European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie L


2024/779

8.3.2024

AANBEVELING (EU) 2024/779 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2024

over veilige en weerbare onderzeese kabelinfrastructuren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Onze economieën zijn in groeiende mate afhankelijk van de werking van het internet en van internationale connectiviteit om te komen tot een op het concurrentievermogen gerichte digitalisering van de Unie en haar economie. In dit verband zijn onderzeese kabelinfrastructuren een doorslaggevend onderdeel van het bredere internetsysteem om Europese digitale soevereiniteit te bereiken, aangezien het internationale gegevensverkeer in overweldigende mate over onderzeese kabels verloopt. Heel wat eilanden in de Unie, waaronder de drie lidstaten die op een eiland zijn gelegen, alsook de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee, zijn bijna volledig afhankelijk van dergelijke onderzeese kabels voor de communicatie binnen de Unie. In de huidige context van verhoogde risico’s en antagonistische door de mens veroorzaakte bedreigingen voor de veiligheid besteden regeringsleiders in alle regio’s van de wereld, gelet op de geïnterconnecteerde en transnationale aard van deze infrastructuren, bijzondere aandacht aan hun potentiële afhankelijkheid van kritieke kabels, ook omdat systematische en wijdverspreide verstoringen van de communicatie over onderzeese kabels bijzondere ernstige gevolgen zouden kunnen hebben in geval van gecoördineerde aanvallen.

(2)

De behoefte aan actie op het niveau van de Unie is door de lidstaten bevestigd. In de oproep van Nevers van 9 maart 2022 (1) werd erkend dat kritieke infrastructuren zoals telecommunicatienetwerken en digitale diensten van strategisch belang zijn voor tal van kritieke functies in onze maatschappijen en dat deze een belangrijk doelwit vormen voor cyberaanvallen.

(3)

Om gevolg te geven aan de oproep van Nevers, heeft de NIS-samenwerkingsgroep, met de steun van de Commissie en het EU-agentschap voor cyberbeveiliging (Enisa) en in overleg met het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec), een beoordeling op hoog niveau verricht met betrekking tot communicatie-infrastructuren en -netwerken, waaronder onderzeese kabels. In deze risicobeoordeling werden fysieke aanvallen op of sabotage van onderzeese kabels, en stroomonderbrekingen in onderzeese kabels die gebruikmaken van repeaters, aangewezen als belangrijkste bedreigingen. Op basis van deze bedreigingen en een aantal kwetsbaarheden die werden vastgesteld, hebben de lidstaten een reeks risicoscenario’s van strategisch belang uit het oogpunt van de EU ontwikkeld. Het gaat met name om het risico dat een derde land zich bemoeit met de activiteiten van een leverancier, met een aanbieder van beheerde beveiligingsdiensten of met onderzeese kabels, en het risico op gecoördineerde fysieke aanvallen of sabotage van digitale infrastructuur, waaronder onderzeese kabels.

(4)

In de aanbeveling van de Raad van december 2022 betreffende een Uniebrede gecoördineerde aanpak om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te versterken (2) (“de aanbeveling over weerbaarheid van kritieke infrastructuur”) worden gerichte acties op Unie- en nationaal niveau voorgesteld voor sterkere paraatheid, betere respons en internationale samenwerking. De acties zijn specifiek toegespitst op kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang in aangewezen sleutelsectoren, zoals energie, vervoer, ruimtevaart en digitale infrastructuur.

(5)

In de aanbeveling wordt de Commissie door de Raad verzocht een uitgebreide studie uit te voeren betreffende de weerbaarheid van onderzeese communicatiekabels en relevante belanghebbenden en deskundigen te raadplegen over passende maatregelen in verband met mogelijke incidenten met onderzeese infrastructuur. De Commissie heeft dienaangaande studies verricht en zal haar conclusies met de lidstaten delen op het passende vertrouwelijkheidsniveau. De onderhavige aanbeveling is bedoeld om de uitvoering van de aanbeveling over weerbaarheid van kritieke infrastructuur aan te vullen en te ondersteunen.

(6)

In de gezamenlijke mededeling betreffende een Europese strategie voor economische veiligheid van juni 2023 (3) werd voorgesteld de beoordeling van risico’s voor de fysieke en cyberveiligheid van kritieke infrastructuur voort te zetten in overeenstemming met de aanbevelingen van de Raad van 8 december 2022, en werden onderzeese kabels in verband met die risico’s aangewezen als kritieke infrastructuur. In het verslag van 2023 over de staat van het digitale decennium (4) heeft de Commissie de lidstaten aanbevolen hun inspanningen te versterken, onder meer met behulp van de nodige investeringen, om ervoor te zorgen dat de Europese digitale infrastructuur, met name de backbone-infrastructuur en onderzeese kabels, veilig en weerbaar is.

(7)

In de conclusies van de Europese Raad van 27 oktober 2023 werd beklemtoond dat “doeltreffende maatregelen nodig zijn om de veerkracht van kritieke infrastructuur te versterken en de beveiliging ervan te waarborgen” en werd gewezen op “het belang van een alomvattende en gecoördineerde aanpak”. Tegen deze achtergrond is het belangrijk dat de Unie deze kwesties snel behandelt.

(8)

Wanneer de lidstaten maatregelen nemen om te voldoen aan deze aanbeveling, moeten zij, waar dit toepasselijk en gepast is, handelen in overeenstemming met de respectieve bepalingen, verplichtingen en mechanismen als bedoeld in Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (5) (“het Europees wetboek voor elektronische communicatie”), Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad (6) (“de NIS 2-richtlijn”) en Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad (7) (“de CER-richtlijn”).

(9)

De NIS 2-richtlijn, die de desbetreffende bepalingen van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, wat betreft de veiligheid van netwerken en diensten en de toepassing en handhaving daarvan, vervangt (artikelen 40 en 41 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie), belast de lidstaten ermee beleidsmaatregelen vast te stellen inzake het in stand houden van de algemene beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de openbare kern van het open internet, in voorkomend geval met inbegrip van de cyberbeveiliging van onderzeese communicatiekabels. Op grond van artikel 23 van de NIS 2-richtlijn moeten incidenten die onderzeese communicatiekabels treffen, aan het desbetreffende computer security incident response team (“CSIRT”) of aan de bevoegde autoriteit worden gemeld. De nationale cyberbeveiligingsstrategie van de lidstaat moet in voorkomend geval worden afgestemd op de cyberbeveiliging van onderzeese communicatiekabels en moet, om het hoogste niveau van bescherming daarvan te waarborgen, een inventarisering omvatten van mogelijke cyberbeveiligingsrisico’s en beperkende maatregelen.

(10)

De CER-richtlijn beoogt ervoor te zorgen dat diensten die essentieel zijn voor de instandhouding van vitale maatschappelijke functies of economische activiteiten, op de interne markt zonder belemmeringen worden verleend in de elf sectoren die onder de richtlijn vallen. Dit houdt in dat de fysieke weerbaarheid van kritieke entiteiten die dergelijke diensten verlenen, wordt versterkt. De CER-richtlijn is van toepassing op de sector van de digitale infrastructuur voor zover het gaat om de aanwijzing van kritieke entiteiten in deze sector, de vaststelling van nationale strategieën, risicobeoordelingen door lidstaten en steunmaatregelen van lidstaten voor entiteiten die door hen als kritiek zijn aangewezen.

(11)

In de EU-strategie voor maritieme veiligheid (8) wordt gewezen op het verhoogde risico van aanvallen door kwaadwillende actoren tegen kritieke maritieme infrastructuur, waaronder onderzeese kabels, en worden acties voorgesteld om de weerbaarheid en bescherming van deze infrastructuur te verbeteren.

(12)

Zoals aangegeven in het zesde voortgangsverslag over de uitvoering van de EU-strategie voor de veiligheidsunie, heeft de EU baanbrekende wetgeving vastgesteld in alle domeinen gaande van kritieke entiteiten tot versterking van de cyberbeveiliging. In de tussentijd echter blijft de context waarin we blootgesteld worden aan bedreigingen voor onze veiligheid, in Europa en in onze buurlanden veranderen, hetgeen duidelijk maakt dat we voortdurend waakzaam moeten blijven en een hoog niveau van paraatheid moeten behouden om nieuwe uitdagingen voor de beveiliging van kritieke infrastructuur aan te gaan, zowel online als offline.

(13)

Deze aanbeveling beoogt synergieën op Europees niveau te bevorderen met als doel de beveiliging en de weerbaarheid van onderzeese kabelinfrastructuren te verhogen. Aanbevolen wordt specifieke acties te ondernemen om de coördinatie tussen de Unie en haar lidstaten te beoordelen en te verbeteren zowel wat de beveiliging en de weerbaarheid van bestaande en nieuwe kabelinfrastructuren betreft als wat de steun voor de gezamenlijke uitrol of ingrijpende modernisering van deze infrastructuren via kabelprojecten van Europees belang (“CPEI”) betreft.

(14)

Onderzeese kabelinfrastructuren omvatten niet alleen kabels maar ook infrastructuren die gerelateerd zijn aan de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling daarvan, zoals kabelkopstations en de op de onderzeese kabel aangesloten gedeelten die zich op het land bevinden (bv. de landroute gaande van de inspectiegaten aan het strand tot het kabelkopstation, datacentrum of point of presence), herstellingscentra, alsook de vloot van schepen voor uitrol, onderhoud en herstelling.

(15)

De Commissie is bezig met de oprichting van een informele deskundigengroep voor onderzeese kabelinfrastructuur in de zin van Besluit C(2016) 3301 van de Commissie van 30 mei 2016 (9), bestaande uit autoriteiten van de lidstaten (“deskundigengroep”), die belast zal zijn met het verstrekken van adviezen en deskundigheid aan de Commissie met betrekking tot de opvolging van deze aanbeveling, in het bijzonder met betrekking tot:

het faciliteren van snelle en efficiënte informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie en de Dienst voor extern optreden, door een nauwe band te bewaren tussen aangelegenheden van beveiliging en weerbaarheid van onderzeese kabels alsmede de subsidiëring en financiering daarvan;

het inventariseren van de bestaande onderzeese kabelinfrastructuren op EU-niveau, op basis van de nationale inventariseringen, en het actualiseren daarvan ten minste eenmaal per jaar;

het herzien van de inventarisering en de nationale risicobeoordelingen om ontbrekende informatie op te sporen;

het voorstellen van maatregelen om de ontbrekende informatie aan te vullen en van een methode om de bijkomende informatie te consolideren met de bestaande beoordelingen, door de vaststelling van een basis voor een Uniebrede beoordeling van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden;

het verrichten van de eigenlijke geconsolideerde Uniebrede beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden van onderzeese kabelinfrastructuren, hetgeen zou moeten leiden tot voorstellen voor risicobeperkende maatregelen;

het voorstellen van een ontwerplijst van strategische CPEI’s die voldoen aan de in deze aanbeveling vastgestelde criteria;

de oprichting van een forum voor het uitwerken van een gecoördineerde aanpak in multilaterale en multistakeholderfora;

de bespreking van mogelijkheden voor de invoering en toepassing van innovatieve oplossingen om bedreigingen voor onderzeese kabelinfrastructuren op te sporen en tegen te gaan, met name op basis van resultaten van door de EU gefinancierde projecten;

de ontwikkeling van onderhouds- en herstelcapaciteit voor onderzeese kabels.

(16)

De deskundigengroep zal de nodige deskundigheid samenbrengen en dienstdoen als een veilig platform voor coördinatie tussen de lidstaten en zal de Commissie advies en bijstand verlenen ter aanvulling van de functies en taken die worden opgenomen door de krachtens de NIS 2-richtlijn ingestelde NIS-samenwerkingsgroep en de krachtens de CER-richtlijn ingestelde CER-groep. De deskundigengroep moet snelle en efficiënte informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie faciliteren met betrekking tot aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze aanbeveling vallen. Om een nauwe band tussen aangelegenheden van veiligheid en weerbaarheid van onderzeese kabelinfrastructuren alsmede de subsidiëring en financiering daarvan te bewaren, moeten de lidstaten in de deskundigengroep regelmatig overleggen, informatie actualiseren en nauw samenwerken met, indien nodig, de NIS-samenwerkingsgroep en de CER-groep, de comités lidstaten van de financieringsprogramma’s van de Unie, autoriteiten van derde landen, openbare ontwikkelingsinstellingen en financiële instellingen, vertegenwoordigers van de bedrijfswereld en andere belanghebbenden. Deze samenwerking moet plaatsvinden binnen het kader van de respectieve mandaten van de betrokken groepen, comités en autoriteiten. Het overleg met comités van financieringsprogramma’s van de Unie alsmede met openbare ontwikkelingsinstellingen en financiële instellingen moet er in het bijzonder op gericht zijn synergieën te benutten alsmede financiering en subsidiëring te bundelen. De informatie moet op het passende niveau van vertrouwelijkheid worden uitgewisseld.

(17)

Het is belangrijk een hoog niveau van cyberbeveiliging en fysieke veiligheid van onderzeese kabelinfrastructuren te bereiken, ongeacht wie de eigenaar ervan is. Met deze aanbeveling wordt de lidstaten dan ook verzocht maatregelen te nemen die ervoor moeten zorgen dat exploitanten van onderzeese kabelinfrastructuren aan de hoogste beveiligingsnormen voldoen (onder meer, indien noodzakelijk, beveiligingsnormen op defensieniveau).

(18)

Om een hoog niveau van cyberbeveiliging en fysieke veiligheid van onderzeese kabelinfrastructuren te bereiken, moeten de lidstaten worden aangespoord om relevante informatie (10) te verzamelen van representatieve organisaties van ondernemingen of, indien noodzakelijk, van individuele ondernemingen die binnen hun jurisdictie vallen. Deze informatie moet worden gebruikt om een inventarisering van nationale onderzeese kabelinfrastructuur op te stellen, aan te vullen en te actualiseren voor alle betrokken lidstaten. Bij het verzamelen of uitwisselen van informatie moet de vertrouwelijkheid van die informatie worden gewaarborgd en moeten de veiligheids- en commerciële belangen van de betrokken entiteiten worden beschermd.

(19)

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van een geconsolideerde Uniebrede beoordeling bestaat uit een evaluatie van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden, die op nationaal niveau moet worden verricht en aangevuld. Als uitgangspunt daarvoor moeten de bestaande EU-brede risicoschattingen en -beoordelingen in aanmerking worden genomen, met name die welke verricht zijn om gevolg te geven aan de “oproep van Nevers”, de conclusies van de Raad over de cyberstrategie van de EU en — voor de cyberbeveiliging van 5G-netwerken — Aanbeveling (EU) 2019/534 van de Commissie (11). De nationale beoordeling moet een inventarisering van de bestaande en geplande infrastructuren bevatten. De lidstaten moeten bij de tenuitvoerlegging van de NIS 2-richtlijn de nationale verplichtingen van exploitanten en leveranciers van gevoelige onderdelen van de infrastructuur verder verstrengen.

(20)

Om de paraatheid te versterken en input te verstrekken voor toekomstige gecoördineerde risicobeoordelingen op het niveau van de Unie, moeten de lidstaten worden aangespoord entiteiten die onderzeese kabelinfrastructuren exploiteren, regelmatig aan stresstests te onderwerpen. Dergelijke stresstests zouden een hulp zijn om de weerbaarheid van entiteiten in verschillende scenario’s te beoordelen.

(21)

Het moet noodzakelijk worden geacht onderzeese kabelinfrastructuren zo snel mogelijk uit te rollen, te moderniseren en te onderhouden en de administratieve lasten dienaangaande zo beperkt mogelijk te houden. Om die reden moeten de lidstaten worden aangespoord aanvragen met betrekking tot de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van dergelijke infrastructuren online en in zo kort mogelijke termijnen af te handelen. De lidstaten moeten zich ervan bewust worden dat het nuttig is een autoriteit te benoemen die belast is met het faciliteren en het coördineren van vergunningverleningsprocessen. Deze autoriteit kan een coördinator benoemen die optreedt als enig contactpunt voor het project. Indien noodzakelijk voor het verlenen van een afwijking in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (12) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), moeten de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van die infrastructuren worden beschouwd als dwingende redenen van openbaar belang in de zin van die richtlijnen, op voorwaarde dat aan de overige in die bepalingen gestelde voorwaarden is voldaan. Dit laat de toepasselijkheid of de uitvoering van ander milieurecht van de Unie onverlet.

(22)

De lidstaten moeten worden aangespoord samenwerking aan te gaan om capaciteiten voor onderhoud en herstelling van onderzeese kabelinfrastructuren te ontwikkelen.

(23)

Daarom moet het noodzakelijk worden geacht lopende en geplande risicobeoordelingen voor digitale en fysieke infrastructuur ter ondersteuning van digitale diensten aan te vullen met specifieke risicobeoordelingen en opties voor risicobeperkende maatregelen met betrekking tot onderzeese kabelinfrastructuur. De deskundigengroep zal worden verzocht de Commissie bij te staan, in nauwe samenwerking met de NIS-samenwerkingsgroep en de CER-groep, en met ondersteuning van Enisa, om geconsolideerde Uniebrede beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden te verrichten met betrekking tot de cyberbeveiliging alsook de fysieke beveiliging van onderzeese kabelinfrastructuren en de toeleveringsketens daarvoor. Deze geconsolideerde beoordeling zou kunnen voortbouwen op de bevindingen van de risicobeoordelingen die met name op nationaal niveau hebben plaatsgevonden met betrekking tot de cyberbeveiliging en de fysieke beveiliging van onderzeese kabelinfrastructuren en de toeleveringsketens daarvoor, alsook in het kader van de oproep van Nevers en ter uitvoering van de conclusies van de Raad over de cyberstrategie van de EU en, voor de cyberbeveiliging van 5G-netwerken, Aanbeveling (EU) 2019/534. De geconsolideerde beoordeling kan leiden tot aanbevelingen die tot de nationale autoriteiten en/of tot de Unie zouden worden gericht, onder meer met voorstellen van risicobeperkende maatregelen.

(24)

In een eerste stap zou de deskundigengroep de Commissie kunnen bijstaan bij het evalueren van de nationale risicobeoordelingen om na te gaan of er leemtes in de informatie zijn die een geconsolideerde Uniebrede beoordeling van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden, met name ten aanzien van leveranciers met een hoog risico, in de weg zouden staan. De groep kan de Commissie ook bijstaan bij de inventarisering van bestaande of geplande onderzeese kabelinfrastructuren die op nationaal niveau wordt verricht (waaronder lokalisatie, capaciteit, technische kenmerken en eigendom van kabelinfrastructuur), en van de interactie tussen fysieke en logische lagen. De deskundigengroep zou de Commissie kunnen helpen de bestaande onderzeese kabelinfrastructuren op EU-niveau te inventariseren, op basis van de nationale inventariseringen, en de inventarisering minstens eenmaal per jaar te actualiseren. Bij de evaluatie moet rekening worden gehouden met onderlinge relaties ten aanzien van andere kritieke infrastructuren, met name elektriciteitskabels, gaspijplijnen en offshore-installaties voor hernieuwbare energie alsook andere telecommunicatie-infrastructuren (14). Niet-gevoelige gegevens van de inventarisering kunnen worden gedeeld met relevante infrastructuurinformatiepunten, zoals in het kader van richtlijn Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (15) (richtlijn betreffende de verlaging van de breedbandkosten) en de aanstaande verordening gigabitinfrastructuur.

(25)

In een tweede stap wordt de deskundigengroep aangespoord maatregelen voor te stellen om de ontbrekende informatie aan te vullen, alsmede een methode om de aanvullende informatie te consolideren met de bestaande beoordelingen, hetgeen de basis zou opleveren voor een Uniebrede beoordeling van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden.

(26)

In een derde stap wordt de deskundigengroep ertoe aangespoord gebruik te maken van de in de vorige stap uitgewerkte methode om de eigenlijke geconsolideerde Uniebrede inventarisering van onderzeese kabelinfrastructuren te op te stellen alsmede om beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden te verrichten, met name ten aanzien van leveranciers met een hoog risico. De beoordeling moet voorstellen voor risicobeperkende maatregelen bevatten en onder meer toelichten welke risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden in overeenstemming met deze aanbeveling door middel van kabelprojecten van Europees belang kunnen worden aangepakt om strategische lacunes op te vullen en nieuwe connecties in te stellen ter verhoging van de weerbaarheid en ter beperking van de risico’s. In deze stap zou ook het harmoniseren van stresstests worden overwogen, bijvoorbeeld wat respons- en hersteltermijnen betreft alsook het organiseren van incidentrespons en herstelcapaciteit, over civiel-militaire en nationale of regionale grenzen heen.

(27)

De deskundigengroep zou als forum voor de lidstaten dienen om onderling en met de Commissie informatie uit te wisselen, en daarbij samen te werken voor het opsporen van potentiële lacunes in het bestaande wetgevingskader en synergieën te creëren. Deze informatie-uitwisseling zou betrekking kunnen hebben op situationeel bewustzijn, incidenten en incidentrespons, en toegepaste beste praktijken. De informatie zou op regelmatige en gestructureerde wijze alsook op het passende vertrouwelijkheidsniveau, indien nodig met gerubriceerde gegevens, worden uitgewisseld. De mogelijkheid zou moeten bestaan voor derde landen om geval per geval te worden betrokken, bijvoorbeeld in het kader van bilaterale internationale overeenkomsten.

(28)

Deze aanbeveling beoogt de uitrol of de ingrijpende modernisering van onderzeese kabelinfrastructuur via CPEI’s te bevorderen in overeenstemming met het EU-recht, waaronder de staatssteunregels. Met dit doel voor ogen moeten de lidstaten worden aangespoord via de deskundigengroep met de Commissie samen te werken om te komen tot een voorstel van lijst van strategische CPEI’s die voldoen aan een aantal criteria, zoals vastgesteld in deze aanbeveling.

(29)

Op basis van de bovengenoemde geconsolideerde Uniebrede beoordeling wordt de deskundigengroep aangespoord een lijst van CPEI’s voor te stellen en een methode volgens welke de aangewezen strategische lacunes, risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden uit een EU-breed perspectief kunnen worden aangepakt. Met toepassing van de respectieve onderliggende regels kan in deze lijst worden onderzocht in het kader van welke financieringsprogramma’s van de Unie deze projecten in aanmerking worden genomen, met name op grond van Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad (16) (“de CEF-verordening”), Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad (17) (“de IPA III-verordening”), Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (18) (“de RRF-verordening”) en de structuurfondsen. Indien van toepassing kan de lijst in de basisverordening of de bijlagen daarbij worden opgenomen, via het gebruik van gedelegeerde verordeningen, zoals in het geval van de CEF-verordening. Indien een project in het kader van Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad (19) (“de NDICI Global Europe-verordening”) in aanmerking wordt genomen, mag dit er niet toe leiden dat projecten die reeds ontwikkeld zijn binnen het kader van de Global Gateway-strategie, vertraging oplopen.

(30)

De criteria voor aanwijzing van CPEI’s kunnen gebaseerd zijn op de volgende elementen. In de eerste plaats moet als voorafgaande voorwaarde gelden dat de inventarisering het bewijs levert van een lacune in de onderzeese kabelinfrastructuren, onder meer dat er behoefte bestaat aan nieuwe of alternatieve veilige routes, of aan meer capaciteit of weerbaarheid van bestaande onderzeese kabelinfrastructuur. Voorts moeten de CPEI’s bijdragen tot een aanzienlijk hogere beveiliging van de toeleveringsketen voor onderzeese kabelinfrastructuren. Ten slotte moeten de CPEI’s geostrategisch belang hebben, rekening houdend met de belangen van de Unie en de lidstaten, en voldoen aan connectiviteitsbehoeften die te veel risico’s inhouden om alleen aan particuliere investeringen te worden overgelaten.

(31)

De voor strategische projecten mogelijk in aanmerking te nemen uitvoeringscriteria houden in dat moet worden voorzien in een aanzienlijke nieuwe investering die nieuwe capaciteiten aanbrengt wat prestaties en weerbaarheid, beveiliging van de toeleveringsketen en duurzaamheid betreft. Prestatiestijgingen hebben met name betrekking op capaciteit voor gegevensdoorvoer en lage latentie. Hogere beveiliging en weerbaarheid houdt scoping van fysieke en logische redundantie in een project, hoge beveiligingsnormen en -technologie, zoals sensor- en monitoringsystemen in alsook de capaciteit van de vloot van vaartuigen voor uitrol, onderhoud en herstel.

(32)

Wanneer strategische projecten worden uitgevoerd, moeten zij de duurzaamheid van onderzeese kabelinfrastructuren verhogen door een beperking van de gevolgen op het gebied van klimaat, energie en milieu in het algemeen.

(33)

Op basis van de significante samenwerking met internationale strategische partners, met name via handels- en technologieraden en digitale partnerschappen, en in overeenstemming met de conclusies van de Raad over de digitale diplomatie van de EU van 26 juni 2023, moeten de lidstaten, in coördinatie met de Unie, ertoe worden aangespoord hun inspanningen op te voeren voor de ontwikkeling van veilige, betrouwbare en weerbare onderzeese kabelinfrastructuren, in lijn met de in deze aanbeveling voorgestelde aanpak. Indien CPEI’s worden opgericht, moeten deze ertoe bijdragen de EU te voorzien van middelen om beveiligde verbindingen te leggen met haar strategische partners. Met name worden hierbij strategische projecten beoogd voor samenwerking op het gebied van Arctische, trans-Atlantische en trans-Pacifische connectiviteit. De Global Gateway-strategie voorziet in het kader voor de EU en haar lidstaten om een nauwe samenwerking met relevante internationale partners te ontwikkelen teneinde betrouwbare, veilige en weerbare digitale connectiviteit mogelijk te maken tussen de EU en de landen en regio’s waarop de NDICI Global Europe-verordening en de IPA III-verordening betrekking hebben in Afrika bezuiden de Sahara, Latijns-Amerika, het Caribisch gebied, Azië en het Stille Oceaangebied, en in de nabuurschapslanden en de uitbreidingslanden. Het is noodzakelijk een coherente aanpak te blijven hanteren ten aanzien van veilige, betrouwbare en weerbare onderzeese kabelinfrastructuren en te zorgen voor complementariteit tussen het interne en het externe optreden. Daarom moeten de lidstaten ertoe worden aangespoord gebruik te maken van de deskundigengroep om te zorgen voor onderlinge coördinatie en om elkaar, alsook de Commissie en de Dienst voor extern optreden, op de hoogte te houden van binnen het toepassingsgebied van deze aanbeveling vallende aangelegenheden, zowel wat bilaterale uitwisseling met derde landen als wat multilaterale samenwerking betreft.

(34)

De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord op gecoördineerde wijze op te treden op multilaterale en multistakeholderfora, waaronder de G-7 en de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU), in overeenstemming met de beginselen, doelstellingen en instrumenten van de digitale diplomatie van de EU.

(35)

De EU moet ernaar streven de samenwerking met de NAVO verder te verdiepen inzake weerbaarheid, ook wat onderzeese kabelinfrastructuren betreft, in overeenstemming met de derde gezamenlijke verklaring over samenwerking tussen de EU en de NAVO (20), door complementariteit van inspanningen te bevorderen en onnodige overlappingen te vermijden, met volledige naleving van de beginselen van openheid en transparantie, wederkerigheid en inclusiviteit alsmede de besluitvormingsautonomie van elke organisatie. Voortbouwend op de aanbevelingen van het definitieve beoordelingsverslag van de EU-NAVO-taskforce (21) in het kader van de gestructureerde dialoog over weerbaarheid, moet het EU-personeel ernaar streven onder meer een gedeeld situationeel bewustzijn met het NAVO-personeel verder te bevorderen.

(36)

Door een bijdrage te leveren tot het gebruik van investeringen om transformationele effecten te creëren, sluit deze aanbeveling aan bij de doelstellingen van de Global Gateway om de mondiale digitale connectiviteit te versterken, in overeenstemming met de waarden en normen van de EU. Wanneer de lidstaten gevolg geven aan deze aanbeveling, moeten zij een Team Europa-aanpak nastreven en gebruikmaken van de bestaande governancestructuren die door de EU en haar lidstaten zijn opgezet ter uitvoering van de Global Gateway-strategie en de economische investeringsplannen.

(37)

Gelet op het feit dat onderzeese kabelinfrastructuren meestal door particuliere stakeholders worden uitgerold en met het oog op de strategische belangen van de Unie en haar lidstaten, moet, indien CPEI’s worden opgericht, voor particuliere financiering worden gezorgd, die indien nodig in combinatie met de Unie- en nationale begrotingen kan worden ondersteund met inachtneming van de staatssteunregels. Financieringsprogramma’s van de Unie kunnen worden aangewend in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, andere ontwikkelingsinstellingen en openbare financiële instellingen, alsmede van financiële instellingen en beleggers uit de particuliere sector, inclusief via publiek-private partnerschappen, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen die van toepassing zijn op het gebruik van de Uniebegroting.

(38)

De CEF-verordening financiert momenteel onderzeese kabels als backbonenetwerken voor het verbinden van EU-gebieden en de Unie met derde landen. Het overtal aan intekeningen dat merkbaar is in de desbetreffende oproepen tot inschrijving, wijst op een toenemende vraag naar financiering voor veilige, weerbare en hoogperformante onderzeese kabels. Rekening houden met de aanzienlijke kosten en risico’s die op het spel staan, is financiële steun van de CEF van groot belang om de risicograad van particuliere investeringen te verlagen en projecten financierbaar te maken.

(39)

De Europese Commissie kan een beter gebruik van financiële instrumenten en blendingfaciliteiten overwegen voor de ondersteuning van CPEI’s, en kan daarbij een beroep doen op het budget van de CEF-verordening en andere relevante instrumenten, om, onder marktvoorwaarden, particulier kapitaal aan te trekken. De lidstaten worden uitgenodigd daartoe bij te dragen, eventueel via hun nationale stimuleringsbanken en -instellingen. InvestEU kan een instrument zijn om CPEI’s te financieren.

(40)

Deze aanbeveling doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot activiteiten op het gebied van openbare beveiliging, defensie, staatsveiligheid en activiteiten van de staat op het gebied van het strafrecht, met inbegrip van het recht van de lidstaten om dienstverleners of leveranciers van hun markten te weren om redenen van nationale veiligheid,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   TOEPASSINGSGEBIED EN DOELSTELLINGEN

1)

In deze aanbeveling wordt een reeks gerichte acties aangewezen die de lidstaten op nationaal en Unieniveau kunnen nastreven om:

a)

de beveiliging en de weerbaarheid van bestaande en nieuwe onderzeese kabelinfrastructuren regelmatig te beoordelen en te verbeteren, en

b)

de uitrol of de ingrijpende modernisering van onderzeese kabelinfrastructuren te ondersteunen via kabelprojecten van Europees belang (“CPEI”) die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1)

er zijn ten minste twee lidstaten bij betrokken;

2)

de projecten verbinden een lidstaat met en of meerdere van zijn eilanden, ultraperifere gebieden of landen en gebieden overzee;

3)

zij zorgen voor connectiviteit of aanzienlijk verbeterde connectiviteit tussen één of meer lidstaten en derde landen, inclusief toetredings- en nabuurschapslanden, op directe wijze of op indirecte wijze via andere kabelinfrastructuren die met de Unie verbonden zijn.

2.   DEFINITIES

2)

Voor de toepassing van deze aanbeveling betekent “onderzeese kabelinfrastructuur” niet alleen de onderzeese communicatiekabel zelf maar ook elke infrastructuur die verband houdt met de uitrol, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling ervan.

3)

Voor het overige zijn de definities van Richtlijn (EU) 2022/2555 (“de NIS 2-richtlijn”) van toepassing.

3.   ACTIES OP HET NIVEAU VAN DE LIDSTATEN

3.1.   Beveiliging

4)

De lidstaten worden aangespoord een hoog niveau van beveiliging van de onderzeese kabelinfrastructuur te bevorderen, ongeacht wie de eigenaar ervan is, daarbij handelend in overeenstemming met, waar dit toepasselijk en gepast is, de vereisten van Richtlijn (EU) 2018/1972 (“het Europees wetboek voor elektronische communicatie”), de NIS 2-richtlijn en Richtlijn (EU) 2022/2557 (“de CER-richtlijn”), alsmede de toepasselijke acties van de EU-strategie voor maritieme veiligheid. Zij worden aangespoord ervoor te zorgen dat de infrastructuur op passende wijze wordt beheerd en onder zodanig toezicht wordt geplaatst dat zij van externe bedreigingen gevrijwaard blijft en haar veiligheid, inclusief de veiligheid van de via de infrastructuur uitgewisselde gegevens, wordt beschermd. Met dat doel worden de lidstaten aangespoord indien noodzakelijk beveiligingsnormen op defensieniveau in aanmerking te nemen om samenwerking met militaire actoren te faciliteren.

5)

De lidstaten moeten overwegen bij representatieve organisaties van ondernemingen of, indien nodig, bij individuele ondernemingen de noodzakelijke informatie op te vragen om de veiligheid en de weerbaarheid van onderzeese kabelinfrastructuren te monitoren. Deze informatie kan worden gebruikt om een nationale inventarisering van onderzeese kabelinfrastructuren op te maken, aan te vullen en te actualiseren, waarbij ontbrekende informatie wordt aangevuld uit bestaande initiatieven voor gegevensverzameling. Bij de uitwisseling van informatie moet de vertrouwelijkheid van die informatie worden gewaarborgd en moeten de veiligheids- en commerciële belangen van de betrokken entiteiten worden beschermd in overeenstemming met de toepasselijke EU-regels.

6)

De lidstaten worden aangespoord om, rekening houdend met de relevante bestaande risicobeoordelingen en resultaten van stresstests op EU-niveau, nationale risicobeoordelingen te verrichten inzake cyberbeveiliging en fysieke beveiliging van onderzeese kabelinfrastructuren en de toeleveringsketens daarvoor. De relevantie van de nationale beoordelingen zou toenemen indien er een inventaris van de bestaande en geplande infrastructuur aan wordt toegevoegd en rekening wordt gehouden met technische en niet-technische criteria voor veiligheidsrisico’s.

7)

De lidstaten worden aangespoord om, rekening houdend met acties op Unieniveau in het kader van deze aanbeveling, de verplichtingen van leveranciers en exploitanten bij de uitvoering van de NIS 2-richtlijn te verstrengen, om de beveiliging van gevoelige onderdelen van de infrastructuren te garanderen en, indien van toepassing, verplichtingen te doen naleven zoals de verplichting om bevoegde nationale autoriteiten relevante informatie te verstrekken met betrekking tot geplande veranderingen in onderzeese kabelinfrastructuren, en om specifieke IT-componenten en -systemen met het oog op veiligheid en integriteit vooraf te laten testen door nationale controle-instanties of certificatielaboratoria.

3.2.   Regelmatige stresstests van entiteiten

8)

De lidstaten wordt aanbevolen exploitanten van onderzeese kabelinfrastructuren ertoe aan te sporen en te ondersteunen om op basis van gemeenschappelijke beginselen regelmatig stresstests op het niveau van de Unie te verrichten, en met name de geconsolideerde Uniebrede beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden van onderzeese kabelinfrastructuren in de punten 16 tot en met 20.

9)

Deze tests kunnen financieel worden ondersteund door het programma Digitaal Europa dat bij Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad (22) (“de DEP-verordening”) is opgericht, met name in het kader van het DEP-werkprogramma cyberbeveiliging 2023-2024.

3.3.   Nationale versnelde procedures voor het verlenen van vergunningen

10)

De lidstaten worden aangespoord ervoor te zorgen dat administratieve aanvragen met betrekking tot de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van onderzeese kabelinfrastructuren op efficiënte en tijdige wijze online worden afgehandeld. Daartoe worden alle betrokken nationale autoriteiten aangespoord die aanvragen zo snel als wettelijk mogelijk te behandelen.

11)

Indien het nationale recht een dergelijke status erkent, zou de lidstaten worden aanbevolen aan onderzeese kabelinfrastructuren de hoogst mogelijke status van nationaal belang te verlenen en deze als zodanig te behandelen in vergunningsprocedures, met inbegrip van procedures met betrekking tot milieubeoordelingen en, indien het nationale recht daarin voorziet, met betrekking tot ruimtelijke ordening.

12)

De lidstaten worden aangespoord de beveiliging en de weerbaarheid van onderzeese kabelinfrastructuren te beschouwen als een dwingende reden van groot openbaar belang in de zin van artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, punt c), van Richtlijn 92/43/EEG en van hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG. Daarom worden de lidstaten aangespoord de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van onderzeese kabelinfrastructuren te beschouwen als van dwingend openbaar belang, mits aan de overige in die bepalingen gestelde voorwaarden is voldaan.

13)

De lidstaten worden aangespoord een autoriteit te benoemen die belast is met het faciliteren en coördineren van administratieve aanvragen met betrekking tot de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van onderzeese kabelinfrastructuren. De autoriteit zou op haar beurt een coördinator kunnen benoemen die zou optreden als enig contactpunt en een werkgroep zou oprichten waarin alle bij de administratieve aanvragen betrokken autoriteiten vertegenwoordigd zijn, om een tijdschema voor de verlening van vergunningen op te stellen en de uitvoering daarvan te monitoren en te coördineren.

14)

Indien bij de te nemen beslissingen twee of meer lidstaten betrokken zijn, moeten de respectieve autoriteiten worden aangespoord alle nodige stappen te ondernemen voor een doeltreffende en doelmatige samenwerking en coördinatie onderling en met de Commissie. Indien noodzakelijk kunnen autoriteiten van derde landen daarbij worden betrokken. De lidstaten moeten met name onderling samenwerken om capaciteit voor onderhoud en herstelling van onderzeese kabels te ontwikkelen. Zij moeten met de Commissie samenwerken om de huidige vloot te inventariseren en de behoeften te bepalen voor de toekomst.

4.   ACTIES VAN LIDSTATEN OP HET NIVEAU VAN DE UNIE

15)

De in dit onderdeel bedoelde acties en coördinatie van lidstaten moeten worden ondernomen in het kader van een informele deskundigengroep.

4.1.   Naar een geconsolideerde Uniebrede beoordeling van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden

16)

De lidstaten worden aangespoord de Commissie bij te staan bij de inventarisering van de bestaande onderzeese kabelinfrastructuren op EU-niveau, op basis van de nationale inventarisering, en de inventaris ten minste eenmaal per jaar te actualiseren. De inventarisering moet alle relevante bijbehorende gegevens bevatten zoals beschikbare en potentiële capaciteit, technische kenmerken, voornaamste beveiligingskenmerken, redundantie- en/of peeringregelingen, informatie over eigendom en zeggenschap en kenmerken inzake duurzaamheid.

17)

De lidstaten worden aangespoord de Commissie bij te staan bij het evalueren van de bestaande beoordelingen en het aanwijzen van de ontbrekende informatie die momenteel een geconsolideerde Uniebrede beoordeling van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden, met name ten aanzien van leveranciers van onderzeese kabelinfrastructuren met een hoog risico, in de weg staat, met inbegrip van de kritieke toeleveringsketens daarvoor als bedoeld in artikel 22 van de NIS 2-richtlijn, en rekening houdend met onderlinge relaties ten aanzien van andere kritieke infrastructuren, met name elektriciteitskabels en gaspijplijnen.

18)

De lidstaten worden aangespoord de Commissie voorstellen te doen voor maatregelen ter aanvulling van ontbrekende informatie alsmede voor een methode waarmee een dergelijke geconsolideerde Uniebrede beoordeling op regelmatige basis kan worden verricht en operationeel kan worden gemaakt voor regelmatige stresstests.

19)

De lidstaten worden aangespoord de Commissie bij te staan bij het verrichten van regelmatige geconsolideerde Uniebrede beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden van onderzeese kabelinfrastructuren.

20)

De lidstaten worden aangespoord de Commissie op basis van deze beoordeling te helpen bij het opstellen van een toolbox voor kabelbeveiliging, waarin risicobeperkende maatregelen worden vastgesteld die de lidstaten zouden moeten aannemen ter vermindering van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden, met name ten aanzien van leveranciers met een hoog risico die in de geconsolideerde Uniebrede beoordeling zijn aangewezen.

4.2.   Informatie-uitwisseling en onderlinge bijstand

21)

De lidstaten moeten regelmatig informatie uitwisselen over situationeel bewustzijn, incidenten en incidentrespons alsmede de toegepaste goede praktijken, waarbij maximaal wordt ingezet op synergieën met bevoegde autoriteiten in het kader van de NIS 2-richtlijn en de CER-richtlijn. De lidstaten moeten elkaar onderling bijstand bieden, met name om de impact op de Unie in haar geheel te beperken.

22)

De lidstaten worden aangespoord tot overleg over het potentieel voor gebruik van innovatieve oplossingen om bedreigingen tegen onderzeese kabelinfrastructuren op te sporen en tegen te gaan, met name door rekening te houden met de resultaten van door de EU gefinancierde projecten.

23)

In die activiteiten van informatie-uitwisseling en onderlinge bijstand moeten de lidstaten in staat zijn om gerubriceerde EU-informatie (EUCI) op verschillende rubriceringsniveaus te behandelen. Daartoe worden de lidstaten aangespoord deskundigen met het passende niveau van deskundigheid en veiligheidsmachtiging beschikbaar te stellen in overeenstemming met de derdepartijregel. De lidstaten moeten ook de passende rubriceringsgraad bepalen van de informatie die zij uitwisselen, en ervoor zorgen dat goedgekeurde instrumenten beschikbaar zijn voor een efficiënte uitwisseling op verschillende EUCI-rubriceringsniveaus.

4.3.   Kabelprojecten van Europees belang

24)

De lidstaten moeten de Commissie bijstaan om een ontwerplijst van strategische kabelprojecten van Europees belang (“CPEI’s”) voor te stellen, met inbegrip van de urgentie en het tijdschema, die in aanmerking kunnen worden genomen voor steun uit EU-programma’s, aangevuld met nationale fondsen, om strategische lacunes op te vullen en nieuwe verbindingen te leggen.

25)

Voortbouwende op bestaande beoordelingen moeten de lidstaten de Commissie advies verlenen om die risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden aan te wijzen die in overeenstemming met deze aanbeveling door middel van CPEI’s kunnen worden aangepakt.

26)

De lidstaten worden aangespoord een lijst van strategische projecten voor te stellen die, onverminderd de regels van de desbetreffende voor financiering in aanmerking te nemen Unieprogramma’s of onverminderd de staatssteunregels, aan de volgende criteria moeten voldoen:

a)

het project vult een lacune in onderzeese kabelinfrastructuren op, zoals blijkt uit de inventarisering, waardoor kan worden voorzien in de behoefte aan nieuwe of alternatieve veilige routes, of aan meer capaciteit en weerbaarheid van bestaande onderzeese kabelinfrastructuren;

b)

het project draagt bij tot een aanzienlijke versterking van de toeleveringsketen door middel van maatregelen die bij de selectie van leveranciers in aanmerking moeten worden genomen om te voorzien in de beschikbaarheid van noodzakelijke componenten, technologieën, systemen en knowhow voor de planning, de aankoop, de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de herstelling van onderzeese kabelinfrastructuren; projecten waarbij leveranciers betrokken zijn die in de geconsolideerde risicobeoordeling als leverancier met een hoog risico zijn aangewezen, komen niet in aanmerking;

c)

het project moet van geostrategisch belang zijn, rekening houdend met de belangen van de Unie en haar lidstaten, met name om een hoog niveau van beveiliging van de Europese onderzeese kabelinfrastructuur te verzekeren;

d)

het project voorziet in connectiviteitsbehoeften waaraan vanwege de betrokken risico’s niet alleen door particuliere investeringen kan worden voldaan, en

e)

wanneer het project financiering in het kader van Verordening (EU) 2021/947 (NDICI Global Europe-verordening) en Verordening (EU) 2021/1529 (IPA III-verordening) inhoudt, moet verdere aandacht worden besteed aan de graad van toepasbaarheid van de criteria a) tot en met d) en aan de vraag of het project reeds is ontwikkeld binnen het kader van de Global Gateway-strategie.

27)

De lidstaten wordt aanbevolen de Commissie bij te staan om een jaarlijkse evaluatie van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden van strategische projecten te verrichten alsmede een actualisering op basis van de geconsolideerde Uniebrede beoordelingen van risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden van onderzeese kabelinfrastructuren in punt 19. Voorts worden de lidstaten aangespoord de Commissie te adviseren over de wijze waarop de aangewezen risico’s, kwetsbaarheden en afhankelijkheden in de strategische projecten moeten worden aangepakt. Daartoe worden de lidstaten aangespoord rekening te houden met de volgende criteria:

a)

de vraag of het project voldoet aan een aantal beveiligingsvereisten, om een hoog niveau van beveiliging te verzekeren;

b)

de vraag of het project de prestaties en de weerbaarheid van onderzeese kabelinfrastructuren in aanzienlijke mate verhoogt;

c)

de vraag of het project de risico’s beperkt met betrekking tot de afhankelijkheid van entiteiten die in de geconsolideerde risicobeoordeling zijn aangemerkt als entiteiten met een hoog risico die direct of indirect onder zeggenschap van derde landen staan, ongeacht de in Mededeling C(2023) 4049 van de Commissie vermelde leveranciers met een hoog risico, en of het de risico’s beperkt met betrekking tot mogelijke verstoringen in de levering van componenten (inclusief eindstations), technologieën, diensten en systemen, inclusief prijsveranderingen of lagere prestaties of alternatieve bevoorradingsbronnen, tijdens de hele levensduur van de onderzeese kabelinfrastructuur, en

d)

de vraag of het project de duurzaamheid van onderzeese kabelinfrastructuren verhoogt door een beperking van de gevolgen op het gebied van klimaat, energie en milieu in het algemeen.

4.4.   Internationale samenwerking

28)

De lidstaten en de Unie, uitgaande van een Team Europa-aanpak (23) en voortbouwende op bestaande internationale samenwerking, moeten worden aangespoord voor het bevorderen van de verdere ontwikkeling van veilige, betrouwbare en weerbare onderzeese kabelinfrastructuren samen te werken met derde landen, strategische partners en op multilaterale en multistakeholderfora, in overeenstemming met de in deze aanbeveling voorgestelde aanpak, in het bijzonder om CPEI’s te promoten.

5.   FINANCIERING VAN KABELPROJECTEN VAN EUROPEES BELANG

29)

De CPEI’s moeten worden gefinancierd met particuliere middelen die indien passend en noodzakelijk worden ondersteund door Unieprogramma’s, met name Verordening (EU) 2021/1153 (CEF-verordening), potentieel aangevuld met nationale middelen, in overeenstemming met, of indien van toepassing, verenigbaar met de staatssteunregels (24). De Uniefinanciering kan worden geïmplementeerd via subsidies, aanbestedingen, blendingoperaties, inclusief de vigerende regelingen van InvestEU, of publiek-private partnerschappen, in overeenstemming met de regels van de desbetreffende programma’s.

30)

De lidstaten worden aangespoord te overwegen of zij, indien passend en noodzakelijk, kunnen bijdragen tot de financiering van CPEI’s, onder meer via deelname van hun nationale stimuleringsbanken en -instellingen of andere uitvoerende partners in blendingfaciliteiten of -operaties op EU-niveau (25) met gebruik van middelen uit het CEF-programma. Dit moet de impact van publieke financiering maximaliseren, particuliere financiering aantrekken en de ontwikkeling van investeringen faciliteren in overeenstemming met of, indien van toepassing, verenigbaar met de staatssteunregels (26). De pijplijnen van door de uitvoerende partners ontwikkelde CEF-projecten kunnen worden gebaseerd op de werkzaamheden van de deskundigengroep.

31)

Om ervoor te zorgen dat nationale investeringen aan de staatssteunregels voldoen, worden de lidstaten die mee-investeren in CPEI’s die voor financiering in het kader van de CEF-verordening zijn geselecteerd of waaraan in het kader van de CEF-verordening het kwaliteitslabel “Excellentiekeur” is toegekend, aangespoord de mogelijkheid te onderzoeken om steunmaatregelen te ontwikkelen die voldoen aan alle voorwaarden (27) bepaald in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (28) en de wijzigingen daarvan. De lidstaten worden aangespoord te onderzoeken of CPEI’s kunnen worden ondersteund via de aankoop van capaciteit voor openbaar gebruik.

32)

Om CPEI’s te financieren, kunnen de lidstaten overwegen het lidstaatcompartiment in het kader van InvestEU te gebruiken voor hun bijdrage aan financiële producten die worden ontwikkeld door de uitvoerende partners van InvestEU zoals nationale stimuleringsbanken en -instellingen, de Europese Investeringsbank Groep of andere internationale financiële instellingen, in overeenstemming met de regels van de desbetreffende financieringsprogramma’s.

33)

Financiering van CPEI’s kan ook plaatsvinden via financiële instrumenten, bijvoorbeeld equityfondsen. De lidstaten worden aangespoord te investeren, onder meer via hun nationale stimuleringsbanken en -instellingen, in nationale of Europese financiële instrumenten voor ondersteuning van onderzeese kabelinfrastructuren.

6.   EVALUATIE

34)

De lidstaten worden aangespoord met de Commissie samen te werken om de effecten van deze aanbeveling uiterlijk in december 2025 te beoordelen, teneinde uit te maken wat de juiste weg vooruit is. In deze evaluatie moet rekening worden gehouden met de geconsolideerde Uniewijde beoordeling in de punten 16 tot en met 20 en de vooruitgang in de verwezenlijking van de CPEI’s.

7.   SLOTBEPALING

35)

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2024.

Voor de Commissie

Thierry BRETON

Lid van de Commissie


(1)  https://presse.economie.gouv.fr/08-03-2022-declaration-conjointe-des-ministres-de-lunion-europeenne-charges-du-numerique-et-des-communications-electroniques-adressee-au-secteur-numerique/

(2)  Aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 betreffende een Uniebrede gecoördineerde aanpak om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te versterken (2023/C 20/01) (PB C 20 van 20.1.2023, blz. 1).

(3)  Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad betreffende een “strategie voor economische veiligheid van de EU” (JOIN(2023) 20 final van 20.6.2023).

(4)  Verslag 2023 over de staat van het digitale decennium, 27 september 2023, https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/news-redirect/798346.

(5)  Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36).

(6)  Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie (NIS 2-richtlijn) (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 80).

(7)  Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 164).

(8)  Conclusies van de Raad over de herziene EU-strategie voor maritieme veiligheid en het bijbehorende actieplan, 24 oktober 2023, https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-14280-2023-INIT/nl/pdf.

(9)  C(2016) 3301.

(10)  Bijvoorbeeld de geolocatie van de routes, de technische specificaties van de kabel enz.

(11)  Aanbeveling (EU) 2019/534 van de Commissie van 26 maart 2019 — Cyberbeveiliging van 5G-netwerken (PB L 88 van 29.3.2019, blz. 42).

(12)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(13)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(14)  De resultaten van de stresstests in de energiesector in het kader van de aanbeveling betreffende de weerbaarheid van kritieke infrastructuur, kunnen bijvoorbeeld in aanmerking worden genomen.

(15)  Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PB L 155 van 23.5.2014, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (PB L 249 van 14.7.2021, blz. 38).

(17)  Verordening (EU) 2021/1529 van het Europees Parlement en de Raad van 15 september 2021 tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (PB L 330 van 20.9.2021, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

(19)  Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1).

(20)  Gezamenlijke verklaring over samenwerking tussen de EU en de NAVO, getekend op 10 januari 2023 door de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Europese Commissie.

(21)  EU-NAVO-taskforce over de weerbaarheid van kritieke infrastructuur, definitief beoordelingsverslag, 29 juni 2023.

(22)  Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1).

(23)  Team Europa-aanpak streeft naar het bundelen van middelen en deskundigheid van de Europese Unie, haar lidstaten — inclusief hun uitvoerende agentschappen en publieke ontwikkelingsbanken — alsmede de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO).

(24)  Indien nodig kunnen de lidstaten ook financiering ontwikkelen voor belangrijke kabelprojecten van gemeenschappelijk Europees belang” (IPCEI’s), in overeenstemming met de criteria vastgesteld in de IPCEI-mededeling (mededeling over criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (PB C 528 van 30.12.2021, blz. 10).

(25)  Zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (financiële verordening).

(26)  Volgens het beginsel van de marktdeelnemer in een markteconomie verlenen transacties van lidstaten geen voordeel aan ondernemingen en vormen zij geen staatssteun indien zij onder dezelfde voorwaarden (en dus met hetzelfde niveau van risico’s en voordelen) worden verricht door publieke entiteiten en particuliere exploitanten die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (een “pari passu”-transactie). Zie punt 4.2 van de mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1).

(27)  Steun voor de uitrol van een onderzeese kabel die voldoet aan alle voorwaarden van hoofdstuk I en de voorwaarden van artikel 52 ter van Verordening (EU) nr. 651/2014, wordt verenigbaar met de interne markt geacht in de zin van artikel 107, lid 2 of lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

(28)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2024/779/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)