ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 190

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
19 juli 2022


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1230 van de Raad van 18 juli 2022 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1231 van de Raad van 18 juli 2022 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1232 van de Commissie van 13 juli 2022 tot verlening van toelating van de Unie voor de biocidefamilie INTEROX Biocidal Product Family 1 ( 1 )

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1233 van de Commissie van 18 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte

70

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1234 van de Commissie van 18 juli 2022 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest ( 1 )

79

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/1235 van de Raad van 12 juli 2022 betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië

119

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1236 van de Raad van 18 juli 2022 betreffende een steunmaatregel in het kader van de Europese Vredesfaciliteit ter ondersteuning van de Nigerese strijdkrachten

121

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1237 van de Raad van 18 juli 2022 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2018/907 tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië

125

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1238 van de Raad van 18 juli 2022 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Hoorn van Afrika en tot wijziging van Besluit (GBVB) 2021/1012

127

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1239 van de Raad van 18 juli 2022 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio en tot wijziging van Besluit (GBVB) 2021/1011

129

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1240 van de Raad van 18 juli 2022 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2020/489 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan

131

 

*

Besluit (GBVB) 2022/1241 van de Raad van 18 juli 2022 tot actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2022/152

133

 

*

Besluit (EU) 2022/1242 van de Raad van 18 juli 2022 tot wijziging van het reglement van orde van de Raad

137

 

*

Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/1243 van de Raad van 18 juli 2022 tot uitvoering van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en in het licht van de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne

139

 

*

Besluit (EU) 2022/1244 van de Commissie van 13 juli 2022 tot vaststelling van de EU-milieukeurcriteria voor groeimedia en bodemverbeteraars (Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 4758)  ( 1 )

141

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1245 van de Commissie van 15 juli 2022 tot vaststelling van regels en procedures voor de toepassing van Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de deelname van de lidstaten aan het SST-subonderdeel, de oprichting van het SST-partnerschap en de ontwikkeling van de eerste kernprestatie-indicatoren

166

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2022/576 van de Raad van 8 april 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

191

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1230 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (1), en met name artikel 2, lid 3,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 3 februari 2022 Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147 (2) vastgesteld tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001, waarbij een geactualiseerde lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is (“de lijst”), werd vastgesteld.

(2)

De Raad heeft, voor zover dit praktisch mogelijk was, voor alle personen, groepen en entiteiten in een motivering toegelicht waarom zij op de lijst zijn geplaatst.

(3)

Bij wege van een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte kennisgeving heeft de Raad aan de op de lijst geplaatste personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat hij besloten heeft hen daarop te handhaven. Tevens heeft de Raad de betrokken personen, groepen en entiteiten laten weten dat zij de Raad kunnen verzoeken de motivering voor hun plaatsing op de lijst mee te delen, voor zover dat nog niet is gebeurd.

(4)

De Raad heeft de lijst geëvalueerd, zoals vereist is volgens artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001. Bij die evaluatie heeft de Raad rekening gehouden met de opmerkingen die door de betrokkenen zijn ingediend, en met de geactualiseerde informatie die is ontvangen van de bevoegde nationale instanties over de status van de op de lijst geplaatste personen en entiteiten op nationaal niveau.

(5)

De Raad heeft zich ervan vergewist dat de bevoegde instanties als bedoeld in artikel 1, lid 4, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad (3) ten aanzien van alle personen, groepen en entiteiten op de lijst besluiten hebben genomen waaruit blijkt dat zij betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Tevens heeft de Raad besloten dat de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, onderworpen moeten blijven aan de in Verordening (EG) nr. 2580/2001 bepaalde specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De lijst moet dienovereenkomstig worden geactualiseerd en Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147 moet worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 bedoelde lijst is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/147 van de Raad van 3 februari 2022 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1188 (PB L 25 van 4.2.2022, blz. 1).

(3)  Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93).


BIJLAGE

LIJST VAN PERSONEN, GROEPEN EN ENTITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

I.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11.8.1960 in Iran. Paspoortnummer: D9004878.

2.

AL-NASSER Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa (Saudi-Arabië), Saudisch onderdaan.

3.

AL-YACOUB Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16.10.1966 in Tarut (Saudi-Arabië), Saudisch onderdaan.

4.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6.3.1955 of 15.3.1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan, paspoortnummer: C2002515 (Iran). Paspoortnummer: 477845448 (VS). Nummer nationaal identiteitsbewijs: 07442833, vervaldatum 15.3.2016 (rijbewijs VS).

5.

ASSADI Assadollah (alias Assadollah Asadi), geboren op 22.12.1971 in Teheran (Iran), Iraans onderdaan. Nummer Iraans diplomatiek paspoort: D9016657.

6.

BOUYERI Mohammed (alias Abu Zubair, alias Sobiar, alias Abu Zoubair), geboren op 8.3.1978 in Amsterdam (Nederland).

7.

EL HAJJ Hassan Hassan, geboren op 22.3.1988 in Zaghdraiya, Sidon (Libanon), Canadees onderdaan. Paspoortnummer: JX446643 (Canada).

8.

HASHEMI MOGHADAM Saeid, geboren op 6.8.1962 in Teheran (Iran), Iraans onderdaan. Paspoortnummer: D9016290, geldig tot en met 4.2.2019.

9.

AL-DIN Izz Hasan (alias Garbaya, Ahmed, alias Sa’id, alias Salwwan, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan.

10.

MELIAD Farah, geboren op 5.11.1980 in Sydney (Australië), Australisch onderdaan. Paspoortnummer: M2719127 (Australië).

11.

MOHAMMED Khalid Sheikh (alias Ali, Salem, alias Bin Khalid, Fahd Bin Abdallah, alias Henin, Ashraf Refaat Nabith, alias Wadood, Khalid Abdul), geboren op 14.4.1965 of op 1.3.1964 in Pakistan. Paspoortnummer: 488555.

12.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren ca. 1957 in Iran. Adressen: 1) Kermanshah, Iran; 2) legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran.

13.

SHAKURI Ali Gholam, geboren ca. 1965 in Teheran, Iran.

II.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

“Abu Nidal Organisation” — “ANO” (alias “Fatah Revolutionaire Raad”, alias “Arabische Revolutionaire Brigades”, alias “Zwarte September”, alias “Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims”).

2.

“Al-Aqsa Martelarenbrigade”.

3.

“Al-Aqsa e.V.”.

4.

“Babbar Khalsa”.

5.

“Filipijnse communistische partij”, met inbegrip van het “Nieuw Volksleger” (“New People’s Army” — “NPA”), Filipijnen.

6.

Directoraat binnenlandse veiligheid van het Iraanse Ministerie voor Inlichtingen en Veiligheid.

7.

“Gama'a al-Islamiyya” (alias “Al-Gama'a al-Islamiyya”) (“Islamitische Groep” — “IG”).

8.

“İslami Büyük Doğu Akıncılar Cephesi” — “IBDA-C” (“Front van Voorvechters voor het Grote Islamitische Oosten”).

9.

“Hamas”, met inbegrip van “Hamas-Izz al-Din al-Qassem”.

10.

“Militaire vleugel van Hezbollah” (alias “Militaire vleugel van (respectievelijk) Hizballah, Hizbullah, Hizbollah, Hezballah, Hisbollah, Hizbu'llah, Hizb Allah”, alias “Raad van de Jihad” (en alle daaraan rapporterende eenheden, waaronder de Externe Veiligheidsorganisatie)).

11.

“Hizbul Mujahideen” — “HM”.

12.

“Khalistan Zindabad Force” — “KZF”.

13.

“Koerdische Arbeiderspartij” — “PKK” (alias “KADEK”, alias “KONGRA-GEL”).

14.

“Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam” — “LTTE”.

15.

“Ejército de Liberación Nacional” (“Nationaal Bevrijdingsleger”).

16.

“Palestinian Islamic Jihad” — “PIJ”.

17.

“Volksfront voor de Bevrijding van Palestina” (“Popular Front for the Liberation of Palestine” — “PFLP”).

18.

“Volksfront voor de Bevrijding van Palestina — Algemeen Commando” (alias “PFLP — Algemeen Commando”).

19.

“Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi” — “DHKP/C” (alias “Devrimci Sol” (“Revolutionair Links”), alias “Dev Sol” (“Revolutionair Volksbevrijdingsleger/-front/-partij”).

20.

“Sendero Luminoso” — “SL” (“Lichtend Pad”).

21.

“Teyrbazen Azadiya Kurdistan” — “TAK” (alias “Koerdische Vrijheidsvalken”, alias “Koerdische Vrijheidshaviken”).

19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1231 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (1), en met name artikel 8 bis, lid 3,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 mei 2006 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 765/2006 vastgesteld.

(2)

Na een evaluatie van de relevante omstandigheden moet één vermelding worden geschrapt van de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006.

(3)

Verordening (EG) nr. 765/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de datum na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 134 van 20.5.2006, blz. 1.


BIJLAGE

De volgende vermelding wordt geschrapt van de lijst in deel B (“In artikel 2, lid 1, bedoelde rechtspersonen, entiteiten en lichamen”) van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006:

“23.

Cham Wings Airlines”.


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1232 VAN DE COMMISSIE

van 13 juli 2022

tot verlening van toelating van de Unie voor de biocidefamilie “INTEROX Biocidal Product Family 1”

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 44, lid 5, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 januari 2017 heeft Solvay Chemicals International S.A. overeenkomstig artikel 43, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 een aanvraag ingediend voor de toelating van een biocidefamilie met als naam “INTEROX Biocidal Product Family 1”, behorende tot de productsoorten 2, 3 en 4 als omschreven in bijlage V bij die verordening, tezamen met de schriftelijke bevestiging dat de bevoegde autoriteit van Finland ermee heeft ingestemd de aanvraag te beoordelen. De aanvraag is in het biocidenregister geregistreerd onder zaaknummer BC-WX029254-02.

(2)

“INTEROX Biocidal Product Family 1” bevat waterstofperoxide als werkzame stof; die stof is opgenomen in de Unielijst van goedgekeurde werkzame stoffen voor de productsoorten 2, 3 en 4, als bedoeld in artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Op 21 april 2021 heeft de beoordelende bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 44, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 een beoordelingsrapport en de conclusies van haar beoordeling bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het agentschap”) ingediend.

(4)

Op 4 november 2021 heeft het agentschap bij de Commissie een advies (2) ingediend dat overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van “INTEROX Biocidal Product Family 1” en het definitieve beoordelingsrapport betreffende de biocidefamilie bevat.

(5)

In het advies wordt geconcludeerd dat “INTEROX Biocidal Product Family 1” een biocidefamilie is als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt s), van Verordening (EU) nr. 528/2012, dat de biocidefamilie in aanmerking komt voor een toelating van de Unie overeenkomstig artikel 42, lid 1, van die verordening en dat de biocidefamilie, onder voorbehoud van overeenstemming met de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide, voldoet aan de in artikel 19, leden 1 en 6, van die verordening gestelde voorwaarden.

(6)

Op 16 november 2021 heeft het agentschap, in overeenstemming met artikel 44, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012, de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide in alle officiële talen van de Unie aan de Commissie doen toekomen.

(7)

De Commissie sluit zich aan bij het advies van het agentschap en acht het daarom passend om voor “INTEROX Biocidal Product Family 1” een toelating van de Unie te verlenen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan Solvay Chemicals International S.A. wordt een toelating van de Unie met toelatingsnummer EU-0027468-0000 verleend voor het op de markt aanbieden en het gebruik van de biocidefamilie “INTEROX Biocidal Product Family 1”, overeenkomstig de in de bijlage vastgestelde samenvatting van de productkenmerken van het biocide.

De toelating van de Unie is geldig van 8 augustus 2022 tot en met 31 juli 2032.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Advies van het agentschap van 13 oktober 2021 over de toelating van de Unie voor “INTEROX Biocidal Product Family 1” (ECHA/BPC/295/2021) https://echa.europa.eu/bpc-opinions-on-union-authorisation


BIJLAGE

Samenvatting van de productkenmerken van een biocide familie

Interox Biocidal Product Family 1

Productsoort 2 — Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt (Desinfecteermiddelen)

Productsoort 3 — Dierhygiëne (Desinfecteermiddelen)

Productsoort 4 — Voeding en diervoeders (Desinfecteermiddelen)

Toelatingsnummer: EU-0027468-0000

Toelatingsnummer in R4BP: EU-0027468-0000

DEEL I

EERSTE INFORMATIENIVEAU

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE

1.1.   Familienaam

Naam

Interox Biocidal Product Family 1

1.2.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 — Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

PT 03 — Dierhygiëne

PT 04 — Voeding en diervoeders

1.3.   Toelatingshouder

Naam en adres van de toelatingshouder

Naam

SOLVAY CHEMICALS INTERNATIONAL

Adres

RUE DE RANSBEEK 310, B-1120 BRUXELLES België

Toelatingsnummer

EU-0027468-0000

Toelatingsnummer in R4BP

EU-0027468-0000

Toelatingsdatum

8 augustus 2022

Vervaldatum

31 juli 2032

1.4.   Fabrikant(en) van de biociden

Naam van de fabrikant

Solvay Interox Limited

Adres van de fabrikant

Baronet Road, Solvay House, WA4 6HA Warrington Verenigd Koninkrijk

Productielocatie

Solvay Interox Limited, Baronet Road, Solvay House, WA4 6HA Warrington Verenigd Koninkrijk


Naam van de fabrikant

Solvay Chemicals Finland Oy

Adres van de fabrikant

YRJONOJANTIE 2, 45910 VOIKKAA Finland

Productielocatie

Solvay Chemicals Finland Oy, YRJONOJANTIE 2, 45910 VOIKKAA Finland


Naam van de fabrikant

Solvay Chemicals GmbH Germany

Adres van de fabrikant

KOETHENSCHE STRASSE 1-3, 06406 DE BERNBURG Duitsland

Productielocatie

Solvay Chemicals GmbH Germany, KOETHENSCHE STRASSE 1-3, 06406 DE BERNBURG Duitsland


Naam van de fabrikant

Solvay Chemie BV Netherlands

Adres van de fabrikant

SCHEPERSWEG, 1, 6049 CV HERTEN Nederland

Productielocatie

Solvay Chemie BV Netherlands, SCHEPERSWEG, 1, 6049 CV HERTEN Nederland


Naam van de fabrikant

Solvay Chimica Italia SpA Italy

Adres van de fabrikant

VIA PIAVE, 6 Rosignano SOLVAY, LI 57013 Rosignano Italië

Productielocatie

Solvay Chimica Italia SpA Italy, VIA PIAVE, 6 Rosignano SOLVAY, LI 57013 Rosignano Italië


Naam van de fabrikant

Solvay Chimie SA Belgium

Adres van de fabrikant

Rue de Ransbeek 310, 1120 BE Brussels België

Productielocatie

Solvay Chimie SA Belgium, RUE SOLVAY, 39, 5190 BE JEMEPPE-SUR-SAMBRE België

Solvay Chimie SA Belgium, SCHELDELAAN 600 – HAVEN 725, 2040 BE Antwerp België


Naam van de fabrikant

Solvay Interox Produtos Peroxidados SA

Adres van de fabrikant

RUA ENG. CLEMENT DUMOULIN, 2625-106 POVOA DE SANTA IRIA Portugal

Productielocatie

Solvay Interox Produtos Peroxidados SA, RUA ENG. CLEMENT DUMOULIN, 2625-106 POVOA DE SANTA IRIA Portugal

1.5.   Fabrikant(en) van de werkzame stof(fen)

Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Interox Limited

Adres van de fabrikant

Baronet Road, Solvay House, WA4 6HA Warrington Verenigd Koninkrijk

Productielocatie

Solvay Interox Limited, Baronet Road, Solvay House, WA4 6HA Warrington Verenigd Koninkrijk


Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Chemicals Finland Oy

Adres van de fabrikant

YRJONOJANTIE 2, 45910 VOIKKAA Finland

Productielocatie

Solvay Chemicals Finland Oy, YRJONOJANTIE 2, 45910 VOIKKAA Finland


Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Chemicals GmbH Germany

Adres van de fabrikant

KOETHENSCHE STRASSE 1-3, 06406 BERNBURG Duitsland

Productielocatie

Solvay Chemicals GmbH Germany, KOETHENSCHE STRASSE 1-3, 06406 BERNBURG Duitsland


Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Chimica Italia SpA Italy

Adres van de fabrikant

VIA PIAVE, 6 ROSIGNANO SOLVAY, LI 57013 ROSIGNANO Italië

Productielocatie

Solvay Chimica Italia SpA Italy, VIA PIAVE, 6 ROSIGNANO SOLVAY, LI 57013 ROSIGNANO Italië


Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Chimie SA Belgium

Adres van de fabrikant

Rue de Ransbeek 310, 1120 Brussels België

Productielocatie

Solvay Chimie SA Belgium, RUE SOLVAY 39, 5190 BE JEMEPPE-SUR-SAMBRE België

Solvay Chimie SA Belgium, SCHELDELAAN 600 – HAVEN 725, 2040 BE Antwerp België


Werkzame stof

Waterstofperoxide

Naam van de fabrikant

Solvay Interox Produtos Peroxidados SA

Adres van de fabrikant

RUA ENG. CLEMENT DUMOULIN, 2625-106 POVOA DE SANTA IRIA Portugal

Productielocatie

Solvay Interox Produtos Peroxidados SA, RUA ENG. CLEMENT DUMOULIN, 2625-106 POVOA DE SANTA IRIA Portugal

2.   SAMENSTELLING EN FORMULERING VAN DE BIOCIDEFAMILIE

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de familie

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

13,0

49,9

2.2.   Soort(en) formulering

Formulering(en)

SL - Met water mengbaar concentraat

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

DEEL II

TWEEDE INFORMATIENIVEAU - META-SPC('s)

META-SPC 1

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 1

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 1

Identificatiecode

Meta SPC 1

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-1

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 1

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 1

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

13,0

13,5

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 1

Formulering(en)

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 1

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Oogbescherming dragen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

In geval van brand:Blussen met water.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 1

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 1. Gebruik # 1 – Oppervlaktedesinfectie van besloten ruimten door middel van verneveld waterstofperoxide

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Binnen, gesloten ruimten

Industrieel / farmaceutische sector of cosmetische sector, bijvoorbeeld clean rooms

Medisch - zorgvoorzieningen, ziekenhuizen en hulpdienstvoertuigen

Institutioneel

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde, niet-gerichte aerosolvorming (bv. verneveling of sproeien)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: 13% waterstofperoxide (onverdund product) aangebracht via aerosolvorming in gesloten ruimten.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, bijvoorbeeld tot 3 keer per dag.

De behandelingstijd hangt af van het type machine en de grootte van de te desinfecteren ruimte of oppervlakken.

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

Verpakkingsmaten (l): 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 220 en 1000 l

Verpakkingsmateriaal: Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem

13% (w/w) waterstofperoxide (onverdund product) wordt aangebracht via aerosolvorming door een geautomatiseerd apparaat in een afgesloten ruimte. Ruimten kunnen worden ontvochtigd om hogere concentraties waterstofperoxide op oppervlakken te bereiken.

Verwijder barrières die kunnen verhinderen dat het product in aerosolvorm de te desinfecteren oppervlakken bereikt.

De gedesinfecteerde oppervlakken moeten niet-poreus zijn en gereinigd voordat het product wordt aangebracht. Het product is niet bedoeld voor gebruik op oppervlakken die in aanraking kunnen komen met levensmiddelen of diervoeders.

De gebruiker moet een microbiologische validatie uitvoeren van de desinfectie in de te desinfecteren kamers (of in een geschikte ' standaardkamer', indien van toepassing) met de te gebruiken apparaten, waarna een desinfectieprotocol voor deze kamers kan worden opgesteld en vervolgens gebruikt. Elk apparaat of elke specifieke installatie wordt bij het installeren systematisch gevalideerd. De optimale bedrijfsomstandigheden worden ter plaatse gevalideerd (temperatuur, luchtvochtigheid, te gebruiken product, diffusietijd, extractietijd, etc.). Naast biologische validatie dient er ook chemische validatie te worden uitgevoerd.

De werkzaamheid van kamerdesinfectie werd aangetoond volgens norm NF T 72-281 door verneveling van 1 g waterstofperoxide per kubieke meter kamervolume in 22 min, gevolgd door 180 min contacttijd bij kamertemperatuur.

Het volume van de gedesinfecteerde ruimte moet 30 - 150 m3 zijn.

De mediane deeltjesgrootte moet < 0,5 μm zijn in aerosols die worden gebruikt voor desinfectie.

Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Oppervlakken in het behandelingsgebied moeten vóór het aanbrengen schoon en droog zijn.

Dicht de afgesloten behandelingsruimte af (bv. met tape) om te zorgen dat de concentraties waterstofperoxide buiten de afgesloten ruimten op een acceptabel niveau blijven wat betreft gezondheid en veiligheid.

Zorg dat al het personeel de behandelingsruimte vóór het aanbrengen heeft verlaten. Verwijder alle planten, dieren, dranken en levensmiddelen. Het opnieuw betreden is alleen toegestaan nadat de concentratie in de lucht is gedaald tot onder de referentiewaarde (1,25 mg/m3). Na het aanbrengen moet de ruimte worden geventileerd, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie. De duur van de ventilatieperiode moet worden vastgesteld door meting met geschikte meetapparatuur. Als de ruimte moet worden betreden wanneer de concentratie waterstofperoxide nog steeds boven de 1,25 mg/m3 is, is dit alleen toegestaan door het dragen van passende PBM waaronder een autonoom ademhalingstoestel.

Plaats waarschuwingsborden bij alle ingangen naar de afgesloten behandelingsruimte.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (1) VAN DE META-SPC 1

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: Als er symptomen optreden, een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt.

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 1

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX SG 12

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0001 1-1

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

13,5

META-SPC 2

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 2

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 2

Identificatiecode

Meta SPC 2

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-2

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 2

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 2

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,0

35,7

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 2

Formulering(en)

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 2

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt huidirritatie.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Inademing van damp vermijden.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

BIJ CONTACT MET DE HUID:Met veel water wassen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

De mond spoelen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Verontreinigde kleding uittrekken.En wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 2

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 2. Gebruik # 1 – Oppervlaktedesinfectie van besloten ruimten door middel van verneveld waterstofperoxide

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

--

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Binnen, gesloten ruimten

Industrieel - farmaceutische sector of cosmetische sector, bijvoorbeeld cleanrooms.

Medisch - zorgvoorzieningen, ziekenhuizen en hulpdienstvoertuigen.

Institutioneel.

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken.

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde, niet-gerichte aerosolvorming (bv. verneveling of sproeien)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: 35% waterstofperoxide (onverdund product) aangebracht via aerosolvorming in gesloten ruimten.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, bijvoorbeeld tot 3 keer per dag.

De behandelingstijd hangt af van het type machine en de grootte van de te desinfecteren ruimte of oppervlakken.

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

Verpakkingsmaten (l): 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 220 en 1000 l

Verpakkingsmateriaal: Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem

35% (w/w) waterstofperoxide (onverdund product) wordt aangebracht via aerosolvorming door een geautomatiseerd apparaat in een afgesloten ruimte. Ruimten kunnen worden ontvochtigd om hogere concentraties waterstofperoxide op oppervlakken te bereiken.

Verwijder barrières die kunnen verhinderen dat het product in aerosolvorm de te desinfecteren oppervlakken bereikt.

De gedesinfecteerde oppervlakken moeten niet-poreus zijn en gereinigd voordat het product wordt aangebracht. Het product is niet bedoeld voor gebruik op oppervlakken die in aanraking kunnen komen met levensmiddelen of diervoeders.

De gebruiker moet een microbiologische validatie uitvoeren van de desinfectie in de te desinfecteren kamers (of in een geschikte ' standaardkamer', indien van toepassing) met de te gebruiken apparaten, waarna een desinfectieprotocol voor deze kamers kan worden opgesteld en vervolgens gebruikt. Elk apparaat of elke specifieke installatie wordt bij het installeren systematisch gevalideerd. De optimale bedrijfsomstandigheden worden ter plaatse gevalideerd (temperatuur, luchtvochtigheid, te gebruiken product, diffusietijd, extractietijd, etc.). Naast biologische validatie dient er ook chemische validatie te worden uitgevoerd.

De werkzaamheid van kamerdesinfectie werd aangetoond volgens norm NF T 72-281 door verneveling van 1 g waterstofperoxide per kubieke meter kamervolume in 22 min, gevolgd door 180 min contacttijd bij kamertemperatuur.

Het volume van de gedesinfecteerde ruimte moet 30 - 150 m3 zijn.

De mediane deeltjesgrootte moet < 0,5 μm zijn in aerosols die worden gebruikt voor desinfectie.

Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Oppervlakken in het behandelingsgebied moeten vóór het aanbrengen schoon en droog zijn.

Dicht de afgesloten behandelingsruimte af (bv. met tape) om te zorgen dat de concentraties waterstofperoxide buiten de afgesloten ruimten op een acceptabel niveau blijven wat betreft gezondheid en veiligheid.

Zorg dat al het personeel de behandelingsruimte vóór het aanbrengen heeft verlaten. Verwijder alle planten, dieren, dranken en levensmiddelen. Het opnieuw betreden is alleen toegestaan nadat de concentratie in de lucht is gedaald tot onder de referentiewaarde (1,25 mg/m3). Na het aanbrengen moet de ruimte worden geventileerd, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie. De duur van de ventilatieperiode moet worden vastgesteld door meting met geschikte meetapparatuur. Als de ruimte moet worden betreden wanneer de concentratie waterstofperoxide nog steeds boven de 1,25 mg/m3 is, is dit alleen toegestaan door het dragen van passende PBM waaronder een autonoom ademhalingstoestel.

Plaats waarschuwingsborden bij alle ingangen naar de afgesloten behandelingsruimte.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 3. Gebruik # 2 – Oppervlaktedesinfectie van afgesloten ruimten in vulisolatoren door middel van waterstofperoxide in aerosolvorm of verneveld (VHP)

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Binnen

Industrieel – aseptische kamers bij aseptisch vullen in de farmaceutische of cosmetische sector.

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde, niet-gerichte aerosolvorming (bv. verneveling of sproeien of plotselinge (flash) verdamping)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: 35% waterstofperoxide (onverdund product) aangebracht via flash-verdamping of aerosolvorming in vulisolatoren.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, bijvoorbeeld 1 of 2 keer per dag/week

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

Verpakkingsmaten (l): 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 220 en 1000 l

Verpakkingsmateriaal: Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik van een geautomatiseerd laadsysteem.

35% (w/w) waterstofperoxide (onverdund product) wordt aangebracht via flash-verdamping of aerosolvorming door een geautomatiseerd apparaat aangesloten op een vulisolator. Vulisolatoren kunnen worden ontvochtigd om hogere concentraties waterstofperoxide op oppervlakken te bereiken.

De gedesinfecteerde oppervlakken moeten niet-poreus zijn en gereinigd voordat het product wordt aangebracht. Het product is niet bedoeld voor gebruik op oppervlakken die in aanraking kunnen komen met levensmiddelen of diervoeders.

De gebruiker moet een microbiologische validatie uitvoeren van de desinfectie in de te desinfecteren afgesloten ruimten (of in een geschikte ' standaardkamer', indien van toepassing) met de te gebruiken apparaten, waarna een desinfectieprotocol voor deze afgesloten ruimten kan worden opgesteld en vervolgens gebruikt. Elk apparaat of elke specifieke installatie wordt bij het installeren systematisch gevalideerd. De optimale bedrijfsomstandigheden worden ter plaatse gevalideerd (temperatuur, luchtvochtigheid, te gebruiken product, diffusietijd, extractietijd, etc.). Naast biologische validatie dient er ook chemische validatie te worden uitgevoerd.

De werkzaamheid van het gebruik tegen bacteriële sporen werd aangetoond door flash-verdamping van waterstofperoxide met een snelheid van 0,35 g/m3/min gedurende 51 min (18 g waterstofperoxide/m3/behandeling).

Het volume van de gedesinfecteerde afgesloten ruimte moet 15 - 150 m3 zijn.

De mediane deeltjesgrootte moet < 0,5 μm zijn in aerosols die worden gebruikt voor desinfectie.

Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Oppervlakken in het behandelingsgebied moeten vóór het aanbrengen schoon en droog zijn.

Dicht de afgesloten behandelingsruimte af (bv. met tape) om te zorgen dat de concentraties waterstofperoxide buiten de afgesloten ruimten op een acceptabel niveau blijven wat betreft gezondheid en veiligheid.

Zorg dat al het personeel de behandelingsruimte vóór het aanbrengen heeft verlaten. Verwijder alle planten, dieren, dranken en levensmiddelen. Het opnieuw betreden is alleen toegestaan nadat de concentratie in de lucht is gedaald tot onder de referentiewaarde (1,25 mg/m3).

Na het aanbrengen moet de ruimte worden geventileerd, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie. De duur van de ventilatieperiode moet worden vastgesteld door meting met geschikte meetapparatuur. Als de ruimte moet worden betreden wanneer de concentratie waterstofperoxide nog steeds boven de 1,25 mg/m3 is, is dit alleen toegestaan door het dragen van passende PBM waaronder een autonoom ademhalingstoestel.

Plaats waarschuwingsborden bij alle ingangen naar de afgesloten behandelingsruimte.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (2) VAN DE META-SPC 2

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm waar spatten mogelijk is.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren bij temperaturen boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt.

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 2

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX SG 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0002 1-2

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

7.2.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX SG 35 PLUS

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0003 1-2

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

META-SPC 3

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 3

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 3

Identificatiecode

Meta SPC 3

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-3

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 3

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 3

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,0

49,9

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 3

Formulering(en)

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 3

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

damp niet inademen.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

NA INSLIKKEN:De mond spoelen.GEEN braken opwekken.

BIJ CONTACT MET DE HUID (of het haar):Verontreinigde kleding onmiddellijk uittrekken Huid met water afspoelen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

Verontreinigde kleding wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 3

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 4. Gebruik # 1 – Oppervlaktedesinfectie van besloten ruimten door middel van verneveld waterstofperoxide

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Binnen, gesloten ruimten

Industrieel - farmaceutische sector of cosmetische sector, bijvoorbeeld cleanrooms.

Medisch - zorgvoorzieningen, ziekenhuizen en hulpdienstvoertuigen

Institutioneel

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde, niet-gerichte aerosolvorming (bv. verneveling of sproeien)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: 49% waterstofperoxide (onverdund product) aangebracht via aerosolvorming in gesloten ruimten.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, bijvoorbeeld tot 3 keer per dag.

De behandelingstijd hangt af van het type machine en de grootte van de te desinfecteren ruimte of oppervlakken.

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

Verpakkingsmaten (l): 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 220 en 1000 l

Verpakkingsmateriaal: Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem.

49% (w/w) waterstofperoxide (onverdund product) wordt aangebracht via aerosolvorming door een geautomatiseerd apparaat in een afgesloten ruimte. Ruimten kunnen worden ontvochtigd om hogere concentraties waterstofperoxide op oppervlakken te bereiken.

Verwijder barrières die kunnen verhinderen dat het product in aerosolvorm de te desinfecteren oppervlakken bereikt.

De gedesinfecteerde oppervlakken moeten niet-poreus zijn en gereinigd voordat het product wordt aangebracht. Het product is niet bedoeld voor gebruik op oppervlakken die in aanraking kunnen komen met levensmiddelen of diervoeders.

De gebruiker moet een microbiologische validatie uitvoeren van de desinfectie in de te desinfecteren kamers (of in een geschikte ' standaardkamer', indien van toepassing) met de te gebruiken apparaten, waarna een desinfectieprotocol voor deze kamers kan worden opgesteld en vervolgens gebruikt. Elk apparaat of elke specifieke installatie wordt bij het installeren systematisch gevalideerd. De optimale bedrijfsomstandigheden worden ter plaatse gevalideerd (temperatuur, luchtvochtigheid, te gebruiken product, diffusietijd, extractietijd, etc.). Naast biologische validatie dient er ook chemische validatie te worden uitgevoerd.

De werkzaamheid van kamerdesinfectie werd aangetoond volgens norm NF T 72-281 door verneveling van 1 g waterstofperoxide per kubieke meter kamervolume in 22 min, gevolgd door 180 min contacttijd bij kamertemperatuur.

Het volume van de gedesinfecteerde ruimte moet 30 - 150 m3 zijn.

De mediane deeltjesgrootte moet < 0,5 μm zijn in aerosols die worden gebruikt voor desinfectie.

Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Oppervlakken in het behandelingsgebied moeten vóór het aanbrengen schoon en droog zijn.

Dicht de afgesloten behandelingsruimte af (bv. met tape) om te zorgen dat de concentraties waterstofperoxide buiten de afgesloten ruimten op een acceptabel niveau blijven wat betreft gezondheid en veiligheid.

Zorg dat al het personeel de behandelingsruimte vóór het aanbrengen heeft verlaten. Verwijder alle planten, dieren, dranken en levensmiddelen. Het opnieuw betreden is alleen toegestaan nadat de concentratie in de lucht is gedaald tot onder de referentiewaarde (1,25mg/m3). Na het aanbrengen moet de ruimte worden geventileerd, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie. De duur van de ventilatieperiode moet worden vastgesteld door meting met geschikte meetapparatuur. Als de ruimte moet worden betreden wanneer de concentratie waterstofperoxide nog steeds boven de 1,25 mg/m3 is, is dit alleen toegestaan door het dragen van passende PBM waaronder een autonoom ademhalingstoestel.

Plaats waarschuwingsborden bij alle ingangen naar de afgesloten behandelingsruimte.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 5. Gebruik # 2 – Oppervlaktedesinfectie van afgesloten ruimten in vulisolatoren door middel van waterstofperoxide in aerosolvorm of verneveld (VHP)

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Binnen

Industrieel – aseptische kamers bij aseptisch vullen in de farmaceutische of cosmetische sector.

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde, niet-gerichte aerosolvorming (bv. verneveling of sproeien, plotselinge (flash) verdamping)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: 49% waterstofperoxide (onverdund product) aangebracht via flash-verdamping of aerosolvorming in vulisolatoren.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, bijvoorbeeld 1 of 2 keer per dag/week

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

Verpakkingsmaten (l): 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 220 en 1000 l

Verpakkingsmateriaal: Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik van een geautomatiseerd laadsysteem

49% (w/w) waterstofperoxide (onverdund product) wordt aangebracht via flahs-verdamping of aerosolvorming door een geautomatiseerd apparaat aangesloten op een vulisolator. Vulisolatoren kunnen worden ontvochtigd om hogere concentraties waterstofperoxide op oppervlakken te bereiken.

De gedesinfecteerde oppervlakken moeten niet-poreus zijn en gereinigd voordat het product wordt aangebracht. Het product is niet bedoeld voor gebruik op oppervlakken die in aanraking kunnen komen met levensmiddelen of diervoeders.

De gebruiker moet een microbiologische validatie uitvoeren van de desinfectie in de te desinfecteren afgesloten ruimten (of in een geschikte ' standaardkamer', indien van toepassing) met de te gebruiken apparaten, waarna een desinfectieprotocol voor deze afgesloten ruimten kan worden opgesteld en vervolgens gebruikt. Elk apparaat of elke specifieke installatie wordt bij het installeren systematisch gevalideerd. De optimale bedrijfsomstandigheden worden ter plaatse gevalideerd (temperatuur, luchtvochtigheid, te gebruiken product, diffusietijd, extractietijd, etc.). Naast biologische validatie dient er ook chemische validatie te worden uitgevoerd.

De werkzaamheid van het gebruik tegen bacteriële sporen werd aangetoond door flash-verdamping van waterstofperoxide met een snelheid van 0,35 g/m3/min gedurende 51 min (18 g waterstofperoxide/m3/behandeling).

Het volume van de gedesinfecteerde afgesloten ruimte moet 15 - 150 m3 zijn.

De mediane deeltjesgrootte moet < 0,5 μm zijn in aerosols die worden gebruikt voor desinfectie.

Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Oppervlakken in het behandelingsgebied moeten vóór het aanbrengen schoon en droog zijn.

Dicht de afgesloten behandelingsruimte af (bv. met tape) om te zorgen dat de concentraties waterstofperoxide buiten de afgesloten ruimten op een acceptabel niveau blijven wat betreft gezondheid en veiligheid.

Zorg dat al het personeel de behandelingsruimte vóór het aanbrengen heeft verlaten. Verwijder alle planten, dieren, dranken en levensmiddelen. Het opnieuw betreden is alleen toegestaan nadat de concentratie in de lucht is gedaald tot onder de referentiewaarde (1,25 mg/m3).

Na het aanbrengen moet de ruimte worden geventileerd, bij voorkeur door middel van mechanische ventilatie. De duur van de ventilatieperiode moet worden vastgesteld door meting met geschikte meetapparatuur. Als de ruimte moet worden betreden wanneer de concentratie waterstofperoxide nog steeds boven de 1,25 mg/m3 is, is dit alleen toegestaan door het dragen van passende PBM waaronder een autonoom ademhalingstoestel.

Plaats waarschuwingsborden bij alle ingangen naar de afgesloten behandelingsruimte.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (3) VAN DE META-SPC 3

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal VergiftigingenInformatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van een overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 3

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

Interox SG 50

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0004 1-3

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,9

7.2.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX SG 50 PLUS

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0005 1-3

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,9

META-SPC 4

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 4

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 4

Identificatiecode

Meta SPC 4

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-4

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 04 - Voeding en diervoeders

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 4

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 4

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

25,0

25,7

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 4

Formulering(en)

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 4

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Voorkom lozing in het milieu.

Oogbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

De mond spoelen.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 4

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 6. Gebruik # 1 – Desinfectie van levensmiddelverpakkingen van polyethyleentereftalaat door middel van verneveld waterstofperoxide (VHP)

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - gebied voor levensmiddelen en diervoeders

Desinfectie van verpakkingsmateriaal voor levensmiddelen.

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde verdamping in aseptische vulmachines.

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Er wordt onverdund product (25% w/w waterstofperoxide) verdampt in een hoeveelheid van 400 g/u/verpakkingsmachine.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Aantal en tijdstip van de toepassingen volgens de behoeften van de gebruiker. Machines werken doorgaans tot 120 uur per week.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem

Gebruik onverdund product (25 % w/w waterstofperoxide) voor het desinfecteren van polyethyleentereftalaat voedselverpakkingen gebruikt in aseptische verpakkingen in de voedingsmiddelenindustrie.

Volg de gebruiksaanwijzing van de machine voor de desinfectieperiode, afzuiging van waterstofperoxide en wachttijd voor het opnieuw betreden van de ruimte of het gebied. Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces. De werkzaamheid is aangetoond met een verpakkingsmachine die liep met een snelheid van 12 480 flessen per uur met een productieverbruiksnelheid van 400 g/u.

De desinfecterende werking van elke verpakkingsmachine moet worden gevalideerd met behulp van biologische en chemische indicators.

Na sterilisatie de verpakking droog blazen met hete steriele lucht.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Zorg tijdens bedrijf voor voldoende ventilatie langs de machines (LEV) en in de industriële hallen (technische ventilatie).

Zorg tijdens handmatig onderhoud voor voldoende ventilatie in de machine (LEV) alvorens de deuren van het aseptische gebied te openen.

1.

Het product mag alleen worden overgebracht in gesloten leidingen na mengen en laden. Stromen van open product en afvalwater zijn niet toegestaan

2.

Metingen van uitstoot op de werkplek met geschikte meetapparatuur dienen te worden uitgevoerd na inwerkingstelling van de installatie voor aseptische verpakking, met regelmatige intervallen (jaarlijkse intervallen worden geadviseerd) en na elke verandering in de relevante werkplekgrenzen. De landelijke voorschriften voor metingen op de werkplek moeten in acht worden genomen.

3.

In het geval van onderhoud van de aseptische verpakkingsfabriek (bijv. handmatige reiniging, technische incidenten of reparatie) zijn geschikte PBM's (ademhalingsbeschermingsmiddelen, chemische beschermende handschoenen, chemische beschermende coverall (ten minste type 6), oogbescherming) vereist. Het type PBM en het filtertype (codeletter, kleur) moeten worden gespecificeerd door de vergunninghouder in de productinformatie. Handschoenmateriaal moet worden gespecificeerd door de vergunninghouder in de productinformatie.

Gebruik alleen in gesloten aseptische verpakkingsmachines zonder emissie naar water en verwaarloosbare emissie naar de lucht. Emissie van waterstofperoxide naar de lucht moet door de machine worden geregeld, bv. met katalytische behandeling of via een gaszuiveringsinstallatie.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (4) VAN DE META-SPC 4

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: Als er symptomen optreden, een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 4

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Spray 25S

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0006 1-4

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

25,7

META-SPC 5

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 5

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 5

Identificatiecode

Meta SPC 5

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-5

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 04 - Voeding en diervoeders

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 5

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,0

35,7

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 5

Formulering(en)

AL - Vloeistof voor toepassing zonder verdunning

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 5

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt huidirritatie.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Inademing van damp vermijden.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

BIJ CONTACT MET DE HUID:Met veel water wassen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

De mond spoelen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Verontreinigde kleding uittrekken.En wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 5

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 7. Gebruik # 1 – Desinfectie van verpakkingsmateriaal voor levensmiddelen (aseptische verpakking) door middel van onderdompeling of waterstofperoxide in aerosolvorm of vernevelde vorm (VHP).

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - gebied voor levensmiddelen en diervoeders

Desinfectie van verpakkingsmateriaal voor levensmiddelen.

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Automatische onderdompeling van verpakkingsmateriaal in een bad met verwarmd product in een aseptische vulmachine.

Geautomatiseerde verdamping of aerosolvorming van het product in een afgesloten ruimte in een aseptische vulmachine.

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Er wordt onverdund product (35% w/w waterstofperoxide) gebruikt. Productverbruik in toepassingen met damp en aerosol 0,1 – 1 ml per seconde per verpakkingslijn terwijl de machine in bedrijf is.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Aantal en tijdstip van de toepassingen volgens de behoeften van de gebruiker.

Machines werken doorgaans tot 120 uur per week.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik veen geautomatiseerd laadsysteem

Onderdompeling: Dompel schoon verpakkingsmateriaal onder in onverdund product in overeenstemming met de gebruiksaanwijzing van de verpakkingsmachine. De doeltreffendheid van de desinfectie wordt bepaald door de onderdompelingstijd en -temperatuur en het verpakkingsmateriaal.

De werkzaamheid werd aangetoond door onderdompeling van kartonnen voedselverpakkingen in een bad van 80 °C gedurende 2,5 s.

Als de concentratie waterstofperoxide in het bad daalt tot minder dan 32% tijdens bedrijf, vervang de oplossing door vers product.

Verdamping: Verdamp onverdund product en breng het aan om verpakkingsmateriaal te reinigen in overeenstemming met de gebruiksaanwijzing van de verpakkingsmachine. Het product verdampt bij 100-250 °C. De werkzaamheid is aangetoond met verpakkingen van polyethyleentereftalaat die werden doorgeblazen met lucht van 100 °C met 1,1% (w/w) product gedurende 5,5 s.

Na sterilisatie de verpakking droog blazen met hete steriele lucht.

Geschikte verpakkingsmaterialen zijn karton, polyethyleentereftalaat, polystyreen en aluminium.

De desinfecterende werking van elke verpakkingsmachine moet worden gevalideerd met behulp van biologische en chemische indicators.

Volg de gebruiksaanwijzing van de machine voor de desinfectieperiode, afzuiging van waterstofperoxide en wachttijd voor het opnieuw betreden van de ruimte of het gebied. Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Zorg tijdens bedrijf voor voldoende ventilatie langs de machines (LEV) en in de industriële hallen (technische ventilatie).

Zorg tijdens handmatig onderhoud voor voldoende ventilatie in de machine (LEV) alvorens de deuren van het aseptische gebied te openen.

1.

Het product mag alleen worden overgebracht in gesloten leidingen na mengen en laden. Stromen van open product en afvalwater zijn niet toegestaan

2.

Metingen van uitstoot op de werkplek met geschikte meetapparatuur dienen te worden uitgevoerd na inwerkingstelling van de installatie voor aseptische verpakking, met regelmatige intervallen (jaarlijkse intervallen worden geadviseerd) en na elke verandering in de relevante werkplekgrenzen. De landelijke voorschriften voor metingen op de werkplek moeten in acht worden genomen.

3.

In het geval van onderhoud van de installatie voor aseptische verpakking (bv. handmatige reiniging, technische incidenten of reparaties) zijn passende PBM (ademhalingsbeschermingsuitrusting, beschermende handschoenen en overall die geschikt zijn voor het werken met chemicaliën (ten minste type 6), oogbescherming) vereist. Het type ademhalingsbeschermingsuitrusting en het filtertype (codeletter, kleur) moeten door de houder van de vergunning worden gespecificeerd in de productinformatie. Het materiaal van handschoenen moet door de houder van de vergunning worden gespecificeerd in de productinformatie.

Aanbrengen in aerosolvorm of verneveld mag alleen worden gebruikt in gesloten aseptische verpakkingsmachines zonder emissie naar water en verwaarloosbare emissie naar de lucht. Emissie van waterstofperoxide naar de lucht moet door de machine worden geregeld, bv. met katalytische behandeling of via een gaszuiveringsinstallatie.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 8. Gebruik # 2 – Desinfectie van gesloten ruimten in aseptische verpakkingsmachines door middel van waterstofperoxide in aerosolvorm en vernevelde vorm (VHP)

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

Niet relevant

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - gebied voor levensmiddelen en diervoeders

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerde verdamping of aerosolvorming in gesloten ruimten in aseptische vulmachines.

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Er wordt onverdund product (35% w/w waterstofperoxide) gebruikt. 100 – 800 ml product wordt verbruikt per machine in één desinfectiecyclus.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker, gewoonlijk eenmaal per 24 uur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik van een geautomatiseerd laadsysteem

Geautomatiseerde desinfectie van gesloten ruimten in aseptische vulmachines.

Flash-verdamping bij 130-250 °C of aerosolvorming (kamertemperatuur) van onverdund product met behulp van geautomatiseerde apparatuur die is ingebouwd in de verpakkingsmachine. Van 100 tot 800 ml product is vereist voor één desinfectiecyclus. Minimale contacttijd 7 minuten vanaf het begin van het aanbrengen.

De desinfecterende werking van elke verpakkingsmachine moet worden gevalideerd met behulp van biologische en chemische indicators.

Volg de gebruiksaanwijzing van de machine voor de desinfectieperiode, het desinfectansvolume, afzuiging van waterstofperoxide en wachttijd voor het opnieuw betreden van de ruimte of het gebied. Voorkom betreding van de ruimte of het gebied tijdens het desinfectieproces.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Zorg tijdens bedrijf voor voldoende ventilatie langs de machines (LGV) en in de industriële hallen (technische ventilatie).

Zorg tijdens handmatig onderhoud voor voldoende ventilatie in de machine (LEV) alvorens de deuren van het aseptische gebied te openen.

1.

Het product mag alleen worden overgebracht in gesloten leidingen na mengen en laden. Stromen van open product en afvalwater zijn niet toegestaan

2.

Metingen van uitstoot op de werkplek met geschikte meetapparatuur dienen te worden uitgevoerd na inwerkingstelling van de installatie voor aseptische verpakking, met regelmatige intervallen (jaarlijkse intervallen worden geadviseerd) en na elke verandering in de relevante werkplekgrenzen. De landelijke voorschriften voor metingen op de werkplek moeten in acht worden genomen.

3.

In het geval van onderhoud van de aseptische verpakkingsfabriek (bijv. handmatige reiniging, technische incidenten of reparatie) zijn geschikte PBM's (ademhalingsbeschermingsmiddelen, chemische beschermende handschoenen, chemische beschermende coverall (ten minste type 6), oogbescherming) vereist. Het type PBM en het filtertype (codeletter, kleur) moeten worden gespecificeerd door de vergunninghouder in de productinformatie. Handschoenmateriaal dat moet worden gespecificeerd door de vergunninghouder in de productinformatie.

Gebruik alleen in gesloten aseptische verpakkingsmachines zonder emissie naar water en verwaarloosbare emissie naar de lucht. Emissie van waterstofperoxide naar de lucht moet door de machine worden geregeld, bv. met katalytische behandeling of via een gaszuiveringsinstallatie.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (5) VAN DE META-SPC 5

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 5

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Spray 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0007 1-5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

7.2.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Spray 35S

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0008 1-5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

7.3.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Bath 35S

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0009 1-5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

7.4.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Bath 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0010 1-5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

7.5.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX AG Dual 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0011 1-5

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

META-SPC 6

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 6

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 6

Identificatiecode

Meta SPC 6

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-6

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 04 - Voeding en diervoeders

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 6

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 6

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,0

35,7

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 6

Formulering(en)

SL - Met water mengbaar concentraat

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 6

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt huidirritatie.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Inademing van damp vermijden.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

BIJ CONTACT MET DE HUID:Met veel water wassen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

De mond spoelen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Verontreinigde kleding uittrekken.En wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 6

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 9. Gebruik # 1 – Desinfectie van distributie- en opslagsystemen voor drinkwater

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - drinkwatersystemen voor mensen en dieren

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Spoelen van leidingen

Geautomatiseerd sproeien (CIP)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruiksconcentratie 13% w/w waterstofperoxide

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Frequentie: één keer per week.

Gebruik na installatie, onderhoud of reiniging.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend - 13%, 10 min

 

Gistdodend en schimmeldodend – 13%, 15 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 35%: Het product moet worden verdund tot 39% w/v (390 g of 340 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Breng verdund product op kamertemperatuur aan op vooraf gereinigde oppervlakken. Indien nodig voor spoeling als waterige oplossing toevoegen in leidingen. Tanks besproeien tot het product afloopt. Het oppervlak moet gedurende de toegewezen contacttijd nat zijn met desinfectans.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP en geautomatiseerd sproeien:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Het gebruik is beperkt tot distributie- en opslagsystemen met een volume ≤ 15 000 l. Goed naspoelen met drinkbaar water.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 10. Gebruik # 2 – Oppervlaktedesinfectie bij de verwerking van levensmiddelen en diervoeder door het aanbrengen van vloeistof

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

Desinfectie van apparatuur, houders, eet- en drinkgerei, oppervlakken of pijpwerk dat verband houdt met productie, vervoer, bewaring of verbruik van levensmiddelen of diervoeder.

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - gebied voor levensmiddelen en diervoeders

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerd sproeien op oppervlakken

Cleaning-in-Place (CIP)

Onderdompeling van apparatuur en gereedschappen

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruik waterstofperoxide met een concentratie van 13% w/w.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

—

CIP (cleaning-in-place): volume verdund product dat nodig is om het te desinfecteren systeem te vullen

—

Geautomatiseerd sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

—

Onderdompeling: maak de oplossing en dompel items onder

Volgens de behoeften van de gebruiker - tot 1 of 2 keer per dag, vaak eenmaal per week

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Desinfectie van vooraf gereinigde niet-poreuze oppervlakken zoals tafels, vloeren, wanden, machines, installaties en gereedschappen die in contact komen met levensmiddelen of diervoeders bij productie, vervoer, opslag of bereiding en hantering. CIP (cleaning in place)-desinfectie (einddesinfectie na reiniging) – leidingen, tanks, menginstallaties en andere machines die in contact komen met levensmiddelen. Het weken van vooraf gereinigde voorwerpen – borden, bestek, installaties, kleine machines, machineonderdelen, kisten, dozen.

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem voor CIP en geautomatiseerd sproeien.

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend, gistdodend, schimmeldodend– 13%, 15 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 35%: Het product moet worden verdund tot 39% w/v (390 g of 340 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Dosering

—   CIP (cleaning-in-place) laagst mogelijke volume om bevochtiging van alle oppervlakken te verkrijgen gedurende de opgegeven contacttijd.

—   Geautomatiseerd sproeien 50 – 100 ml/m2

Het oppervlak moet gedurende de toegewezen contacttijd nat zijn met desinfectans. Goed spoelen met drinkbaar water en laten afdruipen of drogen met hete lucht.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Geautomatiseerd sproeien:

Bij geautomatiseerd sproeien van oppervlakten zoals transportbanden of andere vaste installaties moeten medewerkers de ruimte vóór het sproeien verlaten.

Desinfectie mag alleen worden uitgevoerd na het einde van een ploegendienst wanneer alle medewerkers de ruimte hebben verlaten. Het proces moet vanuit buiten de ruimte worden gestart. Alle ingangen moeten worden voorzien van tijdelijke barrières en van waarschuwingen waarin wordt vermeld dat de toegang verboden is.

Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Onderdompeling:

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Bij het laden moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Voor stationaire processen moet een lokale afzuiginstallatie (local exhaust ventilation, LEV) met een afvangefficiëntie van ten minste 85% worden gespecificeerd.

Als er geen lokale afzuiging is, gebruikt u ademhalingsbeschermingsuitrusting die een beschermingsfactor biedt van 20 bij het laden en 5 voor onderdompeling.

Na gebruik moeten dompelbaden worden geledigd of afgedekt om verdere verdamping te voorkomen.

Het afvalwater van brouwerijen mag niet direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater na eenvoudige behandeling op de locatie. Het afvalwater van brouwerijen moet worden afgevoerd naar het riool dat is aangesloten op de afvalwaterbehandelingsinstallatie.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (6) VAN DE META-SPC 6

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

Zorg voor voldoende ventilatie tijdens het aanbrengen.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzienvan overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt.

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 6

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX FCC 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0012 1-6

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

META-SPC 7

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 7

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 7

Identificatiecode

Meta SPC 7

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-7

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 04 - Voeding en diervoeders

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 7

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 7

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,0

49,9

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 7

Formulering(en)

SL - Met water mengbaar concentraat

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 7

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

damp niet inademen.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

NA INSLIKKEN:De mond spoelen.GEEN braken opwekken.

BIJ CONTACT MET DE HUID (of het haar):Verontreinigde kleding onmiddellijk uittrekken Huid met water afspoelen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

Verontreinigde kleding wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 7

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 11. Gebruik # 1 – Desinfectie van distributie- en opslagsystemen voor drinkwater

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - drinkwatersystemen voor mensen en dieren

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Spoelen van leidingen

Geautomatiseerd sproeien (CIP)

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruiksconcentratie 13% w/w waterstofperoxide

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Frequentie: eenmaal per week

Te gebruiken na installatie, onderhoud of reiniging

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend - 13%, 10 min

 

Gistdodend en schimmeldodend – 13%, 15 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 50%: Het product moet worden verdund tot 28% w/v (280 g of 230 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Breng verdund product op kamertemperatuur aan op vooraf gereinigde oppervlakken. Indien nodig voor spoeling als waterige oplossing toevoegen in leidingen. Tanks besproeien tot het product er vanaf loopt. Het oppervlak moet gedurende de hele toegewezen contacttijd nat zijn met desinfectans.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP (cleaning-in-place) en geautomatiseerd sproeien:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Het gebruik is beperkt tot distributie- en opslagsystemen met een volume ≤ 15 000 l. Goed spoelen met drinkbaar water.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 12. Gebruik # 2 – Oppervlaktedesinfectie bij de verwerking van voedsel en voeder door het aanbrengen van vloeistof

Productsoort

PT 04 - Voeding en diervoeders

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

Desinfectie van apparatuur, houders, eet- en drinkgerei, oppervlakken van pijpwerk dat verband houdt met productie, vervoer, bewaring of verbruik van levensmiddelen of diervoeder.

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel gebruik - gebied voor levensmiddelen en diervoeders

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerd sproeien op oppervlakken

Cleaning-in-Place (CIP)

Onderdompeling van apparatuur en gereedschappen

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruik waterstofperoxide met een concentratie van 13% w/w.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

—

CIP (cleaning-in-place): volume verdund product dat nodig is om het te desinfecteren systeem te vullen

—

Geautomatiseerd sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

—

Onderdompeling: maak oplossing en dompel items onder

Volgens de behoeften van de gebruiker - tot 1 of 2 keer per dag, vaak eenmaal per week

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Desinfectie van vooraf gereinigde niet-poreuze oppervlakken zoals tafels, vloeren, wanden, machines, installaties en gereedschappen die in contact komen met levensmiddelen of diervoeders bij productie, vervoer, opslag of bereiding en hantering. CIP (cleaning in place)-desinfectie (einddesinfectie na reiniging) – leidingen, tanks, menginstallaties en andere machines die in contact komen met levensmiddelen. Het weken van vooraf gereinigde voorwerpen – borden, bestek, installaties, kleine machines, machineonderdelen, kisten, dozen

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem voor CIP en geautomatiseerd sproeien.

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend, gistdodend, schimmeldodend– 13%, 15 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 50%: Het product moet worden verdund tot 28% w/v (280 g of 230 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Dosering

—   CIP (cleaning-in-place) laagst mogelijke volume om bevochtiging van alle oppervlakken te verkrijgen gedurende de opgegeven contacttijd.

—   Geautomatiseerd sproeien 50 – 100 ml/m2

Het oppervlak moet gedurende de hele toegewezen contacttijd nat zijn met desinfectans.

Goed spoelen met drinkbaar water en laten afdruipen of drogen met hete lucht.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Geautomatiseerd sproeien:

Bij geautomatiseerd sproeien van oppervlakten zoals transportbanden of andere vaste installaties moeten medewerkers de ruimte vóór het sproeien verlaten.

Desinfectie mag alleen worden uitgevoerd na het einde van een ploegendienst wanneer alle medewerkers de ruimte hebben verlaten. Het proces moet vanuit buiten de ruimte worden gestart. Alle ingangen moeten worden voorzien van waarschuwingen waarin wordt vermeld dat de toegang verboden is en van tijdelijke barrières.

Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden en dat de concentraties veilig zijn alvorens het gebied te betreden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Onderdompeling:

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Bij het laden moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Voor stationaire processen moet een lokale afzuiginstallatie (local exhaust ventilation, LEV) met een afvangefficiëntie van ten minste 85% worden gespecificeerd.

Als er geen lokale afzuiging is, gebruikt u ademhalingsbeschermingsuitrusting die een beschermingsfactor biedt van 20 bij het laden en 5 voor onderdompeling.

Na gebruik moeten dompelbaden worden geledigd of afgedekt om verdere verdamping te voorkomen.

Het afvalwater van brouwerijen mag niet direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater na eenvoudige behandeling op de locatie. Het afvalwater van brouwerijen moet worden afgevoerd naar het riool dat is aangesloten op de afvalwaterbehandelingsinstallatie.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (7) VAN DE META-SPC 7

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

Zorg voor voldoende ventilatie tijdens het aanbrengen.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 7

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX FCC 50

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0013 1-7

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,9

META-SPC 8

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 8

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 8

Identificatiecode

Meta SPC 8

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-8

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

PT 03 - Dierhygiëne

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 8

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 8

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,0

35,7

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 8

Formulering(en)

SL - Met water mengbaar concentraat

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 8

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt huidirritatie.

Veroorzaakt ernstig oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

Inademing van damp vermijden.

Inademing van spuitnevel vermijden.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

BIJ CONTACT MET DE HUID:Met veel water wassen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

De mond spoelen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Bij huidirritatie:Een arts raadplegen.

Verontreinigde kleding uittrekken.En wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 8

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 13. Gebruik # 1 – Desinfectie van oppervlakken door het aanbrengen van vloeistof in industriële en institutionele gebieden

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel of institutioneel gebruik

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerd sproeien op oppervlakken

Cleaning-in-Place (CIP)

Onderdompeling van apparatuur en gereedschappen

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruiksconcentratie 13% w/w waterstofperoxide

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

—

CIP (cleaning-in-place): volume verdund product dat nodig is om het gedesinfecteerde systeem te vullen

—

Geautomatiseerd sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

—

Onderdompeling: maak oplossing en dompel items onder

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem voor CIP en geautomatiseerd sproeien.

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend - 13%, 10 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Gistdodend en schimmeldodend – 13%, 15 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 35%: Het product moet worden verdund tot 39% w/v (390 g of 340 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Geautomatiseerd sproeien van verdund product 50 -100 ml/m2 op niet-poreuze oppervlakken Het oppervlak moet nat blijven gedurende de hele toegewezen contacttijd.

Dompel instrumenten onder in verdund product gedurende de toegewezen contacttijd. Laten afdruipen en drogen.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Geautomatiseerd sproeien:

Bij geautomatiseerd sproeien van oppervlakten zoals transportbanden of andere vaste installaties moeten medewerkers de ruimte vóór het sproeien verlaten.

Desinfectie mag alleen worden uitgevoerd na het einde van een ploegendienst wanneer alle medewerkers de ruimte hebben verlaten. Het proces moet vanuit buiten de ruimte worden gestart. Alle ingangen moeten worden voorzien van waarschuwingen waarin wordt vermeld dat de toegang verboden is en van tijdelijke barrières.

Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Onderdompeling:

Bij het hanteren/toepassen van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Bij het laden moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Voor stationaire processen moet een lokale afzuiginstallatie (local exhaust ventilation, LEV) met een afvangefficiëntie van ten minste 85% worden gespecificeerd.

Als er geen lokale afzuiging is, gebruikt u ademhalingsbeschermingsuitrusting die een beschermingsfactor biedt van 20 bij het laden en 5 voor onderdompeling.

Na gebruik moeten dompelbaden worden geledigd of afgedekt om verdere verdamping te voorkomen.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 14. Gebruik # 2 – Desinfectie van oppervlakken in dierverblijven door besproeiing

Productsoort

PT 03 - Dierhygiëne

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Desinfectie van niet-poreuze materialen en oppervlakken in dierverblijven.

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Sproeien met geautomatiseerde of handmatige apparatuur

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruik waterstofperoxide met een concentratie van 9,5-13% w/w.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

De frequentie hangt af van de levenscyclus van de dieren - volgens de behoeften van de gebruiker.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend en gistdodend - 9,5%, 30 min

 

Schimmeldodend – 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 35%: Het product moet worden verdund tot 39% w/v (390 g of 340 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Verwijder dieren uit te desinfecteren ruimten. Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Sproei verdund product 50 -100 ml/m2 op niet-poreuze oppervlakken Het oppervlak moet nat blijven gedurende de hele toegewezen contacttijd. Laten afdruipen en drogen.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Geautomatiseerde sproeisystemen:

Tijdens het toepassen van het product moet de bedieningsmedewerker het gebied verlaten en moet de toegang worden ontzegd door passende barrières of gesloten deuren. Na gebruik moet er efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt om een veilige waarde te bereiken. Gedurende deze periode moet de toegang ook worden ontzegd. Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Voor handmatig sproeien:

Bij het hanteren/toepassen van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Er moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Gebruik van ademhalingsbeschermingsuitrusting die een bescherming biedt met een factor 10 is verplicht. Er is ten minste een door een motor aangedreven ademhalingstoestel met luchtzuivering en helm/kap/masker (TH1/TM1), of een half/volledige masker met combinatiefiltergas/P2 nodig (filtertype (codeletter, kleur) dat door de houder van de vergunning moet worden gespecificeerd in de productinformatie).

Alleen gebruikers die de gespecificeerde ademhalingsbeschermingsuitrusting dragen mogen aanwezig zijn bij het sproeien of begassen.

De gebruiker moet bij het besproeien van oppervlakken achteruit lopen in de richting van de uitgang, zodat hij/zij steeds wegloopt van de besproeien gebieden.

Tijdens het sproeien moet efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt en moet de toegang worden ontzegd door middel van passende barrières en mededelingen. Ook na gebruik moet er efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt om een veilige concentratie te bereiken. Gedurende deze periode moet de toegang ook worden ontzegd. Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Er is geen secundaire blootstelling te verwachten gezien de snelle afbraak van waterstofperoxide.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (8) VAN DE META-SPC 8

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

Zorg voor voldoende ventilatie tijdens het aanbrengen.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel , rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 8

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX BT 35

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0014 1-8

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

35,7

META-SPC 9

1.   ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 9

1.1.   Identificatiecode van de meta-SPC 9

Identificatiecode

Meta SPC 9

1.2.   Achtervoegsel van het toelatingsnummer

Nummer

1-9

1.3.   Productsoort(en)

Productsoort(en)

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

PT 03 - Dierhygiëne

2.   SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 9

2.1.   Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 9

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Min.

Max.

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,0

49,9

2.2.   Soort(en) formulering van de meta-SPC 9

Formulering(en)

SL - Met water mengbaar concentraat

3.   GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 9

Gevarencategorie

Kan brand bevorderen; oxiderend.

Schadelijk bij inslikken.

Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel.

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Veiligheidsaanbevelingen

Verwijderd houden van warmte, hete oppervlakken, vonken, open vuur en andere ontstekingsbronnen. – Niet roken.

Verwijderd houden van kleding en andere brandbare materialen.

damp niet inademen.

spuitnevel niet inademen.

Na het werken met dit product handen grondig wassen.

Niet eten, drinken of roken tijdens het gebruik van dit product.

Alleen buiten of in een goed geventileerde ruimte gebruiken.

Voorkom lozing in het milieu.

Beschermende handschoenen dragen.

Beschermende kleding dragen.

Oogbescherming dragen.

Gelaatsbescherming dragen.

NA INSLIKKEN:Bij onwel voelen een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

NA INSLIKKEN:De mond spoelen.GEEN braken opwekken.

BIJ CONTACT MET DE HUID (of het haar):Verontreinigde kleding onmiddellijk uittrekken Huid met water afspoelen.

NA INADEMING:De persoon in de frisse lucht brengen en ervoor zorgen dat deze gemakkelijk kan ademen.

BIJ CONTACT MET DE OGEN:Voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten.Contactlenzen verwijderen, indien mogelijk. Blijven spoelen.

Onmiddellijk een ANTIGIFCENTRUM/arts raadplegen.

Verontreinigde kleding wassen alvorens deze opnieuw te gebruiken.

In geval van brand:Blussen met water.

Op een goed geventileerde plaats bewaren.In goed gesloten verpakking bewaren.

Achter slot bewaren.

Inhoud naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving afvoeren

verpakking afvoeren naar een verzamelpunt voor gevaarlijk of speciaal afval, overeenkomstig de lokale/regionale/nationale/internationale regelgeving

4.   TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 9

4.1.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 15. Gebruik # 1 – Desinfectie van oppervlakken door het aanbrengen van vloeistof in industriële en institutionele gebieden

Productsoort

PT 02 - Desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: bacteriële sporen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Industrieel of institutioneel gebruik

Desinfectie van niet-poreuze oppervlakken

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Geautomatiseerd sproeien op oppervlakken

Cleaning-in-Place (CIP)

Onderdompeling van apparatuur en gereedschappen

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruiksconcentratie 13% w/w waterstofperoxide

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

—

CIP (cleaning-in-place): volume verdund product dat nodig is om het gedesinfecteerde systeem te vullen

—

Geautomatiseerd sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

—

Onderdompeling: maak oplossing en dompel items onder

Frequentie - volgens de behoeften van de gebruiker

Aanbrengen op kamertemperatuur.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.1.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Gebruik een geautomatiseerd laadsysteem voor CIP en geautomatiseerd sproeien.

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend - 13%, 10 min

 

Sporendodend– 13%, 60 min

 

Gistdodend en schimmeldodend – 13%, 15 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 50%: Het product moet worden verdund tot 28% w/v (280 g of 230 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Geautomatiseerd sproeien van verdund product 50 -100 ml/m2 op niet-poreuze oppervlakken Het oppervlak moet nat blijven gedurende de hele toegewezen contacttijd.

Dompel instrumenten onder in verdund product gedurende de toegewezen contacttijd. Laten afdruipen en drogen.

4.1.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

CIP:

De processen moeten volledig geautomatiseerd en ingesloten zijn, zonder blootstelling in het geval van tanks of leidingsystemen.

Geautomatiseerd sproeien:

Bij geautomatiseerd sproeien van oppervlakten zoals transportbanden of andere vaste installaties moeten medewerkers de ruimte vóór het sproeien verlaten.

Desinfectie mag alleen worden uitgevoerd na het einde van een ploegendienst wanneer alle medewerkers de ruimte hebben verlaten. Het proces moet vanuit buiten de ruimte worden gestart. Alle ingangen moeten worden voorzien van tijdelijke barrières en waarschuwingen waarin wordt vermeld dat de toegang verboden is.

Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Onderdompeling:

Bij het hanteren/toepassen van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Bij het laden moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Voor stationaire processen moet een lokale afzuiginstallatie (local exhaust ventilation, LEV) met een afvangefficiëntie van ten minste 85% worden gespecificeerd.

Als er geen lokale afzuiging is, gebruikt u ademhalingsbeschermingsuitrusting die een beschermingsfactor biedt van 20 bij het laden en 5 voor onderdompeling.

Na gebruik moeten dompelbaden worden geledigd of afgedekt om verdere verdamping te voorkomen.

4.1.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.1.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.   Omschrijving van het gebruik

Tabel 16. Gebruik # 2 – Desinfectie van oppervlakken in dierverblijven door besproeiing

Productsoort

PT 03 - Dierhygiëne

Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik

-

Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium)

Triviale naam: Bacteriën

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Schimmels/Gisten

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Triviale naam: Virussen

Ontwikkelingsstadia: Geen gegevens

Toepassingsgebied

Binnen

Desinfectie van niet-poreuze materialen en oppervlakken die verband houden met dierverblijven.

Toepassingsmethode(n)

Methode: -

Gedetailleerde beschrijving:

Sproeien met geautomatiseerde of handmatige apparatuur

Dosering(en) en frequentie

Toe te passen dosis: Gebruik waterstofperoxide met een concentratie van 9,5-13% w/w.

Verdunning (%):

Aantal en timing van de toepassing:

Sproeien: 50 – 100 ml verdund product/m2

De frequentie hangt af van de levenscyclus van de dieren - volgens de behoeften van de gebruiker.

Categorie/categorieën gebruikers

Professioneel

Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal

HDPE-verpakking: 0,25, 1, 2,5, 5, 10, 20, 22, 30, 60, 200, 210, 220 en 1000 l (IBC)

Goedgekeurde HDPE-klassen

4.2.1.   Gebruik-specifieke gebruiksinstructies

Verdun het product om de hieronder vermelde benodigde concentratie waterstofperoxide te bereiken.

Effectieve concentratie (w/w) waterstofperoxide en contacttijd:

 

Bacteriedodend en gistdodend - 9,5%, 30 min

 

Schimmeldodend – 13%, 60 min

 

Virusdodend – 13%, 30 min

 

Alle geclaimde microben - 13%, 60 min

Elk productlabel moet informatie geven over hoe de verdunning moet worden gemaakt, bv. om een concentratie van 13% (w/w) waterstofperoxide te krijgen:

Een product met een concentratie waterstofperoxide van 50%: Het product moet worden verdund tot 28% w/v (280 g of 230 ml product, water toevoegen tot 1 l).

Verwijder dieren uit te desinfecteren ruimten. Oppervlakken moeten vóór het gebruik van desinfectantia worden gereinigd.

Sproei verdund product 50 -100 ml/m2 op niet-poreuze oppervlakken Het oppervlak moet nat blijven gedurende de hele toegewezen contacttijd. Laten afdruipen en drogen.

4.2.2.   Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen

Geautomatiseerde sproeisystemen:

Tijdens het toepassen van het product moet de bedieningsmedewerker het gebied verlaten en moet de toegang worden ontzegd door passende barrières of gesloten deuren. Na gebruik moet er efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt om een veilige waarde te bereiken. Gedurende deze periode moet de toegang ook worden ontzegd. Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Voor handmatig sproeien:

Bij het hanteren/toepassen van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag beschermende handschoenen die bestand zijn tegen chemicaliën bij het hanteren van het product (het materiaal van de handschoenen moet door de houder van de vergunning in de productinformatie worden gespecificeerd).

Er moet een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034) worden gedragen.

Gebruik van ademhalingsbeschermingsuitrusting die een bescherming biedt met een factor 10 is verplicht. Er is ten minste een door een motor aangedreven ademhalingstoestel met luchtzuivering en helm/kap/masker (TH1/TM1), of een half/volledige masker met combinatiefiltergas/P2 nodig (filtertype (codeletter, kleur) dat door de houder van de vergunning moet worden gespecificeerd in de productinformatie).

Alleen gebruikers die de gespecificeerde ademhalingsbeschermingsuitrusting dragen mogen aanwezig zijn bij het sproeien of begassen.

De gebruiker moet bij het besproeien van oppervlakken achteruit lopen in de richting van de uitgang, zodat hij/zij steeds wegloopt van de besproeien gebieden.

Tijdens het sproeien moet er efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt en moet de toegang worden ontzegd door middel van passende barrières en mededelingen. Ook na bedrijf moet efficiënte ventilatie (10 ACH) worden gebruikt om een veilige concentratie te bereiken. Gedurende deze periode moet de toegang ook worden ontzegd. Luchtconcentraties moeten worden gecontroleerd om te waarborgen dat er geen lekkage optreedt tijdens werkzaamheden. Voor het opnieuw betreden van de betrokken ruimte moet de ondergrens van AEC-inhalatie van 1,25 mg/m3 worden gewaarborgd met technische en organisatorische maatregelen (bv. sensor, vastgelegde ventilatieperiode).

Er is geen secundaire blootstelling te verwachten gezien de snelle afbraak van waterstofperoxide.

4.2.3.   Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.4.   Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

4.2.5.   Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Zie de algemene gebruiksaanwijzing.

5.   ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (9) VAN DE META-SPC 9

5.1.   Gebruiksvoorschrift

-

5.2.   Risicobeperkende maatregelen

Bij het hanteren van het product is het gebruik van oogbescherming verplicht.

Draag een gelaatsscherm wanneer de kans op spatten aanwezig is.

Zorg voor voldoende ventilatie tijdens het aanbrengen.

5.3.   Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen

Bijzonderheden van waarschijnlijke directe of indirecte ongewenste effecten:

—

Bij inhaleren: Ademhalingsmoeilijkheden, hoesten, longoedeem, misselijkheid, overgeven

—

Bij contact met de huid: Roodheid, zwelling van weefsels, huidirritatie

—

Bij contact met de ogen: Roodheid, traanvorming, zwelling van weefsel, ernstige brandwonden

—

Bij inslikken: Misselijkheid, buikpijn, overgeven met bloed, diarree, verstikking, hoesten, ernstige benauwdheid, ernstige brandwonden in de mond en keel, evenals gevaar van perforatie van de slokdarm en de maag. Risico op luchtwegaandoeningen

Instructies voor eerste hulp:

 

BIJ INHALATIE: In de open lucht brengen en laten rusten in een houding die comfortabel is voor de ademhaling. Bij symptomen: Bel 112/ambulance voor medische hulp. Indien geen symptomen: Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN OP DE HUID: Spoel de huid onmiddellijk af met ruim water. Verwijder vervolgens alle verontreinigde kleding en was deze alvorens ze opnieuw te gebruiken. Blijf de huis gedurende 15 minuten afspoelen met water. Een arts raadplegen die contact kan opnemen met het NVCI (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum).

 

INDIEN IN DE OGEN: Onmiddellijk enkele minuten met water spoelen. Verwijder contactlenzen, indien aanwezig en als dit gemakkelijk gaat. Ga gedurende ten minste 15 minuten door met spoelen. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

 

BIJ INSLIKKEN: Onmiddellijk de mond uitspoelen. Als de blootgestelde persoon kan slikken, geef hem/haar dan iets te drinken. GEEN braken opwekken. Bel 112/ambulance voor medische hulp.

Noodmaatregelen om het milieu bij ongevallen te beschermen:

—

Voorzorgsmaatregelen voor het milieu:

Mag niet in het milieu worden geloosd. Informeer de betreffende autoriteiten wanneer het product het milieu heeft verontreinigd (riolering, waterwegen, bodem of lucht).

—

Methoden en materialen voor inperking en opruimen:

Verdunnen met ruim water en indammen Afvalstromen niet vermengen bij het inzamelen. Opnemen met inert absorptie materiaal. Bewaar gebruikt absorptiemateriaal in geschikte, gesloten en goed geëtiketteerde verpakkingen voor afvoer. Gemorst product niet hergebruiken en nooit terugplaatsen in de oorspronkelijke verpakking.

5.4.   Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking

Vervoer geen onverdund product af op de bodem, op het oppervlaktewater en naar afvoeren (riolen, toiletten, etc). Voorkom lozing van onverdund product op de riolering. Alleen lege verpakkingen recyclen. het afvoeren van verpakkingen moet voldoen aan de wetgeving inzake afvoer van afval en volgens alle vereisten van regionale of lokale instanties.

5.5.   Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden

Opslag: Waterstofperoxide moet worden opgeslagen in correct ontworpen bulkopslagtanks of in de originele verpakking voorzien van overdrukventiel,, rechtopstaand en uit de buurt van incompatibele producten. Gebruik uitsluitend goedgekeurde constructiematerialen voor installaties of goedgekeurde verpakkingen. Opslaan in een koele, geventileerde ruimte en beschermen tegen beschadiging en direct zonlicht. Niet bewaren boven 40 °C. Uit de buurt houden van brandbare materialen en ontstekings- en warmtebronnen.

Houdbaarheid: 12 maanden in HDPE-verpakkingen bij omgevingstemperatuur

6.   OVERIGE INFORMATIE

Voor de risicobeoordeling voor dit product is de Europese referentiewaarde van 1,25 mg/m3 voor de actieve stof waterstofperoxide (CAS-nr.: 7722-84-1) gebruikt .

7.   DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 9

7.1.   Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide

Handelsnaam

INTEROX BT 50

Marktgebied: EU

Toelatingsnummer

EU-0027468-0015 1-9

Triviale naam

IUPAC-naam

Functie

CAS-nummer

EG-nummer

Gehalte (%)

Waterstofperoxide

 

Werkzame stof

7722-84-1

231-765-0

49,9


(1)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 1.

(2)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 2.

(3)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 3.

(4)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 4.

(5)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 5.

(6)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 6.

(7)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 7.

(8)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 8.

(9)  De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 9.


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/70


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1233 VAN DE COMMISSIE

van 18 juli 2022

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”), en met name artikel 12,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Geldende maatregelen

(1)

Momenteel gelden definitieve antidumpingrechten die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie (2) zijn ingesteld op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (“de oorspronkelijke maatregelen”).

(2)

Op het onderzochte product is tevens een definitief compenserend recht van toepassing dat is ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie (3). Het compenserend recht is echter geen voorwerp van dit nieuwe onderzoek.

1.2.   Verzoek om een nieuw onderzoek naar absorptie van rechten en opening

(3)

De Commissie heeft een verzoek ontvangen om de geldende antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer uit Egypte (“het betrokken land”) te onderwerpen aan een nieuw onderzoek naar absorptie van rechten op grond van artikel 12 van de basisverordening.

(4)

Het verzoek werd op 18 oktober 2021 ingediend door TECH-FAB Europe e.V., een vereniging van EU-producenten van stoffen van glasvezels (“SGV”) (“de indieners van het verzoek”), die meer dan 25 % van de totale SGV-productie in de Unie vertegenwoordigt.

(5)

De indieners van het verzoek hebben voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de prijzen bij uitvoer uit Egypte na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek zijn gedaald. De daling van de prijzen bij uitvoer uit Egypte heeft de beoogde corrigerende werking van de geldende maatregelen kennelijk ondermijnd. Uit het bewijsmateriaal in het verzoek is gebleken dat de daling van de uitvoerprijzen niet kan worden verklaard door een daling van de prijs van de belangrijkste grondstof en van andere kosten of door een wijziging van de productmix.

1.3.   Heropening van antidumpingonderzoek

(6)

Op 1 december 2021 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (“het bericht van heropening”) (4) de heropening van het antidumpingonderzoek bekendgemaakt.

(7)

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op het huidige antidumpingrecht van 20 % dat is opgelegd aan Jushi Egypt For Fiberglass Industry S.A.E (“Jushi Egypt”), aan Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics S.A.E. (“Hengshi Egypt”) (gezamenlijk aangeduid als “CNBM-groep”) en aan “alle andere ondernemingen” als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 (5).

1.4.   Belanghebbende partijen

(8)

In het bericht van heropening zijn de belanghebbenden verzocht om met de Commissie contact op te nemen teneinde aan het nieuwe onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indieners van het verzoek, de haar bekende betrokken producenten-exporteurs en importeurs alsmede de autoriteiten van het betrokken land in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek naar absorptie van rechten en hen verzocht daaraan mee te werken.

(9)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

1.5.   Steekproef van opnieuw te onderzoeken producenten-exporteurs in het betrokken land

(10)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening noodzakelijk was met betrekking tot de producenten in het betrokken land, is die partijen verzocht zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar de informatie te verstrekken waarom in het bericht van heropening werd verzocht. Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van Egypte bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het nieuwe onderzoek, op te sporen en/of contact met hen op te nemen. Aangezien slechts Jushi Egypt en Hengshi Egypt zich hebben gemeld, was het echter niet nodig een steekproef samen te stellen.

1.6.   Steekproef van niet-verbonden importeurs

(11)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van heropening gevraagde informatie te verstrekken. Geen van de niet-verbonden importeurs heeft zich gemeld en het was derhalve niet nodig een steekproef samen te stellen.

1.7.   Antwoorden op de vragenlijsten en controles

(12)

De Commissie heeft Jushi Egypt en Hengshi Egypt een vragenlijst toegezonden, waarop zij hebben geantwoord.

(13)

De Commissie heeft alle informatie ingewonnen die zij voor dit nieuwe onderzoek nodig achtte. Gezien de uitbraak van COVID-19 kon de Commissie geen controlebezoeken op grond van artikel 16 van de basisverordening verrichten bij Jushi Egypt, Hengshi Egypt en de met Hengshi Egypt verbonden handelaar, Huajin Capital Limited in Hongkong. Derhalve heeft de Commissie alle informatie over deze drie ondernemingen die zij voor haar vaststellingen nodig achtte, op afstand getoetst in overeenstemming met haar mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (6).

(14)

Voorts zijn controlebezoeken op grond van artikel 16 van de basisverordening verricht bij de volgende met Jushi Egypt/Hengshi Egypt verbonden importeurs/handelaren:

—

Jushi France S.A.S, Frankrijk;

—

JUSHI SPAIN, SA, Spanje.

1.8.   Door het nieuwe onderzoek naar absorptie van rechten bestreken tijdvak

(15)

Het tijdvak van het nieuwe onderzoek naar absorptie van rechten (“TOA”) liep van 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021. Het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (“TOO”) bestreek de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

1.9.   Opmerkingen over de opening van het nieuwe onderzoek

(16)

Na de opening van dit nieuwe onderzoek heeft de Egyptische overheid aangevoerd dat een nieuw onderzoek op grond van artikel 12 van de basisverordening onverenigbaar zou zijn met de antidumpingovereenkomst van de WTO (“antidumpingovereenkomst”). Volgens haar i) is in het kader van de WTO-bepalingen niet in een dergelijk nieuw onderzoek voorzien; ii) is artikel 12, lid 3, van de basisverordening onverenigbaar met artikel 9.1 van de antidumpingovereenkomst in die zin dat naar aanleiding van een dergelijk nieuw onderzoek geen lager recht kan worden ingesteld, en iii) vallen de maatregelen die na een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening worden ingesteld, evenmin onder de uitzonderingen van artikel XX, punt d), van de GATT 1994.

(17)

De Egyptische overheid heeft ook aangevoerd dat, in tegenstelling tot de verplichtingen uit hoofde van artikel 11.3 van de antidumpingovereenkomst, voor een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening geen onderzoek naar schade is vereist.

(18)

De Commissie heeft opgemerkt dat het feit dat de antidumpingovereenkomst niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid tot herziening van de dumpingmarge teneinde rekening te houden met de absorptie van antidumpingrechten, niet betekent dat een dergelijke herziening onverenigbaar met de WTO-regels zou zijn. Bij een dergelijke herziening ligt daarentegen de nadruk op de vaststelling van de dumpingmarge teneinde te verzekeren dat de hoogte van de rechten zodanig is dat de gevolgen van schade veroorzakende dumping op passende wijze kunnen worden weggenomen, zodat die herziening gerechtvaardigd is op grond van de artikelen 11.1 en 11.2 van de antidumpingovereenkomst en volledig in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van de antidumpingovereenkomst, waaronder artikel 2.

(19)

Wat het argument inzake artikel 12, lid 3, van de basisverordening betreft, is uit het onderhavige nieuwe onderzoek geen lagere dumpingmarge met betrekking tot de invoer van SGV uit Egypte gebleken. Het argument is derhalve zonder voorwerp.

(20)

Wat het vereiste betreft dat het onderzoek zowel op dumping als op schade betrekking heeft, is artikel 12, anders dan nieuwe onderzoeken op grond van artikel 11, lid 3, uitsluitend beperkt tot een nieuw onderzoek naar de dumpingmarges. In elk geval heeft de Commissie in het kader van het onderhavige onderzoek het schade opheffende prijsniveau herzien teneinde volledig te voldoen aan de desbetreffende regels inzake de hoogte van het recht.

(21)

De Egyptische overheid heeft ook aangevoerd dat de geldende maatregelen het beoogde corrigerende effect hebben gehad en dat de aanzienlijke daling van het volume ingevoerde SGV in de periode 2018-2020 heeft aangetoond dat er geen sprake was van absorptiepraktijken door de exporteurs. In haar reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Egyptische overheid opnieuw betoogd dat de Commissie geen objectief onderzoek heeft gedaan naar de omvang van de invoer met dumping en naar de gevolgen van die invoer voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie. Ten eerste belet artikel 12 van de basisverordening de Commissie niet om een nieuw onderzoek naar absorptie van rechten te verrichten en eventueel de antidumpingmaatregelen uit te breiden in geval van een daling van de invoer uit het betrokken land. Ten tweede vormen veranderingen in de omvang van de invoer als zodanig geen absorptie van antidumpingrechten uit het oogpunt van veranderingen van de uitvoerprijzen, noch zijn zij daarop van invloed. Ten derde is de invoer van SGV in de Unie na de instelling van de antidumpingrechten weliswaar gedaald, maar blijft deze aanzienlijk en heeft een van de twee producenten-exporteurs zijn uitvoer naar de Unie in het TOA feitelijk verdubbeld. Dit argument wordt daarom afgewezen.

(22)

Vestas Wind Systems A/S (“Vestas”), een gebruiker van SGV, heeft tijdens het nieuwe onderzoek aangevoerd dat volgens haar administratie zowel de fob-prijs als de prijzen bij lossing die zij voor uit Egypte in de Unie ingevoerde SGV heeft betaald, zijn gestegen. In dit verband heeft de Commissie het volgende opgemerkt. Ten eerste is de beoordeling door de Commissie van de uitvoer gebaseerd op de door de producenten-exporteurs verstrekte verkoopgegevens die zij heeft verzameld en gecontroleerd, en waaruit blijkt dat de uitvoerprijzen in het TOA ten opzichte van het TOO zijn gedaald. Ten tweede is de beoordeling van de Commissie gebaseerd op de totale verkoop aan alle onafhankelijke afnemers in de Unie tijdens het TOA respectievelijk het TOO, en is zij niet beperkt tot een analyse van de verkoop aan individuele afnemers. Daarom wordt het argument van Vestas afgewezen.

(23)

Voorts heeft Vestas aangevoerd dat het instellen of verhogen van de antidumpingrechten op SGV rechtstreeks in strijd is met het belang van de Unie. Er wordt op gewezen dat dit nieuwe onderzoek slechts betrekking heeft op de vaststelling of de uitvoerprijzen zijn gedaald dan wel of de wederverkoopprijzen of de latere verkoopprijzen van het onderzochte product in de Unie niet of onvoldoende zijn gewijzigd sinds de instelling van de oorspronkelijke maatregelen, en vervolgens in voorkomend geval op de herberekening van de dumpingmarge op basis van de herziene uitvoerprijzen. Overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening omvat een dergelijk nieuw onderzoek geen aspecten in verband met het belang van de Unie. Daarom wordt het argument afgewezen.

2.   ONDERZOCHT PRODUCT

(24)

Bij het onderzochte product gaat het om stoffen van geweven en/of gestikte continuglasvezelrovings en/of -draden, al dan niet met andere elementen, met uitzondering van producten die zijn geïmpregneerd of gepreïmpregneerd (pre-preg), en met uitzondering van open weefsels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, van oorsprong uit Egypte, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 61 00, ex 7019 62 00, ex 7019 63 00, ex 7019 64 00, ex 7019 65 00, ex 7019 66 00, ex 7019 69 10, ex 7019 69 90 en ex 7019 90 00 (Taric-codes 7019610081, 7019610083, 7019610084, 7019620081, 7019620083, 7019620084, 7019630081, 7019630083, 7019630084, 7019640081, 7019640083, 7019640084, 7019650081, 7019650083, 7019650084, 7019660081, 7019660083, 7019660084, 7019691081, 7019691083, 7019691084, 7019699081, 7019699083, 7019699084, 7019900081, 7019900083 en 7019900084) (“het onderzochte product”).

3.   BEVINDINGEN VAN HET NIEUWE ONDERZOEK NAAR ABSORPTIE VAN RECHTEN

(25)

Een nieuw onderzoek naar absorptie van rechten op grond van artikel 12 van de basisverordening is bedoeld om vast te stellen of de uitvoerprijzen zijn gedaald dan wel of de wederverkoopprijzen of de latere verkoopprijzen van het onderzochte product in de Unie niet of onvoldoende zijn gewijzigd sinds de instelling van de oorspronkelijke maatregelen. Indien de conclusie is dat de maatregel tot wijzigingen van deze prijzen had moeten leiden om de voordien overeenkomstig artikel 3 van de basisverordening vastgestelde schade weg te nemen, worden in een volgende fase de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening opnieuw bezien en worden de dumpingmarges, rekening houdend met de herziene uitvoerprijzen, opnieuw berekend.

3.1.   Daling van de uitvoerprijzen

(26)

In dit geval vond de uitvoer van beide producenten-exporteurs naar de Unie hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via verbonden ondernemingen plaats, en de analyse van de Commissie was dienovereenkomstig toegespitst op de ontwikkeling van de uitvoerprijzen in het TOA ten opzichte van het TOO.

(27)

Om vast te stellen of er sprake was van een daling van de uitvoerprijzen, stelde de Commissie voor elke onderzochte onderneming de cif-prijzen bij uitvoer (d.w.z. inclusief kosten, verzekering en vracht), grens Unie, tijdens het TOA vast en vergeleek zij deze prijzen met de overeenkomstige uitvoerprijzen die tijdens het TOO waren vastgesteld.

(28)

De Commissie vergeleek voor elke producent-exporteur de prijzen van de productsoorten die tijdens het TOA werden verkocht, met die van dezelfde productsoorten die in het TOO werden verkocht, en berekende voor hen het gewogen gemiddelde prijsverschil.

(29)

Bovenstaande vergelijking voor de twee verbonden producenten-exporteurs gaf een daling van de gewogen gemiddelde uitvoerprijs met 12 % voor de CNBM-groep te zien, hetgeen er op het eerste gezicht op wijst dat er sprake was van absorptie van de geldende maatregelen.

(30)

Daarom werden de dumpingmarges overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening opnieuw berekend.

3.2.   Dumping

3.2.1.   Inleiding

(31)

Nadat mogelijke absorptie voor de CNBM-groep was vastgesteld, is de dumpingmarge opnieuw berekend overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening.

(32)

Wat de uitvoerprijzen betreft, is overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de basisverordening gebruikgemaakt van de uitvoerprijzen voor het TOA die in het kader van dit nieuwe onderzoek zijn verzameld en gecontroleerd of getoetst.

(33)

In dit geval vond de uitvoer van beide verbonden producenten-exporteurs naar de Unie hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via in Hongkong of de Unie gevestigde verbonden ondernemingen plaats.

(34)

In de gevallen waarin de producenten-exporteurs het onderzochte product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie hadden uitgevoerd, was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het onderzochte product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(35)

In de gevallen waarin de producenten-exporteurs het onderzochte product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie hadden uitgevoerd, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie was doorverkocht. In dat geval werden prijscorrecties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten van de in de Unie gevestigde verbonden importeurs, alsmede voor een redelijke winst (vastgesteld op 5 % in het oorspronkelijke onderzoek).

(36)

De in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarden worden gebruikt voor de berekening van de dumpingmarges tijdens het TOA, tenzij op grond van artikel 12, lid 5, van de basisverordening wordt verzocht om een herziening van de normale waarde met inaanmerkingneming van wijzigingen in het TOA.

(37)

In dit geval hebben de producenten-exporteurs niet om een herziening van de normale waarde verzocht. Daarom zijn de normale waarden die in dit geval zijn gebruikt voor de herberekening van de dumpingmarge die welke in het oorspronkelijke onderzoek zijn vastgesteld.

(38)

Wat Jushi Egypt betreft, werden alle in het TOA verkochte productsoorten ook in het TOO verkocht, zodat alle normale waarden onmiddellijk beschikbaar waren. Wat Hengshi Egypt betreft, werden twee in het TOA verkochte productsoorten niet in het TOO verkocht. De normale waarde voor die twee producten werd daarom vervangen door de normale waarde voor de sterkst gelijkende productsoorten die in het kader van het oorspronkelijke onderzoek door Hengshi Egypt werden verkocht.

(39)

Hengshi Egypt heeft in haar reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen aangevoerd dat het voor een van de productsoorten ongepast is om de normale waarde uit het TOO te gebruiken, aangezien een dergelijke productsoort slechts in het kader van een proefproductie werd vervaardigd en in kleine hoeveelheden als monster werd verkocht. In plaats daarvan heeft zij voorgesteld om de normale waarde uit het TOO voor een andere, beweerdelijke meest gelijkende productsoort te gebruiken.

(40)

Om te beginnen wordt opgemerkt dat in het kader van het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de productsoort in kwestie voor commerciële toepassingen werd geproduceerd en dat de normale waarde voor die productsoort naar behoren was vastgesteld en voor de berekening van de dumpingmarge in het TOO was gebruikt. Hengshi Egypt heeft geen van deze vaststellingen in het kader van het oorspronkelijke onderzoek betwist. Voorts is er geen grondslag om op willekeurige wijze een normale waarde voor een verschillende productsoort te gebruiken, terwijl de vastgestelde en niet eerder betwiste normale waarde voor de overeenstemmende productsoort beschikbaar is. De opmerkingen van de onderneming naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen konden evenmin worden gecontroleerd. De Commissie blijft derhalve bij haar standpunt dat de normale waarde voor de productsoort die in het TOO (zij het in beperkte hoeveelheden) werd geproduceerd en verhandeld en die overeenstemde met de productsoort die in het TOA naar de Unie werd verkocht, de dichtst mogelijke en meest betrouwbare benadering is die in dit geval voor dumpingberekeningen kan worden gebruikt.

(41)

Voorts had Hengshi Egypt op grond van artikel 12, lid 5, van de basisverordening om een herziening van de normale waarde kunnen verzoeken indien zij van mening was dat er in het TOA wijzigingen van de normale waarden hadden plaatsgevonden die opnieuw moesten worden onderzocht, maar heeft zij dit niet gedaan. Artikel 12, lid 5, van de basisverordening staat weliswaar toe dat de normale waarde en bloc wordt herzien, maar maakt het evenwel niet mogelijk dat slechts één of een klein aantal geselecteerde productsoorten aan een selectieve herbeoordeling worden onderworpen. Op grond van het voorgaande moet het argument van Hengshi Egypt worden afgewezen.

(42)

In reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen was Jushi Egypt het er niet mee eens dat zij gezamenlijk met Hengshi Egypt was behandeld met het oog op de toepassing van artikel 12, lid 5, van de basisverordening inzake de herziening van de normale waarden. Volgens Jushi Egypt had de Commissie haar individuele verzoek om herziening van de normale waarde moeten aanvaarden.

(43)

Zij heeft aangevoerd dat hoewel zijzelf tot de vermeende daling van de uitvoerprijs voor de hele CNBM-groep heeft bijgedragen, de uitvoerprijzen van Hengshi Egypt op hetzelfde niveau zijn gebleven als tijdens het TOO. De daling van haar uitvoerprijzen zou echter het gevolg zijn van haar inspanningen om haar kosten in het TOA te verlagen, zodat de daling van de kosten hetzelfde effect op de normale waarde zou hebben. Concluderend voert Jushi Egypt aan dat haar uitvoerprijzen derhalve niet waren geabsorbeerd en dus ook de uitvoerprijzen van de CNBM-groep niet. Bovendien had volgens Jushi Egypt de ene dumpingmarge voor de ondernemingsgroep moeten worden gebaseerd op de herziene dumpingmarge voor Jushi Egypt en op de oorspronkelijke dumpingmarge voor Hengshi Egypt.

(44)

Ten eerste wordt, zoals uiteengezet in overweging 29, opgemerkt dat voor de CNBM-groep, waarvan zowel Jushi Egypt als Hengshi Egypt deel uitmaakt, een daling van de uitvoerprijs met 12 % was vastgesteld, wat ertoe heeft geleid dat de dumpingmarges voor beide producerende entiteiten overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de basisverordening opnieuw werden berekend.

(45)

Ten tweede wordt eraan herinnerd dat de CNBM-groep uitdrukkelijk had verklaard niet te zullen verzoeken om herziening van de normale waarde voor haar verbonden producenten-exporteurs, Jushi Egypt en Hengshi Egypt. Vervolgens heeft de Commissie overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening de dumpingmarges opnieuw berekend op basis van de normale waarden uit het TOO.

(46)

Ten derde kunnen leveranciers met bestaande structurele en zakelijke banden ingevolge artikel 9, lid 5, tweede alinea, van de basisverordening voor de vaststelling van het antidumpingrecht als één eenheid worden beschouwd. Dat betekent dat ook bij de toepassing van artikel 12, lid 5, en bij het verrichten van nieuwe onderzoeken naar absorptie van rechten een uniforme benadering op het niveau van de groep van verbonden producenten moet worden gevolgd. Anders zouden uiteenlopende benaderingen voor individuele producenten-exporteurs die tot dezelfde groep behoren, reeds in de voorbereidende fase van de nieuwe onderzoeken naar absorptie van rechten kunnen leiden tot een vertekende uitkomst van de nieuwe onderzoeken en tot situaties waarin de (verhoogde) antidumpingrechten niet op de producenten-exporteurs van toepassing zijn. Voorts wordt met betrekking tot de behandeling van Jushi Egypt en Hengshi Egypt als behorend tot dezelfde ondernemingsgroep opgemerkt dat de door de Commissie bij dit nieuwe onderzoek gevolgde benadering volledig in overeenstemming is met de benadering die bij het oorspronkelijke onderzoek is gevolgd. Om de hierboven uiteengezette redenen moet het argument van Jushi Egypt worden afgewezen.

3.2.2.   Vergelijking

(47)

De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de twee medewerkende producenten-exporteurs in het stadium af fabriek vergeleken.

(48)

Waar dat voor een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed waren op de prijzen en op de vergelijkbaarheid daarvan. In dit geval werden correcties toegepast voor kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en voor krediet- en bankkosten.

(49)

Bovendien heeft Hengshi Egypt tijdens het TOA ook via een buiten de Unie, te weten in Hongkong, gevestigde verbonden handelaar SGV naar de Unie uitgevoerd. Daarom werd op grond van artikel 2, lid 10, punt i), ook een correctie toegepast voor verkoop via die verbonden handelsonderneming, in overeenstemming met het oorspronkelijke onderzoek. De correctie bestond in de aftrek van de VAA-kosten van de handelsonderneming en een winstmarge van 5 % (zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek).

3.2.3.   Dumpingmarge

(50)

Om voor de twee medewerkende producenten-exporteurs de dumpingmarge vast te stellen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het onderzochte product in het stadium af fabriek, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

(51)

Aangezien de twee medewerkende producenten verbonden waren, werd één enkele dumpingmarge vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van hun individuele dumpingmarges.

(52)

Op basis hiervan zijn de gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt geëvolueerd:

Naam van de onderneming

Dumpingmarge in het TOO (%)

Dumpingmarge in het TOA (%)

Verruiming van de dumpingmarge (procentpunten)

CNBM-groep

20

33,1

13,1

3.2.4.   Schade opheffend prijsniveau

(53)

De Commissie heeft vervolgens het schade opheffende prijsniveau bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de CNBM-groep als vastgesteld in het TOA te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het TOO door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer.

(54)

Op basis daarvan is de schademarge voor de CNBM-groep gestegen van 63,9 % tot 109,3 %.

(55)

In reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de CNBM-groep en de Egyptische overheid onder verwijzing naar de daling van de invoer uit Egypte en de daaruit voortvloeiende daling van het marktaandeel van de CNBM-groep in de Unie aangevoerd dat de geldende antidumpingmaatregelen de bedrijfstak van de Unie, die zich heeft hersteld of de gelegenheid heeft gehad zich te herstellen van de vermeende aanmerkelijke schade, reeds goed hebben beschermd. Onder verwijzing naar een parallel antiontwijkingsonderzoek (7) heeft de CNBM-groep voorts aangevoerd dat de verkoopprijzen van de producenten in de Unie zouden zijn gestegen, waaruit zou blijken dat de bedrijfstak van de Unie zich van de geleden aanmerkelijke schade had hersteld. De CNBM-groep heeft verder de door de Commissie bij de berekening van de prijsonderbiedingsmarge en de prijsbederfmarge gebruikte methode betwist, onder verwijzing naar haar opmerkingen in het kader van het oorspronkelijke onderzoek en naar twee arresten van het Gerecht in dit verband (8). Bovendien heeft de Egyptische overheid in reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen aangevoerd dat de Commissie bij de herziening van het schade opheffende prijsniveau de prijzen in een ander handelsstadium heeft vergeleken en dus niet heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 3 van de antidumpingovereenkomst inzake billijke vergelijking.

(56)

Zoals uiteengezet in overweging 20, is dit nieuwe onderzoek uitsluitend beperkt tot dumpingaspecten. Het schade opheffende prijsniveau werd uitsluitend opnieuw berekend om volledig te voldoen aan de relevante voorschriften inzake de hoogte van het recht en kan geen invloed hebben op de uitkomst van dit nieuwe onderzoek, aangezien de rechten in het kader van zowel het oorspronkelijke onderzoek als dit nieuwe onderzoek op het niveau van de dumpingmarge worden vastgesteld (zie overweging 58 voor nadere bijzonderheden). Wat het gebruik van informatie uit een parallel onderzoek betreft, moet worden opgemerkt dat de CNBM-groep verwijst naar een ander onderzoek en naar informatie die in het onderhavige geval niet in het dossier beschikbaar is. Ook als dergelijke informatie met het oog op het onderhavige geval relevant zou zijn (wat niet zo is), zou die hier dus niet kunnen worden gebruikt. Op grond van het voorgaande moeten de argumenten van de CNBM-groep en de Egyptische overheid worden afgewezen.

4.   CONCLUSIE

(57)

De voor het TOA berekende dumpingmarge was toegenomen ten opzichte van de in het TOO vastgestelde dumpingmarge. De antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van het onderzochte product door de CNBM-groep moeten derhalve worden gewijzigd overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de basisverordening.

(58)

Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening moet het bedrag van de rechten worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge. In het kader van het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek (9) heeft de Commissie geen compenserende maatregelen ingesteld voor uitvoerafhankelijke subsidieregelingen overeenkomstig artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (10) (de antisubsidiebasisverordening). Daarom hoeft het compenserende recht niet in mindering te worden gebracht om het nieuwe antidumpingrecht te bepalen.

(59)

Bijgevolg bedraagt het herziene antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

CNBM-groep

33,1  %

Alle andere ondernemingen

33,1  %

(60)

In reactie op de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de indieners van het verzoek aangevoerd dat de Commissie wegens de enorme toename van de prijsonderbieding volledig gebruik van haar discretionaire bevoegdheid zou moeten maken en het antidumpingrecht zou moeten verdubbelen.

(61)

Er wordt opgemerkt dat de Commissie in overeenstemming met artikel 9, lid 4, en artikel 12, leden 2 en 3, van de basisverordening heeft gehandeld door de dumpingmarge opnieuw te berekenen met inachtneming van de lagere uitvoerprijzen en het herziene antidumpingrecht vast te stellen op het niveau van de vastgestelde dumpingmarge. De Commissie is aan deze bepalingen gebonden en beschikt, anders dan de indieners van het verzoek aanvoeren, over geen enkele discretionaire bevoegdheid om het recht tot boven het niveau van de dumpingmarge in casu vast te stellen. Het argument van de indieners van het verzoek ontbeert derhalve een juridische grondslag en moet worden afgewezen.

(62)

Op 17 mei 2022 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht op SGV van oorsprong uit Egypte in te stellen. Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen over de mededeling van feiten en overwegingen indienen. De opmerkingen van de belanghebbenden zijn onderzocht en, voor zover zij gegrond werden geacht, in aanmerking genomen.

(63)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 worden leden 1 en 2 van artikel 1 vervangen door:

“1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op stoffen van geweven en/of gestikte continuglasvezelrovings en/of -draden, al dan niet met andere elementen, met uitzondering van producten die zijn geïmpregneerd of gepreïmpregneerd (pre-preg), en met uitzondering van open weefsels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 61 00, ex 7019 62 00, ex 7019 63 00, ex 7019 64 00, ex 7019 65 00, ex 7019 66 00, ex 7019 69 10, ex 7019 69 90 en ex 7019 90 00 (Taric-codes 7019610081, 7019610083, 7019610084, 7019620081, 7019620083, 7019620084, 7019630081, 7019630083, 7019630084, 7019640081, 7019640083, 7019640084, 7019650081, 7019650083, 7019650084, 7019660081, 7019660083, 7019660084, 7019691081, 7019691083, 7019691084, 7019699081, 7019699083, 7019699084, 7019900081, 7019900083 en 7019900084).

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, is als volgt:

Betrokken land

Onderneming

Definitief antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

VRC

Jushi Group Co. Ltd;

Zhejiang Hengshi Fiberglass Fabrics Co. Ltd;

Taishan Fiberglass Inc.

69,0  %

C531

PGTEX China Co. Ltd;

Chongqing Tenways Material Corp.

37,6  %

C532

Andere ondernemingen die in zowel het antisubsidie- als het antidumpingonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage I

37,6  %

Zie bijlage I

Andere ondernemingen die in het antidumpingonderzoek, maar niet in het antisubsidieonderzoek medewerking hebben verleend, vermeld in bijlage II

34,0  %

Zie bijlage II

Alle andere ondernemingen

69,0  %

C999

Egypte

Jushi Egypt For Fiberglass Industry S.A.E.;

Hengshi Egypt Fiberglass Fabrics S.A.E.

33,1  %

C533

Alle andere ondernemingen

33,1  %

C999”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie van 1 april 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 108 van 6.4.2020, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 1).

(4)  Bericht van heropening van het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit Egypte (PB C 483 van 1.12.2021, blz. 29).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776.

(6)  Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).

(7)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2230 van de Commissie van 14 december 2021 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte, door de invoer van uit Turkije verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Turkije, en tot registratie van deze invoer (PB L 448 van 15.12.2021, blz. 58).

(8)  Zaak T-242/19, Giant Electric Vehicle Kunshan/Commissie, ECLI:EU:T:2022:259, punt 90; zaken T-30/19 en T-72/19, CRIA en CCCMC/Commissie, ECLI:EU:T:2022:266, punt 153.

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776.

(10)  Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/79


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1234 VAN DE COMMISSIE

van 18 juli 2022

tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 71, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (2) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest die door de in bijlage I bij die verordening vermelde lidstaten (de “betrokken lidstaten”) gedurende een beperkte periode in de in die bijlage vermelde beperkingszones I, II en III moeten worden toegepast.

(3)

De in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III opgenomen gebieden zijn opgenomen op basis van de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie. Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1196 van de Commissie (3), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Duitsland en Polen.

(4)

Bij eventuele wijzigingen van de beperkingszones I, II en III in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden uitgegaan van de epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de gebieden die door die ziekte zijn getroffen en de algemene epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de desbetreffende lidstaat, het risiconiveau ten aanzien van de verdere verspreiding van die ziekte, de wetenschappelijk gefundeerde beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van zones ten aanzien van Afrikaanse varkenspest en de met de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders overeengekomen richtsnoeren van de Unie, die openbaar beschikbaar zijn op de website van de Commissie (4). Bij dergelijke wijzigingen moet ook rekening worden gehouden met internationale normen, zoals de Gezondheidscode voor landdieren (5) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten verstrekte motiveringen voor de zonering.

(5)

Er hebben zich nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest voorgedaan bij gehouden varkens in Letland en Litouwen.

(6)

In juli 2022 zijn verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in de districten Kuldīga en Ventspils in Letland, in gebieden die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II zijn opgenomen. Door deze nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten deze momenteel als beperkingszones II in die bijlage opgenomen gebieden van Letland nu in die bijlage als beperkingszones III in plaats van als beperkingszone II worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van de beperkingszones II ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met deze recente uitbraken.

(7)

In juli 2022 is ook een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Marijampolė in Litouwen, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze nieuwe uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Litouwen nu in die bijlage als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van beperkingszone II ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met deze recente uitbraak.

(8)

Naar aanleiding van die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in Letland en Litouwen, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat Afrikaanse varkenspest betreft, is de zonering in die lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605.

(9)

Om rekening te houden met de recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moeten voor Letland en Litouwen nieuwe beperkingszones van voldoende omvang worden afgebakend en in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones II en III worden opgenomen. Aangezien de situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de Unie zeer dynamisch is, is bij de afbakening van die nieuwe beperkingszones rekening gehouden met de situatie in de omliggende gebieden.

(10)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die door middel van deze uitvoeringsverordening worden aangebracht in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1196 van de Commissie van 11 juli 2022 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 185 van 12.7.2022, blz. 77).

(4)  Werkdocument SANTE/7112/2015/Rev. 3 “Principles and criteria for geographically defining ASF regionalisation” (Beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van een regionalisering ten aanzien van Afrikaanse varkenspest). https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/asf_en

(5)  Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, 29e editie, 2021. Delen I en II ISBN 978-92-95115-40-8; https://www.woah.org/en/what-we-do/standards/codes-and-manuals/terrestrial-code-online-access/


BIJLAGE

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

BEPERKINGSZONES

DEEL I

1.   Duitsland

De volgende beperkingszones I in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Alt Zauche-Wußwerk,

Gemeinde Byhleguhre-Byhlen,

Gemeinde Märkische Heide, mit den Gemarkungen Alt Schadow, Neu Schadow, Pretschen, Plattkow, Wittmannsdorf, Schuhlen-Wiese, Bückchen, Kuschkow, Gröditsch, Groß Leuthen, Leibchel, Glietz, Groß Leine, Dollgen, Krugau, Dürrenhofe, Biebersdorf und Klein Leine,

Gemeinde Neu Zauche,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Groß Liebitz, Guhlen, Mochow und Siegadel,

Gemeinde Spreewaldheide,

Gemeinde Straupitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Müncheberg, Eggersdorf bei Müncheberg und Hoppegarten bei Müncheberg,

Gemeinde Bliesdorf mit den Gemarkungen Kunersdorf - westlich der B167 und Bliesdorf - westlich der B167

Gemeinde Märkische Höhe mit den Gemarkungen Reichenberg und Batzlow,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Haselberg, Frankenfelde, Schulzendorf, Lüdersdorf Biesdorf, Rathsdorf - westlich der B 167 und Wriezen - westlich der B167

Gemeinde Buckow (Märkische Schweiz),

Gemeinde Strausberg mit den Gemarkungen Hohenstein und Ruhlsdorf,

Gemeine Garzau-Garzin,

Gemeinde Waldsieversdorf,

Gemeinde Rehfelde mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Reichenow-Mögelin,

Gemeinde Prötzel mit den Gemarkungen Harnekop, Sternebeck und Prötzel östlich der B 168 und der L35,

Gemeinde Oberbarnim,

Gemeinde Bad Freienwalde mit der Gemarkung Sonnenburg,

Gemeinde Falkenberg mit den Gemarkungen Dannenberg, Falkenberg westlich der L 35, Gersdorf und Kruge,

Gemeinde Höhenland mit den Gemarkungen Steinbeck, Wollenberg und Wölsickendorf,

Landkreis Barnim:

Gemeinde Joachimsthal östlich der L220 (Eberswalder Straße), östlich der L23 (Töpferstraße und Templiner Straße), östlich der L239 (Glambecker Straße) und Schorfheide (JO) östlich der L238,

Gemeinde Friedrichswalde mit der Gemarkung Glambeck östlich der L 239,

Gemeinde Althüttendorf,

Gemeinde Ziethen mit den Gemarkungen Groß Ziethen und Klein Ziethen westlich der B198,

Gemeinde Chorin mit den Gemarkungen Golzow, Senftenhütte, Buchholz, Schorfheide (Ch), Chorin westlich der L200 und Sandkrug nördlich der L200,

Gemeinde Britz,

Gemeinde Schorfheide mit den Gemarkungen Altenhof, Werbellin, Lichterfelde und Finowfurt,

Gemeinde (Stadt) Eberswalde mit der Gemarkungen Finow und Spechthausen und der Gemarkung Eberswalde südlich der B167 und westlich der L200,

Gemeinde Breydin,

Gemeinde Melchow,

Gemeinde Sydower Fließ mit der Gemarkung Grüntal nördlich der K6006 (Landstraße nach Tuchen), östlich der Schönholzer Straße und östlich Am Postweg,

Hohenfinow südlich der B167,

Landkreis Uckermark:

Gemeinde Passow mit den Gemarkungen Briest, Passow und Schönow,

Gemeinde Mark Landin mit den Gemarkungen Landin nördlich der B2, Grünow und Schönermark,

Gemeinde Angermünde mit den Gemarkungen Frauenhagen, Mürow, Angermünde nördlich und nordwestlich der B2, Dobberzin nördlich der B2, Kerkow, Welsow, Bruchhagen, Greiffenberg, Günterberg, Biesenbrow, Görlsdorf, Wolletz und Altkünkendorf,

Gemeinde Zichow,

Gemeinde Casekow mit den Gemarkungen Blumberg, Wartin, Luckow-Petershagen und den Gemarkungen Biesendahlshof und Casekow westlich der L272 und nördlich der L27,

Gemeinde Hohenselchow-Groß Pinnow mit der Gemarkung Hohenselchow nördlich der L27,

Gemeinde Tantow,

Gemeinde Mescherin

Gemeinde Gartz (Oder) mit der Gemarkung Geesow sowie den Gemarkungen Gartz und Hohenreinkendorf nördlich der L27 und B2 bis Gartenstraße,

Gemeinde Pinnow nördlich und westlich der B2,

Gemeinde Nordwestuckermark mit den Gemarkungen Zernikow, Holzendorf, Rittgarten, Falkenhagen, Schapow, Schönermark (NWU), Wilhelmshof, Naugarten, Horst, Gollmitz, Klein-Sperrenwalde und Kröchlendorff,

Gemeinde Boitzenburger-Land mit den Gemarkungen Berkholz, Wichmannsdorf, Kuhz und Haßleben,

Gemeinde Mittenwalde,

Gemeinde Gerswalde mit den Gemarkungen Gerswalde, Buchholz, Pinnow (GE), Kaakstedt und Fergitz

Gemeinde Flieth-Steglitz,

Gemeinde Angermünde mit den Gemarkungen Wilmersdorf und Schmiedeberg,

Gemeinde Oberuckersee mit der Gemarkung Grünheide,

Gemeinde Gramzow mit der Gemarkung Gramzow östlich der der K7315, Gemarkungen

Meichow, Neumeichow, Polßen

Gemeinde Randowtal mit den Gemarkungen Wollin, Schmölln, Schwaneberg, Grenz

Gemeinde Brüssow mit den Gemarkungen Battin, Grünberg und Trampe,

Gemeinde Carmzow-Wallmow.

Gemeinde Grünow mit der Gemarkung Grenz,

Gemeinde Schenkenberg mit der Gemarkung Kleptow,

Gemeinde Schönfeld,

Gemeinde Göritz,

Gemeinde Prenzlau mit den Gemarkungen Dedelow, Schönwerder und Dauer,

Gemeinde Uckerland mit der Gemarkung Bandelow südlich der Straße von Bandelow zum Bandlowsee und der Gemarkung Jagow südlich der Straße vom Bandlowsee zur K7341,

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Storkow (Mark),

Gemeinde Spreenhagen mit den Gemarkungen Braunsdorf, Markgrafpieske, Lebbin und Spreenhagen,

Gemeinde Grünheide (Mark) mit den Gemarkungen Kagel, Kienbaum und Hangelsberg,

Gemeinde Fürstenwalde westlich der B 168 und nördlich der L 36,

Gemeinde Rauen,

Gemeinde Wendisch Rietz bis zur östlichen Uferzone des Scharmützelsees und von der südlichen Spitze des Scharmützelsees südlich der B246,

Gemeinde Reichenwalde,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Petersdorf und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow westlich der östlichen Uferzone des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze westlich der L35,

Gemeinde Tauche mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Jänickendorf, Schönfelde, Beerfelde, Gölsdorf, Buchholz, Tempelberg und den Gemarkungen Steinhöfel, Hasenfelde und Heinersdorf westlich der L36 und der Gemarkung Neuendorf im Sande nördlich der L36,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Turnow-Preilack mit der Gemarkung Turnow,

Gemeinde Drachhausen,

Gemeinde Schmogrow-Fehrow,

Gemeinde Drehnow,

Gemeinde Teichland mit den Gemarkungen Maust und Neuendorf,

Gemeinde Dissen-Striesow,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen, Klein Buckow, Radewiese, Stradow, Straußdorf, Wolkenberg und der Gemarkung Spremberg westlich der Tagebaurandstraße,

Gemeinde Drebkau mit den Gemarkungen Jehserig und Kausche,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kathlow, Haasow, Koppatz, Neuhausen, Frauendorf, Groß Oßnig, Groß Döbbern und Klein Döbbern und der Gemarkung Roggosen nördlich der BAB 15,

Gemeinde Welzow mit der Gemarkung Welzow,

Landkreis Oberspreewald-Lausitz:

Gemeinde Neupetershain,

Gemeinde Lauchhammer,

Gemeinde Schwarzheide,

Gemeinde Schipkau,

Gemeinde Senftenberg mit den Gemarkungen Brieske, Niemtsch, Senftenberg, Reppist, Hosena, Großkoschen, Kleinkoschen und Sedlitz,

die Gemeinde Schwarzbach mit der Gemarkung Biehlen,

Gemeinde Neu-Seeland mit den Gemarkungen Lieske, Bahnsdorf und Lindchen,

Gemeinde Großräschen mit den Gemarkungen Dörrwalde und Allmosen,

Gemeinde Tettau,

Landkreis Elbe-Elster:

Gemeinde Großthiemig,

Gemeinde Hirschfeld,

Gemeinde Gröden,

Gemeinde Schraden,

Gemeinde Merzdorf,

Gemeinde Röderland mit der Gemarkung Wainsdorf, Prösen, Stolzenhain a.d. Röder,

Gemeinde Plessa mit der Gemarkung Plessa,

Landkreis Prignitz:

Gemeinde Groß Pankow mit den Gemarkungen Baek, Tangendorf, Tacken, Hohenvier, Strigleben, Steinberg und Gulow,

Gemeinde Perleberg mit der Gemarkung Schönfeld,

Gemeinde Karstädt mit den Gemarkungen Postlin, Strehlen, Blüthen, Klockow, Premslin, Glövzin, Waterloo, Karstädt, Dargardt, Garlin und die Gemarkungen Groß Warnow, Klein Warnow, Reckenzin, Streesow und Dallmin westlich der Bahnstrecke Berlin/Spandau-Hamburg/Altona,

Gemeinde Gülitz-Reetz,

Gemeinde Putlitz mit den Gemarkungen Lockstädt, Mansfeld und Laaske,

Gemeinde Triglitz,

Gemeinde Marienfließ mit der Gemarkung Frehne,

Gemeinde Kümmernitztal mit der Gemarkungen Buckow, Preddöhl und Grabow,

Gemeinde Gerdshagen mit der Gemarkung Gerdshagen,

Gemeinde Meyenburg,

Gemeinde Pritzwalk mit der Gemarkung Steffenshagen,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen

Gemeinde Arnsdorf, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Cunewalde,

Gemeinde Demitz-Thumitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Doberschau-Gaußig,

Gemeinde Göda, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Großharthau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Großpostwitz/O.L.,

Gemeinde Hochkirch, sofern nicht bereits der Sperrzone II,

Gemeinde Kubschütz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Neukirch/Lausitz,

Gemeinde Obergurig,

Gemeinde Schmölln-Putzkau,

Gemeinde Sohland a. d. Spree,

Gemeinde Stadt Bautzen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Bischhofswerda, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Radeberg, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Schirgiswalde-Kirschau,

Gemeinde Stadt Wilthen,

Gemeinde Steinigtwolmsdorf,

Stadt Dresden:

Stadtgebiet, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Landkreis Meißen:

Gemeinde Diera-Zehren, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Glaubitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Hirschstein,

Gemeinde Käbschütztal,

Gemeinde Klipphausen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Niederau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Nünchritz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Röderaue, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Gröditz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Lommatzsch,

Gemeinde Stadt Meißen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Nossen außer Ortsteil Nossen,

Gemeinde Stadt Riesa,

Gemeinde Stadt Strehla,

Gemeinde Stauchitz,

Gemeinde Wülknitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Zeithain,

Landkreis Mittelsachsen:

Gemeinde Reinsberg,

Landkreis Sächsische Schweiz-Osterzgebirge:

Gemeinde Bannewitz,

Gemeinde Dürrröhrsdorf-Dittersbach,

Gemeinde Kreischa,

Gemeinde Lohmen,

Gemeinde Müglitztal,

Gemeinde Stadt Dohna,

Gemeinde Stadt Freital,

Gemeinde Stadt Heidenau,

Gemeinde Stadt Hohnstein,

Gemeinde Stadt Neustadt i. Sa.,

Gemeinde Stadt Pirna,

Gemeinde Stadt Rabenau mit den Ortsteilen Lübau, Obernaundorf, Oelsa, Rabenau und Spechtritz,

Gemeinde Stadt Stolpen,

Gemeinde Stadt Tharandt mit den Ortsteilen Fördergersdorf, Großopitz, Kurort Hartha, Pohrsdorf und Spechtshausen,

Gemeinde Stadt Wilsdruff, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern:

Landkreis Vorpommern Greifswald

Gemeinde Penkun südlich der Autobahn A11,

Gemeinde Nadrense südlich der Autobahn A11,

Landkreis Ludwigslust-Parchim:

Gemeinde Barkhagen mit den Ortsteilen und Ortslagen: Altenlinden, Kolonie Lalchow, Plauerhagen, Zarchlin, Barkow-Ausbau, Barkow,

Gemeinde Blievenstorf mit dem Ortsteil: Blievenstorf,

Gemeinde Brenz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Neu Brenz, Alt Brenz,

Gemeinde Domsühl mit den Ortsteilen und Ortslagen: Severin, Bergrade Hof, Bergrade Dorf, Zieslübbe, Alt Dammerow, Schlieven, Domsühl, Domsühl-Ausbau, Neu Schlieven,

Gemeinde Gallin-Kuppentin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Kuppentin, Kuppentin-Ausbau, Daschow, Zahren, Gallin, Penzlin,

Gemeinde Ganzlin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dresenow, Dresenower Mühle, Twietfort, Ganzlin, Tönchow, Wendisch Priborn, Liebhof, Gnevsdorf,

Gemeinde Granzin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Lindenbeck, Greven, Beckendorf, Bahlenrade, Granzin,

Gemeinde Grabow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Fresenbrügge, Grabow, Griemoor, Heidehof, Kaltehof, Winkelmoor,

Gemeinde Groß Laasch mit den Ortsteilen und Ortslagen: Groß Laasch,

Gemeinde Kremmin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Beckentin, Kremmin,

Gemeinde Kritzow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Schlemmin, Kritzow,

Gemeinde Lewitzrand mit dem Ortsteil und Ortslage: Matzlow-Garwitz (teilweise),

Gemeinde Lübz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Bobzin, Broock, Broock Ausbau, Hof Gischow, Lübz, Lutheran, Lutheran Ausbau, Riederfelde, Ruthen, Wessentin, Wessentin Ausbau,

Gemeinde Neustadt-Glewe mit den Ortsteilen und Ortslagen: Hohes Feld, Kiez, Klein Laasch, Liebs Siedlung, Neustadt-Glewe, Tuckhude, Wabel,

Gemeinde Obere Warnow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Grebbin und Wozinkel, Gemarkung Kossebade teilweise, Gemarkung Herzberg mit dem Waldgebiet Bahlenholz bis an die östliche Gemeindegrenze, Gemarkung Woeten unmittelbar östlich und westlich der L16,

Gemeinde Parchim mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dargelütz, Neuhof, Kiekindemark, Neu Klockow, Möderitz, Malchow, Damm, Parchim, Voigtsdorf, Neu Matzlow,

Gemeinde Passow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Unterbrüz, Brüz, Welzin, Neu Brüz, Weisin, Charlottenhof, Passow,

Gemeinde Plau am See mit den Ortsteilen und Ortslagen: Reppentin, Gaarz, Silbermühle, Appelburg, Seelust, Plau-Am See, Plötzenhöhe, Klebe, Lalchow, Quetzin, Heidekrug,

Gemeinde Rom mit den Ortsteilen und Ortslagen: Lancken, Stralendorf, Rom, Darze, Paarsch,

Gemeinde Spornitz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dütschow, Primark, Steinbeck, Spornitz,

Gemeinde Werder mit den Ortsteilen und Ortslagen: Neu Benthen, Benthen, Tannenhof, Werder.

2.   Estland

De volgende beperkingszones I in Estland:

—

Hiiu maakond.

3.   Griekenland

De volgende beperkingszones I in Griekenland:

—

in the regional unit of Drama:

—

the community departments of Sidironero and Skaloti and the municipal departments of Livadero and Ksiropotamo (in Drama municipality),

—

the municipal department of Paranesti (in Paranesti municipality),

—

the municipal departments of Kokkinogeia, Mikropoli, Panorama, Pyrgoi (in Prosotsani municipality),

—

the municipal departments of Kato Nevrokopi, Chrysokefalo, Achladea, Vathytopos, Volakas, Granitis, Dasotos, Eksohi, Katafyto, Lefkogeia, Mikrokleisoura, Mikromilea, Ochyro, Pagoneri, Perithorio, Kato Vrontou and Potamoi (in Kato Nevrokopi municipality),

—

in the regional unit of Xanthi:

—

the municipal departments of Kimmerion, Stavroupoli, Gerakas, Dafnonas, Komnina, Kariofyto and Neochori (in Xanthi municipality),

—

the community departments of Satres, Thermes, Kotyli, and the municipal departments of Myki, Echinos and Oraio and (in Myki municipality),

—

the community department of Selero and the municipal department of Sounio (in Avdira municipality),

—

in the regional unit of Rodopi:

—

the municipal departments of Komotini, Anthochorio, Gratini, Thrylorio, Kalhas, Karydia, Kikidio, Kosmio, Pandrosos, Aigeiros, Kallisti, Meleti, Neo Sidirochori and Mega Doukato (in Komotini municipality),

—

the municipal departments of Ipio, Arriana, Darmeni, Archontika, Fillyra, Ano Drosini, Aratos and the Community Departments Kehros and Organi (in Arriana municipality),

—

the municipal departments of Iasmos, Sostis, Asomatoi, Polyanthos and Amvrosia and the community department of Amaxades (in Iasmos municipality),

—

the municipal department of Amaranta (in Maroneia Sapon municipality),

—

in the regional unit of Evros:

—

the municipal departments of Kyriaki, Mandra, Mavrokklisi, Mikro Dereio, Protokklisi, Roussa, Goniko, Geriko, Sidirochori, Megalo Derio, Sidiro, Giannouli, Agriani and Petrolofos (in Soufli municipality),

—

the municipal departments of Dikaia, Arzos, Elaia, Therapio, Komara, Marasia, Ormenio, Pentalofos, Petrota, Plati, Ptelea, Kyprinos, Zoni, Fulakio, Spilaio, Nea Vyssa, Kavili, Kastanies, Rizia, Sterna, Ampelakia, Valtos, Megali Doxipara, Neochori and Chandras (in Orestiada municipality),

—

the municipal departments of Asvestades, Ellinochori, Karoti, Koufovouno, Kiani, Mani, Sitochori, Alepochori, Asproneri, Metaxades, Vrysika, Doksa, Elafoxori, Ladi, Paliouri and Poimeniko (in Didymoteixo municipality),

—

in the regional unit of Serres:

—

the municipal departments of Kerkini, Livadia, Makrynitsa, Neochori, Platanakia, Petritsi, Akritochori, Vyroneia, Gonimo, Mandraki, Megalochori, Rodopoli, Ano Poroia, Katw Poroia, Sidirokastro, Vamvakophyto, Promahonas, Kamaroto, Strymonochori, Charopo, Kastanousi and Chortero and the community departments of Achladochori, Agkistro and Kapnophyto (in Sintiki municipality),

—

the municipal departments of Serres, Elaionas and Oinoussa and the community departments of Orini and Ano Vrontou (in Serres municipality),

—

the municipal departments of Dasochoriou, Irakleia, Valtero, Karperi, Koimisi, Lithotopos, Limnochori, Podismeno and Chrysochorafa (in Irakleia municipality).

4.   Letland

De volgende beperkingszones I in Letland:

—

Dienvidkurzemes novada, Grobiņas pagasts, Nīcas pagasta daļa uz ziemeļiem no apdzīvotas vietas Bernāti, autoceļa V1232, A11, V1222, Bārtas upes, Otaņķu pagasts, Grobiņas pilsēta,

—

Ropažu novada Stopiņu pagasta daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones I in Litouwen:

—

Kalvarijos savivaldybė,

—

Klaipėdos rajono savivaldybė: Agluonėnų, Dovilų, Gargždų, Priekulės, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos,

—

Marijampolės savivaldybė,

—

Palangos miesto savivaldybė,

—

Vilkaviškio rajono savivaldybė.

6.   Hungary

De volgende beperkingszones I in Hongarije:

—

Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe,

—

Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950,

—

406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Győr-Moson-Sopron megye 100550, 100650, 100950, 101050, 101350, 101450, 101550, 101560 és 102150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251650, 251750, 251850, 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575150, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe.

7.   Poland

De volgende beperkingszones I in Polen:

w województwie kujawsko - pomorskim:

powiat rypiński,

powiat brodnicki,

powiat grudziądzki,

powiat miejski Grudziądz,

powiat wąbrzeski,

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Wielbark i Rozogi w powiecie szczycieńskim,

w województwie podlaskim:

gminy Wysokie Mazowieckie z miastem Wysokie Mazowieckie, Czyżew i część gminy Kulesze Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gminy Miastkowo, Nowogród, Śniadowo i Zbójna w powiecie łomżyńskim,

gminy Szumowo, Zambrów z miastem Zambrów i część gminy Kołaki Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Grabowo, Kolno i miasto Kolno, Turośl w powiecie kolneńskim,

w województwie mazowieckim:

powiat ostrołęcki,

powiat miejski Ostrołęka,

gminy Bielsk, Brudzeń Duży, Bulkowo, Drobin, Gąbin, Łąck, Nowy Duninów, Radzanowo, Słupno, Staroźreby i Stara Biała w powiecie płockim,

powiat miejski Płock,

powiat ciechanowski,

gminy Baboszewo, Dzierzążnia, Joniec, Nowe Miasto, Płońsk i miasto Płońsk, Raciąż i miasto Raciąż, Sochocin w powiecie płońskim,

powiat sierpecki,

gmina Bieżuń, Lutocin, Siemiątkowo i Żuromin w powiecie żuromińskim,

część powiatu ostrowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Dzieżgowo, Lipowiec Kościelny, Mława, Radzanów, Strzegowo, Stupsk, Szreńsk, Szydłowo, Wiśniewo w powiecie mławskim,

powiat przasnyski,

powiat makowski,

powiat pułtuski,

część powiatu wyszkowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu węgrowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu wołomińskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Mokobody i Suchożebry w powiecie siedleckim,

gminy Dobre, Jakubów, Kałuszyn, Stanisławów w powiecie mińskim,

gminy Bielany i gmina wiejska Sokołów Podlaski w powiecie sokołowskim,

powiat gostyniński,

w województwie podkarpackim:

powiat jasielski,

powiat strzyżowski,

część powiatu ropczycko – sędziszowskiego niewymieniona w części II i II załącznika I,

gminy Pruchnik, Rokietnica, Roźwienica, w powiecie jarosławskim,

gminy Fredropol, Krasiczyn, Krzywcza, Przemyśl, część gminy Orły położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77, część gminy Żurawica na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77 w powiecie przemyskim,

powiat miejski Przemyśl,

gminy Gać, Jawornik Polski, Kańczuga, część gminy Zarzecze położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

powiat łańcucki,

gminy Trzebownisko, Głogów Małopolski, część gminy Świlcza położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 94 i część gminy Sokołów Małopolski położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gmina Raniżów w powiecie kolbuszowskim,

gminy Brzostek, Jodłowa, Pilzno, miasto Dębica, część gminy Czarna położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Żyraków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy wiejskiej Dębica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

w województwie świętokrzyskim:

gminy Nowy Korczyn, Solec–Zdrój, Wiślica, Stopnica, Tuczępy, Busko Zdrój w powiecie buskim,

powiat kazimierski,

powiat skarżyski,

część powiatu opatowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu sandomierskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Bogoria, Osiek, Staszów i część gminy Rytwiany położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 764, część gminy Szydłów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 756 w powiecie staszowskim,

gminy Pawłów, Wąchock, część gminy Brody położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 oraz na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie, drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno - wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

powiat ostrowiecki,

gminy Fałków, Ruda Maleniecka, Radoszyce, Smyków, Słupia Konecka, część gminy Końskie położona na zachód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na południe od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Bodzentyn, Bieliny, Łagów, Morawica, Nowa Słupia, część gminy Raków położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 756 i 764, część gminy Chęciny położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 762, część gminy Górno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy łączącą miejscowości Leszczyna – Cedzyna oraz na południe od linii wyznaczonej przez ul. Kielecką w miejscowości Cedzyna biegnącą do wschodniej granicy gminy, część gminy Daleszyce położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 764 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Daleszyce – Słopiec – Borków, dalej na północ od linii wyznaczonej przez tę drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 764 do przecięcia z linią rzeki Belnianka, następnie na północ od linii wyznaczonej przez rzeki Belnianka i Czarna Nida biegnącej do zachodniej granicy gminy w powiecie kieleckim,

gminy Działoszyce, Michałów, Pińczów, Złota w powiecie pińczowskim,

gminy Imielno, Jędrzejów, Nagłowice, Sędziszów, Słupia, Sobków, Wodzisław w powiecie jędrzejowskim,

gminy Moskorzew, Radków, Secemin, część gminy Włoszczowa położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 742 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Konieczno, i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Konieczno – Rogienice – Dąbie – Podłazie, część gminy Kluczewsko położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy i łączącą miejscowości Krogulec – Nowiny - Komorniki do przecięcia z linią rzeki Czarna, następnie na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Czarna biegnącą do przecięcia z linią wyznaczoną przez drogę nr 742 i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 742 biegnącą od przecięcia z linią rzeki Czarna do południowej granicy gminy w powiecie włoszczowskim,

w województwie łódzkim:

gminy Łyszkowice, Kocierzew Południowy, Kiernozia, Chąśno, Nieborów, część gminy wiejskiej Łowicz położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 biegnącej od granicy miasta Łowicz do zachodniej granicy gminy oraz część gminy wiejskiej Łowicz położona na wschód od granicy miasta Łowicz i na północ od granicy gminy Nieborów w powiecie łowickim,

gminy Cielądz, Rawa Mazowiecka z miastem Rawa Mazowiecka w powiecie rawskim,

gminy Bolimów, Głuchów, Godzianów, Lipce Reymontowskie, Maków, Nowy Kawęczyn, Skierniewice, Słupia w powiecie skierniewickim,

powiat miejski Skierniewice,

gminy Mniszków, Paradyż, Sławno i Żarnów w powiecie opoczyńskim,

powiat tomaszowski,

powiat brzeziński,

powiat łaski,

powiat miejski Łódź,

powat łódzki wschodni,

powiat pabianicki,

powiat wieruszowski,

gminy Aleksandrów Łódzki, Stryków, miasto Zgierz w powiecie zgierskim,

gminy Bełchatów z miastem Bełchatów, Drużbice, Kluki, Rusiec, Szczerców, Zelów w powiecie bełchatowskim,

powiat wieluński,

powiat sieradzki,

powiat zduńskowolski,

gminy Aleksandrów, Czarnocin, Grabica, Moszczenica, Ręczno, Sulejów, Wola Krzysztoporska, Wolbórz w powiecie piotrkowskim,

powiat miejski Piotrków Trybunalski,

gminy Masłowice, Przedbórz, Wielgomłyny i Żytno w powiecie radomszczańskim,

w województwie śląskim:

gmina Koniecpol w powiecie częstochowskim,

w województwie pomorskim:

gminy Ostaszewo, miasto Krynica Morska oraz część gminy Nowy Dwór Gdański położona na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

gminy Lichnowy, Miłoradz, Malbork z miastem Malbork, część gminy Nowy Staw położna na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 w powiecie malborskim,

gminy Mikołajki Pomorskie, Stary Targ i Sztum w powiecie sztumskim,

powiat gdański,

Miasto Gdańsk,

powiat tczewski,

powiat kwidzyński,

w województwie lubuskim:

gmina Lubiszyn w powiecie gorzowskim,

gmina Dobiegniew w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

w województwie dolnośląskim:

gminy Dziadowa Kłoda, Międzybórz, Syców, Twardogóra, część gminy wiejskiej Oleśnica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dobroszyce położona na wschód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej do południowej granicy gminy w powiecie oleśnickim,

gminy Jordanów Śląski, Kobierzyce, Mietków, Sobótka, część gminy Żórawina położona na zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4, część gminy Kąty Wrocławskie położona na południe od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie wrocławskim,

część gminy Domaniów położona na południowy zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie oławskim,

gmina Wiązów w powiecie strzelińskim,

część powiatu średzkiego niewymieniona w części II załącznika I,

miasto Świeradów - Zdrój w powiecie lubańskim,

gminy Pielgrzymka, miasto Złotoryja, część gminy wiejskiej Złotoryja położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od północnej granicy gminy w miejscowości Nowa Wieś Złotoryjska do granicy miasta Złotoryja oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 382 biegnącą od granicy miasta Złotoryja do wschodniej granicy gminy w powiecie złotoryjskim,

gmina Mirsk w powiecie lwóweckim,

gminy Janowice Wielkie, Mysłakowice, Stara Kamienica w powiecie karkonoskim,

część powiatu miejskiego Jelenia Góra położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 366,

gminy Bolków, Męcinka, Mściwojów, Paszowice, miasto Jawor w powiecie jaworskim,

gminy Dobromierz, Jaworzyna Śląska, Marcinowice, Strzegom, Żarów w powiecie świdnickim,

gminy Dzierżoniów, Pieszyce, miasto Bielawa, miasto Dzierżoniów w powiecie dzierżoniowskim,

gminy Głuszyca, Mieroszów w powiecie wałbrzyskim,

gmina Nowa Ruda i miasto Nowa Ruda w powiecie kłodzkim,

gminy Kamienna Góra, Marciszów i miasto Kamienna Góra w powiecie kamiennogórskim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Koźmin Wielkopolski, Rozdrażew, miasto Sulmierzyce, część gminy Krotoszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 15 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 36, nr 36 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 15 do skrzyżowana z drogą nr 444, nr 444 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 36 do południowej granicy gminy w powiecie krotoszyńskim,

gminy Brodnica, część gminy Dolsk położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 434 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 437, a nastęnie na wschód od drogi nr 437 biegnącej od skrzyżowania z drogąnr 434 do południowej granicy gminy, część gminy Śrem położóna na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 310 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Śrem, następnie na wschód od drogi nr 432 w miejscowości Śrem oraz na wschód od drogi nr 434 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 432 do południowej granicy gminy w powiecie śremskim,

gminy Borek Wielkopolski, Piaski, Pogorzela, w powiecie gostyńskim,

gmina Grodzisk Wielkopolski i część gminy Kamieniec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gminy Czempiń, Kościan i miasto Kościan w powiecie kościańskim,

gminy Kleszczewo, Kostrzyn, Kórnik, Pobiedziska, Mosina, miasto Puszczykowo, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na południe od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gmina Kiszkowo i część gminy Kłecko położona na zachód od rzeki Mała Wełna w powiecie gnieźnieńskim,

powiat czarnkowsko-trzcianecki,

część gminy Wronki położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy w powiecie szamotulskim,

gmina Budzyń w powiecie chodzieskim,

gminy Mieścisko, Skoki i Wągrowiec z miastem Wągrowiec w powiecie wągrowieckim,

powiat pleszewski,

gmina Zagórów w powiecie słupeckim,

gmina Pyzdry w powiecie wrzesińskim,

gminy Kotlin, Żerków i część gminy Jarocin położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr S11 i 15 w powiecie jarocińskim,

powiat ostrowski,

powiat miejski Kalisz,

powiat kaliski,

powiat turecki,

gminy Rzgów, Grodziec, Krzymów, Stare Miasto, Rychwał w powiecie konińskim,

powiat kępiński,

powiat ostrzeszowski,

w województwie opolskim:

gminy Domaszowice, Pokój, część gminy Namysłów położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie namysłowskim,

gminy Wołczyn, Kluczbork, Byczyna w powiecie kluczborskim,

gminy Praszka, Gorzów Śląski część gminy Rudniki położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 42 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 43 i na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 43 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 42 w powiecie oleskim,

gmina Grodkóww powiecie brzeskim,

gminy Komprachcice, Łubniany, Murów, Niemodlin, Tułowice w powiecie opolskim,

powiat miejski Opole,

w województwie zachodniopomorskim:

gminy Nowogródek Pomorski, Barlinek, Myślibórz, część gminy Dębno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na północ od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na północ od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gmina Stare Czarnowo w powiecie gryfińskim,

gmina Bielice, Kozielice, Pyrzyce w powiecie pyrzyckim,

gminy Bierzwnik, Krzęcin, Pełczyce w powiecie choszczeńskim,

część powiatu miejskiego Szczecin położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Odra Zachodnia biegnącą od północnej granicy gminy do przecięcia z drogą nr 10, następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 10 biegnącą od przecięcia z linią wyznaczoną przez rzekę Odra Zachodnia do wschodniej granicy gminy,

gminy Dobra (Szczecińska), Kołbaskowo, Police w powiecie polickim,

w województwie małopolskim:

powiat brzeski,

powiat gorlicki,

powiat proszowicki,

część powiatu nowosądeckiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Czorsztyn, Krościenko nad Dunajcem, Ochotnica Dolna w powiecie nowotarskim,

powiat miejski Nowy Sącz,

powiat tarnowski,

powiat miejski Tarnów,

część powiatu dąbrowskiego niewymieniona w części III załącznika I.

8.   Slovakia

De volgende beperkingszones I in Slowakije:

—

in the district of Nové Zámky, Sikenička, Pavlová, Bíňa, Kamenín, Kamenný Most, Malá nad Hronom, Belá, Ľubá, Šarkan, Gbelce, Bruty, Mužla, Obid, Štúrovo, Nána, Kamenica nad Hronom, Chľaba, Leľa, Bajtava, Salka, Malé Kosihy,

—

in the district of Veľký Krtíš, the municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká nad Ipľom, Hrušov, Kleňany, Sečianky,

—

in the district of Levice, the municipalities of Keť, Čata, Pohronský Ruskov, Hronovce, Želiezovce, Zalaba, Malé Ludince, Šalov, Sikenica, Pastovce, Bielovce, Ipeľský Sokolec, Lontov, Kubáňovo, Sazdice, Demandice, Dolné Semerovce, Vyškovce nad Ipľom, Preseľany nad Ipľom, Hrkovce, Tupá, Horné Semerovce, Hokovce, Slatina, Horné Turovce, Veľké Turovce, Šahy, Tešmak, Plášťovce, Ipeľské Uľany, Bátovce, Pečenice, Jabloňovce, Bohunice, Pukanec, Uhliská,

—

in the district of Krupina, the municipalities of Dudince, Terany, Hontianske Moravce, Sudince, Súdovce, Lišov,

—

the whole district of Ružomberok,

—

in the region of Turčianske Teplice, municipalties of Turček, Horná Štubňa, Čremošné, Háj, Rakša, Mošovce,

—

in the district of Martin, municipalties of Blatnica, Folkušová, Necpaly,

—

in the district of Dolný Kubín, the municipalities of Kraľovany, Žaškov, Jasenová, Vyšný Kubín, Oravská Poruba, Leštiny, Osádka, Malatiná, Chlebnice, Krivá,

—

in the district of Tvrdošín, the municipalities of Oravský Biely Potok, Habovka, Zuberec,

—

in the district of Žarnovica, the municipalities of Rudno nad Hronom, Voznica, Hodruša-Hámre,

—

the whole district of Žiar nad Hronom, except municipalities included in zone II.

9.   Italy

De volgende beperkingszones I in Italië:

Piedmont Region:

in the province of Alessandria, the municipalities of Casalnoceto, Oviglio, Tortona, Viguzzolo, Ponti, Frugarolo, Bergamasco, Castellar Guidobono, Berzano Di Tortona, Castelletto D'erro, Cerreto Grue, Carbonara Scrivia, Casasco, Carentino, Frascaro, Paderna, Montegioco, Spineto Scrivia, Villaromagnano, Pozzolo Formigaro, Momperone, Merana, Monleale, Terzo, Borgoratto Alessandrino, Casal Cermelli, Montemarzino, Bistagno, Castellazzo Bormida, Bosco Marengo, Spigno Monferrato, Castelspina, Denice, Volpeglino, Alice Bel Colle, Gamalero, Volpedo, Pozzol Groppo, Montechiaro D'acqui, Sarezzano,

in the province of Asti, the municipalities of Olmo Gentile, Nizza Monferrato, Incisa Scapaccino, Roccaverano, Castel Boglione, Mombaruzzo, Maranzana, Castel Rocchero, Rocchetta Palafea, Castelletto Molina, Castelnuovo Belbo, Montabone, Quaranti, Mombaldone, Fontanile, Calamandrana, Bruno, Sessame, Monastero Bormida, Bubbio, Cassinasco, Serole,

Liguria Region:

in the province of Genova, the Municipalities of Rovegno, Rapallo, Portofino, Cicagna, Avegno, Montebruno, Santa Margherita Ligure, Favale Di Malvaro, Recco, Camogli, Moconesi, Tribogna, Fascia, Uscio, Gorreto, Fontanigorda, Neirone, Rondanina, Lorsica, Propata;

in the province of Savona, the municipalities of Cairo Montenotte, Quiliano, Dego, Altare, Piana Crixia, Mioglia, Giusvalla, Albissola Marina, Savona,

Emilia-Romagna Region:

in the province of Piacenza, the municipalities of Ottone, Zerba,

Lombardia Region:

in the province of Pavia, the municipalities of Rocca Susella, Montesegale, Menconico, Val Di Nizza, Bagnaria, Santa Margherita Di Staffora, Ponte Nizza, Brallo Di Pregola, Varzi, Godiasco, Cecima,

Lazio Region:

in the province of Rome,

North: the municipalities of Riano, Castelnuovo di Porto, Capena, Fiano Romano, Morlupo, Sacrofano, Magliano Romano, Formello, Campagnano di Roma, Anguillara;

West: the municipality of Fiumicino;

South: the municipality of Rome between the boundaries of the municipality of Fiumicino (West), the limits of Zone 3 (North), the Tiber river up to the intersection with the Grande Raccordo Anulare GRA Highway, the Grande Raccordo Anulare GRA Highway up to the intersection with A24 Highway, A24 Highway up to the intersection with Viale del Tecnopolo, viale del Tecnopolo up to the intersection with the boundaries of the municipality of Guidonia Montecelio;

East: the municipalities of Guidonia Montecelio, Montelibretti, Palombara Sabina, Monterotondo, Mentana, Sant’Angelo Romano, Fonte Nuova.

DEEL II

1.   Bulgaria

De volgende beperkingszones II in Bulgarije:

—

the whole region of Haskovo,

—

the whole region of Yambol,

—

the whole region of Stara Zagora,

—

the whole region of Pernik,

—

the whole region of Kyustendil,

—

the whole region of Plovdiv, excluding the areas in Part III,

—

the whole region of Pazardzhik, excluding the areas in Part III,

—

the whole region of Smolyan,

—

the whole region of Dobrich,

—

the whole region of Sofia city,

—

the whole region of Sofia Province,

—

the whole region of Blagoevgrad excluding the areas in Part III,

—

the whole region of Razgrad,

—

the whole region of Kardzhali,

—

the whole region of Burgas,

—

the whole region of Varna excluding the areas in Part III,

—

the whole region of Silistra,

—

the whole region of Ruse,

—

the whole region of Veliko Tarnovo,

—

the whole region of Pleven,

—

the whole region of Targovishte,

—

the whole region of Shumen,

—

the whole region of Sliven,

—

the whole region of Vidin,

—

the whole region of Gabrovo,

—

the whole region of Lovech,

—

the whole region of Montana,

—

the whole region of Vratza.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones II in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Grunow-Dammendorf,

Gemeinde Mixdorf

Gemeinde Schlaubetal,

Gemeinde Neuzelle,

Gemeinde Neißemünde,

Gemeinde Lawitz,

Gemeinde Eisenhüttenstadt,

Gemeinde Vogelsang,

Gemeinde Ziltendorf,

Gemeinde Wiesenau,

Gemeinde Friedland,

Gemeinde Siehdichum,

Gemeinde Müllrose,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Jacobsdorf

Gemeinde Groß Lindow,

Gemeinde Brieskow-Finkenheerd,

Gemeinde Ragow-Merz,

Gemeinde Beeskow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Stremmen, Ranzig, Trebatsch, Sabrodt, Sawall, Mitweide, Lindenberg, Falkenberg (T), Görsdorf (B), Wulfersdorf, Giesensdorf, Briescht, Kossenblatt und Tauche,

Gemeinde Langewahl,

Gemeinde Berkenbrück,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Arensdorf und Demitz und den Gemarkungen Steinhöfel, Hasenfelde und Heinersdorf östlich der L 36 und der Gemarkung Neuendorf im Sande südlich der L36,

Gemeinde Fürstenwalde östlich der B 168 und südlich der L36,

Gemeinde Diensdorf-Radlow,

Gemeinde Wendisch Rietz östlich des Scharmützelsees und nördlich der B 246,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Neu Golm und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow östlich des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze östlich der L35,

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Jamlitz,

Gemeinde Lieberose,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Goyatz, Jessern, Lamsfeld, Ressen, Speichrow und Zaue,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Schenkendöbern,

Gemeinde Guben,

Gemeinde Jänschwalde,

Gemeinde Tauer,

Gemeinde Peitz,

Gemeinde Turnow-Preilack mit der Gemarkung Preilack,

Gemeinde Teichland mit der Gemarkung Bärenbrück,

Gemeinde Heinersbrück,

Gemeinde Forst,

Gemeinde Groß Schacksdorf-Simmersdorf,

Gemeinde Neiße-Malxetal,

Gemeinde Jämlitz-Klein Düben,

Gemeinde Tschernitz,

Gemeinde Döbern,

Gemeinde Felixsee,

Gemeinde Wiesengrund,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen Groß Luja, Sellessen, Türkendorf, Graustein, Waldesdorf, Hornow, Schönheide, Lieskau, Bühlow, Groß Buckow, Jessen, Pulsberg, Roitz, Terpe und der Gemarkung Spremberg östlich der Tagebaurandstraße,

Gemeinde Welzow mit den Gemarkungen Proschim und Haidemühl,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kahsel, Bagenz, Drieschnitz, Gablenz, Laubsdorf, Komptendorf und Sergen und der Gemarkung Roggosen südlich der BAB 15,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Bleyen-Genschmar,

Gemeinde Neuhardenberg

Gemeinde Golzow,

Gemeinde Küstriner Vorland,

Gemeinde Alt Tucheband,

Gemeinde Reitwein,

Gemeinde Podelzig,

Gemeinde Gusow-Platkow,

Gemeinde Seelow,

Gemeinde Vierlinden,

Gemeinde Lindendorf,

Gemeinde Fichtenhöhe,

Gemeinde Lietzen,

Gemeinde Falkenhagen (Mark),

Gemeinde Zeschdorf,

Gemeinde Treplin,

Gemeinde Lebus,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Jahnsfelde, Trebnitz, Obersdorf, Münchehofe und Hermersdorf,

Gemeinde Märkische Höhe mit der Gemarkung Ringenwalde,

Gemeinde Bliesdorf mit der Gemarkung Metzdorf und Gemeinde Bliesdorf – östlich der B167 bis östlicher Teil, begrenzt aus Richtung Gemarkungsgrenze Neutrebbin südlich der Bahnlinie bis Straße „Sophienhof“ dieser westlich folgend bis „Ruesterchegraben“ weiter entlang Feldweg an den Windrädern Richtung „Herrnhof“, weiter entlang „Letschiner Hauptgraben“ nord-östlich bis Gemarkungsgrenze Alttrebbin und Kunersdorf – östlich der B167,

Gemeinde Bad Freienwalde mit den Gemarkungen Altglietzen, Altranft, Bad Freienwalde, Bralitz, Hohenwutzen, Schiffmühle, Hohensaaten und Neuenhagen,

Gemeinde Falkenberg mit der Gemarkung Falkenberg östlich der L35,

Gemeinde Oderaue,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Altwriezen, Jäckelsbruch, Neugaul, Beauregard, Eichwerder, Rathsdorf – östlich der B167 und Wriezen – östlich der B167,

Gemeinde Neulewin,

Gemeinde Neutrebbin,

Gemeinde Letschin,

Gemeinde Zechin,

Landkreis Barnim:

Gemeinde Lunow-Stolzenhagen,

Gemeinde Parsteinsee,

Gemeinde Oderberg,

Gemeinde Liepe,

Gemeinde Hohenfinow (nördlich der B167),

Gemeinde Niederfinow,

Gemeinde (Stadt) Eberswalde mit den Gemarkungen Eberswalde nördlich der B167 und östlich der L200, Sommerfelde und Tornow nördlich der B167,

Gemeinde Chorin mit den Gemarkungen Brodowin, Chorin östlich der L200, Serwest, Neuehütte, Sandkrug östlich der L200,

Gemeinde Ziethen mit der Gemarkung Klein Ziethen östlich der Serwester Dorfstraße und östlich der B198,

Landkreis Uckermark:

Gemeinde Angermünde mit den Gemarkungen Crussow, Stolpe, Gellmersdorf, Neukünkendorf, Bölkendorf, Herzsprung, Schmargendorf und den Gemarkungen Angermünde südlich und südöstlich der B2 und Dobberzin südlich der B2,

Gemeinde Schwedt mit den Gemarkungen Criewen, Zützen, Schwedt, Stendell, Kummerow, Kunow, Vierraden, Blumenhagen, Oderbruchwiesen, Enkelsee, Gatow, Hohenfelde, Schöneberg, Flemsdorf und der Gemarkung Felchow östlich der B2,

Gemeinde Pinnow südlich und östlich der B2,

Gemeinde Berkholz-Meyenburg,

Gemeinde Mark Landin mit der Gemarkung Landin südlich der B2,

Gemeinde Casekow mit der Gemarkung Woltersdorf und den Gemarkungen Biesendahlshof und Casekow östlich der L272 und südlich der L27,

Gemeinde Hohenselchow-Groß Pinnow mit der Gemarkung Groß Pinnow und der Gemarkung Hohenselchow südlich der L27,

Gemeinde Gartz (Oder) mit der Gemarkung Friedrichsthal und den Gemarkungen Gartz und Hohenreinkendorf südlich der L27 und B2 bis Gartenstraße,

Gemeinde Passow mit der Gemarkung Jamikow,

Kreisfreie Stadt Frankfurt (Oder),

Landkreis Prignitz:

Gemeinde Karstädt mit den Gemarkungen Neuhof und Kribbe und den Gemarkungen Groß Warnow, Klein Warnow, Reckenzin, Streesow und Dallmin östlich der Bahnstrecke Berlin/Spandau-Hamburg/Altona,

Gemeinde Berge,

Gemeinde Pirow mit den Gemarkungen Hülsebeck, Pirow, Bresch und Burow,

Gemeinde Putlitz mit den Gemarkungen Sagast, Nettelbeck, Porep, Lütkendorf, Putlitz, Weitgendorf und Telschow,

Gemeinde Marienfließ mit den Gemarkungen Jännersdorf, Stepenitz und Krempendorf,

Landkreis Oberspreewald-Lausitz:

Gemeinde Senftenberg mit der Gemarkung Peickwitz,

Gemeinde Hohenbocka,

Gemeinde Grünewald,

Gemeinde Hermsdorf,

Gemeinde Kroppen,

Gemeinde Ortrand,

Gemeinde Großkmehlen,

Gemeinde Lindenau,

Gemeinde Frauendorf,

Gemeinde Ruhland,

Gemeinde Guteborn

Gemeinde Schwarzbach mit der Gemarkung Schwarzbach,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen:

Gemeinde Arnsdorf nördlich der B6,

Gemeinde Burkau,

Gemeinde Crostwitz,

Gemeinde Demitz-Thumitz nördlich der S111,

Gemeinde Elsterheide,

Gemeinde Frankenthal,

Gemeinde Göda nördlich der S111,

Gemeinde Großdubrau,

Gemeinde Großharthau nördlich der B6,

Gemeinde Großnaundorf,

Gemeinde Haselbachtal,

Gemeinde Hochkirch nördlich der B6,

Gemeinde Königswartha,

Gemeinde Kubschütz nördlich der B6,

Gemeinde Laußnitz,

Gemeinde Lichtenberg,

Gemeinde Lohsa,

Gemeinde Malschwitz,

Gemeinde Nebelschütz,

Gemeinde Neukirch,

Gemeinde Neschwitz,

Gemeinde Ohorn,

Gemeinde Oßling,

Gemeinde Ottendorf-Okrilla,

Gemeinde Panschwitz-Kuckau,

Gemeinde Puschwitz,

Gemeinde Räckelwitz,

Gemeinde Radibor,

Gemeinde Ralbitz-Rosenthal,

Gemeinde Rammenau,

Gemeinde Schwepnitz,

Gemeinde Spreetal,

Gemeinde Stadt Bautzen nördlich der S111 bis Abzweig S 156 und nördlich des Verlaufs S 156 bis Abzweig B6 und nördlich des Verlaufs der B 6 bis zur östlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Bernsdorf,

Gemeinde Stadt Bischofswerda nördlich der B6 nördlich der S111,

Gemeinde Stadt Elstra,

Gemeinde Stadt Großröhrsdorf,

Gemeinde Stadt Hoyerswerda,

Gemeinde Stadt Kamenz,

Gemeinde Stadt Königsbrück,

Gemeinde Stadt Lauta,

Gemeinde Stadt Pulsnitz,

Gemeinde Stadt Radeberg nördlich der B6,

Gemeinde Stadt Weißenberg,

Gemeinde Stadt Wittichenau,

Gemeinde Steina,

Gemeinde Wachau,

Stadt Dresden:

Stadtgebiet nördlich der BAB4 bis zum Verlauf westlich der Elbe, dann nördlich der B6,

Landkreis Görlitz,

Landkreis Meißen:

Gemeinde Diera-Zehren östlich der Elbe,

Gemeinde Ebersbach,

Gemeinde Glaubitz östlich des Grödel-Elsterwerdaer-Floßkanals,

Gemeinde Klipphausen östlich der S177,

Gemeinde Lampertswalde,

Gemeinde Moritzburg,

Gemeinde Niederau östlich der B101,

Gemeinde Nünchritz östlich der Elbe und südlich des Grödel-Elsterwerdaer-Floßkanals,

Gemeinde Priestewitz,

Gemeinde Röderaue östlich des Grödel-Elsterwerdaer-Floßkanals,

Gemeinde Schönfeld,

Gemeinde Stadt Coswig,

Gemeinde Stadt Gröditz östlich des Grödel-Elsterwerdaer-Floßkanals,

Gemeinde Stadt Großenhain,

Gemeinde Stadt Meißen östlich des Straßenverlaufs der S177 bis zur B6, dann B6 bis zur B101, ab der B101 Elbtalbrücke Richtung Norden östlich der Elbe,

Gemeinde Stadt Radebeul,

Gemeinde Stadt Radeburg,

Gemeinde Thiendorf,

Gemeinde Weinböhla,

Gemeinde Wülknitz östlich des Grödel-Elsterwerdaer-Floßkanals,

Landkreis Sächsische Schweiz-Osterzgebirge:

Gemeinde Stadt Wilsdruff nördlich der BAB4 zwischen den Abfahren Wilsdruff und Dreieck Dresden-West,

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern:

Landkreis Ludwigslust-Parchim:

Gemeinde Balow mit dem Ortsteil: Balow,

Gemeinde Brunow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Bauerkuhl, Brunow (bei Ludwigslust), Klüß, Löcknitz (bei Parchim),

Gemeinde Dambeck mit dem Ortsteil und der Ortslage: Dambeck (bei Ludwigslust),

Gemeinde Ganzlin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Barackendorf, Hof Retzow, Klein Damerow, Retzow, Wangelin,

Gemeinde Gehlsbach mit den Ortsteilen und Ortslagen: Ausbau Darß, Darß, Hof Karbow, Karbow, Karbow-Ausbau, Quaßlin, Quaßlin Hof, Quaßliner Mühle, Vietlübbe, Wahlstorf

Gemeinde Groß Godems mit den Ortsteilen und Ortslagen: Groß Godems, Klein Godems,

Gemeinde Karrenzin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Herzfeld, Karrenzin, Karrenzin-Ausbau, Neu Herzfeld, Repzin, Wulfsahl,

Gemeinde Kreien mit den Ortsteilen und Ortslagen: Ausbau Kreien, Hof Kreien, Kolonie Kreien, Kreien, Wilsen,

Gemeinde Kritzow mit dem Ortsteil und der Ortslage: Benzin,

Gemeinde Lübz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Burow, Gischow, Meyerberg,

Gemeinde Möllenbeck mit den Ortsteilen und Ortslagen: Carlshof, Horst, Menzendorf, Möllenbeck,

Gemeinde Muchow mit dem Ortsteil und Ortslage: Muchow,

Gemeinde Parchim mit dem Ortsteil und Ortslage: Slate,

Gemeinde Prislich mit den Ortsteilen und Ortslagen: Marienhof, Neese, Prislich, Werle,

Gemeinde Rom mit dem Ortsteil und Ortslage: Klein Niendorf,

Gemeinde Ruhner Berge mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dorf Poltnitz, Drenkow, Griebow, Jarchow, Leppin, Malow, Malower Mühle, Marnitz, Mentin, Mooster, Poitendorf, Poltnitz, Suckow, Tessenow, Zachow,

Gemeinde Siggelkow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Groß Pankow, Klein Pankow, Neuburg, Redlin, Siggelkow,

Gemeinde Stolpe mit den Ortsteilen und Ortslagen: Barkow, Granzin, Stolpe Ausbau, Stolpe,

Gemeinde Ziegendorf mit den Ortsteilen und Ortslagen: Drefahl, Meierstorf, Neu Drefahl, Pampin, Platschow, Stresendorf, Ziegendorf,

Gemeinde Zierzow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Kolbow, Zierzow.

3.   Estland

De volgende beperkingszones II in Estland:

—

Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond).

4.   Letland

De volgende beperkingszones II in Letland:

—

Aizkraukles novads,

—

Alūksnes novads,

—

Augšdaugavas novads,

—

Ādažu novads,

—

Balvu novads,

—

Bauskas novads,

—

Cēsu novads,

—

Dienvidkurzemes novada Aizputes, Cīravas, Lažas, Durbes, Dunalkas, Tadaiķu, Vecpils, Bārtas, Sakas, Bunkas, Priekules, Gramzdas, Kalētu, Virgas, Dunikas, Vaiņodes, Gaviezes, Rucavas, Vērgales, Medzes pagasts, Nīcas pagasta daļa uz dienvidiem no apdzīvotas vietas Bernāti, autoceļa V1232, A11, V1222, Bārtas upes, Embūtes pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa P116, P106, autoceļa no apdzīvotas vietas Dinsdurbe, Kalvenes pagasta daļa uz rietumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz dienvidiem no autoceļa A9, uz rietumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz rietumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, Aizputes, Durbes, Pāvilostas, Priekules pilsēta,

—

Dobeles novads,

—

Gulbenes novads,

—

Jelgavas novads,

—

Jēkabpils novads,

—

Krāslavas novads,

—

Kuldīgas novada Alsungas, Ēdoles, Gudenieku, Īvandes, Kurmāles, Padures, Rumbas, Rendas, Kabiles, Vārmes, Pelču, Snēpeles, Turlavas pagasts, Laidu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1296, V1295, V1272, Raņķu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasta daļa uz ziemeļaustrumiem no Skrundas, Cieceres upes un Ventas upes, Kuldīgas pilsēta,

—

Ķekavas novads,

—

Limbažu novads,

—

Līvānu novads,

—

Ludzas novads,

—

Madonas novads,

—

Mārupes novads,

—

Ogres novads,

—

Olaines novads,

—

Preiļu novads,

—

Rēzeknes novads,

—

Ropažu novada Garkalnes, Ropažu pagasts, Stopiņu pagasta daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, Vangažu pilsēta,

—

Salaspils novads,

—

Saldus novads,

—

Saulkrastu novads,

—

Siguldas novads,

—

Smiltenes novads,

—

Talsu novads,

—

Tukuma novads,

—

Valkas novads,

—

Valmieras novads,

—

Varakļānu novads,

—

Ventspils novada Ances, Popes, Puzes, Tārgales, Vārves, Užavas, Usmas, Jūrkalnes pagasts, Ugāles pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1347, uz austrumiem no autoceļa P123, Ziru pagasta daļa uz rietumiem no autoceļa V1269, P108, Piltenes pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1310, V1309, autoceļa līdz Ventas upei, Piltenes pilsēta,

—

Daugavpils valstspilsētas pašvaldība,

—

Jelgavas valstspilsētas pašvaldība,

—

Jūrmalas valstspilsētas pašvaldība,

—

Rēzeknes valstspilsētas pašvaldība.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones II in Litouwen:

—

Alytaus miesto savivaldybė,

—

Alytaus rajono savivaldybė,

—

Anykščių rajono savivaldybė,

—

Akmenės rajono savivaldybė,

—

Birštono savivaldybė,

—

Biržų miesto savivaldybė,

—

Biržų rajono savivaldybė,

—

Druskininkų savivaldybė,

—

Elektrėnų savivaldybė,

—

Ignalinos rajono savivaldybė,

—

Jonavos rajono savivaldybė,

—

Joniškio rajono savivaldybė,

—

Jurbarko rajono savivaldybė,

—

Kaišiadorių rajono savivaldybė,

—

Kauno miesto savivaldybė,

—

Kauno rajono savivaldybė,

—

Kazlų rūdos savivaldybė,

—

Kelmės rajono savivaldybė,

—

Kėdainių rajono savivaldybė,

—

Klaipėdos rajono savivaldybė: Judrėnų, Endriejavo ir Veiviržėnų seniūnijos,

—

Kupiškio rajono savivaldybė,

—

Kretingos rajono savivaldybė,

—

Lazdijų rajono savivaldybė,

—

Mažeikių rajono savivaldybė,

—

Molėtų rajono savivaldybė,

—

Pagėgių savivaldybė,

—

Pakruojo rajono savivaldybė,

—

Panevėžio rajono savivaldybė,

—

Panevėžio miesto savivaldybė,

—

Pasvalio rajono savivaldybė,

—

Radviliškio rajono savivaldybė,

—

Rietavo savivaldybė,

—

Prienų rajono savivaldybė,

—

Plungės rajono savivaldybė,

—

Raseinių rajono savivaldybė,

—

Rokiškio rajono savivaldybė,

—

Skuodo rajono savivaldybė,

—

Šakių rajono savivaldybė: Griškabūdžio, Kriūkų, Kudirkos Naumiesčio, Lekėčių, Lukšių, Plokščių, Sintautų, Slavikų seniūnijos; Sudargo seniūnijos dalis, išskyrus Pervazninkų kaimą; Šakių seniūnijos dalis, išskyrus Juniškių, Bedalių, Zajošių, Kriaučėnų, Liukų, Gotlybiškių, Ritinių kaimus; Žvirgždaičių seniūnija,

—

Šalčininkų rajono savivaldybė,

—

Šiaulių miesto savivaldybė,

—

Šiaulių rajono savivaldybė,

—

Šilutės rajono savivaldybė,

—

Širvintų rajono savivaldybė,

—

Šilalės rajono savivaldybė,

—

Švenčionių rajono savivaldybė,

—

Tauragės rajono savivaldybė,

—

Telšių rajono savivaldybė,

—

Trakų rajono savivaldybė,

—

Ukmergės rajono savivaldybė,

—

Utenos rajono savivaldybė,

—

Varėnos rajono savivaldybė,

—

Vilniaus miesto savivaldybė,

—

Vilniaus rajono savivaldybė,

—

Visagino savivaldybė,

—

Zarasų rajono savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones II in Hongarije:

—

Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

—

Fejér megye 403150, 403160, 403250, 403260, 403350, 404250, 404550, 404560, 404570, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

—

Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

—

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Komárom-Esztergom megye: 250350, 250850, 250950, 251450, 251550, 251950, 252050, 252150, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

—

Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones II in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kalinowo, Stare Juchy, Prostki oraz gmina wiejska Ełk w powiecie ełckim,

powiat elbląski,

powiat miejski Elbląg,

powiat gołdapski,

powiat piski,

powiat bartoszycki,

powiat olecki,

powiat giżycki,

powiat braniewski,

powiat kętrzyński,

powiat lidzbarski,

gminy Dźwierzuty Jedwabno, Pasym, Świętajno, Szczytno i miasto Szczytno w powiecie szczycieńskim,

powiat mrągowski,

powiat węgorzewski,

powiat olsztyński,

powiat miejski Olsztyn,

powiat nidzicki,

gminy Kisielice, Susz, Zalewo w powiecie iławskim,

część powiatu ostródzkiego niewymieniona w części III załącznika I,

gmina Iłowo – Osada, część gminy wiejskiej Działdowo położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wchodniej do zachodniej granicy gminy, część gminy Płośnica położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wchodniej do zachodniej granicy gminy, część gminy Lidzbark położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 544 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 541 oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 541 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 544 w powiecie działdowskim,

w województwie podlaskim:

powiat bielski,

powiat grajewski,

powiat moniecki,

powiat sejneński,

gminy Łomża, Piątnica, Jedwabne, Przytuły i Wizna w powiecie łomżyńskim,

powiat miejski Łomża,

powiat siemiatycki,

powiat hajnowski,

gminy Ciechanowiec, Klukowo, Szepietowo, Kobylin-Borzymy, Nowe Piekuty, Sokoły i część gminy Kulesze Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gmina Rutki i część gminy Kołaki Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Mały Płock i Stawiski w powiecie kolneńskim,

powiat białostocki,

powiat suwalski,

powiat miejski Suwałki,

powiat augustowski,

powiat sokólski,

powiat miejski Białystok,

w województwie mazowieckim:

gminy Domanice, Korczew, Kotuń, Mordy, Paprotnia, Przesmyki, Siedlce, Skórzec, Wiśniew, Wodynie, Zbuczyn w powiecie siedleckim,

powiat miejski Siedlce,

gminy Ceranów, Jabłonna Lacka, Kosów Lacki, Repki, Sabnie, Sterdyń w powiecie sokołowskim,

powiat łosicki,

powiat sochaczewski,

powiat zwoleński,

powiat kozienicki,

powiat lipski,

powiat radomski

powiat miejski Radom,

powiat szydłowiecki,

gminy Lubowidz i Kuczbork Osada w powiecie żuromińskim,

gmina Wieczfnia Kościelna w powicie mławskim,

gminy Bodzanów, Słubice, Wyszogród i Mała Wieś w powiecie płockim,

powiat nowodworski,

gminy Czerwińsk nad Wisłą, Naruszewo, Załuski w powiecie płońskim,

gminy: miasto Kobyłka, miasto Marki, miasto Ząbki, miasto Zielonka, część gminy Tłuszcz ograniczona liniami kolejowymi: na północ od linii kolejowej biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Tłuszcz oraz na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy do miasta Tłuszcz, część gminy Jadów położona na północ od linii kolejowej biegnącej od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie wołomińskim,

powiat garwoliński,

gminy Boguty – Pianki, Brok, Zaręby Kościelne, Nur, Małkinia Górna, część gminy Wąsewo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 60, część gminy wiejskiej Ostrów Mazowiecka położona na południe od miasta Ostrów Mazowiecka i na południe od linii wyznaczonej przez drogę 60 biegnącą od zachodniej granicy miasta Ostrów Mazowiecka do zachodniej granicy gminy w powiecie ostrowskim,

część gminy Sadowne położona na północny- zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Łochów położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie węgrowskim,

gminy Brańszczyk, Długosiodło, Rząśnik, Wyszków, część gminy Zabrodzie położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie wyszkowskim,

gminy Cegłów, Dębe Wielkie, Halinów, Latowicz, Mińsk Mazowiecki i miasto Mińsk Mazowiecki, Mrozy, Siennica, miasto Sulejówek w powiecie mińskim,

powiat otwocki,

powiat warszawski zachodni,

powiat legionowski,

powiat piaseczyński,

powiat pruszkowski,

powiat grójecki,

powiat grodziski,

powiat żyrardowski,

powiat białobrzeski,

powiat przysuski,

powiat miejski Warszawa,

w województwie lubelskim:

powiat bialski,

powiat miejski Biała Podlaska,

gminy Batorz, Godziszów, Janów Lubelski, Modliborzyce w powiecie janowskim,

powiat puławski,

powiat rycki,

powiat łukowski,

powiat lubelski,

powiat miejski Lublin,

powiat lubartowski,

powiat łęczyński,

powiat świdnicki,

gminy Aleksandrów, Biszcza, Józefów, Księżpol, Łukowa, Obsza, Potok Górny, Tarnogród w powiecie biłgorajskim,

gminy Dołhobyczów, Mircze, Trzeszczany, Uchanie i Werbkowice w powiecie hrubieszowskim,

powiat krasnostawski,

powiat chełmski,

powiat miejski Chełm,

powiat tomaszowski,

część powiatu kraśnickiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat opolski,

powiat parczewski,

powiat włodawski,

powiat radzyński,

powiat miejski Zamość,

gminy Adamów, Grabowiec, Komarów – Osada, Krasnobród, Łabunie, Miączyn, Nielisz, Sitno, Skierbieszów, Stary Zamość, Zamość w powiecie zamojskim,

w województwie podkarpackim:

część powiatu stalowowolskiego niewymieniona w części III załącznika I,

gminy Cieszanów, Horyniec - Zdrój, Narol, Stary Dzików, Oleszyce, Lubaczów z miastem Lubaczów w powiecie lubaczowskim,

gminy Medyka, Stubno, część gminy Orły położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77, część gminy Żurawica na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77 w powiecie przemyskim,

gminy Chłopice, Jarosław z miastem Jarosław, Pawłosiów i Wiązownice w powiecie jarosławskim,

gmina Kamień w powiecie rzeszowskim,

gminy Cmolas, Dzikowiec, Kolbuszowa, Majdan Królewski i Niwiska powiecie kolbuszowskim,

powiat leżajski,

powiat niżański,

powiat tarnobrzeski,

gminy Adamówka, Sieniawa, Tryńcza, Przeworsk z miastem Przeworsk, Zarzecze w powiecie przeworskim,

część gminy Sędziszów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Ostrów nie wymieniona w części III załącznika I w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

w województwie małopolskim:

gminy Nawojowa, Piwniczna Zdrój, Rytro, Stary Sącz, część gminy Łącko położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Dunajec w powiecie nowosądeckim,

gmina Szczawnica w powiecie nowotarskim,

w województwie pomorskim:

gminy Dzierzgoń i Stary Dzierzgoń w powiecie sztumskim,

gmina Stare Pole, część gminy Nowy Staw położna na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 w powiecie malborskim,

gminy Stegny, Sztutowo i część gminy Nowy Dwór Gdański położona na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

w województwie świętokrzyskim:

gmina Tarłów i część gminy Ożarów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 74 biegnącą od miejscowości Honorów do zachodniej granicy gminy w powiecie opatowskim,

część gminy Brody położona wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 i na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie oraz przez drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno – wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

gmina Gowarczów, część gminy Końskie położona na wschód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na północ od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Dwikozy i Zawichost w powiecie sandomierskim,

w województwie lubuskim:

gminy Bogdaniec, Deszczno, Kłodawa, Kostrzyn nad Odrą, Santok, Witnica w powiecie gorzowskim,

powiat miejski Gorzów Wielkopolski,

gminy Drezdenko, Strzelce Krajeńskie, Stare Kurowo, Zwierzyn w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

powiat żarski,

powiat słubicki,

gminy Brzeźnica, Iłowa, Gozdnica, Wymiarki i miasto Żagań w powiecie żagańskim,

powiat krośnieński,

powiat zielonogórski

powiat miejski Zielona Góra,

powiat nowosolski,

część powiatu sulęcińskiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu międzyrzeckiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu świebodzińskiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat wschowski,

w województwie dolnośląskim:

powiat zgorzelecki,

gminy Gaworzyce, Grębocice, Polkowice i Radwanice w powiecie polkowickim,

część powiatu wołowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

gminy Rudna, Ścinawa, miasto Lubin i część gminy Lubin niewymieniona w części III załącznika I w powiecie lubińskim,

gmina Malczyce, Miękinia, Środa Śląska, część gminy Kostomłoty położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Udanin położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie średzkim,

gmina Wądroże Wielkie w powiecie jaworskim,

gminy Kunice, Legnickie Pole, Prochowice, Ruja w powiecie legnickim,

gminy Wisznia Mała, Trzebnica, Zawonia, część gminy Oborniki Śląskie położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 340 w powiecie trzebnickim,

gminy Leśna, Lubań i miasto Lubań, Olszyna, Platerówka, Siekierczyn w powiecie lubańskim,

powiat miejski Wrocław,

gminy Czernica, Długołęka, Siechnice, część gminy Żórawina położona na wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4, część gminy Kąty Wrocławskie położona na północ od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie wrocławskim,

gminy Jelcz - Laskowice, Oława z miastem Oława i część gminy Domaniów położona na północny wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie oławskim,

gmina Bierutów, miasto Oleśnica, część gminy wiejskiej Oleśnica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dobroszyce położona na zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej do południowej granicy gminy w powiecie oleśnickim,

gmina Cieszków, Krośnice, część gminy Milicz położona na wschód od linii łączącej miejscowości Poradów – Piotrkosice – Sulimierz – Sułów - Gruszeczka w powiecie milickim,

część powiatu bolesławieckiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat głogowski,

gmina Niechlów w powiecie górowskim,

gmina Świerzawa, Wojcieszów, część gminy Zagrodno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Jadwisin – Modlikowice Zagrodno oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 382 biegnącą od miejscowości Zagrodno do południowej granicy gminy w powiecie złotoryjskim,

gmina Gryfów Śląski, Lubomierz, Lwówek Śląski, Wleń w powiecie lwóweckim,

gminy Czarny Bór, Stare Bogaczowice, Walim, miasto Boguszów - Gorce, miasto Jedlina – Zdrój, miasto Szczawno – Zdrój w powiecie wałbrzyskim,

powiat miejski Wałbrzych,

gmina Świdnica, miasto Świdnica, miasto Świebodzice w powiecie świdnickim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Siedlec, Wolsztyn, część gminy Przemęt położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Borek – Kluczewo – Sączkowo – Przemęt – Błotnica – Starkowo – Boszkowo – Letnisko w powiecie wolsztyńskim,

gmina Wielichowo, Rakoniewice, Granowo, część gminy Kamieniec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

część powiatu międzychodzkiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu nowotomyskiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat obornicki,

część gminy Połajewo na położona na południe od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo - ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

powiat miejski Poznań,

gminy Buk, Czerwonak, Dopiewo, Komorniki, Rokietnica, Stęszew, Swarzędz, Suchy Las, Tarnowo Podgórne, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na północ od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gminy Duszniki, Kaźmierz, Obrzycko z miastem Obrzycko, Ostroróg, Szamotuły, część gminy Wronki położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, część gminy Pniewy położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 187 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 187 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo w powiecie szamotulskim,

gmina Pępowo w powiecie gostyńskim,

gminy Kobylin, Zduny, część gminy Krotoszyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 15 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 36, nr 36 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 15 do skrzyżowana z drogą nr 444, nr 444 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 36 do południowej granicy gminy w powiecie krotoszyńskim,

gmina Wijewo w powiecie leszczyńskim,

w województwie łódzkim:

gminy Białaczów, Drzewica, Opoczno i Poświętne w powiecie opoczyńskim,

gminy Biała Rawska, Regnów i Sadkowice w powiecie rawskim,

gmina Kowiesy w powiecie skierniewickim,

w województwie zachodniopomorskim:

gmina Boleszkowice i część gminy Dębno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na południe od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na południe od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Banie, Cedynia, Chojna, Gryfino, Mieszkowice, Moryń, Trzcińsko – Zdrój, Widuchowa w powiecie gryfińskim,

w województwie opolskim:

gminy Brzeg, Lubsza, Lewin Brzeski, Olszanka, Skarbimierz w powiecie brzeskim,

gminy Dąbrowa, Dobrzeń Wielki, Popielów w powiecie opolskim,

gminy Świerczów, Wilków, część gminy Namysłów położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie namysłowskim.

8.   Slovakia

De volgende beperkingszones II in Slowakije:

—

the whole district of Gelnica except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Poprad

—

the whole district of Spišská Nová Ves,

—

the whole district of Levoča,

—

the whole district of Kežmarok

—

in the whole district of Michalovce except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Košice-okolie,

—

the whole district of Rožnava,

—

the whole city of Košice,

—

the whole district of Sobrance,

—

the whole district of Vranov nad Topľou,

—

the whole district of Humenné except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Snina,

—

the whole district of Prešov except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Sabinov except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Svidník, except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Stropkov, except municipalities included in zone III,

—

the whole district of Bardejov,

—

the whole district of Stará Ľubovňa,

—

the whole district of Revúca,

—

the whole district of Rimavská Sobota except municipalities included in zone III,

—

in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities not included in part I,

—

the whole district of Lučenec,

—

the whole district of Poltár,

—

the whole district of Zvolen,

—

the whole district of Detva,

—

the whole district of Krupina, except municipalities included in zone I,

—

the whole district of Banska Stiavnica,

—

in the district of Žiar nad Hronom the municipalities of Hronská Dúbrava, Trnavá Hora,

—

the whole district of Banska Bystica,

—

the whole district of Brezno,

—

the whole district of Liptovsky Mikuláš.

9.   Italy

De volgende beperkingszones II in Italië:

Piedmont Region:

in the Province of Alessandria, the municipalities of Cavatore, Castelnuovo Bormida, Cabella Ligure, Carrega Ligure, Francavilla Bisio, Carpeneto, Costa Vescovato, Grognardo, Orsara Bormida, Pasturana, Melazzo, Mornese, Ovada, Predosa, Lerma, Fraconalto, Rivalta Bormida, Fresonara, Malvicino, Ponzone, San Cristoforo, Sezzadio, Rocca Grimalda, Garbagna, Tassarolo, Mongiardino Ligure, Morsasco, Montaldo Bormida, Prasco, Montaldeo, Belforte Monferrato, Albera Ligure, Bosio, Cantalupo Ligure, Castelletto D'orba, Cartosio, Acqui Terme, Arquata Scrivia, Parodi Ligure, Ricaldone, Gavi, Cremolino, Brignano-Frascata, Novi Ligure, Molare, Cassinelle, Morbello, Avolasca, Carezzano, Basaluzzo, Dernice, Trisobbio, Strevi, Sant'Agata Fossili, Pareto, Visone, Voltaggio, Tagliolo Monferrato, Casaleggio Boiro, Capriata D'orba, Castellania, Carrosio, Cassine, Vignole Borbera, Serravalle Scrivia, Silvano D'orba, Villalvernia, Roccaforte Ligure, Rocchetta Ligure, Sardigliano, Stazzano, Borghetto Di Borbera, Grondona, Cassano Spinola, Montacuto, Gremiasco, San Sebastiano Curone, Fabbrica Curone,

Liguria Region:

in the province of Genova, the municipalities of Bogliasco, Arenzano, Ceranesi, Ronco Scrivia, Mele, Isola Del Cantone, Lumarzo, Genova, Masone, Serra Riccò, Campo Ligure, Mignanego, Busalla, Bargagli, Savignone, Torriglia, Rossiglione, Sant'Olcese, Valbrevenna, Sori, Tiglieto, Campomorone, Cogoleto, Pieve Ligure, Davagna, Casella, Montoggio, Crocefieschi, Vobbia;

in the province of Savona, the municipalities of Albisola Superiore, Celle Ligure, Stella, Pontinvrea, Varazze, Urbe, Sassello,

DEEL III

1.   Bulgaria

De volgende beperkingszones III in Bulgarije:

—

in Blagoevgrad region:

—

the whole municipality of Sandanski

—

the whole municipality of Strumyani

—

the whole municipality of Petrich,

—

the Pazardzhik region:

—

the whole municipality of Pazardzhik,

—

the whole municipality of Panagyurishte,

—

the whole municipality of Lesichevo,

—

the whole municipality of Septemvri,

—

the whole municipality of Strelcha,

—

in Plovdiv region

—

the whole municipality of Hisar,

—

the whole municipality of Suedinenie,

—

the whole municipality of Maritsa

—

the whole municipality of Rodopi,

—

the whole municipality of Plovdiv,

—

in Varna region:

—

the whole municipality of Byala,

—

the whole municipality of Dolni Chiflik.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones III in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Uckermark:

Gemeinde Schenkenberg mit den Gemarkungen Wittenhof, Schenkenberg, Baumgarten und Ludwigsburg,

Gemeinde Randowtal mit den Gemarkungen Eickstedt und Ziemkendorf,

Gemeinde Grünow,

Gemeinde Uckerfelde,

Gemeinde Gramzow westlich der K7315,

Gemeinde Oberuckersee mit den Gemarkungen Melzow, Warnitz, Blankenburg, Seehausen, Potzlow

Gemeinde Nordwestuckermark mit den Gemarkungen Zollchow, Röpersdorf, Louisenthal, Sternhagen, Schmachtenhagen, Lindenhagen, Beenz (NWU), Groß-Sperrenwalde und Thiesort-Mühle,

Gemeinde Prenzlau mit den Gemarkungen Blindow, Ellingen, Klinkow, Basedow, Güstow, Seelübbe und die Gemarkung Prenzlau.

3.   Italy

De volgende beperkingszones III in Italië:

—

Sardinia Region: the whole territory

—

Lazio Region: the Area of the Municipality of Rome within the administrative boundaries of the Local Heatlh Unit “ASL RM1”.

4.   Letland

De volgende beperkingszones III in Letland:

—

Dienvidkurzemes novada Embūtes pagasta daļa uz ziemeļiem autoceļa P116, P106, autoceļa no apdzīvotas vietas Dinsdurbe, Kalvenes pagasta daļa uz austrumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz ziemeļiem no autoceļa A9, uz austrumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz austrumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296,

—

Kuldīgas novada Rudbāržu, Nīkrāces pagasts, Laidu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1296, V1295, V1272, Raņķu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasts (izņemot pagasta daļu uz ziemeļaustrumiem no Skrundas, Cieceres upes un Ventas upes), Skrundas pilsēta,

—

Ventspils novada Zlēku pagasts, Ugāles pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1347, uz rietumiem no autoceļa P123, Ziru pagasta daļa uz austrumiem no autoceļa V1269, P108, Piltenes pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1310, V1309, autoceļa līdz Ventas upei.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones II in Litouwen:

—

Šakių rajono savivaldybė: Kidulių ir Gelgaudiškio seniūnijos; Šakių seniūnija: Juniškių, Bedalių, Zajošių, Kriaučėnų, Liukų, Gotlybiškių, Ritinių kaimai; Sudargo seniūnija: Pervazninkų kaimas.

6.   Polen

De volgende beperkingszones III in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

część powiatu działdowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu iławskiego niewymieniona w części II załącznika I,

powiat nowomiejski,

gminy Dąbrówno, Grunwald i Ostróda z miastem Ostróda w powiecie ostródzkim,

w województwie lubelskim:

gminy Radecznica, Sułów, Szczebrzeszyn, Zwierzyniec w powiecie zamojskim,

gminy Biłgoraj z miastem Biłgoraj, Goraj, Frampol, Tereszpol i Turobin w powiecie biłgorajskim,

gminy Horodło, Hrubieszów z miastem Hrubieszów w powiecie hrubieszowskim,

gminy Dzwola, Chrzanów i Potok Wielki w powiecie janowskim,

gminy Gościeradów i Trzydnik Duży w powiecie kraśnickim,

w województwie podkarpackim:

powiat mielecki,

gminy Radomyśl nad Sanem i Zaklików w powiecie stalowowolskim,

część gminy Ostrów położona na północ od drogi linii wyznaczonej przez drogę nr A4 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 986, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 986 biegnącą od tego skrzyżowania do miejscowości Osieka i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Osieka_- Blizna w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

część gminy Czarna położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Żyraków położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy wiejskiej Dębica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim

gmina Wielkie Oczy w powiecie lubaczowskim,

gminy Laszki, Radymno z miastem Radymno, w powiecie jarosławskim,

w województwie lubuskim:

gminy Małomice, Niegosławice, Szprotawa, Żagań w powiecie żagańskim,

gmina Sulęcin w powiecie sulęcińskim,

gminy Bledzew, Międzyrzecz, Pszczew, Trzciel w powiecie międzyrzeckim,

część gminy Lubrza położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Łagów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Świebodzin położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 w powiecie świebodzińskim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Krzemieniewo, Lipno, Osieczna, Rydzyna, Święciechowa, Włoszakowice w powiecie leszczyńskim,

powiat miejski Leszno,

gminy Kościan i miasto Kościan, Krzywiń, Śmigiel w powiecie kościańskim,

część gminy Dolsk położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 434 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 437, a następnie na zachód od drogi nr 437 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 434 do południowej granicy gminy, część gminy Śrem położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 310 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Śrem, następnie na zachód od drogi nr 432 w miejscowości Śrem oraz na zachód od drogi nr 434 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 432 do południowej granicy gminy w powiecie śremskim,

gminy Gostyń, Krobia i Poniec w powiecie gostyńskim,

część gminy Przemęt położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Borek – Kluczewo – Sączkowo – Przemęt – Błotnica – Starkowo – Boszkowo – Letnisko w powiecie wolsztyńskim,

gminy Krobia i Poniec w powiecie gostyńskim,

powiat rawicki,

gminy Kuślin, Lwówek, Miedzichowo, Nowy Tomyśl w powiecie nowotomyskim,

gminy Chrzypsko Wielkie, Kwilcz w powiecie międzychodzkim,

część gminy Pniewy położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 187 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 187 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo w powiecie szamotulskim,

w województwie dolnośląskim:

część powiatu górowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część gminy Lubin położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 335 biegnącą od zachodniej granicy gminy do granicy miasta Lubin oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 333 biegnącą od granicy miasta Lubin do południowej granicy gminy w powiecie lubińskim

gminy Prusice, Żmigród, część gminy Oborniki Śląskie położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 340 w powiecie trzebnickim,

część gminy Zagrodno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Jadwisin – Modlikowice - Zagrodno oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 382 biegnącą od miejscowości Zagrodno do południowej granicy gminy, część gminy wiejskiej Złotoryja położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od północnej granicy gminy w miejscowości Nowa Wieś Złotoryjska do granicy miasta Złotoryja oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 382 biegnącą od granicy miasta Złotoryja do wschodniej granicy gminy w powiecie złotoryjskim

gminy Gromadka i Osiecznica w powiecie bolesławieckim,

gminy Chocianów i Przemków w powiecie polkowickim,

gminy Chojnów i miasto Chojnów, Krotoszyce, Miłkowice w powiecie legnickim,

powiat miejski Legnica,

część gminy Wołów położona na wschód od linii wyznaczonej przez lnię kolejową biegnącą od północnej do południowej granicy gminy, część gminy Wińsko położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 36 biegnącą od północnej do zachodniej granicy gminy, część gminy Brzeg Dolny położona na wschód od linii wyznaczonej przez linię kolejową od północnej do południowej granicy gminy w powiecie wołowskim,

część gminy Milicz położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Poradów – Piotrkosice - Sulimierz-Sułów - Gruszeczka w powiecie milickim,

w województwie świętokrzyskim:

gminy Gnojno, Pacanów w powiecie buskim,

gminy Łubnice, Oleśnica, Połaniec, część gminy Rytwiany położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 764, część gminy Szydłów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 756 w powiecie staszowskim,

gminy Chmielnik, Masłów, Miedziana Góra, Mniów, Łopuszno, Piekoszów, Pierzchnica, Sitkówka-Nowiny, Strawczyn, Zagnańsk, część gminy Raków położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 756 i 764, część gminy Chęciny położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 762, część gminy Górno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy łączącą miejscowości Leszczyna – Cedzyna oraz na północ od linii wyznczonej przez ul. Kielecką w miejscowości Cedzyna biegnącą do wschodniej granicy gminy, część gminy Daleszyce położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 764 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Daleszyce – Słopiec – Borków, dalej na południe od linii wyznaczonej przez tę drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 764 do przecięcia z linią rzeki Belnianka, następnie na południe od linii wyznaczonej przez rzeki Belnianka i Czarna Nida biegnącej do zachodniej granicy gminy w powiecie kieleckim,

powiat miejski Kielce,

gminy Krasocin, część gminy Włoszczowa położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 742 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Konieczno, i dalej na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Konieczno – Rogienice – Dąbie – Podłazie, część gminy Kluczewsko położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy i łączącą miejscowości Krogulec – Nowiny - Komorniki do przecięcia z linią rzeki Czarna, następnie na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Czarna biegnącą do przecięcia z linią wyznaczoną przez drogę nr 742 i dalej na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 742 biegnącą od przecięcia z linią rzeki Czarna do południowej granicy gminyw powiecie włoszczowskim,

gmina Kije w powiecie pińczowskim,

gminy Małogoszcz, Oksa w powiecie jędrzejowskim,

w województwie małopolskim:

gminy Dąbrowa Tarnowska, Radgoszcz, Szczucin w powiecie dąbrowskim.

7.   Roemenië

De volgende beperkingszones III in Roemenië:

—

Zona orașului București,

—

Județul Constanța,

—

Județul Satu Mare,

—

Județul Tulcea,

—

Județul Bacău,

—

Județul Bihor,

—

Județul Bistrița Năsăud,

—

Județul Brăila,

—

Județul Buzău,

—

Județul Călărași,

—

Județul Dâmbovița,

—

Județul Galați,

—

Județul Giurgiu,

—

Județul Ialomița,

—

Județul Ilfov,

—

Județul Prahova,

—

Județul Sălaj,

—

Județul Suceava

—

Județul Vaslui,

—

Județul Vrancea,

—

Județul Teleorman,

—

Judeţul Mehedinţi,

—

Județul Gorj,

—

Județul Argeș,

—

Judeţul Olt,

—

Judeţul Dolj,

—

Județul Arad,

—

Județul Timiș,

—

Județul Covasna,

—

Județul Brașov,

—

Județul Botoșani,

—

Județul Vâlcea,

—

Județul Iași,

—

Județul Hunedoara,

—

Județul Alba,

—

Județul Sibiu,

—

Județul Caraș-Severin,

—

Județul Neamț,

—

Județul Harghita,

—

Județul Mureș,

—

Județul Cluj,

—

Județul Maramureş.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones III in Slowakije:

—

The whole district of Trebišov’,

—

The whole district of Vranov and Topľou,

—

In the district of Humenné: Lieskovec, Myslina, Humenné, Jasenov, Brekov, Závadka, Topoľovka, Hudcovce, Ptičie, Chlmec, Porúbka, Brestov, Gruzovce, Ohradzany, Slovenská Volová, Karná, Lackovce, Kochanovce, Hažín nad Cirochou, Závada, Nižná Sitnica, Vyšná Sitnica, Rohožník, Prituľany, Ruská Poruba, Ruská Kajňa,

—

In the district of Michalovce: Strážske, Staré, Oreské, Zbudza, Voľa, Nacina Ves, Pusté Čemerné, Lesné, Rakovec nad Ondavou, Petríkovce, Oborín, Veľké Raškovce, Beša,

—

In the district of Rimavská Sobota: Jesenské, Gortva, Hodejov, Hodejovec, Širkovce, Šimonovce, Drňa, Hostice, Gemerské Dechtáre, Jestice, Dubovec, Rimavské Janovce, Rimavská Sobota, Belín, Pavlovce, Sútor, Bottovo, Dúžava, Mojín, Konrádovce, Čierny Potok, Blhovce, Gemerček, Hajnáčka,

—

In the district of Gelnica: Hrišovce, Jaklovce, Kluknava, Margecany, Richnava,

—

In the district Of Sabinov: Daletice,

—

In the district of Prešov: Hrabkov, Krížovany, Žipov, Kvačany, Ondrašovce, Chminianske Jakubovany, Klenov, Bajerov, Bertotovce, Brežany, Bzenov, Fričovce, Hendrichovce, Hermanovce, Chmiňany, Chminianska Nová Ves, Janov, Jarovnice, Kojatice, Lažany, Mikušovce, Ovčie, Rokycany, Sedlice, Suchá Dolina, Svinia, Šindliar, Široké, Štefanovce, Víťaz, Župčany,

—

the whole district of Medzilaborce,

—

In the district of Stropkov: Havaj, Malá Poľana, Bystrá, Mikové, Varechovce, Vladiča, Staškovce, Makovce, Veľkrop, Solník, Korunková, Bukovce, Krišľovce, Jakušovce, Kolbovce,

—

In the district of Svidník: Pstruša.

”.

BESLUITEN

19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/119


BESLUIT (EU) 2022/1235 VAN DE RAAD

van 12 juli 2022

betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Door middel van Besluit 2005/781/EG (1) heeft de Raad de sluiting goedgekeurd van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (2) (de “overeenkomst”).

(2)

Overeenkomstig artikel XII van de overeenkomst is de overeenkomst in werking getreden op de datum waarop beide partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hadden gesteld dat hun respectieve interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van de overeenkomst, waren voltooid, namelijk 7 augustus 2007. De overeenkomst is gesloten voor een initiële duur van vijf jaar en kan met instemming van beide partijen, na een evaluatie tijdens het voorlaatste jaar van elke successieve periode, worden verlengd.

(3)

De Raad heeft tweemaal de verlenging van de overeenkomst met een nieuwe periode van vijf jaar goedgekeurd, door middel van de Besluiten 2012/646/EU (3) en (EU) 2018/343 (4).

(4)

De briefwisseling tussen de partijen, d.d. 11 mei 2021 en 24 mei 2021, bevestigt dat zij de overeenkomst met nog eens vijf jaar wensen te verlengen.

(5)

De verlenging van de overeenkomst moet namens de Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië met een nieuwe periode van vijf jaar wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om namens de Unie en overeenkomstig artikel XII, lid 2, van de overeenkomst, de regering van de Federale Republiek Brazilië ervan in kennis te stellen dat de Unie haar interne procedures, nodig voor de verlenging van deze overeenkomst, heeft voltooid.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

Z. STANJURA


(1)  Besluit 2005/781/EG van de Raad van 6 juni 2005 betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (PB L 295 van 11.11.2005, blz. 37).

(2)   PB L 295 van 11.11.2005, blz. 38.

(3)  Besluit 2012/646/EU van de Raad van 10 oktober 2012 betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (PB L 287 van 18.10.2012, blz. 4).

(4)  Besluit (EU) 2018/343 van de Raad van 5 maart 2018 betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (PB L 67 van 9.3.2018, blz. 1).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/121


BESLUIT (GBVB) 2022/1236 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

betreffende een steunmaatregel in het kader van de Europese Vredesfaciliteit ter ondersteuning van de Nigerese strijdkrachten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, en artikel 41, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit (GBVB) 2021/509 van de Raad (1) werd de Europese Vredesfaciliteit (European Peace Facility — EPF) opgericht voor de financiering door de lidstaten van acties van de Unie uit hoofde van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid die tot doel hebben de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken, overeenkomstig artikel 21, lid 2, punt c), van het Verdrag. De EPF kan meer in het bijzonder krachtens artikel 1, lid 2, van Besluit (GBVB) 2021/509 acties financieren ter versterking van de capaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties op militair en defensiegebied.

(2)

Niger speelt een grote rol in belangrijke regionale, Europese en internationale initiatieven ter versterking van de vrede en de ontwikkeling in de Sahel, waaronder de geïntegreerde strategie van de Unie voor de Sahel, de Coalitie voor de Sahel, het partnerschap voor veiligheid en stabiliteit in de Sahel (P3S) en de Alliance Sahel. De internationale gemeenschap, met inbegrip van de Unie, heeft de afgelopen jaren aanzienlijke inspanningen geleverd om de Republiek Niger te ondersteunen in haar strijd tegen het terrorisme. De Unie zet zich in voor nauwe betrekkingen ter ondersteuning van het leger en de defensie in Niger.

(3)

Niger is een belangrijk land in de Sahel voor de Unie wat betreft de aanpak van veiligheids- en migratiekwesties. De Unie heeft een sterk partnerschap met de regering van Niger, dat gericht is op langetermijnontwikkeling door middel van een alomvattende en geïntegreerde aanpak.

(4)

In zijn brief van 25 maart 2022 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (“de hoge vertegenwoordiger”) heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken van Niger de Unie verzocht steun te verlenen aan de Nigerese strijdkrachten (Forces armées nigeriennes — FAN), op een prioritair gebied en mogelijk in samenhang met een missie van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die gemachtigd is in Niger te werken.

(5)

Steunmaatregelen moeten worden uitgevoerd rekening houdend met de beginselen en voorschriften van Besluit (GBVB) 2021/509, en met name met inachtneming van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad (2), en in overeenstemming met de voorschriften voor de uitvoering van ontvangsten en uitgaven die in het kader van de EPF worden gefinancierd.

(6)

De uitvoering gebeurt onder voorbehoud van een regelmatige evaluatie van de politieke ontwikkelingen in Niger, in overeenstemming met het geïntegreerd methodisch kader voor de beoordeling en vaststelling van de vereiste maatregelen en controles voor steunmaatregelen in het kader van de EPF. De uitvoering mag met name niet in strijd zijn met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten.

(7)

De Raad bevestigt vastbesloten te zijn de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de democratische beginselen te beschermen, te bevorderen en na te leven, de rechtsstaat en goed bestuur te versterken in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties, met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en met het internationaal recht, met name het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Instelling, doelstellingen, reikwijdte en duur

1.   Bij dit besluit wordt een steunmaatregel ten gunste van de Republiek Niger (“de begunstigde”) ingesteld, die wordt gefinancierd in het kader van de Europese Vredesfaciliteit (EPF) (de “steunmaatregel”).

2.   De steunmaatregel heeft als doelstelling de vermogens en weerbaarheid van de FAN te versterken om hen in staat te stellen de territoriale integriteit en de soevereiniteit van Niger te verdedigen en de burgerbevolking beter te beschermen tegen met name de toenemende terreurdreiging.

3.   Ter verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstelling, worden met de steunmaatregel de volgende twee componenten gefinancierd:

a)

de oprichting van een opleidingscentrum voor technici van de strijdkrachten (Centre de Formation des Techniciens des Armées — CFTA) om de capaciteiten van de FAN op het gebied van logistieke ondersteuning te centraliseren, te versterken en beter te structureren, en

b)

de bouw van een operationele voorpost (base opérationelle avancée — BOA) om de kwetsbaarheid van de FAN in de regio Tillabéri te verminderen.

4.   De steunmaatregel heeft een looptijd van 36 maanden vanaf de datum van sluiting van het contract tussen de beheerder voor steunmaatregelen, die optreedt als ordonnateur, en de in artikel 4, lid 2, van dit besluit bedoelde entiteit overeenkomstig artikel 32, lid 2, punt a), van Besluit (GBVB) 2021/509.

Artikel 2

Financiële regelingen

1.   Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met de steunmaatregel bedraagt 25 000 000 EUR.

2.   De uitgaven worden beheerd overeenkomstig Besluit (GBVB) 2021/509 en de voorschriften voor de uitvoering van de in het kader van de EPF gefinancierde ontvangsten en uitgaven.

Artikel 3

Regelingen met de begunstigde

1.   De hoge vertegenwoordiger treft de nodige regelingen met de begunstigde om ervoor te zorgen dat deze zich houdt aan het internationaal recht, met name het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, en aan artikel 62, lid 2, van Besluit (GBVB) 2021/509, als voorwaarde voor de steunverlening in het kader van de steunmaatregel.

2.   De in lid 1 bedoelde regelingen omvatten bepalingen die de begunstigde ertoe verplichten ervoor te zorgen dat:

a)

de eenheden van de FAN het toepasselijke internationale recht naleven, met name de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht, en dat de Nigerese regering zich ertoe verbindt de bestrijding van corruptie op te voeren;

b)

de in het kader van de steunmaatregel verstrekte activa goed en efficiënt worden ingezet voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;

c)

de in het kader van de steunmaatregel verstrekte activa voldoende worden onderhouden zodat deze gedurende hun gehele levensduur bruikbaar en operationeel beschikbaar blijven;

d)

de in het kader van de steunmaatregel verstrekte activa aan het einde van hun levensduur niet verloren gaan of zonder toestemming van het bij Besluit (GBVB) 2021/509 ingestelde comité van de faciliteit worden overgedragen aan andere personen of entiteiten dan die welke in die regelingen zijn vermeld.

3.   De in lid 1 bedoelde regelingen bevatten bepalingen inzake opschorting en beëindiging van de steun in het kader van de steunmaatregel indien blijkt dat de begunstigde de in lid 2 bedoelde verplichtingen niet nakomt.

Artikel 4

Uitvoering

1.   De hoge vertegenwoordiger is ervoor verantwoordelijk dat dit besluit wordt uitgevoerd overeenkomstig Besluit (GBVB) 2021/509 en de voorschriften voor de uitvoering van de ontvangsten en uitgaven die in het kader van de EPF worden gefinancierd, op een wijze die strookt met het geïntegreerd methodisch kader voor de beoordeling en vaststelling van de vereiste maatregelen en controles voor steunmaatregelen in het kader van de EPF.

2.   De uitvoering van de in artikel 1, lid 3, bedoelde activiteiten wordt toevertrouwd aan Expertise France.

Artikel 5

Toezicht, controle en evaluatie

1.   De hoge vertegenwoordiger zorgt ervoor dat erop wordt toegezien dat de begunstigde de in artikel 3 bepaalde verplichtingen nakomt. Dat toezicht verschaft kennis over de context van en het risico op niet-nakoming van de overeenkomstig artikel 3 bepaalde verplichtingen, en draagt bij aan de voorkoming van zulke gevallen, onder meer van schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door de eenheden van de FAN, waarbij gebruikgemaakt wordt van de in het kader van de steunmaatregel geleverde uitrusting.

2.   Na verzending worden de uitrusting en leveringen als volgt georganiseerd:

a)

leveringsbevestiging, waarbij de eindgebruiker de leveringscertificaten op het moment van eigendomsoverdracht tekent;

b)

verslaglegging over de inventaris, waarbij de begunstigde jaarlijks verslag uitbrengt over de inventaris van aangewezen goederen, totdat het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) dergelijke verslaglegging niet langer nodig acht;

c)

controle ter plaatse, waarbij de begunstigde de hoge vertegenwoordiger op diens verzoek toegang verleent om ter plaatse een controle uit te voeren.

3.   De hoge vertegenwoordiger voert een evaluatie uit in de vorm van een gestructureerde eerste beoordeling van de steunmaatregel, zes maanden na de voltooiing van de oprichting van het CFTA en de bouw van de BOA. Indien nodig, kan deze evaluatie bestaan in bezoeken ter plaatse om de infrastructuur, uitrusting en voorraden die in het kader van de steunmaatregel zijn geleverd, te inspecteren, of in andere doeltreffende vormen van onafhankelijk verstrekte informatie. Na voltooiing van de steunmaatregel wordt een eindevaluatie opgesteld teneinde te beoordelen of de steunmaatregel bijgedragen heeft tot het behalen van de geformuleerde doelstellingen.

Artikel 6

Verslaglegging

Gedurende de uitvoeringsperiode brengt de hoge vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 63 van Besluit (GBVB) 2021/509 halfjaarlijks verslag uit aan het PVC over de uitvoering van de maatregel. De beheerder voor steunmaatregelen brengt het bij Besluit (GBVB) 2021/509 ingestelde comité van de faciliteit overeenkomstig artikel 38 van dat besluit regelmatig op de hoogte van de uitvoering van de ontvangsten en uitgaven, onder meer door informatie te verstrekken over de betrokken leveranciers en onderaannemers.

Artikel 7

Opschorting en beëindiging

1.   Het PVC kan overeenkomstig artikel 64 van Besluit (GBVB) 2021/509 besluiten de uitvoering van de steunmaatregel geheel of gedeeltelijk op te schorten.

2.   Het PVC kan de Raad aanbevelen de steunmaatregel te beëindigen.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit (GBVB) 2021/509 van de Raad van 22 maart 2021 tot oprichting van een Europese Vredesfaciliteit, en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2015/528 (PB L 102 van 24.3.2021, blz. 14).

(2)  Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/125


BESLUIT (GBVB) 2022/1237 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2018/907 tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 7 juli 2003 besloten een speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de zuidelijke Kaukasus te benoemen.

(2)

De Raad heeft op 13 november 2017 Besluit (GBVB) 2017/2071 (1) vastgesteld, waarbij de heer Toivo KLAAR werd benoemd tot SVEU voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië. Het mandaat van de SVEU is daarna meermaals verlengd, laatstelijk bij Besluit (GBVB) 2022/251 van de Raad (2), en verstrijkt op 31 augustus 2022.

(3)

Het mandaat van de SVEU moet met twaalf maanden worden verlengd, en voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2023 moet een nieuw financieel referentiebedrag worden vastgesteld.

(4)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (GBVB) 2018/907 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie

Het mandaat van de heer Toivo KLAAR als speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië (zuidelijke Kaukasus) wordt verlengd tot en met 31 augustus 2023. De Raad kan, op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV), besluiten dat het mandaat van de SVEU eerder wordt beëindigd.”.

2)

Aan artikel 5, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2023 beloopt 2 912 000 EUR.”.

3)

In artikel 14, eerste alinea, wordt de tweede zin vervangen door:

“De SVEU legt de Raad, de HV en de Commissie periodieke voortgangsverslagen voor, en uiterlijk op 31 mei 2023 een uitvoerig verslag over de uitvoering van het mandaat.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit (GBVB) 2017/2071 van de Raad van 13 november 2017 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië (PB L 295 van 14.11.2017, blz. 55).

(2)  Besluit (GBVB) 2022/251 van de Raad van 21 februari 2022 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2018/907 tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië (PB L 41 van 22.2.2022, blz. 31).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/127


BESLUIT (GBVB) 2022/1238 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Hoorn van Afrika en tot wijziging van Besluit (GBVB) 2021/1012

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 33 en artikel 31, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 8 december 2011 heeft de Raad besloten een speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Hoorn van Afrika te benoemen.

(2)

Op 21 juni 2021 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2021/1012 (1) vastgesteld tot benoeming van mevrouw Annette WEBER tot SVEU voor de Hoorn van Afrika. Het mandaat van de SVEU verstrijkt op 31 augustus 2022.

(3)

Het mandaat van de SVEU moet met 24 maanden worden verlengd, en voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 moet een nieuw financieel referentiebedrag worden vastgesteld.

(4)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het mandaat van mevrouw Annette WEBER als speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de Hoorn van Afrika wordt verlengd tot en met 31 augustus 2024. De Raad kan, op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité en op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, besluiten dat het mandaat van de SVEU eerder wordt beëindigd.

Artikel 2

Besluit (GBVB) 2021/1012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 5, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 beloopt 4 744 381,14 EUR.”.

2)

In artikel 14 wordt de tweede zin vervangen door:

“De SVEU legt de Raad, de HV en de Commissie regelmatig voortgangsverslagen voor, en uiterlijk op 31 mei 2024 een uitvoerig eindverslag over de uitvoering van zijn mandaat.”.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit (GBVB) 2021/1012 van de Raad van 21 juni 2021 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Hoorn van Afrika (PB L 222 van 22.6.2021, blz. 27).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/129


BESLUIT (GBVB) 2022/1239 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio en tot wijziging van Besluit (GBVB) 2021/1011

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 33 en artikel 31, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 maart 2013 heeft de Raad besloten een speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio te benoemen.

(2)

Op 21 juni 2021 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2021/1011 (1) vastgesteld, waarbij mevrouw Emanuela Claudia DEL RE werd benoemd tot SVEU voor de Sahelregio. Het mandaat van de SVEU verstrijkt op 31 augustus 2022.

(3)

Het mandaat van de SVEU moet met 24 maanden worden verlengd, en voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 moet een nieuw financieel referentiebedrag worden vastgesteld.

(4)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het mandaat van mevrouw Emanuela Claudia DEL RE als speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de Sahelregio wordt verlengd tot en met 31 augustus 2024. De Raad kan besluiten het mandaat van de SVEU eerder te beëindigen, op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité en op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Artikel 2

Besluit (GBVB) 2021/1011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 5, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het financieel referentiebedrag voor de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 bedraagt 3 450 000 EUR.”.

2)

In artikel 14 wordt de tweede zin vervangen door:

“De SVEU legt de Raad, de HV en de Commissie regelmatig voortgangsverslagen voor, en uiterlijk op 31 mei 2024 een uitvoerig eindverslag over de uitvoering van zijn mandaat.”.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit (GBVB) 2021/1011 van de Raad van 21 juni 2021 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio (PB L 222 van 22.6.2021, blz. 21).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/131


BESLUIT (GBVB) 2022/1240 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2020/489 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 33 en artikel 31, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 2 april 2020 Besluit (GBVB) 2020/489 (1) vastgesteld tot benoeming van de heer Miroslav LAJČÁK tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan. Het mandaat van de SVEU is verlengd bij Besluit (GBVB) 2021/470 van de Raad (2), en verstrijkt op 31 augustus 2022.

(2)

Het mandaat van de SVEU moet met nog eens 24 maanden worden verlengd en er moet een nieuw financieel referentiebedrag voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 worden vastgesteld.

(3)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (GBVB) 2020/489 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie

Het mandaat van de heer Miroslav LAJČÁK als speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan wordt verlengd tot en met 31 augustus 2024. De Raad kan, op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité en een voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, besluiten dat het mandaat van de SVEU eerder wordt beëindigd.”.

2)

In lid 1 van artikel 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2024 bedraagt 3 970 000 EUR.”.

3)

In artikel 13 wordt de tweede zin vervangen door:

“De SVEU legt de Raad, de HV en de Commissie regelmatig voortgangsverslagen en uiterlijk op 31 mei 2024 een uitvoerig eindverslag over de uitvoering van het mandaat voor.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit (GBVB) 2020/489 van de Raad van 2 april 2020 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan (PB L 105 van 3.4.2020, blz. 3).

(2)  Besluit (GBVB) 2021/470 van de Raad van 18 maart 2021 houdende wijziging van Besluit (GBVB) 2020/489 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan (PB L 96 van 19.3.2021, blz. 13).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/133


BESLUIT (GBVB) 2022/1241 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2022/152

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 27 december 2001 Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB vastgesteld (1).

(2)

De Raad heeft op 3 februari 2022 Besluit (GBVB) 2022/152 (2) vastgesteld, waarbij de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB (“de lijst”) werd geactualiseerd.

(3)

Overeenkomstig artikel 1, lid 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB dienen de namen van de personen, groepen en entiteiten op de lijst geregeld te worden geëvalueerd om er zeker van te zijn dat ze nog altijd terecht op de lijst staan.

(4)

Dit besluit bevat de resultaten van de evaluatie die de Raad heeft verricht ten aanzien van de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn.

(5)

De Raad heeft zich ervan vergewist dat de bevoegde instanties als bedoeld in artikel 1, lid 4, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB ten aanzien van alle personen, groepen en entiteiten op de lijst besluiten hebben genomen waaruit blijkt dat zij betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Tevens heeft de Raad besloten dat de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, onderworpen moeten blijven aan de in Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB bepaalde specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De lijst moet dienovereenkomstig worden geactualiseerd en Besluit (GBVB) 2022/152 moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Besluit (GBVB) 2022/152 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93).

(2)  Besluit (GBVB) 2022/152 van de Raad van 3 februari 2022 tot actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2021/1192 (PB L 25 van 4.2.2022, blz. 13).


BIJLAGE

LIJST VAN PERSONEN, GROEPEN EN ENTITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

I.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11.8.1960 in Iran. Paspoortnummer: D9004878.

2.

AL-NASSER Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa (Saudi-Arabië), Saudisch onderdaan.

3.

AL-YACOUB Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16.10.1966 in Tarut (Saudi-Arabië), Saudisch onderdaan.

4.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6.3.1955 of 15.3.1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan, paspoortnummer: C2002515 (Iran). Paspoortnummer: 477845448 (VS). Nummer nationaal identiteitsbewijs: 07442833, vervaldatum 15.3.2016 (rijbewijs VS).

5.

ASSADI Assadollah (alias Assadollah Asadi), geboren op 22.12.1971 in Teheran (Iran), Iraans onderdaan. Nummer Iraans diplomatiek paspoort: D9016657.

6.

BOUYERI Mohammed (alias Abu Zubair, alias Sobiar, alias Abu Zoubair), geboren op 8.3.1978 in Amsterdam (Nederland).

7.

EL HAJJ Hassan Hassan, geboren op 22.3.1988 in Zaghdraiya, Sidon (Libanon), Canadees onderdaan. Paspoortnummer: JX446643 (Canada).

8.

HASHEMI MOGHADAM Saeid, geboren op 6.8.1962 in Teheran (Iran), Iraans onderdaan. Paspoortnummer: D9016290, geldig tot en met 4.2.2019.

9.

AL-DIN Izz Hasan (alias Garbaya, Ahmed, alias Sa’id, alias Salwwan, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan.

10.

MELIAD Farah, geboren op 5.11.1980 in Sydney (Australië), Australisch onderdaan. Paspoortnummer: M2719127 (Australië).

11.

MOHAMMED Khalid Sheikh (alias Ali, Salem, alias Bin Khalid, Fahd Bin Abdallah, alias Henin, Ashraf Refaat Nabith, alias Wadood, Khalid Abdul), geboren op 14.4.1965 of op 1.3.1964 in Pakistan. Paspoortnummer: 488555.

12.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren ca. 1957 in Iran. Adressen: 1) Kermanshah, Iran; 2) legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran.

13.

SHAKURI Ali Gholam, geboren ca. 1965 in Teheran, Iran.

II.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

“Abu Nidal Organisation” — “ANO” (alias “Fatah Revolutionaire Raad”, alias “Arabische Revolutionaire Brigades”, alias “Zwarte September”, alias “Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims”).

2.

“Al-Aqsa Martelarenbrigade”.

3.

“Al-Aqsa e.V.”.

4.

“Babbar Khalsa”.

5.

“Filipijnse communistische partij”, met inbegrip van het “Nieuw Volksleger” (“New People’s Army” — “NPA”), Filipijnen.

6.

Directoraat binnenlandse veiligheid van het Iraanse Ministerie voor Inlichtingen en Veiligheid.

7.

“Gama'a al-Islamiyya” (alias “Al-Gama'a al-Islamiyya”) (“Islamitische Groep” — “IG”).

8.

“İslami Büyük Doğu Akıncılar Cephesi” — “IBDA-C” (“Front van Voorvechters voor het Grote Islamitische Oosten”).

9.

“Hamas”, met inbegrip van “Hamas-Izz al-Din al-Qassem”.

10.

“Militaire vleugel van Hezbollah” (alias “Militaire vleugel van (respectievelijk) Hizballah, Hizbullah, Hizbollah, Hezballah, Hisbollah, Hizbu'llah, Hizb Allah”, alias “Raad van de Jihad” (en alle daaraan rapporterende eenheden, waaronder de Externe Veiligheidsorganisatie)).

11.

“Hizbul Mujahideen” — “HM”.

12.

“Khalistan Zindabad Force” — “KZF”.

13.

“Koerdische Arbeiderspartij” — “PKK” (alias “KADEK”, alias “KONGRA-GEL”).

14.

“Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam” — “LTTE”.

15.

“Ejército de Liberación Nacional” (“Nationaal Bevrijdingsleger”).

16.

“Palestinian Islamic Jihad” — “PIJ”.

17.

“Volksfront voor de Bevrijding van Palestina” (“Popular Front for the Liberation of Palestine” — “PFLP”).

18.

“Volksfront voor de Bevrijding van Palestina — Algemeen Commando” (alias “PFLP — Algemeen Commando”).

19.

“Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi” — “DHKP/C” (alias “Devrimci Sol” (“Revolutionair Links”), alias “Dev Sol” (“Revolutionair Volksbevrijdingsleger/-front/-partij”).

20.

“Sendero Luminoso” — “SL” (“Lichtend Pad”).

21.

“Teyrbazen Azadiya Kurdistan” — “TAK” (alias “Koerdische Vrijheidsvalken”, alias “Koerdische Vrijheidshaviken”).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/137


BESLUIT (EU) 2022/1242 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot wijziging van het reglement van orde van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 240, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 12, lid 1, eerste alinea, van het reglement van orde bepaalt van de Raad (1) dat besluiten van de Raad over een dringende aangelegenheid door middel van een schriftelijke stemming kunnen worden aangenomen indien de Raad of het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) met eenparigheid van stemmen besluit van deze procedure gebruik te maken.

(2)

Teneinde de institutionele continuïteit in de besluitvorming van de Raad in de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-pandemie te waarborgen heeft de Raad in maart 2020 Besluit (EU) 2020/430 (2) vastgesteld, toen zittingen van de Raad niet regelmatig konden plaatsvinden, zeker te stellen. Hierbij werd een afwijking van artikel 12, lid 1, eerste alinea, van het reglement van orde van de Raad ingevoerd voor besluiten om de gewone schriftelijke procedure te volgen indien deze besluiten door het Coreper worden genomen. Zolang Besluit (EU) 2020/430 van toepassing is, dient een besluit van het Coreper om de gewone schriftelijke procedure te gebruiken, genomen te worden volgens de stemregel die geldt voor de vaststelling van het besluit van de Raad. Deze afwijking is twaalf keer door de Raad verlengd, omdat de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-pandemie voortduurden. De meest recente verlenging, bij Besluit (EU) 2022/321 van de Raad (3), is verstreken op 30 juni 2022.

(3)

Hoewel de situatie in verband met de COVID-19-pandemie over het algemeen is verbeterd, blijkt uit het gebruik dat de afgelopen twee jaar van de afwijking in artikel 12, lid 1, eerste alinea, van het reglement van orde van de Raad is gemaakt, en uit de recente internationale gebeurtenissen die om dringende maatregelen vroegen, dat het belangrijk is dat de Raad in de toekomst een dergelijk instrument kan blijven gebruiken.

(4)

Voortbouwend op de ervaring die is opgedaan om de continuïteit van de besluitvorming van de Raad tijdens de COVID-19-pandemie op efficiënte wijze te waarborgen, aangezien zich hoogstwaarschijnlijk ook in de toekomst situaties zullen voordoen die dringend optreden vereisen, en in overeenstemming met de rol van het Coreper bij de voorbereiding van de werkzaamheden in de Raad en bij het waarborgen van de samenhang van het beleid en de handelingen van de Unie, is het wenselijk te bepalen dat besluiten om de gewone schriftelijke procedure te volgen, wanneer die besluiten door het Coreper worden genomen, moeten worden genomen overeenkomstig de stemregel die van toepassing is op de vaststelling van de betrokken handeling van de Raad.

(5)

De gewone schriftelijke procedure waartoe het Coreper heeft besloten, mag alleen worden gebruikt in omstandigheden die dringend optreden vereisen en moet altijd worden voorafgegaan door een grondige voorbereiding in het Coreper om zo veel mogelijk te zorgen voor onder meer nationale coördinatie, openbare transparantie en de betrokkenheid van de nationale parlementen overeenkomstig de praktijken van de lidstaten.

(6)

Het reglement van orde van de Raad moet derhalve worden aangepast, overeenkomstig artikel 240, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(7)

Overeenkomstig artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, is artikel 240 VWEU van toepassing op de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 12, lid 1, van het reglement van orde van de Raad wordt de eerste alinea vervangen door:

“Besluiten van de Raad over een dringende aangelegenheid kunnen worden vastgesteld door middel van een schriftelijke stemming indien de Raad met eenparigheid van stemmen besluit van deze procedure gebruik te maken of indien het Coreper besluit van deze procedure gebruik te maken. In laatstgenoemd geval geldt de stemregel die van toepassing is voor de vaststelling van het besluit van de Raad. Ook de voorzitter kan, in bijzondere omstandigheden, voorstellen van deze procedure gebruik te maken; in welk geval de schriftelijke stemming kan plaatsvinden indien alle lidstaten deze procedure aanvaarden.”.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de datum van de vaststelling ervan.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Besluit 2009/937/EU van de Raad van 1 december 2009 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 325 van 11.12.2009, blz. 35).

(2)  Besluit (EU) 2020/430 van de Raad van 23 maart 2020 betreffende een tijdelijke afwijking van het reglement van orde van de Raad in het licht van de door de COVID-19-pandemie in de Unie veroorzaakte reisproblemen (PB L 88 I van 24.3.2020, blz. 1).

(3)  Besluit (EU) 2022/321 van de Raad van 24 februari 2022 tot verdere verlenging van de tijdelijke afwijking van het reglement van orde van de Raad, ingevoerd bij Besluit (EU) 2020/430 in het licht van de door de COVID-19-pandemie in de Unie veroorzaakte reisproblemen (PB L 55 van 28.2.2022, blz. 45).


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/139


UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2022/1243 VAN DE RAAD

van 18 juli 2022

tot uitvoering van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en in het licht van de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit 2012/642/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en in het licht van de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (1), en met name artikel 6, leden 1 en 3,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 15 oktober 2012 Besluit 2012/642/GBVB vastgesteld.

(2)

Na een evaluatie van de relevante omstandigheden moet één vermelding worden geschrapt van de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen in bijlage I bij Besluit 2012/642/GBVB.

(3)

Besluit 2012/642/GBVB moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Besluit 2012/642/GBVB wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 285 van 17.10.2012, blz. 1.


BIJLAGE

De volgende vermelding wordt geschrapt van de lijst in deel B (“In artikel 4, lid 1, bedoelde rechtspersonen, entiteiten en lichamen”) van bijlage I bij Besluit 2012/642/GBVB:

“23.

Cham Wings Airlines”.


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/141


BESLUIT (EU) 2022/1244 VAN DE COMMISSIE

van 13 juli 2022

tot vaststelling van de EU-milieukeurcriteria voor groeimedia en bodemverbeteraars

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 4758)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (1), en met name artikel 8, lid 2,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 kan de EU-milieukeur worden toegekend aan producten die gedurende hun volledige levenscyclus een verminderd milieueffect hebben.

(2)

In Verordening (EG) nr. 66/2010 is bepaald dat per productgroep specifieke EU-milieukeurcriteria moeten worden vastgesteld.

(3)

In Besluit (EU) 2015/2099 van de Commissie (2) zijn de EU-milieukeurcriteria en daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle voor de productgroep “groeimedia, bodemverbeteraars en strooisel” vastgelegd. De geldigheidsduur van die criteria en eisen is bij Besluit (EU) 2019/1134 van de Commissie (3) verlengd tot en met 30 juni 2022.

(4)

Om voor de productgroep beter rekening te houden met de beste praktijken op de markt en met beleidsontwikkelingen, potentiële toekomstige mogelijkheden voor een grotere acceptatie en de vraag van de markt naar duurzame producten, is het passend voor groeimedia en bodemverbeteraars een nieuwe reeks criteria vast te stellen.

(5)

In het verslag over de geschiktheidscontrole van de EU-milieukeur (4) van 30 juni 2017, waarin de uitvoering van Verordening (EG) nr. 66/2010 is geëvalueerd, werd geconcludeerd dat een meer strategische aanpak voor de EU-milieukeur moet worden ontwikkeld, waaronder, waar van toepassing, de bundeling van nauw aan elkaar verwante productgroepen.

(6)

Overeenkomstig die conclusies is het passend de criteria voor de productgroep “groeimedia, bodemverbeteraars en strooisel” te herzien en te zorgen voor harmonisatie met Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(7)

Overeenkomstig overweging 6 van Verordening (EU) 2019/1009 en deel I van bijlage I bij die verordening moet de naam van de productgroep, om de functie van het product beter weer te geven, worden gewijzigd in “groeimedia en bodemverbeteraars”, aangezien “strooisel” als een type bodemverbeteraar wordt beschouwd.

(8)

Harmonisatie met Verordening (EU) 2019/1009 moet ook de zichtbaarheid van de EU-milieukeur voor groeimedia en bodemverbeteraars op de markt vergroten en de administratieve lasten voor de nationale autoriteiten verminderen. Daarnaast moeten de definities in de productgroep “groeimedia en bodemverbeteraars” op bepaalde punten worden gewijzigd, met name om de terminologie aan te passen aan Verordening (EU) 2019/1009.

(9)

In het nieuwe actieplan voor een circulaire economie voor een schoner en concurrerender Europa (6), dat op 11 maart 2020 is aangenomen, is bepaald dat de eisen inzake duurzaamheid, recycleerbaarheid en gerecyclede inhoud systematischer deel moeten uitmaken van de EU-milieukeurcriteria.

(10)

De herziene EU-milieukeurcriteria voor groeimedia en bodemverbeteraars moeten met name gericht zijn op de bevordering van producten die gedurende hun levenscyclus een beperkt milieueffect hebben en die worden vervaardigd met behulp van materiaal- en energie-efficiënte procedés. Om bij te dragen tot de overgang naar een meer circulaire economie moeten de criteria de opname van gerecycleerd organisch materiaal en nutriënten in groeimedia en bodemverbeteraars bevorderen en de terugwinning van minerale groeimedia aan het einde van hun levensduur aanmoedigen. De herziene criteria moeten de veiligheid van de producten voor de gezondheid van mens, dier of plant en/of voor het milieu waarborgen door grenswaarden vast te stellen voor de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, zoals zware metalen en organische verontreinigende stoffen, en door te zorgen voor een gecontroleerde winning van mineralen. Gezien de inspanningen voor klimaatneutraliteit en het koolstofvrij maken van de Europese industrie, moeten de criteria verplichte eisen vaststellen inzake CO2-emissies en energieverbruik voor de productie van geëxpandeerde mineralen en minerale wol en moeten zij de opname van gerecycleerd/teruggewonnen materiaal in groeimedia stimuleren.

(11)

Gezien de innovatiecyclus voor de productgroep moeten de nieuwe criteria en de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en verificatie geldig blijven tot en met 30 juni 2030.

(12)

Met het oog op de rechtszekerheid moet Besluit (EU) 2015/2099 worden ingetrokken.

(13)

Er moet worden voorzien in een overgangsperiode voor producenten aan wier producten de EU-milieukeur voor groeimedia, bodemverbeteraars en strooisel is toegekend op grond van de criteria die zijn vastgesteld in Besluit (EU) 2015/2099, zodat zij voldoende tijd hebben om hun producten aan te passen teneinde te voldoen aan de nieuwe criteria en eisen. Gedurende een beperkte periode na de vaststelling van dit besluit moet aan producenten tevens worden toegestaan aanvragen in te dienen op basis van de in Besluit (EU) 2015/2099 vastgestelde criteria of de bij dit besluit vastgestelde nieuwe criteria. Een EU-milieukeur die is toegekend op basis van de in Besluit (EU) 2015/2099 uiteengezette criteria, moet gebruikt kunnen worden gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop dit besluit is vastgesteld.

(14)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is opgericht bij artikel 16 van Verordening (EG) nr. 66/2010,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De productgroep “groeimedia en bodemverbeteraars” omvat groeimedia en bodemverbeteraars.

Artikel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

1)

“groeimedium”: een product, anders dan bodem in situ, bedoeld om planten, met inbegrip van algen, of paddenstoelen in te laten groeien;

2)

“bodemverbeteraar”: een product, met inbegrip van strooisel, dat tot doel heeft de fysische of chemische eigenschappen, de structuur of de biologische activiteit van de bodem waaraan het wordt toegevoegd, in stand te houden, te verbeteren of te beschermen;

3)

“strooisel”: een type bodemverbeteraar die wordt gebruikt als beschermende laag die rondom planten op de bovengrond wordt geplaatst en die specifiek bedoeld is voor het voorkomen van vochtverlies, het beperken van de groei van onkruid, het helpen beperken van schommelingen van de bodemtemperatuur en het beperken van bodemerosie.

Artikel 3

Om krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 in aanmerking te komen voor de EU-milieukeur voor “groeimedia en bodemverbeteraars” moet een product behoren tot de desbetreffende productgroep zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit, en moet het voldoen aan de criteria en aan de hieraan gerelateerde eisen inzake beoordeling en controle die zijn uiteengezet in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 4

De EU-milieukeurcriteria voor de productgroep “groeimedia en bodemverbeteraars”, alsook de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle, zijn geldig tot en met 31 december 2030.

Artikel 5

Voor administratieve doeleinden wordt aan de productgroep “groeimedia en bodemverbeteraars” het codenummer 048 toegekend.

Artikel 6

Besluit (EU) 2015/2099 wordt ingetrokken.

Artikel 7

1.   Aanvragen voor de EU-milieukeur voor de productgroep “groeimedia, bodemverbeteraars en strooisel”, zoals gedefinieerd in artikel 1 van Besluit (EU) 2015/2099, die vóór de datum van toepassing van dit besluit zijn ingediend, worden geëvalueerd aan de hand van de in Besluit (EU) 2015/2099 vastgelegde voorwaarden.

2.   Aanvragen voor de EU-milieukeur voor producten die behoren tot de productgroep “groeimedia en bodemverbeteraars”, zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit, die op of binnen twee maanden na de datum van toepassing van dit besluit worden ingediend, mogen gebaseerd zijn op zowel de in Besluit (EU) 2015/2099 als de in dit besluit vastgestelde criteria. Die aanvragen zullen worden beoordeeld aan de hand van de criteria waarop zij zijn gebaseerd.

3.   Een EU-milieukeur die is toegekend op basis van een aanvraag die aan de hand van de in Besluit (EU) 2015/2099 vastgestelde criteria is geëvalueerd, mag worden gebruikt gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum van toepassing van dit besluit.

Artikel 8

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Het is van toepassing met ingang van 20 juli 2022.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2022.

Voor de Commissie

Virginijus SINKEVIČIUS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1.

(2)  Besluit (EU) 2015/2099 van de Commissie van 18 november 2015 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor groeimedia, bodemverbeteraars en strooisel (PB L 303 van 20.11.2015, blz. 75).

(3)  Besluit (EU) 2019/1134 van de Commissie van 1 juli 2019 tot wijziging van Beschikking 2009/300/EG en Besluit (EU) 2015/2099 wat de geldigheidsduur van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan bepaalde producten en van de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle betreft (PB L 179 van 3.7.2019, blz. 25).

(4)  Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de evaluatie van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en van Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (COM(2017) 355 final).

(5)  Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1).

(6)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een nieuw actieplan voor een circulaire economie Voor een schoner en concurrerender Europa (COM(2020) 98 final).


BIJLAGE

Criteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor groeimedia en bodemverbeteraars

KADER

EU-milieukeurcriteria

De criteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor groeimedia en bodemverbeteraars en de toepasbaarheid ervan op elk type product dat binnen het toepassingsgebied valt, zijn de volgende:

Tabel 1

Overzicht van de toepasselijke criteria naargelang het specifieke product

Criterium

Groeimedia

Bodemverbeteraars

1 — Bestanddelen

x

x

1.1 — Organische bestanddelen van het product

x

x

2 — Minerale bestanddelen

x

x

2.1 — Energieverbruik en CO2-emissies tijdens de productie van minerale groeimedia

x

 

2.2 — Bronnen voor de winning van delfstoffen

x

x

2.3 — Minerale groeimedia tijdens en na gebruik

x

 

3 — Organische bestanddelen en gerecycleerde/teruggewonnen materialen in groeimedia

x

 

4 — Aan beperkingen onderworpen stoffen

x

x

4.1 — Grenswaarden voor zware metalen

x

x

4.2 — Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

x

x

4.3 — Beperkingen op stoffen en mengsels die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) als gevaarlijk zijn ingedeeld

x

x

4.4 — Beperkingen op zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2)

x

x

4.5 — Microbiologische criteria

x

x

5 — Geschiktheid voor gebruik

x

x

5.1 — Stabiliteit

x

x

5.2 — Macroscopische onzuiverheden

x

x

5.3 — Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

 

x

5.4 — Levensvatbare onkruidzaden en plantpropagulen

x

x

5.5 — Plantreactie

x

x

6 — Eigenschappen van groeimedia

x

 

6.1 — Elektrische geleidbaarheid

x

 

6.2 — Natriumgehalte

x

 

6.3 — Chloridegehalte

x

 

7 — Informatieverstrekking

x

x

7.1 — Bodemverbeteraars

 

x

7.2 — Groeimedia

x

 

8 — Informatie op de EU-milieukeur

x

x

Eisen inzake beoordeling en controle

Om de EU-milieukeur aan een specifiek product te kunnen toekennen, moeten de aanvragers aan elke eis voldoen.

Onder elk criterium worden specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analysen, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria is voldaan, mogen deze afkomstig zijn van de aanvrager en/of in voorkomend geval diens leverancier(s).

De bevoegde instanties baseren zich bij voorkeur op verklaringen die zijn afgegeven door instanties die volgens de toepasselijke geharmoniseerde norm voor test- en kalibratielaboratoria zijn geaccrediteerd, en op controles door instanties die zijn geaccrediteerd volgens de toepasselijke geharmoniseerde norm voor instellingen die producten, processen en diensten certificeren.

Eventueel mogen andere test- en bemonsteringsmethoden worden gebruikt dan die voor elk criterium worden vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt, als gelijkwaardig worden geaccepteerd.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties om aanvullende documentatie verzoeken en onafhankelijke controles uitvoeren.

Veranderingen van leverancier of productielocatie die invloed hebben op producten waaraan de EU-milieukeur is toegekend, worden aan de bevoegde instanties gemeld, vergezeld van ondersteunende informatie op grond waarvan kan worden vastgesteld of de desbetreffende producten aan de criteria blijven voldoen.

Voorwaarde is dat het product voldoet aan de desbetreffende eisen van Verordening (EU) 2019/1009 of aan de wettelijke eisen van de lidstaat waar het in de handel zal worden gebracht. In dit laatste geval bevestigt de aanvrager in een verklaring dat het product aan deze voorwaarde voldoet.

De bemonstering wordt uitgevoerd overeenkomstig EN 12579 (Bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten — Bemonstering). Monsters worden bereid overeenkomstig EN 13040 (Bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten — Monstervoorbereiding voor chemische en fysische beproeving, bepaling van het gehalte aan droge stof, het gehalte aan vocht en de samengedrukte bulkdichtheid in een laboratorium).

Voor het testen en bemonsteren worden de methoden gevolgd van de desbetreffende geharmoniseerde normen waarvan de referenties overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2019/1009 in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, zodra deze beschikbaar zijn.

Voor het aanvraagjaar moeten de bemonsterings- en testfrequentie voldoen aan de eisen van aanhangsel 1. Voor de jaren daarna moeten de bemonsterings- en testfrequentie van producten voldoen aan de eisen van aanhangsel 2. Er zijn andere bemonsterings- en testfrequenties vastgesteld voor de volgende typen installaties:

—

Type 1: verwerkingsinstallaties voor afval of dierlijke bijproducten;

—

Type 2: productie-installaties waar materialen van installaties van type 1 worden gebruikt, en

—

Type 3: productie-installaties waar geen materialen van installaties van type 1 worden gebruikt.

Indien de geleverde materialen die zijn gewonnen uit afval of dierlijke bijproducten voldoen aan de criteria voor de EU-milieukeur voor groeimedia en bodemverbeteraars, gelden voor installaties van type 2 dezelfde bemonsterings- en testfrequenties voor het aanvraagjaar en de daaropvolgende jaren, als voor installaties van type 3. De aanvrager moet de bevoegde instantie voorzien van testverslagen van de leveranciers en de documentatie zodat de bevoegde instantie zich ervan kan vergewissen of het geleverde materiaal voldoet aan de criteria voor de EU-milieukeur. De bevoegde instantie mag de bemonsterings- en testfrequenties van de nationale wetgeving en normen erkennen als geldig bij het controleren of de geleverde materialen die zijn gewonnen uit afval of dierlijke bijproducten voldoen aan de criteria voor de EU-milieukeur.

Voor de beoordeling moet de aanvrager ook een schriftelijke bevestiging overleggen dat aan alle criteria is voldaan.

Een EU-bemestingsproduct is een bemestingsproduct dat voorzien is van een CE-markering wanneer het op de markt wordt aangeboden. Indien het product een EU-bemestingsproduct is, moet aan de bevoegde instantie de volgende documentatie worden verstrekt: de EU-conformiteitsverklaring; de technische documentatie; en, in voorkomend geval, de documenten die zijn afgegeven door een aangemelde instantie die betrokken is bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure van het product.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1)

“jaarlijkse input”: de jaarlijkse hoeveelheid grondstoffen die worden verwerkt in een verwerkingsinstallatie voor afval of dierlijke bijproducten;

2)

“jaarlijkse output”: de jaarlijkse hoeveelheid producten die uit dezelfde bestanddelen bestaan;

3)

“partij”: een hoeveelheid goederen die door hetzelfde proces en onder dezelfde omstandigheden zijn gefabriceerd en hetzelfde etiket dragen en waarvan wordt aangenomen dat zij dezelfde kenmerken hebben;

4)

“bioafval”: biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, kantoren, restaurants, groothandel, kantines, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie, met inbegrip van soortgelijk huishoudelijk afval dat samen met bioafval wordt ingezameld;

5)

“bestanddeel”: materiaal dat wordt gebruikt als ingrediënt van het product;

6)

“mineraal groeimedium”: een groeimedium dat volledig bestaat uit minerale bestanddelen en dat alleen wordt aangeboden voor professionele toepassingen in de tuinbouw, groenmuren en/of groendaken;

7)

“organisch bestanddeel”: bestanddeel dat voornamelijk bestaat uit koolstof en moleculen afkomstig van levende organismen, met uitzondering van fossiele brandstoffen en van fossiele brandstoffen afgeleide materialen;

8)

“teruggewonnen materiaal”: materiaal dat een terugwinningshandeling heeft ondergaan, met inbegrip van voorbereiding voor hergebruik, recycling en opvulling, maar met uitzondering van energieterugwinning en de herverwerking tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of bij een andere wijze van energieopwekking;

9)

“nuttige toepassing”: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt;

10)

“recycling”: elke terugwinningshandeling waardoor afvalstoffen opnieuw worden verwerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organisch afval, behalve de terugwinning van energie en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

11)

“totaal organische koolstof (TOK)”: de hoeveelheid koolstof die door verbranding in koolstofdioxide wordt omgezet en die bij behandeling met zuur niet als koolstofdioxide vrijkomt.

Criterium 1 — Bestanddelen

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

De toegestane bestanddelen zijn organische en/of minerale bestanddelen.

Het product mag geen bewust toegevoegde turf bevatten.

Criterium 1.1 — Organische bestanddelen van het product

Het product mag een of meer van de volgende organische bestanddelen bevatten:

a)

planten, delen van planten of plantenextracten die zijn verkregen door land- of bosbouwwerkzaamheden, die geen andere bewerking hebben ondergaan dan snijden, fijnmaken, malen, zeven, schiften, centrifugeren, persen, drogen, behandelen door bevriezing, vriesdrogen, extraheren met water, superkritische CO2-extractie, of vervezeling bij een temperatuur van ten hoogste 100 °C en zonder toevoegingsmiddelen met uitzondering van water. Voor de toepassing van dit punt omvatten planten ook paddenstoelen en algen, met uitzondering van blauwwieren (cyanobacteriën);

b)

kalk van voedingsmiddelenfabrieken, d.w.z. een materiaal uit de voedingsmiddelenindustrie dat wordt verkregen door carbonatie van organisch materiaal, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van ongebluste kalk uit natuurlijke bronnen;

c)

melasse, d.w.z. een viskeus bijproduct van de raffinage van suikerriet of suikerbieten tot suiker;

d)

vinasse, d.w.z. een viskeus bijproduct van het proces waarbij melasse wordt vergist tot ethanol, ascorbinezuur of andere producten;

e)

graanbostel, d.w.z. bijproducten van de productie van alcoholische dranken;

f)

kalk van drinkwaterproductie, d.w.z. residu dat vrijkomt bij de productie van drinkwater uit grondwater of oppervlaktewater en dat voornamelijk uit calciumcarbonaat bestaat;

g)

digestaat dat is verkregen uit anaerobe vergisting of compost die is verkregen uit aerobe compostering van een of meer van de hieronder van 1 tot en met 5 vermelde materialen.

Organische bestanddelen g) kunnen worden verkregen door verwerking van een of meer van de volgende uitgangsmaterialen:

1)

bioafval afkomstig van gescheiden inzameling aan de bron, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (3);

2)

levende of dode organismen of delen daarvan, onbewerkt of enkel bewerkt met de hand, met mechanische hulpmiddelen of met behulp van de zwaartekracht, door oplossing in water, door flotatie, door extractie met water, door stoomdistillatie, of door verhitting uitsluitend om water te onttrekken, of die met enig hulpmiddel aan de lucht zijn onttrokken, met uitzondering van:

a.

materialen die afkomstig zijn van gemengd stedelijk afval;

b.

zuiveringsslib, industrieel slib, of baggerslib;

c.

dierlijke bijproducten of afgeleide producten die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) vallen en waarvoor geen eindpunt in de productieketen is vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, derde alinea, van die verordening;

3)

materiaal van categorie 2 of categorie 3 of afgeleide producten daarvan, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 32, leden 1 en 2, en van de in artikel 32, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde maatregelen, mits het eindpunt in de productieketen is bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, derde alinea, van die verordening en is bereikt voordat het product in de handel wordt gebracht;

4)

slib dat:

I.

wordt geïdentificeerd als een van de volgende soorten afvalstoffen (5):

0203 05

slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse;

0204 03

slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de suikerverwerking;

0205 02

slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de zuivelindustrie;

0206 03

slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van bakkerijen en de banketbakkersindustrie;

0207 05

slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao); en dat

II.

per individuele bron gescheiden wordt gehouden, hetgeen betekent dat het niet is vermengd met afvalwater of slib dat van buiten een specifiek productieproces afkomstig is.

5)

digestaat dat is verkregen uit anaerobe vergisting of compost die is verkregen uit aerobe compostering van een van de in de punten 1, 2, 3 en 4 van deze lijst genoemde materialen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie de lijst van alle bestanddelen van het product verstrekken.

De aanvrager moet de bevoegde instantie informatie verstrekken over de herkomst van elk organisch bestanddeel van het product alsook een verklaring dat aan de eisen van criterium 1 van deze bijlage is voldaan.

Criterium 2 — Minerale bestanddelen

Criterium 2.1 — Energieverbruik en CO2-emissies tijdens de productie van minerale groeimedia

Dit criterium is uitsluitend van toepassing op minerale groeimedia.

De productie van geëxpandeerde mineralen en minerale wol moet voldoen aan de volgende drempels voor energieverbruik en CO2-emissies:

—

energieverbruik/product ≤ 11 GJ/t product, in primaire energie, en

—

CO2-emissies/product ≤ 0,7 t CO2/t product.

“Product” verwijst naar de minerale wol in een van de vormen die in de handel worden gebracht (bv. platen, blokjes, pluggen).

De verhouding energieverbruik/product moet als volgt worden berekend als jaarlijks gemiddelde:

Formula

waarbij:

—

n het aantal jaren is van de periode die is gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

i elk jaar is van de periode die is gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

Productie de productie in ton van de minerale wol of geëxpandeerde mineralen in het jaar i is;

—

F het jaarlijkse brandstofverbruik in het productieproces in het jaar i is;

—

Elnet het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van het net in het jaar i is;

—

Hwkk het jaarlijkse verbruik van nuttige warmte door warmtekrachtkoppeling in het jaar i is;

—

Elwkk het jaarlijkse verbruik van elektriciteit door warmtekrachtkoppeling in het jaar i is;

—

Ref Ηη en Ref Εη het referentierendement voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit is, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) en berekend overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2402 van de Commissie (7), en

—

PESwkk de besparing aan primaire energie door de warmtekrachtcentrale zoals gedefinieerd in Richtlijn 2012/27/EU in het jaar i is.

De verhouding CO2-emissies/product moet als volgt worden berekend als jaarlijks gemiddelde:

Formula

waarbij:

—

n het aantal jaren is van de periode die is gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

i elk jaar is van de periode die is gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

Productie de productie van minerale wol in ton in het jaar i is;

—

Direct CO2 de CO2-emissies zoals gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie (8), in het jaar i is, en

—

Indirect CO2 de indirecte CO2-emissies door eindenergieverbruik in het jaar i is, die moeten worden berekend overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie (9).

De directe CO2-emissies moeten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 worden gecontroleerd.

De indirecte CO2-emissies moeten worden gecontroleerd overeenkomstig artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 betreffende de regels voor kosteloze toewijzing.

De periode voor het berekenen van de verhoudingen energieverbruik/product en CO2-emissies/product bestaat uit de laatste vijf jaar voor de indiening van de aanvraag. Indien de exploitatieduur van de centrale ten tijde van de indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar bedraagt, moet de verhouding worden berekend als jaarlijks gemiddelde van de exploitatieperiode, die ten minste één jaar moet bedragen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie een verklaring verstrekken die de volgende informatie bevat:

—

verhouding energieverbruik (GJ)/product (ton);

—

verhouding CO2-emissies (ton)/product (ton);

—

directe CO2-emissies (ton) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

indirecte CO2-emissies (ton) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

verbruikte brandstoffen, verbruik voor iedere brandstof (GJ) en subproces(sen) van het productieproces waarin de brandstoffen worden gebruikt voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

elektriciteitsverbruik van het net (GJ eindenergie) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

nuttig warmteverbruik uit warmtekrachtkoppeling (GJ eindenergie) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

elektriciteitsverbruik uit warmtekrachtkoppeling (GJ eindenergie) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit;

—

primaire energiebesparing (%) van de warmtekrachtkoppeling voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde, en

—

identificatie van de in de warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen en hun aandeel in het brandstofmengsel, voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde.

De volgende documenten moeten bij de verklaringen worden gevoegd:

—

jaarlijkse emissieverslagen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

een verificatierapport waarin het jaarlijkse emissieverslag als bevredigend wordt geverifieerd overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie (10) voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde;

—

door de leverancier verstrekte overzichten van elektriciteitsverbruik van het net voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde, en

—

overzichten van nuttig warmte- en elektriciteitsverbruik uit warmtekrachtkoppeling, zowel ter plaatse als aangekocht, voor ieder jaar van de periode die wordt gebruikt voor het berekenen van het gemiddelde.

Criterium 2.2 — Bronnen voor de winning van delfstoffen

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

De winning van mineralen die zijn bestemd voor gebruik als bestanddeel van een groeimedium of bodemverbeteraar met een EU-milieukeur vindt alleen plaats op locaties waarvoor de volgende documentatie is verstrekt:

—

een milieueffectbeoordeling en, in voorkomend geval, een rapport overeenkomstig Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad (11);

—

een geldige vergunning voor de winningsactiviteit, afgegeven door de bevoegde regionale of nationale autoriteit;

—

een saneringsbeheersplan in samenhang met de vergunning voor de winningsactiviteit;

—

een kaart met daarop de locatie van de steengroeve;

—

een verklaring van conformiteit met Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12);

—

een verklaring van conformiteit met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (13) (habitats) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) (vogels).

Wat het laatste punt betreft, moeten in gevallen waarin winningsgebieden gelegen zijn in gebieden van het Natura 2000-netwerk (dat bestaat uit speciale beschermingszones als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 92/43/EEG en speciale beschermingszones als omschreven in artikel 4 van Richtlijn 2009/147/EG), de winningsactiviteiten zijn beoordeeld en toegestaan overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG en met inachtneming van de desbetreffende richtsnoeren van de Europese Commissie (15).

Eveneens met betrekking tot het laatste punt moeten, in gevallen waarin materialen buiten de EU op winningslocaties worden gewonnen in gebieden die officieel zijn voorgedragen of aangewezen als: gebieden van bijzonder belang vanuit het oogpunt van instandhouding; deel van het Emerald-netwerk overeenkomstig Aanbeveling nr. 16 (1989) en Resolutie nr. 3 (1996) van het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (16); of die behoren tot krachtens de nationale wetgeving van de landen van herkomst/uitvoer als zodanig aangewezen beschermde gebieden, de winningsactiviteiten zijn beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig bepalingen die garanties bieden die gelijkwaardig zijn aan die van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG.

Beoordeling en controle

De aanvrager verstrekt een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring van naleving van deze eis of een kopie van de door de bevoegde autoriteiten verleende goedkeuringen, alsmede alle overige vereiste verklaringen en documentatie.

Het saneringsbeheersplan omvat de doelstellingen voor de sanering van de steengroeve, een conceptuele schets van de uiteindelijke landschapsvorm, met inbegrip van het voorgestelde landgebruik na sluiting van de steengroeve, bijzonderheden over de uitvoering van een doeltreffend programma voor herbegroeiing en bijzonderheden over een doeltreffend monitoringprogramma om de prestaties van de gesaneerde gebieden te beoordelen.

Indien de winning van industrie- of bouwdelfstoffen is uitgevoerd in gebieden van het Natura 2000-netwerk (binnen de Unie), het Emerald-netwerk, of in beschermde gebieden die in het kader van de nationale wetgeving van de landen van herkomst/uitvoer als zodanig zijn aangewezen (buiten de Unie) moet de aanvrager een door de bevoegde autoriteiten afgegeven verklaring van naleving van deze eis of een kopie van de door de bevoegde autoriteiten verleende goedkeuring verstrekken.

Criterium 2.3 — Minerale groeimedia tijdens en na gebruik

Dit criterium is uitsluitend van toepassing op minerale groeimedia.

De aanvrager moet de afnemers een gestructureerde inzamel- en recyclingsdienst bieden waarbij een beroep mag worden gedaan op externe dienstverleners. De inzamel- en recyclingsdienst moet ten minste 70 % van het door de aanvrager verkochte volume in de Unie bedragen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie een verklaring verstrekken dat de minerale groeimedia alleen worden aangeboden voor gebruik in professionele toepassingen in de tuinbouw. Bij de informatie die aan de eindgebruiker wordt verstrekt, moet een verklaring over de professionele toepassing van het product in de tuinbouw worden gevoegd.

De aanvrager moet de bevoegde instantie in kennis stellen van de aangeboden optie(s) voor de gestructureerde inzamel- en recyclingsdiensten en de resultaten van de uitgevoerde opties. De aanvrager moet in het bijzonder de volgende documentatie en informatie verstrekken:

—

documentatie van het contract tussen de fabrikant en de dienstverleners;

—

een beschrijving van de inzameling, verwerking en bestemmingen;

—

een jaarlijks overzicht van het totale verkoopvolume van groeimedia in de lidstaten van de Europese Unie en een jaarlijks overzicht van het verkoopvolume in gebieden in de lidstaten waar inzameling en verwerking worden aangeboden.

Voor nieuwe aanvragers moet een schatting worden verstrekt van het jaarlijkse overzicht van het totale verkoopvolume van de groeimedia in de lidstaten van de EU en een schatting van het jaarlijks overzicht van het verkoopvolume in gebieden in de lidstaten waar inzameling en verwerking worden aangeboden. De daadwerkelijke gegevens moeten een jaar na verlening van de EU-milieukeur worden overlegd.

Criterium 3 — Organische bestanddelen en gerecycleerde/teruggewonnen materialen in groeimedia

Dit criterium is uitsluitend van toepassing op groeimedia.

Groeimedia bestaan uit organische of gerecycleerde/teruggewonnen inhoud, overeenkomstig een van de volgende criteria:

a)

het groeimedium bestaat uit ten minste 30 % organische bestanddelen (uitgedrukt als volume van de organische bestanddelen per totaal volume van het product);

b)

het groeimedium bestaat uit minerale bestanddelen die zijn vervaardigd volgens een proces waarbij ten minste 30 % gerecycleerde/teruggewonnen materialen is gebruikt (uitgedrukt als het droge gewicht van de gerecycleerde/teruggewonnen materialen per totaal droog gewicht van de inputmaterialen).

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de volgende informatie verstrekken:

—

in geval a): volume van de in criterium 1 aangegeven organische bestanddelen per totaal volume van het product;

—

in geval b): droog gewicht van de gerecycleerde/teruggewonnen materialen per totaal droog gewicht van de inputmaterialen.

In geval b) moet de aanvrager eveneens de volgende informatie over de minerale bestanddelen verstrekken:

—

de identificatie van inputgrondstoffen, met vermelding van hoeveelheden (als droog gewicht) en de herkomst;

—

de identificatie van de input aan gerecycleerd/teruggewonnen materiaal, met vermelding van de hoeveelheid en de herkomst, die moet worden gestaafd met een factuur of controledocumenten die zijn verstrekt door de leverancier van het materiaal.

Criterium 4 — Aan beperkingen onderworpen stoffen

Criterium 4.1 — Grenswaarden voor zware metalen

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

Criterium 4.1 a) — Grenswaarden voor zware metalen in bodemverbeteraars

Het gehalte van de volgende elementen in het product moet lager zijn dan de waarden in tabel 2, gemeten aan de hand van de droge stof (DS) in het product.

Tabel 2

Grenswaarden voor zware metalen voor bodemverbeteraars

Zware metalen

Maximumgehalte in het product (mg/kg DS)

Cadmium (Cd)

1

Chroom totaal (Cr totaal)

100

Koper (Cu)

200

Kwik (Hg)

0,45

Nikkel (Ni)

40

Lood (Pb)

100

Zink (Zn)

300

Anorganisch arseen (As)

10

Criterium 4.1 b) — Grenswaarden voor zware metalen in groeimedia

Het gehalte van de volgende elementen in het product moet lager zijn dan de waarden in tabel 3, gemeten aan de hand van de droge stof (DS) in het product.

Tabel 3

Grenswaarden voor zware metalen voor groeimedia

Zware metalen

Maximumgehalte in het product (mg/kg DS)

Minerale groeimedia

Groeimedia andere dan minerale groeimedia

Cadmium (Cd)

1,3

1,3

Chroom totaal (Cr totaal)

310

100

Chroom VI (Cr VI)

2

Niet van toepassing

Koper (Cu)

200

200

Kwik (Hg)

0,45

0,45

Nikkel (Ni)

40

40

Lood (Pb)

100

100

Zink (Zn)

300

300

Anorganisch arseen (As)

10

10

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie de verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de bestaande EN-normen of testprocedures die op betrouwbare en reproduceerbare wijze worden uitgevoerd.

Voor het totale chroomgehalte moet de aanvrager de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 13650.

In groeimedia met uitsluitend minerale bestanddelen moet de grenswaarde voor nikkel verwijzen naar het biologisch beschikbare gehalte ervan.

Criterium 4.2 — Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

Het gehalte van de volgende polycyclische aromatische koolwaterstoffen in het product moet lager zijn dan de waarden in tabel 4, gemeten aan de hand van de droge stof van het product.

Tabel 4

PAK-grenswaarde

Verontreinigende stof

Maximumgehalte in het product (mg/kg DS)

PAK16

6

PAK16 = de som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 16181.

Criterium 4.3 — Beperkingen op stoffen en mengsels die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 als gevaarlijk zijn ingedeeld

Het criterium is van toepassing op bodemverbeteraars en groeimedia.

Het product wordt niet ingedeeld overeenkomstig de gevarenklassen, gevarencategorieën en daarmee verbandhoudende gevarenaanduidingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 die in het volgende lid zijn vermeld.

Het product mag geen bewust toegevoegde stoffen of mengsels in een hogere concentratie dan 0,010 % m/m bevatten waaraan, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, een van de volgende gevarenklassen, gevarencategorieën of daarmee verband houdende gevarenaanduidingen zijn toegewezen:

—

gevaren van groep 1: kankerverwekkend, mutageen en/of giftig voor de voortplanting (CMR) van categorie 1A of 1B: H340, H350, H350i, H360, H360F, H360D, H360FD, H360Fd, H360Df;

—

gevaren van groep 2: CMR categorie 2: H341, H351, H361, H361f, H361d, H361fd, H362; aquatische toxiciteit categorie 1: H400, H410; acute toxiciteit van categorie 1 en 2: H300, H310, H330; aspiratietoxiciteit van categorie 1: H304; specifieke doelorgaantoxiciteit (STOT) van categorie 1: H370, H372, en

—

gevaren van groep 3: aquatische toxiciteit categorie 2, 3 en 4: H411, H412, H413; acute toxiciteit van categorie 3: H301, H311, H331; STOT van categorie 2: H371, H373.

De gevarenaanduidingen verwijzen in het algemeen naar stoffen. Indien echter geen informatie over de stoffen kan worden verkregen, gelden de indelingsregels voor mengsels.

Uitgesloten van bovenstaande eis is het gebruik van stoffen of mengsels waarvan de chemische samenstelling tijdens het productieproces dusdanig verandert dat het desbetreffende gevaar waarvoor de stof of het mengsel op grond van Verordening (EG) nr. 1272/2008 is ingedeeld, niet meer van toepassing is.

Dit criterium is niet van toepassing op bestanddelen die bestaan uit:

—

stoffen die niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1907/2006 vallen, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van die verordening;

—

stoffen die vallen onder artikel 2, lid 7, punt b), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, waarin de criteria worden vastgesteld voor het vrijstellen van onder bijlage V bij deze verordening vallende stoffen van de voorschriften voor registratie, downstreamgebruikers en beoordeling.

Om te bepalen of deze vrijstelling van toepassing is, moet de aanvrager een screening uitvoeren van alle bewust toegevoegde stoffen of mengsels die met een concentratie van boven de 0,010 % m/m (op basis van nat gewicht) in het product aanwezig zijn.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een lijst verstrekken van alle relevante bestanddelen en chemische stoffen die tijdens het productieproces bewust zijn toegevoegd, samen met de relevante veiligheidsinformatiebladen of verklaringen van de leverancier van chemische stoffen waaruit blijkt dat aan de eis is voldaan.

Bestanddelen of chemische stoffen die stoffen of mengsels bevatten die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld, moeten worden gemarkeerd.

De bij benadering aangegeven dosering van het bestanddeel of de chemische stof, de concentratie van de stof of het mengsel waarvoor een beperking geldt, in dat bestanddeel of die chemische stof (zoals aangegeven in het veiligheidsinformatieblad of de verklaring van de leverancier) en een veronderstelde retentiefactor van 100 % worden gebruikt om te schatten hoeveel van de stof of het mengsel waarvoor een beperking geldt in het product overblijft.

Eventuele afwijkingen van de retentiefactor van 100 % of wegens een chemische wijziging van een gevaarlijke stof of een gevaarlijk mengsel waarvoor een beperking geldt, moeten schriftelijk worden gerechtvaardigd.

Voor bestanddelen of stoffen die vrijgesteld zijn van criterium 4.3 (zie de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 1907/2006), volstaat een verklaring dienaangaande door de aanvrager.

Voor minerale wol moet de aanvrager eveneens het volgende verstrekken:

a)

een kopie van een certificaat dat het recht geeft het handelsmerk van de European Certification Board for Mineral Wool Products te gebruiken om naleving van Noot Q van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 aan te tonen;

b)

een kopie van een testverslag overeenkomstig ISO 14184-1 Textiel — Bepaling van formaldehyde — Deel 1: Vrij en gehydrolyseerd formaldehyde.

De bovenstaande bewijsstukken kunnen ook rechtstreeks aan de bevoegde instanties worden verstrekt door een leverancier in de toeleveringsketen van de aanvrager.

Criterium 4.4 — Beperkingen op zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1907/2006

Het criterium is van toepassing op bodemverbeteraars en groeimedia.

Het product mag geen bewust toegevoegde stoffen bevatten die voldoen aan de criteria van artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en die volgens de procedure van artikel 59 van die verordening zijn vastgesteld en in de kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen (SVHCs) voor authorisatie zijn opgenomen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat hij tijdens zijn productieproces niet bewust SVHCs heeft toegevoegd. Ter staving hiervan moet de aanvrager verklaringen en veiligheidsinformatiebladen voor alle geleverde chemische stoffen en materialen die zijn gebruikt voor de productie van het product/de producten met de EU-milieukeur bij deze verklaring voegen.

Criterium 4.5 — Microbiologische criteria

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars, met uitzondering van minerale groeimedia.

Het gehalte van primaire ziekteverwekkers in het product mag niet hoger zijn dan de maximumwaarden in tabel 5.

Tabel 5

Voorgestelde grenswaarde voor ziekteverwekkers

Te testen micro-organismen

Bemonsteringsplannen

Grenswaarde

n

c

m

M

Salmonella spp.

5

0

0

Afwezig in 25 g of 25 ml

Escherichia coli of Enterococcaceae

5

5

0

1 000 kve in 1 g of 1 ml

kve = kolonievormende eenheden

waarbij:

—

n het aantal te testen monsters is;

—

c het aantal monsters is waarvan het aantal bacteriën uitgedrukt in kve tussen m en M ligt;

—

m de drempelwaarde is voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve dat bevredigend wordt geacht, en

—

M de maximumwaarde voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve is.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedures van tabel 6.

Tabel 6

Standaardtestmethoden voor de detectie van specifieke ziekteverwekkers

Parameter

Testmethode

E. coli

CEN/TR 16193 of ISO 16649-2 of EN ISO 9308-3

Salmonella spp.

EN ISO 6579 of CEN/TR 15215

Enterococcacea

EN 15788 of EN ISO 7899-1 of BEA-methode

Criterium 5 — Gebruiksgeschiktheid

Criterium 5.1 — Stabiliteit

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars, met uitzondering van volledig uit lignocellulosische bestanddelen bestaand strooisel en minerale groeimedia.

Bodemverbeteraars voor niet-professionele toepassingen en groeimedia voor alle toepassingen moeten voldoen aan een van de eisen in Tabel 7.

Tabel 7

Stabiliteitseisen voor bodemverbeteraars voor niet-professionele toepassingen en groeimedia voor alle toepassingen

Stabiliteitsparameter

Eis

Maximale respirometrische index

15 mmol O2/kg organische stof/uur

Minimale Rottegrad-waarde, indien van toepassing

IV (maximale temperatuurstijging van 20 °C boven de omgevingstemperatuur bij de zelfverhittingstest)

Bodemverbeteraars voor professionele toepassingen en groeimedia voor alle toepassingen moeten voldoen aan een van de eisen in Tabel 8.

Tabel 8

Stabiliteitseisen voor bodemverbeteraars voor professionele toepassingen

Stabiliteitsparameter

Eis

Maximale respirometrische index

25 mmol O2/kg organische stof/uur

Minimale Rottegrad-waarde, indien van toepassing

III (maximale temperatuurstijging van 30 °C boven de omgevingstemperatuur bij de zelfverhittingstest)

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedures van tabel 9.

Tabel 9

Standaardtestmethoden voor de vaststelling van stabiliteitsparameters

Parameter

Testmethode

Respirometrische index

EN 16087-1

Rottegrad-waarde

EN 16087-2

Criterium 5.2 — Macroscopische onzuiverheden

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars, met uitzondering van minerale groeimedia:

a)

ten hoogste 3 g/kg droge stof macroscopische onzuiverheden groter dan 2 mm in enige vorm van glas of metaal;

b)

ten hoogste 2,5 g/kg droge stof macroscopische onzuiverheden groter dan 2 mm in de vorm van plastic, en

c)

in totaal ten hoogste 5 g/kg droge stof macroscopische onzuiverheden als bedoeld in de punten a) en b).

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedures in de technische specificatie CEN/TS 16202 of een andere door de bevoegde instantie goedgekeurde, gelijkwaardige testprocedure.

Criterium 5.3 — Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

Dit criterium is van toepassing op bodemverbeteraars.

De organische stof als gloeiverlies van het product mag niet lager zijn dan 15 % droge massa of 8,5 % van het gehalte aan organische koolstof (Corg).

Het gehalte droge stof van het product mag niet lager zijn dan 25 % van het versgewicht (% VG).

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie verslagen verstrekken van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testprocedures van tabel 10.

Indien de naleving wordt beoordeeld op basis van organische stof, wordt de volgende omrekeningsfactor toegepast: organische koolstof (Corg) = organische stof × 0,56

Tabel 10

Standaardtestmethoden voor de bepaling van droge stof, organisch materiaal en totaal gehalte aan organische koolstof (TOK)

Parameter

Testmethode

Droge stof (% VG)

EN 13040

Organisch materiaal als gloeiverlies (% drooggewicht)

EN 13039

Totaal organische koolstof (TOK) (% drooggewicht)

EN 15936

Criterium 5.4 — Levensvatbare onkruidzaden en plantpropagulen

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars, met uitzondering van minerale groeimedia.

In het product mag het aantal levensvatbare onkruidzaden en plantpropagulen niet meer dan twee eenheden per liter bedragen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie een verslag verstrekken van een test die is uitgevoerd overeenkomstig de testprocedures in de technische specificatie CEN/TS 16201 of een andere door de bevoegde instantie goedgekeurde, gelijkwaardige testprocedure.

Criterium 5.5 — Plantreactie

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

De producten mogen geen nadelige gevolgen hebben voor het opkomen of de daaropvolgende groei van planten.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie een geldige test verstrekken die is uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 16086-1.

Criterium 6 — Eigenschappen van groeimedia

Dit criterium is uitsluitend van toepassing op groeimedia.

Criterium 6.1 — Elektrische geleidbaarheid

De elektrische geleidbaarheid van het product moet minder zijn dan 100 mS/m.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie het verslag verstrekken van de test die is uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 13038.

Criterium 6.2 — Natriumgehalte

Het natriumgehalte in waterextracten van het product mag niet meer dan 150 mg/l versgewicht van het product bedragen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie het verslag verstrekken van de test die is uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 13652.

Criterium 6.3 — Chloridegehalte

Het chloridegehalte in waterextracten van het product mag niet meer dan 500 mg/l versgewicht van het product bedragen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de bevoegde instantie het verslag verstrekken van de test die is uitgevoerd overeenkomstig de testprocedure van EN 16195.

Criterium 7 — Informatieverstrekking

Dit criterium is van toepassing op groeimedia en bodemverbeteraars.

Naargelang het geval moet de onder criterium 7.1 of 7.2 vermelde informatie worden verstrekt.

De informatie moet op de verpakking van het product of in de begeleidende documenten worden vermeld.

Een EU-bemestingsproduct dat overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1009 onder productfunctiecategorie 3.A (Organische bodemverbeteraar) of productfunctiecategorie 4 (Groeimedium) valt, wordt geacht aan de eis te voldoen.

Voor minerale groeimedia omvat de verstrekking van informatie een verklaring over de professionele toepassing in de tuinbouw.

Criterium 7.1 — Bodemverbeteraars

a)

De naam en het adres van de organisatie die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product;

b)

een aanduiding die het producttype aangeeft, waarin de term “BODEMVERBETERAAR” is opgenomen;

c)

het codenummer van de partij;

d)

de hoeveelheid (aangegeven in massa of volume);

e)

het vochtgehalte of het gehalte aan droge stof, uitgedrukt in massaprocent;

f)

een lijst van alle bestanddelen die meer dan 5 % van het productgewicht of -volume uitmaken, in afnemende volgorde van grootte van het drooggewicht; indien het bestanddeel een stof of een mengsel is, wordt het vermeld zoals nader bepaald in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

g)

de aanbevolen opslagomstandigheden en de aanbevolen uiterste gebruiksdatum;

h)

instructies voor het veilig hanteren en gebruiken, inclusief alle relevante informatie over aanbevolen maatregelen voor het beheer van risico’s voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu;

i)

instructies voor het beoogde gebruik, met inbegrip van de doseringen, het tijdschema, de frequentie en de doelplanten of -paddenstoelen;

j)

pH;

k)

elektrische geleidbaarheid uitgedrukt in mS/m, behalve voor minerale wol;

l)

gehalte aan organische stof of organische koolstof (Corg), uitgedrukt als massaprocent;

m)

minimumhoeveelheid organische stikstof (Norg), uitgedrukt als massaprocent, gevolgd door een beschrijving van de herkomst van het gebruikte organische materiaal;

n)

verhouding van organische koolstof tot totaal stikstof (Corg/N).

De volgende nutriënten moeten worden aangegeven, uitgedrukt als massaprocent, indien zij meer dan 0,5 % massaprocent bedragen: stikstof (N), fosforpentoxide (P2O5) of kaliumoxide (K2O).

Criterium 7.2 — Groeimedia

a)

De naam en het adres van de organisatie die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product;

b)

een aanduiding die het producttype aangeeft, waarin de term “GROEIMEDIUM” is opgenomen;

c)

het codenummer van de partij;

d)

de hoeveelheid,

—

voor pluggen minerale wol uitgedrukt in aantal stuks, en de diameter en de hoogte daarvan;

—

voor minerale wol met een andere vorm dan pluggen uitgedrukt in aantal stuks en de lengte, hoogte en breedte daarvan;

—

voor andere voorgevormde groeimedia uitgedrukt als de omvang in ten minste twee dimensies;

—

voor andere groeimedia uitgedrukt als het totale volume;

—

behalve voor voorgevormde groeimedia, hoeveelheid uitgedrukt als volume van materialen met een deeltjesgrootte van meer dan 60 mm, indien aanwezig;

e)

het vochtgehalte of het gehalte aan droge stof, uitgedrukt in massaprocent;

f)

een lijst van alle bestanddelen die meer dan 5 % van het productgewicht of -volume uitmaken, in afnemende volgorde van grootte van het drooggewicht; indien het bestanddeel een stof of een mengsel is, wordt het vermeld zoals nader bepaald in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

g)

de aanbevolen opslagomstandigheden en de aanbevolen uiterste gebruiksdatum en de productiedatum;

h)

instructies voor het veilig hanteren en gebruiken, inclusief alle relevante informatie over aanbevolen maatregelen voor het beheer van risico’s voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor de veiligheid of voor het milieu;

i)

instructies voor het beoogde gebruik, met inbegrip van de doseringen, het tijdschema, de frequentie en de doelplanten of -paddenstoelen;

j)

pH;

k)

elektrische geleidbaarheid uitgedrukt in mS/m, behalve voor minerale wol;

l)

een verklaring over de stabiliteit van organische stof (stabiel of zeer stabiel);

m)

stikstof (N), extraheerbaar door CaCl2/DTPA (calciumchloride/diethyleentriaminepenta-azijnzuur; “CAT-oplosbaar”), indien hoger dan 150 mg/l;

n)

fosforpentoxide (P2O5), extraheerbaar door CaCl2/DTPA (calciumchloride/diethyleentriaminepenta-azijnzuur; “CAT-oplosbaar”), indien hoger dan 20 mg/l;

o)

kaliumoxide (K2O), extraheerbaar door CaCl2/DTPA (calciumchloride/diethyleentriaminepenta-azijnzuur; “CAT-oplosbaar”), indien hoger dan 150 mg/l;

p)

Chroom totaal (Cr totaal), gekwantificeerd volgens criterium 4.1 b), indien meer dan 200 mg/kg DS;

q)

een verklaring over de professionele tuinbouwtoepassing, in het geval van minerale groeimedia.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet verklaren dat het product aan dit criterium voldoet, en de bevoegde instantie voorzien van de gebruikersinformatie op de verpakking of op de begeleidende informatiebladen.

Criterium 8 — Informatie op de EU-milieukeur

Als gebruik wordt gemaakt van het facultatieve etiket met tekstvak, dan bevat dit de volgende drie verklaringen:

—

bevordert de recycling van materialen;

—

bevordert het gebruik van materialen die op een duurzamere manier worden geproduceerd, waardoor aantasting van het milieu wordt beperkt.

Voor bodemverbeteraars moet de volgende aanvullende informatie worden vermeld:

—

draagt bij aan de vermindering van bodem- en waterverontreiniging.

De aanvrager volgt de instructies voor het juiste gebruik van het logo van de EU-milieukeur die in de richtsnoeren voor het logo van de EU-milieukeur worden gegeven:

https://ec.europa.eu/environment/ecolabel/

Beoordeling en controle

De aanvrager verstrekt een verklaring van conformiteit met dit criterium, met een afbeelding in hoge resolutie van de verpakking van het product waarop duidelijk het etiket, het registratie/vergunningsnummer en, indien van toepassing, de verklaringen die samen met het etiket kunnen zijn afgebeeld, worden getoond.


(1)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(4)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(5)  Soorten afvalstoffen en referentiecodes overeenkomstig Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).

(6)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2402 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot herziening van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/877/EU van de Commissie (PB L 333 van 19.12.2015, blz. 54).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1).

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 59 van 27.2.2019, blz. 8).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 94).

(11)  Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).

(13)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(14)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(15)  Europese Commissie, Directoraat-generaal Milieu, Richtsnoeren betreffende winning van niet-energetische delfstoffen en Natura 2000: Een samenvatting. Publicatiebureau, 2019, https://data.europa.eu/doi/10.2779/985239

(16)  Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (PB L 38 van 10.2.1982, blz. 3).


Aanhangsel 1

Bemonsterings- en testfrequentie voor het aanvraagjaar

Type installatie

Criterium

Jaarlijkse input/output

Testfrequentie

Type 1: Installaties voor de verwerking van afval/dierlijke bijproducten

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Microbiologische criteria

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Input (t) ≤ 3 000

1 per 1 000  ton inputmateriaal, afgerond op het volgende gehele getal

3 000 < input (t) < 20 000

4 (een monster per seizoen)

Input (t) ≥ 20 000

aantal analyses per jaar = hoeveelheid jaarlijks inputmateriaal (in ton)/10 000  ton + 1

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Input (t) ≤ 3 000

1

3 001 < input (t) < 10 000

2

10 001 < input (t) < —  20 000

3

20 001 < input (t) < 40 000

4

40 001 < input (t) < 60 000

5

60 001 < input (t) < 80 000

6

80 001 < input (t) < 100 000

7

100 001 < input (t) < 120 000

8

120 001 < input (t) < 140 000

9

140 001 < input (t) < 160 000

10

160 001 < input (t) < 180 000

11

Input (t) ≥ 180 000

12

Type 2: Installaties voor de vervaardiging van producten die gebruikmaken van materialen afkomstig van afval/dierlijke bijproducten, met uitzondering van afvalverwerkingsinstallaties

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Microbiologische criteria

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Output (m3) ≤ 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 2 verschillende partijen overeenkomstig EN 12579 (1)

Output (m3) > 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 4 verschillende partijen overeenkomstig EN 12579

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Output (m3) ≤ 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579

Output (m3) > 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 2 verschillende partijen overeenkomstig EN 12579

Type 3: Productie-installaties waar GEEN materialen worden gebruikt die zijn gewonnen uit afval of dierlijke bijproducten

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Microbiologische criteria

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Output (m3) ≤ 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579

Output (m3) > 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 2 verschillende partijen overeenkomstig EN 12579

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Ongeacht de input/output

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579


(1)  EN 12579 Bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten — Bemonstering.


Aanhangsel 2

Bemonsterings- en testfrequentie voor volgende jaren

Type installatie

Criterium

Jaarlijkse input/output

Testfrequentie

Type 1: Installaties voor de verwerking van afval/dierlijke bijproducten

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Ziekteverwekkers

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Input (t) ≤ 1 000

1

Input (t) > 1 000

aantal analyses per jaar = hoeveelheid jaarlijks inputmateriaal (in ton)/10 000  ton + 1

minimaal 2 en maximaal 12

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Input (t) ≤ 10 000

0,25 (eens per 4 jaar)

10 001 < input (t) < 25 000

0,5 (eens per 2 jaar)

25 001 < input (t) < 50 000

1

50 001 < input (t) < 100 000

2

100 001 < input (t) < 150 000

3

150 001 < input (t) < 200 000

4

200 001 < input (t) < 250 000

5

250 001 < input (t) < 300 000

6

300 001 < input (t) < 350 000

7

350 001 < input (t) < 400 000

8

400 001 < input (t) < 450 000

9

450 001 < input (t) < 500 000

10

500 001 < input (t) < 550 000

11

Input (t) ≥ 550 000

12

Type 2: Installaties voor de vervaardiging van producten die gebruikmaken van materialen afkomstig van afval/dierlijke bijproducten, met uitzondering van afvalverwerkingsinstallaties

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Ziekteverwekkers

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Output (m3) ≤ 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579

Output (m3) > 5 000

Representatieve gecombineerde monsters van 2 verschillende partijen overeenkomstig EN 12579

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Output (m3) ≤ 15 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579, eens per vier jaar

15 000 < Output (m3) < 40 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579, eens per twee jaar

Output (m3) ≥ 40 000

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579, een keer per jaar

Type 3: Productie-installaties waar GEEN materialen worden gebruikt die zijn gewonnen uit afval of dierlijke bijproducten

4.1 —

Grenswaarden voor zware metalen

4.5 —

Ziekteverwekkers

5.1 —

Stabiliteit

5.2 —

Macroscopische onzuiverheden

5.3 —

Organische stof en droge stof in bodemverbeteraars

5.4 —

Levensvatbare zaden en plantpropagulen

5.5 —

Plantreactie

6 —

Eigenschappen van groeimedia

Ongeacht de input/output

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579

4.2 —

Grenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

Ongeacht de input/output

Representatieve gecombineerde monsters van 1 partij overeenkomstig EN 12579, eens per vier jaar


19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/166


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/1245 VAN DE COMMISSIE

van 15 juli 2022

tot vaststelling van regels en procedures voor de toepassing van Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de deelname van de lidstaten aan het SST-subonderdeel, de oprichting van het SST-partnerschap en de ontwikkeling van de eerste kernprestatie-indicatoren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, leden 3 en 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) is een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring (Space Surveillance and Tracking, SST) opgericht. Op basis van dat besluit heeft een groep lidstaten het SST-consortium opgericht met als doel de volgende SST-diensten aan te bieden: het beoordelen van het risico op botsingen, het detecteren en typeren van versplinteringen in de omloopbaan, en het beoordelen van het risico bij ongecontroleerde terugkeer van ruimteobjecten in de dampkring van de aarde.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2021/696 omvatten de algemene doelstellingen van het ruimtevaartprogramma van de Unie onder meer het verbeteren van de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van alle ruimtevaartactiviteiten in verband met ruimteobjecten en de snelle verspreiding van ruimteschroot, alsmede van de ruimteomgeving, door uitvoering van gepaste maatregelen, waaronder de ontwikkeling en inzet van technologieën voor het opruimen van ruimtevaartuigen aan het einde van hun levensduur en voor het opruimen van ruimteschroot.

(3)

Het in artikel 58, lid 2, van Verordening (EU) 2021/696 bedoelde SST-partnerschap moet de door het SST-consortium uitgevoerde activiteiten met betrekking tot de verlening van SST-diensten op het niveau van de Unie overnemen, waarbij een soepele overgang en de continuïteit van de verlening van SST-diensten worden gewaarborgd.

(4)

Overeenkomstig artikel 57 van Verordening (EU) 2021/696 moet elke lidstaat aan het SST-subonderdeel kunnen deelnemen, met inachtneming van de desbetreffende criteria. Om de deelname van de lidstaten aan te moedigen, moeten de stappen van de procedure zo duidelijk mogelijk worden beschreven.

(5)

De deelname van de lidstaten aan het SST-partnerschap is vrijwillig en afhankelijk van de beoordeling of aan de criteria wordt voldaan. Het is daarom belangrijk dat de selectieprocedure duidelijk wordt omschreven en gestroomlijnd.

(6)

Overeenkomstig artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 moeten de lidstaten één enkel gezamenlijk voorstel indienen dat alle lidstaten omvat die aan het SST-partnerschap wensen deel te nemen. Indien echter geen gezamenlijk voorstel is ingediend bij de Commissie of het gezamenlijk voorstel niet aan de in artikel 57, lid 1, genoemde criteria voldoet, mogen, overeenkomstig artikel 57, lid 3, ten minste vijf lidstaten een gezamenlijk voorstel bij de Commissie indienen.

(7)

Op grond van artikel 57, lid 3, mogen de lidstaten concurrerende aanbiedingen indienen. Wanneer concurrerende aanbiedingen worden ingediend, selecteert de Commissie er één.

(8)

Overeenkomstig artikel 57 van Verordening (EU) 2021/696 moeten regels worden opgesteld voor het gebruik en de uitwisseling van SST-gegevens.

(9)

Het voorstel van de lidstaten moet voldoen aan de criteria en specificaties van artikel 57, lid 1, van die verordening en aan die van dit besluit.

(10)

De individuele voorwaarden, collectieve voorwaarden en gedetailleerde regels voor de werking van het organisatorische kader voor de deelname van de lidstaten aan SST moeten gebaseerd zijn op de door het SST-consortium ontwikkelde praktijken en erop gericht zijn de levering van zo efficiënt mogelijke SST-diensten en de beste prijs-kwaliteitverhouding te waarborgen.

(11)

In het kader van de activiteiten van het SST-consortium in de afgelopen zes jaar zijn kernprestatie-indicatoren ontwikkeld. Deze hebben tot doel de kwaliteit van de SST-diensten te controleren.

(12)

Om de oprichting van het SST-partnerschap te waarborgen, moet een transparante en soepele procedure voor de deelname van de lidstaten worden ingevoerd. Elke stap van de procedure moet worden aangegeven en de criteria waarop de selectie zal worden gebaseerd, moeten worden opgesomd en gedetailleerd worden beschreven.

(13)

Na de oprichting van het SST-partnerschap is het nodig kernprestatie-indicatoren te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat er correct toezicht wordt gehouden op de activiteiten van het SST-partnerschap.

(14)

Opdat het SST-partnerschap operationeel kan worden, moet voor een soepele overgang van de activiteiten van het bij Besluit nr. 541/2014/EU opgerichte SST-consortium naar het SST-partnerschap worden gezorgd en moet het SST-partnerschap samenwerken met de door de Commissie overeenkomstig artikel 59, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 geselecteerde SST-frontdesk. De Commissie, die overeenkomstig artikel 28, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 de algemene verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van het ruimtevaartprogramma, moet ten minste drie maanden na de ondertekening van het SST-partnerschap in kennis worden gesteld van de vorderingen van het SST-partnerschap met betrekking tot de voltooiing van zijn operationele capaciteit om SST-diensten te verlenen.

(15)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het SSA-Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Dit besluit bevat gedetailleerde bepalingen betreffende de procedures voor de deelname van de lidstaten aan het partnerschap voor ruimtebewaking en monitoring (SST-partnerschap), zoals bedoeld in artikel 58, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696.

2.   In dit besluit worden de elementen gespecificeerd die noodzakelijk zijn voor de lidstaten om te kunnen voldoen aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 voor de oprichting van het SST-partnerschap, zoals bedoeld in artikel 57, lid 4, van Verordening (EU) 2021/696.

3.   Dit besluit stelt de eerste kernprestatie-indicatoren en regels voor de werking van het SST-partnerschap vast, zoals bedoeld in artikel 58, lid 3, van Verordening (EU) 2021/696.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van bijlage IV en wordt daarnaast verstaan onder:

1.

“SST-consortium”: het consortium van aangewezen nationale instanties dat is opgericht op grond van artikel 7, lid 3, van Besluit nr. 541/2014/EU;

2.

“het voorstel”: het ontwerp van de SST-partnerschapsovereenkomst en alle in bijlage III vermelde documenten die door de aanvragende lidstaten als onderdeel van hun voorstel aan de Commissie moeten worden toegezonden;

3.

“aanvragende lidstaten”: de lidstaten die een gezamenlijk voorstel betreffende deelname aan het SST-partnerschap hebben ingediend;

4.

“jaarlijkse operationele evaluaties”: de monitoring, door middel van een jaarlijkse “operationele evaluatie”, van de operationele activiteiten, met inbegrip van de exploitatie van de dienstverleningsfunctie, de exploitatie van de verwerkingsfunctie en de exploitatie van de sensorfunctie, teneinde het globale gedrag van het EU-SST-systeem te evalueren en de algemene prestaties en beschikbaarheid ervan te beheren;

5.

“deelnemende lidstaten”: de lidstaten die deelnemen aan het SST-partnerschap.

Artikel 3

Gerubriceerde informatie

1.   Wanneer het voorstel gerubriceerde informatie bevat, zijn Besluit 2013/488/EU van de Raad (3) en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (4) van toepassing. Het rubriceringsniveau van de informatie mag niet hoger liggen dan “RESTREINT UE/EU RESTRICTED”.

2.   Wanneer het voorstel gerubriceerde informatie bevat, wordt een samenvatting opgenomen die geen gerubriceerde informatie bevat.

AFDELING II

BEPALINGEN BETREFFENDE DE PROCEDURES VOOR DE OPRICHTING VAN HET SST-PARTNERSCHAP

Artikel 4

Procedure voor de indiening van een gezamenlijk voorstel op grond van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696

1.   De aanvragende lidstaten stellen een gezamenlijk voorstel op en dienen dit in bij de Commissie. Met betrekking tot het voorstel wordt voldaan aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696, zoals uiteengezet in artikel 7 van dit besluit.

2.   De Commissie beoordeelt het voorstel. De Commissie kan met de aanvragende lidstaten communiceren door het in artikel 7, lid 1, bedoelde contactpunt van de lidstaten vragen en opmerkingen over het voorstel te sturen. De aanvragende lidstaten antwoorden binnen vier weken en werken het voorstel zo nodig bij. De antwoorden worden toegezonden door de lidstaat die is aangewezen als contactpunt voor uitwisselingen met de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 1.

3.   De aanvragende lidstaten worden in kennis gesteld van het resultaat van de door de Commissie uitgevoerde analyse, zowel per aangetekende post als langs elektronische weg.

4.   Het in lid 1 bedoelde voorstel wordt ingediend binnen een termijn van 18 maanden na de bekendmaking van Verordening (EU) 2021/696. Op verzoek van de lidstaten of de Commissie kan deze termijn met 3 maanden worden verlengd.

Artikel 5

Procedurele stappen voor de indiening van een voorstel op grond van artikel 57, lid 3, van Verordening (EU) 2021/696

Wanneer geen gezamenlijk voorstel is ingediend overeenkomstig artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 of de Commissie van oordeel is dat een aldus ingediend gezamenlijk voorstel niet voldoet aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696, wordt een tweede fase geopend. Die fase omvat de volgende stappen:

1.

ten minste vijf aanvragende lidstaten stellen een of meer voorstellen op en dienen deze in bij de Commissie. Elke lidstaat mag slechts bij één voorstel betrokken zijn. Met betrekking tot het (de) voorstel(len) wordt voldaan aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696, zoals uiteengezet in artikel 7 van dit besluit;

2.

de Commissie beoordeelt het (de) voorstel(len). De Commissie kan met de aanvragende lidstaten communiceren door de in artikel 7 genoemde contactpunten van de lidstaten vragen en opmerkingen over het voorstel te sturen. De aanvragende lidstaten antwoorden binnen vier weken en werken het voorstel zo nodig bij. De antwoorden worden toegezonden door de lidstaat die is aangewezen als contactpunt voor uitwisselingen met de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 1;

3.

in het geval dat één enkel voorstel is ingediend, beoordeelt de Commissie of aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696, zoals uiteengezet in dit besluit, is voldaan;

4.

in het geval dat meerdere voorstellen zijn ingediend, selecteert de Commissie de aanbieding die, rekening houdend met de vervulling van de selectiecriteria, de beste prestaties waarborgt. De selectie vindt plaats op basis van de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696, zoals uiteengezet in dit besluit. De Commissie houdt rekening met de volgende kwalitatieve elementen:

a)

de beste functionele en technische architectuur;

b)

het beginsel dat onnodige doublures moeten worden vermeden;

c)

aantonen van de prestaties van het voorgestelde SST-systeem;

5.

het (de) in lid 1 bedoelde voorstel(len) wordt/worden ingediend binnen 2 maanden na het besluit van de Commissie overeenkomstig artikel 57, lid 3, van Verordening (EU) 2021/696 om een gezamenlijk voorstel te verwerpen, respectievelijk binnen 2 maanden na het verstrijken van de in artikel 4, lid 4, vastgestelde termijn indien geen gezamenlijk voorstel is ingediend overeenkomstig artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696.

Artikel 6

Ondertekening, bekendmaking van de informatie en overige regelingen

1.   De oprichtende nationale entiteiten ondertekenen de SST-partnerschapsovereenkomst binnen zes weken na de aanvaarding van het voorstel door de Commissie. Indien een dergelijke overeenkomst niet wordt ondertekend, wordt de procedure van artikel 57, lid 3, van Verordening (EU) 2021/696 ingeleid.

2.   De SST-partnerschapsovereenkomst wordt aan de Commissie toegezonden per aangetekende post of op een andere wijze waarmee de daadwerkelijke bezorgdatum en de geldigheid van het document wordt bevestigd; dit kan ook door middel van een elektronische handtekening zijn.

3.   De Commissie maakt op haar website een lijst met de deelnemende lidstaten bekend.

4.   Het SST-partnerschap treedt met betrekking tot de activiteiten van de SST-frontdesk rechtstreeks in contact met het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (EUSPA) om de nodige uitvoeringsregelingen overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EU) 2021/696 te treffen.

AFDELING III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE MATERIËLE ELEMENTEN VOOR DE OPRICHTING VAN HET SST-PARTNERSCHAP

Artikel 7

Gedetailleerde voorwaarden voor het aantonen dat aan de criteria van artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 wordt voldaan

1.   De aanvragende lidstaten wijzen uit hun midden een lidstaat aan die als contactpunt zal fungeren voor de communicatie met de Commissie, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2.

2.   Het voorstel omvat:

a)

het ontwerp van de SST-partnerschapsovereenkomst en alle in bijlage III vermelde documenten;

b)

de naam en de contactgegevens van de overeenkomstig lid 1 aangewezen aanvragende lidstaat.

3.   Met betrekking tot het voorstel en de in lid 2, punt b), bedoelde informatie wordt voldaan aan de in bijlage I genoemde voorwaarden.

Artikel 8

Overige voorwaarden

Het voorstel moet aan onderstaand adres worden gericht:

SST — Eenheid B1

Europese Commissie

DG DEFIS

BREYDEL

Oudergemlaan 45

1049 Brussel

BELGIË

AFDELING IV

REGELS VOOR DE WERKING VAN HET ORGANISATORISCHE KADER VOOR DE DEELNAME VAN DE LIDSTATEN AAN HET SST-SUBONDERDEEL EN KERNPRESTATIE-INDICATOREN

Artikel 9

De werking van het organisatorische kader voor de deelname van de lidstaten aan SST

De deelnemende lidstaten zorgen ervoor dat het organisatorische kader voor hun deelname voldoet aan de voorwaarden van bijlage I.

Artikel 10

De kernprestatie-indicatoren

1.   De deelnemende lidstaten ontwikkelen de nodige mechanismen om de in bijlage II vermelde kernprestatie-indicatoren vast te stellen en te monitoren.

2.   Het SST-partnerschap brengt elk jaar in het kader van de jaarlijkse operationele evaluatie verslag uit aan de Commissie over de resultaten van de kernprestatie-indicatoren.

AFDELING V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Overgang van het SST-consortium naar het SST-partnerschap

1.   Het SST-partnerschap begint onmiddellijk na de ondertekening van de SST-partnerschapsovereenkomst met het opstarten van zijn activiteiten.

2.   Het SST-partnerschap treedt in contact met het in artikel 7, lid 3, van Besluit nr. 541/2014/EU bedoelde SST-consortium om een soepele overdracht van de activiteiten te waarborgen.

3.   De frontdesk wordt als operationeel beschouwd zodra alle activiteiten daaraan zijn overgedragen en de tussen de oprichtende nationale entiteiten en de frontdesk gesloten uitvoeringsregelingen zijn ondertekend.

4.   Het SST-partnerschap moet drie maanden na de ondertekening van de SST-partnerschapsovereenkomst kunnen beginnen met de verlening van SST-diensten.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69.

(2)  Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 227).

(3)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).

(4)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).


BIJLAGE I

INDIVIDUELE VOORWAARDEN, COLLECTIEVE VOORWAARDEN EN ORGANISATIE VAN DE DEELNAME VAN DE LIDSTATEN, ZOALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 4 EN 5

1.   INDIVIDUELE VOORWAARDEN

1.1.   Eigendom van of toegang tot een toereikende SST-sensor die beschikbaar is voor het SST-subonderdeel, alsmede de benodigde personele middelen om deze te doen functioneren:

1.1.1.   Eigendom van of toegang tot de SST-sensor

1.1.1.1.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad (1) wordt een lidstaat geacht over de eigendom van een SST-sensor te beschikken wanneer hij volgens zijn nationale recht over de juiste titel beschikt voor de sensor en de daardoor geproduceerde gegevens en deze ook in bezit heeft.

1.1.1.2.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 wordt een lidstaat geacht toegang tot een SST-sensor te hebben wanneer de door die sensor geproduceerde benodigde gegevens niet door een derde kunnen worden geweigerd en, in het geval van een trackingsensor, wanneer de lidstaat of de oprichtende nationale entiteit een verzoek tot inzet ervan kan doen.

1.1.2.   Toereikende SST-sensor

1.1.2.1.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 wordt een SST-sensor geacht operationeel toereikend te zijn als de sensor tot categorie A behoort (zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1).

1.1.2.2.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 wordt een SST-sensor geacht niet-operationeel toereikend te zijn als hij tot categorie B of C behoort (zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1).

1.1.3.   Sensor beschikbaar voor SST

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696:

1.1.3.1.

wordt een SST-sensor geacht operationeel beschikbaar te zijn voor SST: wanneer die sensor tot categorie A behoort, zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1, en aan ten minste een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de sensor is voor ten minste 20 % toegewezen aan de taken van het SST-partnerschap; voor trackingsensoren kan echter een lager percentage worden aanvaard indien de architectuurstudies dit rechtvaardigen;

b)

de SST-taak van de sensor heeft voorrang boven eventuele andere opdrachten van de sensor;

1.1.3.2.

wordt een SST-sensor geacht niet-operationeel beschikbaar te zijn voor SST wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de sensor is ingedeeld in categorie B of C (zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1);

b)

de lidstaat kan aantonen dat de technologische risico’s en de operationele risico’s worden beheerst.

1.1.4.   Technische en personele middelen voor het doen functioneren van de sensor

In het voorstel moet informatie worden opgenomen waaruit blijkt dat de benodigde technische en personele middelen beschikbaar zijn en blijven voor het doen functioneren van de sensor.

1.1.5.   Beveiliging van de SST-sensoren

1.1.5.1.

De lidstaat draagt de verantwoordelijkheid voor de beveiligingsaspecten van de voorgestelde SST-sensor.

1.1.5.2.

De lidstaat voert voor de voorgestelde SST-sensor een eerste risicobeoordeling uit en overlegt deze. De riscobeoordeling omvat:

—

de geschiktheid van de sensor voor de verwerking van gerubriceerde informatie;

—

de technische, contractuele en operationele maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat de door die sensor geproduceerde gegevens niet door een derde kunnen worden geweigerd en, in het geval van een trackingsensor, dat de sensor in staat is een verzoek tot inzet te ontvangen en uit te voeren en de resultaten ervan te verspreiden;

—

de bijbehorende restrisico’s.

1.2.   Eigendom van of toegang tot een toereikende capaciteit voor operationele analyse en capaciteit voor gegevensverwerking die specifiek zijn ontworpen voor SST-doeleinden en die beschikbaar zijn voor SST:

1.2.1.   Eigendom van of toegang tot de capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking met betrekking tot SST

1.2.1.1.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 wordt een lidstaat geacht over de eigendom van een capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking met betrekking tot SST te beschikken wanneer hij volgens zijn nationale recht over de juiste titel beschikt voor de capaciteit en de daardoor geproduceerde gegevens en informatie en deze ook in bezit heeft.

1.2.1.2.

Voor de toepassing van artikel 57, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/696 wordt een lidstaat geacht toegang te hebben tot een SST-capaciteit wanneer de door die capaciteit geproduceerde gegevens en informatie niet door een derde kunnen worden geweigerd.

1.2.1.3.

Een SST-capaciteit wordt in het kader van een bijdrage aan het SST-partnerschap geacht in ontwikkeling te zijn wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

—

de datum van inbedrijfstelling van de capaciteit is bekend, gaat vooraf aan de verlening van SST-diensten door het SST-partnerschap en ligt niet na 30 juni 2023;

—

de lidstaat kan aantonen dat de technologische risico’s worden beheerst en dat er op nationaal niveau investeringen zijn gedaan om die capaciteit te ontwikkelen.

1.2.2.   Toereikende capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking met betrekking tot SST

1.2.2.1.

Een capaciteit voor gegevensverwerking wordt geacht “toereikend” te zijn wanneer deze de hardware en software omvat die nodig zijn voor het verwerken van SST-gegevens en het produceren van de relevante SST-informatie en/of het leveren van SST-diensten. De capaciteit beschikt over de benodigde elementen om te allen tijde functioneel te zijn.

1.2.2.2.

Een capaciteit voor operationele analyse wordt geacht “toereikend” te zijn wanneer deze zowel de benodigde hard- en software als de gekwalificeerde analisten omvat om SST-informatie te kunnen genereren en SST-diensten te kunnen verlenen.

1.2.3.   Beveiliging van de capaciteiten

Om te voldoen aan de verplichting uit hoofde van artikel 57, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2021/696 worden de volgende elementen in het voorstel gemotiveerd.

1.2.3.1.

De aanvragende lidstaat draagt de verantwoordelijkheid voor de beveiligingsaspecten van de voorgestelde SST-capaciteiten.

1.2.3.2.

Een aanvragende lidstaat voert voor de voorgestelde SST-capaciteiten de eerste risicobeoordeling uit en overlegt deze. De eerste risicobeoordeling omvat met name:

—

de geschiktheid van de capaciteit voor de verwerking van gerubriceerde informatie;

—

de technische, contractuele en operationele maatregelen die zijn genomen om te waarborgen dat de capaciteit niet aan de oprichtende nationale entiteit van de lidstaat wordt onthouden;

—

de bijbehorende restrisico’s.

2.   COLLECTIEVE VOORWAARDEN EN GEDETAILLEERDE REGELS VOOR DE WERKING VAN HET ORGANISATORISCHE KADER VOOR DE DEELNAME VAN DE LIDSTATEN AAN SST

Om te voldoen aan de verplichting inzake het actieplan waarin artikel 57, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2021/696 voorziet, worden de volgende elementen in het voorstel opgenomen.

2.1.   Architectuur van het systeem van de Unie

2.1.1.   Beschikbaarstelling van een technische en functionele architectuur

Het SST-partnerschap dient een voorstel in dat een technische architectuur en een functionele architectuur van het SST-systeem omvat.

De voorgestelde technische architectuur is gebaseerd op en wordt gerechtvaardigd door architectuurstudies.

2.1.1.1.   Architectuurstudies

Het SST-partnerschap stelt een SST-systeem voor dat gebaseerd is op en gerechtvaardigd wordt door architectuurstudies.

Voor de architectuur van het operationele SST-systeem verstrekt het de architectuurstudie met inbegrip van de sensoren van categorie A (zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1).

Voor de architectuur van de “geplande evolutie van het SST-systeem” verstrekt het de architectuurstudie met inbegrip van de sensoren van categorie A en van de categorieën B en/of C (zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1), voor zover de nodige gegevens over de geplande sensoren beschikbaar zijn.

Architectuurstudies worden ten minste om de drie jaar uitgevoerd om rekening te houden met de mogelijke ontwikkeling van het SST-systeem, de behoeften van de gebruikers, de technische ontwikkeling, de toevoeging van nieuwe sensoren (rekening houdend met het SST-budget) en het niet langer voor SST inzetten van bepaalde sensoren.

2.1.1.2.   De algemene technische architectuur

In de algemene technische architectuur worden de afzonderlijke elementen van het SST-systeem weergegeven:

—

sensorfunctie;

—

verwerkingsfunctie, met inbegrip van: gegevens en informatie, databank en catalogus;

—

dienstenfunctie, om de verlening van de in artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 vermelde SST-diensten te waarborgen.

De algemene technische architectuur omvat ook beveiligingsaspecten, die ten minste de volgende elementen bestrijken:

—

bescherming van de infrastructuur en van de dienstverlening;

—

bescherming van gerubriceerde gegevens en informatie;

—

beheer van activa en identificatie van kwetsbaarheden;

—

bescherming tegen fysieke aanvallen, cyberaanvallen en manipulatie van gegevensstromen;

—

inbraakdetectie, beheer en bedrijfscontinuïteit;

—

toereikende naleving van de instructies overeenkomstig Besluit (GBVB) 2021/698 van de Raad (2).

2.1.1.3.   De algemene functionele architectuur

Een functionele architectuur is gebaseerd op een functionele analyse (zoals gedefinieerd in bijlage IV) en een functionele beschrijving.

De algemene functionele architectuur omvat ook de verdeling van de activiteiten over de verschillende deskundigenteams, teneinde de activiteiten over de verschillende leden van het SST-partnerschap te verdelen, zodat de verlening van de in artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) 2021/696 vermelde SST-diensten en de besluitvormingsmechanismen worden gewaarborgd.

De algemene functionele architectuur omvat de volgende beveiligingsaspecten:

—

omschrijving van de verantwoordelijkheden op het gebied van beveiliging, met inbegrip van het besluitvormingsproces voor de vaststelling van beleid en controles;

—

operationele organisatie voor de afhandeling van incidenten, met inbegrip van de communicatie met gebruikersgemeenschappen bij incidenten met gevolgen voor de dienstverlening.

De technische en de functionele architectuur worden ten minste om de drie jaar herzien om rekening te houden met de mogelijke ontwikkeling van het SST-systeem, de behoeften van de gebruikers, de technische ontwikkeling, nieuwe sensoren en het niet langer voor SST inzetten van bepaalde sensoren.

2.1.2.   Het beginsel van onnodige doublures

Het voorgestelde SST-systeem is gebaseerd op het beginsel dat onnodige doublures moeten worden vermeden. Onder het vermijden van onnodige doublures wordt verstaan dat alle noodzakelijke elementen in aanmerking worden genomen om de prestaties en autonomie van SST-capaciteiten op het niveau van de Unie te waarborgen en te verbeteren, zonder activa toe te voegen die leiden tot een systeemredundantie boven het niveau dat nodig is voor de tijdige en betrouwbare verlening van SST-diensten.

2.1.3.   Aantonen van de prestaties van het SST-systeem

De prestaties van het SST-systeem worden collectief aangetoond aan de hand van de volgende criteria/domeinen:

—

aantal objecten dat het netwerk van sensoren kan detecteren in elke soort omloopbaan;

—

catalogisering van ruimteobjecten;

—

dienst voor het voorkomen van botsingen;

—

dienst voor terugkeer;

—

dienst met betrekking tot fragmentatie en

—

vermogen om nieuwe diensten te ontwikkelen (beperking en sanering van ruimteschroot).

De lijst met SST-sensoren van de Unie voor de verschillende zeer grote gebieden (Very Large Areas, VLA’s) en de toegevoegde waarde die deze leveren, wordt onderbouwd door middel van architectuurstudies en gewaarborgd door de technische architectuur.

De kwaliteit van het compromis tussen de prestaties (kwaliteit van de diensten; omvang van de catalogus van de Unie ...) en de kosten van het resulterende SST-systeem wordt aangetoond.

2.2.   Algemene regels voor de selectie van de sensoren die in het SST-systeem worden opgenomen

2.2.1.   Lijsten en categorieën van sensoren

De lijst van nationale sensoren die door het SST-partnerschap zijn geselecteerd om de in artikel 55 van Verordening (EU) 2021/696 vermelde SST-diensten te verlenen, wordt verstrekt.

De sensoren worden ingedeeld in categorie A, B of C.

De procedure voor het indelen van sensoren in categorieën kan worden aangepast aan de meest actuele behoeften van het SST-sensornetwerk. In geval van wijzigingen moeten die worden:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.2.1.1.   De sensoren worden in de volgende categorieën ingedeeld:

—

Categorie A: operationele sensoren die operationele gegevens leveren: operationeel toereikende sensoren (zoals gedefinieerd in punt 1.1.2.1) van de lidstaten, die betrokken zijn bij de verlening van de SST-diensten, ongeacht of zij gedeeltelijk door de Commissie gefinancierd of niet door de Commissie gefinancierd worden.

Voor de operationele sensoren van categorie A legt de lidstaat voor elke sensor het percentage vast waarvoor deze aan SST-activiteiten wordt toegewezen. Indien de exacte toewijzing niet bekend is als gevolg van lopende begrotingsonderhandelingen, moet een verwachte toewijzing worden aangegeven. De exacte toewijzing moet echter in het subsidievoorstel worden gespecificeerd. De opgegeven toewijzing wordt uitgedrukt in een minimumaantal dagen per maand, of in een minimumaantal uren per dag, of in het aantal beschikbare verzoeken tot inzet, en is geldig voor elke maand van de looptijd van de subsidies die worden toegekend uit hoofde van Verordening (EU) 2021/696 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie.

—

Categorie B: preoperationele sensoren die testgegevens leveren: niet-operationeel toereikende sensoren (zoals gedefinieerd in punt 1.1.2.2) van de lidstaten, die nog niet betrokken zijn bij de verlening van SST-diensten en waarvan nog moet worden afgewacht of zij de evaluatiecampagnes (zoals beschreven in punt 2.3) met succes doorlopen zodat zij bij de verlening van SST-diensten kunnen worden betrokken. Voor de sensoren van categorie B wordt geen financiering ontvangen voor operationele activiteiten, maar kan wel financiering worden verstrekt voor de voorbereiding van de evaluatiecampagnes.

—

Categorie C: in ontwikkeling zijnde sensoren: niet-operationeel toereikende sensoren (zoals gedefinieerd in punt 1.1.2.2) van de lidstaten, die in de toekomst voor SST-diensten kunnen worden gebruikt zodra zij zijn voltooid, operationeel zijn geworden en met succes de evaluatiecampagne hebben doorlopen. Voor de sensoren van categorie C wordt geen financiering ontvangen voor operationele activiteiten, maar kan wel financiering worden verstrekt uit onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, op basis van een rechtvaardiging door middel van architectuurstudies.

2.2.1.2.   Overgang van de ene categorie naar de andere

De overgang van categorie A naar B wordt in gang gezet door het niet met succes doorlopen van:

—

een kalibratiecampagne, of

—

twee operationele campagnes op rij.

–. Daarbij moet worden gezorgd voor:

—

goedkeuring door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

informatie voor de Commissie.

De overgang van categorie B naar A wordt in gang gezet door:

—

het met succes doorlopen van een evaluatiecampagne (kalibratiecampagne en operationele campagne).

Daarbij moet worden gezorgd voor:

—

goedkeuring door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

goedkeuring door de Commissie;

—

de analyse van de toegevoegde waarde van de sensor volgens de architectuurstudies.

De overgang van categorie B naar C wordt in gang gezet door het niet met succes doorlopen van:

—

een kalibratiecampagne, of

—

twee operationele campagnes op rij, behalve als de sensor van categorie A naar categorie B was afgewaardeerd als gevolg van het niet met succes doorlopen van twee operationele campagnes op rij; in dat geval leidt het niet met succes doorlopen van één operationele campagne ertoe dat de sensor van categorie B naar C wordt afgewaardeerd.

Daarbij moet worden gezorgd voor:

—

goedkeuring door het SST-partnerschap;

—

informatie voor de Commissie.

De overgang van categorie C naar B moet worden:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies vanwege de toegevoegde waarde voor het SST-systeem als geheel;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.2.2.   Selectie van de sensoren

De sensoren die worden geselecteerd om bij te dragen aan de verlening van SST-diensten (categorie A) worden gekozen aan de hand van objectieve criteria, zoals: technische parameters, prestaties, locatie en regelmatige succesvolle deelname aan evaluatiecampagnes volgens de in punt 2.3 voorgeschreven frequentie.

Geen enkele lidstaat kan zich beroepen op een recht om met zijn bestaande of op nationaal niveau in ontwikkeling zijnde activa bij SST betrokken te worden, behalve in uitzonderlijke gevallen die naar behoren moeten worden:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies vanwege de toegevoegde waarde voor het SST-systeem als geheel;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

Op nationaal niveau geëxploiteerde sensoren van de Unie kunnen niet worden beschouwd als sensoren die bijdragen aan het SST-partnerschap, tenzij dat wordt:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies vanwege de toegevoegde waarde voor het SST-systeem als geheel;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.3.   Regelmatige controle van de geselecteerde sensoren door middel van een evaluatiecampagne

De evaluatiecampagne bestaat uit twee elementen:

—

evaluatie van de technische prestaties (“kalibratiecampagne”);

—

evaluatie van de operationele prestaties (“analyse van de operationele prestaties”).

2.3.1.   Evaluatie van de technische prestaties: kalibratiecampagnes

2.3.1.1.   Kalibratiecampagne: algemene regels

Elke sensor die wordt geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moet door het SST-partnerschap uitgevoerde kalibratiecampagnes doorlopen om de kwaliteit van de geproduceerde gegevens te waarborgen.

De frequentie van de kalibratiecampagne kan variëren naar gelang van het soort sensor, en wel als volgt:

—

radars die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de twaalf maanden een kalibratiecampagne doorlopen;

—

telescopen die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de zes maanden een kalibratiecampagne doorlopen;

—

lasers die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de twaalf maanden een kalibratiecampagne doorlopen.

2.3.1.2.   Criteria voor de kalibratiecampagne

De kalibratiecampagnes moeten volgens specifieke objectieve criteria worden uitgevoerd om de eerlijkheid van de resultaten en de algehele efficiëntie van het SST-systeem te waarborgen.

De criteria zijn als volgt:

 

Technische prestaties

 

[N] — Ruis

Bewakingsradars

Bereik ≤ 100 m

Afstandsvariatie ≤ 4 m/s

Trackingradars

Bereik ≤ 50 m

Afstandsvariatie ≤ 2 m/s

Bewakingstelescopen

(MEO/GEO)

Hoeknauwkeurigheid

≤ 2 boogseconden

Trackingtelescopen

MEO/GEO

Hoeknauwkeurigheid

≤ 2 boogseconden

Trackingtelescopen

LEO

Hoeknauwkeurigheid

≤ 7,2 boogseconden

Lasers

Afstandsnauwkeurigheid ≤ 5 m

De voor de deelname van sensoren toe te passen drempelwaarden worden op basis van het prestatiebewakingsproces verder ontwikkeld en de waarden in deze bijlage kunnen worden aangepast aan de meest actuele behoeften van het SST-sensornetwerk. In geval van wijzigingen moeten deze bij de jaarlijkse operationele evaluatie worden voorgelegd en gerechtvaardigd.

2.3.2.   Evaluatie van de operationele prestaties: analyse van de operationele prestaties

2.3.2.1.   Analyse van de operationele prestaties: algemene regels

Elke sensor die wordt geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moet gegevens delen om het SST-partnerschap in staat te stellen een analyse van de operationele prestaties uit te voeren om de operationele prestaties van de geproduceerde gegevens te waarborgen.

Sensoren van categorie A zenden gegevens door naar hun oprichtende nationale entiteit of naar de oprichtende nationale entiteit van een andere lidstaat waarmee de staat een specifieke overeenkomst heeft gesloten. De oprichtende nationale entiteit stuurt de gegevens met passende tijdigheid en regelmaat naar de databank, langs elektronische weg en met passende beveiligingsmaatregelen.

De frequentie van de analyse van de operationele prestaties kan variëren naar gelang van het soort activa, en wel als volgt:

—

radars die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de twaalf maanden een analyse van de operationele prestaties doorlopen;

—

telescopen die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de zes maanden een analyse van de operationele prestaties doorlopen;

—

lasers die zijn geselecteerd om opgenomen te worden in het SST-systeem moeten ten minste om de twaalf maanden een analyse van de operationele prestaties doorlopen.

Een sensor die een analyse van de operationele prestaties niet met succes heeft doorlopen, mag in categorie A blijven in afwachting van de volgende analyse van de operationele prestaties.

Een sensor die twee analysen van de operationele prestaties op rij niet met succes doorloopt, wordt uit categorie A verwijderd en in categorie B opgenomen, behalve in uitzonderlijke gevallen die naar behoren moeten worden:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies vanwege de toegevoegde waarde voor het SST-systeem als geheel;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.3.2.2.   Criteria voor de analyse van de operationele prestaties

 

Operationele prestaties

 

Objecten/ bedrijfsuur

Metingen/effectief uur

Tijdigheid (van het delen van gegevens)

Bewakingsradars

≥ 65

≥ 250 metingen/uur

> 90 % van de getrackte banen in minder dan 48 uur

EN

> 75 % van de getrackte banen in minder dan 24 uur

 (*1)

Trackingradars

n.v.t.

≥ 12 metingen/uur

Bewakingstelescopen

≥ 7

≥ 24 metingen/uur

Trackingtelescopen

n.v.t.

≥ 21 metingen/uur

Lasers

n.v.t.

≥ 19 metingen/uur

De voor de deelname van sensoren toe te passen drempelwaarden worden op basis van het prestatiebewakingsproces verder ontwikkeld en de waarden in deze bijlage kunnen worden aangepast aan de meest actuele behoeften van het SST-sensornetwerk. In geval van wijzigingen moeten deze bij de jaarlijkse operationele evaluatie worden voorgelegd en gerechtvaardigd.

Onder “effectieve tijd” wordt een declaratieve waarde verstaan die elke maand wordt meegedeeld door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de sensor. Deze wordt gebruikt voor de berekening van de meetfrequentie.

Onder “bedrijfstijd” wordt de tijd verstaan gedurende welke sensoren metingen delen, berekend als de totale duur van de getrackte banen die via de SST-databank worden gedeeld.

2.4.   Specifieke regels voor telescopen, radars, lasers en andere soorten sensoren

2.4.1.   Telescopen

Het SST-partnerschap zorgt, voor zover mogelijk, voor een ideale geografische spreiding van de telescopen op basis van de benodigde dekking, catalogisering en SST-diensten, met inachtneming van het beginsel van onnodige doublures.

De geografische verdeling van telescopen en de beste prijs-kwaliteitverhouding worden gerechtvaardigd en gevalideerd door middel van architectuurstudies.

Het totale aantal telescopen (voor bewaking en voor tracking) wordt beoordeeld aan de hand van de behoefte zoals die uit de architectuurstudies blijkt, en de behoeften voor elk VLA. Uit de architectuurstudie moet de toegevoegde waarde van elk actief blijken, alsook de manier waarop het beginsel van niet-duplicatie in acht is genomen.

2.4.1.1.   Voor bewakingstelescopen

Het aantal optische bewakingssensoren in het VLA Europa wordt beperkt tot één voltijdequivalent (vte) (3) per lidstaat.

Het aantal optische bewakingssensoren wereldwijd (met inbegrip van het VLA Europa) wordt beperkt tot twee voltijdequivalenten per lidstaat.

Indien er in één lidstaat meer telescoopmiddelen nodig zijn, moet dit worden:

—

gerechtvaardigd door architectuurstudies;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.4.1.2.   Voor trackingtelescopen

Het aantal optische trackingsensoren in het VLA Europa wordt beperkt tot één voltijdequivalent per lidstaat.

Het aantal optische trackingsensoren wereldwijd (met inbegrip van het VLA Europa) wordt beperkt tot twee voltijdequivalenten per lidstaat.

Indien er in één lidstaat meer telescoopmiddelen nodig zijn, moet dit worden:

—

gerechtvaardigd door architectuurstudies;

—

goedgekeurd door het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.4.1.3.   Voor telescopen die in staat zijn bewaking en monitoring uit te voeren

Voor sensoren die zowel in de bewakings- als in de trackingmodus kunnen werken, wordt aangegeven wat hun voornaamste operationele modus is wanneer zij bijdragen aan SST. De evaluatie van de sensor moet worden uitgevoerd met betrekking tot de voornaamste operationele modus; desondanks zou de sensor, indien nodig, ook in de andere modus moeten kunnen werken.

Voor de technische prestaties en de werking moet de sensor voldoen aan de meest restrictieve vereisten, om te waarborgen dat hij ook onder de meest ongunstige omstandigheden nog aan de vereisten voldoet. Zo moet een telescoop die als bewakings- en trackingsensor kan dienen en waarvoor bewaking als hoofdmodus is opgegeven, ten minste zeven objecten per uur kunnen waarnemen en een hoeknauwkeurigheid vertonen die beter is dan twee boogseconden (kwadratisch gemiddelde).

2.4.2.   Radars

Het SST-partnerschap zorgt, voor zover mogelijk, voor een ideale geografische spreiding van de radars op basis van de benodigde dekking, catalogisering en SST-diensten, met inachtneming van het beginsel van onnodige doublures.

Het aantal radars dat deelneemt aan de verlening van SST-diensten (categorie A) wordt beperkt.

De opneming van een extra radar in categorie A moet worden:

—

gerechtvaardigd door architectuurstudies;

—

goedgekeurd door het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

De geografische verdeling van radars en de beste prijs-kwaliteitverhouding worden gerechtvaardigd en gevalideerd door middel van architectuurstudies.

2.4.3.   Lasers

Lasers die bijdragen aan de verlening van SST-diensten moeten ook niet-coöperatieve doelen kunnen oppikken en volgen om in categorie A te worden opgenomen.

Het aantal lasers wordt wereldwijd beperkt tot vijf sensoren.

Indien er in één lidstaat meer lasermiddelen nodig zijn, of lasers die alleen coöperatieve objecten kunnen volgen, moet dit worden:

—

gerechtvaardigd door architectuurstudies;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.4.4.   Andere soorten sensoren

Het SST-partnerschap kan andere soorten sensoren toevoegen (zoals in de ruimte gestationeerde sensoren, passieve afstandsmetingtechnieken enz.).

De opneming van een andere extra soort sensor moet worden:

—

gerechtvaardigd door architectuurstudies;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

2.5.   Financieringsregels voor de opwaardering en exploitatie van activa

Elke opwaardering en verdere ontwikkeling waarvoor financiering door de Unie wordt verstrekt, moet worden gerechtvaardigd in het kader van de door het SST-partnerschap ontwikkelde SST-architecturen. Bij de rechtvaardiging moet de nadruk worden gelegd op de beginprestatie van de activa, de beoogde uiteindelijke prestaties en de overeenkomstige toegevoegde waarde voor de prestaties van het SST-systeem.

Het SST-subonderdeel moet zich op het opwaarderen van bestaande nationale middelen richten.

2.5.1.   Kapitaaluitgaven (capex)

Gezien de aard van de activiteiten van de Unie op het gebied van SST wordt het niveau van financiering door de Unie van de opwaardering van elk actief gebaseerd op de rechtvaardiging van de totale kapitaaluitgaven (capex) van de som van alle binnen de looptijd van elke SST-subsidie in het kader van het SST-partnerschap voor dat actief vastgelegde opwaarderingen, en wordt deze financiering beperkt tot 45 % van de totale capex. De lidstaten doen de Commissie financiële bewijsstukken toekomen met betrekking tot de nationale investeringen.

Een hoger percentage kan worden aanvaard indien dit wordt:

—

gerechtvaardigd op grond van architectuurstudies vanwege de toegevoegde waarde voor het SST-systeem als geheel;

—

goedgekeurd door middel van een stemming van het SST-partnerschap;

—

aanvaard door de Commissie.

Investeringen van minder dan 75 000 EUR kunnen een hoger financieringspercentage krijgen.

2.5.2.   Bedrijfskosten (opex)

Het door de Unie gefinancierde percentage is in overeenstemming met de toewijzing aan het SST-subonderdeel en de totale opex van het actief. Zo kunnen de opex voor een sensor die voor X % aan SST wordt toegewezen niet meer dan X % van de totale opex (100 %) bedragen, die bij de Commissie moeten worden aangegeven.


(1)  Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69).

(2)  Besluit (GBVB) 2021/698 van de Raad van 30 april 2021 betreffende de beveiliging van systemen en diensten die worden gestationeerd, geëxploiteerd en gebruikt in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie en die een weerslag kunnen hebben op de veiligheid van de Unie, en tot intrekking van Besluit 2014/496/GBVB (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 178).

(*1)  Op verzoek van de Commissie kunnen door het SST-partnerschap van de EU aanvullende prestatiecriteria inzake tijdigheid worden ontwikkeld.

(3)  Eén vte-telescoop betekent één telescoop met een toewijzing van 100 %, of N telescopen waarvoor de “som van N” toewijzingen = 100 %.


BIJLAGE II

Kernprestatie-indicatoren, zoals bedoeld in artikel 10

In het voorstel worden de volgende begrippen gehanteerd:

—

maatstaf: iets dat wordt gemeten en gerapporteerd om een proces of activiteit te helpen beheren;

—

kernprestatie-indicator (KPI): een maatstaf die wordt gebruikt om de verwezenlijking van de kritieke succesfactoren te meten en bij te dragen tot het beheer van een proces/plan/project of een andere activiteit.

Naamgevingsconventie

De naamgevingsconventie voor de indicatoren is bedoeld om de indicatoren eenvoudig te kunnen relateren aan de categorieën waartoe zij behoren.

Aan elke indicator wordt een code toegewezen waarmee deze eenduidig wordt geïdentificeerd volgens de volgende nomenclatuur: [T][CC]-[n]

waarbij:

—

T: soort indicator. Het kan gaan om een KPI (K) of een maatstaf (M);

—

CC: categorie. In de tweede kolom zijn de acroniemen aangegeven die voor de afzonderlijke categorieën van KPI’s of maatstaven worden gebruikt.

S

Sensoren

CAT

SST-catalogus

DS

Delen van gegevens

TR

Verzoeken tot inzet

DB

SST-databank

SP

Dienstverlening

FD

Frontdesk

U

Motivering en voorlichting van gebruikers

—

n: rangnummer. Identificatienummer van de indicator binnen elke categorie.

Lijst van de te gebruiken maatstaven en KPI’s met de bijbehorende streefwaarden

Het SST-partnerschap moet in het subsidievoorstel streefwaarden voorstellen.

In het voorstel van het SST-partnerschap wordt uiteengezet hoe deze maatstaven/KPI’s tijdens het project zullen worden gemeten en gemonitord.

Categorie

Identificeringsteken

Titel

Verwachte streefwaarde

2022

2027

Sensoren

MS-1

Aantal sensoren

Nog te bepalen

Nog te bepalen

KS-1

Sensoren die geen gegevens delen

0

0

MS-2

Sensoren: opgegeven toewijzing

 

 

KS-2

Sensoren: daadwerkelijke toewijzing

=MS-2

=MS-2

MS-3

Sensoren: hersteltijd

 

 

KS-3

Sensoren: slagingspercentage kalibratiecampagnes

100  %

100  %

MS-4

Sensoren in de kalibratiecampagne

 

 

KS-4

Sensoren die gegevens delen in de kalibratiecampagne

100  %

100  %

SST-catalogus

KCAT-1

Aantal autonoom gecatalogiseerde objecten

Nog te bepalen

Nog te bepalen

MCAT-1

% van de autonoom gecatalogiseerde objecten met betrekking tot de openbare catalogus van de VS

Nog te bepalen

Nog te bepalen

 

 

 

 

K-CAT 2

Nauwkeurigheid van de catalogus wat betreft ruimteschroot

Nog te bepalen

Nog te bepalen

K-CAT 3

Tijd die de objecten in de catalogus in de omloopbaan hebben doorgebracht

Nog te bepalen

Nog te bepalen

K-CAT 4

Aantal toegevoegde nieuwe objecten

Nog te bepalen

Nog te bepalen

SST-databank

MDB-1

Bestand aan ruimteobjecten

 

 

KDB-1

Dekking van soorten omloopbanen

 

 

MDB-2

Leeftijd van de omloopbanen

 

 

Delen van gegevens

MDS-1

Opgegeven regelmaat waarmee gegevens worden gedeeld

 

 

KDS-1

Effectieve regelmaat waarmee gegevens worden gedeeld

=MSD-1

=MSD-1

MDS-2

Aantal metingen

 

 

MDS-3

Aantal getrackte banen

 

 

MDS-4

Aantal omloopbanen

 

 

Dienstverlening

MSP-1

Aantal gemelde gebeurtenissen

 

 

KSP-1

Autonome gebeurtenissen

 

 

MSP-2

Aantal producten

 

 

KSP-2

Autonome producten

 

 

KSP-3

Tijdigheid van de levering van de producten

3h (nog te bevestigen)

1h (nog te bevestigen)

MSP-3

Dienstspecifieke verzoeken

 

 

KSP-4

Termijn waarbinnen dienstspecifieke verzoeken worden afgehandeld

1 dag (nog te bevestigen)

0,5 dag (nog te bevestigen)

KSP-5

Afwijkingen in productformaat

0  %

0  %

KSP-6

Conformiteit van de configuratie van de dienst voor het voorkomen van botsingen

100  %

100  %

KSP-8

Bijdrage van sensoren aan autonome producten

 

 

Verzoeken tot inzet

MTR-1

Aantal verzoeken tot inzet

 

 

MTR-2

Inzetreacties naar type

 

 

KTR-1

Succesvolle verzoeken tot inzet

 

 

KTR-2

Termijn waarbinnen verzoeken tot inzet worden afgehandeld

 

 

KTR-3

Reactiviteit bij verzoeken tot inzet per sensor

 

 

Frontdesk

MFD-1

Aantal verzoeken om ondersteuning

 

 

MFD-2

Aantal incidenten

 

 

KFD-1

Termijn waarbinnen verzoeken om ondersteuning worden afgehandeld

 

 

KFD-2

Termijn waarbinnen incidenten worden afgehandeld

 

 

KFD-3

Downloads van producten

 

 

KFD-4

Downloads van autonome producten

 

 

KFD-5

Beschikbaarheid portaalsite

 

 

Motivering en voorlichting van gebruikers

MU-1

Aantal potentiële gebruikers/organisaties

 

 

KU-1

Acceptatie door gebruikers/Aantal gebruikers

 

 

MU-2

Aantal nieuwe gebruikers

 

 

KU-2

Gebruikers die de producten downloaden

 

 

KU-3

Gebruikers die de portaalsite bezoeken

 

 

MU-3

Uploads door gebruikers

 

 

MU-4

Status ruimtevaartuig

 

 


BIJLAGE III

BIJ DE INDIENING VAN HET VOORSTEL TE VERSTREKKEN INFORMATIE, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 7

1.   DOCUMENTATIE MET BETREKKING TOT INDIVIDUELE VOORWAARDEN

In de aanvraag moet worden aangetoond dat aan de criteria van bijlage I wordt voldaan.

1.1.   Als het actief een sensor betreft, moet de aanvraag de volgende gegevens omvatten:

1.1.1.   Eigendom van of toegang tot de SST-sensor

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-sensor voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 1 – Eigendom van of toegang tot SST-sensoren.

1.1.2.   Toereikende SST-sensor

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-sensor voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 1 – Toereikende SST-sensor.

1.1.3.   Sensor beschikbaar voor SST

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-sensor voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 1 – Beschikbare of in ontwikkeling zijnde SST-sensor.

1.1.4.   Technische en personele middelen voor het doen functioneren van de sensor

Informatie waaruit blijkt dat de benodigde technische en personele middelen beschikbaar zijn en blijven voor het doen functioneren van de sensor.

1.1.5.   Beveiliging van de SST-sensoren

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-sensor voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 1 — Beveiligingsaspecten.

1.2.   Als het actief een capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking is die specifiek is aangewezen voor SST, moet de aanvraag de volgende gegevens omvatten:

1.2.1.   Eigendom van of toegang tot de capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking met betrekking tot SST

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-capaciteit voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 2 — Eigendom van of toegang tot SST-capaciteiten.

1.2.2.   Toereikende capaciteit voor operationele analyse en gegevensverwerking met betrekking tot SST

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-sensor voldoet aan de criteria van bijlage I, deel I, afdeling 2 — Toereikende capaciteiten voor operationele analyse en gegevensverwerking.

1.2.3.   Beveiliging van de capaciteiten

Gegevens waaruit blijkt dat de SST-capaciteit voldoet aan de criteria van punt 1.2.3 — Beveiligingsaspecten, inclusief aspecten met betrekking tot het gegevens- en informatiebeleid, waaruit het bestaande ontwerp van het door het consortium ontwikkelde SST-systeem blijkt, alsmede de bereidheid om bij te dragen tot een met de andere lidstaten overeengekomen inspanning.

2.   COLLECTIEVE VOORWAARDEN EN ACTIEPLAN

2.1.   Algemene documenten

Lijst van de oprichtende nationale entiteiten.

De tekst van de SST-partnerschapsovereenkomst, die het volgende omvat: informatie over het algemene ontwerp van het SST-systeem op het niveau van de Unie, met inbegrip van: de governance van het SST-partnerschap met de rol van de verschillende technische organen en hun besluitvormingsmechanismen.

2.2.   Configuratie van het systeem

—

Een functionele architectuur.

—

Een technische architectuur.

—

Architectuurstudies voor categorie A en de categorieën B en/of C, zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1, voor zover de nodige gegevens over de geplande sensoren beschikbaar zijn.

—

Lijst van de in het systeem ingebouwde sensoren per categorie A, B of C, zoals gedefinieerd in punt 2.2.1.1.

—

Lijst van de in het systeem opgenomen capaciteiten.

—

Objectieve criteria voor de uitvoering van de evaluatiecampagne.

—

Lijst van reeds uitgevoerde evaluatiecampagnes per sensor.

2.3.   Verdeling van de activiteiten en besluitvormingsprocedures

Beschrijving van de verdeling van de activiteiten over de deskundigenteams.

Beschrijving van de activiteiten van de SST-frontdesk.

Beschrijving van de besluitvormingsprocedures.

2.4.   Regels voor het delen van gegevens

Informatie ter beschrijving van de algemene modaliteiten voor het delen van gegevens tussen de leden van het SST-partnerschap.

2.5.   Overgangsmaatregelen

Beschrijving van de voorgenomen overgangsmaatregelen om een soepele overgang tussen het SST-consortium en het SST-partnerschap te waarborgen.


BIJLAGE IV

DEFINITIES VOOR DE BIJLAGEN I TOT EN MET III

1.   Zeer groot gebied (Very Large Area, VLA)

Het concept “VLA” heeft betrekking op afgebakende geografische regio’s die het mogelijk maken sensoren te groeperen. Dezelfde sensor, ondergebracht in verschillende locaties in verschillende VLA’s, zal uiteenlopende prestaties en een uiteenlopende toegevoegde waarde vertonen. Momenteel worden de volgende “zeer grote gebieden” in aanmerking genomen:

—

VLA “Azië”;

—

VLA “Europa”;

—

VLA “Noord-Amerika”;

—

VLA “Oceanië”;

—

VLA “Stille Oceaan”;

—

VLA “Zuidelijk Afrika”;

—

VLA “Zuid-Amerika”.

De locatie van de VLA’s wordt in grote lijnen weergegeven in de volgende afbeelding:

Image 1

2.   Architectuurstudies

De term “architectuurstudies” verenigt een reeks systeemtechnische activiteiten in zich. Hij omvat de evaluatie van de prestaties en de toegevoegde waarde van een bepaald actief, een bepaalde opwaardering, een volledig sensornetwerk of de evaluatie en classificatie van alternatieve ontwerpoplossingen en de motivering van hun rangschikking. De architectuurstudies passen bij een bottom-upbenadering die gericht is op een zo goed mogelijke prijs-kwaliteitverhouding, waarbij onnodige doublures worden vermeden en er tegelijkertijd op wordt toegezien dat het systeem aan de breed gedefinieerde gebruikersbehoeften beantwoordt. De architectuurstudies hebben betrekking op alle functies van het systeem: sensorfunctie, gegevensverwerkingsfunctie en dienstenfunctie.

3.   Ruwe gegevens

Gegevens op sensorniveau die geen nabewerking hebben ondergaan (zoals gegevens per radarpuls, beelden en fotondetectie).

4.   Waarnemingselement

Een enkelvoudige meetbare hoeveelheid van een ruimteobject zonder tijdstempel, verkregen na de verwerking van ruwe gegevens (zoals azimut, elevatie, rechte klimming, DEC, afstand, Doppler, RCS en MAG).

5.   Meting

Reeks verwerkte geometrische (zoals hoek, afstand en verschil in aankomsttijden) en/of fysieke (zoals grootte en RCS) waarnemingselementen van één sensor die alle bij één voorwerp en tot dezelfde epoche behoren.

6.   Getrackte baan

Reeks opeenvolgende metingen van één sensor voor één object met intervallen tussen de metingen die niet langer duren dan een voor elke sensor vast te stellen gemiddelde trackingduur.

7.   Ruis

Identificeringsteken van parameter

[N]

Benaming

Ruis

Beschrijving/definitie

Meetruis wordt gedefinieerd als het kwadratisch gemiddelde van de residuen van de waarnemingen.

Meetruis wordt over het algemeen gelijkgesteld met een Gauss-verdeling (normale verdeling). Op deze manier omvat het rond de gemiddelde waarde gecentreerde interval met een halve amplitude van 1-σ 68,27 % van de residugegevens.

Deze ruis kan ook worden beschouwd als de standaardafwijking die de gemiddelde waarde naar nul dwingt (de consistentie tussen beide benaderingen wordt gecontroleerd).

Maatstaf/maatstaven

Hoek:

aangezien hoekwaarnemingen worden gedefinieerd in bolcoördinaten, wordt de standaardafwijking berekend als:

Formula
, of (gelijkwaardig)
Formula
, waarbij ra=rechte klimming (right ascension), dec=declinatie, az=azimut en el=elevatie

dec of (gelijkwaardig) el

Bereik:

verkregen als rechtstreeks resultaat van waarnemingen

Afstandsvariatie:

verkregen als rechtstreeks resultaat van waarnemingen

Meeteenheid

Boogseconden, m, m/s (respectievelijk voor hoeken, bereik en afstandsvariatie)

8.   Definities van de operationele analyse

Identificeringsteken van parameter

[TL]

Benaming

Tijdigheid

Beschrijving/definitie

Vertraging in de verstrekking van de metingen

Maatstaf/maatstaven

Tijd tussen de afloop van de gedeelde getrackte banen en het delen daarvan. De cut-off-waarde voor 90 % van de gegevens die in de SST-databank worden gedeeld, berekend als “Tijdstip van invoegen” — “Tijdstip van afloop”, bedraagt minder dan 48 uur, en minder dan 24 uur voor 75 % van de gegevens.

Dit wordt aangevuld met de hoeveelheid gegevens die binnen 48 uur respectievelijk 24 uur wordt gedeeld.

Meeteenheid

Uren


Identificeringsteken van parameter

[O2]

Benaming

Objecten/bedrijfsuur

Beschrijving/definitie

Gemiddeld aantal per uur door een sensor waargenomen verschillende objecten

Maatstaf/maatstaven

Gemiddelde van het aantal per interval van 1 uur door een sensor waargenomen verschillende objecten De volledige operationele periode wordt verdeeld in N intervallen van 1 uur. Voor elk interval i wordt het aantal door de sensor waargenomen verschillende objecten berekend.

Formula

Meeteenheid

Objecten/h


Identificeringsteken van parameter

[MR]

Benaming

Meetfrequentie

Beschrijving/definitie

Aantal metingen

Maatstaf/maatstaven

Metingen/opgegeven tijd van de effectieve toewijzing (h)

Meeteenheid

Metingen/h

9.   Overige definities

Toewijzing

 

Opgegeven toewijzing

De opgegeven maximale tijd gedurende welke een actief binnen een verslagperiode bij moet dragen aan SST overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Effectieve toewijzing

De tijd gedurende welke een actief binnen een verslagperiode bijdraagt aan SST.

Ineffectieve toewijzing

De tijd gedurende welke een sensor niet kan bijdragen aan SST vanwege onderhoud of onbeschikbaarheid (weer, ongepland onderhoud enz.).

Functionele analyse

Definitie en beschrijving van de belangrijkste SST-functies en de interacties daartussen in termen van workflows, inputs, outputs en informatie-uitwisseling. De onderverdeling in functies gebeurt op conceptuele basis en houdt geen verband met de fysieke implementatie in de architectuur van het SST-systeem. Sommige functies kunnen over verschillende fysieke elementen zijn verdeeld.

Operationele sensor

Een sensor die is geslaagd voor alle kwaliteits- en bijdragecriteria van de operationele prestatiemonitoring.

Potentiële toewijziging

Tijd die een sensor in theorie maximaal voor SST zou kunnen werken.

SST-activa

SST-sensor- en gegevensverwerkingscapaciteiten.

Verzoek tot inzet

Verzoek aan de sensoren die bijdragen aan SST om gegevens over een specifiek object of een specifiek voorval te verstrekken.


Rectificaties

19.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/191


Rectificatie van Verordening (EU) 2022/576 van de Raad van 8 april 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

(Publicatieblad van de Europese Unie L 111 van 8 april 2022)

Bladzijde 62, bijlage VI (nieuwe bijlage XXIII), onder de kolom GN-code:

in plaats van:

“ 8482 40 ”,

lezen:

“ 8482 20 00 ”.