|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2023/2605 |
23.11.2023 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/2605 VAN DE COMMISSIE
van 22 november 2023
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/926 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de antidumpingbasisverordening”), en met name artikel 11, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/388 (2) (“de oorspronkelijke verordening”) heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India (3) (“de oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat tot de instelling van dit antidumpingrecht leidde, wordt hierna “het oorspronkelijke antidumpingonderzoek” genoemd. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/387 (4) heeft de Commissie een definitief compenserend recht ingesteld op hetzelfde product van oorsprong uit India. Het onderzoek dat tot de instelling van dit compenserend recht leidde, wordt hierna “het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek” genoemd. |
|
(3) |
Bij Uitvoeringsverordeningen (EU) 2022/926 (5) en (EU) 2022/927 (6) heeft de Commissie het definitieve antidumpingrecht en het definitieve compenserende recht naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen met vijf jaar verlengd. |
|
(4) |
In de oorspronkelijke verordening werd de dumpingmarge voor Electrosteel Castings Ltd (“ECL” of “de indiener van het verzoek” of “de onderneming”) vastgesteld op 4,1 %. In het afzonderlijke oorspronkelijke antisubsidieonderzoek betreffende hetzelfde product uit hetzelfde betrokken land werd voor ECL een compenserend recht van 9 % vastgesteld, waarvan 6,04 % gebaseerd was op uitvoersubsidies. |
|
(5) |
Overeenkomstig de antidumpingbasisverordening en Verordening (EU) 2016/1037 (7) (“de antisubsidiebasisverordening”) heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat drie van de onderzochte subsidieregelingen uitvoersubsidies waren die de uitvoerprijzen daadwerkelijk verlaagden en bijgevolg de dumpingmarge dienovereenkomstig verhoogden. |
|
(6) |
Derhalve heeft de Commissie de dumpingmarge verlaagd met de subsidiebedragen die zijn vastgesteld in verband met de uitvoerafhankelijke regelingen in het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek. Op basis van deze methode werd het definitieve antidumpingrecht voor de indiener van het verzoek verlaagd tot 0 %. |
1.2. Verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek
|
(7) |
Op 22 september 2022 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie de opening aangekondigd van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek (“bericht van opening”) van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India, op grond van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening (8). |
|
(8) |
Het nieuwe onderzoek, dat beperkt was tot een onderzoek naar dumping door de producent-exporteur ECL, werd ingeleid naar aanleiding van een verzoek van de indiener van het verzoek. Het verzoek werd ingediend naar aanleiding van een fusie tussen de indiener van het verzoek en zijn verbonden onderneming Srikalahasthi Pipes Ltd (“SPL”), waartoe de raad van bestuur in oktober 2020 had besloten. |
|
(9) |
De fusie tussen ECL en SPL leidde tot een situatie waarin de bestaande antidumpingmaatregel waarschijnlijk niet langer noodzakelijk of niet langer toereikend was om de schadeveroorzakende dumping in de zin van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening tegen te gaan. De reden hiervoor was dat de in het oorspronkelijke antidumpingonderzoek berekende dumpingmarge de binnenlandse verkoop van SPL niet omvatte. Bovendien werden volgens de juridische documentatie van de fusie “synergieën” beoogd die van invloed konden zijn op de kostenstructuur en bijgevolg op de dumpingmarge van de indiener van het verzoek. |
|
(10) |
De Commissie was van oordeel dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte waaruit bleek dat de omstandigheden op grond waarvan de bestaande maatregelen waren ingesteld, zijn gewijzigd en dat deze wijzigingen van blijvende aard zijn. |
1.3. Tijdvak van het nieuwe onderzoek
|
(11) |
Het onderzoek naar de hoogte van de dumping had betrekking op de periode van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2022 (het “tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “TNO”). |
1.4. Belanghebbenden, vragenlijst en controlebezoek
|
(12) |
De Commissie heeft de indiener van het verzoek, de autoriteiten van het land van uitvoer, de andere bekende producenten-exporteurs en de bedrijfstak van de Unie officieel van het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Een producent in de Unie, Saint-Gobain PAM Canalisations (“SG PAM”), heeft over de opening van het onderzoek opmerkingen ingediend (zie punt 1.8). |
|
(13) |
Om de inlichtingen te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig achtte, heeft de Commissie de indiener van het verzoek een vragenlijst toegezonden, die de vragenlijst binnen de vastgestelde termijn heeft beantwoord. De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en gecontroleerd die zij voor de bepaling van de hoogte van de dumping nodig achtte. Overeenkomstig artikel 16 van de antidumpingbasisverordening heeft de Commissie bij de indiener van het verzoek een controlebezoek verricht. De Commissie heeft ook videoconferenties gehouden met de verbonden ondernemingen om de door hen verstrekte informatie te verifiëren. |
1.5. Gebruik van de “beschikbare gegevens”
|
(14) |
Bij brief van 10 juli 2023 (“brief over artikel 18”) heeft de Commissie de indiener van het verzoek in kennis gesteld van haar twijfels over de betrouwbaarheid van de gegevens. In de brief gaf zij in detail aan waarom zij van mening was dat ECL mogelijk onjuiste of misleidende informatie had verstrekt. De Commissie heeft de indiener van het verzoek ook meegedeeld dat zij artikel 18 van de antidumpingbasisverordening kan toepassen en wat de gevolgen daarvan zijn. |
|
(15) |
Bij brieven van 24 juli 2023 hebben de Indiase overheid, ECL en SG PAM opmerkingen ingediend over de brief over artikel 18 en over de mededeling van feiten en overwegingen. |
|
(16) |
De Commissie heeft ook opmerkingen ontvangen van Europese distributeurs op de Uniemarkt van door ECL geproduceerde nodulaire pijpen — Valdro, Fusion Pipeline Products Limited (“Fusion Pipeline Products”), CO.ME.CAR SRL, Deschacht, Idrovit SRL, Vodoskok d.d. en WAPPtech Ltd. |
|
(17) |
Op verzoek van ECL vond op 26 juli 2023 een hoorzitting plaats. |
1.6. Mededeling van feiten en overwegingen
|
(18) |
Op 24 augustus 2023 heeft de Commissie alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was voor te stellen het voor ECL geldende recht te wijzigen. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 6 september 2023 opmerkingen in te dienen en te verzoeken te worden gehoord door de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
|
(19) |
De Commissie heeft in dit verband opmerkingen ontvangen van de Indiase overheid, SG PAM, ECL en de Europese ondernemingen Deschacht, IBECO AB, WAPPtech Environmental Ltd (“WAPPtech”) en Vodoskok. |
|
(20) |
Op 4 september 2023 vond, op verzoek van de Indiase overheid, een hoorzitting plaats tussen de Indiase overheid en de diensten van de Commissie. Op verzoek van ECL vond op 6 september 2023 nog een hoorzitting plaats tussen ECL en de diensten van de Commissie. De Commissie heeft de opmerkingen van alle belanghebbenden in overweging genomen. |
|
(21) |
Op 3 oktober 2023 heeft de Commissie haar bevindingen met betrekking tot het gebruik van de beschikbare gegevens opnieuw bekendgemaakt (punt 3.6) en de belanghebbenden om opmerkingen verzocht. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 6 oktober 2023 opmerkingen in te dienen. Er werden opmerkingen ontvangen van de Indiase overheid, ECL en SG PAM. De Commissie heeft de opmerkingen van alle belanghebbenden in overweging genomen. |
|
(22) |
Op 16 October heeft de Commissie haar bevindingen met betrekking tot de normale waarde opnieuw bekendgemaakt en de belanghebbenden om opmerkingen verzocht. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 17 oktober 2023 opmerkingen in te dienen. Er werden opmerkingen ontvangen van de Indiase overheid en ECL. De Commissie heeft de opmerkingen van alle belanghebbenden in overweging genomen. |
1.7. Intrekking van het verzoek om een nieuw onderzoek
|
(23) |
Bij brief van 28 augustus 2023 heeft ECL de Commissie meegedeeld dat zij haar verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek wenste in te trekken. In deze brief herhaalde ECL de reeds in haar opmerkingen over het algemene informatiedocument aangevoerde argumenten dat het onderzoek moest worden beëindigd. |
|
(24) |
ECL verwees naar de bevindingen van de Commissie in haar mededeling van feiten en overwegingen over het gebruik van de “beschikbare gegevens”. Zij was van mening dat zij aanzienlijke bewijzen had overgelegd om de Commissie te overtuigen van de nauwkeurigheid van haar gegevens, en met name van het metaalgewicht van elke pijp in het TNO, en dat zij niet meer bewijzen kon leveren omdat de buizen reeds waren verkocht. ECL voerde verder aan dat de methode voor het registreren van de gegevens (over het metaalgewicht) in haar gehele boekhouding en in het SAP-systeem van de onderneming (9) werd gebruikt. Zij zegde toe in de toekomst passende maatregelen te zullen nemen om het metaalgewicht van elke geproduceerde pijp te controleren en op passende wijze te registreren. Derhalve was ECL van mening dat het nieuwe onderzoek niet gerechtvaardigd was en moest worden beëindigd. |
|
(25) |
Onder verwijzing naar de conclusies in punt 3.2 over de redenen waarom zij van mening was dat onjuiste gegevens waren verstrekt, nam de Commissie nota van de toezeggingen van ECL om in de toekomst het gewicht van de buizen te registreren. Zij was echter van mening dat een dergelijke toezegging geen reden kon zijn om het huidige nieuwe onderzoek te beëindigen, aangezien zij geen invloed had op de huidige bevindingen die betrekking hadden op een periode in het verleden. |
|
(26) |
ECL voerde verder aan dat indien de Commissie, zoals vermeld in het algemene informatiedocument, het residuele recht van 12,9 % zou toepassen, boven op het compenserende recht van 9 % dat reeds op de onderneming van toepassing was, ECL het betrokken product niet op de markt van de Unie zou kunnen blijven verkopen en haar dochterondernemingen/kantoren in Frankrijk, Spanje, Italië en Duitsland zou moeten sluiten. Als gevolg daarvan zouden de ongeveer zestig werknemers die direct bij ECL in dienst zijn, hun baan verliezen. |
|
(27) |
ECL verwees ook naar de verklaringen van verschillende onafhankelijke distributeurs uit Italië, Frankrijk, België, Ierland en Kroatië, die aanvoerden dat er op de markt van de Unie een ernstig mededingingsprobleem bestond. ECL voerde aan dat die distributeurs, indien zij hen niet zou kunnen beleveren, in de meeste gevallen hun activiteiten zouden moeten staken, wat zou leiden tot een verlies van duizenden directe en indirecte banen in diverse lidstaten in de gehele Unie. ECL was van mening dat het economische verlies in de diverse lidstaten dus nog groter zou zijn. Indien ECL de Uniemarkt zou verlaten, zou dat volgens haar de quasi-monopoliepositie van SG PAM op deze markt bovendien alleen maar versterken, ten koste van het bredere belang van de Unie. |
1.7.1. Opmerkingen van distributeurs
|
(28) |
De ondernemingen CO.ME.CAR S.r.l., Deschacht, Vodoskok d.d. en WAPPtech verzochten de Commissie het nieuwe onderzoek te beëindigen. Zij wezen daarbij op het belang van de aanwezigheid van ECL op de markt van de Unie en verwezen naar de quasi-monopoliepositie van SG PAM en naar wat zij als concurrentieverstorend gedrag omschreven. |
|
(29) |
Al deze ondernemingen verklaarden ook dat terugtrekking van ECL uit de markt van de Unie aanzienlijke economische gevolgen zou hebben voor hun activiteiten en voor de Uniemarkt van nodulaire pijpen. Volgens Deschacht bijvoorbeeld zou dit het aanbod van nodulaire pijpen in België drastisch verminderen, wat nadelig zou zijn voor de bedrijfstak van nodulaire pijpen. WAPPtech verklaarde dat een aanzienlijk deel van haar jaaromzet afkomstig was van de verkoop van nodulaire pijpen van ECL in Europa en dat die verkoop de economische stabiliteit van de onderneming waarborgde. Vodoskok merkte verder op dat de instelling van de voorgestelde maatregelen volgens haar aanzienlijke economische gevolgen zou hebben voor de toeleveringsketen en tot banenverlies zou leiden. |
1.7.2. Opmerkingen van SG PAM
|
(30) |
SG PAM deelde mee zich te verzetten tegen de beëindiging van het onderzoek op basis van de intrekking van het verzoek om een nieuw onderzoek door ECL. Volgens haar zou de beëindiging in strijd zijn met het belang van de Unie, met name in het licht van de toename van laaggeprijsde invoer door ECL op de markt van de Unie. Zij verwees naar de conclusies van de Commissie over de schade voor de bedrijfstak van de Unie in het oorspronkelijke onderzoek en in het laatste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. |
|
(31) |
SG PAM herinnerde er ook aan dat het nieuwe onderzoek op verzoek van ECL was geopend en beperkt was tot de herbeoordeling van haar dumpingmarge, en dat de Commissie daarom het belang van de Unie niet opnieuw mocht beoordelen. |
|
(32) |
Voorts voerde SGPAM aan dat geen enkel element erop wees dat ECL de markt van de Unie zou moeten verlaten indien haar hogere rechten werden opgelegd. Zij herinnerde eraan dat antidumpingmaatregelen niet bedoeld zijn om invoer te voorkomen, maar om ervoor te zorgen dat de invoer tegen een eerlijke prijs plaatsvindt. Zij was van mening dat de argumenten over het mededingingsverstorende gedrag van SG PAM niet met bewijzen werden gestaafd en dat zij enkel bedoeld waren om haar reputatie te schaden. Bovendien waren er volgens haar alternatieve leveringsbronnen, zoals de verkoop van de andere Europese producenten Duktus-VonRoll en TRM, en de invoer vanuit Turkije, de VAE, de VRC en Iran en van de Indiase onderneming Jindal. |
|
(33) |
SG PAM voerde verder aan dat de markt voor nodulaire pijpen niet aan één materiaal gebonden was, omdat nodulaire pijpen konden worden vervangen door andere soorten pijpen die een geschikt alternatief vormden. Zij verwees naar de conclusies van de nationale autoriteiten en de Commissie in het kader van verschillende analyses met betrekking tot de mededinging op deze markt. SG PAM wees er ook op dat het marktaandeel van ECL in sommige lidstaten aanzienlijk was en dat ECL volgens haar eigen beweringen een marktaandeel van 30 % had in Frankrijk en van 50 % in Spanje. ECL had volgens haar dus een aanmerkelijke marktmacht. |
|
(34) |
SG PAM verwees naar de verklaringen van de verschillende distributeurs. Zij was van mening dat nodulaire pijpen voor watertransport maar een klein deel van de commerciële activiteiten van de distributeurs vertegenwoordigden, gemiddeld 3-10 % en niet meer dan 20 %. Zelfs als deze distributeurs geen producten meer konden aankopen bij ECL, zouden de gevolgen daarvan voor hen dus volgens haar niet rampzalig zijn. Ook heeft SG PAM vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren dat hun situatie representatief was voor de markt voor nodulaire pijpen. |
|
(35) |
Voorts heeft SG PAM na de mededeling van feiten en overwegingen verklaard dat eventuele toezeggingen van ECL voor de toekomst volgens haar geen invloed hadden op de bevindingen van het huidige onderzoek en dat de beëindiging van het onderzoek in strijd zou zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, aangezien het onderzoek meer dan een jaar had geduurd en controles ter plaatse en controles op afstand omvatte. Zij was ook van mening dat het onderzoek niet kon worden beëindigd gezien de bevindingen van de Commissie inzake de onjuiste en misleidende informatie die ECL had verstrekt. |
1.7.3. Beoordeling door de Commissie van het verzoek om intrekking
|
(36) |
Om te beginnen merkte de Commissie op dat in de bewoordingen van artikel 9, lid 1, van de antidumpingbasisverordening, dat betrekking heeft op de intrekking van de klacht, het werkwoord “kunnen” wordt gebruikt en dat de Commissie dus niet verplicht is de procedure te beëindigen, maar alleen de mogelijkheid heeft om dit te doen, tenzij dit strijdig is met het belang van de Unie. Met andere woorden, de Commissie is alleen verplicht te onderzoeken of beëindiging strijdig is met het belang van de Unie wanneer zij een dergelijke beëindiging overweegt. In dit geval is de Commissie van mening dat er geen redenen zijn om het onderzoek te beëindigen. |
|
(37) |
De Commissie herinnerde er immers aan dat het nieuwe onderzoek was geopend op basis van het feit dat ECL was gefuseerd met haar verbonden onderneming. De fusie, zoals beschreven in punt 3.1, vormde een duurzame wijziging van omstandigheden waardoor, in overeenstemming met artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening, de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde dumpingmarge moest worden herberekend. |
|
(38) |
Daarnaast was de Commissie van oordeel dat, gezien de noodzaak om de handelsverstorende gevolgen weg te nemen en de daadwerkelijke mededinging te herstellen, een passende dumpingmarge moet worden vastgesteld, met name in deze situatie waarin misleidende informatie was verstrekt. |
|
(39) |
Daarom concludeerde de Commissie dat het in dit geval niet passend was om het nieuwe onderzoek te beëindigen en de bevindingen van dit onderzoek buiten beschouwing te laten, en besloot zij het onderzoek voort te zetten. |
1.8. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(40) |
Na de opening van het onderzoek verklaarde de producent in de Unie SG PAM dat zij de afgelopen tien jaar negatieve gevolgen heeft ondervonden van de oneerlijke praktijken van ECL en de toegenomen dumping. |
|
(41) |
SG PAM voerde ook aan dat het verzoek geen informatie bevatte ter staving van de beweerde vermindering van de dumping of van het verband tussen de fusie en de wijziging van de hoogte van de dumping. Zij voerde aan dat de relatie tussen ECL en SPL al in het oorspronkelijke onderzoek in aanmerking was genomen en dat de cijfers van beide ondernemingen waren gebruikt voor het vaststellen van de dumpingmarge van ECL. Ook was zij van mening dat het nieuwe onderzoek zeer waarschijnlijk zou resulteren in een verhoging van de dumpingmarge. |
|
(42) |
In antwoord hierop stelde ECL dat de argumenten van SG PAM niet door feiten werden ondersteund. Volgens haar was het marktaandeel van SG PAM sinds het oorspronkelijke onderzoek gestegen, terwijl de totale verkoop van ECL op de markt van de Unie was gedaald. ECL voerde ook aan dat tegelijkertijd haar verkoopprijzen waren gestegen tot boven het niveau van de maatregelen die waren ingesteld op haar uitvoer naar de Unie. Naar haar mening wezen de financiële resultaten, nieuwe investeringen en het gestegen verkoopniveau op uitstekende prestaties van SG PAM. |
|
(43) |
Bovendien wees ECL erop dat een eerder tussentijds nieuw onderzoek tegen ECL op verzoek van SG PAM was beëindigd nadat dit verzoek door laatstgenoemde was ingetrokken. Dit betekende volgens ECL dat SG PAM van mening was dat de dumping door ECL was afgenomen. Volgens ECL profiteerde SG PAM van buitensporig hoge antidumping- en compenserende maatregelen ten aanzien van de Indiase producenten-exporteurs van het onderzochte product. ECL voerde ook aan dat het besluit om het huidige tussentijdse nieuwe onderzoek te openen niet gebaseerd was op haar eigen beoordeling, maar op de beoordeling van de Commissie dat de fusie van invloed was op de kostenstructuur van de onderneming. |
|
(44) |
In verband met deze argumenten merkte de Commissie op dat het nieuwe onderzoek tot doel had om in het licht van de gewijzigde omstandigheden de nieuwe dumpingmarge voor ECL vast te stellen. De Commissie verduidelijkte ook dat de gegevens van de verbonden onderneming SPL niet waren gebruikt in de oorspronkelijke berekening van de dumping. Bovendien was het feit dat de gegevens van SPL niet waren gebruikt in het oorspronkelijke antidumpingonderzoek niet de enige factor waarmee rekening moest worden gehouden bij de opening van het nieuwe onderzoek. Volgens de Commissie heeft zij ook rekening gehouden met het feit dat de fusie resulteerde in synergieën die bepaalde kosten verlichtten die een effect hadden op de werking en de kosten van de onderneming. Daarom was het nieuwe onderzoek gerechtvaardigd en werd het argument afgewezen. |
|
(45) |
SG PAM voerde ook aan dat het verzoek niet voldeed aan de normen voor de behandeling van niet-vertrouwelijke informatie en dat de indiener van het verzoek geen niet-vertrouwelijke samenvattingen had verstrekt die voldoende gedetailleerd waren om een redelijk inzicht te verschaffen in de inhoud van de vertrouwelijk verstrekte informatie, en dus niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 19 van de antidumpingbasisverordening. |
|
(46) |
De Commissie merkte op dat het hele verzoek niet-vertrouwelijk was. Bovendien merkte zij op dat SG PAM niet concreet aangaf welke informatie in het openstaande dossier volgens haar ontbrak. Zij heeft het argument derhalve afgewezen. |
|
(47) |
SG PAM voerde voorts aan dat de Commissie het onderzoektijdvak diende te verlengen om rekening te houden met de beweerde gewijzigde omstandigheden. De fusie van ECL met haar verbonden onderneming SPL werd van kracht op 1 januari 2022. Het door de Commissie gekozen tijdvak voor het nieuwe onderzoek liep echter, in aansluiting bij het traditionele Indiase boekjaar, van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2022. SG PAM stelde dat drie kwartalen van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (april 2021 tot en met december 2021) dus betrekking hadden op een periode voorafgaand aan de beweerde wijziging van de omstandigheden en dat de gegevens van de drie voorgaande kwartalen in ieder geval niet representatief waren voor wijzigingen als gevolg van de fusie. |
|
(48) |
Wat het argument betreft dat het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet passend was, verduidelijkte de Commissie dat was vastgesteld dat de fusie operationeel, administratief en boekhoudkundig gezien met terugwerkende kracht (10) in werking was getreden op 1 oktober 2020. Zij kon derhalve de gevolgen van de fusie gedurende het gehele tijdvak van het nieuwe onderzoek beoordelen. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(49) |
Volgens SG PAM had de Commissie ook de verschillen in kenmerken tussen de in India en in de Unie verkochte pijpen en buizen moeten controleren. Deze verschillen hadden volgens haar voornamelijk betrekking op druk- en dikteklassen, gewicht, lengtes en coating. Bovendien wees SG PAM erop dat ECL pijpen verkocht die zwaarder waren en dat dezelfde pijpen in India op een andere manier zouden kunnen worden gebruikt dan in de Unie. Zij gaf een voorbeeld van een pijp van klasse “K9” (11) die volgens haar in India gewoonlijk voor water wordt gebruikt, terwijl in de Unie voor hetzelfde doel pijpen van klasse “K7” worden gebruikt. Volgens SG PAM kunnen deze verschillen aanpassingen rechtvaardigen om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken tussen producten die op de Indiase binnenlandse markt en op de markt van de Unie worden verkocht. ECL was het daar niet mee eens en verstrekte details over de technische kenmerken van haar producten en de vermeende verschillen. |
|
(50) |
De praktijk van de Commissie bestaat erin een dumpingmarge te berekenen door de normale waarde van een productsoort te vergelijken met de uitvoerprijs van een vergelijkbare productsoort. Er werd dus rekening gehouden met de verschillen waarop SG PAM wees, aangezien de verschillende drukklassen als verschillende productsoorten werden beschouwd. De Commissie was van mening dat volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren van SG PAM. |
|
(51) |
SG PAM voerde ook aan dat de nieuwe organisatie van de ECL-groep aanzienlijke mogelijkheden creëerde voor kruiscompensatie, interne verkoop tegen niet-marktwaarde, niet-gerapporteerde diensten en/of andere posten die de beoordeling van de kosten en de vergelijking van de binnenlandse en EU-verkoop van de onderneming aanzienlijk kunnen beïnvloeden. Daarom moet de Commissie volgens haar opletten bij de beoordeling van transacties tussen de verbonden entiteiten. Daartoe heeft SG PAM een beknopte beschrijving gegeven van de bedrijfsstructuur van de ECL-groep en factoren genoemd waarmee de Commissie volgens haar bij de berekening van de dumping rekening moet houden. SG PAM verwees naar de levering van cokes die door een van de fabrieken van ECL in Haldia werd geproduceerd, en naar de invoer van steenkool uit Australië waarbij sommige verbonden partijen van ECL betrokken kunnen zijn geweest. Hetzelfde gold volgens SG PAM voor de markt van de Unie, waar ECL via verschillende verbonden partijen verkoopt. SG PAM verwees naar kortingen die worden vermeld in jaarverslagen van twee van de verbonden partijen, Electrosteel Trading SA en Electrosteel Europe SA, eindejaarsbonussen, verkoop tegen “nulwaarden” en andere marktpraktijken. SG PAM heeft ook gewezen op in de jaarrekeningen van de entiteiten van ECL vermelde mogelijke transacties tussen ECL en Electrosteel Algeria SPA, Electrosteel Castings Gulf FZE (VAE), Electrosteel Bahrain Holding WLL (Bahrein) en Electrosteel Doha for Trading LLC (Qatar), die de Commissie zou moeten onderzoeken om na te gaan of deze entiteiten mogelijk betrokken zijn bij de verkoop van het betrokken product op de markt van de Unie. |
|
(52) |
De Commissie heeft bij haar beoordeling met deze factoren rekening gehouden en de structuur van de groep en de organisatie van de verbonden partijen onderzocht in de mate waarin de relatie relevant was om een nieuwe dumpingmarge voor ECL vast te stellen. Daartoe nam zij in aanmerking dat het onderzochte product op de markt van de Unie via verbonden partijen werd verkocht. |
|
(53) |
SG PAM voerde aan dat aangezien de markt voor ijzererts in India verstoord was en deze verstoringen waren vastgesteld in de oorspronkelijke verordening tot instelling van een compenserend recht voor de producenten-exporteurs in India, de Commissie de kosten zou moeten corrigeren bij de berekening van de normale waarde op basis van artikel 2, lid 5, van de basisantidumpingverordening. |
|
(54) |
De bedrijfstak van de Unie voerde hetzelfde argument aan in het oorspronkelijke onderzoek. De Commissie was destijds van oordeel dat de verstoring in het kader van het afzonderlijke antisubsidieonderzoek was onderzocht en behandeld en dat het niet nodig was verder op deze verstoring in te gaan omdat anders de effecten van de subsidie tweemaal in aanmerking zouden worden genomen. De Commissie bleef bij dit standpunt. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(55) |
Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) (“nodulaire buizen”), met uitzondering van buizen en pijpen van nodulair gietijzer zonder inwendige en uitwendige bekleding (“kale buizen”) (“het onderzochte product”). |
2.2. Betrokken product
|
(56) |
Het betrokken product in dit onderzoek is het onderzochte product van oorsprong uit India, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7303 00 10 en ex 7303 00 90 (Taric-codes 7303001010 en 7303009010). De GN- en Taric-codes worden slechts vermeld ter informatie en onder voorbehoud van eventuele latere wijzigingen van de tariefindeling. |
2.3. Soortgelijk product
|
(57) |
Dit tussentijdse nieuwe onderzoek heeft bevestigd wat was vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(58) |
Deze producten worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de antidumpingbasisverordening. |
3. BEVINDINGEN
|
(59) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening heeft de Commissie onderzocht of de omstandigheden op basis waarvan de huidige dumpingmarge was vastgesteld, gewijzigd zijn en, zo ja, of die verandering van blijvende aard is. |
3.1. Ingrijpende en duurzame wijziging van omstandigheden
|
(60) |
Het onderzoek bevestigde dat SPL na de goedkeuring van het fusieplan van SPL met ECL door de relevante autoriteiten in India op 31 december 2021 officieel is gefuseerd met ECL. SPL is opgegaan in ECL en daarom werken de twee ondernemingen vanaf 1 januari 2022 als één entiteit. Op laatstgenoemde datum hield SPL op te bestaan. Op 20 januari 2022 werden de aandelen van ECL en SPL gefuseerd en toegewezen en in april 2022 werd het toewijzingsproces voltooid. Zoals uitgelegd in overweging 48, vond de fusie echter met terugwerkende kracht plaats vanaf 1 oktober 2020. |
|
(61) |
Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de grondslag waarop de bestaande maatregelen waren ingesteld, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening was gewijzigd en dat deze wijzigingen een herziening van de dumpingmarge voor de indiener van het verzoek rechtvaardigden. |
|
(62) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde ECL aan dat de Commissie de synergieën van de fusie niet had beoordeeld en dat het onderzoek derhalve moest worden beëindigd. |
|
(63) |
De Commissie was het daar niet mee eens, aangezien zij, zoals vermeld in punt 1.7 en meegedeeld aan de belanghebbenden, tot de conclusie was gekomen dat de fusie resulteerde in synergieën die bepaalde kosten verlichtten, hetgeen een effect had op de werking en de kosten van de onderneming. De conclusie over de noodzaak van het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek werd ook herhaald in overweging 113 van het algemeen informatiedocument van 24 augustus 2023. |
|
(64) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de Indiase overheid dezelfde argumenten aan als ECL en verdedigde zij het standpunt dat het tussentijds nieuw onderzoek niet nodig was. Hoewel de Indiase overheid erkende dat het vaste praktijk van de Commissie was om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te verrichten in geval van fusies, was zij van mening dat het bij ECL anders was omdat zowel ECL als SPL deel uitmaakte van het oorspronkelijke onderzoek en omdat het besluit om de gegevens van SPL niet te gebruiken in het oorspronkelijke antidumpingonderzoek een keuze van de Commissie was. Zij was dan ook van mening dat er geen nieuw onderzoek naar hen hoefde te worden verricht. Bovendien was zij van mening dat het de Commissie was die ECL officieel had verzocht het verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek in te dienen. |
|
(65) |
Om de kosten van de gefuseerde entiteit vast te stellen, was de Commissie verplicht om, indien de gegevens van ECL niet werden afgewezen, gebruik te maken van de geconsolideerde kosten van de gefuseerde entiteiten en van de geconsolideerde algemene, administratieve en verkoopkosten. |
|
(66) |
De Commissie was ook van mening dat de vraag of ECL het verzoek op eigen initiatief had ingediend, dan wel of dit door de Commissie was aangeraden, niet relevant was, aangezien de Commissie op basis van artikel 11, lid 3, had vastgesteld dat de fusie een “duurzame wijziging van omstandigheden” vormde, hetgeen de vaststelling van een nieuwe dumpingmarge vereist (zie punt 3.1). De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(67) |
De Indiase overheid voerde ook aan dat een verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek werd ingediend met betrekking tot zowel de compenserende als de antidumpingmaatregelen, en dat het onbillijk was dat de Commissie alleen een nieuw antidumpingonderzoek had uitgevoerd, omdat bepaalde subsidieregelingen niet langer van kracht waren. |
|
(68) |
De Commissie wees erop dat ECL alleen een verzoek om een nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen had ingediend. Het argument was derhalve niet gerechtvaardigd. |
3.2. Medewerking en gebruik van de “beschikbare gegevens”
|
(69) |
In het oorspronkelijke onderzoek werd de dumpingmarge van ECL (en andere medewerkende producenten-exporteurs) vastgesteld op basis van het nettometaalgewicht van het betrokken product. Dit betekent dat de dumpingmarge was vastgesteld op basis van het gewicht van de pijp zonder cementbekleding en niet op basis van het totale gewicht. Dienovereenkomstig had ECL haar antwoord op de antidumpingvragenlijst alleen gebaseerd op het nettometaalgewicht. |
3.2.1. Belang van het opgegeven nettometaalgewicht voor de dumpingmarge
|
(70) |
Het onderzochte product is een stalen pijp met een inwendige cementbekleding om corrosie van de pijp te voorkomen. Bovendien heeft de stalen pijp aan de buitenkant een zeer dunne beschermlaag van een paar millimeter, die meestal “coating” wordt genoemd. Het gewicht van een pijp met cementbekleding wordt het CML-gewicht genoemd. |
|
(71) |
De producten die op de Indiase binnenlandse markt worden verkocht, hebben een andere coating (12) dan de producten die naar de Unie worden uitgevoerd. Hierdoor bestaat er geen overeenstemming tussen de productsoorten voor de berekening van de dumpingmarge. Ondanks het feit dat de coating geen significant effect heeft op de productiekosten of de prijs, moest de normale waarde wegens het gebrek aan overeenstemming worden berekend op basis van de productiekosten. Om de normale waarde te berekenen moest voor elke productsoort het totale gewicht van de aan de Unie verkochte specifieke pijp worden vermenigvuldigd met de gemiddelde productiekosten per kilogram van die productsoort. |
|
(72) |
Het totale gewicht van een pijp omvat het gewicht van het metaal, het cement en de coating. Bij de meeste soorten die naar de Unie worden uitgevoerd en die de nominale (theoretische) normen (13) volgen, vertegenwoordigt het gewicht van het metaal in de pijp gemiddeld ongeveer 85 % en het gewicht van het cement gemiddeld 15 % van het totale gewicht van de pijp (14). Het gewicht van de coating is tussen 0,3 en 1 % van het totale gewicht van de pijp. Het metaal vertegenwoordigt het grootste deel van de kosten en de metaalkosten bepalen dus de verkoopprijs van de uiteindelijke pijp. |
|
(73) |
Alleen het metalen deel van de pijp wordt gebruikt om te vermenigvuldigen met de gemiddelde productiekosten. Het gewicht van het metaal en het aandeel metaal in het gewicht van een pijp heeft dus een rechtstreekse invloed op de berekening van de normale waarde en dus ook op de dumpingmarge. Een te lage rapportage van het metaalgewicht leidt automatisch tot een lagere berekende normale waarde en bijgevolg tot een lagere dumpingmarge (15). Evenzo leidt een te lage rapportage van het metaalgewicht voor de verkoop aan de Unie tot een hogere gemiddelde uitvoerprijs (16). Daarom speelt de nauwkeurigheid van het opgegeven metaalgewicht een cruciale rol bij het vaststellen van de dumpingmarge. De juistheid van het opgegeven metaalgewicht is met andere woorden noodzakelijk om een nauwkeurige dumpingmarge te berekenen. Bovendien is de juistheid van het opgegeven metaalgewicht van invloed op de nauwkeurigheid van zowel de vastgestelde normale waarde als de vastgestelde uitvoerprijs. |
3.2.2. Door ECL in het huidige onderzoek opgegeven metaalgewicht
|
(74) |
Volgens de informatie die ECL tijdens de controle ter plaatse heeft verstrekt, werden de door de onderneming geproduceerde pijpen niet systematisch individueel gewogen. In plaats daarvan werd een hele container of een vrachtwagen volgeladen met pijpen gewogen op een weegbrug voordat deze het terrein van ECL verliet. In deze container/vrachtwagen zaten een aantal pijpen van verschillende diameters met CML en coating en mogelijkerwijs ook andere producten zoals pakkingen, smeermiddelen, fittingen of andere, en bevonden zich ook stukken hout of ander verpakkingsmateriaal. ECL voerde aan dat het nettometaalgewicht van de geproduceerde pijpen in het boekhoudsysteem werd geregistreerd op basis van een steekproefsgewijs gewogen pijp van elke productsoort uit elke bestelling. Volgens ECL werd het metaalgewicht van de steekproefsgewijs gewogen pijpen vervolgens geregistreerd in haar SAP-systeem en voortdurend aangepast aan de resultaten van elke steekproef. ECL voerde aan dat deze gegevens, die in haar antwoord op de vragenlijst werden vermeld en vervolgens voor de berekening van de dumping werden gebruikt, dus het werkelijke metaalgewicht van de pijpen weergaven. |
|
(75) |
Om de juistheid van het door ECL in SAP ingevoerde nettometaalgewicht te verifiëren, verzocht de Commissie de onderneming aanvullende informatie te verstrekken over het (totale) “brutogewicht” van de pijpen (inclusief CML en coating), alsmede productie- en verkoopgegevens uitgedrukt in meter. |
|
(76) |
Het brutogewicht, dat voor de binnenlandse verkoop “Kanta”-gewicht wordt genoemd, is het gewicht van de pijpen inclusief CML en coating. De onderneming registreerde het brutogewicht (inclusief verpakking) van een geladen vrachtwagen of container op de weegbrug. Door deze aanvullende informatie op te vragen, wilde de Commissie de juistheid van het door de onderneming opgegeven nettometaalgewicht controleren. |
|
(77) |
Na vergelijking van de door ECL verstrekte aanvullende informatie stelde de Commissie vast dat er discrepanties waren tussen het brutogewicht van het onderzochte product dat op de exportmarkt werd verkocht en het onderzochte product dat op de binnenlandse markt werd verkocht. Het verschil betrof met name het gewicht van de CML in producten die op de binnenlandse markt werden verkocht in vergelijking met het gewicht van de CML in producten die op de markt van de Unie werden verkocht. |
|
(78) |
Aan de hand van de door ECL verstrekte informatie op basis van de lengte van de pijpen (in meter) heeft de Commissie, bij gebreke van (17) een CML-gewicht op de binnenlandse markt, een vergelijking gemaakt tussen het gemiddelde Kanta-gewicht per meter van de op de binnenlandse markt verkochte pijpen en het CML-gewicht van de voor uitvoer verkochte pijpen. Het opgegeven brutogewicht van de pijpen per meter bleek bij uitvoer gemiddeld meer dan [5-15 %] hoger te zijn dan bij binnenlandse verkoop (18). Aangezien in de gerapporteerde gegevens over de binnenlandse markt ook de verpakking was begrepen, terwijl de verpakking niet was opgenomen in het gerapporteerde gewicht van de aan de Unie verkochte producten, concludeerde de Commissie dat het werkelijke verschil nog groter zou zijn. |
|
(79) |
Om zo nauwkeurig mogelijk te zijn, heeft de Commissie de vergelijking beperkt tot bijna identieke productsoorten die zowel op de Indiase binnenlandse markt als op de markt van de Unie worden verkocht. Bij het vergelijken van bijna identieke productsoorten (19) (die alleen verschillen wat de uitwendige coating betreft) stelde de Commissie vast dat het opgegeven nettometaalgewicht identiek was, terwijl het CML-gewicht van de uitgevoerde producten altijd aanzienlijk hoger lag. De Commissie stelde vast dat het totale (bruto)gewicht van een pijp gemiddeld [5-15 %] hoger was bij uitvoer. Voor sommige productsoorten bedroeg het verschil zelfs [5-15 %]. Dit betekende dat het gewicht van een pijp per meter gemiddeld [10-20 %] hoger was wanneer de pijp werd uitgevoerd dan bij een bijna identieke pijp die op de binnenlandse markt werd verkocht. De Commissie merkte ook op dat deze discrepanties altijd in één richting gingen, namelijk dat het gewicht van het uitgevoerde product te laag werd geschat. Zoals uiteengezet in overweging 72, had deze te lage schatting tot gevolg dat de dumpingmarge van ECL werd verlaagd. |
|
(80) |
Gezien het bovenstaande beschouwde de Commissie deze discrepanties als een bewijs dat onjuiste informatie over het gewicht van de verkochte producten was opgegeven. Zoals vermeld in overweging 40, moeten de opgegeven gewichtsgegevens juist zijn om tot een nauwkeurige dumpingmarge te komen. Een onjuiste opgave van gewichtsgegevens kan met name leiden tot een verlaging van de werkelijke dumpingmarge. Tegen deze achtergrond verzocht de Commissie ECL op 29 juni 2023 om een verklaring voor deze discrepanties. |
|
(81) |
ECL antwoordde dat de vergelijking van de uitvoer en de binnenlandse verkoop werd beïnvloed door verschillen in de productmix van de verkoop op beide markten en dat de verschillen die werden vastgesteld bij pijpen met een diameter tot 300 mm werden veroorzaakt door verschillende normen voor de dikte van de CML die van toepassing zijn in de Unie en op de binnenlandse Indiase markt. Volgens de indiener van het verzoek waren er ook verschillen door verschillende soorten coatings die voor de binnenlandse markt en de exportmarkt werden gebruikt en door verschillende verpakkingen voor het vervoer. |
|
(82) |
De Commissie was van mening dat sommige verschillen weliswaar konden voortvloeien uit een verschillende productmix, maar dat de grootte van de bij het vergelijken van bijna identieke productsoorten (20) vastgestelde verschillen niet voldoende verklaard kon worden door de redenen die ECL gaf. |
|
(83) |
Bovendien stelde de Commissie tijdens de controle ter plaatse vast dat de dikte van de CML van de pijpen met dezelfde diameter die waren bestemd voor de binnenlandse markt gelijk was aan de dikte van de CML van de pijpen die waren bestemd voor de exportmarkt. Ook werden in het eigen productiecoderingssysteem van ECL identieke productcodes gebruikt voor zowel de binnenlandse markt als de markt van de Unie. Bovendien werden dezelfde productielijnen en dezelfde productiemethode gebruikt. Indien de cementbekleding van uitgevoerde pijpen een andere dikte zou hebben, zouden deze pijpen onder een andere productcode zijn ingedeeld, hetgeen niet het geval was. |
|
(84) |
Bovendien had het argument van ECL dat er verschillende normen zijn voor de dikte van de cementbekleding op de Indiase markt en de markt van de Unie, alleen betrekking op pijpen met een diameter tot 300 mm. De Commissie constateerde echter ook discrepanties bij pijpen met een diameter van meer dan 300 mm, waarvoor de vereisten voor de dikte van de CML in de normen voor beide markten identiek waren. Indien werd uitgegaan van het nettometaalgewicht zoals opgegeven door ECL, zou de CML voor sommige productsoorten volgens de berekening van de Commissie dubbel zo dik moeten zijn voor de exportmarkt als voor de binnenlandse markt. |
|
(85) |
Zoals door ECL zelf werd bevestigd, had het (andere) type coating voor de exportmarkt een minimaal effect op het totale gewicht van een pijp, namelijk slechts ongeveer [0-3 %] van het totale gewicht. Daarom kan een verschil in coating niet de oorzaak zijn van een gewichtsverschil van bijna [10-20 %]. Wat de transportverpakking betreft, heeft de Commissie ter plaatse informatie ontvangen die bevestigt dat het opgegeven brutogewicht van de voor de binnenlandse markt bestemde pijpen verpakkingen en andere producten (smeermiddelen en pakkingen) omvat. Maar zelfs als de verpakking en andere elementen buiten beschouwing werden gelaten, werd tijdens de controle ter plaatse in de fabriek vastgesteld dat het aandeel van de verpakking voor de binnenlandse markt en de verpakking voor de export in het totale gewicht ongeveer [0-3 %] bedroeg en dus te verwaarlozen was in vergelijking met het totale gewicht van de pijpen. |
|
(86) |
De Commissie concludeerde derhalve dat de verschillen bij pijpen met een diameter tot 300 mm slechts gedeeltelijk (21) konden worden verklaard door verschillende normen voor de dikte van de CML die van toepassing zijn op de markt van de Unie en op de Indiase markt. Bij pijpen met een diameter van meer dan 300 mm kon het verschil niet worden gerechtvaardigd door een andere CML-norm, een ander type coating of een verschil in transportverpakking. |
|
(87) |
Uit de beschikbare informatie, die elk element van de verklaring van de indiener van het verzoek voor de gewichtsverschillen tegensprak, bleek dat de enige verklaring was dat de indiener van het verzoek het gewicht of de lengte van het betrokken product onjuist had opgegeven in zijn boekhoudsysteem, met als gevolg dat zijn dumpingmarge kleiner werd. Hierdoor heeft de indiener van het verzoek onjuiste of misleidende inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 1, van de antidumpingbasisverordening verstrekt, waardoor hij het onderzoek aanmerkelijk heeft belemmerd. |
3.3. Opmerkingen van de Indiase overheid over het gebruik van de beschikbare gegevens
|
(88) |
De Indiase overheid merkte op dat het onderzoek op initiatief van de Commissie was geopend en dat het volgens haar overbodig was. Zij voerde aan dat er geen verschillen waren met betrekking tot het voor de binnenlandse markt en de markt van de Unie opgegeven nettometaalgewicht en dat de gegevens van ECL bijgevolg moesten worden aanvaard. Zij merkte op dat ECL voor haar rapportage dezelfde methode had gebruikt als in de oorspronkelijke zaak (gebaseerd op het nettometaalgewicht) en dat deze (zelfde) methode door de Commissie in alle eerdere onderzoeken was aanvaard. Volgens de Indiase overheid konden de door ECL verstrekte gegevens/inlichtingen niet buiten beschouwing worden gelaten omdat de methode niet was gewijzigd en de onderneming haar manier van rapporteren niet had veranderd. |
|
(89) |
De Indiase overheid gaf ook commentaar op de bevindingen met betrekking tot de discrepanties tussen het nettometaalgewicht, het CML-gewicht en het “Kanta-gewicht” die de Commissie in de brief over artikel 18 had vastgesteld. In dit verband voerde zij aan dat het doel en de basis van de drie gewichten verschillend waren en zij derhalve niet konden worden gebruikt voor een vergelijkende analyse. |
|
(90) |
De Indiase overheid voerde met name aan dat het nettometaalgewicht door de bedrijfstak voor alle interne en wettelijke registratiedoeleinden werd gebruikt. De CML werd volgens haar tot nu toe noch door de producent van het betrokken product, noch door de Commissie als een essentieel criterium beschouwd voor welk doel dan ook, met inbegrip van de productcontrolenummers (“PCN’s”) (22). Deze benadering was volgens haar ook in overeenstemming met het feit dat zelfs SG PAM cement nooit als een relevant criterium had opgenomen bij het opgeven van de productkenmerken, en dat ook de Commissie in alle tot dusver verrichte onderzoeken de PCN’s heeft aanvaard zonder cement als een afzonderlijk criterium op te nemen. De Indiase overheid voerde aan dat het niet wenselijk of gerechtvaardigd was om bij een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de vaste methode af te wijken. Daarom zou het voorstel van de Commissie om gebruik te maken van de beschikbare gegevens op basis van het verschil in cementgewicht niet alleen een harde, maar ook ongerechtvaardigde maatregel ten aanzien van ECL zijn, die in het verleden aan alle onderzoeken haar volledige medewerking had verleend. |
|
(91) |
De Indiase overheid voegde hieraan toe dat het Kanta-gewicht niet alleen het gewicht van de kale pijp (nettometaalgewicht) omvatte, maar ook het gewicht van het cement, de inwendige en uitwendige coating, het verpakkingsmateriaal en andere artikelen zoals afstandsringen, smeermiddelen enz. Omdat het Kanta-gewicht ook gewichten van andere artikelen dan het betrokken product omvatte, varieerde het voor elke zending en mocht het daarom niet worden gebruikt voor berekeningen of analyses. |
|
(92) |
De Commissie merkte eerst op dat het onderzoek, zoals uiteengezet in overweging 8, werd geopend naar aanleiding van het verzoek van de indieners van het verzoek. Hoewel dit verzoek mogelijk gebaseerd was op informele besprekingen met de Commissie over de gevolgen van de fusie met SPL, verandert dit niets aan het feit dat de indiener van het verzoek degene is die heeft verzocht om een nieuw onderzoek. |
|
(93) |
Bovendien heeft de Commissie nota genomen van de verklaringen voor de verschillende meeteenheden die door de bedrijfstak werden gebruikt. Zij bevestigde dat ECL, overeenkomstig het verzoek van de Commissie in dit onderzoek en de methode die in eerdere onderzoeken werd gebruikt, gegevens rapporteerde op basis van het nettometaalgewicht. Om de nauwkeurigheid van de verstrekte gegevens op basis van het nettometaalgewicht te controleren en bij gebreke van informatie over het metaalgewicht van afzonderlijke pijpen, heeft de Commissie zich tijdens het controleproces gericht op het vaststellen van de nauwkeurigheid van de door ECL verstrekte gegevens en heeft zij de gegevens getoetst aan verschillende meeteenheden, zoals brutogewicht en meter. De Commissie heeft ook gekeken naar gegevens die zijn gerapporteerd voor de binnenlandse markt en de exportmarkt. Bij een kruiscontrole van de nauwkeurigheid van de gegevens vond de Commissie discrepanties die wezen op onnauwkeurigheid bij de ingediende gegevens die zijn gebaseerd op het nettometaalgewicht. Het was dan ook niet de bedoeling van de Commissie om een andere methode te gebruiken dan in het oorspronkelijke antidumpingonderzoek, maar om na te gaan of ECL haar gegevens correct had gerapporteerd. |
|
(94) |
De Indiase overheid was ook van mening dat, aangezien de op de binnenlandse markt verkochte producten niet dezelfde waren als de op de markt van de Unie verkochte producten, de vaste praktijk van de Commissie in dergelijke gevallen was om de normale waarde te berekenen op basis van de productiekosten. Daarom voerde de Indiase overheid aan dat verschillen in gewicht tussen de producten die op de binnenlandse markt en die welke op de EU-markt werden verkocht, niet van invloed waren op dit onderzoek. |
|
(95) |
Tot slot was de Indiase overheid van mening dat het voorstel om gebruik te maken van de “beschikbare gegevens” niet gerechtvaardigd was en dat de Commissie de door de medewerkende exporteur verstrekte informatie moest aanvaarden en dienovereenkomstig beslissingen moest nemen. |
|
(96) |
De Commissie bevestigde dat zij overeenkomstig de oorspronkelijke methode voornemens was de normale waarde te berekenen op basis van de productiekosten, aangezien er geen direct vergelijkbare producten werden verkocht op de markt van de Unie en op de exportmarkt. Zoals uiteengezet in overweging 72, speelt de nauwkeurigheid van het opgegeven metaalgewicht een cruciale rol bij het vaststellen van de dumpingmarge. De Commissie concludeerde dan ook dat nauwkeurige gegevens over het gewicht ook nodig waren om de normale waarde te kunnen berekenen. Als de gegevens onbetrouwbaar bleken, konden zij dus niet als zodanig worden gebruikt om de normale waarde te bepalen. |
3.4. Opmerkingen van ECL over het gebruik van de “beschikbare gegevens”
|
(97) |
In haar antwoord op de brief over artikel 18 was ECL van mening dat het gebruik van de beschikbare gegevens ongerechtvaardigd was en geen feitelijke basis had omdat deze gebaseerd was op een vergelijking van gewichten van onvergelijkbare producten en verschillende variabelen buiten beschouwing liet. Ook was zij van mening dat de berekeningen van de Commissie in de brief over artikel 18 niet nauwkeurig waren. |
3.4.1.1.
|
(98) |
ECL voerde aan dat het opgegeven metaalgewicht correct was en dat ECL geen onjuiste of misleidende gegevens had verstrekt, ook niet over het metaalgewicht. Volgens haar waren alle gewichten die ECL in de loop van het onderzoek had opgegeven, gebaseerd op het SAP-systeem van de onderneming en/of waren zij ook vermeld op de facturen die aan de afnemers in de Unie waren verstrekt en op de uitvoerdocumenten. |
|
(99) |
Met betrekking tot het metaalgewicht voerde ECL aan dat de gegevens waren gebaseerd op het SAP-systeem van ECL en dat de nauwkeurigheid ervan door de Commissie tijdens de controle ter plaatse was geverifieerd. De gegevens waren gebaseerd op de metaalproductie en het metaalverbruik en kwamen overeen met het jaarverslag van ECL en de in SAP geregistreerde hoeveelheid opgeslagen metaal, hetgeen allemaal door de Commissie is gecontroleerd. Voorts voerde zij aan dat het metaalgewicht ook was vermeld in de bijlagen bij de paklijst voor uitvoer (samen met het netto- en brutogewicht) en dat deze gewichten overeenkwamen met de gewichten die ECL in het antwoord op de vragenlijst had opgegeven. |
|
(100) |
ECL voerde ook aan dat de SAP-gegevens elk kwartaal door externe accountants werden gecontroleerd en, zoals door de Commissie werd geverifieerd, in overeenstemming werden gebracht met de jaarrekeningen van de onderneming. De facturen en uitvoerdocumenten die in het verleden (in het tijdvak van het nieuwe onderzoek) aan verbonden en niet-verbonden afnemers werden verstrekt, vormden de basis voor de douaneaangiften, het vervoer van de goederen en andere wettelijke vereisten en werden automatisch gegenereerd door SAP op basis van de feitelijke weegbruggegevens die in de fabriek door tientallen werknemers van ECL in het systeem werden ingevoerd. Volgens ECL konden de authenticiteit en nauwkeurigheid van het SAP-systeem en de facturen dus niet in vraag worden gesteld. |
|
(101) |
ECL voerde ook aan dat de verschillende gewichten die zij registreerde en aan de Commissie rapporteerde, overeenkwamen met de gegevens over de uitvoer naar derde landen. Zij stelde dat het nettometaalgewicht en het CML-gewicht van de verschillende productsoorten bij uitvoer naar derde landen vergelijkbaar waren met dezelfde productsoorten bij uitvoer naar de Unie. |
|
(102) |
Bovendien voerde ECL aan dat de onderneming werd gecontroleerd en geïnspecteerd door autoriteiten die internationale normen hanteerden en die de nauwkeurigheid van haar administratie controleerden. ECL heeft met name een inspectierapport van een onafhankelijk inspectiebureau overgelegd, dat was opgesteld in opdracht van een klant van ECL uit een derde land. In het rapport werd het gemiddelde gewicht van de pijpen vermeld en volgens ECL aangetoond dat het gewicht per meter van de op de markt van de Unie verkochte productsoorten vergelijkbaar was met of bijna gelijk was aan het door ECL gerapporteerde CML-gewicht, en werd ook vermeld dat de dikte van de cementbekleding varieerde. |
|
(103) |
ECL herinnerde eraan dat zij het metaalgewicht controleerde en zich daarop concentreerde omdat het metaal de belangrijkste kostenfactor was, en dat dit gewicht tijdens het productieproces voortdurend werd gecontroleerd, terwijl de CML slechts ongeveer [0-3 %] van de totale kosten uitmaakte. Het Kanta-gewicht en het CML-gewicht werden gecontroleerd en waren voornamelijk relevant voor het berekenen van de transportkosten. |
|
(104) |
Daarom voerde ECL aan dat het gewicht van pijpen, afhankelijk van de praktijk van een onderneming, kan worden uitgedrukt op basis van het nettometaalgewicht of van het CML-gewicht, wat ook door SG PAM in haar opmerkingen werd bevestigd. Het nominale metaalgewicht en CML-gewicht volgens de respectieve standaarden werden daaruit afgeleid. Het nominale gewicht was een gewicht waar een producent naar streeft, maar het was volgens ECL niet de onveranderlijke standaard. Daarom waren volgens ECL hogere cementwaarden en -ratio’s toegestaan en bestonden zij stelselmatig. |
|
(105) |
De Commissie nam nota van de verschillende verklaringen van de indiener van het verzoek met betrekking tot het verschillende gewicht, en van het feit dat de door hem verstrekte gegevens gebaseerd waren op zijn SAP-systeem, dat de goedkeuring van zijn financiële rekening was onderworpen aan een controle door externe accountants en dat hij werd gecontroleerd om na te gaan of zijn producten in overeenstemming waren met de verschillende internationale normen. De Commissie was het er ook mee eens dat zij het door ECL voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek gerapporteerde totale nettoverbruik van het metaal kon controleren en koppelen aan het SAP-systeem en de jaarrekeningen van ECL. |
|
(106) |
Parameters zoals het gewicht van metaal en cement of de lengte van individuele pijpen voor de verschillende producten en markten en de manier waarop zij aan de producten werden toegewezen, waren echter variabelen die door de onderneming in het systeem werden ingevoerd. |
|
(107) |
Ten eerste stelde de Commissie op basis van de door ECL verstrekte informatie vast dat het gewicht van individuele pijpen niet systematisch werd geregistreerd, anders dan ECL beweerde. |
|
(108) |
De Commissie merkte op dat het gerapporteerde nettometaalgewicht voor dezelfde productsoorten over het algemeen dicht bij het nominale gewicht lag, wat volgens de Commissie geen steun bood voor het argument van ECL dat het werd gecorrigeerd op basis van het werkelijke gewicht. Er werd ook vastgesteld dat vergelijkbare nettometaalgewichten werden gerapporteerd voor verschillende bestellingen. Het gebruik van het werkelijke nettometaalgewicht voor elke bestelling had moeten resulteren in een verschillend nettometaalgewicht per bestelling, wat niet het geval was. |
|
(109) |
Dat het nettometaalgewicht in werkelijkheid niet altijd gelijk was aan het nominale gewicht, bleek uit inspectierapporten van een onafhankelijk inspectiebureau die ECL overlegde om aan te tonen dat er variaties waren in de dikte van de CML. Hetzelfde document toonde duidelijk aan dat het nettometaalgewicht van de geteste pijpen het nominale gewicht met meer dan [0-10 %] overschreed. Ook dit toonde volgens de Commissie aan dat het onwaarschijnlijk was dat het door ECL opgegeven nettometaalgewicht de werkelijkheid weergaf. |
|
(110) |
Ten tweede werden andere parameters, zoals de PCN’s van de Commissie, door de onderneming in SAP ingevoerd om op elk moment en zelfs buiten het onderzoektijdvak rapporten op te stellen. |
|
(111) |
Daarom merkte de Commissie op dat het totale metaalverbruik weliswaar overeenkwam met de jaarrekeningen, maar dat bepaalde belangrijke parameters voor individuele productie- en verkooptransacties, zoals het gewicht per meter, uitsluitend gebaseerd waren op de door ECL in SAP ingevoerde gegevens en dat de juistheid van deze informatie op het niveau van individuele transacties niet kon worden geverifieerd of gecontroleerd aan de hand van bewijsstukken en ander intern of extern bewijsmateriaal. Deze omstandigheden bevestigden de bevindingen dat de gegevens die op het niveau van individuele transacties werden gerapporteerd, niet correct waren. De Commissie was het er dus niet mee eens dat het enkele feit dat de algemene gegevens overeenkwamen met het SAP-systeem het doorslaggevende bewijs vormde dat de gegevens op het niveau van de individuele transacties automatisch correct waren. |
|
(112) |
De Commissie merkte ook op dat de gegevens over het nettometaalgewicht volgens ECL alleen op de pakbonnen voor de uitvoer stonden, terwijl er geen paklijsten voor de binnenlandse markt zouden bestaan. De gegevens konden dus niet voor zowel de binnenlandse markt als voor de uitvoer worden geverifieerd. Zoals de Commissie opmerkte, kon de informatie over het nettometaalgewicht op de uitvoerdocumenten bovendien niet door de vervoerder (noch door de afnemer) worden geverifieerd omdat de vervoerde pijp de CML en de coating omvatte, terwijl het vervoer werd bepaald op basis van het totale (bruto)gewicht. Tegelijkertijd werden op de bestellingen en facturen voor de afnemer meters vermeld. De informatie over het nettometaalgewicht kon dus niet door een derde partij worden geverifieerd. De Commissie was daarom niet van mening dat het feit dat het nettometaalgewicht op de vervoersdocumenten was vermeld, een aanvullend bewijs was dat de informatie juist was. |
|
(113) |
Overeenkomstig de methode van het oorspronkelijke antidumpingonderzoek meldde ECL aanvankelijk het nettometaalgewicht voor elke verkooptransactie op de binnenlandse markt en de markt van de Unie. Anders dan op de facturen voor de markt van de Unie werd het nettometaalgewicht niet vermeld op de facturen voor de binnenlandse verkoop. En omdat het ook niet werd vermeld op bijvoorbeeld binnenlandse vervoersdocumenten of paklijsten, kon de Commissie de juistheid van het nettometaalgewicht niet controleren. |
|
(114) |
Pas nadat de Commissie de informatie had ontvangen die haar in staat stelde het Kanta-gewicht op de binnenlandse markt te vergelijken met het CML-gewicht op de markt van de Unie, werd de discrepantie voor het eerst ontdekt. |
|
(115) |
De Commissie nam er ook nota van dat ECL (net als andere producenten), in het algemeen, nauwlettend toezag op het metaalgewichtverbruik. Zij nam ook nota van de uitleg over het nettometaalgewicht, het nominale gewicht en het feit dat het geen strikte norm was en dat hogere cementwaarden en -ratio’s toegestaan waren en stelselmatig voorkwamen. Op basis van deze verklaringen kon volgens de Commissie echter niet worden geconcludeerd dat ECL het nettometaalgewicht nauwkeurig rapporteerde. De door ECL verstrekte toelichtingen gingen volgens de Commissie met name niet in op de vraag waarom producten bij uitvoer consequent als zwaarder werden opgegeven in vergelijking met de bijna identieke producten die op de binnenlandse markt werden verkocht, en zeker niet wat betreft producten waarvoor dezelfde norm inzake de dikte van de cementbekleding gold. |
3.4.1.2.
|
(116) |
ECL voerde verder aan dat de berekeningen in de brief over artikel 18 niet correct waren omdat bij de berekening van het verschil van [5-15 %] geen rekening werd gehouden met de productmix en de uiteenlopende normen voor pijpen die in de Unie en op de binnenlandse markt van toepassing zijn. De vergelijking zou alleen correct zijn als identieke producten in dezelfde verhoudingen op beide markten zouden worden verkocht. Volgens haar vloeide het verschil voornamelijk voort uit de andersluidende Indiase normen en normen van de Unie voor de dikte van de cementbekleding. Op grond van de verschillen kon niet worden verondersteld dat de gegevens van ECL onjuist of misleidend waren. |
|
(117) |
Zoals de Commissie reeds opmerkte in punt 3.2.2, heeft zij rekening gehouden met het feit dat de vergelijking die zij heeft gemaakt op basis van de totale uitvoer en de totale binnenlandse verkoop inderdaad gebaseerd was op de verschillende productmix, hetgeen het resultaat kon beïnvloeden. Zij maakte deze vergelijking echter om aan te tonen dat er een systematisch verschil was in het gewicht per meter van producten die op de exportmarkt dan wel op de binnenlandse markt werden verkocht. Pas daarna heeft zij deze vergelijking beperkt tot bijna identieke productsoorten (waaruit bleek dat het verschil ook bestond bij bijna identieke soorten). De Commissie merkte eveneens op dat ECL, afgezien van een algemene bewering dat dunnere pijpen die meestal op de exportmarkt worden verkocht meer cement zouden bevatten, geen verder bewijsmateriaal heeft verstrekt om aan te tonen waarom de soorten pijpen die op de exportmarkt worden verkocht systematisch zwaarder zijn dan de soorten pijpen die op de binnenlandse markt worden verkocht. De uitleg over het verschil in normen voor de cementbekleding bij verschillende producten gold alleen voor pijpen met een kleine diameter (minder dan 300 mm) en was dus niet geldig voor alle andere productsoorten die de Commissie vergeleek en waarvoor de CML-normen identiek waren. |
|
(118) |
Bovendien stelde ECL dat de conclusie van de Commissie dat de CML identiek was voor bijna identieke producten die op de markt van de Unie en op de binnenlandse markt werden verkocht, onjuist was en dat het verschil in de dikte van de cementbekleding in aanmerking moest worden genomen. Zij berekende dat de gewichtsverschillen tussen bijna identieke producten [0-5 %] bedroegen en niet [5-15 %] zoals de Commissie had berekend. Zij herhaalde dat de dikte van de cementbekleding alleen gelijk was bij pijpen met een diameter van meer dan 300 mm, maar dat dit niet het geval was bij pijpen met een diameter tussen 80 en 300 mm. Met name bij pijpen met een diameter tussen 80 en 300 mm moest de nominale dikte van de cementbekleding volgens EN 545:2006, de norm voor naar de Unie uitgevoerde pijpen van de K-klasse, 4 mm bedragen. Volgens IS 8329 daarentegen, de norm voor pijpen van de K-klasse voor de Indiase markt, bedroeg de nominale dikte van de cementbekleding 3 mm. ECL voerde derhalve aan dat de berekeningen van de Commissie moesten worden gecorrigeerd met het verschil in cementbekleding tussen de binnenlandse markt en de exportmarkt en dat dit verschil bij pijpen met een diameter tussen 80 mm en 300 mm [25-35 %] bedroeg. |
|
(119) |
ECL was het er ook niet mee eens dat haar interne productcodes de producteigenschappen weerspiegelden. ECL voerde aan dat haar interne productcodes de diameter en de klasse van de pijp en de elementen met betrekking tot het metaalgewicht omvatten, maar niet de vele varianten, waaronder de normen, de zinkcoating, de CML, de kleur enz. Deze varianten werden vermeld in de SAP-bestelling en in een document getiteld “vrijgave van de productielast” die de basis vormde voor de productie en de verkoop en waarin de desbetreffende norm werd aangegeven (23). ECL had dus geen op de Indiase normen gebaseerde pijpen van de K-klasse op de markt van de Unie kunnen verkopen. Bovendien werd de norm vermeld in de bijlagen bij de facturen voor de verkoop in de Unie die bij de Commissie waren ingediend. Daarom kon de veronderstelling/het oordeel van de Commissie feitelijk niet juist zijn. |
|
(120) |
ECL voerde ook aan dat de Commissie rekening had moeten houden met het feit dat de zinkcoating van de uitgevoerde producten zwaarder was en dat er verschillen konden zijn tussen de kalibratie van de weegbrug die wordt gebruikt voor vrachtwagens voor de export en de weegbruggen die worden gebruikt voor de binnenlandse verkoop. |
|
(121) |
Volgens ECL vertegenwoordigden de in de brief over artikel 18 genoemde vergelijkbare productsoorten slechts [0-5 %] van de uitvoer in het TNO, zodat de Commissie zich niet op een dergelijke vergelijking kon baseren. De Commissie kon dus niet alle informatie verwerpen, vooral niet wanneer een partij tijdig informatie had verstrekt, wanneer de informatie verifieerbaar was en wanneer de partij naar beste vermogen had gehandeld. Volgens ECL bood een onnauwkeurige en kennelijk onjuiste berekening van het gewicht geen objectieve basis voor het gebruik van de beschikbare gegevens inzake het gerapporteerde metaalgewicht, en maakte deze berekening niet alle gegevens van ECL over het metaalgewicht onbruikbaar of onbetrouwbaar. |
|
(122) |
De Commissie maakte een nieuwe analyse van de nieuw ingediende informatie en de argumenten van ECL. |
|
(123) |
Zoals voorgesteld door ECL, herberekende de Commissie het verschil van het voor de binnenlandse markt en de exportmarkt gerapporteerde brutogewicht op basis van het gewogen gemiddelde. Het verschil in brutogewicht tussen de binnenlandse en de exportmarkt bleef aanzienlijk ([5-15 %]). Bovendien liep dat verschil voor bepaalde productsoorten nog steeds op tot [10-20 %]. De indiener van het verzoek kon dit verschil niet verklaren. |
|
(124) |
Zoals in overweging 82 is vermeld, was de Commissie bovendien van mening dat het feit dat bepaalde soorten met een geringere CML moesten worden geproduceerd, in tegenspraak was met de tijdens de controle ter plaatse ontvangen informatie. Voorts werd in de catalogus van ECL voor de binnenlandse markt vermeld dat pijpen met een diameter van minder dan 300 mm een dikte hadden van 3,5 mm. ECL produceerde de pijpen met deze diameters volgens de catalogus dus met een dikte van 3,5 mm, en niet 3 mm zoals zij beweerde. Gezien de toegestane tolerantie met betrekking tot de dikte op beide markten, voldeden de pijpen van 3,5 mm tot 4 mm aan de normen op beide markten. |
|
(125) |
Niettemin maakte de Commissie een nieuwe vergelijking door het vermeende verschil in de CML en het verschil in de zinkcoating, zoals verstrekt door ECL, toe te voegen. Zelfs na correctie voor deze verschillen bleef het verschil in brutogewicht tussen de binnenlandse en de exportmarkt aanzienlijk, namelijk gemiddeld [0-10 %], en liep het bij bepaalde productsoorten op tot [5-20 %]. Wat de cementbekleding betreft, bleek uit de analyse dat bij sommige productsoorten, ervan uitgaande dat de hierover verstrekte gegevens juist zijn, het CML-gewicht van uitgevoerde pijpen gemiddeld [30-75 %] meer cement bevatte, met verschillen tot [20-100 %] bij bepaalde productsoorten. |
|
(126) |
De Commissie verduidelijkte verder dat de bijna identieke producten (inclusief de producten die de Commissie corrigeerde voor de beweerde dikkere cementbekleding) [10-30 %] van de verkoop aan de Unie vertegenwoordigden en niet [0-3 %] zoals ECL aanvoerde. |
|
(127) |
Zoals uiteengezet in overweging 125, werden alle naar de Unie uitgevoerde producten gemiddeld als zwaarder gerapporteerd. Voor de producten die niet op de binnenlandse markt werden verkocht, vergeleek de Commissie de op de exportmarkt verkochte soorten met het nominale (theoretische) gewicht. Ook voor deze soorten was het verschil in gewicht vergelijkbaar met het bijna identieke product. De uitkomst van de berekeningen voor de producten die niet op de binnenlandse markt werden verkocht, kwam overeen met de vergelijking voor de producten die op de binnenlandse markt werden verkocht en liet een onverklaard gewichtsverschil zien dat, indien correct gerapporteerd, betekende dat de uitgevoerde pijpen een veel dikkere CML zouden hebben (gemiddeld [30-75 %] meer cement met verschillen tot [100-150 %]). |
3.4.1.3.
|
(128) |
ECL heeft ook opmerkingen gemaakt over de door de Commissie verrichte berekeningen van de nominale dikte van de cementbekleding en het gewicht ervan. Zij voerde aan dat de berekeningen van de nominale CML en het gewicht in de brief over artikel 18 bij verschillende diameters niet correct waren vanwege het vochtgehalte waarvoor moest worden gecorrigeerd. Het vochtgehalte bleef in de CML en werd daarom toegevoegd aan het gewicht. Indien het vochtgehalte in aanmerking werd genomen, was het verschil tussen het nominale gewicht en het door ECL gerapporteerde gewicht van de cementbekleding volgens ECL veel kleiner. |
|
(129) |
Bovendien voerde ECL aan dat de CML bij naar de Unie uitgevoerde pijpen in het algemeen dikker was dan de nominale CML, en dat de CML bij pijpen die naar andere derde landen werden uitgevoerd ook dikker was, om te voorkomen dat de pijpen werden afgewezen. Volgens haar bleek dit ook uit de inspectierapporten van een onafhankelijk inspectiebureau. ECL diende daarnaast als bewijs een brief in van een deskundige van de verbonden onderneming van ECL, die ook vertegenwoordiger is in de normalisatie-instellingen, waarin werd bevestigd dat de CML van uitgevoerde pijpen dikker is. |
|
(130) |
De Commissie heeft nota genomen van het feit dat er mogelijk nog vocht in de verkochte pijpen zit. Dit geldt echter alleen voor zendingen die de fabriek verlaten kort nadat de pijpen zijn geproduceerd. De Commissie merkte op dat het vochtgehalte inderdaad afnam met de tijd, maar dat het vochtgehalte normaal na drie dagen stabiel was. ECL heeft ook geen bewijs geleverd of gekwantificeerd hoe het vochtgehalte van invloed was op het gewicht van de CML en het totale gewicht van de pijp. Deze conclusies waren volgens de Commissie theoretisch, omdat ECL niet kon vaststellen hoeveel tijd er precies verstreek tussen het moment waarop de producten werden geproduceerd en het moment waarop zij werden uitgevoerd. |
|
(131) |
De Commissie merkte in dit verband ook op dat bij vergelijking van het nominale (theoretische) CML-gewicht met het gerapporteerde CML-gewicht op de binnenlandse markt, de gewogen gemiddelde variatie minimaal was, ongeveer [0-3 %]. Bij de exportmarkt was de variatie veel groter. Gemiddeld bedroeg de variatie [0-10 %], in sommige gevallen zelfs [15-30 %]. Hieruit blijkt volgens de Commissie nogmaals dat de door ECL gerapporteerde gewichtsgegevens niet correct waren. |
|
(132) |
Bovendien toonde het rapport van een onafhankelijk inspectiebureau aan dat er variaties kunnen zijn in de dikte (en dus het gewicht) van de cementbekleding. Het toonde echter tegelijkertijd aan dat soortgelijke variaties bestonden in het geval van het nettometaalgewicht, dat volgens ECL steeds zeer dicht bij het nominale (theoretische) gewicht lag. In ieder geval werd in het rapport niet uitgelegd waarom de afwijkingen van het nominale gewicht alleen voorkwamen bij de uitgevoerde producten en waarom zij op de binnenlandse markt dicht bij de nominale waarde lagen. |
|
(133) |
Met betrekking tot de algemene bewering dat voor de uitvoer bestemde pijpen dikker waren dan de pijpen die ECL voor de binnenlandse markt produceerde, herhaalde de Commissie dat deze informatie tijdens de controle ter plaatse nooit werd vermeld. De Commissie heeft daarentegen vastgesteld dat pijpen met dezelfde diameter altijd een vergelijkbare CML hadden. Ook bevestigde de brief van de deskundige van de verbonden onderneming van ECL volgens de Commissie niet dat alle pijpen die waren bestemd voor de markt van de Unie in het algemeen een dikkere CML moeten hebben. De brief gaf alleen een overzicht van de verschillende normen en bevestigde dat de norm vereiste dat pijpen met een diameter van minder dan 300 mm een CML van 4 mm hebben. Hoewel er inderdaad werd vermeld dat er volgens de EU-norm een strengere eis was met betrekking tot de cementmortelscheuren, rechtvaardigde dit volgens de Commissie niet dat de CML dikker moest zijn dan wat in de EU-norm werd bepaald. Er is ook geen bewijs geleverd dat een dikkere CML tot minder scheuren zou leiden. In de productbrochure van ECL staat bijvoorbeeld dat de vorming van scheuren, ongeacht de dikte, onvermijdelijk is. Deze scheuren en andere geïsoleerde scheuren die tijdens het transport kunnen ontstaan, zijn aanvaardbaar en worden gedicht wanneer de pijp tijdens het gebruik in contact komt met water. |
3.4.1.4.
|
(134) |
ECL voerde aan dat gebruikmaking van de beschikbare gegevens in overeenstemming moest zijn met de wettelijke norm van artikel 18 van de antidumpingbasisverordening, die moet worden toegepast in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst (“ADA”). ECL voerde aan dat het gebruik van de beschikbare gegevens beperkt moest blijven tot het opvullen van hiaten in de nodige gegevens. Het moet ook beperkt blijven tot het redelijkerwijs vervangen van de ontbrekende “nodige gegevens” om tot een nauwkeurige vaststelling te komen. Bovendien mogen de beschikbare gegevens niet op een bestraffende manier worden gebruikt en moet rekening worden gehouden met alle met bewijsmateriaal gestaafde feiten die een belanghebbende heeft verstrekt, ook al vormen deze feiten misschien niet alle gevraagde gegevens. |
|
(135) |
ECL voerde aan dat de onderzoekende autoriteiten moesten trachten zo veel mogelijk gebruik te maken van de gegevens die hun door de partijen waren verstrekt. Volgens artikel 18, lid 3, van de antidumpingbasisverordening mag de Commissie de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen, ook al zijn deze niet in alle opzichten toereikend, niet buiten beschouwing laten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld. |
|
(136) |
De Commissie was van mening dat zij op basis van bovenstaande argumenten niet kon oordelen dat de gegevens van ECL tot redelijk betrouwbare conclusies leidden. Integendeel, de uiteenlopende inlichtingen en discrepanties in de gegevens toonden aan dat er niet correct werd gerapporteerd. Bovendien concludeerde de Commissie dat uit verschillende bewijsstukken bleek dat de gegevens zodanig waren gepresenteerd dat het nettometaalgewicht op de exportmarkt te laag werd geschat om een gunstiger resultaat voor de indiener van het verzoek weer te geven. Het feit dat de inlichtingen tijdig en zonder vertraging werden verstrekt, werd in deze context niet relevant geacht om de overige ernstige tekortkomingen goed te maken. |
3.4.1.5.
|
(137) |
ECL voerde aan dat als de Commissie twijfels had over de betrouwbaarheid van het door ECL opgegeven metaalgewicht (een mening die ECL niet deelt), zij niettemin gebruik moest maken van de gegevens over de verkoop op de binnenlandse markt en op de markt van de Unie die waren gerapporteerd in termen van CML-gewicht (gebaseerd op naar behoren gecorrigeerde Kanta-gewichten) of meter. Zij voerde aan dat de gegevens met betrekking tot de CML-gewichten en meters voor de individuele transacties tijdig en op passende wijze waren verstrekt, dat zij ook door de Commissie waren gecontroleerd, en dat zij daarom zonder onnodige problemen konden worden gebruikt. |
|
(138) |
ECL was van mening dat zij naar beste vermogen met de Commissie had meegewerkt. Sinds 2014 is de onderneming aan meerdere onderzoeken onderworpen en in elk onderzoek heeft zij tijdig alle informatie verstrekt en naar beste vermogen meegewerkt. De Commissie heeft nooit problemen vastgesteld bij de gegevens van ECL. |
|
(139) |
Wat het huidige onderzoek betreft, stelde ECL de Commissie met het oog op transparantie en in volledige openheid op de hoogte van de op handen zijnde fusie tussen ECL en SPL om te voorkomen dat ECL zou worden beschuldigd van het niet verstrekken van volledige informatie. Volgens ECL was dit tussentijds nieuw onderzoek echter niet nodig. |
|
(140) |
Zoals in de overwegingen 74 tot en met 136 is uiteengezet, kon de Commissie zich niet baseren op de door ECL verstrekte informatie over het nettometaalgewicht. Omdat de gewichtsgegevens in de verstrekte informatie onjuist waren, konden de gegevens niet worden gebruikt of gecorrigeerd. De Commissie kon met name niet vaststellen welke informatie correct was en dus kon worden gebruikt als basis voor correctie of aanpassing. |
|
(141) |
Wat het brutometaalgewicht betreft, bleek uit de door ECL verstrekte informatie (24) dat het CML-gewicht voor de binnenlandse verkoop [0-10 %] hoger lag dan het totale Kanta-gewicht, dat bovendien de verpakking omvatte. Omdat er geen plausibele verklaring voor het verschil werd gegeven, kan de geloofwaardigheid van het voor de binnenlandse markt gerapporteerde brutogewicht worden betwijfeld. |
|
(142) |
Het verschil dat door de Commissie werd vastgesteld, betrof twee parameters: netto-/brutometaalgewicht en lengte. De discrepanties die zij had vastgesteld, moesten zijn veroorzaakt door onjuiste rapportage van ten minste een van deze twee parameters. De onjuiste rapportage van het gewicht kon ook zijn veroorzaakt door onjuiste rapportage van de lengte, omdat het gewicht wordt uitgedrukt in kg/meter. Daarom kon de Commissie niet concluderen dat ECL de lengte correct had gerapporteerd. |
|
(143) |
De Commissie concludeerde derhalve dat alternatieve berekeningen op basis van de andere meeteenheden niet konden worden uitgevoerd en dat dergelijke informatie die na het verificatieproces werd verstrekt bovendien niet kon worden geverifieerd. |
|
(144) |
Bovendien garandeert het feit dat ECL sinds 2014 aan verschillende onderzoeken heeft meegewerkt en dat de gegevens van ECL steeds werden aanvaard, niet dat de gegevens die in het kader van dit onderzoek zijn verstrekt, automatisch betrouwbaar zijn. |
|
(145) |
Wat het argument betreft dat dit gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek niet nodig was, verwijst de Commissie naar de uiteenzetting in de punten 1.2 en 3.1. De fusie tussen ECL en SPL had gevolgen voor de verkoop- en kostengegevens die relevant waren voor de berekening van de dumpingmarge en vormde een wijziging van blijvende aard. Dus was de Commissie van mening dat de fusie tussen ECL en SPL voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 11, lid 3, van de antidumpingbasisverordening. |
3.4.1.6.
|
(146) |
ECL klaagde ook over de manier waarop van de beschikbare gegevens gebruik werd gemaakt. Zij gaf een overzicht van de stappen en data van de verschillende verzoeken van de Commissie en wees erop dat zij de brief over artikel 18 pas op 11 juli 2023 had ontvangen. Zij was ook van oordeel dat zij niet “onverwijld” (in de zin van punt 6 van bijlage II bij de WTO-antidumpingovereenkomst) in kennis was gesteld van de redenen voor de mogelijke afwijzing van haar gegevens over het metaalgewicht en dat zij niet in de gelegenheid was gesteld om tijdens het controleproces nadere toelichtingen te verstrekken. Zij was ook van mening dat zij niet voldoende tijd had om opmerkingen te maken over de bevindingen met betrekking tot artikel 18 en dat de verlenging van de termijn met drie dagen om opmerkingen te maken niet voldoende was. |
|
(147) |
De Commissie was van oordeel dat de gegevens met betrekking tot de gewichtsbepaling uitgebreid werden besproken tijdens het controlebezoek, waarbij de Commissie een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal verzamelde. Pas na de controle ter plaatse bij de producent-exporteur, toen de Commissie van ECL alle gegevens met betrekking tot de alternatieve meeteenheden ontving, kon de Commissie een analyse maken en de ernst en de gevolgen van de inconsistentie vaststellen, aangezien de oorspronkelijk door ECL verstrekte gegevens hoofdzakelijk op het nettometaalgewicht waren gebaseerd. |
|
(148) |
De Commissie was verder van mening dat zij ECL voldoende tijd had gegeven om uitleg te geven, aanvullende gegevens te verstrekken en opmerkingen te maken over haar bevindingen. De Commissie heeft al op 29 juni 2023 om uitleg gevraagd. Bovendien deelde zij ECL haar twijfels over de betrouwbaarheid van de gegevens mee op 5 juli 2023, de laatste datum van de controle op afstand bij de verbonden onderneming waaraan de vertegenwoordiger van de in Kolkata gevestigde producent-exporteur zijn medewerking verleende. Vervolgens had ECL, gezien de verlenging van de antwoordtermijn, 14 dagen de tijd om te reageren op de brief over artikel 18 die op 10 juli 2023 werd verzonden. Daarnaast hield de Commissie op 26 juli 2023 een uitgebreide hoorzitting met ECL. Ten slotte werd bij de bekendmaking van de voorlopige bevindingen een extra mogelijkheid geboden om opmerkingen te maken. |
3.4.1.7.
|
(149) |
Gelet op het in punt 3 beschreven materiële bewijsmateriaal was de Commissie van oordeel dat ECL misleidende of onjuiste inlichtingen had verstrekt teneinde het nettometaalgewicht dat voor de berekening van haar dumpingmarge moest worden gebruikt, te laag te schatten en zo de dumpingmarge te verlagen. |
3.5. Na de mededeling van feiten en overwegingen ingediende opmerkingen
3.5.1. Opmerkingen van ECL
|
(150) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde ECL aan dat het gebruik van de beschikbare gegevens door de Commissie was gebaseerd op een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten en op veronderstellingen en afgeleide redeneringen, bij gebreke van feitelijk bewijsmateriaal. |
|
(151) |
ECL bestreed dat er sprake was van opzettelijk onjuiste rapportage van het nettometaalgewicht om de dumpingmarge te verlagen. Zij benadrukte dat er geen sprake was van enige poging om valse, onjuiste of misleidende informatie te verstrekken, en dat ECL op de Indiase markt, in de Unie en op de wereldmarkt een goede reputatie genoot die zij niet in gevaar zou brengen. |
|
(152) |
Zij herhaalde dat de Commissie de informatie over de kosten had gecontroleerd en dat zij deze in overeenstemming had gebracht met de voorlopige balans en de rekeningen van de onderneming. Bijgevolg zijn de productiekosten volgens haar op bevredigende wijze gecontroleerd. |
|
(153) |
Zowel ECL als de Indiase overheid voerde aan dat de Commissie onjuiste berekeningen had gemaakt en dat het opgeven van een te laag nettometaalgewicht de dumpingmarge niet zou veranderen. Beide verstrekten berekeningen waaruit bleek dat indien een te laag nettometaalgewicht werd opgegeven om zowel de uitvoerprijs als de normale waarde te bepalen, de daaruit voortvloeiende dumpingmarge onveranderd bleef. Op basis daarvan was zowel ECL als de Indiase overheid van mening dat de verklaringen over de onjuiste rapportage door ECL om de dumpingmarge te verlagen, niet correct waren. |
|
(154) |
De Commissie verwees naar de bevindingen die aan de partijen waren meegedeeld in de brief over artikel 18 en in punt 3.2. Zij wees erop dat haar bevindingen betrekking hadden op de gegevens die waren verstrekt om de uitvoerprijs vast te stellen. Er kon niet worden vastgesteld of dezelfde “fout” van onderrapportage van het nettometaalgewicht zich aan beide zijden voordeed, d.w.z. aan de zijde van de uitvoerprijs en aan die van de normale waarde, in welk geval het effect zou worden geneutraliseerd. Integendeel, door aan een van beide zijden van de berekening een te laag nettometaalgewicht op te geven, zou ECL de dumpingmarge ten onrechte onderschatten, zoals uiteengezet in overweging 39 van het algemene informatiedocument. |
|
(155) |
De Commissie wees er echter op dat haar beoordeling, en met name de vastgestelde discrepanties tussen het totale gewicht van de op de binnenlandse markt verkochte producten en de uitgevoerde producten, bedoeld was om aan te tonen dat de verstrekte gegevens niet correct konden zijn. Op basis van de informatie waarover zij beschikt, kon de Commissie echter niet concluderen of de vastgestelde discrepanties het gevolg waren van de onjuiste rapportage van het nettometaalgewicht, het brutogewicht of de lengte van de pijpen. |
3.5.1.1.
|
(156) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen verwees ECL naar de methode die de Commissie had gebruikt om tot de slotsom te komen dat de door de onderneming verstrekte gegevens onnauwkeurig waren. Zij wees erop dat de Commissie het CML-gewicht had gebruikt om het verschil in gewicht tussen de op de exportmarkt en de binnenlandse markt verkochte producten vast te stellen. ECL voerde aan dat de Commissie in haar conclusies over het mogelijke gebruik van alternatieve gegevens van mening was dat het CML-gewicht mogelijk niet correct was. Gezien deze conclusie was ECL van mening dat de Commissie het CML-gewicht niet kon gebruiken om tot een conclusie te komen over de onnauwkeurigheid van het nettometaalgewicht. Volgens haar bestond er voor de Commissie dus geen grondslag om vol te houden dat het opgegeven nettometaalgewicht onjuist was. |
|
(157) |
De Commissie was het niet eens met het argument dat, omdat het CML-gewicht was gebruikt om de discrepanties in de gegevens van ECL aan te tonen en de Commissie tegelijkertijd twijfels had over de juistheid ervan, dit betekende dat er geen grondslag bestond om vast te stellen dat de gegevens (het nettometaalgewicht) niet correct waren gerapporteerd. Zoals uitvoerig toegelicht in punt 3.2, was de door de Commissie gemaakte vergelijking alleen bedoeld om aan te tonen dat de door ECL verstrekte gegevens niet correct konden zijn. |
|
(158) |
De Commissie was van mening dat het feit dat zij twijfels had over het opgegeven gewicht, maar niet kon concluderen welke gegevens juist of onjuist waren, geen verandering bracht in haar conclusie, maar veeleer aantoonde dat er bij gebreke van betrouwbare gegevens geen alternatieve methode bestond om de dumpingmarge te berekenen. Aangezien zij gegronde redenen had om te twijfelen aan de correcte opgave van het nettometaalgewicht, het brutogewicht en/of de lengte, kon zij geen van die drie als berekeningsbasis gebruiken. |
|
(159) |
ECL voerde verder aan dat de Commissie niet heeft overwogen om het nominale (theoretische) gewicht van de pijpen of de lengte ervan als alternatief te gebruiken. Zij was ook van mening dat de opgegeven lengte niet onjuist kon zijn. |
|
(160) |
De Commissie herhaalde dat zij voor haar analyse het gewicht per meter had gebruikt. Het verschil dat door de Commissie werd vastgesteld, was dus gekoppeld aan twee parameters: netto- of brutometaalgewicht en lengte. De discrepanties die zij had vastgesteld, moesten zijn veroorzaakt door onjuiste rapportage van een van deze twee parameters. De onjuiste rapportage van het gewicht kon ook zijn veroorzaakt door onjuiste rapportage van de uitgevoerde lengtes, omdat het gewicht werd uitgedrukt in kg/meter. Als het nominale gewicht zou worden gebruikt, zou het dus in meter moeten worden uitgedrukt. Aangezien de Commissie niet kon concluderen dat ECL de lengtes juist had gerapporteerd, zou het gebruik van het nominale gewicht geen correcte vaststelling van de uitvoerprijs garanderen. |
|
(161) |
De Commissie herhaalde derhalve haar conclusie dat alternatieve berekeningen op basis van de andere meeteenheid niet konden worden uitgevoerd en dat nieuwe informatie die na het verificatieproces werd verstrekt bovendien niet kon worden geverifieerd. |
3.5.1.2.
|
(162) |
ECL was ook van mening dat de Commissie geen empirisch bewijs heeft geleverd dat een dikkere cementbekleding voor de uitvoer wetenschappelijk niet mogelijk was en dat dergelijk bewijs niet bestond. Ter onderbouwing van dit argument heeft ECL verslagen van een inspecteur ingediend, waaruit bleek dat de cementbekleding dikker was dan de nominale dikte voor pijpen die in het TNO aan haar Franse en Italiaanse dochterondernemingen werden geleverd. Daarnaast heeft ECL testverslagen beschikbaar gesteld voor door SG PAM geproduceerde pijpen. |
|
(163) |
Uit de verslagen met betrekking tot de Franse en Italiaanse dochterondernemingen bleek dat voor pijpen met verschillende diameters met een nominale dikte van 4 mm de werkelijke dikte varieerde en tot [80-100 %] hoger was dan de nominale dikte. Op basis van deze verslagen voerde ECL aan dat de cementbekleding in werkelijkheid vaak dikker kon zijn dan de nominale dikte, en dat er derhalve geen reden was om te concluderen dat de door de Commissie in overweging 95 van het algemene informatiedocument genoemde [35-70 %] dikkere cementbekleding niet plausibel was. |
|
(164) |
De Commissie heeft nota genomen van de door ECL ingediende verslagen. Uit deze verslagen bleek inderdaad dat bij de onderzochte pijpen de werkelijke dikte van de cementbekleding naar boven afweek ten opzichte van de nominale dikte. Volgens de Commissie had echter een vergelijking moeten worden gemaakt voor zowel de binnenlandse verkoop als de uitvoer, terwijl in de overwegingen 95 en 99 van het algemene informatiedocument is uiteengezet dat op de binnenlandse markt de gewogen gemiddelde afwijking tussen het werkelijke en het nominale gewicht ongeveer [0-3 %] bedroeg, vergeleken met gemiddeld [0-10 %] (en in sommige gevallen tot [15-30 %]) in het geval van uitvoer. Zoals toegelicht in de overwegingen 96 tot en met 104 van het algemene informatiedocument, achtte de Commissie dit verschil ongegrond. |
3.5.1.3.
|
(165) |
ECL was ook van mening dat de Commissie een kennelijke feitelijke beoordelingsfout had gemaakt met betrekking tot het nettometaalgewicht en dat zij artikel 18, lid 1, van de antidumpingbasisverordening onjuist had toegepast. |
|
(166) |
Ten eerste voerde zij aan dat de Commissie verkeerd had begrepen dat ECL steekproeven van pijpen uit elke bestelling had genomen en dat de in de steekproef opgenomen pijpen werden gewogen (overweging 40 van het algemene informatiedocument). ECL gaf aan dat de pijpen alleen op dikte werden getest. Zij vermeldde ook dat de productie in meters werd bijgehouden en dat het SAP-boekhoudsysteem de meters automatisch omzette in metaalgewicht. Zij voerde aan dat er geen sprake was van enige menselijke tussenkomst. ECL vermeldde ook dat het vervolgens gebruikte gewicht een standaardgewicht is en dat het in de bedrijfstak gebruikelijk was om het standaardgewicht toe te passen. |
|
(167) |
Volgens de Commissie is het argument dat ECL de in de steekproef opgenomen pijpen niet heeft gewogen in tegenspraak met de informatie die zij tijdens het controlebezoek heeft ontvangen. Ook in het inspectieverslag dat aan ECL was toegezonden om de juistheid ervan te verifiëren, stond vermeld dat de pijpen in de steekproef werden gewogen. ECL heeft over een aantal kwesties opmerkingen gemaakt, maar niet over de interpretatie van de Commissie met betrekking tot het wegen van de pijpen. |
|
(168) |
De Commissie stelde ook vast dat ECL voor het eerst aanvoerde dat de productie feitelijk in meters werd gerapporteerd en dat het SAP-systeem de lengte van pijpen in gewicht omzette. Deze vermeend afwijkende informatie die pas na het controleproces werd ingediend, samen met het feit dat de pijpen in feite niet gedurende het gehele productieproces werden gewogen, hebben de twijfels van de Commissie of ECL de gewichten correct had opgegeven, alleen maar versterkt. |
3.5.1.4.
|
(169) |
ECL herhaalde dat de vergelijking tussen alle op de binnenlandse markt verkochte en alle uitgevoerde pijpen gebaseerd was op een andere productmix en dat deze derhalve irrelevant was. |
|
(170) |
De Commissie herinnerde eraan dat de vergelijking voor alle producten inderdaad gebaseerd was op een andere productmix, maar dat het resultaat de bevindingen bevestigde voor de bijna identieke (en voor de niet rechtstreeks vergelijkbare) producten. |
|
(171) |
Voor de niet rechtstreeks vergelijkbare producten stelde ECL vast dat de Commissie een onjuiste methode hanteerde om het verschil in gewicht van de cementbekleding tussen de op de binnenlandse markt verkochte en de uitgevoerde producten te berekenen. Met betrekking tot de bijna identieke producten verwees ECL naar haar opmerkingen en berekeningen die zij naar aanleiding van de artikel 18-brief had ingediend en die zijn samengevat in punt 3.4. Zij voerde verder aan dat de verschillen moesten worden uitgedrukt op basis van het CML-gewicht en dat zij daarom kleiner waren. ECL voerde ook aan dat het verschil dat de Commissie had vastgesteld voor sommige specifieke productsoorten minimaal was of een klein deel van de uitvoer vertegenwoordigde. Zij voerde ook aan dat de verschillen voor sommige specifieke productsoorten gering waren of slechts betrekking hadden op een klein uitvoervolume. |
|
(172) |
ECL was het evenmin eens met de conclusie van de Commissie over vocht. Zij verstrekte nieuwe berekeningen die haars inziens rekening hielden met de aanwezigheid van vocht in de op de binnenlandse markt verkochte pijpen en waarmee bij de vergelijking met de exportmarkt rekening moest worden gehouden. |
|
(173) |
Voor zowel de bijna identieke als de niet-vergelijkbare producten heeft de Commissie opgemerkt dat ECL geen aanvullend bewijs aanleverde waaruit bleek dat de berekeningen van de Commissie niet correct waren. |
|
(174) |
De Commissie was ook van mening dat haar methode om het procentuele verschil in het aandeel van het nettometaalgewicht uit te drukken, correct was en dat er geen reden was om het verschil op basis van de CML uit te drukken. Het nettometaalgewicht was zowel aan de uitvoerzijde als aan de binnenlandse zijde vergelijkbaar, zodat de vergelijking in procenten moest aantonen dat het CML-gewicht voor de uitvoer verschilde van dat voor de binnenlandse verkoop. |
|
(175) |
Wat de vergelijking voor de specifieke productsoorten betreft, was de Commissie het ermee eens dat er productsoorten waren waarbij het verschil klein was of het uitvoervolume laag was. Op basis van een gewogen gemiddelde bedroeg het verschil echter nog steeds [0-10 %]. |
|
(176) |
Wat het vochtgehalte betreft, heeft de Commissie nota genomen van de argumenten van ECL. De Commissie was het er niet mee eens dat het vochtgehalte van invloed was op het gewicht van de in het binnenland verkochte pijpen. Zelfs als dit het geval zou zijn, zouden de verschillen volgens de eigen berekeningen van ECL aanzienlijk blijven. |
3.5.1.5.
|
(177) |
ECL herhaalde haar argumenten met betrekking tot het feit dat de gegevens afkomstig waren van het SAP-systeem en dat deze dus juist waren. Zij herhaalde dat het nettometaalgewicht op de uitvoerpaklijst was vermeld en dat dit nog vóór het begin van de zaak in 2014 het geval was. |
|
(178) |
Met betrekking tot de tests van het metaalgewicht door een onafhankelijk inspectiebedrijf voerde ECL aan dat deze niet juist leken te zijn, omdat het totale gewicht van de geteste pijpen dat door het onafhankelijke inspectiebedrijf werd geregistreerd, hoger was dan de berekende metaaldikte, omgerekend naar gewicht, plus het gewicht van de cementbekleding. De waarschijnlijke reden hiervoor was volgens ECL dat de metaaldikte werd gemeten aan de uiteinden van de pijpen, waar ze dikker zijn. Die dikte was dan ook onjuist. |
|
(179) |
ECL voerde herhaaldelijk aan dat de cementbekleding voor de exportmarkt verschilde van die voor de binnenlandse markt, en dat het SAP-systeem een onderscheid maakte tussen de pijpen op basis van hun specificaties. |
|
(180) |
De Commissie verwees naar haar conclusies in punt 3.4. Zij was van mening dat ECL geen aanvullend bewijs had aangedragen ter ondersteuning van haar argument dat de gegevens correct waren gerapporteerd. Met betrekking tot het verslag van een onafhankelijk inspectiebedrijf, dat volgens ECL onjuist was wat het metaalgewicht betreft, was de Commissie van mening dat voor de cementbekleding inderdaad dezelfde (onjuiste) meting had kunnen worden uitgevoerd. Zij was daarom van mening dat ECL deze evenmin kon gebruiken voor een overtuigend betoog met betrekking tot het gewicht van de bekleding van cement. |
3.5.1.6.
|
(181) |
ECL voerde aan dat, zelfs indien de gegevens over het nettometaalgewicht volgens de Commissie bepaalde tekortkomingen vertoonden, deze hoe dan ook niet van dien aard of omvang waren dat zij voor de Commissie buitensporige moeilijkheden hadden opgeleverd om tot redelijk nauwkeurige conclusies te komen met betrekking tot de normale waarde en de uitvoerprijzen. Voorts voerde zij aan dat de Commissie geen inconsistenties heeft gevonden in de gegevens over de verkoopwaarde, de productiekosten en alle andere financiële gegevens van de onderneming. ECL was van mening dat a) de weigering om gebruik te maken van de drie door haar voorgestelde alternatieven voor de kwantificering van het volume, de meest geschikte en meest passende informatie ter vervanging van het nettometaalgewicht, en b) de volledige afwijzing van de gegevens van ECL voor de berekening van de dumpingmarge en de onderwerping van deze onderneming aan de residuele dumpingmarge van 19 %, berekend voor Jindal Saw in het onderzoek in 2015, voor een onderzoektijdvak van acht tot negen jaar geleden, bestraffend, onevenredig en discriminerend, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met verschillende bepalingen van artikel 18 van de antidumpingbasisverordening en bijlage II bij de antidumpingovereenkomst was, zoals hieronder wordt besproken. |
|
(182) |
ECL herhaalde dat er een alternatieve methode voor de berekeningen kan worden gebruikt en dat de Commissie niet alle door ECL verstrekte informatie mag afwijzen, maar dat zij gebruik moet maken van de beschikbare gegevens die redelijkerwijs in de plaats kunnen komen van de onjuiste informatie. ECL gaf nogmaals aan dat de Commissie gebruik zou kunnen maken van de lengte, het bruto- of kantagewicht, het CML-gewicht of het nominale metaalgewicht. |
|
(183) |
ECL was van mening dat de afwijzing van al haar gegevens en het gebruik van de dumpingmarge van 19 % zeer bestraffend waren. Volgens ECL heeft zij naar beste vermogen meegewerkt, veel meer dan wat normaal wordt gevraagd en verleend in het kader van een standaard antidumpingonderzoek. Bijgevolg heeft de Commissie volgens haar het evenredigheidsbeginsel geschonden. ECL heeft voorbeelden gegeven van onderzoeken waarbij de Commissie niet alle gegevens afwees, maar de informatie verving of de door de producent-exporteur verstrekte gegevens gebruikte. |
|
(184) |
De Commissie was van oordeel dat de opmerkingen van ECL geen aanvullend bewijsmateriaal bevatten dat tot een wijziging van haar conclusie zou kunnen leiden. De door ECL aangevoerde kwesties zijn door de Commissie reeds uitvoerig behandeld tijdens het onderzoek en in het algemene informatiedocument. Het argument met betrekking tot het gebruik van de passende “beschikbare gegevens” wordt behandeld in punt 4. |
3.5.1.7.
|
(185) |
ECL was van mening dat zij niet onverwijld in kennis was gesteld van het besluit van de Commissie en van de redenen om haar gegevens in hun geheel af te wijzen. Door haar niet onverwijld in kennis te stellen van de afwijzing van al haar gegevens en niet alleen van de kwantificering van het volume aan de hand van het nettometaalgewicht, en door ECL niet in de gelegenheid te stellen om dit punt nader toe te lichten, heeft de Commissie een kennelijke fout gemaakt bij de toepassing van artikel 18 en inbreuk gemaakt op artikel 18, lid 4, van de antidumpingverordening en punt 6 van bijlage II bij de antidumpingovereenkomst. Volgens ECL werd zij pas via het algemene informatiedocument op de hoogte gebracht van het besluit van de Commissie om al haar gegevens af te wijzen, en zelfs in het algemene informatiedocument werd niet uitgelegd waarom alle gegevens werden afgewezen. |
|
(186) |
ECL verwees naar de brief over artikel 18, waarin de Commissie volgens haar enkel voornemens was de kwantificering van het volume af te wijzen. Daarnaast verwees zij naar een panelverslag in de zaak “Mexico — Stalen pijpen”, waarin werd gesteld dat “het gebruik van de beschikbare gegevens geen algemene verklaring dat de beschikbare gegevens konden worden gebruikt vereiste, maar veeleer een bevestigende en rechtstreekse kennisgeving aan de betrokken partij dat in het concrete geval is besloten haar inlichtingen af te wijzen, met een motivering van dat besluit” (25). |
|
(187) |
De Commissie was het hier niet mee eens. Zij was van mening dat zij ECL overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de antidumpingbasisverordening in detail op de hoogte heeft gesteld van haar bevindingen en haar de gelegenheid heeft geboden nadere toelichtingen te verstrekken. Zoals uiteengezet in punt 3.4 achtte de Commissie deze verklaringen onbevredigend en verstrekte zij ook gedetailleerde redenen daarvoor. |
|
(188) |
De Commissie weersprak tevens dat de informatie die zij in de brief over artikel 18 verstrekte, een algemene verklaring was. Integendeel, de Commissie had de indiener van het verzoek al voor de verzending van de brief in kennis gesteld van de inconsistenties die zij had vastgesteld, terwijl de brief ook zeer gedetailleerde berekeningen en motiveringen bevatte. In de brief over artikel 18 stond duidelijk dat “de betrokken discrepanties twijfel doen rijzen over de betrouwbaarheid van de door ECL verstrekte gegevens” en dat de Commissie bijgevolg voornemens was de informatie over de kwantificering in volume van het gehele, door ECL geproduceerde en verkochte, onderzochte product af te wijzen. Het woord “voornemens” werd gebruikt omdat ECL en andere partijen nog steeds de mogelijkheid kregen opmerkingen te maken, waarna de Commissie een besluit zou nemen over de afwijzing. |
|
(189) |
Zoals in punt 3.2 uitvoerig is uiteengezet, wordt de kwantificering (waarde per eenheid) gebruikt om zowel de uitvoerprijs als de normale waarde vast te stellen. De Commissie bestreed dus dat in de brief over artikel 18 niet duidelijk werd vermeld dat alle gegevens konden worden afgewezen. |
3.5.2. Opmerkingen van de Indiase overheid
|
(190) |
Naast haar opmerkingen ter ondersteuning van het verzoek van ECL om intrekking verwees de Indiase overheid naar de bevindingen van de Commissie in het algemene informatiedocument. Zij verdedigde dat ECL correcte inlichtingen had verstrekt, dat de in het SAP-systeem van de onderneming geregistreerde inlichtingen juist waren en dat het residuele recht van 19 % niet op haar van toepassing mocht zijn. |
|
(191) |
De Commissie heeft akte genomen van deze opmerkingen. Volgens haar waren de door de Indiase overheid aan de orde gestelde kwesties al in het algemene informatiedocument behandeld. |
3.5.3. Opmerkingen van SG PAM
|
(192) |
SG PAM was van mening dat ECL een lange voorgeschiedenis had van onvoldoende medewerking aan handelsbeschermingsonderzoeken en verwees naar onderzoeken in 2020 en 2021 die werden beëindigd. |
|
(193) |
Volgens SG PAM betekende het onvermogen van ECL om onderbouwde inlichtingen te verstrekken over de werkelijke dikte van de cementmortelbekleding van de pijpen, dat de verschillen tussen de exportmarkt en de binnenlandse markt niet bestonden. Volgens haar was er geen reden waarom ECL de interne cementmortelbekleding van haar pijpen per markt zou moeten differentiëren. Zij voerde aan dat de minimale dikte van de cementmortelbekleding volgens de toepasselijke EU-normen 2,5 mm bedroeg (4 mm met een negatieve tolerantie van 1,5 mm). Daarom was zij het eens met de conclusies van de Commissie dat de door ECL in haar Indiase catalogus gerapporteerde dikte van 3,5 mm voor zowel de Unie- als de Indiase normen binnen de diktetolerantie viel. |
|
(194) |
Bovendien betwijfelde zij of het productieproces was gedifferentieerd naargelang van de markt van bestemming van het product, los van de vraag of er verschillende normen bestonden. Volgens haar zou ECL eenvoudigweg de volgens de Indiase normen geproduceerde pijpen kunnen heretiketteren en op de markt van de Unie verkopen binnen de toleranties van de EU-normen. |
|
(195) |
SG PAM was evenmin overtuigd door het argument van ECL dat zij het metaalgewicht van haar producten niet systematisch bewaakt en zich op ramingen baseert. Metaal is de belangrijkste kostenfactor voor pijpen en is een belangrijke factor voor de prestaties en de prijsstelling van producenten van pijpen van nodulair gietijzer. Zij was van mening dat het onvermogen om het metaalgewicht precies te controleren nog verrassender was omdat ECL op de markt van de Unie, waar zij actief is, in het bijzonder te maken heeft met overwegingen van hulpbronnen- en energie-efficiëntie, aangezien de actoren ernaar streven de ecologische voetafdruk van door de overheid gefinancierde projecten in overeenstemming met de Europese Green Deal tot een minimum te beperken. Volgens SG PAM heeft het gebruik van niet-geverifieerde standaardwaarden in de financiële administratie van ECL meer voeding gegeven aan de bestaande twijfels over de betrouwbaarheid van de gegevensset die ECL heeft gebruikt om de vragenlijst in te vullen. |
|
(196) |
SG PAM voerde verder aan dat de Commissie in het licht van de huidige bevindingen de eerdere antwoorden van ECL moet controleren, aangezien de Commissie dezelfde methode heeft gebruikt als in het huidige onderzoek en ECL ook gegevens in eerdere onderzoeken had kunnen manipuleren. |
|
(197) |
De Commissie bestreed dat de bevindingen van het huidige onderzoek de verificatie van gegevens van ECL of van andere partijen rechtvaardigden en dat de huidige bevindingen met terugwerkende kracht konden worden uitgebreid tot andere onderzoektijdvakken. De conclusies van dit onderzoek zijn gebaseerd op de gegevens die in het kader van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen zijn ingediend en die betrekking hebben op het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Daarom heeft de Commissie dit argument van de hand gewezen. |
|
(198) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft SG PAM de Commissie verzocht de invoer van ECL te registreren om de rechten met terugwerkende kracht te innen, aangezien zij van mening was dat ECL haar zendingen waarschijnlijk zou opschroeven om een aanzienlijke voorraad te vormen. Zij was van mening dat een dergelijke registratie in overeenstemming was met de recente praktijk van de Commissie. |
|
(199) |
De Commissie heeft het verzoek onderzocht. Zij was van mening dat uit geen enkel element in het dossier bleek dat de invoer aanzienlijk zou toenemen en dat er een aanzienlijk risico van een plotselinge instroom van invoer bestond. Zij wees het verzoek derhalve af. |
3.5.4. Opmerkingen van distributeurs
|
(200) |
De Commissie heeft ook opmerkingen ontvangen van distributeurs op de Uniemarkt van door ECL geproduceerde nodulaire pijpen: de ondernemingen Valdro, Fusion Pipeline Products Limited (“Fusion Pipeline Products”), CO.ME.CAR SRL, Deschacht, Idrovit SRL, Vodoskok d.d., en WAPPTech Ltd. |
|
(201) |
Alle ondernemingen benadrukten het belang van de aanwezigheid van ECL op de markt van de Unie en hun economische afhankelijkheid van haar activiteiten. |
|
(202) |
Valdro was van mening dat er zonder ECL op de markt geen mededinging zou bestaan en dat ECL zich niet schuldig heeft gemaakt aan marktverstorende praktijken. Voorts vermeldde zij dat haar belangrijkste bedrijfsactiviteit de verkoop van nodulaire pijpen was, die het grootste deel van de inkomsten van de onderneming vertegenwoordigden, en dat sluiting van de onderneming zou leiden tot banenverlies. |
|
(203) |
Fusion Pipeline Products vermeldde ook dat een aanzienlijk deel van haar activiteiten afhankelijk was van ECL en dat de Commissie een besluit moest nemen dat de mededinging op de markt van de Unie zou behouden en monopolies zou vermijden. |
|
(204) |
Deschacht voerde onder meer aan dat SG PAM exclusieveafnamevereisten oplegde en weigerde aan haar te verkopen. Zij benadrukte het belang van een concurrerende alternatieve bevoorradingsbron op de Belgische markt. Volgens haar had SG PAM geen concurrenten, verhoogde zij de prijzen zodanig dat de distributeurs niet konden verkopen en de aannemers en waterbedrijven werden gegijzeld en onredelijk hoge prijzen moesten betalen, die van invloed waren op de projecten en de Belgische en Europese consumenten en de economische actoren op de markt benadeelden. Daarom moet volgens haar het huidige recht dat op ECL wordt toegepast, niet worden verhoogd. |
|
(205) |
IBECO AB vond het belangrijk dat ECL op de markt van de Unie zou blijven. Zij vermeldde dat Saint Gobain op de markt in Scandinavië via haar distributeur de dienst uitmaakte, van productie tot groothandel. |
|
(206) |
De Commissie heeft ook opmerkingen ontvangen van ANCO Sardegna, een regionale afdeling van de Italiaanse vereniging van bouwondernemingen. Zij was van mening dat er een ernstig mededingingsprobleem op de EU-markt voor pijpen van nodulair gietijzer zou ontstaan indien deze Indiase producent als gevolg van het nieuwe onderzoek niet in staat zou zijn in de EU te verkopen, hetgeen negatieve gevolgen zou hebben voor veel ondernemingen. |
|
(207) |
Hoewel de opmerkingen van de distributeurs niet onderbouwd waren, werden zij door de Commissie onderzocht. |
3.5.5. Conclusie
|
(208) |
De Commissie heeft alle argumenten van de partijen en het bewijsmateriaal in het dossier in detail onderzocht. Zij bleef bij haar standpunt dat ECL in de zin van artikel 18, lid 1, tweede alinea, van de basisantidumpingverordening misleidende of onjuiste inlichtingen had verstrekt om het voor de berekening van haar dumpingmarge te gebruiken nettometaalgewicht te laag te schatten, teneinde deze marge te verlagen. Daarom konden de gegevens niet worden gebruikt als basis voor de berekening van een nieuwe dumpingmarge voor de onderneming. Zoals uiteengezet in punt 3, konden de door ECL voorgestelde alternatieve gegevens evenmin worden gebruikt. |
|
(209) |
Gezien het bovenstaande had de Commissie geen andere mogelijkheid dan de door ECL verstrekte inlichtingen in hun geheel buiten beschouwing te laten en gebruik te maken van de beschikbare gegevens om met betrekking tot ECL haar definitieve bevindingen inzake de dumping te formuleren. |
3.6. Beschikbare gegevens
|
(210) |
Bij gebrek aan gegevens in het dossier voor de berekening van de dumpingmarge heeft de Commissie getracht de meest geschikte informatie te vinden die in het onderhavige geval beschikbaar was. In dit verband kon het volgens de Commissie passend zijn om de hoogste dumpingmarge uit het oorspronkelijke onderzoek van 19 % toe te passen, omdat deze in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek werd berekend op basis van de gegevens van een medewerkende producent-exporteur die aanzienlijke hoeveelheden producten van een soortgelijk type als die van ECL naar de Unie uitvoerde. |
|
(211) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde ECL aan dat de toepassing van een dumpingmarge van 19 % bestraffend was en niet in overeenstemming was met artikel 18, lid 5, van de antidumpingbasisverordening. Zij was van mening dat de beschikbare gegevens de “meest geschikte” of “meest passende” beschikbare gegevens in het onderhavige geval moesten zijn, hetgeen een vergelijkende beoordeling vereiste, en dat er een “logisch verband” moet bestaan tussen de vervangende feiten en de in het dossier opgenomen feiten. |
|
(212) |
Op basis hiervan voerde ECL aan dat de toepassing van een dumpingmarge van 19 %, die bijna acht jaar geleden voor een andere producent-exporteur was berekend, in de huidige context zeker niet het meest geschikte of passende feit was en dat die toepassing geen logisch verband hield met de situatie van ECL. Zij wees erop dat de dumpingmarge van ECL in het oorspronkelijke onderzoek slechts 4,1 % bedroeg, terwijl voor Jindal Saw een dumpingmarge van 19 % werd berekend. |
|
(213) |
ECL voerde bovendien aan dat in het onderhavige geval uit de door de Commissie ingediende en gecontroleerde gegevens bleek dat de verkoopprijzen in de Unie aanzienlijk hoger waren dan de kosten die ECL maakt voor de productie en de binnenlandse verkoop. ECL betoogde dat zij haar prijzen en kosten controleerde om zich ervan te vergewissen dat er geen sprake was van dumping. Een berekening van de dumpingmarge op basis van de eigen gegevens van ECL, waarbij gebruik werd gemaakt van de door ECL voorgestelde kwantitatieve alternatieven, kon dus nooit resulteren in een dumpingmarge van 19 %. |
|
(214) |
Daarom gaf ECL aan dat het gebruik van de dumpingmarge van 19 % van Jindal Saw kennelijk ongeschikt en bestraffend was. ECL voerde verder aan dat, indien de Commissie het verzoek om intrekking of de argumenten met betrekking tot de beschikbare gegevens niet zou aanvaarden, zij gebruik kon maken van de vaststellingen van het in 2020 afgesloten nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, die recenter waren dan de gegevens van het oorspronkelijke onderzoek en waarin de Commissie een dumpingmarge van 12 % heeft berekend. |
|
(215) |
De Commissie heeft haar voorstel om voor de beschikbare gegevens de residuele dumpingmarge van het oorspronkelijke onderzoek te gebruiken, opnieuw beoordeeld. Zij was van oordeel dat het verzoek van ECL om haar bevindingen op recentere beschikbare gegevens te baseren, gerechtvaardigd was. Het oorspronkelijke onderzoektijdvak liep van 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2014, dus de gegevens waren meer dan acht jaar oud. |
|
(216) |
Bovendien was de Commissie van oordeel dat de in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen vastgestelde marge slechts indicatief was en voornamelijk werd gebruikt om vast te stellen of de producenten-exporteurs in het TNO in verband met het vervallen van de maatregelen nog steeds tegen dumpingprijzen uitvoerden, tegen een achtergrond waarin de producenten-exporteurs in het geheel niet meewerkten. Bovendien vormden de statistische uitvoerprijzen niet noodzakelijkerwijs prijzen voor onafhankelijke afnemers, aangezien de grote meerderheid van de niet-medewerkende producenten-exporteurs verkocht via verbonden importeurs in de Unie. |
|
(217) |
Gezien het bovenstaande heeft de Commissie besloten de statistieken die precies het TNO van het onderhavige onderzoek weerspiegelen, als beschikbare gegevens te gebruiken. Bijgevolg heeft de Commissie de uitvoerprijs gebruikt die was gerapporteerd in de databank op grond van artikel 14, lid 6 (26), welke prijs uitsluitend betrekking had op de verkoop van ECL in het huidige TNO. Vervolgens bracht de Commissie de prijs naar het niveau af fabriek en corrigeerde deze voor het feit dat de prijzen meestal tussen verbonden partijen werden gerekend. |
|
(218) |
Bovendien heeft de Commissie bij gebrek aan recentere en betrouwbaardere gegevens, de normale waarde vastgesteld op basis van de gegevens die de bedrijfstak van de Unie had verstrekt in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Deze waarde werd vastgesteld op basis van de aangeboden, overeengekomen en betaalde prijzen voor meerdere hoeveelheden, diameters en soorten van het betrokken product in verschillende staten en gemeenten. Aangezien de normale waarde was gebaseerd op gegevens over 2020, heeft de Commissie een correctie aangebracht op de normale waarde die door de bedrijfstak in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen was vastgesteld voor de inflatie tussen het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en het huidige tijdvak van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek. |
|
(219) |
De Commissie heeft een vergelijking gemaakt tussen de op basis van de statistische gegevens in het TNO vastgestelde uitvoerprijs, die is gecorrigeerd zoals hierboven beschreven, en de normale waarde die is vastgesteld in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, zoals vastgesteld door de bedrijfstak van de Unie, gecorrigeerd voor inflatie. |
|
(220) |
Op basis hiervan heeft de Commissie de dumpingmarge vastgesteld op 12,89 %. |
|
(221) |
Na de tweede mededeling van de bevindingen met betrekking tot het gebruik van beschikbare gegevens (punt 3.6) heeft ECL opmerkingen gemaakt over de methode die de Commissie heeft gebruikt om de normale waarde aan te passen voor inflatie. Zij voerde aan dat de Commissie haar berekening van de inflatie zou moeten baseren op de consumentenprijsindex (“CPI”) in plaats van op een procentuele stijging van de inflatie, zoals de Commissie voorstelt. |
|
(222) |
De Commissie heeft de berekeningen geëvalueerd. Zij was het ermee eens dat het gebruik van de CPI-index een juistere methode is. De normale waarde voor 2020 in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen was echter gebaseerd op de prijzen tussen december 2019 en maart 2020 en niet op het gehele jaar 2020, zoals ECL in haar berekening heeft gebruikt. Op basis hiervan bedroeg de nieuwe dumpingmarge voor ECL 13,14 %. |
|
(223) |
De Indiase overheid voerde aan dat de termijn om opmerkingen in te dienen over de nieuwe grondslag voor de beschikbare gegevens te kort was. Zij stelde ook vast dat de opmerkingen die zij na de eerste mededeling van de bevindingen had gemaakt, niet waren behandeld. Daarnaast voerde zij aan dat de inflatiecorrectie niet juridisch was onderbouwd en een misleidend resultaat opleverde. |
|
(224) |
De Commissie achtte de termijn (van twee dagen) voor het indienen van opmerkingen over de nieuwe grondslag voor de beschikbare gegevens voldoende, aangezien deze slechts betrekking had op het gebruik van beschikbare gegevens zoals beschreven in punt 3.6. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(225) |
De Commissie heeft ook verduidelijkt dat zij alle opmerkingen van de partijen heeft behandeld, met inbegrip van die van de Indiase overheid. Aangezien de Commissie echter alleen het gewijzigde deel van haar conclusie openbaar heeft gemaakt, bevatte de nieuwe mededeling van feiten en overwegingen geen beoordeling van reeds behandelde opmerkingen, noch van opmerkingen die geen verband hielden met de uiteindelijk gebruikte beschikbare gegevens. |
|
(226) |
Over het betoog inzake inflatie merkte de Commissie op dat de Indiase overheid niet heeft onderbouwd waarom de inflatiecorrectie juridisch niet gerechtvaardigd was en evenmin waarom deze een misleidend resultaat heeft opgeleverd. Integendeel, de inflatiecorrectie van de normale waarde, die oorspronkelijk in 2020 was vastgesteld, leidt tot coherente en dus nauwkeurige bevindingen voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De Commissie achtte het argument derhalve ongegrond. |
|
(227) |
Na de tweede mededeling van de nieuwe grondslag voor de beschikbare gegevens was SG PAM het niet eens met de door de Commissie gekozen beschikbare gegevens. Zij stelde vast dat de Commissie een uiterst en onnodig restrictieve beoordeling had gemaakt van wat al dan niet als beschikbare gegevens kan worden gebruikt, die verder ging dan de bestaande vereisten en tot discriminatie tussen exporteurs leidde. Zij verwees met name naar de formulering in artikel 18, leden 1 en 6, van de antidumpingbasisverordening, volgens welke de beschikbare gegevens “minder gunstig” kunnen zijn voor de partij die geen medewerking heeft verleend of die misleidende informatie heeft verstrekt. Het “minder gunstige” resultaat was volgens SG PAM het rechtstreekse en normale gevolg van de niet-medewerking van die partij, en zou geen bestraffend oogmerk hebben, ook al zou dat oogmerk duidelijk gerechtvaardigd zijn indien een partij de gegevens opzettelijk zou manipuleren. SG PAM was voorts van mening dat in de antidumpingbasisverordening geen eisen werden gesteld aan de vraag hoe “minder gunstig” de resultaten al dan niet konden zijn, noch aan wat dergelijke “beschikbare gegevens” zouden moeten zijn. Volgens haar had de Commissie bij de keuze van de beschikbare gegevens een beoordelingsmarge die niet tot een gunstiger resultaat voor de niet-medewerkende partij zou mogen leiden. Anders zou het effect van de handelsbeschermingsmaatregelen van de Unie worden ondermijnd. Daarom was SG PAM van mening dat de Commissie ECL geen preferentiële behandeling mocht verlenen ten opzichte van andere niet-medewerkende ondernemingen en voerde zij aan dat het gebruik van de residuele marge van het oorspronkelijke onderzoek gerechtvaardigd was. Ook al was de dumpingmarge voor andere medewerkende en niet-medewerkende exporteurs gebaseerd op gegevens die nu acht jaar oud waren, had de Commissie die marge kunnen gebruiken aangezien zij ook voor niet-medewerkende producenten-exporteurs werd gebruikt. |
|
(228) |
De Commissie heeft de opmerkingen van SG PAM over het gebruik van de beschikbare gegevens onderzocht. Zoals uiteengezet in overweging 215 liep het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek van 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2014. Daarom achtte de Commissie het passend haar bevindingen te baseren op recentere beschikbare gegevens dan reeds acht jaar oude gegevens. Bovendien was de veronderstelling bij deze opmerking volgens de Commissie om twee redenen onjuist. Ten eerste heeft artikel 18, lid 6, van de antidumpingbasisverordening niet tot doel niet-medewerking te bestraffen, maar erop te wijzen dat dit een minder gunstig resultaat tot gevolg “kan” hebben dan volledige medewerking. Ten tweede kan niet worden vastgesteld of de gebruikte beschikbare gegevens hebben geleid tot een resultaat dat al of niet gunstiger is voor ECL dan wanneer zij haar volledige medewerking had verleend. ECL heeft niet volledig meegewerkt aan het onderzoek en daarom is er geen benchmark die een dergelijke vaststelling mogelijk maakt. Het argument is daarom van de hand gewezen. |
|
(229) |
SG PAM voerde ook aan dat de normale waarde in het oorspronkelijke onderzoek uitsluitend was gebaseerd op de winstgevende verkoop of de door berekening vastgestelde normale waarde. In dergelijke gevallen was de normale waarde of de door berekening vastgestelde normale waarde die voor de vergelijking werd gebruikt, doorgaans hoger dan de binnenlandse verkoopprijzen. In haar geactualiseerde dumpingberekening heeft de Commissie zich echter gebaseerd op de prijzen die op de markt zijn gerapporteerd, en niets garandeert dat deze prijzen winstgevend zijn. Bij gebrek aan betrouwbare informatie van ECL over de kosten moet de Commissie ervan uitgaan dat er nog steeds niet-winstgevende verkopen op de Indiase binnenlandse markt plaatsvinden. In plaats van gebruik te maken van een normale waarde op basis van de gemiddelde verkoopprijs van Indiase producenten, zoals vermeld in het verzoek, mag de Commissie derhalve alleen rekening houden met de hogere opgegeven verkoopprijzen, aangezien het minder waarschijnlijk is dat die niet-winstgevend en derhalve ongeschikt zijn voor een dumpingberekening. |
|
(230) |
De Commissie herinnerde eraan dat de normale waarde in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen door de bedrijfstak van de Unie zelf is vastgesteld. De normale waarde was volgens de bedrijfstak gebaseerd op een groot aantal prijsoffertes en vertegenwoordigde derhalve een gemiddelde van de prijzen in het onderzoektijdvak. Uitgaan van de hoogste prijzen, met de aanname dat de (relatief) lagere prijzen waarschijnlijk niet winstgevend zouden zijn, zou louter speculatief zijn. Bovendien werd het prijsbereik geschikt geacht om de normale waarde in het tijdvak van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen vast te stellen, en de Commissie had ook geen reden om slechts een aantal ervan te selecteren. Zij achtte dit betoog derhalve ongegrond. |
|
(231) |
SG PAM voerde verder aan dat de dumpingmarge niet mag worden verlaagd met het niveau van de uitvoersubsidiemarge van het oorspronkelijke onderzoek, aangezien de Commissie in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen zelf heeft vastgesteld dat het niveau van de uitvoersubsidie in India is gedaald. SG PAM stelde vast dat de aftrek wel gerechtvaardigd was geweest indien de Commissie het residuele recht van het oorspronkelijke onderzoek gebruikte, maar niet in haar nieuwe aanpak, omdat de bevindingen betrekking hadden op een periode waarin ECL minder subsidie ontving. SG PAM verwees naar terugbetalingsonderzoeken met betrekking tot ECL, waarbij de Commissie besloot het verschil tussen de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde compenserende marge en de hoogte van de subsidie in de onderzoektijdvakken aan de partijen terug te betalen, op grond van bewijs dat ECL minder subsidie ontving dan in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld. Daarom, en bij gebrek aan betrouwbare informatie over het niveau van de uitvoersubsidie, was SG PAM van mening dat de Commissie de dumpingmarge niet met enige uitvoersubsidiemarge moet verlagen, of er ten minste voor moet zorgen dat de verlaging van de dumpingmarge niet hoger is dan de werkelijk ontvangen uitvoersubsidie. |
|
(232) |
De Commissie was het niet eens met het argument. Aangezien het huidige nieuwe onderzoek beperkt was tot een herbeoordeling van de dumpingmarge, was er geen aanleiding om in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de hoogte van de uitvoersubsidie opnieuw vast te stellen. Zelfs indien in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en in het terugbetalingsonderzoek werd vastgesteld dat de uitvoersubsidie daalde, bleef voor ECL nog steeds een compenserend recht van 9 % van toepassing. Indien de Commissie geen of minder exportsubsidie van de antidumpingmarge zou aftrekken, zou dus evenmin de (overeenkomstige) compenserende marge (van 9 % van het compenserend recht) aan de onderneming worden opgelegd. Daarom zou het effect op de gecombineerde marge voor ECL nul zijn. De methode (om de uitvoersubsidie in mindering te brengen) was ook in overeenstemming met de methode die de Commissie in het terugbetalingsonderzoek heeft gebruikt. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
4. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(233) |
Zoals vastgesteld in punt 3, heeft de Commissie voor ECL een nieuwe dumpingmarge van 13,1 % vastgesteld. Zoals uiteengezet in overweging 4, heeft de Commissie na een afzonderlijk antisubsidieonderzoek een compenserend recht van 9 % voor ECL ingesteld, waarvan 6,04 % was gebaseerd op een uitvoerafhankelijke subsidie. In overeenstemming met de werkwijze uit het oorspronkelijke onderzoek heeft de Commissie de dumpingmarge verlaagd met de subsidiebedragen die zijn vastgesteld in verband met de uitvoerafhankelijke regelingen in het afzonderlijke antisubsidieonderzoek. Op basis van het bovenstaande is het percentage van deze rechten als volgt vastgesteld:
|
|
(234) |
Alle belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond om handhaving van de bestaande maatregelen aan te bevelen. Ook konden zij hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. |
|
(235) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/926 wordt vervangen door:
“2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, is als volgt:
|
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Jindal Saw Limited |
3,0 |
C054 |
|
Electrosteel Castings Ltd |
7 |
C055 |
|
Alle andere ondernemingen |
14,1 |
C999 ” |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 22 november 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/388 van de Commissie van 17 maart 2016 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India (PB L 73 van 18.3.2016, blz. 53).
(3) De oorspronkelijke verordening is gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1369 van de Commissie van 11 augustus 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/388 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India (PB L 217 van 12.8.2016, blz. 4).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/387 van de Commissie van 17 maart 2016 tot instelling van een definitief compenserend recht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India (PB L 73 van 18.3.2016, blz. 1).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/926 van de Commissie van 15 juni 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 161 van 16.6.2022, blz. 1).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/927 van de Commissie van 15 juni 2022 tot instelling van een definitief compenserend recht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 161 van 16.6.2022, blz. 28).
(7) Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55).
(8) PB C 363 van 22.9.2022, blz. 9.
(9) Dit is het door de indiener van het verzoek gebruikte boekhoudsysteem.
(10) Zie toelichting 61 op bladzijde 271 van het jaarverslag van ECL over het boekjaar 2020/2021.
(11) “K” geeft een drukklasse aan op basis van de Indiase binnenlandse normen die van toepassing zijn op het onderzochte product. Hoe hoger het getal, hoe hoger de druk waartegen het product bestand is.
(12) Het type coating hangt af van de corrosiviteit van de bodem. De meest voorkomende soorten zijn zinkmetaallegeringen of zink-aluminiummetaallegeringen. De dikte van de coating op de Indiase binnenlandse markt varieerde van 130 tot 200 gram/m2, terwijl deze voor de uitvoer naar de Unie varieerde van 200 tot 400 gram/m2.
(13) Het nominale gewicht is een standaard theoretisch gewicht van een pijp, berekend op basis van de afmetingen en het aandeel cement en metaal.
(14) Afhankelijk van de diameter van de pijp varieert het aandeel verwerkt staal tussen 80 en 90 % van het totale gewicht van de pijp terwijl het aandeel cement varieert tussen 10 en 20 % van het totale gewicht van de pijp.
(15) Als de gemiddelde kostprijs wordt berekend op basis van het metaalgehalte, leidt een verschil van 10 % van het metaalgehalte in een verkochte pijp bijvoorbeeld tot een verschil van 12,5 % van de normale waarde.
(16) Neem bijvoorbeeld een pijp die voor 100 EUR wordt verkocht. Afhankelijk van de hoeveelheid metaal die als noemer wordt gebruikt, ontstaan verschillende gemiddelde uitvoerprijzen. Als de waarde van 100 EUR wordt gedeeld door 50 kg, is het resultaat 2 EUR/kg. Als het metaalgehalte 60 kg is, bedraagt de gemiddelde uitvoerprijs 1,81 EUR/kg.
(17) Het CML-gewicht van de in het binnenland verkochte producten werd door ECL verstrekt nadat de Commissie de gewichtsverschillen had geanalyseerd.
(18) Het procentuele verschil wordt uitgedrukt in verhouding tot het nettometaalgewicht.
(19) Wanneer de Commissie verwijst naar bijna identieke productsoorten, bedoelt zij een pijp met dezelfde buiten-/binnendiameter die is geproduceerd volgens dezelfde norm. Het enige verschil betrof de coating.
(20) Behalve de coating waren de pijpen identiek.
(21) Met maximaal [0-10] procentpunten voor bepaalde productsoorten.
(22) Alfanumerieke codes die aan het begin van het onderzoek aan elke productsoort van het betrokken product worden toegekend.
(23) Volgens ECL is de vrijgave van de productielast een document dat het productievolume bevat en gedetailleerde gegevens op basis waarvan de productie plaatsvindt.
(24) Het CML-gewicht voor de binnenlandse verkoop werd verstrekt na de analyse van het gewichtsverschil door de Commissie.
(25) Panelverslag, Mexico — Stalen pijpen en buizen, punt 7.188.
(26) Van de antidumpingbasisverordening.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2605/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)