|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
66e jaargang |
|
|
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
|
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/1 |
VERORDENING (EU) 2023/1182 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 14 juni 2023
betreffende specifieke regels met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 168, lid 4, punt c),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het “terugtrekkingsakkoord”) is namens de Unie bij Besluit (EU) 2020/135 van de Raad (3) gesloten en is op 1 februari 2020 in werking getreden. De in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode, tijdens welke het Unierecht van toepassing bleef op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord, liep af op 31 december 2020. |
|
(2) |
Het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (het “protocol”) maakt een integrerend deel uit van het terugtrekkingsakkoord. |
|
(3) |
De in de lijst in bijlage 2 bij dat protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie zijn, onder de in die bijlage vermelde voorwaarden, van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van Noord-Ierland. Die lijst omvat Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) en Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5). Daarom moeten geneesmiddelen die in Noord-Ierland in de handel worden gebracht, in overeenstemming zijn met die bepalingen van het recht van de Unie. |
|
(4) |
Richtlijn 2001/83/EG bevat regels voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik en Verordening (EG) nr. 726/2004 bevat procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik. |
|
(5) |
Om rekening te houden met de specifieke situatie van Noord-Ierland, moeten specifieke regels betreffende het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in Noord-Ierland worden vastgesteld. |
|
(6) |
Er moet worden verduidelijkt dat de in de lijst in bijlage 2 bij het protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie van toepassing moeten zijn op geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht, tenzij in deze verordening specifieke regels zijn vastgesteld. Wanneer de specifieke regels van deze verordening van toepassing zijn en er zich tegenstrijdigheden voordoen tussen die specifieke regels van deze verordening en de in de lijst in bijlage 2 bij het protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie, moeten die specifieke regels van deze verordening voorrang hebben. |
|
(7) |
Voorts is het van belang ervoor te zorgen dat de toepassing van de specifieke regels van deze verordening niet leidt tot een verhoogd risico voor de volksgezondheid op de interne markt. |
|
(8) |
De specifieke regels moeten een verbod omvatten om de in Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken aan te brengen op de buitenverpakking of, indien er geen buitenverpakking is, op de primaire verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht, alsook een verbod om nieuwe en innovatieve geneesmiddelen waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, in Noord-Ierland in de handel te brengen. Voorts moeten de specifieke regels bepaalde etiketteringsvoorschriften bevatten voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht. Bijgevolg mag Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 van de Commissie (6) niet van toepassing zijn op geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht. |
|
(9) |
Wat nieuwe en innovatieve geneesmiddelen betreft, moeten de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk kunnen toestaan dat die geneesmiddelen in Noord-Ierland in de handel worden gebracht mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, namelijk de voorwaarde dat de vergunning is verleend overeenkomstig het recht van het Verenigd Koninkrijk en dat de geneesmiddelen in Noord-Ierland in de handel worden gebracht onder de voorwaarden van de door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk verleende vergunning, de voorwaarde dat die geneesmiddelen aan bepaalde etiketteringsvoorschriften voldoen, en de voorwaarde dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Commissie schriftelijke garanties heeft gegeven. |
|
(10) |
Bovendien moeten passende waarborgen voor de Unie worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de toepassing van de specifieke regels de risico’s voor de volksgezondheid op de interne markt niet verhoogt. Dergelijke waarborgen moeten onder meer inhouden dat de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk voortdurend toezicht houdt op het in Noord-Ierland in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvoor in deze verordening vastgestelde specifieke regels gelden, en dat er een volledig verbod geldt op het verkeer naar of het in de handel brengen in een lidstaat van geneesmiddelen die onderworpen zijn aan de specifieke regels van deze verordening. |
|
(11) |
Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot het schorsen van de toepassing van sommige of alle in deze verordening vastgestelde specifieke regels, indien er bewijs is dat het Verenigd Koninkrijk geen passende maatregelen neemt om ernstige of herhaalde inbreuken op die specifieke regels aan te pakken. Indien daar sprake van is, moet er worden voorzien in een formeel informatie- en raadplegingsmechanisme met duidelijke termijnen waarbinnen de Commissie moet optreden. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(12) |
Wanneer de specifieke regels voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in Noord-Ierland worden geschorst, moeten de desbetreffende in de lijst in bijlage 2 bij het protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie opnieuw op dergelijke geneesmiddelen van toepassing zijn. |
|
(13) |
Om een doeltreffende en snelle reactie op elk verhoogd risico voor de volksgezondheid te waarborgen, moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig een spoedprocedure. |
|
(14) |
Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(15) |
Er moet worden voorzien in een overgangsperiode voor de toepassing van de specifieke regels van deze verordening op geneesmiddelen voor menselijk gebruik die reeds in de handel zijn in Noord-Ierland. |
|
(16) |
Als gevolg van de vaststelling van deze verordening moet Richtlijn 2001/83/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij deze verordening worden specifieke regels vastgesteld met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik die bestemd zijn om in Noord-Ierland in de handel te worden gebracht overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2001/83/EG.
2. Bij deze verordening worden ook regels vastgesteld met betrekking tot de schorsing van de toepassing van de specifieke regels van deze verordening.
3. De in de lijst in bijlage 2 bij het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (het “protocol”) vermelde bepalingen van het recht van de Unie zijn van toepassing op het in de handel brengen in Noord-Ierland van geneesmiddelen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, tenzij in deze verordening specifieke regels zijn vastgesteld.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 726/2004, met inbegrip van de definities van artikel 1 van Richtlijn 2001/83/EG.
Artikel 3
Specifieke regels voor geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1
1. De bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland mogen toestaan dat geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening, uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk in Noord-Ierland worden ingevoerd door houders van een groothandelsvergunning die niet in het bezit zijn van een relevante vergunning voor de vervaardiging, mits aan de voorwaarden van artikel 40, lid 1 bis, eerste alinea, punten a) tot en met d), van Richtlijn 2001/83/EG is voldaan.
2. De in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken worden niet aangebracht op de buitenverpakking of, indien er geen buitenverpakking is, op de primaire verpakking van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening.
3. Wanneer op een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening, de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken zijn aangebracht, worden die veiligheidskenmerken volledig verwijderd of afgedekt.
4. De in artikel 48 van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde bevoegde persoon zorgt er in het geval van een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening voor dat de in artikel 54, punt o), van die Richtlijn bedoelde veiligheidskenmerken niet op de verpakking van het geneesmiddel zijn aangebracht.
5. Houders van een groothandelsvergunning zijn niet verplicht:
|
a) |
geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening te controleren overeenkomstig artikel 80, eerste alinea, punt c bis), van Richtlijn 2001/83/EG; |
|
b) |
documentatie te bewaren met betrekking tot de in artikel 80, eerste alinea, punt e), laatste streepje, van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde informatie. |
6. Voor leveranties van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening, aan een persoon die gemachtigd is geneesmiddelen aan het publiek af te leveren, als bedoeld in artikel 82 van Richtlijn 2001/83/EG, wat het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland betreft, is de in het bezit van een vergunning zijnde groothandelaar niet verplicht een document bij te voegen waarmee het nummer van de fabricagepartij van de geneesmiddelen kan worden geverifieerd overeenkomstig artikel 82, eerste alinea, laatste streepje, van die richtlijn.
Artikel 4
Specifieke regels voor geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening die tot de in artikel 3, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 726/2004 bedoelde categorieën behoren
1. Een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening dat behoort tot de in artikel 3, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 726/2004 bedoelde categorieën en waarvoor overeenkomstig artikel 10 van die verordening een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, mag niet in de handel worden gebracht in Noord-Ierland.
2. Niettegenstaande lid 1 van dit artikel mag een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening dat behoort tot de in artikel 3, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 726/2004 bedoelde categorieën, in Noord-Ierland in de handel worden gebracht op voorwaarde dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben een vergunning verleend voor het in de handel brengen van het geneesmiddel overeenkomstig het recht van het Verenigd Koninkrijk en onder de voorwaarden van de door hen verleende vergunning; |
|
b) |
het betrokken geneesmiddel is geëtiketteerd overeenkomstig artikel 5 van deze verordening; |
|
c) |
het Verenigd Koninkrijk heeft overeenkomstig artikel 8 van deze verordening schriftelijke garanties aan de Commissie gegeven. |
Artikel 5
Specifieke regels voor de etikettering van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1
Geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, worden voorzien van een individueel etiket dat aan de volgende vereisten voldoet:
|
a) |
het wordt op een opvallende plaats op de verpakking van het geneesmiddel aangebracht en is goed zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar; andere aanduidingen, afbeeldingen of ander materiaal mogen het etiket in geen geval verbergen, minder zichtbaar maken, aan de aandacht onttrekken of onderbreken; |
|
b) |
het bevat de woorden “UK only”. |
Artikel 6
Toezicht op geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1
De bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk houdt voortdurend toezicht op het in de handel brengen in Noord-Ierland van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, en op de effectieve handhaving van de specifieke regels van de artikelen 3, 4 en 5.
Artikel 7
Verbod op het verkeer naar of het in de handel brengen in een lidstaat van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1
1. Geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, mogen niet van Noord-Ierland naar een lidstaat worden verplaatst of in een lidstaat in de handel worden gebracht.
2. De lidstaten passen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toe in geval van niet-naleving van de in deze verordening vastgestelde specifieke regels.
Artikel 8
Door het Verenigd Koninkrijk aan de Commissie gegeven schriftelijke garanties
Het Verenigd Koninkrijk geeft de Commissie schriftelijke garanties dat het in de handel brengen van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1, het risico voor de volksgezondheid op de interne markt niet verhoogt en dat die geneesmiddelen niet naar een lidstaat zullen worden verplaatst, met inbegrip van garanties dat:
|
a) |
de marktdeelnemers de etiketteringsvoorschriften van artikel 5 naleven; |
|
b) |
er is voorzien in doeltreffend toezicht op en handhaving en controles van de specifieke regels van de artikelen 3, 4 en 5, die onder meer worden uitgevoerd door middel van inspecties en audits. |
Artikel 9
Schorsing van de in de artikelen 3, 4 en 5 vastgestelde specifieke regels
1. De Commissie houdt voortdurend toezicht op de toepassing van de in de artikelen 3, 4 en 5 vastgestelde specifieke regels door het Verenigd Koninkrijk.
2. Indien er bewijs is dat het Verenigd Koninkrijk geen passende maatregelen neemt om ernstige of herhaalde inbreuken op de in de artikelen 3, 4 en 5 vastgestelde specifieke regels aan te pakken, stelt de Commissie het Verenigd Koninkrijk daarvan in kennis door middel van een schriftelijke kennisgeving.
Gedurende een periode van drie maanden na de datum van de schriftelijke kennisgeving bedoeld in de eerste alinea treedt de Commissie in overleg met het Verenigd Koninkrijk om de situatie die aanleiding gaf tot die schriftelijke kennisgeving te verhelpen. In gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie die termijn met drie maanden verlengen.
3. Indien de situatie die aanleiding gaf tot de in lid 2, eerste alinea, van dit artikel bedoelde schriftelijke kennisgeving niet binnen de in lid 2, tweede alinea, van dit artikel bedoelde termijn wordt verholpen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig de artikelen 10 en 11 een gedelegeerde handeling vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door te specificeren welke van de in lid 1 van dit artikel bedoelde specifieke regels tijdelijk of permanent worden geschorst.
4. Wanneer een gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 van dit artikel is vastgesteld, zijn de specifieke regels van de artikelen 3, 4, of 5 zoals aangegeven in die gedelegeerde handeling niet langer van toepassing vanaf de eerste dag van de maand volgende op de inwerkingtreding van die gedelegeerde handeling.
5. Indien de situatie die aanleiding gaf tot de vaststelling van de gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 van dit artikel is verholpen, stelt de Commissie overeenkomstig de artikelen 10 en 11 een gedelegeerde handeling vast teneinde deze verordening aan te vullen door te specificeren welke geschorste specifieke regels van de artikelen 3, 4 en 5 opnieuw van toepassing zullen worden.
6. Indien een gedelegeerde handeling is vastgesteld overeenkomstig lid 5 van dit artikel, zijn de specifieke regels van de artikelen 3, 4 en 5, zoals aangegeven in die gedelegeerde handeling, opnieuw van toepassing vanaf de eerste dag van de maand volgende op de inwerkingtreding van die gedelegeerde handeling.
Artikel 10
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 9 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de in artikel 14 bedoelde datum van toepassing. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 9 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 11
Spoedprocedure
1. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.
2. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 10, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.
Artikel 12
Overgangsbepalingen voor vrijwaringsvereisten
Geneesmiddelen die vóór de in artikel 14 bedoelde toepassingsdatum in Noord-Ierland rechtmatig in de handel zijn gebracht en die na die datum niet opnieuw worden verpakt of geëtiketteerd, mogen tot hun vervaldatum in Noord-Ierland verder op de markt worden aangeboden zonder dat zij hoeven te voldoen aan de specifieke regels van de artikelen 3, 4 en 5.
Artikel 13
Wijziging van Richtlijn 2001/83/EG
Artikel 5 bis van Richtlijn 2001/83/EG wordt geschrapt met ingang van de in artikel 14 van deze verordening bedoelde datum van toepassing.
Artikel 14
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2025, op voorwaarde dat het Verenigd Koninkrijk de in artikel 8 bedoelde schriftelijke garanties heeft gegeven en dat de Commissie vóór die datum het in de vijfde alinea van dit artikel bedoelde bericht heeft bekendgemaakt.
Indien die schriftelijke garanties vóór 1 januari 2025 of later dan die datum worden gegeven, is deze verordening van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het Verenigd Koninkrijk die schriftelijke garanties heeft gegeven.
Binnen één maand na de ontvangst van die schriftelijke garanties, verstrekt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag met haar beoordeling van die garanties.
De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekend met vermelding van de datum waarop deze verordening van toepassing wordt.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 14 juni 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) Advies van 27 april 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 9 mei 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 mei 2023.
(3) Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).
(4) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(5) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 van de Commissie van 2 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van gedetailleerde regels voor de veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 32 van 9.2.2016, blz. 1).
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1183 VAN DE RAAD
van 19 juni 2023
tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1183/2005 betreffende bepaalde specifieke beperkende maatregelen met het oog op de situatie in de Democratische Republiek Congo
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1183/2005 van de Raad van 18 juli 2005 betreffende bepaalde specifieke beperkende maatregelen met het oog op de situatie in de Democratische Republiek Congo (1), en met name artikel 9, lid 2,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 18 juli 2005 Verordening (EG) nr. 1183/2005 vastgesteld. |
|
(2) |
Na de arresten van het Gerecht in zaken T-93/22 (2) en T-94/22 (3) moeten twee vermeldingen geschrapt worden van de lijst van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 1183/2005. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1183/2005 moet daarom dienovereenkomstig gewijzigd worden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 1183/2005 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
E. BUSCH
(1) PB L 193 van 23.7.2005, blz. 1.
(2) Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023, Ramazani Shadary tegen Raad, T-93/22, ECLI:EU:T:2023:122.
(3) Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023, Mutondo tegen Raad, T-94/22, ECLI:EU:T:2023:120.
BIJLAGE
De volgende vermeldingen worden geschrapt van de lijst in deel A (“Personen”) van bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 1183/2005:
|
“8. |
Emmanuel Ramazani SHADARY; |
|
9. |
Kalev MUTONDO.”. |
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/11 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/1184 VAN DE COMMISSIE
van 10 februari 2023
ter aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (1), en met name artikel 27, lid 3, zevende alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn belangrijk voor het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in sectoren die naar verwachting afhankelijk zijn van gasvormige en vloeibare brandstoffen op de lange termijn, zoals de zee- en luchtvaart. Het is noodzakelijk om een gemeenschappelijke Uniemethode te bepalen die voorziet in gedetailleerde regels voor het als volledig hernieuwbaar beschouwen van elektriciteit die wordt gebruikt voor vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong. Hiervoor en gezien de totale milieudoelstellingen uit Richtlijn (EU) 2018/2001 is het noodzakelijk om duidelijke regels vast te stellen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. In principe worden vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong die met elektriciteit worden geproduceerd, uitsluitend als hernieuwbaar beschouwd wanneer de elektriciteit hernieuwbaar is. Deze hernieuwbare elektriciteit kan worden geleverd door een installatie die rechtstreeks is aangesloten op de installatie (doorgaans een elektrolyse-installatie) die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong produceert, of kan rechtstreeks van het net komen. |
|
(2) |
De energie-inhoud van bijna alle hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong is gebaseerd op hernieuwbare waterstof die door elektrolyse is geproduceerd. De emissie-intensiteit van waterstof die is geproduceerd met elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen, is aanzienlijk hoger dan de emissie-intensiteit van waterstof die met conventionele processen is geproduceerd van aardgas. Het is daarom belangrijk om te waarborgen dat in de elektriciteitsvraag voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt voorzien met hernieuwbare elektriciteit. Na de Russische invasie in Oekraïne is de noodzaak van een snelle overgang naar schone energie en de vermindering van de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen voor de Unie nog duidelijker en sterker geworden. In de mededeling van REPowerEU (2) zette de Commissie haar strategie uiteen om ruim voor het einde van het decennium onafhankelijk te worden van Russische fossiele brandstoffen. Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en het verlagen van de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen in het algemeen spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom zijn de vast te stellen criteria ook belangrijk om te voorkomen dat de elektriciteitsvraag voor de productie van waterstof die nodig is voor hernieuwbare transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, zou leiden tot meer ingevoerde fossiele brandstoffen uit Rusland voor de productie van de benodigde elektriciteit. |
|
(3) |
De regels van deze verordening zijn van toepassing ongeacht of de vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd. Wanneer wordt verwezen naar de concepten biedzone en onbalansverrekeningsperiode, die in de Unie wel bestaan maar niet in alle andere landen, is het gepast om brandstofproducenten in derde landen zich te laten verlaten op equivalente concepten, mits de doelstelling van deze verordening behouden blijft en de bepaling wordt uitgevoerd op basis van het meest vergelijkbare concept dat in het desbetreffende derde land bestaat. In geval van biedzones kan een dergelijk concept vergelijkbare marktregels, de fysieke kenmerken van het elektriciteitsnet, met name het interconnectieniveau, of in laatste instantie het land inhouden. |
|
(4) |
Het feit dat de waterstofindustrie, haar waardeketen en de markt nog in opkomst zijn, betekent dat de planning en bouw van hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties en installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren, vaak tijdens de vergunningsprocedures en door andere onverwachte obstakels aanzienlijke vertraging oplopen, ondanks het feit dat deze volgens de planning tegelijkertijd in werking worden gesteld. Het is daarom met het oog op de praktische haalbaarheid gepast om een termijn van maximaal 36 maanden te overwegen bij het vaststellen of een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in werking wordt gesteld na of tegelijkertijd met de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert. Door hernieuwbare elektriciteit voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong te verkrijgen via een rechtstreekse aansluiting van een installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert en niet is aangesloten op het net, wordt aangetoond dat de elektriciteit in deze installatie wordt geproduceerd. Indien de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert en de installatie die waterstof produceert niet alleen rechtstreeks zijn aangesloten maar ook zijn aangesloten op het net, moet worden bewezen dat de elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren via de rechtstreekse aansluiting wordt geleverd. De installatie die via een rechtstreekse aansluiting elektriciteit levert voor waterstofproductie moet altijd hernieuwbare elektriciteit leveren. Indien deze niet-hernieuwbare elektriciteit levert, mag de waterstof die daaruit wordt verkregen, niet als hernieuwbaar worden beschouwd. |
|
(5) |
In biedzones waar hernieuwbare elektriciteit al het grootste aandeel vertegenwoordigt, moet elektriciteit die van het net wordt afgenomen als volledig hernieuwbaar worden beschouwd mits het aantal uren werking van de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong beperkt wordt tot het aandeel hernieuwbare elektriciteit in de biedzone. Alle productie die dit aandeel overschrijdt, wordt als niet-hernieuwbaar beschouwd. Het is niet nodig om extra installaties die hernieuwbare elektriciteit produceren op te zetten, aangezien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het met het produceren van hernieuwbare waterstof in een biedzone waar het aandeel hernieuwbare energie meer dan 90 % bedraagt, kan worden voldaan aan een broeikasgasemissiereductie van 70 % zoals vermeld in artikel 25, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en dat dit uitdagingen voor de werking van het elektriciteitssysteem kan opleveren. |
|
(6) |
Op dezelfde manier zijn in biedzones, waar de emissie-intensiteit van elektriciteit minder dan 18 gCO2eq/MJ bedraagt, geen extra installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit nodig om de emissiereductie van 70 % voor hernieuwbare waterstof te bereiken. In dergelijke gevallen moet elektriciteit die van het net wordt afgenomen, als volledig hernieuwbaar worden beschouwd, mits de hernieuwbare eigenschappen van die elektriciteit worden aangetoond door middel van overeenkomsten voor de afname van hernieuwbare elektriciteit en door de toepassing van criteria inzake tijdelijke en geografische correlatie. In geval van niet-naleving van deze voorwaarden en criteria zou elektriciteit die voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen wordt gebruikt, niet als volledig hernieuwbaar kunnen worden aangemerkt. |
|
(7) |
Het is bovendien gepast om elektriciteit die van het net wordt afgenomen als volledig hernieuwbaar te beschouwen op momenten waarop de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong de integratie van het opwekken van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem ondersteunt en de noodzaak voor redispatching van het opwekken van hernieuwbare elektriciteit verlaagt. |
|
(8) |
In alle andere gevallen moet de productie van hernieuwbare waterstof de inzet van nieuwe capaciteit voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit stimuleren en plaatsvinden op momenten en plaatsen waar hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is (tijdelijke en geografische correlatie) om stimulansen voor het opwekken van meer elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen te voorkomen. Gezien het feit dat de planning en bouw van installaties die hernieuwbare elektriciteit opwekken tijdens de vergunningsprocedures vaak aanzienlijke vertraging oplopen, is het gepast een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie als nieuw te beschouwen indien deze niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert in werking is gesteld. |
|
(9) |
Stroomafnameovereenkomsten zijn een geschikt middel om de inzet van nieuwe capaciteit voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, mits deze nieuwe capaciteit geen financiële steun ontvangt aangezien de hernieuwbare waterstof al wordt ondersteund omdat deze in aanmerking komt om te worden meegeteld voor de verplichting voor brandstofleveranciers uit artikel 25 van Richtlijn (EU) 2018/2001. Als alternatief zouden brandstofproducenten ook in de capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit die zij zelf bezitten, de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit kunnen produceren die voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong vereist is. De opzegging van de stroomafnameovereenkomst mag niet nadelig zijn voor de mogelijkheid van de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert om nog altijd als nieuwe installatie te worden beschouwd wanneer deze onder een nieuwe stroomafnameovereenkomst valt. Bovendien kan een uitbreiding van de installatie die hernieuwbare waterstof produceert waarmee de productiecapaciteit wordt verhoogd, worden geacht in werking te worden gesteld op hetzelfde moment als de originele installatie. Hiermee wordt voorkomen dat er steeds als er een uitbreiding is mogelijk stroomafnameovereenkomsten met verschillende installaties moeten worden gesloten, waardoor de administratieve last wordt verlaagd. Financiële steun die wordt terugbetaald of financiële steun voor land of netaansluitingen voor de faciliteit die hernieuwbare energie opwekt, moet niet als bedrijfssteun of investeringssteun worden beschouwd. |
|
(10) |
Vanwege het fluctuerende karakter van sommige hernieuwbare energiebronnen, waaronder wind- en zonne-energie, en de congestie van het elektriciteitsnet kan het zijn dat er niet voortdurend hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is voor de productie van hernieuwbare waterstof. Het is daarom gepast om regels vast te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat er hernieuwbare waterstof wordt geproduceerd op momenten en plaatsen waar hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is. |
|
(11) |
Om te bewijzen dat hernieuwbare waterstof wordt geproduceerd wanneer er hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is, moeten waterstofproducenten aantonen dat de productie van hernieuwbare waterstof in dezelfde kalendermaand plaatsvindt als de productie van de hernieuwbare elektriciteit, dat de elektrolyse-installatie opgeslagen hernieuwbare elektriciteit gebruikt, of dat de elektrolyse-installatie elektriciteit gebruikt op momenten waarop de elektriciteitsprijzen zo laag zijn dat de opwekking van elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen economisch niet haalbaar is, waardoor de extra vraag naar elektriciteit zorgt voor de productie van meer hernieuwbare elektriciteit en niet voor de opwekking van meer fossiele elektriciteit. Het criterium voor synchronisatie moet strikter worden wanneer er markten, infrastructuren en technologieën beschikbaar komen die een snelle aanpassing van de waterstofproductie en de synchronisatie van de elektriciteitsopwekking en waterstofproductie mogelijk maken. |
|
(12) |
Biedzones zijn ontworpen om netcongestie binnen de zone te voorkomen. Om te waarborgen dat er geen congestie van het elektriciteitsnet is tussen de elektrolyse-installatie die hernieuwbare waterstof produceert en de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, is het gepast om te vereisen dat beide installaties zich in dezelfde biedzone bevinden. Wanneer deze zich in onderling verbonden biedzones bevinden, moet de elektriciteitsprijs in de biedzone waar de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie zich bevindt gelijk zijn aan of hoger zijn dan in de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd, zodat er wordt bijgedragen aan het verminderen van congestie. Een andere optie is dat de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie zich volgens de stroomafnameovereenkomst moet bevinden in een biedzone op zee die verbonden is met de biedzone waar de elektrolyse-installatie zich bevindt. |
|
(13) |
Om nationale kenmerken van de biedzones aan de orde te stellen en de geïntegreerde planning van elektriciteits- en waterstofnetwerken te ondersteunen, moeten lidstaten de bevoegdheid krijgen extra criteria vast te stellen over de locatie van elektrolyse-installaties in biedzones. |
|
(14) |
Brandstofproducenten kunnen verschillende opties voor het meetellen van elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, flexibel combineren, mits er voor elke elektriciteitseenheid slechts één optie wordt toegepast. Om te controleren of de regels naar behoren zijn nageleefd, is het gepast om brandstofleveranciers te verzoeken grondig te documenteren welke opties er zijn toegepast voor het verkrijgen van hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong. Vrijwillige en nationale systemen zullen naar verwachting een belangrijke rol spelen bij de uitvoering en certificering van de regels in derde landen aangezien de lidstaten verplicht worden het bewijs uit erkende vrijwillige systemen te aanvaarden. |
|
(15) |
De artikelen 7 en 19 van Richtlijn (EU) 2018/2001 bevatten voldoende waarborgen dat de hernieuwbare kenmerken van elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare waterstof slechts één keer en slechts in één sector van eindgebruik worden aangevoerd. In artikel 7 van die richtlijn wordt gewaarborgd dat hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong bij de berekening van het totale aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie niet in aanmerking worden genomen, omdat de hernieuwbare energie om deze te produceren al in aanmerking is genomen. Met artikel 19 van die richtlijn moet worden voorkomen dat zowel de producent van de hernieuwbare elektriciteit als de producent van de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong die met die elektriciteit worden geproduceerd garanties van oorsprong kunnen ontvangen door te waarborgen dat de garanties van oorsprong die aan de producent van hernieuwbare elektriciteit worden afgegeven, worden geschrapt. |
|
(16) |
De uitvoering van tijdelijke correlatie wordt op de korte termijn belemmerd door technologische barrières voor het meten van afstemming per uur, de uitdagende gevolgen voor het ontwerp van elektrolyse-installaties en het ontbreken van waterstofinfrastructuur die de opslag en het transport van hernieuwbare waterstof naar eindgebruikers die een voortdurende toevoer van waterstof nodig hebben, mogelijk maken. Om de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong te kunnen opvoeren, moeten de criteria voor tijdelijke correlatie daarom in de beginfase flexibeler zijn zodat marktdeelnemers in staat zijn de benodigde technische oplossingen in te voeren. |
|
(17) |
Vanwege de tijd die nodig is voor de planning en bouw van hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties en het gebrek aan nieuwe hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties die geen steun ontvangen, moeten de voorschriften uit artikel 5, punten a) en b) van deze verordening pas in een later stadium van toepassing zijn. |
|
(18) |
Met de uitvoering van de Europese Green Deal moet de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen voor het opwekken van elektriciteit in de loop der tijd afnemen en moet het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen toenemen. De Commissie moet deze ontwikkeling nauwlettend volgen en de effecten van de in deze verordening vastgestelde vereisten evalueren, met name de geleidelijke verstrenging van de vereisten inzake tijdelijke correlatie, met betrekking tot productiekosten, broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem, en uiterlijk op 1 juli 2028 een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld om te bepalen wanneer elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong als volledig hernieuwbaar kan worden beschouwd. Deze regels zijn van toepassing op de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong door middel van elektrolyse en analoog op minder gebruikelijke productiewijzen.
Deze zijn van toepassing ongeacht of de vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“biedzone”: biedzone zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 65, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (3) voor de lidstaten of een equivalent concept voor derde landen; |
|
2) |
“directe lijn”: directe lijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (4); |
|
3) |
“hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie”: afzonderlijke eenheden of groepen eenheden die op één of meer locaties elektriciteit produceren uit dezelfde of verschillende hernieuwbare bronnen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001, met uitzondering van eenheden die elektriciteit produceren uit biomassa en opslageenheden; |
|
4) |
“brandstofproducent”: een marktdeelnemer die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert; |
|
5) |
“in werking worden gesteld”: aanvangen met de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of hernieuwbare elektriciteit, voor de eerste maal of na een repowering zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001, waarvoor investeringen nodig zijn die meer dan 30 % bedragen van de investeringen die nodig zouden zijn om een vergelijkbare nieuwe installatie te bouwen; |
|
6) |
“slimme-metersysteem”: een slimme-metersysteem zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 23, van Richtlijn (EU) 2019/944; |
|
7) |
“onbalansverrekeningsperiode”: een onbalansverrekeningsperiode zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) 2019/943 binnen de Unie of een equivalent concept voor derde landen. |
Artikel 3
Regels voor het meetellen van elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie als volledig hernieuwbaar
Om aan te tonen dat is voldaan aan de criteria van artikel 27, lid 3, vijfde alinea, van Richtlijn (EU) 2018/2001, verstrekt de brandstofproducent voor het als volledig hernieuwbaar meetellen van elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, bewijs over de volgende zaken:
|
a) |
de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties zijn via een directe lijn aangesloten op de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert of de productie van hernieuwbare elektriciteit en de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong vinden plaats in dezelfde installatie; |
|
b) |
de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties zijn niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert in werking gesteld. Wanneer aan een bestaande installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert productiecapaciteit wordt toegevoegd, wordt de toegevoegde capaciteit beschouwd als onderdeel van de bestaande installatie, mits die capaciteit op dezelfde locatie en niet langer dan 36 maanden nadat de oorspronkelijke installatie in werking is gesteld is toegevoegd; |
|
c) |
de installatie die elektriciteit produceert is niet aangesloten op het net of een slimme-metersysteem dat alle elektriciteitsstromen meet laat, indien de installatie wel op het net is aangesloten, zien dat er geen elektriciteit van het net is afgenomen om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren. |
Indien de brandstofproducent ook elektriciteit van het net gebruikt, kan deze als volledig hernieuwbaar meetellen indien is voldaan aan de regels van artikel 4.
Artikel 4
Algemene regels voor het als volledig hernieuwbaar meetellen van elektriciteit van het net
1. Brandstofproducenten kunnen van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar meetellen als de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert zich in een biedzone bevindt waar het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar meer dan 90 % bedroeg en de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong het maximumaantal uren dat is vastgesteld in verband met het aandeel hernieuwbare elektriciteit in de biedzone niet overschrijdt.
Dit maximumaantal uren wordt berekend door het aantal uren in elk kalenderjaar te vermenigvuldigen met het aandeel hernieuwbare elektriciteit dat is gerapporteerd voor de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd. Het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit wordt vastgesteld door het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de biedzone, dat is berekend naar analogie van de regels van artikel 7, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001, te delen door de bruto-elektriciteitsproductie uit alle energiebronnen zoals gedefinieerd in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5), met uitzondering van water dat eerder naar een hoger gelegen positie is gepompt, plus invoer minus uitvoer van elektriciteit naar de biedzone. Zodra het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit in een kalenderjaar meer dan 90 % bedraagt, wordt dit de vijf daaropvolgende kalenderjaren steeds als hoger dan 90 % beschouwd.
2. Indien niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, mogen brandstofproducenten van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar aanmerken wanneer de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, gelegen is in een biedzone waar de emissie-intensiteit van elektriciteit lager is dan 18 gCO2eq/MJ, mits aan de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
de brandstofproducenten hebben rechtstreeks of via een tussenpersoon een of meer hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten gesloten met marktdeelnemers die in een of meer hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties hernieuwbare elektriciteit opwekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt en de als dusdanig aangemerkte elektriciteit daadwerkelijk in deze installatie of installaties wordt geproduceerd; |
|
b) |
de voorwaarden inzake tijdelijke en geografische correlatie overeenkomstig de artikelen 6 en 7 zijn vervuld; De emissie-intensiteit van elektriciteit wordt bepaald volgens de benadering voor de berekening van de gemiddelde koolstofintensiteit van netstroom in de methode voor de vaststelling van de reductie van broeikasgasemissies uit hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 28, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 genomen gedelegeerde handeling op basis van de meest recente beschikbare gegevens. Zodra de emissie-intensiteit van elektriciteit in een kalenderjaar minder dan 18 gCO2eq/MJ bedraagt, wordt deze de vijf daaropvolgende kalenderjaren steeds als lager dan 18 gCO2eq/MJ beschouwd. |
3. Van het net afgenomen elektriciteit die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren, kan ook als volledig hernieuwbaar worden meegeteld als de elektriciteit die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren, wordt verbruikt tijdens een onbalansverrekeningsperiode gedurende welke de brandstofproducent op basis van bewijs van de nationale transmissiesysteembeheerder kan aantonen dat:
|
a) |
er sprake is van neerwaartse redispatching van stroomopwekkingsinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2019/943; |
|
b) |
de elektriciteit die wordt verbruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong, de noodzaak van redispatching met een overeenkomstige hoeveelheid heeft verlaagd. |
4. Wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van de leden 1, 2 en 3, kunnen brandstofproducenten van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar meetellen indien deze overeenkomstig artikelen 5, 6 en 7 voldoet aan de voorwaarden inzake additionaliteit, tijdelijke correlatie en geografische correlatie.
Artikel 5
Additionaliteit
De voorwaarde van additionaliteit bedoeld in artikel 4, lid 4, eerste alinea, wordt vervuld geacht indien brandstofproducenten in hun eigen installaties een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit produceren die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt, of rechtstreeks of via een tussenpersoon een of meer afnameovereenkomsten voor hernieuwbare stroom hebben gesloten met marktdeelnemers die in een of meer installaties hernieuwbare stroom opwekken voor een bedrag aan dat ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt, en de als dusdanig aangemerkte elektriciteit daadwerkelijk in deze installatie of installaties wordt geproduceerd, mits aan de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
de installatie voor opwekking van hernieuwbare elektriciteit is niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, in werking gesteld. Wanneer een installatie voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit op grond van een stroomafnameovereenkomst met een brandstofproducent die is afgelopen, aan de vereisten van de eerste alinea van dit lid heeft voldaan, wordt deze geacht in werking te zijn gesteld op hetzelfde moment als de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert op grond van een nieuwe hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst. Wanneer aan een bestaande installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, extra productiecapaciteit wordt toegevoegd, wordt de toegevoegde capaciteit geacht tegelijk met de oorspronkelijke installatie in werking te zijn gesteld, mits de capaciteit op dezelfde locatie en niet langer dan 36 maanden nadat de oorspronkelijke installatie in werking is gesteld, is toegevoegd. |
|
b) |
De hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie heeft geen steun ontvangen in de vorm van bedrijfssteun of investeringssteun, met uitzondering van steun die installaties hebben ontvangen vóór hun repowering, financiële steun voor land- of netaansluitingen, steun die geen netsteun vormt, zoals steun die volledig is terugbetaald en steun voor hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties die leveren aan installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren voor gebruik in onderzoek, tests en demonstraties. |
Artikel 6
Tijdelijke correlatie
Tot en met 31 december 2029 wordt de voorwaarde van tijdelijke correlatie bedoeld in artikel 4, leden 2 en 4, vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd in dezelfde kalendermaand als de hernieuwbare elektriciteit die is geproduceerd in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst of uit hernieuwbare elektriciteit van een nieuwe opslagfaciliteit die zich achter hetzelfde netwerkaansluitingspunt bevindt als de elektrolyse-installatie of de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, die in rekening is gebracht in hetzelfde kwartaal van het kalenderjaar waarin de elektriciteit in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst is geproduceerd.
Vanaf 1 januari 2030 wordt de voorwaarde van tijdelijke correlatie vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd in dezelfde periode van één uur als de hernieuwbare elektriciteit geproduceerd in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst of uit hernieuwbare elektriciteit van een nieuwe opslagfaciliteit die zich achter hetzelfde netwerkaansluitingspunt bevindt als de elektrolyse-installatie of de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, die in rekening is gebracht gedurende dezelfde periode van één uur waarin de elektriciteit in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst is geproduceerd. Na aanmelding bij de Commissie kunnen lidstaten de in dit lid neergelegde regels toepassen met ingang van 1 juli 2027 voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong die op hun grondgebied is geproduceerd.
De voorwaarde van tijdelijke correlatie wordt altijd vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd gedurende de periode van één uur waarin de clearingprijs van elektriciteit die voortkomt uit de eenvormige day-aheadkoppeling in de biedzone, als bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie (6), lager is dan of gelijk is aan 20 EUR per MWh of lager is dan 0,36 maal de prijs van een emissierecht om tijdens de desbetreffende periode een ton kooldioxide-equivalent uit te stoten om te voldoen aan de voorschriften uit Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).
Artikel 7
Geografische correlatie
1. De voorwaarden van geografische correlatie als bedoeld in artikel 4, leden 2 en 4, worden vervuld geacht indien aan ten minste een van de volgende criteria met betrekking tot de locatie van de elektrolyse-installaties is voldaan:
|
a) |
de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst bevindt zich, of bevond zich op het moment waarop deze in werking is gesteld, in dezelfde biedzone als de elektrolyse-installatie; |
|
b) |
de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie bevindt zich in een onderling verbonden biedzone, onder andere in een andere lidstaat, en de elektriciteitsprijzen in de desbetreffende periode op de day-aheadmarkt als bedoeld in artikel 6 in de onderling verbonden biedzone is gelijk aan of hoger dan in de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd; |
|
c) |
de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst bevindt zich in een biedzone op zee die onderling is verbonden met de biedzone waar de elektrolyse-installatie zich bevindt. |
2. Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Verordening (EU) 2019/943 kunnen lidstaten extra criteria over de locatie van elektrolyse-installaties en de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert toevoegen aan de criteria van lid 1, om te waarborgen dat capaciteitsuitbreidingen verenigbaar zijn met de nationale planning van het waterstof- en elektriciteitsnet. Eventuele extra criteria mogen de werking van de interne elektriciteitsmarkt niet negatief beïnvloeden.
Artikel 8
Gemeenschappelijke regels
Brandstofproducenten verstrekken betrouwbare informatie waarmee wordt aangetoond dat aan alle voorschriften van de artikelen 3 tot en met 7 is voldaan, inclusief indien relevant voor elk uur:
|
a) |
de hoeveelheid elektriciteit die is gebruikt voor het produceren van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong, die op de volgende wijze is uitgesplitst:
|
|
b) |
de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die is opgewekt door hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties, ongeacht of deze rechtstreeks zijn aangesloten op een elektrolyse-installatie en ongeacht of de hernieuwbare elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong of voor andere doeleinden; |
|
c) |
de hoeveelheden hernieuwbare en niet-hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong die door de brandstofproducent worden geproduceerd. |
Artikel 9
Certificering van naleving
Ongeacht of de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd, kunnen brandstofproducenten gebruikmaken van nationale of internationale vrijwillige systemen die door de Commissie zijn erkend overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, om aan te tonen dat is voldaan aan de criteria van de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening, overeenkomstig artikel 8 indien van toepassing.
Wanneer een brandstofproducent bewijs of gegevens verstrekt die zijn verkregen in overeenstemming met een systeem waarover is besloten overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, vragen lidstaten de leveranciers van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, voor zover dat besluit betrekking heeft op het aantonen van de naleving van artikel 27, lid 3, vijfde en zesde alinea, van die richtlijn door het systeem, niet om nader bewijs van de naleving van de criteria van deze verordening.
Artikel 10
Verslaglegging
Uiterlijk op 1 juli 2028 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van het effect van de tijdelijke correlatie, op de productiekosten, de broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem.
Artikel 11
Overgangsfase
Artikel 5, punten a) en b), zijn pas na 1 januari 2038 van toepassing op installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren die vóór 1 januari 2028 in werking worden gesteld. Deze vrijstelling is niet van toepassing op capaciteit die na 1 januari 2028 is toegevoegd voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong.
Artikel 12
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 februari 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(2) COM(2022) 108 final.
(3) Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).
(4) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).
(5) Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).
(6) Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24).
(7) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/20 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/1185 VAN DE COMMISSIE
van 10 februari 2023
tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van een minimumdrempel voor broeikasgasemissiereducties door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en door de methode te specificeren voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (1), en met name artikel 25, lid 2, en artikel 28, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Gezien het feit dat de broeikasgasemissies in de vervoersector aanzienlijk moeten worden verminderd en dat voor elke brandstof aanzienlijke broeikasgasemissiereducties kunnen worden gerealiseerd door onder meer technieken voor koolstofafvang en -opslag toe te passen, en gelet op de vereisten inzake broeikasgasemissiereducties voor andere brandstoffen in Richtlijn (EU) 2018/2001, moet voor alle soorten brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof een minimumdrempel voor broeikasgasemissiereductie van 70 % worden vastgesteld. |
|
(2) |
Er moeten duidelijke regels op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria worden vastgesteld voor de berekening van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en hun fossiele referentiebrandstoffen. |
|
(3) |
In de boekhoudingmethode voor broeikasgasemissies moet rekening worden gehouden met de emissies ten gevolge van de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof gedurende de hele levenscyclus, en deze methode moet op objectieve en niet-discriminerende criteria gebaseerd zijn. |
|
(4) |
Er mogen geen kredieten worden verstrekt voor CO2-afvang die al elders in het Unierecht in aanmerking is genomen. Dit soort afgevangen CO2 mag dus niet als vermeden worden beschouwd bij het bepalen van de emissies ten gevolge van het gebruik of de bestemming van inputs. |
|
(5) |
De oorsprong van koolstof die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof is niet van belang voor het bepalen van de emissiereducties door dergelijke brandstoffen op korte termijn, aangezien er momenteel veel koolstofbronnen beschikbaar zijn en afgevangen kunnen worden terwijl er vooruitgang wordt geboekt op het gebied van decarbonisatie. In een economie die op weg is naar klimaatneutraliteit tegen 2050, zouden koolstofbronnen die kunnen worden afgevangen, op de middellange tot lange termijn schaars moeten worden en steeds meer beperkt moeten blijven tot de CO2-emissies die het moeilijkst terug te dringen zijn. Bovendien is het voortgezette gebruik van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof die koolstof uit niet-duurzame brandstof bevatten, niet verenigbaar met een traject naar klimaatneutraliteit tegen 2050, aangezien dat zou betekenen dat het gebruik van niet-duurzame brandstoffen en de bijbehorende emissies blijven voortduren. Bij het bepalen van de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, mag het afvangen van emissies door niet-duurzame brandstoffen daarom niet worden beschouwd als het vermijden van emissies voor onbepaalde tijd. Emissies die worden afgevangen bij de verbranding van niet-duurzame brandstoffen voor de productie van elektriciteit moeten tot 2035 als vermeden emissies worden beschouwd, aangezien het merendeel daarvan tegen die tijd zou moeten zijn uitgebannen, terwijl emissies die worden afgevangen bij andere toepassingen van niet-duurzame brandstoffen tot 2040 als vermeden emissies moeten worden beschouwd, aangezien die emissies langer zullen voortbestaan. Deze jaartallen zullen worden herzien in het licht van de verwezenlijking van de Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040 in de sectoren die onder Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) vallen. De Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040 moet uiterlijk zes maanden na de eerste wereldwijde evaluatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs door de Commissie worden voorgesteld, overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (3). De verwezenlijking van het streefdoel van Richtlijn 2003/87/EG bepaalt verder hoe weinig emissies er naar verwachting per sector zijn. |
|
(6) |
Emissies ten gevolge van activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, namelijk ten gevolge van industriële processen of de verbranding van niet-duurzame brandstoffen, moeten worden vermeden, ook al kunnen zij worden afgevangen en gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof. Deze emissies zijn onderworpen aan koolstofbeprijzing om, vooral, te stimuleren dat emissies door niet-duurzame brandstoffen worden teruggedrongen. Voor zover dergelijke emissies niet al in aanmerking worden genomen via doeltreffende koolstofbeprijzing, dienen ze te worden meegerekend en niet als vermeden te worden beschouwd. |
|
(7) |
Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof kunnen worden geproduceerd in diverse processen, die een mengsel van verschillende soorten brandstoffen kunnen opleveren. De methode voor de beoordeling van de broeikasgasemissiereducties moet daarom de feitelijke emissiereducties kunnen afleiden uit die processen, met inbegrip van de processen die zowel hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong als brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof opleveren. |
|
(8) |
Om de broeikasgasemissie-intensiteit van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof te bepalen, moet het aandeel van de energie-inhoud van dergelijke brandstoffen in de output van een proces worden berekend. Daartoe moet de fractie van elk type brandstof worden vastgesteld door de relevante energie-input voor het brandstoftype in kwestie te delen door de totale relevante energie-inputs in het proces. Bij de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong moet worden bepaald of de relevante elektriciteitsinput als volledig hernieuwbaar moet worden beschouwd. De relevante elektriciteitsinput moet als volledig hernieuwbaar worden aangemerkt als aan artikel 27, lid 3, vijfde en zesde alinea, van Richtlijn (EU) 2018/2001 is voldaan. Anders moet het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. Bij de productie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof kunnen alleen vloeibare of vaste afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong die niet geschikt zijn voor terugwinning van materialen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), en afvalverwerkings- en uitlaatgas van niet-hernieuwbare oorsprong die worden geproduceerd als een onvermijdelijk en onbedoeld gevolg van het productieproces in industriële installaties, als relevante energie-input voor de productie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof worden beschouwd. |
|
(9) |
De fossiele referentiebrandstof voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof moet worden vastgesteld op 94 g CO2eq/MJ, overeenkomstig de waarde die in Richtlijn (EU) 2018/2001 is vastgesteld voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa. |
|
(10) |
Het bevorderen van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof heeft voornamelijk tot doel broeikasgasemissies te verminderen door het gebruik van in aanmerking komende grondstoffen efficiënter te maken dan nu het geval is. Aangezien grondstoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof mogelijk al zijn gebruikt om energie te produceren, is het passend om bij de berekening van de broeikasgasemissies rekening te houden met de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van het gewijzigde gebruik van die inflexibele inputs. Deze aanpak moet ook worden gevolgd voor inflexibele inputs die worden verkregen in geïntegreerde processen en worden gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong te produceren. |
|
(11) |
Indien de elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit het elektriciteitsnet wordt genomen en niet als volledig hernieuwbaar wordt beschouwd, moet de gemiddelde koolstofintensiteit van de elektriciteit die wordt verbruikt in de lidstaat van productie van de brandstof worden toegepast, aangezien die de broeikasgasintensiteit van het gehele proces het best weerspiegelt. Als alternatief kunnen aan uit het elektriciteitsnet genomen elektriciteit die wordt gebruikt in het productieproces van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof die overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001 niet als volledig hernieuwbaar wordt aangemerkt, broeikasgasemissiewaarden worden toegekend op basis van het aantal uren werking van de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof produceert. Indien de elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn (EU) 2018/2001 als volledig hernieuwbaar wordt beschouwd, moet op deze elektriciteitsvoorziening een koolstofintensiteit van nul worden toegepast, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bij deze verordening wordt een minimumdrempel vastgesteld voor broeikasgasemissiereducties door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en wordt de methode gespecificeerd voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.
Artikel 2
De broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof bedragen ten minste 70 %.
Artikel 3
De broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof worden bepaald volgens de in de bijlage beschreven methode.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 februari 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(2) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25 oktober 2003, blz. 32).
(3) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(4) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
BIJLAGE
Methode voor het bepalen van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof
A. METHODE
|
1. |
Broeikasgasemissies ten gevolge van de productie en het gebruik van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof worden als volgt berekend:
E = e i + e p + e td + e u – e ccs waarbij:
Emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur worden niet in aanmerking genomen. De broeikasgasemissie-intensiteit van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof wordt bepaald door de totale emissies van het proces voor elk element van de formule te delen door de totale hoeveelheid brandstof die voortkomt uit het proces, en wordt uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof (gCO2eq/MJ brandstof). Indien een brandstof een mengsel is van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en andere brandstoffen, wordt ervan uitgegaan dat alle soorten (brandstof) dezelfde emissie-intensiteit hebben. Van deze regel wordt afgeweken in geval van gelijktijdige verwerking waarbij hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof slechts gedeeltelijk een conventionele input in een proces vervangen. In een dergelijke situatie wordt bij de berekening van de broeikasgasemissie-intensiteit op basis van de energetische waarde van de inputs een evenredig onderscheid gemaakt tussen:
Wanneer hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof tegelijk met biomassa worden verwerkt, wordt er een analoog onderscheid gemaakt tussen de processen. De broeikasgasemissie-intensiteit kan worden berekend als een gemiddelde voor alle brandstofproductie gedurende een periode van ten hoogste één kalendermaand, maar kan ook voor kortere tijdsintervallen worden berekend. Wanneer elektriciteit die volgens de methode van Richtlijn 2018/2001 als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt, als input die de calorische waarde van de brandstof of tussenproducten verhoogt, wordt gebruikt, moet het tijdsinterval in overeenstemming zijn met de vereisten voor tijdelijke correlatie. In voorkomend geval mogen de voor afzonderlijke tijdsintervallen berekende waarden van broeikasgasemissie-intensiteit worden gebruikt om een gemiddelde broeikasgasemissie-intensiteit voor een periode van ten hoogste één maand te berekenen, op voorwaarde dat de voor elke periode berekende individuele waarden voldoen aan de minimumdrempel voor reducties van 70 %. |
|
2. |
Broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof worden als volgt berekend:
reducties = (E F — E)/E F waarbij:
Voor alle hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof bedragen de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof 94 gCO2eq/MJ. |
|
3. |
Indien de output van een proces niet volledig als hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof kan worden aangemerkt, wordt hun aandeel in de totale output als volgt bepaald:
Bij materiaalinputs is de relevante energie de calorische onderwaarde van de materiaalinput die in de moleculaire structuur van de brandstof terechtkomt (1). Bij elektriciteitsinputs die worden gebruikt om de calorische waarde van de brandstof of tussenproducten te verhogen, is de relevante energie de energie van de elektriciteit. Bij rookgassen is de relevante energie de energie in het rookgas op basis van de calorische onderwaarde ervan. Bij warmte die wordt gebruikt om de calorische waarde van de brandstof of het tussenproduct te verhogen, is de relevante energie de nuttige energie in de warmte die wordt gebruikt om de brandstof te synthetiseren. Nuttige warmte is de totale warmte-energie vermenigvuldigd met het Carnotrendement, zoals gedefinieerd in bijlage V, deel C, punt 1), b), bij Richtlijn (EU) 2018/2001. Andere inputs worden alleen in aanmerking genomen bij het bepalen van de emissie-intensiteit van de brandstof. |
|
4. |
Bij het bepalen van de emissies ten gevolge van de levering van inputs wordt onderscheid gemaakt tussen flexibele en inflexibele inputs. Inflexibele inputs zijn inputs waarvan de levering niet kan worden verhoogd om aan eventuele extra vraag te voldoen. Alle inputs die kunnen worden aangemerkt als koolstofbron voor de productie van brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof zijn dus inflexibel, evenals outputs die met een vaste verhouding worden geproduceerd in een geïntegreerd proces (2) en minder dan 10 % van de economische waarde van de output vertegenwoordigen. Indien zij 10 % of meer van de economische waarde vertegenwoordigen, worden ze als flexibel beschouwd. Flexibele inputs zijn in beginsel inputs waarvan de levering kan worden verhoogd om aan eventuele extra vraag te voldoen. Aardolieproducten van raffinaderijen vallen in deze categorie, aangezien raffinaderijen de verhoudingen van hun producten kunnen veranderen. |
|
5. |
Aan elektriciteit die overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2018/2001 als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt, wordt broeikasgasneutraliteit toegekend. |
|
6. |
Per kalenderjaar wordt een van de volgende drie alternatieve methoden toegepast om broeikasgasemissiewaarden toe te kennen aan de uit het net genomen elektriciteit die overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001 niet als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt en die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof te produceren:
Indien de punt b) vastgestelde methode wordt gebruikt, wordt deze ook toegepast op elektriciteit die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof te produceren en die overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001 als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt. |
|
7. |
Broeikasgasemissies van flexibele inputs die uit een geïntegreerd proces worden verkregen, worden vastgesteld op basis van de gegevens van het daadwerkelijke productieproces ervan. Hieronder vallen alle emissies ten gevolge van de productie in de hele toeleveringsketen (waaronder emissies ten gevolge van de winning van de primaire energie die nodig is om de input te produceren, te verwerken en te vervoeren). Verbrandingsemissies in verband met het koolstofgehalte van brandstofinputs vallen hier niet onder (3).
Broeikasgasemissies van flexibele inputs die niet uit een geïntegreerd proces worden verkregen, worden daarentegen vastgesteld op basis van de waarden in deel B van deze bijlage. Indien de input niet in de lijst is opgenomen, kan informatie over de emissie-intensiteit worden gehaald uit de recentste versie van het JEC-WTW-verslag, de ECOINVENT-database, officiële bronnen zoals de IPCC, het IEA of overheden, andere gecontroleerde bronnen zoals de E3- en de GEMIS-database en collegiaal getoetste publicaties. |
|
8. |
De leverancier van elke input, met uitzondering van die waarden die zijn overgenomen uit deel B van deze bijlage, berekent de emissie-intensiteit (4) van de input volgens de procedures in dit document en rapporteert deze waarde aan de volgende productiestap of aan de eindbrandstofproducent. Deze regel geldt ook voor de leveranciers van inputs die zich meer aan het begin van de toeleveringsketen bevinden. |
|
9. |
Emissies van inflexibele inputs omvatten de emissies die voortkomen uit een veranderd gebruik van die inputs ten opzichte van een eerder of alternatief gebruik. Bij deze emissies wordt rekening gehouden met het verlies aan productie van elektriciteit, warmte of producten die eerder met de input zijn gegenereerd, alsook met eventuele emissies ten gevolge van een aanvullende behandeling van de input en vervoer. De volgende regels zijn van toepassing:
|
|
10. |
Emissies ten gevolge van gebruik of bestemming omvatten alle emissies ten gevolge van het gebruik of de bestemming van de input die worden vermeden wanneer de input wordt gebruikt voor brandstofproductie. Deze emissies omvatten het CO2-equivalent van de in de chemische samenstelling van de brandstof verwerkte koolstof die als CO2 in de atmosfeer zou zijn uitgestoten. Hieronder valt CO2 die is afgevangen en in de brandstof is verwerkt, mits aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
Afgevangen CO2 afkomstig van een brandstof die opzettelijk wordt verbrand met als specifiek doel CO2 te produceren, en CO2 voor het afvangen waarvan in het kader van andere wettelijke bepalingen emissiekredieten zijn verstrekt, vallen hier niet onder. Emissies in verband met inputs zoals elektriciteit, warmte en verbruiksmaterialen die in het proces voor het afvangen van CO2 worden gebruikt, worden bij de berekening van de aan inputs toegewezen emissies meegeteld. |
|
11. |
De in punt 10, a), vastgestelde jaartallen zullen worden herzien in het licht van de verwezenlijking van de overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde Uniebrede klimaatdoelstelling voor 2040 in de sectoren die onder Richtlijn 2003/87/EG vallen. |
|
12. |
Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten omvatten directe atmosferische emissies ten gevolge van de verwerkende activiteiten zelf, van afvalverwerking en van lekkage. |
|
13. |
Emissies ten gevolge van de verbranding van brandstof betreffen de totale verbrandingsemissies van de gebruikte brandstof. |
|
14. |
De broeikasgassen die bij emissieberekeningen in aanmerking worden genomen, alsook de kooldioxide-equivalenten daarvan, komen overeen met die van bijlage V, deel C, punt 4, bij Richtlijn (EU) 2018/2001. |
|
15. |
Wanneer een proces meerdere bijproducten oplevert, zoals brandstoffen of chemische stoffen dan wel energetische bijproducten zoals warmte, elektriciteit of mechanische energie die uit de installatie worden afgevoerd, worden de broeikasgasemissies als volgt aan deze bijproducten toegewezen:
|
|
16. |
Emissies ten gevolge van vervoer en distributie omvatten de emissies ten gevolge van de opslag en de distributie van de afgewerkte brandstoffen. Emissies die worden toegewezen aan inputs e i omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer en de opslag. |
|
17. |
Wanneer een proces voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof leidt tot koolstofemissies die voor onbeperkte duur worden opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG betreffende de geologische opslag van kooldioxide, kan dit aan de producten van het proces worden toegerekend als een reductie van de emissies onder e ccs . Emissies ten gevolge van de opslagactiviteiten (met inbegrip van het vervoer van de kooldioxide) moeten ook in aanmerking worden genomen onder e p . |
B. “STANDAARDWAARDEN” VOOR BROEIKASGASEMISSIE-INTENSITEITEN VAN FLEXIBELE INPUTS
De broeikasgasintensiteiten van andere inputs dan elektriciteit zijn weergegeven in onderstaande tabel:
|
|
Totale emissies gCO2eq/MJ |
Upstreamemissies gCO2eq/MJ |
Verbrandingsemissies gCO2eq/MJ |
|
Aardgas |
66,0 |
9,7 |
56,2 |
|
Diesel |
95,1 |
21,9 |
73,2 |
|
Benzine |
93,3 |
19,9 |
73,4 |
|
Zware stookolie |
94,2 |
13,6 |
80,6 |
|
Methanol |
97,1 |
28,2 |
68,9 |
|
Steenkool |
112,3 |
16,2 |
96,1 |
|
Bruinkool |
116,7 |
1,7 |
115,0 |
|
|
gCO2eq/kg |
|
Ammoniak |
2 351,3 |
|
Calciumchloride (CaCl2) |
38,8 |
|
Cyclohexaan |
723,0 |
|
Zoutzuur (HCl) |
1 061,1 |
|
Smeermiddelen |
947,0 |
|
Magnesiumsulfaat (MgSO4) |
191,8 |
|
Stikstof |
56,4 |
|
Fosforzuur (H3PO4) |
3 124,7 |
|
Kaliumhydroxide (KOH) |
419,1 |
|
Zuivere CaO voor processen |
1 193,2 |
|
Natriumcarbonaat (Na2CO3) |
1 245,1 |
|
Natriumchloride (NaCl) |
13,3 |
|
Natriumhydroxide (NaOH) |
529,7 |
|
Natriummethoxide (Na(CH3O)) |
2 425,5 |
|
SO2 |
53,3 |
|
Zwavelzuur (H2SO4) |
217,5 |
|
Ureum |
1 846,6 |
C. BROEIKASGASEMISSIE-INTENSITEIT VAN ELEKTRICITEIT
De broeikasgasemissie-intensiteit van elektriciteit wordt bepaald op nationaal niveau of op het niveau van biedzones. De broeikasgasemissie-intensiteit van elektriciteit kan alleen op het niveau van biedzones worden bepaald als de vereiste gegevens publiek toegankelijk zijn. Bij de berekening van de koolstofintensiteit van elektriciteit, uitgedrukt in gCO2eq/kWh elektriciteit, wordt rekening gehouden met alle potentiële primaire energiebronnen voor elektriciteitsopwekking, het type installatie, het omzettingsrendement en het eigen elektriciteitsverbruik in de elektriciteitscentrale.
Bij de berekening wordt gekeken naar alle koolstofequivalente emissies in verband met de verbranding en de levering van de brandstoffen die worden gebruikt voor elektriciteitsproductie. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid verschillende brandstoffen die in de elektriciteitsproductie-installaties worden gebruikt, de emissiefactoren voor brandstofverbranding en de emissiefactoren voor upstream-brandstofemissies.
Andere broeikasgassen dan CO2 worden overeenkomstig bijlage V, deel C, punt 4, bij Richtlijn (EU) 2018/2001 omgezet in CO2eq door ze te vermenigvuldigen met hun aardopwarmingsvermogen (GWP) in verhouding tot CO2 in een periode van honderd jaar. Er wordt geen rekening gehouden met CO2-emissies ten gevolge van de verbranding van biomassabrandstoffen omdat deze een biogene oorsprong hebben, maar wel met emissies van CH4 en N2O.
Voor de berekening van de broeikasgasemissies ten gevolge van brandstofverbranding moeten de IPCC-standaardemissiefactoren voor stationaire verbranding in de energiesector worden gebruikt (IPCC 2006). De upstreamemissies omvatten de emissies van alle processen en fasen die nodig zijn om de brandstof klaar te maken voor stroomopwekking; zij komen voort uit de winning, de raffinage en het vervoer van de brandstof die voor de elektriciteitsproductie wordt gebruikt.
Daarnaast wordt rekening gehouden met alle upstreamemissies ten gevolge van het verbouwen, oogsten, verzamelen, verwerken en vervoeren van biomassa. Turf en de bestanddelen van afvalmaterialen van fossiele oorsprong worden als fossiele brandstof behandeld.
De brandstoffen die worden gebruikt voor bruto-elektriciteitsproductie in centrales die alleen op elektriciteit werken, worden bepaald op basis van de elektriciteitsproductie en de efficiëntie van de omzetting in elektriciteit. Bij warmtekrachtkoppeling (WKK) worden de brandstoffen die worden gebruikt voor de productie van warmte door WKK, berekend op basis van alternatieve warmteproductie met een gemiddeld totaal rendement van 85 %, terwijl de rest wordt toegekend aan elektriciteitsopwekking.
Voor kerncentrales wordt aangenomen dat het omzettingsrendement van nucleaire warmte 33 % bedraagt, of er wordt gebruikgemaakt van gegevens van Eurostat of een vergelijkbare geaccrediteerde bron.
Er worden geen brandstoffen gebruikt voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen zoals waterkracht of zonne-, wind- en geothermische energie. De emissies ten gevolge van de bouw en ontmanteling en het afvalbeheer van installaties voor elektriciteitsproductie worden niet in aanmerking genomen. De koolstofequivalente emissies in verband met de productie van hernieuwbare elektriciteit (waterkracht, wind-, zonne- en geothermische energie) worden daarom geacht gelijk te zijn aan nul.
De CO2-equivalente emissies ten gevolge van bruto-elektriciteitsproductie omvatten de in tabel 3 vermelde upstreamemissies uit versie 5 van het JEC WTW-verslag (Prussi et al., 2020) en de in de tabellen 1 en 2 vermelde standaardemissiefactoren voor stationaire verbranding uit de IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen (IPCC 2006). De upstreamemissies voor de levering van de gebruikte brandstof worden berekend aan de hand van de emissiefactoren voor upstreamemissies uit versie 5 van het JEC WTW-verslag (Prussi et al., 2020).
De koolstofintensiteit van elektriciteit wordt berekend volgens de formule:
|
waarbij: |
e gross_prod |
= |
CO2-equivalente emissies |
|
|
= |
CO2-equivalente emissiefactoren voor upstreamemissies |
|
|
|
= |
CO2-equivalente emissiefactoren voor brandstofverbranding |
|
|
B i |
= |
brandstofverbruik voor elektriciteitsopwekking |
|
|
|
= |
voor elektriciteitsproductie gebruikte brandstoffen |
De hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie is afhankelijk van de bruto-elektriciteitsproductie, het eigen elektriciteitsverbruik in de elektriciteitscentrale en het elektriciteitsverlies bij pompopslag.
|
waarbij: |
E net |
= |
netto-elektriciteitsproductie |
|
E gross |
= |
bruto-elektriciteitsproductie |
|
|
E own |
= |
eigen intern elektriciteitsverbruik in elektriciteitscentrale |
|
|
E pump |
= |
elektriciteit voor oppompen |
De koolstofintensiteit van de netto geproduceerde elektriciteit komt overeen met de totale bruto broeikasgasemissies die worden uitgestoten om de netto-elektriciteit te produceren of te gebruiken:
waarbij: CI = CO2-equivalente emissies ten gevolge van elektriciteitsproductie
Gegevens over elektriciteitsproductie en brandstofverbruik
De gegevens over elektriciteitsproductie en brandstofverbruik zijn ontleend aan de gegevens en statistieken van het IEA inzake energiebalansen en met verschillende brandstoffen geproduceerde elektriciteit, bv. op de website van het IEA, onderdeel Data and Statistics (“Energy Statistics Data Browser”) (6).
De EU-lidstaten kunnen in plaats daarvan gebruikmaken van de gedetailleerdere gegevens van Eurostat. Wanneer de broeikasgasemissie-intensiteit wordt vastgesteld op het niveau van biedzones, worden gegevens uit officiële nationale statistieken gebruikt die net zo gedetailleerd zijn als de IEA-gegevens. De gegevens over brandstofverbruik omvatten de meest gedetailleerde beschikbare gegevens uit de nationale statistieken: vaste fossiele brandstoffen, fabrieksgassen, turf en turfproducten, olieschalie en oliezand, olie en aardolieproducten, aardgas, hernieuwbare energiebronnen en biobrandstoffen, niet-hernieuwbaar afval en kernenergie. Hernieuwbare energiebronnen en biobrandstoffen omvatten biobrandstoffen, hernieuwbaar stedelijk afval, waterkracht, oceaan-, wind-, zonne- en geothermische energie en warmtepompen.
Inputgegevens uit literatuurbronnen
Tabel 1
Standaardemissiefactoren voor stationaire verbranding [g/MJ brandstof als calorische onderwaarde]
|
Brandstof |
CO2 |
CH4 |
N2O |
||||
|
Vaste fossiele brandstoffen |
|
|
|
||||
|
Antraciet |
98,3 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Cokeskool |
94,6 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Andere bitumineuze kool |
94,6 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Subbitumineuze kool |
96,1 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Bruinkool |
101 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Steenkoolbriketten |
97,5 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Cokesovencokes |
107 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Gascokes |
107 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Koolteer |
80,7 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Bruinkoolbriketten |
97,5 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Fabrieksgassen |
|
|
|
||||
|
Fabrieksgas |
44,4 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Cokesovengas |
44,4 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Hoogovengas |
260 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Andere teruggewonnen gassen |
182 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Turf en turfproducten |
106 |
0,001 |
0,0015 |
||||
|
Olieschalie en oliezand |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Aardolie en aardolieproducten |
|
|
|
||||
|
Ruwe aardolie |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Aardgascondensaat |
64,2 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Raffinagegrondstoffen |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Additieven en oxygenaten |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Andere koolwaterstoffen |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Raffinaderijgas |
57,6 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Ethaan |
61,6 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Vloeibaar petroleumgas |
63,1 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Motorbenzine |
69,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Vliegtuigbenzine |
70 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Lichte reactiemotorbrandstof |
70 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Reactiemotorbrandstof van het kerosinetype |
71,5 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Andere kerosine |
71,5 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Nafta |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Gasolie en dieselolie |
74,1 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Stookolie |
77,4 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
White spirit en industriële spiritus |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Smeermiddelen |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Bitumen |
80,7 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Petroleumcokes |
97,5 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Paraffinewassen |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Overige aardolieproducten |
73,3 |
0,003 |
0,0006 |
||||
|
Aardgas |
56,1 |
0,001 |
0,0001 |
||||
|
Afval |
|
|
|
||||
|
Industrieel afval (niet-hernieuwbaar) |
143 |
0,03 |
0,004 |
||||
|
Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval |
91,7 |
0,03 |
0,004 |
||||
|
|||||||
Tabel 2
Standaardemissiefactoren voor stationaire verbranding van brandstoffen uit biomassa [g/MJ brandstof als calorische onderwaarde]
|
Brandstof |
CO2 |
CH4 |
N2O |
||
|
Primaire vaste biobrandstoffen |
0 |
0,03 |
0,004 |
||
|
Houtskool |
0 |
0,2 |
0,004 |
||
|
Biogassen |
0 |
0,001 |
0,0001 |
||
|
Hernieuwbaar huishoudelijk afval |
0 |
0,03 |
0,004 |
||
|
Zuivere biobenzine |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Gemengde biobenzine |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Zuivere biodiesel |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Gemengde biodiesel |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Zuivere bioreactiemotorkerosine |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Gemengde bioreactiemotorkerosine |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
Andere vloeibare biobrandstoffen |
0 |
0,003 |
0,0006 |
||
|
|||||
Tabel 3
Emissiefactoren voor upstream-brandstofemissies [gCO2eq/MJ brandstof als calorische onderwaarde]
|
Brandstof |
Emissiefactor |
||
|
Steenkool |
15,9 |
||
|
Bruinkool |
1,7 |
||
|
Turf |
0 |
||
|
Steenkoolgassen |
0 |
||
|
Aardolieproducten |
11,6 |
||
|
Aardgas |
12,7 |
||
|
Vaste biobrandstoffen |
0,7 |
||
|
Vloeibare biobrandstoffen |
46,8 |
||
|
Industrieel afval |
0 |
||
|
Stedelijk afval |
0 |
||
|
Biogassen |
13,7 |
||
|
Kernenergie |
1,2 |
||
|
|||
Tabel A bevat de waarden voor de broeikasgasemissie-intensiteit van elektriciteit op nationaal niveau in de Europese Unie. Indien de broeikasgasemissie-intensiteit van elektriciteit op nationaal niveau wordt bepaald, worden deze waarden gebruikt voor elektriciteit uit de Europese Unie tot er recentere gegevens beschikbaar komen om de emissie-intensiteit van elektriciteit te bepalen (7).
Tabel A
Emissie-intensiteit van elektriciteit in de Europese Unie 2020
|
Land |
Emissie-intensiteit van opgewekte elektriciteit (gCO2eq/MJ) |
||
|
Oostenrijk |
39,7 |
||
|
België |
56,7 |
||
|
Bulgarije |
119,2 |
||
|
Cyprus |
206,6 |
||
|
Tsjechië |
132,5 |
||
|
Duitsland |
99,3 |
||
|
Denemarken |
27,1 |
||
|
Estland |
139,8 |
||
|
Griekenland |
125,2 |
||
|
Spanje |
54,1 |
||
|
Finland |
22,9 |
||
|
Frankrijk |
19,6 |
||
|
Kroatië |
55,4 |
||
|
Hongarije |
72,9 |
||
|
Ierland |
89,4 |
||
|
Italië |
92,3 |
||
|
Letland |
39,4 |
||
|
Litouwen |
57,7 |
||
|
Luxemburg |
52,0 |
||
|
Malta |
133,9 |
||
|
Nederland |
99,9 |
||
|
Polen |
196,5 |
||
|
Portugal |
61,6 |
||
|
Roemenië |
86,1 |
||
|
Slowakije |
45,6 |
||
|
Slovenië |
70,1 |
||
|
Zweden |
4,1 |
||
|
|||
(1) Voor waterhoudende materiaalinputs wordt de calorische onderwaarde gesteld op de calorische onderwaarde van het droge deel van de materiaalinput (er wordt dus geen rekening gehouden met de energie die nodig is om het water te verdampen). Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong die als tussenproduct voor de productie van conventionele brandstoffen worden gebruikt, worden niet in aanmerking genomen.
(2) Tot geïntegreerde processen behoren processen die plaatsvinden in hetzelfde industriecomplex, de input leveren via een specifieke voorzieningsinfrastructuur of meer dan de helft van de energie van alle inputs leveren voor de productie van de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.
(3) Indien de koolstofintensiteit wordt overgenomen uit de tabel in deel B worden verbrandingsemissies niet in aanmerking genomen, aangezien die al in de verwerking of in de verbrandingsemissies van de eindbrandstof worden meegeteld.
(4) In overeenstemming met punt 6 omvat de emissie-intensiteit niet de emissies die verband houden met het koolstofgehalte van de geleverde input.
(5) Het gaat om de relatieve waarden van de bijproducten, dus algemene inflatie speelt geen rol.
(6) Voorbeeld: https://www.iea.org/data-and-statistics/data-tools/energy-statistics-data-browser?country=GERMANY&energy=Coal&year=202
(7) De Europese Commissie zal regelmatig geactualiseerde gegevens beschikbaar stellen.
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/34 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1186 VAN DE COMMISSIE
van 13 juni 2023
tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Kullings kalvdans” (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Zweden ingediende aanvraag tot registratie van de naam “Kullings kalvdans” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Kullings kalvdans” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam “Kullings kalvdans” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.4 (Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juni 2023.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 55 van 14.2.2023, blz. 14.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
BESLUITEN
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/35 |
BESLUIT (GBVB) 2023/1187 VAN DE RAAD
van 19 juni 2023
betreffende de ondersteuning door de Unie van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, en artikel 31, lid 1,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (“de strategie”) aangenomen, waarin wordt verklaard dat non-proliferatie, ontwapening en wapenbeheersing een essentiële bijdrage kunnen vormen in de wereldwijde strijd tegen het terrorisme, doordat zij de kans verkleinen dat niet-overheidsactoren zich toegang verschaffen tot massavernietigingswapens, radioactief materiaal en bijbehorende overbrengingsmiddelen. Hoofdstuk III van de strategie bevat een lijst van maatregelen die zowel in de Unie als in derde landen moeten worden genomen om een dergelijke verspreiding tegen te gaan. |
|
(2) |
De Unie geeft actief uitvoering aan de strategie en aan de in hoofdstuk III daarvan genoemde maatregelen, met name door ernaar te streven dat de belangrijkste verdragen, overeenkomsten en verificatieregelingen inzake ontwapening en non-proliferatie wereldwijd worden toegepast en — indien nodig — versterkt, en door financiële steun te verlenen aan specifieke projecten die worden uitgevoerd door multilaterale instellingen, zoals het Bureau van de VN voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC) en het Bureau van de VN voor terrorismebestrijding (UNOCT). |
|
(3) |
Op 13 april 2005 heeft de Algemene Vergadering van de VN haar goedkeuring gehecht aan het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme, dat op 14 september 2005 voor ondertekening is opengesteld. |
|
(4) |
In zijn op 24 mei 2018 verkondigde ontwapeningsagenda met als titel “het veiligstellen van onze gezamenlijke toekomst”, heeft de secretaris-generaal van de VN opgemerkt dat de huidige nucleaire risico’s onaanvaardbaar zijn en dat ze verder toenemen. |
|
(5) |
Op 10 december 2018 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2018/1939 (1) vastgesteld. |
|
(6) |
Op 7 juni 2021 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2021/919 (2) vastgesteld, waarbij Besluit (GBVB) 2018/1939 werd gewijzigd en de uitvoeringsperiode van dat besluit werd verlengd tot en met 30 november 2022 gezien de aanhoudende uitdagingen als gevolg van de COVID-19-pandemie. |
|
(7) |
Op 8 november 2022 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2022/2185 (3) vastgesteld, waarbij Besluit (GBVB) 2018/1939 werd gewijzigd en de uitvoeringsperiode van dat besluit nogmaals werd verlengd tot en met 30 juni 2023, gezien de aanhoudende vertraging bij de uitvoering van projectactiviteiten in het kader van Besluit (GBVB) 2018/1939 als gevolg van de impact van de COVID-19-pandemie. |
|
(8) |
Het strategisch kompas van 2022 voor veiligheid en defensie verwijst naar de aanhoudende dreiging van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, en geeft uitdrukking aan de doelstelling van de Unie om concrete acties ter ondersteuning van de doelstellingen inzake ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing te versterken. Het noemt ook de transnationale dreiging van terrorisme als een voortdurende uitdaging en de wil van de Unie om haar reactie op een betere preventie en bestrijding van terrorisme te versterken. |
|
(9) |
De technische uitvoering van dit besluit moet worden toevertrouwd aan het UNODC en aan het VN-Centrum voor terrorismebestrijding (“UN Counter-Terrorism Centre”- UNCCT) van het UNOCT. |
|
(10) |
Dit besluit moet worden uitgevoerd overeenkomstig de Financiële en Administratieve Kaderovereenkomst tussen de Europese Commissie en de VN betreffende het beheer van financiële bijdragen van de Unie aan programma’s of projecten die onder toezicht van de VN staan, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Met het oog op de uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens, de integrale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en het strategisch kompas voor veiligheid en defensie, blijft de Unie de universalisering en de doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (International Convention for the Suppression of Acts of Nuclear Terrorism — ICSANT) ondersteunen via een operationele actie.
2. De in lid 1 bedoelde actie beoogt:
|
a) |
een toename van het aantal staten dat de procedure in gang zet om partij te worden bij het ICSANT en grotere bekendheid met en kennis over het ICSANT bij de begunstigden, waaronder nationale beleidsmakers en besluitvormers, en op internationale fora; |
|
b) |
verbetering van de nationale wetgeving en verhoging van de capaciteit van strafrechtelijke ambtenaren en andere relevante nationale belanghebbenden in begunstigde landen om zaken waarin het ICSANT relevant is, te onderzoeken, te vervolgen en te berechten; |
|
c) |
versterking van beleid, praktijken en procedures om de dreiging van niet-overheidsactoren, waaronder terroristen die nucleair of ander radioactief materiaal verwerven, bezitten en/of gebruiken, te voorkomen, op te sporen en erop te reageren; |
|
d) |
verbetering van de kennis van en het inzicht in de dreiging van radiologisch en nucleair terrorisme en ander crimineel gedrag waarbij dergelijk materiaal wordt gebruikt; |
|
e) |
versterking van de nationale en internationale samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie binnen en tussen de staten die partij zijn, bij het formuleren en vaststellen van doeltreffende en praktische maatregelen om het Verdrag daadwerkelijk uit te voeren. |
3. In de bijlage wordt de in lid 1 bedoelde actie nader omschreven.
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”) is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit.
2. De technische uitvoering van de in artikel 1 bedoelde actie is in handen van het UNODC en het UNOCT.
3. Het UNODC en het UNOCT verrichten hun taken onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger. Daartoe treft de hoge vertegenwoordiger de nodige regelingen met het UNODC en het UNOCT.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde, door de Unie te financieren actie bedraagt 4 000 000,82 EUR.
2. De uitgaven die worden gefinancierd uit het in lid 1 bepaalde financieel referentiebedrag, worden beheerd overeenkomstig de voorschriften en procedures die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.
3. De Commissie ziet erop toe dat de uitgaven die worden gefinancierd uit het in lid 1 bepaalde financieel referentiebedrag, correct worden beheerd. Daartoe sluit zij bijdrageovereenkomsten met het UNODC en het UNOCT. In die bijdrageovereenkomsten wordt bepaald dat het UNODC en het UNOCT er zorg voor dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met de omvang ervan.
4. De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde overeenkomsten zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden die zich daarbij voordoen en van de datum van sluiting van de overeenkomsten.
Artikel 4
1. De hoge vertegenwoordiger brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van periodieke verslagen van het UNODC en het UNOCT. Die periodieke verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.
2. De Commissie geeft informatie over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde actie.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Dit besluit verstrijkt 36 maanden na de datum van de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde overeenkomsten. Het verstrijkt echter zes maanden na de datum van inwerkingtreding ervan indien die overeenkomsten niet binnen die termijn zijn gesloten.
Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
E. BUSCH
(1) Besluit (GBVB) 2018/1939 van de Raad van 10 december 2018 betreffende de ondersteuning door de Unie van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (PB L 314 van 11.12.2018, blz. 41).
(2) Besluit (GBVB) 2021/919 van de Raad van 7 juni 2021 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2018/1939 betreffende de ondersteuning door de Unie van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (PB L 201 van 8.6.2021, blz. 27).
(3) Besluit (GBVB) 2022/2185 van de Raad van 8 november 2022 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2018/1939 betreffende de ondersteuning door de Unie van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (PB L 288 van 9.11.2022, blz. 80).
BIJLAGE
Ondersteuning van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme
Samenvatting
Achtergrond
Het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Icsant) van 2005 is een van de 19 internationale rechtsinstrumenten tegen terrorisme, die van essentieel belang zijn voor de internationale vrede en veiligheid. Sinds maart 2023 telt Icsant 120 partijen, wat betekent dat meer dan een derde van de wereld nog niet door het verdrag wordt beschermd. Om het volledige potentieel van Icsant te verwezenlijken en vrijhavens en mazen in de wetgeving te voorkomen, blijft universalisering een belangrijke doelstelling. Toetreden tot het verdrag is echter slechts de eerste noodzakelijke stap. Een doeltreffende (wetgevende en technische) uitvoering is eveneens van cruciaal belang.
Toetreding tot Icsant houdt in dat de nodige nationale uitvoeringswetgeving wordt aangenomen zodat alle in het verdrag vastgelegde eisen op adequate wijze in de nationale rechtsstelsels worden omgezet. Daarmee wordt voorzien in een uitgebreid rechtskader voor misdrijven met nucleair of ander radioactief materiaal, met inbegrip van terroristische daden, alsook in mechanismen om dergelijke misdrijven te voorkomen en erop te reageren.
Het eerste project van de Europese Unie en de Verenigde Naties ter bevordering van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme is in 2019 van start gegaan en wordt in juni 2023 afgerond. Het vormt een belangrijk multilateraal veiligheidspartnerschap tegen de aanhoudende dreiging als gevolg van de aankoop of het gebruik van nucleair of ander radioactief materiaal door niet-overheidsactoren voor terroristische of andere criminele doeleinden. Dit is met name van belang in een tijd waarin nucleaire veiligheid wereldwijd steeds meer politieke aandacht krijgt.
Reden voor het project
Het Icsant blijft zeer relevant, niet alleen voor landen met kernmateriaal en kernenergieprogramma’s, maar ook voor alle andere landen, aangezien het ook van toepassing is op andere radioactieve stoffen die algemeen gangbaar zijn in onder meer de geneeskunde, de industrie en de landbouw. Daarom is het noodzakelijk de universalisering en doeltreffende uitvoering van het verdrag te blijven bevorderen en ondersteunen, door aan te tonen dat alle staten er baat bij hebben partij te worden bij het verdrag en terroristische en andere criminele gedragingen van niet-overheidsactoren waarbij nucleair of ander radioactief materiaal betrokken is, te voorkomen en te verbieden. De Europese Unie en de Verenigde Naties zullen in dit verband opnieuw samenwerken in het kader van een nieuw project ter ondersteuning van de universalisering en doeltreffende uitvoering van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme.
Doelstelling van het project
Het project moet er, door de universalisering en effectieve uitvoering van het Icsant te ondersteunen, voor zorgen dat er geen vrijhaven is voor wie terroristische of andere criminele handelingen met nucleair of ander radioactief materiaal pleegt of tracht te plegen.
Duur van het project
1 juli 2023-30 juni 2026 (36 maanden)
Geografisch toepassingsgebied van het project
Mondiaal, regionaal, nationaal
Aanpak van het project
Het project zal worden uitgevoerd door de afdeling terrorismepreventie (TPB) van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC), via zijn programma voor de preventie van CBRN-terrorisme, en door het VN-Bureau voor terrorismebestrijding (Unoct), via het programma van het VN-Centrum voor terrorismebestrijding (UNCCT) inzake de preventie van en respons op terrorisme door middel van massavernietigingswapens of chemische, biologische, radiologische en nucleaire wapens (“CBRN”), in nauwe samenwerking met bevoegde plaatselijke bureaus en, in voorkomend geval, internationale en niet-gouvernementele organisaties, waaronder de delegaties van de Europese Unie, het EU-initiatief inzake kenniscentra voor de beperking van CBRN-risico’s (EU CBRN CoE), de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA), het Interregionaal criminologisch en gerechtelijk VN-onderzoeksinstituut (Unicri), het VN-Bureau voor ontwapeningszaken (Unoda) en de deskundigengroep van het bij Resolutie 1540 (2004) opgerichte Comité van de VN-Veiligheidsraad.
Het project zal worden onderverdeeld in twee componenten, die worden uitgevoerd door respectievelijk het UNODC en het Unoct/UNCCT, overeenkomstig hun mandaat en deskundigheid. Dit zal ertoe leiden dat sommige outputs en activiteiten door het UNODC worden uitgevoerd, en andere door het Unoct/UNCCT. In sommige gevallen zullen beide entiteiten erbij betrokken zijn.
Het project zal voortbouwen op de activiteiten die verricht en de instrumenten die ontwikkeld zijn in de loop van het bij Besluit (GBVB) 2018/1939 van de Raad van 10 december 2018 ingestelde project.
Het zal worden uitgevoerd conform de toepasselijke resoluties van de VN-veiligheidsraad en de mondiale VN-strategie voor terrorismebestrijding, waarin met klem wordt benadrukt dat alle maatregelen ter bestrijding van terrorisme moeten stroken met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten. Bestaande internationale mensenrechtennormen en -standaarden (zoals opgenomen in verdragen, gewoonterecht en andere instrumenten) zullen in het project worden geïntegreerd.
Het project zal worden uitgevoerd op een genderbewuste manier, waarbij genderperspectieven in het gehele project worden geïntegreerd. Het zal genderperspectieven bevorderen en de genderdimensie in zijn methodiek integreren en, voor zover mogelijk, vrouwelijke en mannelijke ambtenaren gelijke kansen bieden om deel te nemen aan alle projectevenementen, waarbij de voordelen van de inclusie van vrouwelijke ambtenaren in de nationale instellingen zullen worden benadrukt. Alle feedback die wordt verzameld via enquêtes en tests vóór en na de workshop zal worden uitgesplitst naar geslacht, om ervoor te zorgen dat het project het perspectief van vrouwelijke ambtenaren kan vastleggen en weergeven. De projectindicatoren zullen naar geslacht uitgesplitste gegevens verzamelen en rapporteren.
Het UNODC en het Unoct coördineren waar nodig de uitvoering van hun respectieve activiteiten.
Wanneer externe expertise wordt gezocht om activiteiten uit te voeren, zullen het UNODC en het Unoct trachten om deskundigen uit de EU-lidstaten in te schakelen.
In het kader van het project zal worden samengewerkt met de internationale gemeenschap en nationale autoriteiten, waaronder parlementen, ministeries van Justitie en andere belanghebbenden, om de universalisering van het Icsant te bevorderen, het belang van toetreding sterker te belichten en capaciteit op te bouwen voor de doeltreffende uitvoering ervan.
Resultaten van het project
Resultaat 1: toename van het aantal staten dat overweegt — of de procedure in gang zet om — toe te treden tot het Icsant en meer besef en kennis van het Icsant bij de begunstigden (nationale beleidsmakers en besluitvormers, inclusief parlementsleden) en in internationale fora; in voorkomend geval, benutten van synergieën met andere toepasselijke internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (VFBK), de wijziging van het VBFK, Resolutie 1540 van de VN-Veiligheidsraad (VNVR).
Resultaat 2: verbetering van de nationale wetgeving en verhoging van de capaciteit van strafrechtelijke ambtenaren en andere nationale belanghebbenden in begunstigde landen om zaken waarin het Icsant relevant zou zijn te onderzoeken, vervolgen en berechten.
Resultaat 3: versterking van beleid, betere praktijken en procedures om de dreiging van niet-overheidsactoren, waaronder terroristen, die nucleair of ander radioactief materiaal verkrijgen, bezitten en/of gebruiken, te voorkomen, op te sporen en erop te reageren, en verbetering van de kennis van en het inzicht in de dreiging van radiologisch en nucleair terrorisme en ander crimineel gedrag waarbij dergelijk materiaal wordt gebruikt.
Resultaat 4: intensivering van de nationale en internationale samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie binnen en tussen de staten die partij zijn, bij het formuleren en vaststellen van doeltreffende en praktische maatregelen om het Verdrag daadwerkelijk uit te voeren.
Outputs en activiteiten van het project
Resultaat 1: toename van het aantal staten dat overweegt — of de procedure in gang zet om — toe te treden tot het Icsant en meer besef en kennis van het Icsant bij de begunstigden (nationale beleidsmakers en besluitvormers, inclusief parlementsleden) en in internationale fora; in voorkomend geval, benutten van synergieën met andere toepasselijke internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (VFBK), de wijziging van het VBFK, Resolutie 1540 van de VN-Veiligheidsraad (VNVR).
Output 1.1: het belang van universalisering en doeltreffende uitvoering van het Icsant wordt bevorderd door zichtbaarheid en steun te verlenen en bij te dragen aan daarmee verband houdende evenementen
Activiteit 1.1.1: start van het project en presentatie van de resultaten van eerdere activiteiten (UNODC/Unoct)
Het UNODC en het Unoct/UNCCT zullen in respectievelijk Wenen en New York een startevenement organiseren waarvoor plaatselijke permanente vertegenwoordigingen van lidstaten worden uitgenodigd. De uitvoerders zullen trachten de vertegenwoordigingen van belangrijke lidstaten, zowel uit de Europese Unie als uit aandachtsregio’s, bij dit evenement te betrekken, om belangstelling en dynamiek voor dit tweede project te genereren en de uitvoering op nationaal en regionaal niveau te vergemakkelijken. Dergelijke evenementen zullen ook de gelegenheid bieden de resultaten van het vorige project en de daaruit getrokken lessen te delen.
Activiteit 1.1.2: onder de aandacht brengen van de studie over de redenen en uitdagingen waarom VN-lidstaten niet tot het Icsant toetreden, alsook over de instrumenten voor een doeltreffende uitvoering ervan (Unoct)
Het Unoct/UNCCT zal drie sessies organiseren ter bevordering en verspreiding van de studie over de redenen en uitdagingen waarom VN-lidstaten niet tot het Icsant toetreden, alsook over de instrumenten voor een doeltreffende uitvoering ervan, die is opgezet in het kader van het Icsant-project, dat in juni 2023 zal worden afgerond. De studie biedt een diepgaand inzicht in de redenen en uitdagingen waarom lidstaten geen partij worden bij het Icsant, en doet een aantal aanbevelingen over de wijze waarop een ruimere toetreding en een doeltreffende uitvoering kunnen worden gewaarborgd. Het Unoct/UNCCT zich in dit verband met name richten tot belangrijke lidstaten die baat zouden kunnen hebben bij de resultaten en richtsnoeren van de studie.
Activiteit 1.1.3: zichtbaarheid en steun verlenen en bijdragen aan met het Icsant verband houdende evenementen die door andere organisaties worden georganiseerd (UNODC/Unoct)
Binnen hun respectieve mandaten en in voorkomend geval zullen het UNODC en het Unoct/UNCCT deskundigheid leveren en het Icsant en hun werkzaamheden in het kader van het project promoten in relevante internationale fora, zoals evenementen die verband houden met/georganiseerd worden door:
|
— |
internationale rechtskaders, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het VFBK en de wijziging daarvan, VNVR-Resolutie 1540 (2004), het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens; |
|
— |
internationale organisaties, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de IAEA, de Internationale Organisatie van Criminele Politie (Interpol), Unicri, het Instituut voor Ontwapeningsonderzoek van de Verenigde Naties (Unidir), Unoda, het VN-Bureau voor juridische zaken (OLA); |
|
— |
maatschappelijke organisaties, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties; |
|
— |
internationale initiatieven zoals, maar niet beperkt tot, EU CBRN CoE, het wereldwijd partnerschap tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en -materiaal, het initiatief Nucleaire Dreiging en het mondiaal pact voor de coördinatie van terrorismebestrijding van de Verenigde Naties. |
Output 1.2: toetreding tot het Icsant en synergieën met andere toepasselijke internationale rechtsinstrumenten worden bevorderd en versterkt
Activiteit 1.2.1: promoten van toetreding via landenbezoeken (UNODC)
Voortbouwend op de uitgebreide voorlichtingsactiviteiten van het UNODC voor universalisering en zijn uitgebreide netwerk van plaatselijke kantoren, zal het UNODC acht landenbezoeken organiseren aan staten die nog geen partij zijn bij het Icsant en die op basis van de analyse van het UNODC en eerdere samenwerking het meest baat zouden hebben bij persoonlijk overleg in de hoofdstad. Het UNODC zal nationale belanghebbenden, in voorkomend geval ook parlementsleden, bij de landenbezoeken betrekken.
Activiteit 1.2.2: promoten van toetreding door samenwerking met de nationale parlementen van lidstaten die geen partij zijn bij het Icsant (Unoct)
Het Unoct/UNCCT zal drie nationale evenementen organiseren om gezamenlijk een oproep te doen aan de parlementen van lidstaten die nog geen partij zijn bij het verdrag. Andere belanghebbenden, waaronder het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van Justitie, regulerende autoriteiten op nucleair gebied en rechtshandhavingsinstanties, zullen ook worden uitgenodigd voor de briefing. De nationale evenementen zullen zich toespitsen op de relevantie van het Icsant voor de verbetering van de nucleaire veiligheid, de complementariteit en synergieën met andere internationale rechtsinstrumenten, de voordelen van toetreding en het risico bij niet-toetreding, goede praktijken bij de uitvoering en de dreiging van terrorisme waarbij nucleair of ander radioactief materiaal betrokken is. Unoct/UNCCT zal, samen met het bureau in Doha van het Unoct-programma inzake parlementaire betrokkenheid bij de preventie en bestrijding van terrorisme, nauw samenwerken met internationale en regionale parlementaire organisaties om de toetreding tot het verdrag te promoten.
Activiteit 1.2.3: promoten van toetreding via regionale workshops (UNODC)
Om de universaliseringsinspanningen in het kader van het eerste Icsant-project van de EU duurzamer te maken, zal het UNODC vier virtuele, regionale, interregionale en subregionale vervolgworkshops organiseren voor beleidsmakers en besluitvormers van staten die nog geen partij zijn bij het Icsant (drie in het Engels, één in het Frans).
Om te zorgen voor duurzaamheid zullen de virtuele workshops voortbouwen op activiteiten verricht in het kader van het vorige besluit van de Raad. Relevant materiaal dat in het kader van het project is ontwikkeld, zoals onlinecursussen en opleidingshandleidingen, alsook digitaal voorlichtingsmateriaal (dat al beschikbaar was in alle zes officiële talen van de VN) zal vóór en tijdens de workshops worden ingezet, naargelang het geval. Naast de focus op het Icsant zullen de workshops ook ingaan op synergieën met het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en de wijziging daarvan, en met Resolutie 1540 (2004) van de VN-Veiligheidsraad, in voorkomend geval met betrokkenheid van belanghebbenden (bv. de IAEA). Het UNODC zal de staten aanmoedigen om ook parlementsleden voor te dragen als deelnemer aan de virtuele workshops.
Activiteit 1.2.4: tweede gezamenlijk IAEA-UNODC-seminar ter bevordering van de universalisering van het Icsant en de wijziging van het VFBK (UNODC)
Voortbouwend op het succesvolle eerste gezamenlijke evenement van 11 en 12 november 2021 zal het UNODC samen met de IAEA dit type evenement een tweede keer organiseren. Het evenement zal plaatsvinden in Wenen, Oostenrijk.
Activiteit 1.2.5: promoten van toetreding door middel van een evenement op hoog niveau in de marge van de Internationale Conferentie van de IAEA over nucleaire beveiliging (UNODC) in 2024
Voortbouwend op het succesvolle nevenevenement dat het UNODC in 2020 heeft gehouden in de marge van de internationale conferentie van de IAEA over nucleaire beveiliging (Icons), zal het UNODC tijdens de volgende editie van Icons in Wenen, Oostenrijk, in 2024, een evenement op hoog niveau houden. De conferentie is een belangrijke bijeenkomst over nucleaire beveiliging, bestaande uit een ministerieel onderdeel en een wetenschappelijk en technisch programma, waarop respectievelijk beleidsdiscussies op hoog niveau en parallelle technische sessies worden gehouden. De laatste conferentie in 2020 werd bijgewoond door meer dan 57 ministers en meer dan 2 000 deskundigen uit meer dan 130 landen en 35 internationale organisaties.
Activiteit 1.2.6: promoten van toetreding door middel van een evenement op hoog niveau in de marge van de week voor terrorismebestrijding in New York (Unoct)
Unoct/UNCCT zal tijdens de week voor terrorismebestrijding bij de Verenigde Naties in New York een evenement op hoog niveau organiseren: een tweejaarlijkse bijeenkomst van de lidstaten en internationale partners op het gebied van terrorismebestrijding, met hoge zichtbaarheid.
Activiteit 1.2.7: nevenevenement over mensenrechtenaspecten bij de uitvoering van het Icsant (UNODC/Unoct)
Het UNODC en het Unoct zullen een nevenevenement organiseren over bepalingen in het Icsant met betrekking tot mensenrechten. Tot de uitgenodigde sprekers behoren de speciale rapporteur voor de bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme en vertegenwoordigers van andere intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties. Het evenement zal onder meer voortbouwen op het juridisch UNODC-opleidingsprogramma inzake terrorismebestrijding nr. 4, over mensenrechten en strafrechtelijke respons op terrorisme, en het juridisch UNODC-opleidingsprogramma inzake terrorismebestrijding nr. 1, over terrorismebestrijding in de context van het internationaal recht.
Resultaat 2: verbetering van de nationale wetgeving en verhoging van de capaciteit van strafrechtelijke ambtenaren en andere nationale belanghebbenden in begunstigde landen om zaken waarin het Icsant relevant zou zijn te onderzoeken, vervolgen en berechten
Output 2.1: verzoekende staten krijgen bijstand op wetgevingsgebied
Activiteit 2.1.1: gerichte bijstand op wetgevingsgebied om uitvoering te geven aan bepalingen van het Icsant en om de toepassing van de wet door eerstelijnsfunctionarissen, rechtshandhavingsinstanties, openbare aanklagers en de rechterlijke macht mogelijk te maken (UNODC)
Het UNODC zal op verzoek en indien passend wetgevingsbijstand verlenen aan verzoekende staten via deskreviews, voortbouwend op de gezamenlijke UNODC-IAEA-modelbepalingen inzake de strafbaarstelling van nucleair terrorisme, de door het UNODC opgestelde vragenlijst voor zelfbeoordeling op de website van het UNODC over het Icsant, het UNODC-handboek inzake wederzijdse rechtshulp en uitlevering en de UNODC-schrijfhulp voor verzoeken om rechtshulp, goede praktijken die zijn vastgesteld bij de compilatie door het UNODC van nationale wetgeving ter omzetting van artikel 2 van het Icsant, en door het UNODC in het kader van output 2.3 te ontwikkelen instrumenten. Het UNODC zal de begunstigden de mogelijkheid bieden de voorgestelde wetswijzigingen voor te leggen aan de parlementsleden.
Output 2.2: de capaciteit van de nationale strafrechtstelsels om Icsant-gerelateerde misdrijven te voorkomen, op te sporen, tegen te gaan, te onderzoeken, te vervolgen en te berechten, wordt verhoogd
Het UNODC zal vijf nationale seminars organiseren voor alumni van centra voor gerechtelijk onderwijs en gerechtelijke opleiding en tien webinars over verschillende aspecten van de toepassing van het Icsant. Het UNODC zal daarbij steunen op de jarenlange, bewezen deskundigheid die het heeft opgebouwd met zijn programma ter voorkoming van CBRN-terrorisme, conform het door de Algemene Vergadering van de VN aan het UNODC verleende mandaat.
Activiteit 2.2.1: nationale seminars voor centra voor gerechtelijk onderwijs en gerechtelijke opleiding (UNODC)
Het UNODC zal vijf seminars organiseren voor centra voor gerechtelijk onderwijs en gerechtelijke opleiding in de staten die partij zijn, om hun capaciteit om het Icsant doeltreffend uit te voeren, te versterken, en om het verdrag meer bekendheid te geven. Tijdens de seminars zullen onder meer het handboek over fictieve gevallen van strafbare feiten in het kader van het Icsant en ander door het UNODC ontwikkeld materiaal, waaronder het materiaal dat in het kader van output 2.3 is ontwikkeld, worden gepresenteerd. Hierbij worden de cursisten opgeleid als opleider, teneinde het behoud van de kennis te waarborgen.
Activiteit 2.2.2: reeks webinars (UNODC)
Het UNODC zal tien webinars houden over verschillende belangrijke aspecten van het Icsant, zoals onder meer rechtsmacht, uitlevering, mensenrechten en bewijsbewaring. De webinars worden in verschillende talen gehouden. Andere internationale entiteiten zullen worden uitgenodigd, zoals de IAEA, Interpol, EU CBRN CoE en het Comité 1540. De webinaropnames zullen online beschikbaar zijn om kennisbehoud te waarborgen. Via uitnodigingen aan permanente vertegenwoordigingen worden betrokken nationale belanghebbenden, onder wie parlementsleden, aangemoedigd om deel te nemen.
Output 2.3: ontwikkeling, actualisering, uitbreiding en/of specialisatie van instrumenten voor technische bijstand
Activiteit 2.3.1: Icsant-website (UNODC)
De Icsant-website van het UNODC (unodc.org/icsant) is het referentiepunt geworden voor beroepsbeoefenaars in de gehele wereld, aangezien de website alle beschikbare bronnen over het verdrag bevat, waaronder de procedurele geschiedenis, de stand van de toetredingen, analytische artikelen, een verzameling nationale uitvoeringswetgeving, instrumenten voor capaciteitsopbouw en daarmee verband houdende technische en wetgevingsbijstand van het UNODC. Sinds de lancering in september 2021 is de website door meer dan 10 000 gebruikers geraadpleegd. Het UNODC zal de website onderhouden, regelmatig bijwerken en verder aanvullen in alle officiële talen van de VN (Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans). Op de website zullen bijvoorbeeld alle nieuwe instrumenten, evenementenverslagen en aanvullende nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 2 van het Icsant worden ondergebracht.
Voorts zal op de website een databank van door het Icsant aangewezen autoriteiten worden gehost (output 4.1).
Activiteit 2.3.2: gespecialiseerde instrumenten voor technische bijstand (UNODC)
Het UNODC zal op papier en in elektronische vorm op zijn Icsant-website (unodc.org/icsant) aanvullende en gespecialiseerde instrumenten voor technische bijstand met betrekking tot het Icsant ontwikkelen en publiceren in alle zes officiële talen van de VN. De materialen omvatten:
|
— |
toolkits over verschillende aspecten van het Icsant (bv. rechtsmacht, mensenrechten, inbeslagneming en bescherming van materiaal dat niet onder wettelijk toezicht valt en internationale samenwerking); |
|
— |
toolkit voor synergieën met het VFBK en de wijziging daarvan; |
|
— |
toolkit voor synergieën met VNVR-Resolutie 1540 (2004); |
|
— |
toolkit over de modelbepalingen met betrekking tot de strafbaarstelling van de strafbare feiten die zijn opgenomen in het Icsant, het VFBK en de wijziging daarvan, gezamenlijk ontwikkeld door de IAEA en het UNODC. |
Activiteit 2.3.3: video over de procedurele geschiedenis en de belangrijkste bepalingen van het Icsant (UNODC)
Het UNODC zal een video maken waarin de procedurele geschiedenis en de belangrijkste bepalingen van het Icsant worden toegelicht. De video bevat getuigenissen van verschillende staten die partij zijn en van andere belanghebbenden, waarbij wordt gezorgd voor geografisch en genderevenwicht en wordt gewezen op het belang van het Icsant. De video zal in alle zes officiële talen van de VN beschikbaar zijn op de Icsant-website van het UNODC (unodc.org/icsant).
Resultaat 3: versterking van beleid, betere praktijken en procedures om de dreiging van niet-overheidsactoren, waaronder terroristen, die nucleair of ander radioactief materiaal verkrijgen, bezitten en/of gebruiken, te voorkomen, op te sporen en erop te reageren, en verbetering van de kennis van en het inzicht in de dreiging van radiologisch en nucleair terrorisme en ander crimineel gedrag waarbij dergelijk materiaal wordt gebruikt
Output 3.1: de capaciteit van de lidstaten om de verkrijging, het bezit en/of het gebruik van nucleair of ander radioactief materiaal te voorkomen, op te sporen en erop te reageren, wordt verhoogd
Unoct/UNCCT zal vier regionale workshops en tabletop-oefeningen organiseren voor capaciteitsopbouw op het gebied van de bestrijding van nucleair terrorisme bij de lidstaten in Afrika, Centraal-Azië, de Kaukasus en Zuidoost- en Oost-Europa. De regionale workshops en tabletop-oefeningen zullen de capaciteit van de lidstaten op het gebied van detectie, forensisch onderzoek, respons en mitigatie ten aanzien van radiologisch en nucleair terrorisme vergroten, met inbegrip van een op maat gesneden methode om de nationale autoriteiten te helpen het Icsant doeltreffend uit te voeren en de internationale samenwerking te versterken, en zullen zo tonen hoe belangrijk het is partij te zijn bij het verdrag. In de workshops wordt het in kaart brengen van “regionale kampioenen” aangemoedigd, alsook de uitwisseling van goede praktijken tussen zuidelijke landen onderling. Daarnaast zal de selectie van landen onder meer steunen op de bevindingen en conclusies van de gezamenlijke mondiale dreigingsevaluatie van Unoct/UNCCT en Interpol inzake niet-overheidsactoren en hun mogelijk gebruik van CBRNE-materialen.
Activiteit 3.1.1: regionale workshops en tabletop-oefeningen om de capaciteit van de lidstaten op het gebied van de bestrijding van nucleair terrorisme op te bouwen (Unoct)
Unoct/UNCCT zal vier regionale workshops en tabletop-oefeningen organiseren voor capaciteitsopbouw op het gebied van de bestrijding van radiologisch en nucleair terrorisme, met aandacht voor de volgende punten:
detectie: in kaart brengen en toepassen van goede praktijken voor de detectie van radiologisch/nucleair materiaal met informatie en instrumenten die bijdragen tot capaciteitsopbouw bij de bestrijding van radiologisch en nucleair terrorisme, voor zover dit verband houdt met het beheer van de grensbeveiliging;
forensisch onderzoek: aantonen van het belang van nucleair forensisch onderzoek, coördinatie tussen instanties en bijdragen tot capaciteitsopbouw op het gebied van de bestrijding van radiologisch en nucleair terrorisme;
respons en mitigatie: capaciteitsopbouw met het oog op een doeltreffende, tijdige en gecoördineerde reactie op terroristische incidenten waarbij nucleair of ander radioactief materiaal wordt gebruikt, als essentieel onderdeel van een kader voor nucleaire beveiliging.
Output 3.2: de kennis en het inzicht van de lidstaten met betrekking tot de dreiging van radiologisch en nucleair terrorisme worden verbeterd.
Unoct/UNCCT zal vier fysieke, gerichte nationale opleidingen organiseren voor vier lidstaten om capaciteit op te bouwen voor de bestrijding van radiologisch en nucleair terrorisme. De opleidingen zullen de capaciteit van de lidstaten verhogen om onder meer inzicht te krijgen in het risico en de dreiging, tegenmaatregelen te ontwikkelen, de respons op incidenten te oefenen en kritieke infrastructuur en belangrijke hulpbronnen in kaart te brengen en te beschermen. Voor deze activiteiten zal Unoct/UNCCT kunnen putten uit de uitgebreide ervaring met het opleidingsaanbod dat is ontwikkeld en uitgevoerd in het kader van zijn wereldwijde programma voor de preventie en bestrijding van massavernietigingswapens en CBRN-terrorisme, waarmee meer dan 1 500 ambtenaren werden opgeleid.
Activiteit 3.2.1: nationale fysieke opleidingen over de bestrijding van radiologisch en nucleair terrorisme (Unoct)
Unoct/UNCCT zal met de lidstaten samenwerken om geschikte opleidingen op het gebied van terrorismebestrijding vast te stellen, op basis van hun prioriteiten en behoeften, als volgt:
nationale opleiding — basiscursus radiologische en nucleaire dreigingen: hierin wordt personeelsleden bijgebracht hoe doeltreffend te reageren op een radiologisch en nucleair voorval, met aanbevelingen voor hulpverleners over werken in een omgeving met potentieel gevaarlijke radiologische en nucleaire stoffen;
nationale opleiding — intermediaire cursus radiologische en nucleaire dreigingen: hierin komen relevante onderwerpen in verband met radiologische en nucleaire dreigingen aan bod. De cursus omvat praktijkdemonstraties en -oefeningen, en werkt toe naar realistische scenario’s met betrekking tot de detectie en de bestrijding van handel in radiologisch materiaal, de identificatie van radiologisch of nucleair materiaal op plaatsen delict en de herkenning van radiologische en nucleaire gevaren en bewijsmateriaal;
nationale opleiding — gevorderde cursus radiologische en nucleaire dreigingen: in deze cursus wordt gedetailleerder ingegaan op radiologische en nucleaire dreigingen, met bijzondere nadruk op apparatuur voor de verspreiding van radiologisch materiaal en geïmproviseerde nucleaire wapens;
nationale opleiding — cursus radiologische en nucleaire tegenmaatregelen: in deze cursus wordt de aanpak gepresenteerd waarbij meerdere instanties samenwerken om maatregelen te ontwikkelen tegen radiologische en nucleaire dreigingen en om een gezamenlijke respons te bieden op radiologische en nucleaire incidenten. Het gaat daarbij om belangrijke nationale instanties, waaronder wetshandhavingsdiensten, de douane, veiligheidsdiensten, eerstehulpverleners, inlichtingendiensten, volksgezondheidsdiensten, regelgevende instanties, de industrie enz.;
nationale opleiding — cursus bescherming van kritieke infrastructuur: in deze cursus wordt gekeken naar sectoren die een rechtstreeks doelwit kunnen vormen, zoals kerncentrales, reactoren voor kernonderzoek, locaties met radiologische bronnen, vervoersknooppunten en sectoren waar niet-overheidsactoren kunnen trachten om gevoelige en gecontroleerde technologieën te bemachtigen.
Resultaat 4: versterking van de nationale en internationale samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie binnen en tussen de staten die partij zijn, bij het formuleren en vaststellen van doeltreffende en praktische maatregelen om het Verdrag daadwerkelijk uit te voeren
Output 4.1: de door het Icsant vereiste informatie-uitwisseling wordt vergemakkelijkt
Met ingang van 3 oktober 2022 werd het UNODC, gezien zijn mandaat, rol en deskundigheid op het gebied van het Icsant, door het OLA, dat de bewaartaken van de secretaris-generaal in het kader dit Verdrag waarneemt, officieel gelast met de opdracht om overeenkomstig artikel 7, lid 4, kennisgevingen van de aanwijzing van autoriteiten door de staten die partij zijn, te ontvangen en te verspreiden. Dergelijke kennisgevingen moeten derhalve worden gestuurd naar het volgende e-mailadres: unodc-icsant@un.org. De ontvangen kennisgevingen moeten worden gepubliceerd op de Icsant-website van het UNODC en, onder voorbehoud van doorgifte door het UNODC aan het OLA, op de verdragenwebsite van de Verenigde Naties.
Activiteit 4.1.1: campagne om de Icsant-staten aan te moedigen overeenkomstig artikel 7, lid 4, van het verdrag een bevoegde autoriteit en een contactpunt aan te wijzen (UNODC)
Het UNODC zal bewustmakingsactiviteiten uitvoeren om staten die reeds partij zijn bij het Icsant aan te moedigen te voldoen aan de verplichting van artikel 7, lid 4, op grond waarvan zij de VN in kennis moeten stellen van hun bevoegde autoriteiten en contactpunten die verantwoordelijk zijn voor het verzenden en ontvangen van Icsant-gerelateerde informatie. Deze activiteiten omvatten het versturen van brieven aan de betrokken permanente vertegenwoordigingen met het verzoek hun verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 4, na te komen; het houden van bilaterale vergaderingen; het opstellen van folders en ander voorlichtingsmateriaal in alle zes de officiële talen van de VN.
Activiteit 4.1.2: bijeenkomst van de nationale bevoegde autoriteiten en contactpunten van het Icsant (UNODC)
Het UNODC zal in het derde jaar van het project de eerste bijeenkomst van deze bevoegde autoriteiten en contactpunten organiseren in Wenen, Oostenrijk. De bijeenkomst zal onder meer een gesimuleerde coördinatieoefening omvatten, alsook een opleiding om een doeltreffend contactpunt in het kader van artikel 7, lid 4, te worden. Doelpubliek zijn de nationale contactpunten en andere betrokken nationale belanghebbenden.
Activiteit 4.1.3: virtuele Icsant-briefings ten behoeve van de justitiële en veiligheidsnetwerken van het UNODC (UNODC)
Voortbouwend op de reeds lang bestaande samenwerkingsnetwerken van contactpunten op het gebied van veiligheid en justitie die door het UNODC in verschillende regio’s in de wereld zijn opgericht (bv. voor de Sahel, het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en de Indische Oceaan), zal het UNODC online technische briefings verstrekken en met deze netwerken virtueel samenwerken aan de hand van een methodiek voor de opleiding van opleiders. De contactpunten van deze netwerken werken regelmatig samen voor de analyse van operationele uitdagingen, waarbij zij goede praktijken voor de respons op zulke uitdagingen uitwisselen en ter zake dienende gevallen bespreken.
Output 4.2: de beste praktijken en geleerde lessen met betrekking tot de toetreding tot en de uitvoering van het Icsant worden door doelgroepen op regionaal niveau gebruikt om de doeltreffende uitvoering van het Icsant en de nucleaire beveiliging te bevorderen
Activiteit 4.2.1: bijeenkomsten van gemeenschappen van betrokken beroepsbeoefenaars (Unoct)
Het Unoct/UNCCT zal vier bijeenkomsten organiseren om de nationale samenwerking tussen beroepsbeoefenaars op het gebied van radiologische en nucleaire dreigingen en terrorismebestrijding te bevorderen, teneinde de uitwisseling van informatie en inlichtingen en de coördinatie tussen instanties te verbeteren. Op deze bijeenkomsten worden gemeenschappen van beroepsbeoefenaars op dit gebied samengebracht met vertegenwoordigers van terrorismebestrijdingsinstanties, de douane, eerstehulpverleners, inlichtingendiensten, de justitie, wetshandhavingsdiensten, beleids-/besluitvormingsorganen, volksgezondheidsambtenaren, nucleaire-regelgevingsautoriteiten enz. De bijeenkomsten zullen die gemeenschappen in staat stellen lacunes, uitdagingen en geleerde lessen in kaart te brengen en beste praktijken met betrekking tot informatie-uitwisseling, uitwisseling van inlichtingen en internationale samenwerking uit te wisselen. Deze gemeenschappen zullen de samenwerking en de coördinatie bevorderen tussen actoren die van belang zijn voor de doeltreffende uitvoering van het Icsant en de nucleaire beveiliging, waarbij zij gebruik zullen kunnen maken van het Connect & Learn Platform van het Unoct. Dit innovatieve online-instrument voor capaciteitsopbouw, dat in oktober 2021 is opgestart, brengt de lidstaten, de particuliere sector, de academische wereld, denktanks, onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties samen om de fysieke verlening van technische bijstand te versterken. Het platform is een uniek virtueel instrument om belemmeringen zoals kosten, geografische afstand en beperkingen in verband met pandemieën weg te nemen door middelen voor terrorismebestrijding en het voorkomen en bestrijden van gewelddadig extremisme op elk moment en overal toegankelijk te maken voor diverse belanghebbenden en beroepsbeoefenaars.
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/46 |
BESLUIT (GBVB) 2023/1188 VAN DE RAAD
van 19 juni 2023
tot wijziging van Besluit 2014/386/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol
De Raad van de Europese Unie,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 23 juni 2014 Besluit 2014/386/GBVB vastgesteld (1). |
|
(2) |
De Unie erkent de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol door de Russische Federatie niet en blijft deze veroordelen als een schending van het internationaal recht. De Unie blijft zich standvastig hechten aan de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen en blijft vasthouden aan de volledige uitvoering van haar beleid van niet-erkenning. |
|
(3) |
Op basis van een evaluatie van Besluit 2014/386/GBVB moeten de daarin vastgelegde beperkende maatregelen tot en met 23 juni 2024 worden verlengd. |
|
(4) |
Besluit 2014/386/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 5 van Besluit 2014/386/GBVB wordt de tweede alinea vervangen door:
“Dit besluit is van toepassing tot en met 23 juni 2024.”.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
E. BUSCH
(1) Besluit 2014/386/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (PB L 183 van 24.6.2014, blz. 70).
|
20.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 157/47 |
UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2023/1189 VAN DE RAAD
van 19 juni 2023
tot uitvoering van Besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,
Gezien Besluit 2010/788/GBVB van de Raad van 20 december 2010 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo (1), en met name artikel 6, lid 2,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 20 december 2010 heeft de Raad Besluit 2010/788/GBVB vastgesteld. |
|
(2) |
Op 12 december 2016 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2016/2231 (2) vastgesteld naar aanleiding van de belemmering van het verkiezingsproces en de mensenrechtenschendingen in de Democratische Republiek Congo. Besluit (GBVB) 2016/2231 heeft Besluit 2010/788/GBVB gewijzigd en autonome beperkende maatregelen in artikel 3, lid 2, van dat besluit ingevoerd. |
|
(3) |
Na de arresten van het Gerecht in zaken T-93/22 (3) en T-94/22 (4) is de Raad van oordeel dat twee vermeldingen geschrapt moeten worden van de lijst van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in bijlage II bij Besluit 2010/788/GBVB. |
|
(4) |
Besluit 2010/788/GBVB moet daarom dienovereenkomstig gewijzigd worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Besluit 2010/788/GBVB wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
E. BUSCH
(1) PB L 336 van 21.12.2010, blz. 30.
(2) Besluit (GBVB) 2016/2231 van de Raad van 12 december 2016 tot wijziging van Besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo (PB L 336 I van 12.12.2016, blz. 7).
(3) Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023, Ramazani Shadary tegen Raad, T-93/22, ECLI:EU:T:2023:122.
(4) Arrest van het Gerecht van 8 maart 2023, Mutondo tegen Raad, T-94/22, ECLI:EU:T:2023:120.
BIJLAGE
De volgende vermeldingen worden geschrapt van de lijst in deel A (“Personen”) van bijlage II bij Besluit 2010/788/GBVB:
|
“8. |
Emmanuel Ramazani SHADARY; |
|
9. |
Kalev MUTONDO.”. |