|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2023/2806 |
18.12.2023 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/2806 VAN DE COMMISSIE
van 15 december 2023
betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 8623)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (1), en met name artikel 4, lid 1, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 3, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG is bepaald dat het Natura 2000-netwerk ook de door de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG van de Raad (2) aangewezen speciale beschermingszones omvat. |
|
(2) |
Er is, voor elk Natura 2000-gebied, een formulier met daarin informatie over het gebied, de ligging (in een digitale geospatiale weergave), ecologische informatie over habitattypen en soorten, de beschrijving en het beheer van het gebied. |
|
(3) |
Dat formulier wordt het “Natura 2000-standaardgegevensformulier” genoemd en dient als documentatie voor alle Natura 2000-gebieden. |
|
(4) |
Om de beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens te verbeteren, belangrijke informatielacunes op te vullen, zoals over instandhoudingsdoelstellingen, maatregelen en doeltreffendheid van het beheer, en het Natura 2000-standaardgegevensformulier meer in overeenstemming te brengen met de rapportagevereisten uit hoofde van artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), moet het bij Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU van de Commissie (4) vastgestelde formulier worden aangepast. Gezien het aantal en de omvang van de noodzakelijke aanpassingen moet Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU worden vervangen. |
|
(5) |
Om een soepele technische overgang mogelijk te maken, hebben de lidstaten tijd nodig om zich voor te bereiden op het gebruik van het nieuwe formulier. Daarom moeten de lidstaten gedurende een bepaalde periode het bij Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU vastgestelde “Natura 2000-standaardgegevensformulier” blijven gebruiken. |
|
(6) |
De inhoud van het Natura 2000-standaardgegevensformulier moet regelmatig worden bijgewerkt. Aanbevolen wordt de standaardgegevensformulieren ten minste om de zes jaar bij te werken op basis van de beste beschikbare informatie voor elk gebied dat deel uitmaakt van het netwerk, zodat de Commissie overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 92/43/EEG periodiek de bijdrage kan evalueren die Natura 2000 levert tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 van die richtlijn omschreven doelstellingen. |
|
(7) |
Ondersteunende documenten die het consistente gebruik van het “Natura 2000-standaardgegevensformulier” in de hele EU moeten waarborgen, waaronder lijsten met codes, technische richtsnoeren en gegevensbestandformaten om de informatie in te dienen, zijn voor de lidstaten beschikbaar op een door het Europees Milieuagentschap beheerd online referentieportaal voor Natura 2000. |
|
(8) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 20 van Richtlijn 92/43/EEG ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het formulier voor de verstrekking van informatie over het Natura 2000-netwerk, “Natura 2000-standaardgegevensformulier” genoemd, en de toelichting erop, is opgenomen in de bijlage.
Artikel 2
Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU wordt ingetrokken.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 februari 2025.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 15 december 2023.
Voor de Commissie
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(2) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1).
(3) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(4) Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (PB L 198 van 30.7.2011, blz. 39).
BIJLAGE
NATURA 2000-STANDAARDGEGEVENSFORMULIER
voor speciale beschermingszones uit hoofde van de vogelrichtlijn (SPA’s), voorgestelde gebieden van communautair belang (pSCI’s), gebieden van communautair belang (SCI’s) en speciale beschermingszones uit hoofde van de habitatrichtlijn (SAC’s)
overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
Het standaardgegevensformulier bestaat uit zes rubrieken, zoals hieronder aangegeven. Elk van deze rubrieken bevat verschillende velden die volgens de instructies in de toelichting moeten worden ingevuld. De toelichting biedt de nodige richtsnoeren voor het invullen van de velden en bevat verwijzingen naar codelijsten die en ander noodzakelijk materiaal, zoals technische richtsnoeren en formulieren voor gegevensoverdracht voor ruimtelijke en tabelgegevens, dat op het online “Natura 2000-referentieportaal” gevonden kan worden.
Belangrijkste rubrieken van het standaardgegevensformulier
|
In te vullen voor elk gebied |
||||||
|
|||||||
|
|||||||
|
In te vullen voor elk habitattype van bijlage I dat in het gebied aanwezig is (voor pSCI’s, SCI’s, SAC’s) |
||||||
|
In te vullen voor elke
|
||||||
|
Facultatief |
||||||
|
In te vullen voor elk gebied |
||||||
|
|||||||
|
Gegevensvelden van het Natura 2000-standaardgegevensformulier
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Stabiele unieke code |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Naam van het gebied in Latijns alfabet |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Naam van het gebied in niet-Latijns alfabet |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deel van de organisatie dat verantwoordelijk is voor verzameling van de gegevens in het SGF |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
E-mailadres van de functionele mailbox, niet persoonlijk |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Website met de officiële contactgegevens van de organisatie |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Datum |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
URI (URL of DOI) naar nationaal indelingsbesluit of vrijetekstverwijzing en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Datum |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Datum |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
URI (URL of DOI) naar nationaal aanwijzingsbesluit of vrijetekstverwijzing en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode; hier kan toelichting worden verstrekt, bv. met betrekking tot de aanwijzingsdatum(s) van gebieden die uit meerdere initieel onderscheiden SPA’s en/of SCI’s bestaan. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Oppervlakte van het gebied in hectare |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Veld voor vrije tekst en taalcode. Dit moet worden ingevuld als in veld 2.1.2 “Overige” is vermeld. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Code uit de NUTS-codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Naam uit de NUTS-codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst voor biogeografische en mariene regio’s (zie het Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Indien een gebied zich over meer dan één regio uitstrekt, moet voor elk van deze regio’s het percentage worden vermeld. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Invullen overeenkomstig de codelijst voor habitattypen van bijlage I (zie het Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geef aan of het habitattype een prioritaire variant van 6210 , 7130 of 9430 is |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
Alleen de velden 3.1.1 (Code van het habitattype), 3.1.2 (Prioritaire variant), 3.1.6 (Gebruikte methode), 3.1.7 (Periode van de laatste gegevensverzameling), 3.1.13 (Instandhoudingsdoelstellingen) en 3.1.16 (Datum actualisering) hoeven te worden ingevuld. Veld 3.1.4 (Bedekking) moet 0 (nul) zijn. De andere velden van rubriek 3.1 moeten leeg blijven. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Bedekking van het habitattype in hectare |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Aantal grotten (codes voor habitattypen 8310 en 8330 ) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Begin- en einddatum van de periode (maand en jaar) of als deze informatie onbekend is, vermeld dan “inventaris ouder dan 2022”. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geef aan als het voorkomen van het habitattype verwaarloosbaar is; indien een habitattype in significante mate voorkomt, moeten alle velden van punt 3.1.b worden ingevuld; indien een habitattype in verwaarloosbare mate voorkomt, hoeven alleen de velden 3.1.8 (Significantie) en 3.1.16 (Datum actualisering) van rubriek 3.1.b worden ingevuld. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vermeld de oppervlakte in hectare voor elk van de categorieën:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jaar en maand |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Soortnaam uit de relevante codelijst op het referentieportaal die overeenkomt met de in 3.2.2 gebruikte code |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Invullen in geval van gevoelige gegevens over soorten |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
De volgende velden moeten worden ingevuld: 3.2.1 tot en met 3.2.5, 3.2.9 (gebruikte methode), 3.2.10 (periode van de laatste gegevensverzameling) en 3.2.16 (instandhoudingsdoelstellingen). De minimale en maximale populatiegrootte in veld 3.2.7.1 moeten allebei 0 (nul) zijn. De andere velden van rubriek 3.2 moeten leeg blijven. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vermeld de minimale en maximale populatiegrootte |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Begin- en einddatum van de periode (jaar en maand) of als deze informatie onbekend is, vermeld dan “inventaris ouder dan 2022”. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vermeld of de soorten in verwaarloosbare mate voorkomen. Indien soorten in significante mate voorkomen, moeten alle velden van punt 3.2.b worden ingevuld; indien soorten in verwaarloosbare mate voorkomen, hoeven alleen de velden 3.2.11 (Significantie) en 3.2.20 (Datum actualisering) van rubriek 3.2.b ingevuld te worden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geef aan of de vogelsoort voldoet aan de ornithologische criteria die zijn gebruikt om de indeling als SPA te rechtvaardigen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vermeld de percentages van het door de soort bezette deel van de habitat voor elke categorie:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geraamde omvang van het door de soort bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit voldoende is ☐0-25 % ☐ 26-50 % ☐ 51-75 % ☐ 76-100 % Geraamde omvang van het door de soort bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit onvoldoende is ☐0-25 % ☐ 26-50 % ☐ 51-75 % ☐ 76-100 % Geraamde omvang van het door de soort bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit onbekend is ☐0-25 % ☐ 26-50 % ☐ 51-75 % ☐ 76-100 % |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jaar en maand |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Indien de soort behoort tot een van de soortengroepen van de codelijst die beschikbaar is op het Natura 2000-referentieportaal, vermeld dan de respectieve code uit deze lijst; zo niet, laat dit veld leeg (blanco); |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Als de soort voorkomt op de codelijsten op het Natura 2000-referentieportaal die in veld 3.2.2 worden gebruikt, gebruik dan die code; indien niet, laat dit veld leeg. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vermeld in voorkomend geval de wetenschappelijke naam zoals gebruikt in de codelijsten op het Natura 2000-referentieportaal die in veld 3.2.2 worden gebruikt. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Invullen in geval van gevoelige gegevens over soorten |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geef aan of de soort niet langer in het gebied voorkomt |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Minimale en maximale populatiegrootte |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Codelijst (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jaar en maand |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
URI (URL of DOI) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Jaar en maand |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deel van de organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het gebied |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
E-mailadres van de functionele mailbox, niet persoonlijk |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Website met de officiële contactgegevens van de organisatie |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vrije tekst en taalcode; in te vullen als het beheersplan niet bestaat en evenmin in voorbereiding is |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Twee vragen met vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Twee vragen met vooraf gedefinieerde opties:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inspire-identificatiecode van het ruimtelijk object (zie Natura 2000-referentieportaal) |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De naamruimte zoals bepaald door de nationale implementatie van Inspire |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De lokale identifier moet uniek zijn binnen de naamruimte |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De identificatiecode van de specifieke versie van het ruimtelijke object |
||||||||||||||||||||||||||||||||
TOELICHTING BIJ HET NATURA 2000-STANDAARDGEGEVENSFORMULIER
INHOUDSOPGAVE
| Inhoudsopgave | 1 |
| Inleiding | 17 |
|
1 |
Identificatie van het gebied | 19 |
|
1.1 |
Type gebied | 19 |
|
1.2 |
Code van het gebied | 19 |
|
1.3 |
Naam van het gebied | 20 |
|
1.3.1 |
Naam van het gebied, niet-Latijns alfabet (facultatief) | 20 |
|
1.4 |
Beantwoorder | 20 |
|
1.4.1 |
Naam van de organisatie | 20 |
|
1.4.2 |
Contactpunt in de organisatie (facultatief) | 20 |
|
1.4.3 |
Postadres | 20 |
|
1.4.4 |
E-mailadres van de functionele mailbox | 21 |
|
1.4.5 |
Website met contactgegevens | 21 |
|
1.5 |
Datums van indeling/voorstel/aanwijzing van het gebied | 21 |
|
1.5.1 |
Datum eerste indeling van gebied als SPA | 21 |
|
1.5.2 |
Indelingsbesluit SPA | 21 |
|
1.5.3 |
Datum waarop het gebied voor het eerst als SCI is voorgesteld | 21 |
|
1.5.4 |
Datum van de aanwijzing van het gebied als SAC | 21 |
|
1.5.5 |
Aanwijzingsbesluit SAC | 21 |
|
1.5.6 |
Toelichting (facultatief) | 21 |
|
2 |
Ligging van het gebied | 21 |
|
2.1 |
Oppervlakte van het gebied | 21 |
|
2.1.1 |
Omvang | 22 |
|
2.1.2 |
Reden voor het verschil in oppervlakte met ruimtelijke dataset (indien van toepassing) | 22 |
|
2.1.3 |
Reden voor het verschil in oppervlakte — toelichting | 22 |
|
2.2 |
Administratieve regio (facultatief) | 22 |
|
2.2.1 |
Code van de administratieve regio | 22 |
|
2.2.2 |
Naam van de administratieve regio | 22 |
|
2.3 |
Biogeografische en mariene regio’s | 22 |
|
2.3.1 |
Regiocode | 22 |
|
2.3.2 |
Percentage | 22 |
|
3 |
Ecologische informatie | 23 |
|
3.1 |
Habitattypen van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad die in het gebied aanwezig zijn | 23 |
|
3.1.a |
Essentiële informatie (habitattype) | 23 |
|
3.1.1 |
Code van het habitattype | 23 |
|
3.1.2 |
Prioritaire variant | 23 |
|
3.1.3 |
Afwezigheid | 23 |
|
3.1.4 |
Bedekking | 23 |
|
3.1.5 |
Grotten | 24 |
|
3.1.6 |
Methodiek voor de bedekking | 24 |
|
3.1.7 |
Periode van de laatste gegevensverzameling | 24 |
|
3.1.b |
Beoordeling van het gebied (habitattype) | 24 |
|
3.1.8 |
Significantie | 24 |
|
3.1.9 |
Representativiteit | 24 |
|
3.1.10 |
Relatieve oppervlakte | 25 |
|
3.1.11 |
Relatieve oppervlakte — toelichting (facultatief) | 25 |
|
3.1.12 |
Mate van instandhouding | 25 |
|
3.1.12.1 |
Mate van instandhouding — indeling in categorieën | 25 |
|
3.1.12.2 |
Mate van instandhouding — oppervlakte | 26 |
|
3.1.12.3 |
Mate van instandhouding — gebruikte methode | 26 |
|
3.1.13 |
Instandhoudingsdoelstellingen | 26 |
|
3.1.14 |
Instandhoudingsdoelstellingen — toelichting | 26 |
|
3.1.15 |
Algemeen | 27 |
|
3.1.16 |
Datum actualisering | 27 |
|
3.2 |
Soorten bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2009/147/EG en soorten vermeld in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG die in het gebied voorkomen | 27 |
|
3.2a |
Essentiële informatie (soorten) | 27 |
|
3.2.1 |
Soortengroep | 27 |
|
3.2.2 |
Code van de soort | 27 |
|
3.2.3 |
Wetenschappelijke naam | 27 |
|
3.2.4 |
Gevoeligheid van gegevens over soorten | 27 |
|
3.2.5 |
Afwezigheid | 28 |
|
3.2.6 |
Populatietype | 28 |
|
3.2.7 |
Populatiegrootte en -eenheid | 28 |
|
3.2.7.1 |
Populatiegrootte | 28 |
|
3.2.7.2 |
Populatie-eenheid | 29 |
|
3.2.8 |
Abundantiecategorie | 29 |
|
3.2.9 |
Gebruikte methode voor populatiegrootte | 29 |
|
3.2.10 |
Periode van de laatste gegevensverzameling | 29 |
|
3.2.b |
Beoordeling van het gebied (soorten) | 30 |
|
3.2.11 |
Significantie | 30 |
|
3.2.12 |
Soorten die voldoen aan ornithologische criteria voor indeling als SPA | 30 |
|
3.2.13 |
Populatie | 30 |
|
3.2.14 |
Populatie — toelichting (facultatief) | 30 |
|
3.2.15 |
Mate van instandhouding | 30 |
|
3.2.15.1 |
Mate van instandhouding — gecategoriseerd | 30 |
|
3.2.15. |
xMate van instandhouding — bestreken oppervlakte van het gebied (facultatief) | 31 |
|
3.2.15.3 |
Mate van instandhouding — categorieën voor percentages bestreken oppervlakte | 31 |
|
3.2.16 |
Instandhoudingsdoelstellingen | 31 |
|
3.2.17 |
Instandhoudingsdoelstellingen — toelichting | 32 |
|
3.2.18 |
Isolement | 32 |
|
3.2.19 |
Algemeen | 32 |
|
3.2.20 |
Datum actualisering | 32 |
|
3.3 |
Andere belangrijke dier- en plantensoorten (facultatief) | 32 |
|
3.3.1 |
Soortengroep | 33 |
|
3.3.2 |
Code van de soort | 33 |
|
3.3.3 |
Wetenschappelijke naam | 33 |
|
3.3.4 |
Gevoeligheid van gegevens over soorten | 33 |
|
3.3.5 |
Afwezigheid | 33 |
|
3.3.6 |
Populatiegrootte en -eenheid | 33 |
|
3.3.6.1 |
Populatiegrootte | 33 |
|
3.3.6.2 |
Populatie-eenheid | 33 |
|
3.3.7 |
Abundantiecategorie | 33 |
|
3.3.8 |
Motivering | 34 |
|
4 |
Beschrijving van het gebied | 34 |
|
4.1 |
Kenmerken van het gebied | 34 |
|
4.2 |
Kwaliteit en belang van het gebied | 35 |
|
4.3 |
Pressiefactoren van invloed op het gebied | 35 |
|
4.3.1 |
Code van de pressiefactor | 35 |
|
4.3.2 |
Rangorde | 35 |
|
4.3.3 |
Ligging binnen/buiten | 35 |
|
4.3.4 |
Pressiefactoren nader uitgewerkt | 35 |
|
4.3.5 |
Datum actualisering | 35 |
|
4.4 |
Documentatie | 36 |
|
4.4.1 |
Link(s) | 36 |
|
4.4.2 |
Datum actualisering | 36 |
|
5 |
Beheer van het gebied | 36 |
|
5.1 |
Voor het beheer van het gebied verantwoordelijke instantie | 36 |
|
5.1.1 |
Naam van de organisatie | 36 |
|
5.1.2 |
Contactpunt in de organisatie (facultatief) | 36 |
|
5.1.3 |
Postadres | 36 |
|
5.1.4 |
E-mailadres van de functionele mailbox | 36 |
|
5.1.5 |
Website met contactgegevens | 36 |
|
5.2 |
Beheersplannen | 36 |
|
5.2.1 |
Bestaan van beheersplan(nen) | 37 |
|
5.2.2 |
Referentie en geldigheid van het/de beheersplan(nen) | 37 |
|
5.2.3 |
Nadere toelichting | 37 |
|
5.3 |
Instandhoudingsmaatregelen | 37 |
|
5.3.1 |
Gedetailleerde informatie over de maatregelen | 37 |
|
5.3.2 |
Staat van de instandhoudingsmaatregelen | 37 |
|
5.4 |
Doeltreffendheid van het beheer | 38 |
|
6 |
Geospatiale weergave van het gebied | 38 |
|
6.1 |
Inspire-identificatiecode | 38 |
|
6.1.1 |
Naamruimte | 38 |
|
6.1.2 |
Lokale identifier | 38 |
|
6.1.3 |
Versie-identifier (facultatief) | 38 |
| Aanhangsel | 39 |
|
1. |
Codelijsten voor de velden van het standaardgegevensformulier | 39 |
|
2. |
Documenten (meest recente versies) | 40 |
Afkortingen
|
EG |
Europese Gemeenschap |
|
EEG |
Europese Economische Gemeenschap |
|
EEA |
Europees Milieuagentschap |
|
Inspire |
infrastructuur voor ruimtelijke informatie in Europa |
|
pSCI |
Voorgesteld gebied van communautair belang (proposed Site of Community Importance) |
|
SCI |
gebied van communautair belang |
|
SAC |
Speciale beschermingszone (Special Area of Conservation) uit hoofde van de habitatrichtlijn |
|
SGF |
Standaardgegevensformulier |
|
SPA |
Speciale beschermingszone (Special Protection Area) uit hoofde van de vogelrichtlijn |
INLEIDING
Natura 2000 is het ecologische netwerk voor de instandhouding van de wilde dier- en plantensoorten en de natuurlijke habitats van communautair belang in de Unie. Het omvat de gebieden die bescherming genieten uit hoofde van de vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG), die in 1979 voor het eerst is aangenomen, en van de in 1992 vastgestelde habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG).
Van cruciaal belang voor het succes van Natura 2000 is de kwaliteit van de informatie over habitats en soorten van communautair belang. Gegevens en informatie moeten daarom in een gestructureerd en uniform format beschikbaar zijn. In artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn, dat de rechtsgrondslag vormt voor het verzamelen van gegevens over Natura 2000, wordt het volgende bepaald: “Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier”. Krachtens artikel 4, lid 3, van de vogelrichtlijn rust op de lidstaten ook de verplichting om “de Commissie alle nuttige gegevens [toe te zenden] zodat zij de geëigende initiatieven kan nemen voor de coördinatie die nodig is om te bereiken dat de zones bedoeld in lid 1, enerzijds, en in lid 2, anderzijds, [van artikel 4] een samenhangend geheel vormen dat voldoet aan de eisen inzake bescherming van de soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is”.
Dit document bevat informatie over de verschillende gegevensvelden van het Natura 2000-standaardgegevensformulier (SGF) en de wijze waarop deze moeten worden ingevuld, en welke geografische informatie nodig is.
Doel en gebruik van het Natura 2000-standaardgegevensformulier
De belangrijkste doelstellingen van het SGF, de resulterende databank en geospatiale producten (bv. Natura 2000-viewer) zijn:
|
1) |
de nodige informatie te verstrekken om de Commissie in staat te stellen, in partnerschap met de lidstaten en ondersteund door het Europees Milieuagentschap (EEA), maatregelen te coördineren om een samenhangend Natura 2000-netwerk tot stand te brengen en in stand te houden en de doeltreffendheid ervan voor de instandhouding van de habitattypen van bijlage I en voor de habitats van de in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen soorten en de habitats van de in bijlage I opgenomen vogelsoorten en andere trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG te evalueren; |
|
2) |
de lijsten van de Unie van de SCI’s in het kader van de habitatrichtlijn te actualiseren; |
|
3) |
informatie te verstrekken die de Commissie zal helpen om ervoor te zorgen dat er in andere initiatieven van het milieu- en klimaatbeleid van de EU en in andere beleidstakken en -sectoren, met name het regionaal beleid en het beleid inzake landbouw, energie, vervoer en toerisme, terdege rekening wordt gehouden met het Natura 2000-netwerk; |
|
4) |
de Commissie en het betrokken comité bij te staan bij de keuze van acties voor financiering in het kader van LIFE; |
|
5) |
te voorzien in een consistent en handzaam formulier voor de uitwisseling en mededeling van informatie over Natura 2000-gebieden, overeenkomstig de bepalingen van de Inspire-verordening en andere EU-besluiten en -verdragen over de toegang tot informatie (bv. het Verdrag van Aarhus); |
|
6) |
gegevens beschikbaar te maken voor onderzoek, planning en andere doeleinden ter ondersteuning van het beleid inzake natuurbehoud; |
|
7) |
een betrouwbare referentie- en informatiebron te verschaffen voor de beoordeling van specifieke problemen in geval van mogelijke overtredingen van de wetgeving van de Unie; |
|
8) |
betrouwbare en actuele informatie over Natura 2000 beschikbaar te stellen aan het publiek. |
De SGF’s, die het Natura 2000-netwerk op Unieniveau documenteren, vormen voor al deze doeleinden een belangrijke informatiebron. Wil deze documentatie goed aan haar diverse doelstellingen beantwoorden, dan dient zij up-to-date te worden gehouden. De lidstaten wordt daarom geadviseerd deze documentatie ten minste om de zes jaar bij te werken op basis van de beste beschikbare informatie. Zo kunnen bijvoorbeeld monitoringresultaten in het kader van artikel 11, beleidsontwikkelingen, effectbeoordelingen enz. nieuwe informatie opleveren die in geactualiseerde SGF’s moet worden verwerkt. Hoewel een gedetailleerde monitoring van elk gebied niet expliciet vereist is op grond van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn, is het van belang dat de toestand van de habitats en soorten in de gebieden bekend is, om ervoor te zorgen dat aan de materiële verplichtingen (bv. het voorkomen van verslechtering van habitats) van de richtlijnen wordt voldaan en om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden te monitoren. De lidstaten zijn het best geplaatst om voor deze doeleinden efficiënte en doeltreffende monitoringsystemen op te zetten en daarbij ten volle rekening te houden met andere informatiebronnen (bv. burgerwetenschap, teledetectie enz.).
Het herziene standaardgegevensformulier
Het eerste “standaardgegevensformulier” (SGF) werd in 1997 vastgesteld (bij Beschikking 97/266/EG), met als voornaamste doel Natura 2000 op te bouwen en te beoordelen of de nationale netwerken toereikend waren. In 2011 werd het SGF voor het eerst herzien en gemoderniseerd om rekening te houden met de verbeterde beschikbaarheid van digitale ruimtelijke gegevens en de vooruitgang op het gebied van gegevensbeheertechnologie en om de de structuur van ecologische informatie waar nodig te verbeteren.
In 2020 werden de lidstaten en de Commissie het erover eens dat de gegevensstroom in het kader van beide richtlijnen verder moest worden verbeterd en gestroomlijnd en dat binnen dit kader een tweede herziening van het SGF moest worden uitgevoerd.
De technische werkzaamheden met betrekking tot de herziening van het SGF zijn uitgevoerd om de beschikbaarheid en kwaliteit van de gegevens te verbeteren, belangrijke lacunes op te vullen (bv. informatie over instandhoudingsdoelstellingen, maatregelen en doeltreffendheid van het beheer) en het SGF beter in overeenstemming te brengen met de rapportage uit hoofde van artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn. Zo is de mate van instandhouding voor zowel soorten als habitats nu gekoppeld aan de begrippen “toestand van de habitat” en “kwaliteit van het door de soorten bezette deel van de habitat”, die worden gebruikt voor de artikel 12- en de artikel 17-rapportage. Deze verbeteringen hebben tot doel de rol en de bijdrage van het Natura 2000-netwerk te beoordelen bij het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor habitats en soorten.
Het Natura 2000-referentieportaal
Ondersteunende documenten die het consistente gebruik van het SGF in de hele EU moeten waarborgen, onder meer in verband met elektronische gegevensoverdracht en -verwerking, zijn online beschikbaar voor de lidstaten in het “Natura 2000-referentieportaal” dat beheerd wordt door het Europees Milieuagentschap. Deze documentatie omvat elementen zoals codelijsten en ander(e) noodzakelijk(e) referentiedocumenten en -materiaal: bijvoorbeeld gegevensmodellen, formulieren voor de overdracht van ruimtelijke gegevens en gegevens in tabelvorm, alsmede technische richtsnoeren waarin de technische en administratieve procedures voor het indienen van gegevens bij de Commissie worden uiteengezet. Sommige elementen van het referentieportaal kunnen in de loop van de tijd worden gewijzigd als gevolg van technische, wetenschappelijke (bv. taxonomische) en andere ontwikkelingen. Voor de elementen die door DG Milieu en/of het EEA worden bijgehouden (zie bijlage), moet voor elke wijziging (1) de voorafgaande goedkeuring van het Comité habitats worden verkregen. Een link naar het referentieportaal is te vinden op de website van het DG Milieu van de Commissie. De kernelementen van dit portaal zijn opgenomen in het aanhangsel.
Natura 2000-standaardgegevensformulier en databank
Voor elk voorgesteld, aangewezen of ingedeeld Natura 2000-gebied dienen een volledig ingevuld standaardgegevensformulier en een digitale geospatiale weergave van de grenzen van het gebied beschikbaar te zijn. Alle gebieden van een lidstaat vormen samen de nationale SGF-databank.
Alle velden van het SGF moeten worden ingevuld, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Om volledig te zijn, moet de nationale SGF-databank een geospatiale beschrijving bevatten van elk Natura 2000-gebied, waarvoor technische richtsnoeren beschikbaar zijn op het Natura 2000-referentieportaal.
Een lidstaat kan voorstellen de informatie in zijn Natura 2000-databank bij te werken door een geactualiseerde databank op het Reportnet-systeem van het EEA te uploaden (zie instructies op het Natura 2000-referentieportaal). Een dergelijke geactualiseerde databank moet vergezeld gaan van een nota waarin de aangebrachte wijzigingen worden toegelicht (en onder bepaalde omstandigheden worden gemotiveerd). Zodra de databank is geüpload, wordt een eerste reeks kwaliteitscontroles uitgevoerd om de conformiteit van de databank te testen: als het testresultaat negatief is, wordt de databank afgewezen. Een beschrijving van de voor de kwaliteitscontroles toegepaste regels is beschikbaar op het Natura 2000-referentieportaal als onderdeel van de technische beschrijving van de SGF-velden.
Alvorens de Natura 2000-databank van de EU samen te stellen, zullen de diensten van de Europese Commissie nagaan of de voorgestelde wijzigingen in overeenstemming zijn met de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn.
De taalcode, die in vrijetekstvelden wordt vermeld, is een gestandaardiseerde code die wordt gebruikt om menselijke talen op internet te identificeren. Technische details, zoals de lijst van te gebruiken taalcodes, worden verstrekt op het Natura 2000-referentieportaal.
1 IDENTIFICATIE VAN HET GEBIED
1.1 Type gebied
Het type gebied geeft aan of het gaat om een speciale beschermingszone (SPA) die uit hoofde van de vogelrichtlijn is aangewezen, dan wel om een (voorgesteld) gebied van communautair belang ((p)SCI)/speciale beschermingszone (SAC) in het kader van de habitatrichtlijn of beide. Er moet een van de volgende opties worden gekozen:
|
☐ |
A: een gebied dat valt onder de vogelrichtlijn (SPA); of |
|
☐ |
B: een gebied dat valt onder de habitatrichtlijn (pSCI, SCI of SAC); of |
|
☐ |
C: een gebied dat zowel onder de vogelrichtlijn als onder de habitatrichtlijn valt (d.w.z. met identieke grenzen). |
Wanneer een SCI en een SPA elkaar overlappen maar niet volledig samenvallen, worden de gebieden als afzonderlijke gebieden behandeld.
Figuur 1:
Mogelijke relaties tussen gebieden
|
|
A |
SPA: Vul één SGF in voor de SPA. |
|
|
B |
pSCI, SCI of SAC: vul één formulier in voor de pSCI, SCI of SAC. |
|
|
C |
SPA enerzijds en pSCI, SCI of SAC anderzijds bestrijken precies hetzelfde gebied: vul één formulier in voor zowel de SPA als de pSCI, SCI of SAC. |
|
|
A B |
Wanneer een SPA enerzijds en een pSCI, SCI of SAC anderzijds elkaar overlappen maar niet volledig samenvallen, worden de gebieden als afzonderlijke gebieden behandeld. Voor de pSCI, SCI of SAC enerzijds en voor de SPA anderzijds moeten afzonderlijke formulieren worden ingevuld. |
1.2 Code van het gebied
Elk gebied moet een stabiele unieke code hebben, die uit een reeks van negen tekens bestaat en als volgt is samengesteld:
|
— |
De eerste twee tekens vormen de landcode. Pas de in de Unie gangbare regel inzake het gebruik van tweeletterige ISO 3166-landcodes toe (zie codelijst op het Natura 2000-referentieportaal). |
|
— |
De overige zeven tekens vormen een voor ieder gebied binnen de lidstaat unieke alfanumerieke code waarvan de toekenning geschiedt volgens een door de bevoegde nationale instantie te kiezen logisch en coherent systeem. |
De volgende regels zijn van toepassing:
|
— |
De code van het gebied identificeert een Natura 2000-gebied en wordt in de loop der tijd niet gewijzigd, tenzij het gebied het gevolg is van samenvoeging of splitsing van gebieden. |
|
— |
Indien twee of meer gebieden worden samengevoegd of een gebied in subgebieden wordt opgesplitst, wordt aanbevolen de code van het grotere gebied te behouden voor het samengevoegde gebied en indien een groter subgebied wordt opgesplitst, de oorspronkelijke code van het opgesplitste gebied te behourden. |
|
— |
Indien een SCI echter wordt samengevoegd met een SPA (resulterend in een C-gebied), wordt aanbevolen de gebiedscode van het SCI voor het samengevoegde gebied te behouden, aangezien de gebiedscode van het SCI in de lijst van de Unie wordt gebruikt. |
|
— |
De aanwijzing van een SCI als SAC is geen geldige reden om de code van het gebied te wijzigen, tenzij dit noodzakelijk is op grond van wettelijke (aanwijzings-)procedures op nationaal niveau. |
|
— |
Als een code van een gebied om welke reden dan ook moet worden geschrapt, kan deze code niet opnieuw worden gebruikt. |
1.3 Naam van het gebied
Voor landen die een Latijns alfabet gebruiken, wordt de naam van het gebied vermeld in de desbetreffende taal. de Het Latijnse alfabet moet worden gebruikt (UTF 8/16); de naam mag niet in louter hoofdletters worden vermeld (schrijf dus bijvoorbeeld “Gave de Pau” en niet ”GAVE DE PAU”).
Voor lidstaten die een niet-Latijns alfabet (Grieks of Cyrillisch) gebruiken, moet de naam van het gebied in veld 1.3 in het Latijnse alfabet worden geschreven. Voorbeeld: Naam van het gebied die in veld 1.3 in het Latijnse alfabet moet worden ingevuld: “Ikaria — Fournoi Kai Paraktia Zoni”.
1.3.1 Naam van het gebied, niet-Latijns alfabet (facultatief)
Naast de in veld 1.3 vermelde naam van het gebied kan de naam worden vermeld in andere lettertekens dan het Latijnse alfabet, zoals het Griekse of het Cyrillische alfabet. Voorbeeld: Naam van het gebied die in veld 1.3.1 in het Grieks moet worden ingevuld: “Ικαρία — Φούρνοι και παράκτια ζώνη”.
1.4 Beantwoorder
Beantwoorder: de officiële contactgegevens van de organisatie (bv. de bevoegde administratieve instantie) die de informatie in het SGF heeft verzameld. De beantwoorder is het aanspreekpunt voor vragen van technische aard of als er fouten worden ontdekt. Overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming mogen er geen persoonsgegevens worden verstrekt.
De verstrekte gegevens moeten in ieder geval een van de volgende veldcombinaties omvatten:
|
— |
naam van de organisatie (1.4.1) en postadres (1.4.3); of |
|
— |
naam van de organisatie (1.4.1) en e-mailadres van een functionele mailbox (1.4.4); of |
|
— |
naam van de organisatie (1.4.1) en website met contactgegevens (1.4.5). |
1.4.1 Naam van de organisatie
De officiële naam van de organisatie die de informatie in het SGF heeft verzameld.
1.4.2 Contactpunt in de organisatie (facultatief)
Contactpunt betekent een nadere specificatie van het onderdeel van de organisatie dat verantwoordelijk is voor het verzamelen van gegevens in het respectieve SGF, zoals een afdeling natuurbehoud of een specifieke functionele rol zoals de “coördinatie-eenheid Natura 2000”.
1.4.3 Postadres
Het postadres van de organisatie moet worden vermeld in een vrijetekstveld volgens de in de lidstaat geldende norm voor postadressen.
1.4.4 E-mailadres van de functionele mailbox
In overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming mogen uitsluitend functionele e-mailadressen worden gebruikt.
1.4.5 Website met contactgegevens
De website moet de officiële contactgegevens van de organisatie bevatten. Om problemen met het wijzigen van links te voorkomen, wordt alleen de link naar de startpagina van de organisatie vermeld, van waaruit naar de contactgegevens kan worden genavigeerd.
1.5 Datums van indeling/voorstel/aanwijzing van het gebied
De datums waarop een gebied als SPA is ingedeeld en die waarop het als SCI/SAC is voorgesteld dan wel aangewezen, moeten samen met de referentie voor de nationale SPA- en SAC-besluiten in de respectieve velden van 1.5 worden vermeld. Indien een gebied na de aanwijzing ervan is uitgebreid, wordt het jaar van de aanvankelijke aanwijzing behouden. Nadere toelichting, bijvoorbeeld voor de datum van indeling of aanwijzing van gebieden die oorspronkelijk uit afzonderlijke SPA’s en/of SCI’s bestaan, kan facultatief worden verstrekt in veld 1.5.6.
1.5.1 Datum van eerste indeling van het gebied als SPA
Vermeld de datum waarop het gebied voor het eerst als SPA is ingedeeld.
1.5.2 Indelingsbesluit SPA
Geef een verwijzing naar het nationale besluit tot indeling als SPA. De verwijzing dient bij voorkeur vermeld te worden in de vorm van een stabiele digitale identificatiecode (URI = URL of DOI). Als dit niet mogelijk is, kan de verwijzing ook als vrije tekst worden verstrekt.
1.5.3 Datum waarop het gebied voor het eerst als SCI is voorgesteld
Vermeld de datum waarop het gebied voor het eerst als SCI is voorgesteld. Dit is de datum waarop voor het eerst officieel aan de Europese Commissie is voorgesteld om het gebied in aanmerking te laten komen als SCI.
1.5.4 Datum van de aanwijzing van het gebied als SAC
De datum waarop het gebied als SAC is aangewezen, moet worden vermeld.
1.5.5 Aanwijzingsbesluit SAC
Geef een verwijzing naar het nationale besluit tot aanwijzing als SAC. De verwijzing dient bij voorkeur vermeld te worden in de vorm van een stabiele digitale identificatiecode (URI = URL of DOI). Als dit niet mogelijk is, kan de verwijzing ook als vrije tekst worden verstrekt.
1.5.6 Toelichting (facultatief)
In het vrijetekstveld kan desgewenst extra uitleg over de velden in rubriek 1.5. worden gegeven, bv. met betrekking tot de datum van indeling of aanwijzing van gebieden die uit meerdere initieel afzonderlijke SPA’s en/of SCI’s bestaan.
2 LIGGING VAN HET GEBIED
2.1 Oppervlakte van het gebied
De oppervlakte van Natura 2000-gebieden moet in veld 2.1.1 worden vermeld; de oppervlakte maakt ook deel uit van de ruimtelijke dataset, die de digitale grens van het gebied bevat. In principe moet de in veld 2.1.1 gerapporteerde oppervlakte gelijk zijn aan de oppervlakte die is berekend aan de hand van de ruimtelijke dataset. Om verschillende redenen (onvolledige weergave wegens grotten, nationale aanwijzingsbesluiten op basis van onjuiste gegevens, onzekerheden in verband met veranderingen in de ruimtelijke referentiesystemen enz.) kunnen zij echter verschillen en dit moet worden toegelicht in de velden 2.1.2 en 2.1.3.
2.1.1 Omvang
De oppervlakte van een gebied moet worden vermeld. Vul zo nauwkeurig mogelijk de totale oppervlakte van het gebied in hectare in; het gebruik van decimalen is toegestaan. Ook voor lineaire kenmerken zoals kliffen moet de oppervlakte worden ingevuld, die op ramingen kan worden gebaseerd.
2.1.2 Reden voor het verschil in oppervlakte met ruimtelijke dataset (indien van toepassing)
Indien de oppervlakte in veld 2.1.1 verschilt van de oppervlakte in de ruimtelijke dataset, vermeld de reden daarvoor door de desbetreffende categorie van de respectieve codelijst te gebruiken:
|
☐ |
Klif of steil gebied |
|
☐ |
Grot |
|
☐ |
Projectie naar ETRS89 |
|
☐ |
Overige — de ruimtelijke weergave komt om andere redenen niet overeen met de oppervlakte in veld 2.1.1. Licht toe in veld 2.1.3. |
Nadere toelichtingen moeten in veld 2.1.3 worden gegeven. Indien de categorie “Overige” wordt gebruikt, moet dit nader worden toegelicht.
2.1.3 Reden voor het verschil in oppervlakte — toelichting
Behalve in veld 2.1.2 kan het verschil in oppervlakte nader worden toegelicht door gebruik te maken van vrije tekst. Indien in veld 2.1.2 de categorie “Overige” wordt gebruikt, moet dit worden toegelicht.
2.2 Administratieve regio (facultatief)
Met het oog op het ordenen en structureren van statistische gegevens heeft Eurostat een standaardsysteem voor de hiërarchische codering van de regio’s van de Unie ontwikkeld. Deze codering dient door de Commissie bij elk gebruik van de aan de regio’s gerelateerde gegevens te worden toegepast (zie Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1)). Voor een volledige beschrijving wordt voorts verwezen naar de startpagina van Eurostat.
2.2.1 Code van de administratieve regio
Voor elk gebied worden de codes van NUTS-niveau 2 ingevuld. Er moet ten minste één code worden vermeld. Indien een gebied zich over twee of meer regio’s uitstrekt, kunnen er echter meerdere codes worden gebruikt.
Vul, als een gebied niet in een NUTS-regio valt, de NUTS-code voor “extra regio” in (aan een extra regio van niveau 2 in België zou bijvoorbeeld de correcte code “BEZZ” worden toegekend).
Gebruik daarvoor de meest recente versie van de NUTS-classificatie (zie de link in het Natura 2000-referentieportaal).
2.2.2 Naam van de administratieve regio
De naam van de administratieve regio die overeenkomt met de NUTS-code niveau 2 die in veld 2.2.1 wordt gebruikt. De naam van de administratieve regio moet worden vermeld wanneer de code van de administratieve regio is ingevuld, anders moet veld 2.2.2 leeg blijven.
2.3 Biogeografische en mariene regio’s
2.3.1 Regiocode
Aan de hand van de meest recente kaart van de biogeografische en mariene regio’s (zie het Natura 2000-referentieportaal) moet worden aangegeven in welke van deze biogeografische en mariene regio(’s) het gebied zich bevindt.
2.3.2 Percentage
Vermeld, indien een gebied in twee of meer regio’s is gelegen, het areaalpercentage in elke betrokken regio. De percentages moeten samengeteld 100 % bedragen. Kleine afrondingsfouten bij het samentellen van de waarden kunnen worden verwaarloosd. Het percentage moet worden berekend aan de hand van dezelfde kaart als die welke wordt gebruikt om de regiocode te specificeren (veld 2.3.1).
3 ECOLOGISCHE INFORMATIE
Afhankelijk van het gebiedstype moet rubriek 3 het volgende bevatten:
|
— |
Voor gebieden van type A en C: alle relevante informatie over vogelsoorten die vallen onder artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG, d.w.z. de in bijlage I genoemde soorten en regelmatig voorkomende trekvogelsoorten die niet in bijlage I zijn opgenomen en die in het gebied voorkomen (SGF-rubriek 3.2). |
|
— |
Voor gebieden van type B en C: alle relevante informatie over alle in het gebied aanwezige habitats van bijlage I bij de habitatrichtlijn (SGF-rubriek 3.1) en alle in het gebied aanwezige dier- en plantensoorten van bijlage II (SGF-rubriek 3.2). |
3.1 Habitattypen van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad die in het gebied aanwezig zijn
3.1.a Essentiële informatie (habitattype)
Dit deel moet worden ingevuld voor alle habitattypen van bijlage I die in het gebied aanwezig zijn en moet ook worden ingevuld voor de habitattypen waarvoor de wederinvoering in het gebied is gepland.
3.1.1 Code van het habitattype
De vier tekens tellende code van de habitattypen van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG moet worden vermeld. De codelijst voor deze habitattypen is beschikbaar op het Natura 2000-referentieportaal.
3.1.2 Prioritaire variant
Geef, indien in het gebied de prioritaire varianten van de habitattypen 6210, 7130 of 9430 worden aangetroffen (afhankelijk van hun kenmerken kunnen deze habitattypen namelijk zowel in een prioritaire als in een niet-prioritaire vorm voorkomen), de aanwezigheid van de prioritaire variant aan in veld 3.1.2.
Als zowel de prioritaire als de niet-prioritaire variant in het gebied voorkomen, moet voor elke variant een afzonderlijke regel worden ingevuld.
3.1.3 Afwezigheid
Wanneer een habitattype van bijlage I die als beduidend aanwezig was toen het gebied als SCI werd voorgesteld of later als beduidend is aangemerkt, niet langer aanwezig is in het gebied, moet dit worden vermeld in het veld “afwezigheid”. In dit geval wordt verwacht dat de instandhoudingsdoelstelling voor deze habitat de wederinvoering van de habitat in het gebied is. Er kunnen gevallen zijn waarin een habitat op natuurlijke wijze fluctueert (bv. habitat 3170, niet-permanente poelen in het Middellandse Zeegebied). In dergelijke gevallen wordt “afwezigheid” alleen gerapporteerd indien zich veranderingen hebben voorgedaan die verder gaan dan dergelijke natuurlijke schommelingen.
Wanneer een habitattype van bijlage I niet aanwezig is in een gebied (en niet aanwezig was toen het gebied werd aangewezen), maar waarvan de wederinvoering is gepland, moet dit worden vermeld in het veld “afwezigheid”.
Voor habitats die niet langer in het gebied aanwezig zijn, moeten de volgende velden worden ingevuld: 3.1.1 (Code habitattype), 3.1.2 (Prioritaire variant), 3.1.6 (Gebruikte methode), 3.1.7 (Periode van de laatste gegevensverzameling), 3.1.13 (Instandhoudingsdoelstellingen), 3.1.16 (Datum actualisering). Veld 3.1.4 (Bedekking) moet 0 (nul) zijn. De andere velden van rubriek 3.1 moeten leeg blijven.
Een habitattype van bijlage I dat beduidend aanwezig was toen het gebied als SCI werd voorgesteld of later als beduidend werd aangemerkt, maar dat als verloren wordt beschouwd en niet kan worden hersteld, kan van de lijst worden geschrapt op basis van de redenen die zijn uiteengezet in het Nadeg-document “ Finalised note on removal of habitats and species from the subject of protection in Natura 2000 areas — conditions & justifications (Doc Nadeg 21-12-05-04) ”, beschikbaar op het referentieportaal.
3.1.4 Bedekking
De oppervlakte van de habitat in het gebied moet worden vermeld in hectare [ha], tenzij het gebied een grot is en er geen geschatte oppervlakte beschikbaar is (veld 3.1.5); indien niet-aanwezigheid is aangegeven (veld 3.1.3), moet de bedekte oppervlakte nul zijn (0); decimale waarden zijn toegestaan.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin habitats van bijlage I elkaar fysiek overlappen (bv. zandbanken in een estuarium). Vermeld in dit specifieke geval de met elke habitat overeenkomende oppervlakte (bv. de oppervlakte van het estuarium en de oppervlakte van de zandbanken). Als deze berekeningswijze niet kan worden toegepast, dient de oppervlakte van de kleinere habitat van die van de grotere te worden afgetrokken.
3.1.5 Grotten
Voor grotten (habitatcodes 8310 en 8330) kan het aantal grotten worden ingevuld indien geen raming van de oppervlakte beschikbaar is.
3.1.6 Methodiek voor de bedekking
De methode waarop de bedekking wordt bepaald, moet worden aangeduid aan de hand van een van de volgende categorieën:
|
☐ |
volledige inventarisatie of statistisch robuuste raming (bv. een specifieke kartering of inventarisatie of een robuust voorspellend model met representatieve steekproef van verspreidingsgegevens, kalibratie en bevredigende evaluatie van de voorspellende prestaties ervan op basis van goede gegevens over de milieuomstandigheden in het hele habitatgebied); of |
|
☐ |
hoofdzakelijk gebaseerd op extrapolatie op basis van een beperkte hoeveelheid gegevens (bv. andere voorspellende modellen of extrapolatie met gebruikmaking van een minder volledige steekproef van verspreidings- en milieugegevens); of |
|
☐ |
hoofdzakelijk gebaseerd op expertise op basis van een zeer beperkte hoeveelheid gegevens. |
Er kan slechts één categorie worden geselecteerd; indien de gegevens uit verschillende bronnen afkomstig zijn, selecteer dan de categorie van de belangrijkste gegevensbron.
3.1.7 Periode van de laatste gegevensverzameling
Vermeld de begin- en einddatum van de periode van de laatste gegevensverzameling voor de habitat in het gebied. Het formaat voor de datums is jaar en maand (JJJJ-MM).
Indien de datum van de laatste gegevensverzameling ouder is dan 2022, maar de maand en het jaar niet bekend zijn, kan de optie “inventarisatie ouder dan 2022” worden gekozen. In dit geval moet het veld voor de maand en het jaar leeg blijven.
3.1.b Beoordeling van het gebied (habitattype)
3.1.8 Significantie
Een habitattype van bijlage I dat in het gebied aanwezig is, kan als “aanwezig, maar weinig waardevol” worden aangemerkt wanneer de habitat in het gebied 1) van weinig waarde is voor het natuurbehoud, omdat deze klein, zeer aangetast of fragmentarisch is en de ecologische functies van het habitattype zeer beperkt zijn en de structurele componenten en de kenmerkende/typische soortensamenstelling ervan ernstig zijn verminderd; en 2) geen relevante herstelmogelijkheden biedt. Dergelijke omstandigheden bestaan al sinds het gebied is voorgesteld als SCI en zijn niet te wijten aan ongepast gebiedsbeheer of antropogene druk die sindsdien hebben plaatsgevonden.
Aanwezige maar weinig waardevolle habitats moeten in dit veld (3.1.8) worden vermeld. Er zij op gewezen dat voor habitats die in significante mate voorkomen, alle velden van veld 3.1.b moeten worden ingevuld, terwijl voor aanwezige maar weinig waardevolle habitats alleen de velden 3.1.8 (Significantie) en 3.1.16 (Datum actualisering) van rubriek 3.1.b moeten worden ingevuld.
3.1.9 Representativiteit
Representativiteit is het criterium van punt A, onder a), van bijlage III: mate van representativiteit van het habitat in het gebied.
Het criterium van punt A, a), van bijlage III moet worden gehanteerd in het licht van de interpretatiehandleiding voor de habitattypen van bijlage I, waarin voor ieder habitattype een omschrijving, een opgave van karakteristieke soorten en andere nuttige gegevens worden verstrekt. De mate van representativiteit drukt uit hoe “typisch” een habitat is voor het desbetreffende habitattype.
Indien ter vergelijking geen kwantitatieve veldgegevens ter beschikking staan of indien het criterium zich niet leent voor een kwantitatieve benadering, mag de inschaling van habitattypen op het advies van ervaren deskundigen worden gebaseerd.
Er dient gebruik te worden gemaakt van de volgende rangordeschaal:
|
☐ |
A: uitstekende representativiteit of |
|
☐ |
B: goede representativiteit of |
|
☐ |
C: beduidende representativiteit. |
3.1.10 Relatieve oppervlakte
De relatieve oppervlakte is criterium A, b), van bijlage III: door het type natuurlijke habitat bestreken oppervlakte in het gebied (zie veld 3.1.4 Bedekking) ten opzichte van de totale door dit type natuurlijke habitat op het nationale grondgebied bestreken oppervlakte.
De totale oppervlakte die door het habitattype wordt bestreken op het nationale grondgebied moet overeenkomen met de totale oppervlakte zoals gerapporteerd op grond van artikel 17 van de habitatrichtlijn (d.w.z. de som voor alle biogeografische regio’s). In geval van verbeterde kennis of beschikbaarheid van nauwkeurigere gegevens dan die welke voor de rapportage uit hoofde van artikel 17 worden gebruikt, moet het percentage echter worden berekend op basis van de beste beschikbare informatie voor de totale oppervlakte.
De relatieve oppervlakte moet worden uitgedrukt als een ingeschaald percentage “p”, waarbij een van de volgende categorieën wordt gebruikt:
|
☐ |
A1: 100 % ≥ p > 75 % |
|
☐ |
A2: 75 % ≥ p > 50 % |
|
☐ |
A3: 50 % ≥ p > 25 % |
|
☐ |
A4: 25 % ≥ p > 15 % |
|
☐ |
B: 15 % ≥ p > 2 % |
|
☐ |
C: 2 % ≥ p > 0 % |
3.1.11 Relatieve oppervlakte — toelichting (facultatief)
Dit veld kan worden gebruikt om gedetailleerde informatie te verstrekken over de relatieve oppervlakte, zoals het concrete oppervlak dat ten grondslag ligt aan het in veld 3.1.10 ingeschaalde oppervlak, indien beschikbaar, of een andere relevante toelichting.
3.1.12 Mate van instandhouding
De mate van instandhouding is criterium A, c), van bijlage III. Het moet worden gekoppeld aan de staat van de habitat zoals bepaald voor de artikel 17-rapportage (habitatrichtlijn), namelijk de parameter “structuur & functies (met inbegrip van typische soorten)” (2).
Dit veld bestaat uit drie delen:
3.1.12.1 Mate van instandhouding — indeling in categorieën
De mate van instandhouding moet worden uitgedrukt met behulp van de volgende rangordeschaal:
|
☐ |
A: uitstekende mate van instandhouding (bijna het gehele habitatgebied verkeert in goede staat) of |
|
☐ |
B: goede mate van instandhouding (het grootste deel van het habitatgebied verkeert in goede staat) of |
|
☐ |
C: verminderde mate van instandhouding (het grootste deel van het habitatgebied verkeert niet in goede staat) |
|
☐ |
X: onbekende mate van instandhouding (de staat van het grootste deel of het gehele habitatgebied is onbekend) |
3.1.12.2 Mate van instandhouding — oppervlakte
Naast de categorieën A, B en C moet de oppervlakte in goede, niet-goede of onbekende staat in hectare worden vermeld.
|
— |
Gebied in goede staat: … (ha) |
|
— |
Gebied in niet-goede staat: … (ha) |
|
— |
Gebied in onbekende staat: … (ha) |
3.1.12.3 Mate van instandhouding — gebruikte methode
|
☐ |
Volledige inventarisatie of statistisch robuuste raming in hectaren (bijvoorbeeld uit kartering in beheersplannen) |
|
☐ |
Hoofdzakelijk gebaseerd op extrapolatie op basis van een beperkte hoeveelheid gegevens (oordeel van deskundigen) |
|
☐ |
Hoofdzakelijk gebaseerd op expertise op basis van een zeer beperkte hoeveelheid gegevens (op basis van gedeeltelijke karteringsgegevens) |
|
☐ |
Onvoldoende of geen gegevens beschikbaar |
3.1.13 Instandhoudingsdoelstellingen
De instandhoudingsdoelstellingen hebben tot doel te specificeren welk oppervlakte en welke status habitattypen in een gebied moeten behouden of bereiken, zodat het gebied kan bijdragen tot de algemene doelstelling van een gunstige mate van instandhouding van deze habitattypen (zie artikel 2, lid 2, van de habitatrichtlijn) op nationaal biogeografisch en Europees biogeografisch niveau. Op basis van de in de instandhoudingsdoelstellingen omschreven gewenste omstandigheden worden instandhoudingsmaatregelen vastgesteld.
“Verslechtering voorkomen” of de “instandhouding van de omvang en de goede staat van de habitat” in het gebied zijn de minimale doelstellingen (die verder moeten worden vertaald in termen van de specifieke kenmerken/eigenschappen die de toestand van de habitat bepalen). Bovendien kunnen de instandhoudingsdoelstellingen gericht zijn op de uitbreiding van het habitatgebied of de verbetering van de toestand van de habitat, alsook op de wederinvoering van de habitat in het gebied (d.w.z. van een habitat die niet meer in het gebied voorkomt).
De instandhoudingsdoelstellingen voor de habitat in het gebied moeten worden aangegeven door een of meer van de volgende categorieën te kiezen, waarbij het voorkomen van verslechtering of de instandhouding altijd de minimumdoelstellingen moeten zijn, tenzij andere uitzonderlijke situaties kunnen worden toegelicht en gemotiveerd (bv. die verband houden met de herstelbehoeften van een andere habitat van bijlage I in het gebied). Wanneer “Andere” is aangevinkt, moet veld 3.1.14 worden ingevuld.
|
☐ |
Verslechtering voorkomen |
|
☐ |
De omvang en de goede staat van het habitattype in stand houden |
|
☐ |
Uitbreiding van het gebied van het habitattype |
|
☐ |
De toestand van het habitattype verbeteren |
|
☐ |
Wederinvoering van het habitattype |
|
☐ |
Andere |
3.1.14 Instandhoudingsdoelstellingen — toelichting
In dit vrijetekstveld kunnen een nadere toelichting en informatie over de in veld 3.1.13 vermelde instandhoudingsdoelstellingen worden verstrekt. Indien de optie “Andere” is aangevinkt, moet dit worden toegelicht. Houd er rekening mee dat alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals de herstelbehoeften van andere habitats van bijlage I, aanvaardbare redenen zijn om de instandhouding van een in het gebied aanwezige habitat niet als minimumdoelstelling op te nemen. Voor alle andere opties is het veld facultatief.
3.1.15 Algemeen
Algemene beoordeling (criterium A, d), van bijlage III) van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van het betrokken type natuurlijke habitat.
Dit criterium behelst een algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van het betrokken habitattype. Met dit criterium wordt beoogd om op basis van de voorgaande criteria een geïntegreerde beoordeling tot stand te brengen waarbij rekening wordt gehouden met het relatieve belang van die criteria voor de habitat in kwestie. Bij de beoordeling van de meest relevante elementen voor een algemene beoordeling van de positieve en negatieve invloeden op de instandhouding van het habitattype kan ook met andere aspecten rekening worden gehouden. Die “meest relevante elementen” hoeven niet voor ieder habitattype dezelfde te zijn: het kan daarbij onder meer gaan om menselijke activiteiten in en om het gebied die de staat van instandhouding van het habitattype kunnen beïnvloeden, de eigendom van de grond, de huidige juridische status van het gebied, de ecologische relaties tussen de verschillende habitattypen en soorten enz.
Bij deze algemene waardebepaling mag een beroep worden gedaan op het advies van ervaren deskundigen en wordt de volgende rangordeschaal toegepast:
|
☐ |
A: uiterst waardevol, |
|
☐ |
B: waardevol, |
|
☐ |
C: van beduidende waarde. |
3.1.16 Datum actualisering
De datum (jaar en maand, JJJJ-MM) waarop de informatie in rubriek 3.1.b (Beoordeling van het gebied) voor het laatst is geactualiseerd, moet worden vermeld voor niet-aanwezige, beduidende en aanwezige maar verwaarloosbare habitats. De hier bedoelde actualiseringen hebben betrekking op inhoudelijke wijzigingen van de rubriek en niet op kleine correcties zoals tikfouten of opmaakfouten.
3.2 Soorten bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2009/147/EG en soorten vermeld in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG die in het gebied voorkomen
3.2a Essentiële informatie (soorten)
Volgens het type gebied moet rubriek 3.2.a worden ingevuld voor alle relevante soorten die in het gebied aanwezig zijn (zie ook de inleidende alinea’s aan het begin van rubriek 3) en voor soorten waarvan de wederinvoering in het gebied is gepland.
3.2.1 Soortengroep
Geef aan tot welke groep (d.w.z. amfibieën, vogels, vissen, ongewervelden, korstmossen, zoogdieren, planten met inbegrip van mossen, reptielen) de soort behoort door gebruik te maken van de codes van soortengroepen die beschikbaar zijn op het Natura 2000-referentieportaal.
3.2.2 Code van de soort
De soorten die in rubriek 3.2 moeten worden opgenomen, hangen af van het type gebied, zoals toegelicht in de inleidende alinea’s aan het begin van rubriek 3 (ecologische informatie). Gebruik hiervoor de codelijst voor de soorten op het Natura 2000-referentieportaal.
3.2.3 Wetenschappelijke naam
Vul de wetenschappelijke soortnaam in die overeenkomt met de in veld 3.2.2 gebruikte code volgens de lijst van soortnamen op het Natura 2000-referentieportaal. Alleen de wetenschappelijke naam die overeenkomt met de code in de soortenlijst mag door de Europese Commissie worden gebruikt. Iets anders wordt als een fout beschouwd.
3.2.4 Gevoeligheid van gegevens over soorten
Geef in dit veld aan of de openbaarmaking van de met betrekking tot een soort verstrekte informatie haar instandhoudingsvooruitzichten zou kunnen schaden, bijvoorbeeld omdat illegale onttrekking aan de natuur plaatsvindt en de openbaarheid van de gegevens in het SGF (met inbegrip van de geospatiale beschrijving van de grenzen) die dreiging reëel zou verhogen. Vermeld in dat geval “ja” in dit veld.
Indien de gegevens met betrekking tot een soort als gevoelig worden aangemerkt, geeft de Commissie uit eigen beweging geen ruchtbaarheid aan de aanwezigheid van de soort in het gebied (bijvoorbeeld door die informatie op te nemen in een publiek toegankelijke databank, viewer of website). Indien de informatie dat de soort in een bepaald gebied voorkomt evenwel reeds openbaar is gemaakt (bv. online), is de kwalificatie “gevoelig” niet gerechtvaardigd.
3.2.5 Afwezigheid
Indien een soort die als beduidend aanwezig was toen het gebied als SCI werd voorgesteld of als SPA is ingedeeld, of later als beduidend is aangemerkt, niet langer aanwezig is in het gebied, moet dit worden vermeld in het veld “afwezigheid”. In dit geval wordt verwacht dat de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort het wederinvoering van de soort in het gebied is.
Opmerking: Soorten kunnen worden geacht niet meer in een gebied voor te komen als zij gedurende een bepaalde periode niet meer in dat gebied zijn waargenomen. Deze periode zal van soort tot soort verschillen: als een makkelijk waarneembare en onder normale omstandigheden regelmatig aanwezige soort gedurende enkele jaren niet wordt gezien, wijst dit waarschijnlijk op verdwijning, maar bij weinig opvallende soorten zoals bepaalde insecten hoeft het jarenlang ontbreken van waarnemingen niet noodzakelijk op plaatselijk uitsterven te wijzen als niet tevens de habitat van de soort is veranderd.
Daarnaast moet de afwezigheid van soorten die niet in een gebied aanwezig zijn (en ook niet aanwezig waren toen het gebied werd aangewezen) maar waarvan de wederinvoering is gepland, worden aangeduid in het veld “afwezigheid”.
Voor soorten die niet langer in het gebied aanwezig zijn, moeten de volgende velden worden ingevuld: 3.2.1 tot en met 3.2.5, 3.2.9 (gebruikte methode), 3.2.10 (periode van de laatste gegevensverzameling) en 3.2.16 (instandhoudingsdoelstellingen). De minimale en maximale populatiegrootte van veld 3.2.7.1 moeten allebei 0 (nul) zijn. De andere velden van rubriek 3.2 moeten leeg blijven.
Een soort die beduidend aanwezig was toen het gebied als SCI werd voorgesteld of als SPA is ingedeeld, of later als beduidend is aangemerkt, maar die als verloren wordt beschouwd en niet kan worden hersteld, kan uitsluitend van de lijst worden geschrapt als dit gerechtvaardigd is overeenkomstig het Nadeg-document “ Finalised note on removal of habitats and species from the subject of protection in Natura 2000 areas — conditions & justifications (Doc Nadeg 21-12-05-04) ”.
3.2.6 Populatietype
De soortenpopulaties in het gebied moeten als volgt worden ingedeeld:
|
☐ |
Standpopulatie: wordt het hele jaar door in het gebied aangetroffen (niet-trekkende diersoort of plant, standpopulatie van een trekkende diersoort) |
|
☐ |
Voortplantingspopulatie: gebruikt het gebied om jongen groot te brengen (bv. paarvorming, nestelen/broeden) |
|
☐ |
Concentratie: gebruikt het gebied als verzamelplek, roestgebied, pleisterplaats op een trekroute of ruigebied buiten de voortplantingsgebieden (maar niet om er te overwinteren) |
|
☐ |
Overwinterende populatie: gebruikt het gebied in de winter |
Als een niet-standpopulatie in meer dan één seizoen in het gebied wordt aangetroffen (bv. broeden, overwinteren), moet voor elk van de populatietypen een afzonderlijke regel worden ingevuld. Aangezien heel wat diersoorten (en met name vogels) trekken, kan een gebied immers een belangrijke rol spelen in uiteenlopende fasen van hun levenscyclus.
Vul, als het niet mogelijk is de gegevens voor de verschillende seizoenen afzonderlijk op te voeren, de gegevens in voor de belangrijkste fase (voortplanting, overwintering of concentratie).
3.2.7 Populatiegrootte en -eenheid
3.2.7.1 Populatiegrootte
Vermeld hier de populatiegrootte als die beschikbaar is. Als de populatiegrootte bekend is (d.w.z. een exacte waarde), vult u in beide subvelden (“min.” en “max.”) dezelfde waarde in. Als het gepaster is een populatiebereik te rapporteren, vult u de geraamde ondergrens (minimum) en bovengrens (maximum) daarvan in.
Indien het populatiebereik onbekend is maar er wel informatie voorhanden is over hetzij de onder-, hetzij de bovengrens daarvan, vult u in plaats van de ontbrekende waarde een schatting in. Merk op dat het “populatieminimum” en “populatiemaximum” moeten verwijzen naar gemiddelden over meerdere jaren en niet naar extreme waarden.
Indien in veld 3.2.5 afwezigheid is aangegeven, moeten het minimum en het maximum “0” zijn.
Indien zelfs geen ruwe schatting van de populatiegrootte kan worden verkregen vanwege objectieve moeilijkheden bij het opsporen van de soort, vul dan de categorie “onvoldoende of geen gegevens beschikbaar” in het veld “Gebruikte methode voor populatiegrootte” in. In dit geval mogen de velden voor populatiegrootte leeg worden gelaten en wordt in plaats daarvan het veld voor abundantiecategorieën ingevuld (zie veld 3.2.8). De abundantiecategorieën kunnen echter ook worden aangegeven als de populatiegrootte vermeld is.
De aard van de populatie in het gebied (bv. “abundant”, “verspreid” of “geïsoleerd”) kan nader worden beschreven in het tekstveld “kwaliteit en belang” (4.2).
3.2.7.2 Populatie-eenheid
Vermeld de eenheid van de overeenkomstige populatiegrootte in veld 3.2.7.1. Aanbevolen wordt zoveel mogelijk gebruik te maken van de eenheden “individuen” of “paren” en waar dit niet mogelijk is gebruik te maken van de meest precieze beschikbare eenheid uit de standaardlijst van populatie-eenheden en codes voor rapportage in het kader van artikel 12 (vogelrichtlijn) en artikel 17 (habitatrichtlijn) (zie het Natura 2000-referentieportaal).
3.2.8 Abundantiecategorie
De abundantiecategorie moet worden ingevuld als bij de voor de populatiegrootte gebruikte methode “onvoldoende of geen gegevens beschikbaar” zijn en er geen raming van de populatiegrootte mogelijk is vanwege objectieve moeilijkheden bij het opsporen van de soort in 3.2.7. Het veld kan echter ook worden ingevuld als de populatiegrootte is vermeld. Zie ook de toelichting hierboven voor “grootte”.
De volgende abundantiecategorieën kunnen worden gebruikt:
|
☐ |
Algemeen: de soort komt veel voor in het gebied, de populatie is groot; of |
|
☐ |
Zeldzaam: de soort komt niet veel of vaak in het gebied voor, de populatie is klein; of |
|
☐ |
Zeer zeldzaam: de soort komt zeer zelden of alleen incidenteel (niet geregeld) in het gebied voor, de populatie is heel klein; of |
|
☐ |
Aanwezig: mag alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt wanneer zelfs niet bekend is of de soort zeldzaam/zeer zeldzaam of algemeen is. |
3.2.9 Gebruikte methode voor populatiegrootte
Vermeld de methode die is gebruikt om de populatiegrootte te bepalen:
|
☐ |
volledige inventarisatie of statistisch robuuste raming; of |
|
☐ |
hoofdzakelijk gebaseerd op expertise op basis van een zeer beperkte hoeveelheid gegevens. |
|
☐ |
hoofdzakelijk gebaseerd op extrapolatie op basis van een beperkte hoeveelheid gegevens; of |
|
☐ |
onvoldoende of geen gegevens beschikbaar. |
Zie ook de toelichting over populatiegrootte en abundantiecategorieën met betrekking tot het gebruik van de categorie “onvoldoende of geen gegevens beschikbaar”.
3.2.10 Periode van de laatste gegevensverzameling
Vermeld de begin- en einddatum van de periode van de laatste gegevensverzameling voor de soort in het gebied. Het formaat voor de datums is jaar en maand (JJJJ-MM).
Indien de datum van de laatste gegevensverzameling ouder is dan 2022, maar de maand en het jaar niet bekend zijn, kan de optie “inventarisatie ouder dan 2022” worden gekozen. In dit geval moet het veld voor de maand en het jaar leeg blijven.
3.2.b Beoordeling van het gebied (soorten)
3.2.11 Significantie
In dit veld moeten aanwezige maar weinig waardevolle soorten in het gebied worden vermeld. Als een soort in een gebied slechts zelden wordt waargenomen, bijvoorbeeld alleen als dwaalgast, geldt dit niet als een beduidende presentie. Indien soorten in significante mate voorkomen, moeten alle velden van rubriek 3.2.b worden ingevuld; indien soorten in verwaarloosbare mate voorkomen, hoeven alleen de velden 3.2.11 (Significantie) en 3.2.20 (Datum actualisering) van rubriek 3.2.b worden ingevuld.
3.2.12 Soorten die voldoen aan ornithologische criteria voor indeling als SPA
Geef aan of de vogelsoort voldoet aan de ornithologische criteria die zijn gebruikt om de indeling als SPA te rechtvaardigen (ten tijde van indeling van het gebied of op een later tijdstip).
3.2.13 Populatie
De populatie is criterium B, a), van bijlage III: omvang en dichtheid van de populatie van de soort in het gebied ten opzichte van de populaties op het nationale grondgebied.
De populatie moet worden uitgedrukt als een ingeschaald percentage “p”, waarbij een van de volgende categorieën wordt gebruikt:
|
☐ |
A1: 100 % ≥ p > 75 % of |
|
☐ |
A2: 75 % ≥ p > 50 % of |
|
☐ |
A3: 50 % ≥ p > 25 % of |
|
☐ |
A4: 25 % ≥ p > 15 % of |
|
☐ |
B: 15 % ≥ p > 2 % of |
|
☐ |
C: 2 % ≥ p > 0 % |
3.2.14 Populatie — toelichting (facultatief)
Dit veld kan worden gebruikt om preciezere informatie te verstrekken over het populatiepercentage, zoals de concrete nationale populatiegrootte die ten grondslag ligt aan het ingedeelde percentage in veld 3.2.13, indien beschikbaar, of een andere relevante toelichting.
3.2.15 Mate van instandhouding
Dit veld bestaat uit drie delen:
De mate van instandhouding is criterium B, b), van bijlage III. De mate van instandhouding moet worden gekoppeld aan de kwaliteit van het door de soort bezette deel van de habitat zoals die momenteel wordt beoordeeld in de rapportage uit hoofde van artikel 17 (habitatrichtlijn). De kwaliteit hangt af van de belangrijkste habitatelementen die de populatiedynamiek beïnvloeden, zoals de fysieke en biologische vereisten van de soort (met inbegrip van bijvoorbeeld de beschikbaarheid van prooi) in alle stadia van de levenscyclus ervan. De structuur van de habitat en de relevante abiotische factoren moeten worden beoordeeld.
3.2.15.1 Mate van instandhouding — gecategoriseerd
De mate van instandhouding moet worden uitgedrukt met behulp van de volgende rangordeschaal:
|
☐ |
A: uitstekende mate van instandhouding (bijna het gehele door de soort bezette deel van de habitat is van voldoende kwaliteit); of |
|
☐ |
B: goede mate van instandhouding (het grootste deel van het door de soort bezette deel van de habitat is van voldoende kwaliteit); of |
|
☐ |
C: verminderde mate van instandhouding (het grootste deel van het door de soort bezette deel van de habitat is van onvoldoende kwaliteit); |
|
☐ |
X: onbekende mate van instandhouding (het grootste deel van of het gehele door de soort bezette deel van de habitat is van onbekende kwaliteit). |
3.2.15.2 Mate van instandhouding — bestreken oppervlakte van het gebied (facultatief)
Naast de categorieën A, B en C moet de bezette oppervlakte met voldoende, onvoldoende of onbekende habitatkwaliteit als percentage van de totale habitatoppervlakte worden vermeld.
|
— |
Door de soort bezet deel van de habitat waarvan de kwaliteit voldoende is: … (%) |
|
— |
Door de soort bezet deel van de habitat waarvan de kwaliteit onvoldoende is: … (%) |
|
— |
Door de soort bezet deel van de habitat waarvan de kwaliteit onbekend is: … (%) |
3.2.15.3 Mate van instandhouding — categorieën voor percentages bestreken oppervlakte
|
Geraamde omvang van het door de soorten bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit voldoende is |
|||||||||||
|
|
|
|
||||||||
|
Geraamde omvang van het door de soorten bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit onvoldoende is |
|||||||||||
|
|
|
|
||||||||
|
Geraamde omvang van het door de soorten bezette deel van de habitat waarvan de kwaliteit onbekend is |
|||||||||||
|
|
|
|
||||||||
3.2.16 Instandhoudingsdoelstellingen
De instandhoudingsdoelstellingen hebben tot doel te specificeren welke omvang en kwaliteit van de habitat van de soort en welke populatiegrootte in een gebied moeten worden gehandhaafd of bereikt, zodat het gebied kan bijdragen tot de algemene doelstelling van een gunstige mate van instandhouding van deze soorten (zie artikel 2, lid 2, van de habitatrichtlijn) op nationaal, biogeografisch of Europees niveau. Op basis van de in de instandhoudingsdoelstellingen omschreven gewenste omstandigheden worden instandhoudingsmaatregelen vastgesteld.
“Verslechtering voorkomen” of de instandhouding van de soorten (in termen van populatiegrootte) en van de habitat in het gebied (in termen van omvang en goede kwaliteit) zijn de minimale doelstellingen (die verder moeten worden vertaald in termen van de specifieke kenmerken).
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soort in het gebied moeten worden aangegeven door een of meer van de volgende categorieën te kiezen, waarbij het “voorkomen van verslechtering” of “de instandhouding” altijd de minimumdoelstellingen moeten zijn, behalve in geval van gerechtvaardigde, uitzonderlijke situaties (bv. die verband houden met de herstelbehoeften van een andere soort of een habitat van bijlage I). Indien hieronder “Andere” is vermeld, moet dit in veld 3.2.17 worden toegelicht en gemotiveerd:
|
☐ |
Verslechtering voorkomen |
|
☐ |
De omvang en de goede kwaliteit van de habitat van de soort en de populatiegrootte in stand houden |
|
☐ |
Uitbreiding van het gebied van de habitat van de soort |
|
☐ |
Wederinvoering van de habitat van de soort |
|
☐ |
De kwaliteit van de habitat van de soort verbeteren (ook rekening houdend met storings- en sterftefactoren) |
|
☐ |
Vergroten van de populatiegrootte |
|
☐ |
De druk op de bevolking verminderen (bv. sterfte of verstoring verminderen) |
|
☐ |
Wederinvoering van de populatie in het gebied |
|
☐ |
Andere |
3.2.17 Instandhoudingsdoelstellingen — toelichting
In dit vrijetekstveld kunnen nadere toelichting en informatie over de in veld 3.2.16 vermelde instandhoudingsdoelstellingen worden verstrekt. Indien in veld 3.2.16 “Andere” is vermeld, moet een toelichting worden gegeven. Houd er rekening mee dat alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals de herstelbehoeften van een andere soort of een ander habitattype van bijlage I, aanvaardbare redenen zijn om de instandhouding van een in het gebied aanwezige soort niet als minimumdoelstelling op te nemen. Voor alle andere opties is het veld facultatief.
3.2.18 Isolement
Mate van isolatie (criterium punt B, c), van bijlage III) van de populatie in het gebied ten opzichte van het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.
Dit criterium kan worden beschouwd als een manier om bij benadering zowel de kwetsbaarheid van de beschouwde populatie indien deze te geïsoleerd is, als de bijdrage van die populatie aan de genetische diversiteit van de soort te bepalen. Daarom is het wenselijk de term “isolement” voldoende ruim te interpreteren, waarbij zowel aan strikte endemen en ondersoorten/variëteiten/rassen als aan deelpopulaties van een metapopulatie moet worden gedacht. Daarbij wordt de volgende rangordeschaal gebruikt:
|
☐ |
A: de populatie is (vrijwel) geheel geïsoleerd; of |
|
☐ |
B: de populatie is niet geïsoleerd, maar bevindt zich aan de rand van het verspreidingsgebied; of |
|
☐ |
C: de populatie is niet geïsoleerd, maar maakt deel uit van een groter verspreidingsgebied. |
3.2.19 Algemeen
Algemene beoordeling (criterium B, d), van bijlage III) van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van de betrokken soort.
Dit criterium behelst een algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van de betrokken soort. Naast de eerder genoemde criteria mag daarbij rekening worden gehouden met andere kenmerken van het gebied die voor de instandhouding van de betrokken soort van belang worden geacht. Tot deze factoren, die van soort tot soort kunnen verschillen, kunnen onder meer worden gerekend: de menselijke activiteiten in en om het gebied die de staat van instandhouding van de soort kunnen beïnvloeden, de aard van het grondbeheer, de juridische bescherming van het gebied, de ecologische relaties tussen de verschillende habitattypen en soorten enz.
Voor deze algemene beoordeling kan het advies van ervaren deskundigen worden gebruikt. Daarbij wordt de volgende rangordeschaal gebruikt:
|
☐ |
A: uiterst waardevol, |
|
☐ |
B: waardevol, |
|
☐ |
C: van beduidende waarde. |
3.2.20 Datum actualisering
Hier moet de datum worden vermeld waarop de informatie in rubriek 3.2.b (beoordeling van het gebied) voor het laatst is geactualiseerd. Het formaat voor de datum is jaar en maand (JJJJ-MM). De hier bedoelde actualiseringen hebben betrekking op inhoudelijke wijzigingen en niet op kleine correcties zoals tikfouten of opmaakfouten.
3.3 Andere belangrijke dier- en plantensoorten (facultatief)
Andere belangrijke dier- en plantensoorten die voor de instandhouding en het beheer van het gebied van belang zijn, kunnen in rubriek 3.3 worden opgenomen, rekening houdend met de volgende regels per gebiedstype:
|
— |
voor gebieden van type A (SPA’s): vogelsoorten van bijlage I bij de vogelrichtlijn en geregeld voorkomende trekvogelsoorten kunnen hier niet worden opgenomen; |
|
— |
voor gebieden van type B (pSCI’s/SCI’s/SAC’s): soorten van bijlage II bij de habitatrichtlijn kunnen hier niet worden opgenomen; |
|
— |
voor gebieden van type C: soorten van bijlage II bij de habitatrichtlijn en vogelsoorten van bijlage I bij de vogelrichtlijn en geregeld voorkomende trekvogelsoorten kunnen hier niet worden opgenomen. |
3.3.1 Soortengroep
Indien de soort behoort tot een van de soortengroepen van de codelijst die beschikbaar is op het Natura 2000-referentieportaal (d.w.z. amfibieën, vogels, vissen, fungi, ongewervelden, korstmossen, zoogdieren, planten met inbegrip van mossen en algen, reptielen) vermeld dan de respectieve code uit die lijst; indien niet, laat het veld leeg (blanco).
3.3.2 Code van de soort
Voor vogels en voor de soorten van de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn moet de code van het Natura 2000-referentieportaal worden gebruikt. Voor andere soorten moet veld 3.3.2 leeg worden gelaten.
3.3.3 Wetenschappelijke naam
Vermeld de wetenschappelijke naam van de soort. Gebruik voor vogels en voor de soorten in de bijlagen II, IV en V de soortnaam zoals vermeld in de codelijsten die beschikbaar zijn op het Natura 2000-referentieportaal.
3.3.4 Gevoeligheid van gegevens over soorten
Geef in dit veld aan of de openbaarmaking van de met betrekking tot een soort verstrekte informatie haar instandhoudingsvooruitzichten zou kunnen schaden, bijvoorbeeld omdat illegale onttrekking aan de natuur plaatsvindt en de openbaarheid van de gegevens in het SGF (met inbegrip van de geospatiale beschrijving van de grenzen) die dreiging reëel zou verhogen.
Indien de gegevens met betrekking tot een soort als gevoelig worden aangemerkt, geeft de Commissie uit eigen beweging geen ruchtbaarheid aan de aanwezigheid van de soort in het gebied (bijvoorbeeld door die informatie op te nemen in een publiek toegankelijke databank, viewer of website). Indien de informatie dat de soort in een bepaald gebied voorkomt evenwel reeds openbaar is gemaakt (bv. online beschikbaar is), is de kwalificatie “gevoelig” niet gerechtvaardigd.
3.3.5 Afwezigheid
Soorten worden geacht niet meer in een gebied voor te komen als zij langere tijd niet meer in dat gebied zijn waargenomen.
3.3.6 Populatiegrootte en -eenheid
3.3.6.1 Populatiegrootte
Vermeld beschikbare populatiegegevens. Als de populatiegrootte bekend is (d.w.z. een exacte waarde), vult u in beide subvelden (“min.” en “max.”) dezelfde waarde in. Als het gepaster is een populatiebereik te rapporteren, vult u de geraamde ondergrens (minimum) en bovengrens (maximum) daarvan in.
Indien het populatiebereik onbekend is maar er wel informatie voorhanden is over hetzij de onder-, hetzij de bovengrens daarvan, vult u in plaats van de ontbrekende waarde een schatting in. Merk op dat het “populatieminimum” en “populatiemaximum” moeten verwijzen naar gemiddelden over meerdere jaren en niet naar extreme waarden.
3.3.6.2 Populatie-eenheid
De eenheden moeten waar mogelijk paren of individuen zijn. Maak in de andere gevallen gebruik van de standaardlijst van populatie-eenheden en codes voor rapportage in het kader van artikel 17 (habitatrichtlijn) (zie het Natura 2000-referentieportaal) in het geval van vogels of soorten die zijn opgenomen in bijlage II, IV of V van de habitatrichtlijn.
3.3.7 Abundantiecategorie
Wanneer er geen kwantitatieve gegevens zijn, gebruik dan een van de volgende categorieën:
De volgende abundantiecategorieën kunnen worden gebruikt:
|
☐ |
Algemeen: de soort komt veel voor in het gebied, de populatie is groot; of |
|
☐ |
Zeldzaam: de soort komt niet veel of vaak in het gebied voor, de populatie is klein; of |
|
☐ |
Zeer zeldzaam: de soort komt zeer zelden of alleen incidenteel (niet geregeld) in het gebied voor, de populatie is heel klein; of |
|
☐ |
Aanwezig: mag alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt wanneer zelfs niet bekend is of de soort zeldzaam/zeer zeldzaam of algemeen is. |
3.3.8 Motivering
Geef voor elke soort door het aankruisen van één van de volgende categorieën aan om welke reden deze wordt vermeld:
|
☐ |
Soort van bijlage II bij de habitatrichtlijn in een SPA |
|
☐ |
Soort van bijlage IV bij de habitatrichtlijn |
|
☐ |
Soort van bijlage V bij de habitatrichtlijn |
|
☐ |
Vogelsoorten van bijlage I bij de vogelrichtlijn in een pSCI, SCI, SAC |
|
☐ |
Trekvogelsoorten in een pSCI, SCI, SAC |
|
☐ |
Verboden soort van bijlage I bij de verordening technische maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (3) die niet reeds door de habitatrichtlijn wordt beschermd |
|
☐ |
In de nationale rode lijsten opgenomen soort |
|
☐ |
In de Europese rode lijsten opgenomen soort |
|
☐ |
In de mondiale rode lijsten opgenomen soort |
|
☐ |
Endemische soort |
|
☐ |
Soort die in lijsten is opgenomen/beschermd in het kader van internationale verdragen zoals het Verdrag van Bern en het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten of het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) |
|
☐ |
Typische soort van habitattypen van bijlage I |
|
☐ |
Wilde verwanten van cultuurgewassen (Crop Wild Relatives, CWR)/genetische hulpbronnen in de bosbouw (Forest Genetic Resources, FGR) |
|
☐ |
Voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1143/2014 inzake invasieve uitheemse soorten (4) |
|
☐ |
Andere redenen |
Er mag meer dan één categorie worden aangekruist. Nadere toelichting op de redenen voor het vermelden van specifieke soorten, met name bij “Andere redenen”, kan worden verstrekt in het vrijetekstveld van rubriek 4.2 van het formulier waar “kwaliteit en belang” van het gebied worden omschreven.
4 BESCHRIJVING VAN HET GEBIED
4.1 Kenmerken van het gebied
Vrije tekst. In dit veld moet een “totaalbeeld” van het gebied worden geschetst. Als eerste kenmerken van het gebied kan een beschrijving worden gegeven van de indeling van het gebied in brede habitatklassen of ecosystemen en van de belangrijkste geologische, geomorfologische en landschapselementen die in het gebied van belang zijn. Vermeld in voorkomend geval de overheersende vegetatietypen. Waar relevant moet informatie worden verstrekt over kleinschalige boomrijke habitatmozaïeken en lineaire landschapselementen (houtkanten, bosjes, boomrijen).
Naast de vrije tekst moet ook de taalcode worden vermeld.
4.2 Kwaliteit en belang van het gebied
Vrije tekst. Geef een algemene beschrijving van de kwaliteit en het belang van het gebied voor habitats en soorten in het licht van de doelstellingen van de richtlijnen inzake natuurbehoud.
Indien het gaat om een wetland van internationaal belang waar regelmatig meer dan 20 000 watervogels worden aangetroffen, moet dit feit hier worden vermeld. Voor soorten die in rubriek 3.3 van het formulier zijn opgevoerd met als motivering “Andere redenen”, kan de reden hier nader worden toegelicht.
Naast de vrije tekst moet ook de taalcode worden vermeld.
4.3 Pressiefactoren van invloed op het gebied
De bedoeling is dat in deze velden informatie over de belangrijkste pressiefactoren en bedreigingen voor het gebied bijeen wordt gebracht. Houd ook rekening met de druk op het gebied vanuit de omgeving van het gebied. De informatie dient betrekking te hebben op de huidige situatie.
4.3.1 Code van de pressiefactor
De lijst van codes van de pressiefactoren in het SGF is dezelfde als voor de rapportage in het kader van artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn. De link naar deze lijst is te vinden op het Natura 2000-referentieportaal.
4.3.2 Rangorde
Het relatieve belang van een pressiefactor wordt ingeschaald aan de hand van de volgende drie categorieën:
|
— |
H: Groot belang: grote directe of onmiddellijke invloed en/of invloed werkzaam over een uitgestrekt gebied; |
|
— |
M: Matig belang: Matige directe of onmiddellijke invloed, hoofdzakelijk indirecte invloed en/of invloed werkzaam over een middelgroot deel van het gebied; |
|
— |
L: Gering belang: geringe directe of onmiddellijke invloed, indirecte invloed en/of invloed werkzaam over een klein deel van het gebied. |
In de hoogste categorie kunnen maximaal vijf factoren worden opgevoerd. In elke categorie moet ten minste één factor worden ingevuld. Geef specifiek aan als er geen factoren te vermelden zijn. Binnen een categorie (H, M of L) wordt geen verdere rangorde onderscheiden. In de categorieën “matig belang” en “gering belang” kunnen ten hoogste twintig pressiefactoren worden opgevoerd. Het verdient echter aanbeveling de aandacht te concentreren op de factoren die voor het gebied het relevantst zijn.
4.3.3 Ligging binnen/buiten
Geef in dit veld aan of de pressiefactor en bedreiging zich binnen of buiten het Natura 2000-gebied bevindt, dan wel beide.
4.3.4 Pressiefactoren nader uitgewerkt
Vrije tekst. Naast de in 4.3.1 vermelde code van de pressiefactor moet in dit veld meer gedetailleerde en specifieke informatie worden verstrekt. Het gaat onder meer om:
|
— |
meer gedetailleerde categorieën uit de vorige lijst van pressiefactoren; of |
|
— |
specifieke informatie op welke habitat en/of soort de druk optreedt; of |
|
— |
specifieke, lopende of geplande activiteiten (bv. plannen of projecten) die een druk of bedreiging voor het gebied vormen of kunnen vormen. Vermeld bovendien de taalcode. |
4.3.5 Datum actualisering
Hier moeten het jaar en de maand (JJJJ-MM) worden vermeld waarop de informatie in rubriek 4.3 (Pressiefactoren van invloed op het gebied) voor het laatst is geactualiseerd. De actualiseringen hebben betrekking op inhoudelijke wijzigingen en niet op kleine correcties zoals tikfouten of opmaakfouten.
4.4 Documentatie
Vrije tekst. Hier moet worden verwezen naar eventuele publicaties en/of wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het gebied. Daarbij dient de standaardvorm voor verwijzingen naar wetenschappelijke werken te worden gebruikt. Dit veld kan ook worden benut voor het meedelen van andere informatie die voor het documenteren van het gebied van belang is. Vermeld bovendien de taalcode.
4.4.1 Link(s)
In het geval van links naar online informatiebronnen moet er rekening mee worden gehouden dat URI’s vaak veranderen; vermijd daarom verwijzingen naar dat soort URI’s.
4.4.2 Datum actualisering
Vermeld de maand en het jaar waarin veld 4.4 voor het laatst is geactualiseerd.
5 BEHEER VAN HET GEBIED
5.1 Voor het beheer van het gebied verantwoordelijke instantie
Verstrek de officiële contactgegevens van de organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van het gebied. Overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming mogen er geen persoonsgegevens worden verstrekt. De verstrekte gegevens moeten een van de volgende veldcombinaties omvatten:
|
— |
naam van de organisatie (5.1.1) en postadres (5.1.3); of |
|
— |
naam van de organisatie (5.1.1) en e-mailadres van een functionele mailbox (5.1.4); of |
|
— |
naam van de organisatie (5.1.1) en website met contactgegevens (5.1.5). |
5.1.1 Naam van de organisatie
De officiële naam van de organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van het gebied.
5.1.2 Contactpunt in de organisatie (facultatief)
Contactpunt betekent een nadere specificatie van het onderdeel van de organisatie zoals een afdeling natuurbehoud of een specifieke functionele rol zoals de “coördinatie-eenheid Natura 2000”.
5.1.3 Postadres
Het postadres van de organisatie moet worden vermeld in een vrijetekstveld volgens de norm die in de lidstaat wordt gebruikt.
5.1.4 E-mailadres van de functionele mailbox
In overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming mogen uitsluitend functionele e-mailadressen worden gebruikt.
5.1.5 Website met contactgegevens
De website moet de officiële contactgegevens van de organisatie bevatten. Om problemen met het wijzigen van links te voorkomen, wordt alleen de link naar de startpagina van de organisatie vermeld, van waaruit naar de contactgegevens kan worden genavigeerd.
5.2 Beheersplannen
Geef aan of er al dan niet een specifiek en geactualiseerd beheersplan voor het gebied bestaat, en zo niet, of een dergelijk plan wordt voorbereid. Beheersplannen zijn krachtens de richtlijn weliswaar niet vereist, maar deze informatie is bijzonder nuttig om een beter inzicht te verkrijgen in de instrumenten die de lidstaten gebruiken om hun netwerk te beheren en om, zo nodig, specifieke informatie te traceren.
5.2.1 Bestaan van beheersplan(nen)
Aan de hand van een van de antwoordcategorieën moet de volgende vraag worden beantwoord:
Bestaat er een beheersplan voor het gebied?
|
☐ |
Ja (zo ja, vul 5.2.2 in) of |
|
☐ |
Nee, slechts een deel van het gebied valt onder een beheersplan (vul 5.2.2 in) |
|
☐ |
Nee, maar er is een beheersplan in voorbereiding, of |
|
☐ |
Nee, omdat een beheersplan niet nodig is (vul 5.2.3 in) of |
|
☐ |
Nee, andere reden (vul 5.2.3 in) |
5.2.2 Referentie en geldigheid van het/de beheersplan(nen)
Als er een beheersplan van toepassing is, vermeld dan de naam en een link naar de bijbehorende online informatiebronnen (bv. naar de webpagina van een nationaal informatiesysteem, link naar een pdf, digital object identifier (DOI)). Gebruik geen dynamisch gegenereerde URI’s en geef de voorkeur aan URI’s die als stabiel worden beschouwd. Indien de bron niet met een permanente URL wordt geïdentificeerd, geef dan een link naar de zoekpagina of referentiepagina’s van waaruit deze met de in de SGF verstrekte informatie kan worden opgevraagd.
Vermeld ook de geldigheid van het beheersplan (beginjaar en -maand en duur in aantal of jaren en maanden of vermeld de duur als “onbepaald”).
|
— |
Naam: |
|
— |
URI: |
|
— |
Geldigheidsduur: begin: JJJJ-MM en aantal maanden / of onbepaald |
Indien er voor het gebied meerdere concrete beheersplannen bestaan, vermeld dan voor elk gebied de naam, de URI en de geldigheid ervan.
5.2.3 Nadere toelichting
Als er geen beheersplan bestaat noch in voorbereiding is, geef dan een nadere toelichting.
5.3 Instandhoudingsmaatregelen
Geef link(s) naar informatie over gedetailleerde maatregelen met het oog op de nagestreefde instandhoudingsdoelstellingen (veld 5.3.1) en beantwoord vragen over de toestand van de maatregelen (veld 5.3.2).
5.3.1 Gedetailleerde informatie over de maatregelen
Gedetailleerde informatie over maatregelen kan ofwel in de beheersplannen worden opgenomen, in afzonderlijke documenten worden bewaard, ofwel nader worden toegelicht in het vrijetekstveld. Kies een van de onderstaande opties:
|
— |
Instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen in het (de) beheersplan(nen) waarnaar in rubriek 5.2.2 wordt verwezen (ja/nee) |
|
— |
Instandhoudingsmaatregelen worden beschreven in het (de) volgende document(en)
|
|
— |
Nadere toelichting bij gedetailleerde instandhoudingsmaatregelen |
5.3.2 Staat van de instandhoudingsmaatregelen
Kies één antwoord uit de opties voor de onderstaande vragen:
Zijn de noodzakelijke maatregelen (eenmalige maatregelen en/of terugkerende maatregelen) vastgesteld (d.w.z. geïdentificeerd en opgezet op een stabiele en, in voorkomend geval, langetermijnbasis)?
|
☐ |
volledig vastgesteld (d.w.z. dat alle noodzakelijke maatregelen zijn vastgesteld); of |
|
☐ |
gedeeltelijk vastgesteld (dat wil zeggen dat slechts een deel van de noodzakelijke maatregelen is vastgesteld); of |
|
☐ |
niet vastgesteld. |
Beantwoord de volgende vraag voor geheel of gedeeltelijk vastgestelde maatregelen.
Worden de vastgestelde maatregelen (eenmalige maatregelen en/of terugkerende maatregelen) uitgevoerd?
|
☐ |
alle maatregelen zijn (eenmalige maatregelen) en/of worden momenteel uitgevoerd (terugkerende maatregelen); of |
|
☐ |
de maatregelen zijn of worden slechts gedeeltelijk uitgevoerd (dat wil zeggen dat slechts een deel van de vastgestelde maatregelen is of wordt momenteel uitgevoerd); of |
|
☐ |
er zijn geen eenmalige maatregelen en/of worden momenteel geen terugkerende maatregelen uitgevoerd. |
5.4 Doeltreffendheid van het beheer
De volgende twee vragen over de doeltreffendheid van het beheer moeten worden beantwoord:
|
— |
Wordt de doeltreffendheid van de instandhoudingsmaatregelen periodiek beoordeeld? (ja/nee) |
|
— |
Voldoen de instandhoudingsmaatregelen aan de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen? (ja/nee/nog niet/onbekend omdat ze niet beoordeeld zijn) |
6 GEOSPATIALE WEERGAVE VAN HET GEBIED
In plaats van de kaart van het gebied te verstrekken, wordt de lidstaten verzocht de geospatiale weergave van de gebiedsgrenzen te verstrekken, die door de diensten van de Commissie en het EEA zal worden gebruikt om de kaart van het Europese Natura 2000-netwerk op te stellen.
Om te voldoen aan de Inspire-richtlijn (2007/2/EG) moet voor het gebied een unieke Inspire-identificatiecode worden gecreëerd, bestaande uit een naamruimte en een lokale identifier. De huidige versie van de definities van de Inspire-identificatiecode (naamruimte, lokale identifier en versie-identifier) is van toepassing.
6.1 Inspire-identificatiecode
De Inspire-identificatiecode moet (net als de gebiedscode) stabiel zijn en wordt gewoonlijk gebruikt om het object in zijn specifieke domein duidelijk te identificeren. De drie componenten van de Inspire-identificatiecode (6.1.1 - 6.1.3) worden gedefinieerd door de leverancier van de Inspire-implementatie in de landen. Coördinatie op nationaal niveau is vereist.
6.1.1 Naamruimte
De naamruimte geeft een unieke identificatie van de gegevensbron van het ruimtelijk object. Deze moet uniek zijn binnen de gehele nationale Inspire-infrastructuur.
6.1.2 Lokale identifier
De lokale identifier wordt toegewezen door de gegevensleverancier. De lokale identifier moet uniek zijn binnen de naamruimte: dat betekent dat geen enkel ander ruimtelijk object dezelfde unieke identifier heeft.
6.1.3 Versie-identifier (facultatief)
De identifier van de specifieke versie van het ruimtelijk object. Als de specificatie van een ruimtelijk objecttype met een externe objectidentifier de levenscyclusinformatie bevat, wordt de versie-identifier gebruikt om een onderscheid te maken tussen de verschillende versies van een ruimtelijk object. Binnen de verzameling van alle versies van een ruimtelijk object is de versie-identifier uniek.
(1) Met uitzondering van kleine correcties op de webpagina zoals spelfouten en aanpassingen aan de meest recente technische normen.
(2) Rapportage in het kader van artikel 17 van de habitatrichtlijn — Toelichting en richtsnoeren (meest recente versie).
(3) Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad.
(4) Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.
Aanhangsel
Inhoudsopgave van het Natura 2000-referentieportaal
1. Codelijsten voor de velden van het standaardgegevensformulier
|
1) |
Titel: Type gebied (SGF-veld 1.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
2) |
Titel: Landcodes (SGF-veld 1.2)
Bijgehouden door: Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) |
|
3) |
Titel: Reden voor het verschil in oppervlakte met ruimtelijke dataset (SGF-veld 2.1.2)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
4) |
Titel: NUTS-regio’s, niveau 2 (SGF-veld 2.2)
Bijgehouden door: Eurostat |
|
5) |
Titel: Biogeografische regio’s en mariene regio’s in Europa (SGF-veld 2.3.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
6) |
Titel: Habitatcode voor de in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen habitats (SGF-veld 3.1.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
7) |
Titel: Niet-aanwezigheid (SGF-velden 3.1.3 en 3.2.5)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
8) |
Titel: Gebruikte methode voor dekking/populatiegrootte (SGF-velden 3.1.6 en 3.2.9)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
9) |
Titel: Representativiteit (SGF-veld 3.1.9)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
10) |
Titel: Relatieve oppervlakte / populatie (SGF-velden 3.1.10 en 3.2.13)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
11) |
Titel: Mate van instandhouding — habitats (SGF-velden 3.1.12.1, 3.1.12.2 en 3.1.12.3)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
12) |
Titel: Mate van instandhouding — soorten (SGF-velden 3.2.15.1, 3.2.15.2 en 3.2.15.3)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
13) |
Titel: Instandhoudingsdoelstellingen — habitats (SGF-veld 3.1.13)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
14) |
Titel: Instandhoudingsdoelstellingen — soorten (SGF-veld 3.2.16)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
15) |
Titel: Isolement (SGF-veld 3.2.18)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
16) |
Titel: Algemene beoordeling (SGF-velden 3.1.15 en 3.2.19)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
17) |
Titel: Soortengroep (SGF-velden 3.2.1 en 3.3.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
18) |
Titel: Soortcodel en namenlijst voor soorten uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG (bijlage II, IV, V) en vogelsoorten in het kader van Richtlijn 2009/147/EG (SGF-velden 3.2.2, 3.2.3, 3.3.2 en 3.3.3)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
19) |
Titel: Populatietype (SGF-veld 3.2.6)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
20) |
Titel: Populatie-eenheid (SGF-velden 3.2.7.2 en 3.3.6.2)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
21) |
Titel: Abundantiecategorieën (SGF-velden 3.2.8 en 3.3.7)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
22) |
Titel: Motivering (SGF-veld 3.3.8)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
23) |
Titel: Referentielijst van pressiefactoren, overeenkomstig de rapportage in het kader van artikel 17 (SGF-veld 4.3.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
24) |
Titel: Rangorde (SGF-veld 4.3.2)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
25) |
Titel: Ligging (SGF-veld 4.3.3)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
26) |
Titel: Bestaan van beheersplannen (SGF-veld 5.2.1)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
27) |
Titel: Status van beheersplannen (SGF-veld 5.3.2)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
28) |
Titel: Doeltreffendheid van het beheer (SGF-veld 5.4)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
29) |
Titel: Gestandaardiseerde nomenclatuur volgens ISO 639 voor de classificatie van talen (te gebruiken in alle taalcodes van het SGF)
Bijgehouden door: Internationale Organisatie voor normalisatie |
2. Documenten (meest recente versies)
|
1) |
Titel: Lijst van SCI’s per biogeografische regio (Natura 2000-referentielijsten)
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
2) |
Titel: Interpretation Manual of European Union Habitats
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
3) |
Titel: Schrapping van de aanwijzing van gebieden of delen van gebieden — voorwaarden en motivering
Bijgehouden door: DG Milieu |
|
4) |
Titel: Motivering voor het schrappen van de aanwijzing van Natura 2000-gebieden (format)
Bijgehouden door: DG Milieu |
|
5) |
Titel: Motivering voor de correctie van de grenzen van een Natura 2000-gebied (format)
Bijgehouden door: DG Milieu |
|
6) |
Titel: Motivering voor de verwijdering van de beschermingsstatus van habitats en soorten in Natura 2000-gebieden
Bijgehouden door: DG Milieu |
|
7) |
Titel: Inspire-identificatiecode voor Natura 2000
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
|
8) |
Titel: Verplichte technische en administratieve richtsnoeren voor het indienen van Natura 2000-gegevens bij de Commissie
Bijgehouden door: DG Milieu en Europees Milieuagentschap (EEA) |
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2023/2806/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)