European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie L


2024/887

25.3.2024

VERORDENING (EU) 2024/887 VAN DE COMMISSIE

van 22 maart 2024

tot wijziging van de bijlagen IV, VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft diervoeders, het in de handel brengen en de invoer in de Unie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 23 bis, inleidende zin en punt m),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s) bij dieren. De verordening is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

(2)

Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat verbodsbepalingen in verband met diervoeding, waarvoor in bijlage IV bij die verordening specifieke voorschriften zijn vastgesteld. Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 is bij Verordening (EU) 2021/1372 van de Commissie (2) gewijzigd teneinde het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van insecten, pluimvee en varkens, en mengvoeders die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, toe te staan voor het voederen van varkens en pluimvee. De punten d), e) en f) zijn echter per abuis toegevoegd aan hoofdstuk III, deel B, punt 1, van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001. Punt 1 had uitsluitend bestemd moeten blijven voor de productievoorwaarden van mengvoeders die voedermiddelen bevatten die zijn toegestaan voor het voederen van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, aangezien de specifieke voorwaarden voor het gebruik van andere voedermiddelen in de relevante delen van hoofdstuk IV van die bijlage zijn vastgelegd. De wijziging heeft ook onbedoeld geleid tot de duplicatie van een aantal van de in hoofdstuk V vastgelegde verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot het bijhouden van lijsten. Daarom moeten verschillende passende correcties in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden aangebracht in hoofdstuk III, deel B, hoofdstuk IV, deel H, en hoofdstuk V, deel A, van die bijlage. Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.

(3)

Daarnaast zijn bij Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3), zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 van de Commissie (4), specifieke voorschriften geïntroduceerd voor officiële controles bij verwerkingsbedrijven van meststoffen voor de bepaling van de eindpunten van bepaalde meststoffen en bodemverbeteraars, waarna deze producten in de handel kunnen worden gebracht zonder verdere diergezondheidscontroles. Dit moet worden weerspiegeld in de voorwaarden met betrekking tot de uitvoer van biologische meststoffen en bodemverbeteraars die van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, die in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn opgenomen. Hoofdstuk V, deel E, van die bijlage moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Bovendien bevatten de bijlagen VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 gedetailleerde voorschriften met betrekking tot het in de handel brengen en de invoer in de Unie van onder andere schapen en geiten en producten die afkomstig zijn van deze diersoorten.

(5)

Hoofdstuk A, afdeling A, punten 1.2 en 1.3, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 630/2013 van de Commissie (5), bevatten overgangsbepalingen ter waarborging van een soepele overgangsperiode van zeven jaar, vanaf 1 januari 2014 tot en met 1 januari 2021. Die overgangsbepalingen moeten nu worden geschrapt.

(6)

Daarnaast wordt in hoofdstuk A, afdeling A, punten 1.2, 1.3 en 4.1, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 verwezen naar Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (6). Aangezien Richtlijn 92/65/EEG sinds 21 april 2021 bij Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (7) is ingetrokken, moeten die verwijzingen worden bijgewerkt.

(7)

Bij Verordening (EU) 2020/772 van de Commissie (8) zijn de bijlagen I, VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 gewijzigd, zodat rekening wordt gehouden met de aanbevelingen van het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 5 juli 2017 over de genetische resistentie tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s) bij geiten (9), om te erkennen dat geiten ook genetisch resistent kunnen zijn tegen stammen van klassieke scrapie waarvan bekend is dat zij van nature in de geitenpopulatie van de Unie voorkomen, wanneer zij de K222-, D146- of S146-allelen hebben. Bij de wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 bij Verordening (EU) 2020/772 werden de voorwaarden die van toepassing zijn op genetisch resistente geiten, echter niet volledig in overeenstemming gebracht met die welke van toepassing zijn op genetisch resistente schapen, met name wat betreft de bepalingen voor een bedrijf om te worden erkend als een bedrijf met een verwaarloosbaar of gecontroleerd risico op klassieke scrapie, de voorschriften voor de handel binnen de Unie in sperma en embryo’s van geiten in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, en de voorschriften voor de invoer in de Unie van melk en melkproducten van geiten, fokgeiten en van sperma en embryo’s van geiten in bijlage IX bij die verordening. Het is passend om deze afstemming af te ronden om optimaal gebruik te maken van genetisch resistente dieren en levende producten daarvan om klassieke scrapie te beheersen.

(8)

De bijlagen IV, VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gecorrigeerd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 999/2001

De bijlagen IV, VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd overeenkomstig deel A van de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Correctie van Verordening (EG) nr. 999/2001

Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt gecorrigeerd overeenkomstig deel B van de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 maart 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2021/1372 van de Commissie van 17 augustus 2021 tot wijziging van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het verbod op het vervoederen van dierlijke eiwitten aan andere niet-herkauwende landbouwhuisdieren dan pelsdieren (PB L 295 van 18.8.2021, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 van de Commissie van 22 mei 2023 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de bepaling van eindpunten in de productieketen van bepaalde organische meststoffen en bodemverbeteraars (PB L 198 van 8.8.2023, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 630/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 60).

(6)  Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).

(7)  Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2020/772 van de Commissie van 11 juni 2020 tot wijziging van de bijlagen I, VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft uitroeiingsmaatregelen voor overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij geiten en met uitsterven bedreigde rassen (PB L 184 van 12.6.2020, blz. 43).

(9)   EFSA Journal 2017;15(8):4962.


BIJLAGE

DEEL A

WIJZIGINGEN VAN VERORDENING (EG) NR. 999/2001

De bijlagen IV, VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage IV wordt hoofdstuk V, deel E, als volgt gewijzigd:

a)

in punt 2, b), wordt de inleidende zin vervangen door:

“b)

organische meststoffen of bodemverbeteraars, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvan de samenstelling verwerkte van herkauwers afkomstige dierlijke eiwitten of een mengsel van verwerkte van herkauwers en niet-herkauwers afkomstige dierlijke eiwitten bevat, op voorwaarde dat zij het eindpunt hebben bereikt zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, c), of artikel 4, punt 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 van de Commissie (*1), of dat:”;

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 van de Commissie van 22 mei 2023 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de bepaling van eindpunten in de productieketen van bepaalde organische meststoffen en bodemverbeteraars (PB L 198 van 8.8.2023, blz. 1).”;"

b)

aan punt 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De organische meststoffen of bodemverbeteraars die het eindpunt als gedefinieerd in artikel 4, punt 1, c), of artikel 4, punt 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 hebben bereikt, worden vrijgesteld van de in de eerste alinea van dit punt vastgestelde voorwaarden.”

2)

In bijlage VIII wordt hoofdstuk A, afdeling A, als volgt gewijzigd:

a)

de punten 1.2 en 1.3 worden vervangen door:

“1.2.

Een bedrijf met schapen met een TSE-resistente status van niveau I, zoals bepaald in hoofdstuk C, deel 4, punt 1, a), van bijlage VII, mag, indien er ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar geen geval van klassieke scrapie is bevestigd, worden erkend als bedrijf met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie.

Een bedrijf met schapen, geiten of beide mag ook worden erkend als bedrijf met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie als het ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:

a)

de schapen en geiten zijn permanent geïdentificeerd en er worden registers bijgehouden zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

b)

de verplaatsingen van schapen en geiten van en naar het bedrijf worden geregistreerd;

c)

alleen de volgende schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

schapen en geiten van bedrijven met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie;

ii)

schapen en geiten van bedrijven die ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar of ten minste gedurende dezelfde periode als het bedrijf waarop zij worden binnengebracht, hebben voldaan aan de voorwaarden van de punten a) tot en met i);

iii)

schapen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR en geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

iv)

schapen en geiten die voldoen aan de voorwaarden van punt i) of ii), behalve gedurende de periode waarin zij werden gehouden in een spermacentrum, mits het spermacentrum aan de volgende voorwaarden voldoet:

het spermacentrum is erkend overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686 van de Commissie (*2);

gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar zijn alleen schapen en geiten van bedrijven die gedurende die periode aan de voorwaarden van punten a), b) en e) hebben voldaan en die op gezette tijden door een officiële dierenarts of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts zijn gecontroleerd, in het spermacentrum binnengebracht;

er zijn gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar geen gevallen van klassieke scrapie in het spermacentrum bevestigd;

in het spermacentrum zijn bioveiligheidsmaatregelen van kracht om ervoor te zorgen dat schapen en geiten die in dat centrum worden gehouden en die afkomstig zijn van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie geen direct of indirect contact hebben met schapen en geiten die afkomstig zijn van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie;

d)

het bedrijf wordt minimaal jaarlijks op gezette tijden door een officiële dierenarts of een daartoe door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts gecontroleerd om na te gaan of aan de voorwaarden van de punten a) tot en met i) wordt voldaan;

e)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie bevestigd;

f)

alle schapen en geiten van meer dan 18 maanden oud die zijn gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie zijn gedood, worden in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in hoofdstuk C, punt 3.2, van bijlage X.

In afwijking van die specifieke voorwaarde kunnen de lidstaten besluiten dat alle schapen en geiten van meer dan 18 maanden oud zonder commerciële waarde die aan het eind van hun productieve leven worden geruimd in plaats van voor menselijke consumptie worden geslacht, door een officiële dierenarts worden gekeurd, en dat alle dieren die tekenen van vermagering of neurologische symptomen vertonen, in een laboratorium op klassieke scrapie worden onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in hoofdstuk C, punt 3.2, van bijlage X;

g)

alleen de volgende eicellen en embryo’s van schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

eicellen en embryo’s van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij zijn sinds hun geboorte gehouden op bedrijven waar tijdens hun verblijf geen gevallen van klassieke scrapie zijn bevestigd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van de eicellen of embryo’s;

ii)

eicellen en embryo’s van schapen die drager zijn van ten minste één ARR-allel en van geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

h)

alleen het volgende sperma van schapen en geiten mag op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

sperma van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van het sperma;

ii)

sperma afkomstig van rammen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR en van bokken die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

i)

de schapen en geiten op het bedrijf hebben geen direct of indirect contact, met inbegrip van gemeenschappelijk gebruik van weiden, met schapen en geiten van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie.

1.3.

Een bedrijf met schapen, geiten of beide mag worden erkend als bedrijf met een gecontroleerd risico op klassieke scrapie als het ten minste gedurende de voorafgaande periode van drie jaar aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:

a)

de schapen en geiten zijn permanent geïdentificeerd en er worden registers bijgehouden zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

b)

de verplaatsingen van schapen en geiten van en naar het bedrijf worden geregistreerd;

c)

alleen de volgende schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

schapen en geiten van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie;

ii)

schapen en geiten van bedrijven die ten minste gedurende de voorafgaande periode van drie jaar of ten minste gedurende dezelfde periode als het bedrijf waarop zij worden binnengebracht, hebben voldaan aan de voorwaarden van de punten a) tot en met i);

iii)

schapen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR en geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

iv)

schapen en geiten die voldoen aan de voorwaarden van punt i) of ii), behalve gedurende de periode waarin zij werden gehouden in een spermacentrum, mits het spermacentrum aan de volgende voorwaarden voldoet:

het spermacentrum is erkend overeenkomstig deel II, hoofdstuk 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

gedurende de voorafgaande periode van drie jaar zijn alleen schapen en geiten van bedrijven die gedurende die periode aan de voorwaarden van de punten a), b) en e) hebben voldaan en die op gezette tijden door een officiële dierenarts of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts zijn gecontroleerd, in het spermacentrum binnengebracht;

er zijn gedurende de voorafgaande periode van drie jaar geen gevallen van klassieke scrapie in het spermacentrum bevestigd;

in het spermacentrum zijn bioveiligheidsmaatregelen van kracht om ervoor te zorgen dat schapen en geiten die in dat centrum worden gehouden en die afkomstig zijn van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie geen direct of indirect contact hebben met schapen en geiten die afkomstig zijn van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie;

d)

het bedrijf wordt minimaal jaarlijks op gezette tijden door een officiële dierenarts of een daartoe door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts gecontroleerd om na te gaan of aan de voorwaarden van de punten a) tot en met i) wordt voldaan;

e)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie bevestigd;

f)

alle schapen en geiten van meer dan 18 maanden oud die zijn gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie zijn gedood, worden in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in hoofdstuk C, punt 3.2, van bijlage X.

In afwijking van die specifieke voorwaarde kunnen de lidstaten besluiten dat alle schapen en geiten van meer dan 18 maanden oud zonder commerciële waarde die aan het eind van hun productieve leven worden geruimd in plaats van voor menselijke consumptie worden geslacht, door een officiële dierenarts worden gekeurd, en dat alle dieren die tekenen van vermagering of neurologische symptomen vertonen, in een laboratorium op klassieke scrapie worden onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in hoofdstuk C, punt 3.2, van bijlage X;

g)

alleen de volgende eicellen en embryo’s van schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

eicellen en embryo’s van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij zijn sinds hun geboorte gehouden op bedrijven waar tijdens hun verblijf geen gevallen van klassieke scrapie zijn bevestigd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van de eicellen of embryo’s;

ii)

eicellen en embryo’s van schapen die drager zijn van ten minste één ARR-allel en van geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

h)

alleen het volgende sperma van schapen en geiten mag op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

sperma van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van het sperma;

ii)

sperma afkomstig van rammen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR en van bokken die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen;

i)

de schapen en geiten op het bedrijf hebben geen direct of indirect contact, met inbegrip van gemeenschappelijk gebruik van weiden, met schapen en geiten van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie.

(*2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de erkenning van inrichtingen voor levende producten en de traceerbaarheids- en diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van levende producten van bepaalde gehouden landdieren (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 1).”;"

b)

punt 4.1, c), wordt vervangen door:

“c)

in afwijking van de punten a) en b) zijn de vereisten van die punten niet van toepassing op schapen en geiten die worden gehouden in en uitsluitend worden verplaatst tussen geconsigneerde inrichtingen zoals omschreven in artikel 4, punt 48, van Verordening (EU) 2016/429 (*3);

(*3)  Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).”;"

c)

de punten 4.2, d) en e), worden vervangen door:

“d)

als het gaat om sperma van schapen, wordt gewonnen van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR en als het gaat om sperma van geiten, wordt gewonnen van bokken die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen, of

e)

als het gaat om embryo’s van schapen, zijn drager van ten minste één ARR-allel, als het gaat om embryo’s van geiten, zijn drager van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen.”.

3)

Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

a)

in hoofdstuk D, afdeling B wordt punt 3, c) vervangen door:

“c)

de melk en melkproducten van schapen en geiten zijn afkomstig van bedrijven waar gedurende ten minste de voorafgaande zeven jaar geen geval van klassieke scrapie is gediagnosticeerd, of waar, indien een geval van klassieke scrapie bevestigd is:

i)

alle schapen en geiten op het bedrijf zijn gedood en vernietigd of geslacht, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR, fokooien die drager zijn van ten minste één ARR-allel en niet van een VRQ-allel en alle andere schapen die drager zijn van ten minste één ARR-allel en geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen,

of

ii)

alle dieren waarbij klassieke scrapie is bevestigd, zijn gedood en vernietigd en op het bedrijf is gedurende ten minste twee jaar na de datum van bevestiging van het laatste geval van klassieke scrapie verscherpt toezicht op de aanwezigheid van TSE’s uitgeoefend, waarbij alle volgende dieren die ouder zijn dan 18 maanden, met uitzondering van schapen met genotype ARR/ARR en geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen, met negatief resultaat op de aanwezigheid van een TSE zijn getest overeenkomstig de in hoofdstuk C, punt 3.2, van bijlage X vastgestelde laboratoriumtechnieken:

dieren die voor menselijke consumptie zijn geslacht, en

dieren die op het bedrijf zijn gestorven of gedood, maar niet in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn gedood.”;

b)

hoofdstuk E wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 5, b), wordt vervangen door:

“b)

het zijn schapen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR of geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen, en zij komen van een of meer bedrijven waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperkingen in verband met BSE of klassieke scrapie hebben gegolden, of”;

ii)

punt 6, b), wordt vervangen door:

“b)

het zijn schapen met het prioneiwitgenotype ARR/ARR of geiten die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen, en zij komen van een bedrijf waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperking in verband met BSE of klassieke scrapie heeft gegolden.”;

c)

in hoofdstuk H worden de punten 2, a) en b), vervangen door:

“a)

als het gaat om sperma van schapen, dat sperma is gewonnen van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR en als het gaat om sperma van geiten, dat sperma is gewonnen van bokken die drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen, of

b)

als het gaat om embryo’s van schapen, die embryo’s drager zijn van ten minste één ARR-allel en als het gaat om embryo’s van geiten, die embryo’s drager zijn van ten minste één van de K222-, D146- of S146-allelen.”.

Deel B

Correctie van Verordening (EG) nr. 999/2001

Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt als volgt gecorrigeerd:

1)

In hoofdstuk III wordt deel B als volgt gewijzigd:

a)

de punten 1, d), e) en f), worden geschrapt;

b)

punt 3, b), wordt vervangen door:

“b)

zij houden uitsluitend niet-herkauwende dieren;”.

2)

In hoofdstuk IV, deel H, wordt het laatste streepje van punt d) vervangen door:

“—

de mengvoeders voor andere landbouwhuisdieren dan varkens, aquacultuurdieren en pelsdieren worden regelmatig bemonsterd en geanalyseerd om te verifiëren dat zij geen niet-toegestane bestanddelen van dierlijke oorsprong bevatten; daarbij wordt gebruikgemaakt van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 genoemde analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de controle van diervoeders. De frequentie van die bemonstering en analyse wordt bepaald op basis van een risicobeoordeling die door de exploitant wordt uitgevoerd als onderdeel van zijn op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures. De resultaten worden ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;”.

3)

In hoofdstuk V, deel A, wordt punt 1, i) vervangen door:

“i)

erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig hoofdstuk III, deel B, van de bevoegde autoriteit mengvoeders vervaardigen die vismeel, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong en bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers bevatten;”.


(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1605 van de Commissie van 22 mei 2023 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de bepaling van eindpunten in de productieketen van bepaalde organische meststoffen en bodemverbeteraars (PB L 198 van 8.8.2023, blz. 1).”;

(*2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de erkenning van inrichtingen voor levende producten en de traceerbaarheids- en diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van levende producten van bepaalde gehouden landdieren (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 1).”;

(*3)  Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).”;”


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/887/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)