|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2024/842 |
12.3.2024 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/842 VAN DE COMMISSIE
van 11 maart 2024
tot wederinstelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (1) (“de SAP-verordening”), en met name artikel 26,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Na een vrijwaringsonderzoek op grond van artikel 22 van de SAP-verordening heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op 17 januari 2019 Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van de Commissie (2) bekendgemaakt, tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma, ingedeeld onder de GN-codes 1006 30 27, 1006 30 48, 1006 30 67 en 1006 30 98, waarbij de Commissie de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van Indica-rijst opnieuw heeft ingesteld voor een periode van één jaar, gevolgd door een geleidelijke verlaging van het recht voor een periode van twee jaar (“de litigieuze verordening”). |
1.1. Het arrest in zaak T-246/19
|
(2) |
Het Koninkrijk Cambodja en de Cambodia Rice Federation hebben tegen de litigieuze verordening beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (“het Gerecht”). |
|
(3) |
Bij arrest van 9 november 2022, Koninkrijk Cambodja en Cambodia Rice Federation/Commissie (T-246/19, “het arrest”), heeft het Gerecht Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma nietig verklaard. |
|
(4) |
Het Gerecht overwoog dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de omvang van haar onderzoek naar de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, willekeurig te beperken tot rijstpellers die volwitte of halfwitte Indica-rijst produceren op basis van in de Europese Unie geteelde of geoogste padie. De onjuiste definitie van de producenten in de Unie maakte ook de analyse van het bestaan van ernstige moeilijkheden ongeldig, aangezien de Commissie sommige producenten in de Unie van de schadebeoordeling heeft uitgesloten. |
|
(5) |
Het Gerecht overwoog ook dat de Commissie niet toereikend bewijs heeft geleverd met betrekking tot de correcties die zijn aangebracht in de context van de analyse van de prijsonderbieding. |
|
(6) |
Ten slotte overwoog het Gerecht dat de Commissie de rechten van de verdediging van de verzoekers en de verplichting om de belangrijkste feiten en overwegingen of de daaraan ten grondslag liggende gegevens mee te delen, heeft geschonden. Met name heeft de Commissie geen informatie verstrekt over de gegevens die ten grondslag lagen aan de verbruiks- en schade-indicatoren of over de analyse van de prijsonderbieding en de correcties die zijn toegepast naar aanleiding van de opmerkingen van de belanghebbenden over het algemene informatiedocument. |
1.2. Uitvoering van het arrest
|
(7) |
Artikel 266 VWEU bepaalt dat de instellingen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van de arresten van het Hof van Justitie en het Gerecht. Indien een door de instellingen van de Unie in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals algemene vrijwaringonderzoeken uit hoofde van de SAP-verordening, vastgestelde handeling nietig wordt verklaard, wordt aan een arrest van een rechterlijke instantie van de Unie uitvoering gegeven door de nietig verklaarde handeling te vervangen door een nieuwe waarin de door die instantie vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven (3). |
|
(8) |
Volgens de rechtspraak mag de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling weer worden hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (4). Dit houdt met name in dat wanneer een handeling tot afsluiting van een bestuurlijke procedure nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de voorbereidende handelingen, zoals hier die tot inleiding van de vrijwaringsprocedure. In een situatie waarin bijvoorbeeld een verordening tot instelling van algemene vrijwaringsmaatregelen op grond van de SAP-verordening, waarbij de Europese Commissie de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op invoer voor een periode van drie jaar opnieuw heeft ingesteld, nietig wordt verklaard, betekent dit dat de vrijwaringsprocedure na de nietigverklaring nog loopt omdat de handeling tot afsluiting van de vrijwaringsprocedure uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen (5), tenzij de onwettigheid zich in het stadium van de inleiding van de procedure heeft voorgedaan. |
|
(9) |
In casu heeft het Gerecht de litigieuze verordening om de in overwegingen 4 tot en met 6 genoemde redenen nietig verklaard. |
|
(10) |
Naar aanleiding van het arrest heeft de Commissie op 19 januari 2023 bij een bericht (“het bericht van heropening”) (6) besloten het onderzoek te heropenen en het te hervatten op het punt waarop de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. |
|
(11) |
Zoals uiteengezet in het bericht van heropening, had de heropening van het oorspronkelijke onderzoek tot doel de door het Gerecht vastgestelde fouten te herstellen en te beoordelen of de toepassing van de door het Gerecht verduidelijkte regels een rechtvaardiging vormt voor het opnieuw instellen van de maatregelen, hetgeen zou leiden tot het opnieuw instellen van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja, ingedeeld onder de GN-codes 1006 30 27, 1006 30 48, 1006 30 67 en 1006 30 98, gevolgd door een geleidelijke verlaging van het toepasselijke recht, voor de oorspronkelijke periode van drie jaar, namelijk voor wat betreft de periode van 18 januari 2019 tot 18 januari 2022. |
|
(12) |
Tegelijk met de bekendmaking van het bericht van heropening heeft de Commissie de nationale douaneautoriteiten bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/132 (7) opgedragen te wachten op de resultaten van het heropende onderzoek alvorens een besluit te nemen over verzoeken om terugbetaling van de door het Gerecht nietig verklaarde rechten, en de behandeling van verzoeken om terugbetaling van de nietig verklaarde rechten uit te stellen tot de resultaten van het heropende onderzoek zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(13) |
De Commissie heeft de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de heropening. |
1.3. Opmerkingen van belanghebbenden na de heropening
|
(14) |
De Commissie heeft van één belanghebbende (8) opmerkingen ontvangen. |
|
(15) |
Coceral toonde zich verheugd over de heropening van het onderzoek naar de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja. Tegelijkertijd herhaalde zij de argumenten die waren aangevoerd in het kader van het oorspronkelijke onderzoek dat tot de litigieuze verordening heeft geleid, en verklaarde zij voorts dat de litigieuze verordening geen volledig overzicht van de markt voor de handel in rijst bevatte. |
|
(16) |
De Commissie merkte op dat sommige beweringen van Coceral betrekking hadden op de verouderde analyse in de litigieuze verordening en niet langer relevant waren of door de Commissie reeds waren behandeld in de litigieuze verordening. De bevindingen in de litigieuze verordening die niet zijn betwist of die zijn betwist maar waarvan de betwisting door het Gerecht is afgewezen of niet is onderzocht en die niet zijn aangetast door de in het arrest vastgestelde fouten, blijven ten volle geldig (9). |
1.4. Mededeling van feiten en overwegingen
|
(17) |
Op 20 december 2023 heeft de Commissie alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was voor te stellen de vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma opnieuw in te stellen voor de periode van 18 januari 2019 tot en met 18 januari 2022. |
|
(18) |
Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen. Over de mededeling van de definitieve bevindingen zijn opmerkingen ontvangen van de Cambodia Rice Federation (“CRF”). |
|
(19) |
Daarop werd op 11 januari 2024 aan CRF een nadere toelichting verstrekt over de wijze waarop het volume van de totale verkoop in de Unie was berekend. CRF heeft geen verdere opmerkingen over die toelichting ingediend. |
|
(20) |
De opmerkingen van CRF zijn onderzocht en indien passend in deze verordening in aanmerking genomen. |
2. HERONDERZOEK VAN DE DOOR HET GERECHT ONDERZOCHTE KWESTIES
2.1. Betrokken product en soortgelijk of rechtstreeks concurrerend product
|
(21) |
Het Gerecht stelde vast (10) dat half- of volwitte Indica-rijst die het resultaat is van de verwerking van padie, ongeacht of deze in de Unie wordt ingevoerd of in de Unie wordt geproduceerd, dezelfde fysische, technische en chemische eigenschappen heeft. Beide worden gebruikt voor dezelfde doeleinden, worden door dezelfde marktdeelnemers verwerkt, worden via soortgelijke kanalen gedistribueerd en concurreren met elkaar. Bovendien maken consumenten over het algemeen geen onderscheid tussen producten uit de Unie en ingevoerde producten, hetgeen de gelijkwaardigheid van in de Unie geproduceerde en ingevoerde rijst benadrukt. De onderlinge verwisselbaarheid van deze rijstsoorten, die door de verwerkers wordt erkend, wijst erop dat zij, ongeacht de oorsprong ervan, identiek zijn. Bijgevolg moet in de Unie geproduceerde half- of volwitte Indica-rijst, ongeacht de herkomst van de verwerkte grondstof, volgens het Gerecht worden aangemerkt als een product dat gelijksoortig is met of rechtstreeks concurreert met half- of volwitte Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja. |
|
(22) |
Gelet op die bevinding heeft de Commissie dus vastgesteld dat in de Unie geproduceerde half- of volwitte Indica-rijst soortgelijk is aan of rechtstreeks concurreert met het betrokken product, ongeacht de herkomst van de verwerkte grondstof. |
|
(23) |
Overeenkomstig het arrest heeft de Commissie bevestigd dat in de Unie geproduceerde en ingevoerde half- of volwitte Indica-rijst inderdaad dezelfde fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben. Ze worden voor dezelfde doeleinden gebruikt en worden via vergelijkbare of identieke verkoopkanalen en aan dezelfde soort afnemers verkocht. Deze afnemers zijn detailhandelaren dan wel verwerkers in de Unie. Het betrokken product en het soortgelijke en rechtstreeks concurrerende product worden samen het desbetreffende product genoemd. |
2.2. Definitie van de bedrijfstak van de Unie
|
(24) |
Het Gerecht overwoog dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de omvang van haar onderzoek naar de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, willekeurig te beperken tot rijstpellers die volwitte of halfwitte Indica-rijst produceren op basis van in de Europese Unie geteelde of geoogste padie (11). |
|
(25) |
In haar nieuwe beoordeling, en in het licht van de bevindingen van het Gerecht, was de Commissie derhalve van oordeel dat de bedrijfstak van de Unie bestaat uit alle verwerkers van Indica-rijst in de Unie, ongeacht de herkomst van de verwerkte grondstof. |
|
(26) |
Kortom, in het kader van dit onderzoek heeft de Commissie de bedrijfstak van de Unie gedefinieerd als de verwerkers van Indica-padie of gedopte Indica-rijst in de Unie. |
|
(27) |
In het licht van de gewijzigde definitie van de bedrijfstak van de Unie, zoals uiteengezet in overweging 25, en om de aanvullende informatie te verkrijgen die nodig werd geacht voor een diepgaande nieuwe beoordeling van de economische en/of financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, heeft de Commissie een nieuwe steekproef van producenten in de Unie (“rijstverwerkers”) samengesteld. |
|
(28) |
De Commissie heeft alle haar bekende rijstverwerkers in de Unie direct of indirect (via de vereniging van rijstverwerkers) uitgenodigd om deel te nemen aan de samenstelling van de steekproef, ook die welke in de litigieuze verordening van de steekproef waren uitgesloten omdat zij alleen ingevoerde padie of gedopte rijst van oorsprong uit derde landen verwerken. |
|
(29) |
Geen andere producenten in de Unie hebben binnen de gestelde termijn geantwoord op de uitnodiging om deel te nemen aan de samenstelling van de steekproef. De Commissie bevestigde daarom de oorspronkelijke steekproef, die de volgende ondernemingen omvatte: Herba Riceamills, S.L. Ebro Foods; Riso Scotti SPA; Riso Viazzo en Riso Ticino. Geen van de partijen heeft opmerkingen gemaakt over de mededeling waarin de steekproef werd bevestigd (12). In 2017 produceerden de vier producenten in de Unie die volledig aan het onderzoek hebben meegewerkt, ongeveer 165 000 ton half- en volwitte Indica-rijst, wat overeenkomt met 17,5 % van de totale geschatte productie van Indica-rijst in de Unie (ongeveer 944 000 ton). Bijgevolg achtte de Commissie deze steekproef representatief. |
|
(30) |
Om de ontbrekende gegevens over de grondstof (padie of gedopte rijst) van oorsprong uit derde landen te verzamelen, heeft de Commissie de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers een herziene vragenlijst toegezonden. Sommige rijstverwerkers hebben gereageerd door de bijgewerkte vragenlijst te beantwoorden, terwijl andere de eerder tijdens het oorspronkelijke onderzoek verstrekte informatie bevestigden. |
|
(31) |
Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat de Commissie het arrest van het Gerecht niet naar behoren heeft uitgevoerd wat de vaststelling van een representatieve steekproef van de producenten in de Unie betreft, en dat zij met name onvoldoende inspanningen heeft geleverd om contact op te nemen met de producenten in de Unie. Volgens CRF vertoonde de hele beoordeling door de Commissie van de economische en/of financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, voor zover deze betrekking heeft op micro-economische gegevens en bevindingen met betrekking tot de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, derhalve nog steeds gebreken. |
|
(32) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. Overeenkomstig het arrest van het Gerecht bestaat de bedrijfstak van de Unie uit alle verwerkers van Indica-rijst in de Unie, ongeacht de herkomst van de verwerkte grondstof. In het bericht van heropening heeft de Commissie duidelijk gemaakt dat het oorspronkelijke onderzoek werd hervat op het punt waarop de onregelmatigheid zich voordeed, en heeft zij alle belanghebbenden verzocht contact met haar op te nemen, hun standpunt kenbaar te maken, en informatie en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken over de kwesties waarop de heropening van het onderzoek betrekking had. |
|
(33) |
Na de heropening heeft de Commissie de in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen rijstverwerkers op 15 februari 2023 verzocht hun antwoorden op de vragenlijst te herzien en de relevante gegevens over hun productie van het betrokken product in te dienen, ongeacht of de gebruikte Indica-rijst in de EU was ingevoerd of er was geteeld (t23.000906). De Commissie merkte op dat de eerder ingediende vragenlijst als rechtstreeks gevolg van de heropening moest worden bijgewerkt, en dat daarin “Indica-rijst geproduceerd op basis van rijst, ongeacht of de gebruikte rijst in de EU was ingevoerd of er was geteeld” in aanmerking moest worden genomen. |
|
(34) |
Daarnaast heeft de Commissie geprobeerd contact op te nemen met alle bekende en onbekende verwerkers die op basis van indica-rijst produceren. De Commissie heeft met name rechtstreeks contact opgenomen met de bekende rijstverwerkers in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland (die voornamelijk de ingevoerde padie/gedopte rijst verwerken), de nationale verenigingen van rijstverwerkers van Italië, Spanje en Portugal en de Federatie van Europese rijstverwerkers, met het verzoek hun leden in kennis te stellen van de samenstelling van de nieuwe steekproef en hen aan te moedigen daaraan deel te nemen. Er zij aan herinnerd dat, zoals vermeld in de begeleidende brief van 17 februari 2023 (t23.000887) aan de potentiële belanghebbenden, de Commissie de door het Gerecht vastgestelde fout (beperking van het onderzoek tot uitsluitend verwerkers van volwitte of halfwitte Indica-rijst die is verwerkt op basis van in de EU geteelde of geoogste padie) wenste te corrigeren en dus de steekproef van producenten in de Unie uit te breiden, en niet alleen de in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen ondernemingen te vervangen. |
|
(35) |
Gezien alle hierboven beschreven acties van de Commissie verwierp de Commissie het argument van CRF dat zij onvoldoende inspanningen had geleverd om rijstverwerkers in de Unie te bereiken. |
|
(36) |
Verder stelde CRF dat ondernemingen niet langer over betrouwbare gegevens beschikten, en met name niet over de specifieke gegevens waarom de Commissie had verzocht, om de vragenlijst nauwkeurig te kunnen beantwoorden, en dat de geactualiseerde gegevens van de eerder in de steekproef opgenomen producenten in de Unie dus nauwelijks betrouwbaar konden worden geacht. |
|
(37) |
De Commissie achtte dat argument ongegrond. Geen van de producenten in de Unie stelde dat het verstrekken van aanvullende gegevens bemoeilijkt werd door het tijdsverloop tussen het tijdstip van het verzoek en de periode waarop de vragenlijst betrekking had. Bovendien konden de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers blijkens het niet-vertrouwelijke dossier zo nodig opnieuw een herziene vragenlijst indienen, met gegevens over de op basis van ingevoerde gedopte rijst en padie geproduceerde hoeveelheden. |
|
(38) |
CRF stelde dat de bedrijfstak van de Unie niet-coöperatief was, aangezien slechts 17,5 % van de bedrijfstak van de Unie meewerkte, en dat de Commissie daaruit de passende conclusie had moeten trekken en het onderzoek had moeten beëindigen. |
|
(39) |
In antwoord op dit argument stelde de Commissie dat zij in de context van een gefragmenteerde bedrijfstak van oordeel was dat een steekproef die 17,5 % van de totale productie van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigde, voldoende representatief was om conclusies te trekken met betrekking tot de financiële micro-indicatoren van de bedrijfstak van de Unie. Bovendien bevat de SAP-verordening of Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1083/2013 van de Commissie (13) geen procedureregels die een specifiek niveau van representativiteit van de steekproef vaststellen. Bovendien verwerkten drie van de vier in de steekproef opgenomen verwerkers padie/gedopte rijst die niet uit de EU afkomstig is. Het productievolume van rijst van niet-EU oorsprong nam in de loop der tijd toe, met een piek van 40 % van de totale steekproef. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(40) |
CRF stelde dat de volgorde waarin de Commissie bij de samenstelling van de steekproef contact opnam met de belanghebbenden, de steekproef vertekende in het voordeel van de ondernemingen die reeds waren opgenomen in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek, waardoor de nieuwe steekproef ongeldig was. |
|
(41) |
De Commissie wees dit betoog af. Ten eerste werden alle belanghebbenden in het bericht van heropening uitgenodigd hun standpunt kenbaar te maken en de Commissie informatie te verstrekken. Ten tweede was de volgorde waarin brieven zijn verzonden niet relevant voor het besluit over de steekproef van producenten in de Unie. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat de verzonden brieven standaardbrieven waren waarin de partijen werden uitgenodigd om mee te werken en gegevens in te dienen. Ten derde dateert het besluit over de steekproef van producenten in de Unie van 8 maart 2023, ruimschoots nadat contact was opgenomen met potentiële producenten in de Unie en hun verenigingen en om hun medewerking was verzocht. Het besluit tot samenstelling van de steekproef is dus genomen nadat alle potentiële belanghebbenden in kennis waren gesteld van de heropening en de gelegenheid hadden gekregen hun voornemen om aan het onderzoek mee te werken kenbaar te maken. |
|
(42) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie de argumenten van CRF over de steekproef van verwerkers van indica-rijst in de Unie afgewezen. |
3. RESULTAAT VAN DE NIEUWE BEOORDELING VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(43) |
Overeenkomstig artikel 23 van de SAP-verordening moet de aanwezigheid van ernstige moeilijkheden worden vastgesteld wanneer producenten in de Unie kampen met een verslechtering van hun economische en/of financiële situatie. Wanneer de Commissie onderzoekt of er van een dergelijke verslechtering sprake is, houdt zij, wanneer dergelijke informatie beschikbaar is, onder meer rekening met de in artikel 23 van de SAP-verordening genoemde factoren. Bijgevolg heeft de Commissie de relevante factoren onderzocht om vast te stellen of de rijstverwerkers ernstige moeilijkheden ondervonden. |
3.1. Het bestaan van ernstige moeilijkheden
3.1.1. Verbruik in de Unie
|
(44) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie bepaald aan de hand van gegevens van de lidstaten en invoerstatistieken die beschikbaar zijn via Eurostat. Gezien de grote versnippering van de bedrijfstak van de Unie en het ontbreken van geaggregeerde gegevens over het verbruik van volwitte rijst op EU-niveau, heeft de Commissie gekozen voor de “balansmethode” (14). Deze methode wordt door het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling al enkele jaren gebruikt om het verbruik in de Unie te ramen, niet alleen voor rijst, maar voor alle granen en oliehoudende zaden. |
|
(45) |
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, heeft het verbruik in de Unie van het desbetreffende product, uitgedrukt in volwitterijstequivalent, zoals geraamd in het onderzoektijdvak voor de Europese Unie (EU-28) (15), zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||
|
(46) |
In het onderzoektijdvak schommelde het verbruik van het desbetreffende product in de Unie enigszins. Het bereikte een piek in VS2015, toen het 8 % hoger was dan aan het begin van de periode. Het daalde tussen VS2015 en VS2016 met 4 %. Ondanks deze schommelingen steeg het verbruik in het onderzoektijdvak in totaal met 4 %. |
3.1.2. Toegenomen invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma en respectieve marktaandelen
|
(47) |
De Commissie heeft onderzocht of het betrokken product wordt ingevoerd in hoeveelheden en/of tegen prijzen die ernstige moeilijkheden veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten of dreigen dat te doen. In dit verband heeft de Commissie de invoer van het betrokken product in het onderzoektijdvak (16) geanalyseerd. De onderstaande tabel toont hoe de invoer zich heeft ontwikkeld. Tabel 2 Invoervolume en productie in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(48) |
De invoer uit Cambodja steeg in het onderzoektijdvak van ongeveer 164 000 ton tot ongeveer 254 000 ton. Hij steeg aanzienlijk tot VS2015 en daalde vervolgens licht, samenvallend met een daling van het verbruik in VS2016. Ondanks de daling was de invoer uit Cambodja 55 % hoger dan in VS2012. |
|
(49) |
Ook de invoer uit Myanmar/Birma steeg in het onderzoektijdvak aanzienlijk, van ongeveer 2 000 ton tot ongeveer 63 000 ton. Deze invoer is echter nog altijd lager dan die uit Cambodja. Hij vertoonde een aanzienlijke stijging in VS2013 en VS2014, gevolgd door een lichte daling in VS2015, om in VS2016 opnieuw te pieken, met een opmerkelijke verdertigvoudiging tegenover het begin van de periode. |
|
(50) |
De verhouding van de invoer uit Cambodja tegenover de geraamde productie in de Unie steeg van 15 % in VS2012 tot 27 % in VS2016, dus met 12 procentpunten. De verhouding van de invoer uit Myanmar/Birma tegenover de geraamde productie in de Unie steeg van nagenoeg nul in VS2012 tot 7 % in VS2016. Terwijl beide landen een stijgende tendens vertoonden, daalde de geraamde productie in de Unie aanzienlijk, met 15 %. Het marktaandeel van de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma steeg van 15 % in VS2012 tot 34 % in VS2016, terwijl de geraamde productie in de Unie aanzienlijk daalde. |
|
(51) |
De invoer van het betrokken product in vergelijking met de totale invoer in de Unie van het desbetreffende product heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoervolume en aandeel van de invoer (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(52) |
Het aandeel van de invoer van het betrokken product uit Cambodja steeg in het onderzoektijdvak met 5 %, van 38 % tot 40 %, met een piek van 47 % in VS2015. |
|
(53) |
Het aandeel van de invoer van het betrokken product uit Myanmar/Birma vertwintigvoudigde in het onderzoektijdvak, van 0,5 % tot 10 % in VS2016. |
|
(54) |
Het marktaandeel van de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma, uitgedrukt als percentage van het totale verbruik in de Unie (zie overweging 45), heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(55) |
Cambodja vergrootte zijn marktaandeel van 10,9 % tot 16,2 %, terwijl het marktaandeel van Myanmar/Birma steeg van 0,1 % tot 4 %. Het gecombineerde marktaandeel is in het onderzoektijdvak bijna verdubbeld, van 11 % tot 20,2 %, en bleef aan het einde van het onderzoektijdvak voortdurend hoog. |
3.1.3. Invoerprijzen
|
(56) |
De ontwikkeling van de gemiddelde prijs (cif aan de grens van de EU) van het uit Cambodja en Myanmar/Birma ingevoerde product vertoont de volgende tendensen: Tabel 5 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(57) |
De invoerprijs van het betrokken product van oorsprong uit Cambodja daalde in het onderzoektijdvak met 6 %, terwijl die van het product van oorsprong uit Myanmar/Birma in dezelfde periode met 3 % daalde. De prijzen van de invoer uit Myanmar/Birma bleven constant lager dan die van de invoer uit Cambodja. De gecombineerde gewogen gemiddelde invoerprijs daalde in het onderzoektijdvak met 11 %. |
|
(58) |
De invoerprijs van het betrokken product was in het hele onderzoektijdvak lager dan de verkoopprijs van het soortgelijke en rechtstreeks concurrerende product in de Unie. Het verschil tussen de prijs bij invoer uit Cambodja en de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie steeg van 17 % in VS2012 tot 30 % in VS2016, terwijl het verschil tussen de prijs bij invoer uit Myanmar/Birma en de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie steeg van 41 % in VS2012 tot 49 % in VS2016. Aangezien consumenten in het algemeen geen onderscheid maken tussen Indica-rijst van verschillende oorsprong, is het prijsverschil tussen de prijzen van Cambodja en Myanmar/Birma en de prijzen van de rijstverwerkers in de Unie (zie overweging 98) groot genoeg opdat de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma druk kan uitoefenen op de prijzen in de Unie. |
|
(59) |
Kortom, de invoer uit Cambodja nam in het onderzoektijdvak zowel in absolute zin (met 55 %; zie overweging 47) als wat marktaandeel betreft (met 5,3 procentpunten, van 10,9 % tot 16,2 %; zie overweging 54) aanzienlijk toe. Al daalde het invoervolume (zie overweging 51) in VS2016 ten opzichte van VS2015 (van 298 717 ton tot 253 867 ton), toch bleef het aanzienlijk hoger dan het invoervolume aan het begin van het onderzoektijdvak (163 786 ton). Bovendien daalde de invoerprijs van het betrokken product in het onderzoektijdvak aanzienlijk, van 588,4 tot 552,2 EUR/ton (zie tabel 5 in overweging 56). Deze invoerprijs was gedurende de hele beoordelingsperiode lager dan zowel de verkoopprijs als de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie (zie overweging 78). Door de grote omvang en de prijzen oefende de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja tijdens het onderzoektijdvak dus druk uit op de economische prestaties van de rijstverwerkers in de Unie. |
|
(60) |
De invoer uit Myanmar/Birma nam in het onderzoektijdvak zowel in absolute cijfers (met 3 027 %; zie overweging 47) als wat marktaandeel betreft (met 3,9 procentpunten, van 0,1 % tot 4,0 %; zie overweging 54) exponentieel toe. Het invoervolume (overweging 51) daalde in VS2015 weliswaar licht ten opzichte van VS2014 (van 52 689 ton tot 35 958 ton), maar het steeg in VS2016 opnieuw tot 62 808 ton, 30 keer meer dan het invoervolume aan het begin van het onderzoektijdvak (2 075 ton). Bovendien daalde de invoerprijs van het betrokken product in het onderzoektijdvak van 428,8 tot 413,9 EUR/ton (zie tabel 5 in overweging 56). Ook de prijs van de invoer uit Myanmar/Birma was gedurende de hele beoordelingsperiode aanzienlijk lager dan zowel de verkoopprijs als de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie (zie overweging 78), en zelfs lager dan prijs van invoer uit Cambodja. Ondanks de geringere invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Myanmar/Birma oefende ook deze, wegens de sterke stijging ervan, tijdens het onderzoektijdvak druk uit op de economische prestaties van de rijstverwerkers in de Unie. |
|
(61) |
De analyse is dezelfde wanneer de gevolgen van de invoer uit Myanmar/Birma en Cambodja samen worden bekeken. Zowel wat de omvang als de prijzen betreft, oefende de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma tijdens het onderzoektijdvak dus druk uit op de economische prestaties van de rijstverwerkers in de Unie. |
3.1.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(62) |
Bepaalde factoren, waaronder marktaandeel, productie, invoer en invoerprijzen, zijn ontleend aan macro-economische statistische gegevens, terwijl andere (zoals de productie van de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers, productiecapaciteit en bezettingsgraad, verkoopprijzen, productiekosten, winstgevendheid, werkgelegenheid en voorraden) afkomstig zijn uit de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op vragenlijsten. |
3.1.5. Marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie
|
(63) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in het onderzoektijdvak als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verbruik in de Unie en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(64) |
Ondanks de stijging van het verbruik in de Unie met 4 % tussen VS2012 en VS2016 daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk, van 71,4 % tot 59,6 % (– 17 %). Daarom kon de bedrijfstak van de Unie niet ten volle profiteren van de toename van het verbruik in de Unie tot VS2015 en daalde zijn marktaandeel in VS2016 nog verder. |
4. PRODUCTIE
|
(65) |
De geraamde productie in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Productie (in volwitterijstequivalent van tonnen)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(66) |
De geraamde productie in de Unie daalde in het onderzoektijdvak aanzienlijk, met 15 % in relatieve termen en met 167 501 ton in absolute cijfers, van 1 111 772 tot 944 271 ton. |
|
(67) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat in de productiegegevens geen rekening werd gehouden met voorraden padie en gedopte rijst, noch met andere toepassingen van padie of gedopte rijst, zodat CRF vraagtekens plaatste bij de betrouwbaarheid van de productiegegevens. |
|
(68) |
De Commissie heeft bij de raming van de productie in de Unie, zoals blijkt uit tabel 7, inderdaad geen rekening gehouden met de voorraden. Het doel was echter niet de precieze omvang van de productie vast te stellen, maar veeleer de tendens weer te geven. De negatieve tendens die in tabel 7 zichtbaar is, wordt verder bevestigd door de ontwikkeling van de productiehoeveelheid die door de in de steekproef opgenomen producent in de Unie is gerapporteerd, zoals weergegeven in tabel 8. In haar raming ging de Commissie ervan uit dat de hele oogst van een bepaald verkoopseizoen in hetzelfde jaar wordt verwerkt, waarbij in deze theoretische berekening de begin- en eindvoorraad van de grondstof uit de vergelijking is verwijderd. Volgens de Commissie is de methode voor de raming van de totale productie in de Unie passend en zou een kleine toevoeging of aftrek van de voorraden grondstoffen die in het verkoopseizoen niet worden verwerkt, de tendens van de productie in de periode niet hebben veranderd. |
|
(69) |
Wat de mogelijke aftrek van voor andere doeleinden gebruikte padie van de geraamde productie betreft, heeft de Commissie geen weet van een ander potentieel gebruik van padie of gedopte rijst dan voor zaad, dat zij in haar berekening heeft afgetrokken. Bovendien heeft CRF zijn argument inzake andere mogelijke gebruikswijzen en de reden waarom de door de Commissie gebruikte gegevens niet correct zouden zijn, niet onderbouwd. Dit argument wordt bijgevolg afgewezen. |
4.1.1. Productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(70) |
Ook de productiecapaciteit van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor het betrokken product vertoonde een dalende tendens. Zij daalde in het onderzoektijdvak met 10 %. Tabel 8 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(71) |
De bezettingsgraad voor het betrokken product daalde van 60,3 % tot 54,3 %. |
4.1.2. Voorraden
|
(72) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Voorraden (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(73) |
Hoewel de eindvoorraden fluctueerden, stegen zij in het onderzoektijdvak met 62 %, van 12 378 ton tot 20 002 ton. De bedrijfstak van de Unie was ondanks de groeiende vraag (zie overweging 45) niet in staat het volume van de eindvoorraden te verminderen, nu hij werd geconfronteerd met de concurrerende lage prijzen van de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma. Ook de eindvoorraden, uitgedrukt als percentage van de productie, stegen in het onderzoektijdvak, met 80 %. |
4.1.3. Verkoopvolume
|
(74) |
De verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Verkoopvolume (ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(75) |
De verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers van de producenten in de Unie daalde met 13 %. De totale verkoop in de Unie van de hele bedrijfstak volgt een enigszins andere tendens, maar eindigt met hetzelfde resultaat (namelijk een daling van 13 %). |
|
(76) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat de Commissie niet had uitgelegd hoe zij het totale verkoopvolume van de producenten in de Unie had berekend en dat zij de brongegevens niet had bekendgemaakt. |
|
(77) |
In antwoord op dit argument heeft de Commissie CRF op 11 januari 2024 per e-mail meegedeeld dat alle onderliggende gegevens die de Commissie heeft gebruikt om de macro-economische indicatoren te bepalen, reeds op 30 oktober 2023 ter beschikking van alle belanghebbenden waren gesteld in het niet-vertrouwelijke dossier (t23.005068) en op 20 december 2023, na enkele opmerkingen, in een tweede versie (t23.006965). Op basis van de gegevens in die twee stukken heeft de Commissie de verkoop in de Unie berekend door het volume van de invoer uit derde landen af te trekken van het totale verbruik in de Unie. |
4.1.4. Verkoopprijs, productiekosten en winstgevendheid
|
(78) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie, hun productiekosten en hun winstgevendheid hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Verkoopprijzen, productiekosten en winstgevendheid
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(79) |
De productiekosten van de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers stegen in het onderzoektijdvak aanzienlijk, namelijk met 6 % in VS2015 en met 13 % in VS2016. |
|
(80) |
De eenheidsprijzen van de in de steekproef opgenomen rijstverwerkers zijn in de loop van het onderzoektijdvak met 11 % gestegen. Tegelijkertijd stegen de productiekosten in dezelfde periode met 13 %. De bedrijfstak van de Unie was niet in staat zijn prijzen parallel met de stijging van zijn productiekosten te verhogen en werd aan het einde van het onderzoektijdvak dan ook verliesgevend. |
|
(81) |
De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie fluctueerde tijdens het onderzoektijdvak, beginnend met break-even in VS2012, een daaropvolgende stijging die piekte op 5,6 % in VS2014 en een neerwaartse trend tot – 1,2 % in VS2016 (zie overweging 78). Dit kan worden verklaard door het feit dat de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet kon verhogen om de stijging van zijn kosten voldoende te dekken, zoals blijkt uit de bovenstaande tabel. |
4.1.5. Werkgelegenheid
|
(82) |
De werkgelegenheid heeft zich in het onderzoektijdvak als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Werkgelegenheid
|
||||||||||||||||||||||||||
|
(83) |
Het totale aantal werknemers daalde in het onderzoektijdvak met 30 %. |
4.1.6. Faillissementen
|
(84) |
De Commissie beschikt niet over bewijsmateriaal over faillissementen van producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
4.2. Conclusie inzake het bestaan van ernstige moeilijkheden
|
(85) |
In het onderzoektijdvak verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Unie zowel in economisch als in financieel opzicht. |
|
(86) |
De bedrijfstak van de Unie kon niet profiteren van de algemene stijging van het verbruik met 4 % en verloor 17 % van zijn marktaandeel. Tegelijkertijd steeg het marktaandeel van Cambodja met 5,3 % en dat van Myanmar/Birma met 3,9 %. In absolute cijfers daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van 71,4 % in VS2012 tot 59,6 % in VS2016. De productie, het verkoopvolume, de bezettingsgraad en de werkgelegenheid daalden allemaal. Ook de voorraden groeiden onder druk van de invoer van Indica-rijst uit Cambodja en Myanmar/Birma tegen prijzen die zelfs onder de productiekosten van de rijstverwerkers in de Unie lagen. |
|
(87) |
De productie in de Unie kromp met 15 %. De economische moeilijkheden deden zich dus vooral voor in de vorm van een daling van het verkoopvolume en de prijsdruk die door de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma werd uitgeoefend. De productiekosten van de bedrijfstak van de Unie stegen sneller dan zijn verkoopprijs. In VS2016 leden de rijstverwerkers in de Unie verliezen als gevolg van aanzienlijke hoeveelheden laaggeprijsde invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma. De rijstverwerkers in de Unie moesten onder de productiekosten verkopen om op de markt te kunnen concurreren. |
|
(88) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie is verslechterd in de zin van artikel 23 van de SAP-verordening. |
|
(89) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen diende CRF opmerkingen in waarin zij haar bezorgdheid uitte over de betrouwbaarheid van bepaalde factoren, met name het marktaandeel, de totale verkoop in de Unie, de verkoopprijzen en de winstgevendheid, aangezien de nieuwe gegevens die voor het heropende onderzoek werden verzameld, verschilden van of een andere tendens vertoonden dan de economische factoren in de litigieuze verordening. |
|
(90) |
De Commissie achtte deze vergelijkingen irrelevant en wees deze opmerkingen derhalve af omdat, zoals uiteengezet in overweging 8, de litigieuze verordening door het Gerecht nietig is verklaard. Aangezien de definitie van het betrokken product en dus de bedrijfstak van de Unie in de twee onderzoeken verschilden, zijn ook de gegevens die worden gebruikt om de verschillende economische factoren vast te stellen, verschillend en werden zij derhalve niet vergelijkbaar. Hoe dan ook is de relevante juridische toets van het heropende onderzoek niet om de economische situatie van de verwerkers van Indica-rijst in de Unie ten opzichte van de rijstverwerkers in de Unie van de oorspronkelijke verordening vast te stellen, maar om vast te stellen of de producenten in de Unie, zoals gedefinieerd in overweging 26, al dan niet economische moeilijkheden ondervonden. |
4.3. Onderzoek van de schadeveroorzakende factoren
|
(91) |
Nadat de Commissie had vastgesteld dat de rijstverwerkers van de Unie te lijden hadden onder een verslechtering van hun economische en financiële situatie in de zin van artikel 23 van de SAP-verordening, heeft zij onderzocht of er een oorzakelijk verband bestond tussen de invoer van het betrokken product enerzijds en de ernstige moeilijkheden van de rijstverwerkers in de Unie anderzijds. De Commissie heeft ook onderzocht of de ernstige moeilijkheden niet konden worden toegeschreven aan andere factoren dan de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma. |
4.3.1. Gevolgen van de invoer uit Cambodja
|
(92) |
Uit de tabel en de grafieken hieronder blijkt duidelijk dat de ontwikkeling van de invoer uit Cambodja samenvalt met de situatie van de bedrijfstak van de Unie, hetgeen blijkt uit een aanzienlijk verlies van marktaandeel, waardoor de rijstverwerkers in de Unie ernstige moeilijkheden ondervinden. Tabel 13a Marktaandeel
Grafiek 1a Ontwikkeling van het marktaandeel (in percentages)
Grafiek 2a Ontwikkeling van het marktaandeel (in tonnen)
|
||||||||||||||||||||||||||
|
(93) |
De invoer uit Cambodja is in het onderzoektijdvak met meer dan 90 000 ton gestegen. Deze toename van de invoer uit Cambodja was aanzienlijk groter dan de stijging van het verbruik op de markt van de Unie (die beperkt bleef tot 62 000 ton, een stijging van 4 %) en verhinderde de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopvolume parallel met de stijging van het verbruik te verhogen. |
4.3.2. Gevolgen van de invoer uit Myanmar/Birma
|
(94) |
Ook uit de tabel en de grafieken hieronder blijkt duidelijk dat de ontwikkeling van de invoer uit Myanmar/Birma samenvalt met de situatie van de bedrijfstak van de Unie, hetgeen opnieuw blijkt uit een aanzienlijk verlies van marktaandeel, waardoor de rijstverwerkers in de Unie ernstige moeilijkheden ondervinden. Tabel 13b Marktaandeel
Grafiek 1b Ontwikkeling van het marktaandeel (in percentages)
Grafiek 2b Ontwikkeling van het marktaandeel (in tonnen)
|
||||||||||||||||||||||||||
|
(95) |
De invoer uit Myanmar/Birma is in het onderzoektijdvak met ongeveer 60 000 ton gestegen. Die toename van de invoer uit Myanmar/Birma was nagenoeg gelijk aan de stijging van het verbruik op de markt van de Unie (die beperkt bleef tot in totaal 62 000 ton, een stijging van 4 %) en verhinderde de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopvolume parallel met de stijging van het verbruik te verhogen. |
|
(96) |
De stijging van het marktaandeel van Cambodja met 5,3 procentpunten en van het marktaandeel van Myanmar/Birma met 3,9 procentpunten viel samen met een verlies van marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 11,8 procentpunten, van 71,4 % in VS2012 tot 59,6 % in VS2016. Deze toename van het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer ging dus ten koste van de bedrijfstak van de Unie. |
4.3.3. Ontwikkeling van prijzen en kosten
|
(97) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 45 en 92 tot en met 96, viel de stijging van het verbruik tegen het einde van het onderzoektijdvak samen met een nog grotere en aanzienlijke toename van de invoer van het betrokken product uit Cambodja en Myanmar/Birma. Deze sterke stijging van de laaggeprijsde invoer, die profiteerde van het groeiende verbruik, verzadigde de markt van de Unie en verminderde het marktaandeel van de rijstverwerkers in de Unie, die niet konden concurreren met invoerprijzen die zelfs lager waren dan hun productiekosten. |
|
(98) |
De stijging van de invoer was immers toe te schrijven aan de lage prijzen ervan. De invoerprijs van het betrokken product was in het onderzoektijdvak altijd lager dan de gemiddelde verkoopprijs van het soortgelijke en rechtstreeks concurrerende product in de Unie. Bovendien was de gemiddelde invoerprijs in het hele onderzoektijdvak ook aanzienlijk lager dan de gemiddelde productiekosten van de rijstverwerkers in de Unie. De onderstaande tabel toont het gedetailleerde prijsverschil tussen de prijs bij invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma en de verkoopprijs en productiekosten van de bedrijfstak van de Unie: Tabel 14 Vergelijking van prijzen en kosten
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(99) |
Het verschil tussen de prijs bij invoer uit Cambodja en de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie steeg van 17 % in VS2012 tot 30 % in VS2016, terwijl het verschil tussen de prijs bij invoer uit Myanmar/Birma en de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie steeg van 41 % in VS2012 tot 49 % in VS2016. Deze laaggeprijsde invoer uit de betrokken landen verhinderde in sterke mate dat de bedrijfstak van de Unie de prijzen kon verhogen. Als gevolg daarvan konden de rijstverwerkers in de Unie hun verkoopprijs in VS2016 niet voldoende verhogen om hun productiekosten te dekken, waardoor hun financiële prestaties nog meer onder druk kwamen te staan en zij aan het einde van het onderzoektijdvak verlies leden. |
|
(100) |
Op basis van een en ander heeft de Commissie geconcludeerd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer uit de betrokken landen en de ernstige moeilijkheden die de bedrijfstak van de Unie heeft ondervonden. |
|
(101) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat de Commissie de ernstige moeilijkheden had vastgesteld op basis van een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van het volume en de prijs van de invoer van rijst uit Cambodja en Myanmar/Birma. |
|
(102) |
Volgens de Commissie had zij in de mededeling van de definitieve bevindingen de gevolgen van het volume en de prijs van de invoer van rijst uit Cambodja en Myanmar/Birma zowel afzonderlijk als cumulatief naar behoren onderzocht. Duidelijkheidshalve heeft de Commissie haar vaststelling echter opnieuw bekeken, om de gevolgen van de invoer uit Cambodja en die van de invoer uit Myanmar/Birma duidelijk van elkaar te scheiden en te onderscheiden. Daartoe heeft de Commissie CRF op 29 januari 2024 een aanvullende gedeeltelijke mededeling van feiten en overwegingen (“aanvullende gedeeltelijke mededeling”) doen toekomen, die beperkt was tot het resultaat van de beoordeling van de ernstige moeilijkheden die de bedrijfstak van de Unie ondervond (punt 3 van de verordening), en heeft zij CRF in de gelegenheid gesteld daarover opmerkingen in te dienen. |
|
(103) |
Na de aanvullende gedeeltelijke mededeling van de definitieve bevindingen was CRF ten eerste van mening dat de Commissie geen afzonderlijke beoordeling van de gevolgen van het volume en de prijs van Cambodjaanse Indica-rijst op de markt van de Unie had verricht, en ten tweede dat de Commissie het hele tweede algemene informatiedocument had moeten bekendmaken en niet alleen het resultaat van de nieuwe beoordeling van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(104) |
Wat de cumulatieve beoordeling betreft, heeft de Commissie het argument van CRF afgewezen, ten eerste omdat zij de gevolgen van het volume en de prijs van de invoer uit Cambodja op de markt van de Unie en die van de invoer uit Myanmar/Birma los van elkaar heeft geanalyseerd, en ten tweede omdat CRF niet heeft aangetoond waarom en hoe de Commissie geen behoorlijke individuele analyse heeft verricht, aangezien alle individuele indicatoren aanwezig waren. |
|
(105) |
Wat het tweede deel van het argument van CRF betreft, inzake een nieuw volledig tweede algemeen informatiedocument, achtte de Commissie het, in reactie op de opmerking van CRF over het ontbreken van een afzonderlijke analyse van de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma, duidelijkheidshalve passend om alleen een tweede mededeling bekend te maken inzake het deel waarop het argument van CRF betreffende de cumulatieve beoordeling betrekking heeft en omdat zij verder de nadruk heeft gelegd op de individuele analyse voor Cambodja en Myanmar/Birma, met betrekking tot de verslechtering van de economische en/of financiële omstandigheden van de producenten in de Unie. |
|
(106) |
De Commissie concludeerde met name dat de invoer uit Cambodja omvangrijker was dan die uit Myanmar/Birma, dat zij een groter marktaandeel had en lager was geprijsd dan volwitte Indica-rijst van de producenten in de Unie. Bovendien was de omvang van de invoer uit Myanmar/Birma kleiner dan die uit Cambodja, tegen nog lagere prijzen. Het is dus duidelijk dat zowel bij een gecombineerde als een afzonderlijke beoordeling beide invoerbronnen voor de producenten in de Unie tot ernstige moeilijkheden hebben geleid. |
|
(107) |
CRF stelde dat de Commissie in haar mededeling van de definitieve bevindingen een analyse van de prijsonderbieding had moeten verstrekken. Daarom verzocht CRF de Commissie om een aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen met de ontbrekende analyse van de prijsonderbieding. |
|
(108) |
De Commissie herinnerde eraan dat artikel 22, lid 1, van de SAP-verordening geen analyse van de prijsonderbieding vereist maar alleen verwijst naar invoer “in hoeveelheden en/of tegen prijzen” die ernstige moeilijkheden veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten. |
|
(109) |
Bovendien heeft het Gerecht in punt 113 van het arrest uitdrukkelijk erkend dat de SAP-verordening niet uitdrukkelijk de verplichting oplegt om een analyse van de prijsonderbieding ter verrichten, noch voorziet in een berekeningsmethode om de gevolgen van de invoer vast te stellen. In punt 115 van het arrest concludeerde het Gerecht dat er verschillende analysemethoden zijn om te onderzoeken of de voorwaarden van de artikelen 22 en 23 van de SAP-verordening vervuld zijn, en dat de Commissie over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt om uit de verschillende berekeningsmethoden een methode te kiezen om na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan. |
|
(110) |
In overeenstemming met het bovenstaande heeft de Commissie in dit heropende onderzoek besloten geen analyse van de prijsonderbieding te verrichten, maar de prijsontwikkeling van het betrokken product en het soortgelijke en rechtstreeks concurrerende product te vergelijken met de productiekosten van de producenten in de Unie. De Commissie was van oordeel dat de analyse van de prijs- en kostenvergelijking in tabel 14 een geschikte methode is om de ernstige moeilijkheden van de producenten in de Unie te beoordelen. Daarom wordt het argument om een analyse van de prijsonderbieding te verrichten afgewezen. |
4.3.4. Andere factoren
|
(111) |
De Commissie heeft ook beoordeeld of andere factoren kunnen hebben bijgedragen tot de ernstige moeilijkheden waarmee de rijstverwerkers in de Unie te kampen hebben. De Commissie heeft met name onderzocht welke gevolgen de invoer uit derde landen heeft voor de economische en financiële verslechtering van de rijstverwerkers in de Unie. |
|
(112) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 15 Invoer uit andere derde landen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(113) |
De invoer uit alle derde landen (die goed zijn voor 50 % van de totale invoer van het betrokken product in de Unie), met uitzondering van de betrokken landen, steeg in de beoordelingsperiode in absolute cijfers met 19 % en won 2,6 % marktaandeel (percentages op basis van gegevens in volwitterijstequivalent). |
|
(114) |
Zelfs indien de invoer uit andere derde landen de daling van het marktaandeel van de Unie ten dele kan verklaren, is de toename van het marktaandeel van de invoer uit deze andere derde landen met 2,6 procentpunten (van 17,6 % tot 20,2 %), zelfs cumulatief, lager dan de stijging van het marktaandeel van Cambodja met 5,3 procentpunten (van 10,9 % tot 16,2) en van Myanmar/Birma met 3,9 procentpunten (van 0,1 % naar 4,0 %) (zie tabel 4). Grafiek 3 Vergelijking van prijzen en kosten
|
|
(115) |
Na een gedetailleerde analyse van de invoer uit derde landen heeft de Commissie vastgesteld dat de belangrijkste uitvoerlanden, zoals Thailand, India en Pakistan (goed voor 41 % van de totale invoer van Indica-rijst in de Unie in het laatste jaar van het onderzoek), voor het betrokken product aanzienlijk hogere gemiddelde prijzen hebben dan de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma, en dat die ook hoger zijn dan de verkoopprijzen in de Unie. De invoer uit deze belangrijke landen van uitvoer veroorzaakt dus geen ernstige moeilijkheden voor de producenten in de Unie. |
|
(116) |
Het prijsverschil tussen de invoer uit alle derde landen en de invoer uit Cambodja en Myanmar versterkt ook de conclusie dat de lagere prijzen in aanzienlijke invoervolumes Myanmar/Birma en Cambodja in staat stelden hun uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak snel uit te breiden, waardoor de rijstverwerkers in de Unie in ernstige economische en financiële moeilijkheden kwamen te verkeren. De Commissie merkt op dat Cambodja, Myanmar/Birma, Thailand, India en Pakistan in het onderzoektijdvak tussen 89 % en 92 % van de totale invoer vertegenwoordigden. Zoals vermeld in overweging 51, vertegenwoordigde de invoer uit Cambodja echter ongeveer 42 % van de totale invoer in het onderzoektijdvak. Het aandeel van Myanmar/Birma is 6,5 %. |
|
(117) |
Op basis hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat zelfs indien de invoer uit alle derde landen in beperkte mate kan hebben bijgedragen tot de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie, zij het vastgestelde oorzakelijk verband met de invoer uit Cambodja of Myanmar/Birma niet heeft afgezwakt. |
|
(118) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat het compleet ontbreken van een analyse van de gevolgen van Japonica-rijst voor de verwerkers van Indica-rijst in de Unie de hele analyse van het oorzakelijk verband aantast. Verder stelde CRF dat rijstverwerkers voor de verwerking van Indica- en Japonica-rijst dezelfde machines gebruiken, dat het een vaststaand feit is dat verwerkers gemakkelijk van de ene rijstsoort op de andere kunnen overschakelen, en dat de Commissie een aanvullende analyse van de markt van Japonica-rijst moet verstrekken waarin het productievolume, de bezettingsgraad, de winst en de werkgelegenheid worden beoordeeld. |
|
(119) |
De Commissie merkte op dat CRF het argument dat de Commissie haar analyse van het oorzakelijk verband had moeten aanvullen met een beoordeling van de markt van Japonica-rijst niet heeft onderbouwd. CRF heeft, afgezien van een eenvoudige verklaring, geen bewijs geleverd dat de ontwikkeling van de markt van volwitte Japonica-rijst relevant is voor de economische situatie van de producenten van volwitte Indica-rijst in de Unie. Zelfs als de verwerkers gemakkelijk kunnen overschakelen van Indica-rijst naar Japonica-rijst, tonen de door de Commissie onderzochte gegevens bovendien aan dat er geen aanpassing heeft plaatsgevonden sinds de bedrijfstak van de Unie ernstige moeilijkheden ondervond als gevolg van de invoer van Indica-rijst. Met andere woorden, zelfs indien de productie van Japonica-rijst in VS2015 en VS2016 na een daling in de periode VS2012-2014 is gestegen, heeft die ontwikkeling het oorzakelijk verband tussen de invoer van Indica-rijst en de vastgestelde ernstige moeilijkheden niet afgezwakt. Dit argument wordt bijgevolg als ongegrond afgewezen. |
|
(120) |
CRF stelde dat de ontwikkeling van de invoer niet samenviel met de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie in termen van winstgevendheid tussen 2015/2016 en 2016/2017. |
|
(121) |
De Commissie merkte op dat CRF uit het onderzoektijdvak één jaar heeft geselecteerd en het afzonderlijk presenteert, zonder enige context. Bij de beoordeling van ernstige moeilijkheden wordt echter gekeken naar tendensen in verschillende opeenvolgende jaren, zoals artikel 10, lid 1, punt c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1083/2013 voorschrijft. Alleen tendensen en de correlatie daartussen over een dergelijke langere periode kunnen een betrouwbaar beeld geven van ernstige moeilijkheden en de oorzaken daarvan. Wanneer wordt gekeken naar de tendensen gedurende de gehele onderzoeksperiode, kan de onderzoekende autoriteit niet worden misleid door uitschieters, zoals die welke CRF heeft aangevoerd. |
|
(122) |
Voorts heeft de Commissie aangetoond dat bij onderzoek van de tendensen in het hele onderzoektijdvak blijkt dat de invoer uit Cambodja sinds VS2014 met meer dan 50 % is gestegen (zie tabel 2 van de verordening) en het marktaandeel ervan met bijna 5 procentpunten. Tegelijkertijd lieten alle belangrijke indicatoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijke dalingen zien (zie overweging 66 over de productie, overweging 71 over de bezettingsgraad, overweging 82 over de werkgelegenheid en overweging 75 over de verkoop). De Commissie heeft derhalve duidelijk vastgesteld dat de toename van de invoer uit Cambodja en het marktaandeel daarvan samenviel met de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie. Het argument wordt derhalve afgewezen. |
4.3.5. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(123) |
De Commissie heeft een oorzakelijk verband vastgesteld tussen de ernstige moeilijkheden voor de bedrijfstak van de Unie en de invoer uit elk land afzonderlijk, dus uit Cambodja en los daarvan uit Myanmar/Birma. De Commissie heeft ook andere factoren beoordeeld, met name de invoer uit andere derde landen, die tot deze moeilijkheden zouden kunnen hebben bijgedragen. In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat de invoer uit derde landen het oorzakelijk verband niet afzwakte, zodat er nog steeds een echt oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer uit Cambodja en uit Myanmar/Birma en de ernstige moeilijkheden van de rijstverwerkers in de Unie. Bijgevolg heeft de Commissie vastgesteld dat het verband tussen het volume van de invoer, vooral uit Cambodja, en de prijzen van de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma en de ernstige moeilijkheden voor de rijstverwerkers in de Unie niet wordt afgezwakt door eventuele gevolgen van de bovenstaande factor voor de situatie van de rijstverwerkers in de Unie. |
5. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(124) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde CRF dat de Commissie niet alle essentiële feiten en overwegingen had meegedeeld die het Gerecht de Commissie had gelast openbaar te maken, waardoor haar recht van verweer werd geschonden. |
|
(125) |
De Commissie achtte dat argument ongegrond. De Commissie heeft inderdaad alle essentiële feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat Indica-rijst uit Cambodja en Myanmar/Birma werd ingevoerd in hoeveelheden en tegen prijzen die voor de bedrijfstak van de Unie ernstige moeilijkheden opleverden, zodat vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd zijn. De Commissie heeft met name bij een mededeling in het dossier van 30 oktober 2023 alle gegevens en de methode bekendgemaakt die zij heeft gebruikt voor de berekening van het verbruik en van de schade-indicatoren. Voorts heeft de Commissie naar aanleiding van de eerste opmerkingen van CRF over de mededeling, die mededeling herzien en die bij de mededeling van de definitieve bevindingen in haar herziene vorm opnieuw beschikbaar gesteld. Daarnaast heeft de Commissie de termijn voor het indienen van opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen op verzoek van CRF verlengd van 3 januari 2024 tot en met 8 januari 2024, waardoor CRF na de wettelijk voorgeschreven veertien kalenderdagen vijf extra dagen de tijd kreeg om opmerkingen in te dienen. Wat de berekening van de prijsonderbieding betreft, heeft de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 107 tot en met 109, besloten de prijsonderbieding niet te berekenen, zodat een mededeling van feiten en overwegingen dienaangaande niet nodig was. De Commissie is dan ook van oordeel dat het recht van verweer van de partijen is geëerbiedigd; het andersluidende argument van CRF moet dus worden afgewezen. |
|
(126) |
CRF betoogde verder dat zij voor het Gerecht verschillende andere middelen in rechte heeft aangevoerd die niet zijn behandeld, en door het Gerecht dus ook niet zijn afgewezen, hetgeen wijst op nog meer onrechtmatigheden in de oorspronkelijke analyse van de Commissie. Volgens CRF blijven deze door het Gerecht niet behandelde middelen de huidige analyse van de Commissie aantasten. |
|
(127) |
De Commissie verwierp dit argument als ongegrond, met name omdat CRF niet heeft uitgelegd en onderbouwd hoe de middelen die bij het Gerecht waren aangevoerd, relevant zijn voor het onderhavige onderzoek. |
|
(128) |
Aangezien sommige van de opmerkingen van CRF naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen hebben geleid tot een herziening van de cumulatieve beoordeling door de Commissie, heeft de Commissie op 28 januari 2024 aan CRF een aanvullende gedeeltelijke mededeling van feiten en overwegingen toegezonden en deze aan alle belanghebbenden ter beschikking gesteld. Alleen CRF heeft over de aanvullende gedeeltelijke mededeling aanvullende opmerkingen ingediend, die zijn behandeld in de overwegingen 102 tot en met 105. |
6. SLOTSOM
|
(129) |
Er wordt geconcludeerd dat Indica-rijst uit Cambodja en Myanmar/Birma werd ingevoerd in hoeveelheden en tegen prijzen die ernstige moeilijkheden veroorzaakten voor de bedrijfstak van de Unie, en dat vrijwaringsmaatregelen dus gerechtvaardigd zijn. |
|
(130) |
Overeenkomstig artikel 22 van de SAP-verordening moeten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van 175 EUR/ton derhalve worden bevestigd en opnieuw worden ingesteld voor de periode tussen 18 januari 2019 en 18 januari 2020, gevolgd door een geleidelijke verlaging in jaar 2 (150 EUR/ton) en jaar 3 (125 EUR/ton). |
|
(131) |
De Commissie is van mening dat de analyse en de conclusies van dit onderzoek de door het Gerecht vastgestelde fouten volledig herstellen en meent dat de toepassing van de regels, zoals verduidelijkt door het Gerecht, het opnieuw instellen van de maatregelen rechtvaardigt. |
|
(132) |
De Commissie bevestigt dat, zoals in de litigieuze verordening is bepaald, de vrijwaringsmaatregelen in deze periode geleidelijk moeten worden geliberaliseerd. Het hoofddoel van de SAP-verordening is immers om ontwikkelingslanden bij te staan in hun streven om de armoede terug te dringen en goed bestuur en duurzame ontwikkeling te bevorderen door ze te helpen in het bijzonder werkgelegenheid en industrialisatie te genereren en uit internationale handel aanvullende inkomsten te verwerven. Via de bijzondere regeling “Everything But Arms” (EBA), zoals bepaald in de SAP-verordening, worden de armste en zwakste landen ter wereld geholpen te profiteren van handelsmogelijkheden. Deze landen hebben grotendeels een soortgelijk economisch profiel. Ze zijn kwetsbaar vanwege een lage, niet-gediversifieerde uitvoerbasis en genieten daarom een bepaalde bescherming op grond van de SAP-verordening, zoals vrijstelling van de graduatie van producten en van de toepassing van automatische vrijwaringen. |
|
(133) |
Derhalve bevestigt de Commissie dat een geleidelijke vermindering van het recht over de periode van drie jaar, zoals hieronder beschreven, voor EBA-begunstigden gerechtvaardigd is. |
|
(134) |
Een geleidelijke vermindering is ook voldoende om de verslechtering van de economische en financiële situatie van de rijstverwerkers in de Unie tegen te gaan. |
|
(135) |
Daarom acht de Commissie het passend het volgende douanerecht opnieuw in te voeren voor een periode van drie jaar.
|
|
(136) |
Aangezien de Commissie heeft bevestigd dat de rechten moeten blijven gelden voor de invoer uit Cambodja en Myanmar/Birma in de periode tussen 18 januari 2019 en 18 januari 2022, moeten de douaneautoriteiten elk verzoek om terugbetaling afwijzen. |
|
(137) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 39, lid 3, van Verordening (EU) nr. 978/2012 bedoelde Comité algemene preferenties, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 1006 30 27, 1006 30 48, 1006 30 67 en 1006 30 98, worden opnieuw ingesteld voor de invoer van Indica-rijst in de periode tussen 18 januari 2019 en 18 januari 2022.
2. Het recht in EUR per ton dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven product bedraagt 175 voor het eerste jaar (van 18 januari 2019 tot 18 januari 2020), 150 voor het tweede jaar (van 18 januari 2020 tot 18 januari 2021) en 125 voor het derde jaar (van 18 januari 2021 tot 18 januari 2022).
Artikel 2
De op grond van artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 geïnde rechten worden niet terugbetaald of kwijtgescholden.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 maart 2024.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van de Commissie van 16 januari 2019 tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma (PB L 15 van 17.1.2019, blz. 5).
(3) Arrest van het Hof van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie (97, 193, 99 en 215/86; EU:C:1988:46), punten 27 en 28; en arrest van het Gerecht van 1 juni 2022, Jindal Saw/Europese Commissie, T-440/20, EU:T:2022:318, punt 115.
(4) Arresten van het Hof van Justitie van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-415/96, EU:C:1998:533, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, ECLI:EU:C:2000:531, punten 80-85; arresten van het Gerecht van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, T-301/01, EU:T:2008:262, punten 99 en 142, en 12 mei 2011, Région Nord-Pas de Calais/Commissie, T-267/08 en T-279/08, ECLI:EU:T:2011:209, punt 83.
(5) Arresten van het Hof van Justitie van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-415/96, EU:C:1998:533, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, ECLI:EU:C:2000:531, punten 80-85.
(6) Bericht van heropening van het vrijwaringsonderzoek naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 9 november 2022 in zaak T-246/19 met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van de Commissie tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar/Birma (PB C 18 van 19.1.2023, blz. 8).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/132 van de Commissie van 18 januari 2023 betreffende vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar aanleiding van de heropening van het onderzoek ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 9 november 2022 in zaak T-246/19, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 (PB L 17 van 19.1.2023, blz. 88).
(8) Coceral is de Europese vereniging voor de handel in graan, oliehoudende zaden, rijst, peulvruchten, olijfolie, oliën en vetten, diervoeding en landbouwbenodigdheden.
(9) Arrest van het Gerecht van 20 september 2019, Jinan Meide Casting Co. Ltd/Commissie, T-650/17, ECLI:EU:T:2019:644, punten 333-342.
(10) Arrest, punten 86-91.
(11) Arrest, punt 97.
(12) Mededeling in het dossier ter bevestiging van de steekproef van rijstverwerkers in de Unie van 8 maart 2023 (t23.001276).
(13) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1083/2013 van de Commissie van 28 augustus 2013 tot vaststelling van regels voor de procedure voor tijdelijke intrekking van tariefpreferenties en voor instelling van algemene vrijwaringsmaatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 16).
(14) Een toelichting op de door het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling gehanteerde methode voor de berekening van het verbruik in de Unie is te vinden via https://agriculture.ec.europa.eu/system/files/2019-02/balance-sheet-methodology-for-cereals-oilseeds-rice_en_0.pdf.
(15) EU-28 is de afkorting van de Europese Unie met 28 lidstaten vanaf de toetreding van Kroatië in 2013 tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk in 2020.
(16) Het onderzoektijdvak, zoals gedefinieerd in overweging 11 van de litigieuze verordening, bestreek de periode van 1 september 2012 tot en met 31 augustus 2017. De periode tussen twee oogsten wordt in de landbouw doorgaans het verkoopseizoen (“VS”) genoemd; voor rijst begint het op 1 september en eindigt het op 31 augustus van het daaropvolgende jaar (bv. VS2016 = 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017).
(17) De geraamde productie in de Unie (zie de gedetailleerde berekening in overweging 65) wordt berekend door de invoer op te tellen bij de bruikbare productie en de uitvoer van padie/gepelde rijst en de zaden daarvan af te trekken, met gebruikmaking van de gegevens die zijn gepubliceerd in de mededeling bij het dossier over het verbruik van 30 oktober 2023 (referentie t23.005068) in het slechts voor de belanghebbenden toegankelijke dossier.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/842/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)