|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2024/209 |
11.1.2024 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/209 VAN DE COMMISSIE
van 10 januari 2024
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 14 november 2022 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“China” of “de VRC”) en Turkije (“de betrokken landen”). De Commissie heeft daartoe een bericht van inleiding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 30 september 2022 was ingediend door Laminados Losal S.A.U. (“de klager” of “Losal”). De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor platbulbstaal in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Voorlopige maatregelen
|
(3) |
Op 12 juli 2023 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit China en Turkije (3) (“de voorlopige verordening”) bekendgemaakt. |
1.3. Vervolg van de procedure
|
(4) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht was ingesteld (“de mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben de Turkse overheid, de Turkse producent-exporteur Özkan Demir, de Chinese producent-exporteur Longteng en de gebruiker in de Unie Fincantieri S.p.A (“Fincantieri”) binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening gestelde termijn schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend. Daarnaast heeft Losal na het verstrijken van de in punt 8 van het bericht van inleiding gestelde termijn opmerkingen ingediend over de opmerkingen van Özkan Demir. |
|
(5) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er vonden hoorzittingen plaats met de Turkse overheid, Özkan Demir en Fincantieri. |
|
(6) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien. |
|
(7) |
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op platbulbstaal van oorsprong uit de VRC en Turkije (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(8) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn tevens in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er vonden hoorzittingen plaats met Longteng en Özkan Demir. |
1.4. Argumenten over de opening van het onderzoek
|
(9) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft geen enkele belanghebbende andere argumenten of opmerkingen over de opening van het onderzoek ingediend dan die bedoeld in punt 1.4 van de voorlopige verordening. De Commissie heeft derhalve haar bevindingen en conclusies in de overwegingen 8 tot en met 15 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.5. Steekproeven
|
(10) |
Aangezien er geen opmerkingen over de steekproef van producenten in de Unie, importeurs en producenten-exporteurs werden ontvangen, heeft de Commissie de overwegingen 16 tot en met 23 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.6. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(11) |
Zoals vermeld in overweging 28 van de voorlopige verordening, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(12) |
De Commissie herinnerde eraan dat, zoals uiteengezet in overweging 30 van de voorlopige verordening, het betrokken product niet-gelegeerd platbulbstaal met een breedte tot 204 mm is (“platbulbstaal”), van oorsprong uit de VRC en Turkije, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7216 50 91 (Taric-code 7216509110) (“het betrokken product”). |
|
(13) |
Platbulbstaal wordt voornamelijk gebruikt in de scheepsbouw voor de vervaardiging van de staalconstructie van cruiseschepen, veerboten, militaire vaartuigen en koopvaardijschepen. Platbulbstaal kan ook worden gebruikt voor de bouw van offshoreplatforms en de aanleg van tramrails, maar in de Unie wordt platbulbstaal hiervoor slechts in marginale hoeveelheden toegepast. |
2.2. Soortgelijk product
|
(14) |
Aangezien in dit verband geen andere argumenten of opmerkingen werden ingediend, worden de conclusies in de overwegingen 31 en 32 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. DUMPING
3.1. China
|
(15) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de Commissie van Longteng opmerkingen over de voorlopige bevindingen inzake dumping ontvangen. |
3.1.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(16) |
Aangezien in dit verband geen andere argumenten of opmerkingen werden ingediend, worden de conclusies in overweging 43 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.1.2. Normale waarde
3.1.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
|
(17) |
De details over het bestaan van verstoringen van betekenis zijn uiteengezet in punt 3.1.2.1 van de voorlopige verordening. Aangezien er geen opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, heeft de Commissie haar voorlopige conclusies bevestigd. |
3.1.2.2. Representatief land
|
(18) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in overweging 84 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.1.2.3. Grondstoffen, energie, VAA-kosten en winst
|
(19) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft Longteng opmerkingen ingediend over de benchmarks die zijn gebruikt voor bepaalde productiefactoren en over de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) die zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde. |
3.1.2.3.1. Productiefactoren
|
(20) |
Longteng herhaalde de argumenten die zij had geformuleerd inzake de tweede mededeling in het dossier, maar voerde geen nieuwe elementen aan. Die argumenten zijn samengevat en weerlegd in de overwegingen 92 tot en met 94 van de voorlopige verordening. Longteng stelde ook dat de benchmarks voor zuurstof en stikstof niet op de prijzen van de invoer in Maleisië mogen worden gebaseerd, aangezien deze invoer voornamelijk bestond uit invoer uit Singapore, die naar verluidt slechts een beperkte industriële productie heeft, en die benchmarks niet de kosten in verband met de massaproductie van deze producten konden weerspiegelen. Longteng wees ook op veel lagere benchmarks van de “niet-verstoorde waarde” voor zuurstof en stikstof die zijn vastgesteld in andere procedures, waarin Mexico als een geschikt representatief land is aangewezen. Longteng stelde voor gebruik te maken van de kosten voor zuurstof en stikstof van de medewerkende Turkse producent-exporteur, Özkan Demir. |
|
(21) |
De Commissie stelde vast dat Singapore voor deze productiefactoren wat uitvoerhoeveelheden betreft tot de wereldtop-10 behoort (4). Daarom kon zijn uitvoer naar Maleisië worden gebruikt als een redelijke basis voor de vaststelling van deze benchmarks. Bovendien zijn de waarden van de invoer in Maleisië, als gevolg van de concurrentie, bedoeld om de waarde van de relevante productiefactoren in Maleisië weer te geven. Algemene uitspraken over de productiekosten in het land van uitvoer zijn derhalve slechts van weinig belang. Wat de lagere benchmarks betreft die in andere procedures werden gebruikt, werd Mexico, zoals uiteengezet in overweging 90 van de voorlopige verordening, niet in aanmerking genomen om benchmarks voor deze basisproducten vast te stellen, aangezien het de drie basisproducten niet in representatieve hoeveelheden invoerde (5). Deze waarden hadden trouwens ook geen betrekking op hetzelfde onderzoektijdvak. Aangezien Özkan Demir als gevolg van een ander productieproces geen zuurstof en stikstof inkocht, was dergelijke informatie ten slotte ook niet beschikbaar. |
|
(22) |
Longteng betoogde dat de gemiddelde invoerprijs van argon in Turkije kunstmatig hoog was en stelde voor de door Özkan Demir gerapporteerde werkelijke kosten van argon te gebruiken of deze productiefactor over te hevelen naar “verbruiksgoederen”. Voor zuurstof en stikstof was dergelijke informatie van Özkan Demir echter niet beschikbaar. Gezien het representatieve volume van de invoer van argon in Turkije was er ook geen objectieve reden om deze prijzen niet representatief te achten of om argon als verbruiksgoederen te behandelen. |
|
(23) |
Op grond hiervan werden de argumenten met betrekking tot de productiefactoren afgewezen. |
|
(24) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Longteng aan dat de benchmarks voor de berekening van de normale waarde voor kalksteen, stikstof en zuurstof aanzienlijk verschilden van haar eigen kosten per eenheid. Verder stelde Longteng voor om de invoerprijs in Brazilië als benchmark voor kalksteen te gebruiken, terwijl zij voor stikstof en zuurstof de prijzen van het grootste exportland als benchmarks noemde. |
|
(25) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen omdat Longteng geen bewijsmateriaal heeft verstrekt om duidelijk vast te stellen dat haar waarden voor de productiefactoren in kwestie niet-verstoord waren in de zin van artikel 2, lid 6 bis, tweede alinea, van de basisverordening. Elk argument dat is gebaseerd op een vergelijking met vertekende waarden is niet ter zake dienend. Wat de door Longteng voorgestelde alternatieve benchmarks betreft, merkte de Commissie bovendien op dat Brazilië geen voldoende representatieve hoeveelheden stikstof en zuurstof heeft ingevoerd, terwijl de Commissie, zoals uiteengezet in overweging 90 van de voorlopige verordening en in overweging 22 hiervoor, Maleisië heeft gekozen als het enige representatieve land met representatieve hoeveelheden voor alle drie de productiefactoren in kwestie. Daarom werd die bron niet geschikt geacht. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
3.1.2.3.2. VAA-kosten en winst
|
(26) |
Longteng stelde dat bepaalde kostenelementen van de “uitgaven voor marketing, verkoop en distributie”, zoals vracht-, uitvoer- en vervoerskosten en verkoopcommissies, niet in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van de VAA-kosten van de representatieve onderneming, omdat de normale waarde moet worden berekend in het stadium af fabriek. |
|
(27) |
De Commissie heeft de rekeningen van de Turkse producent opnieuw onderzocht, heeft het argument van Longteng aanvaard, en heeft die uitgaven uit de berekening van de VAA-kosten geschrapt. Anders dan in overweging 109 van de voorlopige verordening is gesteld, werden de financiële gegevens ontleend aan de rekeningen van de onderneming, die openbaar beschikbaar zijn op haar website. |
|
(28) |
Tegelijkertijd stelde de Commissie echter ook vast dat de voorlopige VAA-kosten en de winstmarges van de Turkse producent niet naar behoren waren berekend, aangezien bepaalde posten waren opgenomen/uitgesloten voor de berekening van de VAA-marge, maar niet in de berekening van de winstmarge, wat bij de berekening van de marges tot een discrepantie leidde. Gedetailleerde correcties zijn meegedeeld aan de medewerkende producent-exporteur in de VRC. De VAA-kosten en de winstpercentages werden bijgevolg herberekend en resulteerden in percentages van respectievelijk 13,3 % en 16,9 % van de niet-verstoorde totale productiekosten. |
|
(29) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Longteng dat de Commissie bij de berekening van de winstmarge van de representatieve onderneming ten onrechte de vervoerskosten, die uit de VAA-kosten waren verwijderd, in de winstberekening had opgenomen. Voorts voerde Longteng aan dat de vastgestelde VAA-kosten en de winstratio in de staalindustrie niet als realistisch kunnen worden beschouwd. |
|
(30) |
De Commissie heeft dit argument afgewezen, aangezien er geen reden was om bij de berekening van de winstratio de posten “andere inkomsten/uitgaven van hoofdactiviteiten” en “financiële inkomsten/uitgaven” niet in aanmerking te nemen, nu daarmee rekening is gehouden bij de berekening van de totale VAA-kosten. De opname van die elementen in de berekening van de winst en de VAA-kosten heeft geen invloed op de uiteindelijke bepaling van de dumping, aangezien elke vermeerdering/vermindering van VAA-kosten leidt tot een dienovereenkomstige verlaging/verhoging van de winstmarge. |
|
(31) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Longteng dat de Commissie de wisselkoersinkomsten en -uitgaven had moeten schrappen uit de berekening van de VAA-marge, aangezien deze voortvloeien uit grote schommelingen in de waarde van de Turkse lira tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(32) |
In dit verband was de Commissie van oordeel dat bij de berekening van de VAA-kosten normaliter rekening wordt gehouden met wisselkoersinkomsten en -uitgaven, mits die uitgaven verband houden met het onderzochte product. Indien die uitgaven waren uitgesloten, zouden zij bovendien de toepasselijke winstmarge navenant hebben verhoogd, waardoor zij geen invloed zouden hebben op het gecombineerde niveau van de VAA-kosten en de winst. Dit argument is derhalve afgewezen. |
|
(33) |
Longteng voerde ook aan dat de Commissie het winstpercentage niet had mogen aanpassen na aftrek van de vervoerskosten, zoals Longteng had gevraagd en is vermeld in overweging 29. Zij stelde ook dat de gebruikte VAA-kosten en winstpercentages voor de staalindustrie niet realistisch konden worden geacht. |
|
(34) |
De Commissie was van oordeel dat de berekeningen in overeenstemming waren met haar standaardpraktijk en dat de argumenten van Longteng geen geldige reden opleverden om anders te werk te gaan. De Commissie was van oordeel dat de door Longteng verstrekte cijfers geen betrekking hadden op het representatieve land en in dit onderzoek derhalve niet in aanmerking konden worden genomen. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
3.1.2.3.3. Energie
|
(35) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de Commissie vastgesteld dat de prijzen van elektriciteit en aardgas in Turkije sneller stegen dan de inflatie. Bovendien heeft het Turkse Instituut voor Statistiek geen informatie gepubliceerd over de prijzen van elektriciteit en aardgas in de tweede helft van 2022. Daarom heeft de Commissie besloten de niet-verstoorde kosten van elektriciteit en aardgas in Maleisië te gebruiken. Maleisië is immers een land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC en het werd ook gebruikt om de benchmark voor zuurstof, stikstof en kalksteen te berekenen. Bovendien is het ook in andere soortgelijke onderzoeken als representatief land gebruikt. |
|
(36) |
De elektriciteitsprijzen in Maleisië waren openbaar toegankelijk op de website van het elektriciteitsbedrijf TNB (6). De Commissie heeft de tarieven voor afnemers in de categorie “middenspanning” gebruikt. De aardgasprijzen in Maleisië waren openbaar toegankelijk op de website van de energiecommissie (7). De Commissie heeft de aardgastarieven voor industriële gebruikers in het vierde kwartaal van 2021 gebruikt en een verbruikscategorie geselecteerd die strookte met het aardgasverbruik van de klager.
|
||||||||||||
3.1.3. Berekening
|
(37) |
Met uitzondering van de in de overwegingen 26 tot en met 36 beschreven wijzigingen, heeft de Commissie de normale waarde berekend zoals in de overwegingen 110 tot en met 114 van de voorlopige verordening. |
3.1.4. Uitvoerprijs
|
(38) |
De details van de berekening van de uitvoerprijs staan in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening. Aangezien er geen opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, heeft de Commissie haar voorlopige conclusies bevestigd. |
3.1.5. Vergelijking
|
(39) |
De details van de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs zijn uiteengezet in de overwegingen 117 en 118 van de voorlopige verordening. Aangezien er geen opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, heeft de Commissie haar voorlopige conclusies bevestigd. |
3.1.6. Dumpingmarges
|
(40) |
Naar aanleiding van de conclusies over de argumenten van Longteng in de overwegingen 23 en 27 en de bevindingen in de overwegingen 28 en 36 heeft de Commissie de dumpingmarges opnieuw vastgesteld. |
|
(41) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif(kosten, verzekering en vracht)-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
3.2. Turkije
|
(42) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen ontving de Commissie schriftelijke opmerkingen van de Turkse overheid en Özkan Demir over de voorlopige bevindingen inzake dumping. Na de mededeling van de definitieve bevindingen ontving de Commissie schriftelijke opmerkingen van de Turkse overheid en Özkan Demir. |
3.2.1. Normale waarde
|
(43) |
De details van de berekening van de normale waarde staan in de overwegingen 122 tot en met 133 van de voorlopige verordening. |
|
(44) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde Özkan Demir in het kader van haar in overweging 74 uiteengezette subsidiaire argumenten, dat het criterium van normale handelstransacties (“NH-toets”) op kwartaalbasis had moeten worden getoetst. Özkan Demir rechtvaardigde dit op basis van de aanzienlijke stijging van de productiekosten, die in het onderzoektijdvak meer dan verdubbeld zijn. Volgens Özkan Demir heeft dit ertoe geleid dat sommige transacties als verliesgevend werden beschouwd, terwijl zij in feite op kwartaalbasis winstgevend waren. Özkan Demir stelde ook dat de Commissie in het verleden, toen zij geconfronteerd werd met aanzienlijke schommelingen in de productiekosten, een maandelijkse of driemaandelijkse dumpingberekening had uitgevoerd. Ter ondersteuning van haar beweringen heeft Özkan Demir tijdens de hoorzitting verwezen naar het panelverslag in de zaak Dominican Republic — AD on Steel Bars (Costa Rica) (8). |
|
(45) |
Om te beginnen merkte de Commissie op dat niets in de tekst van artikel 2, lid 4, van de basisverordening het gebruik van kwartaalgegevens over de productiekosten voorschrijft. Artikel 2, lid 4, noemt namelijk de “gewogen gemiddelde kostprijs in het onderzoektijdvak” als een redelijke termijn om te bepalen of de prijzen het mogelijk maken alle kosten terug te verdienen. Volgens de Commissie is het gebruik van de jaarlijkse productiekosten algemeen aanvaard en lijkt dit in de meeste gevallen passend, aangezien extreme en kortstondige schommelingen van zowel kosten als prijzen worden genegeerd. Dit is in de praktijk van veel met onderzoek belaste autoriteiten zelfs de norm. Van het gebruik van jaarlijkse gemiddelde kosten wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden afgeweken. De Commissie heeft dit argument zorgvuldig onderzocht om te beoordelen of er redenen zijn om af te wijken van de methode voor het uitvoeren van de NH-toets op basis van de jaarlijkse gemiddelde productiekosten. Zij concludeerde echter dat er in casu geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. |
|
(46) |
Ten eerste produceert Özkan Demir, zoals zij heeft uiteengezet, het onderzochte product niet continu. Tijdens het onderzoektijdvak waren er immers maanden waarin er helemaal geen productie was. Het gebruik van relatief korte intervallen (drie maanden in het geval van kwartalen) in een dergelijke situatie zou niet leiden tot een gemiddeld resultaat dat de kosten voor de bestreken periode nauwkeurig weergeeft. Met andere woorden, aangezien er in sommige kwartalen geen productiegegevens zouden zijn voor ten minste een derde van de relevante periode, zou het verkregen gemiddelde de relevante kosten gedurende het gehele kwartaal niet nauwkeurig weergeven. In een dergelijk geval is het beter een langere periode van één jaar te bekijken, aangezien het jaargemiddelde nauwkeuriger de productiekosten in die periode weergeeft. |
|
(47) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Özkan Demir dat de voorkeur voor een jaarlijkse berekening in plaats van een driemaandelijkse, bij gebrek aan productie in ten hoogste een derde van de relevante periode, onterecht is, aangezien de afwezigheid van productie in bepaalde maanden blijft bestaan. Zoals vermeld in overweging 46, was de Commissie van oordeel dat het gebruik van jaarlijkse gemiddelde productiekosten het mogelijk maakt de relevante kosten gedurende het hele jaar weer te geven, waardoor het effect van de afwezigheid van productie in bepaalde perioden afneemt. Met andere woorden, een gemiddelde voor een jaar geeft een nauwkeuriger beeld van de productiekosten in de betrokken periode, ook al ontbreken gegevens over de kosten voor enkele maanden van dat jaar. Özkan Demir heeft geen bewijs van het tegendeel geleverd. Dit is duidelijk niet het geval voor een gemiddelde van een kwartaal wanneer er voor het gehele derde van dat kwartaal geen kostengegevens beschikbaar zijn. Daarom werden de gemiddelde productiekosten voor de kwartalen waarin een derde van de gegevens over de productiekosten ontbrak, door de Commissie niet geacht representatief te zijn voor de periode die zij moesten dekken. In haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Özkan Demir geen argumenten of oplossingen aangedragen om in dit specifieke geval deze duidelijke tekortkoming van de kwartaalmethode aan te pakken. Voorts merkte de Commissie op dat er voor verschillende productsoorten een discrepantie bestond tussen de kwartalen waarin bepaalde modellen werden vervaardigd en de kwartalen waarin zij op de binnenlandse markt werden verkocht. Indien voor de kwartaalbenadering werd gekozen, zou het voor die productsoorten dus niet mogelijk zijn om een NH-toets uit hoofde van artikel 2, lid 4, van de basisverordening te verrichten. Voor sommige kwartalen waarin verkoop heeft plaatsgevonden, zouden immers helemaal geen kostengegevens beschikbaar zijn. Met andere woorden, de kwartaalbenadering zou niet alleen in het algemeen tot niet-representatieve waarden leiden, maar voor specifieke productsoorten zou het ook niet mogelijk zijn de in een kwartaal geldende prijs te vergelijken met de overeenkomstige kosten in dat kwartaal. Op basis hiervan werd bevestigd dat het gebruik van jaarlijkse gemiddelde productiekosten voor elk model het mogelijk maakt de relevante kosten gedurende het hele jaar weer te geven en dat het een geschikte basis is voor een jaarlijkse dumpingberekening. Het argument werd daarom afgewezen. |
|
(48) |
Ten tweede kunnen aan de hand van de door Özkan Demir verstrekte gegevens geen nauwkeurige en geverifieerde VAA-kosten voor elk kwartaal worden vastgesteld, aangezien deze informatie slechts op jaarbasis en voor het onderzoektijdvak als geheel is verstrekt. Er waren dus geen kwartaalgegevens beschikbaar om een driemaandelijkse dumpingberekening of NH-toets mogelijk te maken aan de hand van overeenkomstige informatie over elk kwartaal wat de VAA-kosten betreft. |
|
(49) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Özkan Demir dat de VAA-kosten in de loop van het onderzoektijdvak niet schommelden en verwees zij ter ondersteuning van haar argument naar de VAA-percentages voor 2021 en het onderzoektijdvak. Özkan Demir betoogde ook dat de Commissie niet om die informatie heeft verzocht, maar wel om maandelijkse productiekosten. |
|
(50) |
In dit verband was de Commissie van mening dat Özkan Demir, toen zij haar verzocht om driemaandelijkse dumpingberekeningen uit te voeren, alle relevante informatie had moeten verstrekken om de Commissie in staat te stellen die berekeningen te verrichten. Bij gebrek aan die informatie was de Commissie niet in staat om het niveau van de VAA-kosten in elk kwartaal te beoordelen. Bovendien heeft Özkan Demir bij de indiening van haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen evenmin de VAA-kosten op kwartaalbasis verstrekt. Wat de cijfers voor de VAA-kosten van 2021 en het onderzoektijdvak betreft, merkte de Commissie op dat de toepasselijke percentages weliswaar vergelijkbaar lijken, maar geen betrekking hebben op de verschillende kwartalen van het onderzoektijdvak en dus geen analytisch inzicht verschaffen in de schommelingen van die waarden in het onderzoektijdvak. Gezien de ongelijke schommelingen van de Turkse lira ten opzichte van de EUR en de USD in het onderzoektijdvak kan bovendien worden verwacht dat de VAA-kosten, die voor een groot deel uit wisselkoerswinsten en -verliezen bestaan, zich niet gelijkmatig hebben ontwikkeld. Dit argument is derhalve afgewezen. |
|
(51) |
Ten slotte was de binnenlandse verkoop, zoals ook vermeld in overweging 77, niet geconcentreerd in een bepaalde periode, maar was deze gelijk verdeeld over de kwartalen van het onderzoektijdvak, waarbij de grootste hoeveelheden in het derde kwart van het onderzoektijdvak werden verkocht. De uitvoer volgde hetzelfde patroon, zodat de verkoop van het onderzochte product zowel op de binnenlandse markt als op de uitvoermarkt gelijkmatig was verdeeld, waardoor een billijke vergelijking van de binnenlandse verkoop en de uitvoer in dezelfde periode mogelijk was. |
|
(52) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Özkan Demir dat de binnenlandse verkoop geconcentreerd was in het vierde kwartaal van 2021, en de uitvoer in het eerste kwartaal van 2022. De methode van Özkan Demir was echter gebrekkig, aangezien zij uitging van de besteldatum en niet van de factuurdatum. Indien de Commissie een driemaandelijkse dumpingberekening zou uitvoeren, zou zij bovendien de factuurdatum gebruiken om de verkopen per kwartaal te onderscheiden. De structuur van het handelsverkeer moet dus worden geanalyseerd door de verkoop per kwartaal te bepalen op basis van de factuurdatum. Hierbij kan worden opgemerkt dat de cijfers zowel voor de binnenlandse verkoop als voor de uitvoer het hoogste waren in het derde kwart van het onderzoektijdvak. Dit argument is derhalve afgewezen. |
|
(53) |
De Commissie merkte voorts op dat de Dominicaanse Republiek hoger beroep heeft ingesteld tegen het door Özkan Demir genoemde panelverslag in zaak DS605, dat dus niet is vastgesteld door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO. Bovendien verschillen de feiten in deze zaak. Bij het onderzoek in zaak DS605 werd meer dan 50 % van de verkoop uitgesloten van de berekening van de normale waarde. Bovendien had de kostenstijging in zaak DS605 slechts betrekking op één (belangrijke) grondstof, terwijl het in casu ging om een combinatie van een stijging van de productiekosten, inflatie en devaluatie van de munt. In het geval van Özkan Demir daarentegen bleek het overgrote deel van de binnenlandse verkoop (ongeveer [70-65 %] van het verkoopvolume) in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden, die dan ook voor de berekening van de normale waarde werd gebruikt. De reden hiervoor is dat de Commissie in het onderhavige geval ook tot de conclusie is gekomen dat de verkopen van Özkan Demir niet in een bepaald kwartaal waren geconcentreerd, maar waren gespreid over het hele onderzoektijdvak. |
|
(54) |
Wat voor de toepassing van artikel 2, lid 4, van de basisverordening van belang is, is dat de verkoopprijzen het mogelijk maken de kosten terug te verdienen en binnen een redelijke termijn tot duurzame winstgevendheid leiden; rentabiliteit op een specifiek tijdstip is minder belangrijk. |
|
(55) |
In dit verband en rekening houdend met de relevante WTO-rechtspraak herinnerde de Commissie eraan dat het panel in de zaak EC — Salmon (Norway) specifiek heeft erkend dat “een vaststelling dat is verkocht tegen prijzen boven de gewogen gemiddelde kosten tijdens het onderzoektijdvak zou volstaan om aan te tonen dat alle verkopen waarvan niet is vastgesteld dat de prijs ervan de gewogen gemiddelde kosten tijdens het onderzoektijdvak overschreed, het niet mogelijk maken binnen een redelijke termijn de kosten terug te verdienen” (9). Het panel besprak ook de betekenis van de woorden “op het tijdstip van de verkoop” en merkte in punt 7.243 op dat “artikel 2.2.1 [van de Antidumpingovereenkomst] niet verklaart wat wordt verstaan onder “prijzen die op het tijdstip van de verkoop beneden de kostprijs liggen”. In dit verband zien wij een gelijkenis tussen de eerste en de tweede zin van artikel 2.2.1. Hoewel beide zinnen voorzien in een berekening van de kosten per eenheid over een bepaalde periode, wordt in geen van beide precies vermeld wat deze periode zou moeten zijn. De tweede zin gaat weliswaar verder dan de eerste, aangezien daarin een kostenraming op het “tijdstip van de verkoop” wordt overwogen. Volgens ons betekent dit echter alleen dat de relevante periode “het tijdstip van de verkoop” moet omvatten. Het zou dus geheel in overeenstemming zijn met de tweede zin van artikel 2.2.1, indien een onderzoekende autoriteit de kosten per eenheid op het “tijdstip van de verkoop” berekent over de dag zelf van de verkoop, of over een gemiddelde met inbegrip van die dag, over een week, een maand of de onderzoeksperiode. Het panel verduidelijkte zijn redenering in voetnoot 417, waar het stelde: “In dit verband vinden wij het belangrijk dat de auteurs van de Antidumpingovereenkomst in artikel 2.4.1 de woorden “verkoopdatum” gebruikten, maar in de tweede zin van artikel 2.2.1 ervoor hebben gekozen “tijdstip van de verkoop” te gebruiken. Ons inziens pleit dit verschil voor de opvatting dat het in de tweede zin van artikel 2.2.1 bedoelde “tijdstip van de verkoop” niet noodzakelijkerwijs de “verkoopdatum” hoeft te zijn en ook andere “tijdsperioden” kan omvatten.” |
|
(56) |
De Commissie merkte ook op dat de beoordeling van de winstgevendheid van de binnenlandse verkoop op kwartaalbasis of op jaarbasis voor een aanzienlijk deel van de binnenlandse verkoop geen verschil maakte, zoals uiteengezet in overweging 81. |
|
(57) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen verwees Özkan Demir opnieuw naar het panelverslag in zaak DS605. Zoals vermeld in overweging 52, heeft de Dominicaanse Republiek tegen dit verslag hoger beroep ingesteld en is het derhalve niet vastgesteld door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO. Zoals vermeld in de overwegingen 46 tot en met 48 was een betrouwbare kwartaalberekening in het geval van Özkan Demir om zeer specifieke redenen die specifiek verband houden met de gegevens van de onderneming over het onderzoektijdvak onmogelijk. In het licht van bovenstaande overwegingen heeft de Commissie het verzoek om een driemaandelijkse NH-toets afgewezen. |
3.2.2. Uitvoerprijs
|
(58) |
De details van de berekening van de uitvoerprijs staan in de overwegingen 134 en 135 van de voorlopige verordening. Aangezien er geen opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, heeft de Commissie haar voorlopige conclusies bevestigd. |
3.2.3. Vergelijking
|
(59) |
De details van de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs zijn uiteengezet in de overwegingen 136 tot en met 138 van de voorlopige verordening. |
|
(60) |
Na de bekendmaking van de voorlopige verordening heeft Özkan Demir opmerkingen ingediend over het gebruik van de datum van de kooporder voor de omrekening van de normale waarde en de uitvoerprijs in Turkse lira (TRY) overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening. |
|
(61) |
Gezien de aanzienlijke devaluatie van de TRY tijdens het onderzoektijdvak en aangezien de materiële verkoopvoorwaarden werden vastgesteld op het moment van opstellen van de kooporder, zoals uiteengezet in overweging 138 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie bij de omrekening van de prijs van zowel de binnenlandse verkoop als de uitvoer van EUR en USD naar TRY overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening gebruikgemaakt van de wisselkoers op de datum van de kooporder (en niet van de factuurdatum). |
|
(62) |
Özkan Demir stelde dat de Commissie voor de valutaomrekening de factuurdatum had moeten gebruiken. Zij betoogde dat de materiële verkoopvoorwaarden niet waren vastgesteld ten tijde van de bestelling, aangezien sommige facturen betrekking hadden op hoeveelheden die buiten de in de kooporder vermelde tolerantie (± 5 of 10 %) vielen. De Commissie merkte echter op dat geen van de buiten de toleranties vallende verkopen door de afnemers is betwist, wat erop wijst dat toleranties, anders dan de basishoeveelheid en de prijs per eenheid, niet tot de materiële verkoopvoorwaarden behoren. Zoals vermeld in overweging 138 van de voorlopige verordening, bleek uit de analyse van de concrete praktijk van de Turkse producent-exporteur bovendien dat de materiële verkoopvoorwaarden, waaronder de hoeveelheden en de prijs, op het moment van opstellen van de kooporder vaststonden. |
|
(63) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Özkan Demir haar argument dat de Commissie voor de valutaomrekening de factuurdatum had moeten gebruiken. Özkan Demir voerde met name aan dat de materiële verkoopvoorwaarden en met name de uiteindelijke hoeveelheid en prijs pas op het moment van de factuur waren vastgesteld. Zij betoogde ook dat hoewel de Commissie erkende dat toleranties geen materiële verkoopvoorwaarden waren, zij als essentieel element voor de vaststelling van de materiële verkoopvoorwaarden nog steeds de kooporder hanteert, waarbij de tolerantie hoofdzakelijk de hoeveelheid betreft. |
|
(64) |
De Commissie merkte op dat het gebruik van toleranties een algemene praktijk is bij de verkoop van platbulbstaal en bij de verkoop van staalproducten in het algemeen. Ondernemingen in deze sector komen op het moment van opstellen van de kooporder hoeveelheden en eenheidsprijzen overeen. Het gebruik van toleranties is kenmerkend voor de staalsector, waar benaderende hoeveelheden met toleranties worden besteld om aan te geven dat de producenten, gezien de aard van het product, niet in staat zijn exacte hoeveelheden te leveren. Het gebruik van dergelijke toleranties doet geen afbreuk aan het feit dat de materiële verkoopvoorwaarden, namelijk hoeveelheden en eenheidsprijzen, worden vastgesteld op het moment van de bestelling. Die weerlegging wordt ook bevestigd door het feit dat geen van de buiten de toleranties vallende verkopen door de afnemers is betwist, zoals vermeld in overweging 62. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
|
(65) |
Özkan Demir stelde ook dat de Commissie onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij van haar standaardpraktijk is afgeweken en voor de omrekening de datum van de kooporder in plaats van de factuurdatum heeft gebruikt. Volgens de Commissie was de correctie toereikend gemotiveerd nu ter rechtvaardiging van de correctie was verwezen naar het tijdstip waarop de materiële verkoopvoorwaarden werden vastgesteld, de devaluatie van de TRY en het effect van de prijzen en de prijsvergelijking. Terwijl zowel de binnenlandse als de EU-verkoop in vreemde valuta wordt geprijsd, verschilt het tijdsverloop tussen de datum van de kooporder en de factuurdatum van de ene transactie tot de andere en is dit voor verkopen in de EU gemiddeld langer dan voor binnenlandse verkopen. De schommeling van de wisselkoers kan derhalve van invloed zijn op de prijsvergelijking en een billijke vergelijking vereist dat voor de valutaomrekening in TRY de datum van de verkoop wordt gebruikt. |
|
(66) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Özkan Demir haar argument dat de Commissie niet het vereiste bewijs heeft geleverd voor het uitvoeren van een correctie en dat zij niet de gevolgen van de wisselkoersschommelingen voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen heeft aangetoond. De Commissie merkte in de eerste plaats op dat de correctie waarin artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening voorziet, een valutaomrekening is die een dumpingberekening mogelijk maakt waarbij waarden voor kosten en prijzen in verschillende valuta’s moeten worden vergeleken. Özkan Demir betwist niet dat deze correctie noodzakelijk is. In het kader van deze correctie kiest de Commissie een datum voor een omrekeningskoers. Artikel 2, lid 10, punt j), bepaalt: “Indien […] de datum […] van de kooporder of van de orderbevestiging meer in overeenstemming is met de verkoopvoorwaarden, mag één van deze data worden gebruikt”. Zoals hierboven en in overweging 138 van de voorlopige verordening is uiteengezet, worden de materiële verkoopvoorwaarden in dit specifieke geval beter vastgesteld in de kooporder. Özkan Demir heeft dit in haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen niet kunnen weerleggen. De Commissie merkte namelijk op dat de Turkse lira in het onderzoektijdvak met ongeveer 74 % is gedevalueerd ten opzichte van de euro. De Commissie merkte ook op dat het tijdsverloop tussen de kooporder en de factuurdatum sterk varieerde: tussen 0 en 266 dagen voor binnenlandse verkoop en tussen 20 en 219 dagen voor verkoop in de EU. Dit betekent dat, indien de wisselkoers van de factuurdatum was gebruikt, de op het moment van opstellen van de kooporder vastgestelde materiële verkoopvoorwaarden (zoals prijzen) als gevolg van de devaluatie van de Turkse lira zouden zijn vertekend door een aanzienlijk verschil in de wisselkoers tussen die datum en de factuurdatum. De Commissie merkte ook op dat Özkan Demir voor haar binnenlandse en exportverkopen gebruik maakte van vreemde valuta’s, waaruit blijkt dat zij grote schommelingen in de waarde van haar nationale munteenheid ten opzichte van vreemde valuta’s verwachtte. De onderneming verzachtte dus zelf de gevolgen van de devaluatie voor de op het moment van opstellen van de kooporder overeengekomen prijs en voor de inkomsten die de overeengekomen prijs bij facturering kon opleveren. Met andere woorden, Özkan Demir gebruikte zelf op de valuta gebaseerde mechanismen om te voorkomen dat de in de kooporders overeengekomen prijzen door de devaluatie van de Turkse nationale munt werden verstoord. |
|
(67) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen verwees Özkan Demir naar een eerder onderzoek (10) waarin twee Turkse exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening om een valutaomrekening hadden verzocht, en voerde aan dat de Commissie een lagere bewijsstandaard hanteerde als zij een correctie voor valutaomrekening verrichtte. Op basis van de feiten van het onderhavige geval was de Commissie van oordeel dat zij had aangetoond dat er voldoende elementen waren die het gebruik van de aankoopdatum als wisselkoersdatum rechtvaardigden, zoals bedoeld in overweging 138 van de voorlopige verordening en de overwegingen 61 tot en met 66 hierboven. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
|
(68) |
Voorts stelde Özkan Demir dat het gebruik van de orderdatum had geleid tot een wijziging van het onderzoektijdvak en tot het gebruik van onvolledige gegevens. De Commissie was het daar niet mee eens en meende dat het onderzoektijdvak ongewijzigd bleef. Het onderzoektijdvak werd consequent gebruikt om de dumpingberekening vast te stellen en te baseren op een volledige reeks transacties met een factuurdatum in het onderzoektijdvak. Het gebruik van de orderdatum was strikt beperkt tot de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening. |
|
(69) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Özkan Demir haar argument dat de Commissie onvolledige gegevens heeft gebruikt, omdat de datum van de verkoop werd gewijzigd van factuurdatum tot besteldatum. Aangezien er op dit punt geen nieuwe elementen werden aangevoerd, verwees de Commissie naar overweging 68 waarin het argument van Özkan Demir wordt weerlegd. |
|
(70) |
In haar opmerkingen verwees Özkan Demir ook naar de instructies in de tot haar gerichte antidumpingvragenlijst; zij stelde dat zij de opdracht had gekregen om “de factuurdatum als verkoopdatum te gebruiken om te bepalen welke verkopen binnen het onderzoektijdvak vallen” en dat het gebruik van de orderdatum in de berekening in strijd was met die instructies en tot een wijziging van de dataset leidde. In hetzelfde verband verwees Özkan Demir naar de zaak Dominican Republic — AD on Steel Bars (Costa Rica) (11), waarin de EU stelde dat “de met het onderzoek belaste autoriteiten uitvoerprijzen en binnenlandse prijzen moeten gebruiken die uit hetzelfde [onderzoektijdvak] dateren en op dezelfde criteria (bv. de factuurdatum) zijn gebaseerd”. In dit verband wordt verwezen naar overweging 68, waarin wordt bevestigd dat de factuurdatum wordt gebruikt om het onderzoektijdvak voor zowel de binnenlandse verkoop als de uitvoer vast te stellen, maar de orderdatum als methode voor de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
|
(71) |
Aangezien alle uitvoer naar de EU en de meeste binnenlandse verkopen in euro plaatsvonden, stelde Özkan Demir dat de dumpingmarge in euro kon worden berekend om elk effect van valutaomrekening te vermijden. Özkan Demir merkte op dat de basisverordening niets zegt over de valuta die moet worden gebruikt voor de berekening van de dumpingmarge. De Commissie was echter van mening dat voor deze methode ook de productiekosten en de verkoopprijs van bepaalde binnenlandse verkopen in euro zouden moeten worden omgerekend. Daarom werd het passend geacht de dumpingberekeningen te verrichten in de munt van het land van uitvoer. |
|
(72) |
Op grond hiervan werden de argumenten van Özkan Demir afgewezen. |
|
(73) |
De klager stelde dat als basis voor de valutaomrekening de datum van het aanbod (die voorafgaat aan de datum van de order) moet worden gebruikt. Artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening voorziet echter niet in een dergelijke basis voor omrekening. Belangrijker nog is dat een aanbod niet kan worden beschouwd als een overeenkomst over de materiële verkoopvoorwaarden tussen twee partijen. Het argument van de klager werd dan ook afgewezen. |
|
(74) |
Özkan Demir voerde een aantal subsidiaire argumenten aan voor het geval dat de Commissie haar argumenten inzake het gebruik van de datum van de kooporder voor een correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening zou afwijzen. |
|
(75) |
Het eerste subsidiaire argument bestond erin de transacties met een orderdatum buiten het onderzoektijdvak uit te sluiten. Volgens de Commissie zou deze methode betekenen dat een aanzienlijk aantal transacties die in het onderzoektijdvak waren gefactureerd, buiten beschouwing zou worden gelaten. Het onderzoektijdvak en de daarmee samenhangende transacties kunnen in de loop van het onderzoek niet worden gewijzigd, zoals ook Özkan Demir in haar opmerkingen terecht in herinnering heeft gebracht. Dit argument is derhalve afgewezen. |
|
(76) |
Het tweede subsidiaire argument bestond erin dat de dumpingberekening op kwartaalbasis moet worden uitgevoerd. |
|
(77) |
Ten eerste rechtvaardigde Özkan Demir dit argument met de grote devaluatie en de hyperinflatie in Turkije tijdens het onderzoektijdvak. De Commissie merkte echter op dat het patroon van de binnenlandse verkoop en dat van de uitvoer geen wezenlijk verschil vertoonde dat berekeningen op kwartaalbasis zou rechtvaardigen. De binnenlandse verkoop en de uitvoer waren immers gelijkmatig over de kwartalen verdeeld, waarbij zowel op de binnenlandse markt als op de exportmarkt de grootste hoeveelheden in het derde kwart van het onderzoektijdvak werden verkocht. Hoewel er onvermijdelijk verschillen zullen optreden in de verdeling van de binnenlandse verkoop en de uitvoer, kan de Commissie alleen in uitzonderlijke situaties afwijken van een jaarlijkse aanpak en in plaats van jaarlijkse berekeningen kwartaalberekeningen uitvoeren. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie was geen sprake en dit argument kon derhalve niet tot een andere methode leiden. |
|
(78) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Özkan Demir dezelfde argumenten die voorkomen in de overwegingen 75 en 76. Aangezien er op dit punt geen nieuwe elementen werden aangevoerd, verwees de Commissie naar overweging 77 waarin het argument van Özkan Demir wordt weerlegd. |
|
(79) |
Bovendien heeft Özkan Demir, vóór de mededeling van de voorlopige bevindingen, in haar antwoord op de tweede schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens uitdrukkelijk verklaard dat een maandelijkse berekening in dit geval mogelijk niet passend is. De Commissie ziet niet in waarom een driemaandelijkse dumpingberekening nauwkeuriger zou zijn dan een maandelijkse berekening, die door de onderneming is afgewezen. Een maandelijkse berekening zou immers, althans in theorie, de gevolgen van een aanzienlijke kostenstijging in het onderzoektijdvak en/of een hoge inflatie en een devaluatie van de TRY nog verder moeten neutraliseren. De Commissie kan niet worden verplicht af te wijken van de standaardmethode overeenkomstig de basisverordening telkens wanneer een producent-exporteur om een andere methode verzoekt die zijn dumpingmarge zou verbeteren. |
|
(80) |
Zoals in overweging 77 reeds is uiteengezet, waren de binnenlandse verkoop en de uitvoer trouwens gelijkmatig over de kwartalen verdeeld, waarbij zowel op de binnenlandse markt als op de exportmarkt de grootste hoeveelheden werden verkocht in het derde kwart van het onderzoektijdvak. Hieruit bleek dat overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking werd gemaakt tussen verkopen die in de tijd zo dicht mogelijk bij elkaar lagen. Dat de percentages van de omvang van de uitvoer en de binnenlandse verkoop voor bepaalde productsoorten volgens Özkan Demir per kwartaal licht verschilden, doet aan deze conclusie niet af. Bovendien blijkt uit de theoretische voorbeelden die Özkan Demir heeft gegeven (12) dat verschillen in het tijdstip van de verkoop inderdaad relevant zijn, maar anderszins een vereenvoudiging van de realiteit zijn, aangezien bijvoorbeeld de devaluatie van de TRY ten opzichte van de euro niet in aanmerking wordt genomen. |
|
(81) |
Bovendien zou een berekening van de dumping op kwartaalbasis slechts in zeer beperkte mate tegemoetkomen aan de bezorgdheid van Özkan Demir dat de binnenlandse verkoop als verlieslatend zou worden beschouwd, terwijl zij, wanneer gebruik wordt gemaakt van kwartaal- of maandberekeningen, op een bepaald moment slechts in zeer beperkte mate winstgevend waren. Zelfs indien de Commissie de dumping op kwartaalbasis zou berekenen, zou het aandeel van de binnenlandse verkoop dat als winstgevend zou worden beschouwd, niet significant toenemen (minder dan 10 %) in vergelijking met de jaarlijkse dumpingberekeningen. |
|
(82) |
Daarom concludeerde de Commissie per saldo dat er in dit geval onvoldoende redenen waren om af te wijken van de jaarlijkse dumpingberekening en een andere methode toe te passen. Dit argument is derhalve afgewezen. |
|
(83) |
Ten tweede was het laatste subsidiaire argument dat de Commissie de kosten van de in TRY geboekte correcties, die voornamelijk betrekking hadden op vervoerskosten, had moeten herberekenen door de wisselkoers op de datum van bestelling toe te passen in plaats van de factuurdatum, in overeenstemming met de berekening van de waarde van de verkopen. De Commissie merkte op dat het gebruik van de besteldatum betrekking had op een correctie voor valutaomrekening overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt j), van de basisverordening, terwijl correcties met betrekking tot kosten van vervoer, verzekering, overlading, lossing en aanverwante kosten onder artikel 2, lid 10, punt e), van de basisverordening vallen, waarin de gemaakte kosten worden gebruikt. Dit argument is derhalve afgewezen. |
3.2.4. Dumpingmarge
|
(84) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif(kosten, verzekering en vracht)-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie
|
(85) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 143 tot en met 145 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(86) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 146 tot en met 149 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3. Invoer uit de betrokken landen
4.3.1. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(87) |
De Turkse overheid stelde dat de invoer voor elk betrokken land afzonderlijk moest worden onderzocht. Volgens de Turkse overheid heeft de Commissie de invoer cumulatief geanalyseerd “om een toename van de invoer te kunnen vaststellen en een maatregel te kunnen nemen”. Verder stelde de Turkse overheid dat een groei van het marktaandeel van de betrokken landen met 4 % geen aanzienlijke toename van de invoer is, zoals bepaald in de WTO-antidumpingovereenkomst. |
|
(88) |
Het besluit van de Commissie om de invoer uit China en Turkije cumulatief te onderzoeken, strookt met artikel 3, lid 4, van de basisverordening en artikel 3.3 van de WTO-antidumpingovereenkomst. Beide artikelen bevatten twee voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling door de Commissie, namelijk dat: “a) de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, [van de basisverordening en artikel 5.8 van de WTO-antidumpingovereenkomst] en de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is, en b) een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke [binnenlandse] product uit de Unie passend is”. |
|
(89) |
De door de Turkse overheid genoemde “aanzienlijke toename van de invoer” maakt geen deel uit van deze voorwaarden. De Turkse overheid heeft niet betwist dat in deze zaak deze beide elementen voorhanden waren. De conclusie in de overwegingen 150 tot en met 153 van de voorlopige verordening dat aan de voorwaarden voor cumulatieve beoordeling was voldaan, werd derhalve bevestigd. |
4.3.2. Volume en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen
|
(90) |
Zoals vermeld in overweging 87, stelde de Turkse overheid dat de groei van het marktaandeel van de betrokken landen met 4 % tussen 2019 en het onderzoektijdvak, zoals weergegeven in tabel 3 van de voorlopige verordening, niet aanzienlijk (“significant”) kon worden geacht. Volgens de WTO moet het Engelse woord “significant” echter worden geïnterpreteerd zoals gedefinieerd in de “Oxford dictionary”, namelijk “noteworthy; consequential, influential” (opmerkelijk, zwaarwegend, invloedrijk). Bovendien bevat artikel 3.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst (gelijkwaardig aan artikel 3, lid 3, van de basisverordening), waarin wordt verwezen naar de noodzaak om na te gaan of er sprake is van een aanzienlijke toename van de invoer met dumping, “geen minimumdrempel voor wat als een “aanzienlijke” toename kan worden aangemerkt; of een toename “aanzienlijk” is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval (13)”. |
|
(91) |
In het onderhavige geval beschouwde de Commissie een toename van 4 % als aanzienlijk, met name in het licht van de veel grotere stijgingen in de voorgaande jaren van de betrokken periode. Zoals uiteengezet in overweging 157 van de voorlopige verordening, was het lagere marktaandeel in het onderzoektijdvak in vergelijking met de jaren 2020 en 2021 toe te schrijven aan een bijzondere situatie op de markt van de Unie die niet structureel was of waarschijnlijk zou voortduren na het onderzoektijdvak. Derhalve heeft de Commissie dit argument afgewezen en de overwegingen 154 tot en met 157 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3.3. Prijzen van de invoer uit de betrokken landen, prijsonderbieding en verhindering van een prijsverhoging
|
(92) |
Na de bekendmaking van de voorlopige verordening betwistte Özkan Demir de door de Commissie gebruikte methode voor de berekening van de prijsonderbieding. Volgens dit argument heeft de Commissie een “dubbele omrekening” van de verkopen in de EU uitgevoerd door de bedragen in euro op de facturen van Özkan Demir om te rekenen in TRY op basis van de wisselkoers van de datum van de bestelling en vervolgens terug te rekenen naar EUR tegen een andere wisselkoers, namelijk die van de maand van de factuur. De Commissie erkende deze fout en verrichtte de nodige correctie door de bedragen in euro op de facturen van Özkan Demir (gecorrigeerd tot de cif-aanvoerwaarde) te gebruiken om de invoerprijzen te berekenen. |
|
(93) |
Bijgevolg werd ook de gemiddelde invoerprijs voor Turkije in het onderzoektijdvak in tabel 4 van de voorlopige verordening gecorrigeerd, zoals blijkt uit de onderstaande tabel: Tabel 4 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(94) |
Na deze correctie werd de gemiddelde prijsonderbiedingsmarge voor Turkije minimaal, met een prijsbederfmarge voor Turkije van 15,41 %. Zoals geconcludeerd in punt 4.3.3 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie vastgesteld dat een prijsverhoging werd verhinderd. Door de aanzienlijke prijsdruk die werd veroorzaakt door de zeer grote invoer met dumping op de markt van de Unie, kon de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen in de betrokken periode niet verhogen om een winstgevende situatie te bereiken. |
|
(95) |
De Turkse overheid vroeg of de Commissie rekening heeft gehouden met de last die op ingevoerd platbulbstaal drukte als gevolg van de vrijwaringsmaatregelen die tijdens het onderzoektijdvak van kracht waren ten aanzien van staalproducten (14), waaronder het betrokken product. Indien het tariefcontingent voor de productgroep die platbulbstaal omvat, is opgebruikt, zouden de importeurs op de boven het contingent ingevoerde producten vrijwaringsrechten van 25 % moeten betalen. |
|
(96) |
Bij de analyse van het effect van de vrijwaringsrechten heeft de Commissie rekening gehouden met het tijdelijke karakter van de vrijwaringsrechten, zoals uiteengezet in overweging 252 van de voorlopige verordening. Bovendien werd vastgesteld dat in het onderzoektijdvak vrijwaringsrechten werden betaald op slechts 18,5 % van alle invoer van platbulbstaal in de Unie. De beschikbare douanegegevens voor deze periode maakten het echter niet mogelijk onderscheid te maken tussen het onderzochte product en ander platbulbstaal, dat maten omvat die buiten de productomschrijving van het huidige onderzoek vallen. Aangezien de grotere afmetingen platbulbstaal niet in de Unie worden geproduceerd, is het echter waarschijnlijk dat deze een groter deel van de invoervolumes uitmaakten dan het onderzochte product. Dit werd bevestigd door informatie die werd verstrekt tijdens de controle ter plaatse bij de medewerkende gebruiker in de Unie Fincantieri. |
|
(97) |
Aangezien 1) voor meer dan 80 % van het uit Turkije ingevoerde platbulbstaal geen vrijwaringsrechten golden, 2) het waarschijnlijk is dat een groot deel van het platbulbstaal waarop vrijwaringsrechten werden betaald, buiten het toepassingsgebied van dit onderzoek viel, 3) er geen bewijsmateriaal is verstrekt waaruit het effect van de vrijwaringsrechten op de uitvoerprijzen van de Turkse producenten-exporteurs blijkt, en 4) vrijwaringsrechten tijdelijk van aard zijn, was de Commissie van oordeel dat een correctie van de cif-prijzen om rekening te houden met de vrijwaringsrechten niet gerechtvaardigd was. Wat de toepassing van de vrijwaringsrechten op platbulbstaal uit de VRC betreft, waren de contingenten in geen van de kwartalen van het onderzoektijdvak uitgeput. |
|
(98) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Turkse overheid haar opmerkingen over de opname van de vrijwaringsmaatregelen in de berekening van de schademarge. Volgens de Turkse overheid zou het opnemen van de vrijwaringsmaatregelen in de berekening de schademarge mogelijk kunnen verlagen tot onder de dumpingmarge. Zoals in de overwegingen 96 en 97 is opgemerkt, was in het onderzoektijdvak echter slechts een beperkt uitvoervolume onderworpen aan vrijwaringsmaatregelen. Er is geen bewijs geleverd dat een dergelijk beperkt volume volledig onderworpen zou zijn geweest aan de betaling van het vrijwaringsrecht van 25 %. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de vrijwaringsmaatregel enig gevolg zou hebben gehad voor de uitvoerprijzen. |
|
(99) |
Bovendien heeft de Commissie geen bewijsmateriaal met betrekking tot de gevolgen van de vrijwaringsmaatregelen voor de uitvoerprijzen ontvangen. Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Turkse overheid dat noch zij, noch de Turkse exporteurs informatie hebben over de invloed van de vrijwaringsrechten op de prijzen van exporteurs, aangezien alleen importeurs over die informatie zouden beschikken. Zij stelde dat de Commissie zich in plaats daarvan zou moeten baseren op invoertransacties en douaneaangiften. Prijzen worden echter vastgesteld tussen leverancier en afnemer. Als de vrijwaringsrechten van invloed zouden zijn geweest op de uitvoerprijzen, zou deze kwestie waarschijnlijk aan bod zijn gekomen in de prijsonderhandelingen. De invloed ervan op de uitvoerprijzen zou de producenten-exporteurs dus zeer wel bekend zijn. Geen enkele importeur of producent-exporteur heeft echter om een dergelijke correctie verzocht en er is evenmin bewijsmateriaal verstrekt dat voor de berekening van een dergelijke correctie kon worden gebruikt. Dit argument is derhalve afgewezen. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(100) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 164 tot en met 167 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2. Macro-economische indicatoren
4.4.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(101) |
De Turkse overheid verklaarde dat de Commissie “ervan uitgaat dat het faillissement van Laminorul verband houdt met de toename van de invoer en de vermeende dumping” en dat de Commissie de oorzaken van het faillissement van Laminorul grondig moet analyseren. Daarnaast vroeg de Turkse overheid of de gegevens van Laminorul in aanmerking werden genomen bij de cijfers inzake productie, capaciteit en bezettingsgraad. |
|
(102) |
De Commissie heeft nooit enige verklaring afgelegd over de oorzaken van de teloorgang van Laminorul. Het faillissement van die onderneming is immers een feit, dat alleen als zodanig in aanmerking is genomen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 11 en 12 van de voorlopige verordening, was de Commissie van oordeel dat Laminorul tijdens de beoordelingsperiode deel uitmaakte van de bedrijfstak van de Unie en was de onderneming daarom opgenomen in haar gegevens en analyse. |
|
(103) |
Zoals in overweging 12 van de voorlopige verordening eveneens is uiteengezet, werd in meerdere delen van de voorlopige verordening uitdrukkelijk rekening gehouden met het effect van de opname van de gegevens van Laminorul in haar analyse. Dit was ook het geval voor de productie en de capaciteit, waarvoor de Commissie in de overwegingen 169 en 170 van de voorlopige verordening heeft aangetoond dat zonder Laminorul de productievolumes en de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode daalden, terwijl de capaciteit stabiel bleef. Deze argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(104) |
Aangezien hierover geen andere argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werd de conclusie in de overwegingen 168 tot en met 170 van de voorlopige verordening dan ook bevestigd. |
4.4.2.2. Verkoopvolume en marktaandeel
|
(105) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 171 en 172 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.3. Groei
|
(106) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in overweging 173 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(107) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 174 tot en met 176 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(108) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 177 en 178 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3. Micro-economische indicatoren
4.4.3.1. Prijzen en factoren die prijzen beïnvloeden
|
(109) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 179 tot en met 181 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.2. Loonkosten
|
(110) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 182 en 183 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.3. Voorraden
|
(111) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 184 en 185 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(112) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 186 tot en met 190 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.4. Conclusie inzake schade
|
(113) |
Gelet op hetgeen voorafgaat en aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 191 tot en met 198 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(114) |
De Turkse overheid stelde dat het marktaandeel van Turkije in de betrokken periode daalde, en in het onderzoektijdvak een niveau bereikte dat onder dat van 2019 lag. Daarnaast wees zij erop dat de producent in de Unie zijn verkoop kon verhogen, met een hogere prijsstijging dan de stijging van de productiekosten. Volgens haar toont dit aan dat de bedrijfstak van de Unie niet concurrerend is. |
|
(115) |
De Commissie merkte echter op dat het marktaandeel van Turkije in zowel 2020 als 2021 boven het niveau van 2019 lag, en in het onderzoektijdvak slechts een beetje onder dat niveau. Zoals reeds uiteengezet in overweging 91 hierboven en in overweging 157 van de voorlopige verordening, hield deze lichte daling van het marktaandeel in het onderzoektijdvak grotendeels verband met een niet-structurele gebeurtenis in deze periode, die waarschijnlijk niet zou voortduren na het onderzoektijdvak. Aangezien de Commissie voor de schadeanalyse de invoer uit Turkije en de VRC gecumuleerd heeft onderzocht, zijn specifieke veranderingen met betrekking tot de invoer uit Turkije hoe dan ook niet relevant. |
|
(116) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Turkse overheid dat de Commissie “de positieve tendens van de indicatoren van de bedrijfstak van de Unie inzake niet-structurele elementen van de markt niet mag negeren en net kan stellen dat de bedrijfstak aanmerkelijke schade lijdt”. Uit de conclusie inzake schade in punt 4.4.4. van de voorlopige verordening bleek echter duidelijk dat de indicatoren van de bedrijfstak van de Unie geen positieve tendens vertoonden. De niet-structurele elementen van de markt waarnaar de Turkse overheid verwees, betroffen alleen de toename van het marktaandeel van de Unie tussen 2020 en het onderzoektijdvak, die, zoals reeds is uiteengezet, waarschijnlijk van tijdelijke aard was. Bovendien was het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak nog steeds kleiner dan in 2019, het begin van de betrokken periode. |
|
(117) |
Wat de door de Turkse overheid vermelde grotere stijging van de prijzen dan de stijging van de productiekosten betreft, lag de gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie gedurende het gehele onderzoektijdvak steeds onder de productiekosten. Naast het feit dat de analyse van de Commissie niet beperkt was tot de invoer uit Turkije, maar werd gecombineerd met de invoer uit de VRC, merkte de Commissie op dat de voortdurende instroom van laaggeprijsde invoer met dumping uit zowel Turkije als de VRC de bedrijfstak van de Unie belette zijn prijzen op te trekken tot het niveau dat nodig was om een winstgevende situatie te bereiken. Dit werd door geen enkele belanghebbende betwist. Het argument van de Turkse overheid werd dan ook afgewezen. |
|
(118) |
In het licht van het voorgaande en aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de overwegingen 200 tot en met 206 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
|
(119) |
De Turkse overheid drong er bij de Commissie op aan de invloed te onderzoeken van andere factoren, zoals technologische veranderingen, voorkeuren van afnemers en de concurrentiedruk van invoer zonder dumping, die volgens haar van de analyse van de Commissie waren uitgesloten. |
|
(120) |
Ten eerste was het niet duidelijk welke technologische veranderingen de Turkse overheid bedoelde, en geen enkele belanghebbende heeft daarover enig ondersteunend bewijsmateriaal verstrekt. |
|
(121) |
Ten tweede werd in de analyse in punt 2.3 van de voorlopige verordening rekening gehouden met de invloed van de voorkeuren van afnemers voor ingevoerd platbulbstaal ten opzichte van in de Unie geproduceerd platbulbstaal. Daarin werd uitgelegd dat in de betrokken landen en in de Unie geproduceerd platbulbstaal dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen heeft en voor dezelfde basisdoeleinden wordt gebruikt. Afnemers kunnen voorkeuren hebben, maar die spelen geen rol bij de analyse van dumping of schade. De opgelegde maatregelen zijn hoe dan ook niet bedoeld om de markt af te sluiten of om partijen van de markt te verwijderen. Dit argument was dus irrelevant. |
|
(122) |
Ten derde werd de concurrentiedruk van de invoer zonder dumping uitvoerig geanalyseerd in punt 5.2.1 van de voorlopige verordening. Daarin werd geconcludeerd dat, gezien de bijzondere kenmerken van de productie van platbulbstaal in het Verenigd Koninkrijk en de relatief hoge invoerprijzen, de concurrentiedruk van die invoer geen afbreuk deed aan het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen. |
|
(123) |
De medewerkende gebruiker in de Unie, Fincantieri, stelde dat de Commissie de gevolgen van het faillissement van Laminorul en van de COVID-19-pandemie voor de prestaties van de bedrijfstak van de Unie heeft onderschat. Volgens Fincantieri heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld dat deze factoren geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen. In dit verband wees Fincantieri met name op het verdwijnen van Laminorul als oorzaak van de schade voor de bedrijfstak van de Unie als geheel. |
|
(124) |
Zoals uiteengezet in overweging 103, werd in de gehele voorlopige verordening echter aangetoond dat er sprake was van schade, ongeacht of in de schadeanalyse rekening werd gehouden met Laminorul. Uit de gegevens blijkt duidelijk dat niet kan worden gesteld dat “de negatieve indicatoren van de prestaties van de bedrijfstak van de Unie in 2019” — of in de rest van de betrokken periode — “hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend” werden veroorzaakt door het faillissement van Laminorul, zoals Fincantieri beweert. |
|
(125) |
Zo bedroeg de bezettingsgraad zowel met als zonder Laminorul in 2019 minder dan 50 % (overweging 170 van de voorlopige verordening), bedroeg het marktaandeel minder dan 50 % (overwegingen 171 en 172), lag de gemiddelde verkoopprijs in de Unie onder de productiekosten (tabel 8 van de voorlopige verordening), was de klager verliesgevend (tabel 11 van de voorlopige verordening) en was er een negatief rendement op investeringen (ook tabel 11). Zoals ook werd geconcludeerd in punt 4.4.4 van de voorlopige verordening, viel deze negatieve schadesituatie samen met aanzienlijke hoeveelheden invoer met dumping uit de betrokken landen. |
|
(126) |
Fincantieri verwees ook naar de verklaring in overweging 172 van de voorlopige verordening dat een deel van de verkoop van Laminorul werd vervangen door invoer in plaats van door verkoop van andere producenten in de Unie. |
|
(127) |
In dit verband stelde Fincantieri dat, ten eerste, de producenten in de Unie een primaire voorzieningsbron voor de scheepsbouwsector in de Unie bleven. |
|
(128) |
Ten tweede stelde Fincantieri dat het feit dat de producent in de Unie Olifer s.p.l. (“Olifer”) zich niet heeft gemeld, aantoont dat diens economische situatie niet negatief werd beïnvloed door de invoer uit de betrokken landen. Dit toont volgens Fincantieri aan dat het probleem bij de klager Losal ligt. Fincantieri betoogde dat het bedrijfsmodel van Losal ernstige structurele tekortkomingen vertoonde. Volgens Fincantieri had Losal te lijden onder dezelfde structurele en logistieke problemen die tot het faillissement van Laminorul hebben geleid en die het gevolg waren van factoren die geen verband hielden met de invoer uit de betrokken landen. |
|
(129) |
Hoewel de producenten in de Unie inderdaad een belangrijke bevoorradingsbron waren voor de scheepsbouwsector in de Unie, werd [57,0-64,0 %] van de markt tijdens het onderzoektijdvak bevoorraad door invoer uit Turkije en de VRC. De betrokken landen waren derhalve de belangrijkste bevoorradingsbron voor de scheepsbouwers in de Unie, en niet de bedrijfstak van de Unie. |
|
(130) |
Waarom Olifer niet heeft meegewerkt, is de Commissie niet bekend, maar dat kan bijvoorbeeld worden verklaard door de tijd en de inspanningen die nodig zijn om mee te werken aan een onderzoek, die niet onbeduidend zijn, met name voor een kleine en middelgrote onderneming zoals Olifer. Het zou ook kunnen dat zij vreest om haar belangrijkste klanten, waaronder Fincantieri, te irriteren. Hoe dan ook was er geen bewijs dat de niet-medewerking van Olifer een aanwijzing was voor haar economische situatie. Bovendien heeft van de gebruikers in de Unie alleen Fincantieri zelf aan het onderzoek meegewerkt. Indien het argument van Fincantieri aangaande Olifer hout snijdt, zou hetzelfde kunnen worden gezegd voor de scheepsbouwsector van de Unie, die bestaat uit een groot aantal andere ondernemingen dan Fincantieri. Bovendien was de analyse van de Commissie ook gebaseerd op de macro-economische indicatoren die zijn vermeld in punt 4.4.2 van de voorlopige verordening. Voor die analyse was het irrelevant wie wel en wie niet heeft meegewerkt. |
|
(131) |
Wat het argument betreft dat de huidige situatie van Losal te wijten is aan structurele problemen die vergelijkbaar zijn met die van Laminorul vóór haar faillissement, was de Commissie niet in staat de situatie van de twee ondernemingen te vergelijken. Uit openbaar beschikbare informatie en opmerkingen van zowel Losal als Fincantieri bleek dat er geen consensus was over de redenen voor de teloorgang van Laminorul en haar uiteindelijke faillissement. |
|
(132) |
Uit de door zowel Losal als Fincantieri verstrekte informatie bleek echter wel dat er tijdens het onderzoektijdvak inderdaad problemen waren met de leveringen door Losal. Op basis van verklaringen van zowel Fincantieri in haar opmerkingen over de opening van het onderzoek als van Losal tijdens de controle ter plaatse, leken die problemen echter beperkt te zijn gebleven tot twee specifieke bestellingen en hebben zij slechts een deel daarvan beïnvloed. De moeilijkheden waren voornamelijk te wijten aan vervoersproblemen die werden veroorzaakt door stakingen van bepaalde vervoersondernemingen en de moeilijkheid om bedrijven te vinden die konden leveren in Palermo (Italië). Hoe dan ook werd vervolgens specifiek voor Fincantieri een systeem ingevoerd waardoor de gebruiker wekelijks de status van zijn bestellingen kon volgen. Bovendien was Fincantieri slechts een van de vele afnemers van Losal (zij het een belangrijke) en geen enkele andere klant/gebruiker heeft zich gemeld om dit argument te staven. |
|
(133) |
Fincantieri stelde ook dat Losal niet over een regelmatig voortschrijdend programma beschikte en pas met de productie begon wanneer haar klanten een aanzienlijk aantal orders hadden geplaatst. Volgens het bewijsmateriaal dat tijdens het controlebezoek aan Losal is verzameld, was dit echter onjuist. |
|
(134) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Fincantieri haar opmerkingen over de structurele problemen van Losal en verklaarde zij dat de Commissie de gevolgen hiervan voor Fincantieri heeft onderschat. Bovendien herhaalde Fincantieri haar argument dat de negatieve prestaties het gevolg waren van factoren die geen verband hielden met de invoer uit de betrokken landen. Ter ondersteuning van deze verklaringen werden geen nieuwe elementen naar voren gebracht. |
|
(135) |
Gezien het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de argumenten van Fincantieri betreffende de gevolgen van het faillissement van Laminorul en de structurele en logistieke problemen van de klager niet van dien aard waren dat zij afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de schade van de bedrijfstak van de Unie en de invoer met dumping uit de betrokken landen. |
5.2.1. Invoer uit derde landen
|
(136) |
Aangezien hierover geen andere argumenten of opmerkingen zijn ontvangen dan die welke in overweging 122 zijn behandeld, werden de conclusies in de overwegingen 207 tot en met 211 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2.2. Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|
(137) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 212 tot en met 214 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2.3. COVID-19-pandemie en afgenomen verbruik
|
(138) |
Zowel de Turkse overheid als Fincantieri herhaalde het argument dat de COVID-19-pandemie een belangrijke rol heeft gespeeld in de negatieve situatie van de bedrijfstak van de Unie, met name wat de gevolgen voor het verkoopvolume betreft. Aangezien geen andere elementen naar voren zijn gebracht dan die welke in de overwegingen 215 en 216 van de voorlopige verordening zijn behandeld, werd de conclusie in die overwegingen bevestigd. |
5.2.4. Stijging van de energieprijzen
|
(139) |
De Turkse overheid herhaalde haar argument met betrekking tot de invloed van de gestegen energieprijzen op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Aangezien geen andere argumenten naar voren zijn gebracht dan die welke in de overwegingen 217 tot en met 220 zijn behandeld, werd de conclusie in die overwegingen bevestigd. |
5.2.5. Productdiversificatie
|
(140) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 221 tot en met 225 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(141) |
De Commissie heeft de gevolgen van andere factoren beoordeeld en daarbij rekening gehouden met de opmerkingen van de belanghebbenden, en is tot de conclusie gekomen dat deze factoren niet hebben afgedaan aan het oorzakelijk verband. Factoren zoals het faillissement van Laminorul, de COVID-19-pandemie of een van de andere door de verschillende partijen aangevoerde factoren kunnen inderdaad van invloed zijn geweest op de prestaties van de bedrijfstak van de Unie. Deze factoren konden echter niet verklaren dat de bedrijfstak van de Unie tijdens de gehele beoordelingsperiode, en met name tijdens het onderzoektijdvak, te lijden had van een verhindering van een prijsverhoging. In een normale concurrerende omgeving moet de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen tot een winstgevend niveau kunnen verhogen of op zijn minst zijn productiekosten kunnen dekken. Het eventuele effect van de hierboven besproken factoren kon niet verklaren waarom de bedrijfstak van de Unie daartoe niet in staat was. |
|
(142) |
Derhalve heeft de Commissie de conclusie in de overwegingen 226 tot en met 228 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
6.1. Schademarge
|
(143) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 229 tot en met 235 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(144) |
Aangezien de Commissie de invoer in de periode van voorafgaande kennisgeving niet heeft geregistreerd, heeft zij overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van de basisverordening de ontwikkeling van de ingevoerde hoeveelheden geanalyseerd om vast te stellen of er in de in punt 1.2 van de voorlopige verordening beschreven periode van voorafgaande kennisgeving ten aanzien van de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft, opnieuw sprake was van een aanzienlijke toename, om op die manier de extra schade ten gevolge van deze toename in de schademarge te verrekenen. |
|
(145) |
Uit gegevens van de Surveillance 2-databank blijkt dat de invoer uit de VRC en Turkije in de periode van voorafgaande kennisgeving van vier weken respectievelijk 831,8 % en 13,7 % hoger was dan de gemiddelde invoer in het onderzoektijdvak op vierwekelijkse basis. Op grond daarvan concludeerde de Commissie dat de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft in de periode van voorafgaande kennisgeving voor beide landen aanzienlijk was gestegen. |
|
(146) |
Om rekening te houden met de door de toename van de invoer veroorzaakte extra schade besloot de Commissie de schademarge te corrigeren op basis van de toename van de ingevoerde hoeveelheden, die als de relevante wegingsfactor werd beschouwd op basis van artikel 9, lid 4, van de basisverordening. Zij berekende derhalve een vermenigvuldigingsfactor die werd vastgesteld door de som van de ingevoerde hoeveelheden in de vier weken van de periode van voorafgaande kennisgeving ter hoogte van [1 400-1 800] ton (voor de VRC) en [2 100-2 500] ton (voor Turkije) en van de ingevoerde hoeveelheden uit de 52 weken van het onderzoektijdvak te delen door de in het onderzoektijdvak ingevoerde hoeveelheden die waren geëxtrapoleerd naar 56 weken. Het resulterende cijfer, namelijk 59,3 % voor de VRC en 1 % voor Turkije, weerspiegelde de extra schade die werd veroorzaakt door de verdere toename van de invoer. Bijgevolg werden de voorlopige schademarges met deze factor vermenigvuldigd. |
|
(147) |
Zoals beschreven in de overwegingen 92 en 94, heeft de Commissie de schademarges herzien. Derhalve geldt de volgende definitieve schademarge voor de medewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen:
|
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(148) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(149) |
Aangezien hierover geen argumenten of opmerkingen zijn ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 238 tot en met 241 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.2. Belang van gebruikers en niet-verbonden importeurs
|
(150) |
Fincantieri stelde dat het feit dat de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode over reservecapaciteit beschikte, niet noodzakelijkerwijs aantoonde dat de bedrijfstak van de Unie daadwerkelijk meer kon produceren. Fincantieri klaagt ook dat de Commissie ervan uitging dat de vraag stabiel zou blijven, terwijl het verbruik zwaar werd getroffen door de COVID-19-pandemie. Bovendien leek Fincantieri van mening te zijn dat de Commissie in de voorlopige verordening beweerde dat de producenten in de Unie voldoende konden produceren om in de behoeften van de scheepsbouwsector te voorzien. Evenzo vroeg de Turkse overheid zich af of de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie volstaat om aan het binnenlandse verbruik te voldoen. |
|
(151) |
De Commissie heeft op basis van de gecontroleerde gegevens van Losal en de beschikbare informatie voor Olifer vastgesteld dat er een aanzienlijke reservecapaciteit bestond. De bedrijfstak van de Unie gebruikte minder dan de helft van zijn capaciteit voor de productie van platbulbstaal. Vanuit economisch oogpunt is het onlogisch de capaciteit om meer van een product te produceren en te verkopen, te hebben en te behouden, maar de productie niet daadwerkelijk te verhogen, tenzij er onvoldoende vraag naar het product was. Op basis van de gecontroleerde feiten was het duidelijk dat de bedrijfstak van de Unie in staat en bereid was om zijn afnemers grotere hoeveelheden platbulbstaal te leveren. |
|
(152) |
De Commissie heeft echter nooit verklaard dat de bedrijfstak van de Unie voldoende platbulbstaal kon leveren om volledig aan de behoeften van de scheepsbouwsector van de Unie te voldoen. Zoals uit de gegevens in de tabellen 2 en 5 van de voorlopige verordening blijkt, lag het verbruik in de Unie gedurende de gehele betrokken periode steeds boven de productiecapaciteit van de Unie. In overweging 246 van de voorlopige verordening werd ook duidelijk gesteld dat de antidumpingmaatregelen niet tot doel hebben de markt van de Unie af te sluiten voor invoer uit derde landen, maar de handelsverstorende gevolgen van schadeveroorzakende dumping weg te nemen. Dat de bedrijfstak van de Unie niet volledig aan de vraag in de Unie kon voldoen, betekent echter niet dat platbulbstaal tegen dumpingprijzen mag worden ingevoerd. Deze conclusie staat los van de ontwikkeling van de vraag. De Commissie wees deze argumenten dan ook af. |
|
(153) |
Fincantieri betwistte ook de verklaring in de overwegingen 249 en 250 van de voorlopige verordening dat producenten in de Unie hun investeringsstrategieën zouden kunnen herzien en zich kunnen richten op hun andere, winstgevender productielijnen, aangezien elk risico van verdwijning van de bedrijfstak van de Unie louter hypothetisch is en niet met bewijsmateriaal wordt gestaafd. Indien een bedrijfstak echter voortdurend verliesgevend is en het niet mogelijk is de prijzen te verhogen tot een niveau dat hem in staat stelt zijn kosten te dekken, laat staan een redelijke winst te maken, is het zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijke situatie gedurende een langere periode kan voortduren. |
|
(154) |
Bovendien is het even onwaarschijnlijk dat de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit de betrokken landen “het aantal beschikbare leveranciers drastisch zou verminderen”, zoals Fincantieri beweerde. Zoals Fincantieri zelf heeft vermeld, volstaat de capaciteit van de bedrijfstak van de Unie niet om de volledige vraag te dekken, wat betekent dat er nog steeds behoefte is aan een gediversifieerd aanbod platbulbstaal. Zoals bekend is er in de wereld slechts een handvol leveranciers van platbulbstaal, voornamelijk de twee producenten in de Unie, Özkan Demir en Longteng. Een stijging van de kosten van platbulbstaal zal de behoefte aan invoer van bij deze leveranciers niet verminderen. Dit geldt temeer nu, zoals Fincantieri beweerde, de vraag naar platbulbstaal een stijgende trend vertoont. Het zal de afnemers in de Unie ook niet beletten platbulbstaal in te voeren, zij het tegen hogere kosten. Hoewel Longteng na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde dat de hoogte van de antidumpingrechten ten aanzien van China een belemmerend effect zou hebben op de invoer uit China, heeft geen enkele belanghebbende aangetoond dat de instelling van antidumpingrechten de invoer van platbulbstaal uit China of Turkije zou belemmeren. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(155) |
In dit verband betoogde Fincantieri ook dat de instelling van antidumpingrechten duidelijk nadelig zou zijn voor de gebruikers, aangezien de gevolgen van de maatregelen niet verwaarloosbaar zijn en scheepsbouwers de kostenstijging niet aan hun eindafnemers kunnen doorberekenen. |
|
(156) |
Fincantieri wees erop dat de Fincantieri-groep in 2022 een nettoverlies van 323 miljoen EUR boekte, zodat de negatieve gevolgen van een stijging van de kosten van platbulbstaal aanzienlijk zouden zijn. De antwoorden op de vragenlijst die Fincantieri in het kader van dit onderzoek heeft ingediend en die ter plaatse werden gecontroleerd, lieten echter zowel in 2021 als tijdens het onderzoektijdvak een aanzienlijke winst zien van [8-10 %] voor zowel de onderneming Fincantieri S.p.A. als voor de producten die platbulbstaal bevatten. Uit de financiële rekeningen van Fincantieri voor 2022 (15) bleek dat de Fincantieri-groep in 2021 nog steeds winstgevend was. De aanzienlijke verliezen in 2022 leken grotendeels verband te houden met buitengewone en eenmalige inkomsten en uitgaven die los stonden van het onderzochte product, zoals bijzondere waardeverminderingsverliezen, andere immateriële activa en rechtszaken. |
|
(157) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Fincantieri aan dat het voor de beoordeling van de schade in de Unie irrelevant was of dergelijke verliezen verband hielden met het onderzochte product. Zelfs als dat argument kon worden aanvaard, zou het niet afdoen aan het feit dat de door Fincantieri genoemde verliezen sloegen op de Fincantieri-groep, en niet op de gecontroleerde onderneming Italian Fincantieri S.p.A. De Fincantieri-groep omvat een aantal entiteiten buiten de Unie, waaronder scheepswerven, dokken en dochterondernemingen in Azië, Oceanië en Amerika. Het gebruik van de resultaten van de groep als indicatie voor de financiële levensvatbaarheid van de entiteiten in de Unie zou op zijn minst onnauwkeurig en onjuist zijn. |
|
(158) |
Bovendien verklaarde Fincantieri in haar opmerkingen dat “de Commissie niet bewijst dat de verliezen in 2022 verband hielden met “buitengewone en eenmalige inkomsten””. In de financiële rekeningen van de Fincantieri-groep voor 2022 zelf wordt echter het volgende vermeld: “het nettoresultaat werd beïnvloed door buitengewone lasten voor geschillen in verband met blootstelling aan asbest in voorgaande boekjaren (52 miljoen euro), waardevermindering van immateriële activa (164 miljoen euro), waarschijnlijke risico’s in verband met de niet-nakoming van verplichtingen voor compensatieovereenkomsten (20 miljoen euro) en andere lasten (2 miljoen euro)” (16). Uit de financiële rekeningen van de Fincantieri-groep voor de eerste helft van 2023 (17) bleek ook dat deze kosten voor een groot deel geen rol meer speelden en dat de Fincantieri-groep eind juni 2023 haar verliezen had teruggebracht tot 22 miljoen. Ook waren de vooruitzichten positief gezien het herstel van de cruisesector na de COVID-19-crisis en de toegenomen investeringen op het gebied van defensie als gevolg van de mondiale politieke situatie en de offshore-productie van windenergie. |
|
(159) |
Bovendien zouden de door Fincantieri genoemde extra kosten van de antidumpingrechten slechts een zeer klein deel van de totale kosten van de onderneming uitmaken. Zoals vermeld in overweging 248 van de voorlopige verordening, vertegenwoordigden de kosten van platbulbstaal een verwaarloosbaar deel (minder dan 0,5 %) van de totale productiekosten van Fincantieri voor producten waarin platbulbstaal is verwerkt. Redelijkerwijs kan niet worden gesteld dat een stijging van de kosten van een dergelijk klein deel van de totale productiekosten nadelig zou zijn voor de gebruikers. |
|
(160) |
Fincantieri betoogde dat zij kostenstijgingen niet aan haar eindafnemers kan doorberekenen, aangezien er geen mogelijkheid bestaat om opnieuw te onderhandelen over de contractvoorwaarden of deze aan te passen nadat het contract met de reder is gesloten. Zoals vermeld in overweging 156, bleek uit het antwoord van de onderneming op de vragenlijst echter dat zij ondanks de stijging van de grondstof- en energiekosten in de afgelopen jaren winstgevend was gebleven. Of de gebruiker prijsstijgingen als gevolg van de instelling van antidumpingrechten al dan niet aan zijn afnemers kan doorberekenen, is derhalve niet relevant voor de vraag of Fincantieri de prijsstijging kan absorberen. Bovendien was er geen bewijs dat de hogere kosten voor toekomstige contracten niet aan de klanten van de scheepsbouwers konden worden doorberekend. Fincantieri heeft in haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen geen nieuwe elementen dienaangaande naar voren gebracht. De Commissie wees deze argumenten dan ook af. |
7.3. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(161) |
Op basis van het bovenstaande bevestigde de Commissie de conclusie in overweging 253 van de voorlopige verordening dat er geen dwingende redenen waren om te besluiten dat het niet in het belang van de Unie zou zijn om maatregelen in te stellen ten aanzien van de invoer van platbulbstaal van oorsprong uit de betrokken landen. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
|
(162) |
In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product. |
|
(163) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(164) |
De bij deze verordening voor de afzonderlijke ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn dus uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Producten van andere ondernemingen die niet specifiek in het dispositief van deze verordening zijn vermeld, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met die specifiek vermelde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking en moeten vallen onder het recht dat voor “alle andere ondernemingen” geldt. |
|
(165) |
Een onderneming die haar naam wijzigt, mag vragen deze individuele antidumpingrechten te blijven toepassen. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (18). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om te genieten van het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(166) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 95 tot en met 97, behoort platbulbstaal tot een categorie staalproducten waarvoor een vrijwaringsmaatregel geldt (19). Zodra de in het kader van de vrijwaringsmaatregel vastgestelde tariefcontingenten worden overschreden, zou bijgevolg zowel het douanerecht bij contingentoverschrijding als het antidumpingrecht op dezelfde invoer verschuldigd zijn. Aangezien een dergelijke cumulatie van antidumpingmaatregelen met vrijwaringsmaatregelen een groter effect op de handel kan hebben dan wenselijk, heeft de Commissie besloten te voorkomen dat het antidumpingrecht en het douanerecht bij contingentoverschrijding voor het betrokken product gedurende de duur van de instelling van het vrijwaringsrecht gelijktijdig worden toegepast. |
|
(167) |
Dit betekent dat in gevallen waarin het in artikel 1, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (20) bedoelde douanerecht bij contingentoverschrijding op het betrokken product van toepassing wordt en dit recht het niveau van het in de onderhavige verordening vastgestelde antidumpingrecht overschrijdt, uitsluitend het in dat artikel bedoelde douanerecht bij contingentoverschrijding wordt geïnd. Gedurende de periode waarin de vrijwarings- en de antidumpingrechten gelijktijdig van toepassing zijn, wordt de inning van de krachtens de onderhavige verordening ingestelde rechten geschorst. |
8.2. Definitieve inning van de voorlopige rechten
|
(168) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau. |
9. SLOTBEPALING
|
(169) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (21) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(170) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op niet-gelegeerd platbulbstaal met een breedte tot 204 mm, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7216 50 91 (Taric-code 7216509110), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije.
2. De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten, zijn als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Changshu Longteng Special Steel Co., Ltd. |
23,0 % |
899J |
|
|
Alle andere ondernemingen |
23,0 % |
8999 |
|
Turkije |
Türkiye Özkan Demir Çelik Sanayi A.Ş |
13,6 % |
899K |
|
|
Alle andere ondernemingen |
13,6 % |
8999 |
3. Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs derhalve met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 131, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (22) verhoudingsgewijs is verminderd, wordt het op basis van bovenbedoeld bedrag berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. In gevallen waarin het in artikel 1, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 bedoelde douanerecht bij contingentoverschrijding van toepassing wordt op niet-gelegeerd platbulbstaal en dit recht het niveau van het in artikel 1, lid 2, vastgestelde antidumpingrecht overschrijdt, wordt uitsluitend het in artikel 1, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 bedoelde douanerecht bij contingentoverschrijding geïnd.
2. Gedurende de periode waarin het bepaalde in lid 1 van toepassing is, wordt de inning van de krachtens de onderhavige verordening ingestelde rechten geschorst.
3. De in lid 2 bedoelde schorsing is van tijdelijke aard en geldt voor de periode waarin het in artikel 1, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 bedoelde douanerecht bij contingentoverschrijding van toepassing is.
Artikel 3
De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444 worden definitief geïnd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 januari 2024.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije (PB C 431 van 14.11.2022, blz. 11).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444 van de Commissie van 11 juli 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije (PB L 177 van 12.7.2023, blz. 63).
(4) Beschikbaar op https://oec.world/en/profile/bilateral-product/nitrogen/reporter/sgp en https://oec.world/en/profile/bilateral-product/oxygen/reporter/sgp, geraadpleegd op 15 september 2023.
(5) Kalksteen, zuurstof en stikstof.
(6) Beschikbaar op https://www.tnb.com.my/commercial-industrial/pricing-tariffs1 (laatst geraadpleegd op 15 september 2023).
(7) Beschikbaar op https://www.st.gov.my/en/web/consumer/details/2/10 (laatst geraadpleegd op 15 september 2023).
(8) DS605: Dominican Republic — Anti-dumping Measures on Corrugated Steel Bars.
(9) DS337: European Communities — Anti-Dumping Measure on Farmed Salmon from Norway, punt 7.275.
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1100 van de Commissie van 5 juli 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Turkije (PB L 238 van 6.7.2021, blz. 32).
(11) Panel Report, Dominican Republic — Anti-Dumping Measures on Corrugated Steel Bars, WT/DS605/R, Annex C-4 Integrated Executive Summary of the Arguments of the European Union.
(12) Bladzijden 21 en 22 van de opmerkingen van 27 juli 2023.
(13) Verslag van het WTO-panel in zaak DS538 — Pakistan — BOPP Film (UAE), punt 7.263.
(14) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/978 van de Commissie van 23 juni 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 167 van 24.6.2022, blz. 58).
(15) Zie het financieel jaarverslag 2022 van Fincantieri, beschikbaar op
https://www.fincantieri.com/globalassets/investor-relations/bilanci-e-relazioni/2022/eng_fincantieri_annual_report_2022.pdf
(16) Ibid.
(17) Beschikbaar op https://www.fincantieri.com/globalassets/investor-relations/bilanci-e-relazioni/2023/half-year-financial-report-at-june-30-2023.pdf
(18) Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België. E-mail: TRADE-Defence-Complaints@ec.europa.eu
(19) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/978.
(20) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27).
(21) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(22) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/209/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)