European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie L


2024/883

22.3.2024

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/883 VAN DE COMMISSIE

van 21 maart 2024

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 wat betreft de ruimte voor de tweede achterkentekenplaat voor aanhangwagens en de massa van energieopslagsystemen, en tot rectificatie van die verordening

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (1), en met name artikel 4, lid 7, en artikel 10, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 van de Commissie (2) bevat bepalingen met betrekking tot uniforme procedures en technische specificaties voor de typegoedkeuring van voertuigen en van bepaalde systemen, onderdelen en technische eenheden met betrekking tot de algemene veiligheid ervan. In dit verband is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 een technisch voorschrift ingevoerd voor de ruimte voor de tweede achterkentekenplaat van aanhangwagens. Fabrikanten hebben echter meer tijd nodig om zich aan te passen aan dit nieuwe voorschrift met betrekking tot de ruimte voor de montage en de bevestiging van de tweede achterkentekenplaat voor voertuigen van de categorieën O3 en O4. Daarom moeten de overgangsbepalingen in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat die voorschriften eerst van toepassing zijn op nieuwe voertuigtypen. Bovendien moeten voertuigen van categorie O2 van die verplichting worden vrijgesteld wegens ontwerpbeperkingen en ruimtegebrek.

(2)

Er moeten regels worden vastgesteld voor de markering van het voertuigidentificatienummer (VIN) op het voertuig en voor het waarborgen van de traceerbaarheid van het voertuig door middel van het VIN.

(3)

Ook moet er enige flexibiliteit worden toegestaan wat betreft de plaatsing van de voorkentekenplaat om rekening te houden met mogelijke technische en ontwerpbeperkingen met betrekking tot sensoren, radars en camera’s die met het oog op de in Verordening (EU) 2019/2144 bedoelde veiligheidssystemen aan de voorzijde van voertuigen moeten worden gemonteerd.

(4)

De technische voorschriften voor sproeisystemen voor de voorruit moeten worden aangevuld om rekening te houden met de gevallen waarin dergelijke systemen een functie hebben om overdruk bij blokkering van de sproeiers te verminderen.

(5)

Het is ook passend de testprocedures voor ontdooiings- en ontwasemingssystemen voor de voorruit te optimaliseren om een efficiëntere volgorde van handelingen in de testkamer en flexibiliteit bij de keuze van het ontvettingsmiddel te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor een betere bescherming van de gezondheid en betere werkomstandigheden voor de personen die de tests uitvoeren.

(6)

Er moeten regels worden vastgesteld voor het trekvermogen van gestrande motorvoertuigen om ervoor te zorgen dat zij veilig van de weg kunnen worden gehaald wanneer zij het wegverkeer belemmeren. Daarnaast moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de nieuwe voorschriften met betrekking tot het trekvermogen eerst van toepassing zijn op nieuwe voertuigtypen.

(7)

De bijkomende massa van de specifieke energieopslagsystemen die in emissievrije voertuigen worden gebruikt, kan ertoe leiden dat de referentiemassa van dergelijke voertuigen hoger is dan die van vergelijkbare conventionele voertuigen. De overtollige referentiemassa moet in aanmerking worden genomen zodat emissievrije voertuigen van categorie N, die anders buiten het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (3) zouden vallen, vanaf 1 januari 2025 in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van voertuigen van categorie N1 voor de betrokken fabrikanten. Daarom moet worden bepaald dat de massa van het energieopslagsysteem formeel wordt opgenomen in het conformiteitscertificaat, dat beschikbaar moet worden gesteld als onderdeel van de CO2-monitoringgegevens.

(8)

Na de datum van toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 zijn bepaalde fouten ontdekt in de vorm van onjuiste verwijzingen.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd.

(10)

Om fabrikanten en goedkeuringsinstanties van de lidstaten in staat te stellen de nodige aanpassingen aan te brengen en zich voor te bereiden op de toepassing van de voorschriften inzake de massa van de energieopslagsystemen van emissievrije voertuigen, moet de datum van toepassing van de respectieve bepalingen van deze verordening worden uitgesteld en worden afgestemd op de in Verordening (EU) 2019/631 vastgestelde datum.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:

“3 bis.   Met ingang van 7 juli 2024 weigeren de typegoedkeuringsinstanties EU-typegoedkeuring voor nieuwe typen voertuigen wat de ruimte voor de montage en de bevestiging van de tweede achterkentekenplaat voor voertuigen van de categorieën O3 en O4 betreft, die niet aan de technische specificaties van bijlage III, deel 2, met betrekking tot de respectieve voorschriften van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 voldoen.”

;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   Met ingang van 7 juli 2026 weigeren de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met de ruimte voor de montage en de bevestiging van de voorkentekenplaten en de ruimte voor de montage en de bevestiging van de tweede achterkentekenplaat voor voertuigen van de categorieën O3 en O4, de registratie, het in de handel brengen en het in het verkeer brengen van voertuigen die niet aan de technische specificaties van bijlage III, deel 2, met betrekking tot de respectieve voorschriften van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 voldoen.”

;

c)

de volgende leden 4 bis en 4 ter worden ingevoegd:

“4 bis.   Met ingang van 7 juli 2025 weigeren de typegoedkeuringsinstanties EU-typegoedkeuring voor nieuwe typen voertuigen wat de sleepvoorzieningen betreft, die niet aan de technische specificaties voor het trekvermogen in bijlage VII, deel 2, met betrekking tot de respectieve voorschriften van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 voldoen.

4 ter.   Met ingang van 7 juli 2027 weigeren de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met sleepvoorzieningen, de registratie, het in de handel brengen en het in het verkeer brengen van voertuigen die niet aan de technische specificaties voor het trekvermogen in bijlage VII, deel 2, met betrekking tot de respectieve voorschriften van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 voldoen.”

.

2)

De bijlagen II, III, IV, VI, VII en XIII worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 wordt als volgt gerectificeerd:

1)

In artikel 6 worden de leden 3 en 4 vervangen door:

“3.   Overeenkomstig artikel 6, lid 5, tweede alinea, van Verordening (EU) 2018/858 kan een EU-typegoedkeuring worden verleend voor voertuigen waarvan de afmetingen de in bijlage XIII, deel 2, afdelingen C, D en E, punt 1.1, bij deze verordening vermelde maximaal toegestane afmetingen overschrijden, in welk geval op het typegoedkeuringscertificaat en het conformiteitscertificaat onder punt 52 de opmerking “afwijking wat betreft de maximaal toegestane afmetingen” moet worden vermeld.

4.   Er kan een EU-typegoedkeuring worden verleend voor voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van ondeelbare ladingen en waarvan de afmetingen de in bijlage XIII, deel 2, afdelingen C, D en E, punt 1.1, bij deze verordening vermelde maximaal toegestane afmetingen overschrijden, in welk geval op het typegoedkeuringscertificaat en het conformiteitscertificaat duidelijk moet worden vermeld dat het voertuig uitsluitend bestemd is voor het vervoer van ondeelbare ladingen.”

.

2)

De bijlagen II, VIII, XIII en XIV worden gerectificeerd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Bijlage I, punt 6, is van toepassing met ingang van 1 januari 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 maart 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/535 van de Commissie van 31 maart 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft uniforme procedures en technische specificaties voor de typegoedkeuring van voertuigen en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor die voertuigen zijn bestemd, wat betreft de algemene constructiekenmerken en veiligheid ervan (PB L 117 van 6.4.2021, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13).


BIJLAGE I

De bijlagen II, III, IV, VI, VII en XIII worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage II, deel 2, afdeling A, worden vóór punt 2.1 de volgende punten ingevoegd:

“2.0.1.

Op elk voertuig wordt een VIN aangebracht.

2.0.2.

Het VIN is uniek en wordt ondubbelzinnig aan één bepaald voertuig toegewezen.

2.0.3.

Het VIN wordt aangebracht op het chassis of het voertuig op het moment dat het voertuig de productielijn verlaat.

2.0.4.

De fabrikant zorgt ervoor dat het voertuig gedurende een periode van dertig jaar door middel van het VIN kan worden getraceerd.

2.0.5.

Op het moment van de typegoedkeuring hoeft niet te worden gecontroleerd of de fabrikant maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat het voertuig traceerbaar is in de zin van punt 2.0.4.”.

2)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 2.1.2 wordt vervangen door:

“2.1.2.

Voertuigen van de categorieën O3 en O4 moeten zijn voorzien van twee afzonderlijke ruimten voor de montage en de bevestiging van achterkentekenplaten (d.w.z. met het oog op de facultatieve identificatie van een trekkend voertuig indien dit door een nationale instantie wordt verlangd).”;

ii)

in punt 2.3.4.1.3 wordt de volgende zin toegevoegd:

“Op verzoek van de fabrikant mag de goedkeuringsinstantie echter om technische, aerodynamische of andere redenen een tolerantie van ±15° ten opzichte van de middellijn toestaan voor de bevestiging van de voorste kentekenplaat.”;

b)

in deel 3 wordt punt 2.3 van het addendum bij afdeling II van het EU-typegoedkeuringscertificaat vervangen door:

“2.3.

Tweede achterkentekenplaat in geval van voertuigen van de categorieën O3 en O4: 520 × 120/340 × 240 (2)”.

3)

In bijlage IV wordt deel 2 als volgt gewijzigd:

a)

het volgende punt 2.2.3.1 wordt ingevoegd:

“2.2.3.1.

Als het sproeisysteem voor de voorruit is ontworpen met een functie om overdruk bij blokkering van de sproeiers te verminderen (bv. een veiligheidsklep), is die functie in afwijking van punt 2.2.3, tweede zin, toegestaan mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

vloeistoffen die bij stilstand en onder normale rijomstandigheden het systeem verlaten, komen niet in andere voertuigcompartimenten terecht, ook niet onder de motorkap, tenzij zij specifiek naar het wegdek worden afgevoerd of geleid;

b)

het sproeisysteem voor de voorruit kan naar behoren werken wanneer de sproeiers volledig zijn gedeblokkeerd;

c)

de normale werking wordt gewaarborgd zonder dat de gebruiker handmatig hoeft in te grijpen om onderdelen van het sproeisysteem voor de voorruit, het wissysteem voor de voorruit, het elektrische systeem of enig ander relevant systeem in te schakelen, af te stellen, opnieuw aan te sluiten of te vervangen.”;

b)

punt 3.2.1.1 wordt vervangen door:

“3.2.1.1.

Alle sproeiopeningen worden afgesloten en het systeem wordt binnen een minuut zes keer met het bedieningsorgaan van de sproeier ingeschakeld, telkens gedurende ten minste drie seconden. Wanneer het echter technisch niet mogelijk is om de sproeiopeningen af te sluiten, kan de binnenkant van de sproeiopening(en) worden geblokkeerd.”.

4)

In bijlage VI wordt deel 2 als volgt gewijzigd:

a)

in punt 3.1.1.1 wordt de volgende zin toegevoegd:

“Als het mogelijk is om te controleren of de temperatuur van de koelruimte, gemeten op representatieve punten zoals de luchtuitlaat of de wanden, op de voorgeschreven testtemperatuur is gestabiliseerd, mag de periode korter zijn dan 24 uur.”;

b)

punt 3.1.2 wordt vervangen door:

“3.1.2.

Voordat het voertuig in de testruime wordt geplaatst, worden het binnen- en het buitenoppervlak van de voorruit grondig ontvet door middel van spiritus of een gelijkwaardig ontvettingsmiddel. Na drogen wordt een ammoniakoplossing van maximaal 2 % of een in de handel verkrijgbare ammoniakoplossing zonder toegevoegde geurstoffen aangebracht. Na opnieuw drogen moet het oppervlak met een droge katoenen doek worden schoongeveegd.”;

c)

punt 3.1.6.4 wordt geschrapt;

d)

punt 3.1.6.5 wordt vervangen door:

“3.1.6.5.

De temperatuur in de testruimte wordt gemeten ter hoogte van de voorruit, op een punt dat niet significant wordt beïnvloed door warmte van het geteste voertuig.”;

e)

punt 3.2.1 wordt vervangen door:

“3.2.1.

Voordat het voertuig in de testruime wordt geplaatst, worden het binnen- en het buitenoppervlak van de voorruit grondig ontvet door middel van spiritus of een gelijkwaardig ontvettingsmiddel. Na drogen wordt een ammoniakoplossing van maximaal 2 % of een in de handel verkrijgbare ammoniakoplossing zonder toegevoegde geurstoffen aangebracht. Na opnieuw drogen moet het oppervlak met een droge katoenen doek worden schoongeveegd.”;

f)

punt 3.2.2.1 wordt vervangen door:

“3.2.2.1.

De temperatuur in de testruimte wordt gemeten ter hoogte van de voorruit, op een punt dat niet significant wordt beïnvloed door warmte van het geteste voertuig.”;

g)

de punten 3.2.4 en 3.2.5 worden vervangen door:

“3.2.4.

Het binnenoppervlak van de voorruit wordt overeenkomstig punt 3.2.1 gereinigd voordat het voertuig in de klimaatkamer is geplaatst. Vervolgens wordt de omgevingsluchttemperatuur verlaagd en gestabiliseerd op –3 ± 1 °C. Het voertuig wordt uitgeschakeld en gedurende ten minste tien uur voor aanvang van de test op de testtemperatuur gehouden. Als het echter mogelijk is om te controleren of de koelvloeistof en het smeermiddel van de motor van het voertuig op de voorgeschreven testtemperatuur zijn gestabiliseerd, mag deze periode korter zijn dan tien uur.

3.2.5.

De uitlaten van de stoomgenerator worden in het middenlangsvlak van het voertuig op de tweede rij stoelen geplaatst. De stoomgenerator wordt normaal gesproken achter de voorstoelen geplaatst. Als dat door het ontwerp van het voertuig niet mogelijk is, wordt de generator vóór de rugleuningen, zo dicht mogelijk bij de hierboven bedoelde plaats gezet.”;

h)

punt 3.2.7.4 wordt geschrapt.

5)

In bijlage VII, deel 2, worden de volgende punten 1.3 en 1.3.1 ingevoegd:

“1.3.

Trekvermogen

1.3.1.

Om een gestrand motorvoertuig op eigen wielen van de weg te kunnen halen, moet het voertuig kunnen worden gesleept of in de sleepstand kunnen worden gezet terwijl de sleutel van het voertuig in het contactslot zit en zonder gebruik te maken van speciaal gereedschap of onderdelen te demonteren die niet voor dit doel zijn ontworpen, overeenkomstig de door de fabrikant in de handleiding bij het motorvoertuig aangegeven procedure. De fabrikant mag in de gebruiksaanwijzing beperkingen opleggen wat betreft de sleepomstandigheden met betrekking tot de sleepsnelheid en -afstand om onomkeerbare schade te voorkomen, maar de sleepafstand moet ten minste 100 m in minder dan 10 minuten bedragen.

In het geval van motorvoertuigen van categorie M1 of N1 waarvan de wielen rechtstreeks door een elektromotor worden aangedreven, verstrekt de fabrikant in de handleiding bij het voertuig instructies over de wijze waarop de wegenwachtdiensten het voertuig met speciaal gereedschap kunnen weghalen als de wielen van het gesleepte voertuig niet kunnen draaien.

Dit voorschrift is niet van toepassing wanneer het motorvoertuig zodanig beschadigd is dat het slepen op eigen wielen fysiek onmogelijk is of onveilig zou zijn, of wanneer de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig door een technisch defect niet kan worden geactiveerd.”.

6)

In bijlage XIII wordt deel 2 als volgt gewijzigd:

a)

in afdeling B worden de volgende punten 6, 6.1 en 6.2 ingevoegd:

“6.

Massa van het energieopslagsysteem:

6.1.

In het geval van emissievrije voertuigen van categorie N1 wordt de massa van het energieopslagsysteem vastgesteld op basis van de door de fabrikant verstrekte documentatie. De juistheid van de opgegeven informatie wordt ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie door de technische dienst geverifieerd.

6.2.

In het in punt 6.1 genoemde geval vermeldt de fabrikant onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat, buiten een duidelijk gemarkeerde rechthoek waarin uitsluitend de verplichte informatie staat, het volgende aanvullende symbool en de waarde van de massa van het energieopslagsysteem.

“(EU) 2019/631 ARTICLE 2(1)(b) COMPLIANT — XXXX KG”

De tekens van het symbool en de vermelde waarde zijn ten minste 4 mm hoog.

Totdat er voor de waarde van het bijkomend gewicht een aparte vermelding op het conformiteitscertificaat wordt ingevoerd, moet de waarde van de massa van het energieopslagsysteem bovendien als volgt worden vermeld onder “opmerkingen” in het conformiteitscertificaat, zodat deze informatie kan worden opgenomen in de registratiedocumenten aan boord van het voertuig:

“Bijkomende massa als gevolg van batterijen: …… kg”  (*1)

(*1)  In het geval van hybride brandstofcelvoertuigen (FCHV) of puur elektrische motorvoertuigen wordt de bijkomende massawaarde vermeld. Deze waarde is afgeleid van de totale massa van de hoogspanningsbatterij(en) min de referentiemassa van de brandstoftank (voor 90 % gevuld). De waarde wordt afgerond op hele kilogrammen, zonder decimalen. In het geval van motorvoertuigen die geschikt zijn voor batterijvervanging, wordt de massa op het moment van productie van het motorvoertuig vermeld. Indien er geen referentievoertuig met verbrandingsmotor in productie is, is dit veld niet van toepassing.”;"

b)

in afdeling D worden de punten 2.1.4.1 en 2.1.4.2 vervangen door:

“2.1.4.1.

Het vereiste bijkomend gewicht voor alternatieve brandstoftechnologie of emissievrije technologie overeenkomstig punt 2.3 van bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG en, voor de toepassing van artikel 2, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2019/631, de massa van het energieopslagsysteem voor emissievrije voertuigen, worden bepaald op basis van de door de fabrikant verstrekte documentatie. De juistheid van de opgegeven informatie wordt ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie door de technische dienst geverifieerd.

2.1.4.2.

De fabrikant vermeldt onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat, buiten een duidelijk gemarkeerde rechthoek waarin uitsluitend de verplichte informatie staat, het volgende aanvullende symbool en de waarde van het bijkomend gewicht of, in het geval van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen, de massa van het energieopslagsysteem.

“96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT — XXXX KG”

“(EU) 2019/631 ARTICLE 2(1)(b) COMPLIANT — XXXX KG”

De tekens van het symbool en de vermelde waarde zijn ten minste 4 mm hoog.

Totdat er voor de waarde van het bijkomend gewicht een aparte vermelding op het conformiteitscertificaat wordt ingevoerd, moet de waarde van het bijkomend gewicht of van de massa van het energieopslagsysteem ook worden vermeld onder “opmerkingen” in het conformiteitscertificaat, zodat deze informatie kan worden opgenomen in de registratiedocumenten aan boord van het voertuig.

“Bijkomende massa als gevolg van batterijen: …… kg (*2)

(*2)  In het geval van hybride brandstofcelvoertuigen (FCHV) of puur elektrische motorvoertuigen wordt de bijkomende massawaarde vermeld. Deze waarde is afgeleid van de totale massa van de hoogspanningsbatterij(en) min de referentiemassa van de brandstoftank (voor 90 % gevuld). De waarde wordt afgerond op hele kilogrammen, zonder decimalen. In het geval van motorvoertuigen die geschikt zijn voor batterijvervanging, wordt de massa op het moment van productie van het motorvoertuig vermeld. Indien er geen referentievoertuig met verbrandingsmotor in productie is, is dit veld niet van toepassing.”."


(*1)  In het geval van hybride brandstofcelvoertuigen (FCHV) of puur elektrische motorvoertuigen wordt de bijkomende massawaarde vermeld. Deze waarde is afgeleid van de totale massa van de hoogspanningsbatterij(en) min de referentiemassa van de brandstoftank (voor 90 % gevuld). De waarde wordt afgerond op hele kilogrammen, zonder decimalen. In het geval van motorvoertuigen die geschikt zijn voor batterijvervanging, wordt de massa op het moment van productie van het motorvoertuig vermeld. Indien er geen referentievoertuig met verbrandingsmotor in productie is, is dit veld niet van toepassing.”;

(*2)  In het geval van hybride brandstofcelvoertuigen (FCHV) of puur elektrische motorvoertuigen wordt de bijkomende massawaarde vermeld. Deze waarde is afgeleid van de totale massa van de hoogspanningsbatterij(en) min de referentiemassa van de brandstoftank (voor 90 % gevuld). De waarde wordt afgerond op hele kilogrammen, zonder decimalen. In het geval van motorvoertuigen die geschikt zijn voor batterijvervanging, wordt de massa op het moment van productie van het motorvoertuig vermeld. Indien er geen referentievoertuig met verbrandingsmotor in productie is, is dit veld niet van toepassing.”.”


BIJLAGE II

De bijlagen II, VIII, XIII en XIV worden als volgt gerectificeerd:

1)

In bijlage II, deel 2, afdeling C, punt 1.4, wordt de rij voor controlecijfer 7 in de tabel vervangen door:

“7.

7/11

0,636”

2)

Bijlage VIII, deel 2, punt 1.9, wordt vervangen door:

“1.9.

“intrekbare as”: een as zoals gedefinieerd in bijlage XIII, deel 2, afdeling A, punt 1.34;”.

3)

Bijlage XIII wordt als volgt gerectificeerd:

a)

deel 2 wordt als volgt gerectificeerd:

i)

in afdeling A wordt punt 1.32 vervangen door:

“1.32.

“uitzwaai van de achterkant”: de afstand tussen het beginpunt en het feitelijke uiterste punt dat door de achterkant van een voertuig wordt bereikt bij manoeuvreren onder de in afdeling C, punt 8, of in afdeling D, punt 7, van deze bijlage gespecificeerde voorwaarden”;

ii)

in afdeling B wordt punt 1.3 vervangen door:

“1.3.

De in afdeling F bedoelde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.”;

iii)

in afdeling C worden de punten 1.3 en 1.3.1 vervangen door:

“1.3.

De in afdeling F bedoelde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.

1.3.1.

Aanvullende voorschriften voor de in afdeling F bedoelde aerodynamische voorzieningen.”;

iv)

in afdeling D, punt 3.1, wordt de volgende formule toegevoegd:

“MC ≤ M + TM”;

v)

in afdeling D wordt punt 1.4.1 vervangen door:

“1.4.1.

Wanneer de voorkant van de cabineplaats van het motorvoertuig, met inbegrip van alle externe uitstekende delen van, bijvoorbeeld, het chassis, de bumper, wielbeschermers en wielen, volledig in overeenstemming is met de parameters van de driedimensionale omhulling zoals uiteengezet in afdeling J en de laadruimte niet langer is dan 10,5 m, mag het voertuig de in punt 1.1.1 genoemde maximaal toegestane lengte overschrijden.”;

vi)

in afdeling F, tabel I “Voertuiglengte”, wordt de rij met itemnummer 13 vervangen door:

“13.

Voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming ervan

x

x

x

x

x

x

x”

b)

in deel 3, afdeling A, wordt punt 1.1 van het addendum bij afdeling II van het EU-typegoedkeuringscertificaat vervangen door:

“1.1.

Voor het voertuig is typegoedkeuring verleend krachtens artikel 6, lid 3, of artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) 2021/535 (d.w.z. de buitenste afmetingen van het voertuig bedragen meer dan in bijlage XIII, deel 2, afdeling B, C, D, of E, punt 1.1, vermelde maximale afmetingen): ja/neen (7);”.

4)

De afdelingen A en B van bijlage XIV, deel 1, worden vervangen door:

Afdeling A

Inlichtingenformulier betreffende de EU-typegoedkeuring van een voertuig wat het waterstofsysteem betreft

MODEL

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EU-typegoedkeuring van een voertuigtype wat het waterstofsysteem betreft.

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen of afbeeldingen moeten op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot op dat formaat gevouwen worden verstrekt. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

0.

0.1.

0.2.

0.2.1.

0.3.

0.3.1.

0.4.

0.5.

0.8.

0.9.

3.9.

3.9.1.

3.9.1.1.

3.9.1.2.

3.9.1.3.

3.9.1.11.

3.9.1.11.1.

3.9.1.11.2.

3.9.1.17.

3.9.1.17.1.

3.9.1.17.2.

3.9.2.6.

Toelichting:

Dit inlichtingenformulier is gebaseerd op het model van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 en wordt ingevuld aan de hand van de relevante informatie onder de bovenstaande puntennummers zoals gedefinieerd in dat model.

Afdeling B

Inlichtingenformulier betreffende de EU-typegoedkeuring van onderdelen van een waterstofsysteem

MODEL

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EU-typegoedkeuring van een onderdeel van een waterstofsysteem

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen of afbeeldingen moeten op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot op dat formaat gevouwen worden verstrekt. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

0.

0.1.

0.2.

0.2.1.

0.5.

0.8.

0.9.

3.9.

3.9.1.

3.9.1.1.

3.9.1.2.

3.9.1.3.

3.9.1.4.

3.9.1.4.1.

3.9.1.4.2.

3.9.1.4.3.

3.9.1.4.4.

3.9.1.4.5.

3.9.1.4.6.

3.9.1.4.7.

3.9.1.4.8.

3.9.1.4.9.

3.9.1.4.10.

3.9.1.5.

3.9.1.5.1.

3.9.1.5.2.

3.9.1.5.3.

3.9.1.5.4.

3.9.1.5.5.

3.9.1.5.6.

3.9.1.5.7.

3.9.1.5.8.

3.9.1.5.9.

3.9.1.5.10.

3.9.1.6.

3.9.1.6.1.

3.9.1.6.2.

3.9.1.6.3.

3.9.1.6.4.

3.9.1.6.5.

3.9.1.6.6.

3.9.1.6.7.

3.9.1.6.8.

3.9.1.6.9.

3.9.1.6.10.

3.9.1.6.11.

3.9.1.15.

3.9.1.15.1.

3.9.1.15.2.

3.9.1.15.3.

3.9.1.15.4.

3.9.1.15.5.

3.9.1.15.6.

3.9.1.15.7.

3.9.1.15.8.

3.9.1.15.9.

3.9.1.15.10.

3.9.1.15.11.

Toelichting:

Dit inlichtingenformulier is gebaseerd op het model van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 en wordt ingevuld aan de hand van de relevante informatie onder de bovenstaande puntennummers zoals gedefinieerd in dat model.”


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/883/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)