|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
66e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG ( 1 ) |
|
|
|
* |
||
|
|
|
RICHTLIJNEN |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
28.7.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/1 |
VERORDENING (EU) 2023/1542 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 12 juli 2023
inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 192, lid 1, met betrekking tot de artikelen 54 tot en met 76 van deze verordening,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”) is de groeistrategie van Europa die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Een verschuiving van het gebruik van fossiele brandstoffen in voertuigen naar elektromobiliteit is een van de voorwaarden om tussen nu en 2050 klimaatneutraliteit te kunnen bereiken. Teneinde ervoor te zorgen dat het productbeleid van de Unie bijdraagt aan het wereldwijd verlagen van de koolstofemissies, moet erop worden toegezien dat in de Unie op de markt gebrachte en verkochte producten op duurzame wijze worden verkregen en gefabriceerd. |
|
(2) |
Batterijen zijn een belangrijke bron van energie en een van de essentiële middelen die duurzame ontwikkeling, groene mobiliteit, schone energie en klimaatneutraliteit mogelijk maken. De verwachting is dat de vraag naar batterijen de komende jaren snel zal toenemen, met name voor elektrische wegvoertuigen en lichte vervoermiddelen die voor hun aandrijving gebruikmaken van tractiebatterijen, waardoor de markt voor batterijen op mondiaal niveau aan strategisch belang wint. De aanzienlijke wetenschappelijke en technische vooruitgang op het gebied van batterijtechnologie zal worden voortgezet. Gezien het strategische belang van batterijen is het, om alle betrokken marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden en discriminatie, handelsbelemmeringen en verstoringen op de batterijmarkt te voorkomen, noodzakelijk om regels op te stellen over de duurzaamheid, de prestaties, de veiligheid, de inzameling en de recycling van, en een tweede leven voor, batterijen, alsook regels over informatie over batterijen voor eindgebruikers en marktdeelnemers. Het is noodzakelijk een geharmoniseerd regelgevingskader te creëren voor de gehele levenscyclus van batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht. |
|
(3) |
Tevens is het noodzakelijk het Unierecht betreffende het beheer van afgedankte batterijen te actualiseren en maatregelen te nemen om het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen door de nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afval te voorkomen of te verminderen, de impact van het gebruik van hulpbronnen te verminderen en de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren. Die maatregelen zijn van cruciaal belang voor de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie en een gifvrij milieu, en voor het concurrentievermogen en de strategische autonomie van de Unie op lange termijn. Ze kunnen belangrijke economische kansen creëren door de synergieën tussen de circulaire economie en het beleid op het gebied van energie, klimaat, vervoer, industrie en onderzoek te vergroten, het milieu te beschermen en de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. |
|
(4) |
Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft geleid tot betere milieuprestaties van batterijen en enige gemeenschappelijke regels en verplichtingen voor marktdeelnemers, met name door middel van geharmoniseerde regels voor het gehalte aan zware metalen en de etikettering van batterijen en regels en doelstellingen voor het beheer van alle afgedankte batterijen, op basis van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. |
|
(5) |
De in 2019 ingediende verslagen van de Commissie over de uitvoering, het effect en de evaluatie van Richtlijn 2006/66/EG brachten niet alleen de resultaten, maar ook de beperkingen van die richtlijn aan het licht, met name tegen de achtergrond van een fundamenteel gewijzigde context die wordt gekenmerkt door het strategische belang van batterijen en het toegenomen gebruik ervan. |
|
(6) |
De mededeling van de Commissie van 17 mei 2018 getiteld “Europa in beweging — Duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, geconnecteerd en schoon” omvat het strategisch actieplan voor batterijen. Dat actieplan voorziet in maatregelen ter ondersteuning van de inspanningen om in Europa een waardeketen voor batterijen op te bouwen, die de winning, de duurzame levering en verwerking van grondstoffen, duurzame materialen voor batterijen, de fabricage van cellen alsook hergebruik en recycling van batterijen omvat. |
|
(7) |
In de Europese Green Deal heeft de Commissie bevestigd dat zij vastbesloten is het strategisch actieplan voor batterijen uit te voeren en verklaard dat zij wetgeving zou voorstellen voor een veilige, circulaire en duurzame waardeketen voor alle batterijen, ook om de groeiende markt voor elektrische voertuigen te bevoorraden. |
|
(8) |
In zijn conclusies van 4 oktober 2019 over “Meer circulariteit — Transitie naar een duurzame samenleving” heeft de Raad onder meer opgeroepen tot een coherent beleid ter ondersteuning van de ontwikkeling van technologieën die de duurzaamheid en de circulariteit van batterijen verbeteren om de overgang naar elektromobiliteit te begeleiden. Voorts riep de Raad op tot een dringende herziening van Richtlijn 2006/66/EG, waarbij ook naar de daarin bedoelde batterijmaterialen wordt gekeken en waarin met name specifieke vereisten voor lithium en kobalt moeten worden overwogen, alsook een mechanisme dat het mogelijk maakt de richtlijn aan te passen aan toekomstige veranderingen in de batterijtechnologie. |
|
(9) |
In de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 over “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” staat dat in het voorstel voor een nieuw regelgevingskader voor batterijen regels met betrekking tot gerecycled materiaal en maatregelen ter verbetering van de inzamelings- en recyclingpercentages van alle batterijen zullen worden overwogen, om de terugwinning van waardevolle materialen te waarborgen en de consument een leidraad te bieden; ook zal worden bezien of het gebruik van niet-oplaadbare batterijen kan worden afgebouwd wanneer er alternatieven voorhanden zijn. Voorts wordt gesteld dat de eisen inzake duurzaamheid en transparantie in acht zullen worden genomen, waarbij rekening zal worden gehouden met de koolstofvoetafdruk van de batterijfabricage, de ethische winning van grondstoffen en de voorzieningszekerheid, om het hergebruik, de herbestemming en de recycling van batterijen te vergemakkelijken. |
|
(10) |
Om de volledige levenscyclus te bestrijken van alle batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten geharmoniseerde productvereisten en handelsvoorschriften worden vastgesteld, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures, alsook voorschriften om de eindfase van de levenscyclus van batterijen volledig aan te pakken. Voorschriften voor de eindfase van de levenscyclus zijn nodig om de milieugevolgen van de batterijen aan te pakken en met name om de totstandbrenging van recyclingmarkten voor batterijen en markten voor secundaire grondstoffen uit afgedankte batterijen te ondersteunen. Om in één rechtsinstrument de beoogde doelstellingen inzake het aanpakken van de gehele levenscyclus van een batterij te bereiken en tegelijk handelsbelemmeringen en concurrentieverstoringen te vermijden en de integriteit van de interne markt te waarborgen, moeten de regels waarin de eisen voor batterijen worden vastgelegd, voor alle marktdeelnemers in de hele Unie eenvormig worden toegepast en mogen ze geen ruimte laten voor een uiteenlopende uitvoering door de lidstaten. Richtlijn 2006/66/EG moet daarom worden vervangen door een verordening. |
|
(11) |
Deze verordening moet van toepassing zijn op alle categorieën batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, ongeacht of zij in de Unie zijn geproduceerd of zijn ingevoerd. Ze moet van toepassing zijn ongeacht of een batterij is ingebouwd in apparaten, in lichte vervoermiddelen of in andere voertuigen of anderszins aan producten is toegevoegd, dan wel of een batterij afzonderlijk in de Unie in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen. Deze verordening moet van toepassing zijn ongeacht of een batterij specifiek voor een product is ontworpen of algemeen gebruikt wordt en ongeacht of zij in een product is verwerkt of samen met of afzonderlijk van een product wordt geleverd waarin de batterij gebruikt zal worden. Het in de handel brengen wordt geacht plaats te vinden wanneer de batterij voor het eerst op de markt van de Unie is aangeboden, doordat ze door de fabrikant of importeur is geleverd voor distributie, consumptie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling. Batterijen die vóór de datum van toepassing van de desbetreffende voorschriften van deze verordening in de Unie in voorraad zijn genomen door distributeurs, waaronder detailhandelaars, groothandelaars en verkoopafdelingen van fabrikanten, hoeven dus niet aan die voorschriften te voldoen. |
|
(12) |
Deze verordening moet nadelige effecten van batterijen voor het milieu voorkomen en verminderen, en zorgen voor een veilige en duurzame batterijwaardeketen voor alle batterijen, rekening houdend met bijvoorbeeld de koolstofvoetafdruk van de batterijfabricage, de ethische winning van grondstoffen en de voorzieningszekerheid, en het vergemakkelijken van hergebruik, herbestemming en recycling. Met deze verordening moet worden gestreefd naar betere milieuprestaties van batterijen en van de activiteiten van alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de levenscyclus van batterijen, zoals producenten, distributeurs en eindgebruikers, en met name die marktdeelnemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking en recycling van afgedankte batterijen. Dergelijke maatregelen zullen helpen te zorgen voor de overgang naar een circulaire economie en het concurrentievermogen van de Unie op lange termijn en moeten bijdragen tot de efficiënte werking van de interne markt, met inachtneming van een hoog niveau van milieubescherming. Deze verordening moet er ook op gericht zijn de nadelige effecten van het genereren en het beheer van afgedankte batterijen op de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen en te verminderen, het gebruik van hulpbronnen te doen afnemen en de praktische toepassing van de afvalhiërarchie te bevorderen. Ter voorkoming van verschillen die het vrije verkeer van batterijen belemmeren, door in de gehele interne markt eenvormige verplichtingen en vereisten vast te stellen, is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bijgevolg de passende rechtsgrondslag voor deze verordening. Voor zover deze verordening specifieke regels voor het beheer van afgedankte batterijen bevat, is de passende rechtsgrondslag, wat die specifieke regels betreft, artikel 192, lid 1, VWEU. |
|
(13) |
Voor producten die in de handel worden gebracht als batterijpakken, d.w.z. batterijen of groepen cellen die onderling zijn verbonden of voorzien zijn van een buitenverpakking zodat ze één volledige, gebruiksklare eenheid voor eindgebruikers of in toepassingen vormen en niet zijn bedoeld om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend en die voldoen aan de definitie van batterijen, of voor batterijcellen die voldoen aan de definitie van batterijen, moeten de voorschriften gelden die van toepassing zijn op batterijen. |
|
(14) |
Batterijen die met een “doe-het-zelf-kit” met algemeen beschikbare gereedschappen door de eindgebruiker gebruiksklaar kunnen worden gemaakt, moeten voor de toepassing van deze verordening als batterijen worden beschouwd. De marktdeelnemer die dergelijke kits in de handel brengt, moet onder deze verordening vallen. |
|
(15) |
Binnen het ruime toepassingsgebied van deze verordening is het passend een onderscheid te maken tussen verschillende categorieën batterijen naargelang het ontwerp en het gebruik ervan, los van de chemische samenstelling van de batterijen. De indeling in draagbare batterijen enerzijds en industriële batterijen en autobatterijen anderzijds uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG moet verder worden ontwikkeld om beter aan te sluiten bij nieuwe ontwikkelingen in het gebruik van batterijen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van elektrische voertuigen en die uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG onder de categorie industriële batterijen vallen, vormen een groot en groeiend deel van de markt door de snelle toename van het aantal elektrische wegvoertuigen. Het is daarom passend om batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van wegvoertuigen in te delen als een nieuwe afzonderlijke categorie van batterijen voor elektrische voertuigen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van lichte vervoermiddelen, zoals e-bikes en e-scooters, waren niet als een afzonderlijke categorie batterijen ingedeeld onder Richtlijn 2006/66/EG. Dergelijke batterijen maken vanwege het toenemende gebruik ervan in duurzame stedelijke vervoermiddelen evenwel een aanzienlijk deel van de markt uit. Het is daarom passend die batterijen in te delen als een nieuwe afzonderlijke categorie batterijen, namelijk batterijen voor lichte vervoermiddelen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van andere vervoermiddelen, onder meer voor het spoorvervoer, de scheepvaart en de luchtvaart of voor niet voor de weg bestemde machines, blijven onder de categorie van de industriële batterijen uit hoofde van deze verordening vallen. De categorie industriële batterijen behoort tot een grote groep batterijen die bedoeld zijn voor gebruik tijdens industriële activiteiten, in communicatie-infrastructuur, bij landbouwactiviteiten of voor de opwekking en distributie van elektrische energie. Batterijen die na een voorbereiding voor herbestemming of na een herbestemming een industriële bestemming krijgen, hoewel zij oorspronkelijk voor een ander gebruik waren ontworpen, moeten als industriële batterijen uit hoofde van deze verordening worden beschouwd. Naast die niet-uitputtende lijst met voorbeelden moeten alle batterijen die meer dan 5 kg wegen en die uit hoofde van deze verordening niet onder enige andere categorie vallen, worden beschouwd als industriële batterijen. Batterijen voor de opslag van energie in particuliere of huiselijke omgevingen moeten voor de toepassing van deze verordening als industriële batterijen worden beschouwd. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van voertuigen op wielen die als speelgoed in de zin van Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) worden beschouwd, mogen voor de toepassing van deze verordening niet worden aangemerkt als batterijen voor lichte vervoermiddelen, maar moeten als draagbare batterijen worden beschouwd. |
|
(16) |
Na voor het eerst in de Unie in de handel te zijn gebracht of in gebruik genomen, kan een batterij worden onderworpen aan hergebruik, herbestemming, herfabricage, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming. Conform het Uniekader voor productregulering moet voor de toepassing van deze verordening een gebruikte batterij, dat wil zeggen een batterij die aan hergebruik werd onderworpen, worden geacht reeds in de handel te zijn gebracht toen zij voor het eerst voor gebruik of distributie op de markt werd aangeboden. Omgekeerd worden batterijen die zijn onderworpen aan voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage, geacht opnieuw in de handel te zijn gebracht en moeten zij derhalve aan deze verordening voldoen. Daarnaast wordt, conform het Uniekader voor productregulering, een gebruikte batterij die uit een derde land is ingevoerd, geacht in de handel te worden gebracht wanneer zij voor het eerst de Unie binnenkomt. Daarom moet een uit een derde land ingevoerde batterij die is onderworpen aan hergebruik, herbestemming, herfabricage, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, aan deze verordening voldoen. |
|
(17) |
Herfabricage omvat een breed scala aan technische handelingen die op batterijen of afgedankte batterijen kunnen worden verricht. In het geval van afgedankte batterijen kan herfabricage worden beschouwd als een voorbereiding voor hergebruik of een voorbereiding voor herbestemming. Derhalve moet in deze verordening niet worden voorzien in een specifieke regeling inzake de herfabricage van afgedankte batterijen die verschilt van de regeling inzake de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming van afgedankte batterijen. In het geval van gebruikte batterijen heeft de herfabricage tot doel de oorspronkelijke prestaties van een batterij te herstellen. In die zin kan herfabricage worden gezien als een extreem geval van hergebruik, waarbij de cellen en modules van de batterij worden gedemonteerd en beoordeeld, en een bepaalde hoeveelheid van die cellen en modules wordt vervangen. Om herfabricage te onderscheiden van louter hergebruik, moet het herstellen van de batterijcapaciteit tot ten minste 90 % van de oorspronkelijke nominale batterijcapaciteit worden beschouwd als herfabricage, en vergt dat een specifieke regeling. |
|
(18) |
Indien de eindgebruiker een consument is, en de batterij is onderworpen aan een voorbereiding voor hergebruik, een voorbereiding voor herbestemming, een herbestemming of een herfabricage, moet die batterij vallen onder een koopovereenkomst die voldoet aan Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad (5). De vereisten van die richtlijn hebben met name betrekking op de conformiteit van het product, de aansprakelijkheid van de verkoper (inclusief de mogelijkheid van een kortere aansprakelijkheids- of verjaringstermijn), de bewijslast, remedies voor conformiteitsgebrek, reparatie of vervanging van de goederen, en commerciële garanties. |
|
(19) |
Batterijen moeten zo worden ontworpen en gefabriceerd dat de prestaties, duurzaamheid en veiligheid ervan optimaal zijn en de ecologische voetafdruk tot een minimum wordt beperkt. Er moeten specifieke duurzaamheidsvereisten worden vastgesteld voor oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen, aangezien die batterijen het marktsegment vormen dat naar verwachting de komende jaren het sterkst zal groeien. |
|
(20) |
Met het oog op de veiligheid van batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen vereist de blijvende geldigheid van de EU-typegoedkeuring voor voertuigen van de categorieën M, N en O overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (6) dat een batterij die is gerepareerd of vervangen, aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften blijft voldoen. Indien er veiligheidsaspecten zijn gewijzigd, zijn er verdere inspecties of tests nodig om te verifiëren of nog steeds wordt voldaan aan de vereisten waarop de bestaande EU-typegoedkeuring is gebaseerd. |
|
(21) |
Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021 getiteld “Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul” moet het EU-beleid gebaseerd zijn op het beginsel dat preventieve maatregelen aan de bron moeten worden genomen. In haar mededeling van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen — Op weg naar een gifvrij milieu” (de strategie voor duurzame chemische stoffen”), onderstreept de Commissie dat Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (8) moeten worden versterkt als de hoekstenen van de Unie voor het reguleren van chemische stoffen in de Unie, en moeten worden aangevuld met samenhangende benaderingen voor het beoordelen en beheren van chemische stoffen in de bestaande sectorale wetgeving. Het gebruik van gevaarlijke stoffen in batterijen moet derhalve eerst aan de bron worden beperkt om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen en de aanwezigheid van dergelijke stoffen in het afval te beheren. Deze verordening moet een aanvulling vormen op Verordening (EG) nr. 1907/2006 en Verordening (EG) nr. 1272/2008 en moet het mogelijk maken risicobeheersmaatregelen vast te stellen met betrekking tot stoffen, ook in de afvalfase. |
|
(22) |
Naast de in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 vastgelegde beperkingen, moeten beperkingen worden vastgesteld voor de aanwezigheid van kwik, cadmium en lood in bepaalde categorieën batterijen. Batterijen die worden gebruikt in voertuigen die in aanmerking komen voor een vrijstelling uit hoofde van bijlage II bij Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) moeten worden uitgesloten van het verbod op het bevatten van cadmium. Met het oog op verdere beperkingen voor stoffen die in batterijen aanwezig zijn of bij de fabricage ervan worden gebruikt, is het passend om tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen, die in de strategie voor duurzame chemische stoffen worden omschreven als stoffen met een chronisch effect op de menselijke gezondheid of het milieu, zoals stoffen op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 te worden opgenomen en in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, maar ook stoffen die recycling tot veilige en hoogwaardige secundaire grondstoffen bemoeilijken, in kaart te brengen bij de evaluatie van stoffen die is gepland in het gezamenlijk actieplan voor de beoordeling in het kader van Reach, dat werd gepubliceerd op de website van het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”). |
|
(23) |
Teneinde ervoor te zorgen dat stoffen die bij gebruik in batterijen of bij aanwezigheid in afgedankte batterijen een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid of voor het milieu vormen, naar behoren kunnen worden aangepakt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van beperkingen voor stoffen in batterijen. |
|
(24) |
De beoordelingsprocedure voor de vaststelling van nieuwe en de wijziging van de huidige beperkingen voor stoffen in batterijen en afgedankte batterijen moet volledig worden afgestemd op Verordening (EG) nr. 1907/2006. Om een doeltreffende besluitvorming, coördinatie en beheer van de gerelateerde technische, wetenschappelijke en administratieve aspecten van deze verordening te waarborgen, moet het Agentschap specifieke taken uitvoeren met betrekking tot de beoordeling van de risico’s van stoffen bij de fabricage en het gebruik van batterijen, alsook van de risico’s die zich kunnen voordoen na de eindfase van de levenscyclus van batterijen, alsook de beoordeling van de sociaaleconomische elementen en de analyse van alternatieven, overeenkomstig de desbetreffende richtsnoeren van het Agentschap. Bijgevolg moeten het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap de uitvoering van bepaalde taken die bij deze verordening aan het Agentschap worden toevertrouwd, vergemakkelijken. |
|
(25) |
Om ervoor te zorgen dat deze verordening coherent is met toekomstige wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 of ander toekomstig Unierecht betreffende duurzaamheidscriteria voor gevaarlijke stoffen en chemische stoffen, moet de Commissie beoordelen of een wijziging van de artikelen 6, 86, 87 en 88 van deze verordening vereist is. Waar passend moet de Commissie wijzigingen in deze verordening voorstellen in een toekomstige verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 of in ander toekomstig Unierecht betreffende duurzaamheidscriteria voor gevaarlijke stoffen en chemische stoffen. |
|
(26) |
Ter bevordering van een duurzaam Europees economisch model moet de Commissie, waar nodig, voorstellen indienen tot wijziging van de bepalingen van deze verordening inzake beperkingen voor stoffen in batterijen en in afgedankte batterijen, alsook tot invoering van een uitvoerverbod voor batterijen die niet aan dergelijke beperkingen voldoen. |
|
(27) |
Het verwachte grootschalige gebruik van batterijen in sectoren als mobiliteit en energieopslag moet de koolstofemissies omlaag brengen. Om die mogelijkheden maximaal te benutten, moet de koolstofvoetafdruk gedurende de gehele levenscyclus evenwel laag zijn. Volgens de regels voor de ecologische voetafdruk van een productcategorie voor oplaadbare batterijen met een hoog specifiek vermogen voor mobiele toepassingen is klimaatverandering de op één na hoogste gerelateerde effectcategorie voor batterijen na de ontginning en het gebruik van mineralen en metalen. Oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte voertuigen en batterijen voor elektrische voertuigen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten daarom vergezeld gaan van een specifieke koolstofvoetafdrukverklaring. De harmonisatie van de technische regels voor de berekening van de koolstofvoetafdruk voor alle in de Unie in de handel gebrachte oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte voertuigen en batterijen voor elektrische voertuigen, is een eerste vereiste voor het invoeren van een verplichte koolstofvoetafdrukverklaring en vervolgens voor het vaststellen van koolstofvoetafdrukprestatieklassen, zodat batterijen met een lagere algemene koolstofvoetafdruk in kaart kunnen worden gebracht. De verwachting is dat vereisten met betrekking tot informatie en duidelijke etikettering inzake de koolstofvoetafdruk van batterijen op zich niet zullen leiden tot de gedragsverandering die nodig is om de doelstelling van de Unie te verwezenlijken, namelijk het koolstofvrij maken van de sectoren mobiliteit en energieopslag overeenkomstig de internationaal overeengekomen doelstellingen inzake klimaatverandering. Er moeten derhalve maximale koolstofdrempelwaarden worden ingevoerd in aanvulling op een specifieke effectbeoordeling voor het vaststellen van die waarden. Bij het voorstellen van maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk moet de Commissie onder meer rekening houden met de relatieve verdeling van de waarden van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, de mate van voortgang bij het terugdringen van de koolstofvoetafdruk van in de Unie in de handel gebrachte batterijen, en de effectieve en potentiële bijdrage van die maatregel aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om tussen nu en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, alsook met haar doelstelling inzake duurzame mobiliteit. Teneinde transparantie inzake de koolstofvoetafdruk van batterijen te waarborgen en, ongeacht de plaats van productie, een verschuiving richting batterijen met een lagere koolstofvoetafdruk teweeg te brengen op de markt van de Unie, is het gerechtvaardigd de vereisten met betrekking tot de koolstofvoetafdruk geleidelijk en cumulatief aan te scherpen. De koolstofemissies die gedurende de levenscyclus van batterijen als gevolg van die vereisten worden vermeden, zullen een bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen van de Unie, met name die om tussen nu en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Dat kan op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ook bijdragen tot andere beleidsmaatregelen die een milieuvriendelijkere productie van batterijen bevorderen, bijvoorbeeld door middel van stimulansen of criteria met betrekking tot groene overheidsopdrachten. |
|
(28) |
De maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus moeten toekomstbestendig zijn. Derhalve moet de Commissie bij het vaststellen van een gedelegeerde handeling tot bepaling van de maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus rekening houden met de beste beschikbare fabricage- en productieprocessen en erop toezien dat de door haar gekozen technische criteria consistent zijn met de doelstelling van deze verordening om ervoor te zorgen dat batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid, van de veiligheid van personen, en van eigendommen en het milieu bieden. |
|
(29) |
Bepaalde stoffen in batterijen, zoals kobalt, lood, lithium of nikkel, worden verkregen uit schaarse hulpbronnen, die in de Unie niet gemakkelijk beschikbaar zijn, en sommige worden door de Commissie als kritieke grondstoffen beschouwd. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 5 mei 2021 getiteld “Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa” moet de Unie haar strategische autonomie versterken en haar veerkracht vergroten ter voorbereiding op mogelijke onderbrekingen in de levering als gevolg van gezondheids- en andere crises. Het verbeteren van de circulariteit en het efficiënt gebruik van hulpbronnen, met meer recycling en terugwinning van die grondstoffen, zal bijdragen aan het bereiken van dat doel. |
|
(30) |
Een intensiever gebruik van teruggewonnen grondstoffen zou de ontwikkeling van de circulaire economie ondersteunen, een hulpbronnenefficiënter gebruik van grondstoffen mogelijk maken en tegelijkertijd de afhankelijkheid van de Unie van grondstoffen uit derde landen verminderen. Voor batterijen is dat met name relevant voor kobalt, lood, lithium en nikkel. Daarom moet de terugwinning van die materialen uit afval worden gestimuleerd, door het stellen van eisen voor het gehalte aan gerecycled materiaal in batterijen die kobalt, lood, lithium en nikkel in de actieve materialen bevatten. Met deze verordening moeten derhalve verplichte doelstellingen voor gerecycled materiaal worden vastgesteld voor kobalt, lood, lithium en nikkel, die uiterlijk in 2031 moeten worden verwezenlijkt. Voor kobalt, lithium en nikkel moeten uiterlijk in 2036 hogere streefwaarden worden vastgesteld. Bij alle doelstellingen moet rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van afval waaruit dergelijke materialen kunnen worden teruggewonnen, de technische haalbaarheid van de betrokken terugwinnings- en fabricageprocessen en de tijd die de marktdeelnemers nodig hebben om hun toeleverings- en fabricageprocessen aan te passen. Daarom moet de eis met betrekking tot gerecycled materiaal beperkt worden tot het bekendmaken van informatie over het gerecycled materiaal voordat dergelijke verplichte doelstellingen gaan gelden. Fabricageafval van batterijen is waarschijnlijk de voornaamste bron van secundaire grondstoffen voor de batterijfabricage als gevolg van de toename van de batterijproductie en moet aan dezelfde recyclingprocessen worden onderworpen als afval na consumptie. Daarom moet fabricageafval van batterijen worden meegerekend in de doelstellingen voor gerecycled materiaal, teneinde de ontwikkeling van de noodzakelijke recyclinginfrastructuur te versnellen. Bijproducten van de batterijfabricage die worden hergebruikt in het productieproces, zoals fabricageresten, vormen geen afval als zodanig en mogen derhalve niet worden meegerekend in de doelstellingen voor gerecycled materiaal. |
|
(31) |
Teneinde rekening te houden met het risico van schaarste van kobalt, lood, lithium en nikkel en om de beschikbaarheid van die grondstoffen te beoordelen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de doelstellingen voor het minimumgehalte aan gerecycled kobalt, lood, lithium of nikkel in actieve materialen in batterijen. |
|
(32) |
Teneinde rekening te houden met wijzigingen in batterijtechnologieën die van invloed zijn op de soorten materialen die kunnen worden teruggewonnen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met verdere grondstoffen en respectieve doelstellingen in de lijst van minimumgehaltes aan gerecycled materiaal in actieve materialen in batterijen. |
|
(33) |
Teneinde ervoor te zorgen dat de berekeningen en verificaties van het procentuele aandeel teruggewonnen kobalt, lood, lithium en nikkel nauwkeurig en betrouwbaar is en dat er meer rechtszekerheid is, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door het vaststellen van de methode voor de berekening en verificatie van het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in actieve materialen aanwezig is en dat uit productieafval van batterijen of afval na consumptie teruggewonnen werd en het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval teruggewonnen werd, en van het model voor de technische documentatie inzake die procentuele aandelen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit. Het hergebruik van materialen, zoals materialen die het resultaat zijn van herbewerking of hervermaling tijdens het batterijfabricageproces of die resten van dat fabricageproces vormen en die kunnen worden teruggewonnen binnen het proces waardoor het materiaal is gegenereerd, moet van die methode worden uitgesloten. |
|
(34) |
Batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten duurzaam zijn en zeer goed presteren. Daarom moeten er prestatie- en duurzaamheidsparameters worden vastgesteld voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik evenals voor oplaadbare industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen. De informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu heeft duurzaamheidsvereisten voor in elektrische voertuigen ingebouwde batterijen ontwikkeld, die in de Unie van toepassing zullen zijn krachtens een toekomstige verordening betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, met betrekking tot hun emissies en de duurzaamheid van batterijen (Euro 7) (de “Euro 7-verordening”). Daarom moeten in deze verordening alleen informatievereisten voor de prestaties en duurzaamheid van batterijen voor elektrische voertuigen worden vastgelegd. Aan de andere kant worden ten aanzien van batterijen voor energieopslag de bestaande meetmethoden voor het testen van de prestaties en de duurzaamheid van batterijen onvoldoende nauwkeurig en representatief geacht om de invoering van minimumvereisten mogelijk te maken. De invoering van minimumvereisten met betrekking tot prestaties en duurzaamheid voor dergelijke batterijen moet samengaan met adequate geharmoniseerde normen of adequate gemeenschappelijke specificaties. |
|
(35) |
Om de milieueffecten van batterijen tijdens hun levenscyclus te beperken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de prestatie- en duurzaamheidsparameters voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik en voor oplaadbare industriële batterijen en van het vaststellen van minimumwaarden voor die parameters. In die gedelegeerde handelingen moet ook worden bepaald hoe die minimumwaarden van toepassing zullen zijn op batterijen die een herfabricage ondergingen. |
|
(36) |
Teneinde ervoor te zorgen dat de Unieregels betreffende elektrochemische prestaties en duurzaamheid voor batterijen voor elektrische voertuigen in overeenstemming zijn met de technische specificaties van de informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu en met het oog op de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de prestatie- en duurzaamheidsparameters voor batterijen voor elektrische voertuigen. Voor de minimumwaarden van die parameters voor batterijen voor elektrische voertuigen die zijn ingebouwd in motorvoertuigen, moeten minimumprestatievereisten worden vastgesteld door middel van een toekomstige Euro 7-verordening, op basis van de minimumprestatievereisten die zijn vastgelegd in mondiaal technisch reglement nr. 22 van de Verenigde Naties (VN) betreffende de duurzaamheid van accu’s in elektrische voertuigen. |
|
(37) |
Sommige niet-oplaadbare batterijen voor algemeen gebruik kunnen inefficiënt zijn wat betreft het gebruik van hulpbronnen en energie. Er moeten objectieve vereisten met betrekking tot de prestaties en duurzaamheid van dergelijke batterijen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat er minder niet-oplaadbare draagbare batterijen met geringe prestaties voor algemeen gebruik in de handel worden gebracht, met name wanneer op basis van een levenscyclusanalyse zou blijken dat het gebruik van oplaadbare batterijen als alternatief tot algemene milieuvoordelen zou leiden. Wat in mobiele telefoons en tablets ingebouwde batterijen betreft, is het passend prestatie- en duurzaamheidsvereisten vast te stellen door middel van een toekomstige verordening inzake ecologisch ontwerp betreffende mobiele telefoons en tablets, en Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie (10) inzake computers en computerservers te actualiseren. Voor andere draagbare batterijen die zijn ingebouwd in andere apparaten, zoals tuingereedschap of draadloos elektrisch gereedschap, moet de mogelijkheid om minimumprestatie- en duurzaamheidsvereisten vast te stellen, worden opgenomen in desbetreffende productspecifieke rechtshandelingen, zoals uitvoeringshandelingen uit hoofde van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad (11), of in andere rechtshandelingen van de Unie. |
|
(38) |
Om te garanderen dat draagbare batterijen die in apparaten zijn ingebouwd, gescheiden worden ingezameld, verwerkt en hoogwaardig worden gerecycled zodra die apparaten worden afgedankt, zijn bepalingen nodig om ervoor te zorgen dat die batterijen van dergelijke apparaten kunnen worden afgezonderd en kunnen worden vervangen. De veiligheid van de consument moet, overeenkomstig het Unierecht en met name de veiligheidsnormen van de Unie, worden gegarandeerd bij het afzonderen van draagbare batterijen van, of het vervangen van draagbare batterijen, in een apparaat. Een draagbare batterij moet als af te zonderen door de eindgebruiker worden beschouwd indien ze met behulp van in de handel verkrijgbaar gereedschap kan worden afgezonderd, zonder dat er gespecialiseerd gereedschap — tenzij dat gratis wordt verstrekt —, door eigendomsrechten beschermd gereedschap, thermische energie of oplosmiddelen nodig zijn om ze te demonteren. In de handel verkrijgbaar gereedschap wordt beschouwd als gereedschap dat in de handel wordt aangeboden aan alle eindgebruikers zonder dat zij een bewijs van eigendomsrechten moeten leveren, en dat zij zonder beperking, met uitzondering van gezondheids- of veiligheidsgerelateerde beperkingen, kunnen gebruiken. Bij de toepassing van de algemene bepalingen van deze verordening moeten de veiligheids- en onderhoudsvoorschriften voor professionele apparaten voor medische beeldvorming en radiotherapie als gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad (12) en voor medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad (13) onverlet worden gelaten; die algemene bepalingen kunnen worden aangevuld met voorschriften voor specifieke producten die door batterijen worden gevoed in het kader van uitvoeringsmaatregelen uit hoofde van Richtlijn 2009/125/EG. Indien in ander Unierecht om veiligheidsredenen specifiekere eisen worden gesteld aan het afzonderen van batterijen van producten, zoals speelgoed, moeten die specifieke regels van toepassing zijn. |
|
(39) |
Teneinde de veiligheid voor eindgebruikers te waarborgen, moet in deze verordening worden voorzien in een beperkte afwijking voor draagbare batterijen van de voorschriften inzake de mogelijkheid tot afzondering en vervanging die zijn vastgesteld voor draagbare batterijen betreffende apparaten met ingebouwde draagbare batterijen, die specifiek zijn ontworpen om, voor het grootste deel van het actieve gebruik ervan, hoofdzakelijk te worden gebruikt in een omgeving die regelmatig aan opspattend water, waterstromen of onderdompeling wordt blootgesteld en die afwasbaar of spoelbaar zijn. Die afwijking mag alleen van toepassing zijn indien het niet mogelijk is om door herontwerp van het apparaat te zorgen voor de veiligheid van de eindgebruiker en voor het veilige verdere gebruik van het apparaat nadat de eindgebruiker de instructies voor het afzonderen en vervangen van de batterij correct heeft gevolgd. Indien de afwijking van toepassing is, moet het product zodanig worden ontworpen dat de batterij uitsluitend door onafhankelijke beroepsbeoefenaars — en niet door eindgebruikers — kan worden afgezonderd en vervangen. |
|
(40) |
Wat gerepareerde batterijen voor elektrische voertuigen en gerepareerde start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen betreft, zijn de veiligheidsvoorschriften van Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad (14) van toepassing op voertuigen met een typegoedkeuring van de categorieën M, N en O en op voor die voertuigen ontworpen en gebouwde batterijen. Het is belangrijk dat, indien die batterijen worden gerepareerd, de veiligheid ervan kan worden beoordeeld aan de hand van daaraan aangepaste niet-destructieve tests. Voor gerepareerde batterijen voor lichte vervoermiddelen zal de Commissie, voortbouwend op de ervaringen met veiligheidsvoorschriften op nationaal en lokaal niveau, voorschriften voor de veiligheid van middelen voor micromobiliteit opstellen, zoals aangekondigd in de mededeling van de Commissie van 14 december 2021 over “Het nieuwe EU-kader voor stedelijke mobiliteit”. Voor andere gerepareerde batterijen die bestemd zijn voor consumenten of waarschijnlijk door hen zullen worden gebruikt, zijn de voorschriften van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) van toepassing. |
|
(41) |
De interoperabiliteit van laders voor specifieke categorieën batterijen kan leiden tot de vermindering van onnodig afval en onnodige kosten voor consumenten en andere eindgebruikers. Daarom moeten batterijen voor lichte vervoermiddelen en in specifieke categorieën elektrische en elektronische apparatuur ingebouwde oplaadbare batterijen kunnen worden opgeladen met gemeenschappelijke laders die interoperabiliteit binnen elke categorie batterijen mogelijk maken. In deze verordening moet derhalve worden vereist dat de Commissie beoordeelt hoe geharmoniseerde normen kunnen worden ingevoerd voor gemeenschappelijke laders voor die categorieën batterijen, met uitzondering van laders voor categorieën en klassen van radioapparatuur uit hoofde van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad (16). |
|
(42) |
Start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die in motorvoertuigen zijn ingebouwd, moeten door onafhankelijke beroepsbeoefenaars kunnen worden afgezonderd en vervangen. Het is passend een herziening van Richtlijn 2000/53/EG te overwegen om ervoor te zorgen dat die batterijen kunnen worden afgezonderd, vervangen en gedemonteerd, onder meer wat betreft verbindings-, bevestigings- en vergrendelingselementen. Met het oog op het ontwerp, de fabricage en de reparatie van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en batterijen voor elektrische voertuigen moeten fabrikanten de relevante informatie uit het boorddiagnosesysteem van een voertuig en de reparatie- en onderhoudsinformatie van een voertuig op niet-discriminerende basis verstrekken aan alle belanghebbende fabrikanten, installateurs en reparateurs van uitrusting voor voertuigen van de categorieën M, N en O, zoals bepaald in Verordening (EU) 2018/858. Voorts moet de Commissie de ontwikkeling aanmoedigen van normen voor ontwerp- en assemblagetechnieken die het onderhoud, de reparatie en de herbestemming van batterijen en batterijpakken vergemakkelijken. |
|
(43) |
Betrouwbare batterijen zijn van fundamenteel belang voor de werking en de veiligheid van veel producten, apparaten en diensten. Daarom moeten de batterijen zo worden ontworpen en gefabriceerd dat ze geen risico vormen voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, voor eigendommen of het milieu. Dat is met name relevant voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag, die momenteel niet onder ander Unierecht vallen. Daarom moeten voor die batterijen parameters worden vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden bij de veiligheidstests en die moeten worden aangevuld met toepasselijke normen van de Europese normalisatieorganisaties. |
|
(44) |
Batterijen moeten van een etiket worden voorzien om de eindgebruikers transparante, betrouwbare en duidelijke informatie over batterijen en afgedankte batterijen te verschaffen. Die informatie zou eindgebruikers in staat stellen weloverwogen beslissingen te nemen bij de aankoop en het afdanken van batterijen, en afvalverwerkers in staat stellen de afgedankte batterijen op de juiste manier te verwerken. De etikettering op batterijen moet alle noodzakelijke informatie over hun belangrijkste kenmerken bevatten, waaronder hun capaciteit en de hoeveelheid die ze van bepaalde gevaarlijke stoffen bevatten. Om ervoor te zorgen dat de informatie na verloop van tijd beschikbaar blijft, moet die ook beschikbaar worden gesteld door middel van QR-codes die op batterijen worden gedrukt of gegraveerd of die worden aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen, waarbij de richtsnoeren van ISO/IEC-norm 18004:2015 in acht moeten worden genomen. De QR-code moet toegang geven tot het productpaspoort van de batterij. De etiketten en de QR-codes moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad (17). |
|
(45) |
Het opnemen op het batterij-etiket van informatie over de prestaties van batterijen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de eindgebruikers, vooral consumenten, voordat zij hun aankoop doen naar behoren geïnformeerd worden en in het bijzonder dat zij een gemeenschappelijke basis hebben om verschillende batterijen te vergelijken. Niet-oplaadbare draagbare batterijen voor algemeen gebruik moeten derhalve worden gemarkeerd met een etiket met de vermelding “niet-oplaadbaar” en met de informatie over de minimale gemiddelde levensduur bij gebruik in specifieke toepassingen. Bovendien is het belangrijk om eindgebruikers te informeren over manieren om zich op passende wijze van afgedankte batterijen te ontdoen. |
|
(46) |
Voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen die voorzien zijn van een batterijmanagementsysteem, moeten de eindgebruiker of namens die eindgebruiker optredende derden te allen tijde op basis van de in het batterijmanagementsysteem opgeslagen gegevens de conditie en de verwachte levensduur van de batterijen kunnen vaststellen. Er moet te allen tijde read-onlytoegang tot die gegevens worden verleend aan de persoon die de batterij heeft gekocht, of aan een derde die namens die persoon optreedt, om de restwaarde van de batterij te beoordelen, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of herfabricage van de batterij te vergemakkelijken of de batterij ter beschikking te stellen van onafhankelijke aankoopgroeperingen, als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (18), die virtuele elektriciteitscentrales in elektriciteitsnetten exploiteren. Daarom moeten de gegevens actueel zijn. Ze moeten ten minste dagelijks worden bijgewerkt, en frequenter indien dat nodig is voor een specifiek doel. Technische specificaties die voortvloeien uit de werkzaamheden van de informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu inzake de toegang tot gegevens in elektrische voertuigen, moeten als benchmark voor de conditie en de verwachte levensduur van batterijen voor elektrische voertuigen worden beschouwd. Die voorschriften moeten van toepassing zijn in aanvulling op het Unierecht inzake de typegoedkeuring van voertuigen, dat het passende rechtskader vormt voor, onder andere, slimme oplaadfuncties zoals oplaadfuncties tussen voertuigen en het elektriciteitsnet, voertuigen en lading, voertuigen onderling, voertuigen en powerbanks en voertuigen en gebouwen. |
|
(47) |
Een aantal productspecifieke eisen uit hoofde van deze verordening, waaronder prestaties, duurzaamheid, herbestemming en veiligheid, moet worden gemeten met behulp van betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methoden waarbij algemeen erkende geavanceerde metingen, normen en berekeningsmethoden in acht worden genomen. Om handelsbelemmeringen op de interne markt te voorkomen, moeten de normen worden geharmoniseerd op het niveau van de Unie. Die methoden en normen moeten, voor zover mogelijk, rekening houden met het werkelijke gebruik van batterijen, een afspiegeling zijn van het gemiddelde consumentengedrag en robuust zijn om opzettelijke en onopzettelijke ontwijking te ontmoedigen. Zodra een verwijzing naar een dergelijke norm is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (19), moeten batterijen die aan die norm voldoen, worden geacht in overeenstemming te zijn met die productspecifieke eisen uit hoofde van deze verordening, mits de minimumwaarden die voor die productspecifieke eisen zijn vastgesteld, worden bereikt. Om enerzijds dubbele technische specificaties te voorkomen en anderzijds de efficiëntie te maximaliseren en rekening te houden met de hoogste niveaus van deskundigheid en geavanceerde kennis, moet de Commissie ernaar streven een of meer Europese normalisatieorganisaties te verzoeken een norm op te stellen indien er geen norm bestaat. Indien bij de toepassing van productspecifieke eisen nog geen normen zijn gepubliceerd, of indien het antwoord van de betreffende Europese normalisatieorganisatie onbevredigend is, moet de Commissie, in uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen en na overleg met de belanghebbenden, door middel van uitvoeringshandelingen gemeenschappelijke specificaties vaststellen. De naleving van die specificaties moet ook tot het vermoeden van conformiteit leiden. In gevallen waarin de gemeenschappelijke specificaties in een later stadium tekortkomingen blijken te vertonen, moet de Commissie de betrokken gemeenschappelijke specificaties bij uitvoeringshandeling wijzigen of intrekken. Gemeenschappelijke specificaties moeten binnen een redelijke termijn worden ingetrokken zodra de referenties van de geharmoniseerde normen in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt, zodat fabrikanten rekening kunnen houden met de wijzigingen. |
|
(48) |
Actieve betrokkenheid bij de werkzaamheden van internationale normalisatiecomités is een belangrijke strategische voorwaarde om toekomstige batterijtechnologieën in de handel te brengen. De Europese betrokkenheid was bij een aantal van die comités minder effectief dan zij had kunnen zijn. De Europese betrokkenheid moet worden verbeterd om de stem van de Unie in de mondiale normalisatie te versterken, ook met het oog op verbetering van het concurrentievermogen van bedrijven in de Unie, vermindering van de afhankelijkheden van de Unie en bescherming van de belangen, beleidsdoelstellingen en waarden van de Unie. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten de Europese benadering van internationale normalisatie monitoren en coördineren. In geharmoniseerde normen ter aanvulling van de uitvoering van deze verordening moet rekening worden gehouden met bestaande internationale normen, met name op IEC- en ISO-niveau. |
|
(49) |
De Commissie moet zorgen voor consistentie met betrekking tot geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties uit hoofde van deze verordening, onder meer bij de evaluatie van Verordening (EU) nr. 1025/2012. |
|
(50) |
Om met het oog op marktoezicht effectief toegang te hebben tot informatie, om aanpassing aan nieuwe technologieën door te voeren en om veerkracht te garanderen in het geval van wereldwijde crises, zoals de COVID-19-pandemie, moet het mogelijk zijn online met één enkele EU-conformiteitsverklaring informatie te verstrekken over de conformiteit met alle handelingen van de Unie die van toepassing zijn op batterijen. |
|
(51) |
In Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (20) zijn voorschriften vastgelegd voor de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties, wordt een kader geboden voor het markttoezicht op en voor de controle van producten uit derde landen, en worden de algemene beginselen van de CE-markering vastgelegd. Die verordening moet van toepassing zijn op batterijen die onder deze verordening vallen, om ervoor te zorgen dat producten die profiteren van het vrije verkeer van goederen binnen de Unie voldoen aan eisen die een hoog beschermingsniveau bieden voor algemene belangen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen en het milieu. |
|
(52) |
Om marktdeelnemers in staat te stellen aan te tonen dat, en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen te controleren of, op de markt aangeboden batterijen aan deze verordening voldoen, moet worden voorzien in conformiteitsbeoordelingsprocedures. Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (21) stelt modules voor conformiteitsbeoordelingsprocedures vast, gaande van de minst tot de meest stringente procedure, afhankelijk van de hoogte van het risico en het vereiste veiligheidsniveau. Overeenkomstig dat besluit dienen, wanneer een conformiteitsbeoordeling moet worden verricht, de voor die beoordeling toe te passen procedures uit die modules gekozen te worden. Er zijn krachtige conformiteitsbeoordelingsprocedures nodig om ervoor te zorgen dat batterijen voldoen aan de nieuwe en complexe vereisten inzake koolstofvoetafdruk en gerecyclede inhoud, en aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze verordening. |
|
(53) |
De CE-markering op een batterij geeft aan dat die batterij in overeenstemming is met deze verordening. De algemene beginselen voor de CE-markering en het verband ervan met andere markeringen zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 765/2008. Die beginselen moeten ook van toepassing zijn op de CE-markering op batterijen. Om ervoor te zorgen dat de batterijen worden opgeslagen, gebruikt en afgedankt op een manier die veilig is met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, moeten specifieke regels worden vastgesteld voor het aanbrengen van de CE-markering voor batterijen. |
|
(54) |
Voor de in deze verordening beschreven conformiteitsbeoordelingsprocedures is de tussenkomst van conformiteitsbeoordelingsinstanties vereist. Om een eenvormige toepassing van de bepalingen van deze verordening te waarborgen, moeten die instanties door de autoriteiten van de lidstaat bij de Commissie worden aangemeld. |
|
(55) |
Gezien de nieuwheid en de complexiteit van de duurzaamheids-, prestatie-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen uit hoofde van deze verordening en om te zorgen voor een consistent kwaliteitsniveau van de conformiteitsbeoordeling van batterijen, moeten vereisten worden vastgesteld voor de aanmeldende autoriteiten die betrokken zijn bij de beoordeling en aanmelding van en het toezicht op conformiteitsbeoordelingsinstanties die zijn aangemeld bij de Commissie, en die daardoor aangemelde instanties worden. Met name moet ervoor worden gezorgd dat de aanmeldende autoriteit objectief en onpartijdig is met betrekking tot haar activiteiten en over voldoende technisch bekwaam personeel beschikt voor het vervullen van haar taken. Voorts moeten de aanmeldende autoriteiten worden verplicht de vertrouwelijkheid van de verkregen informatie te waarborgen, maar moeten zij desondanks informatie over aangemelde instanties kunnen uitwisselen met de nationale autoriteiten, de aanmeldende autoriteiten van andere lidstaten en de Commissie om consistentie in de conformiteitsbeoordeling te waarborgen. |
|
(56) |
Het is van essentieel belang dat alle aangemelde instanties hun taken op hetzelfde niveau en onder dezelfde voorwaarden van eerlijke concurrentie en autonomie uitvoeren. Daarom moeten in deze verordening eisen worden vastgelegd voor conformiteitsbeoordelingsinstanties die aangemeld wensen te worden om conformiteitsbeoordelingsactiviteiten te verrichten. Die eisen moeten van toepassing blijven als voorwaarde voor het actueel houden van de bevoegdheid van de aangemelde instantie. Om haar autonomie te waarborgen, moeten de aangemelde instantie en het personeel dat zij in dienst heeft, onafhankelijk blijven van de marktdeelnemers in de waardeketen van de batterijen en van andere bedrijven, met inbegrip van brancheorganisaties en moeder- en dochterondernemingen. De aangemelde instantie moet haar onafhankelijkheid gedocumenteerd aantonen en die documentatie aan de aanmeldende autoriteit overleggen. De aangemelde instanties moeten voor roulatie zorgen van het personeel dat verschillende conformiteitsbeoordelingstaken verricht. |
|
(57) |
Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat de batterij voldoet aan de criteria die in geharmoniseerde normen zijn vastgelegd, moet de batterij worden geacht te voldoen aan de overeenkomstige eisen van deze verordening. |
|
(58) |
Conformiteitsbeoordelingsinstanties besteden vaak onderdelen van hun activiteiten in verband met de conformiteitsbeoordeling uit of doen een beroep op een dochteronderneming. Bepaalde activiteiten en besluitvormingsprocessen, zowel met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling van batterijen als met betrekking tot andere activiteiten binnen de aangemelde instantie, mogen echter uitsluitend door de aangemelde instantie zelf worden uitgevoerd, teneinde haar onafhankelijkheid en autonomie te waarborgen. Om het beschermingsniveau te kunnen waarborgen dat nodig is voor batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten bij de conformiteitsbeoordeling betrokken onderaannemers en dochterondernemingen bij de uitvoering van conformiteitsbeoordelingstaken uit hoofde van deze verordening bovendien aan dezelfde eisen voldoen als aangemelde instanties. |
|
(59) |
Aangezien de door de aangemelde instanties in een lidstaat aangeboden diensten betrekking kunnen hebben op batterijen die in de hele Unie op de markt worden aangeboden, is het passend de andere lidstaten en de Commissie in de gelegenheid te stellen om bezwaar te maken tegen een aangemelde instantie. De Commissie kan tijdens haar onderzoek het advies inwinnen van een Unietestfaciliteit die is aangewezen overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (22). Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de aanmeldende autoriteit te verzoeken corrigerende maatregelen te nemen wanneer een aangemelde instantie niet of niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet. |
|
(60) |
Om de conformiteitsbeoordelingsprocedure, de certificering en uiteindelijk de markttoegang te vergemakkelijken en te versnellen en gezien de nieuwheid en complexiteit van de in deze verordening bepaalde duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen is het van cruciaal belang dat aangemelde instanties voortdurend toegang hebben tot alle benodigde testapparatuur en testfaciliteiten en dat zij de procedures toepassen zonder een onnodige last voor de marktdeelnemers te creëren. Om dezelfde redenen, en om de gelijke behandeling van marktdeelnemers te waarborgen, moeten aangemelde instanties de conformiteitsbeoordelingsprocedures consistent toepassen. |
|
(61) |
Alvorens een definitief besluit te nemen over de vraag of aan een batterij een certificaat van conformiteit kan worden toegekend, moet de marktdeelnemer die een batterij in de handel wil brengen, eenmaal de gelegenheid krijgen aanvullende documentatie over de batterij in te dienen. |
|
(62) |
De Commissie moet passende coördinatie en samenwerking tussen aangemelde instanties mogelijk maken. |
|
(63) |
De verplichtingen voor marktdeelnemers in verband met het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen moeten worden vastgelegd. Voor de toepassing van deze verordening moet onder “marktdeelnemer” worden verstaan: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur, de fulfilmentdienstverlener of een andere natuurlijke of rechtspersoon die onderworpen is aan verplichtingen in verband met de fabricage van batterijen, of het op de markt aanbieden, in de handel brengen of in gebruik nemen daarvan. Voor de toepassing van deze verordening moeten onder “batterijen” ook batterijen worden begrepen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd. |
|
(64) |
Het is passend erin te voorzien dat de eisen voor batterijen die in gebruik worden genomen zonder vooraf in de handel te zijn gebracht, dezelfde moeten zijn als voor batterijen die in de handel worden gebracht voordat zij in gebruik worden genomen. Dat betreft bijvoorbeeld batterijen voor eigen gebruik door de fabrikant, of batterijen die, gezien hun kenmerken, alleen ter plekke op hun eindbestemming kunnen worden gemonteerd en getest. Om te voorkomen dat de conformiteit van eenzelfde product tweemaal moet worden aangetoond, mogen batterijen die in de handel worden gebracht, evenwel niet aan dezelfde eisen worden onderworpen wanneer zij in gebruik worden genomen. |
|
(65) |
Marktdeelnemers moeten, met betrekking tot hun respectieve rol in de toeleveringsketen, ervoor verantwoordelijk zijn dat batterijen voldoen aan de eisen van deze verordening, teneinde een hoog niveau van bescherming van algemene belangen te waarborgen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen en de bescherming van eigendommen en het milieu. |
|
(66) |
Alle marktdeelnemers die actief zijn in de toeleverings- en distributieketen, moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat zij uitsluitend batterijen op de markt aanbieden die in overeenstemming zijn met deze verordening. Er moet worden voorzien in een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van elke marktdeelnemer in de toeleverings- en distributieketen. |
|
(67) |
Het ligt voor de hand dat de fabrikant, door het beschikken over uitvoerige kennis van het ontwerp- en productieproces, het best geplaatst is om de conformiteitsbeoordelingsprocedure uit te voeren. De conformiteitsbeoordeling moet daarom uitsluitend een verplichting van de fabrikant blijven. |
|
(68) |
De fabrikant moet voldoende gedetailleerde informatie verstrekken over het beoogde gebruik van de batterij, zodat die correct en veilig in de handel kan worden gebracht, in gebruik kan worden genomen en kan worden gebruikt en zodat afvalbeheer mogelijk is, met inbegrip van een eventuele herbestemming. |
|
(69) |
Om de communicatie tussen marktdeelnemers, markttoezichtautoriteiten en eindgebruikers te vergemakkelijken, moeten marktdeelnemers als onderdeel van hun contactgegevens een postadres, en indien beschikbaar, een e-mailadres en een websiteadres vermelden. |
|
(70) |
De interne markt moet zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktdeelnemers en bescherming tegen oneerlijke mededinging. Daartoe moet de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake batterijen worden versterkt. Goede samenwerking tussen marktdeelnemers en de markttoezichtautoriteiten is een essentieel aspect van een dergelijke versterkte handhaving, aangezien er daardoor onmiddellijk kan worden opgetreden en corrigerende maatregelen kunnen worden genomen. Het is belangrijk dat er een in de Unie gevestigde marktdeelnemer is tot wie de markttoezichtautoriteiten zich kunnen richten als zij vragen hebben of informatie wensen over de conformiteit van een batterij met de harmonisatiewetgeving van de Unie, en die met de markttoezichtautoriteiten kan samenwerken om ervoor te zorgen dat er onmiddellijk corrigerende maatregelen worden genomen om gevallen van non-conformiteit te verhelpen. De marktdeelnemers die die taken moeten uitvoeren, zijn de fabrikant, of de importeur wanneer de fabrikant niet in de Unie is gevestigd, of een daartoe door de fabrikant aangewezen gemachtigde, of een in de Unie gevestigde fulfilmentdienstverlener voor door die laatste afgehandelde batterijen wanneer er geen andere marktdeelnemer in de Unie is gevestigd. |
|
(71) |
Er moet worden gewaarborgd dat batterijen uit derde landen die de markt van de Unie binnenkomen, voldoen aan de eisen van deze verordening en ander toepasselijk Unierecht, ongeacht of zij als zelfstandige batterijen worden ingevoerd of in producten zijn ingebouwd of daaraan zijn toegevoegd, en met name dat fabrikanten passende conformiteitsbeoordelingsprocedures met betrekking tot die batterijen hebben uitgevoerd. Daarom moet worden bepaald dat importeurs ervoor moeten zorgen dat de batterijen die zij in de handel brengen en in gebruik nemen, aan de eisen van deze verordening voldoen en dat de CE-markering op batterijen en de door de fabrikanten opgestelde documentatie beschikbaar zijn voor inspectie door de nationale autoriteiten, ongeacht of het batterijen betreft die als nieuw of als gebruikt zijn geïmporteerd dan wel batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd. |
|
(72) |
Bij het in de handel brengen of in gebruik nemen van een batterij moet elke importeur op de batterij de naam, de geregistreerde handelsnaam of het geregistreerd merk en het postadres, en indien beschikbaar, het e-mailadres en websiteadres, van de importeur vermelden. Indien de afmetingen van de batterij te klein zijn om er die informatie op aan te brengen, of indien de importeur de verpakking zou moeten openen om de naam, de geregistreerde handelsnaam of het geregistreerd merk en de andere contactgegevens van de importeur aan te brengen, moet in uitzonderingen worden voorzien. In die uitzonderlijke gevallen moet de importeur de informatie in een bij de batterij gevoegd document of op een andere onmiddellijk toegankelijke manier verstrekken. Indien er een verpakking is, moet de importeur de informatie daarop aanbrengen. |
|
(73) |
Indien een distributeur een batterij pas op de markt aanbiedt nadat die door de fabrikant of de importeur in de handel is gebracht of in gebruik is genomen, moet de distributeur de nodige zorgvuldigheid betrachten om ervoor te zorgen dat de behandeling van de batterij door de distributeur geen nadelige gevolgen heeft voor de naleving van de eisen van deze verordening. |
|
(74) |
Elke importeur of distributeur die een batterij in de handel brengt of in gebruik neemt onder de eigen naam of het eigen merk van de importeur of distributeur of die een batterij zo wijzigt dat de naleving van de eisen van deze verordening in het gedrang kan komen of dat het gebruiksdoel van een reeds in de handel gebrachte batterij wordt gewijzigd, moet worden beschouwd als de fabrikant en moet de in deze verordening bepaalde verplichtingen van de fabrikant overnemen. |
|
(75) |
Omdat distributeurs, importeurs en fulfilmentdienstverleners dicht bij de markt staan, moeten zij worden betrokken bij de markttoezichttaken van de nationale autoriteiten en moeten zij klaar zijn om actief medewerking te verlenen en die autoriteiten alle nodige informatie over de betrokken batterij te verstrekken. |
|
(76) |
Door de traceerbaarheid van een batterij in de hele toeleveringsketen te garanderen, wordt het markttoezicht eenvoudiger en efficiënter, en biedt het de consument transparantie. Een efficiënt traceringssysteem vergemakkelijkt de taak van de markttoezichtautoriteiten om marktdeelnemers op te sporen die niet-conforme batterijen in de handel hebben gebracht, op de markt hebben aangeboden of in gebruik hebben genomen. Marktdeelnemers moeten daarom worden verplicht de informatie over hun transacties met batterijen gedurende een bepaalde periode te bewaren, ook in elektronische vorm. |
|
(77) |
De winning en verwerking van, en de handel in, natuurlijke mineralen zijn van essentieel belang voor het verkrijgen van de grondstoffen die nodig zijn voor de productie van batterijen. Batterijfabrikanten kunnen, ongeacht hun positie, hun invloed op leveranciers en hun geografische locatie, onbedoeld een aandeel hebben in de nadelige effecten in de toeleveringsketen van mineralen. Voor sommige grondstoffen is meer dan de helft van de mondiale productie bestemd voor gebruik in batterijtoepassingen. Zo is op mondiaal niveau ruim 50 % van de vraag naar kobalt en ruim 60 % van de vraag naar lithium bestemd voor de productie van batterijen. Circa 8 % van de mondiale productie van natuurlijk grafiet en 6 % van de mondiale productie van nikkel is bestemd voor de fabricage van batterijen. |
|
(78) |
Slechts enkele landen leveren de grondstoffen die bij de fabricage van batterijen worden gebruikt en in sommige gevallen kunnen de lage bestuurlijke normen in die landen de sociale en milieuproblemen verergeren. De ontginning en de raffinage van zowel kobalt als nikkel brengen een groot aantal sociale en milieurisico’s met zich mee. Hoewel de sociale en milieueffecten met betrekking tot natuurlijk grafiet minder ernstig zijn, kan de ontginning ervan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid en het milieu, aangezien die voornamelijk plaatsvindt in het kader van ambachtelijke en kleinschalige activiteiten, en grotendeels in informeel verband. In combinatie met het gebrek aan regelmatig bijgewerkte plannen bij de sluiting van mijnen en sanering kan dat leiden tot de vernietiging van ecosystemen en bodems. De verwachte toename van het gebruik van lithium voor de fabricage van batterijen zal de winnings- en raffinageactiviteiten waarschijnlijk verder onder druk zetten. Daarom is het passend dat lithium wordt opgenomen in de verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen. De verwachte enorme stijging in de vraag naar batterijen in de Unie mag niet leiden tot een toename van dergelijke milieu- en sociale risico’s. |
|
(79) |
Een aantal van de grondstoffen die bij de fabricage van batterijen worden gebruikt, zoals kobalt, lithium en natuurlijk grafiet, worden als kritieke grondstoffen voor de Unie beschouwd, zoals de Commissie heeft aangegeven in haar mededeling van 3 september 2020 getiteld “Veerkracht op het gebied van kritieke grondstoffen: de weg naar een grotere voorzieningszekerheid en duurzaamheid uitstippelen”, en de duurzame winning ervan is vereist voor de goede werking van het ecosysteem voor batterijen in de Unie. |
|
(80) |
Marktdeelnemers in de batterijtoeleveringsketen ondernemen nu al vrijwillige acties die erop gericht zijn de toepassing van praktijken voor duurzame winning te bevorderen, met inbegrip van het “Initiative for Responsible Mining Assurance”, het “Responsible Minerals Initiative” en het “Cobalt Industry Responsible Assessment Framework”. Het is evenwel niet zeker dat vrijwillige acties voor het opstellen van regelingen inzake passende zorgvuldigheid zullen garanderen dat alle marktdeelnemers die batterijen in de Unie in de handel brengen, zich aan dezelfde reeks minimumvoorschriften zullen houden. |
|
(81) |
In de Unie zijn algemene eisen inzake passende zorgvuldigheid in verband met bepaalde mineralen en metalen ingevoerd bij Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad (23). Die verordening heeft echter geen betrekking op de mineralen en materialen die worden gebruikt voor de productie van batterijen. |
|
(82) |
Met het oog op de verwachte exponentiële stijging van de vraag naar batterijen in de Unie moeten marktdeelnemers die een batterij in de Unie in de handel brengen derhalve een beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen opzetten. Er moeten derhalve vereisten in deze verordening worden vastgesteld voor het aanpakken van de sociale en milieurisico’s in verband met de winning, de verwerking en de verhandeling van bepaalde grondstoffen en secundaire grondstoffen voor de fabricage van batterijen. Dat beleid moet gelden ten aanzien van alle exploitanten in de toeleveringsketen en hun dochterondernemingen en onderaannemers die bepaalde grondstoffen en secundaire grondstoffen winnen, verwerken en verhandelen. |
|
(83) |
De marktdeelnemer die een risicogebaseerd beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen invoert, moet dat baseren op internationaal erkende normen en beginselen inzake passende zorgvuldigheid, zoals die welke zijn vervat in de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de Tien Principes van het Global Compact van de Verenigde Naties, de “Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products” van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (United Nations Environment programme — UNEP), de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Die normen en beginselen die elke marktdeelnemer moet afstemmen op zijn specifieke context en omstandigheden, weerspiegelen een gemeenschappelijk inzicht onder overheden en belanghebbenden. Wat de winning en verwerking van, en de handel in, natuurlijke mineralen die worden gebruikt voor de productie van batterijen betreft, vormen de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden een internationaal erkende norm voor het aanpakken van de specifieke risico’s van grove mensenrechtenschendingen, en een weerspiegeling van de jarenlange inspanning van overheden en belanghebbenden om goede praktijken op dat gebied vast te stellen. |
|
(84) |
Volgens de normen en beginselen van de VN, de IAO en de OESO is passende zorgvuldigheid een permanent, proactief en reactief proces op basis waarvan bedrijven kunnen waarborgen dat zij de mensenrechten en het milieu eerbiedigen en niet bijdragen aan conflicten. Een risicogebaseerd beleid inzake passende zorgvuldigheid behelst de maatregelen die bedrijven moeten nemen om de nadelige effecten die samengaan met hun activiteiten of beslissingen inzake het betrekken van grondstoffen, te bepalen, te voorkomen, te beperken of anderszins aan te pakken. Marktdeelnemers moeten geïnformeerd, effectief en zinvol overleg plegen met getroffen gemeenschappen. Bedrijven kunnen de risico’s als gevolg van hun activiteiten en betrekkingen beoordelen en risicobeperkende maatregelen vaststellen, die erin kunnen bestaan dat aanvullende informatie wordt gevraagd, dat wordt onderhandeld om de situatie recht te zetten, of dat de samenwerking met leveranciers wordt geschorst of verbroken, overeenkomstig de relevante normen uit hoofde van het nationaal en internationaal recht, aanbevelingen van internationale organisaties met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, door de overheid gesteunde instrumenten, vrijwillige initiatieven vanuit de particuliere sector, alsook het interne beleid en de interne systemen van de betreffende bedrijven. Aan de hand van die benadering kan het beleid inzake passende zorgvuldigheid worden afgestemd op het volume van de activiteiten van het bedrijf of de verhoudingen binnen de toeleveringsketen. |
|
(85) |
Hoewel regelingen van de particuliere sector inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers kunnen steunen bij het vervullen van hun verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen overeenkomstig de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, moeten de markdeelnemers individueel verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in deze verordening. |
|
(86) |
Er moet een verplicht beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen worden vastgesteld of gewijzigd dat in ieder geval de meest gangbare sociale en milieurisicocategorieën omvat. Dat beleid moet enerzijds betrekking hebben op de huidige en te verwachten gevolgen voor sociale kwesties, met name de mensenrechten, de menselijke gezondheid en de veiligheid van personen, alsook de rechten met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid op het werk, en de arbeidsrechten, en anderzijds op de huidige en te verwachten gevolgen voor het milieu, met name voor het watergebruik, de bodembescherming, de luchtverontreiniging, de klimaatverandering en de biodiversiteit, alsook op de bescherming van het gemeenschapsleven. |
|
(87) |
Wat de categorieën van sociale risico’s betreft, moet beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen gericht zijn op de risico’s ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de menselijke gezondheid, het gemeenschapsleven, waaronder dat van inheemse volken, de bescherming van kinderen en de gendergelijkheid, overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten. Het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet informatie bevatten over de manier waarop de marktdeelnemer een bijdrage heeft geleverd aan het voorkomen van mensenrechtenschendingen en over de bestaande instrumenten in de bedrijfsstructuur die de marktdeelnemer hanteert ter bestrijding van corruptie en omkoping. Het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet voorts de juiste uitvoering waarborgen van de regels van de fundamentele verdragen van de IAO zoals vermeld in bijlage I bij de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid. |
|
(88) |
Mensenrechtenschendingen komen veel voor in grondstofrijke conflict- en hoogrisicogebieden. Daarom verdienen die gebieden specifieke aandacht in het beleid van marktdeelnemers van passende zorgvuldigheid inzake batterijen. Verordening (EU) 2017/821 bevat bepalingen betreffende een indicatieve, niet-uitputtende, regelmatig bijgewerkte lijst van conflict- en hoogrisicogebieden. Die lijst is ook relevant voor de uitvoering van de bepalingen van deze verordening betreffende passende zorgvuldigheid inzake batterijen. |
|
(89) |
Wat de milieurisicocategorieën betreft, moet beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen gericht zijn op de risico’s ten aanzien van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit, overeenkomstig het Verdrag inzake biologische diversiteit, waarin ook rekening wordt gehouden met lokale gemeenschappen en de bescherming en ontwikkeling ervan. Beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet ook gericht zijn op de risico’s ten aanzien van klimaatverandering, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs (24), die op 12 december 2015 is aangenomen uit hoofde van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “VN-Overeenkomst van Parijs”), alsook op onder andere internationale milieuverdragen vallende milieurisico’s. |
|
(90) |
De verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen met betrekking tot de identificatie en beperking van sociale en milieurisico’s die samengaan met het gebruik van grondstoffen die worden gebruikt bij de fabricage van batterijen, moeten bijdragen aan de uitvoering van UNEP-resolutie 4/19 inzake de governance van minerale bronnen, waarin de belangrijke bijdrage van de mijnbouwsector aan de verwezenlijking van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling wordt erkend. |
|
(91) |
Andere rechtshandelingen van de Unie waarin vereisten betreffende passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen zijn vastgelegd, zijn op batterijen van toepassing voor zover er in deze verordening geen specifieke bepalingen zijn met dezelfde doelstelling, van dezelfde aard en met hetzelfde effect die kunnen worden aangepast in het licht van toekomstige wetswijzigingen. Die rechtshandelingen zouden betrekking kunnen hebben op de burgerlijke aansprakelijkheid van ondernemingen voor schade als gevolg van het feit dat zij niet aan de vereisten inzake passende zorgvuldigheid voldoen. Indien de gevolgen op het gebied van de burgerlijke aansprakelijkheid van de in deze verordening vervatte verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen niet of niet voldoende worden geregeld in die rechtshandelingen, moet het mogelijk zijn ze op nationaal niveau te regelen. |
|
(92) |
Voor een aanpassing aan de ontwikkelingen in de waardeketen van batterijen, met inbegrip van veranderingen in de reikwijdte en aard van de sociale en milieurisico’s ter zake, en aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van batterijen en de chemische samenstelling van batterijen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de lijst van grondstoffen en risicocategorieën, de lijst van internationale instrumenten en de verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen. |
|
(93) |
Om de gelijkwaardigheid van de door overheden, brancheorganisaties en groeperingen van belanghebbende organisaties ontwikkelde regelingen inzake passende zorgvuldigheid vast te stellen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. |
|
(94) |
Om de regelingen inzake passende zorgvuldigheid juist, degelijk en samenhangend te kunnen evalueren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met de criteria en de methode om te bepalen of de regelingen inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers in staat stellen aan de eisen inzake passende zorgvuldigheid van deze verordening te voldoen. |
|
(95) |
Geharmoniseerde regels voor afvalstoffenbeheer zijn noodzakelijk om te waarborgen dat producenten en andere marktdeelnemers in alle lidstaten aan dezelfde regels worden onderworpen bij het uitvoeren van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen en om voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in de hele Unie te zorgen. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kan bijdragen tot vermindering van het totale gebruik van hulpbronnen, met name door het genereren van afgedankte batterijen en de nadelige effecten van het beheer van afgedankte batterijen te beperken. Maximaliseren van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en ervoor zorgen dat alle ingezamelde afgedankte batterijen worden gerecycled door middel van processen die gemeenschappelijke minimale recyclingrendementen bereiken, zijn noodzakelijk om hoge niveaus van materiaalterugwinning te bereiken. In haar evaluatie van Richtlijn 2006/66/EG heeft de Commissie geconstateerd dat een van de tekortkomingen van die richtlijn is dat de bepalingen ervan te weinig gedetailleerd zijn, wat leidt tot een ongelijke uitvoering, aanzienlijke belemmeringen voor de werking van de recyclingmarkten en suboptimale niveaus van recycling. Bijgevolg zouden nadere en geharmoniseerde voorschriften voorkomen dat de markt voor de inzameling, verwerking en recycling van afgedankte batterijen wordt verstoord, en zorgen voor een gelijke uitvoering van de voorschriften in de hele Unie. Ook zou de kwaliteit van de door de marktdeelnemers verleende afvalbeheerdiensten zo verder worden geharmoniseerd en zou de werking van de markt voor secundaire grondstoffen worden vergemakkelijkt. |
|
(96) |
Om ervoor te zorgen dat de verplichtingen uit hoofde van deze verordening worden nagekomen en om de naleving van deze verordening door producenten en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid te monitoren en te verifiëren, moeten de lidstaten een of meer bevoegde autoriteiten aanwijzen. |
|
(97) |
Deze verordening bouwt voort op de regels voor afvalbeheer en de algemene beginselen van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (25), die moeten worden aangepast aan de specifieke aard van afgedankte batterijen. Om de inzameling van afgedankte batterijen zo efficiënt mogelijk te organiseren, is het van belang dat dat zowel dicht bij de plaats waar de batterijen worden verkocht als dicht bij de eindgebruiker gebeurt. Afgedankte batterijen moeten gescheiden van andere afvalstromen, zoals metaal, papier en karton, glas, kunststof, hout, textiel en bioafval, worden ingezameld. Ook moet het mogelijk zijn afgedankte batterijen samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en met autowrakken in te zamelen via nationale inzamelingssystemen die zijn opgezet op basis van Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (26) respectievelijk Richtlijn 2000/53/EG. Hoewel Richtlijn 2006/66/EG specifieke regels voor batterijen bevat, is er behoefte aan een coherente en complementaire aanpak, die voortbouwt op de bestaande structuren voor afvalbeheer en die verder harmoniseert. Bijgevolg, en om de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot het afvalbeheer daadwerkelijk in uitvoering te brengen, moeten er verplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waar de batterijen voor het eerst op de markt worden aangeboden. |
|
(98) |
Om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen met betrekking tot de afvalverwerking van de voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aangeboden batterijen, is het noodzakelijk dat in elke lidstaat een register wordt ingesteld en beheerd door de bevoegde autoriteit. De informatie in het register moet toegankelijk zijn voor de entiteiten die betrokken zijn bij het nagaan of de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in acht wordt genomen en wordt gehandhaafd. Dat register moet hetzelfde kunnen zijn als het op grond van Richtlijn 2006/66/EG ingestelde nationale register. Van producenten moet worden vereist dat zij zich registreren zodat de bevoegde autoriteiten over de nodige informatie beschikken om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen. De registratievereisten moeten in de hele Unie worden vereenvoudigd. |
|
(99) |
In het geval van door de overheid beheerde organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, zijn, aangezien zij geen mandaat hebben van de vertegenwoordigde producent, de voorschriften van deze verordening betreffende dergelijke mandaten niet van toepassing. |
|
(100) |
Gezien het beginsel dat de vervuiler betaalt, is het passend producenten verplichtingen op te leggen met betrekking tot het beheer van afgedankte batterijen. In dat verband moet onder producenten worden verstaan elke fabrikant, importeur of distributeur die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, onder meer door middel van overeenkomsten op afstand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7), van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (27), op commerciële basis voor het eerst een batterij levert voor distributie of gebruik, ook wanneer die is ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, op het grondgebied van een lidstaat. |
|
(101) |
De producenten moeten uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dragen voor het beheer van hun batterijen in de eindfase van de levenscyclus. Daarom moeten zij de kosten financieren van de inzameling, de verwerking en de recycling van alle ingezamelde batterijen, het onderzoek naar de samenstelling van het ingezamelde gemengde stedelijk afval, de rapportage over batterijen en afgedankte batterijen, en de informatieverstrekking aan eindgebruikers en afvalverwerkers over batterijen en passend hergebruik en beheer van afgedankte batterijen. De nieuwe regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid uit hoofde van deze verordening zijn bedoeld om voor een hoog niveau van milieu- en gezondheidsbescherming in de Unie te zorgen door de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen te maximaliseren en door ervoor te zorgen dat alle ingezamelde batterijen worden gerecycled via processen met hoge percentages recyclingrendement en materiaalterugwinning gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang. De verplichtingen in verband met uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten gelden voor alle vormen van levering, met inbegrip van verkoop op afstand. De producenten moeten in staat zijn die verplichtingen gezamenlijk uit te voeren, via organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die namens hen de verantwoordelijkheid nemen. De producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid moeten worden gemachtigd en zij moeten aantonen dat zij over de financiële middelen beschikken om de kosten van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te dekken. Bij het vaststellen van administratieve en procedurele regels voor de machtiging van producenten voor individuele naleving en van organisaties voor producentenverantwoordelijkheid voor collectieve naleving moeten de lidstaten een onderscheid kunnen maken tussen processen voor individuele producenten en processen voor organisaties voor producentenverantwoordelijkheid teneinde de administratieve lasten voor individuele producenten te beperken. In dat verband moet het mogelijk zijn om overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG afgegeven vergunningen voor de toepassing van deze verordening als een machtiging te beschouwen. Om verstoring van de interne markt te voorkomen en eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de regeling van de financiële bijdragen die de producenten aan de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid betalen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Afvalverwerkers die de inzameling en verwerking overeenkomstig deze verordening uitvoeren, moeten overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG door de producenten van de betrokken batterijen of door organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die namens hen optreden worden onderworpen aan een selectieprocedure. Wanneer de afvalverwerking plaatsvindt in een andere lidstaat dan die waarin een batterij voor het eerst op de markt wordt aangeboden, moeten de producenten de kosten dekken van de afvalverwerkers in de lidstaat waar de afvalverwerking plaatsvindt. Bij de bespreking van mogelijke voorstellen voor wetgevingshandelingen van de Unie inzake autowrakken en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet de instelling van een grensoverschrijdend mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte batterijen, ook wanneer ze zijn ingebouwd in voertuigen of apparaten, tussen de betrokken marktdeelnemers aan de orde worden gesteld. Voorts moet worden overwogen nog andere maatregelen vast te stellen, zoals informatiebeheer en verificatie-instrumenten, waaronder — waar passend — gemachtigden voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, afvalverwerkers, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, digitale productpaspoorten en producentenregisters, en nationale voertuigregistratiesystemen wanneer het batterijen voor elektrische voertuigen betreft. |
|
(102) |
De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet ook gelden voor marktdeelnemers die een batterij in de handel brengen die het resultaat is van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage. Daarom mag de marktdeelnemer die de batterij oorspronkelijk in de handel heeft gebracht, geen extra kosten dragen die het gevolg kunnen zijn van het afvalbeheer dat voortvloeit uit het latere leven van die batterij. Marktdeelnemers die onder uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen, moeten een kostendelingsmechanisme kunnen instellen op basis van de toerekening van de werkelijke afvalbeheerkosten. |
|
(103) |
Deze verordening is een lex specialis in relatie tot Richtlijn 2008/98/EG voor de minimumeisen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake inzamelings- en recyclingdoelstellingen, terugname door distributeurs en tweede leven. De lidstaten moeten worden verplicht de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vast te stellen waarin deze verordening voorziet, in overeenstemming met Richtlijn 2008/98/EG en met het nationale recht tot omzetting van die richtlijn. Wanneer deze verordening niet voorziet in volledige harmonisatie in hoofdstuk VIII, moeten de lidstaten bovendien aanvullende maatregelen kunnen nemen met betrekking tot die specifieke onderwerpen, mits die nadere regelgeving in overeenstemming is met Richtlijn 2008/98/EG en aansluit op de nationale omzettingswetgeving van die richtlijn en op deze verordening. |
|
(104) |
In deze verordening moet worden bepaald hoe de traceerbaarheid van de in Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad (28) vastgelegde verplichtingen van handelaren moet worden toegepast op onlineplatforms waarop consumenten overeenkomsten op afstand kunnen sluiten met producenten die batterijen aanbieden, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, en op consumenten die zich in de Unie bevinden wat betreft de op grond van deze verordening opgezette producentenregisters. Voor de toepassing van deze verordening moet iedere producent die door middel van overeenkomsten op afstand rechtstreeks aan consumenten die zich in een lidstaat bevinden batterijen aanbiedt, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, worden beschouwd als een handelaar als gedefinieerd in Verordening (EU) 2022/2065. Op grond van die verordening moeten aanbieders van onlineplatforms die binnen het toepassingsgebied van afdeling 4 van hoofdstuk III ervan vallen en die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten met producenten, van die producenten informatie verkrijgen over het producentenregister waarin zij staan geregistreerd, alsook hun registratienummer en een zelfcertificering waardoor zij zich ertoe verbinden te voldoen aan de in deze verordening vastgelegde voorschriften inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De uitvoering van de regels inzake de traceerbaarheid van handelaren voor de onlineverkoop van batterijen is onderhevig aan de in Verordening (EU) 2022/2065 vastgelegde handhavingsregels. |
|
(105) |
Om de hoogwaardige recycling in de toeleveringsketen van batterijen te waarborgen, de toepassing van hoogwaardige secundaire grondstoffen te stimuleren en het milieu te beschermen, moeten afgedankte batterijen op grote schaal worden ingezameld en gerecycled. De inzameling van afgedankte batterijen is een fundamentele cruciale stap voor de terugwinning van waardevolle materialen in batterijen door middel van recycling en voor het behoud van de toeleveringsketen van batterijen binnen de Unie, waardoor de strategische autonomie van de Unie in die sector wordt verhoogd. Dergelijke recycling vergemakkelijkt derhalve ook de toegang tot de teruggewonnen materialen die verder kunnen worden gebruikt voor de fabricage van nieuwe producten. |
|
(106) |
De producenten moeten verantwoordelijk zijn voor de financiering en de organisatie van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen. Zij moeten dat doen door een terugname- en inzamelingsnetwerk en daarmee verband houdende voorlichtingscampagnes op te zetten die het volledige grondgebied van elke lidstaat bestrijken. Een dergelijk netwerk moet zich dicht bij de eindgebruiker bevinden en mag zich niet alleen richten op gebieden waar en batterijen waarvan de inzameling winstgevend is. Het inzamelingsnetwerk moet bestaan uit distributeurs, erkende verwerkingsinrichtingen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en afgedankte voertuigen en openbare voorzieningen, en, op vrijwillige basis, andere marktdeelnemers, zoals overheden en scholen. Teneinde de doeltreffendheid van het inzamelingsnetwerk en de voorlichtingscampagnes daarvoor te controleren en te verbeteren, moeten er regelmatig samenstellingsenquêtes worden gehouden, ten minste op NUTS 2-niveau, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (29), op gemengd stedelijk afval en ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur om de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen daarin te bepalen. |
|
(107) |
Afgedankte batterijen moeten samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur kunnen worden ingezameld via nationale inzamelingssystemen die zijn opgezet op basis van Richtlijn 2012/19/EU en samen met autowrakken overeenkomstig Richtlijn 2000/53/EG. In die gevallen moeten de batterijen, als verplichte minimale verwerkingsvereiste, van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken worden afgezonderd. Na afzondering van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken moeten op de batterijen de vereisten van deze verordening van toepassing zijn. Dergelijke afgedankte batterijen moeten met name worden meegeteld voor het bereiken van de inzamelingsdoelstelling voor die batterijcategorie en de in deze verordening vastgelegde verwerkings- en recyclingvoorschriften moeten erop van toepassing zijn. |
|
(108) |
Gezien de milieueffecten en het verlies van materialen door afgedankte batterijen die niet gescheiden worden ingezameld en daarom niet op een milieuverantwoorde manier worden behandeld, moet de uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG vastgestelde inzamelingsdoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen van toepassing blijven en geleidelijk aan worden verhoogd. Gezien de huidige stijging van de verkoop van batterijen voor lichte vervoermiddelen en aangezien zij een langere levensduur hebben dan draagbare batterijen, is het passend voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen een aparte inzamelingsdoelstelling vast te stellen, die losstaat van de inzamelingsdoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen. Vanwege de verwachte ontwikkeling van de markt voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en draagbare batterijen en de stijging van hun verwachte levensduur, moet de methode voor het berekenen en controleren van inzamelingsdoelstellingen worden geëvalueerd zodat het daadwerkelijke volume afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte draagbare batterijen dat beschikbaar is voor inzameling, beter vastgesteld kan worden. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om die methode te wijzigen en om de inzamelingsdoelstellingen dienovereenkomstig te wijzigen. Het is van cruciaal belang dat een nieuwe “Beschikbaar voor inzameling”-methode het milieuambitieniveau van de huidige methode wat betreft de inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte draagbare batterijen aanhoudt of verhoogt. Op basis van een studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek over alternatieve inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen komt een inzamelingsdoelstelling voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van 51 % uiterlijk op 31 december 2028 en van 61 % uiterlijk op 31 december 2031 — berekend op basis van de hoeveelheden in een lidstaat op de markt aangeboden batterijen voor lichte vervoermiddelen — naar schatting overeen met een inzamelingsdoelstelling voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van 79 % uiterlijk op 31 december 2028 en van 85 % uiterlijk op 31 december 2031, berekend op basis van de in een lidstaat voor inzameling beschikbare hoeveelheden batterijen voor lichte vervoermiddelen. De inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen moeten worden geëvalueerd. Bij een dergelijke evaluatie moet kunnen worden bekeken of het mogelijk is twee subcategorieën draagbare batterijen in te voeren: oplaadbare en niet-oplaadbare, met aparte inzamelingspercentages. De Commissie moet ter begeleiding van die evaluaties een rapport opstellen. |
|
(109) |
Teneinde de inzameling te maximaliseren en de veiligheidsrisico’s te verminderen, moet de Commissie de haalbaarheid en de potentiële voordelen van een statiegeldsysteem voor batterijen, en dan met name voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik, beoordelen. In die beoordeling moeten nationale en geharmoniseerde statiegeldsystemen voor de hele Unie in overweging worden genomen. |
|
(110) |
Het inzamelingspercentage van afgedankte draagbare batterijen moet ook in de toekomst worden berekend op basis van de gemiddelde jaaromzet in de voorgaande jaren, zodat de doelstellingen in verhouding staan tot het niveau van het batterijverbruik in een lidstaat. Om zo goed mogelijk rekening te houden met veranderingen in wat onder de categorie draagbare batterijen valt, alsook met wijzigingen in de levensduur en de consumptiepatronen van batterijen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de methode voor de berekening en controle van het inzamelingspercentage van afgedankte draagbare batterijen, alsook van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen. |
|
(111) |
De verplichting voor de lidstaten om maatregelen te nemen zodat producenten en, indien aangesteld, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen halen, weerspiegelt het algemene beginsel dat de lidstaten de doeltreffendheid van het Unierecht moeten verzekeren. |
|
(112) |
Alle afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten worden ingezameld. Daartoe moeten de producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen worden verplicht om alle afgedankte batterijen van hun respectieve categorie kosteloos terug te nemen van de eindgebruikers. Er moeten uitvoerige rapportageverplichtingen worden vastgesteld voor alle producenten, afvalverwerkers en afvalstoffenhouders die betrokken zijn bij de inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen. |
|
(113) |
Gezien de afvalhiërarchie zoals vastgesteld bij Richtlijn 2008/98/EG, waarin prioriteit wordt gegeven aan preventie, voorbereiding voor hergebruik en recycling, en in overeenstemming met Richtlijn 2008/98/EG en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (30), mogen ingezamelde afgedankte batterijen niet worden verwijderd noch mag er energie uit worden teruggewonnen. |
|
(114) |
Alle vergunde inrichtingen voor verwerking van batterijen moeten voldoen aan minimumeisen om nadelige effecten voor het milieu en de menselijke gezondheid te voorkomen en een hoog terugwinningsniveau van de in de batterijen aanwezige materialen mogelijk te maken. Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (31) regelt een aantal industriële activiteiten op het gebied van de verwerking van afgedankte batterijen, waarvoor die richtlijn voorziet in specifieke vergunningsvoorschriften en controles die de beste beschikbare technieken weerspiegelen. Wanneer industriële activiteiten in verband met de verwerking en recycling van batterijen niet onder Richtlijn 2010/75/EU vallen, moeten marktdeelnemers in ieder geval worden verplicht de beste beschikbare technieken, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10, van die richtlijn, en de specifieke voorschriften van deze verordening toe te passen. De eisen van deze verordening inzake de verwerking en recycling van batterijen moeten door de Commissie waar nodig worden aangepast in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang en opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van die eisen. |
|
(115) |
Er moeten doelstellingen inzake het rendement van recyclingprocessen en materiaalterugwinning worden vastgesteld, om een hoogwaardige materiaalterugwinning voor de batterij-industrie te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor duidelijke en gemeenschappelijke regels voor recyclers en om verstoring van de concurrentie of andere belemmeringen voor het ordelijk functioneren van de interne markt voor secundaire grondstoffen uit afgedankte batterijen te voorkomen. Als maatstaf voor de totale hoeveelheid gerecyclede materialen moeten voor lood-zuurbatterijen, nikkel-cadmium batterijen, lithiumbatterijen en andere batterijen doelstellingen inzake recyclingrendement worden vastgesteld. Er moeten ook doelstellingen inzake materiaalterugwinning worden vastgesteld voor kobalt, lood, lithium en nikkel, teneinde een hoog percentage van materiaalterugwinning in de hele Unie te bereiken. De in Verordening (EU) nr. 493/2012 van de Commissie (32) vastgelegde regels voor de berekening van en de rapportage over het recyclingrendement moeten van toepassing blijven. Teneinde ervoor te zorgen dat de berekeningen en controles van recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages nauwkeurig en betrouwbaar zijn en dat er meer rechtszekerheid is, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de methode voor de berekening en controle van recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages in de recyclingprocessen voor batterijen, en met het model voor de documentatie inzake recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages en inzake bestemming en opbrengst van de uiteindelijke outputfracties, overeenkomstig deel A van bijlage XII. De Commissie moet ook Verordening (EU) nr. 493/2012 evalueren om naar behoren rekening te houden met de technologische ontwikkelingen en veranderingen in industriële terugwinningsprocessen, om het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot bestaande en nieuwe doelstellingen en om instrumenten aan te reiken voor de karakterisering van tussenproducten. Verwerkingsinrichtingen moeten worden aangemoedigd om gecertificeerde milieubeheersystemen in te voeren in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad (33). |
|
(116) |
Het mag enkel mogelijk zijn om de verwerking van afgedankte batterijen buiten de betrokken lidstaat waar het afval is ingezameld of buiten de Unie uit te voeren wanneer de overbrenging van afgedankte batterijen in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (34) en Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie (35) en wanneer de verwerking voldoet aan de eisen die voor dat soort afval gelden, overeenkomstig de indeling ervan in Beschikking 2000/532/EG van de Commissie (36). Die beschikking moet worden herzien om rekening te houden met alle chemische samenstellingen van batterijen, met name de codes voor afgedankte lithiumbatterijen, teneinde een correcte sortering van en de rapportage over dergelijke afgedankte batterijen mogelijk te maken. Deze verordening laat de mogelijke indeling van afgedankte batterijen als gevaarlijke afvalstoffen uit hoofde van Richtlijn 2008/98/EG onverlet. Om te worden meegeteld voor de recyclingrendementen en -doelstellingen, moet, wanneer een dergelijke verwerking buiten de Unie plaatsvindt, de afvalverwerker namens welke die wordt uitgevoerd, worden verplicht aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar die afgedankte batterijen werden ingezameld over die verwerking te rapporteren en te bewijzen dat de verwerking is uitgevoerd onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die uit hoofde van deze verordening en die stroken met ander Unierecht met betrekking tot de menselijke gezondheid en milieubescherming. Om vast te stellen wat de vereisten zijn om een dergelijke verwerking als gelijkwaardig te beschouwen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening door nadere regels vast te stellen met criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige voorwaarden. |
|
(117) |
Wanneer afgedankte batterijen uit de Unie worden uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of recycling, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten effectief gebruikmaken van de bevoegdheden waarin Verordening (EG) nr. 1013/2006 voorziet om schriftelijke bewijzen voor te schrijven om na te gaan of aan de eisen van deze verordening wordt voldaan. |
|
(118) |
Industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die niet meer geschikt zijn voor het oorspronkelijke doel waarvoor ze zijn gefabriceerd, moeten als batterijen voor stationaire energieopslag voor een ander doel kunnen worden gebruikt. Er ontstaat een markt voor gebruikte industriële batterijen en gebruikte batterijen voor elektrische voertuigen en teneinde de praktische uitvoering van de afvalhiërarchie te ondersteunen, moeten er derhalve specifieke regels worden vastgesteld om een verantwoorde herbestemming van gebruikte batterijen mogelijk te maken, waarbij het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen en de gebruiksveiligheid voor de eindgebruikers wordt gewaarborgd. De conditie en de beschikbare capaciteit van dergelijke gebruikte batterijen moeten worden beoordeeld om na te gaan of ze geschikt zijn voor een ander doel dan het oorspronkelijke doel. Batterijen die geschikt worden bevonden voor een ander doel dan hun oorspronkelijke doel, moeten idealiter worden herbestemd. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de vereisten waaraan afgedankte industriële batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten voldoen om niet langer als afval te worden beschouwd, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. |
|
(119) |
Producenten en distributeurs moeten actief worden betrokken bij het verstrekken van informatie aan eindgebruikers met betrekking tot de verplichte gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en de beschikbaarheid van inzamelingssystemen. Zij moeten eindgebruikers ook voorlichten over de belangrijke rol die eindgebruikers spelen om te zorgen voor een uit milieuoogpunt optimaal beheer van afgedankte batterijen. Producenten en distributeurs moeten gebruikmaken van actuele informatietechnologie om alle eindgebruikers informatie te verstrekken en te rapporteren over batterijen. De informatie moet worden verstrekt via de traditionele wegen, zoals buitenreclame, op posters en via campagnes op sociale media, of via innovatievere middelen, zoals de elektronische toegang tot websites via QR-codes die op de batterij zijn aangebracht. De informatie moet overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882 toegankelijk zijn voor personen met een handicap. |
|
(120) |
Om de controle op de nakoming, en de doeltreffendheid, van de verplichtingen inzake de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen te kunnen controleren, moeten marktdeelnemers rapporteren aan de bevoegde autoriteiten. Producenten van batterijen en afvalverwerkers die afgedankte batterijen inzamelen, moeten voor elk kalenderjaar, in voorkomend geval, de gegevens over verkochte batterijen en ingezamelde afgedankte batterijen melden. Wat de verwerking betreft, moeten afvalverwerkers, respectievelijk recyclers, verplicht worden te rapporteren. |
|
(121) |
Voor elk kalenderjaar moeten de lidstaten de Commissie informatie verstrekken over het aantal batterijen dat op hun grondgebied is geleverd en het aantal ingezamelde afgedankte batterijen, per categorie en per chemische samenstelling. Wat afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen betreft, moeten de gegevens afzonderlijk worden gerapporteerd, waardoor de respectieve inzamelingsdoelstellingen kunnen worden aangepast, rekening houdend met het marktaandeel van die batterijen en hun specifieke doel en kenmerken. Die informatie moet elektronisch worden verstrekt en vergezeld gaan van een kwaliteitscontrolerapport. Om eenvormige voorwaarden voor de rapportage over die gegevens en informatie aan de Commissie, alsook voor de controlemethoden, te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. |
|
(122) |
Voor elk kalenderjaar moeten de lidstaten aan de Commissie rapporteren over de behaalde recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages, rekening houdend met alle afzonderlijke stappen van het recyclingproces en de outputfracties. |
|
(123) |
Om de transparantie in de toeleverings- en waardeketen voor alle belanghebbenden te vergroten, moet worden voorzien in een batterijpaspoort dat de uitwisseling van informatie maximaliseert, het traceren van batterijen mogelijk maakt en informatie verschaft over de koolstofintensiteit van hun fabricageprocessen, over de herkomst van de gebruikte materialen, over het eventuele gebruik van hernieuwbare materialen zoals uit lignine geproduceerd materiaal ter vervanging van grafiet, over de batterijsamenstelling, met inbegrip van grondstoffen en gevaarlijke chemische stoffen, over reparatie, herbestemming en ontmanteling, en over de verwerkings-, recycling- en terugwinningsprocessen die aan het einde van hun levensduur op de batterijen kunnen worden toegepast. Het batterijpaspoort moet het publiek informatie verstrekken over in de handel gebrachte batterijen en de duurzaamheidsvereisten ervan. Het moet bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers actuele informatie verstrekken voor de omgang met batterijen, en specifieke marktdeelnemers op maat gesneden informatie verstrekken, onder meer over de conditie van batterijen. Het batterijpaspoort moet de markttoezichtautoriteiten kunnen ondersteunen bij de vervulling van hun taken uit hoofde van deze verordening, maar het mag de verantwoordelijkheden van markttoezichtautoriteiten, die de in batterijpaspoorten verstrekte informatie in lijn met Verordening (EU) 2019/1020 moeten controleren, niet vervangen of wijzigen. |
|
(124) |
Bepaalde informatie in het batterijpaspoort mag niet openbaar zijn, zoals gevoelige commerciële informatie waartoe slechts een beperkt aantal personen met een gerechtvaardigd belang toegang moeten hebben. Dat geldt voor informatie over ontmanteling, met inbegrip van veiligheid, en gedetailleerde informatie met betrekking tot de batterijsamenstelling, die fundamenteel is voor reparateurs, bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers. Het geldt ook voor informatie met betrekking tot afzonderlijke batterijen, die fundamenteel is voor de kopers van de batterij of hun vertegenwoordigers teneinde de batterij ter beschikking te stellen aan onafhankelijke aankoopgroeperingen of energiemarktdeelnemers, om de restwaarde of resterende levensduur voor verder gebruik van de batterij te beoordelen, en de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of de herfabricage van de batterij te faciliteren. Resultaten van testrapporten mogen uitsluitend toegankelijk zijn voor aangemelde instanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie. |
|
(125) |
Het batterijpaspoort moet marktdeelnemers in staat stellen de informatie en gegevens over de afzonderlijke in de handel gebrachte batterijen op een efficiëntere manier te verzamelen en te hergebruiken en beter geïnformeerde keuzes te maken bij hun planningsactiviteiten. Zodra de batterij in de handel wordt gebracht, kan het in sommige gevallen wellicht praktischer zijn dat een andere rechtspersoon, zoals een voertuigfabrikant, de informatie in het paspoort bijwerkt. Daarom moeten de marktdeelnemers die de batterij in de handel brengen, andere marktdeelnemers schriftelijk kunnen machtigen om namens hen op te treden. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de bepalingen voor het batterijpaspoort moet berusten bij de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt. Om eenvormige voorwaarden voor de invoering van het batterijpaspoort te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. |
|
(126) |
Om ervoor te zorgen dat het batterijpaspoort flexibel, dynamisch en marktgestuurd is en mee evolueert met bedrijfsmodellen, markten en innovatie, moet het zijn gebaseerd op een gedecentraliseerd gegevenssysteem dat wordt opgezet en onderhouden door de marktdeelnemers. Om een doeltreffende uitrol van het batterijpaspoort te waarborgen, moeten het technische ontwerp, de gegevensvereisten en de werking van het batterijpaspoort voldoen aan een reeks essentiële technische vereisten. Die vereisten moeten samen worden ontwikkeld met die voor digitale productpaspoorten die gelden krachtens ander Unierecht wat betreft ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Teneinde de doeltreffende uitvoering van die essentiële vereisten te waarborgen, moeten op basis van de beginselen van de Connecting Europe Facility van de Europese Commissie voor het eDelivery-netwerk technische specificaties worden vastgesteld, hetzij in de vorm van geharmoniseerde normen waarvan de verwijzingen in het Publicatieblad van de Europese Unie worden gepubliceerd, hetzij — als alternatief — in de vorm van door de Commissie vastgestelde gemeenschappelijke specificaties. Het technische ontwerp moet ervoor zorgen dat de gegevens in het batterijpaspoort beveiligd zijn op een manier dat de privacyregels in acht worden genomen. |
|
(127) |
Verordening (EU) 2019/1020 bevat de algemene voorschriften voor markttoezicht en controle op producten die in de handel in de Unie worden gebracht of de markt van de Unie binnenkomen vanuit derde landen. Om ervoor te zorgen dat batterijen die vallen onder het vrije verkeer van goederen voldoen aan eisen die een hoog beschermingsniveau bieden voor algemene belangen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, de bescherming van eigendommen en het milieu, en om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, met name wat betreft het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, volledig kunnen worden gehandhaafd, moet Verordening (EU) 2019/1020 ook van toepassing zijn op batterijen en marktdeelnemers die onder deze verordening vallen. Daarom moet bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1020 dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(128) |
Verordening (EU) 2019/1020 verplicht markttoezichtautoriteiten ertoe de kenmerken van producten op toereikende schaal en op passende wijze te controleren. Die verordening verleent de Commissie bevoegdheden om uitvoeringshandelingen vast te stellen teneinde voor bepaalde producten of categorieën producten de eenvormige voorwaarden voor controles, criteria voor het bepalen van de frequentie van de controles en het aantal monsters dat moet worden gecontroleerd, vast te stellen. Indien aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2019/1020 is voldaan, is die bevoegdheidsverlening ook van toepassing op de batterijen die onder deze verordening vallen. |
|
(129) |
Bij Verordening (EU) 2019/1020 zijn nieuwe instrumenten in het leven geroepen om de conformiteit en het markttoezicht te verbeteren, die ook relevant zijn voor batterijen. Overeenkomstig die verordening kan de Commissie een overheidstestfaciliteit van een lidstaat aanwijzen als Unietestfaciliteit voor specifieke productcategorieën of voor specifieke risico’s in verband met een productcategorie. De Commissie moet de batterijen die onder deze verordening vallen, opnemen in haar volgende oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor het aanwijzen van Unietestfaciliteiten op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1267 van de Commissie (37). In Verordening (EU) 2019/1020 is ook bepaald dat markttoezichtautoriteiten gezamenlijke activiteiten kunnen uitvoeren met andere autoriteiten of organisaties die marktdeelnemers of eindgebruikers vertegenwoordigen, teneinde de conformiteit te bevorderen, non-conformiteit op te sporen, het bewustzijn te vergroten en richtsnoeren over specifieke categorieën producten te verstrekken. In die mogelijkheid moet ook worden voorzien met betrekking tot de vereisten van deze verordening. In dat verband zouden de lidstaten of markttoezichtautoriteiten kunnen onderzoeken of kenniscentra voor batterijen kunnen worden opgericht. |
|
(130) |
Batterijen mogen uitsluitend in de handel worden gebracht als ze geen risico vormen voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu wanneer ze worden opgeslagen en gebruikt voor het beoogde doel, of onder gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien, dat wil zeggen wanneer die gebruiksomstandigheden kunnen voortvloeien uit rechtmatig en gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag. |
|
(131) |
Er moet een procedure bestaan om belanghebbende partijen te informeren over de maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot batterijen die een risico voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu vormen. Die procedure moet ook de markttoezichtautoriteiten in de lidstaten in staat stellen om, samen met de betrokken marktdeelnemers, in een vroeg stadium tegen dergelijke batterijen op te treden. Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te bepalen of nationale maatregelen met betrekking tot niet-conforme batterijen al dan niet gerechtvaardigd zijn. |
|
(132) |
Markttoezichtautoriteiten moeten marktdeelnemers kunnen voorschrijven corrigerende maatregelen te nemen wanneer wordt geconstateerd dat een batterij niet aan de eisen van deze verordening voldoet of dat een marktdeelnemer een inbreuk heeft gemaakt op de regels inzake het in de handel brengen of op de markt aanbieden van een batterij, de regels inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering en informatie, of de passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen. |
|
(133) |
Overheidsopdrachten spelen een belangrijke rol bij het verminderen van de effecten van menselijke activiteiten op het milieu en bij het stimuleren van de markttransformatie naar duurzamere producten. Aanbestedende diensten zoals gedefinieerd in Richtlijnen 2014/24/EU (38) en 2014/25/EU (39) van het Europees Parlement en de Raad, en aanbestedende instanties zoals gedefinieerd in Richtlijn 2014/25/EU moeten bij de aankoop van batterijen of producten die batterijen bevatten rekening houden met de milieueffecten en ervoor zorgen dat de marktdeelnemers de sociale en milieu-eisen daadwerkelijk in acht nemen, om de markt voor schone en energie-efficiënte mobiliteit en energieopslag te bevorderen en te stimuleren en aldus bij te dragen aan de doelstellingen van het milieu-, klimaat- en energiebeleid van de Unie. |
|
(134) |
Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen uit hoofde van deze verordening is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (40). Om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad met name alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(135) |
De uitvoeringsbevoegdheden die bij deze verordening aan de Commissie worden toegekend en die geen betrekking hebben op de vaststelling of maatregelen van de lidstaten ten aanzien van niet-conforme batterijen al dan niet gerechtvaardigd zijn, moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (41). |
|
(136) |
De raadplegingsprocedure moet worden gevolgd voor de vaststelling van een uitvoeringshandeling in situaties waarin de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet aan de aanmeldingseisen voldoet, teneinde de aanmeldende autoriteit te verzoeken de nodige corrigerende maatregelen te nemen, alsook, zo nodig, de aanmelding in te trekken. |
|
(137) |
De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen of een nationale maatregel die is genomen met betrekking tot een batterij die conform is en een risico vormt, al dan niet gerechtvaardigd is wanneer in naar behoren gemotiveerde gevallen met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, of de bescherming van eigendommen of het milieu, dwingende redenen van urgentie dat vereisen. |
|
(138) |
De lidstaten moeten regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die regels worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Wanneer sancties worden opgelegd, is het belangrijk terdege rekening te houden met de aard, de ernst, de omvang, de opzet en de herhaling van de inbreuk en met de mate van medewerking van de voor de inbreuk verantwoordelijk geachte natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit. Sancties moeten worden opgelegd overeenkomstig het Unie- en het nationale recht, met inbegrip van de toepasselijke procedurele waarborgen en de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
(139) |
Gezien de noodzaak om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen en rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen op basis van wetenschappelijke feiten, moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport overleggen betreffende de toepassing van deze verordening en de effecten ervan voor het milieu en de werking van de interne markt. De Commissie moet in haar rapport een evaluatie opnemen van de bepalingen inzake duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatiecriteria, van de maatregelen voor het beheer van afgedankte batterijen en van de vereisten inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen. Waar passend moet het rapport vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze verordening. |
|
(140) |
Marktdeelnemers moeten voldoende tijd krijgen om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen en de lidstaten moeten de nodige administratieve infrastructuur voor de toepassing ervan opzetten. De toepassing van deze verordening moet daarom worden uitgesteld tot een datum waarop die voorbereidingen redelijkerwijs kunnen worden afgerond. |
|
(141) |
Teneinde de lidstaten in de gelegenheid te stellen het uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG opgezette register van producenten aan te passen en de nodige bestuursmaatregelen te treffen met betrekking tot de organisatie van de vergunningsprocedures door de bevoegde autoriteiten, met waarborging van de continuïteit voor marktdeelnemers, moet Richtlijn 2006/66/EG met ingang van 18 augustus 2025 worden ingetrokken. De verplichtingen uit hoofde van die richtlijn inzake de monitoring van en de rapportage over het inzamelingspercentage van draagbare batterijen moeten tot en met 31 december 2023 van kracht blijven, en de daaraan gerelateerde verplichtingen inzake de doorgifte van gegevens aan de Commissie tot en met 30 juni 2025, de verplichtingen uit hoofde van die richtlijn inzake de monitoring van en de rapportage over de recyclingrendementen van de recyclingprocessen tot en met 31 december 2025, en de daaraan gerelateerde verplichtingen inzake de doorgifte van gegevens aan de Commissie tot en met 30 juni 2027, teneinde de continuïteit te waarborgen totdat de nieuwe berekeningsregels en rapportageformats door de Commissie uit hoofde van deze verordening zijn vastgesteld. |
|
(142) |
Het is belangrijk dat bij de uitvoering van deze verordening rekening wordt gehouden met de ecologische, sociale en economische gevolgen. Om een gelijk speelveld te waarborgen, is het daarenboven belangrijk dat bij de uitvoering van deze verordening in dezelfde mate rekening wordt gehouden met alle relevante beschikbare technologieën, mits die technologieën het mogelijk maken dat batterijen volledig voldoen aan alle toepasselijke vereisten van deze verordening. Daarnaast mogen marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s, ook het midden- en kleinbedrijf of mkb genoemd), niet te maken krijgen met buitensporige administratieve lasten. |
|
(143) |
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan de werking van de interne markt en de nadelige effecten van batterijen en afgedankte batterijen voorkomen en terugdringen ter wille van een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen en het milieu, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar gezien de noodzaak van harmonisatie beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij deze verordening worden eisen vastgesteld inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie om het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen in de Unie toe te staan. Daarnaast worden minimumeisen vastgesteld voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, voor de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen en voor rapportage.
2. Bij deze verordening worden verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen opgelegd aan marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen. Daarnaast worden eisen inzake groene overheidsopdrachten vastgesteld die gelden bij de inkoop van batterijen of producten waarin batterijen zijn ingebouwd.
3. Deze verordening is van toepassing op alle categorieën batterijen, namelijk draagbare batterijen, start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, batterijen voor elektrische voertuigen en industriële batterijen, ongeacht hun vorm, volume, gewicht, ontwerp, materiaalsamenstelling, chemische samenstelling, gebruik of doel. Zij is ook van toepassing op batterijen die zijn ingebouwd in of zijn toegevoegd aan producten of die specifiek zijn ontworpen om te worden ingebouwd in of toegevoegd aan producten.
Voor de toepassing van hoofdstuk II worden in de handel gebrachte batterijen, wanneer zij in meer dan één categorie kunnen worden ondergebracht, geacht te vallen onder de categorie waarop de strengste eisen van toepassing zijn.
4. Indien batterijcellen of batterijmodules voor eindgebruik op de markt worden aangeboden zonder dat zij in een groter batterijpak of in batterijen zijn opgenomen of daartoe zijn samengesteld, worden zij geacht in de handel te zijn gebracht als batterijen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen en zijn daarop de eisen van toepassing die gelden voor de meest soortgelijke batterijcategorie. Indien die batterijcellen of batterijmodules in meer dan één categorie kunnen worden ondergebracht, worden zij geacht te vallen onder de categorie waarop de strengste eisen van toepassing zijn.
5. Deze verordening is niet van toepassing op batterijen die zijn ingebouwd in, of specifiek zijn ontworpen om te worden ingebouwd in:
|
a) |
apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van de lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, met uitzondering van producten die niet voor specifieke militaire doeleinden zijn bestemd, en |
|
b) |
apparatuur bestemd om de ruimte ingestuurd te worden. |
6. De hoofdstukken III en VIII van deze verordening zijn niet van toepassing op apparatuur die specifiek is ontworpen voor de veiligheid van kerninstallaties, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (42).
Artikel 2
Doelstellingen
De doelstellingen van deze verordening zijn het bijdragen tot de efficiënte werking van de interne markt en tegelijkertijd het voorkomen en beperken van de nadelige effecten van batterijen voor het milieu, en het beschermen van het milieu en de menselijke gezondheid door de nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afgedankte batterijen te voorkomen en te beperken.
Artikel 3
Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“batterij”: elk toestel dat door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie levert, met interne of externe opslag, en dat bestaat uit een of meer niet-oplaadbare of oplaadbare batterijcellen, -modules of -pakken, en omvat ook een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd; |
|
2) |
“batterijpak”: een set batterijcellen of -modules die onderling verbonden zijn of voorzien zijn van een buitenverpakking, om een volledige eenheid te vormen die niet bedoeld is om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend; |
|
3) |
“batterijmodule”: een set batterijcellen die onderling verbonden zijn of voorzien zijn van een buitenverpakking, om de cellen te beschermen tegen externe factoren, en die bedoeld is om afzonderlijk of in combinatie met andere modules te worden gebruikt; |
|
4) |
“batterijcel”: de functionele basiseenheid in een batterij die een samenstelling is van elektroden, elektrolyt, een behuizing, aansluitingen en, indien van toepassing, separatoren, en die de actieve materialen bevat waarvan de reactie elektrische energie opwekt; |
|
5) |
“actief materiaal”: materiaal dat chemisch reageert om elektrische energie op te wekken wanneer de batterijcel ontlaadt of om elektrische energie op te slaan wanneer de batterij wordt opgeladen; |
|
6) |
“niet-oplaadbare batterij”: een batterij die niet is ontworpen om elektrisch te worden opgeladen; |
|
7) |
“oplaadbare batterij”: een batterij die is ontworpen om elektrisch te worden opgeladen; |
|
8) |
“batterij met externe opslag”: een batterij die specifiek is ontworpen opdat de energie ervan uitsluitend wordt opgeslagen in één of meer aangesloten externe voorzieningen; |
|
9) |
“draagbare batterij”: een batterij die is afgedicht, niet meer dan 5 kg weegt, niet specifiek is ontworpen voor industrieel gebruik en die geen batterij voor een elektrisch voertuig, geen licht vervoermiddel en geen start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij is; |
|
10) |
“draagbare batterij voor algemeen gebruik”: draagbare batterij, al dan niet oplaadbaar, die specifiek is ontworpen om interoperabel te zijn, in een van de volgende meest gebruikelijke modellen: 4,5 Volt (3R12), knoopcel, D, C, AA, AAA, AAAA, A23, 9 Volt (PP3); |
|
11) |
“batterij voor lichte vervoermiddelen”: batterij die afgedicht is, niet meer dan 25 kg weegt, en specifiek ontworpen is om elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van een voertuig op wielen dat uitsluitend door een elektromotor of door een combinatie van motor en menselijke kracht kan worden aangedreven, waaronder voertuigen van categorie L waarvoor typegoedkeuring is verleend in de zin van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad (43), en die geen batterij voor een elektrisch voertuig is; |
|
12) |
“start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij”: een batterij die specifiek is ontworpen om elektrische stroom te leveren voor het starten, de verlichting of de ontsteking, en die ook kan worden gebruikt voor hulp- of reservefuncties in voertuigen, andere vervoermiddelen of machines; |
|
13) |
“industriële batterij”: een batterij die specifiek is ontworpen voor industrieel gebruik of bestemd is voor industrieel gebruik na te zijn voorbereid voor herbestemming of na te zijn herbestemd, of elke andere batterij die meer dan 5 kg weegt en geen batterij voor elektrische voertuigen, batterij voor lichte vervoermiddelen of start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij is; |
|
14) |
“batterij voor elektrische voertuigen”: batterij die specifiek is ontworpen om elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van hybride of elektrische voertuigen van categorie L waarvoor typegoedkeuring is verleend in de zin van Verordening (EU) nr. 168/2013 en meer dan 25 kg weegt of die specifiek ontworpen is de elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van hybride of elektrische voertuigen van de categorieën M, N en O zoals bepaald in Verordening (EU) 2018/858; |
|
15) |
“batterijsysteem voor stationaire energieopslag”: industriële batterij met interne opslag die specifiek is ontworpen om elektrische energie van het elektriciteitsnet op te slaan en aan het elektriciteitsnet te leveren, of om elektrische energie op te slaan voor de eindgebruiker en aan de eindgebruiker te leveren, ongeacht waar of door wie de batterij wordt gebruikt; |
|
16) |
“in de handel brengen”: het voor het eerst op de markt van de Unie aanbieden van een batterij; |
|
17) |
“op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een batterij met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie; |
|
18) |
“in gebruik nemen”: het eerste gebruik, voor het beoogde doel, van een batterij in de Unie, zonder voordien in de handel te zijn gebracht; |
|
19) |
“batterijmodel”: versie van een batterij waarvan alle exemplaren dezelfde technische kenmerken vertonen die van belang zijn voor de in deze verordening vastgelegde eisen inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie, en die dezelfde modelaanduiding dragen; |
|
20) |
“batterij die een risico vormt”: batterij die nadelige effecten kan hebben op de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu, in een mate die verder gaat dan wat redelijk en aanvaardbaar wordt geacht in verhouding tot het beoogde gebruik van de batterij of bij normale of redelijkerwijs voorzienbare gebruiksomstandigheden van de betrokken batterij, met inbegrip van de gebruiksduur, en, indien van toepassing, tot de ingebruikneming, installatie en onderhoudseisen ervan; |
|
21) |
“koolstofvoetafdruk”: de som van broeikasgasemissies en verwijderingen van broeikasgassen in een productsysteem, uitgedrukt in equivalenten koolstofdioxide en gebaseerd op een onderzoek naar de milieuvoetafdruk van producten (Product Environmental Footprint — PEF), waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van de effectcategorie klimaatverandering; |
|
22) |
“marktdeelnemer”: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur of de fulfilmentdienstverlener of een andere natuurlijke of rechtspersoon voor wie verplichtingen gelden ten aanzien van de fabricage, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of de herfabricage van batterijen, het op de markt aanbieden of in de handel brengen van batterijen, ook online, of de ingebruikneming van batterijen overeenkomstig deze verordening; |
|
23) |
“onafhankelijke marktdeelnemer”: natuurlijke of rechtspersoon die onafhankelijk is van de fabrikant en de producent en die direct of indirect betrokken is bij de reparatie, het onderhoud of de herbestemming van batterijen, met inbegrip van afvalverwerkers, reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, gereedschap of reserveonderdelen, alsook uitgevers van technische informatie, organisaties die keurings- en testdiensten aanbieden, organisaties die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van apparatuur voor door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen; |
|
24) |
“QR-code”: een machineleesbare matrixcode die aan informatie over een batterijmodel is gekoppeld, zoals op grond van deze verordening is vereist; |
|
25) |
“batterijbeheersysteem”: elektronisch toestel dat de elektrische en thermische functies van een batterij regelt of beheert teneinde de veiligheid, prestaties en levensduur ervan te waarborgen, dat de gegevens voor de parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van de batterij, zoals vastgelegd in bijlage VII, beheert en opslaat en dat communiceert met het voertuig, lichte vervoermiddel of apparaat waarin de batterij is ingebouwd, of met een openbare of particuliere oplaadinfrastructuur; |
|
26) |
“apparaat”: elektrische of elektronische apparatuur, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/19/EU, die geheel of gedeeltelijk door een batterij wordt gevoed of kan worden gevoed; |
|
27) |
“laadniveau”: de beschikbare energie in een batterij, uitgedrukt als percentage van haar nominale capaciteit als aangegeven door de fabrikant; |
|
28) |
“conditie”: een maatstaf voor de algemene toestand van een oplaadbare batterij en het vermogen ervan om de gespecificeerde prestaties te leveren in vergelijking met de oorspronkelijke toestand; |
|
29) |
“voorbereiding voor hergebruik”: het voorbereiden voor hergebruik zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 16, van Richtlijn 2008/98/EG; |
|
30) |
“voorbereiding voor herbestemming”: een handeling waarmee een afgedankte batterij of onderdelen daarvan worden voorbereid om te worden gebruikt voor een ander doel of een andere toepassing dan die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen; |
|
31) |
“herbestemming”: een handeling die tot gevolg heeft dat een batterij die geen afgedankte batterij is, of onderdelen daarvan, worden gebruikt voor een ander doel of een andere toepassing dan die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen; |
|
32) |
“herfabricage”: een technische handeling die wordt uitgevoerd op een gebruikte batterij, waaronder de demontage en beoordeling van alle batterijcellen en -modules ervan, en het gebruik van een bepaald aantal nieuwe, gebruikte of uit afvalstoffen teruggewonnen batterijcellen en -modules, of andere batterijonderdelen, om de batterijcapaciteit te herstellen tot ten minste 90 % van de oorspronkelijke nominale batterijcapaciteit, en waarbij de conditie van alle afzonderlijke batterijcellen onderling niet meer dan 3 % verschilt, en die ertoe leidt dat de batterij wordt gebruikt voor hetzelfde doel of dezelfde toepassing als die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen; |
|
33) |
“fabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die een batterij fabriceert of een batterij laat ontwerpen of fabriceren en die onder eigen naam of merk verhandelt of voor eigen gebruik in gebruik neemt; |
|
34) |
“technische specificaties”: een document dat technische eisen voorschrijft waaraan een product, proces of dienst moet voldoen; |
|
35) |
“geharmoniseerde norm”: een norm zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), c), van Verordening (EU) nr. 1025/2012; |
|
36) |
“CE-markering”: een markering waarmee een fabrikant aangeeft dat de batterij in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Unie die in het aanbrengen ervan voorziet; |
|
37) |
“accreditatie”: accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008; |
|
38) |
“nationale accreditatie-instantie”: een nationale accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008; |
|
39) |
“conformiteitsbeoordeling”: het proces waarin wordt aangetoond of voldaan is aan de in deze verordening vastgelegde eisen inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, informatie en passende zorgvuldigheid; |
|
40) |
“conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uitvoert, waaronder ijken, testen, certificeren en inspecteren; |
|
41) |
“aangemelde instantie”: een conformiteitsbeoordelingsinstantie die overeenkomstig hoofdstuk V is aangemeld; |
|
42) |
“passende zorgvuldigheid inzake batterijen”: de verplichtingen van een marktdeelnemer met betrekking tot zijn of haar beheersysteem, risicobeheer, externe verificaties en toezicht door aangemelde instanties en de bekendmaking van informatie met het oog op het vaststellen, voorkomen en aanpakken van huidige en potentiële maatschappelijke en milieurisico’s in verband met de aankoop, verwerking en verhandeling van de voor de fabricage van batterijen benodigde grondstoffen en secundaire grondstoffen, ook door leveranciers in de keten en hun dochterondernemingen of onderaannemers; |
|
43) |
“dochteronderneming”: een rechtspersoon via welke de activiteiten worden uitgevoerd van een gecontroleerde onderneming in de zin van artikel 2, lid 1, punt f), van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (44); |
|
44) |
“moederonderneming”: onderneming met een of meer dochterondernemingen onder haar zeggenschap; |
|
45) |
“conflict- en hoogrisicogebieden”: conflict- en hoogrisicogebieden zoals gedefinieerd in artikel 2, punt f), van Verordening (EU) 2017/821; |
|
46) |
“overeenkomst op afstand”: overeenkomst op afstand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU; |
|
47) |
“producent”: een fabrikant, importeur of distributeur, of een andere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, onder meer door middel van overeenkomsten op afstand:
|
|
48) |
“gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid”: een natuurlijke of rechtspersoon die is gevestigd in een lidstaat waarin de producent batterijen in de handel brengt maar waarin die niet is gevestigd, en die door de producent overeenkomstig artikel 8 bis, lid 5, derde alinea, van Richtlijn 2008/98/EG is aangewezen om de verplichtingen van die producent uit hoofde van hoofdstuk VIII van deze verordening na te komen; |
|
49) |
“organisatie voor producentenverantwoordelijkheid”: een rechtspersoon die de nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid financieel of financieel en operationeel organiseert namens meerdere producenten; |
|
50) |
“afgedankte batterij”: een batterij die een afvalstof zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG is; |
|
51) |
“fabricageafval van batterijen”: materialen of voorwerpen die tijdens het fabricageproces van batterijen worden afgestoten, die in hetzelfde proces niet kunnen worden hergebruikt en moeten worden gerecycled; |
|
52) |
“gevaarlijke stof”: een stof die is ingedeeld als gevaarlijk op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1272/2008; |
|
53) |
“verwerking”: elke handeling die wordt verricht met afgedankte batterijen nadat die zijn overgedragen aan een inrichting voor sortering, voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, voorbereiding voor recycling of recycling; |
|
54) |
“voorbereiding voor recycling”: de verwerking van afgedankte batterijen voorafgaand aan elk recyclingproces, waaronder onder meer het opslaan, manipuleren en ontmantelen van batterijpakken of het scheiden van fracties die geen onderdeel zijn van de batterij zelf; |
|
55) |
“vrijwillige-inzamelingspunten”: alle non-profit, commerciële of andere economische ondernemingen of overheidsorganen die op eigen initiatief betrokken zijn bij de gescheiden inzameling van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die zij of andere eindgebruikers genereren, voordat die afgedankte batterijen voor verdere verwerking aan producenten, aan organisaties voor producentenverantwoordelijkheid of aan afvalverwerkers worden bezorgd; |
|
56) |
“afvalverwerker”: een natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve betrokken is bij de gescheiden inzameling of verwerking van afgedankte batterijen; |
|
57) |
“vergunde inrichting”: een inrichting of onderneming die overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG een vergunning heeft om afgedankte batterijen te verwerken; |
|
58) |
“recycler”: een natuurlijke of rechtspersoon die recycling verricht in een vergunde inrichting; |
|
59) |
“levensduur van een batterij”: periode die begint wanneer de batterij wordt gefabriceerd en eindigt wanneer de batterij als afval wordt beschouwd; |
|
60) |
“recyclingrendement”: de verhouding, uitgedrukt in een percentage, die in verband met een recyclingproces wordt verkregen door de massa van de outputfracties die het resultaat zijn van het recyclageproces, te delen door de massa van de inputfractie van de afgedankte batterijen; |
|
61) |
“harmonisatiewetgeving van de Unie”: alle wetgeving van de Unie die de voorwaarden voor het verhandelen van producten harmoniseert; |
|
62) |
“nationale autoriteit”: een goedkeuringsautoriteit of een andere autoriteit die in een lidstaat betrokken is bij en verantwoordelijk is voor markttoezicht met betrekking tot batterijen; |
|
63) |
“gemachtigde”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem of haar specifieke taken te vervullen in verband met de verplichtingen van de fabrikant uit hoofde van de hoofdstukken IV en VI; |
|
64) |
“importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een batterij uit een derde land in de handel brengt; |
|
65) |
“distributeur”: een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een batterij op de markt aanbiedt; |
|
66) |
“unieke identificatiecode”: een unieke reeks karakters ter identificatie van batterijen, waarmee ook een weblink naar het batterijpaspoort kan worden geactiveerd; |
|
67) |
“onlineplatform”: een onlineplatform zoals gedefinieerd in artikel 3, punt i), van Verordening (EU) 2022/2065; |
|
68) |
“elektriciteitsmarktdeelnemer”: een marktdeelnemer zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (45). |
2. Naast de in lid 1 vermelde definities zijn de volgende definities van toepassing:
|
a) |
“afvalstof”, “afvalstoffenhouder”, “afvalstoffenbeheer”, “preventie”, “inzameling”, “gescheiden inzameling”, “regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid”, “hergebruik” en “recycling”, zoals die zijn vastgelegd in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG; |
|
b) |
“markttoezicht”, “markttoezichtautoriteit”, “fulfilmentdienstverlener”, “corrigerende maatregel”, “eindgebruiker”, “terugroepen” en “uit de handel nemen”, alsook “risico” in verband met de eisen van de hoofdstukken I, IV, VI, VII en IX van en bijlagen V, VIII en XIII bij deze verordening, zoals die zijn vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EU) 2019/1020; |
|
c) |
“onafhankelijke aankoopgroepering” en “energieopslag”, zoals die zijn vastgelegd in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/944. |
Artikel 4
Vrij verkeer
1. De lidstaten kunnen het aanbieden of het in gebruik nemen van batterijen die aan deze verordening voldoen niet verbieden, beperken of belemmeren om redenen die verband houden met de duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen die onder de toepassing van deze verordening vallen.
2. De lidstaten verhinderen niet dat op handelsbeurzen, tentoonstellingen, bij demonstraties of soortgelijke evenementen batterijen worden getoond die niet aan deze verordening voldoen, op voorwaarde dat een zichtbaar bord duidelijk aangeeft dat die batterijen niet aan deze verordening voldoen en niet op de markt mogen worden aangeboden of in gebruik mogen worden genomen voordat zij in overeenstemming met deze verordening zijn gebracht. Tijdens demonstraties van dergelijke batterijen neemt de betrokken marktdeelnemer passende maatregelen om de veiligheid van personen te waarborgen.
Artikel 5
Vereisten ten aanzien van duurzaamheid, veiligheid, etikettering en informatie voor batterijen
1. Batterijen mogen alleen in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen als zij voldoen aan:
|
a) |
de in de artikelen 6 tot en met 10 en artikel 12 vastgelegde duurzaamheids- en veiligheidseisen, en |
|
b) |
de in hoofdstuk III vastgelegde etiketterings- en informatievereisten. |
2. Voor aspecten die niet onder de hoofdstukken II en III vallen, geldt voor op grond van lid 1 in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterijen dat zij geen risico voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu mogen vormen.
HOOFDSTUK II
Duurzaamheids- en veiligheidseisen
Artikel 6
Beperkingen voor stoffen
1. Naast de beperkingen die zijn vastgelegd in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en in artikel 4, lid 2, punt a), van Richtlijn 2000/53/EG mogen batterijen geen stoffen bevatten waarvoor in bijlage I bij deze verordening een beperking is opgenomen, tenzij er voldaan is aan de voorwaarden van die beperking.
2. Indien als gevolg van het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen, of als gevolg van de aanwezigheid van een stof in de batterijen bij het in de handel brengen ervan, of tijdens de daaropvolgende fasen van de levenscyclus, waaronder tijdens herbestemming of verwerking van afgedankte batterijen, voor de menselijke gezondheid of het milieu een niet afdoend beheersbaar onaanvaardbaar risico bestaat dat op het niveau van de Unie moet worden aangepakt, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om de beperkingen van bijlage I op grond van de procedure van de artikelen 86, 87 en 88 te wijzigen.
3. Op grond van lid 2 van dit artikel vastgestelde beperkingen zijn niet van toepassing op het gebruik van een stof voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 23), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, die betrekking hebben op batterijen.
4. Indien een op grond van lid 2 van dit artikel vastgestelde beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, worden die vrijstelling en de maximumhoeveelheid vrijgestelde stof in bijlage I bij deze verordening gespecificeerd.
5. De Commissie stelt, bijgestaan door het uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”), uiterlijk op 31 december 2027 een rapport op over zorgwekkende stoffen — dit zijn stoffen met een nadelig effect op de gezondheid van de mens of het milieu, of die het recyclen tot veilige en hoogwaardige secundaire grondstoffen belemmeren —, die in batterijen aanwezig zijn of bij hun fabricage worden gebruikt. De Commissie legt dat rapport voor aan het Europees Parlement en de Raad, licht haar bevindingen daarin toe en beraadt zich op de passende vervolgmaatregelen, waaronder het vaststellen van gedelegeerde handelingen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
Artikel 7
Koolstofvoetafdruk van batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen
1. Voor batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen, wordt voor elk batterijmodel per fabricagefaciliteit een koolstofvoetafdrukverklaring opgesteld overeenkomstig de in de vierde alinea bedoelde uitvoeringshandeling, met daarin ten minste de volgende informatie:
|
a) |
administratieve informatie over de fabrikant; |
|
b) |
informatie over het batterijmodel; |
|
c) |
informatie over de geografische locatie van de fabricagefaciliteit van de batterij; |
|
d) |
de koolstofvoetafdruk van de batterij, berekend als kg koolstofdioxide-equivalent per kWh van de totale hoeveelheid energie die de batterij tijdens haar verwachte levensduur levert; |
|
e) |
de koolstofvoetafdruk van de batterij, gedifferentieerd volgens levenscyclusfase, zoals beschreven in punt 4 van bijlage II; |
|
f) |
het identificatienummer van de EU-conformiteitsverklaring van de batterij; |
|
g) |
een weblink die toegang geeft tot een openbare versie van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in de punten d) en e) bedoelde waarden voor de koolstofvoetafdruk. |
De koolstofvoetafdrukverklaring geldt met ingang van:
|
a) |
18 februari 2025 of, indien dat later is, twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen; |
|
b) |
18 februari 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag; |
|
c) |
18 augustus 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen; |
|
d) |
18 augustus 2030 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag. |
De koolstofvoetafdrukverklaring vergezelt de batterij totdat de verklaring beschikbaar wordt via de in artikel 13, lid 6, bedoelde QR-code.
Uiterlijk op 18 februari 2024 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 februari 2025 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met externe opslag, 18 februari 2027 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 februari 2029 voor industriële batterijen met externe opslag, stelt de Commissie de volgende handelingen vast:
|
a) |
een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van de methode voor de berekening en verificatie van de in de eerste alinea, punt d), bedoelde totale koolstofvoetafdruk van de batterij, in overeenstemming met de essentiële elementen in bijlage II; |
|
b) |
een uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor de in de eerste alinea bedoelde koolstofvoetafdrukverklaring. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
2. Batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen worden voorzien van een opvallend, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar etiket met daarop de in lid 1, eerste alinea, punt d), bedoelde koolstofvoetafdruk van de batterij en de verklaring van de koolstofvoetafdrukprestatieklasse van het desbetreffende batterijmodel per fabricagefaciliteit.
Voor de in de eerste alinea genoemde batterijen blijkt uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat de verklaarde koolstofvoetafdruk en de daarmee samenhangende indeling in een koolstofvoetafdrukprestatieklasse zijn berekend volgens de methode die is vastgelegd in de door de Commissie op grond van lid 1, vierde alinea, punt a), en de vierde alinea, punt a), van dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.
De in de eerste alinea gestelde eisen inzake de koolstofvoetafdrukprestatieklasse gelden met ingang van:
|
a) |
18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen; |
|
b) |
18 augustus 2027 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag; |
|
c) |
18 februari 2030 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen; |
|
d) |
18 februari 2032 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag. |
Uiterlijk op 18 februari 2025 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 augustus 2026 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag, 18 augustus 2028 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 augustus 2030 voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag stelt de Commissie de volgende handelingen vast:
|
a) |
een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklassen. Bij de voorbereiding van die gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de voorwaarden van punt 8 van bijlage II; |
|
b) |
een uitvoeringshandeling tot vaststelling van de modellen voor de in de eerste alinea bedoelde etikettering en het model voor de in die alinea bedoelde verklaring inzake de koolstofvoetafdrukprestatieklasse. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. |
De Commissie beoordeelt om de drie jaar het aantal prestatieklassen en de bijbehorende drempelwaarden overeenkomstig de voorwaarden van punt 8 van bijlage II, en stelt waar passend gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast om het aantal prestatieklassen en de bijbehorende drempelwaarden zodanig te wijzigen dat ze representatief blijven voor de realiteit en de verwachte ontwikkelingen op de markt.
3. Voor batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen blijkt uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat per fabricagefaciliteit de aangegeven waarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus voor het desbetreffende batterijmodel onder de maximale drempelwaarde ligt die is vastgelegd in de op grond van de derde alinea vastgestelde gedelegeerde handeling.
De in de eerste alinea vermelde eis inzake een maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus geldt met ingang van:
|
a) |
18 februari 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen; |
|
b) |
18 februari 2029 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag; |
|
c) |
18 augustus 2031 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen; |
|
d) |
18 augustus 2033 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag. |
Uiterlijk op 18 augustus 2026 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 februari 2028 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met externe opslag, 18 februari 2030 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 februari 2032 voor industriële batterijen met externe opslag stelt de Commissie ter aanvulling van deze verordening een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast waarin de in de eerste alinea bedoelde maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus wordt vastgelegd. Bij de voorbereiding van die gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de toepasselijke voorwaarden van punt 9 van bijlage II.
De invoering van een maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus leidt zo nodig tot een herindeling van de in lid 2 bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklassen.
4. Uiterlijk op 31 december 2030 evalueert de Commissie of het haalbaar is de eisen van dit artikel uit te breiden tot draagbare batterijen, en de eis van lid 3 tot oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van ten hoogste 2 kWh. Daartoe dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in en beraadt zij zich op het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen.
5. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de batterij vóór die handeling reeds in de handel was gebracht of in gebruik was genomen.
Artikel 8
Gehalte aan gerecycled materiaal in industriële batterijen, batterijen voor elektrische voertuigen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen
1. Met ingang van 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in de derde alinea bedoelde gedelegeerde handeling, gaan industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, vergezeld van documentatie met informatie over het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in de actieve materialen aanwezig is en dat uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen werd teruggewonnen, en het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval werd teruggewonnen, voor elk batterijmodel, per jaar en per fabricagefaciliteit.
De eerste alinea is met ingang van 18 augustus 2033 van toepassing op batterijen voor lichte vervoermiddelen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten.
Uiterlijk op 18 augustus 2026 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast ter aanvulling van deze verordening, voor de in de eerste en tweede alinea bedoelde batterijen, met de methode voor de berekening en verificatie van het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in de actieve materialen aanwezig is en dat uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen werd teruggewonnen, en van het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval werd teruggewonnen, en met het model voor de documentatie.
2. Met ingang van 18 augustus 2031 blijkt voor industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat die batterijen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit, in de actieve materialen het volgende minimale procentuele aandeel van respectievelijk kobalt, lithium of nikkel bevat dat werd teruggewonnen uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen, alsook het volgende minimale procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat werd teruggewonnen uit afval:
|
a) |
16 % kobalt; |
|
b) |
85 % lood; |
|
c) |
6 % lithium; |
|
d) |
6 % nikkel. |
3. Met ingang van 18 augustus 2036 blijkt voor industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat die batterijen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit, in de actieve materialen het volgende minimale procentuele aandeel van respectievelijk kobalt, lithium of nikkel bevat dat werd teruggewonnen uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen, alsook het volgende minimale procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat werd teruggewonnen uit afval:
|
a) |
26 % kobalt; |
|
b) |
85 % lood; |
|
c) |
12 % lithium; |
|
d) |
15 % nikkel. |
4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de batterij vóór die handeling reeds in de handel was gebracht of in gebruik was genomen.
5. Na de datum van inwerkingtreding van de uit hoofde van lid 1 vastgestelde gedelegeerde handeling en uiterlijk op 31 december 2028 beoordeelt de Commissie of op basis van de bestaande beschikbaarheid, en de voor 2030 en 2035 voorspelde beschikbaarheid, van uit afval teruggewonnen kobalt, lood, lithium of nikkel, of op basis van het gebrek daaraan en gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang, het passend is de in de leden 2 en 3 vastgelegde doelstellingen te herzien.
Indien zulks op basis van de uit hoofde van de eerste alinea gemaakte beoordeling of vanwege andere ingrijpende veranderingen in batterijtechnologieën met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen gerechtvaardigd en passend is, stelt de Commissie uiterlijk op 18 augustus 2029 een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om de in de leden 2 en 3 vastgelegde doelstellingen te wijzigen.
6. Indien gerechtvaardigd en passend vanwege marktontwikkelingen in verband met de chemische samenstellingen van batterijen met gevolgen voor het soort materialen dat kan worden teruggewonnen, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om deze verordening te wijzigen door aan de leden 2 en 3 van dit artikel, andere materialen toe te voegen dan kobalt, lood, lithium en nikkel, met hun specifieke minimumgehalten aan gerecycled materiaal.
Artikel 9
Prestatie- en duurzaamheidseisen voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik
1. Uiterlijk op 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen draagbare batterijen voor algemeen gebruik, met uitzondering van knoopcellen, aan de minimumwaarden voor de elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters van bijlage III zoals vastgelegd in de op grond van lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling.
2. Uiterlijk op 18 augustus 2027 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van verplichte minimumwaarden voor de in bijlage III vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik, met uitzondering van knoopcellen.
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in de eerste alinea bedoelde minimumwaarden te wijzigen of elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters toe te voegen aan de in bijlage III vastgelegde parameters in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
Bij de voorbereiding van de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de noodzaak om de milieueffecten van draagbare batterijen voor algemeen gebruik tijdens de levenscyclus te verminderen, onder meer door de hulpbronnenefficiëntie ervan te vergroten, en houdt zij rekening met de desbetreffende internationale normen en etiketteringsregelingen.
De Commissie zorgt er ook voor dat de bepalingen van de in de eerste alinea genoemde gedelegeerde handeling geen significant nadelig effect hebben op de veiligheid en werking van die batterijen of de apparaten, op lichte vervoermiddelen of andere voertuigen waarin die batterijen zijn ingebouwd, op de betaalbaarheid en de kosten voor eindgebruikers en op het concurrentievermogen van de sector.
3. Uiterlijk op 31 december 2030 beoordeelt de Commissie de haalbaarheid van maatregelen om niet-oplaadbare draagbare batterijen voor algemeen gebruik geleidelijk uit te bannen met het oog op het minimaliseren van de milieueffecten ervan, op basis van de levenscyclusanalysemethode en betaalbare alternatieven voor eindgebruikers. Daartoe dient de Commissie een rapport in bij het Europees Parlement en de Raad en beraadt zij zich over het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen voor de geleidelijke uitbanning of voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp.
Artikel 10
Prestatie- en duurzaamheidseisen voor oplaadbare industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen
1. Met ingang van 18 augustus 2024 gaan oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor elektrische voertuigen vergezeld van een document waarin waarden zijn opgegeven voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.
Voor de in de eerste alinea bedoelde batterijen bevat de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie een toelichting op de technische specificaties, normen en voorwaarden die zijn gebruikt om de waarden voor de elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters te meten, te berekenen of te ramen. Die toelichting omvat ten minste de in bijlage IV, deel B, vastgelegde elementen.
2. Met ingang van 18 augustus 2027 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 5, eerste alinea, bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, aan de minimumwaarden die in de door de Commissie op grond van lid 5, eerste alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling zijn opgenomen voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.
3. Met ingang van 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 5, tweede alinea, bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen batterijen voor lichte vervoermiddelen aan de minimumwaarden die in de door de Commissie op grond van lid 5, tweede alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling zijn opgenomen voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.
4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de marktdeelnemer die die batterijen in de handel brengt of in gebruik neemt, aantoont dat de batterijen, voordat ze dergelijke handelingen ondergaan, in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn genomen vóór de data waarop die verplichtingen overeenkomstig die leden van toepassing worden.
5. Uiterlijk op 18 februari 2026 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om deze verordening aan te vullen met minimumwaarden voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters waaraan oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, moeten voldoen.
Uiterlijk op 18 februari 2027 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van minimumwaarden voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters waaraan batterijen voor lichte vervoermiddelen moeten voldoen.
Bij de voorbereiding van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de noodzaak om de milieueffecten van oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, en van batterijen voor lichte vervoermiddelen, te beperken en zorgt zij ervoor dat de daarin vastgelegde voorschriften geen significant nadelig effect hebben op de werking van die batterijen of de apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen waarin ze zijn ingebouwd, voor de betaalbaarheid ervan en voor het concurrentievermogen van de sector.
6. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in bijlage IV vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen en de technische en wetenschappelijke vooruitgang, ook, met name, met betrekking tot de technische specificaties van de informele VN/ECE-werkgroep inzake elektrische voertuigen en het milieu.
Artikel 11
Mogelijkheid tot afzondering en vervanging van draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen
1. Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen in de handel brengt, zorgt ervoor dat de eindgebruiker die batterijen gemakkelijk en op elk moment tijdens de levensduur van het product kan afzonderen en vervangen. Die verplichting is uitsluitend van toepassing op volledige batterijen en niet op afzonderlijke cellen of andere onderdelen van dergelijke batterijen.
Een draagbare batterij wordt geacht gemakkelijk te kunnen worden afgezonderd indien ze met in de handel verkrijgbare instrumenten van een product kan worden afgezonderd zonder dat daarvoor gespecialiseerd gereedschap — tenzij dat gratis bij het product wordt geleverd —, door eigendomsrechten beschermd gereedschap, thermische energie of oplosmiddelen om het product te demonteren nodig zijn.
Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen in de handel brengt, zorgt ervoor dat die producten vergezeld gaan van instructies en veiligheidsinformatie voor het gebruik, de afzondering en de vervanging van de batterijen. Die instructies en veiligheidsinformatie worden permanent online beschikbaar gesteld op een openbare website, en zijn voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen.
Dit lid geldt onverminderd specifieke bepalingen over de mogelijkheid tot afzondering en vervanging van draagbare batterijen door eindgebruikers die een hoger beschermingsniveau garanderen voor het milieu en de menselijke gezondheid, en die zijn vastgelegd in Unierecht over elektrische en elektronische apparatuur zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/19/EU.
2. In afwijking van lid 1 mogen de volgende producten waarin batterijen zijn ingebouwd zodanig worden ontworpen dat de batterij uitsluitend door onafhankelijke beroepsbeoefenaars kan worden afgezonderd en vervangen:
|
a) |
apparaten die specifiek zijn ontworpen om hoofdzakelijk te worden gebruikt in een omgeving die regelmatig aan opspattend water, waterstromen of onderdompeling wordt blootgesteld en die bedoeld zijn afwasbaar of spoelbaar te zijn; |
|
b) |
professioneel medisch beeldmateriaal en instrumentarium voor radiotherapie, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2017/745, en medische hulpmiddelen bestemd voor in-vitrodiagnostiek zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2), van Verordening (EU) 2017/746. |
De in punt a) vastgelegde afwijking is alleen van toepassing indien deze nodig is om de veiligheid van de gebruiker en het apparaat te garanderen.
3. De in lid 1 vastgelegde verplichtingen zijn niet van toepassing indien continuïteit van de stroomvoorziening noodzakelijk is en een permanente verbinding tussen het product en de respectieve draagbare batterij vereist is om redenen van veiligheid van de gebruiker of het apparaat of, bij producten waarmee hoofdzakelijk gegevens worden verzameld en verstrekt, om redenen inzake gegevensintegriteit.
4. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen teneinde lid 2 van dit artikel te wijzigen door meer producten vrij te stellen van in lid 1 van dit artikel opgenomen eisen inzake de mogelijkheid tot afzondering en vervanging. Dergelijke gedelegeerde handelingen worden uitsluitend vastgesteld op basis van marktontwikkelingen en technische en wetenschappelijke vooruitgang, en voor zover er gegronde bezorgdheid bestaat over de veiligheid van eindgebruikers die de draagbare batterij afzonderen of vervangen, dan wel in gevallen waar het risico bestaat dat het afzonderen of vervangen door eindgebruikers een inbreuk zou kunnen vormen op veiligheidsvoorschriften van het toepasselijke Unierecht.
5. Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde batterijen voor lichte vervoermiddelen in de handel brengt, zorgt ervoor dat een onafhankelijke beroepsbeoefenaar die batterijen, ook de afzonderlijke batterijcellen van een batterijpak, gemakkelijk en op elk moment tijdens de levensduur van het product kan afzonderen en vervangen.
6. Voor de toepassing van de leden 1 en 5 wordt een draagbare batterij of een batterij voor een licht vervoermiddel geacht gemakkelijk vervangbaar te zijn wanneer die, nadat ze van een apparaat of een licht vervoermiddel is afgezonderd, vervangen kan worden door een andere compatibele batterij zonder dat dat de werking, de prestaties of de veiligheid van dat apparaat of dat licht vervoermiddel aantast.
7. Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen of batterijen voor lichte vervoermiddelen in de handel brengt, zorgt ervoor dat die batterijen voor onafhankelijke beroepsbeoefenaars en eindgebruikers minstens vijf jaar nadat de laatste unit van het apparatuurmodel op de markt is gebracht, tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs beschikbaar zijn als reserveonderdelen voor de apparatuur die ze aandrijven.
8. Software wordt niet gebruikt om de vervanging van een draagbare batterij of batterij voor lichte vervoermiddelen, of de hoofdbestanddelen daarvan, door een andere compatibele batterij of hoofdbestanddeel te verhinderen.
9. De Commissie maakt richtsnoeren bekend om de geharmoniseerde toepassing van dit artikel te vergemakkelijken.
Artikel 12
Veiligheid van stationaire batterijsystemen voor energieopslag
1. Stationaire batterijsystemen voor energieopslag die in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, zijn veilig tijdens hun normale werking en gebruik.
2. Uiterlijk op 18 augustus 2024 geldt voor de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie het volgende:
|
a) |
zij toont aan dat de batterijsystemen voor stationaire energieopslag voldoen aan lid 1 en bevat bewijsmateriaal dat die systemen succesvol zijn getest op de in bijlage V vastgelegde veiligheidsparameters, waartoe geavanceerde testmethoden moeten worden ingezet. De veiligheidsparameters zijn slechts van toepassing voor zover een overeenkomstig risico van het desbetreffende specifieke batterijsysteem voor stationaire energieopslag zich voordoet wanneer het onder de door de fabrikant beoogde omstandigheden wordt gebruikt; |
|
b) |
zij bevat een beoordeling van mogelijke veiligheidsrisico’s van het batterijsysteem voor stationaire energieopslag die niet in bijlage V zijn opgenomen; |
|
c) |
zij bevat bewijs dat de in punt b) bedoelde risico’s met succes zijn beperkt en getest; geavanceerde testmethoden worden voor dergelijke testen gebruikt; |
|
d) |
zij bevat instructies om de mogelijke gevolgen van geconstateerde risico’s, bijvoorbeeld een brand of een explosie, te verkleinen. |
De technische documentatie wordt geëvalueerd indien een batterij wordt voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, geherfabriceerd of herbestemd.
3. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in bijlage V vastgelegde veiligheidsparameters te wijzigen in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
HOOFDSTUK III
Etiketterings-, markerings- en informatievereisten
Artikel 13
Etikettering en markering van batterijen
1. Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden batterijen voorzien van een etiket met de in bijlage VI, deel A, vastgelegde algemene informatie over batterijen.
2. Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden oplaadbare draagbare batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen voorzien van een etiket met informatie over hun capaciteit.
3. Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden niet-oplaadbare draagbare batterijen voorzien van een etiket met informatie over de minimale gemiddelde levensduur bij gebruik in specifieke toepassingen en van een etiket met de vermelding “niet-oplaadbaar”.
4. Met ingang van 18 augustus 2025 worden alle batterijen gemarkeerd met het symbool voor gescheiden inzameling van batterijen (“symbool voor gescheiden inzameling”), zoals afgebeeld in bijlage VI, deel B.
Het symbool voor gescheiden inzameling beslaat ten minste 3 % van de oppervlakte van de grootste zijde van de batterij, tot maximaal 5 × 5 cm.
Bij cilindrische batterijcellen beslaat het symbool voor gescheiden inzameling ten minste 1,5 % van de oppervlakte van de batterij, tot maximaal 5 × 5 cm.
Indien de afmetingen van de batterij dusdanig zijn dat het symbool voor gescheiden inzameling kleiner zou zijn dan 0,47 × 0,47 cm, hoeft de batterij niet met dat symbool te worden gemarkeerd. In plaats daarvan wordt op de verpakking een symbool voor gescheiden inzameling afgedrukt met een afmeting van ten minste 1 × 1 cm.
5. Alle batterijen die meer dan 0,002 % cadmium of meer dan 0,004 % lood bevatten, worden gemarkeerd met het chemische symbool voor het betrokken metaal: Cd of Pb.
Het desbetreffende chemische symbool ter aanduiding van het gehalte aan zware metalen wordt afgedrukt onder het symbool voor gescheiden inzameling en beslaat een oppervlakte van ten minste een kwart van de grootte van dat symbool.
6. Met ingang van 18 februari 2027 worden alle batterijen gemarkeerd met een QR-code, zoals beschreven in bijlage VI, deel C. De QR-code geeft toegang tot:
|
a) |
voor batterijen voor lichte vervoermiddelen, industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor elektrische voertuigen, het batterijpaspoort in overeenstemming met artikel 77; |
|
b) |
voor andere batterijen, de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde toepasselijke informatie, de in artikel 18 bedoelde conformiteitsverklaring, het in artikel 52, lid 3, bedoelde rapport en de in artikel 74, lid 1, punten a) tot en met f), bepaalde informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen; |
|
c) |
voor start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, de hoeveelheid kobalt, lood, lithium of nikkel die wordt teruggewonnen uit afvalstoffen en die aanwezig is in de actieve materialen in de batterij, berekend overeenkomstig artikel 8. |
Die informatie is volledig, actueel en nauwkeurig.
7. De in de leden 1 tot en met 6 bedoelde etiketten en QR-code worden zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de batterij gedrukt of daarin gegraveerd. Wanneer dat vanwege de aard en de afmetingen van de batterij niet mogelijk of niet gegrond is, worden de etiketten en de QR-code aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.
8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening teneinde te voorzien in alternatieve soorten slimme etiketten voor gebruik in plaats van of in aanvulling op de QR-code, met het oog op de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
9. Batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, worden voorzien van nieuwe etiketten of gemarkeerd met markeringen overeenkomstig dit artikel, die informatie bevatten over de statuswijziging ervan overeenkomstig punt 4 van bijlage XIII, welke kan worden geraadpleegd via de QR-code.
10. De Commissie stelt uiterlijk op 18 augustus 2025 uitvoeringshandelingen vast met het oog op de vaststelling van geharmoniseerde specificaties voor de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde etiketteringsvereisten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 14
Informatie over de conditie en de verwachte levensduur van batterijen
1. Met ingang van 18 augustus 2024 bevat het batterijbeheersysteem van batterijsystemen voor stationaire energieopslag, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen actuele gegevens voor de parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van batterijen, zoals vermeld in bijlage VII.
2. Read-only toegang tot de gegevens voor de in bijlage VII vermelde parameters via het in lid 1 bedoelde batterijbeheersysteem wordt te allen tijde, met inachtneming van de intellectuele-eigendomsrechten van de batterijfabrikant, op niet-discriminerende wijze verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon die de batterij rechtmatig heeft aangekocht, met inbegrip van onafhankelijke marktdeelnemers of afvalverwerkers, of derden die namens hen optreden, met het oog op:
|
a) |
het door middel van energieopslag ter beschikking stellen van de batterij aan onafhankelijke aankoopgroeperingen of elektriciteitsmarktdeelnemers; |
|
b) |
het beoordelen van de restwaarde of de resterende levensduur van de batterij en de mogelijkheid voor verder gebruik op basis van de beoordeling van de conditie van de batterij; |
|
c) |
het vergemakkelijken van het voorbereiden voor hergebruik, het voorbereiden voor herbestemming, het herbestemmen of het herfabriceren van de batterij. |
3. Het batterijbeheersysteem omvat een functie voor het resetten van de software voor het geval dat marktdeelnemers die batterijen voorbereiden voor hergebruik, voorbereiden voor herbestemming, herbestemmen of herfabriceren, software voor een ander batterijbeheersysteem moeten uploaden. Indien de software-resetfunctie wordt gebruikt, wordt de fabrikant van de oorspronkelijke batterij niet aansprakelijk gesteld voor iedere aantasting van de veiligheid of de werking van de batterij die kan worden toegeschreven aan na het in de handel brengen van die batterij geüploade software van het batterijbeheersysteem.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen om de in bijlage VII vermelde parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van batterijen te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen en de technische en wetenschappelijke vooruitgang en om te zorgen voor synergie met de parameters van mondiaal technisch reglement nr. 22 van de VN betreffende de duurzaamheid van accu’s in elektrische voertuigen, met inachtneming van de intellectuele-eigendomsrechten van de batterijfabrikant.
5. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing naast de bepalingen van het Unierecht inzake de typegoedkeuring van voertuigen.
HOOFDSTUK IV
Conformiteit van batterijen
Artikel 15
Vermoeden van conformiteit van batterijen
1. Met het oog op de naleving en de controle op de naleving van de eisen voor batterijen, die zijn vastgelegd in de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78 worden er tests, metingen en berekeningen verricht volgens betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende geavanceerde methoden en waarvan de resultaten worden geacht weinig onzeker te zijn, met inbegrip van methoden die zijn opgenomen in normen waarvoor referenties voor dat doel in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.
2. Geharmoniseerde normen simuleren zo veel mogelijk het werkelijke gebruik, met behoud van standaardtests.
3. Batterijen die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78, voor zover die eisen onder dergelijke geharmoniseerde normen of onderdelen daarvan vallen, en, indien van toepassing, voor zover de voor die eisen op grond van de artikelen 9 en 10 vastgestelde minimumwaarden worden bereikt.
Artikel 16
Gemeenschappelijke specificaties
1. In uitzonderlijke gevallen kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gemeenschappelijk specificaties voor de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78 of voor de tests bedoeld in artikel 15, lid 1, indien:
|
a) |
die eisen of tests niet vallen onder geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt; |
|
b) |
de Commissie een of meer Europese normalisatieorganisaties heeft verzocht een geharmoniseerde norm voor die eisen of tests op te stellen, en |
|
c) |
ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:
|
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Bij het opstellen van de ontwerpuitvoeringshandeling tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificaties neemt de Commissie de standpunten van de betrokken instanties of van de deskundigengroep in aanmerking en raadpleegt zij alle belanghebbenden naar behoren.
2. Batterijen die in overeenstemming zijn met gemeenschappelijke specificaties of onderdelen daarvan, worden geacht in overeenstemming te zijn met de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78, voor zover die eisen onder dergelijke gemeenschappelijke specificaties of onderdelen daarvan vallen en, indien van toepassing, voor zover de voor die eisen op grond van de artikelen 9 en 10 vastgestelde minimumwaarden worden bereikt.
3. Wanneer er door een Europese normalisatieorganisatie een geharmoniseerde norm wordt vastgesteld en aan de Commissie wordt voorgesteld met het oog op bekendmaking van de referentie daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie, beoordeelt de Commissie de geharmoniseerde norm in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1025/2012. Wanneer de referentie van een geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, trekt de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen, of delen daarvan die dezelfde in lid 1 bedoelde eisen of tests betreffen, in.
Artikel 17
Conformiteitsbeoordelingsprocedures
1. De conformiteitsbeoordeling van batterijen ten aanzien van de eisen van de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 wordt uitgevoerd volgens een van de volgende procedures:
|
a) |
voor in serie gefabriceerde batterijen:
|
|
b) |
voor niet in serie gefabriceerde batterijen:
|
2. De conformiteitsbeoordeling van batterijen ten aanzien van de eisen van de artikelen 7 en 8 wordt uitgevoerd volgens een van de volgende procedures:
|
a) |
“Module D1 — Kwaliteitsborging van het productieproces”, beschreven in bijlage VIII, deel B, voor in serie gefabriceerde batterijen, of |
|
b) |
“Module G — Conformiteit op basis van eenheidskeuring”, beschreven in bijlage VIII, deel C, voor niet in serie gefabriceerde batterijen. |
3. Een extra conformiteitsbeoordeling van batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, geschiedt volgens “Module A — Interne productiecontrole”, beschreven in bijlage VIII, deel A, met inachtneming van de eisen van de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14.
4. De dossiers en de correspondentie betreffende de procedures voor conformiteitsbeoordeling van de batterijen worden opgesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de aangemelde instantie die de conformiteitsbeoordelingsprocedures uitvoert, gevestigd is, of in een of meer talen die door die instantie wordt of worden aanvaard.
Artikel 18
EU-conformiteitsverklaring
1. In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat is aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.
2. De EU-conformiteitsverklaring heeft de in bijlage IX beschreven modelstructuur, bevat de in de betreffende modules van bijlage VIII vermelde elementen en wordt actueel gehouden. Zij wordt vertaald in de taal of talen die vereist zijn door de lidstaat waar de batterij in de handel wordt gebracht, op de markt wordt aangeboden of in gebruik wordt genomen. Ze wordt in elektronische vorm opgesteld en op verzoek op papier verstrekt.
3. Indien voor een batterij krachtens meer dan één Uniehandeling een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt met betrekking tot al die Uniehandelingen één EU-conformiteitsverklaring opgesteld. In die verklaring worden de betrokken Uniehandelingen en de publicatiereferenties daarvan vermeld.
4. Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen, neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid op zich dat de batterij voldoet aan de eisen van deze verordening.
5. Onverminderd lid 3 kan één enkele EU-conformiteitsverklaring bestaan uit één of meer afzonderlijke EU-conformiteitsverklaringen die reeds in overeenstemming met een andere handeling of andere handelingen van de Unie zijn opgesteld, zulks om de administratieve lasten voor marktdeelnemers te verminderen.
Artikel 19
Algemene beginselen van de CE-markering
Voor de CE-markering gelden de algemene beginselen van artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.
Artikel 20
Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering
1. De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de batterij aangebracht. Indien dat vanwege de aard van de batterij niet mogelijk of niet opportuun is, wordt de markering aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.
2. De CE-markering wordt aangebracht voordat de batterij in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.
3. De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien zulks vereist is uit hoofde van bijlage VIII. Dat identificatienummer wordt door de aangemelde instantie zelf aangebracht of volgens haar instructies door de fabrikant of diens gemachtigde.
4. De CE-markering en het in lid 3 bedoelde identificatienummer kunnen, indien van toepassing, worden gevolgd door pictogrammen of andere markeringen die wijzen op een bijzonder risico of gebruik of op een gevaar in verband met het gebruik, de opslag, de behandeling of het vervoer van de batterij.
5. De lidstaten bouwen voort op bestaande mechanismen om te zorgen voor een correcte toepassing van de voorschriften voor de CE-markering en nemen passende maatregelen in geval van oneigenlijk gebruik van die markering.
HOOFDSTUK V
Aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties
Artikel 21
Aanmelding
De lidstaten melden de conformiteitsbeoordelingsinstanties die bevoegd zijn om krachtens deze verordening conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten, aan bij de Commissie en de andere lidstaten.
Artikel 22
Aanmeldende autoriteiten
1. De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van de naleving van artikel 27.
2. De lidstaten kunnen de beoordeling en het toezicht bedoeld in lid 1 laten uitvoeren door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de bepalingen van die verordening.
3. Indien de aanmeldende autoriteit de beoordeling, de aanmelding of het toezicht bedoeld in lid 1 van dit artikel delegeert of op andere wijze toevertrouwt aan een instantie die geen overheidsinstantie is, is die instantie een rechtspersoon, voldoet zij mutatis mutandis aan de eisen van artikel 23 en heeft zij maatregelen getroffen om de aansprakelijkheid die het gevolg is van haar activiteiten te dekken.
4. De aanmeldende autoriteit is volledig verantwoordelijk voor de taken die de in lid 3 genoemde instantie verricht.
Artikel 23
Eisen voor aanmeldende autoriteiten
1. Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig opgericht dat er zich geen belangenconflicten met conformiteitsbeoordelingsinstanties voordoen.
2. Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn.
3. Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig georganiseerd dat elk besluit in verband met de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt genomen door bekwame personen die niet de beoordeling hebben verricht van de conformiteitsbeoordelingsinstanties die een aanvraag tot aanmelding overeenkomstig artikel 28 hebben ingediend.
4. Een aanmeldende autoriteit verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties, noch biedt zij zulke activiteiten aan, en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie.
5. Een aanmeldende autoriteit waarborgt dat de verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld. Zij wisselt echter informatie over aangemelde instanties uit met de Commissie en met de aanmeldende autoriteiten van andere lidstaten en andere relevante nationale autoriteiten.
6. Een aanmeldende autoriteit beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden en over voldoende financiële middelen om haar taken naar behoren uit te voeren.
Artikel 24
Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties, en van alle wijzigingen daarvan.
De Commissie maakt die informatie openbaar.
Artikel 25
Eisen voor aangemelde instanties
1. Om te kunnen worden aangemeld moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties aan de eisen van de leden 2 tot en met 11 voldoen.
2. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt opgericht uit hoofde van het nationale recht van een lidstaat en heeft rechtspersoonlijkheid.
3. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is een derde partij die onafhankelijk is van de bedrijfswereld en, wat betreft de batterijen die zij beoordeelt, in het bijzonder van batterijfabrikanten, handelspartners van batterijfabrikanten, investeerders met aandelen in de fabricagefaciliteiten van batterijfabrikanten, en van andere aangemelde instanties en de brancheorganisaties en moeder- of dochterondernemingen van de aangemelde instanties.
4. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, importeur, distributeur, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van de door hen beoordeelde batterijen, noch de vertegenwoordiger van een van die partijen. Dat verbod belet echter niet dat beoordeelde batterijen voor activiteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstantie of voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt.
Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, fabriceren, verhandelen, importeren, distribueren, installeren, gebruiken of onderhouden van die batterijen. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld, in het gedrang zouden kunnen brengen. Dat geldt met name voor adviesdiensten.
Een conformiteitsbeoordelingsinstantie zorgt ervoor dat de activiteiten van haar moeder- of zusterondernemingen, dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten.
5. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie en haar personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen personen die belang hebben bij de resultaten van die activiteiten.
6. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingsactiviteiten te verrichten die haar in bijlage VIII zijn toegewezen, alsook periodieke audits overeenkomstig artikel 48, lid 2, en externe verificatie overeenkomstig artikel 51, waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of die taken door de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf of namens haar of onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.
De conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt te allen tijde en voor elke in bijlage VIII vermelde conformiteitsbeoordelingsprocedure, voor elke periodieke audit overeenkomstig artikel 48, lid 2, en voor elke externe verificatie overeenkomstig artikel 51, alsook voor de batterijen waarvoor zij is aangemeld, over:
|
a) |
het nodige personeel met de nodige technische kennis en voldoende relevante ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten; |
|
b) |
de nodige beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures worden gewaarborgd; |
|
c) |
een passend beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen activiteiten die zij als aangemelde instantie verricht, en andere taken; |
|
d) |
de nodige procedures om bij de uitoefening van haar conformiteitsbeoordelingstaken naar behoren rekening te houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin die actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de batterijtechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces. |
Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle vereiste informatie, testapparatuur of -faciliteiten. Dat omvat de vaststelling van en het toezicht op interne procedures, het algemene beleid, gedragscodes of andere interne voorschriften, de toewijzing van personeel aan specifieke taken, en conformiteitsbeoordelingsbesluiten, zonder dat dat aan een onderaannemer of een dochteronderneming wordt gedelegeerd.
7. Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verantwoordelijke personeel beschikt over:
|
a) |
een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld; |
|
b) |
voldoende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en adequate bevoegdheden om die beoordelingen uit te voeren; |
|
c) |
voldoende kennis over en inzicht in de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 en in de artikelen 48 tot en met 52 neergelegde eisen en verplichtingen, de in artikel 15 bedoelde toepasselijke geharmoniseerde normen en de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, en de toepasselijke bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Unie en van het nationale recht; |
|
d) |
de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat conformiteitsbeoordelingen zijn verricht. |
8. De onpartijdigheid van een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, wordt gewaarborgd.
De beloning van de hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, hangt niet af van het aantal uitgevoerde conformiteitsbeoordelingen of van de resultaten daarvan.
9. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie sluit een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht van de aanmeldende lidstaat door de staat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.
10. Het personeel van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de verrichting van de conformiteitsbeoordelingstaken overeenkomstig bijlage VIII, periodieke audits overeenkomstig artikel 48, lid 2, of externe verificatie overeenkomstig artikel 51, behalve ten opzichte van de bevoegde aanmeldende autoriteit en de nationale autoriteiten van de lidstaat waarin de werkzaamheden plaatsvinden. Eigendomsrechten worden beschermd.
11. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie neemt deel aan, of zorgt ervoor dat haar personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van, de desbetreffende normalisatieactiviteiten en de activiteiten van de sectorale coördinatiegroep van aangemelde instanties die is opgericht op grond van artikel 37, en hanteert de door die groep genomen administratieve beslissingen en geproduceerde documenten als algemene richtsnoeren.
Artikel 26
Vermoeden van conformiteit van aangemelde instanties
Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de ter zake doende geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen van artikel 25 te voldoen voor zover de toepasselijke geharmoniseerde normen die eisen dekken.
Artikel 27
Dochterondernemingen van en uitbesteding door aangemelde instanties
1. Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen van artikel 25 voldoet, en brengt zij de aanmeldende autoriteit daarvan op de hoogte.
2. Een aangemelde instantie neemt de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen.
3. Een aangemelde instantie mag uitsluitend met instemming van de klant activiteiten uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.
4. Een aangemelde instantie houdt alle ter zake dienende documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of dochteronderneming en over de door hen uit hoofde van artikel 48, lid 2 en artikel 51 en uit hoofde van bijlage VIII uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.
Artikel 28
Verzoek om aanmelding
1. Een conformiteitsbeoordelingsinstantie dient een verzoek tot aanmelding in bij de aanmeldende autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is.
2. Het verzoek tot aanmelding gaat vergezeld van een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, van de in bijlage VIII beschreven conformiteitsbeoordelingsmodule(s) of van de procedures van artikel 48, lid 2, en artikel 51, en van de batterijen waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie verklaart bevoegd te zijn, evenals een accreditatiecertificaat, indien van toepassing, dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de eisen van artikel 25.
3. Indien de betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie geen accreditatiecertificaat in de zin van lid 2 van dit artikel kan overleggen, verschaft zij de aanmeldende autoriteit alle bewijsstukken die nodig zijn om haar conformiteit met de eisen van artikel 25 te verifiëren en te erkennen en daar geregeld toezicht op te houden, met inbegrip van passende documentatie waaruit blijkt dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie onafhankelijk is in de zin van artikel 25, lid 3.
Artikel 29
Aanmeldingsprocedure
1. Een aanmeldende autoriteit meldt uitsluitend conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die aan de eisen van artikel 25 voldoen.
2. De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de aanmeldende autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van elke in lid 1 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie door middel van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.
3. Bij de aanmelding worden de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s) of de procedures van artikel 48, lid 2, en artikel 51, en de desbetreffende categorieën batterijen en de relevante bekwaamheidsattesten uitvoerig beschreven.
4. Indien een aanmelding niet gebaseerd is op een accreditatiecertificaat als bedoeld in artikel 28, lid 2, verschaft de aanmeldende autoriteit de Commissie en de andere lidstaten de bewijsstukken waaruit de bekwaamheid van de conformiteitsbeoordelingsinstantie blijkt, evenals de regeling die waarborgt dat die instantie regelmatig wordt gecontroleerd en zal blijven voldoen aan de eisen van artikel 25.
5. De betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie verricht de activiteiten van een aangemelde instantie alleen als de Commissie en de andere lidstaten binnen twee weken na de aanmelding indien een accreditatiecertificaat in de zin van artikel 28, lid 2, wordt gebruikt, en binnen twee maanden na de aanmelding indien de in lid 4 van dit artikel bedoelde bewijsstukken worden gebruikt, geen bezwaren hebben ingediend. Uitsluitend een dergelijke conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt voor de toepassing van deze verordening als een aangemelde instantie beschouwd.
6. De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle latere wijzigingen van de in lid 2 bedoelde aanmelding.
Artikel 30
Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties
1. De Commissie kent aan elke aangemelde instantie een identificatienummer toe. Zij kent per instantie slechts één nummer toe, ook als de instantie uit hoofde van diverse Uniehandelingen is aangemeld.
2. De Commissie maakt een lijst van uit hoofde van deze verordening aangemelde instanties openbaar en houdt die bij, onder vermelding van de toegekende identificatienummers en de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld.
Artikel 31
Wijzigingen van de aanmelding
1. Indien een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet meer aan de eisen van artikel 25 voldoet of haar verplichtingen niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, geschorst of ingetrokken afhankelijk van de ernst van het niet naleven van die eisen of verplichtingen. Zij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte.
2. Wanneer een aanmelding op grond van lid 1 wordt beperkt, geschorst of ingetrokken, of wanneer een aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de aanmeldende autoriteit het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.
Artikel 32
Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties
1. De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of met name door marktdeelnemers en andere relevante belanghebbenden in kennis wordt gesteld van een twijfel over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de voor haar toepasselijke eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt.
2. De aanmeldende autoriteit verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.
3. Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.
4. Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoet, stelt zij een uitvoeringshandeling vast waarin de aanmeldende lidstaat wordt verplicht om de nodige corrigerende maatregelen te nemen, alsook, zo nodig de aanmelding in te trekken. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 74, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.
Artikel 33
Operationele verplichtingen van aangemelde instanties
1. Een aangemelde instantie voert conformiteitsbeoordelingen uit volgens de conformiteitsbeoordelingsprocedures van artikel 48, lid 2, artikel 51 of bijlage VIII, zoals bepaald door het toepassingsgebied van de aanmelding overeenkomstig artikel 29.
2. Een aangemelde instantie voert conformiteitsbeoordelingen op evenredige wijze uit, waarbij zij marktdeelnemers niet onnodig belast en naar behoren rekening houdt met de omvang van de onderneming, de sector waarin de onderneming actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de te beoordelen batterij en het massa- of seriële karakter van het productieproces. De aangemelde instantie eerbiedigt hoe dan ook de striktheid en het beschermingsniveau die nodig zijn opdat de batterij en de marktdeelnemers voldoen aan deze verordening.
3. Indien een aangemelde instantie vaststelt dat niet is voldaan aan de toepasselijke eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13, 14, 49 en 50, de in artikel 15 bedoelde overeenkomstige geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of andere technische specificaties, vereist zij van de fabrikant of andere betrokken marktdeelnemer dat die passende corrigerende maatregelen neemt om te anticiperen op een tweede, definitieve conformiteitsbeoordeling, tenzij de tekortkomingen niet kunnen worden verholpen. Indien de tekortkomingen niet kunnen worden verholpen, geeft de aanmeldende instantie het conformiteitscertificaat of het goedkeuringsbesluit niet af.
4. Indien een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na de afgifte van een goedkeuringsbesluit vaststelt dat niet langer aan de eisen wordt voldaan, vereist zij van de fabrikant of de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemer, naargelang het geval, dat die passende corrigerende maatregelen neemt, en schorst zij het goedkeuringsbesluit zo nodig of trekt zij het zo nodig in.
5. Indien er geen corrigerende maatregelen als bedoeld in lid 4 worden genomen of die niet het vereiste effect hebben, wordt het goedkeuringsbesluit door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.
Artikel 34
Beroep tegen besluiten van aangemelde instanties
De lidstaten voorzien in een beroepsprocedure tegen de besluiten van de aangemelde instanties.
Artikel 35
Informatieverplichting voor aangemelde instanties
1. Een aangemelde instantie brengt de aanmeldende autoriteit op de hoogte van:
|
a) |
elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van conformiteitscertificaten of goedkeuringsbesluiten; |
|
b) |
alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor haar aanmelding; |
|
c) |
informatieverzoeken over haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangt; |
|
d) |
op verzoek, de binnen de werkingssfeer van haar aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding. |
2. Een aangemelde instantie verstrekt andere aangemelde instanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde categorieën batterijen verrichten, relevante informatie over kwesties in verband met:
|
a) |
negatieve en, op verzoek, positieve conformiteitsbeoordelingen, en |
|
b) |
elke beperking, schorsing of intrekking van een goedkeuringsbesluit; |
Artikel 36
Uitwisseling van ervaringen en goede praktijken
De Commissie organiseert de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aanmeldingsbeleid.
Artikel 37
Coördinatie van aangemelde instanties
De Commissie zorgt voor passende coördinatie en samenwerking tussen aangemelde instanties in de vorm van een sectorale coördinatiegroep van aangemelde instanties.
Aangemelde instanties nemen rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers aan de werkzaamheden van de sectorale coördinatiegroep deel.
HOOFDSTUK VI
Andere verplichtingen van marktdeelnemers dan die welke worden bepaald in de hoofdstukken VII en VIII
Artikel 38
Verplichtingen van fabrikanten
1. Wanneer fabrikanten een batterij in de handel brengen of in gebruik nemen, ook voor eigen gebruik, zorgen zij ervoor dat de batterij:
|
a) |
is ontworpen en gefabriceerd in overeenstemming met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12 en 14, en vergezeld gaat van duidelijke, begrijpelijke en leesbare instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij in de handel zal worden gebracht of in gebruik zal worden genomen, en |
|
b) |
is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13. |
2. Voordat zij een batterij in de handel brengen of in gebruik nemen, stellen fabrikanten de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie op en voeren zij de in artikel 17 bedoelde relevante conformiteitsbeoordelingsprocedure uit of laten zij die uitvoeren.
3. Wanneer met de in artikel 17 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedure is aangetoond dat de batterij aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen fabrikanten een EU-conformiteitsverklaring op overeenkomstig artikel 18 en brengen zij de CE-markering aan in overeenstemming met de artikelen 19 en 20.
4. Fabrikanten houden de in bijlage IX bedoelde technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende tien jaar na het in de handel brengen of het in gebruik nemen van de batterij ter beschikking van de nationale autoriteiten.
5. Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van een batterij die in serie wordt geproduceerd met deze verordening te blijven waarborgen. Daarbij houden de fabrikanten naar behoren rekening met veranderingen in het productieproces, in het ontwerp of de kenmerken van de batterij en met veranderingen in de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van de batterij is verwezen of aan de hand waarvan de conformiteit van de batterij wordt gecontroleerd.
6. Fabrikanten zorgen ervoor dat batterijen die zij in de handel brengen, voorzien zijn van een identificatie van het model en een partij- of serienummer, of van een productnummer of een ander identificatiemiddel. Indien dat door de omvang of aard van de batterij niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld.
7. Importeurs vermelden op de batterij hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk, hun postadres, met vermelding van één enkel contactpunt, en indien beschikbaar, het webadres en e-mailadres. Indien dat niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld. Die contactgegevens worden gesteld in één of meer talen die eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij in de handel zal worden gebracht of in gebruik zal worden genomen, en zijn duidelijk, begrijpelijk en leesbaar.
8. Fabrikanten bieden toegang tot de gegevens voor de in bijlage VII opgenomen parameters in het in artikel 14, lid 1, bedoelde batterijbeheersysteem, in overeenstemming met de eisen van dat artikel.
9. Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij niet conform een of meer van de toepasselijke eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om de batterij conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen fabrikanten, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
10. Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen fabrikanten medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij weg te nemen.
11. Marktdeelnemers die overgaan tot voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage, en een batterij die een van die handelingen heeft ondergaan, in de handel brengen of in gebruik nemen, worden voor de toepassing van deze verordening als fabrikanten beschouwd.
Artikel 39
Verplichtingen van leveranciers van batterijcellen en batterijmodules
Leveranciers van batterijcellen en batterijmodules verstrekken de nodige informatie en documentatie om aan de eisen van deze verordening te voldoen wanneer zij de batterijcellen of -modules aan een fabrikant leveren. Die informatie en documentatie worden kosteloos verstrekt.
Artikel 40
Verplichtingen van gemachtigden
1. Een fabrikant mag door middel van een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanwijzen.
Het mandaat van de gemachtigde is enkel geldig wanneer het schriftelijk door de gemachtigde is aanvaard.
2. De verplichtingen uit hoofde van artikel 38, lid 1, en de artikelen 48 tot en met 52 en de verplichting om technische documentatie op te stellen maken geen deel uit van het mandaat van de gemachtigde.
3. Een gemachtigde voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het van de fabrikant ontvangen mandaat. De gemachtigde beschikt over de passende middelen om de in het mandaat gespecificeerde taken uit te voeren. De gemachtigde legt op verzoek een kopie van het mandaat aan de markttoezichtautoriteit over in een taal van de Unie die door die markttoezichtautoriteit wordt bepaald. Het mandaat omvat ten minste te volgende taken:
|
a) |
de EU-conformiteitsverklaring, de technische documentatie, het verificatierapport en het goedkeuringsbesluit bedoeld in artikel 51, lid 2, en de in artikel 48, lid 2, bedoelde auditrapporten gedurende een periode van 10 jaar nadat de batterij in de handel is gebracht of in gebruik is genomen ter beschikking houden van de nationale autoriteiten; |
|
b) |
een nationale autoriteit ingevolge een met redenen omkleed verzoek alle nodige informatie en documentatie verstrekken om aan te tonen dat een batterij aan de eisen voldoet. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt; |
|
c) |
op verzoek van de nationale autoriteiten medewerking verlenen aan eventuele maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van batterijen die onder het mandaat van de gemachtigde vallen. |
4. Indien de batterij een risico vertoont, stelt de gemachtigde de markttoezichtautoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis.
Artikel 41
Verplichtingen van importeurs
1. Importeurs brengen uitsluitend batterijen in de handel die voldoen aan de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.
2. Alvorens een batterij in de handel te brengen, controleren importeurs of:
|
a) |
de in bijlage VIII bedoelde EU-conformiteitsverklaring en technische documentatie zijn opgesteld en of de fabrikant de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld in artikel 17 heeft uitgevoerd; |
|
b) |
de batterij is voorzien van de in artikel 19 bedoelde CE-markering en is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13; |
|
c) |
de batterij vergezeld gaat van de op grond van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vereiste documenten en van de instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden, en |
|
d) |
de fabrikant voldoet aan de eisen van artikel 38, leden 6 en 7. |
Indien een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een batterij niet in overeenstemming is met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, brengt die de batterij uitsluitend in de handel nadat zij daarmee in overeenstemming is gebracht. Bovendien brengt de importeur, indien de batterij een risico vertoont, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten daarvan op de hoogte, met een gedetailleerde beschrijving van de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.
3. Importeurs vermelden op de batterij hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk, het postadres, met vermelding van één enkel contactpunt, en indien beschikbaar, het webadres en e-mailadres. Indien dat niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld. De contactgegevens worden gesteld in één of meer talen die gemakkelijk kunnen worden begrepen door eindgebruikers, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden, en zijn duidelijk, begrijpelijk en leesbaar.
4. Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een batterij verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.
5. Indien dat gelet op de risico’s van een batterij passend wordt geacht, voeren importeurs met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en de veiligheid van de consumenten, steekproeven uit op de op de markt gebrachte batterijen, onderzoeken zij klachten, non-conforme batterijen en teruggeroepen batterijen en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dat toezicht.
6. Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebrachte batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om de batterij conform te maken of, naargelang het geval, uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen importeurs, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
7. Importeurs houden gedurende een periode van 10 jaar nadat de batterij in de handel is gebracht een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de nationale autoriteiten en zorgen ervoor dat de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten wordt verstrekt.
8. Importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen importeurs medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte batterijen weg te nemen.
Artikel 42
Verplichtingen van distributeurs
1. Distributeurs die een batterij op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de eisen van deze verordening.
2. Alvorens een batterij op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of:
|
a) |
de producent in het in artikel 55 bedoelde producentenregister staat geregistreerd; |
|
b) |
de batterij is voorzien van de in artikel 19 bedoelde CE-markering en is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13; |
|
c) |
de batterij vergezeld gaat van de op grond van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vereiste documenten en van instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden of in gebruik wordt genomen, en |
|
d) |
de fabrikant en de importeur aan de eisen van respectievelijk artikel 38, leden 6 en 7, en artikel 41, lid 3, hebben voldaan. |
3. Indien een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14 is, brengt die de batterij uitsluitend in de handel nadat zij conform is gemaakt. Indien de batterij een risico vertoont, brengt de distributeur bovendien de fabrikant of de importeur, evenals de markttoezichtautoriteiten daarvan op de hoogte.
4. Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een batterij verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.
5. Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden in batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14 is, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om de batterij conform te maken of, naargelang het geval, uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen distributeurs, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, met een gedetailleerde beschrijving van in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.
6. Distributeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en de documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de artikelen 6 tot en met 10en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen distributeurs medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen op de markt aangeboden batterijen weg te nemen.
Artikel 43
Verplichtingen van fulfilmentdienstverleners
Fulfilmentdienstverleners zorgen voor de batterijen die zij behandelen voor zodanige opslag-, verpakkings-, adresserings- en verzendingsomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.
Onverminderd de in dit hoofdstuk vastgelegde verplichtingen van de betrokken marktdeelnemers, voeren fulfilmentdienstverleners naast de in de eerste alinea bedoelde eis ook de in artikel 40, lid 3, punt c), en artikel 40, lid 4, vermelde taken uit.
Artikel 44
Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs
Een importeur of distributeur wordt beschouwd als fabrikant voor de toepassing van deze verordening en is onderworpen aan de verplichtingen van een fabrikant uit hoofde van artikel 38 in een of meer van de volgende gevallen:
|
a) |
een batterij wordt onder de naam of merk van de importeur of distributeur in de handel gebracht of in gebruik genomen; |
|
b) |
een reeds in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij wordt zodanig gewijzigd door die importeur of distributeur dat de conformiteit met de desbetreffende eisen van deze verordening in het gedrang zou kunnen komen, of |
|
c) |
het gebruiksdoel van een al in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij wordt door die importeur of distributeur gewijzigd. |
Artikel 45
Verplichtingen van marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen
1. Marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen, zorgen ervoor dat het onderzoek, het testen van de prestaties, het verpakken en overbrengen van die batterijen en van de onderdelen van dergelijke batterijen waarop enige van die handelingen zijn verricht, volgens passende kwaliteitsborgings- en veiligheidsinstructies verlopen.
2. Marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen, zorgen ervoor dat de batterij voldoet aan de eisen van deze verordening en aan alle toepasselijke beschermingseisen met betrekking tot het product, het milieu en de menselijke gezondheid en aan de veiligheidseisen inzake het vervoer ervan zoals vastgelegd in ander Unierecht, en houden er rekening mee dat de batterij als gevolg van die handelingen binnen een andere categorie batterijen zou kunnen vallen. Voor herfabricagehandelingen leggen die marktdeelnemers op verzoek de nodige documentatie aan de markttoezichtautoriteiten over om aan te tonen dat de batterij herfabricage in overeenstemming met deze verordening heeft ondergaan.
Artikel 46
Identificatie van marktdeelnemers
1. Op verzoek van een nationale autoriteit verstrekken marktdeelnemers de volgende informatie aan de markttoezichtautoriteiten:
|
a) |
de identiteit van elke marktdeelnemer die een batterij aan hen heeft geleverd; |
|
b) |
de identiteit van elke marktdeelnemer aan wie zij een batterij hebben geleverd, met inbegrip van het aantal en de precieze modellen. |
2. Marktdeelnemers zorgen ervoor dat zij de in lid 1 bedoelde informatie kunnen verstrekken gedurende tien jaar nadat de batterij aan hen is geleverd en gedurende tien jaar nadat zij de batterij hebben geleverd.
HOOFDSTUK VII
Verplichtingen van marktdeelnemers wat betreft beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen
Artikel 47
Toepassingsgebied van dit hoofdstuk
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op marktdeelnemers met een netto-omzet van minder dan 40 miljoen EUR in het boekjaar dat aan het afgelopen boekjaar voorafging, en die geen deel uitmaken van een uit moeder- en dochterondernemingen bestaande groep die op geconsolideerde basis de limiet van 40 miljoen EUR overschrijdt.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien dergelijke batterijen reeds vóór die handelingen in de handel waren gebracht of in gebruik waren genomen.
Dit hoofdstuk geldt onverminderd de bepalingen van het Unierecht betreffende verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid met betrekking tot mineralen en metalen van oorsprong uit conflict- en hoogrisicogebieden.
Artikel 48
Beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen
1. Met ingang van 18 augustus 2025 voldoen marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen, aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel, en in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, en zetten zij daartoe beleidsmaatregelen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen op en voeren die uit.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers laten hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen door een aangemelde instantie overeenkomstig artikel 51 verifiëren (“externe verificatie”) en regelmatig door die aangemelde instantie controleren om te waarborgen dat het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen wordt gehandhaafd en toegepast overeenkomstig de artikelen 49, 50 en 52. De aangemelde instantie verstrekt de gecontroleerde marktdeelnemer een auditrapport.
3. De in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers houden gedurende tien jaar nadat de laatste batterij die uit hoofde van het toepasselijke beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen is gefabriceerd, in de handel is gebracht, documentatie bij waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen, met inbegrip van het verificatierapport en het goedkeuringsbesluit bedoeld in artikel 51, en de auditrapporten bedoeld in lid 2 van dit artikel.
4. Onverminderd de individuele verantwoordelijkheid van marktdeelnemers voor hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, kunnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers met het oog op de naleving van de in de artikelen 48, 49, 50 en 52 neergelegde eisen met andere marktdeelnemers samenwerken, inclusief via de uit hoofde van deze verordening erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid.
5. Uiterlijk op 18 februari 2025 maakt de Commissie richtsnoeren bekend met betrekking tot de toepassing van de in de artikelen 49 en 50 neergelegde eisen inzake passende zorgvuldigheid wat betreft de in bijlage X, punt 2, bedoelde risico’s, en met name in overeenstemming met de in bijlage X, punten 3 en 4, bedoelde internationale instrumenten.
6. Om marktdeelnemers informatie en ondersteuning te bieden bij het nakomen van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid uit hoofde van deze verordening, kunnen de lidstaten afzonderlijk of gezamenlijk specifieke websites, platforms of portalen opzetten en exploiteren.
7. De Commissie kan de in lid 6 bedoelde steunmaatregelen van de lidstaten aanvullen door voort te bouwen op bestaande maatregelen van de Unie ter ondersteuning van passende zorgvuldigheid in de Unie en in derde landen, en kan met nieuwe maatregelen komen om marktdeelnemers te helpen aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen.
8. De Commissie beoordeelt regelmatig of de lijst van grondstoffen en risicocategorieën in bijlage X moet worden bijgewerkt.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:
|
a) |
de lijst van grondstoffen in bijlage X, punt 1, en de lijst van risicocategorieën in bijlage X, punt 2, te wijzigen in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang bij de fabricage en chemische samenstelling van batterijen, alsook in het licht van wijzigingen van Verordening (EU) 2017/821; |
|
b) |
de lijst van internationale instrumenten in bijlage X, punt 3, te wijzigen overeenkomstig de ontwikkelingen in de relevante internationale fora met betrekking tot normen in verband met beleid inzake passende zorgvuldigheid en bescherming van het milieu en sociale rechten; |
|
c) |
de in de artikelen 49 en 50 vastgelegde verplichtingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers te wijzigen in het licht van wijzigingen van Verordening (EU) 2017/821, en de lijst van internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid in bijlage X, punt 4, te wijzigen. |
Artikel 49
Beheersysteem van de marktdeelnemer
1. Alle in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers:
|
a) |
stellen een bedrijfsbeleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen vast met betrekking tot de in bijlage X, punt 1, vermelde grondstoffen en de bijbehorende sociale en milieurisicocategorieën vermeld in bijlage X, punt 2, en delen dat beleid duidelijk mee aan leveranciers en het publiek; |
|
b) |
nemen in hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen normen op die in overeenstemming zijn met de normen die zijn vastgelegd in de internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid die zijn opgenomen in bijlage X, punt 4; |
|
c) |
zorgen ervoor dat hun interne beheersystemen zo zijn gestructureerd dat hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen wordt ondersteund door hun hoogste leidinggevenden verantwoordelijk te maken voor het toezicht op hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, en houden gedurende ten minste tien jaar gegevens bij van die beheersystemen; |
|
d) |
stellen een systeem van controles en transparantie ten aanzien van de toeleveringsketen in en hanteren dat systeem, waaronder een bewakingsketen of traceerbaarheidssysteem waarmee upstream-marktdeelnemers in de toeleveringsketen kunnen worden geïdentificeerd; |
|
e) |
verwerken hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, met inbegrip van hun maatregelen op het gebied van risicobeheer, in contracten en overeenkomsten met leveranciers, en |
|
f) |
stellen een klachtenmechanisme, met inbegrip van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en bewustmaking van risico’s en een herstelmechanisme, in of voorzien in dergelijke mechanismen door middel van samenwerkingsovereenkomsten met andere marktdeelnemers of organisaties of door het gemakkelijker te maken een beroep te doen op een externe deskundige of organisatie, zoals een Europese Ombudsman; dergelijke mechanismen zijn gebaseerd op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten. |
2. Het in lid 1, punt d), bedoelde systeem wordt ondersteund door documentatie die ten minste de volgende informatie bevat:
|
a) |
een beschrijving van de grondstof, met inbegrip van de handelsnaam en de soort; |
|
b) |
de naam en het adres van de leverancier die de in de batterijen aanwezige grondstof heeft geleverd aan de marktdeelnemer die de batterijen met de betrokken grondstof in de handel brengt; |
|
c) |
het land van oorsprong van de grondstof en de markttransacties vanaf de winning van de grondstof tot de levering ervan aan de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt, met inbegrip van de transacties van de onmiddellijke leverancier; |
|
d) |
de hoeveelheden van de grondstof die aanwezig zijn in de batterij die in de handel wordt gebracht, uitgedrukt als percentage of gewicht; |
|
e) |
de externe verificatierapporten die zijn uitgebracht door een aangemelde instantie met betrekking tot de in artikel 50, lid 3, bedoelde leveranciers; |
|
f) |
indien de in punt e) bedoelde rapporten niet beschikbaar zijn en bij een grondstof van oorsprong uit een conflictgebied of een hoogrisicogebied, aanvullende informatie overeenkomstig de specifieke aanbevelingen voor upstream-marktdeelnemers, als beschreven in het OESO-richtsnoer inzake passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden, indien relevant, zoals de mijn van oorsprong, de plaatsen waar de grondstof wordt geconsolideerd, verhandeld en verwerkt, en belastingen, vergoedingen en royalty’s worden betaald. |
De in punt e) van de eerste alinea bedoelde externe verificatierapporten worden door de in artikel 50, lid 3, bedoelde leveranciers beschikbaar gesteld aan de downstream-marktdeelnemers in de toeleveringsketen.
Artikel 50
Verplichtingen inzake risicobeheer
1. De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers:
|
a) |
identificeren en beoordelen het risico van nadelige effecten in hun toeleveringsketen, dat verband houdt met de in bijlage X, punt 2, vermelde risicocategorieën in het kader van hun beheersplan, mede op basis van de op grond van artikel 49 verstrekte informatie en alle andere relevante informatie die hetzij openbaar is, hetzij door belanghebbenden is verstrekt, aan de hand van hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen; |
|
b) |
ontwerpen en hanteren een strategie om in te spelen op de vastgestelde risico’s zodat nadelige effecten worden voorkomen, beperkt en anderszins aangepakt door:
|
2. Wanneer de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers risicobeperkende maatregelen nemen terwijl zij de handel voortzetten of tijdelijk schorsen, overleggen zij met leveranciers en de betrokken belanghebbenden, waaronder lokale en nationale overheidsinstanties, internationale of maatschappelijke organisaties en betrokken derden zoals lokale gemeenschappen, alvorens een strategie voor meetbare risicobeperking vast te stellen in het in lid 1, punt b), iii), van dit artikel bedoelde risicobeheersplan.
3. De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers bepalen en beoordelen de waarschijnlijkheid van nadelige effecten in de in bijlage X, punt 2, vermelde risicocategorieën in hun toeleveringsketen. Die marktdeelnemers stellen de risico’s in hun toeleveringsketen vast en beoordelen die in het kader van hun eigen risicobeheersystemen. Die marktdeelnemers voeren via een aangemelde instantie overeenkomstig artikel 51 externe verificaties van hun eigen passende-zorgvuldigheidsketens uit. Die marktdeelnemers kunnen gebruikmaken van de externe verificatierapporten die op grond van artikel 51, lid 2, door een dergelijke aangemelde instantie zijn uitgebracht met betrekking tot beleidsmaatregelen betreffende passende zorgvuldigheid inzake batterijen dat overeenkomstig dit hoofdstuk wordt uitgevoerd door leveranciers in die keten. Die marktdeelnemers mogen ook die externe verificatierapporten gebruiken om, naargelang het geval, de praktijken inzake passende zorgvuldigheid van die leveranciers te beoordelen.
4. De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers rapporteren de bevindingen van de in lid 3 van dit artikel bedoelde risicobeoordeling aan hun overeenkomstig artikel 49, lid 1, punt c), verantwoordelijk gemaakte hoogste leidinggevenden en voeren de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde strategie uit.
Artikel 51
Externe verificatie van het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen
1. De aangemelde instantie verricht externe verificaties. Dergelijke externe verificaties:
|
a) |
hebben betrekking op alle activiteiten, processen en systemen die marktdeelnemers gebruiken bij het voldoen aan hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid overeenkomstig de artikelen 49, 50 en 52; |
|
b) |
hebben tot doel vast te stellen dat de praktijken van passende zorgvuldigheid van marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen, overeenstemmen met de artikelen 49, 50 en 52; |
|
c) |
omvatten waar nodig controles bij ondernemingen en vergaring van informatie van belanghebbenden; |
|
d) |
vermelden gebieden waarop de marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen, hun praktijken van passende zorgvuldigheid zouden kunnen verbeteren; |
|
e) |
zijn in overeenstemming met de beginselen van onafhankelijkheid, bekwaamheid en verantwoordingsplicht zoals vastgelegd in het OESO-richtsnoer inzake passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden. |
2. De aangemelde instantie brengt een verificatierapport uit over de overeenkomstig lid 1 van dit artikel verrichte activiteiten en de resultaten daarvan. Indien het in artikel 48 bedoelde beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen aan de in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen voldoet, vaardigt de aangemelde instantie een goedkeuringsbesluit uit.
Artikel 52
Bekendmaking van informatie over beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen
1. De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers stellen het in artikel 51 bedoelde verificatierapport en goedkeuringsbesluit, de in artikel 48, lid 2, bedoelde auditrapporten en het beschikbare bewijs van naleving van een door de Commissie overeenkomstig artikel 53 erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid op verzoek ter beschikking van markttoezichtautoriteiten of nationale autoriteiten van de lidstaten.
2. De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers stellen alle relevante informatie die zij hebben verzameld en bewaard op grond van hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, ter beschikking van hun onmiddellijke downstreamafnemers, een en ander met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties.
3. Jaarlijks evalueren de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen en brengen zij er een openbaar rapport over uit, ook op het internet. Dat rapport bevat, in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen vorm waarbij duidelijk is om welke batterijen het gaat, gegevens en informatie over de maatregelen die de marktdeelnemers hebben genomen om te voldoen aan de eisen van de artikelen 49 en 50, waaronder bevindingen inzake aanzienlijke nadelige effecten in de risicocategorieën in bijlage X, punt 2, en de manier waarop die gevolgen zijn aangepakt, alsook een samenvatting van de overeenkomstig artikel 51 uitgevoerde externe verificaties, met inbegrip van de naam van de aangemelde instantie, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties. In dat rapport wordt indien relevant ook ingegaan op de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden met betrekking tot de winning, verwerking en verhandeling van de in batterijen aanwezige grondstoffen.
4. Indien de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers kunnen aantonen dat de in bijlage X, punt 1, vermelde grondstoffen die in de batterij aanwezig zijn, zijn verkregen uit recycling, maken zij hun conclusies voldoende gedetailleerd openbaar, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties.
Artikel 53
Erkenning van regelingen inzake passende zorgvuldigheid
1. regeringen, brancheorganisaties en groeperingen van belanghebbende organisaties die regelingen inzake passende zorgvuldigheid hebben ontwikkeld en daarop toezicht houden (“regelinghouders”), kunnen een aanvraag indienen om hun regelingen inzake passende zorgvuldigheid door de Commissie te laten erkennen. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om te bepalen welke informatie-eisen de aanvraag voor erkenning moet bevatten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. Wanneer de Commissie, op basis van het bewijs dat, en de informatie die, op grond van lid 1 van dit artikel werd verstrekt, vaststelt dat de in dat lid bedoelde regeling inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers in staat stelt aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 te voldoen, stelt zij een uitvoeringshandeling vast waarbij die regeling erkend wordt als zijnde gelijkwaardig met de eisen van deze verordening. Het Centrum voor maatschappelijk verantwoord ondernemen van de OESO wordt geraadpleegd alvorens die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Bij het bepalen of een regeling inzake passende zorgvuldigheid wordt erkend, houdt de Commissie rekening met de verschillende sectorale praktijken die die regeling inhoudt, evenals met de risicogebaseerde benadering en methode die in die regeling worden gebruikt om risico’s te bepalen.
3. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast met de criteria en de methode volgens welke zij overeenkomstig lid 2 van dit artikel bepaalt of marktdeelnemers op grond van regelingen inzake passende zorgvuldigheid aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 kunnen voldoen. Ook gaat de Commissie waar passend regelmatig na of erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid nog steeds voldoen aan de criteria op basis waarvan een besluit is genomen op grond van lid 2 van dit artikel een gelijkwaardigheidserkenning te verlenen.
4. De houder van een regeling inzake passende zorgvuldigheid waarvoor overeenkomstig lid 2 een gelijkwaardigheidserkenning is verleend, stelt de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging of actualisering van die regeling. De Commissie beoordeelt of die wijzigingen of actualiseringen gevolgen hebben voor de gelijkwaardigheidserkenning van die regeling en neemt de nodige maatregelen.
5. Indien er bewijs is van herhaalde of significante gevallen waarbij marktdeelnemers die een overeenkomstig lid 2 van dit artikel erkende regeling toepassen, niet voldoen aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52, gaat de Commissie in overleg met de houder van de erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid na of die gevallen op lacunes in de regeling wijzen.
6. Indien de Commissie vaststelt dat er sprake is van niet-naleving van de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 of van lacunes in een erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid, kan zij de regelinghouder een passende termijn toekennen om corrigerende maatregelen te treffen.
7. Indien de regelinghouder de nodige corrigerende maatregelen niet treft of weigert te treffen en indien de Commissie heeft vastgesteld dat de in lid 6 van dit artikel bedoelde niet-naleving of lacunes de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers die de regeling toepassen, beletten om de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 na te leven, of indien herhaalde of significante gevallen van niet-naleving door marktdeelnemers die een regeling toepassen te wijten zijn aan lacunes in de regeling, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarbij de gelijkwaardigheidserkenning van de regeling wordt ingetrokken. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
8. De Commissie stelt een register van erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid op en houdt dat bij. Dat register wordt op internet openbaar gemaakt.
HOOFDSTUK VIII
Beheer van afgedankte batterijen
Artikel 54
Bevoegde autoriteit
1. De lidstaten wijzen een of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, met name voor het toezicht op en de controle van de naleving door producenten en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid van hun verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.
2. Elke lidstaat kan ook een van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten aanwijzen als contactpunt voor de communicatie met de Commissie op grond van lid 4.
3. De lidstaten stellen de bijzonderheden van de organisatie en activiteiten van de bevoegde autoriteit of autoriteiten vast, met inbegrip van de administratieve en procedurele regels voor:
|
a) |
de registratie van de producenten overeenkomstig artikel 55; |
|
b) |
de goedkeuring van de producenten en de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 58; |
|
c) |
het toezicht op de uitvoering van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 57; |
|
d) |
het verzamelen van gegevens over batterijen en afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 75; |
|
e) |
het beschikbaar stellen van informatie overeenkomstig artikel 76. |
4. Uiterlijk op 18 november 2025 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de namen en adressen van de op grond van lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten. De lidstaten stellen de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis van elke wijziging in de naam of het adres van die bevoegde autoriteiten.
Artikel 55
Producentenregister
1. De lidstaten stellen een producentenregister op teneinde te controleren of producenten de verplichtingen van dit hoofdstuk naleven.
2. Producenten registreren zich in het in lid 1 bedoelde register. Daartoe dienen zij in elke lidstaat waar zij een batterij voor het eerst op de markt aanbieden een registratieaanvraag in.
Producenten dienen de registratieaanvraag in via het in lid 9, punt a), bedoelde elektronische systeem voor gegevensverwerking.
Producenten bieden alleen batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan op de markt van een lidstaat, indien zij of, bij machtiging, hun gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zijn geregistreerd in die lidstaat.
3. De registratieaanvraag bevat de volgende informatie:
|
a) |
de naam, en (indien beschikbaar) de merknamen waaronder de producent in de lidstaat activiteiten ontplooit, en het adres van de producent, met inbegrip van postcode en plaatsnaam, straatnaam en nummer, land, telefoonnummer, in voorkomend geval web- en e-mailadres, met vermelding van één enkel contactpunt; |
|
b) |
de nationale identificatiecode van de producent, met inbegrip van het handelsregisternummer of een gelijkwaardig officieel registratienummer, en het Europese of nationale fiscale identificatienummer; |
|
c) |
de categorie of categorieën batterijen die de producent voor het eerst op de markt wil aanbieden op het grondgebied van een lidstaat, te weten draagbare batterijen, industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, batterijen voor elektrische voertuigen of start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, en hun chemische samenstelling; |
|
d) |
informatie over hoe de producent zijn of haar in artikel 56 neergelegde verantwoordelijkheden nakomt en voldoet aan de eisen uit hoofde van respectievelijk de artikelen 59, 60 en 61:
|
|
e) |
een verklaring van de producent of, in voorkomend geval, van de gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid die is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is. |
4. Onverminderd lid 3 van dit artikel wordt de in punt d) van dat lid bedoelde informatie verstrekt ofwel in de registratieaanvraag uit hoofde van lid 3 van dit artikel, ofwel in de aanvraag om goedkeuring uit hoofde van artikel 58. Een dergelijke aanvraag om goedkeuring bevat ten minste informatie over de afzonderlijke of collectieve nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
5. De lidstaten kunnen al naargelang het geval aanvullende informatie of documenten vragen om het producentenregister efficiënt te gebruiken.
6. Indien een producent overeenkomstig artikel 57, lid 1, een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid heeft aangesteld, zijn de verplichtingen uit hoofde van dit artikel van overeenkomstige toepassing op die organisatie, tenzij anders is bepaald door de lidstaat.
7. Aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel kan namens de producent worden voldaan door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
Indien aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel namens een producent wordt voldaan door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die meer dan één producent vertegenwoordigt, vermeldt die gemachtigde naast de uit hoofde van lid 3 vereiste informatie de naam en de contactgegevens voor elke van de vertegenwoordigde producenten afzonderlijk.
8. De lidstaten kunnen besluiten dat de registratieprocedure op grond van dit artikel en de goedkeuringsprocedure op grond van artikel 58 één enkele procedure vormen, mits de aanvraag voldoet aan de eisen van de leden 3 tot en met 7 van dit artikel.
9. De bevoegde autoriteit:
|
a) |
stelt op zijn website informatie beschikbaar over het aanvraagproces via een elektronisch systeem voor gegevensverwerking; |
|
b) |
keurt registraties goed en kent een registratienummer toe binnen een termijn van hoogstens twaalf weken nadat alle op grond van de leden 2 en 3 vereiste informatie is verstrekt. |
10. De bevoegde autoriteit:
|
a) |
kan bepalingen vaststellen ten aanzien van de eisen en het registratieproces, zonder materiële eisen toe te voegen aan de in de leden 2 en 3 vastgelegde eisen; |
|
b) |
kan producenten een evenredige, op kosten gebaseerde vergoeding aanrekenen voor de verwerking van de in lid 2 bedoelde aanvragen. |
11. De bevoegde autoriteit kan de registratie van de producent weigeren of intrekken indien de in lid 3 bedoelde informatie en de daarbij horende bewijsstukken niet zijn verstrekt of ontoereikend zijn, of indien de producent niet langer voldoet aan de eisen van lid 3, punt d).
De bevoegde autoriteit trekt de registratie van de producent in wanneer die niet langer bestaat.
12. De producent of, in voorkomend geval, de gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of de namens de producenten die die vertegenwoordigt aangestelde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, stelt de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging in kennis bij wijziging van de gegevens in het register en van de definitieve stopzetting van het op de markt aanbieden van in het register vermelde batterijen op het grondgebied van de lidstaat.
13. Indien de informatie in het producentenregister niet openbaar toegankelijk is, waarborgen de lidstaten dat aanbieders van onlineplatforms die consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, gratis toegang tot de informatie in het register krijgen.
Artikel 56
Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
1. Producenten hebben uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen die zij voor het eerst op de markt aanbieden op het grondgebied van een lidstaat. Die producenten moeten voldoen aan de eisen van de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG en de eisen van dit hoofdstuk.
2. Een marktdeelnemer die een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, voor het eerst op de markt aanbiedt op het grondgebied van een lidstaat, wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als de producent van die batterij en krijgt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
3. Een producent zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 47), d), stelt in elke lidstaat waar hij of zij batterijen verkoopt een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan. Die aanstelling geschiedt bij schriftelijk mandaat.
4. De door de producent te betalen financiële bijdragen dienen ter dekking van de volgende kosten voor de producten die de producent in de betrokken lidstaat op de markt aanbiedt:
|
a) |
de kosten van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en de daaropvolgende overbrenging en verwerking ervan, rekening houdend met de eventuele inkomsten uit de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming, of uit de waarde van secundaire grondstoffen uit de gerecyclede afgedankte batterijen; |
|
b) |
de kosten van het verrichten van een onderzoek naar de samenstelling van de ingezamelde stromen gemengd stedelijk afval overeenkomstig artikel 69, lid 5; |
|
c) |
de kosten van het verstrekken van informatie over de preventie en het beheer van afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 74; |
|
d) |
de kosten van het verzamelen van gegevens en het rapporteren daarvan aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 75. |
5. In het geval van het aanbieden van batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, kunnen zowel de producenten van de oorspronkelijke batterijen als de producenten van de batterijen die als gevolg van die handelingen in de handel worden gebracht, een kostendelingsmechanisme, dat is gebaseerd op de daadwerkelijke toekenning van kosten aan de verschillende producenten, instellen en aanpassen, voor de in lid 4, punten a), c) en d) bedoelde kosten.
Indien een in lid 2 bedoelde batterij onder meer dan één uitgebreide producentenverantwoordelijkheid valt, draagt de producent die de batterij voor het eerst in de handel brengt, geen extra kosten als gevolg van een dergelijk kostendelingsmechanisme.
De Commissie faciliteert de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot dergelijke kostendelingsmechanismen.
Artikel 57
Organisatie voor producentenverantwoordelijkheid
1. Producenten kunnen een overeenkomstig artikel 58 gemachtigde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid aanstellen om namens hen de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om het aanstellen van een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid verplicht te stellen. Dergelijke maatregelen worden gerechtvaardigd op basis van de specifieke kenmerken van een bepaalde categorie batterijen die in de handel worden gebracht en de daarmee verband houdende afvalbeheerkenmerken.
2. Indien de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid collectief worden vervuld, zorgen organisaties voor producentenverantwoordelijkheid voor een gelijke behandeling van producenten, ongeacht hun herkomst of omvang, zonder dat zij een onevenredige last met zich brengen voor producenten van kleine hoeveelheden batterijen, waaronder ook kleine en middelgrote ondernemingen. Zij zorgen er ook voor dat de financiële bijdragen die de producenten aan hen betalen:
|
a) |
worden gedifferentieerd overeenkomstig artikel 8 bis, lid 4, punt b), van Richtlijn 2008/98/EG en ten minste op basis van de batterijcategorie en de chemische samenstelling van de batterij, indien passend rekening houdend met de oplaadbaarheid, het gehalte aan gerecycled materiaal bij de fabricage van batterijen en de vraag of de batterijen waren voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, en hun koolstofvoetafdruk, en |
|
b) |
worden gecorrigeerd om rekening te houden met eventuele inkomsten die zijn verworven door de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid uit de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming of uit de waarde van secundaire grondstoffen die werden teruggewonnen uit de gerecyclede afgedankte batterijen. |
3. Indien in een lidstaat meerdere organisaties voor producentenverantwoordelijkheid gemachtigd zijn om namens producenten de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen, verzekeren zij dat de activiteiten die zijn bedoeld in artikel 59, lid 1, artikel 60, lid 1 en artikel 61, lid 1, op het gehele grondgebied van de lidstaat zijn afgedekt. De lidstaten wijzen een bevoegde autoriteit aan of stellen een onafhankelijke derde aan om erop toe te zien dat de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen.
4. Organisaties voor producentenverantwoordelijkheid waarborgen het vertrouwelijke karakter van de gegevens in hun bezit in geval van door eigendomsrechten beschermde informatie of rechtstreeks aan individuele producenten of hun gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toe te schrijven informatie.
5. Naast de in artikel 8 bis, lid 3, punt e), van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde informatie, publiceren organisaties voor producentenverantwoordelijkheid ten minste elk jaar op hun website, onverminderd de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens, informatie over het door de producenten die de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid hebben aangesteld behaalde percentage gescheiden inzameling van afgedankte batterijen, de door hen behaalde recyclingrendementen en de door hen behaalde niveaus van materiaalterugwinning.
6. Naast de in lid 5 bedoelde informatie, maken organisaties voor producentenverantwoordelijkheid informatie openbaar over de selectieprocedure voor afvalverwerkers die overeenkomstig lid 8 is gekozen.
7. Wanneer dat nodig is om verstoring van de interne markt te voorkomen, is de Commissie gemachtigd een uitvoeringshandeling vast te stellen om criteria voor de toepassing van lid 2, punt a), van dit artikel te bepalen. Die uitvoeringshandeling behelst geen precieze vaststelling van de bijdragen en wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
8. Afvalverwerkers worden onderworpen aan een niet-discriminerende selectieprocedure, op basis van transparante gunningscriteria, die wordt uitgevoerd door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid en die geen onevenredige last met zich brengt voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Artikel 58
Goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
1. Producenten die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomen en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die zijn aangesteld om die verplichtingen collectief na te komen, vragen een goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan bij de bevoegde autoriteit.
2. De goedkeuring wordt slechts verleend indien:
|
a) |
is aangetoond dat er is voldaan aan de in artikel 8 bis, lid 3, punten a) tot en met d), van Richtlijn 2008/98/EG genoemde eisen, en de door de producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid getroffen maatregelen volstaan om aan de verplichtingen van dit hoofdstuk te voldoen met betrekking tot de hoeveelheid batterijen die voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt wordt aangeboden door de producent of producenten namens welke de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid optreedt, en |
|
b) |
met bewijsstukken is aangetoond dat aan de eisen van artikel 59, leden 1 en 2, of de eisen van artikel 60, leden 1, 2 en 4, is voldaan en dat alle nodige regelingen zijn ingevoerd om ten minste de respectievelijk in artikel 59, lid 3, en artikel 60, lid 3, bedoelde inzamelingsdoelstellingen te kunnen behalen en op duurzame wijze in stand te houden. |
3. De lidstaten nemen in hun maatregelen tot vaststelling van administratieve en procedurele regels als bedoeld in artikel 54, lid 3, punt b), de details op van de goedkeuringsprocedure, die kan verschillen afhankelijk van het feit of het een individuele of collectieve nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betreft, alsook de modaliteiten voor de controle van de naleving door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, met inbegrip van de daartoe door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid te verstrekken informatie. De goedkeuringsprocedure omvat eisen inzake de controle van de regelingen die zijn ingevoerd om de naleving van de eisen van artikel 59, leden 1 en 2, en artikel 60, leden 1, 2 en 4, te waarborgen, en termijnen voor de controle, die niet langer mogen zijn dan twaalf weken na de indiening van een volledig aanvraagdossier. De controle kan worden verricht door een onafhankelijke deskundige, die een controlerapport over het resultaat van de controle opstelt.
4. De producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid stelt de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging in kennis van wijzigingen van de informatie in de goedkeuring, van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden van de goedkeuring of van de definitieve stopzetting van activiteiten.
5. Het in artikel 8 bis, lid 3, punt d), van Richtlijn 2008/98/EG bepaalde mechanisme voor zelfcontrole wordt regelmatig, en ten minste om de drie jaar, en op verzoek van de bevoegde autoriteit, uitgevoerd om na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de bepalingen in dat punt, alsook aan de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorwaarden voor de goedkeuring. De producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid dient op verzoek een zelfcontrolerapport en, indien nodig, het ontwerpplan met corrigerende maatregelen in bij de bevoegde autoriteit. Onverminderd de bevoegdheden uit hoofde van lid 6 van dit artikel kan de bevoegde autoriteit opmerkingen maken bij het zelfcontrolerapport en het ontwerpplan met corrigerende maatregelen, en maakt zij dergelijke eventuele opmerkingen kenbaar aan de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid. De producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid stelt op basis van die opmerkingen het plan met corrigerende maatregelen op.
6. De bevoegde autoriteit kan besluiten de goedkeuring in te trekken indien de in artikel 59, lid 3, of artikel 60, lid 3, vastgelegde inzamelingsdoelstellingen niet worden gehaald of de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid niet langer voldoet aan de eisen inzake de organisatie van de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen of nalatig is bij het rapporteren aan de bevoegde autoriteit of verzuimt die in kennis te stellen van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden voor de goedkeuring, of de activiteiten heeft gestaakt.
7. Een producent, in geval van individuele nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, in geval van collectieve nakoming van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, bieden een garantie ter dekking van de kosten in verband met afvalbeheeractiviteiten die door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid verschuldigd zijn in geval van niet-naleving van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, onder meer in geval van definitieve stopzetting van hun activiteiten of insolventie. De lidstaten kunnen aanvullende eisen stellen betreffende die garantie. In het geval van een door de overheid beheerde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid mag die garantie anders dan door de organisatie zelf worden verstrekt en kan zij de vorm aannemen van een uit producentenbijdragen gefinancierd overheidsfonds, waarvoor de lidstaat die de organisatie beheert gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk is.
Artikel 59
Inzameling van afgedankte draagbare batterijen
1. Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat alle afgedankte draagbare batterijen, ongeacht hun aard, chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong, gescheiden worden ingezameld op het grondgebied van een lidstaat waar zij draagbare batterijen voor het eerst op de markt aanbieden. Daartoe:
|
a) |
stellen zij een terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte draagbare batterijen in; |
|
b) |
bieden zij de in lid 2, punt a), bedoelde entiteiten de kosteloze inzameling van afgedankte draagbare batterijen aan en voorzien zij in de inzameling van afgedankte draagbare batterijen van alle entiteiten die van dat aanbod gebruik hebben gemaakt (“aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen”); |
|
c) |
voorzien zij in de nodige praktische regelingen voor de inzameling en het vervoer van afgedankte draagbare batterijen naar de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen, met inbegrip van de kosteloze verstrekking van geschikte recipiënten voor inzameling en vervoer die voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (46); |
|
d) |
zamelen zij kosteloos de bij de aangesloten inzamelpunten ingezamelde afgedankte draagbare batterijen in met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en aan het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte draagbare batterijen die gewoonlijk via de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen worden ingezameld; |
|
e) |
zamelen zij kosteloos afgedankte draagbare batterijen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, in met een frequentie die in verhouding staat tot het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte draagbare batterijen; |
|
f) |
zorgen zij ervoor dat de bij de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen ingezamelde afgedankte draagbare batterijen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, vervolgens overeenkomstig artikel 70 in een vergunde inrichting worden verwerkt door een afvalverwerker. |
2. Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat het terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte draagbare batterijen:
|
a) |
bestaat uit inzamelpunten die door hen worden opgezet in samenwerking met één of meer van de volgende partijen:
|
|
b) |
het volledige grondgebied van de lidstaat bestrijkt, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte draagbare batterijen, de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en niet beperkt is tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte draagbare batterijen winstgevend is. |
3. Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid halen en handhaven op duurzame wijze ten minste de volgende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen:
|
a) |
45 % uiterlijk op 31 december 2023; |
|
b) |
63 % uiterlijk op 31 december 2027; |
|
c) |
73 % uiterlijk op 31 december 2030. |
Producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid berekenen het in dit lid bedoelde inzamelingspercentage overeenkomstig bijlage XI.
4. Eindgebruikers kunnen zich ontdoen van afgedankte draagbare batterijen via de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten zonder dat zij daarvoor hoeven te betalen of verplicht kunnen worden om een nieuwe batterij te kopen of deze te hebben gekocht bij de producenten die de inzamelpunten hebben opgezet.
5. Overeenkomstig lid 2, punten a), i), iii) en iv), opgezette inzamelpunten zijn niet onderworpen aan de registratie- of vergunningsvoorschriften van Richtlijn 2008/98/EG.
6. Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend afgedankte draagbare batterijen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.
7. Gezien de verwachte ontwikkeling van de markt en de verwachte verlenging van de levensduur van oplaadbare draagbare batterijen, en om een beter beeld te krijgen van het daadwerkelijke volume afgedankte draagbare batterijen, is de Commissie bevoegd om uiterlijk op 18 augustus 2027 overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage XI uiteengezette methode voor de berekening van het inzamelingspercentage van draagbare batterijen te wijzigen, alsook om de in lid 3 van dit artikel vastgelegde inzamelingsdoelstelling te wijzigen teneinde die aan de nieuwe methode aan te passen en tegelijkertijd vergelijkbare ambities en tijdschema’s te handhaven.
Artikel 60
Inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen
1. Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat alle afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, ongeacht hun chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong, gescheiden worden ingezameld op het grondgebied van een lidstaat waar zij batterijen voor het eerst op de markt aanbieden. Daartoe:
|
a) |
stellen zij een terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in; |
|
b) |
bieden zij de in lid 2, punt a), bedoelde entiteiten de kosteloze inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan en voorzien zij in de inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van alle entiteiten die van dat aanbod gebruik hebben gemaakt (“aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen”); |
|
c) |
voorzien zij in de nodige praktische regelingen voor de inzameling en het vervoer van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen naar de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen, met inbegrip van de kosteloze verstrekking van geschikte recipiënten voor inzameling en vervoer die voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2008/68/EG; |
|
d) |
zamelen zij kosteloos de bij de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in, met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en aan het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die gewoonlijk bij die inzamelpunten worden ingezameld; |
|
e) |
zamelen zij kosteloos de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd in, met een frequentie die in verhouding staat tot het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen; |
|
f) |
zorgen zij ervoor dat de bij de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, vervolgens overeenkomstig artikel 70 in een vergunde inrichting worden verwerkt door een afvalverwerker. |
2. Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat het terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen:
|
a) |
bestaat uit inzamelpunten die door hen worden opgezet in samenwerking met één of meer van de volgende partijen:
|
|
b) |
het volledige grondgebied van de lidstaat bestrijkt, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en niet beperkt is tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen winstgevend is. |
3. Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid halen en handhaven op duurzame wijze ten minste de volgende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen:
|
a) |
51 % uiterlijk op 31 december 2028; |
|
b) |
61 % uiterlijk op 31 december 2031. |
Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid berekenen het in dit lid bedoelde inzamelingspercentage overeenkomstig bijlage XI.
4. Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid:
|
a) |
zetten de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten op met geschikte inzamelingsinfrastructuur voor de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, en dekken de noodzakelijke door die inzamelpunten in verband met de terugnameactiviteiten gemaakte kosten. De recipiënten voor de inzameling en tijdelijke opslag van dergelijke afgedankte batterijen bij de inzamelpunten zijn toereikend gelet op het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die naar verwachting via die inzamelpunten zullen worden ingezameld; |
|
b) |
zamelen afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in bij de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten met een frequentie die in verhouding staat tot de opslagcapaciteit van de infrastructuur voor gescheiden inzameling en het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen die gewoonlijk via die inzamelpunten worden ingezameld, en |
|
c) |
voorzien in de levering van de bij de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan vergunde inrichtingen voor verwerking overeenkomstig de artikelen 70 en 73. |
5. Eindgebruikers kunnen zich ontdoen van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen via de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten zonder dat zij daarvoor hoeven te betalen of verplicht kunnen worden om een nieuwe batterij te kopen of deze te hebben gekocht te hebben gekocht bij de producenten die de inzamelpunten hebben opgezet.
6. Overeenkomstig lid 2, punten a), i), iii) en iv), opgezette inzamelpunten zijn niet onderworpen aan de registratie- of vergunningsvoorschriften van Richtlijn 2008/98/EG.
7. Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.
8. Gezien de verwachte ontwikkeling van de markt en de verwachte verlenging van de levensduur van oplaadbare batterijen voor lichte vervoermiddelen, en om een beter beeld te krijgen van het daadwerkelijke volume afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, is de Commissie bevoegd om uiterlijk op 18 augustus 2027 overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage XI uiteengezette methode voor de berekening van het inzamelingspercentage van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te wijzigen, alsook om de in lid 3 van dit artikel vastgelegde inzamelingsdoelstelling te wijzigen teneinde die aan de nieuwe methode aan te passen en tegelijkertijd vergelijkbare ambities en tijdschema’s te handhaven.
Artikel 61
Inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen
1. Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid nemen alle afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen ongeacht hun aard, chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong van de respectieve categorie die zij op het grondgebied van die lidstaat voor het eerst op de markt hebben aangeboden kosteloos terug, zonder verplichting voor de eindgebruiker om een nieuwe batterij te kopen of om de batterij bij hen te hebben gekocht, en zorgen ervoor dat die gescheiden worden ingezameld. Daartoe aanvaarden zij de terugname van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen van eindgebruikers of van terugname- en inzamelingssystemen met inzamelpunten die zijn opgezet in samenwerking met:
|
a) |
distributeurs van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen overeenkomstig artikel 62, lid 1; |
|
b) |
marktdeelnemers die start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen herfabriceren of herbestemmen; |
|
c) |
inrichtingen voor de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken als bedoeld in artikel 65 voor afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die uit hun activiteiten voortkomen; |
|
d) |
overheidsinstanties, of derden die namens hen instaan voor het afvalbeheer, overeenkomstig artikel 66. |
Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die voorschrijven dat de in de eerste alinea, punten a) tot en met d), bedoelde entiteiten uitsluitend afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, met organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.
Indien afgedankte industriële batterijen eerst ter plaatse moeten worden ontmanteld bij particuliere, niet-commerciële gebruikers, mag de verplichting van de producent om die afgedankte batterijen terug te nemen er niet toe leiden dat de kosten in verband met de ontmanteling en inzameling van die afgedankte batterijen door die gebruikers worden gedragen.
2. Overeenkomstig lid 1 ingevoerde terugnameregelingen bestrijken het volledige grondgebied van een lidstaat, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen en de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en zijn niet beperkt tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen winstgevend is.
3. Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid:
|
a) |
voorzien in de in lid 1 bedoelde terugname- en inzamelingssystemen met geschikte inzamelingsinfrastructuur voor de gescheiden inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, en dekken de noodzakelijke door die terugname- en inzamelingssystemen in verband met de terugnameactiviteiten gemaakte kosten. De recipiënten voor inzameling en tijdelijke opslag van dergelijke afgedankte batterijen bij de terugname en inzamelingssystemen zijn toereikend gelet op het volume en het potentiële gevaar van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar verwachting via die inzamelpunten zullen worden ingezameld; |
|
b) |
zamelen afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen in bij de in lid 1 bedoelde terugname- en inzamelingssystemen met een frequentie die in verhouding staat tot de opslagcapaciteit van de infrastructuur voor gescheiden inzameling en het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen die gewoonlijk via die terugname- en inzamelingssystemen worden ingezameld, en |
|
c) |
voorzien in de levering van de bij eindgebruikers en bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde terugname- en inzamelingssystemen ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen aan vergunde inrichtingen voor verwerking overeenkomstig de artikelen 70 en 73. |
4. De in lid 1, punten a) tot en met d), van dit artikel bedoelde entiteiten kunnen ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers overhandigen met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70. In die gevallen wordt geacht aan de verplichting van producenten op grond van lid 3, punt c), van dit artikel te zijn voldaan.
Artikel 62
Verplichtingen van distributeurs
1. Distributeurs nemen afgedankte batterijen kosteloos terug van de eindgebruiker, zonder de eindgebruiker te verplichten om een nieuwe batterij te kopen of gekocht te hebben, ongeacht de chemische samenstelling, het merk of de oorsprong van de batterijen, op de volgende wijze:
|
a) |
afgedankte draagbare batterijen: bij of in de onmiddellijke nabijheid van het verkooppunt van de distributeur; |
|
b) |
afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen: bij of in de onmiddellijke nabijheid van het verkooppunt van de distributeur. |
2. De terugnameverplichting van lid 1:
|
a) |
is niet van toepassing op afgedankte producten die batterijen bevatten; |
|
b) |
is beperkt tot de categorieën afgedankte batterijen die de distributeur als batterijen in aanbieding heeft en, voor afgedankte draagbare batterijen, tot de hoeveelheid die niet-professionele eindgebruikers gewoonlijk verwijderen. |
3. Distributeurs overhandigen afgedankte batterijen die zij hebben teruggenomen aan de producenten of de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die overeenkomstig respectievelijk de artikelen 59, 60 en 61 verantwoordelijk zijn voor de inzameling van die afgedankte batterijen of aan een overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerker met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.
4. De verplichtingen uit hoofde van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op distributeurs die via overeenkomsten op afstand batterijen leveren aan eindgebruikers. Die distributeurs voorzien in een voldoende aantal inzamelpunten die het volledige grondgebied van een lidstaat bestrijken, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte draagbare batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen, en de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers van de inzamelpunten waar zij batterijen kunnen inleveren.
5. In het geval van verkoop met levering bieden distributeurs aan om afgedankte draagbare batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen kosteloos terug te nemen bij het punt van levering aan de eindgebruiker of bij een lokaal inzamelpunt. De eindgebruiker wordt bij het bestellen van de batterij in kennis gesteld van de terugnameregelingen voor afgedankte batterijen.
6. Met het oog op de naleving van artikel 30, lid 1, punten d) en e), van Verordening (EU) 2022/2065 zorgen onder het toepassingsgebied van afdeling 4 van hoofdstuk III van die verordening vallende onlineplatforms die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten met producenten, ervoor dat zij de volgende informatie hebben ontvangen van producenten die batterijen aanbieden, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan consumenten die gevestigd zijn in de Unie:
|
a) |
details over het in artikel 55 bedoelde producentenregister en het (de) registratienummer(s) van de producent in dat register; |
|
b) |
een zelfcertificering door de producent waardoor de producent zich ertoe verbindt alleen batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan te bieden waarvoor aan de in artikel 56, leden 1 tot en met 4, artikel 57, lid 1 en artikel 58, leden 1, 2 en 7 bedoelde eisen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is voldaan. |
Artikel 63
Statiegeldsystemen voor batterijen
Uiterlijk op 31 december 2027 beoordeelt de Commissie de haalbaarheid en de potentiële voordelen van een statiegeldsysteem voor batterijen, met name voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik. Daartoe dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in en beraadt zij zich over het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen.
Artikel 64
Verplichtingen van eindgebruikers
1. Eindgebruikers ontdoen zich van afgedankte batterijen gescheiden van andere afvalstromen, waaronder het gemengd stedelijk afval.
2. Eindgebruikers ontdoen zich van afgedankte batterijen in daartoe aangewezen inzamelpunten voor gescheiden inzameling die zijn opgezet door, of in overeenstemming met de specifieke regelingen afgesproken met, de producent of een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, in overeenstemming met de artikelen 59, 60 en 61.
Artikel 65
Verplichtingen van exploitanten van verwerkingsinrichtingen
1. Exploitanten van verwerkingsinrichtingen die onderworpen zijn aan Richtlijn 2000/53/EG of Richtlijn 2012/19/EU overhandigen afgedankte batterijen die voortkomen uit de verwerking van autowrakken of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur aan producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70 van deze verordening.
2. De exploitanten van de in lid 1 bedoelde verwerkingsinrichtingen houden een register van die overhandigingen bij.
Artikel 66
Deelname van overheidsinstanties voor afvalbeheer
1. Afgedankte batterijen afkomstig van particuliere, niet-commerciële eindgebruikers mogen worden afgedankt in door overheidsinstanties voor afvalbeheer opgezette afzonderlijke inzamelpunten.
2. Overheidsinstanties voor afvalbeheer zorgen ervoor dat ingezamelde afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 70 worden verwerkt door:
|
a) |
overhandiging ervan aan producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, aan organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, of |
|
b) |
zelf in te staan voor de verwerking van de ingezamelde afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 68, lid 2. |
Artikel 67
Deelname van vrijwillige-inzamelpunten
1. Vrijwillige-inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen overhandigen ingezamelde afgedankte draagbare batterijen aan de producenten van draagbare batterijen of aan derden die namens hen optreden, waaronder organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.
2. Vrijwillige-inzamelpunten voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen overhandigen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan de producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of aan derden die namens hen optreden, waaronder organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.
Artikel 68
Beperkingen inzake de overhandiging van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen
1. De lidstaten kunnen beperkingen opleggen aan het vermogen van distributeurs, exploitanten van afvalverwerkingsinrichtingen als bedoeld in artikel 65, overheidsinstanties voor afvalbeheer als bedoeld in artikel 66 en vrijwillige-inzamelpunten als bedoeld in artikel 67 om ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen over te dragen aan producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan een afvalverwerker om de verwerking overeenkomstig artikel 70 uit te voeren. De lidstaten zorgen ervoor dat dergelijke beperkingen geen nadelig effect hebben op de inzamelings- en recyclingsystemen.
2. De lidstaten kunnen ook maatregelen vaststellen die de in artikel 66 bedoelde overheidsinstanties voor afvalbeheer toelaten zelf in te staan voor de verwerking overeenkomstig artikel 70.
Artikel 69
Verplichtingen voor de lidstaten betreffende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen behalen.
2. De lidstaten monitoren met name regelmatig, en minstens jaarlijks, de inzamelingspercentages van de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid om na te gaan of zij passende maatregelen hebben genomen om de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te behalen. Een dergelijke monitoring wordt met name gebaseerd op de informatie die overeenkomstig artikel 75 aan de bevoegde autoriteiten is gerapporteerd en bestaat uit de controle van die informatie, van de vraag of de producent de in bijlage XI vastgelegde berekeningsmethode heeft nageleefd, en de resultaten van het in lid 5 van dit artikel bedoelde samenstellingsonderzoek en andere informatie waarover de lidstaat beschikt.
3. Indien een lidstaat op basis van de in lid 2 van dit artikel bedoelde monitoring vaststelt dat een producent of, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid geen passende maatregelen heeft genomen om de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te behalen, verzoekt de bevoegde autoriteit van die lidstaat die producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid passende corrigerende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de in die artikelen vastgelegde inzamelingsdoelstellingen kunnen worden behaald.
4. Onverminderd het mechanisme voor zelfcontrole dat is bedoeld in artikel 58, lid 5, legt de producent of, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid ten laatste drie maanden na het in lid 3 van dit artikel bedoelde verzoek van de bevoegde autoriteit een ontwerpplan met corrigerende maatregelen voor aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit mag opmerkingen over het ontwerpplan formuleren en zij deelt eventuele opmerkingen ten laatste één maand na ontvangst van het ontwerpplan met corrigerende maatregelen mee aan de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid.
Indien de bevoegde autoriteit haar opmerkingen over het ontwerpplan met corrigerende maatregelen meedeelt, stelt de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid ten laatste één maand na ontvangst van die opmerkingen, en rekening houdend met die opmerkingen, het plan met corrigerende maatregelen op, en voert het plan dienovereenkomstig uit.
De inhoud van het plan met corrigerende maatregelen en de naleving ervan door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid worden meegenomen in de beoordeling of nog steeds aan de voorwaarden voor de in artikel 55 vastgelegde registratie en, waar van toepassing, voor de in artikel 58 vastgelegde goedkeuring wordt voldaan.
5. Uiterlijk op 1 januari 2026 en daarna elke vijf jaar verrichten de lidstaten een onderzoek naar de samenstelling van ingezamelde stromen gemengd stedelijk afval en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor het voorgaande kalenderjaar om het aandeel afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen daarin te bepalen. Op basis van die onderzoeken kunnen de bevoegde autoriteiten de producenten van draagbare batterijen, de producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de respectieve organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, voorschrijven corrigerende maatregelen te nemen om hun netwerk van aangesloten inzamelpunten uit te breiden en voorlichtingscampagnes te voeren overeenkomstig artikel 74, lid 1.
Artikel 70
Verwerking
1. Ingezamelde afgedankte batterijen mogen niet worden verwijderd of aan een energieterugwinningshandeling worden onderworpen.
2. Onverminderd Richtlijn 2010/75/EU zorgen vergunde inrichtingen ervoor dat de verwerking voor afgedankte batterijen ten minste voldoet aan deel A van bijlage XII bij deze verordening en strookt met de beste beschikbare technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10, van Richtlijn 2010/75/EU.
3. Batterijen die worden ingezameld terwijl zij nog steeds zijn ingebouwd in een afgedankt apparaat, een afgedankt licht vervoermiddel of een autowrak, worden van dat apparaat, afgedankt licht vervoermiddel of autowrak afgezonderd overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2000/53/EG of Richtlijn 2012/19/EU, naargelang wat van toepassing is.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de in deel A van bijlage XII vastgelegde voorschriften voor de verwerking van afgedankte batterijen te wijzigen gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang en opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer.
5. De lidstaten kunnen stimuleringsregelingen invoeren voor marktdeelnemers die hogere percentages behalen dan de respectievelijk in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendementen en materiaalterugwinning.
Artikel 71
Doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning
1. Alle vergunde inrichtingen zorgen ervoor dat alle afgedankte batterijen die hun worden aangeboden, worden aanvaard en worden voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming of gerecycled.
2. Recyclers zorgen ervoor dat recycling de doelstellingen voor recyclingrendement en de doelstellingen voor materiaalterugwinning haalt die zijn vastgelegd in respectievelijk deel B en deel C van bijlage XII.
3. De recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages worden berekend overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 4 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.
4. Uiterlijk op 18 februari 2025 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen met de methode voor de berekening en de controle van de recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages overeenkomstig deel A van bijlage XII, en het model voor de documentatie.
5. Uiterlijk op 18 augustus 2026 en vervolgens ten minste om de vijf jaar beoordeelt de Commissie of het, als gevolg van marktontwikkelingen, met name met betrekking tot batterijtechnologieën met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen en de bestaande en voorspelde beschikbaarheid van kobalt, koper, lood, lithium of nikkel of het ontbreken daarvan, en in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang, passend is de in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning te herzien. De Commissie is bevoegd om, indien gerechtvaardigd en passend op basis van die beoordeling, overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van de in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning.
6. De Commissie is bevoegd om, waar passend als gevolg van marktontwikkelingen met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen en in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang, waaronder opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer, overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deel C van bijlage XII door toevoeging van materialen met specifieke doelstellingen voor materiaalterugwinning per specifiek materiaal, en van deel B van bijlage XII door toevoeging van chemische samenstellingen van batterijen met specifieke doelstellingen voor recyclingrendement.
Artikel 72
Overbrenging van afgedankte batterijen
1. De verwerking mag buiten de betrokken lidstaat of buiten de Unie gebeuren voor zover de overbrenging van afgedankte batterijen, of fracties daarvan, voldoet aan de Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007.
2. Om een onderscheid te maken tussen gebruikte batterijen en afgedankte batterijen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de overbrenging van gebruikte batterijen waarvan wordt vermoed dat zij afgedankte batterijen zijn, controleren op overeenstemming met de minimumeisen van bijlage XIV en dergelijke overbrengingen dienovereenkomstig monitoren.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat vaststellen dat een voorgenomen overbrenging van gebruikte batterijen uit afgedankte batterijen bestaat, kunnen de kosten van de nodige analysen, inspecties en opslag van de gebruikte batterijen waarvan wordt vermoed dat zij afval zijn, in rekening worden gebracht aan de producenten van de desbetreffende categorie batterijen, aan derden die in hun naam handelen of aan andere personen die de overbrenging regelen. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de minimumeisen van bijlage XIV, met name inzake de conditie, om een onderscheid te maken tussen de overbrenging van gebruikte batterijen en van afgedankte batterijen.
3. Afgedankte batterijen, of fracties daarvan, die overeenkomstig lid 1 van dit artikel uit de Unie worden uitgevoerd, tellen alleen mee voor de naleving van de in de artikelen 70 en 71 vastgelegde verplichtingen, rendementen en doelstellingen indien de exporteur van de afgedankte batterijen, of fracties daarvan, door de bevoegde autoriteit van bestemming goedgekeurde bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat de verwerking heeft plaatsgevonden onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en in overeenstemming met ander Unierecht inzake de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen met nadere regels ter aanvulling van die in lid 3 van dit artikel, door de criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige voorwaarden vast te stellen.
Artikel 73
Voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen
1. Teneinde te documenteren dat een afgedankte batterij voor lichte vervoermiddelen, een afgedankte industriële batterij en een afgedankte batterij voor elektrische voertuigen, na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, niet langer afval is, toont de houder van de batterij op verzoek van een bevoegde autoriteit het volgende aan:
|
a) |
een bewijs van de in een lidstaat uitgevoerde beoordeling of test van de conditie van de batterij, in de vorm van een kopie van het document waarin wordt bevestigd dat de batterij de prestaties die relevant zijn voor het gebruik ervan na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming kan leveren; |
|
b) |
het verdere gebruik van de batterij na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, gedocumenteerd door middel van een factuur of overeenkomst voor de verkoop of eigendomsoverdracht van de batterij; |
|
c) |
bewijs van passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, onder meer door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading. |
2. De in lid 1, punt a), bedoelde informatie wordt onder gelijke voorwaarden beschikbaar gesteld voor eindgebruikers en derden die namens hen optreden, als onderdeel van de documentatie waarvan de in lid 1 bedoelde batterij vergezeld gaat wanneer zij in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.
3. De informatieverstrekking overeenkomstig de leden 1 en 2 laat verplichtingen met het oog op de bescherming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie op grond van het desbetreffende Unie- en nationale recht onverlet.
4. De Commissie is bevoegd een uitvoeringshandeling vast te stellen teneinde nadere technische en verificatievoorschriften vast te stellen waaraan afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen of afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten voldoen om niet langer als afval te worden beschouwd. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 74
Informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen
1. Naast de informatie bedoeld in artikel 8 bis, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG, stellen producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid de volgende informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen ter beschikking van eindgebruikers en distributeurs met betrekking tot de categorieën batterijen die de producenten op het grondgebied van een lidstaat leveren:
|
a) |
de rol van eindgebruikers in het bijdragen aan afvalpreventie, onder meer door middel van informatie over goede praktijken en aanbevelingen voor het gebruik van batterijen die erop gericht zijn de levensduur van de batterijen te verlengen, en de mogelijkheden inzake hergebruik, voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming en herfabricage; |
|
b) |
de rol van eindgebruikers in de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van artikel 64, teneinde de verwerking van afgedankte batterijen mogelijk te maken; |
|
c) |
de gescheiden inzameling, de terugname- en inzamelpunten, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming en de verwerking die voor afgedankte batterijen ter beschikking staan; |
|
d) |
de nodige veiligheidsinstructies voor de behandeling van afgedankte batterijen, onder meer met betrekking tot de risico’s van batterijen die lithium bevatten en de omgang met dergelijke batterijen; |
|
e) |
de betekenis van de etiketten en symbolen die overeenkomstig artikel 13 op batterijen zijn aangebracht of op hun verpakking of op de bij de batterijen ingesloten documenten staan gedrukt, en |
|
f) |
de effecten van stoffen, met name gevaarlijke stoffen, in batterijen op het milieu en op de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, met inbegrip van de effecten vanwege ongepaste verwijdering van afgedankte batterijen, bijvoorbeeld als zwerfvuil of als ongesorteerd stedelijk afval. |
Die informatie:
|
a) |
wordt voor elk batterijmodel regelmatig beschikbaar gesteld vanaf het moment waarop het betrokken batterijmodel voor het eerst in een lidstaat op de markt wordt aangeboden, en wel ten minste op een zichtbare manier bij het verkooppunt en via onlineplatforms; |
|
b) |
wordt verstrekt in een taal of talen die de eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen en die wordt of worden bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt zal worden aangeboden. |
2. Producenten stellen informatie over de veiligheids- en beschermingsmaatregelen voor de opslag en inzameling van afgedankte batterijen, ook met betrekking tot de veiligheid op het werk, beschikbaar voor distributeurs en marktdeelnemers als bedoeld in de artikelen 62, 65 en 66 en voor andere afvalverwerkers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren.
3. Vanaf het tijdstip waarop een batterij op het grondgebied van een lidstaat wordt geleverd, stellen producenten de volgende informatie voor het specifieke batterijmodel met betrekking tot de correcte en milieuverantwoorde behandeling van afgedankte batterijen, op verzoek, gratis en elektronisch, beschikbaar voor afvalverwerkers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren, voor zover die afvalverwerkers die informatie nodig hebben om hun activiteiten te kunnen uitvoeren:
|
a) |
de processen om lichte vervoermiddelen, voertuigen en apparaten zodanig te ontmantelen dat de ingebouwde batterijen kunnen worden afgezonderd; |
|
b) |
de veiligheids- en beschermingsmaatregelen, ook ten aanzien van veiligheid op het werk en brandveiligheid, die gelden voor de processen voor de opslag, het vervoer en de verwerking van afgedankte batterijen. |
In de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde informatie worden de onderdelen en materialen geïdentificeerd, alsook waar alle gevaarlijke stoffen in een batterij zich bevinden, voor zover dat voor de marktdeelnemers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren noodzakelijk is om aan de eisen van deze verordening te voldoen.
Die informatie wordt verstrekt in een taal of talen die de in de eerste alinea vermelde marktdeelnemers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt zal worden aangeboden.
4. Distributeurs die batterijen leveren aan eindgebruikers verstrekken permanent de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie in hun verkooppunten op een gemakkelijk toegankelijke en duidelijk zichtbare wijze aan de eindgebruikers van de batterijen, en verstrekken tevens informatie over hoe de eindgebruikers afgedankte batterijen kosteloos kunnen inleveren bij de respectieve inzamelpunten die bij de verkooppunten of namens een onlineplatform zijn opgezet. Die verplichting is beperkt tot de categorieën batterijen die de distributeur of detailhandelaar als nieuwe batterijen in zijn aanbod heeft of had.
Distributeurs verstrekken de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie ook wanneer zij hun producten via onlineplatforms verkopen, zodat consumenten overeenkomsten op afstand met handelaren kunnen sluiten.
5. De kosten die uit hoofde van artikel 56, lid 4, punten a) tot en met d), door de producent worden gedragen, worden afzonderlijk aan de eindgebruiker aangegeven bij het verkooppunt waar een nieuwe batterij wordt verkocht.
6. Producenten van de desbetreffende categorie batterijen of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zetten bewustmakingscampagnes op en bieden stimulansen om eindgebruikers aan te moedigen zich van afgedankte batterijen te ontdoen op een wijze die strookt met de overeenkomstig lid 1 beschikbaar gestelde informatie aan eindgebruikers over de preventie en het beheer van afgedankte batterijen.
7. Wanneer informatie uit hoofde van dit artikel openbaar beschikbaar wordt gesteld voor eindgebruikers, wordt de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie volgens het desbetreffende nationale en Unierecht beschermd.
Artikel 75
Minimumeisen voor rapportage aan de bevoegde autoriteiten
1. Producenten van draagbare batterijen en producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid rapporteren voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit ten minste de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en categorieën batterijen en afgedankte batterijen:
|
a) |
de hoeveelheid draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht; |
|
b) |
de hoeveelheid draagbare batterijen voor algemeen gebruik die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van draagbare batterijen voor algemeen gebruik die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht; |
|
c) |
de hoeveelheid afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die is ingezameld overeenkomstig artikel 59 respectievelijk 60; |
|
d) |
het inzamelingspercentage dat werd bereikt door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen; |
|
e) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
f) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die naar derde landen is uitgevoerd voor verwerking, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming; |
|
g) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen. |
Wanneer afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen door andere afvalverwerkers dan producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, door organisaties voor producentenverantwoordelijkheid worden ingezameld bij distributeurs of andere inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, rapporteren zij voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, naargelang de chemische samenstelling ervan.
2. Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid rapporteren voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en de categorieën afgedankte batterijen:
|
a) |
de hoeveelheid start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die voor het eerst op de markt werden aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht; |
|
b) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
c) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
d) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar derde landen is uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voor voorbereiding voor herbestemming of voor verwerking. |
3. Wanneer afvalverwerkers afgedankte batterijen inzamelen bij distributeurs of andere inzamelpunten voor afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen of bij eindgebruikers, rapporteren zij voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en de categorieën afgedankte batterijen:
|
a) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen; |
|
b) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
c) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
d) |
de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar derde landen is uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking. |
4. De in lid 1, punten a) tot en met g), van dit artikel bedoelde informatie omvat tevens informatie over in voertuigen en apparaten ingebouwde batterijen en over afgedankte batterijen die overeenkomstig artikel 65 van die voertuigen en apparaten zijn afgezonderd.
5. Afvalverwerkers die instaan voor de verwerking en recyclers rapporteren voor elk kalenderjaar en per lidstaat waar de afgedankte batterijen zijn ingezameld, de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de afgedankte batterijen worden verwerkt:
|
a) |
de hoeveelheid afgedankte batterijen die zij hebben ontvangen voor verwerking; |
|
b) |
de hoeveelheid afgedankte batterijen die een proces van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of recycling begint te ondergaan; |
|
c) |
gegevens betreffende de recyclingrendementen voor afgedankte batterijen, de materiaalterugwinning uit afgedankte batterijen en de bestemming en de opbrengst van de uiteindelijke outputfracties. |
De rapportage over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning behelst alle afzonderlijke stappen van de recycling en alle outputfracties die daarbij geproduceerd worden. Als recyclingoperaties in meer dan één inrichting worden uitgevoerd, is de eerste recycler verantwoordelijk voor het verzamelen van die informatie en het rapporteren van die informatie aan de bevoegde autoriteiten.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verwerking van afgedankte batterijen plaatsvindt, verstrekt de in dit lid bedoelde informatie aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de batterijen zijn ingezameld, indien die verschillend zijn.
Afgedankte batterijen die naar een andere lidstaat worden overgebracht met het oog op verwerking in die andere lidstaat, worden opgenomen in de gegevens over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning, en worden meegeteld voor de verwezenlijking van de in bijlage XII vastgelegde doelstellingen door de lidstaat waar dat afval is ingezameld.
6. Wanneer andere dan de in lid 5 bedoelde afvalstoffenhouders batterijen uitvoeren voor verwerking, rapporteren zij de gegevens over de hoeveelheid gescheiden ingezamelde afgedankte batterijen die werd uitgevoerd voor verwerking en de in lid 5, punten b) en c), bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
7. Producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, afvalverwerkers en afvalstoffenhouders als bedoeld in dit artikel, rapporteren binnen zes maanden na afloop van het rapportagejaar waarvoor de gegevens zijn verzameld. De eerste rapportageperiode bestrijkt het eerste volledige kalenderjaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor rapportage aan de Commissie overeenkomstig artikel 76, lid 5.
8. De bevoegde autoriteiten zetten een elektronisch systeem op waarlangs gegevens aan hen worden gerapporteerd en zij specificeren welke modellen moeten worden gebruikt.
9. De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan om alle aanvullende informatie te vragen die nodig is om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens te waarborgen.
Artikel 76
Rapportage aan de Commissie
1. De lidstaten maken voor elk kalenderjaar in geaggregeerde vorm en volgens het model dat werd vastgesteld door de Commissie in een op grond van lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling, de volgende gegevens over draagbare batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen openbaar naargelang de categorieën batterijen en de chemische samenstelling ervan:
|
a) |
de hoeveelheid batterijen die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met inbegrip van in apparaten, voertuigen of industriële producten ingebouwde batterijen maar met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten, voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht; |
|
b) |
de hoeveelheid overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 61 ingezamelde afgedankte batterijen en de op basis van de in bijlage XI vastgelegde methode berekende inzamelingspercentages; |
|
c) |
de hoeveelheid afgedankte industriële batterijen en de hoeveelheid afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die is ingezameld en voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen; |
|
d) |
de waarden voor de bereikte recyclingrendementen als bedoeld in deel B van bijlage XII en de waarden voor de bereikte materiaalterugwinning als bedoeld in deel C van bijlage XII, met betrekking tot de in die lidstaat ingezamelde batterijen. |
De lidstaten stellen die gegevens ter beschikking binnen 18 maanden na afloop van het rapportagejaar waarvoor zij zijn verzameld. Zij maken die gegevens elektronisch openbaar volgens het door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde model, met behulp van vlot toegankelijke gegevensdiensten. De gegevens zijn machineleesbaar, sorteerbaar en doorzoekbaar en eerbiedigen open normen voor gebruik door derden. De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte wanneer de in de eerste alinea bedoelde gegevens beschikbaar zijn gesteld.
De eerste rapportageperiode bestrijkt het eerste volledige kalenderjaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor rapportage aan de Commissie overeenkomstig lid 5.
Als aanvulling op de verplichtingen uit hoofde van de Richtlijnen 2000/53/EG en 2012/19/EU hebben de in lid 1, eerste alinea, punten a) tot en met d), van dit artikel bedoelde gegevens tevens betrekking op in voertuigen en apparaten ingebouwde batterijen en op afgedankte batterijen die overeenkomstig artikel 65 van die voertuigen en apparaten zijn afgezonderd.
2. De rapportage over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning als bedoeld in lid 1, eerste alinea, punt d), behelst alle afzonderlijke stappen van de recycling en alle outputfracties die daarbij geproduceerd worden.
3. De overeenkomstig dit artikel door de lidstaten beschikbaar gestelde gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontrolerapport dat moet worden ingediend volgens het door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde model.
4. De Commissie verzamelt en evalueert de informatie die overeenkomstig dit artikel beschikbaar wordt gesteld. De Commissie maakt een rapport bekend waarin de manier waarop de verzameling van de gegevens wordt georganiseerd, de gegevensbronnen en de in de lidstaten gebruikte methode, alsook de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van die gegevens worden beoordeeld. Die beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Het rapport wordt opgesteld uiterlijk zes maanden na de eerste rapportage over de gegevens door de lidstaten en vervolgens om de vier jaar.
5. De Commissie stelt uiterlijk op 18 augustus 2025 uitvoeringshandelingen vast betreffende het model voor de gegevens en informatie die aan de Commissie moeten worden gerapporteerd, evenals evaluatiemethoden en operationele omstandigheden met betrekking tot de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen, voor de toepassing van de leden 1 en 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK IX
Digitaal batterijpaspoort
Artikel 77
Batterijpaspoort
1. Met ingang van 18 februari 2027 beschikken alle batterijen voor lichte vervoermiddelen, alle industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en alle batterijen voor elektrische voertuigen die in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen over een elektronisch dossier (“batterijpaspoort”).
2. Het batterijpaspoort bevat informatie over het batterijmodel en specifieke informatie over de afzonderlijke batterij, met inbegrip van informatie die het gevolg is van het gebruik ervan, zoals vermeld in bijlage XIII.
Het batterijpaspoort bevat:
|
a) |
informatie die toegankelijk is voor het grote publiek overeenkomstig punt 1 van bijlage XIII; |
|
b) |
informatie die uitsluitend toegankelijk is voor aangemelde instanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie overeenkomstig de punten 2 en 3 van bijlage XIII, en |
|
c) |
informatie die uitsluitend toegankelijk is voor natuurlijke of rechtspersonen met een gerechtvaardigd belang bij de toegang tot en de verwerking van die informatie voor de in de punten a) en b) van de derde alinea bedoelde doeleinden, overeenkomstig de punten 2 en 4 van bijlage XIII. |
De doeleinden inzake de toegang tot en de verwerking van de informatie, als bedoeld in punt c) van de tweede alinea:
|
a) |
betreffen de ontmanteling van de batterij, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen die daarbij moeten worden genomen, en de nadere samenstelling van het batterijmodel, en zijn van essentieel belang voor reparateurs, bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers om hun respectieve economische activiteiten uit te voeren overeenkomstig deze verordening, of |
|
b) |
zijn, in het geval van afzonderlijke batterijen, van essentieel belang voor de koper van de batterij of voor partijen die handelen namens de koper, om de afzonderlijke batterij ter beschikking te stellen van onafhankelijke aankoopgroeperingen of energiemarktdeelnemers. |
De in de tweede alinea bedoelde informatie wordt opgenomen in het batterijpaspoort voor zover die van toepassing is op de categorie of subcategorie van de betrokken batterij.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage XIII te wijzigen wat betreft de in het batterijpaspoort op te nemen informatie in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
3. Het batterijpaspoort is toegankelijk via de in artikel 13, lid 6, bedoelde QR-code, die gekoppeld is aan een unieke identificatiecode die de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt, aan de batterij toewijst.
De QR-code en de unieke identificatiecode voldoen aan de ISO/IEC-normen 15459-1:2014, 15459-2:2015, 15459-3:2014, 15459-4:2014, 15459-5:2014 en 15459-6:2014, of het equivalent daarvan.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de tweede alinea van dit lid te wijzigen in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang door de in die alinea vermelde normen te vervangen of andere Europese of internationale normen toe te voegen waaraan de QR-code en de unieke identificatiecode moeten voldoen.
4. De marktdeelnemers die de batterij in de handel brengen, zorgen ervoor dat de in het batterijpaspoort opgenomen informatie nauwkeurig, volledig en actueel is. Zij kunnen andere marktdeelnemers een schriftelijke machtiging geven om namens hen op te treden.
5. Alle in het batterijpaspoort opgenomen informatie is gebaseerd op open normen en is in een interoperabel format, kan via een open interoperabel gegevensuitwisselingsnetwerk zonder afhankelijkheid van één aanbieder worden doorgegeven, en is machineleesbaar, gestructureerd en doorzoekbaar, overeenkomstig de in artikel 78 vastgelegde essentiële vereisten.
6. De toegang tot de in het batterijpaspoort opgenomen informatie wordt gereguleerd in overeenstemming met de in artikel 78 vastgelegde essentiële vereisten.
7. Voor een batterij die een voorbereiding voor hergebruik, een voorbereiding voor herbestemming, een herbestemming of een herfabricage heeft ondergaan, wordt de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van lid 4 van dit artikel overgedragen aan de marktdeelnemer die de batterij in de handel heeft gebracht of in gebruik heeft genomen. Die batterij krijgt een nieuw batterijpaspoort dat is gekoppeld aan het batterijpaspoort of de batterijpaspoorten van de oorspronkelijke batterij of batterijen.
Wanneer de status van een batterij verandert naar die van een afgedankte batterij, wordt de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van lid 4 van dit artikel overgedragen aan de producent, aan, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerker.
8. Een batterijpaspoort komt te vervallen nadat de batterij is gerecycled.
9. Uiterlijk op 18 augustus 2026 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin wordt bepaald welke personen moeten worden beschouwd als personen met een gerechtvaardigd belang als bedoeld in respectievelijk de punten 2 en 4 van bijlage XIII voor de toepassing van lid 2, punt c), van dit artikel, tot welke in die punten vermelde informatie zij toegang hebben, en in welke mate zij die informatie kunnen downloaden, delen, openbaar maken en hergebruiken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De criteria ter bepaling van de in lid 2, punt c), bedoelde personen en van de mate waarin zij de in de punten 2 en 4 van bijlage XIII bedoelde informatie kunnen downloaden, delen, openbaar maken en hergebruiken, zijn de volgende:
|
a) |
de noodzaak om over die informatie te beschikken om de status en de restwaarde van de batterij en de geschiktheid ervan voor verder gebruik te beoordelen; |
|
b) |
de noodzaak om over die informatie te beschikken voor de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming, de herfabricage of de recycling van de batterij, of voor het kiezen tussen die handelingen; |
|
c) |
de noodzaak om ervoor te zorgen dat de toegang tot en de verwerking van commercieel gevoelige informatie in het batterijpaspoort beperkt blijft tot het overeenkomstig het toepasselijke Unierecht noodzakelijke minimum. |
Artikel 78
Technisch ontwerp en werking van het batterijpaspoort
Het technisch ontwerp en de werking van het batterijpaspoort voldoen aan de volgende essentiële vereisten:
|
a) |
het batterijpaspoort is volledig interoperabel met andere door het Unierecht vereiste digitale productpaspoorten wat betreft ecologisch ontwerp met betrekking tot de technische, semantische en organisatorische aspecten van eind-tot-eindcommunicatie en doorgifte van gegevens; |
|
b) |
de toegang van consumenten, marktdeelnemers en andere betrokken actoren tot het batterijpaspoort is kosteloos en gebaseerd op hun respectieve toegangsrechten zoals bepaald in bijlage XIII en in de op grond van artikel 77, lid 9, vastgestelde uitvoeringshandeling; |
|
c) |
de in het batterijpaspoort opgenomen gegevens worden opgeslagen door de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, of door marktdeelnemers die gemachtigd zijn om namens hen op te treden; |
|
d) |
indien de in het batterijpaspoort opgenomen gegevens worden opgeslagen of anderszins worden verwerkt door marktdeelnemers die gemachtigd zijn om op te treden namens de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, mogen die marktdeelnemers die gegevens geheel noch gedeeltelijk verkopen, hergebruiken of verwerken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor het verlenen van de desbetreffende opslag- of verwerkingsdiensten; |
|
e) |
het batterijpaspoort blijft beschikbaar nadat de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, ophoudt te bestaan of niet langer actief is in de Unie; |
|
f) |
het recht op toegang tot en toevoeging, wijziging of actualisering van informatie in het batterijpaspoort is beperkt op basis van de toegangsrechten zoals bepaald in bijlage XIII en in de op grond van artikel 77, lid 9, vastgestelde uitvoeringshandeling; |
|
g) |
de authenticatie, betrouwbaarheid en integriteit van de gegevens worden gewaarborgd; |
|
h) |
het batterijpaspoort is zodanig dat een hoog niveau van beveiliging en privacy wordt gewaarborgd en fraude wordt voorkomen. |
HOOFDSTUK X
Markttoezicht van de Unie en vrijwaringsprocedure van de Unie
Artikel 79
Procedure op nationaal niveau voor batterijen die een risico vormen
1. Onverminderd artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1020 voeren de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat, wanneer zij voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een batterij die onder deze verordening valt een risico vormt voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu, een beoordeling van de betrokken batterij uit in het licht van alle relevante in deze verordening vastgelegde eisen.
Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij de in de eerste alinea bedoelde beoordeling vaststellen dat de batterij niet aan de eisen van deze verordening voldoet (“non-conforme batterij”), vereisen zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer, binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico, alle passende corrigerende maatregelen te nemen om de batterij met die eisen conform te maken, uit de handel te nemen of terug te roepen.
De markttoezichtautoriteiten brengen de desbetreffende aangemelde instantie daarvan op de hoogte.
2. De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben vereist.
3. De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden genomen ten aanzien van alle non-conforme batterijen die de marktdeelnemer in de Unie op de markt heeft aangeboden.
4. Wanneer de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van de non-conforme batterijen te verbieden of te beperken, dan wel die batterijen in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.
De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van die maatregelen op de hoogte.
5. De in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om de non-conforme batterij te identificeren en om de oorsprong van de batterij, de aard van de vermeende non-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de desbetreffende marktdeelnemer worden aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:
|
a) |
de batterij is niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14; |
|
b) |
een tekortkoming in de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen; |
|
c) |
een tekortkoming in de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties. |
6. De andere lidstaten dan die welke de procedure uit hoofde van dit artikel in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van de batterij, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.
7. Indien binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie geen enkele lidstaat noch de Commissie bezwaar heeft ingebracht tegen een voorlopige maatregel van de markttoezichtautoriteiten, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.
8. De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de niet-conforme batterij onverwijld de passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van de niet-conforme batterij.
Artikel 80
Vrijwaringsprocedure van de Unie
1. Indien na voltooiing van de procedure in artikel 79, leden 4, 6 en 7, bezwaren worden ingebracht tegen een maatregel van de markttoezichtautoriteiten of de Commissie van oordeel is dat de nationale maatregel in strijd is met het Unierecht, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en beoordeelt zij de nationale maatregel. De Commissie streeft ernaar die beoordeling binnen een maand te voltooien.
Op basis van de resultaten van die evaluatie stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin wordt bepaald of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. De Commissie richt de in lid 1, tweede alinea, bedoelde uitvoeringshandeling tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.
Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om de non-conforme batterij uit de handel te nemen, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis.
Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat die maatregel in.
3. Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van de batterij wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen als bedoeld in artikel 15 van deze verordening, past de Commissie de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 bedoelde procedure toe.
4. Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de non-conformiteit van de batterij wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de gemeenschappelijke specificaties als bedoeld in artikel 16, stelt de Commissie onverwijld een uitvoeringshandeling vast tot wijziging of intrekking van de betrokken gemeenschappelijke specificaties. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 81
Conforme batterijen die een risico vormen
1. Een lidstaat die na uitvoering van een beoordeling uit hoofde van artikel 79, lid 1, vaststelt dat een batterij die weliswaar conform de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, maar toch een risico vormt voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen of voor de bescherming van eigendommen of het milieu (“conforme batterij die een risico vormt”), vereist onverwijld van de betrokken marktdeelnemer, binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico, alle passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de niet-conforme batterij die een risico vormt, dat risico niet meer vormt wanneer zij op de markt wordt aangeboden, of om de batterij uit de handel te nemen of terug te roepen.
2. Marktdeelnemers zorgen ervoor dat alle door hen genomen corrigerende maatregelen worden toegepast op alle door hen in de Unie op de markt aangeboden conforme batterijen die een risico vormen.
3. Wanneer de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, brengt de lidstaat de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte. Die mededeling omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om conforme batterijen die een risico vormen te identificeren en om de oorsprong en de toeleveringsketen van dergelijke batterijen, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.
4. De Commissie treedt onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en beoordeelt de nationale maatregelen die zijn genomen. Aan de hand van de uitkomsten van die beoordeling stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin zij bepaalt of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is, en zo nodig passende maatregelen voorstelt. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
5. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid en de veiligheid van personen en met betrekking tot de bescherming van eigendommen of het milieu stelt de Commissie een onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandeling vast overeenkomstig de in artikel 90, lid 4, bedoelde procedure.
6. De Commissie richt de in de leden 4 en 5 bedoelde uitvoeringshandeling tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.
Artikel 82
Gezamenlijke activiteiten
Markttoezichtautoriteiten kunnen gezamenlijke activiteiten uitvoeren met organisaties die marktdeelnemers of eindgebruikers vertegenwoordigen. Dergelijke gezamenlijke activiteiten kunnen slaan op het opzetten van kenniscentra voor batterijen door de lidstaten of markttoezichtautoriteiten, teneinde de conformiteit te bevorderen, non-conformiteit op te sporen, het bewustzijn te vergroten en richtsnoeren te verstrekken over de eisen van deze verordening, overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2019/1020.
Artikel 83
Formele non-conformiteit
1. Onverminderd artikel 79 geldt dat wanneer een lidstaat tot een van de onderstaande bevindingen komt, hij van de betrokken marktdeelnemer vereist dat die een einde maakt aan de non-conformiteit:
|
a) |
de CE-markering is in strijd met artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of met artikel 20 van deze verordening aangebracht; |
|
b) |
de CE-markering is niet aangebracht; |
|
c) |
het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien dat vereist is uit hoofde van bijlage VIII, is in strijd met artikel 20 aangebracht of is niet aangebracht; |
|
d) |
de EU-conformiteitsverklaring is niet of niet correct opgesteld; |
|
e) |
de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie is niet beschikbaar of niet volledig; |
|
f) |
de in artikel 38, lid 7, of artikel 41, lid 3, bedoelde informatie ontbreekt, is verkeerd of onvolledig; |
|
g) |
er is niet voldaan aan enige andere administratieve eis van artikel 38 of 41. |
2. Indien de in lid 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt, neemt de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van de batterij te beperken of te verbieden, of om ervoor te zorgen dat de batterij uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.
Artikel 84
Non-conformiteit met de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid
1. Indien een lidstaat oordeelt dat een marktdeelnemer niet voldoet aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid zoals vastgelegd in de artikelen 48, 49 en 50, schrijft hij de betrokken marktdeelnemer voor een einde te maken aan die non-conformiteit.
2. Indien de in lid 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt en er geen andere doeltreffende manier is om een einde te maken aan de non-conformiteit, neemt de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van op de markt aangeboden batterijen door de in lid 1 bedoelde marktdeelnemer te beperken of te verbieden, en bij een ernstige non-conformiteit ervoor te zorgen dat de batterijen uit de handel worden genomen of worden teruggeroepen.
HOOFDSTUK XI
Groene overheidsopdrachten en procedure voor de wijziging van beperkingen voor stoffen
Artikel 85
Groene overheidsopdrachten
1. Aanbestedende diensten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU, of aanbestedende instanties zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU houden bij de aankoop van batterijen of producten die batterijen bevatten in situaties die onder die richtlijnen vallen rekening met de milieueffecten van die batterijen gedurende hun levenscyclus om ervoor te zorgen dat dergelijke effecten van tot een minimum worden beperkt.
2. Met ingang van twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 3 van dit artikel bedoelde eerste gedelegeerde handeling tot vaststelling van gunningscriteria voor aanbestedingsprocedures, wordt aan de in lid 1 van dit artikel vastgelegde verplichting voldaan door de toepassing van die gunningscriteria. Aanbestedingsprocedures die door aanbestedende diensten of aanbestedende instanties worden uitgeschreven voor de aankoop van batterijen of van producten die batterijen bevatten, en die binnen het toepassingsgebied van de artikelen 7 tot en met 10 vallen, verwijzen in hun technische specificaties en gunningscriteria naar die eerste gedelegeerde handeling om te waarborgen dat die batterijen of die producten die batterijen bevatten, worden aangekocht met aanzienlijk lagere milieueffecten gedurende hun levenscyclus.
3. Twaalf maanden na de vaststelling van de laatste gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 7, lid 2, vierde alinea, punt a), artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 5, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door gunningscriteria vast te stellen voor aanbestedingsprocedures voor batterijen of voor producten die batterijen bevatten, op basis van de in de artikelen 7 tot en met 10 vastgelegde duurzaamheidseisen.
Artikel 86
Procedure inzake beperkingen voor stoffen
1. Indien de Commissie van oordeel is dat het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen of de aanwezigheid van een stof in de batterijen wanneer zij in de handel worden gebracht of tijdens de latere fasen van de levenscyclus, onder meer tijdens de herbestemming of de verwerking van afgedankte batterijen, een risico vormt voor de menselijke gezondheid of voor het milieu dat niet afdoende wordt beheerst en dat op Unieniveau moet worden aangepakt, verzoekt zij het Agentschap een beperkingsdossier conform de eisen van bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 samen te stellen. Het beperkingsdossier bevat een sociaal-economische beoordeling, met inbegrip van een analyse van alternatieven.
2. Indien uit het door het Agentschap op grond van lid 1 van dit artikel samengestelde beperkingsdossier blijkt dat er maatregelen op Unieniveau nodig zijn, bovenop de reeds bestaande maatregelen, stelt het Agentschap binnen twaalf maanden na ontvangst van het in dat lid bedoelde verzoek van de Commissie beperkingen voor teneinde de in de leden 4 tot en met 9 van dit artikel en in de artikelen 87 en 88 beschreven procedure op gang te brengen.
3. Indien een lidstaat van oordeel is dat het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen of de aanwezigheid van een stof in de batterijen wanneer zij in de handel worden gebracht of tijdens de latere fasen van de levenscyclus, onder meer tijdens de herbestemming of de verwerking van afgedankte batterijen, een risico vormt voor de menselijke gezondheid of voor het milieu dat niet afdoende wordt beheerst en dat op Unieniveau moet worden aangepakt, verzoekt hij het Agentschap een beperkingsdossier samen te stellen. De lidstaat stelt een beperkingsdossier samen. Het beperkingsdossier bevat een sociaal-economische beoordeling, met inbegrip van een analyse van alternatieven.
Als uit het beperkingsdossier blijkt dat er maatregelen op Unieniveau nodig zijn, bovenop de reeds bestaande maatregelen, zendt de lidstaat het dossier in de in bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 beschreven indeling naar het Agentschap teneinde de in de leden 4 tot en met 9 van dit artikel, en de artikelen 87 en 88 beschreven procedure op gang te brengen.
4. Voor de doeleinden van het beperkingsdossier en het beperkingsproces houden het Agentschap of de lidstaten rekening met alle dossiers, chemische veiligheidsrapporten en risicobeoordelingen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bij het Agentschap of een lidstaat zijn ingediend. Het Agentschap of de lidstaten houden ook rekening met alle beschikbare informatie en vermelden alle relevante risicobeoordelingen die uit hoofde van ander Unierecht zijn ingediend en die de gehele levenscyclus, waaronder de afvalfase, van de in de batterij gebruikte stof bestrijken. Andere organen die uit hoofde van het Unierecht zijn opgericht en een soortgelijke taak verrichten, verstrekken het Agentschap of de betrokken lidstaat daartoe op verzoek informatie.
5. Op de toegang tot informatie waarover het Agentschap beschikt bij het verrichten van de in artikel 6 van deze verordening en in dit artikel beschreven taken, is artikel 118 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van toepassing.
6. Het Agentschap houdt een lijst bij van stoffen waarvoor het Agentschap of een lidstaat een beperkingsdossier uit hoofde van dit artikel gepland heeft of aan het samenstellen is.
7. Het Comité risicobeoordelingen, ingesteld op grond van artikel 76, lid 1, punt c), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, en het Comité sociaaleconomische analyse, ingesteld op grond van artikel 76, lid 1, punt d), van die verordening, controleren of het ingediende beperkingsdossier voldoet aan de voorschriften van bijlage XV bij die verordening. Binnen 30 dagen na ontvangst van het dossier deelt het respectieve comité het Agentschap of de lidstaat die beperkingen voorstelt, mee of het dossier met die voorschriften overeenstemt. Indien het dossier daarmee niet overeenstemt, worden het Agentschap of de lidstaat binnen 45 dagen na ontvangst schriftelijk de redenen meegedeeld. Het Agentschap of de lidstaat brengt het dossier binnen 60 dagen na ontvangst van de redenen van het respectieve comité in overeenstemming met de voorschriften; anders wordt de procedure uit hoofde van dit artikel beëindigd.
8. Het Agentschap maakt onverwijld het voornemen van de Commissie of van een lidstaat bekend om de procedure inzake beperkingen op een stof uit hoofde van dit artikel in te leiden, en stelt de betrokken belanghebbenden daarvan op de hoogte.
9. Het Agentschap maakt het beperkingsdossier onverwijld openbaar op zijn website, inclusief de op grond van de leden 2 en 3 van dit artikel voorgestelde beperkingen, met duidelijke vermelding van de publicatiedatum. Het Agentschap roept alle betrokken belanghebbenden op binnen vier maanden na de publicatiedatum individueel of gezamenlijk het volgende in te dienen:
|
a) |
opmerkingen bij het beperkingsdossier en de voorgestelde beperkingen; |
|
b) |
een sociaal-economische analyse van de voorgestelde beperkingen, met inbegrip van een analyse van de alternatieven, of informatie die tot dergelijke analyse kan bijdragen, waarbij de voor- en nadelen van de voorgestelde beperkingen worden onderzocht. De analyse voldoet aan de voorschriften van bijlage XVI bij Verordening (EG) nr. 1907/2006. |
10. De in artikel 6, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen worden vastgesteld binnen negen maanden na de ontvangst van het advies van het in artikel 87, lid 2, bedoelde Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap. Indien het Comité sociaaleconomische analyse geen advies uitbrengt binnen de in artikel 87, lid 2 of lid 5, al naargelang het geval, gestelde termijn, houdt de Commissie rekening met de sociaal-economische gevolgen van de beperking alsook met de beschikbaarheid van alternatieven voor de stof en stelt zij binnen de in artikel 87, lid 2, gestelde termijn een gedelegeerde handeling vast.
11. Indien in de ontwerpwijziging van bijlage I wordt afgeweken van het oorspronkelijke voorstel inzake het beperkingsdossier, dat is opgesteld op grond van de in dit artikel en in de artikelen 87 en 88 vastgelegde procedure, of geen rekening wordt gehouden met de adviezen van het Agentschap, voegt de Commissie een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de afwijkingen bij.
Artikel 87
Advies van de comités van het Agentschap
1. Binnen twaalf maanden na de in artikel 86, lid 9, bedoelde publicatiedatum brengt het Comité risicobeoordeling op basis van zijn beoordeling van de toepasselijke delen van het beperkingsdossier advies uit over de vraag of de voorgestelde beperkingen geschikt zijn om het risico voor de menselijke gezondheid of voor het milieu terug te dringen. In dat advies wordt rekening gehouden met het beperkingsdossier dat door het Agentschap op verzoek van de Commissie of door de lidstaat is samengesteld, en met de opmerkingen van de belanghebbende partijen als bedoeld in artikel 86, lid 9, punt a).
2. Binnen 15 maanden na de in artikel 86, lid 9, bedoelde publicatiedatum brengt het Comité sociaaleconomische analyse op basis van zijn beoordeling van de toepasselijke delen van het beperkingsdossier en de sociaal-economische gevolgen advies uit over de voorgestelde beperkingen. Daaraan voorafgaand stelt het een ontwerpadvies op over de voorgestelde beperkingen en de sociaal-economische gevolgen ervan, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele analyses en informatie als bedoeld in artikel 86, lid 9, punt b).
3. Het Agentschap publiceert het ontwerpadvies van het Comité sociaaleconomische analyse onverwijld op zijn website en roept belanghebbende partijen ertoe op uiterlijk binnen 60 dagen na de bekendmaking van het ontwerpadvies opmerkingen ter zake in te dienen.
4. Het Comité sociaaleconomische analyse keurt onverwijld zijn advies goed, waarbij het, indien passend, rekening houdt met de nadere opmerkingen die binnen de in lid 3 van dit artikel gestelde termijn zijn ontvangen. In dat advies wordt rekening gehouden met de uit hoofde van artikel 86, lid 9, punt b), en lid 3 van dit artikel ingediende opmerkingen van belanghebbende partijen.
5. Indien het advies van het Comité risicobeoordeling aanzienlijk afwijkt van de in het beperkingsdossier voorgestelde beperkingen, verlengt het Agentschap de termijn voor het advies van het Comité sociaaleconomische analyse met maximaal 90 dagen.
6. Wanneer het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse een advies uitbrengen op grond van de leden 1 en 2 van dit artikel, maken zij gebruik van rapporteurs uit hoofde van artikel 87 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en in overeenstemming met de daarin bepaalde voorwaarden.
Artikel 88
Voorlegging van een advies aan de Commissie
1. Het Agentschap dient de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse over beperkingen die worden voorgesteld op grond van artikel 86 onverwijld bij de Commissie in. Indien de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse aanzienlijk afwijken van de voorgestelde beperkingen, dient het Agentschap bij de Commissie een toelichting in met een nadere verklaring voor de redenen voor die verschillen. Indien een van de of beide comités niet binnen de in artikel 87, leden 1 en 2, respectievelijk, gestelde termijn advies uitbrengen, stelt het Agentschap de Commissie daarvan op de hoogte, met vermelding van de redenen.
2. Het Agentschap publiceert de adviezen van de twee comités onverwijld op zijn website.
3. Het Agentschap verstrekt de Commissie of een lidstaat op verzoek alle documenten en bewijzen die het heeft ontvangen of overwogen.
HOOFDSTUK XII
Gedelegeerde bevoegdheden en comitéprocedure
Artikel 89
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De bevoegdheid om de in artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5 en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 17 augustus 2023. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen die verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5 en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 90
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) Nr. 182/2011, gelezen in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing.
HOOFDSTUK XIII
Wijzigingen
Artikel 91
Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/1020
Verordening (EU) 2019/1020 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 4, lid 5, wordt de tekst “(EU) 2016/42535 en (EU) 2016/42636” vervangen door: “(EU) 2016/425 (*1), (EU) 2016/426 (*2) en (EU) 2023/1542 (*3) (*1) Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 51)." (*2) Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van Richtlijn 2009/142/EG (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 99)." (*3) Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1).”." |
|
2) |
In bijlage I wordt punt 21 van de lijst van harmonisatiewetgeving van de Unie vervangen door:
|
Artikel 92
Wijziging van Richtlijn 2008/98/EG
Aan artikel 8 bis, lid 7, van Richtlijn 2008/98/EG wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Voor batterijen als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad (*4) nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat de regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die vóór 4 juli 2018 zijn vastgesteld, uiterlijk op 18 augustus 2025 aan dit artikel voldoen.
HOOFDSTUK XIV
Slotbepalingen
Artikel 93
Sancties
Uiterlijk op 18 augustus 2025 stellen de lidstaten voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen daarvan mee.
Artikel 94
Evaluatie
1. Uiterlijk op 30 juni 2031 evalueert de Commissie de uitvoering van deze verordening en de effecten ervan op het milieu, de gezondheid van de mens en de werking van de interne markt, stelt ze een verslag daarover op, en legt ze dat voor aan het Europees Parlement en de Raad.
2. Met inachtneming van de technische vooruitgang en de in de lidstaten opgedane praktijkervaring neemt de Commissie in haar verslag een evaluatie op van de volgende aspecten van deze verordening:
|
a) |
de lijst van de algemene modellen die onder de definitie van draagbare batterijen voor algemeen gebruik vallen; |
|
b) |
de in hoofdstuk II vastgelegde duurzaamheids- en veiligheidseisen, met inbegrip van de eventuele noodzaak om een uitvoerverbod in te stellen op batterijen die niet voldoen aan de in bijlage I vastgelegde beperkingen; |
|
c) |
de in hoofdstuk III vastgelegde etiketterings- en informatievereisten; |
|
d) |
de in de artikelen 48 tot en met 53 vastgelegde eisen voor passende zorgvuldigheid inzake batterijen; |
|
e) |
de in hoofdstuk VIII vastgelegde maatregelen met betrekking tot het beheer van afgedankte batterijen, met inbegrip van de mogelijkheid om twee subcategorieën draagbare batterijen te introduceren, namelijk oplaadbare en niet-oplaadbare draagbare batterijen, met doelstellingen voor gescheiden inzameling, en om een doelstelling voor gescheiden inzameling van draagbare batterijen voor algemeen gebruik te introduceren; |
|
f) |
de maatregelen met betrekking tot het in hoofdstuk IX beschreven batterijpaspoort; |
|
g) |
inbreuken en de doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikkende werking van sancties als bedoeld in artikel 93; |
|
h) |
de analyse van het effect van deze verordening op het concurrentievermogen van, en op de investeringen in, de batterijensector, en op de administratieve last die het gevolg is van deze verordening. |
Indien nodig gaat het in lid 1 bedoelde verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze verordening.
3. Rekening houdend met de herziening van Verordening (EG) nr. 1907/2006 maakt de Commissie in haar verslag een specifieke evaluatie van de noodzaak van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de artikelen 6, 86, 87 en 88 van deze verordening.
4. De Commissie beoordeelt of hoofdstuk VII moet worden gewijzigd in het licht van de eventuele vaststelling van wetgevingshandelingen van de Unie met voorschriften inzake duurzame corporate governance en passende zorgvuldigheid, met inbegrip van verplichtingen voor ondernemingen met betrekking tot negatieve effecten op de mensenrechten en op het milieu van hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en bijkantoren, en hun activiteiten van de waardeketen.
Uiterlijk twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van een wetgevingshandeling zoals bedoeld in de eerste alinea, of uiterlijk op 30 juni 2031 indien dat eerder is, publiceert de Commissie een verslag met de resultaten van die beoordeling. De Commissie voegt waar passend bij haar verslag een wetgevingsvoorstel tot wijziging van hoofdstuk VII.
5. Uiterlijk op 30 juni 2031 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin de haalbaarheid en de technische gevolgen worden beoordeeld van het verruimen van het toepassingsgebied van de definitie van “batterij voor lichte vervoermiddelen” in artikel 3, punt 11), met name door batterijen voor andere voertuigen dan voertuigen op wielen op te nemen. Dat verslag gaat, waar passend, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
6. Uiterlijk op 1 januari 2025 beoordeelt de Commissie hoe geharmoniseerde normen voor een universele oplader het best kunnen worden ingevoerd voor respectievelijk oplaadbare batterijen voor lichte vervoermiddelen en oplaadbare batterijen die zijn ingebouwd in specifieke categorieën elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2012/19/EU vallen. Opladers voor categorieën en klassen radioapparatuur uit hoofde van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2014/53/EU zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van die beoordeling.
Artikel 95
Intrekking en overgangsbepalingen
Richtlijn 2006/66/EG wordt met ingang van 18 augustus 2025 ingetrokken.
Evenwel blijven de volgende bepalingen van toepassing zoals hieronder beschreven:
|
a) |
artikel 11 tot en met 18 februari 2027; |
|
b) |
artikel 12, leden 4 en 5, tot en met 31 december 2025, behalve ten aanzien van de bepaling betreffende de doorgifte van gegevens aan de Commissie, die tot en met 30 juni 2027 van toepassing blijft. |
|
c) |
artikel 21, lid 2, tot en met 18 augustus 2026. |
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening.
Artikel 96
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Zij is van toepassing met ingang van 18 februari 2024, met uitzondering van wat in de tweede alinea beschreven staat en andersluidende bepalingen van deze verordening.
De volgende bepalingen zijn als volgt van toepassing:
|
a) |
artikel 11 is van toepassing met ingang van 18 februari 2027; |
|
b) |
artikel 17 en hoofdstuk VI zijn van toepassing met ingang van 18 augustus 2024, met uitzondering van artikel 17, lid 2, dat van toepassing is met ingang van twaalf maanden na de datum van de eerste bekendmaking van de in artikel 30, lid 2, bedoelde lijst; |
|
c) |
hoofdstuk VIII is van toepassing met ingang van 18 augustus 2025. |
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 12 juli 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
P. NAVARRO RÍOS
(1) PB C 220 van 9.6.2021, blz. 128.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 14 juni 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2023.
(3) Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1).
(4) Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1).
(5) Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG (PB L 136 van 22.5.2019, blz. 28).
(6) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(8) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(9) Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34).
(10) Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie van 26 juni 2013 houdende uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de eisen inzake ecologisch ontwerp voor computers en computerservers (PB L 175 van 27.6.2013, blz. 13).
(11) Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).
(12) Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).
(13) Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 176).
(14) Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1).
(15) Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4).
(16) Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62).
(17) Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70).
(18) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).
(19) Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).
(20) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(21) Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).
(22) Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).
(23) Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1).
(24) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(25) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(26) Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38).
(27) Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).
(28) Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).
(29) Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
(30) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
(31) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(32) Verordening (EU) nr. 493/2012 van de Commissie van 11 juni 2012 houdende nadere bepalingen voor de berekening van de recyclingrendementen van de recyclingprocessen van afgedankte batterijen en accu’s, overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 151 van 12.6.2012, blz. 9).
(33) Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).
(34) Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).
(35) Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is (PB L 316 van 4.12.2007, blz. 6).
(36) Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, punt a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).
(37) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1267 van de Commissie van 20 juli 2022 tot nadere bepaling van de procedures voor de aanwijzing van Unietestfaciliteiten ten behoeve van het markttoezicht en de controle van de productconformiteit overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 192 van 21.7.2022, blz. 21).
(38) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(39) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(40) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(41) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(42) Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).
(43) Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52).
(44) Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).
(45) Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).
(46) Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).
BIJLAGE I
BEPERKING VOOR STOFFEN
|
Kolom 1 Benaming van de stof of de groepen van stoffen |
Kolom 2 Beperkingsvoorwaarden |
||||||
|
Batterijen, ongeacht of zij in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen zijn ingebouwd, mogen maximaal 0,0005 gewichtsprocent kwik bevatten (uitgedrukt in metallisch kwik). |
||||||
|
Draagbare batterijen, ongeacht of zij in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen zijn ingebouwd, mogen maximaal 0,002 gewichtsprocent cadmium bevatten (uitgedrukt in metallisch cadmium) |
||||||
|
|
BIJLAGE II
KOOLSTOFVOETAFDRUK
1. Reikwijdte
Deze bijlage bevat essentiële elementen over de methode voor de berekening van de koolstofvoetafdruk.
De methode voor de berekening en verificatie van de koolstofvoetafdruk die moet worden vastgesteld door middel van een op grond van artikel 7 vastgestelde gedelegeerde handeling, bouwt voort op de in deze bijlage opgenomen essentiële elementen, voldoet aan de recentste versie van de door de Commissie ontwikkelde methode voor de milieuvoetafdruk van producten (Product Environmental Footprint — PEF) en de desbetreffende regels voor de milieuvoetafdruk van een productcategorie (Product Environmental Footprint Category Rules — PEFCR’s), en is in overeenstemming met de internationale overeenkomsten en technische/wetenschappelijke vorderingen op het gebied van levenscyclusanalyse.
De berekening van de koolstofvoetafdruk gedurende de levenscyclus is gebaseerd op de materiaalstaat, de energie en de hulpstoffen die in een specifieke fabricagefaciliteit worden gebruikt voor het produceren van een specifiek batterijmodel. Met name de elektronische componenten, bijvoorbeeld de batterijmanagement- en veiligheidssystemen, en de kathodematerialen moeten nauwkeurig worden geïdentificeerd aangezien die verantwoordelijk kunnen zijn voor de belangrijkste bijdrage aan de koolstofvoetafdruk van de batterij.
2. Definities
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
|
a) |
“activiteitsgegevens”: gegevens die betrekking hebben op de processen die samengaan met het modelleren van de levenscyclusinventarisaties (LCI), waarbij de samengevoegde LCI-resultaten van de procesketens die de activiteiten van een proces vertegenwoordigen, worden vermenigvuldigd met de bijbehorende activiteitsgegevens en vervolgens gecombineerd om de koolstofvoetafdruk van het betreffende proces te berekenen; |
|
b) |
“materiaalstaat”: de lijst van grondstoffen, delen van samenstellen, tussenproducten, subcomponenten en onderdelen, en de daarvan benodigde hoeveelheden voor de fabricage van de batterij; |
|
c) |
“bedrijfsspecifieke gegevens”: de direct bij een of meer inrichtingen gemeten of verzamelde gegevens (locatiespecifieke gegevens) die representatief zijn voor de activiteiten van het bedrijf; ook “primaire gegevens” genoemd; |
|
d) |
“functionele eenheid”: de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de functies, diensten, of beide, van de batterij; |
|
e) |
“levenscyclus”: de reeks van opeenvolgende en onderling verbonden fasen van een productsysteem, van de verwerving van grondstoffen of de opwekking uit natuurlijke hulpbronnen tot de definitieve verwijdering (ISO 14040:2006 of een gelijkwaardige norm); |
|
f) |
“levenscyclusinventarisatie (LCI)”: de verzameling elementaire, afval- en productstromen in een gegevensverzameling voor de levenscyclusinventarisatie; |
|
g) |
“gegevensverzameling voor de levenscyclusinventarisatie (LCI)”: een document of bestand met informatie over de levenscyclus van een bepaald product of een andere referentiebron, bijvoorbeeld de website of het proces, met beschrijvende metagegevens en kwantitatieve levenscyclusinventarisatiegegevens, die een gegevensverzameling over een eenheidsproces, een deels samengevoegde of een geheel samengevoegde gegevensverzameling zouden kunnen omvatten; |
|
h) |
“referentiestroom”: de maat van de outputs van processen in een gegeven productsysteem die vereist is om de door de functionele eenheid uitgedrukte functie te vervullen (naar ISO 14040:2006 of een gelijkwaardige norm); |
|
i) |
“secundaire gegevens”: gegevens die niet rechtstreeks zijn verzameld uit, of gemeten aan de hand van, een specifiek proces, of binnen de toeleveringsketen van het bedrijf, of geschat door dat bedrijf, maar die afkomstig zijn van een levencyclusinventarisdatabank van een derde partij of een andere bron; die gegevens bestrijken onder meer gemiddelde sectorgegevens, bijvoorbeeld gepubliceerde productiegegevens, overheidsstatistieken en gegevens van bedrijfsverenigingen, alsook literatuuronderzoek, technische studies en octrooien, en kunnen ook gebaseerd zijn op financiële gegevens, en proxy-gegevens en andere generieke gegevens bevatten; het kan ook gaan om primaire gegevens die een horizontale samenvoegingsstap doorlopen; |
|
j) |
“systeemgrens”: de aspecten die worden opgenomen in of worden uitgesloten van de levenscyclusfase. |
Daarnaast bevatten de geharmoniseerde regels voor de berekening van de koolstofvoetafdruk van batterijen aanvullende definities die nodig zijn voor de interpretatie ervan.
3. Functionele eenheid en referentiestroom
De functionele eenheid is vastgesteld als 1 kWh (kilowattuur) van de totale energie die tijdens de levensduur van de batterij door het batterijsysteem wordt geleverd, uitgedrukt in kWh. De totale energie is gebaseerd op het aantal cycli vermenigvuldigd met de hoeveelheid geleverde energie per cyclus.
De referentiestroom is het batterijgewicht dat nodig is om een specifieke functie te vervullen en wordt gemeten in kilogram batterij per kWh van de totale hoeveelheid energie die de batterij tijdens haar levensduur levert. Alle kwantitatieve input- en outputgegevens die door de fabrikant worden verzameld voor het bepalen van de koolstofvoetafdruk, worden aan de hand van de referentiestroom berekend.
In afwijking van de eerste alinea wordt voor back-upbatterijen die als primaire functie hebben om de continuïteit van een stroombron te waarborgen, de functionele eenheid gedefinieerd als de mogelijkheid om op elk moment gedurende de levensduur van de batterij één kWmin (kilowattminuut) reservevermogen te leveren. Zo ook is de referentiestroom voor back-upbatterijen het batterijgewicht dat nodig is om de desbetreffende functie te vervullen en wordt gemeten in kilogram batterij per kWmin back-upvermogen gedeeld door de levensduur van de batterij in jaren. Alle kwantitatieve input- en outputgegevens die door fabrikanten van back-upbatterijen worden verzameld voor het bepalen van de koolstofvoetafdruk, worden aan de hand van die referentiestroom berekend.
In uitzonderlijke gevallen, zoals voor batterijen voor hybride niet-plug-invoertuigen, kan in de methode een andere functionele eenheid worden bepaald.
4. Systeemgrens
De volgende levenscyclusfasen en de daarbij betrokken processen vallen binnen de systeemgrenzen:
|
Levenscyclusfase |
Betrokken processen |
|
Verwerving en voorbewerking van grondstoffen |
Dit omvat de winning en andere relevante verwerving, voorbewerking en het vervoer van actieve materialen, tot aan de fabricage van de batterijcellen en batterijcomponenten (actieve materialen, separator, elektrolyt, behuizingen, actieve en passieve batterijcomponenten), en de elektrische of elektronische componenten). |
|
Vervaardiging van het hoofdproduct |
Assemblage van batterijcellen en assemblage van batterijen met de batterijcellen en de elektrische of elektronische componenten |
|
Distributie |
Vervoer naar het verkooppunt |
|
Recycling aan het einde van de levensduur |
Inzameling, demontage en recycling |
De volgende bij de levenscyclusfasen betrokken processen vallen niet binnen de systeemgrenzen:
|
— |
de fabricage van apparatuur voor de assemblage en recycling van batterijen, aangezien de koolstofvoetafdruk volgens de PEFCR’s voor oplaadbare batterijen met een hoog specifiek vermogen voor mobiele toepassingen te verwaarlozen is; |
|
— |
het assemblageproces van batterijen waarbij gebruik wordt gemaakt van systeemonderdelen van de fabrikant van de originele uitrusting (original equipment manufacturer — OEM); dit proces valt grotendeels samen met de mechanische assemblage en behoort tot de OEM-uitrusting of wordt uitgevoerd aan de voertuigassemblagelijn; het verbruik van energie en materiaal voor dat specifiek proces is verwaarloosbaar in vergelijking met het fabricageproces van OEM-onderdelen. |
De gebruiksfase wordt niet meegenomen bij de berekening van de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus aangezien fabrikanten daar geen rechtstreekse invloed op kunnen uitoefenen, tenzij wordt aangetoond dat zij in de ontwerpfase keuzen maken als gevolg waarvan zij alsnog een niet te verwaarlozen bijdrage aan de koolstofvoetafdruk leveren.
5. Het gebruik van bedrijfsspecifieke en secundaire gegevensverzamelingen
Vanwege het hoge aantal batterijcomponenten en de complexiteit van de fabricageprocessen, beperkt de marktdeelnemer, voor zover gerechtvaardigd, het gebruik van bedrijfsspecifieke gegevens tot de analyse van processen en componenten van de batterijspecifieke onderdelen.
Met name de activiteitsgegevens die betrekking hebben op de anode, de kathode, de elektrolyt, de separator en de behuizing verwijzen naar een specifiek batterijmodel dat in een specifieke fabricagefaciliteit is geproduceerd. Zo worden er dus geen gestandaardiseerde activiteitsgegevens gebruikt. De batterijspecifieke activiteitsgegevens worden gebruikt in combinatie met de desbetreffende secundaire gegevensverzamelingen conform de PEF).
Aangezien de koolstofvoetafdrukverklaring specifiek verwijst naar een bepaald batterijmodel dat in een bepaalde fabricagefaciliteit is geproduceerd, is het niet toegestaan steekproeven te nemen van gegevens die zijn verzameld in andere fabricagefaciliteiten die hetzelfde batterijmodel produceren.
In het geval van een wijziging van de materiaalstaat of de energiemix die voor het produceren van een batterijmodel wordt gebruikt, wordt de koolstofvoetafdruk voor dat batterijmodel opnieuw berekend.
De middels een gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 7, lid 1, vast te stellen geharmoniseerde regels omvatten de gedetailleerde modellering van de volgende levenscyclusfasen:
|
— |
verwerving en voorbewerking van grondstoffen; |
|
— |
productie; |
|
— |
distributie; |
|
— |
eigen elektriciteitsproductie; |
|
— |
einde van de levenscyclus. |
6. Koolstofvoetafdruk-effectbeoordeling
De koolstofvoetafdruk van een batterij wordt berekend aan de hand van de levenscyclus-effectbeoordeling in de categorie “klimaatverandering” conform de aanbeveling in het verslag uit 2019 van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, getiteld “Suggestions for updating the Product Environmental Footprint (PEF) method”.
De resultaten worden als karakteriseringsresultaten weergegeven zonder normalisatie en weging. De lijst van te gebruiken karakteriseringsfactoren vindt u op het European Platform on Life Cycle Assessment (LCA).
7. Compensaties
Compensaties worden berekend ten opzichte van een referentiepunt dat het hypothetische scenario vertegenwoordigt voor wat de emissies zouden zijn geweest zonder de mitigatiemaatregelen die de compensaties genereren.
Compensaties worden niet opgenomen in de koolstofvoetafdrukverklaring, maar mogen wel apart worden vermeld als aanvullende milieu-informatie en voor communicatiedoeleinden worden gebruikt.
8. Koolstofvoetafdrukprestatieklassen
Afhankelijk van de verdeling van de waarden in de koolstofvoetafdrukverklaringen voor in de handel gebrachte batterijen en met het oog op het mogelijk maken van marktdifferentiatie van in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen, wordt er een zinvol aantal prestatieklassen vastgesteld, waarbij categorie A de beste klasse is met de laagste koolstofvoetafdruk gedurende de gehele levenscyclus.
Bij de vaststelling van de drempelwaarde voor iedere prestatieklasse, evenals de bandbreedte van elke prestatieklasse, wordt uitgegaan van de verdeling van de geleverde prestaties van de in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen die in de voorgaande drie jaar in de handel zijn gebracht, de verwachte technologische vorderingen en andere technische factoren.
9. Maximale koolstofdrempelwaarden
Op basis van de gegevens die aan de hand van de koolstofvoetafdrukverklaringen zijn verzameld en de relatieve distributie van de koolstofvoetafdrukprestatieklassen van de in de handel gebrachte batterijmodellen, en rekening houdend met de wetenschappelijke en technische vooruitgang op dat gebied, stelt de Commissie maximale drempelwaarden vast voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur van in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen, na uitvoering van een specifieke effectbeoordeling om die drempelwaarden te bepalen.
Bij het voorstellen van de in de eerste alinea bedoelde maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur houdt de Commissie rekening met de relatieve verdeling van de waarden van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, de mate van voortgang bij het terugdringen van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, en de daadwerkelijke en potentiële bijdrage van die drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, alsook met haar doelstellingen inzake duurzame mobiliteit.
BIJLAGE III
ELEKTROCHEMISCHE PRESTATIE- EN DUURZAAMHEIDSPARAMETERS VAN DRAAGBARE BATTERIJEN VOOR ALGEMEEN GEBRUIK
Deel A
Parameters voor niet-oplaadbare batterijen
|
1. |
Minimale gemiddelde duur: de minimale gemiddelde duur van ontlading die een steekproef van batterijen haalt bij gebruik onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheidsgraad. |
|
2. |
Vertraagde ontlading: de relatieve afname van de minimale gemiddelde duur, met de oorspronkelijk gemeten minimale gemiddelde duur als referentiepunt, na een bepaalde periode en onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheidsgraad. |
|
3. |
Lekbestendigheid: bestendigheid tegen het onbedoeld vrijkomen van elektrolyt, gas of andere materialen. |
Deel B
Parameters voor oplaadbare batterijen
|
1. |
Nominale capaciteit: de capaciteitswaarde van een batterij, onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, en aangegeven door de fabrikant. |
|
2. |
Ladingcapaciteitsretentie (1): de capaciteit die een batterij kan leveren nadat ze onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, gedurende een bepaalde tijd is opgeslagen, zonder dat ze wordt opgeladen en uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit. |
|
3. |
Ladingcapaciteitsherstel: de capaciteit die een batterij kan leveren nadat ze onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, gedurende een bepaalde tijd is opgeslagen, en daarna is opgeladen en uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit. |
|
4. |
Cyclusvastheid: het aantal laad- en ontladingscycli dat een batterij onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, kan ondergaan voordat de capaciteit onder een gespecificeerde fractie van de nominale capaciteit daalt. |
|
5. |
Lekbestendigheid: bestendigheid tegen het onbedoeld vrijkomen van elektrolyt, gas of andere materialen. |
(1) IEC vermeldt lading en capaciteit. Beide vertegenwoordigen dezelfde fysieke hoeveelheid (lading); het enige verschil is dat lading wordt uitgedrukt in C = A*s, en capaciteit in A*h. In de praktijk wordt vooral capaciteit gebruikt.
BIJLAGE IV
VEREISTEN MET BETREKKING TOT DE ELEKTROCHEMISCHE PRESTATIES EN DE DUURZAAMHEID VAN BATTERIJEN VOOR LICHTE VERVOERMIDDELEN, INDUSTRIËLE BATTERIJEN MET EEN CAPACITEIT VAN MEER DAN 2 KWH EN BATTERIJEN VOOR ELEKTRISCHE VOERTUIGEN
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
|
1) |
“Nominale capaciteit”: het totale aantal ampère-uren (Ah) dat een volledig opgeladen batterij kan leveren onder referentieomstandigheden. |
|
2) |
“Capaciteitsverlies”: de afname die zich in de loop van de tijd en als gevolg van gebruik voordoet van de hoeveelheid lading die een batterij op basis van de nominale spanning kan leveren ten opzichte van de oorspronkelijke nominale capaciteit. |
|
3) |
“Vermogen”: de hoeveelheid energie die een batterij gedurende een bepaalde periode onder referentieomstandigheden kan leveren. |
|
4) |
“Vermogensverlies”: de afname die zich in de loop van de tijd en als gevolg van gebruik voordoet van de hoeveelheid vermogen die een batterij op basis van de nominale spanning kan leveren. |
|
5) |
“Interne weerstand”: de weerstand die de elektrische stroom binnen een cel of een batterij ondervindt onder referentieomstandigheden. Die bestaat uit twee componenten, namelijk de elektrische weerstand en de ionische weerstand. De som van beide is de totale effectieve weerstand, met inbegrip van de inductieve/capacitieve eigenschappen. |
|
6) |
“Round-tripefficiëntie”: de verhouding tussen de netto-energieopbrengst van een batterij tijdens een ontlaadcyclustest en de hoeveelheid energie die nodig is om het oorspronkelijke laadniveau te herstellen met behulp van een standaardoplaadbeurt. |
Deel A
Parameters met betrekking tot elektrochemische prestaties en duurzaamheid:
|
1. |
nominale capaciteit (in Ah) en capaciteitsverlies (in %); |
|
2. |
vermogen (in W) en vermogensverlies (in %); |
|
3. |
interne weerstand (in Ω) en toename van de interne weerstand (in %); |
|
4. |
indien van toepassing, round-tripefficiëntie en verlies daarvan (in %); |
|
5. |
de verwachte levensduur van de batterij onder de referentieomstandigheden waar de batterij voor is ontworpen, uitgedrukt in cycli, behalve voor niet-cyclische toepassingen, en kalenderjaren. |
Deel B
Elementen ter toelichting van de metingen ten behoeve van de in deel A vermelde parameters
|
1. |
toegepaste ontlaadsnelheid en laadsnelheid; |
|
2. |
verhouding tussen het nominale batterijvermogen (W) en de energie van de batterij (Wh); |
|
3. |
ontladingsdiepte tijdens de ontladingscyclustest; |
|
4. |
vermogen van 80 % bij een laadstatus van 20 %; |
|
5. |
alle met de gemeten parameters uitgevoerde berekeningen, indien van toepassing. |
BIJLAGE V
VEILIGHEIDSPARAMETERS
1. Thermische schokwisseltest
Het doel van deze test is de veranderingen van de staat van de batterij te beoordelen als gevolg van het krimpen en uitzetten van celcomponenten bij blootstelling aan extreme temperaturen en plotselinge temperatuurveranderingen, alsook de mogelijke gevolgen van dergelijke veranderingen. Tijdens een thermische schokwisseltest wordt de batterij blootgesteld aan twee temperatuuruitersten waarbij elk uiterste gedurende een bepaalde tijd wordt aangehouden.
2. Externe beveiliging tegen kortsluiting
Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij te beoordelen bij een externe kortsluiting. De test kan de activering van de kortsluitbeveiliging beoordelen alsook de mate waarin de cellen bestand zijn tegen de spanning, zonder dat zich een gevaarlijke situatie voordoet (zoals thermische wegloop (thermal runaway), explosies, brand). De belangrijkste risicofactoren zijn warmteontwikkeling op celniveau en elektrische vonkvorming, die het schakelsysteem of de isolatieweerstand kunnen aantasten.
3. Overlaadbeveiliging
Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij overladen te beoordelen. De belangrijkste veiligheidsrisico’s die zich voordoen bij het overbeladen zijn de ontleding van de elektrolyt, de kathode en de anode, exothermische ontleding van de vaste elektrolytlaag, beschadiging van de separator en afzetting van lithiummetaal, waardoor er zelfverhitting in de batterij kan ontstaan en thermische wegloop. De factoren die van invloed zijn op de resultaten van de test omvatten ten minste de laadcapaciteit en het uiteindelijk behaalde laadniveau. De beveiliging kan bestaan uit een spanningsregelaar (onderbreking bij overschrijding van de maximale laadspanning) of laadstroomregelaar (onderbreking bij overschrijding van de maximale laadstroom).
4. Overontlaadbeveiliging
Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij overontlading te beoordelen. Veiligheidsrisico’s die samengaan met overontlading bestaan onder meer uit ompolen met oxidatie van de stroomcollector aan de anode tot gevolg (koper) en afzettingen op de kathode. Zelfs een geringe mate van overontlading kan tot de vorming van dendrieten en uiteindelijk tot kortsluiting leiden.
5. Beveiliging tegen te hoge temperaturen
Deze test heeft tot doel de gevolgen van het uitvallen van de temperatuurregeling te beoordelen alsook de uitval van andere beveiligingsfuncties bij interne oververhitting tijdens het gebruik.
6. Bescherming tegen thermische kettingreactie (thermal propagation)
Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij een thermische kettingreactie te beoordelen. Thermische wegloop in één cel kan een kettingreactie veroorzaken binnen de hele batterij die uit talrijke cellen kan bestaan. Dat kan ernstige gevolgen hebben, onder meer in de vorm van het vrijkomen van grote hoeveelheden gas. De test is mede gebaseerd op de tests die in ontwikkeling zijn voor vervoerstoepassingen door ISO en het mondiaal technisch reglement van de VN.
7. Mechanische schade als gevolg van externe invloeden
Voor deze tests worden één of meer situaties nagebootst om na te gaan in welke mate een batterij blijft werken voor het doel waarvoor ze is ontworpen wanneer de batterij per ongeluk aan mechanische belasting wordt blootgesteld. Als criteria voor het nabootsen van die situaties geldt dat realistische gebruiksscenario’s moeten worden gebruikt.
8. Interne kortsluiting
Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij te beoordelen bij een interne kortsluiting. Het zich voordoen van interne kortsluitingen, een van de grootste punten van zorg voor fabrikanten van batterijen, kan leiden tot het vrijkomen van gassen, thermische wegloop, en vonkvorming waardoor de uit de cel vrijgekomen dampen van het elektrolyt kunnen ontbranden. Dergelijke interne kortsluitingen kunnen worden veroorzaakt door fabricagefouten, de aanwezigheid van onzuiverheden in de cellen of de dendritische afzetting van lithium, en zijn de oorzaak van de meeste veiligheidsincidenten op het terrein. Er zijn verschillende scenario’s mogelijk waarin interne kortsluiting een rol speelt (zoals het elektrisch contact van de kathode/anode, de aluminium stroomcollector/koperen stroomcollector, de aluminium stroomcollector/anode) die ieder een andere contactweerstand hebben.
9. Thermische blootstelling
Tijdens deze test wordt de batterij blootgesteld aan verhoogde temperaturen (bij IEC 62619 is dit een temperatuur van 85 °C) die exotherme ontleding en thermische wegloop in de cel tot gevolg kunnen hebben.
10. Brandtest
Het explosiegevaar wordt beoordeeld door de batterij aan vuur bloot te stellen.
11. Vrijkomen van gassen
Batterijen kunnen aanzienlijke hoeveelheden potentieel gevaarlijk materiaal bevatten, zoals licht ontvlambare elektrolyten, corrosieve en toxische componenten. Bij blootstelling aan bepaalde omstandigheden kan de integriteit van de batterij in gevaar komen, waarbij gevaarlijke gassen kunnen vrijkomen. Daarom is het belangrijk om de uitstoot van gassen uit stoffen, die tijdens tests uit de batterij vrijkomen, te identificeren: voor alle veiligheidsparameters onder de punten 1 tot en met 10 geldt dat naar behoren rekening wordt gehouden met het risico op het vrijkomen van giftige gassen uit niet-waterige elektrolyten.
BIJLAGE VI
ETIKETTERINGS-, MARKERINGS- EN INFORMATIEVEREISTEN
Deel A: Algemene informatie over batterijen
Het batterij-etiket bevat de volgende informatie over de batterij:
|
1. |
informatie betreffende de identiteit van de fabrikant overeenkomstig artikel 38, lid 7; |
|
2. |
de categorie van de batterij en informatie ter identificatie van de batterij overeenkomstig artikel 38, lid 6; |
|
3. |
de plaats van fabricage (geografische locatie van een fabricagefaciliteit van batterijen); |
|
4. |
de datum van fabricage (maand en jaar); |
|
5. |
het gewicht; |
|
6. |
de capaciteit; |
|
7. |
de chemische samenstelling; |
|
8. |
andere in de batterij aanwezige gevaarlijke stoffen dan kwik, cadmium of lood; |
|
9. |
bruikbaar blusmiddel; |
|
10. |
in de batterij aanwezige kritieke grondstoffen met een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent. |
Deel B: Symbool voor de gescheiden inzameling van batterijen
Deel C: QR-code
De QR-code heeft een hoog contrast ten opzichte van de achtergrondkleur en is van een zodanige afmeting dat de code goed leesbaar is met algemeen beschikbare QR-lezers, zoals de lezers in draagbare toestellen.
BIJLAGE VII
PARAMETERS VOOR HET BEPALEN VAN DE CONDITIE EN VERWACHTE LEVENSDUUR VAN BATTERIJEN
Deel A
Parameters voor het bepalen van de conditie van batterijen voor elektrische voertuigen, batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:
Voor batterijen voor elektrische voertuigen:
staat van gecertificeerde energie (State of Certified Energy — SOCE).
Voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:
|
1. |
de resterende capaciteit; |
|
2. |
waar mogelijk, het resterend vermogen; |
|
3. |
waar mogelijk, de resterende round-tripefficiëntie; |
|
4. |
de evolutie van zelfontlaadsnelheden; |
|
5. |
waar mogelijk, de weerstand in ohm. |
Deel B
Parameters voor het bepalen van de verwachte levensduur van batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:
|
1. |
de datum van fabricage van de batterij en, waar passend, de datum van ingebruikneming; |
|
2. |
het energierendement; |
|
3. |
het capaciteitsrendement; |
|
4. |
het traceren van schadelijke voorvallen, zoals het aantal diepe ontladingen, de tijd die is doorgebracht bij extreme temperaturen, de mate waarin is opgeladen bij extreme temperaturen; |
|
5. |
het aantal volledig gelijkwaardige ontladingscycli. |
BIJLAGE VIII
CONFORMITEITSBEOORDELINGSPROCEDURES
Deel A
MODULE A — INTERNE PRODUCTIECONTROLE
1. Beschrijving van de module
Met “interne productiecontrole” wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 4 nakomt en op eigen uitsluitende verantwoordelijkheid garandeert en verklaart dat de betrokken batterijen aan de in de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen voldoen.
2. Technische documentatie
De fabrikant stelt de technische documentatie op. Aan de hand van die documentatie moet kunnen worden beoordeeld of de batterij aan de in punt 1 bedoelde eisen voldoet; die documentatie omvat een adequate analyse en beoordeling van de risico’s.
In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van de batterij. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:
|
a) |
een algemene beschrijving van de batterij en van het beoogde gebruik; |
|
b) |
de conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schema’s van componenten, delen van samenstellen en circuits; |
|
c) |
de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van de in punt b) bedoelde tekeningen en schema’s en van de werking van de batterij; |
|
d) |
een model van het overeenkomstig artikel 13 vereiste etiket; |
|
e) |
een lijst met de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast, waarbij wordt aangegeven welke delen zijn toegepast, een lijst met de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast, waarbij wordt aangegeven welke delen zijn toegepast, en een lijst met andere relevante technische specificaties die voor meet- of berekeningsdoeleinden zijn toegepast; |
|
f) |
indien de in punt e) bedoelde geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties niet zijn toegepast of niet beschikbaar zijn, een beschrijving van de oplossingen die zijn vastgesteld om te voldoen aan de in de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen of om te controleren of de batterijen aan die eisen voldoen; |
|
g) |
de resultaten van gemaakte ontwerpberekeningen en van de uitgevoerde onderzoeken, en de gebruikte technische of schriftelijke bewijsstukken, en |
|
h) |
de testverslagen. |
3. Fabricage
De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces en het toezicht daarop ervoor zorgt dat de batterijen in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen.
4. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring
De fabrikant brengt de CE-markering aan op elke afzonderlijke batterij die voldoet aan de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen, of, indien dat vanwege de aard van de batterij niet mogelijk of niet opportuun is, op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.
De fabrikant stelt overeenkomstig artikel 18 voor ieder batterijmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt die verklaring, samen met de technische documentatie, tot tien jaar na het in de handel brengen van de laatste batterij van het betreffende model ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende batterijmodel beschreven.
Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring moet op verzoek aan de nationale autoriteiten worden verstrekt.
5. Gemachtigde van de fabrikant
De in de punt 4 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens de fabrikant en onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant worden vervuld door de gemachtigde van de fabrikant, op voorwaarde dat die verplichtingen in het mandaat zijn gespecificeerd.
Deel B
MODULE D1 — KWALITEITSBORGING VAN HET PRODUCTIEPROCES
1. Beschrijving van de module
Met kwaliteitsborging van het productieproces wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 4 en 7 nakomt en op eigen uitsluitende verantwoordelijkheid, onverminderd de verplichtingen van andere marktdeelnemers overeenkomstig deze verordening, garandeert en verklaart dat de betrokken batterijen voldoen aan de in de artikelen 7 en 8 vastgelegde toepasselijke eisen, of, naar keuze van de fabrikant, aan alle toepasselijke eisen vastgelegd in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.
2. Technische documentatie
De fabrikant stelt de technische documentatie op. Aan de hand van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of de batterij aan de in punt 1 bedoelde relevante eisen voldoet; zij omvat een adequate analyse en beoordeling van de risico’s.
In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van de batterij. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:
|
a) |
een algemene beschrijving van de batterij en van het beoogde gebruik; |
|
b) |
de conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schema’s van componenten, delen van samenstellen en circuits; |
|
c) |
de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van de in punt b) bedoelde tekeningen en schema’s en van de werking van de batterij; |
|
d) |
een model van het overeenkomstig artikel 13 vereiste etiket; |
|
e) |
een lijst van de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, of beide, die zijn toegepast en, in geval van gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke specificaties, of beide, een vermelding van de delen die zijn toegepast; |
|
f) |
een lijst met andere relevante technische specificaties die voor meet- of berekeningsdoeleinden zijn gebruikt en beschrijvingen van de oplossingen die zijn gekozen om aan de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen te voldoen of om te controleren of batterijen aan die eisen voldoen indien geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke specificaties, of beide, niet zijn toegepast of niet beschikbaar zijn; |
|
g) |
de resultaten van gemaakte ontwerpberekeningen en van de uitgevoerde onderzoeken, en de gebruikte technische of schriftelijke bewijsstukken; |
|
h) |
een onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in artikel 7, lid 1, bedoelde waarden voor de koolstofvoetafdruk en de in artikel 7, lid 2, bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklasse, met daarin de berekeningen die zijn gemaakt volgens de methode die is uiteengezet in de op grond van artikel 7, lid 1, vierde alinea, punt a), vastgestelde gedelegeerde handeling en de bewijzen en informatie op basis waarvan de inputgegevens voor die berekeningen worden bepaald; |
|
i) |
een onderzoek dat ten grondslag ligt aan het in artikel 8 bedoelde gehalte gerecycled materiaal, met daarin de berekeningen die zijn gemaakt volgens de methode die is uiteengezet in de op grond van artikel 8, lid 1, tweede alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling en de bewijzen en informatie op basis waarvan de inputgegevens voor die berekeningen worden bepaald, en |
|
j) |
de testverslagen. |
3. Beschikbaarheid van de technische documentatie
De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van de batterij de technische documentatie ter beschikking van de nationale autoriteiten.
4. Fabricage
De fabrikant past op de productie, de eindproductcontrole en het testen van de betrokken batterijen een goedgekeurd kwaliteitssysteem als bedoeld in punt 5 toe, waarop overeenkomstig punt 6 toezicht wordt uitgeoefend.
5. Kwaliteitssysteem
|
1. |
De fabrikant dient voor de betrokken batterijen bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag in tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem.
De aanvraag omvat:
|
|
2. |
Het kwaliteitssysteem waarborgt dat de batterijen in overeenstemming zijn met de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen.
Alle door de fabrikant vastgestelde gegevens, eisen en bepalingen moeten systematisch en geordend worden gebundeld in een document met schriftelijk vastgelegde beleidsmaatregelen, procedures en instructies. Met de documentatie van het kwaliteitssysteem moeten het mogelijk maken de kwaliteitsprogramma’s, -plannen, -handboeken en -dossiers eenduidig te interpreteren. De documentatie van het kwaliteitssysteem bevat met name een behoorlijke beschrijving van:
|
|
3. |
De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dat voldoet aan de in punt 5.2 bedoelde eisen.
Zij veronderstelt dat aan die eisen wordt voldaan indien de elementen van het kwaliteitssysteem voldoen aan de desbetreffende specificaties van de relevante geharmoniseerde norm. Het auditteam heeft ervaring met kwaliteitsmanagementsystemen; ten minste één lid van het team heeft bovendien ervaring met beoordelingen van het betrokken productgebied en de betrokken producttechnologie en is op de hoogte van de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen. De audit moet een inspectiebezoek aan de fabrikant omvatten. Het auditteam evalueert de in punt 2 bedoelde technische documentatie om te controleren of de fabrikant zich bewust is van de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen en de vereiste onderzoeken, berekeningen, metingen en tests kan verrichten om te waarborgen dat de batterij aan die eisen voldoet. Het auditteam controleert de betrouwbaarheid van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van het gehalte gerecycled materiaal als bedoeld in artikel 8 en, indien van toepassing, de waarden en prestatieklasse van de koolstofvoetafdruk als bedoeld in artikel 7, alsook de correcte toepassing van de desbetreffende berekeningsmethode. Nadat de aangemelde instantie het kwaliteitssysteem heeft beoordeeld, stelt zij de fabrikant in kennis van haar besluit. In die kennisgeving moeten de conclusies van de audit worden opgenomen, evenals de redenen voor dat besluit. |
|
4. |
De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het systeem passend en doeltreffend blijft. |
|
5. |
De fabrikant brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.
De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem blijft voldoen aan de in punt 5.2 bedoelde eisen, dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is. De aangemelde instantie brengt de fabrikant op de hoogte van haar beslissing. In die kennisgeving moeten de conclusies van het onderzoek worden opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing. |
|
6. |
Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie
|
|
7. |
CE-markering en EU-conformiteitsverklaring
Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring moet op verzoek aan de nationale autoriteiten worden verstrekt. |
|
8. |
Beschikbaarheid van documentatie van het kwaliteitssysteem
De fabrikant houdt gedurende een periode van tien jaar nadat de batterij in de handel is gebracht, de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:
|
|
9. |
Informatieverplichtingen van de aangemelde instantie
Elke aangemelde instantie brengt de autoriteit die haar heeft aangemeld op de hoogte van de verleende of ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen en verstrekt die autoriteit op gezette tijden of op verzoek een lijst van geweigerde, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen. Elke aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, ingetrokken, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen alsook, op verzoek, van de door haar verleende goedkeuringen voor kwaliteitssystemen. |
|
10. |
Gemachtigde van de fabrikant
De in de punten 3, 5.1, 5.5, 7 en 8 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens de fabrikant en onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant worden vervuld door de gemachtigde van de fabrikant, op voorwaarde dat die verplichtingen in het mandaat zijn gespecificeerd. |
Deel C
MODULE G — CONFORMITEIT OP BASIS VAN EENHEIDSKEURING
1. Beschrijving van de module
Met conformiteit op basis van eenheidskeuring wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de in de punten 2, 3 en 5 vastgelegde verplichtingen nakomt en op eigen uitsluitende verantwoordelijkheid, onverminderd de verplichtingen van andere marktdeelnemers overeenkomstig deze verordening, garandeert en verklaart dat de betrokken batterij, die is onderworpen aan de bepalingen van punt 4, in overeenstemming is met de in de artikelen 7 en 8 genoemde toepasselijke vereisten, of, naar keuze van de fabrikant, met alle in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen.
2. Technische documentatie
|
1. |
De fabrikant stelt de technische documentatie samen en stelt die ter beschikking van de in punt 4 bedoelde aangemelde instantie. Aan de hand van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of de batterij aan de relevante in punt 1 bedoelde eisen voldoet; zij omvat een adequate analyse en beoordeling van de risico’s.
In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van de batterij. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:
|
|
2. |
De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van de batterij de technische documentatie ter beschikking van de nationale autoriteiten. |
|
3. |
Fabricage
De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces en het toezicht daarop ervoor zorgen dat de gefabriceerde batterij in overeenstemming is met de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen waarborgen. |
|
4. |
Verificatie
|
|
5. |
CE-markering en EU-conformiteitsverklaring
De fabrikant brengt de CE-markering en onder de verantwoordelijkheid van de in punt 4 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die laatste aan op elke afzonderlijke batterij die voldoet aan de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen, of, indien dat vanwege de aard van de batterij niet mogelijk of niet opportuun is, op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen. De fabrikant stelt overeenkomstig artikel 18 voor iedere batterij een EU-conformiteitsverklaring op en houdt die verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van de batterij ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende batterijmodel beschreven. Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring moet op verzoek aan de nationale autoriteiten worden verstrekt. |
|
6. |
Gemachtigde van de fabrikant
De in de punten 2.2, 4.2, en 5 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens de fabrikant en onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant worden vervuld door de gemachtigde van de fabrikant, op voorwaarde dat die verplichtingen in het mandaat zijn gespecificeerd. |
BIJLAGE IX
EU-CONFORMITEITSVERKLARING Nr.* …
* (identificatienummer van de aangifte)
|
1. |
Batterijmodel (product, categorie en partij- of serienummer): |
|
2. |
Naam en adres van de fabrikant en, indien van toepassing, de gemachtigde van de fabrikant: |
|
3. |
Deze conformiteitsverklaring wordt afgegeven onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de fabrikant. |
|
4. |
Voorwerp van de verklaring (beschrijving van de batterij en identificatie aan de hand waarvan de batterij kan worden getraceerd, en die, waar passend, een afbeelding van de batterij kan bevatten). |
|
5. |
Het in punt 4 beschreven voorwerp is in overeenstemming met de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie: … (verwijzing naar de andere toegepaste handeling van de Unie). |
|
6. |
Vermelding van de toegepaste relevante geharmoniseerde normen of van de gebruikte gemeenschappelijke specificaties of van de andere technische specificaties waarop de conformiteitsverklaring betrekking heeft: |
|
7. |
De aangemelde instantie … (naam, adres, nummer) heeft … (werkzaamheden beschrijven) uitgevoerd en het certificaat/de certificaten verstrekt: … (details, inclusief de datum en, waar van toepassing, gegevens over de geldigheidsduur en -voorwaarden van het certificaat). |
|
8. |
Aanvullende informatie
Ondertekend voor en namens: (plaats en datum van afgifte): (naam, functie) (handtekening) |
BIJLAGE X
LIJST VAN GRONDSTOFFEN EN RISICOCATEGORIEËN
|
1. |
Grondstoffen:
|
|
2. |
Categorieën van sociale en milieurisico’s:
|
|
3. |
De internationale instrumenten ter dekking van de in punt 2 bedoelde risico’s omvatten:
|
|
4. |
De internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid die van toepassing zijn op de in hoofdstuk VII van deze verordening bedoelde eisen voor passende zorgvuldigheid:
|
BIJLAGE XI
BEREKENING VAN DE INZAMELINGSPERCENTAGES VOOR AFGEDANKTE DRAAGBARE BATTERIJEN EN AFGEDANKTE BATTERIJEN VOOR LICHTE VERVOERMIDDELEN
|
1. |
Producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, en de lidstaten, berekenen het inzamelingspercentage als het percentage dat wordt verkregen door het gewicht van de afgedankte batterijen, die respectievelijk overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 69 in een bepaald kalenderjaar in een lidstaat zijn ingezameld, te delen door het gemiddelde gewicht van die batterijen die producenten hetzij rechtstreeks voor de eindgebruiker op de markt aanbieden, hetzij leveren aan derde partijen om ze voor de eindgebruiker op de markt aan te bieden in die lidstaat gedurende de voorafgaande drie kalenderjaren. Het inzamelingspercentage wordt berekend voor draagbare batterijen overeenkomstig artikel 59, en voor batterijen voor lichte vervoermiddelen overeenkomstig artikel 60.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2. |
Producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, en de lidstaten, berekenen de jaarlijkse omzet van de batterijenverkoop aan eindgebruikers in een bepaald jaar als het gewicht van de op hun grondgebied in het betreffende jaar voor de eerste keer op de markt aangeboden draagbare batterijen, met uitzondering van de batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar vóór hun verkoop aan eindgebruikers hebben verlaten. Die omzet wordt afzonderlijk berekend voor draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen. |
|
3. |
Voor iedere batterij geldt dat slechts de eerste keer dat de batterij in een lidstaat op de markt is aangeboden, wordt meegeteld. |
|
4. |
De in de punten 1 en 2 bedoelde berekening wordt gebaseerd op verzamelde gegevens of statistisch significante ramingen op basis van verzamelde gegevens. |
BIJLAGE XII
VOORSCHRIFTEN VOOR OPSLAG EN VERWERKING, WAARONDER RECYCLING
Deel A: Voorschriften voor opslag en verwerking
|
1. |
De verwerking houdt minimaal het wegnemen in van alle vloeistoffen en zuren. |
|
2. |
Verwerking en opslag, tijdelijke opslag daaronder begrepen, in verwerkingsinrichtingen, waaronder recyclinginrichtingen, vinden plaats op locaties met ondoorlaatbare oppervlakken en passende weerbestendige afdekkingen of in daarvoor geschikte recipiënten. |
|
3. |
Afgedankte batterijen in verwerkingsinrichtingen, waaronder recyclinginrichtingen, worden zodanig opgeslagen dat ze niet worden gemengd met geleidende of brandbare materialen. |
|
4. |
Er moeten speciale voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen worden getroffen voor de verwerking van afgedankte lithiumbatterijen tijdens de verwerking, sortering en opslag. Die maatregelen omvatten bescherming tegen blootstelling aan:
Afgedankte lithiumbatterijen worden opgeslagen in dezelfde richting als waarin zij gewoonlijk geïnstalleerd worden, d.i. nooit omgekeerd, en in goed geventileerde ruimten en zij worden bedekt met hoogspanningsbestendig rubber. Opslagfaciliteiten voor afgedankte lithiumbatterijen worden gemarkeerd met een waarschuwingsteken. |
|
5. |
Kwik wordt bij verwerking gescheiden in een identificeerbare stroom, die veilig wordt geïmmobiliseerd en verwijderd en die geen nadelige effecten kan hebben voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. |
|
6. |
Cadmium wordt bij verwerking gescheiden in een identificeerbare stroom, waaraan een veilige bestemming wordt gegeven en die geen nadelige effecten kan hebben voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. |
Deel B: Doelstellingen inzake recyclingrendement
|
1. |
Uiterlijk op 31 december 2025 moet de recycling ten minste de volgende doelstellingen inzake recyclingrendement halen:
|
|
2. |
Uiterlijk op 31 december 2030 moet de recycling ten minste de volgende doelstellingen inzake recyclingrendement halen:
|
Deel C: Doelstellingen inzake materiaalterugwinning
|
1. |
Uiterlijk op 31 december 2027 moet alle recycling ten minste de volgende doelstellingen inzake materiaalterugwinning halen:
|
|
2. |
Uiterlijk op 31 december 2031 moet alle recycling ten minste de volgende doelstellingen inzake materiaalterugwinning halen:
|
BIJLAGE XIII
IN HET BATTERIJPASPOORT OP TE NEMEN INFORMATIE
1. PUBLIEK TOEGANKELIJKE INFORMATIE OVER HET BATTERIJMODEL
Een batterijpaspoort bevat de volgende, voor het publiek toegankelijke informatie over het batterijmodel:
|
a) |
de informatie over batterijen als bedoeld in bijlage VI, deel A; |
|
b) |
de materiaalsamenstelling van de batterij, met inbegrip van de chemische samenstelling ervan, andere in de batterij aanwezige gevaarlijke stoffen dan kwik, cadmium of lood, en in de batterij aanwezige kritieke grondstoffen; |
|
c) |
de informatie over de koolstofvoetafdruk als bedoeld in artikel 7, leden 1 en 2; |
|
d) |
informatie over het op verantwoorde wijze betrekken van grondstoffen zoals aangegeven in het verslag over het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, als bedoeld in artikel 52, lid 3; |
|
e) |
informatie over het gehalte aan gerecycled materiaal zoals vervat in de documentatie als bedoeld in artikel 8, lid 1; |
|
f) |
het aandeel hernieuwbare inhoud; |
|
g) |
de nominale capaciteit (in Ah); |
|
h) |
de minimale spanning, nominale spanning en maximale spanning, indien relevant met temperatuurbereik; |
|
i) |
het oorspronkelijk vermogen (in watt) en grenswaarden, indien relevant met temperatuurbereik; |
|
j) |
de verwachte levensduur van de batterij uitgedrukt in cycli, alsook de gebruikte referentietest; |
|
k) |
de capaciteitsdrempel voor volledige ontlading (uitsluitend voor batterijen voor elektrische voertuigen); |
|
l) |
de temperaturen waartegen de batterij bestand is wanneer zij niet in gebruik is (referentietest); |
|
m) |
de periode gedurende welke de commerciële garantie voor de kalenderlevensduur van toepassing is; |
|
n) |
de initiële round-tripefficiëntie en bij 50 % van de ontladingscyclus; |
|
o) |
de interne weerstand van de batterijcellen en het batterijpak; |
|
p) |
de “C-rate” (constante laadstroom) van de betreffende ontladingscyclustest; |
|
q) |
de markeringsvereisten van artikel 13, leden 3 en 4; |
|
r) |
de EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 18; |
|
s) |
de in artikel 74, lid 1, punten a) tot en met f), bedoelde informatie over de preventie en het beheer van afgedankte batterijen. |
2. INFORMATIE OVER HET BATTERIJMODEL DIE UITSLUITEND TOEGANKELIJK IS VOOR PERSONEN MET EEN GERECHTVAARDIGD BELANG EN VOOR DE COMMISSIE
Een batterijpaspoort bevat de volgende informatie over het batterijmodel die uitsluitend toegankelijk is voor personen met een gerechtvaardigd belang en de Commissie:
|
a) |
gedetailleerde gegevens met betrekking tot de samenstelling, met inbegrip van de in de kathode, de anode en de elektrolyt gebruikte materialen; |
|
b) |
de nummers van de onderdelen en de contactgegevens voor het verkrijgen van vervangende onderdelen; |
|
c) |
demontage-informatie, met in ieder geval:
|
|
d) |
veiligheidsmaatregelen. |
3. INFORMATIE DIE UITSLUITEND TOEGANKELIJK IS VOOR AANGEMELDE INSTANTIES, MARKTTOEZICHTAUTORITEITEN EN DE COMMISSIE
Een batterijpaspoort bevat de volgende informatie over het batterijmodel die uitsluitend toegankelijk is voor aangemelde instanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie:
|
— |
de gerapporteerde resultaten van de test waaruit conformiteit blijkt met de vereisten die zijn vastgelegd in deze verordening of op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen. |
4. INFORMATIE EN GEGEVENS OVER EEN INDIVIDUELE BATTERIJ DIE UITSLUITEND TOEGANKELIJK ZIJN VOOR PERSONEN MET EEN GERECHTVAARDIGD BELANG
Een batterijpaspoort bevat de volgende specifieke informatie en gegevens over een individuele batterij, die uitsluitend toegankelijk zijn voor personen met een gerechtvaardigd belang:
|
a) |
de waarden voor de in artikel 10, lid 1, bedoelde prestatie- en duurzaamheidsparameters wanneer de batterij in de handel wordt gebracht en wanneer de status ervan wordt gewijzigd; |
|
b) |
informatie over de conditie van de batterij op grond van artikel 14; |
|
c) |
informatie over de status van de batterij, gedefinieerd als “oorspronkelijk”, “herbestemd”, “hergebruikt”, “geherfabriceerd” of “afgedankt”; |
|
d) |
informatie en gegevens die het gevolg zijn van het gebruik ervan, met inbegrip van het aantal laad- en ontladingscycli en negatieve gebeurtenissen, zoals ongevallen, alsook periodiek geregistreerde informatie over de omgevingsomstandigheden wat de werking betreft, met inbegrip van de temperatuur, en over het laadniveau. |
BIJLAGE XIV
MINIMUMEISEN VOOR DE OVERBRENGING VAN GEBRUIKTE BATTERIJEN
|
1. |
Om een onderscheid te maken tussen gebruikte en afgedankte batterijen, wanneer de houder, dat wil zeggen de natuurlijke of rechtspersoon die de gebruikte batterijen of de afgedankte batterijen in bezit heeft, beweert gebruikte batterijen te willen overbrengen of over te brengen en geen afgedankte batterijen, wordt die houder voorgeschreven te beschikken over het volgende om die bewering te staven:
|
|
2. |
Punt 1, a) en b), en punt 3 zijn niet van toepassing wanneer dat wordt aangetoond door gedocumenteerd bewijs dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en dat:
|
|
3. |
Om aan te tonen dat de overgebrachte batterijen uit gebruikte en niet uit afgedankte batterijen bestaan, voert de houder de volgende stappen uit voor het testen en registreren:
|
|
4. |
Naast de op grond van de punten 1, 2 en 3 voorgeschreven documenten dient elke lading, bv. container or vrachtwagen, gebruikte batterijen vergezeld te gaan van:
|
|
5. |
Bij ontbreken van bewijs dat een voorwerp een gebruikte batterij is en geen afgedankte batterij, in de vorm van de op grond van de punten 1, 2, 3 en 4 vereiste passende documenten, en van passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading, waarvoor de houder die het vervoer organiseert verantwoordelijk is, wordt het voorwerp als afvalstof beschouwd en wordt ervan uitgegaan dat de lading een illegale overbrenging omvat. In zulke gevallen wordt met de lading omgegaan overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EG) nr. 1013/2006. |
BIJLAGE XV
CONCORDANTIETABEL
|
Richtlijn 2006/66/EG |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 1, eerste alinea, punt 1 |
Artikel 1, lid 1 |
|
Artikel 1, eerste alinea, punt 2 |
Artikel 1, lid 1 |
|
Artikel 1, tweede alinea |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 1, leden 3, 4 en 5 |
|
Artikel 2, lid 1 |
Artikel 1, leden 3 en 4 |
|
Artikel 2, lid 2 |
Artikel 1, lid 5 |
|
Artikel 2, lid 2, punt a) |
Artikel 1, lid 5, punt a) |
|
Artikel 2, lid 2, punt b) |
Artikel 1, lid 5, punt b) |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
|
Artikel 3, punt 1 |
Artikel 3, lid 1, punt 1) |
|
Artikel 3, punt 2 |
Artikel 3, lid 1, punt 2) |
|
Artikel 3, punt 3 |
Artikel 3, lid 1, punt 9) |
|
Artikel 3, punt 4 |
— |
|
Artikel 3, punt 5 |
Artikel 3, lid 1, punt 12) |
|
Artikel 3, punt 6 |
Artikel 3, lid 1, punt 13) |
|
Artikel 3, punt 7 |
Artikel 3, lid 1, punt 50) |
|
Artikel 3, punt 8 |
Artikel 3, lid 2, punt a) |
|
Artikel 3, punt 9 |
— |
|
Artikel 3, punt 10 |
Artikel 3, lid 1, punt 53) |
|
Artikel 3, punt 11 |
Artikel 3, lid 1, punt 26) |
|
Artikel 3, punt 12 |
Artikel 3, lid 1, punt 47) |
|
Artikel 3, punt 13 |
Artikel 3, lid 1, punt 65) |
|
Artikel 3, punt 14 |
Artikel 3, lid 1, punt 16) |
|
Artikel 3, punt 15 |
Artikel 3, lid 1, punt 22) |
|
Artikel 3, punt 16 |
— |
|
Artikel 3, punt 17 |
— |
|
Artikel 4 |
Artikel 6 |
|
Artikel 4, lid 1 |
Bijlage I |
|
Artikel 4, lid 1, punt a) |
Bijlage I, vermelding 1 |
|
Artikel 4, lid 1, punt b) |
Bijlage I, vermelding 2 |
|
Artikel 4, lid 2 |
— |
|
Artikel 4, lid 3 |
— |
|
Artikel 4, lid 3, punt a) |
— |
|
Artikel 4, lid 3, punt b) |
— |
|
Artikel 4, lid 3, punt c) |
— |
|
Artikel 4, lid 4 |
— |
|
Artikel 5 |
— |
|
Artikel 6 |
Artikel 4 |
|
Artikel 6, lid 1 |
Artikel 4, lid 1 |
|
Artikel 6, lid 2 |
— |
|
Artikel 7 |
Artikel 2 |
|
Artikel 8 |
Artikelen 59 en 62, en artikelen 64 tot en met 67 |
|
Artikel 8, lid 1 |
Artikel 59 |
|
Artikel 8, lid 1, eerste alinea, punt a) |
Artikel 59, lid 1, punt a) Artikel 59, lid 1, punt b) |
|
Artikel 8, lid 1, eerste alinea, punt b) |
Artikel 62 |
|
Artikel 8, lid 1, eerste alinea, punt c) |
Artikel 61, lid 1 Artikel 62, lid 1 |
|
Artikel 8, lid 1, eerste alinea, punt d) |
Artikel 59, lid 2, punt a), ii) Artikel 61, lid 1, punt c) |
|
Artikel 8, lid 1, tweede alinea |
Artikel 59, lid 5 |
|
Artikel 8, lid 2 |
Artikel 59, lid 1, en artikel 59, lid 2 |
|
Artikel 8, lid 2, punt a) |
Artikel 59, lid 1, en artikel 59, lid 2 |
|
Artikel 8, lid 2, punt b) |
Artikel 59, lid 2 |
|
Artikel 8, lid 2, punt c) |
— |
|
Artikel 8, lid 3 |
Artikel 61 |
|
Artikel 8, lid 4 |
Artikel 61 |
|
Artikel 9 |
— |
|
Artikel 10 |
Artikelen 59, 60 en 69 |
|
Artikel 10, lid 1 |
— |
|
Artikel 10, lid 1, tweede alinea |
Artikel 75, lid 4 |
|
Artikel 10, lid 2 |
Artikelen 59 en 60 |
|
Artikel 10, lid 2, punt a) |
— |
|
Artikel 10, lid 2, punt b) |
Artikel 59, lid 3, en artikel 60, lid 3 |
|
Artikel 10, lid 3 |
Artikel 69, lid 2, en artikel 76, lid 1, tweede alinea |
|
Artikel 10, lid 4 |
— |
|
Artikel 11 |
Artikel 11 |
|
Artikel 11, eerste alinea |
Artikel 11, lid 1 |
|
Artikel 11, tweede alinea |
Artikel 11, lid 3 |
|
Artikel 12 |
Artikel 70 |
|
Artikel 12, lid 1 |
Artikel 70, lid 2 |
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, punt a) |
Artikel 59, lid 1, punt f), artikel 60, lid 1, punt f), en artikel 61, lid 3, punt c) |
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, punt b) |
Artikel 71, lid 1 |
|
Artikel 12, lid 1, tweede alinea |
— |
|
Artikel 12, lid 1, derde alinea |
— |
|
Artikel 12, lid 2 |
Artikel 71, lid 4 |
|
Artikel 12, lid 3 |
Artikel 70, lid 3 |
|
Artikel 12, lid 4 |
Artikel 71, leden 2 en 3 |
|
Artikel 12, lid 5 |
Artikel 75, lid 5, punt c), en artikel 76, lid 1, punt d) |
|
Artikel 12, lid 6 |
Artikel 71, lid 4 |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 13, lid 1 |
— |
|
Artikel 13, lid 2 |
— |
|
Artikel 14 |
Artikel 70, lid 1 |
|
Artikel 15 |
Artikel 72 |
|
Artikel 15, lid 1 |
Artikel 72, lid 1 |
|
Artikel 15, lid 2 |
Artikel 72, lid 3 |
|
Artikel 15, lid 3 |
Artikel 72, lid 4 |
|
Artikel 16 |
Artikel 56 |
|
Artikel 16, lid 1 |
Artikel 56, leden 1 en 4 |
|
Artikel 16, lid 1, punt a) |
Artikel 56, lid 4, punt a) |
|
Artikel 16, lid 1, punt b) |
Artikel 56, lid 4, punt a) |
|
Artikel 16, lid 2 |
— |
|
Artikel 16, lid 3 |
Artikel 56, lid 1, punt c) |
|
Artikel 16, lid 4 |
Artikel 74, lid 5 |
|
Artikel 16, lid 5 |
— |
|
Artikel 16, lid 6 |
— |
|
Artikel 17 |
Artikel 55 |
|
Artikel 18 |
Artikel 57, lid 2, punt c) |
|
Artikel 18, lid 1 |
— |
|
Artikel 18, lid 2 |
— |
|
Artikel 18, lid 3 |
— |
|
Artikel 19 |
Artikel 59, lid 1, artikel 60, lid 1, artikel 61, lid 1, artikel 62 en de artikelen 64 tot en met 67 |
|
Artikel 19, lid 1 |
Artikel 59, lid 2, artikel 60, lid 2, artikel 61, lid 1, en de artikelen 62, 65, 66 en 67 |
|
Artikel 19, lid 2 |
Artikel 57, lid 2, punt c) |
|
Artikel 20 |
Artikel 74 |
|
Artikel 20, lid 1 |
Artikel 74, lid 1 |
|
Artikel 20, lid 1, punt a) |
Artikel 74, lid 1, punt f) |
|
Artikel 20, lid 1, punt b) |
Artikel 74, lid 1, punt b) |
|
Artikel 20, lid 1, punt c) |
Artikel 74, lid 1, punt c) |
|
Artikel 20, lid 1, punt d) |
Artikel 74, lid 1, punt b) |
|
Artikel 20, lid 1, punt e) |
Artikel 74, lid 1, punt e) |
|
Artikel 20, lid 2 |
Artikel 74 |
|
Artikel 20, lid 3 |
Artikel 74, lid 4 |
|
Artikel 21 |
Artikel 20 Artikel 13, bijlage VI, delen A, B en C |
|
Artikel 21, lid 1 |
Artikel 13, lid 4 |
|
Artikel 21, lid 2 |
Artikel 13, lid 2 |
|
Artikel 21, lid 3 |
Artikel 13, lid 5 |
|
Artikel 21, lid 4 |
Artikel 13, lid 4 |
|
Artikel 21, lid 5 |
Artikel 13, lid 4 |
|
Artikel 21, lid 6 |
— |
|
Artikel 21, lid 7 |
— |
|
Artikel 22 bis |
— |
|
Artikel 23 |
Artikel 94 |
|
Artikel 23, lid 1 |
Artikel 94, lid 1 |
|
Artikel 23, lid 2 |
Artikel 94, lid 2 |
|
Artikel 23, lid 2, punt a) |
— |
|
Artikel 23, lid 2, punt b) |
Artikel 94, lid 2, eerste alinea, punt e) |
|
Artikel 23, lid 2, punt c) |
Artikel 71, leden 5 en 6 |
|
Artikel 23, lid 3 |
Artikel 94, lid 2, tweede alinea |
|
Artikel 23 bis |
Artikel 89 |
|
Artikel 23 bis, lid 1 |
Artikel 89, lid 1 |
|
Artikel 23 bis, lid 2 |
Artikel 89, lid 2 |
|
Artikel 23 bis, lid 3 |
Artikel 89, lid 3 |
|
Artikel 23 bis, lid 4 |
Artikel 89, lid 5 |
|
Artikel 23 bis, lid 5 |
Artikel 89, lid 6 |
|
Artikel 24 |
Artikel 90 |
|
Artikel 24, lid 1 |
Artikel 90, lid 1 |
|
Artikel 24, lid 2 |
Artikel 90, lid 3 |
|
Artikel 24, lid 2, tweede alinea |
Artikel 90, lid 3, tweede alinea |
|
Artikel 25 |
Artikel 93 |
|
Artikel 26 |
— |
|
Artikel 27 |
— |
|
Artikel 28 |
Artikel 95 |
|
Artikel 29 |
Artikel 96 |
|
Artikel 30 |
— |
|
Bijlage I |
Bijlage XI |
|
Bijlage II |
Bijlage VI, deel B |
|
Bijlage III |
Bijlage XII |
|
Bijlage III, deel A |
Bijlage XII, deel A |
|
Bijlage III, deel B |
Bijlage XII, deel B |
|
Bijlage IV |
Artikel 55 |
|
28.7.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/118 |
VERORDENING (EU) 2023/1543 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 12 juli 2023
betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te ontwikkelen. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in strafzaken die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 algemeen wordt beschouwd als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie. |
|
(2) |
Maatregelen om elektronisch bewijsmateriaal te verkrijgen en te bewaren worden steeds belangrijker voor strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen in de hele Unie. Doeltreffende mechanismen om elektronisch bewijsmateriaal te verkrijgen, zijn van essentieel belang om criminaliteit te bestrijden, maar dergelijke mechanismen moeten tegelijk aan voorwaarden en waarborgen worden onderworpen met het oog op de volledige naleving van de grondrechten en -beginselen die zijn erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”), met name de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en het recht op eerlijke rechtsbedeling en bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van persoonsgegevens en van de vertrouwelijkheid van communicatie. |
|
(3) |
In de gezamenlijke verklaring van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en van de vertegenwoordigers van de EU-instellingen over de terreuraanslagen op 24 maart 2016 in Brussel werd benadrukt dat het bij voorrang zaak was om sneller en doeltreffender digitaal bewijsmateriaal te verkrijgen en veilig te stellen en daartoe concrete maatregelen vast te stellen. |
|
(4) |
In zijn conclusies van 9 juni 2016 benadrukte de Raad dat elektronisch bewijsmateriaal steeds belangrijker wordt in strafzaken, dat de bescherming van de cyberruimte tegen misbruik en criminele activiteiten van groot belang is voor onze economieën en samenlevingen, en dat rechtshandhavingsinstanties en rechterlijke autoriteiten daarom doeltreffende middelen moeten hebben om criminele handelingen in de cyberruimte op te sporen en te vervolgen. |
|
(5) |
In de gezamenlijke mededeling van de Commissie en van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 getiteld “Weerbaarheid, afschrikking en defensie: bouwen aan sterke cyberbeveiliging voor de EU” heeft de Commissie erop gewezen dat doeltreffend onderzoek naar en vervolging van cybercriminaliteit belangrijke afschrikmiddelen tegen cyberaanvallen zijn en dat het huidige procedurele kader beter moet aansluiten bij het internettijdperk. De huidige procedures kunnen de snelheid van cyberaanvallen soms niet aan, waardoor er specifieke behoeften aan snelle grensoverschrijdende samenwerking zijn ontstaan. |
|
(6) |
In de resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit (3) werd gewezen op de noodzaak manieren te vinden om elektronisch bewijsmateriaal sneller veilig te stellen en te verkrijgen, en op het belang van nauwe samenwerking tussen rechtshandhavingsautoriteiten, derde landen en dienstaanbieders die actief zijn op het Europese grondgebied, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (4) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (5), en de bestaande overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp. In die resolutie van het Europees Parlement werd ook benadrukt dat het momenteel versnipperde rechtskader problemen kan opleveren voor dienstaanbieders die willen voldoen aan rechtshandhavingsverzoeken, en werd de Commissie verzocht een voorstel voor een Unierechtskader voor elektronisch bewijsmateriaal voor te leggen met voldoende waarborgen voor de rechten en vrijheden van alle betrokkenen, terwijl het Parlement ingenomen was met de doorlopende werkzaamheden van de Commissie aan een samenwerkingsplatform met een beveiligd communicatiekanaal voor de digitale uitwisseling van Europese onderzoeksbevelen (EOB’s), voor elektronisch bewijsmateriaal en antwoorden tussen de rechterlijke autoriteiten in de Unie. |
|
(7) |
Op een netwerk gebaseerde diensten kunnen overal vandaan worden verstrekt en vereisen geen fysieke infrastructuur, gebouwen of personeel in het land waar de betrokken dienst wordt aangeboden. Relevant elektronisch bewijsmateriaal wordt dan ook vaak opgeslagen buiten de staat waar het onderzoek wordt gevoerd, of door een buiten die staat gevestigde dienstaanbieder, met de nodige uitdagingen betreffende het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures. |
|
(8) |
Als gevolg van de wijze waarop op een netwerk gebaseerde diensten worden verstrekt, worden verzoeken om justitiële samenwerking vaak gericht aan landen die een groot aantal dienstaanbieders hosten. Voorts is het aantal verzoeken sterk toegenomen als gevolg van het feit dat op een netwerk gebaseerde diensten steeds vaker worden gebruikt. Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) voorziet in de mogelijkheid om een EOB uit te vaardigen met het oog op het vergaren van bewijsmateriaal in een andere lidstaat. Bovendien voorziet de overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie door de Raad vastgestelde Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (7) (de “Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken”) ook in de mogelijkheid om een andere lidstaat om bewijs te verzoeken. De procedures en tijdschema’s waarin Richtlijn 2014/41/EU betreffende het EOB en de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken voorzien, zijn mogelijk echter niet geschikt voor elektronisch bewijsmateriaal, dat vluchtiger is en gemakkelijker en sneller kan worden gewist. Het verkrijgen van elektronisch bewijsmateriaal door middel van justitiële samenwerking duurt vaak erg lang, wat leidt tot situaties waarin aanknopingspunten mogelijk niet langer beschikbaar zijn. Bovendien is er geen geharmoniseerd kader voor samenwerking met dienstaanbieders, terwijl bepaalde dienstaanbieders uit derde landen directe verzoeken om andere gegevens dan inhoudelijke gegevens aanvaarden, zoals toegestaan op grond van hun toepasselijk nationaal recht. Als gevolg daarvan doen lidstaten steeds vaker een beroep op kanalen voor vrijwillige directe samenwerking met dienstaanbieders wanneer die voorhanden zijn, en passen zij verschillende nationale instrumenten, voorwaarden en procedures toe. Sommige lidstaten hebben voor inhoudelijke gegevens unilaterale maatregelen genomen, terwijl andere een beroep blijven doen op justitiële samenwerking. |
|
(9) |
Het versnipperde rechtskader levert problemen op voor rechtshandhavingsautoriteiten en rechterlijke autoriteiten alsook voor dienstaanbieders die willen voldoen aan juridische verzoeken om elektronisch bewijsmateriaal, omdat ze steeds vaker worden geconfronteerd met rechtsonzekerheid en mogelijk met tegenstrijdige wetgeving. Daarom moet worden voorzien in specifieke regels inzake grensoverschrijdende justitiële samenwerking voor het bewaren en verstrekken van elektronisch bewijsmateriaal waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke aard van elektronisch bewijsmateriaal. Dergelijke regels moeten voor binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende dienstaanbieders een verplichting inhouden om direct te reageren op verzoeken van autoriteiten in een andere lidstaat. Deze verordening vormt derhalve een aanvulling op het bestaande Unierecht en verduidelijkt de regels die van toepassing zijn op rechtshandhavingsautoriteiten en rechterlijke autoriteiten en op dienstaanbieders op het gebied van elektronisch bewijsmateriaal, waarbij de volledige eerbiediging van de grondrechten wordt gewaarborgd. |
|
(10) |
Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in artikel 6 VEU en in het Handvest, in het internationale recht en in internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met inbegrip van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in de grondwetten van de lidstaten, op hun respectieve toepassingsgebied. Dergelijke rechten en beginselen omvatten met name het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging, het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde strafbaar feit te worden berecht of gestraft. |
|
(11) |
Niets in deze verordening mag worden uitgelegd als een verbod voor een tenuitvoerleggingsautoriteit een Europees verstrekkingsbevel te weigeren wanneer er redenen bestaan om op basis van objectieve elementen aan te nemen dat het Europees verstrekkingsbevel is uitgevaardigd om iemand te vervolgen of te bestraffen vanwege het gender, het ras of de etnische afkomst, de godsdienst, de seksuele geaardheid of genderidentiteit, de nationaliteit, de taal of politieke overtuigingen van die persoon, of dat de positie van die persoon om een van die redenen kan worden aangetast. |
|
(12) |
Het mechanisme van het Europees verstrekkingsbevel en van het Europees bewaringsbevel van elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken berust op het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en op het vermoeden van naleving door de lidstaten van het Unierecht, de rechtsstaat en met name de grondrechten, die essentiële elementen zijn van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Unie. Een dergelijk mechanisme stelt de nationale bevoegde autoriteiten in staat dergelijke bevelen rechtstreeks naar dienstaanbieders te sturen. |
|
(13) |
De eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens, zijn grondrechten. Krachtens artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie en op de bescherming van zijn persoonsgegevens. |
|
(14) |
Bij de uitvoering van deze verordening moeten de lidstaten ervoor zorgen dat persoonsgegevens worden beschermd en verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680, alsook Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (8), ook in geval van verder gebruik, doorgifte en verdere doorgifte van verkregen gegevens. |
|
(15) |
De uit hoofde van deze verordening verkregen persoonsgegevens mogen uitsluitend worden verwerkt als dat nodig is en op een manier die in verhouding staat tot de doeleinden inzake het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen en de uitoefening van de rechten van de verdediging. De lidstaten moeten er met name voor zorgen dat een passend gegevensbeschermingsbeleid en passende gegevensbeschermingsmaatregelen van toepassing zijn op de doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten aan dienstaanbieders voor de toepassing van deze verordening, met inbegrip van maatregelen om de beveiliging van de gegevens te waarborgen. Dienstaanbieders moeten ervoor zorgen dat dezelfde waarborgen van toepassing zijn op de doorgifte van persoonsgegevens aan bevoegde autoriteiten. Alleen bevoegde personen mogen via een authenticatieprocedure toegang hebben tot informatie die persoonsgegevens bevat. |
|
(16) |
De procedurele rechten in strafzaken zoals uiteengezet in de Richtlijnen 2010/64/EU (9), 2012/13/EU (10), 2013/48/EU (11), (EU) 2016/343 (12), (EU) 2016/800 (13) en (EU) 2016/1919 (14) van het Europees Parlement en de Raad, moeten binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen van toepassing zijn op onder deze verordening vallende strafprocedures wat de door die richtlijnen gebonden lidstaten betreft. De procedurele waarborgen uit hoofde van het Handvest moeten ook van toepassing zijn. |
|
(17) |
Om de volledige eerbiediging van de grondrechten te waarborgen, moet de bewijskracht van bij toepassing van deze verordening vergaard bewijsmateriaal in rechte worden beoordeeld door de bevoegde rechterlijke autoriteit overeenkomstig het nationale recht en met inachtneming van met name het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging. |
|
(18) |
Deze verordening voorziet in de regels uit hoofde waarvan een bevoegde rechterlijke autoriteit in de Unie, in strafzaken, waaronder strafrechtelijke onderzoeken, of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel na een strafprocedure overeenkomstig deze verordening, een dienstaanbieder die diensten aanbiedt in de Unie, door middel van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel kan gelasten elektronisch bewijsmateriaal te verstrekken of te bewaren. Deze verordening moet van toepassing zijn op alle grensoverschrijdende gevallen waarin de dienstaanbieder zijn of haar aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger in een andere lidstaat heeft. Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van nationale autoriteiten om zich tot op hun grondgebied gevestigde of vertegenwoordigde dienstaanbieders te richten om ervoor te zorgen dat zij soortgelijke nationale maatregelen naleven. |
|
(19) |
Deze verordening moet alleen het verzamelen regelen van gegevens die door een dienstaanbieder opgeslagen zijn op het moment van ontvangst van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel. Zij mag niet voorzien in een algemene verplichting tot bewaring van gegevens voor dienstaanbieders en mag niet leiden tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring van gegevens. Deze verordening mag evenmin toestaan dat gegevens worden onderschept of gegevens worden verkregen die zijn opgeslagen na de ontvangst van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel. |
|
(20) |
De toepassing van deze verordening mag geen afbreuk doen aan het gebruik van versleuteling door dienstaanbieders of hun gebruikers. Gegevens die door middel van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel worden gevraagd, moeten worden verstrekt of bewaard, ongeacht of zij zijn versleuteld. Deze verordening mag echter niet voorzien in een verplichting voor dienstaanbieders om gegevens te ontsleutelen. |
|
(21) |
In veel gevallen worden gegevens niet langer opgeslagen of anderszins verwerkt op een apparaat van een gebruiker, maar beschikbaar gemaakt via een cloudgebaseerde infrastructuur die overal vandaan toegankelijk is. Om die diensten aan te bieden, hoeven dienstaanbieders niet te zijn gevestigd of over servers te beschikken in een specifiek rechtsgebied. De toepassing van deze verordening mag derhalve niet afhangen van de werkelijke plaats waar de dienstaanbieder is gevestigd of de opslag- of verwerkingsvoorzieningen zijn gelegen. |
|
(22) |
Deze verordening doet geen afbreuk aan de onderzoeksbevoegdheden van autoriteiten in burgerlijke of administratieve procedures, ook wanneer deze procedures tot sancties kunnen leiden. |
|
(23) |
Omdat procedures voor wederzijdse rechtshulp volgens het toepasselijke nationale recht in de lidstaten als strafprocedures kunnen worden beschouwd, moet worden verduidelijkt dat een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel niet mag worden uitgevaardigd om een andere lidstaat of derde land wederzijdse rechtshulp te bieden. In dergelijke gevallen moet het verzoek om wederzijdse rechtshulp worden gericht aan de lidstaat die of het derde land dat uit hoofde van zijn nationaal recht wederzijdse rechtshulp kan verlenen. |
|
(24) |
In het kader van strafprocedures mogen het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel uitsluitend worden uitgevaardigd voor een specifieke strafprocedure inzake een specifiek strafbaar feit dat reeds heeft plaatsgevonden, na een individuele beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van die bevelen in het individuele geval, rekening houdend met de rechten van de verdachte of de beklaagde. |
|
(25) |
Deze verordening moet ook van toepassing zijn op procedures die door een uitvaardigende autoriteit worden ingeleid om een veroordeelde die zich aan de rechtspleging heeft onttrokken, op te sporen met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel na een strafprocedure. Indien de vrijheidsstraf of het aanhoudingsbevel evenwel is opgelegd bij een bij verstek gegeven beslissing, mag het niet mogelijk zijn een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel uit te vaardigen, omdat er in de Unie aanzienlijke verschillen zijn qua nationale wetten betreffende bij verstek gegeven rechterlijke beslissingen. |
|
(26) |
Deze verordening moet van toepassing zijn op dienstaanbieders die diensten aanbieden in de Unie, en het mag alleen mogelijk zijn de bevelen waarin deze verordening voorziet, uit te vaardigen voor gegevens die betrekking hebben op in de Unie aangeboden diensten. Diensten die uitsluitend buiten de Unie worden aangeboden, mogen niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, zelfs niet indien de dienstaanbieder in de Unie is gevestigd. Daarom mag deze verordening geen toegang verlenen tot andere gegevens dan gegevens met betrekking tot de diensten die door die dienstaanbieders aan de gebruiker in de Unie worden aangeboden. |
|
(27) |
De dienstaanbieders die het meest relevant zijn voor het vergaren van bewijsmateriaal in strafprocedures, zijn verleners van elektronische-communicatiediensten en specifieke verleners van diensten van de informatiemaatschappij die contacten tussen gebruikers mogelijk maken. Bijgevolg dienen beide groepen onder deze verordening te vallen. Elektronische-communicatiediensten worden gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (15) en omvatten interpersoonlijke communicatiediensten zoals diensten op het gebied van voice-over-IP, instant messaging en e-maildiensten. Deze verordening moet ook toepasselijk zijn op verleners van diensten van de informatiemaatschappij in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (16) die niet als verleners van elektronische-communicatiediensten kunnen worden aangemerkt, maar hun gebruikers in staat stellen met elkaar te communiceren of hun gebruikers diensten aanbieden die kunnen worden gebruikt om namens hen gegevens op te slaan of anderszins te verwerken. Dit zou in overeenstemming zijn met de bewoordingen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit, ondertekend te Boedapest op 23 november 2001 (ETS nr. 185) (“Verdrag van Boedapest”). Het verwerken van gegevens moet in technische zin worden begrepen, namelijk het creëren of bewerken van gegevens, dat wil zeggen technische handelingen om gegevens voort te brengen of te wijzigen door middel van computerverwerkingscapaciteit. Tot de categorieën van onder deze verordening vallende dienstaanbieders moeten bijvoorbeeld behoren onlinemarktplaatsen die consumenten en bedrijven in staat stellen met elkaar te communiceren, en andere hostingdiensten, ook wanneer de dienst via cloud computing wordt verleend, alsmede online-gamingwebsites en online-kansspelwebsites. Wanneer een verlener van diensten van de informatiemaatschappij zijn gebruikers niet in staat stelt te communiceren met elkaar, maar alleen met de dienstaanbieder, of niet voorziet in de mogelijkheid gegevens op te slaan of anderszins te verwerken, of wanneer de opslag van gegevens geen wezenlijk onderdeel, dat wil zeggen geen essentieel onderdeel, is van de aan gebruikers verleende dienst, zoals het geval is met juridische, architectonische, ingenieurs- en accountingdiensten die online op afstand worden verleend, mag hij of zij niet onder de in deze verordening vastgestelde definitie van “dienstaanbieder” vallen, zelfs indien de door die dienstaanbieder verleende diensten diensten van de informatiemaatschappij zijn in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535. |
|
(28) |
Verleners van internetinfrastructuurdiensten die verband houden met de toewijzing van namen en nummers, zoals registers en registrators van domeinnamen en privacy- en proxydienstaanbieders, of regionale internetregisters van internetprotocol (“IP”) adressen, zijn met name van belang voor de identificatie van actoren achter kwaadwillige of gecompromitteerde websites. Zij zijn in het bezit van gegevens die de identificatie mogelijk kunnen maken van een individu of een entiteit die schuilgaat achter een website die voor een criminele activiteit wordt gebruikt, of van het slachtoffer van een criminele activiteit. |
|
(29) |
Om te bepalen of een dienstaanbieder diensten aanbiedt in de Unie, moet worden nagegaan of de dienstaanbieder natuurlijke personen of rechtspersonen in een of meer lidstaten in staat stelt om zijn of haar diensten te gebruiken. Enkel de toegankelijkheid van een online-interface in de Unie, zoals de toegankelijkheid van een website of een e-mailadres of andere contactgegevens van een dienstaanbieder of tussenpersoon, moet echter onvoldoende worden geacht om te bepalen dat een dienstaanbieder diensten in de Unie aanbiedt in de zin van deze verordening. |
|
(30) |
Een wezenlijke band met de Unie moet ook relevant zijn om te bepalen of een dienstaanbieder diensten in de Unie aanbiedt. Een dergelijke wezenlijke band met de Unie moet worden geacht te bestaan wanneer de dienstaanbieder een vestiging heeft in de Unie. Wanneer er geen dergelijke vestiging is, moet het criterium van een wezenlijke band worden gebaseerd op specifieke feitelijke criteria zoals het bestaan van een aanzienlijk aantal gebruikers in een of meer lidstaten, of de toespitsing van activiteiten op een of meer lidstaten. De toespitsing van activiteiten op een of meer lidstaten moet worden bepaald op basis van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren zoals het gebruik van een taal of een munteenheid die in een lidstaat algemeen gangbaar is, of de mogelijkheid om goederen of diensten te bestellen. De toespitsing van activiteiten op een lidstaat zou ook kunnen worden afgeleid uit de beschikbaarheid van een applicatie (“app”) in de desbetreffende nationale app store, uit het feit dat er plaatselijk wordt geadverteerd of wordt geadverteerd in de in die lidstaat algemeen gangbare taal, of uit de wijze van beheer van relaties met cliënten, zoals het verstrekken van klantenservice in de taal die in die lidstaat algemeen gangbaar is. Een wezenlijke band moet ook worden verondersteld te bestaan wanneer een dienstaanbieder zijn of haar activiteiten richt op een of meer lidstaten, zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (17). Het verlenen van een dienst met het oog op de loutere naleving van het in Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad (18) neergelegde discriminatieverbod mag daarentegen niet, zonder aanvullende gronden, worden beschouwd als het richten of toespitsen van activiteiten op een bepaald grondgebied binnen de Unie. Dezelfde overwegingen moeten gelden bij het bepalen of een dienstaanbieder diensten aanbiedt in een lidstaat. |
|
(31) |
Deze verordening moet betrekking hebben op de gegevenscategorieën abonneegegevens, verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens. Een dergelijke indeling strookt met het recht van veel lidstaten en het Unierecht, zoals Richtlijn 2002/58/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsook met het internationaal recht, met name het Verdrag van Boedapest. |
|
(32) |
IP-adressen, alsook toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie kunnen een cruciaal uitgangspunt vormen voor strafrechtelijke onderzoeken waarbij de identiteit van een verdachte niet bekend is. Doorgaans maken zij deel uit van een registratie van gebeurtenissen, ook wel een serverlog genoemd, die de aanvang en de beëindiging van een toegangssessie van een gebruiker inzake een dienst aanduidt. Vaak gaat het om een individueel statisch of dynamisch IP-adres of andere identificator die de tijdens de toegangssessie gebruikte netwerkinterface aanwijst. Gerelateerde informatie over de aanvang en de beëindiging van een toegangssessie van een gebruiker inzake een dienst, zoals de bronpoorten en het tijdstempel, is nodig, aangezien IP-adressen vaak worden gedeeld onder gebruikers, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van netwerkadresomzetting van carrier-kwaliteit of technische equivalenten. Overeenkomstig het Unie-acquis, moeten IP-adressen echter worden beschouwd als persoonsgegevens en moeten zij volledige bescherming genieten uit hoofde van het Unie-acquis inzake gegevensbescherming. Bovendien kunnen IP-adressen onder bepaalde omstandigheden als verkeersgegevens worden beschouwd. Ook worden toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie in sommige lidstaten als verkeersgegevens beschouwd. Niettemin kan het voorkomen dat rechtshandhavingsinstanties met het oog op een specifiek strafrechtelijk onderzoek een IP-adres, toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie moeten opvragen met als enig doel de gebruiker te identificeren voordat abonneegegevens met betrekking tot die identificator kunnen worden opgevraagd bij de dienstaanbieder. In dergelijke gevallen is het passend dezelfde regeling toe te passen als voor abonneegegevens zoals gedefinieerd in deze verordening. |
|
(33) |
Wanneer IP-adressen, toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie niet uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker in een specifiek strafrechtelijk onderzoek, worden zij meestal opgevraagd om informatie te verkrijgen die een grotere inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, zoals de contacten en de verblijfplaats van de gebruiker. Als zodanig kunnen zij dienen om een volledig profiel van de betrokkene vast te stellen, maar tegelijkertijd kunnen zij gemakkelijker worden verwerkt en geanalyseerd dan inhoudelijke gegevens, aangezien zij in een gestructureerd en gestandaardiseerd formaat worden gepresenteerd. Daarom is het van essentieel belang dat in dergelijke situaties IP-adressen, toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie die niet uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker in een specifiek strafrechtelijk onderzoek, worden behandeld als verkeersgegevens en worden opgevraagd uit hoofde van dezelfde regeling als voor inhoudelijke gegevens zoals gedefinieerd in deze verordening. |
|
(34) |
Alle gegevenscategorieën bevatten persoonsgegevens en vallen dus onder de waarborgen van het gegevensbeschermingsacquis van de Unie. De intensiteit van het effect op de grondrechten verschilt echter van categorie tot categorie, met name tussen abonneegegevens en gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, enerzijds, en verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, en inhoudelijke gegevens anderzijds. Terwijl abonneegegevens en IP-adressen, toegangsnummers en daarmee verband houdende informatie, wanneer daarom uitsluitend met het oog op de identificatie van de gebruiker wordt verzocht, nuttig kunnen zijn om in een onderzoek de eerste aanwijzingen te verkrijgen over de identiteit van een verdachte, zijn verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, en inhoudelijke gegevens vaak relevanter als bewijsmateriaal. Derhalve is het van essentieel belang dat deze verordening op al die gegevenscategorieën van toepassing is. Omdat de mate waarin de grondrechten in het geding zijn, verschilt, moeten passende waarborgen en voorwaarden worden verbonden aan het verkrijgen van dergelijke gegevens. |
|
(35) |
Situaties waarin er sprake is van een onmiddellijke bedreiging voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon, moeten als noodgevallen worden behandeld en kortere termijnen voor de dienstaanbieder en de tenuitvoerleggingsautoriteit inhouden. Wanneer de verstoring of vernietiging van kritieke infrastructuur zoals gedefinieerd in Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (19) een dergelijke bedreiging zou inhouden, onder meer door ernstige schade voor de levering van basisvoorzieningen aan de bevolking of voor de uitoefening van de kerntaken van de staat, moet een dergelijke situatie ook als een noodgeval worden behandeld, overeenkomstig het Unierecht. |
|
(36) |
Bij het uitvaardigen van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel moet steeds een rechterlijke autoriteit betrokken zijn, hetzij tijdens de procedure van het uitvaardigen hetzij tijdens de procedure van het bekrachtigen van het bevel. Gezien de gevoeligere aard van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, en van inhoudelijke gegevens, is bij de uitvaardiging of bekrachtiging van een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van die categorieën gegevens rechterlijke toetsing vereist. Aangezien abonneegegevens en gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, minder gevoelig zijn, kan een Europees verstrekkingsbevel om dergelijke gegevens te verkrijgen ook door bevoegde openbare aanklagers worden uitgevaardigd of bekrachtigd. Overeenkomstig het recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, oefenen openbare aanklagers hun verantwoordelijkheden objectief uit door hun beslissing over de uitvaardiging of bekrachtiging van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel uitsluitend te nemen op basis van de feitelijke elementen van het dossier en rekening houdend met alle belastende en ontlastende bewijzen. |
|
(37) |
Teneinde te waarborgen dat de grondrechten volledig worden beschermd, moeten Europese verstrekkingsbevelen of Europese bewaringsbevelen in beginsel door een rechterlijke autoriteit worden bekrachtigd voordat het betrokken bevel wordt uitgevaardigd. Uitzonderingen op dat beginsel mogen alleen worden gemaakt in geldig vastgestelde noodgevallen, voor het opvragen van abonneegegevens of gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het doen bewaren van gegevens, wanneer het niet mogelijk is deze bevelen tijdig vooraf door de rechterlijke autoriteit te laten bekrachtigen, met name omdat de bekrachtigende autoriteit niet bereikbaar is voor het verlenen van bekrachtiging en de dreiging dermate imminent is dat er onmiddellijk actie moet worden ondernomen. Dergelijke uitzonderingen mogen echter alleen worden gemaakt wanneer de autoriteit die het betrokken bevel uitvaardigt, in een vergelijkbare binnenlandse zaak uit hoofde van het nationale recht een bevel kan uitvaardigen zonder voorafgaande bekrachtiging. |
|
(38) |
Een Europees verstrekkingsbevel mag alleen worden uitgevaardigd indien dit noodzakelijk, evenredig en passend is en van toepassing is op de betrokken zaak. De uitvaardigende autoriteit moet rekening houden met de rechten van de verdachte of beklaagde in een procedure betreffende een strafbaar feit en mag alleen een Europees verstrekkingsbevel uitvaardigen indien een dergelijk bevel onder dezelfde voorwaarden zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijke binnenlandse zaak. Bij de beoordeling of een Europees verstrekkingsbevel moet worden uitgevaardigd, moet ermee rekening worden gehouden of een dergelijk bevel wel beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is voor het bereiken van het legitieme doel om gegevens te verkrijgen die relevant en noodzakelijk zijn als bewijsmateriaal in een individueel geval. |
|
(39) |
In gevallen waarin een Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd ter verkrijging van andere categorieën gegevens, moet de uitvaardigende autoriteit ervoor zorgen dat de voorwaarden en procedures, zoals kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, respectievelijk voor elk van deze gegevenscategorieën worden nageleefd. |
|
(40) |
Gezien de gevoeligere aard van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, en van inhoudelijke gegevens, moet een onderscheid worden gemaakt met betrekking tot het materiële toepassingsgebied van deze verordening. Het moet mogelijk zijn om voor elk strafbaar feit een Europees verstrekkingsbevel uit te vaardigen voor het verkrijgen van abonneegegevens of gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening; terwijl voor een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden gevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens, dienen echter striktere voorwaarden te gelden in verband met de gevoeligere aard van dergelijke gegevens. Deze verordening moet voorzien in een drempel met betrekking tot het toepassingsgebied ervan, zodat een evenredige aanpak mogelijk is, alsook een aantal andere ex-ante- en ex-postvoorwaarden en waarborgen ter eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en de rechten van de betrokkenen. Een drempel mag echter geen beperking vormen voor de doeltreffendheid van deze verordening en het gebruik ervan door beroepsbeoefenaars. Wanneer Europese verstrekkingsbevelen uitsluitend mogen worden uitgevaardigd in strafprocedures voor strafbare feiten waarop een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar staat, blijft het toepassingsgebied van deze verordening beperkt tot ernstigere strafbare feiten, zonder dat de mogelijkheden voor het gebruik ervan door beroepsbeoefenaars buitensporig worden ingeperkt. Die beperking moet een groot aantal strafbare feiten die de lidstaten blijkens de lagere maximumstraffen als minder ernstig beschouwen, van het toepassingsgebied van deze verordening uitsluiten. Die beperking heeft ook het voordeel dat zij gemakkelijk in de praktijk kan worden toegepast. |
|
(41) |
Er zijn specifieke strafbare feiten waarbij het bewijsmateriaal doorgaans uitsluitend beschikbaar is in elektronische vorm, die een bijzonder vluchtig karakter heeft. Dit is het geval bij cybergerelateerde strafbare feiten, ook die welke eventueel op zich niet als ernstig worden beschouwd, maar die uitgebreide of aanzienlijke schade kunnen berokkenen, met name strafbare feiten waarbij de individuele gevolgen gering zijn, maar de algehele schade omvangrijk is. In de meeste gevallen waarin het strafbaar feit door middel van een informatiesysteem wordt gepleegd, zou de toepassing van dezelfde drempel als voor andere soorten strafbare feiten, in hoge mate tot straffeloosheid leiden. Dit rechtvaardigt dat deze verordening ook wordt toegepast op dergelijke strafbare feiten waarvoor een maximale vrijheidsstraf van minder dan drie jaar geldt. Daarnaast geldt voor aanvullende terrorismegerelateerde strafbare feiten in de zin van Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad (20) en strafbare feiten in verband met seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen in de zin van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad (21) de minimumdrempel van een maximale vrijheidsstraf van drie jaar niet. |
|
(42) |
In beginsel moet een Europees verstrekkingsbevel worden gericht aan de dienstaanbieder, die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke. Niettemin kan het in sommige omstandigheden bijzonder moeilijk blijken te bepalen of een dienstaanbieder de rol van verwerkingsverantwoordelijke of verwerker heeft, met name wanneer meerdere dienstaanbieders betrokken zijn bij de verwerking van gegevens of wanneer dienstaanbieders de gegevens namens een natuurlijke persoon verwerken. Een onderscheid maken tussen de rollen van verwerkingsverantwoordelijke en verwerker met betrekking tot een bepaalde reeks gegevens vereist niet alleen gespecialiseerde kennis van de juridische context, maar kan ook interpretatie vereisen van vaak zeer complexe contractuele kaders die in een specifiek geval voorzien in de toewijzing aan verschillende dienstaanbieders van verschillende taken en rollen met betrekking tot een bepaalde reeks gegevens. Wanneer dienstaanbieders gegevens verwerken namens een natuurlijke persoon, kan het in sommige gevallen moeilijk zijn om te bepalen wie de verwerkingsverantwoordelijke is, zelfs als er slechts één dienstaanbieder bij betrokken is. Wanneer de betrokken gegevens door een dienstaanbieder opgeslagen of anderszins verwerkt worden en er geen duidelijkheid is over wie de verwerkingsverantwoordelijke is, ondanks redelijke inspanningen van de uitvaardigende autoriteit, moet het derhalve mogelijk zijn een Europees verstrekkingsbevel rechtstreeks tot die dienstaanbieder te richten. Bovendien kan het aanspreken van de verwerkingsverantwoordelijke in sommige gevallen schadelijk zijn voor het onderzoek in de betrokken zaak, bijvoorbeeld omdat de verwerkingsverantwoordelijke een verdachte, beklaagde of veroordeelde is of er aanwijzingen zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke in het belang van de aan het onderzoek onderworpen persoon zou kunnen handelen. Ook in die gevallen moet het mogelijk zijn een Europees verstrekkingsbevel rechtstreeks te richten tot de dienstaanbieder die de gegevens namens de verwerkingsverantwoordelijke verwerkt. Dat mag geen afbreuk doen aan het recht van de uitvaardigende autoriteit om de dienstaanbieder te bevelen de gegevens te bewaren. |
|
(43) |
Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 moet de verwerker die de gegevens namens de verwerkingsverantwoordelijke opslaat of anderszins verwerkt, de verwerkingsverantwoordelijke in kennis stellen van de verstrekking van de gegevens, tenzij de uitvaardigende autoriteit de dienstaanbieder heeft verzocht de verwerkingsverantwoordelijke niet te informeren, zolang dit noodzakelijk en evenredig is, teneinde de desbetreffende strafprocedure niet te belemmeren. In dat geval moet de uitvaardigende autoriteit in het procesdossier de redenen voor het uitstel van de kennisgeving aan de verwerkingsverantwoordelijke vermelden en in het aan de geadresseerde toegezonden begeleidende certificaat ook een korte motivering toevoegen. |
|
(44) |
Wanneer de gegevens worden opgeslagen of anderszins worden verwerkt in het kader van een door een dienstaanbieder aan een overheidsinstantie geleverde infrastructuur, mag het uitsluitend mogelijk zijn een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel uit te vaardigen indien de overheidsinstantie waarvoor de gegevens zijn opgeslagen of anderszins worden verwerkt, zich in de uitvaardigende staat bevindt. |
|
(45) |
In gevallen waarin gegevens die krachtens het recht van de uitvaardigende staat onder het beroepsgeheim vallen, worden opgeslagen of anderszins worden verwerkt door een dienstaanbieder in het kader van een infrastructuur die wordt verstrekt aan beroepsbeoefenaars voor wie het beroepsgeheim geldt (“verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar”), mag het alleen mogelijk zijn een Europees verstrekkingsbevel uit te vaardigen voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens wanneer de verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar in de uitvaardigende staat verblijft, indien contact opnemen met de verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar schadelijk kan zijn voor het onderzoek of indien het beroepsgeheim is opgeheven overeenkomstig het toepasselijke recht. |
|
(46) |
Het ne bis in idem beginsel is een fundamenteel rechtsbeginsel in de Unie, zoals erkend in het Handvest en verder ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ingeval de uitvaardigende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat in een andere lidstaat mogelijk een parallelle strafprocedure wordt gevoerd, raadpleegt zij de autoriteiten van die lidstaat overeenkomstig Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad (22). In elk geval mag geen Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel worden uitgevaardigd indien de uitvaardigende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat dit strijdig zou zijn met het ne bis in idem beginsel. |
|
(47) |
Voorrechten en immuniteiten, die zowel betrekking kunnen hebben op categorieën personen, zoals diplomaten, als op specifiek beschermde relaties, zoals de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt of het recht van journalisten hun bronnen niet prijs te geven, worden ook vermeld in andere instrumenten inzake wederzijdse erkenning, zoals in Richtlijn 2014/41/EU betreffende het EOB. Het bereik en de gevolgen van voorrechten en immuniteiten verschillen naargelang van het toepasselijke nationale recht waarmee rekening moet worden gehouden op het tijdstip van de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel, aangezien de uitvaardigende autoriteit het bevel slechts mag kunnen uitvaardigen indien het onder dezelfde voorwaarden zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijke binnenlandse zaak. Er bestaat geen gemeenschappelijke definitie van voorrechten of immuniteiten in het Unierecht. De precieze definitie van die termen wordt dus overgelaten aan het nationale recht, en de definitie kan bescherming omvatten die bijvoorbeeld van toepassing is op medische en juridische beroepen, ook wanneer in die beroepen gespecialiseerde platforms worden gebruikt. De precieze definitie van voorrechten en immuniteiten kan ook regels omvatten met betrekking tot het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media. |
|
(48) |
Indien de uitvaardigende autoriteit verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of inhoudelijke gegevens tracht te verkrijgen door een Europees verstrekkingsbevel uit te vaardigen en redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de opgevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten of dat die gegevens in die staat zijn onderworpen aan regels ter bepaling en beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, moet de uitvaardigende autoriteit om opheldering kunnen verzoeken alvorens het Europees verstrekkingsbevel uit te vaardigen, onder meer door de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat te raadplegen, hetzij rechtstreeks, hetzij via Eurojust of het Europees justitieel netwerk. |
|
(49) |
Het moet mogelijk zijn een Europees bewaringsbevel uit te vaardigen voor elk strafbaar feit. De uitvaardigende autoriteit moet rekening houden met de rechten van de verdachte of beklaagde in een procedure betreffende een strafbaar feit en mag alleen een Europees bewaringsbevel uitvaardigen indien een dergelijk bevel onder dezelfde voorwaarden zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijke binnenlandse zaak en indien het noodzakelijk, evenredig en passend is en van toepassing is op de betrokken zaak. Bij de beoordeling of een Europees bewaringsbevel moet worden uitgevaardigd, moet ermee rekening worden gehouden of een dergelijk bevel wel beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is voor het bereiken van het legitieme doel te voorkomen dat gegevens worden verwijderd, gewist of gewijzigd die relevant en noodzakelijk zijn als bewijsmateriaal in een individueel geval in situaties waarin het bewerkstelligen van de verstrekking van die gegevens meer tijd zou kunnen kosten. |
|
(50) |
Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen moeten rechtstreeks worden gericht aan de aangewezen vestiging of aan de wettelijke vertegenwoordiger die door de dienstaanbieder is aangewezen of aangesteld op grond van Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad (23). Bij wijze van uitzondering moet het in noodgevallen zoals gedefinieerd in deze verordening, waarin de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger van een dienstaanbieder niet binnen de termijnen op het begeleidend certificaat inzake het Europees verstrekkingsbevel (CEV) of het certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB) reageert of niet met inachtneming van de in Richtlijn (EU) 2023/1544 vastgestelde termijnen is aangewezen of aangesteld, mogelijk zijn het CEV of het CEB te richten aan een andere vestiging of wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder in de Unie, naast of in plaats van handhaving van het oorspronkelijke bevel in overeenstemming met deze verordening. Gezien die verschillende mogelijke scenario’s, wordt de algemene term “geadresseerde” in de bepalingen van deze verordening gebruikt. |
|
(51) |
Gezien de gevoeligere aard van een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden gevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens, is het passend te voorzien in een kennisgevingsmechanisme dat toepasselijk is op Europese verstrekkingsbevelen voor het verkrijgen van die gegevenscategorieën. Bij dat kennisgevingsmechanisme moet een tenuitvoerleggingsautoriteit betrokken zijn en het moet erin bestaan dat het CEV gelijktijdig aan die autoriteit wordt toegezonden wanneer het aan de geadresseerde wordt toegezonden. Wanneer een Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd om elektronisch bewijsmateriaal te verkrijgen in strafprocedures met substantiële en sterke banden met de uitvaardigende staat, hoeft echter geen kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit te worden vereist. Van dergelijke banden moet worden uitgegaan indien de uitvaardigende autoriteit op het moment dat het Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd, redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het strafbaar feit is gepleegd, wordt gepleegd of waarschijnlijk zal worden gepleegd in de uitvaardigende staat, en indien de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat verblijft. |
|
(52) |
Voor de toepassing van deze verordening wordt een strafbaar feit geacht te zijn gepleegd, te worden gepleegd of waarschijnlijk te zullen worden gepleegd in de uitvaardigende staat, indien dat overeenkomstig het nationale recht van de uitvaardigende staat wordt geacht het geval te zijn. In sommige gevallen, met name op het gebied van cybercriminaliteit, zijn bepaalde feitelijke elementen, zoals de verblijfplaats van het slachtoffer, doorgaans belangrijke aanwijzingen waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen waar het strafbaar feit is gepleegd. Zo kunnen gijzelsoftwaremisdrijven vaak worden geacht te zijn gepleegd waar het slachtoffer van een dergelijk misdrijf verblijft, zelfs wanneer de exacte locatie van waaruit de gijzelsoftware is verspreid, onzeker is. De vaststelling van de plaats waar het strafbaar feit is gepleegd, mag geen afbreuk doen aan de regels inzake rechtsmacht over de betreffende strafbare feiten krachtens het toepasselijke nationale recht. |
|
(53) |
Het is aan de uitvaardigende autoriteit om op het moment dat zij een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden gevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens uitvaardigt, en op basis van de gegevens waarover zij beschikt, te beoordelen of er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de persoon om wiens de gegevens wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat verblijft. In dit verband kunnen verschillende objectieve omstandigheden die erop kunnen wijzen dat de betrokkenen het gewone centrum van hun belangen in een bepaalde lidstaat heeft gevestigd of voornemens is dat te doen, relevant zijn. Uit de noodzaak van een uniforme toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel volgt dat het begrip “verblijfplaats” in deze specifieke context in de hele Unie op uniforme wijze moet worden uitgelegd. Er kunnen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een persoon in een uitvaardigende staat verblijft, met name wanneer een persoon als ingezetene van een uitvaardigende staat van afgifte is ingeschreven, zoals blijkt uit een identiteitskaart, een verblijfsvergunning of inschrijving in een officieel verblijfsregister. Bij gebreke van inschrijving in de uitvaardigende staat zou het verblijf kunnen blijken uit het feit dat een persoon te kennen heeft gegeven zich in die lidstaat te willen vestigen of, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene van die lidstaat. Om te bepalen of er in een specifieke situatie voldoende banden tussen de betrokkene en de uitvaardigende staat bestaan op grond waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de betrokkene in die staat verblijft, kunnen verschillende objectieve factoren in aanmerking worden genomen die de situatie van de betrokkene kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van de aanwezigheid van de betrokkene in de uitvaardigende staat of de familiebanden of economische banden die de betrokkene met die lidstaat heeft. Een ingeschreven voertuig, een bankrekening, het feit dat de betrokkene ononderbroken in de beslissingsstaat heeft verbleven of andere objectieve factoren kunnen van belang zijn om te bepalen of er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de betrokkene in de uitvaardigende staat verblijft. Een kort bezoek, een vakantieverblijf, ook in een vakantiewoning, of een soortgelijk verblijf in de uitvaardigende staat zonder enige verdere substantiële band mag niet voldoende worden geacht om een verblijfplaats in die lidstaat vast te stellen. In gevallen waarin de uitvaardigende autoriteit op het moment dat zij een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden gevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens uitvaardigt, geen redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat verblijft, moet de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggingsautoriteit daarvan in kennis stellen. |
|
(54) |
Teneinde te voorzien in een snelle procedure, moet het juiste tijdstip om te bepalen of er een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit moet worden gedaan, het tijdstip te zijn waarop het Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd. Eventuele latere wijzigingen van verblijfplaats mogen niet van invloed zijn op de procedure. De betrokkenen moeten zich tijdens de hele strafprocedure kunnen beroepen op hun rechten en op de regels ter bepaling en beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en de tenuitvoerleggingsautoriteit moet een weigeringsgrond kunnen aanvoeren indien er in uitzonderlijke situaties op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het bevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld in artikel 6 VEU en het Handvest. Daarnaast moeten deze gronden ook tijdens de tenuitvoerleggingsprocedure kunnen worden ingeroepen. |
|
(55) |
Een Europees verstrekkingsbevel moet worden doorgegeven via een CEV en een Europees bewaringsbevel moet worden doorgegeven via een CEB. Zo nodig moet het CEV of CEB worden vertaald in een officiële taal van de Unie die door de geadresseerde wordt aanvaard. Als de dienstaanbieder geen specifieke taal heeft opgegeven, moet het CEV of CEB worden vertaald in een officiële taal van de lidstaat waar de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder zich bevindt of in een andere officiële taal die de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder heeft aangegeven te zullen aanvaarden. Indien op grond van deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is, moet het CEV dat aan die autoriteit moet worden toegezonden, worden vertaald in een officiële taal van de tenuitvoerleggingsstaat of in een andere door die staat aanvaarde officiële taal van de Unie. In dat verband moet elke lidstaat worden aangemoedigd om te allen tijde in een bij de Commissie ingediende schriftelijke verklaring aan te geven of en in welke officiële taal of talen van de Unie naast de officiële taal of talen van die lidstaat, hij vertalingen van CEV’s en CEB’s aanvaardt. De Commissie moet dergelijke verklaringen ter beschikking stellen van alle lidstaten en van het Europees justitieel netwerk. |
|
(56) |
Wanneer een CEV is uitgevaardigd en een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit uit hoofde van deze verordening niet vereist is, moet de geadresseerde er na ontvangst van een CEV voor zorgen dat de gevraagde gegevens uiterlijk tien dagen na ontvangst van het CEV rechtstreeks aan de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit of rechtshandhavingsautoriteiten worden toegezonden. Indien op grond van deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is, moet de dienstaanbieder na ontvangst van het CEV snel in actie treden om de gegevens te bewaren. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit binnen tien dagen na ontvangst van het CEV geen weigeringsgrond heeft aangevoerd op grond van deze verordening, moet de geadresseerde ervoor zorgen dat de gevraagde gegevens aan het eind van die periode van tien dagen rechtstreeks aan de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit of rechtshandhavingsautoriteiten worden toegezonden. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit nog voor het einde van de periode van tien dagen aan de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde bevestigt dat zij geen weigeringsgrond zal aanvoeren, moet de geadresseerde zo snel mogelijk na die bevestiging en uiterlijk aan het einde van die periode van tien dagen in actie treden. De kortere termijnen die van toepassing zijn in noodgevallen zoals gedefinieerd in deze verordening moeten door de geadresseerde en, indien van toepassing, door de tenuitvoerleggingsautoriteit in acht worden genomen. De geadresseerde en, indien van toepassing, de tenuitvoerleggingsautoriteit moeten het CEV zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen uitvoeren en daarbij zoveel mogelijk rekening houden met de procedurele termijnen en andere termijnen die door de uitvaardigende staat zijn vastgesteld. |
|
(57) |
Indien de geadresseerde, uitsluitend afgaand op de informatie in het CEV of het CEB, van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het CEV of het CEB onverenigbaar zou kunnen zijn met voorrechten of immuniteiten of met regels ter bepaling of beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, moet de geadresseerde de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit hiervan in kennis stellen. Indien er geen kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan op grond van deze verordening, moet de uitvaardigende autoriteit wat CEV’s betreft, rekening houden met de informatie die zij van de geadresseerde heeft ontvangen en moet zij op eigen initiatief of op verzoek van de tenuitvoerleggingsautoriteit beslissen of het Europees verstrekkingsbevel moet worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd. Indien er op grond van deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, moet de uitvaardigende autoriteit rekening houden met de informatie die zij van de geadresseerde heeft ontvangen en moet zij beslissen of het Europees verstrekkingsbevel moet worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd. De tenuitvoerleggingsautoriteit moet ook de mogelijkheid hebben om de in deze verordening genoemde weigeringsgronden aan te voeren. |
|
(58) |
Om de geadresseerde in staat te stellen formele problemen met een CEV of een CEB aan te pakken, is het nodig te voorzien in een procedure voor de communicatie tussen de geadresseerde en de uitvaardigende autoriteit alsook, indien er op grond van deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, tussen de geadresseerde en de tenuitvoerleggingsautoriteit, in gevallen waarin het CEV of het CEB onvolledig is, kennelijke fouten bevat of onvoldoende informatie bevat voor de uitvoering van het betrokken bevel. Mocht de geadresseerde om een andere reden de informatie niet volledig of niet op tijd verstrekken, bijvoorbeeld omdat hij van oordeel is dat er sprake is van een conflict met een verplichting uit hoofde van het recht van een derde land, of omdat hij meent dat het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel niet is uitgevaardigd overeenkomstig de voorwaarden van deze verordening, dient hij de uitvaardigende autoriteit alsook, indien er een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, de tenuitvoerleggingsautoriteit in kennis te stellen en redenen aan te voeren waarom het CEV of het CEB niet tijdig is uitgevoerd. Derhalve moet de communicatieprocedure voorzien in mogelijkheden voor de correctie of heroverweging van het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel door de uitvaardigende autoriteit in een vroeg stadium. Om de beschikbaarheid van de gevraagde gegevens te waarborgen, moet de geadresseerde die gegevens bewaren indien die geadresseerde kan vaststellen om welke gegevens het gaat. |
|
(59) |
De geadresseerde mag niet worden verplicht het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel uit te voeren indien dat feitelijk onmogelijk is door omstandigheden die op het tijdstip waarop het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel is ontvangen niet aan de geadresseerde of, indien dat iemand anders is, de dienstaanbieder kunnen worden toegerekend. Van een feitelijke onmogelijkheid moet worden uitgegaan indien de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, geen klant is van de dienstaanbieder of niet als zodanig kan worden aangemerkt, zelfs niet na een tot de uitvaardigende autoriteit gericht verzoek om nadere informatie of indien de gegevens rechtmatig zijn gewist voordat het betrokken bevel is ontvangen. |
|
(60) |
Na ontvangst van een CEB moet de geadresseerde de gevraagde gegevens ten hoogste 60 dagen bewaren, tenzij de uitvaardigende autoriteit bevestigt dat er een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd, in welk geval de bewaring moet worden voortgezet. Om de uitvaardiging van een aansluitend verstrekkingsverzoek mogelijk te maken, moet de uitvaardigende autoriteit de bewaringsduur indien nodig met nog eens 30 dagen kunnen verlengen aan de hand van het in deze verordening vastgestelde formulier. Indien de uitvaardigende autoriteit binnen de bewaringstermijn bevestigt dat er een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd, moet de geadresseerde de gegevens zolang bewaren als nodig is om de gegevens te verstrekken zodra het aansluitende verstrekkingsverzoek is ontvangen. Een dergelijke bevestiging moet binnen de betreffende termijn aan de geadresseerde worden toegezonden, in een officiële taal van de tenuitvoerleggingsstaat of in een andere taal die door de geadresseerde wordt aanvaard, aan de hand van het in deze verordening vastgestelde formulier. Om te voorkomen dat de bewaring wordt beëindigd, moet het volstaan dat het aansluitende verstrekkingsverzoek is gedaan en dat de bevestiging door de uitvaardigende autoriteit is verzonden; verdere vereiste formaliteiten voor de toezending, zoals de vertaling van documenten, hoeven op dat moment niet te worden vervuld. Wanneer de bewaring niet langer noodzakelijk is, moet de uitvaardigende autoriteit de geadresseerde daarvan onverwijld in kennis stellen en moet de verplichting tot bewaring op grond van het Europees bewaringsbevel met onmiddellijke ingang eindigen. |
|
(61) |
Niettegenstaande het beginsel van wederzijds vertrouwen moet de tenuitvoerleggingsautoriteit wanneer er op grond van deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, gronden voor weigering van een Europees verstrekkingsbevel kunnen aanvoeren op grond van de in deze verordening vastgestelde lijst van weigeringsgronden. Wanneer er overeenkomstig deze verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit wordt gedaan of tenuitvoerlegging plaatsvindt, kan de tenuitvoerleggingsstaat in zijn nationale recht bepalen dat voor de uitvoering van een Europees verstrekkingsbevel mogelijk de procedurele betrokkenheid van een rechtbank in de tenuitvoerleggingsstaat is vereist. |
|
(62) |
Wanneer de tenuitvoerleggingsautoriteit in kennis wordt gesteld van een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden gevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in deze verordening, of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens, moet zij het recht hebben om de in het bevel vermelde informatie te beoordelen en, in voorkomend geval, het bevel te weigeren indien zij, op basis van een verplichte en behoorlijke analyse van de informatie in dat bevel en met inachtneming van de toepasselijke regels van het primaire Unierecht, en met name het Handvest, tot de conclusie komt dat een of meer van de in deze verordening vastgestelde weigeringsgronden kunnen worden aangevoerd. De noodzaak om de onafhankelijkheid van de rechterlijke autoriteiten te eerbiedigen, vereist dat die autoriteiten over een zekere beoordelingsmarge beschikken bij het nemen van beslissingen over de weigeringsgronden. |
|
(63) |
Wanneer de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van deze verordening in kennis wordt gesteld, moet zij een Europees verstrekkingsbevel kunnen weigeren indien de gevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten die de uitvoering of handhaving van het Europees verstrekkingsbevel verhinderen, of indien de gevraagde gegevens vallen onder regels ter bepaling of beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media die de uitvoering of tenuitvoerlegging van het Europees verstrekkingsbevel verhinderen. |
|
(64) |
De tenuitvoerleggingsautoriteit moet een bevel kunnen weigeren in uitzonderlijke situaties waarin er gegronde redenen zijn om op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal aan te nemen dat de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel, in de bijzondere omstandigheden van het geval, een kennelijke schending van een relevant grondrecht zoals uiteengezet in artikel 6 VEU en in het Handvest zou inhouden. Met name wanneer de tenuitvoerleggingsautoriteit bij de beoordeling van die weigeringsgrond beschikt over bewijsmateriaal zoals vervat in een door een derde van de lidstaten, door het Europees Parlement of door de Europese Commissie op grond van artikel 7, lid 1, VEU aangenomen met redenen omkleed voorstel waaruit blijkt dat er als het bevel wordt uitgevoerd, een duidelijk risico bestaat dat het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht uit hoofde van artikel 47 van het Handvest ernstig wordt geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende staat, moet de tenuitvoerleggingsautoriteit specifiek en nauwkeurig bepalen of er, gelet op de persoonlijke situatie van de betrokkene, de aard van het strafbaar feit waarvoor de strafprocedure wordt gevoerd en de feitelijke context die aan het bevel ten grondslag ligt, en in het licht van de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat het recht van een persoon op een eerlijk proces wordt geschonden. |
|
(65) |
De tenuitvoerleggingsautoriteit moet een bevel kunnen weigeren indien de uitvoering van dat bevel in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel. |
|
(66) |
Wanneer de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van deze verordening in kennis wordt gesteld, moet zij een Europees verstrekkingsbevel kunnen weigeren indien het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd, uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar is, tenzij het een in een bijlage bij deze verordening bedoeld en door de uitvaardigende autoriteit in het CEV vermeld strafbaar feit betreft waarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel met een maximum van ten minste drie jaar staat. |
|
(67) |
Aangezien het informeren van de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, een essentieel element is van de gegevensbeschermingsrechten en de rechten van de verdediging omdat het effectieve toetsing en beroep in rechte mogelijk maakt overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest, moet de uitvaardigende autoriteit de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, onverwijld informeren over de verstrekking van gegevens op grond van een Europees verstrekkingsbevel. De uitvaardigende autoriteit moet het informeren van de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, echter overeenkomstig het nationale recht kunnen uitstellen, beperken of achterwege laten voor zover en zolang aan de voorwaarden van Richtlijn (EU) 2016/680 is voldaan, in welk geval de uitvaardigende autoriteit de redenen voor het uitstellen, beperken of achterwege laten in het dossier moet vermelden en een korte motivering in het CEV moet toevoegen. De geadresseerden en, indien dat niet dezelfde personen zijn, de dienstaanbieders, moeten de nodige geavanceerde, operationele en technische maatregelen nemen om de vertrouwelijkheid, geheimhouding en integriteit van het CEV of het CEB en van de verstrekte of bewaarde gegevens te waarborgen. |
|
(68) |
Een dienstaanbieder moet aanspraak kunnen maken op vergoeding van de kosten om te reageren op een Europees verstrekkingsbevel of op een Europees bewaringsbevel van de uitvaardigende staat indien het nationale recht van de uitvaardigende staat in die mogelijkheid voorziet voor binnenlandse bevelen in soortgelijke omstandigheden, in overeenstemming met het nationale recht van die staat. De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van hun nationale voorschriften inzake vergoeding, die vervolgens door de Commissie moeten worden bekendgemaakt. Deze verordening voorziet in afzonderlijke regels voor de vergoeding van kosten die verband houden met het gedecentraliseerde IT-systeem. |
|
(69) |
Zonder afbreuk te doen aan nationale rechtsregels die voorzien in het opleggen van strafrechtelijke sancties, moeten de lidstaten de regels vaststellen inzake geldelijke sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en moeten zij alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat die worden uitgevoerd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de in hun nationale recht vastgestelde geldelijke sancties doeltreffend, proportioneel en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen in kennis stellen en moeten haar onmiddellijk alle latere wijzigingen daarvan meedelen. |
|
(70) |
Bij het beoordelen van de passende geldelijke sanctie in individuele gevallen moeten de bevoegde autoriteiten rekening houden met alle relevante omstandigheden, zoals de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, de vraag of de inbreuk opzettelijk of door nalatigheid is begaan, de vraag of de dienstaanbieder verantwoordelijk is gehouden voor soortgelijke inbreuken in het verleden, alsmede met de financiële draagkracht van de aansprakelijk gehouden dienstaanbieder. In uitzonderlijke omstandigheden zou die beoordeling ertoe kunnen leiden dat de tenuitvoerleggingsautoriteit besluit geen geldelijke sancties op te leggen. In dit verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan micro-ondernemingen die een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel in een noodgeval niet naleven doordat buiten de normale kantooruren geen personeel beschikbaar is, indien de gegevens onverwijld worden doorgegeven. |
|
(71) |
Onverminderd hun gegevensbeschermingsverplichtingen mogen dienstaanbieders niet aansprakelijk worden gesteld in de lidstaten voor aan hun gebruikers of derden berokkende schade die uitsluitend voortkomt uit het te goeder trouw naleven van een CEV of een CEB. De verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de rechtmatigheid van het betrokken bevel, en met name de noodzakelijkheid en evenredigheid ervan, moet berusten bij de uitvaardigende autoriteit. |
|
(72) |
Indien de geadresseerde een CEV niet binnen de termijn naleeft of een CEB niet naleeft, zonder redenen op te geven die door de uitvaardigende autoriteit worden aanvaard, en, in voorkomend geval, de tenuitvoerleggingsautoriteit geen van de in deze verordening bedoelde weigeringsgronden heeft aangevoerd, moet de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggingsautoriteit kunnen verzoeken het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel ten uitvoer te leggen. Daartoe moet de uitvaardigende autoriteit het betrokken bevel, het desbetreffende door de geadresseerde ingevulde formulier en alle relevante documenten doorgeven aan de tenuitvoerleggingsautoriteit. De uitvaardigende autoriteit moet het betrokken bevel en alle door te geven documenten in een van de door de tenuitvoerleggingsstaat aanvaarde talen vertalen en moet de geadresseerde in kennis stellen van de doorgifte. Die staat dient het betrokken bevel ten uitvoer te leggen overeenkomstig zijn nationaal recht. |
|
(73) |
De tenuitvoerleggingsprocedure moet de geadresseerde in staat stellen gronden tegen de tenuitvoerlegging aan te voeren op basis van een lijst van specifieke gronden waarin deze verordening voorziet, waaronder het feit dat het betrokken bevel niet is uitgevaardigd of bekrachtigd door een bevoegde autoriteit zoals bepaald in deze verordening, of indien het bevel geen betrekking heeft op gegevens die door of namens de dienstaanbieder zijn opgeslagen op het tijdstip van ontvangst van het desbetreffende certificaat. De tenuitvoerleggingsautoriteit moet kunnen weigeren een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel te erkennen en ten uitvoer te leggen op basis van diezelfde gronden en, in uitzonderlijke situaties, ook wegens kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld in artikel 6 VEU en in het Handvest. De tenuitvoerleggingsautoriteit moet de uitvaardigende autoriteit raadplegen alvorens op basis van die gronden te besluiten het bevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen. Indien de geadresseerde niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van een erkend Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel waarvan de uitvoerbaarheid door de tenuitvoerleggingsautoriteit is bevestigd, moet die autoriteit een geldelijke sanctie opleggen. Die sanctie moet evenredig zijn, met name in het licht van specifieke omstandigheden, zoals herhaalde of systematische niet-naleving. |
|
(74) |
De naleving van een Europees verstrekkingsbevel zou in strijd kunnen zijn met een verplichting uit hoofde van het toepasselijk recht van een derde land. Om de courtoisie ten aanzien van de soevereine belangen van derde landen te waarborgen, de betrokkene te beschermen en tegenstrijdige verplichtingen voor dienstaanbieders aan te pakken, voorziet deze verordening in een mechanisme voor rechterlijke toetsing wanneer de naleving van een Europees verstrekkingsbevel dienstaanbieders zou beletten wettelijke verplichtingen uit hoofde van het recht van een derde land na te leven. |
|
(75) |
Wanneer een geadresseerde van mening is dat een Europees verstrekkingsbevel in het specifieke geval zou leiden tot de schending van een wettelijke verplichting die voortvloeit uit het recht van een derde land, moet hij of zij de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit door middel van een gemotiveerd bezwaar laten weten waarom hij of zij het bevel niet uitvoert, met gebruikmaking van het in deze verordening vastgestelde formulier. De uitvaardigende autoriteit moet het Europees verstrekkingsbevel toetsen op basis van het gemotiveerde bezwaar en eventuele input van de tenuitvoerleggingsstaat, rekening houdend met dezelfde criteria die de bevoegde rechtbank van de uitvaardigende lidstaat in acht zou moeten nemen. Indien de uitvaardigende autoriteit voornemens is het bevel in stand te houden, moet zij verzoeken om een toetsing door de bevoegde rechtbank van de uitvaardigende staat, zoals aangewezen door de desbetreffende lidstaat, die het bevel moet toetsen. |
|
(76) |
Om te bepalen of er sprake is van een tegenstrijdige verplichting in de specifieke omstandigheden van de onderzochte zaak, kan de bevoegde rechter waar nodig een beroep doen op passende externe deskundigheid, bijvoorbeeld voor de uitlegging van het recht van het betrokken derde land. Daartoe kan de bevoegde rechtbank bijvoorbeeld de centrale autoriteit van het derde land raadplegen, rekening houdend met Richtlijn (EU) 2016/680. De uitvaardigende staat moet de bevoegde autoriteit van het derde land met name om informatie vragen indien het conflict betrekking heeft op grondrechten of andere fundamentele belangen van het derde land die verband houden met de nationale veiligheid en defensie. |
|
(77) |
Deskundigheid op het gebied van uitlegging zou ook kunnen worden verkregen door middel van adviezen van deskundigen, indien deze beschikbaar zijn. Informatie en rechtspraak over de uitlegging van het recht van een derde land en over collusieprocedures in de lidstaten dienen beschikbaar te worden gesteld op een centraal platform, zoals het Siriusproject of het Europees justitieel netwerk, teneinde gebruik te kunnen maken van de ervaring en deskundigheid die is opgedaan inzake dezelfde of soortgelijke kwesties. Dat dergelijke informatie beschikbaar is op een centraal platform, mag niet beletten dat het derde land waar nodig opnieuw wordt geraadpleegd. |
|
(78) |
Bij de beoordeling of er sprake is van tegenstrijdige verplichtingen, dient de bevoegde rechtbank te bepalen of het recht van het derde land van toepassing is en zo ja, of het recht van het derde land de openbaarmaking van de betrokken gegevens verbiedt. Indien de bevoegde rechtbank oordeelt dat het recht van het derde land de openbaarmaking van de gegevens verbiedt, moet die rechtbank beslissen of het Europees verstrekkingsbevel in stand moet worden gehouden dan wel moet worden ingetrokken, door een aantal elementen af te wegen die bedoeld zijn voor het vaststellen van de sterkte van de band met een van de twee betrokken jurisdicties, de respectieve belangen bij het verkrijgen van de gegevens of juist het voorkomen van de openbaarmaking daarvan, en de mogelijke gevolgen van de naleving van het bevel voor de geadresseerde of de dienstaanbieder. Bij het verrichten van de beoordeling moet bijzondere aandacht worden besteed en moet een bijzonder gewicht worden toegekend aan de bescherming van de grondrechten door het betreffende recht van het derde land en aan andere fundamentele belangen, zoals de nationale veiligheidsbelangen van het derde land en de mate waarin de strafzaak verband houdt met een van de twee jurisdicties. Indien de rechtbank beslist het bevel in te trekken, moet zij de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde daarvan in kennis stellen. Indien de bevoegde rechtbank oordeelt dat het bevel in stand moet worden gehouden, moet zij de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde daarvan in kennis stellen, waarna de geadresseerde tot de uitvoering van het bevel moet overgaan. De uitvaardigende autoriteit moet de tenuitvoerleggingsautoriteit in kennis stellen van de uitkomst van de toetsingsprocedure. |
|
(79) |
De in deze verordening uiteengezette voorwaarden voor de uitvoering van een CEV moeten ook gelden wanneer er sprake is van tegenstrijdige verplichtingen die voorvloeien uit het recht van een derde land. Indien de naleving van een Europees verstrekkingsbevel dienstaanbieders zou beletten te voldoen aan een wettelijke verplichting die voortvloeit uit het recht van een derde land, moeten de door dat bevel gevraagde gegevens daarom tijdens de rechterlijke toetsing worden bewaard. Indien de bevoegde rechtbank na de rechterlijke toetsing besluit een Europees verstrekkingsbevel in te trekken, moet het mogelijk zijn een nieuw Europees bewaringsbevel uit te vaardigen waarmee de uitvaardigende autoriteit de verstrekking van gegevens via andere kanalen, zoals wederzijdse rechtshulp, kan pogen te verkrijgen. |
|
(80) |
Het is van essentieel belang dat alle personen wier gegevens worden opgevraagd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of een strafprocedure, toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 47 van het Handvest. In overeenstemming met dat vereiste en onverminderd verdere rechtsmiddelen die krachtens het nationaal recht beschikbaar zijn, moet iedere persoon om wiens gegevens via een Europees verstrekkingsbevel is gevraagd, recht hebben op doeltreffende rechtsmiddelen tegen dat bevel. Indien die persoon een verdachte of beklaagde is, moet die persoon recht hebben op doeltreffende rechtsmiddelen tijdens de strafprocedure waarin de gegevens als bewijs worden gebruikt. Het recht op doeltreffende rechtsmiddelen dient te worden uitgeoefend voor een rechtbank in de uitvaardigende staat overeenkomstig het nationale recht van die staat en moet de mogelijkheid omvatten om de rechtmatigheid van de maatregel te betwisten, met inbegrip van de noodzaak en evenredigheid ervan, onverminderd de waarborgen van de grondrechten in de tenuitvoerleggingsstaat of aanvullende rechtsmiddelen overeenkomstig het nationale recht. Deze verordening mag geen beperking inhouden van de mogelijke gronden tot betwisting van de rechtmatigheid van een bevel. Het recht op doeltreffende rechtsmiddelen waarin deze verordening voorziet, doet geen afbreuk aan het recht om rechtsmiddelen in te stellen uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. Er moet tijdig informatie worden verstrekt over de mogelijkheden uit hoofde van het nationale recht om rechtsmiddelen in te stellen en er moet voor worden gezorgd dat deze doeltreffend kunnen worden ingezet. |
|
(81) |
Er moeten passende kanalen worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat alle partijen efficiënt kunnen samenwerken met digitale middelen, via een gedecentraliseerd informatietechnologiesysteem (IT-systeem) dat een snelle, rechtstreekse, interoperabele, duurzame, betrouwbare en beveiligde grensoverschrijdende elektronische uitwisseling van formulieren, gegevens en informatie in verband met zaken mogelijk maakt. |
|
(82) |
Om een efficiënte en beveiligde schriftelijke communicatie tussen de bevoegde autoriteiten en de aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers van dienstaanbieders uit hoofde van deze verordening mogelijk te maken, moeten die aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers worden toegerust met elektronische middelen om toegang krijgen tot de door de lidstaten beheerde nationale IT-systemen die deel uitmaken van het gedecentraliseerde IT-systeem. |
|
(83) |
Het gedecentraliseerde IT-systeem moet bestaan uit de IT-systemen van de lidstaten en de agentschappen en organen van de Unie en interoperabele toegangspunten die die IT-systemen met elkaar verbinden. De toegangspunten van het gedecentraliseerde IT-systeem moeten gebaseerd zijn op het bij Verordening (EU) 2022/850 van het Europees Parlement en de Raad (24) ingestelde e-Codex-systeem. |
|
(84) |
Dienstaanbieders die gebruikmaken van op maat gemaakte IT-oplossingen voor de uitwisseling van informatie en gegevens in verband met verzoeken om elektronisch bewijsmateriaal moeten worden toegerust met geautomatiseerde middelen om toegang te krijgen tot de gedecentraliseerde IT-systemen door middel van een gemeenschappelijke norm voor gegevensuitwisseling. |
|
(85) |
In de regel moet alle schriftelijke communicatie tussen bevoegde autoriteiten of tussen bevoegde autoriteiten en aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers verlopen via het gedecentraliseerde IT-systeem. Alternatieve middelen mogen alleen worden gebruikt wanneer het gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem niet mogelijk is, bijvoorbeeld door specifieke forensische vereisten, omdat de hoeveelheid over te dragen gegevens wordt beperkt door technische capaciteitsbeperkingen of omdat in een noodgeval contact moet worden opgenomen met een andere vestiging die niet op het gedecentraliseerde IT-systeem is aangesloten. In dergelijke gevallen moet de doorgifte plaatsvinden op de meest geschikte alternatieve wijze, rekening houdend met de noodzaak om een snelle, beveiligde en betrouwbare informatie-uitwisseling te waarborgen. |
|
(86) |
Om ervoor te zorgen dat het gedecentraliseerde IT-systeem een volledig register van schriftelijke uitwisselingen uit hoofde van deze verordening bevat, moet elke op alternatieve wijze verrichte doorgifte onverwijld in het gedecentraliseerde IT-systeem worden geregistreerd. |
|
(87) |
Het gebruik van mechanismen voor het waarborgen van de authenticiteit als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad (25) moet in overweging worden genomen. |
|
(88) |
Dienstaanbieders, met name kleine en middelgrote ondernemingen, mogen niet worden geconfronteerd met onevenredige kosten in verband met het opzetten en het beheer van het gedecentraliseerde IT-systeem. Als onderdeel van het creëren, het onderhoud en de ontwikkeling van de referentie-implementatie moet de Commissie daarom ook een webinterface beschikbaar stellen waarmee dienstaanbieders veilig met de autoriteiten kunnen communiceren zonder dat zij hun eigen specifieke infrastructuur hoeven op te zetten om toegang te krijgen tot het gedecentraliseerde IT-systeem. |
|
(89) |
Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn om door de Commissie ontwikkelde software, namelijk de referentie-implementatiesoftware, te gebruiken in plaats van een nationaal IT-systeem. Die referentie-implementatiesoftware moet gebaseerd zijn op een modulaire structuur, wat betekent dat de software als pakket los van de e-Codex-systeemcomponenten die nodig zijn om de software aan te sluiten op het gedecentraliseerde IT-systeem wordt geleverd. Die structuur moet de lidstaten in staat stellen hun bestaande respectieve nationale infrastructuur voor justitiële communicatie te hergebruiken of te verbeteren met het oog op grensoverschrijdend gebruik. |
|
(90) |
De Commissie moet verantwoordelijk zijn voor het creëren, het onderhoud en de ontwikkeling van de referentie-implementatiesoftware. De Commissie moet de referentie-implementatiesoftware ontwerpen, ontwikkelen en onderhouden overeenkomstig de voorschriften en beginselen inzake gegevensbescherming van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (26), Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680, met name de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen en een hoog niveau van cyberbeveiliging. Het is van belang dat de referentie-implementatiesoftware ook passende technische maatregelen omvat en het mogelijk maakt de nodige organisatorische maatregelen te nemen om een passend niveau van beveiliging en interoperabiliteit te waarborgen. |
|
(91) |
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (27). |
|
(92) |
Voor gegevensuitwisselingen die via het gedecentraliseerde IT-systeem plaatsvinden of in het gedecentraliseerde IT-systeem worden geregistreerd, moeten de lidstaten via hun nationale portalen statistieken kunnen verzamelen om aan hun monitoring- en rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen. |
|
(93) |
Om de outputs, resultaten en effecten van deze verordening te monitoren, moet de Commissie jaarlijks een verslag over het voorgaande kalenderjaar publiceren, op basis van gegevens die van de lidstaten zijn verkregen. Daartoe moeten de lidstaten uitgebreide statistieken verzamelen en aan de Commissie verstrekken over de verschillende aspecten van deze verordening, per soort gevraagde gegevens, de geadresseerden en of het al dan niet om een noodgeval ging. |
|
(94) |
Het gebruik van vooraf vertaalde standaardformulieren zou de samenwerking en de uitwisseling van informatie uit hoofde van deze verordening vergemakkelijken en aldus een snellere en doeltreffendere communicatie op een gebruikersvriendelijke manier mogelijk maken. Dergelijke formulieren zouden leiden tot lagere vertaalkosten en zouden bijdragen tot een hoge kwaliteit van de communicatie. Op dezelfde wijze zouden antwoordformulieren een gestandaardiseerde uitwisseling van informatie mogelijk maken, met name wanneer dienstaanbieders niet in staat zijn om het bevel na te leven omdat de gebruikersaccount niet bestaat of omdat er geen gegevens beschikbaar zijn. De formulieren waarin deze verordening voorziet, zouden ook het verzamelen van statistische gegevens vergemakkelijken. |
|
(95) |
Teneinde doeltreffend te voorzien in een eventuele behoefte aan verbeteringen van de inhoud van de CEV- en CEB-formulieren en van de formulieren die moeten worden gebruikt om informatie te verstrekken over de onmogelijkheid om een CEV of een CEB uit te voeren, om de uitvaardiging van verstrekkingsverzoeken na een Europees bewaringsbevel te bevestigen en om de bewaringstermijn van elektronisch bewijsmateriaal te verlengen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen tot wijziging van de formulieren waarin deze verordening voorziet. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (28). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(96) |
Deze verordening mag geen afbreuk doen aan Unie-instrumenten, -overeenkomsten en -regelingen of andere internationale instrumenten, overeenkomsten en regelingen betreffende het vergaren van bewijsmateriaal dat binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt. De autoriteiten van de lidstaten moeten het instrument kiezen dat het best past bij de zaak in kwestie. In sommige gevallen geven zij er misschien de voorkeur aan Unie-instrumenten, -overeenkomsten en -regelingen of andere internationale instrumenten, overeenkomsten en regelingen te gebruiken wanneer zij een reeks van verschillende soorten onderzoeksmaatregelen verlangen, die verder kunnen gaan dan de verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal uit een andere lidstaat. De lidstaten moeten de Commissie uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening in kennis stellen van de in deze verordening bedoelde bestaande instrumenten, overeenkomsten en regelingen die zij zullen blijven toepassen. De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van nieuwe overeenkomsten of regelingen zoals bedoeld in deze verordening, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan. |
|
(97) |
Gezien de technologische ontwikkelingen kunnen er binnen een paar jaar nieuwe communicatievormen gangbaar zijn of zouden er leemtes kunnen ontstaan in de toepassing van deze verordening. Daarom is het belangrijk te voorzien in een evaluatie van de toepassing ervan. |
|
(98) |
De Commissie moet een evaluatie van deze verordening uitvoeren op basis van vijf criteria: doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde voor de Unie. Deze evaluatie moet de basis vormen voor effectbeoordelingen van eventuele verdere maatregelen. Het evaluatieverslag moet een beoordeling bevatten van de toepassing van deze verordening en van de bereikte resultaten met betrekking tot de doelstellingen ervan, alsook een beoordeling van de gevolgen van deze verordening voor de grondrechten. De Commissie moet regelmatig informatie verzamelen waarmee bij de evaluatie van deze verordening rekening kan worden gehouden. |
|
(99) |
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het beter grensoverschrijdend veiligstellen en verkrijgen van elektronisch bewijsmateriaal, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt gelet op het grensoverschrijdende karakter ervan, maar beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. |
|
(100) |
Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, heeft Ierland laten weten dat het wenst deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening. |
|
(101) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat. |
|
(102) |
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd geraadpleegd in overeenstemming met artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 en heeft op 6 november 2019 een advies uitgebracht (29), |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp
1. Deze verordening voorziet in de regels uit hoofde waarvan een autoriteit van een lidstaat in strafzaken een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel kan uitvaardigen en een dienstaanbieder die in de Unie diensten aanbiedt en in een andere lidstaat is gevestigd of, indien die niet is gevestigd, wordt vertegenwoordigd door een wettelijke vertegenwoordiger in een andere lidstaat, kan bevelen elektronisch bewijsmateriaal te verstrekken of te bewaren, ongeacht de locatie van de gegevens.
Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de nationale autoriteiten om in contact te treden met op hun grondgebied gevestigde of vertegenwoordigde dienstaanbieders om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de nationale maatregelen die vergelijkbaar zijn met de in de eerste alinea bedoelde maatregelen.
2. Om uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel of van een Europees bewaringsbevel kan ook worden verzocht door een verdachte of beklaagde, of namens die persoon door een advocaat, binnen het kader van de toepasselijke rechten op verdediging in overeenstemming met het nationale strafprocesrecht.
3. Deze verordening brengt geen wijziging met zich van de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in het Handvest en in artikel 6 VEU, en laat alle verplichtingen die in dat verband op de rechtshandhavingsautoriteiten of rechterlijke instanties rusten, onverlet. Deze verordening geldt onverminderd fundamentele beginselen zoals met name de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid en pluriformiteit van de media, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens en het recht op effectieve rechterlijke bescherming.
Artikel 2
Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op dienstaanbieders die diensten aanbieden in de Unie.
2. Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen kunnen uitsluitend in het kader van en ten behoeve van strafprocedures worden uitgevaardigd, en voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die of een aanhoudingsbevel voor ten minste vier maanden, na een strafrechtelijke procedure, opgelegd bij een beslissing die niet bij verstek is genomen, in gevallen waarin de veroordeelde zich aan de rechtspleging heeft onttrokken. Dergelijke bevelen kunnen ook worden uitgevaardigd in een procedure betreffende een strafbaar feit waarvoor een rechtspersoon in de uitvaardigende staat aansprakelijk kan zijn of kan worden bestraft.
3. Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen kunnen uitsluitend worden uitgevaardigd voor gegevens die betrekking hebben op de in artikel 3, punt 3, vermelde diensten die in de Unie worden aangeboden.
4. Deze verordening is niet van toepassing op procedures die worden ingeleid ten behoeve van de verstrekking van wederzijdse rechtshulp aan een andere lidstaat of een derde land.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“Europees verstrekkingsbevel”: een beslissing waarbij de verstrekking wordt gelast van elektronisch bewijsmateriaal, die overeenkomstig artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5 door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat is uitgevaardigd of gevalideerd, en die is gericht aan een aangewezen vestiging of aan een wettelijke vertegenwoordiger van een dienstaanbieder die diensten aanbiedt in de Unie, wanneer die aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger in een andere aan deze verordening gebonden lidstaat is gevestigd; |
|
2) |
“Europees bewaringsbevel”: een beslissing waarbij de bewaring wordt gelast van elektronisch bewijsmateriaal met het oog op een aansluitend verstrekkingsverzoek, en die overeenkomstig artikel 4, leden 3, 4 en 5 door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat is uitgevaardigd of gevalideerd, en die is gericht aan een aangewezen vestiging of aan een wettelijke vertegenwoordiger van een dienstaanbieder die diensten aanbiedt in de Unie, wanneer die aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger in een andere aan deze verordening gebonden lidstaat is gevestigd; |
|
3) |
“dienstaanbieder”: een natuurlijke of rechtspersoon die een of meer van de volgende categorieën diensten verleent, met uitzondering van financiële diensten als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt b), van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (30):
|
|
4) |
“diensten aanbieden in de Unie”:
|
|
5) |
“vestiging”: een entiteit die daadwerkelijk voor onbepaalde tijd een economische activiteit uitoefent door middel van een duurzame infrastructuur van waaruit diensten worden verstrekt of van waaruit het bedrijf wordt geleid; |
|
6) |
“aangewezen vestiging”: een vestiging met rechtspersoonlijkheid die schriftelijk door een dienstaanbieder is aangewezen die is gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan een rechtsinstrument zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Richtlijn (EU) 2023/1544, voor de doeleinden zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van die richtlijn; |
|
7) |
“wettelijke vertegenwoordiger”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk is aangesteld door een dienstaanbieder die niet gevestigd is in een lidstaat die deelneemt aan een rechtsinstrument zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Richtlijn (EU) 2023/1544, voor de doeleinden zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van die richtlijn; |
|
8) |
“elektronisch bewijsmateriaal”: abonneegegevens, verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens die door of namens een dienstaanbieder in elektronische vorm zijn opgeslagen op het tijdstip van ontvangst van een certificaat inzake het Europees verstrekkingsbevel (CEV) of van een certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB); |
|
9) |
“abonneegegevens”: gegevens die in het bezit zijn van een dienstaanbieder in het kader van een abonnement op zijn diensten en die betrekking hebben op:
|
|
10) |
“gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker”: IP-adressen en, indien nodig, de relevante bronpoorten en tijdstempel, met name de datum en het tijdstip, of de technische equivalenten van die identificatoren alsook daarmee verband houdende informatie, wanneer rechtshandhavingsinstanties of rechterlijke autoriteiten hierom verzoeken met als enig doel de gebruiker te identificeren in het kader van een specifiek strafrechtelijk onderzoek; |
|
11) |
“verkeersgegevens”: gegevens in verband met de verlening van een door een dienstaanbieder aangeboden dienst, die dienen om achtergrondinformatie of aanvullende informatie over die dienst te verstrekken en door een informatiesysteem van de dienstaanbieder zijn gegenereerd of verwerkt, zoals de herkomst en de bestemming van een bericht of een ander type interactie, de locatie van het apparaat, de datum, het tijdstip, de duur, de omvang, de route, de vorm, het gebruikte protocol en het type compressie, en andere elektronischecommunicatiemetagegevens, en gegevens, andere dan abonneegegevens, betreffende de aanvang en beëindiging van een toegangssessie van een gebruiker tot een dienst, zoals de datum en het tijdstip van het gebruik, het inloggen in en het uitloggen uit de dienst; |
|
12) |
“inhoudelijke gegevens”: gegevens die in digitale vorm zijn opgeslagen, zoals tekst, spraak, video’s, beelden en geluid, en die geen abonneegegevens of verkeersgegevens zijn; |
|
13) |
“informatiesysteem”: informatiesysteem zoals gedefinieerd in artikel 2, punt a), van Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (31); |
|
14) |
“uitvaardigende staat”: de lidstaat waar het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel is uitgevaardigd; |
|
15) |
“uitvaardigende autoriteit”: de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende staat die overeenkomstig artikel 4 een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel kan uitvaardigen; |
|
16) |
“tenuitvoerleggingsstaat”: de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of waar de wettelijke vertegenwoordiger verblijft, en waaraan een Europees verstrekkingsbevel en een CEV of een Europees bewaringsbevel en een CEB worden doorgegeven door de uitvaardigende autoriteit met het oog op kennisgeving of met het oog op tenuitvoerlegging overeenkomstig deze verordening: |
|
17) |
“tenuitvoerleggingsautoriteit”: de autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die overeenkomstig het nationale recht van die staat bevoegd is een Europees verstrekkingsbevel en een CEV of een Europees bewaringsbevel en een CEB te ontvangen die door de uitvaardigende autoriteit met het oog op kennisgeving of tenuitvoerlegging overeenkomstig deze verordening worden doorgegeven; |
|
18) |
“noodgeval”: een situatie waarin er sprake is van een onmiddellijke bedreiging voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon of voor een kritieke infrastructuur zoals gedefinieerd in artikel 2, punt a), van Richtlijn 2008/114/EG, wanneer de verstoring of vernietiging van een dergelijke kritieke infrastructuur een onmiddellijke bedreiging zou vormen voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon, onder meer in de vorm van ernstige nadelige gevolgen voor de verstrekking van basisvoorzieningen aan de bevolking of voor de uitoefening van de kerntaken van de overheid; |
|
19) |
“verwerkingsverantwoordelijke”: verwerkingsverantwoordelijke zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 7), van Verordening (EU) 2016/679; |
|
20) |
“verwerker”: verwerker zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 8), van Verordening (EU) 2016/679; |
|
21) |
“gedecentraliseerd IT-systeem”: een netwerk van onder de eigen verantwoordelijkheid en het eigen beheer van elke lidstaat en elk agentschap of orgaan van de Unie opererende IT-systemen en interoperabele toegangspunten, dat het mogelijk maakt om op een veilige en betrouwbare manier over de grenzen heen informatie uit te wisselen. |
HOOFDSTUK II
EUROPEES VERSTREKKINGSBEVEL, EUROPEES BEWARINGSBEVEL EN CERTIFICATEN
Artikel 4
Uitvaardigende autoriteit
1. Een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van abonneegegevens of gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker in de zin van artikel 3, punt 10), kan uitsluitend worden uitgevaardigd door:
|
a) |
een in de betrokken zaak bevoegde rechter, rechtbank, onderzoeksrechter of openbare aanklager, of |
|
b) |
elke andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de betrokken zaak optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig het nationale recht bevoegd is opdracht te geven tot het vergaren van bewijsmateriaal; in een dergelijk geval wordt het Europees verstrekkingsbevel, nadat is nagegaan of het voldoet aan de uit hoofde van deze verordening geldende voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel, bekrachtigd door een rechter, rechtbank, onderzoeksrechter of openbare aanklager in de uitvaardigende staat. |
2. Een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens kan uitsluitend worden uitgevaardigd door:
|
a) |
een in de betrokken zaak bevoegde rechter, rechtbank of onderzoeksrechter, of |
|
b) |
elke andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de betrokken zaak optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig het nationale recht bevoegd is opdracht te geven tot het vergaren van bewijsmateriaal; in een dergelijk geval wordt het Europees verstrekkingsbevel, nadat is nagegaan of het voldoet aan de uit hoofde van deze verordening geldende voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel, bekrachtigd door een rechter, rechtbank of onderzoeksrechter in de uitvaardigende staat. |
3. Een Europees bewaringsbevel voor gegevens van eender welke categorie kan uitsluitend worden uitgevaardigd door:
|
a) |
een in de betrokken zaak bevoegde rechter, rechtbank, onderzoeksrechter of openbare aanklager, of |
|
b) |
elke andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de betrokken zaak optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig het nationale recht bevoegd is opdracht te geven tot het vergaren van bewijsmateriaal; in een dergelijk geval wordt het Europees bewaringsbevel, nadat is nagegaan of het voldoet aan de uit hoofde van deze verordening geldende voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees bewaringsbevel, bekrachtigd door een rechter, rechtbank, onderzoeksrechter of openbare aanklager in de uitvaardigende staat. |
4. Wanneer een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel op grond van lid 1, punt b), lid 2, punt b), of lid 3, punt b), door een rechterlijke autoriteit is bekrachtigd, kan deze autoriteit ook als een uitvaardigende autoriteit worden beschouwd voor de doorgifte van het CEV en het CEB.
5. In een geldig vastgesteld noodgeval, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 18), kunnen de in lid 1, punt b), en lid 3, punt b), van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten bij wijze van uitzondering een Europees verstrekkingsbevel uitvaardigen voor abonneegegevens of voor gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of een Europees bewaringsbevel uitvaardigen zonder voorafgaande bekrachtiging van het desbetreffende bevel, indien de bekrachtiging niet tijdig kan worden verkregen en indien die autoriteiten in een soortgelijke nationale zaak zonder voorafgaande bekrachtiging een bevel kunnen uitvaardigen. De uitvaardigende autoriteit zorgt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een termijn van 48 uur voor de bekrachtiging achteraf van het betrokken bevel. Indien een dergelijke bekrachtiging achteraf van het desbetreffende bevel niet wordt verleend, trekt de uitvaardigende autoriteit het bevel onmiddellijk in en verwijdert zij de verkregen gegevens of beperkt zij het gebruik daarvan op een andere wijze.
6. Elke lidstaat kan een of meer centrale autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de administratieve toezending van CEV’s en CEB’s, van Europese verstrekkings- en bewaringsbevelen en van kennisgevingen, voor de ontvangst van gegevens en kennisgevingen, alsook voor de toezending van andere officiële briefwisseling met betrekking tot dergelijke certificaten of bevelen.
Artikel 5
Voorwaarden voor het uitvaardigen van een Europees verstrekkingsbevel
1. Een uitvaardigende autoriteit mag een Europees verstrekkingsbevel slechts uitvaardigen wanneer is voldaan aan alle in dit artikel uiteengezette voorwaarden.
2. Een Europees verstrekkingsbevel is noodzakelijk voor en evenredig met het oog op de in artikel 2, lid 3, bedoelde procedures, rekening houdend met de rechten van de verdachte of beklaagde, en mag slechts worden uitgevaardigd indien een soortgelijk bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd onder dezelfde voorwaarden in een soortgelijk nationaal geval.
3. Een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van abonneegegevens of voor het verkrijgen van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), mag worden uitgevaardigd voor alle strafbare feiten en voor de tenuitvoerlegging, na een strafprocedure, van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van ten minste vier maanden die is opgelegd bij een niet bij verstek gewezen beslissing, in gevallen waarin de veroordeelde zich aan de rechtspleging heeft onttrokken.
4. Een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), van deze verordening of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens mag uitsluitend worden uitgevaardigd:
|
a) |
voor strafbare feiten waarop in de uitvaardigende een vrijheidsstraf staat met een maximum van ten minste drie jaar, of |
|
b) |
voor de volgende strafbare feiten, indien zij geheel of gedeeltelijk zijn gepleegd door middel van een informatiesysteem:
|
|
c) |
voor strafbare feiten zoals gedefinieerd in de artikelen 3 tot en met 12 en artikel 14 van Richtlijn (EU) 2017/541; |
|
d) |
voor de tenuitvoerlegging, na afloop van een strafprocedure, van een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel van ten minste vier maanden die is opgelegd bij een niet bij verstek gewezen beslissing, in gevallen waarin de veroordeelde zich aan de rechtspleging heeft onttrokken, met betrekking tot in de punten a), b) en c) van dit lid bedoelde strafbare feiten. |
5. Een Europees verstrekkingsbevel bevat de volgende informatie:
|
a) |
de uitvaardigende autoriteit en, in voorkomend geval, de bekrachtigende autoriteit; |
|
b) |
de in artikel 7 bedoelde geadresseerde van het Europees verstrekkingsbevel; |
|
c) |
de gebruiker, behalve wanneer het bevel als enig doel heeft de gebruiker te identificeren, of een andere unieke identificator, zoals naam, login-ID of rekeningnaam, waarmee de gevraagde gegevens kunnen worden achterhaald; |
|
d) |
de categorie van de gevraagde gegevens zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 9) tot en met 12; |
|
e) |
in voorkomende geval, de tijdspanne van de gegevens waarvoor om verstrekking wordt verzocht; |
|
f) |
de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen van de uitvaardigende staat; |
|
g) |
in noodgevallen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 18), de naar behoren gemotiveerde redenen voor de noodsituatie; |
|
h) |
in gevallen waarin het Europees verstrekkingsbevel rechtstreeks is gericht aan de dienstaanbieder, die de gegevens namens de verwerkingsverantwoordelijke opslaat of anderszins verwerkt, een bevestiging dat is voldaan aan de in lid 6 van dit artikel uiteengezette voorwaarden; |
|
i) |
de redenen om te bepalen dat het Europees verstrekkingsbevel voldoet aan de voorwaarden van noodzaak en evenredigheid uit hoofde van lid 2 van dit artikel; |
|
j) |
een korte beschrijving van de zaak. |
6. Een Europees verstrekkingsbevel wordt gericht aan de dienstaanbieder die optreedt als verwerkingsverantwoordelijken in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679.
Bij wijze van uitzondering kan het Europees verstrekkingsbevel rechtstreeks worden gericht aan de dienstaanbieder die de gegevens opslaat of anderszins verwerkt namens de verwerkingsverantwoordelijke, indien:
|
a) |
de verwerkingsverantwoordelijke niet kan worden geïdentificeerd ondanks redelijke inspanningen van de uitvaardigende autoriteit, of |
|
b) |
contact opnemen met de verwerkingsverantwoordelijke schadelijk kan zijn voor het onderzoek. |
7. Overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 stelt de verwerker die de gegevens namens de verwerkingsverantwoordelijke opslaat of anderszins verwerkt, de verwerkingsverantwoordelijke in kennis van de verstrekking van de gegevens, tenzij de uitvaardigende autoriteit de dienstaanbieder heeft verzocht de verwerkingsverantwoordelijke niet te informeren, zolang dit noodzakelijk en evenredig is, teneinde de desbetreffende strafprocedure niet te belemmeren. In dat geval vermeldt de uitvaardigende autoriteit in het procesdossier de redenen voor het uitstel van de kennisgeving aan de verwerkingsverantwoordelijke. Aan het CEV wordt ook een korte motivering toegevoegd.
8. Wanneer de gegevens worden opgeslagen of anderszins verwerkt in het kader van een door een dienstaanbieder aan een overheidsinstantie geleverde infrastructuur, mag een Europees verstrekkingsbevel uitsluitend worden uitgevaardigd indien de overheidsinstantie waarvoor de gegevens zijn opgeslagen of anderszins worden verwerkt, zich in de uitvaardigende staat bevindt.
9. In gevallen waarin gegevens die uit hoofde van het recht van de uitvaardigende staat onder het beroepsgeheim vallen, worden opgeslagen of anderszins verwerkt door een dienstaanbieder in het kader van een infrastructuur die wordt verstrekt aan beroepsbeoefenaars voor wie het beroepsgeheim geldt (“verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar”), in hun zakelijke hoedanigheid, mag een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens alleen worden uitgevaardigd:
|
a) |
indien de verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar in de uitvaardigende staat verblijft; |
|
b) |
indien contact opnemen met de verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar schadelijk kan zijn voor het onderzoek, of |
|
c) |
indien het beroepsgeheim overeenkomstig het toepasselijke recht is opgeheven. |
10. Indien de uitvaardigende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat de verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of de inhoudelijke gegevens waarom met het Europees verstrekkingsbevel wordt verzocht, worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten, of dat die gegevens in die staat zijn onderworpen aan voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, kan de uitvaardigende autoriteit opheldering zoeken alvorens het Europees verstrekkingsbevel uit te vaardigen, onder meer door de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat te raadplegen, hetzij rechtstreeks hetzij via Eurojust of het Europees justitieel netwerk.
De uitvaardigende autoriteit mag geen Europees verstrekkingsbevel uitvaardigen indien zij van oordeel is dat de gevraagde verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of de inhoudelijke gegevens worden beschermd door voorrechten of immuniteiten uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, of dat die gegevens in die staat zijn onderworpen aan voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media.
Artikel 6
Voorwaarden voor het uitvaardigen van een Europees bewaringsbevel
1. Een uitvaardigende autoriteit mag slechts een Europees bewaringsbevel uitvaardigen wanneer is voldaan aan alle in dit artikel uiteengezette voorwaarden. Artikel 5, lid 8, is van overeenkomstige toepassing.
2. Een Europees bewaringsbevel moet noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn met de doelstelling om te verhinderen dat gegevens worden verwijderd, gewist of gewijzigd, met het oog op de indiening van een aansluitend verstrekkingsverzoek van die gegevens door middel van wederzijdse rechtshulp, een Europees onderzoeksbevel (EOB) of een Europees verstrekkingsbevel, rekening houdend met de rechten van de verdachte of beklaagde.
3. Een Europees bewaringsbevel kan worden uitgevaardigd voor alle strafbare feiten indien zij zouden kunnen worden uitgevaardigd onder dezelfde voorwaarden in een soortgelijk binnenlands geval, en voor de tenuitvoerlegging, na een strafprocedure, van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van ten minste vier maanden die is opgelegd bij een niet bij verstek gewezen beslissing, in gevallen waarin de veroordeelde zich aan de rechtspleging heeft onttrokken.
4. Een Europees bewaringsbevel bevat de volgende informatie:
|
a) |
de uitvaardigende autoriteit en, in voorkomend geval, de bekrachtigende autoriteit; |
|
b) |
de in artikel 7 bedoelde geadresseerde van het Europees bewaringsbevel; |
|
c) |
de gebruiker, behalve wanneer het bevel als enig doel heeft de gebruiker te identificeren, of een andere unieke identificator, zoals gebruikersnaam, login-ID of rekeningnaam, waarmee de gegevens waarvoor om bewaring wordt verzocht, kunnen worden achterhaald; |
|
d) |
de categorie van de gevraagde gegevens zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 9) tot en met 12; |
|
e) |
in voorkomend geval, de tijdspanne waarop de gegevens waarvoor om bewaring wordt verzocht, betrekking hebben; |
|
f) |
de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen van de uitvaardigende staat; |
|
g) |
de redenen om te bepalen dat het Europees bewaringsbevel voldoet aan de voorwaarden van noodzaak en evenredigheid uit hoofde van lid 2 van dit artikel. |
Artikel 7
Geadresseerden van Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen
1. Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen worden rechtstreeks gericht aan een aangewezen vestiging of aan een wettelijke vertegenwoordiger van de betrokken dienstaanbieder.
2. Bij wijze van uitzondering, in noodgevallen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 18), wanneer de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger van een dienstaanbieder niet binnen de gestelde termijnen op een CEV of CEB reageert, kan dat CEV of CEB worden gericht aan elke andere vestiging of wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder in de Unie.
Artikel 8
Kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit
1. Wanneer een Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd voor het verkrijgen van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10), of voor het verkrijgen van inhoudelijke gegevens, stelt de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggingsautoriteit daarvan in kennis door het CEV te doen toekomen aan die autoriteit op hetzelfde moment waarop zij het CEV doet toekomen aan de geadresseerde overeenkomstig artikel 9, leden 1 en 2.
2. Lid 1 is niet van toepassing indien de uitvaardigende autoriteit ten tijde van de uitvaardiging van het bevel redelijke gronden heeft om aan te nemen dat:
|
a) |
het strafbaar feit is gepleegd, wordt gepleegd of waarschijnlijk zal worden gepleegd in de uitvaardigende staat, en |
|
b) |
de persoon om wiens gegevens wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat verblijft. |
3. Wanneer de uitvaardigende autoriteit het in lid 1 van dit artikel bedoelde CEV doet toekomen aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, voegt zij hieraan indien toepasselijk alle aanvullende informatie toe die nodig kan zijn voor de beoordeling van de mogelijkheid om een weigeringsgrond aan te voeren overeenkomstig artikel 12.
4. De in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit heeft een schorsende werking op de verplichtingen van de geadresseerde zoals uiteengezet in artikel 10, behalve in noodgevallen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 18).
Artikel 9
Certificaat inzake het Europees verstrekkingsbevel (CEV) en certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB)
1. Een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel wordt aan de in artikel 7 gedefinieerde geadresseerde doorgegeven door middel van een CEV respectievelijk een CEB.
De uitvaardigende autoriteit of, indien toepasselijk, de bekrachtigende autoriteit vult het in bijlage I opgenomen CEV of het in bijlage II opgenomen CEB in, ondertekent het en verklaart dat de inhoud ervan nauwkeurig en correct is.
2. Een CEV bevat de in artikel 5, lid 5, punten a) tot en met h), vermelde informatie, met inbegrip van informatie die voor de geadresseerde toereikend is om de uitvaardigende autoriteit en indien nodig de tenuitvoerleggingsautoriteit te identificeren en daarmee contact op te nemen.
Indien op grond van artikel 8 een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is, bevat het aan die autoriteit toegezonden CEV de in artikel 5, lid 5, punten a) tot en met j), vermelde informatie.
3. Een CEB bevat de in artikel 6, lid 4, punten a) tot en met f), vermelde informatie, met inbegrip van informatie die voor de geadresseerde toereikend is om de uitvaardigende autoriteit te identificeren en daarmee contact op te nemen.
4. Zo nodig wordt het CEV of CEB vertaald in een door de geadresseerde aanvaarde officiële taal van de Unie zoals bepaald in artikel 4 van Richtlijn (EU) 2023/1544 geadresseerde. Als de dienstaanbieder geen specifieke taal heeft opgegeven, wordt het CEV of CEB vertaald in een officiële taal van de lidstaat waar de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder zich bevindt.
Indien op grond van artikel 8 een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is, wordt het CEV dat aan die autoriteit moet worden toegezonden, vertaald in een officiële taal van de tenuitvoerleggingsstaat of in een andere door die staat aanvaarde officiële taal van de Unie.
Artikel 10
Uitvoering van een CEV
1. Na ontvangst van een CEV treedt de geadresseerde spoedig in actie om de gevraagde gegevens te bewaren.
2. Indien op grond van artikel 8 een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is en indien die autoriteit binnen tien dagen na ontvangst van het CEV geen weigeringsgrond heeft aangevoerd overeenkomstig artikel 12, zorgt de geadresseerde ervoor dat de gevraagde gegevens aan het eind van die periode van tien dagen rechtstreeks aan de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit of rechtshandhavingsautoriteiten worden toegezonden. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit nog voor het einde van die periode van tien dagen aan de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde bevestigt dat zij geen weigeringsgrond zal aanvoeren, handelt de geadresseerde zo snel mogelijk na een dergelijke bevestiging en ten laatste aan het einde van die periode van tien dagen.
3. Indien een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8 niet vereist is, zorgt de geadresseerde er na ontvangst van een CEV voor dat de gevraagde gegevens uiterlijk tien dagen na ontvangst van het CEV rechtstreeks aan de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit of rechtshandhavingsautoriteiten worden toegezonden.
4. In noodgevallen geeft de geadresseerde de gevraagde gegevens onverwijld door, uiterlijk binnen acht uur na ontvangst van het CEV. Indien een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8 vereist is, kan de tenuitvoerleggingsautoriteit, indien zij besluit een weigeringsgrond aan te voeren overeenkomstig artikel 12, lid 1, de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde er onverwijld en uiterlijk binnen 96 uur na ontvangst van de kennisgeving van in kennis stellen dat zij bezwaar maakt tegen het gebruik van de gegevens of dat de gegevens alleen mogen worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit een weigeringsgrond aanvoert en de geadresseerde de gegevens reeds heeft doen toekomen aan de uitvaardigende autoriteit, wist de uitvaardigende autoriteit de gegevens of beperkt zij het gebruik ervan op een andere wijze. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit voorwaarden heeft vastgesteld voor het gebruik van de gegevens, neemt de uitvaardigende autoriteit deze voorwaarden in acht bij het gebruik van de gegevens.
5. Indien de geadresseerde, uitsluitend op basis van de informatie in het CEV, van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het CEV onverenigbaar zou kunnen zijn met voorrechten of immuniteiten of met voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, stelt de geadresseerde de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit hiervan in kennis door middel van het in bijlage III opgenomen formulier.
Indien er geen kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8, houdt de uitvaardigende autoriteit rekening met de in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie en beslist zij op eigen initiatief of op verzoek van de tenuitvoerleggingsautoriteit of het Europees verstrekkingsbevel moet worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd.
Indien er op grond van artikel 8 een kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, houdt de uitvaardigende autoriteit rekening met de in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie en beslist zij of het Europees verstrekkingsbevel moet worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd. De tenuitvoerleggingsautoriteit kan besluiten om de in artikel 12 uiteengezette weigeringsgronden aan te voeren.
6. Wanneer de geadresseerde zijn of haar verplichting om de gevraagde gegevens te verstrekken niet kan nakomen omdat het CEV onvolledig is, kennelijke fouten bevat of niet voldoende informatie bevat voor de uitvoering van het CEV, informeert de geadresseerde onverwijld de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit evenals, indien er op grond van artikel 8 een kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, de in het CEV vermelde tenuitvoerleggingsautoriteit, en verzoekt hij om opheldering door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier. Tegelijkertijd deelt de geadresseerde de uitvaardigende autoriteit mee of identificatie van de gevraagde gegevens en bewaring van die gegevens zoals uiteengezet in lid 9 van dit artikel mogelijk was.
De uitvaardigende autoriteit reageert spoedig, en uiterlijk binnen vijf dagen na ontvangst van het formulier. De geadresseerde zorgt ervoor dat hij of zij de nodige opheldering of eventuele correcties kan ontvangen van de uitvaardigende autoriteit, zodat hij of zij zijn of haar in de leden 1 tot en met 4 uiteengezette verplichtingen kan nakomen. De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde verplichtingen zijn niet van toepassing totdat de uitvaardigende autoriteit of de tenuitvoerleggingsautoriteit een dergelijke opheldering of dergelijke correcties heeft verschaft.
7. Wanneer de geadresseerde zijn of haar verplichting om de gevraagde gegevens te verstrekken niet kan nakomen vanwege een feitelijke onmogelijkheid die te wijten is aan omstandigheden die niet aan de geadresseerde kunnen worden toegerekend, stelt de geadresseerde de in het CEV vermelde uitvaardigende autoriteit evenals, indien er op grond van artikel 8 een kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, de in het CEV vermelde tenuitvoerleggingsautoriteit, daarvan onverwijld in kennis met vermelding van de redenen voor deze feitelijke onmogelijkheid, door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier. Wanneer de uitvaardigende autoriteit concludeert dat er sprake is van een dergelijke feitelijke onmogelijkheid, deelt zij de geadresseerde en, indien er een kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8, de tenuitvoerleggingsautoriteit mee dat het CEV niet langer hoeft te worden uitgevoerd.
8. In alle gevallen waarin de geadresseerde de gevraagde gegevens niet verstrekt, de gevraagde gegevens niet volledig verstrekt of de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn verstrekt om andere dan de in de leden 5, 6 en 7 van dit artikel bedoelde redenen, stelt de geadresseerde de in het CEV bedoelde uitvaardigende autoriteit en, indien er een kennisgeving is gedaan aan de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8, de in het CEV bedoelde tenuitvoerleggingsautoriteit onverwijld en uiterlijk binnen de termijnen die zijn uiteengezet in leden 2, 3 en 4 van dit artikel in kennis van die redenen, door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier. De uitvaardigende autoriteit beoordeelt het Europees verstrekkingsbevel in het licht van de door de geadresseerde verstrekte informatie en stelt zo nodig een nieuwe termijn vast waarbinnen de geadresseerde de gegevens dient te verstrekken.
9. De gegevens worden, voor zover mogelijk, bewaard totdat zij worden verstrekt, ongeacht of het verstrekkingsverzoek uiteindelijk gebeurt op basis van een opgehelderd Europees verstrekkingsbevel en het bijbehorende CEV dan wel via andere kanalen, zoals wederzijdse rechtshulp, of totdat het Europees verstrekkingsbevel wordt ingetrokken.
Indien het niet langer noodzakelijk is de gegevens te verstrekken en te bewaren, stelt de uitvaardigende autoriteit, en in voorkomend geval op grond van artikel 16, lid 8, de tenuitvoerleggingsautoriteit, de geadresseerde daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 11
Uitvoering van een CEB
1. Na ontvangst van een CEB bewaart de geadresseerde onverwijld de gevraagde gegevens. De verplichting tot bewaring van de gegevens eindigt na 60 dagen, tenzij de uitvaardigende autoriteit met gebruikmaking van het in bijlage V opgenomen formulier bevestigt dat er een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd. Gedurende die periode van 60 dagen kan de uitvaardigende autoriteit de duur van de verplichting tot bewaring van de gegevens met een extra periode van 30 dagen verlengen door gebruik te maken van het in bijlage VI opgenomen formulier, indien dat noodzakelijk is om een aansluitend verstrekkingsverzoek te kunnen uitvaardigen.
2. Indien de uitvaardigende autoriteit binnen de in lid 1 vastgestelde bewaringstermijn bevestigt dat er een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd, bewaart de geadresseerde de gegevens zolang als nodig is om de gegevens te verstrekken zodra het aansluitende verstrekkingsverzoek is ontvangen.
3. Wanneer de bewaring niet langer noodzakelijk is, stelt de uitvaardigende autoriteit de geadresseerde daarvan onverwijld in kennis en eindigt de bewaringsverplichting op grond van het desbetreffende Europees bewaringsbevel.
4. Indien de geadresseerde, uitsluitend afgaand op de informatie in het CEB, van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het CEB onverenigbaar zou kunnen zijn met voorrechten of immuniteiten of met voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, stelt de geadresseerde de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit hiervan in kennis door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier.
De uitvaardigende autoriteit houdt rekening met de in de eerste alinea bedoelde informatie en beslist op eigen initiatief of op verzoek van de tenuitvoerleggingsautoriteit of het Europees bewaringsbevel moet worden ingetrokken, aangepast of gehandhaafd.
5. Indien de geadresseerde zijn verplichting tot bewaring van de gevraagde gegevens niet kan nakomen omdat het certificaat onvolledig is, kennelijke fouten bevat of niet voldoende informatie bevat voor de uitvoering van het CEB, informeert de geadresseerde de in het CEB bedoelde uitvaardigende autoriteit onverwijld en verzoekt hij om opheldering door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier.
De uitvaardigende autoriteit reageert spoedig, en uiterlijk binnen vijf dagen na ontvangst van het formulier. De geadresseerde zorgt ervoor dat hij de noodzakelijke opheldering of eventuele correcties kan ontvangen van de uitvaardigende autoriteit, zodat hij kan voldoen aan zijn in de leden 1, 2 en 3 uiteengezette verplichtingen. Indien de uitvaardigende autoriteit niet binnen de termijn van vijf dagen reageert, wordt de dienstaanbieder vrijgesteld van de verplichtingen vastgelegd in de leden 1 en 2.
6. Indien de geadresseerde zijn verplichting tot bewaring van de gevraagde gegevens niet kan nakomen vanwege een feitelijke onmogelijkheid die te wijten is aan niet aan de geadresseerde toerekenbare omstandighedengeadresseerde, stelt de geadresseerde de in het CEB genoemde uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld in kennis, met vermelding van de redenen voor deze feitelijke onmogelijkheid, door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier. Indien de uitvaardigende autoriteit concludeert dat er sprake is van een dergelijke onmogelijkheid, deelt zij de geadresseerde mee dat het CEB niet langer hoeft te worden uitgevoerd.
7. In alle gevallen waarin de geadresseerde de gevraagde gegevens om andere dan de in de leden 4, 5 en 6 bedoelde redenen niet bewaart, stelt hij of zij de uitvaardigende autoriteit onverwijld in kennis van die redenen, door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier. De uitvaardigende autoriteit evalueert het Europees bewaringsbevel in het licht van de door de geadresseerde gegeven rechtvaardiging.
Artikel 12
Gronden voor weigering van Europese verstrekkingsbevelen
1. Indien de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van artikel 8 in kennis heeft gesteld, en onverminderd artikel 1, lid 3, beoordeelt de tenuitvoerleggingsautoriteit zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 10 dagen na ontvangst van de kennisgeving of, in noodgevallen, uiterlijk binnen 96 uur na een dergelijke ontvangst, de in het bevel vermelde informatie en voert zij, in voorkomend geval, een of meer van de volgende weigeringsgronden aan:
|
a) |
de gevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten die de uitvoering of tenuitvoerlegging van het bevel verhinderen, of de gevraagde gegevens vallen onder regels inzake de vaststelling of beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid die verband houden met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, die in de weg staan aan de uitvoering of tenuitvoerlegging van het bevel; |
|
b) |
in uitzonderlijke situaties zijn er gegronde redenen om op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal aan te nemen dat de uitvoering van het bevel, in de bijzondere omstandigheden van het geval, een kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld in artikel 6 VEU en in het Handvest zou inhouden; |
|
c) |
de tenuitvoerlegging van het bevel zou in strijd zijn met het ne-bis-in-idembeginsel; |
|
d) |
het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd, is uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar, tenzij het een in bijlage IV bedoeld en door de uitvaardigende autoriteit in het CEV vermeld strafbaar feit betreft, waarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel met een maximum van ten minste drie jaar staat. |
2. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit op grond van lid 1 een weigeringsgrond aanvoert, stelt zij de geadresseerde en de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis. De geadresseerde beëindigt de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel en draagt de gegevens niet over, en de uitvaardigende autoriteit trekt het bevel in.
3. Alvorens te besluiten een weigeringsgrond aan te voeren, neemt de op grond van artikel 8 in kennis gestelde tenuitvoerleggingsautoriteit op eender welke passende wijze contact op met de uitvaardigende autoriteit om te bespreken welke passende maatregelen moeten worden genomen. Op die basis kan de uitvaardigende autoriteit besluiten het Europees verstrekkingsbevel in te trekken. Indien na deze besprekingen geen oplossing wordt gevonden, kan de op grond van artikel 8 in kennis gestelde tenuitvoerleggingsautoriteit besluiten gronden voor weigering van het Europees verstrekkingsbevel aan te voeren en de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde daarvan in kennis stellen.
4. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit besluit op grond van lid 1 weigeringsgronden aan te voeren, kan zij aangeven of zij bezwaar maakt tegen de doorgifte van alle in het Europees verstrekkingsbevel gevraagde gegevens dan wel of de gegevens slechts gedeeltelijk mogen worden doorgegeven of gebruikt onder door de tenuitvoerleggingsautoriteit vastgestelde voorwaarden.
5. Indien een autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat bevoegd is tot opheffing van de immuniteit of het voorrecht overeenkomstig lid 1, punt a), van dit artikel kan de uitvaardigende autoriteit de op grond van artikel 8 in kennis gestelde tenuitvoerleggingsautoriteit verzoeken contact op te nemen met die autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat om haar te vragen die bevoegdheid onverwijld uit te oefenen. Indien een autoriteit van een andere lidstaat, van een derde land of van een internationale organisatie bevoegd is tot opheffing van de immuniteit of het voorrecht, kan de uitvaardigende autoriteit de betrokken autoriteit verzoeken die bevoegdheid uit te oefenen.
Artikel 13
Gebruikersinformatie en vertrouwelijkheid
1. De uitvaardigende autoriteit stelt de persoon van wie gegevens worden gevraagd, onverwijld in kennis van de verstrekking van gegevens op basis van een Europees verstrekkingsbevel.
2. De uitvaardigende autoriteit kan, overeenkomstig het nationale recht van de uitvaardigende staat, de kennisgeving aan de betrokkene wiens gegevens worden gevraagd, uitstellen, beperken of achterwege laten, voor zover en zolang aan de voorwaarden van artikel 13, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/680 is voldaan, in welk geval de uitvaardigende autoriteit in het dossier de redenen vermeldt voor het uitstellen, beperken of achterwege laten. Aan het CEV wordt ook een korte motivering toegevoegd.
3. Wanneer de uitvaardigende autoriteit de persoon wiens gegevens worden gevraagd als bedoeld in lid 1 van dit artikel in kennis stelt, verstrekt zij ook informatie over beschikbare rechtsmiddelen op grond van artikel 18.
4. De geadresseerden en, indien niet dezelfde personen, de dienstaanbieders, nemen de nodige geavanceerde, operationele en technische maatregelen om de vertrouwelijkheid, geheimhouding en integriteit van het CEV of CEB en van de verstrekte of bewaarde gegevens te waarborgen.
Artikel 14
Vergoeding van kosten
1. De dienstaanbieder kan aanspraak maken op vergoeding van zijn of haar kosten door de uitvaardigende staat, indien het nationale recht van de uitvaardigende staat in die mogelijkheid voorziet voor binnenlandse bevelen in soortgelijke omstandigheden, in overeenstemming met het nationale recht van die staat. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun nationale vergoedingsvoorschriften, die vervolgens door de Commissie worden bekendgemaakt.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de vergoeding van kosten van het gedecentraliseerde IT-systeem als bedoeld in artikel 25.
HOOFDSTUK III
SANCTIES EN TENUITVOERLEGGING
Artikel 15
Sancties
1. Zonder afbreuk te doen aan nationale rechtsregels die voorzien in het opleggen van strafrechtelijke sancties, voorzien de lidstaten in regels inzake geldelijke sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de artikelen 10 en 11, en artikel 13, lid 4, overeenkomstig artikel 16, lid 10, en nemen zij alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat zij worden uitgevoerd. De vastgestelde geldelijke sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten zorgen ervoor dat geldelijke sancties kunnen worden opgelegd die maximaal 2 % van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder in het voorgaande boekjaar bedragen. De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onmiddellijk alle latere wijzigingen daarvan mee.
2. Onverminderd hun gegevensbeschermingsverplichtingen worden dienstaanbieders niet aansprakelijk gesteld in de lidstaten voor aan hun gebruikers of derden berokkende schade die uitsluitend voortkomt uit het te goeder trouw naleven van een CEV of een CEB.
Artikel 16
Tenuitvoerleggingsprocedure
1. Indien de geadresseerde een CEV niet binnen de termijn naleeft of een CEB niet naleeft, zonder door de uitvaardigende autoriteit aanvaarde redenen op te geven, en, in voorkomend geval, de tenuitvoerleggende autoriteit geen van de in artikel 12 bedoelde weigeringsgronden heeft aangevoerd, kan de uitvaardigende autoriteit de tenuitvoerleggende autoriteit verzoeken het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel ten uitvoer te leggen.
Met het oog op de tenuitvoerlegging als bedoeld in de eerste alinea geeft de uitvaardigende autoriteit het betrokken bevel, het door de geadresseerde ingevulde formulier van bijlage III en alle relevante documenten door overeenkomstig artikel 19. De uitvaardigende autoriteit vertaalt het betrokken bevel en alle door te sturen documenten in een van de door de tenuitvoerleggingsstaat aanvaarde talen en stelt de geadresseerde in kennis van de overdracht.
2. Na ontvangst gaat de tenuitvoerleggingsautoriteit zonder verdere formaliteiten over tot het erkennen en het nemen van de nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging van:
|
a) |
een Europees verstrekkingsbevel, tenzij de tenuitvoerleggingsautoriteit van oordeel is dat één van de in lid 4 bedoelde gronden van toepassing is, of |
|
b) |
een Europees bewaringsbevel, tenzij de tenuitvoerleggingsautoriteit van oordeel is dat één van de in lid 5 bedoelde gronden van toepassing is. |
De tenuitvoerleggingsautoriteit neemt onverwijld en uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van dat bevel, de beslissing over de erkenning van het betrokken bevel.
3. De tenuitvoerleggingsautoriteit verplicht de geadresseerden formeel hun betrokken verplichtingen na te komen en informeert de geadresseerden over:
|
a) |
de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de uitvoering van het betrokken bevel op basis van een of meer van de in lid 4, punten a) tot en met f), en in lid 5, punten a) tot en met e) vermelde gronden; |
|
b) |
de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving, en |
|
c) |
de termijn voor de naleving van het bevel of het maken van bezwaar. |
4. De tenuitvoerlegging van het Europees verstrekkingsbevel kan alleen worden geweigerd op basis van een of meer van de volgende gronden:
|
a) |
het Europees verstrekkingsbevel is niet uitgevaardigd of bekrachtigd door een uitvaardigende autoriteit als bedoeld in artikel 4; |
|
b) |
het Europees verstrekkingsbevel is niet uitgevaardigd voor een strafbaar feit als bedoeld in artikel 5, lid 4; |
|
c) |
de geadresseerde kon het CEV niet naleven wegens een feitelijke onmogelijkheid of wegens niet aan de geadresseerde toerekenbare omstandigheden, of omdat het CEV kennelijke fouten bevat; |
|
d) |
het Europees verstrekkingsbevel heeft geen betrekking op gegevens die door of namens de dienstaanbieder zijn opgeslagen op het tijdstip van ontvangst van het CEV; |
|
e) |
de geadresseerdedienst valt niet onder deze verordening; |
|
f) |
de gevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten, of de gevraagde gegevens vallen onder regels inzake de vaststelling of beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid die verband houden met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, die in de weg staan aan de uitvoering of tenuitvoerlegging van het Europees verstrekkingsbevel; |
|
g) |
in uitzonderlijke situaties, op basis van enkel de informatie in het CEV, blijkt dat er gegronde redenen zijn om op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal aan te nemen dat de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel, in de bijzondere omstandigheden van het geval, een kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld in artikel 6 VEU en in het Handvest zou inhouden. |
5. De tenuitvoerlegging van het Europees bewaringsbevel kan alleen worden geweigerd op basis van een of meer van de volgende gronden:
|
a) |
het Europees bewaringsbevel is niet uitgevaardigd of bekrachtigd door een uitvaardigende autoriteit als bedoeld in artikel 4; |
|
b) |
de geadresseerde kon het CEB niet naleven wegens een feitelijke onmogelijkheid of wegens niet aan de geadresseerde toerekenbare omstandigheden, of omdat het CEB kennelijke fouten bevat; |
|
c) |
het Europees bewaringsbevel heeft geen betrekking op gegevens die door of namens de dienstaanbieder zijn opgeslagen ten tijde van de ontvangst van het CEB; |
|
d) |
de geadresseerdedienst valt niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening; |
|
e) |
de gevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten, of de gevraagde gegevens vallen onder regels inzake de vaststelling of beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid die verband houden met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, die in de weg staan aan de uitvoering of tenuitvoerlegging van het Europees bewaringsbevel; |
|
f) |
in uitzonderlijke situaties, op basis van enkel de informatie in het CEB, blijkt dat er gegronde redenen zijn om op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal aan te nemen dat de uitvoering van het Europees bewaringsbevel, in de bijzondere omstandigheden van het geval, een kennelijke schending van een relevant grondrecht als bedoeld in artikel 6 VEU en in het Handvest zou inhouden. |
6. In het geval van een bezwaar van de geadresseerde als bedoeld in lid 3, punt a), beslist de tenuitvoerleggingsautoriteit of het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel al dan niet ten uitvoer wordt gelegd op basis van informatie die is verstrekt door de geadresseerde en, zo nodig, aanvullende informatie die overeenkomstig lid 7 is verkregen van de uitvaardigende autoriteit.
7. Alvorens te beslissen het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen overeenkomstig lid 2 respectievelijk lid 6, raadpleegt de tenuitvoerleggingsautoriteit de uitvaardigende autoriteit op eender welke passende wijze. Zo nodig verzoekt zij de uitvaardigende autoriteit om nadere informatie. De uitvaardigende autoriteit beantwoordt een dergelijk verzoek binnen vijf werkdagen.
8. De tenuitvoerleggingsautoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde onmiddellijk in kennis van al haar beslissingen.
9. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit de in het kader van een Europees verstrekkingsbevel gevraagde gegevens van de geadresseerde verkrijgt, geeft zij die gegevens onverwijld door aan de uitvaardigende autoriteit.
10. Indien de geadresseerde niet voldoet aan zijn of haar verplichtingen uit hoofde van een erkend Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel waarvan de uitvoerbaarheid door de tenuitvoerleggingsautoriteit werd bevestigd, legt die autoriteit een geldboete op overeenkomstig artikel 15. Tegen de beslissing tot oplegging van een geldboete is een doeltreffende voorziening in rechte beschikbaar.
HOOFDSTUK IV
TEGENSTRIJDIGE RECHTSPLICHTEN EN RECHTSMIDDELEN
Artikel 17
Toetsingsprocedure in geval van tegenstrijdige verplichtingen
1. Indien een geadresseerde van mening is dat de naleving van een Europees verstrekkingsbevel in strijd zou zijn met een verplichting uit hoofde van het toepasselijke recht van een derde land, stelt hij of zij de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit in kennis van de redenen waarom het Europees verstrekkingsbevel niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 10, leden 8 en 9, uiteengezette procedure, door gebruik te maken van het in bijlage III opgenomen formulier (“het gemotiveerde bezwaar”).
2. Het gemotiveerde bezwaar bevat alle relevante informatie over het recht van het derde land, over de toepasselijkheid ervan op de betrokken zaak en over de aard van de tegenstrijdige verplichting. Het gemotiveerde bezwaar is niet gebaseerd op:
|
a) |
het feit dat er in het toepasselijke recht van het derde land geen vergelijkbare bepalingen bestaan betreffende de voorwaarden, formaliteiten en procedures voor het uitvaardigen van een verstrekkingsbevel, of |
|
b) |
het enkele feit dat de gegevens in een derde land zijn opgeslagen. |
Het gemotiveerde bezwaar wordt ingediend uiterlijk 10 dagen na de datum waarop de geadresseerde het CEV heeft ontvangen.
3. De uitvaardigende autoriteit toetst het Europees verstrekkingsbevel aan de hand van het gemotiveerde bezwaar en elke inbreng van de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de uitvaardigende autoriteit voornemens is het Europees verstrekkingsbevel in stand te houden, verzoekt zij de bevoegde rechtbank van de uitvaardigende staat om een toetsing. De uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel wordt opgeschort in afwachting van de voltooiing van de toetsingsprocedure.
4. De bevoegde rechtbank gaat eerst na of er sprake is van tegenstrijdige verplichtingen, op basis van een onderzoek van de vraag of:
|
a) |
het recht van het derde land van toepassing is op basis van de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak, en |
|
b) |
het recht van het derde land, indien van toepassing als bedoeld in punt a), openbaarmaking van de betrokken gegevens verbiedt wanneer het op de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak wordt toegepast. |
5. Indien de bevoegde rechtbank vaststelt dat er geen sprake is van relevante tegenstrijdige verplichtingen in de zin van de leden 1 en 4, houdt zij het Europees verstrekkingsbevel in stand.
6. Indien de bevoegde rechtbank, op basis van het onderzoek op grond van lid 4, punt b), vaststelt dat het recht van het derde land openbaarmaking van de betrokken gegevens verbiedt, bepaalt de bevoegde rechtbank of het Europees verstrekkingsbevel in stand wordt gehouden of wordt ingetrokken. Die beoordeling wordt met name gebaseerd op de volgende factoren, waarbij aan de in de punten a) en b) genoemde factoren bijzonder gewicht wordt gegeven:
|
a) |
het belang dat wordt beschermd door het relevante recht van het derde land, met inbegrip van grondrechten alsmede andere fundamentele belangen bij niet-openbaarmaking van de gegevens, met name nationale veiligheidsbelangen van het derde land; |
|
b) |
de mate van verbondenheid tussen de strafzaak waarvoor het Europees verstrekkingsbevel werd uitgevaardigd en één van beide rechtsgebieden, zoals onder meer blijkt uit:
|
|
c) |
de mate van verbondenheid tussen de dienstaanbieder en het betrokken derde land; in dit verband volstaat de locatie waar de gegevens zijn opgeslagen alleen niet om een wezenlijke mate van verbondenheid aan te tonen; |
|
d) |
de belangen van de staat waar het onderzoek wordt gevoerd bij het verkrijgen van het betrokken bewijsmateriaal, op basis van de ernst van het strafbaar feit en het belang van een spoedige bewijsverkrijging; |
|
e) |
de mogelijke gevolgen voor de geadresseerde of voor de dienstaanbieder van het naleven van het Europees verstrekkingsbevel, met inbegrip van de potentiële sancties. |
7. De bevoegde rechtbank kan, rekening houdend met Richtlijn (EU) 2016/680, en met name hoofdstuk V daarvan, de bevoegde autoriteit van het derde land om informatie verzoeken, voor zover dat verzoek de betrokken strafrechtelijke procedure niet belemmert. De uitvaardigende staat vraagt met name om informatie aan de bevoegde autoriteit van het derde land wanneer de tegenstrijdige verplichtingen betrekking hebben op grondrechten of andere fundamentele belangen van het derde land die verband houden met de nationale veiligheid en defensie.
8. Indien de bevoegde rechtbank beslist het Europees verstrekkingsbevel in te trekken, stelt zij de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde daarvan in kennis. Indien de bevoegde rechtbank oordeelt dat het Europees verstrekkingsbevel in stand moet worden gehouden, stelt zij de uitvaardigende autoriteit en de geadresseerde daarvan in kennis, waarna die geadresseerde tot de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel overgaat.
9. Voor de toepassing van de procedures uit hoofde van dit artikel worden de termijnen berekend overeenkomstig het nationale recht van de uitvaardigende autoriteit.
10. De uitvaardigende autoriteit stelt de tenuitvoerleggingsautoriteit in kennis van de uitkomst van de toetsingsprocedure.
Artikel 18
Doeltreffende rechtsmiddelen
1. Onverminderd nadere rechtsmiddelen die krachtens het nationaal recht beschikbaar zijn, heeft iedere persoon wiens gegevens via een Europees verstrekkingsbevel werden gevraagd het recht op doeltreffende rechtsmiddelen tegen dat bevel. Indien die persoon een verdachte of beklaagd is, heeft die persoon het recht op doeltreffende rechtsmiddelen tijdens de strafprocedure waarin de gegevens worden gebruikt. Het in dit lid bedoelde recht op doeltreffende rechtsmiddelen doet geen afbreuk aan het recht om rechtsmiddelen in te stellen uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680.
2. Het recht op doeltreffende rechtsmiddelen wordt uitgeoefend voor een rechtbank in de uitvaardigende staat overeenkomstig het nationale recht van die staat en omvat de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de maatregel te betwisten, met inbegrip van de noodzaak en de evenredigheid daarvan, onverminderd de grondrechtelijke waarborgen in de tenuitvoerleggingsstaat.
3. Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, wordt tijdig informatie verstrekt over de mogelijkheden uit hoofde van het nationale recht om rechtsmiddelen in te stellen en wordt ervoor gezorgd dat deze doeltreffend kunnen worden ingezet.
4. Dezelfde termijnen of andere voorwaarden als gelden voor het instellen van rechtsmiddelen in soortgelijke binnenlandse zaken zijn gelden voor de toepassing van deze verordening en wel zodanig dat de betrokkenen hun recht op die rechtsmiddelen doeltreffend kunnen uitoefenen.
5. Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de uitvaardigende staat en elke andere lidstaat waaraan elektronisch bewijsmateriaal uit hoofde van deze verordening is toegezonden ervoor dat bij het beoordelen van het door middel van het Europees verstrekkingsbevel verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures worden geëerbiedigd.
HOOFDSTUK V
GEDECENTRALISEERD IT-SYSTEEM
Artikel 19
Veilige digitale communicatie en gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten en dienstaanbieders en tussen bevoegde autoriteiten
1. De schriftelijke communicatie tussen de bevoegde autoriteiten en de uit hoofde van deze verordening aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers, met inbegrip van de uitwisseling van de in deze verordening vastgestelde formulieren en de uit hoofde van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel gevraagde gegevens, geschiedt via een beveiligd en betrouwbaar gedecentraliseerd IT-systeem (“het gedecentraliseerde IT-systeem”).
2. Elke lidstaat zorgt ervoor dat de aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers van in die lidstaat gevestigde dienstaanbieders via hun respectieve nationale IT-systeem toegang krijgen tot het gedecentraliseerde IT-systeem.
3. Dienstaanbieders zorgen ervoor dat hun aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers het gedecentraliseerde IT-systeem via het respectieve nationale IT-systeem kunnen gebruiken om CEV’s en CEB’s te ontvangen, de gevraagde gegevens aan de uitvaardigende autoriteit toe te zenden en op enige andere wijze te communiceren met de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit, zoals bepaald in deze verordening.
4. De schriftelijke communicatie tussen de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze verordening, met inbegrip van de uitwisseling van formulieren in de zin van deze verordening, en van de krachtens de in artikel 16 bedoelde handhavingsprocedure gevraagde gegevens, alsmede schriftelijke communicatie met de bevoegde agentschappen of organen van de Unie, geschiedt via het gedecentraliseerde IT-systeem.
5. Wanneer communicatie via het gedecentraliseerde IT-systeem overeenkomstig lid 1 of lid 4 niet mogelijk is als gevolg van bijvoorbeeld de verstoring van het gedecentraliseerde IT-systeem, de aard van het verzonden materiaal, technische beperkingen, zoals de omvang van de gegevens, juridische beperkingen die verband houden met de toelaatbaarheid als bewijs van de gevraagde gegevens of de forensische vereisten die op de gevraagde gegevens van toepassing zijn, of uitzonderlijke omstandigheden, vindt de doorgifte plaats met de meest geschikte alternatieve middelen, rekening houdend met de noodzaak om informatie-uitwisseling te waarborgen die snel, veilig en betrouwbaar is en die het voor de ontvanger mogelijk maakt de echtheid van die informatie vast te stellen.
6. Indien een transmissie plaatsvindt met alternatieve middelen als bedoeld in lid 5, registreert de verzender onverwijld de doorgifte, met inbegrip van, in voorkomend geval, de datum en het tijdstip van doorgifte, de afzender en de ontvanger, de naam van het bestand en de omvang ervan in het gedecentraliseerde IT-systeem.
Artikel 20
Rechtsgevolgen van elektronische documenten
Documenten die worden verzonden in het kader van elektronische communicatie worden hun rechtsgevolgen niet ontzegd en worden niet beschouwd als ontoelaatbaar bij grensoverschrijdende gerechtelijke procedures uit hoofde van deze verordening louter op grond van het feit dat zij in elektronische vorm zijn.
Artikel 21
Elektronische handtekeningen en zegels
1. Het in Verordening (EU) nr. 910/2014 uiteengezette algemene rechtskader voor het gebruik van vertrouwensdiensten is van toepassing op onder deze verordening vallende elektronische communicatie.
2. Wanneer voor een overeenkomstig artikel 19, lid 1 of lid 4, van deze verordening in het kader van de elektronische communicatie verzonden document een zegel of handtekening vereist is krachtens deze verordening, bevat het document een gekwalificeerd elektronisch zegel of een gekwalificeerde elektronische handtekening zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 910/2014.
Artikel 22
Referentie-implementatiesoftware
1. De Commissie is verantwoordelijk voor het creëren, onderhouden en ontwikkelen van referentie-implementatiesoftware die de lidstaten eventueel in plaats van een nationaal IT-systeem als back-endsysteem wensen te gebruiken. Het creëren, onderhouden en ontwikkelen van de referentie-implementatiesoftware wordt gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie.
2. De Commissie verstrekt, onderhoudt en ondersteunt de referentie-implementatiesoftware kosteloos.
Artikel 23
Kosten van het gedecentraliseerde IT-systeem
1. Elke lidstaat draagt de kosten voor de installatie, de exploitatie en het onderhoud van de toegangspunten van het gedecentraliseerde IT-systeem waarvoor die lidstaat verantwoordelijk is.
2. Elke lidstaat draagt de kosten in verband met het zodanig invoeren en aanpassen van zijn nationale IT-systemen dat deze interoperabel zijn met de toegangspunten, en draagt de kosten van het beheer, de exploitatie en het onderhoud van die systemen.
3. De agentschappen en organen van de Unie dragen de kosten van de installatie, de exploitatie en het onderhoud van de onderdelen van het gedecentraliseerde IT-systeem die onder hun verantwoordelijkheid vallen.
4. De agentschappen en organen van de Unie dragen de kosten in verband met het zodanig invoeren en aanpassen van hun casemanagementsystemen dat deze interoperabel zijn met de toegangspunten, en dragen de kosten van het beheer, de exploitatie en het onderhoud van die systemen.
5. Dienstaanbieders dragen alle kosten die nodig zijn om het gedecentraliseerde IT-systeem met succes te integreren of anderszins daarmee te communiceren.
Artikel 24
Overgangsperiode
Voordat de verplichting tot schriftelijke communicatie via het in artikel 19 bedoelde gedecentraliseerde IT-systeem van toepassing wordt (“overgangsperiode”), vindt de schriftelijke communicatie tussen de bevoegde autoriteiten en aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers krachtens deze verordening plaats met de meest geschikte alternatieve middelen, rekening houdend met de noodzaak om een snelle, veilige en betrouwbare informatie-uitwisseling te waarborgen. Wanneer dienstaanbieders, lidstaten, agentschappen of organen van de Unie speciale platforms of andere beveiligde kanalen hebben ingesteld voor het afhandelen van verzoeken om gegevens van rechtshandhavingsautoriteiten en rechterlijke autoriteiten, kunnen de uitvaardigende autoriteiten er ook voor opteren om tijdens de overgangsperiode via die kanalen een CEV of CEB door te geven aan aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers.
Artikel 25
Uitvoeringshandelingen
1. Voor de toepassing van deze verordening stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast die nodig zijn voor de instelling en het gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem, waarbij het volgende wordt geregeld:
|
a) |
de technische specificaties ter bepaling van de elektronische-communicatiemethoden voor de doeleinden van het gedecentraliseerde IT-systeem; |
|
b) |
de technische specificaties voor communicatieprotocollen; |
|
c) |
de doelstellingen inzake informatiebeveiliging en relevante technische maatregelen ter waarborging van minimumnormen voor informatiebeveiliging en een hoog niveau van cyberbeveiliging voor het verwerken en verstrekken van informatie binnen het gedecentraliseerde IT-systeem; |
|
d) |
de minimumbeschikbaarheidsdoelstellingen en mogelijke daarmee verband houdende technische vereisten voor de door het gedecentraliseerde IT-systeem verstrekte diensten. |
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 26 bedoelde onderzoeksprocedure.
3. De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 18 augustus 2025 vastgesteld.
Artikel 26
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN
Artikel 27
Talen
Elke lidstaat kan te allen tijde besluiten, naast zijn officiële taal of talen, vertalingen van CEV’s of CEB’s in een of meer officiële talen van de Unie te aanvaarden, en vermeldt dat besluit in een schriftelijke verklaring die bij de Commissie wordt ingediend. De Commissie stelt de mededelingen ter beschikking van alle lidstaten en van het Europees justitieel netwerk.
Artikel 28
Monitoring en rapportage
1. Uiterlijk op 18 augustus 2026 stelt de Commissie een gedetailleerd programma vast voor de monitoring van de outputs, resultaten en effecten van deze verordening. In het monitoringprogramma wordt vermeld met welke middelen en op welke tijdstippen gegevens zullen worden verzameld. In het programma wordt tevens aangegeven welke actie de Commissie en de lidstaten moeten ondernemen om de gegevens te verzamelen en te analyseren.
2. In ieder geval stellen de lidstaten met ingang van 18 augustus 2026 uitgebreide statistieken op van bij de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens, die zij bijhouden. Elk jaar worden de verzamelde gegevens over het voorgaande kalenderjaar uiterlijk op 31 maart aan de Commissie toegezonden, waarbij deze omvatten:
|
a) |
het aantal uitgevaardigde CEV’s en CEB’s, per categorie gevraagde gegevens, de geadresseerden en de situatie (noodgeval of niet); |
|
b) |
het aantal CEV’s dat is uitgevaardigd op grond van afwijkingen voor noodgevallen; |
|
c) |
het aantal uitgevoerde en niet-uitgevoerde CEV’s en CEB’s, per categorie gevraagde gegevens, de geadresseerden en de situatie (noodgeval of niet); |
|
d) |
het aantal kennisgevingen aan tenuitvoerleggende autoriteiten op grond van artikel 8, en het aantal CEV’s waarvan de tenuitvoerlegging is geweigerd, per categorie gevraagde gegevens, de geadresseerden, de situatie (noodgeval of niet) en de aangevoerde weigeringsgrond; |
|
e) |
voor uitgevoerde CEV’s, de gemiddelde periode tussen het moment van uitvaardiging van het CEV en het moment van verkrijging van de gevraagde gegevens, per categorie gevraagde gegevens, de geadresseerden en de situatie (noodgeval of niet); |
|
f) |
voor uitgevoerde CEB’s, de gemiddelde periode tussen het moment van uitvaardiging van het CEB en het moment van uitvaardiging van het aansluitende verstrekkingsverzoek, per categorie gevraagde gegevens, en de geadresseerden; |
|
g) |
het aantal voor tenuitvoerlegging aan een tenuitvoerleggingsstaat doorgegeven en ontvangen Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen, per categorie gevraagde gegevens, de geadresseerden en de situatie (noodgeval of niet) en het aantal van dergelijke bevelen dat is uitgevoerd; |
|
h) |
het aantal rechtsmiddelen dat is gebruikt tegen Europese verstrekkingsbevelen in de uitvaardigende staat en in de tenuitvoerleggingsstaat per categorie gevraagde gegevens; |
|
i) |
het aantal gevallen waarin geen bekrachtiging achteraf overeenkomstig artikel 4, lid 5, is verleend; |
|
j) |
een overzicht van de door dienstaanbieders in verband met de uitvoering van CEV’s of het CEB’s gedeclareerde kosten en de door de uitvaardigende autoriteiten vergoede kosten. |
3. Met ingang van 18 augustus 2026 kunnen nationale portalen de in lid 2 van dit artikel bedoelde statistieken voor de uitwisseling van gegevens via het gedecentraliseerde IT-systeem op grond van artikel 19, lid 1, programmatisch verzamelen. De in artikel 22 bedoelde referentie-implementatiesoftware is technisch uitgerust om voor een dergelijke functionaliteit te zorgen.
4. Dienstaanbieders kunnen statistieken verzamelen, bijhouden en publiceren in overeenstemming met de bestaande gegevensbeschermingsbeginselen. Indien dergelijke statistieken over het voorgaande kalenderjaar worden verzameld, kunnen zij uiterlijk op 31 maart aan de Commissie worden toegezonden en kunnen zij, voor zover mogelijk, het volgende omvatten:
|
a) |
het aantal ontvangen CEV’s en CEB’s, per categorie gevraagde gegevens, de uitvaardigende staat en de situatie (noodgeval of niet); |
|
b) |
het aantal uitgevoerde en niet-uitgevoerde CEV’s en CEB’s, per categorie gevraagde gegevens, de uitvaardigende staat en de situatie (noodgeval of niet); |
|
c) |
voor uitgevoerde CEV’s, de gemiddelde periode tussen de verstrekking van de gevraagde gegevens en het moment van uitvaardiging van het CEV, per categorie gevraagde gegevens, de uitvaardigende staat en de situatie (noodgeval of niet); |
|
d) |
voor uitgevoerde CEB’s, de gemiddelde periode tussen het moment van uitvaardiging van het CEB en het moment van uitvaardiging van het aansluitende verstrekkingsverzoek, per categorie gevraagde gegevens, en de uitvaardigende staat. |
5. Met ingang van 18 augustus 2027 publiceert de Commissie jaarlijks uiterlijk op 30 juni een verslag waarin de in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens in gebundelde vorm en onderverdeeld naar lidstaat en soort dienstaanbieder zijn opgenomen.
Artikel 29
Wijzigingen van de certificaten en de formulieren
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van de bijlagen I, II, III, V en VI teneinde doeltreffend te voorzien in een eventuele behoefte aan verbetering van de inhoud van de formulieren voor een CEV en een CEB en van de formulieren die moeten worden gebruikt om informatie te verstrekken over de onmogelijkheid om het CEV of CEB uit te voeren, om de uitvaardiging van verstrekkingsverzoeken na een Europees bewaringsbevel te bevestigen en om de bewaringstermijn van elektronisch bewijsmateriaal te verlengen.
Artikel 30
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 29 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 18 augustus 2026.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 29 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 29 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 31
Kennisgevingen aan de Commissie
1. Uiterlijk op 18 augustus 2025 verstrekt elke lidstaat de Commissie de volgende gegevens:
|
a) |
de autoriteit of autoriteiten die, overeenkomstig hun nationale recht, overeenkomstig artikel 4 bevoegd zijn om Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen, of de kennisgevingen daarvan, uit te vaardigen, te bekrachtigen of door te geven; |
|
b) |
de autoriteit of autoriteiten die bevoegd zijn om kennisgevingen op grond van artikel 8 te ontvangen en om Europese verstrekkingsbevelen en Europese bewaringsbevelen namens een andere lidstaat ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 16; |
|
c) |
de autoriteit of autoriteiten die bevoegd zijn om gemotiveerde bezwaren van geadresseerden te behandelen overeenkomstig artikel 17; |
|
d) |
de talen die overeenkomstig artikel 27 in geval van tenuitvoerlegging worden aanvaard voor de kennisgeving en doorgifte van een CEV, een CEB, een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel. |
2. De Commissie maakt de uit hoofde van dit artikel ontvangen informatie publiek beschikbaar, hetzij op een speciale website, hetzij op de website van het Europees justitieel netwerk voor strafzaken als bedoeld in artikel 9 van Besluit 2008/976/JBZ van de Raad (33).
Artikel 32
Verband met andere instrumenten, overeenkomsten en regelingen
1. Deze verordening doet geen afbreuk aan Unie- of andere internationale instrumenten, overeenkomsten en regelingen betreffende het vergaren van bewijsmateriaal dat binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.
2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 18 augustus 2026 in kennis van de in lid 1 bedoelde bestaande instrumenten, overeenkomsten en regelingen die zij zullen blijven toepassen. De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van nieuwe overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 1, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.
Artikel 33
Evaluatie
Uiterlijk op 18 augustus 2029 voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening. De Commissie zendt het evaluatieverslag toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten. Dat evaluatieverslag bevat een beoordeling van de toepassing van deze verordening, van de bereikte resultaten met betrekking tot de doelstellingen ervan, alsook een beoordeling van de gevolgen van deze verordening voor de grondrechten. De evaluatie wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie. De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die nodig is voor de opstelling van het evaluatieverslag.
Artikel 34
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Zij is van toepassing met ingang van 18 augustus 2026.
De verplichting voor bevoegde autoriteiten en dienstaanbieders om voor schriftelijke communicatie in het kader van deze verordening gebruik te maken van het uit hoofde van artikel 19 ingestelde gedecentraliseerde IT-systeem, wordt echter één jaar na de vaststelling van de in artikel 25 bedoelde uitvoeringshandelingen van kracht.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Straatsburg, 12 juli 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
P. NAVARRO RÍOS
(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 88.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 13 juni 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 juni 2023.
(3) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 29.
(4) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(5) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(6) Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).
(7) Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3).
(8) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).
(9) Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1).
(10) Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1).
(11) Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1).
(12) Richtlijn 2016/343/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1).
(13) Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1).
(14) Richtlijn 2016/1919/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).
(15) Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36).
(16) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
(17) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).
(18) Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2018 inzake de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op grond van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2006/2004 en (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 60 I van 2.3.2018, blz. 1).
(19) Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).
(20) Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).
(21) Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).
(22) Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42).
(23) Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (zie bladzijde 181 van dit Publicatieblad).
(24) Verordening (EU) 2022/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een geautomatiseerd systeem voor de grensoverschrijdende elektronische gegevensuitwisseling op het gebied van justitiële samenwerking in civiele en strafzaken (e-Codex), en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1726 (PB L 150 van 1.6.2022, blz. 1).
(25) Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(26) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(27) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(28) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(29) PB C 32 van 31.1.2020, blz. 11.
(30) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(31) Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8).
(32) Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 18).
(33) Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130).
BIJLAGE I
CERTIFICAAT INZAKE HET EUROPEES VERSTREKKINGSBEVEL (CEV) VOOR DE VERSTREKKING VAN ELEKTRONISCH BEWIJSMATERIAAL
|
Uit hoofde van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet de geadresseerde van het certificaat inzake het Europees verstrekkingsbevel (CEV) het CEV uitvoeren en de gevraagde gegevens met inachtneming van de in afdeling C van dit CEV vermelde termijn(en) doorgeven aan de in punt a) van afdeling L van dit CEV vermelde autoriteit. In alle gevallen moet de geadresseerde, na ontvangst van het CEV, spoedig handelen om de gevraagde gegevens te bewaren, tenzij de informatie in het CEV het niet mogelijk maakt om die gegevens vast te stellen. De gegevens moeten in bewaring worden gehouden totdat ze worden verstrekt of totdat de uitvaardigende autoriteit of, indien van toepassing, de tenuitvoerleggingsautoriteit meedeelt dat het niet langer nodig is de gegevens te bewaren en te verstrekken. De geadresseerde moet de nodige maatregelen nemen om de vertrouwelijkheid, geheimhouding en integriteit van het CEV en van de verstrekte of bewaarde gegevens te waarborgen. |
|
AFDELING A: Uitvaardigende/bekrachtigende autoriteit Uitvaardigende staat:… Uitvaardigende autoriteit:… Bekrachtigende autoriteit (indien van toepassing):… NB: Nadere gegevens over de uitvaardigende en de bekrachtigende autoriteit moeten onderaan worden vermeld (afdelingen I en J)… Dossiernummer van de uitvaardigende autoriteit:… Dossiernummer van de bekrachtigende autoriteit:… |
|
AFDELING B: Geadresseerde Geadresseerde:…
Adres:… Tel./Fax/E-mail (indien bekend):… Contactpersoon (indien bekend):… Dossiernummer van de geadresseerde (indien bekend):… Betrokken dienstaanbieder (indien verschillend van de geadresseerde):… Andere relevante informatie:… |
|
AFDELING C: Termijnen (kruis het juiste vakje aan en vul zo nodig aan) Na ontvangst van het CEV moeten de gevraagde gegevens worden verstrekt:
Geef aan of er procedurele of andere termijnen in aanmerking moeten worden genomen voor de uitvoering van dit CEV:… Vermeld in voorkomend geval aanvullende informatie:… |
|
AFDELING D: Verband met een eerder verstrekkings-/bewaringsverzoek (kruis aan en vul aan indien van toepassing en bekend)
dat werd uitgevaardigd door … (vermeld de autoriteit en het dossiernummer) op … (vermeld de datum van uitvaardiging van het verzoek) en doorgegeven op … (vermeld de datum van doorgifte van het verzoek) aan … (vermeld de dienstaanbieder/wettelijke vertegenwoordiger/aangewezen vestiging/bevoegde autoriteit waaraan het verzoek werd doorgegeven en, indien bekend, het door de geadresseerde gegeven dossiernummer).
dat werd uitgevaardigd door … (vermeld de autoriteit en het dossiernummer) op … (vermeld de datum van uitvaardiging van het verzoek) en doorgegeven op … (vermeld de datum van doorgifte van het verzoek) aan … (vermeld de dienstaanbieder/wettelijke vertegenwoordiger/aangewezen vestiging/bevoegde autoriteit waaraan het werd doorgegeven en, indien bekend, het door de geadresseerde gegeven dossiernummer). Andere relevante informatie:… |
|
AFDELING E: Informatie ter ondersteuning van de identificatie van de gevraagde gegevens (vul aan voor zover deze informatie bekend is en noodzakelijk is om vast te stellen om welke gegevens het gaat) IP-adres(sen) en tijdstempels (incl. datum en tijdzone):… Tel.:… E-mailadres(sen):… IMEI-nummer(s):… MAC-adres(sen):… De gebruiker(s) of andere unieke identificator(en) zoals na(a)m(en), login-ID(’s) of na(a)m(en) van de rekening:… Na(a)m(en) van de betrokken dienst(en):… Overig:… Indien van toepassing, de tijdspanne van de gegevens waarvoor verstrekking wordt gevraagd: ……………………………………………………………………………………………………
|
|
AFDELING F: Te verstrekken elektronisch bewijs Dit CEV betreft (kruis de relevante vakje(s) aan):
|
|
AFDELING G: Informatie over de onderliggende omstandigheden
|
|
AFDELING H: Informatie voor de gebruiker De geadresseerde onthoudt zich er in ieder geval van de persoon wiens gegevens worden gevraagd, daarvan in kennis te stellen. Het is de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende autoriteit om die persoon onverwijld in kennis te stellen van de verstrekking. Merk op dat (aankruisen wat van toepassing is):
|
|
AFDELING I: Nadere gegevens over de uitvaardigende autoriteit Soort uitvaardigende autoriteit (kruis toepasselijke vakje(s) aan):
Indien bekrachtiging nodig is, gelieve ook afdeling J in te vullen. Merk op dat (aankruisen indien van toepassing):
Nadere gegevens over de uitvaardigende autoriteit, haar vertegenwoordiger of beide die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEV bevestigt: Naam van de autoriteit:… Naam van haar vertegenwoordiger:… Functie (titel/graad):… Dossiernummer:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Gesproken taal (talen):… Indien anders dan hierboven, autoriteit/contactpunt (bv. centrale autoriteit) waaraan eventuele vragen over de uitvoering van het CEV kunnen worden gericht: Naam autoriteit/contactpunt:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Handtekening van de uitvaardigende autoriteit of haar vertegenwoordiger die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEV bevestigt: Datum:… Handtekening (10):… |
|
AFDELING J: Nadere gegevens over de bekrachtigende autoriteit (vul aan indien van toepassing) Soort bekrachtigende autoriteit:
Nadere gegevens over de bekrachtigende autoriteit, haar vertegenwoordiger of beide die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEV bevestigt: Naam van de autoriteit:… Naam van haar vertegenwoordiger:… Functie (titel/graad):… Dossiernummer:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Gesproken taal (talen):… Datum:… Handtekening (11):… |
|
AFDELING K: Kennisgeving en nadere gegevens over de tenuitvoerleggingsautoriteit die in kennis wordt gesteld (indien van toepassing)
Gelieve de contactgegevens te verstrekken van de in kennis gestelde tenuitvoerleggingsautoriteit (indien beschikbaar): Naam van de tenuitvoerleggingsautoriteit:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… |
|
AFDELING L: Overdracht van gegevens
|
|
AFDELING M: Verdere informatie die moet worden opgenomen (niet toe te zenden aan de geadresseerde — te verstrekken aan de tenuitvoerleggingsautoriteit indien kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit vereist is) Een motivering van de vaststelling dat het Europees bewaringsbevel voldoet aan de voorwaarden van de noodzaak en evenredigheid: …………………………………………………………………………………………………… Een korte beschrijving van de zaak: ……………………………………………………………………………………………… Wordt het strafbaar feit waarvoor het Europees verstrekkingsbevel wordt uitgevaardigd in de uitvaardigende staat bestraft met een vrijheidsstraf of een aanhoudingsbevel met een maximum van ten minste drie jaar en is het strafbaar feit opgenomen in onderstaande lijst van strafbare feiten (kruis toepasselijke vakje(s) aan)?
Voeg in voorkomend geval alle aanvullende informatie toe die de tenuitvoerleggingsautoriteit nodig kan hebben om na te gaan of er redenen voor weigering kunnen worden aangevoerd: …… |
(1) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 118).
(2) Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 181).
(3) Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).
(4) Voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of aanhoudingsbevel voor verkeersgegevens die niet uitsluitend vereist zijn met het oog op de identificatie van de gebruiker of inhoudelijke gegevens, gelieve onder de punten b) en c) te vermelden voor welk strafbaar feit de straf is opgelegd.
(5) Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 18).
(6) Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).
(7) Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8).
(8) Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).
(9) De uitvaardigende autoriteit moet de redenen voor de vertraging in het dossier vermelden; in het CEV hoeft slechts een korte motivering te worden toegevoegd.
(10) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
(11) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
(12) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
BIJLAGE II
CERTIFICAAT INZAKE HET EUROPEES BEWARINGSBEVEL (CEB) VOOR DE BEWARING VAN ELEKTRONISCH BEWIJSMATERIAAL
|
Uit hoofde van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet de geadresseerde van het certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB) na ontvangst van het CEB onverwijld de gevraagde gegevens bewaren. De bewaring moet worden beëindigd na 60 dagen, tenzij de termijn door de uitvaardigende autoriteit met nog eens 30 dagen wordt verlengd of de uitvaardigende autoriteit bevestigt dat een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd. Indien de uitvaardigende autoriteit binnen de genoemde termijnen bevestigt dat een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd, dient de geadresseerde de gegevens zolang te bewaren als nodig is om de gegevens te verstrekken zodra het latere verzoek is ontvangen. De geadresseerde moet de nodige maatregelen nemen om de vertrouwelijkheid, geheimhouding en integriteit van het CEB en van de verstrekte of bewaarde gegevens te waarborgen. |
|
AFDELING A: Uitvaardigende/bekrachtigende autoriteit: Uitvaardigende staat:… Uitvaardigende autoriteit:… Bekrachtigende autoriteit (indien van toepassing):… NB: Nadere gegevens over de uitvaardigende en de bekrachtigende autoriteit moeten onderaan worden vermeld (afdelingen F en G) Dossiernummer van de uitvaardigende autoriteit:… Dossiernummer van de bekrachtigende autoriteit:… |
|
AFDELING B: Geadresseerde Geadresseerde:…
Adres:… Tel./Fax/E-mail (indien bekend):… Contactpersoon (indien bekend):… Dossiernummer van de geadresseerde (indien bekend):… Betrokken dienstaanbieder (indien verschillend van de geadresseerde):… Andere relevante informatie:… |
|
AFDELING C: Informatie ter ondersteuning van de identificatie van de te bewaren gegevens (vul aan voor zover deze informatie bekend is en noodzakelijk om vast te stellen om welke gegevens het gaat)
|
|
AFDELING D: Te bewaren elektronisch bewijsmateriaal Dit CEB betreft (kruis relevante vakje(s) aan):
|
|
AFDELING E: Informatie over de onderliggende omstandigheden
|
|
AFDELING F: Nadere gegevens over de uitvaardigende autoriteit Soort uitvaardigende autoriteit (kruis toepasselijke vakje(s) aan):
Dit noodgeval betreft een onmiddellijke bedreiging voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon dan wel een onmiddellijke bedreiging voor een kritieke infrastructuur zoals gedefinieerd in artikel 2, punt a), van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (4), wanneer de verstoring of vernietiging van die kritieke infrastructuur een onmiddellijke bedreiging zou vormen voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon, onder meer door ernstige schade aan de levering van basisvoorzieningen aan de bevolking of aan de uitoefening van de kerntaken van de staat. Nadere gegevens over de uitvaardigende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEB bevestigt: Naam van de autoriteit:… Naam van haar vertegenwoordiger:… Functie (titel/graad):… Dossiernummer:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Gesproken taal (talen):… Indien anders dan hierboven, autoriteit/contactpunt (bv. centrale autoriteit) waaraan eventuele vragen over de uitvoering van het CEB kunnen worden gericht: Naam autoriteit/contactpunt:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Handtekening van de uitvaardigende autoriteit of haar vertegenwoordiger die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEB bevestigt: Datum:… Handtekening (5):… |
|
AFDELING G: Nadere gegevens over de bekrachtigende autoriteit (vul aan indien van toepassing) Soort bekrachtigende autoriteit:
Nadere gegevens over de uitvaardigende autoriteit of haar vertegenwoordiger, of beiden, die de nauwkeurigheid en juistheid van de inhoud van het CEB bevestigt of bevestigen: Naam van de autoriteit:… Naam van haar vertegenwoordiger:… Functie (titel/graad):… Dossiernummer:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Gesproken taal (talen):… Datum:… Handtekening (6):… |
(1) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 118).
(2) Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 181).
(3) Voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of aanhoudingsbevel, gelieve te vermelden voor welk strafbaar feit de straf is opgelegd.
(4) Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).
(5) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
(6) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
BIJLAGE III
INFORMATIE OVER DE ONMOGELIJKHEID OM EEN CEV/CEB UIT TE VOEREN
|
Uit hoofde van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet de geadresseerde, in gevallen waarin hij niet kan voldoen aan zijn of haar verplichting om de gevraagde gegevens uit hoofde van een CEB te bewaren of uit hoofde van een CEV te verstrekken, de vermelde termijn niet kan eerbiedigen of niet alle gegevens verstrekt, dit formulier onverwijld invullen en terugzenden aan de uitvaardigende autoriteit, alsmede, indien een kennisgeving heeft plaatsgehad en in andere toepasselijke gevallen, aan de in het CEV genoemde tenuitvoerleggingsautoriteit. Indien mogelijk bewaart de geadresseerde de gevraagde gegevens, zelfs indien aanvullende informatie nodig is om precies te bepalen om welke gegevens het gaat, tenzij de informatie in het CEV/CEB daarvoor niet volstaat. Indien verduidelijkingen door de uitvaardigende autoriteit nodig zijn, verzoekt de geadresseerde hier onverwijld om met gebruikmaking van dit formulier. |
|
AFDELING A: Betrokken certificaat De volgende informatie heeft betrekking op:
|
|
AFDELING B: Betrokken autoriteit(en) Uitvaardigende autoriteit:… Dossiernummer van de uitvaardigende autoriteit:… Indien van toepassing, bekrachtigende autoriteit:… Indien van toepassing, dossiernummer van de bekrachtigende autoriteit:… Datum van uitvaardiging van het CEV/CEB:… Datum van ontvangst van het CEV/CEB:… Indien van toepassing, tenuitvoerleggingsautoriteit:… Indien beschikbaar, dossiernummer van de tenuitvoerleggingsautoriteit:… |
|
AFDELING C: Geadresseerde van het CEV/CEB Geadresseerde van het CEV/CEB:… Dossiernummer van de geadresseerde:… |
|
AFDELING D: Redenen voor niet-uitvoering
|
|
AFDELING E: Tegenstrijdige verplichtingen die voortvloeien uit het recht van een derde land In geval van tegenstrijdige verplichtingen die voortvloeien uit het recht van een derde land, gelieve de volgende informatie te verstrekken:
Gelieve alle relevante aanvullende informatie toe te voegen:… |
|
AFDELING F: Verzoek om aanvullende informatie/verduidelijking (vul aan indien van toepassing) Er is nadere informatie van de uitvaardigende autoriteit vereist om het CEV/CEB te kunnen uitvoeren: …… |
|
AFDELING G: Bewaring van gegevens De gevraagde gegevens (vink het relevante vakje aan):
|
|
AFDELING H: Contactgegevens van de aangewezen vestiging/wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder Naam van de aangewezen vestiging/wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder: … Naam van de contactpersoon:… Functie:… Adres:… Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… Fax: (landnummer) (netnummer/zonenummer)… E-mail:… Naam van de gemachtigde:… Datum:… Handtekening (2):… |
(1) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 118).
(2) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
BIJLAGE IV
CATEGORIEËN VAN STRAFBARE FEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 12, LID 1, PUNT D)
|
1) |
Deelneming aan een criminele organisatie |
|
2) |
Terrorisme |
|
3) |
Mensenhandel |
|
4) |
Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie |
|
5) |
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen |
|
6) |
Illegale handel in wapens, munitie en explosieven |
|
7) |
Corruptie |
|
8) |
Fraude, met inbegrip van fraude en andere strafbare feiten die de belangen van de Unie schaden, zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (1) |
|
9) |
Witwassen van opbrengsten van criminaliteit |
|
10) |
Valsmunterij, met inbegrip van namaak van de euro |
|
11) |
Computercriminaliteit |
|
12) |
Milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten |
|
13) |
Hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf |
|
14) |
Moord of doodslag, of zware lichamelijke mishandeling |
|
15) |
Illegale handel in menselijke organen en weefsels |
|
16) |
Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving of gijzeling |
|
17) |
Racisme en vreemdelingenhaat |
|
18) |
Georganiseerde of gewapende diefstal |
|
19) |
Illegale handel in cultuurgoederen, met inbegrip van antiquiteiten en kunstvoorwerpen |
|
20) |
Oplichting |
|
21) |
Racketeering en afpersing |
|
22) |
Namaak van producten en productpiraterij |
|
23) |
Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten |
|
24) |
Vervalsing van betaalmiddelen |
|
25) |
Illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars |
|
26) |
Illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen |
|
27) |
Handel in gestolen voertuigen |
|
28) |
Verkrachting |
|
29) |
Opzettelijke brandstichting |
|
30) |
Misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen |
|
31) |
Kaping van vliegtuigen of schepen |
|
32) |
Sabotage |
(1) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
BIJLAGE V
BEVESTIGING VAN DE UITVAARDIGING VAN EEN VERSTREKKINGSVERZOEK NA EEN EUROPEES BEWARINGSBEVEL
|
Uit hoofde van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet de geadresseerde bij ontvangst van het certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB) onverwijld de gevraagde gegevens bewaren. De bewaring moet worden beëindigd na 60 dagen, tenzij de termijn door de uitvaardigende autoriteit met nog eens 30 dagen wordt verlengd of de uitvaardigende autoriteit bevestigt dat een aansluitend verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd, door gebruik te maken van het in deze bijlage opgenomen formulier. Na die bevestiging dient de geadresseerde de gegevens zolang te bewaren als nodig is om de gegevens te verstrekken zodra het latere verzoek is ontvangen. |
|
AFDELING A: Uitvaardigende autoriteit van het CEB: Uitvaardigende staat:… Uitvaardigende autoriteit:… Indien verschillend van het in het CEB vermelde contactpunt, de autoriteit/het contactpunt (bijv. centrale autoriteit) waaraan eventuele vragen over de uitvoering van het CEB kunnen worden gericht: Naam en contactgegevens:… |
|
AFDELING B: Geadresseerde van het CEB Geadresseerde:… Adres:… Telefoon/Fax/E-mail (indien bekend):… Contactpersoon (indien bekend):… Dossiernummer van de geadresseerde (indien bekend):… Betrokken dienstaanbieder (indien verschillend van de geadresseerde):… Andere relevante informatie:… |
|
AFDELING C: Informatie over het CEB De gegevens worden bewaard in overeenstemming met het CEB dat werd uitgevaardigd op… (vermeld de datum van uitvaardiging van het verzoek) en doorgegeven op… (vermeld de datum van doorgifte van het verzoek) met dossiernummer…(vermeld het dossiernummer).
|
|
AFDELING D: Bevestiging Hierbij wordt bevestigd dat het volgende verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd (kruis het passende vakje aan en vul zo nodig aan):
Handtekening van de uitvaardigende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger Naam:… Datum:… Handtekening (2):… |
(1) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 118).
(2) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
BIJLAGE VI
VERLENGING VAN DE BEWARING VAN ELEKTRONISCH BEWIJSMATERIAAL
|
Uit hoofde van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet de geadresseerde bij ontvangst van het certificaat inzake het Europees bewaringsbevel (CEB) onverwijld de gevraagde gegevens bewaren. De bewaring moet worden beëindigd na 60 dagen, tenzij de uitvaardigende autoriteit bevestigt dat het aansluitende verstrekkingsverzoek is uitgevaardigd. Binnen 60 dagen kan de uitvaardigende autoriteit de bewaringsduur indien nodig met nog eens 30 dagen verlengen om de uitvaardiging van het aansluitende verstrekkingsverzoek mogelijk te maken, door gebruik te maken van het in deze bijlage opgenomen formulier. |
|
AFDELING A: Uitvaardigende autoriteit van het CEB: Uitvaardigende staat: …… Uitvaardigende autoriteit: …… Dossiernummer van de uitvaardigende autoriteit: …… Indien verschillend van het in het CEB vermelde contactpunt, de autoriteit/het contactpunt (bijv. centrale autoriteit) waaraan alle vragen over de uitvoering van het CEB kunnen worden gericht: Naam en contactgegevens: …… |
|
AFDELING B: Geadresseerde van het CEB Geadresseerde: …… Adres: …… Telefoon/Fax/E-mail (indien bekend): …… Contactpersoon (indien bekend): …… Dossiernummer van de geadresseerde (indien bekend): …… Betrokken dienstaanbieder (indien verschillend van de geadresseerde): …… Andere relevante informatie: …… |
|
AFDELING C: Informatie over eerder CEB De gegevens worden bewaard in overeenstemming met het CEB dat werd uitgevaardigd op …… (vermeld de datum van uitvaardiging van het verzoek) en doorgegeven op …… (vermeld de datum van doorgifte van het verzoek) met dossiernummer …… (vermeld het dossiernummer) aan …… |
|
AFDELING D: Verlenging van het eerdere bewaringsbevel De verplichting om gegevens te bewaren in het kader van het CEB zoals gespecificeerd in afdeling C wordt hierbij met nog eens 30 dagen verlengd. Handtekening van de uitvaardigende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger Naam: …… Datum: …… Handtekening (2): …… |
(1) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 118).
(2) Indien geen gebruik gemaakt wordt van het gedecentraliseerde IT-systeem, gelieve ook een officiële stempel, elektronisch zegel of gelijkwaardige authenticatie toe te voegen.
RICHTLIJNEN
|
28.7.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/181 |
RICHTLIJN (EU) 2023/1544 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 12 juli 2023
tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 53 en 62,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op een netwerk gebaseerde diensten kunnen overal vandaan worden verstrekt en vereisen geen fysieke infrastructuur, gebouwen of personeel in het land waar de dienst in kwestie wordt aangeboden of op de interne markt zelf. Als gevolg hiervan kan het moeilijk zijn om verplichtingen die uit hoofde van het nationale recht en het Unierecht van toepassing zijn op de betreffende dienstaanbieders toe te passen en te handhaven, met name de verplichting om te voldoen aan een bevel of een beslissing van een justitiële autoriteit. Dit is met name het geval in het strafrecht, waar de autoriteiten van de lidstaten moeilijkheden ondervinden bij de betekening of kennisgeving, de waarborging van de naleving en de handhaving van hun beslissingen, in het bijzonder wanneer de relevante diensten worden verleend vanuit een plaats buiten hun grondgebied. Tegen deze achtergrond hebben de lidstaten een aantal uiteenlopende maatregelen genomen om hun wetgeving effectiever toe te passen en te handhaven. Dit omvat maatregelen om van dienstaanbieders elektronisch bewijsmateriaal te kunnen verkrijgen dat relevant is voor strafprocedures. Daartoe hebben sommige lidstaten wetgeving aangenomen, of overwegen zij dit te doen, op grond waarvan dienstaanbieders die op hun grondgebied diensten aanbieden, verplicht zijn op dat grondgebied een wettelijke vertegenwoordiger te hebben. Dergelijke voorschriften vormen een belemmering voor het vrij verrichten van diensten op de interne markt. |
|
(2) |
Er bestaat een risico dat wanneer er geen Uniebrede aanpak komt, lidstaten zullen proberen om bestaande tekortkomingen in verband met het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures te verhelpen door uiteenlopende nationale verplichtingen op te leggen. Dergelijke uiteenlopende nationale verplichtingen zouden leiden tot nog meer belemmeringen voor het vrij verrichten van diensten op de interne markt. |
|
(3) |
Het ontbreken van een Uniebrede aanpak leidt tot rechtsonzekerheid voor zowel dienstaanbieders als nationale autoriteiten. Er gelden uiteenlopende en mogelijk tegenstrijdige verplichtingen voor dienstaanbieders die zijn gevestigd, of diensten aanbieden, in verschillende lidstaten, waardoor dergelijke dienstaanbieders in het geval van inbreuken uiteenlopende sancties opgelegd krijgen. Door het toenemende belang van de communicatiediensten en de diensten van de informatiemaatschappij in ons dagelijks leven en onze samenleving zullen dergelijke verschillen in het kader voor strafprocedures waarschijnlijk nog groter worden. Dergelijke verschillen vormen niet alleen een belemmering voor de goede werking van de interne markt, maar brengen ook problemen met zich mee voor de totstandbrenging en de goede werking van de ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht van de Unie. |
|
(4) |
Om verschillen in het rechtskader te voorkomen en ervoor te zorgen dat er voor ondernemingen die actief zijn op de interne markt dezelfde of soortgelijke verplichtingen gelden, heeft de Unie een aantal rechtshandelingen aangenomen op aanverwante gebieden zoals gegevensbescherming, namelijk Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (4). Om het niveau van bescherming van betrokkenen te verhogen, voorziet Verordening (EU) 2016/679 in de aanwijzing van een wettelijke vertegenwoordiger in de Unie door verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die niet in de Unie zijn gevestigd, maar wel goederen of diensten aanbieden aan betrokkenen in de Unie of het gedrag van betrokkenen controleren indien dat gedrag binnen de Unie plaatsvindt, tenzij de verwerking van gegevens incidenteel is, niet de grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens of de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten inhoudt, en, gelet op de aard, de context, de omvang en de verwerkingsdoeleinden of indien de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker een overheidsinstantie of -orgaan is, waarschijnlijk geen risico oplevert voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. |
|
(5) |
Door geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers van bepaalde dienstaanbieders in de Unie vast te stellen voor de ontvangst, de naleving en de tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen die door bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn uitgevaardigd ten behoeve van het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures, moeten de bestaande belemmeringen voor het vrij verrichten van diensten worden weggenomen en moet worden voorkomen dat er in de toekomst uiteenlopende nationale benaderingen worden gevolgd. Daarom moet er een gelijk speelveld voor dienstaanbieders worden gecreëerd. Afhankelijk van de vraag of dienstaanbieders al dan niet in de Unie zijn gevestigd, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat dienstaanbieders een aangewezen vestiging aanwijzen of een wettelijke vertegenwoordiger aanstellen. Deze geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers mogen geen afbreuk doen aan de verplichtingen van dienstaanbieders uit hoofde van andere wetgeving van de Unie. Bovendien moet er in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Unie worden gezorgd voor een meer effectieve handhaving van het strafrecht. |
|
(6) |
De in deze richtlijn bedoelde aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers dienen als geadresseerden te fungeren voor beslissingen en bevelen met het oog op het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal op basis van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad (5), Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) en de door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (7), ook wanneer die beslissingen en bevelen in de vorm van een certificaat worden toegezonden. De inschakeling van de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger moet in overeenstemming zijn met de procedures die zijn vastgesteld in de instrumenten en wetgeving die van toepassing zijn op de gerechtelijke procedures, ook wanneer de instrumenten de rechtstreekse betekening of kennisgeving van bevelen in grensoverschrijdende situaties aan de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder toestaan, of gebaseerd zijn op samenwerking tussen bevoegde rechterlijke autoriteiten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft, moeten handelen overeenkomstig de rol die voor hen in het desbetreffende instrument is vastgesteld wanneer in betrokkenheid is voorzien. De lidstaten moeten beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op basis van het nationale recht ook kunnen richten tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die optreedt als wettelijke vertegenwoordiger of als aangewezen vestiging van een dienstaanbieder op hun grondgebied. |
|
(7) |
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat dienstaanbieders die op 18 februari 2026 diensten aanbieden in de Unie, verplicht zijn uiterlijk op 18 augustus 2026 ten minste één aangewezen vestiging aan te wijzen of ten minste één wettelijke vertegenwoordiger aan te stellen en dat dienstaanbieders die na die datum beginnen met het aanbieden van diensten in de Unie ten minste één aangewezen vestiging aanwijzen of ten minste één wettelijke vertegenwoordiger aanstellen binnen zes maanden na de datum waarop zij beginnen met het aanbieden van diensten in de Unie. Onverminderd de waarborgen inzake gegevensbescherming kan een dergelijke aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger worden gedeeld tussen verschillende dienstaanbieders, met name door dienstaanbieders die kleine of middelgrote ondernemingen zijn. |
|
(8) |
De verplichting om een aangewezen vestiging aan te wijzen of een wettelijke vertegenwoordiger aan te stellen, moet gelden voor dienstaanbieders die diensten aanbieden in de Unie, dat wil zeggen in een of meer lidstaten. Situaties waarin een dienstaanbieder is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat en uitsluitend diensten aanbiedt op het grondgebied van die lidstaat, mogen niet onder deze richtlijn vallen. |
|
(9) |
Met het oog op het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures moeten de lidstaten zich overeenkomstig het Unierecht en hun respectieve nationale recht kunnen blijven richten tot op hun grondgebied gevestigde dienstaanbieders voor zuiver binnenlandse situaties. Niettegenstaande de mogelijkheden die het interne recht momenteel biedt om zich op hun eigen grondgebied tot dienstaanbieders te wenden, mogen de lidstaten de beginselen die ten grondslag liggen aan deze richtlijn of Verordening (EU) 2023/1543 niet omzeilen. |
|
(10) |
Om te bepalen of een dienstaanbieder diensten aanbiedt in de Unie, moet worden nagegaan of de dienstaanbieder natuurlijke personen of rechtspersonen in een of meer lidstaten de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van zijn of haar diensten. Enkel de toegankelijkheid van een online-interface in de Unie, zoals de toegankelijkheid van een website of een e-mailadres of andere contactgegevens van een dienstaanbieder of tussenpersoon, moet echter onvoldoende worden geacht om te bepalen dat een dienstaanbieder diensten in de Unie aanbiedt in de zin van deze richtlijn. |
|
(11) |
Om te bepalen of een dienstaanbieder diensten aanbiedt in de Unie, moet niet alleen worden nagegaan of de dienstaanbieder natuurlijke personen of rechtspersonen in een of meer lidstaten de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van zijn of haar diensten, maar ook worden vastgesteld of er een wezenlijke band met de Unie bestaat. Een dergelijke wezenlijke band met de Unie moet worden geacht te bestaan wanneer de dienstaanbieder een vestiging in de Unie heeft. Wanneer er geen dergelijke vestiging in de Unie is, moet het criterium van een wezenlijke band worden gebaseerd op specifieke feitelijke criteria zoals het bestaan van een aanzienlijk aantal gebruikers in een of meer lidstaten, of de toespitsing van activiteiten op een of meer lidstaten. De toespitsing van activiteiten op een of meer lidstaten moet worden bepaald op basis van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren zoals het gebruik van een taal of een munteenheid die in die lidstaat algemeen gangbaar is of de mogelijkheid om goederen of diensten te bestellen. De toespitsing van activiteiten op een lidstaat zou ook kunnen worden afgeleid uit de beschikbaarheid van een applicatie (“app”) in de desbetreffende nationale appstore, uit het feit dat er plaatselijk wordt geadverteerd of wordt geadverteerd in de in die lidstaat algemeen gangbare taal, of uit de wijze van beheer van relaties met cliënten, zoals het verstrekken van klantenservice in de taal die in die lidstaat algemeen gangbaar is. Een wezenlijke band moet ook worden aangenomen wanneer een dienstaanbieder zijn of haar activiteiten richt op een of meer lidstaten, als uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (8). Het verlenen van een dienst met het oog op de loutere naleving van het in Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad (9) neergelegde discriminatieverbod mag daarentegen niet, zonder aanvullende gronden, worden beschouwd als het richten of toespitsen van activiteiten op een bepaald grondgebied binnen de Unie. Dezelfde overwegingen moeten gelden bij het bepalen of een dienstaanbieder diensten aanbiedt op het grondgebied van een lidstaat. |
|
(12) |
Op de samenwerking tussen de lidstaten zijn er bij de bewijsgaring in strafprocedures verschillende instrumenten van toepassing die vallen onder titel V, hoofdstuk 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Als gevolg van de variabele geometrie die er bestaat in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Unie moet ervoor worden gezorgd dat deze richtlijn het ontstaan van nieuwe ongelijkheden of belemmeringen voor het verrichten van diensten op de interne markt niet bevordert, door het voor dienstaanbieders die op het grondgebied van de lidstaten diensten aanbieden, mogelijk te maken aangewezen vestigingen aan te wijzen of wettelijke vertegenwoordigers aan te stellen in de lidstaten die niet aan het desbetreffende rechtsinstrument deelnemen. Daarom moet er ten minste één aangewezen vestiging wordt aangewezen of ten minste één wettelijke vertegenwoordiger worden aangesteld in een lidstaat die deelneemt aan de relevante rechtsinstrumenten van de Unie, teneinde het risico te voorkomen dat er afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van de in deze richtlijn bedoelde aanwijzing of aanstelling en teneinde gebruik te maken van de synergie als gevolg van de aanwijzing van een aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger voor de ontvangst, de naleving en de tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen die vallen binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, waaronder Verordening (EU) 2023/1543, Richtlijn 2014/41/EU en de door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Bovendien zou door de aanwijzing van een aangewezen vestiging of de aanstelling van een wettelijke vertegenwoordiger, die ook zou kunnen worden ingezet om de naleving te waarborgen van nationale wettelijke verplichtingen, gebruik kunnen worden gemaakt van de synergie als gevolg van het bestaan van een duidelijk toegangspunt tot dienstaanbieders met het oog op de bewijsgaring in strafprocedures. |
|
(13) |
Dienstaanbieders moeten vrij kunnen kiezen in welke lidstaat zij hun aangewezen vestiging aanwijzen of, in voorkomend geval, hun wettelijke vertegenwoordiger aanstellen, en lidstaten mogen die keuzevrijheid niet kunnen beperken door bijvoorbeeld dienstaanbieders te verplichten om de aangewezen vestiging aan te wijzen, of wettelijke vertegenwoordiger aan te stellen, op hun grondgebied. Deze richtlijn moet echter ook voorzien in bepaalde beperkingen met betrekking tot die keuzevrijheid voor dienstaanbieders, met name in verband met het feit dat de aangewezen vestiging moet zijn gevestigd of, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger moet verblijven in een lidstaat waar de dienstaanbieder diensten verleent of is gevestigd, alsmede in een verplichting tot het aanwijzen van een aangewezen vestiging of tot het aanstellen van een wettelijke vertegenwoordiger in een van de lidstaten die deelnemen aan een in deze richtlijn bedoeld rechtsinstrument. De dienstaanbieder mag niet geacht worden zich ergens gevestigd te hebben door het enkele feit dat hij er een wettelijke vertegenwoordiger heeft aangesteld. |
|
(14) |
De dienstaanbieders die het meest relevant zijn voor de bewijsgaring in strafprocedures, zijn aanbieders van elektronische-communicatiediensten en specifieke aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die contacten tussen gebruikers mogelijk maken. Beide groepen moeten dus onder deze richtlijn vallen. Elektronische-communicatiediensten worden gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (10) en hieronder vallen onder andere interpersoonlijke communicatiediensten, zoals diensten op het gebied van voice-over-IP, instant messaging en e-maildiensten. Deze richtlijn moet ook toepasselijk zijn op verleners van diensten van de informatiemaatschappij in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (11) die niet als aanbieders van elektronische-communicatiediensten kunnen worden aangemerkt, maar hun gebruikers in staat stellen met elkaar te communiceren of hun gebruikers diensten aanbieden die kunnen worden gebruikt om namens hen gegevens op te slaan of anderszins te verwerken. Dit zou stroken met de bewoordingen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit (ETS nr. 185), gedaan te Boedapest op 23 november 2001, ook wel het Verdrag van Boedapest genoemd. Het verwerken van gegevens moet in technische zin worden begrepen, namelijk het creëren of bewerken van gegevens, dat wil zeggen technische handelingen om gegevens voort te brengen of te wijzigen door middel van computerverwerkingscapaciteit. Tot de categorieën dienstaanbieders die onder deze richtlijn vallen, moeten bijvoorbeeld behoren onlinemarktplaatsen die consumenten en ondernemingen in staat stellen met elkaar te communiceren, en andere hostingdiensten, ook wanneer de dienst via cloud computing wordt verricht, alsmede online-gamingwebsites en online-kansspelwebsites. Wanneer een dienstaanbieder van diensten van de informatiemaatschappij zijn of haar gebruikers niet in staat stelt te communiceren met elkaar, maar alleen met de dienstaanbieder, of niet voorziet in de mogelijkheid gegevens op te slaan of anderszins te verwerken, of wanneer het opslaan geen wezenlijk onderdeel, dat wil zeggen geen essentieel onderdeel, is van de aan gebruikers aangeboden dienst, zoals het geval is met bijvoorbeeld juridische, architectonische, ingenieurs- en accountingdiensten die online op afstand worden aangeboden, mag hij niet onder de definitie van dienstaanbieder in deze richtlijn vallen, zelfs indien de door die dienstaanbieder aangeboden dienst een dienst van de informatiemaatschappij is in de zin van Richtlijn (EU) 2015/1535 valt. |
|
(15) |
Aanbieders van internetinfrastructuurdiensten die verband houden met de toewijzing van namen en nummers, zoals registers en -registrators van domeinnamen en privacy- en proxydienstenaanbieders, of regionale internetregisters voor internetprotocoladressen (“IP”-adressen), zijn met name van belang voor de identificatie van actoren achter kwaadaardige of gecompromitteerde websites. Zij zijn in het bezit van gegevens die de identificatie mogelijk kunnen maken van een individu dat, of een entiteit die, schuilgaat achter een website die voor een criminele activiteit wordt gebruikt, of van het slachtoffers van een criminele activiteit. |
|
(16) |
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat dienstaanbieders die zijn gevestigd of diensten aanbieden op hun grondgebied, hun aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers de nodige bevoegdheden en middelen geven om te voldoen aan beslissingen en bevelen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die ontvangen worden van andere lidstaten. De lidstaten moeten zich ook ervan vergewissen dat de aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers die op hun grondgebied verblijven, de nodige bevoegdheden en middelen van de dienstaanbieders hebben gekregen om beslissingen en bevelen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die ontvangen worden van andere lidstaten te kunnen naleven, en dat zij meewerken met de bevoegde autoriteiten wanneer zij dergelijke beslissingen en bevelen ontvangen, overeenkomstig het toepasselijke rechtskader. Het ontbreken of de ontoereikendheid van dergelijke maatregelen mag niet worden gebruikt als reden om de niet-naleving te rechtvaardigen van beslissingen en bevelen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Bovendien mogen dienstaanbieders hun niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit het toepasselijke rechtskader bij de ontvangst van beslissingen en bevelen die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, niet kunnen rechtvaardigen op grond van het ontbreken van, of van ondoeltreffende, interne procedures, aangezien zij zelf verantwoordelijk zijn voor het geven van de nodige middelen en bevoegdheden om de naleving van dergelijke beslissingen en bevelen te waarborgen. Aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers mogen een dergelijke niet-naleving evenmin kunnen rechtvaardigen door bijvoorbeeld te beweren dat zij niet bevoegd zijn om gegevens te verstrekken. Daartoe moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zowel de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger als de dienstaanbieder bij de ontvangst van beslissingen en bevelen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit het toepasselijke rechtskader, zodanig dat aan elk van hen sancties kunnen worden opgelegd voor de niet-naleving van beslissingen of bevelen. Met name mag het voor de dienstaanbieder of de aangewezen vestiging, dan wel, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger, niet mogelijk zijn om het ontbreken van passende interne procedures tussen de dienstaanbieder en de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger als rechtvaardiging voor de niet-naleving van die verplichtingen te gebruiken. Er mag geen gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid gelden voor het handelen of niet-handelen van de dienstaanbieder of de aangewezen vestiging, dan wel, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger, indien die een strafbaar feit vormen in de lidstaat die de sancties toepast. |
|
(17) |
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat elke dienstaanbieder die is gevestigd of diensten aanbiedt op hun grondgebied, de krachtens deze richtlijn aangewezen centrale autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen vestiging van die dienstaanbieder is gevestigd of waar de wettelijke vertegenwoordiger van die dienstaanbieder verblijft, schriftelijk in kennis stelt van de contactgegevens van die aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger en van eventuele wijzigingen daarvan. Deze kennisgeving moet ook informatie bevatten over de talen waarin met de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger kan worden gecommuniceerd, waaronder een of meerdere door in het nationale recht vastgelegde officiële talen van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft, maar eventueel ook andere officiële talen van de Unie, zoals de taal van de lidstaat waar hun hoofdkantoor is gevestigd. Wanneer een dienstaanbieder overeenkomstig deze richtlijn meerdere aangewezen vestigingen aanwijst of meerdere wettelijke vertegenwoordigers aanstelt, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat die dienstaanbieder voor elke aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger het precieze territoriale toepassingsgebied van de aanwijzing van die vestiging of de aanstelling van die vertegenwoordiger aangeeft. Het grondgebied van alle lidstaten die deelnemen aan de instrumenten die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, dient te worden bestreken. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun respectieve bevoegde autoriteiten al hun beslissingen en bevelen krachtens deze richtlijn richten tot de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger van de dienstaanbieder. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de informatie die hen overeenkomstig deze richtlijn ter kennis wordt gebracht, publiekelijk beschikbaar is op een specifieke webpagina van het Europees justitieel netwerk voor strafzaken om de coördinatie tussen de lidstaten te faciliteren en het voor de autoriteiten van een andere lidstaat gemakkelijker te maken een beroep te doen op de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze informatie regelmatig wordt geactualiseerd. Het moet ook mogelijk zijn de informatie verder te verspreiden via bijvoorbeeld specifieke intranetsites of fora en platforms, zodat de bevoegde autoriteiten gemakkelijker toegang tot die informatie krijgen. |
|
(18) |
De lidstaten moeten de regels vaststellen inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op nationale bepalingen die zijn vastgesteld krachtens deze richtlijn en moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten de Commissie uiterlijk op de in deze richtlijn bedoelde datum in kennis stellen van deze regels en maatregelen en moeten haar onverwijld latere wijzigingen daarvan meedelen. De lidstaten moeten de Commissie ook jaarlijks meedelen welke dienstaanbieders hun verplichtingen niet hebben nageleefd, welke handhavingsmaatregelen er tegen hen zijn genomen en welke sancties er zijn opgelegd. Deze sancties mogen in geen geval leiden tot een permanent of tijdelijk verbod op het verlenen van diensten. Wanneer een dienstaanbieder diensten aanbiedt in verschillende lidstaten, moeten de lidstaten hun handhavingsmaatregelen coördineren. Om te zorgen voor een coherente en evenredige aanpak moeten centrale autoriteiten voor onderlinge coördinatie zorgen. De Commissie moet, indien nodig, deze coördinatie faciliteren, en moet in ieder geval in kennis worden gesteld van een inbreuk. Deze richtlijn is niet van toepassing op contractuele regelingen betreffende de overdracht of de verschuiving van de financiële gevolgen tussen dienstaanbieders, aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers van aan hen opgelegde sancties. |
|
(19) |
Bij het bepalen van de passende sancties die van toepassing zijn op inbreuken door dienstaanbieders moeten de bevoegde autoriteiten rekening houden met alle relevante omstandigheden, zoals de financiële draagkracht van de dienstaanbieder, de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, de vraag of de inbreuk doelbewust of door nalatigheid is begaan, en de vraag of de dienstaanbieder verantwoordelijk is gehouden voor soortgelijke inbreuken in het verleden. In dit verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan micro-ondernemingen. |
|
(20) |
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van nationale autoriteiten in civielrechtelijke of administratieve procedures, ook niet wanneer dergelijke procedures tot sancties kunnen leiden. |
|
(21) |
Om te waarborgen dat deze richtlijn op een consistente manier wordt toegepast, moeten er aanvullende mechanismen voor de coördinatie tussen de lidstaten worden ingesteld. Daartoe moeten de lidstaten een of meer centrale autoriteiten aanwijzen die de centrale autoriteiten van andere lidstaten informatie kunnen verstrekken en bijstand kunnen verlenen bij de toepassing van deze richtlijn, met name wanneer er wordt overwogen om uit hoofde van deze richtlijn handhavingsmaatregelen te nemen. Dit coördinatiemechanisme moet ervoor zorgen dat de betrokken lidstaten worden geïnformeerd over het voornemen van een lidstaat om handhavingsmaatregelen te nemen. Daarnaast moeten de lidstaten ervoor zorgen dat centrale autoriteiten elkaar in die omstandigheden relevante informatie en bijstand kunnen verlenen en waar nodig met elkaar kunnen samenwerken. De samenwerking tussen centrale autoriteiten in het geval van handhavingsmaatregelen kan inhouden dat de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten hun handhavingsmaatregelen coördineren. Doel van deze samenwerking moet zijn positieve of negatieve bevoegdheidsconflicten te voorkomen. Indien nodig moeten centrale autoriteiten ook de Commissie bij de coördinatie van handhavingsmaatregelen betrekken. De samenwerkingsverplichting van deze autoriteiten mag geen afbreuk doen aan het recht van een afzonderlijke lidstaat om sancties op te leggen aan dienstaanbieders die hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn niet nakomen. De aanwijzing en de bekendmaking van informatie over die autoriteiten zouden het voor dienstaanbieders gemakkelijker maken om de aanwijzing en de contactgegevens van hun aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers ter kennis te brengen van de lidstaat waar hun aangewezen vestiging is gevestigd of hun wettelijke vertegenwoordiger verblijft. Daartoe moeten de lidstaten de Commissie in kennis stellen van hun aangewezen centrale autoriteit of autoriteiten, en moet de Commissie een lijst van aangewezen centrale autoriteiten aan de lidstaten toezenden en openbaar maken. |
|
(22) |
Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het wegnemen van belemmeringen voor het vrij verrichten van diensten in het kader van het vergaren van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege het niet-grensgebonden karakter van de desbetreffende diensten, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. |
|
(23) |
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd in overeenstemming met artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (12) geraadpleegd en heeft op 6 november 2019 een advies uitgebracht (13). |
|
(24) |
De Commissie moet een evaluatie van deze richtlijn tenuitvoerleggen, die moet zijn gebaseerd op de vijf criteria van doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde voor de EU, en deze evaluatie moet de basis vormen voor effectbeoordelingen van mogelijke verdere maatregelen. De evaluatie moet uiterlijk op 18 augustus 2029 zijn afgerond, zodat er voldoende gegevens over de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijn kunnen worden vergaard. Er moet regelmatig informatie worden vergaard, als basis voor de evaluatie van deze richtlijn, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. In deze richtlijn worden de regels vastgesteld inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers van bepaalde dienstaanbieders die diensten aanbieden in de Unie, voor de ontvangst, de naleving en de tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen die zijn uitgevaardigd door bevoegde autoriteiten van de lidstaten met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures.
2. Deze richtlijn is van toepassing op beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op basis van Verordening (EU) 2023/1543, Richtlijn 2014/41/EU en de door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Deze richtlijn is eveneens van toepassing op beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op basis van het nationale recht die door een lidstaat worden gericht tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die optreedt als wettelijke vertegenwoordiger of aangewezen vestiging van een dienstaanbieder op het grondgebied van die lidstaat.
3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van nationale autoriteiten om zich overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht rechtstreeks te richten tot de op hun grondgebied gevestigde dienstaanbieders met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures.
4. De lidstaten leggen, met het oog op de in lid 1 vermelde doelstellingen, dienstaanbieders geen andere verplichtingen op dan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, met name met betrekking tot de aanwijzing van aangewezen vestigingen of de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers.
5. Deze richtlijn is van toepassing op dienstaanbieders als omschreven in artikel 2, punt 1, die hun diensten in de Unie aanbieden. Deze richtlijn is niet van toepassing op dienstaanbieders die zijn gevestigd op het grondgebied van een enkele lidstaat en uitsluitend diensten aanbieden op het grondgebied van die lidstaat.
Artikel 2
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
|
1) |
“dienstaanbieder”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer van de volgende categorieën diensten verleent, met uitzondering van financiële diensten als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt b), van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (14):
|
|
2) |
“diensten aanbieden op het grondgebied van een lidstaat”:
|
|
3) |
“diensten aanbieden in de Unie”:
|
|
4) |
“vestiging”: een entiteit die daadwerkelijk voor onbepaalde tijd een economische activiteit uitoefent door middel van een duurzame infrastructuur van waaruit diensten worden verstrekt of van waaruit het bedrijf wordt geleid; |
|
5) |
“aangewezen vestiging”: een vestiging met rechtspersoonlijkheid die schriftelijk is aangewezen door een dienstaanbieder die is gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan een rechtsinstrument zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, voor de doeleinden zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1; |
|
6) |
“wettelijke vertegenwoordiger”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk is aangesteld door een dienstaanbieder die niet is gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan een rechtsinstrument zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, voor de doeleinden zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1. |
Artikel 3
Aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers
1. De lidstaten zien erop toe dat dienstaanbieders die diensten aanbieden in de Unie, ten minste één geadresseerde aanwijzen of aanstellen voor de ontvangst, naleving en tenuitvoerlegging van binnen het toepassingsgebied van artikel 1, lid 2, vallende beslissingen en bevelen (“beslissingen en bevelen die onder het in artikel 1, lid 2, vastgestelde toepassingsgebied vallen”) die door bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn uitgevaardigd met het oog op de bewijsgaring in strafprocedures, en wel als volgt:
|
a) |
voor in de Unie gevestigde dienstaanbieders met rechtspersoonlijkheid zorgen de lidstaten waar de dienstaanbieders zijn gevestigd ervoor dat deze dienstaanbieders de aangewezen vestiging(en) aanwijzen die verantwoordelijk is (zijn) voor de in de inleidende zin van dit lid beschreven activiteiten; |
|
b) |
voor niet in de Unie gevestigde dienstaanbieders met rechtspersoonlijkheid zorgen de lidstaten ervoor dat dergelijke dienstaanbieders die op hun grondgebied diensten aanbieden, de wettelijke vertegenwoordiger(s) aanstellen die verantwoordelijk is (zijn) voor de in de inleidende zin van dit lid beschreven activiteiten in de lidstaten die deelnemen aan de in artikel 1, lid 2, bedoelde instrumenten; |
|
c) |
voor dienstaanbieders die gevestigd zijn in lidstaten die niet deelnemen aan de in artikel 1, lid 2, bedoelde instrumenten, zorgen de lidstaten ervoor dat dergelijke dienstaanbieders die op hun grondgebied diensten aanbieden, de wettelijke vertegenwoordiger(s) aanstellen die verantwoordelijk is (zijn) voor de in de inleidende zin van dit lid beschreven activiteiten in de lidstaten die aan dergelijke instrumenten deelnemen. |
2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde geadresseerden:
|
a) |
zijn gevestigd of verblijven in een lidstaat waar de dienstaanbieders hun diensten aanbieden, en |
|
b) |
kunnen worden onderworpen aan tenuitvoerleggingsprocedures. |
3. De lidstaten zien erop toe dat beslissingen en bevelen die onder het in artikel 1, lid 2, vastgestelde toepassingsgebied vallen worden gericht tot de daartoe overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen vestiging of aangestelde wettelijke vertegenwoordiger.
4. De lidstaten zien erop toe dat dienstaanbieders die zijn gevestigd of diensten aanbieden op hun grondgebied, hun aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers de nodige bevoegdheden en middelen ter beschikking stellen om te voldoen aan beslissingen en bevelen van een lidstaat die onder het in artikel 1, lid 2, vastgestelde toepassingsgebied vallen. De lidstaten vergewissen zich ook ervan dat de aangewezen vestigingen die op hun grondgebied zijn gevestigd of de wettelijke vertegenwoordigers die op hun grondgebied verblijven, de nodige bevoegdheden en middelen van de dienstaanbieders hebben gekregen om die beslissingen en bevelen van een lidstaat te kunnen naleven, en dat zij meewerken met de bevoegde autoriteiten wanneer zij die beslissingen en bevelen ontvangen, overeenkomstig het toepasselijke rechtskader.
5. De lidstaten zien erop toe dat zowel de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger als de dienstaanbieder met betrekking tot de ontvangst van beslissingen en bevelen die onder het in artikel 1, lid 2, vastgestelde toepassingsgebied vallen gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de niet-naleving van verplichtingen die voortvloeien uit het toepasselijke rechtskader, zodanig dat aan elk van hen sancties kunnen worden opgelegd voor de niet-naleving van beslissingen of bevelen. De lidstaten zien er met name op toe dat het voor de dienstaanbieder of de aangewezen vestiging, dan wel, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger, niet mogelijk is om het ontbreken van passende interne procedures tussen de dienstaanbieder en de aangewezen vestiging of de wettelijke vertegenwoordiger als rechtvaardiging voor de niet-naleving van die verplichtingen te gebruiken. Er geldt geen gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid voor het handelen of niet-handelen van de dienstaanbieder of de aangewezen vestiging, dan wel, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger, indien die een strafbaar feit vormen in de lidstaat die de sancties toepast.
6. De lidstaten zien erop toe dat dienstaanbieders die op 18 februari 2026 diensten aanbieden in de Unie, verplicht zijn uiterlijk op 18 augustus 2026 aangewezen vestigingen aan te wijzen en of wettelijke vertegenwoordigers aan te stellen en dat dienstaanbieders die na 18 februari 2026 beginnen met het aanbieden van diensten in de Unie, verplicht zijn aangewezen vestigingen aan te wijzen of wettelijke vertegenwoordigers aan te stellen binnen zes maanden na de datum waarop zij beginnen met het aanbieden van diensten in de Unie.
Artikel 4
Kennisgevingen en talen
1. De lidstaten zien erop toe dat elke dienstaanbieder die is gevestigd of diensten aanbiedt op hun grondgebied, de krachtens artikel 6 aangewezen centrale autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of waar de wettelijke vertegenwoordiger van die dienstaanbieder verblijft, schriftelijk in kennis stelt van de contactgegevens van die vestiging of wettelijke vertegenwoordiger en van alle wijzigingen daarvan.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt vermeld in welke officiële taal of talen van de Unie als bedoeld in Verordening nr. 1 van de Raad (15) er kan worden gecommuniceerd met de wettelijke vertegenwoordiger of de aangewezen vestiging. Tot deze talen behoren een of meer van de door het nationale recht erkende officiële talen van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft.
3. Wanneer een dienstaanbieder overeenkomstig artikel 3, lid 1, meerdere aangewezen vestigingen aanwijst of meerdere wettelijke vertegenwoordigers aanstelt, zien de lidstaten erop toe dat dergelijke dienstaanbieders in de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving het precieze territoriale toepassingsgebied van de aanwijzing of aanstelling van die aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers aangeven. In de kennisgeving wordt vermeld in welke officiële taal of talen van de Unie of de lidstaten er kan worden gecommuniceerd met elk van de aangewezen vestigingen of wettelijke vertegenwoordigers.
4. De lidstaten zien erop toe dat de informatie die hen overeenkomstig dit artikel ter kennis wordt gebracht, openbaar wordt gemaakt op een specifieke webpagina van het Europees justitieel netwerk voor strafzaken. De lidstaten zien erop toe dat die informatie regelmatig wordt geactualiseerd. Die informatie kan verder worden verspreid om de toegang van bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.
Artikel 5
Sancties
De lidstaten stellen de regels vast voor sancties op inbreuken op krachtens de artikelen 3 en 4 vastgestelde nationale bepalingen, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 18 februari 2026 in kennis van die regels en maatregelen en delen haar onverwijld latere wijzigingen mee. De lidstaten delen de Commissie ook jaarlijks mee welke dienstaanbieders hun verplichtingen niet hebben nageleefd, welke handhavingsmaatregelen er tegen hen zijn genomen en welke sancties er zijn opgelegd.
Artikel 6
Centrale autoriteiten
1. De lidstaten wijzen volgens hun nationale recht een of meerdere centrale autoriteiten aan om ervoor te zorgen dat deze richtlijn op een consistente en evenredige wijze wordt toegepast.
2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de centrale autoriteit of autoriteiten die zij krachtens lid 1 aanwijzen. De Commissie stuurt de lidstaten een lijst van de aangewezen centrale autoriteiten en maakt die openbaar.
3. De lidstaten zien erop toe dat hun centrale autoriteiten voor coördinatie zorgen en samenwerken met elkaar en, voor zover nodig, met de Commissie, en dat de centrale autoriteiten elkaar relevante informatie en bijstand verstrekken teneinde deze richtlijn op een consistente en evenredige wijze toe te passen. Die coördinatie, samenwerking, informatieverstrekking en bijstand hebben met name betrekking op handhavingsmaatregelen.
Artikel 7
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 18 februari 2026 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
2. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 8
Evaluatie
Uiterlijk op 18 augustus 2029 voert de Commissie een evaluatie uit van deze richtlijn. De Commissie zendt het evaluatieverslag toe aan het Europees Parlement en de Raad. De evaluatie wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige informatie voor het opstellen van dat verslag.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 10
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Straatsburg, 12 juli 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
P. NAVARRO RÍOS
(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 88.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 13 juni 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 juni 2023.
(3) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(4) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).
(5) Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (zie blz. 118 van dit Publicatieblad).
(6) Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).
(7) Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3) en bijbehorend protocol (PB C 326 van 21.11.2001, blz. 2).
(8) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).
(9) Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2018 inzake de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op grond van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2006/2004 en (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 60 I van 2.3.2018, blz. 1).
(10) Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36).
(11) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
(12) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(13) PB C 32 van 31.1.2020, blz. 11.
(14) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(15) Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).