds vastgesteld in artikel 2, lid 1, punt 71, van Richtlijn 2014/59/EU, gewijzigd. Volgens die nieuwe definitie zijn “in aanmerking komende passiva” alleen de passiva die in aanmerking komen voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL). Die wijziging moet tot uiting komen in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 van de Commissie (3), die betrekking heeft op vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen. Meer in het bijzonder moeten de verwijzingen in die gedelegeerde handeling naar de vorige definitie van “in aanmerking komende passiva”, die was vastgesteld in artikel 2, lid 1, punt 71, van Richtlijn 2014/59/EU, worden vervangen door een verwijzing naar artikel 2, lid 1, punt 71 bis, van die richtlijn, waarin de nieuwe definitie is vastgesteld. Voorts moet de formule voor de berekening van de indicator “door de instelling boven op het MREL aangehouden eigen vermogen en in aanmerking komende passiva” in stap 1 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 eveneens worden aangepast zodat die alleen betrekking heeft op passiva die in aanmerking komen voor het MREL.

(2)

Bij Richtlijn (EU) 2019/879 is ook artikel 45, leden 1 en 2, van Richtlijn 2014/59/EU gewijzigd om te voorzien in een nieuwe berekening van het MREL, waarbij het MREL nu wordt berekend als percentage van zowel het totaal van de risicoposten (TREA) als van de totale risicoblootstellingsmaatstaf (TEM) van de betrokken entiteit. Daarom moet worden gespecificeerd op basis van welke parameter de indicator “door de instelling boven op het MREL aangehouden eigen vermogen en in aanmerking komende passiva” als bedoeld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 moet worden berekend. Om een voldoende prudente waarde van die indicator te waarborgen, moet voorts worden bepaald dat voor de berekening van die indicator het MREL met de hoogste waarde moet worden gekozen uit, enerzijds, het MREL zoals berekend op basis van het TREA en, anderzijds, het MREL zoals berekend op basis van de TEM.

(3)

Richtlijn (EU) 2019/879 gaf de afwikkelingsautoriteiten ook meer mogelijkheden om individuele entiteiten ontheffing te verlenen van het MREL op individueel niveau en in plaats daarvan te onderwerpen aan het MREL op geconsolideerd niveau, met name in de omstandigheden als bedoeld in artikel 45 septies, leden 3 en 4, en artikel 45 octies van Richtlijn 2014/59/EU. Die wijziging van Richtlijn 2014/59/EU moet tot uiting komen in artikel 8, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63.

(4)

Artikel 20, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 voorziet momenteel in een overgangsregeling die kleinere instellingen toestaat een forfaitaire bijdrage te betalen aan nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen of aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds in plaats van een volwaardige risicogewogen bijdrage. Die overgangsregeling loopt tot het einde van de initiële periode voor het bereiken van het streefbedrag van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, die krachtens artikel 69 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4) eindigt op 31 december 2023. Krachtens artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU eindigt de initiële periode voor het bereiken van het streefbedrag van de nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen echter een jaar later, op 31 december 2024. Die situatie leidt tot een ongelijke behandeling tussen instellingen die bijdragen aan nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen en instellingen die bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Om ook instellingen die bijdragen aan nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen in staat te stellen tot het einde van de initiële periode van hun respectieve nationale afwikkelingsfinancieringsregeling een forfaitaire bijdrage te betalen, moet de overgangsregeling met één jaar worden verlengd tot en met 31 december 2024 door de verwijzing in artikel 20, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 naar artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 te vervangen door een verwijzing naar artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU.

(5)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De afwikkelingsautoriteiten moeten voldoende tijd krijgen om hun besluiten inzake bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen in overeenstemming met de gewijzigde voorschriften vast te stellen en mee te delen. Daarom moet worden voorzien in een overgangsregeling voor het jaar 2024 waarbij de uiterste termijnen voor die mededelingen worden verlengd.

(7)

Aangezien de afwikkelingsautoriteiten de gewijzigde vereisten moeten toepassen om zo snel mogelijk de bijdragen voor 2024 te berekenen en te innen, moet ervoor worden gezorgd dat deze verordening in werking treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan.

(8)

Krachtens artikel 14, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 moeten de instellingen de afwikkelingsautoriteiten uiterlijk op 31 januari van elk jaar de voor de berekening van de bijdragen relevante informatie verstrekken. Het is noodzakelijk de instellingen in 2024 een maand extra de tijd te geven om die informatie te verstrekken.

(9)

Rechtsonzekerheid over de methode die moet worden toegepast voor de rapportage van informatie en de berekening van de bijdragen aan nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen moet worden voorkomen. Daarom moeten de afwikkelingsautoriteiten ruim vóór de vastgestelde termijn voor de inning van de bijdragen in 2024 instellingen instructies kunnen geven over de informatie die moet worden verstrekt met het oog op de berekening van hun jaarlijkse bijdragen, rekening houdend met de verlenging van de forfaitaire overgangsregeling in 2024. Voor de continuïteit van de informatieverstrekking en van de berekeningsmethode gedurende de bijdrageperioden, en om de afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen vanaf 1 december 2023 de nodige instructies te geven, moet de in artikel 20, leden 5, 8 en 9, vast te stellen verlenging van de overgangsregeling met terugwerkende kracht vanaf die datum van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3 wordt punt 17 vervangen door:

“17.

“in aanmerking komende passiva”: in aanmerking komende passiva zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 71 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;”.

2)

In artikel 8 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Ingeval de bevoegde autoriteit op grond van artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een instelling volledige ontheffing heeft verleend van de toepassing op individueel niveau van kapitaalvereisten en ook de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 45 septies, leden 3 en 4, of artikel 45 octies van Richtlijn 2014/59/EU, dezelfde instelling volledige ontheffing heeft verleend van de toepassing op individueel niveau van het MREL, mag de in artikel 6, lid 2, punt a), van deze verordening vermelde indicator op geconsolideerd niveau worden berekend. De score die voor die indicator op geconsolideerd niveau is behaald, wordt toegewezen aan elke instelling die van de groep deel uitmaakt, om te worden gehanteerd bij de berekening van de risico-indicator van de betrokken instelling.”.

3)

In artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:

“5.   Onverminderd artikel 10 van deze verordening kunnen de lidstaten de instellingen waarvan de totale activa ten hoogste 3 000 000 000 EUR belopen, toestaan tijdens de in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde initiële periode een forfaitair bedrag van 50 000 EUR voor de eerste 300 000 000 EUR van de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito’s, te betalen. Voor de totale passiva, minus eigen vermogen en gedekte deposito’s, boven 300 000 000 EUR dragen die instellingen bij in overeenstemming met de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening.”.

4)

In artikel 20 worden de volgende leden 8 en 9 toegevoegd:

“8.   In afwijking van artikel 13, lid 1, stellen de afwikkelingsautoriteiten in de bijdrageperiode voor 2024 elke in artikel 2 bedoelde instelling uiterlijk op 31 mei 2024 in kennis van hun besluit tot vaststelling van de door elke instelling te betalen bijdrage.

9.   Wat de in 2023 aan de afwikkelingsautoriteit te verstrekken informatie betreft, wordt, in afwijking van artikel 14, lid 4, de in die bepaling bedoelde informatie uiterlijk op 29 februari 2024 verstrekt.”.

5)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de dag na die van de bekendmaking ervan, met uitzondering van artikel 1, punten 3) en 4), die van toepassing zijn met ingang van 1 december 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2023.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(2)  Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 44).

(4)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).


BIJLAGE

“BIJLAGE I

PROCEDURE VOOR DE BEREKENING VAN DE JAARLIJKSE BIJDRAGEN VAN DE INSTELLINGEN

STAP 1

Berekening van de ruwe indicatoren

De afwikkelingsautoriteit berekent de volgende indicatoren door het toepassen van de volgende maatstaven:

Pijler

Indicator

Maatstaven

Risicoblootstelling

Door de instelling boven op het MREL aangehouden eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Formula

waarbij, voor de toepassing van deze indicator, wordt verstaan onder:

“eigen vermogen” de som is van tier 1- en tier 2-kapitaal in overeenstemming met de definitie in artikel 4, lid 1, punt 118, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

“in aanmerking komende passiva” de som is van de passiva als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 71 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;

“totale passiva” de totale passiva zijn als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van deze verordening. Uit derivaten voortvloeiende passiva worden in de totale passiva meegerekend ervan uitgaande dat de salderingsrechten van tegenpartijen volledig zijn opgenomen;

“MREL” het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva is als omschreven in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU.

Voor de berekening van deze indicator wordt gebruikgemaakt van de hoogste van deze MREL-waarden: hetzij de MREL-waarde berekend op basis van een percentage van het totaal van de risicoposten van de betrokken entiteit overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU, hetzij de MREL-waarde berekend op basis van een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf van de betrokken entiteit overeenkomstig artikel 45, lid 2, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU.

Risicoblootstelling

Hefboomratio

Hefboomratio als omschreven in artikel 429 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en gerapporteerd in overeenstemming met bijlage X bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Risicoblootstelling

Tier 1-kernkapitaalratio

Tier 1-kernkapitaalratio als omschreven in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en gerapporteerd in overeenstemming met bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Risicoblootstelling

TRE/Totale activa

Formula

waarbij:

“TRE” het totaal van de risicoposten is als omschreven in artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

“totale activa” is gedefinieerd in artikel 3, punt 12, van deze verordening.

Stabiliteit en diversiteit van de financiering

Nettostabielefinancieringsratio

Nettostabielefinancieringsratio als gerapporteerd in overeenstemming met artikel 415 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Stabiliteit en diversiteit van de financiering

Liquiditeitsdekkingsratio

Liquiditeitsdekkingsratio als gerapporteerd in overeenstemming met artikel 415 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

Belang van een instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie

Aandeel in de interbancaire leningen en deposito’s in de EU

Formula

waarbij:

“interbancaire leningen” gedefinieerd is als de som van de boekwaarde van leningen en voorschotten aan kredietinstellingen en andere financiële vennootschappen als bepaald voor de toepassing van template nummers 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014;

“interbancaire deposito’s” gedefinieerd is als de boekwaarde van de deposito’s van kredietinstellingen en andere financiële vennootschappen als bepaald voor de toepassing van template nummer 8.1 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014;

“totale interbancaire leningen en deposito’s in de EU” de som is van de geaggregeerde door de instellingen in elke lidstaat aangehouden interbancaire leningen en deposito’s als berekend in overeenstemming met artikel 15.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/895/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)