|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
65e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1246 VAN DE COMMISSIE
van 14 juli 2022
tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Bra” (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Italië ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming “Bra”, die is geregistreerd bij Verordening (EG) nr. 1263/96 van de Commissie (2), als gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1280/2014 van de Commissie (3). |
|
(2) |
Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (4). |
|
(3) |
De Commissie heeft twee brieven ontvangen waarin bezwaar werd gemaakt tegen de goedkeuring van de wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming “Bra”. De eerste brief, ontvangen op 4 maart 2022, was afkomstig van een in Frankrijk gevestigde vereniging van producenten van voedselingrediënten. Op 15 maart 2022 werd een tweede brief ontvangen van een in Frankrijk woonachtige natuurlijke persoon. Beide brieven werden rechtstreeks aan de Commissie gezonden. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 51, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kunnen natuurlijke of rechtspersonen die een rechtmatig belang hebben en woonachtig of gevestigd zijn in een andere lidstaat dan de lidstaat vanwaar de aanvraag is ingediend, een aankondiging van bezwaar indienen bij de lidstaat waarin zij woonachtig of gevestigd zijn. Aangezien beide bezwaarschriften tegen de goedkeuring van de wijziging rechtstreeks bij de Commissie zijn ingediend en dus niet in overeenstemming zijn met de procedure van bovengenoemd artikel 51, lid 1, worden deze bezwaarschriften niet-ontvankelijk geacht. |
|
(5) |
Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de wijzigingen van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming “Bra” moeten worden goedgekeurd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Bra” (BOB) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juli 2022.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1263/96 van de Commissie van 1 juli 1996 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1107/96 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2081/92 (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 19).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1280/2014 van de Commissie van 26 november 2014 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Bra (BOB)) (PB L 347 van 3.12.2014, blz. 10).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1247 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot verlening van een vergunning voor allurarood AC als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor siervogels en kleine niet-voedselproducerende zoogdieren
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de gronden en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor allurarood AC. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(3) |
De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor allurarood AC als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor siervogels en kleine niet-voedselproducerende zoogdieren, in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 11 november 2021 (2) geconcludeerd dat allurarood AC onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen negatieve gevolgen heeft voor de diergezondheid, de consumentenveiligheid of het milieu. Vanwege de grote verscheidenheid aan diervoeders die in volledige en aanvullende diervoeders voor siervogels en kleine niet-voedselproducerende zoogdieren worden gebruikt, en de onzekerheid over welke concentratie allurarood AC tot een zichtbaar effect zou leiden, heeft de EFSA niet tot een conclusie kunnen komen bereiken over de werkzaamheid van allurarood AC bij gebruik in diervoeders voor siervogels en kleine niet-voedselproducerende zoogdieren. De EFSA heeft echter ook verklaard dat de werkzaamheid van dit toevoegingsmiddel, dat is toegestaan in levensmiddelen, niet meer hoeft te worden aangetoond wanneer de functie ervan in diervoeders dezelfde is als in levensmiddelen. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(5) |
Bovendien is allurarood AC reeds in voeder voor katten en honden toegelaten bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/197 van de Commissie (3) en heeft de EFSA in haar advies van 24 april 2012 (4) geconcludeerd dat allurarood AC werkzaam is voor het kleuren van een typisch diervoeder voor honden bij een minimumdosis van 50 mg/kg, wat vergelijkbaar is met de door de EFSA voorgestelde minimumniveaus voor dit gebruik bij siervogels en kleine niet-voedselproducerende zoogdieren. |
|
(6) |
In het licht van het bovenstaande is de Commissie derhalve van oordeel dat er voldoende bewijs is voor de werkzaamheid van deze stof. |
|
(7) |
Uit de beoordeling van allurarood AC blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van die stof, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden toegestaan. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) EFSA Journal 2021;19(12):6987.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/197 van de Commissie van 13 februari 2020 tot verlening van een vergunning voor allurarood AC als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten en honden (PB L 42 van 14.2.2020, blz. 4).
(4) EFSA Journal 2012;10(5):2675.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||
|
mg werkzame stof/kg volledig voeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: kleurstoffen. i) stoffen die aan een diervoeder kleur geven of daaraan kleur teruggeven |
||||||||||||
|
2a129 |
Allurarood AC |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Allurarood AC wordt beschreven als het natriumzout (hoofdbestanddeel). Vaste vorm (poeder of korrels) |
Huiscavia’s Chinchilla’s Degoe’s Hamsters Gerbils Chipmunks |
– |
– |
500 |
|
9 augustus 2032 |
||||
|
Karakterisering van de werkzame stof Allurarood AC bestaat in hoofdzaak uit dinatrium-2-hydroxy1-(2-methoxy-5-methyl-4-sulfonato-fenylazo)naftaleen-6-sulfonaat en secundaire kleurstoffen, met daarnaast natriumchloride en/of natriumsulfaat als voornaamste kleurloze bestanddelen. De calcium- en kaliumzouten zijn ook toegestaan. Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheidscriteria: minimaal 85 % totaal aan kleurstoffen, berekend als het natriumzout (gehaltebepaling) In water onoplosbaar materiaal: ≤ 0,2 % secundaire kleurstoffen: ≤ 3 % andere organische verbindingen dan kleurstoffen:
Niet-gesulfoneerde primaire aromatische aminen: ≤ 0,01 % (berekend als aniline) Met ether extraheerbaar materiaal: ≤ 0,2 % uit een oplossing met een pH van 7 Chemische formule: C18H14N2Na2O8S2 CAS-nummer: 25956-17-6 Einecs-nummer: 247-368-0 |
Fretten Andere kleine, niet-voedselproducerende zoogdieren, met uitzondering van honden en katten |
– |
– |
99 |
||||||||
|
Kanarievogels Grasparkieten Maina’s Toekans |
– |
– |
45 |
|||||||||
|
Dwergpapegaaien |
– |
– |
51 |
|||||||||
|
Valkparkieten |
– |
– |
79 |
|||||||||
|
Kaketoes |
– |
– |
115 |
|||||||||
|
Amazonepapegaaien |
– |
– |
145 |
|||||||||
|
Papegaaien |
– |
– |
147 |
|||||||||
|
Blauwgeleara’s |
– |
– |
150 |
|||||||||
|
Blauwkeelara’s |
– |
– |
173 |
|||||||||
|
Hyacinthara’s |
– |
– |
214 |
|||||||||
|
Andere siervogels |
– |
– |
45 |
|||||||||
|
Analysemethode (1) Voor de kwantificering van allurarood AC in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van allurarood AC in diervoeders:
|
|
|
|
|
||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/7 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1248 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot verlening van een vergunning voor etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor bepaalde diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de gronden en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Voor etherische olie van Origanum vulgare is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. Vervolgens is het toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. voor alle diersoorten. |
|
(4) |
De aanvrager heeft verzocht om het toevoegingsmiddel in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij de aanvraag verstrekt. |
|
(5) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 12 november 2019 (3) geconcludeerd dat Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de gezondheid van de consument of het milieu. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. moet worden beschouwd als irriterend voor de huid en de ogen en als mogelijk huid- en inhalatieallergeen. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. |
|
(6) |
De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de werkzaamheid van etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. niet meer hoeft te worden aangetoond aangezien het toevoegingsmiddel is erkend als aromatische stof in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeders in wezen dezelfde is als in levensmiddelen. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethoden voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(7) |
Uit de beoordeling van etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Daarom moet een vergunning worden verleend voor het gebruik van deze stof zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening. |
|
(8) |
Het desbetreffende toevoegingsmiddel bevat een aantal bestanddelen, zoals carvacrol en thymol, waarvoor in bepaalde reeds toegelaten toevoegingsmiddelen zoötechnische effecten zijn aangetoond. Om te voorkomen dat er doses van het toevoegingsmiddel worden gebruikt die tot dergelijke zoötechnische effecten kunnen leiden, moet als voorwaarde voor het gebruik van etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) Ietsw. als aromatische stof in diervoeders een maximumgehalte worden vastgesteld. |
|
(9) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stof vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van een vergunning
Voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. De in de bijlage gespecificeerde stof en voormengsels die deze stof bevatten, en die vóór 9 februari 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde stof bevatten, en die vóór 9 augustus 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2019;17(12):5909.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||
|
mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen |
|||||||||||||||||||
|
2b317-eo-i |
– |
Etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) letsw. |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) letsw. Karakterisering van de werkzame stof Etherische olie van Origanum vulgare ssp. hirtum (Link) letsw. zoals gedefinieerd door de Raad van Europa (1). Carvacrol: ≥ 75 % Thymol: ≤ 2,7 % γ-terpineen: ≤ 3,8 % p-cymeen: ≤ 6,2 % RvE-nr.: 317 CAS-nummer: 336185-21-8 FEMA-nummer: 2660 Analysemethode (2) Voor de bepaling van carvacol (fytochemische marker) in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
|
Mestkippen |
– |
– |
22 |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||
|
Legkippen |
– |
– |
33 |
||||||||||||||||
|
Mestkalkoenen |
– |
– |
30 |
||||||||||||||||
|
Biggen |
– |
– |
40 |
||||||||||||||||
|
Mestvarkens |
– |
– |
48 |
||||||||||||||||
|
Zeugen |
– |
– |
63 |
||||||||||||||||
|
Melkkoeien |
– |
– |
57 |
||||||||||||||||
|
Kalveren |
– |
– |
100 |
||||||||||||||||
|
Mestrunderen, schapen, geiten en paarden |
– |
– |
88 |
||||||||||||||||
|
Konijnen |
– |
– |
35 |
||||||||||||||||
|
Honden |
– |
– |
106 |
||||||||||||||||
|
Katten |
|
|
18 |
||||||||||||||||
|
Zalmachtigen |
– |
– |
101 |
||||||||||||||||
|
Siervissen |
– |
– |
150 |
||||||||||||||||
(1) Natural sources of flavourings — Verslag nr. 2 (2007).
(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/10 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1249 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot verlening van een vergunning voor vitamine B12 in de vorm van cyanocobalamine geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de gronden en procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van vitamine B12 in de vorm van cyanocobalamine geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten, met het verzoek om het toevoegingsmiddel in te delen in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(3) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 12 juni 2018 (3) en 18 november 2020 (4) geconcludeerd dat vitamine B12 in de vorm van cyanocobalamine geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de consumentenveiligheid of het milieu. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat vitamine B12 in de vorm van cyanocobalamine geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541 vanwege het hoge endotoxinegehalte ervan, de mogelijke blootstelling door inademing bij het hanteren van voormengsels en de gerapporteerde door de stof veroorzaakte irritatie van de huid en de ogen, geacht wordt een risico voor de gezondheid van de gebruiker te vormen. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook de verslagen over de analysemethode voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(4) |
Uit de beoordeling van vitamine B12 in de vorm van cyanocobalamine geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541, blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat toevoegingsmiddel moet daarom worden toegestaan. |
|
(5) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stof vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van een vergunning
Voor de in de bijlage beschreven stof, die behoort tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige werking”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. De in de bijlage gespecificeerde stof en voormengsels die deze stof bevatten, en die vóór 9 februari 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde stof bevatten, en die vóór 9 augustus 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde stof bevatten, en die vóór 9 augustus 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2018;16(7):5336
(4) EFSA Journal 2020;18(12):6335.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||
|
Categorie: nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige werking. |
||||||||||||||
|
3a835 |
Vitamin B12 of cyanocobalamine |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van cyanocobalamine, geproduceerd door Ensifer adhaerens CNCM I-5541, met ≤ 1 % cyanocobalamine Vaste vorm Karakterisering van de werkzame stof Cyanocobalamine C63H88CoN14O14P CAS-nummer: 68-19-9 Zuiverheid: ≥ 96 % |
Alle diersoorten |
- |
- |
- |
|
9 augustus 2032 |
||||||
|
Analysemethode (1) Voor de kwantificering van vitamine B12/cyanocobalamine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in diervoeders:
|
||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(2) Blootstelling berekend op basis van het endotoxinegehalte en het stofvormingspotentieel van het toevoegingsmiddel volgens de door de EFSA gebruikte methode (EFSA Journal 2018;16(7):5336).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/13 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1250 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot verlening van een vergunning voor ethylacrylaat, pentylisovaleraat, butyl-2-methylbutyraat, 2-methylundecanal, (2E)-methylcrotonzuur, ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat, butaan-2-on, cyclohexylacetaat, 3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion, 5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on, fenethylbutyraat, hexylfenylacetaat, 4-methylacetofenon, 4-methoxyacetofenon, 3-methylfenol, 3,4-dimethylfenol, 1-methoxy-4-methylbenzeen, trimethyloxazool en 4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de gronden en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Voor de stoffen ethylacrylaat, pentylisovaleraat, butyl-2-methylbutyraat, 2-methylundecanal, (2E)-methylcrotonzuur, ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat, butaan-2-on, cyclohexylacetaat, 3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion, 5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on, fenethylbutyraat, hexylfenylacetaat, 4-methylacetofenon, 4-methoxyacetofenon, 3-methylfenol, 3,4-dimethylfenol, 1-methoxy-4-methylbenzeen, trimethyloxazool en 4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn die stoffen vervolgens in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen als bestaande producten. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in samenhang met artikel 7 van die verordening, zijn verscheidene aanvragen ingediend voor de herbeoordeling van die toevoegingsmiddelen voor alle diersoorten. |
|
(4) |
De aanvrager heeft ook verzocht om een vergunning te verlenen voor het gebruik van de toevoegingsmiddelen in drinkwater. Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet echter niet in de verlening van een vergunning voor het gebruik van “aromatische stoffen” in drinkwater. Daarom mag het gebruik van deze toevoegingsmiddelen in drinkwater niet worden toegestaan. |
|
(5) |
De aanvrager heeft verzocht om de toevoegingsmiddelen in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij die aanvragen gevoegd. |
|
(6) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 1 februari 2012 (3), 7 maart 2012 (4), 25 april 2012 (5), 17 oktober 2012 (6), 12 maart 2013 (7), 5 maart 2014 (8), 20 oktober 2015 (9), 26 januari 2016 (10), 8 maart 2016 (11), 20 april 2016 (12), 25 mei 2016 (13), 12 juli 2016 (14) en 19 oktober 2016 (15) geconcludeerd dat de toevoegingsmiddelen onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de gezondheid van de consument of het milieu hebben. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de toevoegingsmiddelen als irriterend voor de huid, de ogen en de luchtwegen en als huidallergeen moeten worden beschouwd. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. |
|
(7) |
De EFSA heeft geconcludeerd dat de werkzaamheid van de toevoegingsmiddelen niet meer hoeft te worden aangetoond aangezien zij erkend zijn als aromatische stoffen in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeders in wezen dezelfde is als in levensmiddelen. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethoden voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium is ingediend. |
|
(8) |
Uit de beoordeling van de toevoegingsmiddelen blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van deze stoffen moet daarom worden toegestaan zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening. |
|
(9) |
Om een betere controle mogelijk te maken, moeten bepaalde voorwaarden worden vastgesteld. Het is met name van belang dat er een aanbevolen gehalte op het etiket van het toevoegingsmiddel wordt vermeld. Indien dat gehalte wordt overschreden, moet bepaalde informatie op het etiket van voormengsels worden vermeld. |
|
(10) |
Het feit dat er geen vergunning is verleend om de toevoegingsmiddelen als aromatische stoffen in drinkwater te gebruiken, sluit het gebruik ervan in mengvoeders die via water worden toegediend, niet uit. |
|
(11) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stoffen vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(12) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van een vergunning
Voor de in de bijlage beschreven stoffen, die behoren tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. De in de bijlage gespecificeerde stoffen en de voormengsels die deze stoffen bevatten en die vóór 9 februari 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde toevoegingsmiddelen bevatten, en die vóór 9 augustus 2023 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde toevoegingsmiddelen bevatten, en die vóór 9 augustus 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 9 augustus 2022 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2012;10(2):2573.
(4) EFSA Journal 2012;10(3):2625.
(5) EFSA Journal 2012;10(5):2678.
(6) EFSA Journal 2012;10(10):2927.
(7) EFSA Journal 2013;11(4):3169.
(8) EFSA Journal 2014;12(3):3608.
(9) EFSA Journal 2015;13(11):4268.
(10) EFSA Journal 2016;14(2):4390.
(11) EFSA Journal 2016;14(6):4441.
(12) EFSA Journal 2016;14(6):4475.
(13) EFSA Journal 2016;14(6):4512.
(14) EFSA Journal 2016;14(8):4557.
(15) EFSA Journal 2016;14(11):4618.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09037 |
Ethylacrylaat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Ethylacrylaat Karakterisering van de werkzame stof Ethylacrylaat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 97 % Chemische formule: C5H8O2 CAS-nummer: 140-88-5 Flavis-nr.: 09.037 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (1) Voor de identificatie van ethylacrylaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09499 |
Pentylisovaleraat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Pentylisovaleraat Karakterisering van de werkzame stof Pentylisovaleraat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 98 % Chemische formule: C10H20O2 CAS-nummer: 25415-62-7 Flavis-nr.: 09.499 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (2) Voor de identificatie van pentylisovaleraat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09519 |
Butyl-2-methylbutyraat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Butyl-2-methylbutyraat Karakterisering van de werkzame stof Butyl-2-methylbutyraat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 95 % Chemische formule: C9H18O2 CAS-nummer: 15706-73-7 Flavis-nr.: 09.519 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (3) Voor de identificatie van butyl-2-methylbutyraat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b05077 |
2-methylundecanal |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 2-methylundecanal Karakterisering van de werkzame stof 2-methylundecanal Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 97 % Chemische formule: C12H24O CAS-nummer: 110-41-8 Flavis-nr.: 05.077 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (4) Voor de identificatie van 2-methylundecanal in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
|
— |
— |
— |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b08064 |
(2E)-methylcrotonzuur |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel (2E)-methylcrotonzuur Karakterisering van de werkzame stof (2E)-methylcrotonzuur Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: ten minste 99 % Chemische formule: C5H8O2 CAS-nummer: 80-59-1 Flavis-nr.: 08.064 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (5) Voor de identificatie van (2E)-methylcrotonzuur in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09260 |
Ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat Karakterisering van de werkzame stof Ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: ten minste 90 % Chemische formule: C12H20O2 CAS-nummer: 3025-30-7 Flavis-nr.: 09.260 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (6) Voor de identificatie van ethyl-(E,Z)-deca-2,4-diënoaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b07053 |
Butaan-2-on |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Butaan-2-on Karakterisering van de werkzame stof Butaan-2-on Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: ten minste 99,5 % Chemische formule: C4H8O CAS-nummer: 78-93-3 Flavis-nr.: 07.053 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (7) Voor de identificatie van butaan-2-on in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09027 |
Cyclohexylacetaat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Cyclohexylacetaat Karakterisering van de werkzame stof Cyclohexylacetaat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: > 98 % Chemische formule: C8H14O2 CAS-nummer: 622-45-7 Flavis-nr.: 09.027 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (8) Voor de identificatie van cyclohexylacetaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||||
|
2b07075 |
3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion Karakterisering van de werkzame stof 3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: > 98 % Chemische formule: C7H10O2 CAS-nummer: 13494-06-9 Flavis-nr.: 07.075 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||||
|
Analysemethode (9) Voor de identificatie van 3,4-dimethylcyclopentaan-1,2-dion in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||||
|
2b10023 |
5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on Karakterisering van de werkzame stof 5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 95 % Chemische formule: C7H10O3 CAS-nummer: 698-10-2 Flavis-nr.: 10.023 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||||
|
Analysemethode (10) Voor de identificatie van 5-ethyl-3-hydroxy-4-methylfuran-2(5H)-on in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09168 |
Fenethylbutyraat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Fenethylbutyraat Karakterisering van de werkzame stof Fenethylbutyraat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 97 % Chemische formule: C12H16O2 CAS-nummer: 103-52-6 Flavis-nr.: 09.168 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (11) Voor de identificatie van fenethylbutyraat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
|
- |
- |
- |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||
|
2b09804 |
Hexylfenylacetaat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Hexylfenylacetaat Karakterisering van de werkzame stof Hexylfenylacetaat Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 97 % Chemische formule: C14H20O2 CAS-nummer: 5421-17-0 Flavis-nr.: 09.804 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||
|
Analysemethode (12) Voor de identificatie van hexylfenylacetaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
|
- |
- |
- |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||||
|
2b07022 |
4-methylacetofenon |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 4-methylacetofenon Karakterisering van de werkzame stof 4-methylacetofenon Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: > 95 % Chemische formule: C9H10O CAS-nummer: 122-00-9 Flavis-nr.: 07.022 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||||
|
Analysemethode (13) Voor de identificatie van 4-methylacetofenon in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||||
|
2b07038 |
4-methoxyacetofenon |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 4-methoxyacetofenon Karakterisering van de werkzame stof 4-methoxyacetofenon Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: > 97 % Chemische formule: C9H10O2 CAS-nummer: 100-06-1 Flavis-nr.: 07.038 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||||
|
Analysemethode (14) Voor de identificatie van 4-methoxyacetofenon in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||
|
2b04026 |
3-methylfenol |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 3-methylfenol Karakterisering van de werkzame stof 3-methylfenol Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 98 % Chemische formule: C7H8O CAS-nummer: 108-39-4 Flavis-nr.: 04.026 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||
|
Analysemethode (15) Voor de identificatie van 3-methylfenol in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||
|
2b04048 |
3,4-dimethylfenol |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 3,4-dimethylfenol Karakterisering van de werkzame stof 3,4-dimethylfenol Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 98 % Chemische formule: C8H10O CAS-nummer: 95-65-8 Flavis-nr.: 04.048 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||
|
Analysemethode (16) Voor de identificatie van 3,4-dimethylfenol in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||
|
2b04015 |
1-methoxy-4-methylbenzeen |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 1-methoxy-4-methylbenzeen Karakterisering van de werkzame stof 1-methoxy-4-methylbenzeen Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: 99 % Chemische formule: C8H10O CAS-nummer: 104-93-8 Flavis-nr.: 04.015 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||
|
Analysemethode (17) Voor de identificatie van 1-methoxy-4-methylbenzeen in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||||||||
|
2b13169 |
Trimethyloxazool |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Trimethyloxazool Karakterisering van de werkzame stof Trimethyloxazool Geproduceerd door chemische synthese Zuiverheid: > 95 % Chemische formule: C6H9ON CAS-nummer: 20662-84-4 Flavis-nr.: 13.169 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||||||||
|
Analysemethode (18) Voor de identificatie van trimethyloxazool in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||||||||
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen. |
||||||||||||||||||
|
2b15012 |
4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on Karakterisering van de werkzame stof 4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on Geproduceerd door chemische synthese. Zuiverheid: 97 % Chemische formule: C4H6OS CAS-nummer: 1003-04-9 Flavis-nr.: 15.012 |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
9 augustus 2032 |
||||||||||
|
Analysemethode (19) Voor de identificatie van 4,5-dihydrothiofeen-3(2H)-on in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders: gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL). |
||||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(3) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(4) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(5) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(6) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(7) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(8) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(9) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(10) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(11) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(12) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(13) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(14) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(15) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(16) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(17) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(18) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
(19) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/35 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1251 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stoffen onvertakte vlinderferomonen (acetaten) als werkzame stoffen met een laag risico, en onvertakte vlinderferomonen (aldehyden en alcoholen) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1, in samenhang met artikel 22, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Richtlijn 2008/127/EG van de Commissie (2) zijn onvertakte vlinderferomonen als werkzame stoffen opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3). |
|
(2) |
De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4). |
|
(3) |
De goedkeuring van de werkzame stoffen onvertakte vlinderferomonen, zoals vermeld in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, vervalt op 31 augustus 2022. |
|
(4) |
Onvertakte vlinderferomonen zijn stoffen die van nature door insecten van de orde van lepidoptera worden geproduceerd. Zij hebben een gemeenschappelijke structurele definitie en werkingsmechanisme en kunnen bestaan uit acetaten, aldehyden of alcoholen. |
|
(5) |
Er zijn aanvragen tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stoffen onvertakte vlinderferomonen ingediend overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (5) binnen de in dat artikel vastgestelde termijn. |
|
(6) |
De aanvragers hebben de overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 vereiste aanvullende dossiers ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig was. |
|
(7) |
De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een ontwerpbeoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit verslag op 3 juni 2019 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend. |
|
(8) |
De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier toegankelijk gemaakt voor het publiek. De EFSA heeft het ontwerpbeoordelingsverslag over de verlenging tevens aan de aanvrager en de lidstaten doorgestuurd voor opmerkingen en heeft hierover een openbare raadpleging gehouden. De ontvangen opmerkingen heeft zij aan de Commissie doen toekomen. |
|
(9) |
Op 19 mei 2021 heeft de EFSA de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld met betrekking tot de vraag of onvertakte vlinderferomonen naar verwachting aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zullen voldoen. In de conclusie van de EFSA werd een onderscheid gemaakt tussen acetaten, aldehyden en alcoholen binnen de onvertakte vlinderferomonen. |
|
(10) |
De Commissie heeft respectievelijk op 1 december 2021 en 30 maart 2022 haar verslag over de verlenging en een ontwerpverordening bij het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingediend. |
|
(11) |
De Commissie heeft de aanvragers verzocht hun opmerkingen over de conclusie van de EFSA en, overeenkomstig artikel 14, lid 1, derde alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 (7), over het verslag over de verlenging in te dienen. De aanvragers hebben hun opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht. |
|
(12) |
De Commissie is van oordeel dat er met betrekking tot een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stoffen onvertakte vlinderferomonen (acetaten, aldehyden of alcoholen) bevat, is vastgesteld dat aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is voldaan. |
|
(13) |
De Commissie is voorts van oordeel dat onvertakte vlinderferomonen (acetaten) werkzame stoffen met een laag risico zijn in de zin van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, aangezien zij geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen zijn en voldoen aan de voorwaarden van punt 5 van bijlage II bij die verordening. |
|
(14) |
Het is daarom passend de goedkeuring van onvertakte vlinderferomonen (acetaten) als werkzame stoffen met een laag risico en de goedkeuring van onvertakte vlinderferomonen (aldehyden en alcoholen) als werkzame stoffen te verlengen. |
|
(15) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden vast te stellen. |
|
(16) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(17) |
Deze verordening moet van toepassing zijn met ingang van de dag na de datum waarop de goedkeuring van onvertakte vlinderferomonen (acetaten) en onvertakte vlinderferomonen (aldehyden en alcoholen) verstrijkt. |
|
(18) |
De in de onderhavige verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof
De goedkeuring van de werkzame stoffen onvertakte vlinderferomonen (acetaten), onvertakte vlinderferomonen (aldehyden) en onvertakte vlinderferomonen (alcoholen) wordt onder de in bijlage I vastgestelde voorwaarden verlengd.
Artikel 2
Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Inwerkingtreding en datum van toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Richtlijn 2008/127/EG van de Commissie van 18 december 2008 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde verscheidene werkzame stoffen op te nemen (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 89).
(3) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
(6) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA): Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance Straight Chain Lepidopteran Pheromones (SCLPs). EFSA Journal 2021;19(6):6656, 24 blz., doi:10.2903/j.efsa.2021,6656. Online beschikbaar op: http://www.efsa.europa.eu
(7) Deze verordening is vervangen door Verordening (EU) 2020/1740, maar blijft van toepassing op de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen: 1) waarvan de geldigheidsduur van de goedkeuring vóór 27 maart 2024 verstrijkt; 2) waarvoor de geldigheidsduur van de goedkeuring bij een op of na 27 maart 2021 overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 vastgestelde verordening wordt verlengd tot en met 27 maart 2024 of een latere datum.
BIJLAGE I
|
Gebruikelijke naam, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid |
Datum van goedkeuring |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
|
Onvertakte vlinderferomonen (acetaten) |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
1 september 2022 |
30 augustus 2037 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor onvertakte vlinderferomonen, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. Bij de beoordeling van de toelatingsaanvragen moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de doeltreffendheid van gewasbeschermingsmiddelen die de afzonderlijke stoffen of mengsels daarvan bevatten. De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten. |
|
Onvertakte vlinderferomonen (aldehyden) |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
1 september 2022 |
30 augustus 2037 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor onvertakte vlinderferomonen, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. Bij de beoordeling van de toelatingsaanvragen moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de doeltreffendheid van gewasbeschermingsmiddelen die de afzonderlijke stoffen of mengsels daarvan bevatten. De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten. |
|
Onvertakte vlinderferomonen (alcoholen) |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
Nadere bijzonderheden zijn te vinden in het evaluatieverslag SANTE/10828/2021 |
1 september 2022 |
30 augustus 2037 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor onvertakte vlinderferomonen, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. Bij de beoordeling van de toelatingsaanvragen moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de doeltreffendheid van gewasbeschermingsmiddelen die de afzonderlijke stoffen of mengsels daarvan bevatten. De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten. |
BIJLAGE II
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In deel A wordt vermelding 255 over onvertakte vlinderferomonen geschrapt. |
|
2) |
In deel B worden de volgende vermeldingen toegevoegd:
|
|
3) |
In deel D wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/41 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1252 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 met het oog op de bijwerking van de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 78, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie (2) bevat een lijst van werkzame stoffen die voldoen aan de in punt 4 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 vastgestelde criteria om te worden beschouwd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen. |
|
(2) |
Een aantal van die stoffen is niet langer goedgekeurd of de goedkeuringen ervan zijn verlengd krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, waardoor zij in de lijst in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (3) zijn opgenomen. Hun opname in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 is niet langer relevant. Ter wille van de duidelijkheid en de transparantie moeten zij uit die bijlage worden geschrapt. |
|
(3) |
Quizalofop-P (variant quizalofop-P-tefuryl) is een goedgekeurde werkzame stof die is opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie opgenomen als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen op basis van de vroegere geharmoniseerde indeling van de stof als giftig voor de voortplanting categorie 1B, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4). Bij Verordening (EU) 2018/1480 van de Commissie (5) is deze indeling geactualiseerd tot giftig voor de voortplanting categorie 2. Quizalofop-P-tefuryl voldoet daarom niet langer aan de criteria om in aanmerking te komen voor vervanging en moet worden geschrapt uit de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408. |
|
(4) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 18).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2018/1480 van de Commissie van 4 oktober 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, en tot rectificatie van Verordening (EU) 2017/776 van de Commissie (PB L 251 van 5.10.2018, blz. 1).
BIJLAGE
In de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 worden de volgende vermeldingen geschrapt:
|
|
amitrol; |
|
|
bifenthrin; |
|
|
bromadiolon; |
|
|
carbendazim; |
|
|
carbetamide; |
|
|
koperverbindingen (de varianten koperhydroxide, koperoxychloride, koperoxide, Bordeauxse pap en tribasisch kopersulfaat); |
|
|
cyproconazool; |
|
|
difenacum; |
|
|
dimethoaat; |
|
|
diquat; |
|
|
epoxiconazool; |
|
|
esfenvaleraat; |
|
|
ethoprofos; |
|
|
etoxazool; |
|
|
famoxadone; |
|
|
fenamifos; |
|
|
fenbutatinoxide; |
|
|
fipronil; |
|
|
fluquinconazool; |
|
|
glufosinaat; |
|
|
haloxyfop-P; |
|
|
imazamox; |
|
|
imazosulfuron; |
|
|
isoproturon; |
|
|
isopyrazam; |
|
|
lambda-cyhalothrin; |
|
|
linuron; |
|
|
lufenuron; |
|
|
mecoprop; |
|
|
methomyl; |
|
|
metsulfuron-methyl; |
|
|
molinaat; |
|
|
myclobutanil; |
|
|
oxadiargyl; |
|
|
oxadiazon; |
|
|
pendimethalin; |
|
|
prochloraz; |
|
|
profoxydim; |
|
|
propiconazool; |
|
|
prosulfuron; |
|
|
quinoxyfen; |
|
|
quizalofop-P (variant quizalofop-P-tefuryl); |
|
|
tepraloxydim; |
|
|
thiacloprid; |
|
|
triasulfuron; |
|
|
triazoxide; |
|
|
warfarine. |
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/45 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1253 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot rectificatie van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft afwijkingen van bepaalde bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 ingevoerde voorschriften
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 62, lid 14,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (2) zijn gemeenschappelijke technische voorschriften vastgesteld voor het ontwerp en de productie van burgerluchtvaartuigen, motoren, propellers en daarin te installeren onderdelen. |
|
(2) |
Overeenkomstig punt 3.1, b), van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1139 moeten erkende ontwerp- en productieorganisaties een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico’s beheren en streven naar voortdurende verbetering van dat systeem. |
|
(3) |
Overeenkomstig bijlage 19 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944 (“het Verdrag van Chicago”), moeten bevoegde autoriteiten eisen dat erkende ontwerp- en productieorganisaties een veiligheidsbeheersysteem toepassen. |
|
(4) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 van de Commissie (3) is voor alle erkende ontwerp- en productieorganisaties die onder bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 vallen een beheersysteem ingevoerd om te voldoen aan de in bijlage 19 bij het Verdrag van Chicago vastgestelde internationale normen en aanbevolen praktijken van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). |
|
(5) |
In Uitvoeringsverordening (EU) 2022/203 van de Commissie (4) is bepaald dat de bevoegde autoriteiten een beheersysteem en systemen voor de melding van voorvallen moeten invoeren. |
|
(6) |
Artikel 8 en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 748/2012 zijn respectievelijk gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 en Uitvoeringsverordening (EU) 2022/203. De wijzigingen voorzagen voor ontwerp- en productieorganisaties in overgangsperioden tot 7 maart 2025 om alle bevindingen van niet-naleving met betrekking tot de bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 ingevoerde voorschriften te corrigeren. |
|
(7) |
In de vastgestelde tekst tot wijziging van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 748/2012 werd ten onrechte verwezen naar Uitvoeringsverordening (EU) 2022/203 in plaats van naar Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201. |
|
(8) |
Bovendien werd in de tekst tot wijziging van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 748/2012 geen rekening gehouden met het feit dat slechts een beperkt aantal vereisten die bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 zijn ingevoerd, met name de eisen inzake rapportage en het bijhouden van registers, van toepassing zijn op organisaties die zonder erkenning producten, onderdelen of uitrustingsstukken produceren en die houder zijn van een akkoordverklaring en met het feit dat die akkoordverklaring slechts voor een beperkte periode geldig is. De overgangsperiode tot 7 maart 2025 om bevindingen van niet-naleving met betrekking tot de bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 ingevoerde eisen te corrigeren, is derhalve niet relevant voor die organisaties. Om de samenhang met de toepassingsdatum van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 te waarborgen, mogen organisaties waarvoor de akkoordverklaring op of vóór 7 maart 2023 is afgegeven, dus niet worden verplicht te voldoen aan de eisen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201. |
|
(9) |
Verordening (EU) nr. 748/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd, |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 9 van Verordening (EU) nr. 748/2012 worden de leden 5 en 6 vervangen door:
“5. Bij wijze van uitzondering op bijlage I (deel 21), punt 21.B.225, d), 1 en 2, mag een productieorganisatie die houder is van een geldig erkenningscertificaat dat is afgegeven overeenkomstig bijlage I (deel 21), tot en met 7 maart 2025 alle bevindingen van niet-naleving met betrekking tot de voorschriften van bijlage I die zijn ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 (*1) van de Commissie, corrigeren.
Als de organisatie na 7 maart 2025 die bevindingen niet heeft gesloten, wordt het erkenningscertificaat geheel of gedeeltelijk ingetrokken, beperkt of opgeschort.
6. Bij wijze van uitzondering op bijlage I (deel 21), punt 21.A.125C, a), 1, mag een organisatie die zonder erkenning producten, onderdelen of uitrustingsstukken produceert en die houder is van een geldige, ten laatste op 7 maart 2023 overeenkomstig bijlage I (deel 21) afgegeven akkoordverklaring, niet worden verplicht te voldoen aan de bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 ingevoerde eisen in bijlage I.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Ze is van toepassing met ingang van 7 maart 2023.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/201 van de Commissie van 10 december 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft door ontwerp- en productieorganisaties op te zetten beheersystemen en voorvallenmeldingssystemen, alsmede wat betreft de door het Agentschap toegepaste procedures, en tot rectificatie van die Verordening (PB L 33 van 15.2.2022, blz. 7).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/203 van de Commissie van 14 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft beheersystemen en systemen voor de melding van voorvallen die door bevoegde autoriteiten moeten worden opgezet en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de afgifte van certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid (PB L 33 van 15.2.2022, blz. 46).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/47 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1254 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot wijziging van Verordening (EU) 2015/640 in verband met de invoering van nieuwe aanvullende luchtwaardigheidseisen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 17, lid 1, punt h),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139 geeft het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart certificeringsspecificaties (“CS”) af en werkt het deze regelmatig bij om ervoor te zorgen dat CS geschikt blijven voor het beoogde doel. Een luchtvaartuig waarvan het ontwerp reeds is gecertificeerd, moet echter niet voldoen aan de bijgewerkte versie van de toepasselijke CS als het al in productie of gebruik is. Om de blijvende luchtwaardigheid en de verbetering van de veiligheid te ondersteunen, moet worden geëist dat dergelijke luchtvaartuigen voldoen aan aanvullende luchtwaardigheidseisen die niet in de oorspronkelijke CS waren opgenomen ten tijde van de certificering van het ontwerp. In Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie (2) zijn dergelijke aanvullende luchtwaardigheidseisen uiteengezet. |
|
(2) |
Met ingang van 26 augustus 2023 wordt bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1159 van de Commissie (3) een nieuw punt 26.157 ingevoegd in bijlage I (Deel-26) bij Verordening (EU) 2015/640. Overeenkomstig die bepaling moeten alle in gebruik zijnde grote vliegtuigen die door het Agentschap zijn gecertificeerd en in het commercieel luchtvervoer worden gebruikt, op of na 26 augustus 2023 voldoen aan aanvullende luchtwaardigheidseisen voor de ombouw van vracht- of bagagecompartimenten van klasse D. Uit verdere analyse is echter gebleken dat voor bepaalde types activiteiten, met name zakelijke activiteiten, bepaalde grote vliegtuigen met een lage bezettingsgraad minder risico lopen dat tijdens de vlucht in een vracht- of bagagecompartiment van klasse D een brand ontstaat die zich ontwikkelt tot een onbeheersbare brand. Om te vermijden dat onevenredige en niet-kostenefficiënte lasten worden opgelegd aan de exploitanten van deze vliegtuigtypes, moeten zij worden vrijgesteld van de verplichting om aan punt 26.157 te voldoen. |
|
(3) |
Met ingang van 22 juni 2021 heeft het Agentschap de certificeringsspecificaties voor grote vliegtuigen (CS-25) gewijzigd om een nieuwe specificatie in te voeren waarbij vereist wordt dat middelen worden vastgesteld om het risico dat de bandenspanning tijdens het gebruik onder het bruikbare minimum daalt, zo veel mogelijk te beperken. Die nieuwe specificatie is echter alleen van toepassing op grote vliegtuigen waarvoor na 22 juni 2021 ontwerpgoedkeuring is aangevraagd. Aangezien de kans bestaat dat sommige grote vliegtuigen niet aan die nieuwe specificatie voldoen, moeten aanvullende luchtwaardigheidseisen worden ingevoerd. Rekening houdend met de aard en het risico van vluchtuitvoeringen met grote vliegtuigen en om tegelijk in de Unie een hoog en uniform niveau van burgerluchtvaartveiligheid te handhaven, is het evenredig en kostenefficiënt die aanvullende luchtwaardigheidseisen in te voeren voor alle in gebruik zijnde grote vliegtuigen die zijn gebouwd op basis van een reeds door het Agentschap gecertificeerd ontwerp. |
|
(4) |
Het Agentschap heeft de certificeringsspecificaties voor kleine draagschroefvliegtuigen (CS-27) en grote draagschroefvliegtuigen (CS-29) gewijzigd om nieuwe specificaties in te voeren voor draagschroefvliegtuigen die bestemd zijn voor gebruik in offshoreactiviteiten. Overeenkomstig de nieuwe specificaties moeten de draagschroefvliegtuigen gecertificeerd zijn voor noodlanding op het water of moeten ze zijn uitgerust met nooddrijfsystemen. Rekening houdend met de aard en het risico van offshoreactiviteiten met helikopters en de noodzaak om een hoog uniform niveau van burgerluchtvaartveiligheid te handhaven in de Unie, is het evenredig en kostenefficiënt om sommige van die specificaties toe te passen op bestaande helikopters die in de Unie worden geëxploiteerd en op helikopters die na de inwerkingtreding van deze verordening zullen worden geproduceerd op basis van een ontwerp dat reeds door het Agentschap is gecertificeerd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2015/640 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2 worden de volgende punten c bis), c ter) en c quater) ingevoegd:
|
|
2) |
Bijlage I (Deel-26) wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 9 september 2022, behalve voor:
|
a) |
de punten 2 en 6 van de bijlage, die van toepassing zijn met ingang van 26 augustus 2023; |
|
b) |
de punten 4 en 5 van de bijlage met betrekking tot de toevoeging van de punten 26.410, 26.415, 26.420, a) en b), en 26.425 van bijlage I (Deel-26) bij Verordening (EU) 2015/640, die van toepassing zijn met ingang van 9 augustus 2023; |
|
c) |
punt 5 van de bijlage met betrekking tot de toevoeging van de punten 26.420, c), en 26.435, a), van bijlage I (Deel-26) bij Verordening (EU) 2015/640, die van toepassing zijn met ingang van 9 augustus 2024; |
|
d) |
punt 5 van de bijlage met betrekking tot de toevoeging van punt 26.435, b), van bijlage I (Deel-26) van Verordening (EU) 2015/640, dat van toepassing is met ingang van 9 augustus 2026. |
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie van 23 april 2015 betreffende aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor een bepaald soort vluchtuitvoering en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 18).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1159 van de Commissie van 5 augustus 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1321/2014 en (EU) 2015/640 voor wat de invoering van nieuwe aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften betreft (PB L 257 van 6.8.2020, blz. 14).
BIJLAGE
Bijlage I bij Verordening (EU) 2015/640 (Deel-26) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De inhoudsopgave wordt vervangen door: “INHOUD SUBDEEL A — ALGEMENE VOORZIENINGEN
SUBDEEL B — GROTE VLIEGTUIGEN
SUBDEEL C — HELIKOPTERS
|
|
2) |
Punt 26.157 wordt vervangen door: “26.157 Ombouw van compartimenten van klasse D Exploitanten van voor commerciële luchtvervoersactiviteiten gebruikte grote vliegtuigen die op of na 1 januari 1958 zijn gecertificeerd, behalve exploitanten van de in aanhangsel 1, tabel A.1, bij deze bijlage vermelde vliegtuigmodellen, moeten ervoor zorgen dat:
|
|
(3) |
Het volgende punt 26.201 wordt ingevoegd: “26.201 Bandenspanning Exploitanten van grote vliegtuigen dienen het risico dat de bandenspanning tijdens de vluchtuitvoering tot onder de minimale bruikbare bandenspanning daalt, tot een minimum te beperken.”. |
|
4) |
de titel van subdeel C wordt vervangen door: “SUBDEEL C — HELIKOPTERS”. |
|
5) |
De volgende punten 26.410, 26.415, 26.420, 26.425, 26.430, 26.431 en 26.435 worden toegevoegd: “26.410 Onder water bediende noodbedieningsorganen Exploitanten van kleine helikopters en grote helikopters die, overeenkomstig punt CAT.IDE.H.320, a), van bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 965/2012 moeten zijn ontworpen voor landingen op het water of gecertificeerd zijn voor noodlandingen op het water, moeten ervoor zorgen dat op alle noodbedieningsorganen die onder water moeten worden bediend, de bedieningsmethode en gele en zwarte strepen zijn gemarkeerd. 26.415 Nooduitgangen onder water
26.420 Nooduitrusting voor vluchten boven water
26.425 Terbeschikkingstelling van aangetoonde zeeomstandigheden
26.430 Schadebestendigheid van een nooddrijfsysteem
26.431 Bepaling van de robuustheid van het ontwerp van nooddrijfsystemen
26.435 Automatische inzet van een nooddrijfsysteem
|
|
6) |
Aanhangsel 1 wordt vervangen door: “Aanhangsel 1 Lijst van vliegtuigmodellen die niet onder sommige bepalingen van bijlage I (Deel-26) vallen Tabel A.1
|
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/58 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1255 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot aanwijzing van antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die zijn voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens, overeenkomstig Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (1), en met name artikel 37, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2019/6 bevat een breed scala aan concrete maatregelen om antimicrobiële resistentie te bestrijden en een verstandiger en verantwoordelijker gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen bij dieren te bevorderen, met inbegrip van zeer strenge regels wat betreft diergeneeskundige voorschriften bij profylactisch en metafylactisch gebruik. In die verordening wordt er ook aan herinnerd dat antimicrobiële geneesmiddelen niet routinematig mogen worden toegediend, noch worden gebruikt om slechte hygiëne, ondermaatse veehouderijpraktijken en gebrekkige verzorging of wanbeheer van landbouwbedrijven te compenseren. |
|
(2) |
Bepaalde antimicrobiële geneesmiddelen of groepen van antimicrobiële geneesmiddelen moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens, teneinde hun werkzaamheid voor de menselijke geneeskunde beter te behouden en de strijd tegen antimicrobiële resistentie, een ernstige bedreiging voor de mondiale gezondheid, te ondersteunen. |
|
(3) |
De antimicrobiële geneesmiddelen of groepen van antimicrobiële geneesmiddelen die moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens, moeten worden aangewezen op basis van de criteria die voor dit doel in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1760 van de Commissie (2) zijn vastgesteld. |
|
(4) |
Het Europees Geneesmiddelenbureau (“het Bureau”) heeft antimicrobiële stoffen en groepen van antimicrobiële stoffen beoordeeld (3) die worden gebruikt in geneesmiddelen waarvoor in de lidstaten en in derde landen een vergunning is verleend. Het Bureau heeft vastgesteld welke antimicrobiële stoffen en groepen van antimicrobiële stoffen aan de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1760 voldeden, rekening houdend met het meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijs. Het advies van het Bureau is overeenkomstig artikel 37, lid 6, van Verordening (EU) 2019/6 gebaseerd op het gezamenlijke advies van deskundigen op het gebied van de menselijke geneeskunde en deskundigen op het gebied van de diergeneeskunde van de nationale bevoegde autoriteiten, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en het Bureau zelf, alsook van externe deskundigen op het gebied van infectieziekten bij de mens van wetenschappelijke verenigingen en de academische wereld. |
|
(5) |
Op grond van het advies van het Bureau voldeden verschillende antibiotica, verschillende antivirale middelen en één antiprotozoair middel aan de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1760 en moeten zij daarom worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens. Op grond van het advies van het Bureau voldeed geen van de beoordeelde antischimmelmiddelen aan die criteria. |
|
(6) |
De in de lijst in deze verordening opgenomen antimicrobiële stoffen en groepen van antimicrobiële stoffen mogen niet worden gebruikt in diergeneesmiddelen. Aanvragen voor vergunningen voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen die een van de in deze verordening vermelde antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen bevatten, moeten derhalve worden afgewezen. Bovendien moeten bestaande vergunningen voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen die dergelijke antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen bevatten, hun geldigheid verliezen. |
|
(7) |
Diergeneesmiddelen worden soms via gemedicineerde diervoeders aan dieren toegediend. Het gebruik in gemedicineerde diervoeders van diergeneesmiddelen die antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen bevatten die in de lijst in deze verordening zijn opgenomen, mag niet mogelijk zijn. |
|
(8) |
Bovendien mogen geneesmiddelen die een van de in de lijst in deze verordening opgenomen antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen bevatten, niet bij dieren worden gebruikt, zelfs niet onder de voorwaarden van de artikelen 112, 113 en 114 van Verordening (EU) 2019/6. |
|
(9) |
Om dierenartsen, eigenaars van dieren en de betrokken marktdeelnemers de tijd te geven om zich aan de bovengenoemde gevolgen aan te passen, moet deze verordening zes maanden na de inwerkingtreding ervan van toepassing worden. |
|
(10) |
De lijst van antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens, als bedoeld in deze verordening, moet voortdurend in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens of nieuwe informatie worden herzien, met inbegrip van informatie en gegevens over het ontstaan van nieuwe ziekten, veranderingen in de epidemiologie van bestaande ziekten, veranderingen in resistentie tegen antimicrobiële geneesmiddelen, of veranderingen in de beschikbaarheid of gebruikspatronen van antimicrobiële stoffen. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 145 van Verordening (EU) 2019/6 bedoelde Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die zijn aangewezen als voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens
1. De in de lijst in de bijlage opgenomen antimicrobiële stoffen en groepen van antimicrobiële stoffen worden niet gebruikt in diergeneesmiddelen of gemedicineerde diervoeders.
2. Het is verboden om geneesmiddelen voor menselijk gebruik die een van de in de bijlage vermelde antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen bevatten, bij dieren te gebruiken.
Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 9 februari 2023.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1760 van de Commissie van 26 mei 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de criteria voor de aanwijzing van antimicrobiële stoffen die moeten worden voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens (PB L 353 van 6.10.2021, blz. 1).
(3) Advies over de aanwijzing van antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die voorbehouden zijn voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens — in verband met uitvoeringsmaatregelen op grond van artikel 37, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 betreffende diergeneesmiddelen (EMA/CVMP/678496/2021, 16 februari 2022).
BIJLAGE
Antimicrobiële stoffen of groepen van antimicrobiële stoffen die zijn voorbehouden voor de behandeling van bepaalde infecties bij de mens
1)
Antibiotica|
a) |
Carboxypenicillinen |
|
b) |
Ureidopenicillinen |
|
c) |
Ceftobiprool |
|
d) |
Ceftaroline |
|
e) |
Combinaties van cefalosporinen met bètalactamaseremmers |
|
f) |
Siderofore cephalosporinen |
|
g) |
Carbapenems |
|
h) |
Penems |
|
i) |
Monobactams |
|
j) |
Fosfonzuurderivaten |
|
k) |
Glycopeptiden |
|
l) |
Lipopeptiden |
|
m) |
Oxazolidinonen |
|
n) |
Fidaxomicine |
|
o) |
Plazomicine |
|
p) |
Glycylcyclinen |
|
q) |
Eravacycline |
|
r) |
Omadacycline |
2)
Antivirale middelen|
a) |
Amantadine |
|
b) |
Baloxavir marboxil |
|
c) |
Celgosivir |
|
d) |
Favipiravir |
|
e) |
Galidesivir |
|
f) |
Lactimidomycine |
|
g) |
Laninamivir |
|
h) |
Methisazon/metisazon |
|
i) |
Molnupiravir |
|
j) |
Nitazoxanide |
|
k) |
Oseltamivir |
|
l) |
Peramivir |
|
m) |
Ribavirine |
|
n) |
Rimantadine |
|
o) |
Tizoxanide |
|
p) |
Triazavirine |
|
q) |
Umifenovir |
|
r) |
Zanamivir |
3)
Antiprotozoaire middelen|
a) |
Nitazoxanide |
BESLUITEN
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/61 |
BESLUIT (EU) 2022/1256 VAN DE RAAD
van 15 juli 2022
inzake het standpunt dat namens de Europese Unie in de 226e bijeenkomst van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie moet worden ingenomen met betrekking tot de voorgestelde vaststelling van amendement 48 van bijlage 6, deel I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (“het Verdrag van Chicago”), waarbij het internationale luchtvervoer wordt geregeld, is op 4 april 1947 in werking getreden. Bij dat verdrag is de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (International Civil Aviation Council — ICAO) opgericht. |
|
(2) |
De lidstaten van de Unie zijn verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Chicago (“de verdragsluitende partijen”) en leden van de ICAO, terwijl de Unie de status van waarnemer heeft in bepaalde organen van de ICAO. Momenteel zijn zeven lidstaten vertegenwoordigd in de ICAO-Raad. |
|
(3) |
Krachtens artikel 54 van het Verdrag van Chicago kan de ICAO-Raad internationale normen en aanbevolen praktijken vaststellen; deze worden vastgelegd in de bijlagen bij het Verdrag van Chicago (de “bijlagen”). |
|
(4) |
Krachtens artikel 90 van het Verdrag van Chicago treden de bijlagen of een wijziging van deze bijlagen in werking binnen drie maanden na de voorlegging ervan aan de verdragsluitende partijen of na afloop van een zodanige langere termijn als de ICAO-Raad kan voorschrijven, tenzij in de tussentijd een meerderheid van de verdragsluitende partijen haar afkeuring kenbaar maakt aan de Raad van de ICAO. |
|
(5) |
Naar verwachting zal de ICAO-Raad tijdens zijn 226e zitting amendement 48 van bijlage 6, deel I, bij het Verdrag van Chicago (“amendement 48”) vaststellen. |
|
(6) |
De belangrijkste doelstelling van amendement 48 is het uitstel van de datum van toepassing van bijlage 6, deel I, norm 6.18.1 tot 1 januari 2025. |
|
(7) |
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moeten worden ingenomen tijdens de 226e zitting van de ICAO-Raad met betrekking tot amendement 48. Dat standpunt moet inhouden dat amendement 48 wordt gesteund en het moet namens de Unie tot uiting worden gebracht door de gezamenlijk optredende lidstaten van de Unie die lid zijn van de ICAO-Raad. |
|
(8) |
Het standpunt van de Unie na de vaststelling door de ICAO-Raad van amendement 48, dat door de secretaris-generaal van de ICAO door middel van de procedure van de ICAO-brieven moet worden bekendgemaakt, moet inhouden dat geen afkeuring kenbaar wordt gemaakt, op voorwaarde dat amendement 48 zonder ingrijpende wijzigingen wordt vastgesteld, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 226e of een latere vergadering van de ICAO-Raad houdt in dat het voorgestelde amendement 48 van bijlage 6, deel I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (“amendement 48”) in zijn geheel wordt gesteund.
2. Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen, mits de ICAO-Raad amendement 48 zonder ingrijpende wijzigingen vaststelt, houdt in dat geen afkeuring van het vastgestelde amendement 48 in antwoord op de desbetreffende ICAO-brieven kenbaar wordt gemaakt.
Artikel 2
1. Het in artikel 1, lid 1, vermelde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door de lidstaten van de Unie die lid zijn van de ICAO-Raad, die gezamenlijk namens de Unie optreden.
2. Het in artikel 1, lid 2, bedoelde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door alle lidstaten van de Unie, die gezamenlijk namens de Unie optreden.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 15 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
M. BEK
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/63 |
BESLUIT (EU) 2022/1257 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot benoeming van vijf leden van en zeven plaatsvervangers in het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Denemarken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien Besluit (EU) 2019/852 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Comité van de Regio’s (1),
Gezien de voordrachten van de Deense regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 300, lid 3, van het Verdrag bestaat het Comité van de Regio’s uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering. |
|
(2) |
Op 10 december 2019 heeft de Raad Besluit (EU) 2019/2157 (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 vastgesteld. Op 17 februari 2020 heeft de Raad Besluit (EU) 2020/234 (3) tot benoeming van een plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Denemarken, vastgesteld. |
|
(3) |
In het Comité van de Regio’s zijn vier zetels van lid vrijgekomen vanwege het aftreden van de heer Jess LAURSEN, de heer Arne LÆGAARD en de heer Per NØRHAVE en het einde van het nationale mandaat op grond waarvan de heer Per Bødker ANDERSEN was voorgedragen. |
|
(4) |
In het Comité van de Regio’s zijn zes zetels van plaatsvervanger vrijgekomen vanwege het aftreden van de heer Søren WINDELL en het einde van de nationale mandaten op grond waarvan de heer Steen Bording ANDERSEN, mevrouw Vibeke Syppli ENRUM, de heer Erik HØGH-SØRENSEN, de heer Anders Rosenstand LAUGESEN en de heer Evan LYNNERUP OLESEN waren voorgedragen. |
|
(5) |
In het Comité van de Regio’s komt een zetel van lid vrij door de benoeming van de heer Jens Christian GJESING tot plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s. |
|
(6) |
In het Comité van de Regio’s komt een zetel van plaatsvervanger vrij door de benoeming van mevrouw Kirsten Maria Meyer JENSEN tot lid van het Comité van de Regio’s. |
|
(7) |
De Deense regering heeft de volgende vertegenwoordigers van regionale of lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam zijn gekozen, voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, voorgedragen als lid van het Comité van de Regio’s: de heer Bent GRAVERSEN, Regionsrådsmedlem, Regionsrådet, Region Midtjylland (lid van de regioraad van Midden-Jutland), mevrouw Kirsten Maria Meyer JENSEN, Borgmester, Hillerød Kommune (burgemeester van de gemeente Hillerød), de heer Torsten NIELSEN, 2. Viceborgmester, Viborg Kommune (tweede locoburgemeester van de gemeente Viborg), mevrouw Hanne ROED, Regionsrådsmedlem, Regionsrådet, Region Midtjylland (lid van de regioraad van Midden-Jutland), en de heer Peter Sønderby Westphal SØRENSEN, Borgmester, Horsens Kommune (burgemeester van de gemeente Horsens). |
|
(8) |
De Deense regering heeft de volgende vertegenwoordigers van regionale of lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam zijn gekozen, voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, voorgedragen als plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s: de heer Jens Christian GJESING, Kommunalbestyrelsesmedlem, Haderslev Kommune (lid van de gemeenteraad van Haderslev), de heer Flemming KNUDSEN, Regionsrådsmedlem, Regionsrådet, Region Midtjylland (lid van de regioraad van Midden-Jutland), de heer Tage LEEGAARD, Regionsrådsmedlem Regionsrådet, regio Nordjylland (lid van de regioraad van Noord-Jutland), mevrouw Anne MADSEN, Kommunalbestyrelsesmedlem, Sorø Kommune (lid van de gemeenteraad van Sorø), de heer Henrik Lena MADSEN, Byrådsmedlem, Kerteminde Kommune (lid van de gemeenteraad van Kerteminde), de heer Thomas ROHDEN, Regionsrådsmedlem, Regionsrådet, Region Hovedstaden (lid van de regioraad van de regio Hoofdstad), de heer Mads SØRENSEN, Borgmester, Varde Kommune (burgemeester van de gemeente Varde), |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende vertegenwoordigers van regionale of lokale gemeenschappen die in een lichaam zijn gekozen, worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, in het Comité van de Regio’s benoemd:
|
a) |
tot lid:
en |
|
b) |
tot plaatsvervanger:
|
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 139 van 27.5.2019, blz. 13.
(2) Besluit (EU) 2019/2157 van de Raad van 10 december 2019 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 (PB L 327 van 17.12.2019, blz. 78).
(3) Besluit (EU) 2020/234 van de Raad van 17 februari 2020 tot benoeming van een plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Denemarken (PB L 47I van 20.2.2020, blz. 6).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/66 |
BESLUIT (EU) 2022/1258 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot benoeming van een lid van en een plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien Besluit (EU) 2019/852 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Comité van de Regio’s (1),
Gezien de voordrachten van de Duitse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 300, lid 3, van het Verdrag bestaat het Comité van de Regio’s uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering. |
|
(2) |
Op 10 december 2019 heeft de Raad Besluit (EU) 2019/2157 (2) vastgesteld, waarbij de leden van en de plaatsvervangers in het Comité van de Regio’s benoemd werden voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025. |
|
(3) |
In het Comité van de Regio’s komt vanaf 5 september 2022 een zetel van een lid vrij vanwege het aftreden van de heer Bernd LANGE, dat op 4 september 2022 ingaat. |
|
(4) |
De Duitse regering heeft de heer Thomas HABERMANN, vertegenwoordiger van een lokale gemeenschap die in een lokaal lichaam is gekozen, Landrat des Landkreises Rhön-Grabfeld (districtscommissaris van Rhön-Grabfeld), voorgedragen als lid van het Comité van de Regio’s voor de periode van 5 september 2022 tot het einde van de huidige ambtstermijn op 25 januari 2025. |
|
(5) |
In het Comité van de Regio’s komt vanaf 5 september 2022 een zetel van plaatsvervanger vrij door de benoeming van de heer Thomas HABERMANN tot lid van het Comité van de Regio’s. |
|
(6) |
De Duitse regering heeft de heer Christoph SCHNAUDIGEL, vertegenwoordiger van een lokale gemeenschap die in een lokaal lichaam is gekozen, Landrat des Landkreises Karlsruhe (districtscommissaris van Karlsruhe), voorgedragen als plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s voor de periode van 5 september 2022 tot het einde van de huidige ambtstermijn op 25 januari 2025, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen die in een lichaam zijn gekozen, worden van 5 september 2022 tot en met 25 januari 2025 in het Comité van de Regio’s benoemd:
|
a) |
tot lid:
en |
|
b) |
tot plaatsvervanger:
|
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 139 van 27.5.2019, blz. 13.
(2) Besluit (EU) 2019/2157 van de Raad van 10 december 2019 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 (PB L 327 van 17.12.2019, blz. 78).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/68 |
BESLUIT (EU) 2022/1259 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot benoeming van een lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, voorgedragen door het Groothertogdom Luxemburg
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,
Gezien Besluit (EU) 2019/853 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien de voordracht van de Luxemburgse regering,
Na raadpleging van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 300, lid 2, van het Verdrag bestaat het Europees Economisch en Sociaal Comité uit vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers, werknemers en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties. |
|
(2) |
Op 2 oktober 2020 heeft de Raad Besluit (EU) 2020/1392 (2) tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025 vastgesteld. |
|
(3) |
In het Europees Economisch en Sociaal Comité is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het aftreden van mevrouw Claudine OTTO. |
|
(4) |
De Luxemburgse regering heeft mevrouw Christel CHATELAIN, Directrice des Affaires Économiques — Chambre de Commerce du Grand-Duché de Luxembourg, voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2025, voorgedragen als lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Mevrouw Christel CHATELAIN, Directrice des Affaires Économiques — Chambre de Commerce du Grand-Duché de Luxembourg, wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2025, benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 139 van 27.5.2019, blz. 15.
(2) Besluit (EU) 2020/1392 van de Raad van 2 oktober 2020 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025, en tot intrekking en vervanging van Besluit tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025, vastgesteld op 18 september 2020 (PB L 322 van 5.10.2020, blz. 1).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/69 |
BESLUIT (EU) 2022/1260 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot benoeming van een lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, voorgedragen door het Koninkrijk Denemarken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,
Gezien Besluit (EU) 2019/853 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien de voordracht van de Deense regering,
Na raadpleging van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 300, lid 2, van het Verdrag bestaat het Europees Economisch en Sociaal Comité uit vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers, werknemers en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties. |
|
(2) |
Op 2 oktober 2020 heeft de Raad Besluit (EU) 2020/1392 (2) tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025 vastgesteld. |
|
(3) |
In het Europees Economisch en Sociaal Comité is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het aftreden van de heer Nils TRAMPE. |
|
(4) |
De Deense regering heeft mevrouw Christiane MIßLBECK-WINBERG, Europapolitisk chef, Dansk Arbejdsgiverforening (DA) (directeur EU- en internationale zaken, Deense vereniging van werkgevers (DA)), voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2025, voorgedragen als lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Mevrouw Christiane MIßLBECK-WINBERG, Europapolitisk chef, Dansk Arbejdsgiverforening (DA) (directeur EU- en internationale zaken, Deense vereniging van werkgevers (DA)), wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2025, benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 139 van 27.5.2019, blz. 15.
(2) Besluit (EU) 2020/1392 van de Raad van 2 oktober 2020 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025, en tot intrekking en vervanging van Besluit tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025, vastgesteld op 18 september 2020 (PB L 322 van 5.10.2020, blz. 1).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/71 |
BESLUIT (EU) 2022/1261 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot benoeming van een plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien Besluit (EU) 2019/852 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Comité van de Regio’s (1),
Gezien de voordracht van de Spaanse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 300, lid 3, van het Verdrag bestaat het Comité van de Regio’s uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering. |
|
(2) |
Op 10 december 2019 heeft de Raad Besluit (EU) 2019/2157 (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 vastgesteld. |
|
(3) |
In het Comité van de Regio’s is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen vanwege het einde van het nationale mandaat op grond waarvan de heer Carlos AGUILAR VÁZQUEZ was voorgedragen. |
|
(4) |
De Spaanse regering heeft de heer Juan GARCÍA-GALLARDO FRINGS, vertegenwoordiger van een regionale gemeenschap die in een regionaal lichaam is gekozen, Vicepresidente de la Junta de Castilla y León (viceminister-president van de autonome regio Castilla y León), voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, voorgedragen als plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De heer Juan GARCÍA-GALLARDO FRINGS, vertegenwoordiger van een regionale gemeenschap die in een lichaam is gekozen, Vicepresidente de la Junta de Castilla y León (viceminister-president van de autonome regio Castilla y León), wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, tot plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s benoemd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 139 van 27.5.2019, blz. 13.
(2) Besluit (EU) 2019/2157 van de Raad van 10 december 2019 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 (PB L 327 van 17.12.2019, blz. 78).
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/72 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/1262 VAN DE RAAD
van 18 juli 2022
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 tot toekenning van tijdelijke steun uit hoofde van Verordening (EU) 2020/672 aan Roemenië om het risico op werkloosheid in de noodtoestand als gevolg van de COVID-19-uitbraak te beperken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2020/672 van de Raad van 19 mei 2020 betreffende de instelling van een Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) als gevolg van de COVID-19-uitbraak (1), en met name artikel 6, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Naar aanleiding van een verzoek van Roemenië van 7 augustus 2020 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 (2) financiële bijstand aan Roemenië toegekend in de vorm van een lening van maximaal 4 099 244 587 EUR met een gemiddelde looptijd van ten hoogste 15 jaar, als aanvulling op de nationale inspanningen van Roemenië om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaal-economische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen. |
|
(2) |
De lening diende door Roemenië te worden gebruikt ter financiering van een werktijdverkortingsregeling, soortgelijke en gezondheidsgerelateerde maatregelen, als bedoeld in artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355. |
|
(3) |
Door de COVID-19-uitbraak is een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking in Roemenië inactief geworden. Dat heeft geleid tot herhaalde plotse en sterke stijgingen van de overheidsuitgaven van Roemenië voor nieuwe maatregelen, namelijk die waarnaar wordt verwezen in de overwegingen 11, 12 en 16 tot en met 34 van dit besluit, en maatregelen als bedoeld in artikel 3, punten a), en c) tot en met i), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355. |
|
(4) |
De COVID-19-uitbraak en de buitengewone maatregelen die Roemenië in 2020, 2021 en 2022 heeft getroffen om die uitbraak en de sociaal-economische en gezondheidseffecten daarvan in te perken, hadden en hebben nog steeds een dramatisch effect op de overheidsfinanciën. In 2020 had Roemenië een overheidstekort van 9,3 % van het bruto binnenlands product (bbp) en een schuld van 47,2 % van het bbp: tegen eind 2021 ging het om respectievelijk 7,1 % en 48,8 %. Volgens de voorjaarsprognose 2022 van de Commissie zou Roemenië tegen het einde van 2022 een overheidstekort van 7,5 % van het bbp en een schuld van 50,9 % van het bbp hebben. Het bbp van Roemenië zal in 2022 naar verwachting met 2,6 % toenemen. |
|
(5) |
Op 26 mei 2022 heeft Roemenië de Unie om verlenging verzocht voor de lijst van maatregelen waarvoor reeds financiële bijstand was toegekend bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355, teneinde zijn in 2020 gedane nationale inspanningen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaal-economische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen (“het verzoek”), verder aan te vullen. Met name heeft Roemenië een reeks regelingen voor werktijdverkorting en soortgelijke maatregelen als bedoeld in de overwegingen 6 tot en met 12 ingevoerd en verder uitgebreid. |
|
(6) |
Noodverordening 30/2020 van de regering (3), waarnaar in artikel 3, punt a), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, voorziet in een uitkering voor werknemers van werkgevers die hun activiteit beperken of tijdelijk onderbreken wegens de gevolgen van de COVID-19-uitbraak. De uitkering is beperkt tot 75 % van het basisloon van die werknemers (maar niet meer dan 75 % van het gemiddelde brutoloon in het bedrijfsleven) voor de duur van de noodtoestand. De maatregel is bij Noodverordening 111/2021 van de regering (4) verlengd tot december 2021 en bij Noodverordening 2/2022 van de regering (5) tot maart 2022. |
|
(7) |
Bij Noodverordening 132/2020 van de regering (6), waarnaar in artikel 3, punt c), van Uitvoeringsbesluit (EU) 202/1355 wordt verwezen, werd een regeling voor werktijdverkorting ingevoerd waarbij de werkgever in geval van een tijdelijke inkrimping van de bedrijfsactiviteit ten gevolge van de noodtoestand of de alarmfase de arbeidsuren van de werknemer kan verminderen met maximaal 50 %. Tijdens de periode van werktijdverkorting ontvangen de getroffen werknemers een uitkering van 75 % van het verschil tussen het brutoloon voor de normale werktijd en hun werkelijke loon. De maatregel is bij Wet 58/2021 gewijzigd en verlengd tot juni 2022, drie maanden na het einde van de staat van alert. |
|
(8) |
Bij Noodverordening 30/2020 van de regering (7), artikel XV, en Noodverordening 132/2020 van de regering (8), artikel 3, waarnaar in artikel 3, punten d) en e), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, werden twee maatregelen voor zelfstandigen en vrije beroepen ingevoerd. Aan degenen die hun werkzaamheden volledig hebben stopgezet ten gevolge van de COVID-19-uitbraak, verleent de staat een uitkering van 75 % van het gemiddelde brutoloon in Roemenië voor de duur van de noodtoestand. Aan degenen die hun werktijd inkorten, verleent de staat een uitkering tot 41,5 % van het gemiddelde brutoloon tot juni 2022, drie maanden na het einde van de staat van alert. De eerste maatregel, waarnaar in artikel 3, punt d), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, is verlengd bij Noodverordening 111/2021 van de regering (9) en Noodverordening 2/2022 van de regering. De tweede maatregel, waarnaar in artikel 3, punt e), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, is verlengd bij Wet 58/2021 (10). |
|
(9) |
Bij Noodverordening 132/2020 van de regering (11), goedgekeurd bij Wet 282/2020 (12), en de daaropvolgende wijzigingen Noodverordening 182/2020 van de regering (13), Noodverordening 211/2020 van de regering (14), die was goedgekeurd bij Wet 58/2021 (15), Noodverordening 220/2020 van de regering (16), Noodverordening 226/2020 van de regering (17), Noodverordening 44/2021 van de regering (18), Noodverordening 111/2021 van de regering (19) en Noodverordening 2/2022 van de regering (20), waarnaar in artikel 3, punt f), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, werd een maatregel ingevoerd die voorziet in een steuntoelage voor dagloners die hun arbeid stopzetten door de onderbreking van de bedrijfsactiviteit ten gevolge van de COVID-19-uitbraak ten belope van 35 % van de vergoeding per werkdag, voor een maximale duur van drie maanden. De maatregel werd verlengd tot juni 2022, drie maanden na het einde van de staat van alert. |
|
(10) |
Wet 19/2020 (21), artikel 3, verlengd bij Noodverordening 147/2020 van de regering (22), artikel 4, lid 3, en Noodverordening 110/2021 van de regering (23), artikel 7, voorzag in een kinderopvangtoeslag die wordt toegekend aan werknemers van het nationale stelsel van defensie, penitentiaire instellingen, zorginstellingen en andere bij ministerieel besluit vastgestelde categorieën van de publieke sector. De uitkering wordt verleend op voorwaarde dat er geen andere ouder is die aanspraak kan maken op andere rechten inzake vakantiedagen voor ouders voor het toezicht op kinderen in geval van tijdelijke sluiting van onderwijsinstellingen. Die maatregel kan worden beschouwd als een maatregel die vergelijkbaar is met werktijdverkortingsregelingen, als bedoeld in Verordening (EU) 2020/672, aangezien daarmee inkomenssteun aan werknemers wordt verleend om hen te helpen de kosten van kinderopvang te dragen tijdens schoolsluitingen en ouders dus steun krijgen om te blijven werken, waardoor wordt voorkomen dat de arbeidsverhouding in gevaar komt. Deze maatregel werd geleidelijk verlengd tot het einde van het schooljaar 2021-2022 en tevens uitgebreid naar werknemers in de particuliere sector. |
|
(11) |
Bij Wet 136/2020 (24) en de daaropvolgende wijzigingen alsook Noodverordening 70/2020 van de regering (25), artikel 13, als bedoeld in het verzoek, wordt ziekengeld toegekend aan personen in quarantaine en personen bij wie een COVID-19-infectie is vastgesteld. |
|
(12) |
Noodverordening 132/2020 van de regering (26), artikel 6, als bedoeld in het verzoek, omvatte een maatregel in de vorm van eenmalige financiële bijdrage van 2 500 RON aan werkgevers voor elke telewerker voor de aankoop van pakketten met technologische goederen en diensten die nodig zijn voor telewerkactiviteiten. De maatregel geldt voor werkgevers waarvan de werknemers tijdens de noodtoestand en de staat van alert minimaal 15 werkdagen op afstand hebben gewerkt in 2020. Die maatregel kan vanwege het beoogde doel en het economische effect ervan worden beschouwd als een maatregel die vergelijkbaar is met regelingen voor werktijdverkorting, zoals bedoeld in Verordening (EU) 2020/672. Het faciliteren van telewerken in het kader van de COVID-19-pandemie helpt bij het in stand houden van een goede arbeidsrelatie. De maatregel biedt ook inkomenssteun aan werknemers in de vorm van een secundaire arbeidsvoorwaarde, waarbij geholpen wordt om de kosten van de uitgaven voor een thuiskantoor te dekken zodat het werk tijdens de lockdown en daaropvolgende beperkingen kan worden voortgezet. |
|
(13) |
Roemenië heeft ook een reeks gezondheidsgerelateerde maatregelen voor de aanpak van de uitbraak van COVID-19 ingevoerd en verder uitgebreid. Hierbij gaat het met name om de in de overwegingen 14 tot en met 34 bedoelde maatregelen. |
|
(14) |
Noodverordening 11/2020 van de regering (27), als verlengd bij Noodverordening 131/2020 van de regering (28), artikel 2, en Wet 136/2020 (29), artikel 6, waarnaar in artikel 3, punt g), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, voorziet in een toeslag voor extra arbeid voor het personeel van de gespecialiseerde structuren van het nationaal instituut voor volksgezondheid en de provinciale directoraten volksgezondheid en het directoraat volksgezondheid van Boekarest, die zich toeleggen op de coördinatie en de uitvoering van maatregelen ter preventie en beperking van gebeurtenissen in verband met de mondiale noodsituatie van COVID-19. Met de maatregel wordt een uitkering van 75 % van het basisloon verleend voor arbeidsuren die de normale werkuren overschrijden, en van 100 % van het basisloon voor arbeidsuren in weekends, op wettelijke feestdagen en andere dagen die niet als werkdagen worden gerekend. Die maatregel kan worden beschouwd als een maatregel op gezondheidsgebied in de zin van Verordening (EU) 2020/672. De maatregel werd in 2020, 2021 en 2022 verlengd en blijft van kracht zolang de WHO van oordeel is dat COVID-19 als een wereldwijde pandemie kan worden gekwalificeerd. |
|
(15) |
Wet 56/2020 (30), artikel 7, en de daaropvolgende wijzigingen bij Noodverordening 116/2021 van de regering (31), waarnaar in artikel 3, punt i), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt verwezen, voorziet in een tijdelijke maatregel in de vorm van een toeslag met betrekking tot bijzonder gevaarlijke omstandigheden ten belope van maximaal 30 % van het loon van het medisch personeel dat deelneemt aan de medische respons op COVID-19. De maatregel was van kracht voor de periode maart 2020 tot en met augustus 2020. De maatregel werd uitgebreid naar het personeel dat verantwoordelijk is voor de handhaving van de sanitaire maatregelen binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken. |
|
(16) |
Noodverordening 131/2020 van de regering (32), artikel 1, lid 1, punten a) en b), als bedoeld in het verzoek, voorziet in een toeslag tussen 30 % en 40 % van het basissalaris die wordt toegekend aan het personeel van de provinciale directoraten volksgezondheid en van het directoraat volksgezondheid van Boekarest. De uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerende bestuurders genieten een toeslag van 40 % van het basissalaris; de bij de controledienst volksgezondheid werkende ambtenaren genieten een toeslag van 30 % van het basissalaris. |
|
(17) |
Wet 136/2020 (33), artikel 19, lid 3, als bedoeld in het verzoek, kent een detacheringstoelage toe van 50 % en een dagvergoeding van 2 % van het basissalaris aan medisch specialisten, paramedisch en hulppersoneel in de publieke sector. De vergoeding is bedoeld voor personeel dat in situaties van epidemiologisch of biologisch risico voor een periode van 30 dagen gedetacheerd wordt bij gezondheidseenheden die met personeelstekort kampen en verantwoordelijk zijn voor het beperken en voorkomen van de verspreiding van COVID-19. |
|
(18) |
Regeringsbesluit 254/2020 (34), enig artikel, Regeringsbesluit 840/2020 (35), enig artikel, Regeringsbesluit 383/2021 (36), enig artikel, Regeringsbesluit 1072/2021 (37) en Regeringsbesluit 496/2022 (38), als bedoeld in het verzoek, voorzagen in de tijdelijke financiering van salariskosten in verband met de openstelling van 2 000 nieuwe functies ter versterking van de gezondheidsdirectoraten en de openbare ambulancediensten (elk 1 000), om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. |
|
(19) |
Regeringsbesluit 1035/2020 (39), enig artikel, punt 3, als bedoeld in het verzoek, kent een toeslag van 75 % tot 85 % van het basissalaris toe aan het gespecialiseerd medisch personeel en medisch hulppersoneel van de eenheden voor volksgezondheid of, in voorkomend geval, de structuren daarvan en aan het gespecialiseerd personeel van de paraklinische medische structuren die rechtstreeks betrokken zijn bij het vervoer, de uitrusting, de beoordeling, de diagnose en de behandeling van met COVID-19 geïnfecteerde patiënten. |
|
(20) |
Regeringsbesluit 1031/2020 (40) en Noodverordening 3/2021 van de regering (41), als bedoeld in het verzoek, voorzag in een vergoeding voor het medisch-sanitair personeel en van de medische registrators die hun activiteit uitoefenen binnen COVID-19-vaccinatiecentra die op andere locaties dan in gezondheidseenheden zijn georganiseerd. Met de maatregel zijn ook lopende en kapitaaluitgaven gefinancierd om de vaccinatiecentra (georganiseerd op andere locaties dan in gezondheidsfaciliteiten) operationeel te maken. |
|
(21) |
Noodverordening 3/2021 van de regering (42) en Regeringsbesluit 1031/2020 (43), als bedoeld in het verzoek, voorzag in een vergoeding voor het medisch-sanitair personeel en de medische registrators die hun activiteit uitoefenen binnen COVID-19-vaccinatiecentra die in gezondheidseenheden zijn georganiseerd, alsook in een vergoeding voor huisartsen voor de daartoe voorziene activiteiten. |
|
(22) |
Bij Regeringsbesluit 1031/2020 (44), als bedoeld in het verzoek, werd de aankoop van vaccindoses COVID-19 in 2021 geregeld. De raamovereenkomsten zijn namens en voor de lidstaten door de Commissie gesloten. |
|
(23) |
Bij Regeringsbesluit 201/2020 (45), Regeringsbesluit 1103/2020 (46) en Besluit 725/2020 van het ministerie van Volksgezondheid (47), als bedoeld in het verzoek, werden de kosten geregeld voor de quarantaine van mensen in aangewezen gebieden met een bevestigde diagnose van COVID-19, mensen op de middels de COVID-19-surveillancemethoden opgestelde lijst en medisch personeel met de diagnose COVID-19 die niet in het ziekenhuis opgenomen hoeven te worden, of personeel dat in contact staat met patiënten en ervoor kiest om niet thuis te blijven. De maatregel omvat algemene vergoedingen (voor artikelen zoals voedsel, huisvesting, vervoer, geneesmiddelen). |
|
(24) |
Regeringsbesluit 1092/2020 (48), Regeringsbesluit 380/2021 (49), Regeringsbesluit 1017/2021 (50) en Regeringsbesluit 1190/2021 (51) voorzagen in de aankoop van het geneesmiddel remdesivir en van een geneesmiddel met monoklonale antilichamen voor de behandeling van COVID-19 dat casirivimab en imdevimab bevat. De aanbestedingsprocedures voor beide geneesmiddelen zijn uitgevoerd door de Commissie namens de lidstaten binnen raamovereenkomsten (52) als bedoeld in het verzoek. |
|
(25) |
Besluit 487/2020 van het ministerie van Volksgezondheid (53), als bedoeld in het verzoek, voorzag in de aankoop van geneesmiddelen voor de behandeling van met COVID-19 geïnfecteerde patiënten. Het ministerie van Volksgezondheid heeft een raamovereenkomst gesloten voor de aanbesteding van tocilizumabum. |
|
(26) |
In Regeringsverordening 19/2021 (54) en Wet 55/2020 (55), als bedoeld in het verzoek, voorzag in stimuleringsacties, zoals maaltijdcheques ten bedrage van 100 RON, voor volledig gevaccineerde personen. |
|
(27) |
Noodverordening 131/2020 van de regering (56), artikel 5, als bedoeld in het verzoek, voorzag in een tijdelijke verhoging met 30 % van het basissalaris voor het personeel van de gewestelijke bestuursinstanties die betrokken zijn bij het voorkomen en bestrijden van de gevolgen van COVID-19 voor de periode van augustus 2020 tot februari 2021. |
|
(28) |
Noodverordening 186/2020 van de regering (57), als bedoeld in het verzoek, voorzag in de dekking van de uitgaven voor de inzet van 200 extra huisartsen die nodig waren vanwege de pandemie. |
|
(29) |
Noodverordening 11/2020 van de regering (58), als bedoeld in het verzoek van Roemenië, voorzag in de aankoop van medische producten en persoonlijke beschermingsmiddelen voor de bestrijding van de pandemie (bv. beschermend schoeisel, handschoenen, maskers, beademingsmachines en brancards) om medische noodvoorraden aan te leggen en in stand te houden. |
|
(30) |
In Wet 319/2006 (59), Wet 55/2020 (60) en Gezamenlijk Besluit 3577/831/2020 van het ministerie van Arbeid en het ministerie van Volksgezondheid (61), als bedoeld in het verzoek, werd de aankoop geregeld van sanitaire beschermingsmaterialen voor de medewerkers van het ministerie van Binnenlandse Zaken. |
|
(31) |
Noodverordening 197/2020 van de regering (62), als bedoeld in het verzoek, voorzag in vergoedingen aan vrijwillige geneeskundestudenten die hebben gewerkt in ziekenhuizen of zorginstellingen om noodhulp te verlenen. |
|
(32) |
Besluit 487/2020 van het ministerie van Volksgezondheid (63), als bedoeld in het verzoek, voorzag in de aankoop van twee farmaceutische producten (molnupiravir en anakinra) voor de behandeling van met COVID-19 geïnfecteerde patiënten. |
|
(33) |
In Wet 95/2006 (64), artikel 51, Regeringsbesluit 155/2017 (65) en Besluit 377/2017 van het ministerie van Volksgezondheid (66), als bedoeld in het verzoek, werd de financiering geregeld voor COVID-19-tests op het niveau van gespecialiseerde eenheden. RT-PCR-laboratoriumtestdiensten die worden gefinancierd in het kader van het Nationaal Programma voor de surveillance en bestrijding van prioritaire overdraagbare ziekten, worden uitgevoerd op categorieën personen zoals vastgesteld door de nieuwe surveillancemethoden voor COVID-19 acuut respiratoir syndroom of in opdracht van de minister van Volksgezondheid. |
|
(34) |
In Besluit 58/4/2022 van het ministerie van Volksgezondheid (67), als bedoeld in het verzoek, werd de financiering van COVID-19-tests door huisartsen geregeld. De testwerkzaamheden die door huisartsen worden uitgevoerd, worden gefinancierd door overdrachten uit de rijksbegroting, via de begroting van het ministerie van Volksgezondheid naar de begroting van het nationaal ziektekostenverzekeringsfonds. |
|
(35) |
Roemenië voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/672 om financiële bijstand te kunnen aanvragen. Roemenië heeft de Commissie het nodige bewijsmateriaal verschaft dat de werkelijke en geplande overheidsuitgaven sinds 1 februari 2020 met 3 321 482 911 EUR zijn gestegen als gevolg van de nationale maatregelen om de sociaal-economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak het hoofd te bieden. Dit is een plotse en sterke stijging omdat zij het gevolg is van zowel nieuwe maatregelen als de verlenging van bestaande maatregelen die rechtstreeks verband houden met de werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen die gelden voor een aanzienlijk deel van de ondernemingen en de beroepsbevolking in Roemenië. Roemenië is voornemens om 353 704 624 EUR van de stijging van het uitgavenbedrag uit Uniemiddelen te financieren. |
|
(36) |
De Commissie heeft, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2020/672, Roemenië geraadpleegd en heeft de plotse en sterke stijging geverifieerd van de werkelijke en geplande overheidsuitgaven die rechtstreeks verband houden met werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen, en met de maatregelen op gezondheidsgebied in verband met de COVID-19-uitbraak, als bedoeld in het verzoek. |
|
(37) |
De uitgaven van Roemenië voor gezondheidsgerelateerde maatregelen, met inbegrip van de aanvullende of verlengde gezondheidsgerelateerde maatregelen waarnaar wordt verwezen in de overwegingen 14 tot en met 34, bedragen 2 141 579 582 EUR. Gezien de noodzaak om het aanvullende karakter van deze categorie maatregelen te waarborgen, moet het bedrag van de financiële bijstand ter ondersteuning van gezondheidsgerelateerde maatregelen worden verlaagd, aangezien dit minder dan de helft van de totale geplande financiële bijstand zou moeten vertegenwoordigen die aan alle subsidiabele maatregelen wordt besteed. |
|
(38) |
De reeds bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 verleende financiële bijstand moet derhalve ook gelden voor de nieuwe maatregelen waarnaar wordt verwezen in de overwegingen 11 en 12 en 16 tot en met 34. |
|
(39) |
De bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 toegekende financiële bijstand moet worden verlaagd van 4 099 244 587 EUR tot 3 000 000 000 EUR. Roemenië blijft zich inzetten om de toegekende financiële bijstand volledig te benutten en moet verdere subsidiabele maatregelen aanwijzen voor het geval de bestaande maatregelen ontoereikend blijken te zijn. |
|
(40) |
Roemenië en de Commissie moeten in de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2020/672 bedoelde leningsovereenkomst met dit besluit rekening houden. |
|
(41) |
Dit besluit moet de uitkomst onverlet laten van eventuele procedures met betrekking tot verstoringen van de werking van de interne markt, met name uit hoofde van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag. Het doet geen afbreuk aan het vereiste dat de lidstaten, uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag, de Commissie op de hoogte brengen van voorgenomen steunmaatregelen. |
|
(42) |
Roemenië moet de Commissie op regelmatige basis informeren over de tenuitvoerlegging van de geplande overheidsuitgaven, zodat de Commissie kan beoordelen in hoeverre Roemenië die uitgaven ten uitvoer heeft gelegd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2 wordt lid 1 vervangen door: “1. De Unie stelt Roemenië een lening van maximaal 3 000 000 000 EUR beschikbaar. De lening heeft een gemiddelde looptijd van ten hoogste 15 jaar.”. |
|
2) |
Artikel 3 wordt vervangen door: “Artikel 3 Roemenië mag de volgende maatregelen financieren:
|
|
3) |
Artikel 4 wordt vervangen door: “Artikel 4 1. Roemenië stelt de Commissie uiterlijk op 30 maart 2021, en nadien om de zes maanden, in kennis van de tenuitvoerlegging van de geplande overheidsuitgaven totdat die geplande overheidsuitgaven volledig ten uitvoer zijn gelegd. 2. Voor zover de in artikel 3 bedoelde maatregelen zijn gebaseerd op geplande overheidsuitgaven en onderworpen zijn aan een uitvoeringsbesluit tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355, stelt Roemenië de Commissie zes maanden na de datum van vaststelling van dat uitvoeringsbesluit tot wijziging, en nadien om de zes maanden, in kennis van de tenuitvoerlegging van de geplande overheidsuitgaven totdat die geplande overheidsuitgaven volledig ten uitvoer zijn gelegd.”. |
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot Roemenië.
Dit besluit wordt van kracht op de datum van de kennisgeving ervan aan de geadresseerde.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
Z. NEKULA
(1) PB L 159 van 20.5.2020, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1355 van de Raad van 25 september 2020 tot toekenning van tijdelijke steun uit hoofde van Verordening (EU) 2020/672 aan Roemenië om het risico op werkloosheid in de noodtoestand als gevolg van de COVID-19-uitbraak te beperken (PB L 314 van 29.9.2020, blz. 55).
(3) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 231 van 21 maart 2020.
(4) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 945 van 4 oktober 2021.
(5) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 61 van 20 januari 2022.
(6) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(7) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 231 van 21 maart 2020.
(8) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(9) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 945 van 4 oktober 2021.
(10) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 345 van 5 april 2021.
(11) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(12) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1201 van 9 december 2020.
(13) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 993 van 27 oktober 2020.
(14) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1189 van 7 december 2020.
(15) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 345 van 5 april 2021.
(16) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1326 van 31 december 2020.
(17) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1332 van 31 december 2020.
(18) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 575 van 7 juni 2021.
(19) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 945 van 4 oktober 2021.
(20) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 61 van 20 januari 2022.
(21) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 209 van 14 maart 2020.
(22) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 790 van 28 augustus 2020.
(23) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 945 van 4 oktober 2021.
(24) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 634 van 18 juli 2020. Opnieuw bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 884 van 28 september 2020.
(25) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 394 van 14 mei 2020.
(26) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(27) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 102 van 11 februari 2020.
(28) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(29) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 634 van 18 juli 2020. Opnieuw bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 884 van 28 september 2020.
(30) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 402 van 15 mei 2020.
(31) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 951 van 5 oktober 2021.
(32) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(33) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 634 van 18 juli 2020. Opnieuw bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 884 van 28 september 2020.
(34) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 272 van 1 april 2020.
(35) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 924 van 9 oktober 2020.
(36) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 335 van 1 april 2021.
(37) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 951 van 5 oktober 2021.
(38) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 357 van 11 april 2022.
(39) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1179 van 4 december 2020.
(40) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1171 van 3 december 2020.
(41) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 50 van 15 januari 2021.
(42) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 50 van 15 januari 2021.
(43) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1171 van 3 december 2020.
(44) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1171 van 3 december 2020.
(45) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 224 van 19 maart 2020.
(46) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1259 van 18 december 2020.
(47) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 350 van 30 april 2020.
(48) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1251 van 17 december 2020.
(49) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 328 van 31 maart 2021.
(50) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 935 van 30 september 2021.
(51) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1081 van 11 november 2021.
(52) Raamovereenkomst — SANTE/2020/C3/048 voor “remdivisir” en Raamovereenkomst — SANTE/2020/C3/091 voor geneesmiddelen met monoklonale antilichamen.
(53) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 242 van 24 maart 2020.
(54) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 834 van 31 augustus 2021.
(55) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 396 van 15 mei 2020.
(56) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 720 van 10 augustus 2020.
(57) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1005 van 29 oktober 2020.
(58) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 102 van 11 februari 2020.
(59) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 646 van 26 juli 2006.
(60) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 396 van 15 mei 2020.
(61) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 403 van 16 mei 2020.
(62) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 1108 van 19 november 2020.
(63) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 242 van 24 maart 2020.
(64) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 372 van 28 april 2006. Opnieuw bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 652 van 28 augustus 2015.
(65) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 222 van 31 maart 2017.
(66) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 223 van 31 maart 2017.
(67) Bekendgemaakt in het Roemeens Staatsblad nr. 33 van 11 januari 2022.
|
20.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 191/81 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/1263 VAN DE COMMISSIE
van 19 juli 2022
tot beëindiging van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van grafietelektrodesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 14, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Inleiding van een antisubsidieprocedure
|
(1) |
Op 4 oktober 2021 heeft de Commissie van Graphite Cova GmbH, Showa Denko Carbon Holding GmbH en Tokai ErftCarbon GmbH (“de indieners van de klacht”) een klacht ontvangen op grond van artikel 10 van de basisverordening. |
|
(2) |
Op 18 november 2021 heeft de Europese Commissie, na overleg met de overheid van de Volksrepubliek China op 16 november 2021, een antisubsidieprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Unie van grafietelektrodesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Zij heeft daartoe een bericht van inleiding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (“het bericht van inleiding”) (2). |
|
(3) |
Op 6 april 2022 heeft de Europese Commissie definitieve rechten ingesteld in het kader van een afzonderlijke antidumpingprocedure betreffende de invoer van hetzelfde product van oorsprong uit de Volksrepubliek China (3). |
1.2. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(4) |
Het onderzoektijdvak liep van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. De beoordelingsperiode liep van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020. |
1.3. Belanghebbenden
|
(5) |
In het bericht van inleiding zijn de belanghebbenden uitgenodigd contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indieners van het verzoek, de haar bekende producenten en verenigingen in de Unie en de overheid van de Volksrepubliek China specifiek in kennis gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(6) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en te verzoeken te worden gehoord door de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT
|
(7) |
Dit onderzoek heeft betrekking op grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens wordt gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,5 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 7,0 μΩ.m, al dan niet voorzien van nippels (“het onderzochte product”). |
3. INTREKKING VAN DE KLACHT
|
(8) |
Bij brief van 9 mei 2022 aan de Commissie hebben de indieners van de klacht hun klacht ingetrokken. |
|
(9) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd, tenzij dit niet in het belang van de Unie is. |
|
(10) |
Bij het onderzoek was niet gebleken dat de beëindiging van de procedure in strijd met het belang van de Unie zou zijn. |
4. CONCLUSIE EN MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(11) |
De Commissie meende daarom dat de procedure moest worden beëindigd. |
|
(12) |
De belanghebbenden zijn hiervan in kennis gesteld en zij hebben de gelegenheid gekregen opmerkingen te maken. |
|
(13) |
De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen die tot de conclusie zouden leiden dat beëindiging van de procedure in strijd met het belang van de Unie zou zijn. |
|
(14) |
Dit besluit is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 25, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt beëindigd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 19 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55.
(2) Bericht van inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C 466 van 18.11.2021, blz. 6).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/558 van de Commissie van 6 april 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 108 van 7.4.2022, blz. 20).