ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 173

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
30 juni 2022


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2022 over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedings- en concessiemarkten van de Unie en procedures ter ondersteuning van onderhandelingen over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedings- en concessiemarkten van derde landen (Instrument voor internationale overheidsopdrachten — IIO) ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2022/1032 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) 2017/1938 en (EG) nr. 715/2009 wat betreft gasopslag ( 1 )

17

 

*

Verordening (EU) 2022/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 van tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft een specifieke maatregel om uitzonderlijke tijdelijke steun te verlenen uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) naar aanleiding van de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne

34

 

*

Verordening (EU) 2022/1034 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/953 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren ( 1 )

37

 

*

Verordening (EU) 2022/1035 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/954 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie

46

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1036 van de Commissie van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2020/1429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verlenging van de referentieperiode ( 1 )

50

 

*

Verordening (EU) 2022/1037 van de Commissie van 29 juni 2022 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad en van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie wat betreft het gebruik van glycolipiden als conserveermiddelen in dranken ( 1 )

52

 

*

Verordening (EU) 2022/1038 van de Commissie van 29 juni 2022 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van polyvinylpyrrolidon (E 1201) in voeding voor medisch gebruik, in tablet- en drageevorm ( 1 )

56

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1039 van de Commissie van 29 juni 2022 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat de schorsing van bepaalde tariefpreferenties voor bepaalde SAP-begunstigde landen voor het jaar 2023 betreft

58

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1040 van de Commissie van 29 juni 2022 tot wijziging van de bijlagen VI en XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de lijsten van derde landen, gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde in gevangenschap levende vogels, levende producten daarvan en vleesproducten van pluimvee, is toegestaan ( 1 )

61

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1041 van de Commissie van 29 juni 2022 ter onderwerping van de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea aan registratie na de heropening van het onderzoek ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 2 april 2020 in zaak T-383/17, zoals bevestigd door het Hof van Justitie in zaak C-260/20 P, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 van de Commissie

64

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/1042 van de Raad van 21 juni 2022 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van Protocol 31 betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, dat is gehecht aan de EER-overeenkomst (Begrotingsonderdeel 07 20 03 01 — Sociale zekerheid) ( 1 )

68

 

*

Besluit (EU) 2022/1043 van de Raad van 28 juni 2022 tot benoeming van een lid van, en twee plaatsvervangers in het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje

71

 

*

Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2022/1044 van 28 juni 2022 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (EUPOL COPPS/1/2022)

73

 

*

Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2022/1045 van 28 juni 2022 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (EU BAM Rafah/1/2022)

75

 

*

Besluit (EU) 2022/1046 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 29 juni 2022 tot benoeming van rechters bij het Gerecht

77

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 269/21/COL van 1 december 2021 tot invoering van herziene richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor 2022-2027 [2022/1047]

79

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA Nr. 293/21/COL van 16 december 2021 tot wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van staatssteun door de invoering van herziene richtsnoeren over kortlopende exportkredietverzekering [2022/1048]

121

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen ( PB L 324 van 10.12.2009 )

133

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/1


VERORDENING (EU) 2022/1031 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juni 2022

over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedings- en concessiemarkten van de Unie en procedures ter ondersteuning van onderhandelingen over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedings- en concessiemarkten van derde landen (Instrument voor internationale overheidsopdrachten — IIO)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) moet de Unie een gemeenschappelijk beleid en optreden bepalen en voeren en de samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen verbeteren, om met name de integratie van alle landen in de wereldeconomie te stimuleren, onder meer door het geleidelijk wegwerken van belemmeringen voor de internationale handel.

(2)

Krachtens artikel 206 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dient de Unie door de oprichting van een douane-unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en de vermindering van de douane- en andere belemmeringen.

(3)

Overeenkomstig artikel 26 VWEU dient de Unie de maatregelen vast te stellen die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen of de werking ervan te verzekeren, waaronder een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd overeenkomstig de Verdragen. De toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedings- of concessiemarkten van de Unie valt binnen het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

(4)

Krachtens artikel III:8 van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994 (GATT 1994) en artikel XIII van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) zijn overheidsopdrachten uitgesloten van de voornaamste multilaterale regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

(5)

In het kader van de WTO en door middel van haar bilaterale betrekkingen is de Unie een pleitbezorger van een ambitieuze openstelling van de internationale aanbestedings- en concessiemarkten van de Unie en haar handelspartners, in een geest van wederkerigheid en wederzijds voordeel.

(6)

De plurilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de WTO en de handelsovereenkomsten van de Unie die voorzien in bepalingen over overheidsopdrachten bieden ondernemers van de Unie alleen markttoegang tot de aanbestedings- of concessiemarkten van derde landen die partij zijn bij die overeenkomsten.

(7)

Indien een derde land partij is bij de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten of met de Unie een handelsovereenkomst heeft gesloten die bepalingen bevat inzake aanbestedingen, moet de Commissie de in die overeenkomsten vastgestelde overlegmechanismen of procedures voor geschillenbeslechting volgen indien de restrictieve praktijken betrekking hebben op overheidsopdrachten die onder door dat derde land ten aanzien van de Unie aangegane verbintenissen inzake markttoegang vallen.

(8)

Vele derde landen zijn weigerachtig om hun aanbestedings- of concessiemarkten voor internationale concurrentie open te stellen of om de toegang tot die markten te verbeteren. Bijgevolg krijgen ondernemers uit de Unie in heel wat derde landen te maken met restrictieve praktijken bij het gunnen van overheidsopdrachten, die het verlies van belangrijke handelsmogelijkheden tot gevolg hebben.

(9)

Bij Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn regels en procedures vastgesteld met het oog op de uitoefening van de rechten van de Unie uit hoofde van de door haar gesloten internationale handelsovereenkomsten. Voor de behandeling van niet onder dergelijke internationale overeenkomsten vallende ondernemers, goederen en diensten bestaan dergelijke regels en procedures niet.

(10)

Voor internationale verbintenissen inzake markttoegang die de Unie ten aanzien van derde landen is aangegaan op het gebied van overheidsopdrachten en concessies is onder meer de gelijke behandeling van ondernemers uit die derde landen nodig. Dientengevolge kunnen de krachtens deze verordening vastgestelde maatregelen alleen van toepassing zijn op ondernemers, goederen en diensten afkomstig uit derde landen die geen partij zijn bij de plurilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de WTO of bij met de Unie gesloten bilaterale of multilaterale handelsovereenkomsten die voorzien in verbintenissen inzake toegang tot aanbestedings- of concessiemarkten, of op ondernemers, goederen of diensten afkomstig uit landen die partij zijn bij dergelijke overeenkomsten, maar alleen wat betreft aanbestedingsprocedures voor goederen, diensten of concessies die niet onder die overeenkomsten vallen. Overeenkomstig de Richtlijnen 2014/23/EU (4), 2014/24/EU (5) en 2014/25/EU (6) van het Europees Parlement en de Raad en zoals verduidelijkt in de mededeling van de Commissie van 24 juli 2019 inzake richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers en goederen uit derde landen aan de aanbestedingsmarkt van de EU, hebben ondernemers uit derde landen die geen overeenkomst hebben die voorziet in de openstelling van de aanbestedingsmarkt van de Unie, of waarvan de goederen, diensten en werken niet onder een dergelijke overeenkomst vallen, geen gewaarborgde toegang tot aanbestedingsprocedures in de Unie en kunnen zij worden uitgesloten.

(11)

Voor de doeltreffende toepassing van alle krachtens deze verordening vastgestelde maatregelen ter verbetering van de toegang van ondernemers uit de Unie tot de aanbestedings- of concessiemarkten van een aantal derde landen, is een duidelijke reeks oorsprongsregels nodig voor ondernemers, goederen en diensten.

(12)

De oorsprong van een goed moet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 60 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(13)

De oorsprong van een dienst moet worden vastgesteld op basis van de oorsprong van de natuurlijke of rechtspersoon die de dienst verstrekt. De oorsprong van een rechtspersoon moet worden geacht het land te zijn naar het recht waarvan de rechtspersoon is opgericht of anderszins georganiseerd en op het grondgebied waarvan de rechtspersoon substantiële zakelijke activiteiten verricht. Rechtspersonen die naar het recht van een lidstaat zijn opgericht of anderszins georganiseerd, mogen uitsluitend geacht worden hun oorsprong in de Unie te hebben indien zij een rechtstreekse en daadwerkelijke band hebben met de economie van een lidstaat. Om een mogelijke omzeiling van een maatregel in het kader van het instrument voor internationale overheidsopdrachten (IIO) te voorkomen, kan het nodig zijn om de herkomst van rechtspersonen die onder buitenlandse controle staan of in buitenlands bezit zijn en geen substantiële zakelijke activiteiten verrichten op het grondgebied van een derde land of op het grondgebied van een lidstaat, naar het recht waarvan zij zijn opgericht of anderszins georganiseerd, ook te bepalen door rekening te houden met andere elementen, zoals de herkomst van de eigenaren of andere personen die een overheersende invloed op die rechtspersoon uitoefenen.

(14)

Bij de beoordeling van het bestaan van specifieke maatregelen of praktijken in een derde land die ertoe kunnen leiden dat de toegang tot de aanbestedings- of concessiemarkten van dat derde land voor ondernemers, goederen of diensten uit de Unie wordt belemmerd, moet de Commissie onderzoeken in welke mate de wetgeving, regels of andere maatregelen op de aanbestedings- en concessiemarkten van het betrokken derde land in overeenstemming met de internationale normen transparantie waarborgen en niet leiden tot ernstige en herhaaldelijke restricties ten aanzien van ondernemers, goederen of diensten van de Unie. Daarnaast moet de Commissie onderzoeken in welke mate individuele aanbestedende diensten of aanbestedende instanties van derde landen restrictieve praktijken ten aanzien van ondernemers, goederen of diensten van de Unie invoeren of handhaven.

(15)

De Commissie moet te allen tijde een transparant onderzoek kunnen verrichten naar de beweerdelijk restrictieve maatregelen of praktijken die een derde land heeft ingevoerd of gehandhaafd.

(16)

Gezien de algemene beleidsdoelstelling van de Unie om de economische groei van de minst ontwikkelde landen en hun integratie in mondiale waardeketens te ondersteunen, mag de Commissie geen onderzoek starten naar landen die profiteren van de “alles behalve wapens”-regeling zoals opgenomen in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(17)

Bij het uitvoeren van het onderzoek moet de Commissie het betrokken derde land uitnodigen besprekingen aan te knopen om eventuele restrictieve maatregelen of praktijken weg te nemen of te verhelpen en bijgevolg de kansen voor ondernemers, goederen en diensten uit de Unie met betrekking tot inschrijvingen voor aanbestedings- of concessiemarkten in dat derde land te verbeteren.

(18)

Het is van het grootste belang dat het onderzoek op een transparante wijze wordt uitgevoerd. Daarom moet een verslag met de belangrijkste bevindingen van het onderzoek openbaar worden gemaakt.

(19)

Indien het onderzoek het bestaan van restrictieve maatregelen of praktijken bevestigt en de besprekingen met het betrokken derde land niet binnen een redelijke termijn tot bevredigende corrigerende maatregelen leiden die de ernstige en herhaaldelijke belemmering van de toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie verhelpen, of indien het betrokken derde land geen besprekingen wenst aan te gaan, moet de Commissie uit hoofde van deze verordening, indien zij dit in het belang van de Unie acht, een IIO-maatregel vaststellen in de vorm van een scoreaanpassing of van een uitsluiting van aanbestedingsprocedures.

(20)

De beoordeling of de vaststelling van een IIO-maatregel in het belang van de Unie is, moet worden gebaseerd op een beoordeling van alle verschillende belangen in hun geheel beschouwd, waaronder de belangen van de ondernemers in de Unie. De Commissie moet de gevolgen van de vaststelling van een dergelijke maatregel afwegen tegen de gevolgen ervan voor de bredere belangen van de Unie. Het is belangrijk dat bijzondere aandacht uitgaat naar de algemene doelstelling om wederkerigheid tot stand te brengen door markten van derde landen te ontsluiten en de markttoegangsmogelijkheden voor ondernemers uit de Unie te verbeteren. Ook moet rekening worden gehouden met de doelstelling onnodige administratieve lasten voor aanbestedende diensten en aanbestedende instanties evenals voor ondernemers te beperken.

(21)

Een scoreaanpassing mag enkel worden toegepast met het oog op de beoordeling van inschrijvingen die zijn ingediend door ondernemers uit het derde betrokken land. Een dergelijke maatregel mag geen invloed hebben op de prijs die moet worden betaald volgens de overeenkomst die met de geselecteerde inschrijver wordt gesloten. Wanneer aanbestedende diensten of aanbestedende instanties besluiten hun beoordeling van inschrijvingen te baseren op de prijs of de kosten als enig gunningscriterium, moet het niveau van de scoreaanpassing aanzienlijk hoger worden vastgesteld om een vergelijkbare doeltreffendheid van de IIO-maatregel te waarborgen.

(22)

IIO-maatregelen moeten gelden voor aanbestedingsprocedures die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, met inbegrip van raamovereenkomsten en dynamische aankoopsystemen. Indien een specifieke opdracht wordt gegund in het kader van een dynamisch aankoopsysteem waarop een IIO-maatregel van toepassing is, moeten de IIO-maatregelen ook op die specifieke opdracht van toepassing zijn. IIO-maatregelen mogen echter niet van toepassing zijn op opdrachten onder een bepaalde drempel teneinde de totale administratieve lasten voor aanbestedende diensten en aanbestedende instanties te beperken. Om een eventuele dubbele toepassing van IIO-maatregelen te voorkomen, mogen dergelijke maatregelen niet van toepassing zijn op opdrachten die gegund zijn aan de hand van een raamovereenkomst, als de IIO-maatregelen reeds zijn toegepast in het stadium van de sluiting van die raamovereenkomst.

(23)

Om een mogelijke omzeiling van een IIO-maatregel te voorkomen, moeten passende verplichtingen worden opgelegd aan de geselecteerde inschrijvers. Die verplichtingen dienen enkel van toepassing te zijn op aanbestedingsprocedures die aan een IIO-maatregel zijn onderworpen, alsook op opdrachten die gegund zijn aan de hand van een raamovereenkomst mits de waarde van dergelijke opdrachten gelijk is aan of uitkomt boven een bepaalde drempelwaarde en mits die raamovereenkomst aan een IIO-maatregel is onderworpen.

(24)

Indien een derde land inhoudelijke en gevorderde onderhandelingen met de Unie voert over markttoegang op het gebied van overheidsopdrachten, teneinde de belemmering van de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit de Unie tot zijn aanbestedings- of concessiemarkten weg te nemen of te verhelpen, moet de Commissie tijdens de onderhandelingen de IIO-maatregelen die betrekking hebben op het betrokken derde land kunnen schorsen.

(25)

Het is belangrijk dat IIO-maatregelen in de Unie door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties op uniforme wijze worden toegepast. Teneinde rekening te houden met de verschillen in administratieve capaciteit van de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties, moeten lidstaten onder bepaalde strikte voorwaarden voor een beperkte lijst van lokale aanbestedende diensten vrijstelling kunnen aanvragen van IIO-maatregelen. Bij de controle van de lijsten van lokale aanbestedende diensten zoals voorgesteld door de lidstaten, is het van belang dat de Commissie rekening houdt met de bijzondere situatie van die aanbestedende diensten, onder meer wat betreft de bevolkingsomvang en de geografische ligging. Een dergelijke vrijstelling kan tevens van toepassing zijn op aanbestedingsprocedures die die aanbestedende diensten zouden moeten kunnen uitvoeren in het kader van raamovereenkomsten of dynamische aankoopsystemen.

(26)

Het is van belang dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties toegang krijgen tot een gamma producten van hoge kwaliteit met een concurrerende prijs die aan hun aankoopbehoeften voldoen. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties moeten daarom over de mogelijkheid beschikken om IIO-maatregelen ter beperking van de toegang van niet onder internationale overeenkomsten vallende goederen en diensten niet toe te passen ingeval er geen goederen of diensten uit de Unie of onder internationale overeenkomsten vallende goederen of diensten beschikbaar zijn die aan de behoeften van de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie voldoen, of om te voorzien in essentiële beleidsbehoeften, bijvoorbeeld vanwege dwingende redenen in verband met volksgezondheid of bescherming van het milieu. Wanneer aanbestedende diensten of aanbestedende instanties die uitzonderingen toepassen, moet de Commissie daarvan tijdig en uitvoerig in kennis worden gesteld, zodat een passend toezicht van de uitvoering van deze verordening mogelijk is.

(27)

In geval van een onjuiste toepassing van IIO-maatregelen door aanbestedende diensten of aanbestedende instanties met nadelige gevolgen voor de kansen van ondernemers die het recht hebben om deel te nemen aan de aanbestedingsprocedure, moeten de Richtlijnen 89/665/EEG (9) en 92/13/EEG (10) van de Raad van toepassing zijn. De getroffen ondernemers moeten een beroepsprocedure overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van die richtlijnen kunnen starten als, bijvoorbeeld, die ondernemers van oordeel zijn dat een concurrerende ondernemer uitgesloten had moeten worden, of een offerte lager had moeten worden gerangschikt vanwege de toepassing van een IIO-maatregel. De Commissie moet ook het correctiemechanisme kunnen toepassen overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 89/665/EEG of artikel 8 van Richtlijn 92/13/EEG.

(28)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(29)

De onderzoeksprocedure moet worden gebruikt voor het aannemen van uitvoeringshandelingen voor de vaststelling, intrekking, schorsing, herinvoering of verlenging van een IIO-maatregel en de Commissie moet worden bijgestaan door het bij Verordening (EU) 2015/1843 van het Europees Parlement en de Raad (12) ingestelde Comité inzake handelsbelemmeringen. Aangezien IIO-maatregelen verschillende gevolgen kunnen hebben voor de aanbestedings- of concessiemarkten van de Unie, moet de comitéprocedure die van toepassing is op ontwerpuitvoeringshandelingen die voorzien in de uitsluiting van inschrijvingen worden aangepast en moet in dergelijke gevallen artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 worden toegepast.

(30)

Indien nodig en voor aangelegenheden die gevolgen hebben voor de toepassing van het rechtskader van de Unie voor overheidsopdrachten, moet de Commissie het advies van het bij Besluit 71/306/EEG van de Raad (13) ingestelde Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten kunnen inwinnen.

(31)

Op grond van deze verordening ontvangen informatie dient uitsluitend gebruikt te worden voor het doel waarvoor zij was verzocht en met inachtneming van de toepasselijke voorschriften van de Unie en de lidstaten op het gebied van gegevensbescherming en vertrouwelijkheid. Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (14), evenals artikel 28 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 21 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 39 van Richtlijn 2014/25/EU moeten dienovereenkomstig van toepassing zijn.

(32)

In overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (15) en onder meer om de administratieve lasten, met name voor de lidstaten, te verminderen, moet de Commissie het toepassingsgebied, de werking en de efficiëntie van deze verordening regelmatig evalueren. Deze evaluatie zou onder meer betrekking hebben op de mogelijkheid gebruik te maken van alle beschikbare middelen om de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken, met inbegrip van voorzieningen voor elektronische aanbesteding zoals standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten, op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 van de Commissie (16), alsmede op de lasten die voor aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten uit de toepassing van deze verordening voortvloeien. De Commissie moet over haar beoordeling verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en aan de Raad, en in voorkomend geval passende wetgevingsvoorstellen indienen.

(33)

De regels en beginselen inzake overheidsopdrachten die van toepassing zijn op door instellingen van de Unie voor eigen rekening gegunde overheidsopdrachten, zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (17) en vallen dus buiten het toepassingsgebied van deze verordening. Uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 zijn die regels gebaseerd op de regels van de Richtlijnen 2014/23/EU en 2014/24/EU. Daarom is het passend om te beoordelen of, in het kader van een herziening van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, de in deze verordening vastgestelde regels en beginselen ook van toepassing moeten worden verklaard op overheidsopdrachten die door instellingen van de Unie worden gegund.

(34)

De Commissie moet richtsnoeren uitvaardigen om de toepassing van deze verordening door aanbestedende diensten, aanbestedende instanties en ondernemers te vergemakkelijken. Die richtsnoeren dienen met name informatie te verschaffen over begrippen als “oorsprong van natuurlijke en rechtspersonen”, “oorsprong van goederen en diensten”, “aanvullende verplichting” en de toepassing van die bepalingen in het kader van deze verordening. Gezien de algemene beleidsdoelstelling van de Unie om kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) te ondersteunen, moeten die richtsnoeren ook de specifieke informatiebehoeften die kmo’s hebben bij de toepassing van deze verordening in aanmerking nemen, om te voorkomen dat zij overbelast raken.

(35)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel en teneinde de fundamentele doelstelling van de verbetering van de toegang van ondernemers, goederen en diensten van de Unie tot de aanbestedings- of concessiemarkten van derde landen te verwezenlijken door de vaststelling van maatregelen inzake niet onder internationale overeenkomsten vallende aanbestedingen, is het noodzakelijk en passend regels vast te leggen inzake procedures voor de instelling van onderzoeken door de Commissie naar beweerde maatregelen of praktijken van een derde land ten aanzien van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie, en voor het aanknopen door de Commissie van besprekingen met de betrokken derde landen. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, VEU niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden maatregelen inzake niet onder internationale overeenkomsten vallende aanbestedingen vastgesteld om de toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedings- en concessiemarkten van derde landen te verbeteren. Bij deze verordening worden procedures vastgesteld voor de instelling van onderzoeken door de Commissie naar beweerde maatregelen of praktijken van een derde land ten aanzien van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie, en voor het aanknopen door de Commissie van besprekingen met de betrokken derde landen.

Deze verordening voorziet in de mogelijkheid dat de Commissie IIO-maatregelen oplegt in verband met dergelijke maatregelen of praktijken van een derde land om de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit derde landen tot aanbestedingsprocedures van de Unie te beperken.

2.   Deze verordening is van toepassing op aanbestedingsprocedures die onder de volgende handelingen vallen:

a)

Richtlijn 2014/23/EU;

b)

Richtlijn 2014/24/EU;

c)

Richtlijn 2014/25/EU.

3.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de Unie of aan maatregelen die lidstaten of hun aanbestedende diensten of aanbestedende instanties kunnen treffen overeenkomstig de in lid 2 bedoelde handelingen.

4.   Deze verordening is van toepassing op aanbestedingsprocedures die na de inwerkingtreding ervan zijn gestart. Een IIO-maatregel is alleen van toepassing op aanbestedingsprocedures die vallen onder de IIO-maatregel en die tussen de inwerkingtreding van die IIO-maatregel en het vervallen, intrekken of schorsen ervan zijn gestart. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties nemen in de aanbestedingsdocumenten voor procedures die binnen het toepassingsgebied van een IIO-maatregel vallen een verwijzing op naar de toepassing van deze verordening en alle toepasselijke IIO-maatregelen.

5.   Milieu-, sociale en arbeidseisen zijn van toepassing op ondernemers overeenkomstig de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU of ander Unierecht.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“ondernemer”: een ondernemer als gedefinieerd in de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU;

b)

“goederen”: goederen waarnaar wordt verwezen in het voorwerp van de aanbestedingsprocedure en in de specificaties van de desbetreffende opdracht, met uitzondering van grondstoffen, materialen of ingrediënten die de geleverde goederen bevatten;

c)

“geraamde waarde”: de geraamde waarde van een opdracht, berekend overeenkomstig de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU;

d)

“scoreaanpassing”: de relatieve vermindering van de score van een inschrijving met een bepaald percentage als gevolg van de beoordeling door een aanbestedende dienst of een aanbestedende instantie op basis van de in de betreffende aanbestedingsdocumenten vermelde gunningscriteria. In gevallen waarin de prijs of de kosten de enige gunningscriteria zijn, wordt onder “scoreaanpassing” de relatieve verhoging, met het oog op de beoordeling van inschrijvingen, van de door de inschrijver geboden prijs met een bepaald percentage verstaan;

e)

“bewijs”: alle informatie, certificaten, bewijsstukken of verklaringen die tot doel hebben aan te tonen dat aan de in artikel 8 vastgestelde verplichtingen is voldaan, zoals:

i)

documenten waaruit blijkt dat de goederen van oorsprong zijn uit de Unie of een derde land;

ii)

een beschrijving van productieprocessen — met inbegrip van monsters, beschrijvingen of foto’s — voor de te leveren goederen;

iii)

een uittreksel uit relevante registers of uit financiële overzichten inzake de oorsprong van diensten, met inbegrip van een btw-identificatienummer;

f)

“aanbestedende dienst”: een aanbestedende dienst als gedefinieerd in de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU;

g)

“aanbestedende instantie”: een aanbestedende instantie als gedefinieerd in de Richtlijnen 2014/23/EU en 2014/25/EU;

h)

“belanghebbende partij”: een persoon of entiteit waarvan de belangen door een maatregel of praktijk van een derde land kunnen worden geraakt, zoals ondernemingen, ondernemersverenigingen of de belangrijkste brancheoverkoepelende organisaties die de sociale partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen;

i)

“maatregel of praktijk van een derde land”: een wetgevende, regulerende of administratieve maatregel, procedure of praktijk, of een combinatie daarvan, die is ingevoerd of wordt gehandhaafd door overheidsinstanties of individuele aanbestedende diensten of aanbestedende instanties in een derde land, op om het even welk niveau, waardoor de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit de Unie tot de aanbestedings- of de concessiemarkten van dat derde land ernstig en herhaaldelijk wordt belemmerd;

j)

“IIO-maatregel”: een door de Commissie overeenkomstig deze verordening vastgestelde maatregel die de toegang van ondernemers, goederen of diensten die van oorsprong zijn uit derde landen tot de aanbestedings- of concessiemarkten van de Unie beperkt op het gebied van niet onder internationale overeenkomsten vallende aanbestedingen;

k)

“niet onder internationale overeenkomsten vallende aanbestedingen”: aanbestedingsprocedures voor goederen, diensten of concessies waarvoor de Unie geen verbintenissen inzake markttoegang is aangegaan in een internationale overeenkomst op het gebied van aanbestedingen of concessies;

l)

“opdrachten”: overheidsopdrachten als gedefinieerd in Richtlijn 2014/24/EU, concessies als gedefinieerd in Richtlijn 2014/23/EU, en opdrachten voor werken, leveringen en diensten als gedefinieerd in Richtlijn 2014/25/EU;

m)

“inschrijver”: een inschrijver als gedefinieerd in de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU;

n)

“land”: een Staat of afzonderlijk douanegebied, zonder dat deze term gevolgen heeft voor soevereiniteit;

o)

“onderaanneming”: het organiseren van de uitvoering van een deel van de opdracht door een derde partij, hetgeen evenwel niet het enkel leveren van goederen of onderdelen die nodig zijn voor de verrichting van een dienst omvat.

2.   Voor de toepassing van deze verordening, uitgezonderd artikel 6, leden 3 en 7, wordt de uitvoering van werken of een werk in de zin van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU beschouwd als de verrichting van een dienst.

Artikel 3

Vaststelling van de oorsprong

1.   De oorsprong van een ondernemer wordt geacht te zijn:

a)

in het geval van een natuurlijke persoon, het land waarvan de persoon onderdaan is of waar die persoon een permanent verblijfsrecht heeft;

b)

in het geval van een rechtspersoon:

i)

hetzij het land naar het recht waarvan de rechtspersoon is opgericht of anderszins georganiseerd en op het grondgebied waarvan hij substantiële zakelijke activiteiten verricht;

ii)

hetzij, indien de rechtspersoon geen substantiële zakelijke activiteiten verricht op het grondgebied van het land waar hij is opgericht of anderszins georganiseerd, de oorsprong van de persoon of personen die direct of indirect een overheersende invloed op de rechtspersoon kan of kunnen uitoefenen door hun eigendom van die rechtspersoon, hun financiële deelneming erin, of de op die rechtspersoon van toepassing zijnde voorschriften.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), ii), wordt die persoon of worden die personen verondersteld een overheersende invloed te hebben op de betrokken rechtspersoon in een van de volgende gevallen waarin die persoon of personen, direct of indirect:

a)

de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon bezit of bezitten;

b)

over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan de door de rechtspersoon uitgegeven aandelen beschikt of beschikken, of

c)

meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon kan of kunnen aanwijzen.

2.   Indien een ondernemer een groep natuurlijke of rechtspersonen, openbare instanties of een combinatie daarvan is, en ten minste één van die personen of instanties afkomstig is uit een derde land waar op ondernemers, goederen of diensten een IIO-maatregel van toepassing is, is die IIO-maatregel ook van toepassing op inschrijvingen die door die groep worden ingediend.

Indien de deelneming van die personen of entiteiten in een groep minder dan 15 % van de waarde van een door die groep ingediende inschrijving bedraagt, is die IIO-maatregel echter niet van toepassing op die inschrijving, tenzij die personen of entiteiten nodig zijn om aan de meerderheid van ten minste een van de selectiecriteria in een aanbestedingsprocedure te voldoen.

3.   Aanbestedende diensten of aanbestedende instanties kunnen tijdens de aanbestedingsprocedure de ondernemer te allen tijde verzoeken binnen een gepaste termijn de informatie of documentatie met betrekking tot de verificatie van de oorsprong van de ondernemer in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te voltooien, mits dergelijke verzoeken met inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie worden gedaan. Indien de ondernemer die informatie of documentatie zonder redelijke uitleg niet verstrekt en daardoor de verificatie van de oorsprong van de ondernemer door aanbestedende diensten of aanbestedende instanties verhindert of een dergelijke verificatie praktisch onmogelijk of zeer moeilijk maakt, wordt die ondernemer van deelname aan de betrokken aanbestedingsprocedure uitgesloten.

4.   De oorsprong van een goed wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 60 van Verordening (EU) nr. 952/2013 en de oorsprong van een dienst wordt vastgesteld op basis van de oorsprong van de ondernemer die de dienst verricht.

Artikel 4

Vrijstelling voor goederen en diensten van oorsprong uit de minst ontwikkelde landen

De Commissie opent geen onderzoek ten aanzien van de in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 978/2012 vermelde minst ontwikkelde landen, tenzij er bewijs is van ontwijking van een IIO-maatregel die aan het in de lijst opgenomen derde land of de ondernemers daarvan kan worden toegerekend.

HOOFDSTUK II

Onderzoeken, besprekingen, maatregelen en verplichtingen

Artikel 5

Onderzoeken en besprekingen

1.   De Commissie kan op eigen initiatief of na een gemotiveerde klacht van een belanghebbende partij uit de Unie of een lidstaat een onderzoek instellen naar een beweerde maatregel of praktijk van een derde land door in het Publicatieblad van de Europese Unie een aankondiging bekend te maken. Een dergelijke aankondiging van de opening van een onderzoek omvat een voorlopige beoordeling door de Commissie van de maatregel of praktijk van het derde land en een verzoek aan belanghebbende partijen en lidstaten om de Commissie binnen een bepaalde termijn relevante informatie te verstrekken.

De Commissie stelt op haar website een online-instrument beschikbaar. De lidstaten en belanghebbende partijen uit de Unie gebruiken dat instrument om een gemotiveerde klacht in te dienen.

2.   Bij de bekendmaking van de in lid 1 bedoelde aankondiging verzoekt de Commissie het betrokken derde land zijn standpunt in te dienen, relevante informatie te verstrekken en besprekingen aan te knopen met de Commissie opdat de beweerde maatregelen of praktijken van het derde land worden afgeschaft of gecorrigeerd. De Commissie stelt de lidstaten regelmatig op de hoogte van de voortgang van het onderzoek en de besprekingen binnen het bij artikel 7 van Verordening (EU) 2015/1843 opgerichte Comité inzake handelsbelemmeringen.

3.   Het onderzoek en de besprekingen worden binnen een termijn van negen maanden na de datum van opening daarvan afgerond. In gemotiveerde gevallen kan de Commissie deze termijn met vijf maanden verlengen door bekendmaking van een aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie en door het derde land, belanghebbende partijen en de lidstaten in kennis te stellen van die verlenging.

4.   Bij de afronding van het onderzoek en de besprekingen maakt de Commissie een verslag met de voornaamste bevindingen van het onderzoek en een voorstel voor de verdere gang van zaken openbaar. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Indien de Commissie uit haar onderzoek concludeert dat de beweerde maatregel of praktijk van een derde land niet wordt gehandhaafd of geen ernstige en herhaaldelijke belemmering van de toegang van ondernemers, goederen of diensten van de Unie tot de aanbestedings- of concessiemarkten van het betrokken derde land veroorzaakt, beëindigt zij het onderzoek en publiceert zij in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving van beëindiging.

6.   De Commissie kan de onderzoeken en de besprekingen te allen tijde schorsen als het betrokken derde land:

a)

bevredigende corrigerende maatregelen neemt waarmee de ernstige en herhaaldelijke belemmering van de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit de Unie tot de aanbestedings- of concessiemarkten van het derde land wordt weggenomen of verholpen en dergelijke toegang daardoor wordt verbeterd, of

b)

verbintenissen aangaat ten aanzien van de Unie om de maatregel of praktijk van dat derde land binnen een redelijke termijn en uiterlijk zes maanden na het aangaan van dergelijke verbintenissen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, onder meer door de uitbreiding van het toepassingsgebied van een bestaande overeenkomst inzake aanbestedingen.

7.   De Commissie hervat het onderzoek en de besprekingen als zij op enig moment concludeert dat de redenen voor de schorsing niet meer geldig zijn.

8.   In het geval van een schorsing of hervatting van de onderzoeken en besprekingen publiceert de Commissie een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

IIO-maatregelen

1.   Indien de Commissie uit een onderzoek en besprekingen overeenkomstig artikel 5 concludeert dat sprake is van een maatregel of praktijk van een derde land stelt zij bij wege van een uitvoeringshandeling een IIO-maatregel vast, als zij dit in het belang van de Unie acht. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De bepaling of de vaststelling van een IIO-maatregel in het belang van de Unie is, wordt gebaseerd op een beoordeling van alle verschillende belangen in hun geheel beschouwd, waaronder de belangen van de ondernemers uit de Unie. IIO-maatregelen worden niet vastgesteld indien de Commissie, op basis van alle verstrekte inlichtingen, concludeert dat de vaststelling van dergelijke maatregelen niet in het belang van de Unie is.

3.   De IIO-maatregel wordt, in het licht van de beschikbare informatie, vastgesteld aan de hand van de volgende criteria:

a)

de evenredigheid van de IIO-maatregel ten opzichte van de maatregel of praktijk van het derde land;

b)

de beschikbaarheid van alternatieve toeleveringsbronnen voor de betrokken goederen en diensten, teneinde aanzienlijke nadelige gevolgen voor aanbestedende diensten en aanbestedende instanties te voorkomen of tot een minimum te beperken.

4.   De IIO-maatregel is uitsluitend van toepassing op aanbestedingsprocedures met een geraamde waarde die hoger ligt dan een drempelwaarde die de Commissie dient te bepalen in het licht van de resultaten van het onderzoek en de besprekingen en rekening houdend met de in lid 3 vastgestelde criteria. Die geraamde waarde moet ten minste 15 000 000 EUR exclusief btw zijn voor werken en concessies en ten minste 5 000 000 EUR exclusief btw voor goederen en diensten.

5.   De IIO-maatregel is van toepassing in geval van specifieke opdrachten die worden gegund in het kader van een dynamisch aankoopsysteem indien de IIO-maatregel ook van toepassing is op die dynamische aankoopsystemen, met uitzondering van specifieke opdrachten waarvan de geraamde waarde respectievelijk onder de in artikel 8 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 15 van Richtlijn 2014/25/EU vastgestelde waarden ligt. De IIO-maatregel is niet van toepassing op aanbestedingsprocedures voor de gunning van opdrachten op basis van een raamovereenkomst of op opdrachten voor afzonderlijke percelen die worden gegund overeenkomstig artikel 5, lid 10, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 16, lid 10, van Richtlijn 2014/25/EU.

6.   In de in lid 1 bedoelde IIO-maatregel kan de Commissie, binnen het in lid 8 vastgestelde toepassingsgebied, besluiten de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit een derde land tot aanbestedingsprocedures te beperken door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties te verplichten:

a)

een scoreaanpassing op te leggen aan inschrijvingen die zijn ingediend door ondernemers van oorsprong uit het betrokken derde land, of

b)

inschrijvingen die zijn ingediend door ondernemers van oorsprong uit het betrokken derde land uit te sluiten.

7.   De in lid 6, punt a), bedoelde scoreaanpassing is alleen van toepassing voor het doel van beoordeling en rangschikking van de inschrijvingen. De scoreaanpassing heeft geen invloed op de prijs die moet worden betaald uit hoofde van de overeenkomst die met de geselecteerde inschrijver wordt gesloten.

8.   In de in lid 1 bedoelde IIO-maatregel bepaalt de Commissie het toepassingsgebied van de IIO-maatregel, met inbegrip van:

a)

de sectoren of de categorieën van goederen, diensten en concessies op basis van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad (18), alsook alle toepasselijke uitzonderingen;

b)

de specifieke categorieën aanbestedende diensten of aanbestedende instanties;

c)

de specifieke categorieën ondernemers;

d)

de specifieke drempelwaarden die gelijk zijn aan of hoger liggen dan de in lid 4 bepaalde drempelwaarden;

e)

waar van toepassing, de in lid 6, punt a), bedoelde procentuele waarde van een scoreaanpassing.

De in de eerste alinea, punt e), bedoelde procentuele waarde van de aanpassing wordt vastgesteld op ten hoogste 50 % van de evaluatiescore van de inschrijving, afhankelijk van het derde land en de sector van de beoogde goederen, diensten, werken of concessies. Voor de toepassing van aanbestedingsprocedures in het kader waarvan de prijs of de kosten de enige gunningscriteria zijn, is de scoreaanpassing tweemaal zo hoog als de in de eerste zin van deze alinea vermelde procentuele waarde. In een IIO-maatregel worden de respectieve procentuele waarden afzonderlijk vermeld.

9.   Bij het bepalen van de IIO-maatregel op basis van de in lid 6, punt a) of punt b), beschreven opties kiest de Commissie voor het soort maatregel dat evenredig zou zijn en de mate waarin ondernemers, goederen of diensten uit de Unie de toegang tot aanbestedings- of concessiemarkten van derde landen wordt belemmerd, zo doeltreffend mogelijk zou verhelpen.

10.   Indien de Commissie van oordeel is dat het derde land bevredigende corrigerende maatregelen neemt die de belemmering van de toegang van ondernemers, goederen of diensten uit de Unie tot aanbestedings- of concessiemarkten van dat derde land wegneemt of verhelpt, of als het derde land verbintenissen aangaat om de maatregel of praktijk in kwestie stop te zetten, kan de Commissie de IIO-maatregel intrekken of de toepassing ervan schorsen.

Indien de Commissie op eender welk moment van oordeel is dat de corrigerende maatregelen of aangegane verbintenissen zijn ingetrokken, geschorst of niet naar behoren zijn uitgevoerd, maakt zij haar bevindingen openbaar en stelt zij de IIO-maatregel opnieuw in.

De Commissie kan een IIO-maatregel intrekken, schorsen of opnieuw instellen door middel van een uitvoeringshandeling en maakt in dergelijke gevallen een aankondiging bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Die uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

11.   Een IIO-maatregel verstrijkt vijf jaar na de inwerkingtreding ervan. Een IIO-maatregel kan met een periode van vijf jaar worden verlengd. De Commissie start uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van die IIO-maatregel met een nieuwe evaluatie van die IIO-maatregel door een aankondiging bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Een dergelijke evaluatie wordt binnen zes maanden na bekendmaking van de desbetreffende aankondiging afgerond. Na een dergelijke evaluatie kan de Commissie de duur van de IIO-maatregel verlengen, deze op passende wijze aanpassen of deze vervangen door een andere IIO-maatregel door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 7

Lijst van aanbestedende diensten die zijn vrijgesteld van de toepassing van deze verordening

1.   Op gemotiveerd verzoek van een lidstaat kan de Commissie met het oog op een billijke verdeling onder de lidstaten van gunningsprocedures waarop een IIO-maatregel van toepassing is, een lijst opstellen van lokale aanbestedende diensten in die lidstaat, binnen administratieve eenheden met een inwonersaantal van minder dan 50 000, die vrijgesteld zijn van de toepassing van deze verordening.

2.   In zijn verzoek verstrekt de lidstaat gedetailleerde informatie over de redenen voor zijn verzoek tot vrijstelling en over de waarde van de opdrachten boven de in artikel 6, lid 4, van deze verordening vastgestelde drempelwaarde die in de afgelopen drie jaar — vanaf 31 december van het jaar voorafgaand aan het verzoek tot vrijstelling — door alle in de lijst opgenomen aanbestedende diensten of aanbestedende instanties zijn gegund. Vrijstellingen mogen uitsluitend worden verleend indien de totale waarde van de opdrachten boven de in artikel 6, lid 4, van deze verordening bepaalde drempelwaarde, die door niet-vrijgestelde aanbestedende diensten of aanbestedende instanties zijn gegund, meer bedraagt dan 80 % van de totale waarde van de opdrachten boven de drempelwaarden die onder het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU vallen en in dezelfde periode van drie jaar in de verzoekende lidstaat zijn gegund.

3.   De vrijstelling wordt beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk en evenredig is, rekening houdend met de administratieve capaciteit van de aanbestedende diensten die worden vrijgesteld.

4.   De Commissie stelt de lidstaten in kennis voordat zij de in lid 1 bedoelde lijst van vrijstellingen vaststelt. Die lijst, die in het Publicatieblad van de Europese Unie dient te worden bekendgemaakt, is geldig voor een periode van drie jaar en kan op gemotiveerd verzoek van de betrokken lidstaat om de drie jaar worden herzien of verlengd.

Artikel 8

Verplichtingen van de geselecteerde inschrijver

1.   In het geval van aanbestedingsprocedures waarvoor een IIO-maatregel geldt, alsook in het geval van opdrachten die zijn gegund op basis van een raamovereenkomst waarin de geraamde waarde van die opdrachten gelijk is aan of hoger is dan de in artikel 8 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 15 van Richtlijn 2014/25/EU bepaalde waarden, en waarin die raamovereenkomsten onderworpen waren aan de IIO-maatregel, nemen de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties in de aanbestedingsstukken ook de volgende verplichtingen voor de geselecteerde inschrijvers op:

a)

niet meer dan 50 % van de totale waarde van de opdracht uitbesteden aan ondernemers van oorsprong uit een derde land waarvoor een IIO-maatregel geldt;

b)

voor opdrachten waarvan het voorwerp de levering van goederen omvat, waarborgen dat de goederen of diensten die bij de uitvoering van de opdracht worden geleverd en van oorsprong zijn uit het derde land waarvoor de IIO-maatregel geldt, voor de looptijd van de opdracht niet meer dan 50 % van de totale waarde van de opdracht vormen, ongeacht of de goederen of diensten direct door de geselecteerde inschrijver of door een onderaannemer worden geleverd;

c)

uiterlijk bij de voltooiing van de uitvoering van de opdracht aan de aanbestedende dienst of aan de aanbestedende instantie op hun verzoek afdoende bewijs met betrekking tot punt a) of punt b) verstrekken;

d)

in geval van niet-naleving van de in punt a) of punt b) bedoelde verplichtingen een evenredige boete betalen die tussen 10 % en 30 % van de totale waarde van de opdracht bedraagt.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt c), is het voldoende te bewijzen dat meer dan 50 % van de totale waarde van de opdracht van oorsprong is uit andere landen dan het derde land waarvoor de IIO-maatregel geldt. De aanbestedende dienst of aanbestedende instantie verzoekt om relevant bewijs indien er redelijke aanwijzingen zijn dat punt a) of punt b) van lid 1 niet wordt nageleefd of indien de opdracht wordt gegund aan een groep ondernemers die een rechtspersoon bevat die van oorsprong is uit een derde land waarvoor een IIO-maatregel geldt.

3.   Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties nemen in de documenten voor aanbestedingsprocedures waarvoor een IIO-maatregel geldt een verwijzing op naar de in dit artikel vastgestelde verplichtingen.

Artikel 9

Uitzonderingen

1.   Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen bij wijze van uitzondering besluiten een IIO-maatregel niet toe te passen in een aanbestedingsprocedure indien:

a)

alleen inschrijvingen van ondernemers die van oorsprong zijn uit een derde land waarvoor een IIO-maatregel geldt voldoen aan de vereisten voor inschrijvingen, of

b)

het besluit de IIO-maatregel niet toe te passen gerechtvaardigd is op grond van dwingende redenen van algemeen belang, zoals volksgezondheid of bescherming van het milieu.

2.   Indien een aanbestedende dienst of aanbestedende instantie besluit een IIO-maatregel niet toe te passen, verstrekt hij de Commissie op een door de betrokken lidstaat te bepalen wijze de volgende informatie, uiterlijk dertig dagen na de gunning van opdracht:

a)

de benaming en contactgegevens van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie;

b)

een beschrijving van het voorwerp van de opdracht;

c)

informatie over de oorsprong van de ondernemers;

d)

de reden waarop het besluit om de IIO-maatregel niet toe te passen berust en een gedetailleerde rechtvaardiging voor toepassing van de uitzondering;

e)

voor zover van toepassing, alle andere informatie die de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie nuttig acht.

De Commissie kan de betrokken lidstaten verzoeken om aanvullende informatie.

Artikel 10

Rechtsmiddelen

Om de rechtsbescherming te waarborgen van ondernemers die belang hebben of hadden bij de verwerving van een bepaalde opdracht die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, zijn de Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

Uitvoeringsbevoegdheden, verslaglegging en slotbepalingen

Artikel 11

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 7 van Verordening (EU) 2015/1843 opgerichte Comité. Dat Comité is een comité in de zin van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Indien het comité geen advies uitbrengt ten aanzien van de vaststelling van een ontwerp-IIO-maatregel in de vorm van een uitsluiting van inschrijvingen op grond van artikel 6, lid 6, punt b), van deze verordening, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 12

Richtsnoeren

Om de toepassing van deze verordening door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties en door ondernemers te vergemakkelijken, vaardigt de Commissie binnen zes maanden na 29 augustus 2022 richtsnoeren uit.

Artikel 13

Verslaglegging

1.   Uiterlijk op 30 augustus 2025 en vervolgens ten minste om de twee jaar, brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van deze verordening en over de voortgang van uit hoofde van deze verordening gevoerde internationale onderhandelingen, betreffende de toegang van ondernemers van de Unie tot de aanbestedings- of concessiemarkten van derde landen. Dat verslag wordt openbaar gemaakt. De lidstaten verstrekken de Commissie op verzoek inlichtingen over de toepassing van maatregelen uit hoofde deze verordening, alsook over het aantal aanbestedingsprocedures van de centrale overheid en lagere overheden waarin een bepaalde IIO-maatregel werd toegepast, het aantal ontvangen inschrijvingen uit derde landen waarvoor die IIO-maatregel geldt, alsook de gevallen waarin een specifieke uitzondering op de IIO-maatregel werd toegepast.

2.   Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties brengen door middel van de “Tenders electronic daily” verslag uit aan de Commissie over de toepassing van IIO-maatregelen, als onderdeel van de informatie over de gunning van opdrachten. Dat verslag bevat voor elke relevante procedure informatie over de toepassing van IIO-maatregelen, het aantal inschrijvingen dat is ontvangen uit derde landen waarop de desbetreffende IIO-maatregel van toepassing is, het aantal inschrijvingen waarvoor de uitsluiting van de inschrijving of de scoreaanpassing is toegepast en de toepassing van specifieke uitzonderingen op de IIO-maatregel. De Commissie gebruikt deze gegevens in haar uit hoofde van dit artikel vereiste periodieke verslaglegging. De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek aanvullende informatie over de toepassing van de maatregelen uit hoofde van deze verordening.

Artikel 14

Evaluatie

Uiterlijk vier jaar na de vaststelling van een uitvoeringshandeling of, indien dit eerder is, uiterlijk op 30 augustus 2027, en vervolgens om de vijf jaar, evalueert de Commissie het toepassingsgebied, de werking en de doelmatigheid van deze verordening, en brengt zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit van haar bevindingen.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zestigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

F. RIESTER


(1)   PB C 264 van 20.7.2016, blz. 110.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 9 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 juni 2022.

(3)  Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 50).

(4)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(6)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(7)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(9)  Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

(10)  Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14).

(11)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Verordening (EU) 2015/1843 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot vaststelling van procedures van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (PB L 272 van 16.10.2015, blz. 1).

(13)  Besluit 71/306/EEG van de Raad van 26 juli 1971 tot instelling van een Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 185 van 16.8.1971, blz. 15).

(14)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(15)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(16)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 van de Commissie van 23 september 2019 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 (“e-formulieren”) (PB L 272 van 25.10.2019, blz. 7).

(17)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (PB L 340 van 16.12.2002, blz. 1).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad

Het Europees Parlement en de Raad erkennen dat de in dit instrument overeengekomen voorschriften inzake de comitéprocedure niet vooruitlopen op het resultaat van andere lopende of toekomstige wetgevingsonderhandelingen en niet als precedent voor andere wetgevingsdossiers mogen worden beschouwd.


Verklaring van de Commissie over de herziening van de verordening betreffende het instrument voor internationale overheidsopdrachten (Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad)

Bij de evaluatie van het toepassingsgebied, de werking en de efficiëntie van Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 14 van die verordening, zal de Commissie ook beoordelen of een vrijstelling van de toepassing ervan nodig is voor ontwikkelingslanden die in aanmerking komen voor de algemene regeling als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 978/2012, en met name de begunstigden van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur als omschreven in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 978/2012. Bij de evaluatie zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan sectoren die met betrekking tot overheidsopdrachten in de EU als strategisch worden beschouwd.


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/17


VERORDENING (EU) 2022/1032 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 juni 2022

tot wijziging van Verordeningen (EU) 2017/1938 en (EG) nr. 715/2009 wat betreft gasopslag

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Hoewel het in het verleden is voorgekomen dat gaslevering voor korte tijd werd verstoord, zijn er verschillende factoren die de situatie in 2022 onderscheiden van eerdere crises op het gebied van de gasleveringszekerheid. De escalatie van de Russische militaire agressie tegen Oekraïne sinds februari 2022 heeft tot ongekende prijsstijgingen geleid. Die prijsstijgingen zullen de prikkels om de ondergrondse gasopslaginstallaties in de Unie te vullen waarschijnlijk ingrijpend veranderen. In de huidige geopolitieke situatie vallen verdere verstoringen van gasleveringen niet uit te sluiten. Dergelijke leveringsverstoringen kunnen aan burgers en de economie van de Unie ernstige schade toebrengen, aangezien de Unie nog steeds in aanzienlijke mate afhankelijk is van externe gasleveringen waarvoor het conflict gevolgen kan hebben.

(2)

De aard en de gevolgen van de recente gebeurtenissen zijn grootschalig en in de hele Unie merkbaar, en vereisen derhalve een alomvattende respons van de Unie. Bij die respons moet prioriteit worden gegeven aan maatregelen die de gasleveringszekerheid op het niveau van de Unie kunnen versterken, met name gasleveringen ten aanzien van beschermde afnemers. Energiebesparing en energie-efficiëntie leveren een belangrijke bijdrage om die doelstelling te verwezenlijken. Het is daarom van cruciaal belang dat de Unie op gecoördineerde wijze optreedt om potentiële risico's als gevolg van een eventuele verstoring van de gasleveringen te voorkomen, onverminderd het recht van de lidstaten om tussen verschillende energiebronnen te kiezen en de algemene structuur van hun energievoorziening te bepalen, overeenkomstig artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(3)

De ondergrondse gasopslaginstallaties dragen bij tot de gasleveringszekerheid en goedgevulde ondergrondse gasopslaginstallaties zorgen voor meer gasleveringszekerheid omdat in geval van grote vraag of van verstoringen van het aanbod aanvullend gas kan worden geleverd. Aangezien de levering van leidinggas op elk moment kan worden verstoord, moeten maatregelen met betrekking tot het vulniveau van de ondergrondse gasopslaginstallaties in de Unie worden ingevoerd teneinde de gaslevering voor de winter van 2022/2023 veilig te stellen.

(4)

Bij Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een solidariteitsmechanisme ingevoerd om de effecten van een noodsituatie binnen de Unie te beperken waarbij de gaslevering aan door solidariteit beschermde afnemers, die geldt als een wezenlijk veiligheidsbelang en een noodzakelijke prioriteit, in het gedrang is in een lidstaat. In geval van een noodsituatie in de Unie zorgt een onmiddellijke respons ervoor dat de lidstaten consumenten betere bescherming kunnen bieden.

(5)

De gevolgen van de Russische militaire agressie tegen Oekraïne hebben aangetoond dat de bestaande regels inzake leveringszekerheid niet goed functioneren bij plotselinge ingrijpende veranderingen in de geopolitieke situatie, waarbij leveringstekorten en prijspieken zich niet alleen door het uitvallen van infrastructuur of door extreme weersomstandigheden kunnen voordoen, maar ook het gevolg kunnen zijn van opzettelijke ingrijpende gebeurtenissen en langdurigere of plotseling optredende leveringsverstoringen. Het is daarom noodzakelijk de plotselinge sterk toegenomen risico's als gevolg van de huidige veranderingen in de geopolitieke situatie op te vangen, onder meer door de energievoorziening van de Unie te diversifiëren.

(6)

Op basis van de analyse van de Commissie van, onder meer, de toereikendheid van maatregelen om de gasvoorziening veilig te stellen en de versterkte risicoanalyse die de Commissie en de bij Verordening (EU) 2017/1938 opgerichte Groep coördinatie gas (GCG) in februari 2022 in de hele Unie hebben uitgevoerd, moet elke lidstaat er in beginsel voor zorgen dat de ondergrondse gasopslaginstallaties die zich op hun grondgebied bevinden en rechtstreeks verbonden zijn met een afzetgebied van die lidstaat uiterlijk op 1 november van elk jaar tot ten minste 90 % van hun capaciteit zijn gevuld (vuldoelstelling), met een reeks van tussentijdse streefdoelen waaraan elke lidstaat in mei, juli, september en februari (vultraject) van het jaar daarop moet voldoen. Sommige lidstaten die beschikken over substantiële ondergrondse opslagcapaciteit zouden onevenredig zware gevolgen ondervinden van de verplichting om voor de ondergrondse gasopslaginstallaties op hun grondgebied de vuldoelstelling te behalen. Om met die situatie rekening te houden, moet de verplichting om hun ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, worden verlaagd tot 35 % van hun gemiddelde jaarlijks gasverbruik over een periode van de voorgaande vijf jaar. Dit mag geen afbreuk doen aan de verplichting van andere lidstaten om bij te dragen aan het vullen van de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties. Onder bepaalde voorwaarden moeten de lidstaten ervoor kunnen kiezen het streefcijfer van 90 % gedeeltelijk te behalen door hun voorraden vloeibaar aardgas (liquified natural gas — LNG) in LNG-installaties mee te tellen. De vuldoelstellingen zijn noodzakelijk om te garanderen dat de consumenten in de Unie toereikend worden beschermd tegen gasleveringstekorten. Voor 2022 zal een lagere vuldoelstelling gelden, namelijk 80 %, en moet een beperkt aantal tussentijdse streefdoelen van toepassing zijn, aangezien het feit dat deze verordening in werking dient te treden na het begin van het vulseizoen en de lidstaten beperkt de tijd zullen hebben om haar uit te voeren.

(7)

Bij het vullen van hun opslaginstallaties moeten de lidstaten trachten hun gasleveranciers te diversifiëren teneinde hun afhankelijkheid te verminderen indien daardoor de energievoorzieningszekerheid of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie of de lidstaten in gevaar kunnen komen.

(8)

Met ingang van 2023 moet de gasopslag elk jaar vanaf februari specifiek worden gemonitord om te voorkomen dat gas in het midden van de winter onverwachts aan de ondergrondse gasopslaginstallaties wordt onttrokken, wat tot het einde van de winter tot problemen voor de voorzieningszekerheid zou kunnen leiden. De vultrajecten moeten gedurende het vulseizoen voortdurende monitoring mogelijk maken.

(9)

Met ingang van 2023 moet elke lidstaat met ondergrondse gasopslaginstallaties voor dergelijke installaties op zijn grondgebied elk jaar een ontwerpvultraject in geaggregeerde vorm indienen bij de Commissie. Rekening houdend met de beoordeling van de GCG, moet de Commissie een besluit nemen om het vultraject voor elke lidstaat vast te stellen op een wijze die de concurrentiepositie van de ondergrondse gasopslaginstallaties in die lidstaat niet onrechtmatig verstoort in vergelijking met dergelijke in naburige lidstaten gelegen installaties.

(10)

Teneinde met ingang van 2023 het vultraject voor elke lidstaat met ondergrondse gasopslaginstallaties vast te stellen op basis van het door elke zulke lidstaat ingediende ontwerpvultraject, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(11)

Het vultraject voor elke lidstaat met ondergrondse gasopslaginstallaties moet een reeks tussentijdse streefdoelen omvatten en moet worden gebaseerd op het gemiddelde vulniveau voor die lidstaat gedurende de voorgaande vijf jaar. Voor lidstaten waarvoor de vuldoelstelling is verlaagd tot 35 % van hun gemiddeld jaarlijks gasverbruik, moeten de tussentijdse streefdoelen van het vultraject dienovereenkomstig worden verlaagd.

(12)

Indien een lidstaat de vuldoelstelling niet tijdig kan behalen door technische problemen, zoals problemen met de pijpleidingen die de ondergrondse gasopslaginstallaties voeden of problemen met injectiefaciliteiten moet het de lidstaat worden toegestaan de vuldoelstelling in een later stadium te behalen. Elke vuldoelstelling moet echter zo snel als technisch mogelijk is, en in ieder geval niet later dan op 1 december van het betrokken jaar, worden behaald om de gasleveringszekerheid voor de winterperiode veilig te stellen.

(13)

Het is mogelijk dat een lidstaat niet in staat is de vuldoelstelling of een tussentijds streefdoel te verwezenlijken door een noodtoestand op regionaal of Unieniveau — zoals wanneer de gaslevering niet volstaat zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/1938 die de Commissie heeft afgekondigd op verzoek van een of meer lidstaten die, naargelang het geval, een nationale noodsituatie in de zin van die verordening hebben afgekondigd. Daarom moeten de vuldoelstellingen, met inbegrip van de doelstelling van lastendeling, niet van toepassing zijn indien de Commissie op grond van artikel 12 van die verordening een noodsituatie op regionaal of Unieniveau heeft afgekondigd en zolang die situatie voortduurt.

(14)

De bevoegde instanties moeten de vulniveaus van de ondergrondse gasopslaginstallaties voortdurend monitoren om te waarborgen dat niet van de vultrajecten wordt afgeweken. De vultrajecten moeten een marge van vijf procentpunten in acht nemen. Indien het vulniveau van een lidstaat meer dan vijf procentpunten onder het niveau van hun vultraject ligt, moet de bevoegde instantie onmiddellijk doeltreffende maatregelen nemen om het vulniveau te verhogen. De lidstaten moeten de Commissie en de GCG van die maatregelen in kennis stellen.

(15)

Indien een lidstaat aanhoudend en in aanzienlijke mate van hun vultraject afwijkt, bestaat het risico dat de toereikende vulniveaus en het vuldoel die noodzakelijk zijn om de gasleveringszekerheid in de Unie in een geest van solidariteit veilig te stellen, niet worden bereikt. Voor het geval dat zich dergelijke aanhoudende aanzienlijke afwijking van het vultraject of van de vuldoelstelling voordoet, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om doeltreffende maatregelen te nemen om problemen met de gasleveringszekerheid als gevolg van ongevulde opslaginstallaties te voorkomen. De Commissie moet bij een besluit over dergelijke doeltreffende maatregelen rekening houden met de specifieke situatie in de betrokken lidstaat, zoals de capaciteit van de ondergrondse gasopslaginstallaties in verhouding tot het binnenlandse gasverbruik en het belang van de ondergrondse gasopslaginstallaties voor de gasleveringszekerheid in de regio en bestaande LNG-opslaginstallaties. Aangezien het vulseizoen van 2022 al zal zijn begonnen wanneer deze verordening in werking dient te treden, moet de Commissie bij de maatregelen die zij neemt om afwijkingen van het vultraject voor 2022 aan te pakken, rekening houden met de beperkte tijd die voor de uitvoering van deze verordening op nationaal niveau beschikbaar is. De Commissie moet ervoor zorgen dat de maatregelen niet verder gaan dan wat nodig is om de gasleveringszekerheid veilig te stellen. Zij mag geen onevenredige lasten opleggen aan de lidstaten, gasmarktdeelnemers, opslagsysteembeheerders of consumenten.

(16)

De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de vuldoelstellingen worden behaald. Daarbij moeten zij, indien mogelijk, in de eerste plaats ernaar streven marktgebaseerde maatregelen toe te passen om onnodige verstoring van de markt te voorkomen. De lidstaten moeten vrij zijn om een hoger vuldoel te stellen, zodat de Unie ernaar kan streven het vulniveau van 85 % van de ondergrondse gasopslaginstallaties in de Unie voor 2022 collectief te behalen. Aangezien in veel lidstaten reeds verschillende regelgevingsstelsels ter ondersteuning van het vullen van de opslaginstallaties bestaan, moet er geen specifiek instrument worden opgelegd om de vultrajecten uit te voeren of de vuldoelstelling te behalen. De lidstaten moeten vrij zijn om te beslissen welk instrument het meest geschikt is voor hun nationale systemen, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De lidstaten of bevoegde regulerende instanties moeten daarom de mogelijkheid hebben te bepalen welke marktdeelnemers voor het vullen van de ondergrondse gasopslaginstallaties moet(en) zorgen. Zij moeten ook kunnen beslissen of regulerende middelen, zoals maatregelen die capaciteithouders verplichten ongebruikte capaciteit vrij te maken, die op grond van de bestaande marktregels van de Unie zijn toegestaan, voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de vuldoelstellingen worden behaald, of dat er financiële stimulansen of kortingen op de opslagtarieven noodzakelijk zijn. Indien een lidstaat gasleveranciers die beschermde afnemers op zijn grondgebied van gas voorzien, ertoe verplicht om gas op te slaan in ondergrondse gasopslaginstallaties, moet de opgeslagen hoeveelheid gas worden bepaald op basis van de aan die beschermde afnemers geleverde hoeveelheid aardgas. De lidstaten moeten met elkaar samenwerken en van instrumenten gebruikmaken, zoals platformen voor de aankoop van LNG, teneinde het gebruik van LNG voor het vullen van opslaginstallaties te maximaliseren. Bovendien moeten lidstaten de infrastructuur- en regelgevingsbelemmeringen voor het gedeelde gebruik van LNG voor het vullen van opslaginstallaties verminderen.

(17)

In de mededeling “REPowerEU: een gemeenschappelijk Europees optreden voor betaalbaardere, veiligere en duurzamere energie” van 8 maart 2022 heeft de Commissie verduidelijkt dat, om ervoor te zorgen dat de opslaginstallaties gevuld raken, het Unierecht de lidstaten toestaat steun aan gasleveranciers te verlenen op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, bijvoorbeeld in de vorm van garanties (“tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen”).

(18)

Maatregelen die de lidstaten nemen voor het vullen van ondergrondse gasopslaginstallaties, alsook de op basis van de lastenverdeling op te leggen vulvoorwaarden en de op te leggen voorwaarden voor de onttrekking van gas aan ondergrondse gasopslaginstallaties, moeten noodzakelijk, duidelijk omschreven, transparant, evenredig, niet-discriminerend en verifieerbaar zijn, en mogen niet leiden tot onrechtmatige verstoringen van de mededinging of van de goede werking van de interne gasmarkt, noch de gasleveringszekerheid van andere lidstaten of de Unie in gevaar brengen. Dergelijke maatregelen mogen met name niet leiden tot versterking van een machtspositie of tot meevallers voor ondernemingen die zeggenschap hebben over ondergrondse gasopslaginstallaties of die opslagcapaciteit geboekt hebben, maar niet gebruikt hebben.

(19)

Efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, met inbegrip van grensoverschrijdende transmissiecapaciteit, ondergrondse gasopslaginstallaties en LNG-installaties, is belangrijk om de gasleveringszekerheid in een geest van solidariteit te veilig te stellen. Open energiegrenzen zijn van wezenlijk belang voor de gasleveringszekerheid, ook in tijden van verstoringen van de gaslevering op nationaal, regionaal of Unieniveau. Daarom mogen maatregelen die worden genomen om de vulling van de ondergrondse gasopslaginstallaties te veilig te stellen, de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie (5) toegewezen grensoverschrijdende capaciteit niet blokkeren of beperken. Daarnaast moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de opslag beschikbaar blijft, ook voor naburige lidstaten en in noodsituaties, als bedoeld artikel 11, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/1938 wordt gedeclareerd.

(20)

De opslagverplichting zal naar verwachting leiden tot een financiële last voor de betrokken marktdeelnemers in die lidstaten die over relevante ondergrondse gasopslaginstallaties op hun grondgebied beschikken, terwijl het de bedoeling is dat de hogere gasleveringszekerheid alle lidstaten ten goede zal komen, ook die welke niet over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikken. Om de lasten te delen en ervoor te zorgen dat ondergrondse opslaginstallaties in de Unie voldoende gevuld zijn om de gasleveringszekerheid veilig te stellen, moeten lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties gebruikmaken van ondergrondse gasopslaginstallaties in andere lidstaten. Indien een lidstaat geen interconnectie heeft met andere lidstaten of indien de beperkte grensoverschrijdende transmissiecapaciteit van een lidstaat of een andere technische reden het gebruik van ondergrondse gasopslaginstallaties in andere lidstaten onmogelijk maakt, moet die verplichting dienovereenkomstig worden verlaagd.

(21)

Lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties moeten ervoor zorgen dat marktdeelnemers in dergelijke lidstaten regelingen treffen in lidstaten die dergelijke installaties hebben voorgebruik, uiterlijk op 1 november, van opslagvolumes die overeenkomen met ten minste 15 % van hun gemiddeld jaarlijks gasverbruik over de voorgaande vijf jaar. Lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties moeten echter ook een alternatieve lastenverdelingsregeling kunnen ontwikkelen met een of meer lidstaten die wel over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikken. Bij het overwegen van de lastenverdelingsregeling moet tevens rekening worden gehouden met andere bestaande gelijkwaardige maatregelen om de gasleveringszekerheid veilig te stellen, zoals een gelijkwaardige verplichting ten aanzien van andere brandstoffen dan aardgas, waaronder olie, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van dergelijke alternatieve lastenverdelingsregelingen en de technische beperkingen, en de gelijkwaardigheid van de genomen maatregelen, aantonen.

(22)

Het is mogelijk dat de maatregelen waarmee lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties de lasten van de opslagverplichting delen met lidstaten die wel over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikken, op hun beurt financiële gevolgen kunnen hebben voor de betrokken marktdeelnemers. Lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties moeten marktdeelnemers daarom financiële stimulansen of compensatie kunnen bieden voor de inkomstenderving of voor de kosten die uit de hun opgelegde verplichtingen voortvloeien en niet door inkomsten kunnen worden gedekt. Indien zulke maatregelen met een heffing worden gefinancierd, moet die heffing niet worden toegepast op grensoverschrijdende interconnectiepunten.

(23)

Doeltreffende monitoring en rapportage zijn essentieel voor de beoordeling van de aard en de omvang van de risico's in verband met de gasleveringszekerheid, alsook voor de keuze van passende maatregelen om dergelijke risico's te bestrijden. Exploitanten van ondergrondse gasopslaginstallaties moeten over de vulniveaus tijdens het vulseizoen maandelijks verslag uitbrengen aan de bevoegde instanties. Eigenaars en exploitanten van ondergrondse gasopslaginstallaties worden aangemoedigd om gegevens over de capaciteit en het vulniveau voor elke ondergrondse gasopslaginstallatie regelmatig in te voeren op een centraal rapportageplatform.

(24)

De bevoegde instanties spelen een belangrijke rol bij de monitoring van de gasleveringszekerheid, en zorgen voor evenwicht tussen de gasleveringszekerheid en de kosten voor consumenten die voortvloeien uit de maatregelen. De bevoegde instantie van elke lidstaat of een andere door de lidstaat aangewezen entiteit moeten samen met de Commissie de vulniveaus van de ondergrondse gasopslaginstallaties op hun grondgebied monitoren. Het moet ook mogelijk zijn voor de Commissie om het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) in voorkomend geval te verzoeken om daarbij te helpen.

(25)

Het is van wezenlijk belang dat bij de op grond van artikel 7 van Verordening (EU) 2017/1938 verrichte risicobeoordelingen rekening wordt gehouden met alle risico's die ernstige gevolgen zouden kunnen hebben voor de gasleveringszekerheid. Daartoe moet bij de op een risicoanalyse gebaseerde benadering om de gasleveringszekerheid te beoordelen en om preventieve en verzachtende maatregelen vast te stellen, ook rekening worden gehouden met de mogelijke scenario's bij een volledige verstoring van één leveringsbron. Om maximale paraatheid te waarborgen en verstoring van de gaslevering te voorkomen, dan wel de gevolgen van een dergelijke verstoring te beperken, moet bij de gemeenschappelijke en nationale risicobeoordelingen met dergelijke scenario's rekening worden gehouden. Dit zou het bij een volledige verstoring mogelijk maken de maatregelen ter beperking van de gevolgen van een noodsituatie te coördineren en optimaal gebruik te maken van de middelen om een ononderbroken toevoer, in het geval van een volledige leveringsverstoring, te veilig te stellen.

(26)

De GCG moet een grotere rol krijgen en een expliciet mandaat om de prestaties van de lidstaten op het gebied te monitoren, en op basis daarvan beste praktijken op dat gebied ontwikkelen ten aanzien van de gasleveringszekerheid. De Commissie moet daarom regelmatig verslag uitbrengen aan de GCG, en de GCG moet de Commissie bijstaan bij het monitoren van de vuldoelstellingen en ervoor te zorgen dat die doelstellingen worden behaald.

(27)

De GCG fungeert als belangrijke adviseur van de Commissie om de coördinatie van maatregelen betreffende de leveringszekerheid te faciliteren, en staat de Commissie te allen tijde en met name in het geval van een noodsituatie bij. Indien nodig, roept de Commissie onverwijld de GCG in de formatie crisisbeheersing bijeen om maximale paraatheid te waarborgen en snelle informatie-uitwisseling mogelijk te maken. De GCG in de formatie crisisbeheersing moet beschikbaar zijn om de Commissie zo lang als nodig bij te staan. Daartoe moet de GCG communicatiekanalen openhouden met de lidstaten en met alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de gasleveringszekerheid en informatie verzamelen die van belang is voor de gasleveringszekerheid op regionaal, nationaal en Unieniveau.

(28)

De opslagsysteemsector is van groot belang voor de Unie, de zekerheid van haar energievoorziening en andere wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie. De ondergrondse gasopslaginstallaties worden dan ook aangemerkt als kritieke infrastructuur in de zin van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (6). De lidstaten worden aangemoedigd in hun nationale energie- en klimaatplannen en in de op grond van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (7) aangenomen voortgangsverslagen rekening te houden met de bij deze verordening ingevoerde maatregelen.

(29)

In het netwerk van opslagsystemen zijn aanvullende waarborgen nodig om bedreigingen voor de openbare orde en de openbare veiligheid in de Unie of voor het welzijn van de Unieburgers te voorkomen. De lidstaten moeten erop toezien dat alle opslagsysteembeheerders, met inbegrip van transmissiesysteembeheerders die door opslagsysteembeheerders worden gecontroleerd, worden gecertificeerd door de nationale regulerende instantie of een andere bevoegde instantie die door de lidstaat is aangewezen teneinde te waarborgen dat de energievoorzieningszekerheid of andere essentiële veiligheidsbelangen in de Unie of een lidstaat niet in gevaar worden gebracht door beïnvloeding van de opslagsysteembeheerder. Voor het analyseren van mogelijke risico's op het gebied van de energievoorzieningszekerheid is coördinatie tussen de lidstaten bij het uitvoeren van de voorzieningszekerheidsbeoordeling belangrijk. Bij de beoordeling mag geen onderscheid worden gemaakt tussen marktdeelnemers maar moeten de beginselen van een goed functionerende interne markt volledig in acht worden genomen. Om het risico als gevolg van te lage vulniveaus snel te verminderen, moet die certificering voorrang krijgen en sneller worden uitgevoerd voor grotere ondergrondse opslaginstallaties die in het recente verleden steeds op lage niveaus waren gevuld, zodat mogelijke problemen met de gasleveringszekerheid als gevolg van de controle over dergelijke grote opslaginstallaties kunnen worden uitgesloten of indien mogelijk verholpen. Aangezien het gemiddelde vulniveau van de voorgaande zes jaar van alle ondergrondse opslaginstallaties in de Unie op 31 maart 35 % van hun maximumcapaciteit bedroeg, moet de drempel om in maart 2021 en maart 2022 van een ongebruikelijk laag vulniveau te spreken op 30 % worden vastgesteld.

(30)

Nationale regulerende instanties of een andere door de betrokken lidstaat aangewezen bevoegde instantie (in beide gevallen “certificeringsinstantie”) moeten certificering weigeren wanneer zij concluderen dat een persoon direct of indirect zeggenschap of rechten uitoefent over de opslagsysteembeheerder, de energievoorzieningszekerheid of een ander essentieel veiligheidsbelang op nationaal, regionaal of Unieniveau in gevaar zou kunnen brengen. Bij het maken van die beoordeling, moet de certificeringsinstantie rekening houden met commerciële betrekkingen die de stimulansen voor en het vermogen van de opslagsysteembeheerder om de ondergrondse gasopslaginstallatie te vullen, negatief kunnen beïnvloeden, alsmede met de internationale verplichtingen van de Unie, en andere specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Om te waarborgen dat certificeringsregels in de hele Unie consistent worden toegepast, dat de internationale verplichtingen van de Unie worden nagekomen en dat solidariteit en energiezekerheid in de Unie worden veiliggesteld, moet de certificeringsinstantie bij het nemen van certificeringsbesluiten in de hoogste mate rekening houden met het advies van de Commissie en zo nodig haar ontwerpbesluit herzien. Indien een certificeringsinstantie certificering weigert, moet zij de bevoegdheid hebben om te eisen dat een persoon die aandelen van of rechten op de eigenaar van het opslagsysteem of de opslagsysteembeheerder bezit, deze van de hand doet, en daarvoor een termijn te stellen, alsook alle andere passende maatregelen te gelasten om ervoor te zorgen dat die persoon geen zeggenschap of rechten over die eigenaar van het opslagsysteem of opslagsysteembeheerder kan uitoefenen, en te beslissen over passende compenserende maatregelen. Maatregelen die op grond van het certificeringsbesluit worden genomen om risico's op het gebied van gasleveringszekerheid of andere wezenlijke veiligheidsbelangen aan te pakken, moeten noodzakelijk, duidelijk omschreven, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn.

(31)

Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”) worden erkend. Zij eerbiedigt met name het recht niet van eigendom te worden ontdaan, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed, zoals bepaald in artikel 17 van het Handvest, alsook het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals bepaald in artikel 47 van het Handvest.

(32)

Als ondernemingen meer gas moeten kopen wanneer de gasprijs hoog is, zou dit de prijzen nog verder kunnen opdrijven. Daarom moeten de regulerende instanties een korting van maximaal 100 % kunnen toepassen op de entry- en exittarieven voor transmissie- en distributiecapaciteit van en naar de opslag, zowel voor ondergrondse gasopslaginstallaties als voor LNG-installaties, waardoor opslag voor marktdeelnemers aantrekkelijker wordt. Nationale regulerende instanties en de mededingingsautoriteiten worden tevens aangemoedigd gebruik te maken van hun bevoegdheden om ongegronde verhogingen van opslagtarieven doeltreffend uit te sluiten.

(33)

Gezien de huidige uitzonderlijke situatie en de onzekerheden over de toekomstige veranderingen in de geopolitieke situatie, worden de lidstaten aangemoedigd om zo snel mogelijk de vuldoelstellingen te behalen.

(34)

Gelet op het dreigende gevaar voor de gasleveringszekerheid als gevolg van de Russische militaire agressie tegen Oekraïne, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan. Gezien de uitzonderlijke aard van de huidige omstandigheden, moeten sommige bij deze verordening ingevoerde bepalingen enkel tot en met 31 december 2025 worden toegepast.

(35)

Deze verordening moet met spoed onderdeel worden van het acquis van de Energiegemeenschap overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap, dat op 25 oktober 2005 te Athene werd ondertekend en op 1 juli 2006 in werking is getreden.

(36)

Verordening (EU) 2017/1938 en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en van de Raad (8) moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Verordening (EU) 2017/1938

Verordening (EU) 2017/1938 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

“27.   “vultraject”: een reeks tussentijdse streefdoelen voor de ondergrondse gasopslaginstallaties van elke lidstaat, zoals vermeld in bijlage I bis voor 2022 en zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 6 bis voor de daaropvolgende jaren;

28.   “vuldoelstelling”: een bindend streefdoel voor het vulniveau van de totale capaciteit van de ondergrondse gasopslaginstallaties;

29.    “strategische opslag”: ondergrondse of deels ondergrondse opslag van niet-vloeibaar aardgas dat is aangekocht, beheerd en opgeslagen door transmissiesysteembeheerders, een door de lidstaten aangewezen entiteit of een onderneming, dat enkel mag worden vrijgegeven na voorafgaande kennisgeving of een overheidsvergunning voor de vrijgave ervan, en die over het algemeen alleen wordt vrijgegeven in geval van:

a)

grote voorzieningsschaarste;

b)

een leveringsverstoring, of

c)

de afkondiging van een noodsituatie als bedoeld in artikel 11, lid 1, punt c);

30.    “balanceringsvoorraad”: niet-vloeibaar aardgas dat:

a)

door transmissiesysteembeheerders of een door de lidstaten aangewezen entiteit wordt aangekocht, beheerd en ondergronds opgeslagen, uitsluitend voor de uitvoering van de functies van transmissiesysteembeheerders en voor de gasleveringszekerheid, en

b)

dat alleen wordt ingezet om het systeem onder veilige en betrouwbare voorwaarden operationeel te houden overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2009/73/EG en de artikelen 8 en 9 van Verordening (EU) nr. 312/2014;

31.   “ondergrondse gasopslaginstallatie”: een opslaginstallatie, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn 2009/73/EG, die wordt gebruikt voor aardgasbevoorrading, met inbegrip van balanceringsvoorraad, en die is aangesloten op een transmissie- of distributiesysteem, met uitzondering van bolvormige of leidingbufferopslag bovengronds.”.

2)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 6 bis

Vuldoelstellingen en vultrajecten

1.   Met inachtneming van de leden 2 tot en met 5 behalen de lidstaten uiterlijk op 1 november van elk jaar de volgende vuldoelstellingen voor de totale capaciteit van alle ondergrondse gasopslaginstallaties die zich op hun grondgebied bevinden en rechtstreeks verbonden zijn met een afzetgebied op hun grondgebied en voor de in bijlage I ter vermelde opslaginstallaties:

a)

voor 2022: 80 %;

b)

met ingang van 2023: 90 %.

Voor de naleving van dit lid houden de lidstaten rekening met de doelstelling om de gasleveringszekerheid in de Unie veilig te stellen overeenkomstig artikel 1.

2.   Niettegenstaande lid 1 en zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, wordt de vuldoelstelling voor elke lidstaat waar de ondergrondse gasopslaginstallaties zich bevinden, verlaagd tot een volume dat overeenkomt met 35 % van het gemiddelde jaarlijkse gasverbruik over de voorgaande vijf jaar voor die lidstaat.

3.   Niettegenstaande lid 1 en zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, wordt de vuldoelstelling voor elke lidstaat waar de ondergrondse gasopslaginstallaties zich bevinden, verlaagd met het volume dat tijdens de referentieperiode 2016 tot en met 2021 aan derde landen is geleverd indien het gemiddelde geleverde volume tijdens de onttrekkingsperiode voor gasopslag (oktober-april) meer dan 15 TWh per jaar bedroeg.

4.   Voor de in bijlage I ter vermelde ondergrondse gasopslaginstallaties zijn de vuldoelstellingen op grond van lid 1 en de vultrajecten op grond van lid 7 van toepassing. De details van de verplichtingen van elke lidstaat zullen worden bepaald in een bilaterale overeenkomst overeenkomstig bijlage I ter.

5.   Een lidstaat kan gedeeltelijk de vuldoelstelling behalen door het fysiek opgeslagen LNG dat beschikbaar is in zijn LNG-installaties mee te tellen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het gassysteem omvat aanzienlijke capaciteit voor LNG-opslag, die jaarlijks meer dan 4 % van het gemiddelde nationale verbruik over de voorgaande vijf jaar vertegenwoordigt;

b)

de lidstaat heeft de gasleveranciers overeenkomstig artikel 6 ter, lid 1, punt a), verplicht om minimumvolumes gas in ondergrondse gasopslaginstallaties en/of LNG-installaties op te slaan.

6.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de tussentijdse streefdoelen te behalen of ervoor te zorgen dat die worden behaald, als volgt:

a)

voor 2022: zoals vastgesteld in bijlage I bis, en

b)

met ingang van 2023: overeenkomstig lid 7.

7.   Voor 2023 en de daaropvolgende jaren dient elke lidstaat met ondergrondse gasopslaginstallaties uiterlijk op 15 september van het voorgaande jaar bij de Commissie in geaggregeerde vorm een ontwerpvultraject in met tussentijdse streefdoelen voor februari, mei, juli en september, met inbegrip van technische informatie, voor de ondergrondse gasopslaginstallaties op zijn grondgebied die een rechtstreekse interconnectie met zijn afzetgebied heeft. Het vultraject en de tussentijdse streefdoelen worden gebaseerd op het gemiddelde vulniveau gedurende de vijf voorgaande jaren.

Voor lidstaten waarvoor de vuldoelstellingen op grond van lid 2 verlaagd zijn tot 35 % van hun gemiddeld jaarlijks gasverbruik, worden de tussentijdse streefdoelen van het vultraject dienovereenkomstig verlaagd.

Op basis van de door elke lidstaat verstrekte technische informatie en rekening houdend met de beoordeling van de GCG stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om het vultraject voor elke lidstaat te bepalen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Ze worden uiterlijk op 15 november van het voorafgaande jaar vastgesteld, indien nodig alsook indien een lidstaat een geactualiseerd ontwerpvultraject heeft ingediend. Ze worden gebaseerd op een beoordeling van de algemene situatie inzake de gasleveringszekerheid en de ontwikkeling van de vraag naar en het aanbod van gas in de Unie en de afzonderlijke lidstaten, en worden vastgesteld op een wijze dat de gasleveringszekerheid wordt veiliggesteld, dat onnodige lasten voor de lidstaten, gasmarktdeelnemers, opslagsysteembeheerders of afnemers worden voorkomen en dat de mededinging tussen opslaginstallaties in naburige lidstaten niet onrechtmatig wordt verstoord.

8.   Indien een lidstaat in een bepaald jaar wegens specifieke technische kenmerken van een of meer ondergrondse gasopslaginstallaties op zijn grondgebied, zoals uitzonderlijk lage injectiesnelheden, zijn vuldoelstelling niet kan behalen op 1 november, wordt het die lidstaat toegestaan zijn vuldoelstelling uiterlijk op 1 december te behalen. De betrokken lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 1 november in kennis van de redenen voor de vertraging.

9.   De vuldoelstelling is niet van toepassing wanneer en zolang de Commissie op grond van artikel 12 een noodsituatie op regionaal of Unieniveau heeft afgekondigd op verzoek van, naargelang het geval, een of meer lidstaten die een nationale noodsituatie hebben afgekondigd.

10.   De bevoegde instantie van elke lidstaat monitort voortdurend de naleving van het vultraject en brengen regelmatig verslag uit aan de GCG. Indien het vulniveau in een lidstaat meer dan vijf procentpunten lager ligt dan het niveau van het vultraject, moet de bevoegde instantie onverwijld doeltreffende maatregelen nemen om het vulniveau te verhogen. De lidstaten stellen de Commissie en de GCG in kennis van de genomen maatregelen.

11.   In het geval van een substantiële en aanhoudende afwijking van het vultraject door een lidstaat, die het behalen van de vuldoelstelling in het gedrang brengt, of in het geval van een afwijking van de vuldoelstelling, richt de Commissie, na raadpleging van de GCG en de betrokken lidstaat, een aanbeveling tot die lidstaat of tot de andere betrokken lidstaat met betrekking tot maatregelen die onmiddellijk moeten worden genomen.

Indien de afwijking binnen een maand na ontvangst van de aanbeveling niet aanzienlijk is verminderd, neemt de Commissie, na raadpleging van de GCG en de betrokken lidstaat, als uiterste middel een besluit om de lidstaat te verplichten maatregelen te nemen om die afwijking doeltreffend weg te nemen, alsmede in voorkomend geval een of meer van de in artikel 6 ter, lid 1, bepaalde maatregelen, of een andere maatregel die ervoor zorgt dat de op grond van dit artikel verplichte vuldoelstelling wordt behaald.

De Commissie houdt bij een besluit over de op grond van de tweede alinea te nemen maatregelen rekening met de specifieke situatie van de betrokken lidstaten, zoals de capaciteit van de ondergrondse gasopslaginstallaties in verhouding tot het binnenlandse gasverbruik, het belang van de ondergrondse gasopslaginstallaties voor de gasleveringszekerheid in de regio en eventuele bestaande LNG-opslaginstallaties.

Bij maatregelen die de Commissie neemt naar aanleiding van afwijkingen van het vultraject of de vuldoelstelling voor 2022, wordt rekening gehouden met het korte tijdschema voor de uitvoering van dit artikel op nationaal niveau, dat mogelijk heeft bijgedragen aan de afwijking van het vultraject of de vuldoelstelling voor 2022.

De Commissie zorgt ervoor dat de op grond van dit lid genomen maatregelen niet:

a)

verder gaan dan wat nodig is om de gasleveringszekerheid veilig te stellen;

b)

geen onevenredige lasten oplegt aan de lidstaten, gasmarktdeelnemers, opslagsysteembeheerders of afnemers.

Artikel 6 ter

Verwezenlijking van de vuldoelstellingen

1.   De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen, met inbegrip van financiële stimulansen of compensatie voor marktdeelnemers, om de op grond van artikel 6 bis bepaalde vuldoelstellingen te behalen. Wanneer zij ervoor zorgen dat de vuldoelstellingen worden behaald, geven de lidstaten, waar mogelijk, voorrang aan marktgebaseerde maatregelen.

Voor zover een van de in dit artikel bepaalde maatregelen op grond van artikel 41 van Richtlijn 2009/73/EG taken en bevoegdheden van de nationale regulerende instantie betreffen, zijn de nationale regulerende instanties verantwoordelijk voor het nemen van die maatregelen.

De op grond van dit lid genomen maatregelen kunnen met name omvatten:

a)

van gasleveranciers vereisen dat zij minimumvolumes gas opslaan in opslaginstallaties, met inbegrip van ondergrondse gasopslaginstallaties en/of van LNG-opslaginstallaties, waarbij die volumes dienen te worden bepaald op basis van de hoeveelheid gas die door de gasleveranciers aan beschermde afnemers wordt geleverd;

b)

van opslagsysteembeheerders vereisen dat ze hun capaciteiten aan marktdeelnemers aanbieden;

c)

van transmissiesysteembeheerders of door de lidstaten aangewezen entiteiten vereisen dat ze balanceringsvoorraden aankopen en beheren, uitsluitend voor de uitvoering van hun taken als transmissiesysteembeheerder en waar nodig een verplichting opleggen aan een andere aangewezen entiteit met het oog op veiligstelling van de gasleveringszekerheid in een noodsituatie als bedoeld in artikel 11, lid 1, punt c);

d)

gebruikmaken van met andere lidstaten gecoördineerde instrumenten, zoals platformen voor de aankoop van LNG, teneinde het gebruik van LNG voor het vullen van opslaginstallaties te maximaliseren en de infrastructuur- en regelgevingsbelemmeringen voor het gedeelde gebruik van LNG voor het vullen van ondergrondse gasopslaginstallaties te verminderen;

e)

gebruikmaken van een vrijwillig mechanisme voor de gezamenlijke aankoop van aardgas, betreffende de toepassing waarvan de Commissie, indien nodig, uiterlijk op 1 augustus 2022 richtsnoeren kan uitvaardigen;

f)

verstrekken van financiële stimulansen voor marktdeelnemers, waaronder opslagsysteembeheerders, zoals contracten ter verrekening van verschillen, of compensatie aan marktdeelnemers voor inkomstenderving of voor kosten die voortvloeien uit aan marktdeelnemers, waaronder opslagsysteembeheerders, opgelegde verplichtingen en die niet door inkomsten kunnen worden gedekt;

g)

van houders van opslagcapaciteit vereisen dat ze geboekte maar niet gebruikte capaciteit ofwel gebruiken, ofwel vrijgeven, waarbij de houder van opslagcapaciteit die niet wordt gebruikt, verplicht blijft de overeengekomen prijs te betalen voor de gehele looptijd van het opslagcontract;

h)

vaststellen van doeltreffende instrumenten voor de aankoop en het beheer van strategische opslag door publieke of private entiteiten, op voorwaarde dat dergelijke instrumenten niet leiden tot verstoring van de mededinging of de goede werking van de interne markt;

i)

aanwijzen van een specifieke entiteit die belast wordt met het behalen van de vuldoelstelling ingeval de vuldoelstelling anders niet zou worden behaald;

j)

kortingen te geven op de opslagtarieven;

k)

innen van de inkomsten die nodig zijn om de kapitaal- en operationele uitgaven in verband met gereguleerde opslaginstallaties terug te vorderen in de vorm van opslagtarieven en als een specifiek in de transmissietarieven opgenomen heffing, die uitsluitend wordt geïnd van exitpunten naar eindafnemers in dezelfde lidstaten, mits de inkomsten die via tarieven worden geïnd niet hoger zijn dan de toegestane inkomsten.

2.   De door de lidstaten op grond van dit lid genomen maatregelen blijven beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om de vultrajecten en vuldoelstellingen te behalen. Ze worden duidelijk omschreven en zijn transparant, evenredig, niet-discriminerend en controleerbaar. Zij verstoren niet onrechtmatig de mededinging of de goede werking van de interne gasmarkt en brengen de gasleveringszekerheid in andere lidstaten of in de Unie niet in gevaar.

3.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om het gebruik van de bestaande infrastructuur op nationaal en regionaal niveau te waarborgen, teneinde de gasleveringszekerheid op doelmatige wijze te bevorderen. Die maatregelen blokkeren of beperken in geen geval het grensoverschrijdende gebruik van opslaginstallaties of LNG-installaties en leiden niet tot beperking van de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie (*1) toegewezen grensoverschrijdende transmissiecapaciteit.

4.   De lidstaten passen bij het nemen van maatregelen op grond van dit artikel het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel toe en blijven de doelstellingen van hun respectieve maatregelen verwezenlijken overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*2).

Artikel 6 quater

Opslagregelingen en lastenverdelingsmechanisme

1.   Een lidstaat die niet over ondergrondse opslaginstallaties beschikt, zorgt ervoor dat marktdeelnemers in die lidstaat regelingen treffen met ondergrondse-opslagsysteembeheerders of andere marktdeelnemers in lidstaten met ondergrondse gasopslaginstallaties. Die regelingen bepalen dat uiterlijk op 1 november opslagvolumes worden gebruikt die overeenkomen met ten minste 15 % van het gemiddelde jaarlijkse gasverbruik over de voorgaande vijf jaar van de lidstaat die niet over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikt. Wanneer een lidstaat zonder ondergrondse gasopslaginstallaties wegens de grensoverschrijdende transmissiecapaciteit of andere technische beperkingen echter niet in staat is 15 % van die opslagvolumes volledig te benutten, slaat die lidstaat alleen de volumes op die technisch mogelijk zijn.

Indien een lidstaat door technische beperkingen niet aan de in de eerste alinea bepaalde verplichting kan voldoen en verplicht is andere brandstoffen ter vervanging van gas op te slaan, kan bij wijze van uitzondering aan de in de eerste alinea bepaalde verplichting worden voldaan door een gelijkwaardige verplichting voor het opslaan van andere brandstoffen dan gas. De technische beperkingen en de gelijkwaardigheid van de maatregel worden door de betrokken lidstaat aangetoond.

2.   In afwijking van lid 1 kan een lidstaat die niet over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikt, een lastenverdelingsmechanisme ontwikkelen met een of meer lidstaten die over ondergrondse gasopslaginstallaties beschikken (“lastenverdelingsmechanisme”).

Het lastenverdelingsmechanisme is gebaseerd op de relevante gegevens van de meest recente risico-evaluatie op grond van artikel 7 en houdt rekening met alle volgende factoren:

a)

de kosten van financiële steunverlening om de vuldoelstelling te behalen, met uitzondering van de kosten voor het voldoen aan strategische-opslagverplichtingen;

b)

de gasvolumes die nodig zijn om te voldoen aan de vraag van beschermde afnemers overeenkomstig artikel 6, lid 1;

c)

technische beperkingen, waaronder de beschikbare ondergrondse opslagcapaciteit, grensoverschrijdende technische transmissiecapaciteit en onttrekkingspercentages.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 2 september 2022 in kennis van het lastenverdelingsmechanisme. Indien uiterlijk op die datum geen overeenstemming over een lastenverdelingsmechanisme is bereikt, tonen de lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties aan dat zij voldoen aan lid 1 en stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

3.   Als overgangsmaatregel kunnen lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties, maar met ondergrondse gasopslaginstallaties die in de laatste in Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad (*3) bedoelde lijst van projecten van gemeenschappelijk belang zijn opgenomen, gedeeltelijk voldoen aan lid 1 door de LNG-voorraden in bestaande drijvende opslageenheden mee te tellen totdat de ondergrondse gasopslaginstallaties in bedrijf zijn.

4.   Lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties kunnen marktdeelnemers of transmissiesysteembeheerders, naargelang het geval, stimulansen of financiële compensatie bieden voor de inkomstenderving of voor de door hen gemaakte kosten ten gevolge van de naleving van hun opslagverplichtingen op grond van dit artikel, indien een dergelijke derving of zulke kosten niet door inkomsten kunnen worden gedekt, teneinde nakoming van hun verplichting om gas op te slaan in andere lidstaten op grond van lid 1, of de uitvoering van het lastenverdelingsmechanisme te verzekeren. Indien de stimulans of financiële compensatie met een heffing wordt gefinancierd, wordt die heffing niet toegepast op grensoverschrijdende interconnectiepunten.

5.   Niettegenstaande lid 1, indien een lidstaat beschikt over ondergrondse gasopslaginstallaties op zijn grondgebied en de totale capaciteit van die installaties groter is dan het jaarlijkse gasverbruik van die lidstaat, zorgen de lidstaten zonder ondergrondse gasopslaginstallaties die toegang hebben tot die installaties, ervoor dat zij:

a)

hetzij de opslagvolumes uiterlijk op 1 november ten minste overeenkomen met het gemiddelde gebruik van de opslagcapaciteit over de voorgaande vijf jaar, bepaald onder meer door de gasstromen in aanmerking te nemen tijdens het onttrekkingsseizoen over de voorgaande vijf jaar vanuit de lidstaten waar de opslaginstallaties zich bevinden;

b)

hetzij tonen ze aan dat een opslagcapaciteit is geboekt die gelijkwaardig is aan het volume waarop de verplichting uit hoofde van punt a) betrekking heeft.

Indien de lidstaat zonder ondergrondse gasopslaginstallaties kan aantonen dat de opslagcapaciteit die overeenkomt met het volume waarop de verplichting uit hoofde van punt a) van de eerste alinea betrekking heeft, is geboekt, is lid 1 van toepassing.

De verplichting uit hoofde van dit lid is beperkt tot 15 % van het gemiddelde jaarlijkse gasverbruik over de voorgaande vijf jaar in de betrokken lidstaat.

6.   Tenzij anders bepaald in bijlage I ter, is, in het geval van ondergrondse gasopslaginstallaties die zich in een lidstaat bevinden die niet onder lid 5 vallen, maar die rechtstreeks verbonden zijn met het afzetgebied van een andere lidstaat, zorgt die andere lidstaat ervoor dat de opslagvolumes uiterlijk op 1 november ten minste overeenkomen met het gemiddelde van de opslagcapaciteit die op het betrokken grensoverschrijdende punt over de voorgaande vijf jaar is geboekt.

Artikel 6 quinquies

Monitoring en handhaving

1.   De opslagsysteembeheerders melden het vulniveau aan de bevoegde instantie in elke lidstaat waar de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties zich bevinden en, indien van toepassing, aan een door die lidstaat aangewezen entiteit (de “aangewezen entiteit”), als volgt:

a)

voor 2022: op elk van de in bijlage I bis vermelde tussentijdse streefdoelen, en

b)

met ingang van 2023: zoals vastgesteld op grond van artikel 6 bis, lid 4.

2.   De bevoegde instantie en, indien van toepassing, de aangewezen entiteit van elke lidstaat monitort het vulniveau van de ondergrondse gasopslaginstallaties op hun grondgebied aan het einde van elke maand en deelt de resultaten onverwijld aan de Commissie mee.

De Commissie kan het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) in voorkomend geval ook verzoeken bijstand te verlenen bij dergelijke monitoring.

3.   Op basis van de door de bevoegde instantie en, indien van toepassing, de aangewezen entiteit van elke lidstaat verstrekte informatie brengt de Commissie regelmatig verslag uit aan de Groep coördinatie gas (GCG).

4.   De GCG helpt de Commissie met het monitoren van de vuldoelstellingen en vultrajecten en ontwikkelt richtsnoeren voor de Commissie met betrekking tot passende maatregelen om de naleving te waarborgen ingeval de lidstaten van de vultrajecten niet afwijken of de vuldoelstellingen niet behalen.

5.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de vultrajecten na te leven en de vuldoelstellingen te behalen, en om marktdeelnemers te verplichten aan de opslagverplichtingen te voldoen, onder meer door hen voldoende afschrikkende sancties en boetes op te leggen.

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld op de hoogte van de op grond van dit lid genomen handhavingsmaatregelen.

6.   Indien commercieel gevoelige informatie moet worden uitgewisseld, kan de Commissie vergaderingen van de GCG bijeenroepen die uitsluitend door haarzelf en de lidstaten worden bijgewoond.

7.   De uitgewisselde informatie blijft beperkt tot hetgeen nodig is om de naleving van deze verordening te monitoren.

De Commissie, de nationale regulerende instanties en de lidstaten eerbiedigen de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige informatie die zij ontvangen om hun verplichtingen na te komen.

(*1)  Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende capaciteitstoewijzingsmechanismen in gastransmissiesystemen en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 984/2013 (PB L 72 van 17.3.2017, blz. 1)."

(*2)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1)."

(*3)  Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013 (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 45).”."

3)

Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Uiterlijk op 1 september 2022 verricht het ENTSB-G een Uniebrede simulatie van gasleverings- en -infrastructuurverstoringsscenario's, met inbegrip van scenario's van een langdurige verstoring van één leveringsbron. De simulatie omvat de identificatie en evaluatie van noodcorridors voor de levering van gas en bepaalt tevens welke lidstaten de vastgestelde risico's kunnen aanpakken, onder meer met betrekking tot LNG. De Uniebrede simulatie van gasleverings- en -infrastructuurverstoringsscenario's en de methode voor de simulatie worden door het ENTSB-G vastgesteld, in overleg met de GCG. Het ENTSB-G neemt een passend transparantieniveau in acht en biedt toegang tot de in zijn scenario's gebruikte aannamen. De Uniebrede simulatie van gasleverings- en -infrastructuurverstoringsscenario's wordt om de vier jaar herhaald, tenzij de omstandigheden een hogere frequentie rechtvaardigen.”;

b)

aan lid 4 wordt het volgende punt toegevoegd:

“g)

rekening houdend met scenario’s van een langdurige verstoring van één leveringsbron.”.

4)

Aan artikel 16 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   De lidstaten zorgen ervoor dat aan de opslagverplichtingen uit hoofde van deze verordening wordt voldaan door gebruik te maken van opslaginstallaties in de Unie. De samenwerking tussen de lidstaten en de verdragsluitende partijen van de Energiegemeenschap kan evenwel vrijwillige regelingen omvatten voor het gebruik van door die partijen verstrekte opslagcapaciteit voor de opslag van extra gasvolumes voor de lidstaten.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 17 bis

Verslaglegging door de Commissie

1.   Uiterlijk op 28 februari 2023, en vervolgens jaarlijks, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslagen in met:

a)

een overzicht van de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om aan de opslagverplichtingen te voldoen;

b)

een overzicht van de tijd die nodig is voor de in artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 715/2009 vastgestelde certificeringsprocedure;

c)

een overzicht van de door de Commissie verzochte maatregelen om ervoor te zorgen dat de vultrajecten worden nageleefd en de vuldoelstellingen worden behaald;

d)

een analyse van de mogelijke gevolgen van deze verordening voor de gasprijzen en potentiële gasbesparingen in verband met artikel 6 ter, lid 4.”.

6)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 18 bis

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*4).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(*4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”."

7)

Aan artikel 20 wordt het volgende lid toegevoegd:

“4.   De artikelen 6 bis tot en met 6 quinquies zijn niet van toepassing op Ierland, Cyprus, en Malta zolang zij niet rechtstreeks zijn aangesloten op het gasinterconnectiesysteem van een andere lidstaat.”.

8)

Aan artikel 22 wordt het volgende lid toegevoegd:

“Artikel 2, punten 27 tot en met 31, de artikelen 6 bis tot en met 6 quinquies, artikel 16, lid 3, artikel 17 bis, artikel 18 bis, artikel 20, lid 4, en bijlagen I bis en I ter zijn van toepassing tot en met 31 december 2025.”.

9)

De in de bijlage bij deze verordening opgenomen tekst wordt als bijlagen I bis en I ter ingevoegd.

Artikel 2

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 715/2009

Verordening (EG) nr. 715/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 3 bis

Certificering van opslagsysteembeheerders

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle opslagsysteembeheerders, met inbegrip van die welke onder zeggenschap van een transmissiesysteembeheerder staan, overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde procedure worden gecertificeerd, hetzij door de nationale regulerende instantie, hetzij door een andere bevoegde instantie die door de betrokken lidstaat is aangewezen op grond van artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad (*5) (in beide gevallen “certificeringsinstantie”).

Dit artikel is ook van toepassing op opslagsysteembeheerders die onder zeggenschap staan van transmissiesysteembeheerders die reeds gecertificeerd zijn op grond van de ontvlechtingsvoorschriften van de artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2009/73/EG.

2.   De certificeringsinstantie vaardigt een ontwerpcertificeringsbesluit uit ten aanzien van opslagsysteembeheerders die ondergrondse gasopslaginstallaties met een capaciteit van meer dan 3,5 TWh beheren, indien uiterlijk op 1 februari 2023 of binnen 150 werkdagen na de datum van ontvangst van een kennisgeving op grond van lid 9 alle opslaginstallaties, ongeacht het aantal opslagsysteembeheerders, op 31 maart 2021 en 31 maart 2022 gevuld waren tot een niveau dat gemiddeld minder dan 30 % van hun maximumcapaciteit bedroeg.

Ten aanzien van de in de eerste alinea bedoelde opslagsysteembeheerders stelt de certificeringsinstantie alles in het werk om uiterlijk op 1 november 2022 een ontwerpcertificeringsbesluit uit te vaardigen.

Ten aanzien van alle andere opslagsysteembeheerders vaardigt de certificeringsinstantie uiterlijk op 2 januari 2024 of binnen 18 maanden na de datum van ontvangst van een kennisgeving op grond van lid 8 of lid 9 een ontwerpcertificeringsbesluit.

3.   Bij de overweging van het risico voor de energievoorzieningszekerheid in de Unie houdt de certificeringsinstantie rekening met elk risico voor de gasleveringszekerheid op nationaal, regionaal of Unieniveau, alsmede met enige beperking van dergelijk risico, dat onder meer voortvloeit uit:

a)

de eigendom, de levering of andere commerciële relaties die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de stimulansen voor en het vermogen van de opslagsysteembeheerder om de ondergrondse gasopslaginstallatie te vullen;

b)

de rechten en verplichtingen van de Unie ten aanzien van een derde land uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van overeenkomsten die zijn gesloten met een of meer derde landen waarbij de Unie partij is en waarin de energievoorzieningszekerheid aan de orde komt;

c)

de rechten en verplichtingen van de betrokken lidstaten ten aanzien van een derde land, die voortvloeien uit door de betrokken lidstaat met een of meer derde landen gesloten overeenkomsten, voor zover die overeenkomsten in overeenstemming zijn met het Unierecht, of

d)

andere specifieke feiten en omstandigheden van het geval.

4.   Indien de certificeringsinstantie concludeert dat een persoon die direct of indirect zeggenschap heeft of rechten uitoefent over de opslagsysteembeheerder in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2009/73/EG, de energievoorzieningszekerheid of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie of van een lidstaat in gevaar kan brengen, weigert de certificeringsinstantie de certificering. Als alternatief kan de certificeringsinstantie een certificeringsbeslissing onder voorwaarden afgeven die waarborgen dat de risico's die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het vullen van de gasopslaginstallaties voldoende worden beperkt, mits de werkbaarheid van de voorwaarden ten volle kan worden gewaarborgd door doeltreffende uitvoering en monitoring. Dergelijke voorwaarden kunnen met name voorzien in een vereiste dat de eigenaar van het opslagsysteem of de opslagsysteembeheerder het beheer van het opslagsysteem overdraagt.

5.   Indien de certificeringsinstantie concludeert dat de risico's voor de gaslevering niet kunnen worden beperkt door voorwaarden te stellen op grond van lid 4, onder meer door van de eigenaar van het opslagsysteem of de opslagsysteembeheerder te eisen het beheer van het opslagsysteem over te dragen, en derhalve de certificering weigert:

a)

eist zij van de eigenaar van het opslagsysteem, de opslagsysteembeheerder of elke persoon die naar haar inzicht de energievoorzieningszekerheid of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie of van een lidstaat in gevaar zou kunnen brengen, dat afstand wordt gedaan van de aandelen of rechten waarover die persoon beschikt ten aanzien van de eigenaar van het opslagsysteem of de opslagsysteembeheerder, en stelt zij een termijn vast binnen welke daarvan afstand moet worden gedaan;

b)

gelast zij in voorkomend geval voorlopige maatregelen om te waarborgen dat een dergelijke persoon geen zeggenschap of rechten over die eigenaar van het opslagsysteem of opslagsysteembeheerder kan uitoefenen totdat van de aandelen of rechten afstand is gedaan, en

c)

treft zij passende compenserende maatregelen overeenkomstig nationaal recht.

6.   De certificeringsinstantie stelt de Commissie onverwijld in kennis van haar ontwerpcertificeringsbesluit, met vermelding van alle relevante informatie.

Binnen 25 werkdagen na een dergelijke kennisgeving verstrekt de Commissie een advies over het ontwerpcertificeringbesluit aan de certificeringsinstantie. De certificeringsinstantie houdt in de hoogste mate rekening met het advies van de Commissie.

7.   Binnen 25 werkdagen na ontvangst van het advies van de Commissie vaardigt de certificeringsinstantie het certificeringsbesluit uit.

8.   Voordat een nieuw aangelegde ondergrondse gasopslaginstallatie in gebruik wordt genomen, wordt de opslagsysteembeheerder gecertificeerd overeenkomstig de leden 1 tot en met 7. De opslagsysteembeheerder stelt de certificeringsinstantie in kennis van zijn voornemen om de opslaginstallatie in gebruik te nemen.

9.   Opslagsysteembeheerders stellen de relevante certificeringsinstantie in kennis van elke geplande transactie die een herbeoordeling van hun naleving van de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde certificeringsvoorschriften vereist.

10.   Certificeringsinstanties monitoren de opslagsysteembeheerders voortdurend wat betreft de naleving van de in de leden 1 tot en met 4 vastgelegde certificeringseisen. Zij openen een certificeringsprocedure om de naleving opnieuw te beoordelen in elk van de volgende omstandigheden:

a)

na ontvangst van een kennisgeving door de opslagsysteembeheerder op grond van lid 8 of lid 9;

b)

op eigen initiatief, indien zij er kennis van hebben dat een geplande wijziging van rechten of van beïnvloeding op een opslagsysteembeheerder ertoe zou kunnen leiden dat de vereisten van de leden 1, 2 en 3 niet worden nageleefd;

c)

na een met redenen omkleed verzoek van de Commissie.

11.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de voortdurende werking van de ondergrondse gasopslaginstallaties op hun respectieve grondgebied te waarborgen. Die ondergrondse gasopslaginstallaties mogen hun activiteiten alleen stopzetten indien niet aan technische en veiligheidseisen wordt voldaan of indien de certificeringsinstantie na een beoordeling te hebben uitgevoerd en rekening houdend met een advies van het ENTSB voor gas, tot de conclusie komt dat een dergelijke stopzetting de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau niet vermindert.

In voorkomend geval worden passende compenserende maatregelen genomen indien stopzetting van de activiteiten niet wordt toegestaan.

12.   De Commissie kan richtsnoeren verstrekken over de toepassing van dit artikel.

13.   Dit artikel is niet van toepassing op delen van LNG-installaties die voor opslag worden gebruikt.

(*5)  Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1).”."

2)

Aan artikel 13 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   De nationale regulerende instantie kan een korting van maximaal 100 % toepassen op capaciteitsgebaseerde transmissie- en distributietarieven op entrypunten van en exitpunten naar ondergrondse gasopslaginstallaties en LNG-installaties, tenzij en voor zover een dergelijke installatie die met meer dan één transmissie- of distributienet is verbonden, wordt gebruikt om te concurreren met een interconnectiepunt.

Dit lid is van toepassing tot en met 31 december 2025.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

F. RIESTER


(1)  Advies van 18 mei 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad 28 juni 2022.

(3)  Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(5)  Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende capaciteitstoewijzingsmechanismen in gastransmissiesystemen en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 984/2013 (PB L 72 van 17.3.2017, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).

(7)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).


BIJLAGE

“BIJLAGE I BIS (1)

Vultraject met tussentijdse streefdoelen en vuldoelstelling voor 2022 voor lidstaten met ondergrondse gasopslaginstallaties

Lidstaat

Tussentijds streefdoel 1 augustus

Tussentijds streefdoel 1 september

Tussentijds streefdoel 1 oktober

Vuldoelstelling 1 november

AT

49  %

60  %

70  %

80  %

BE

49  %

62  %

75  %

80  %

BG

49  %

61  %

75  %

80  %

CZ

60  %

67  %

74  %

80  %

DE

45  %

53  %

80  %

80  %

DK

61  %

68  %

74  %

80  %

ES

71  %

74  %

77  %

80  %

FR

52  %

65  %

72  %

80  %

HR

49  %

60  %

70  %

80  %

HU

51  %

60  %

70  %

80  %

IT

58  %

66  %

73  %

80  %

LV

57  %

65  %

72  %

80  %

NL

54  %

62  %

71  %

80  %

PL

80  %

80  %

80  %

80  %

PT

72  %

75  %

77  %

80  %

RO

46  %

57  %

66  %

80  %

SE

40  %

53  %

67  %

80  %

SK

49  %

60  %

70  %

80  %

BIJLAGE I TER

Gedeelde verantwoordelijkheid voor de vuldoelstelling en het vultraject

Met betrekking tot de vuldoelstelling en het vultraject op grond van artikel 6 bis delen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk de verantwoordelijkheid voor de opslaginstallaties Haidach en 7Fields. De exacte verhouding en omvang van die verantwoordelijkheid van zowel de Bondsrepubliek Duitsland als de Republiek Oostenrijk zijn onderworpen aan een bilaterale overeenkomst tussen die lidstaten.


(1)  Deze bijlage is onderworpen aan de evenredige verplichtingen van elke lidstaat uit hoofde van deze verordening, met name de artikelen 6 bis, 6 ter en 6 quater.

Voor de lidstaten die onder artikel 6 bis, lid 2, vallen, wordt het evenredige tussentijdse streefdoel berekend door de in de tabel vermelde waarde te vermenigvuldigen met het maximum van 35 % en het resultaat door 80 % te delen.


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/34


VERORDENING (EU) 2022/1033 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 juni 2022

van tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft een specifieke maatregel om uitzonderlijke tijdelijke steun te verlenen uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) naar aanleiding van de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Landbouwers en plattelandsbedrijven in de Unie zijn ongekend zwaar getroffen door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne. Stijgende prijzen voor productiemiddelen, met name voor energie, meststoffen en diervoeders, hebben geleid tot een economische ontwrichting van de landbouwsector en plattelandsgemeenschappen van de Unie en tot liquiditeitsproblemen bij landbouwers en bij kleine plattelandsbedrijven die actief zijn op het gebied van de verwerking, afzet of ontwikkeling van landbouwproducten. Daardoor is een uitzonderlijke situatie ontstaan die moet worden aangepakt door een nieuwe uitzonderlijke maatregel.

(2)

Om de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne voor de sectoren landbouw en voeding van de Unie het hoofd te bieden, moet deze verordening voorzien in een nieuwe, uitzonderlijke en tijdelijke maatregel voor de aanpak van de liquiditeitsproblemen, die een gevaar vormen voor de continuïteit van de landbouwactiviteiten en van kleine bedrijven die actief zijn op het gebied van de verwerking, afzet of ontwikkeling van landbouwproducten.

(3)

De steun uit hoofde van de maatregel waarin deze verordening voorziet, die het concurrentievermogen van de agrovoedingsindustrie en de levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven in de Unie beoogt veilig te stellen, moet ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zoveel mogelijk terechtkomen bij hen die het meest getroffen zijn door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne en moet worden toegekend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. Bij dergelijke criteria moet in het geval van landbouwers kunnen worden gedacht aan productiesectoren, soorten landbouw of landbouwbedrijfsstructuren, en in het geval van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) aan sectoren, soorten activiteiten, soorten regio’s of andere specifieke beperkingen.

(4)

De huidige, ernstige crisis in de landbouwector van de Unie bevestigt de noodzaak om de transitie naar duurzaamheid te bespoedigen teneinde beter voorbereid te zijn op toekomstige crises. De steun in het kader van de in deze verordening voorziene maatregel mag daarom niet leiden tot een verlaging van het totale aandeel van de bijdrage van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) dat is gereserveerd voor de in artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) bedoelde maatregelen.

(5)

Vanwege de urgentie en het tijdelijke en uitzonderlijke karakter van de in deze verordening voorziene maatregel moet worden voorzien in een eenmalige betaling en een einddatum voor de toepassing van de maatregel. Aan het beginsel dat betalingen van de Commissie moeten worden gedaan overeenkomstig de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen moet ook worden voldaan.

(6)

Om ervoor te zorgen dat de zwaarst getroffen landbouwers en kmo’s meer steun krijgen, moet het de lidstaten worden toegestaan om de hoogte van de vaste bedragen te variëren naargelang van de categorie waarin een in aanmerking komende begunstigde valt, bijvoorbeeld door bepaalde marges of brede categorieën vast te stellen, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

(7)

Om een adequate financiering van de in deze verordening voorziene maatregel te waarborgen en tegelijk te voorkomen dat andere doelstellingen van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s in het gedrang komen, moet een maximumpercentage voor de bijdrage van de Unie aan die maatregel worden vastgesteld.

(8)

Verordening (EU) nr. 1305/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

In het licht van de Russische invasie van Oekraïne en de urgentie om de gevolgen van die invasie voor de sectoren landbouw en voeding van de Unie te bestrijden, wordt het passend geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken waarin is voorzien in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(10)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het aanpakken van de uitzonderlijke situatie die is ontstaan in de sectoren landbouw en voeding van de Unie door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(11)

Gezien de urgentie van de situatie met betrekking tot de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne voor de sectoren landbouw en voeding van de Unie moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 39 quater

Uitzonderlijke tijdelijke steun voor zwaar door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne getroffen landbouwers en kmo’s

1.   Uit hoofde van deze maatregel wordt onder de voorwaarden van dit artikel steun verleend in de vorm van noodbijstand aan zwaar door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne getroffen landbouwers en kmo’s, die erop gericht is de continuïteit van hun bedrijfsactiviteiten te waarborgen.

2.   De steun wordt verleend aan landbouwers of kmo’s die actief zijn op het gebied van de verwerking, afzet of ontwikkeling van in bijlage I bij het VWEU vermelde landbouwproducten of katoen, met uitzondering van visserijproducten. Het productieproces mag een product opleveren dat niet in die bijlage wordt vermeld.

3.   De lidstaten richten de steun op de begunstigden die het zwaarst zijn getroffen door de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne, door het opstellen, op basis van de beschikbare feiten, van subsidiabiliteitsvoorwaarden en, indien passend geacht door de betrokken lidstaat, selectiecriteria, die objectief en niet-discriminerend zijn. De door de lidstaten verleende steun draagt bij tot de voedselzekerheid of pakt verstoorde marktevenwichten aan en ondersteunt landbouwers of kmo’s die een of meer van de volgende activiteiten verrichten waarmee die doelstellingen worden nagestreefd:

a)

circulaire economie;

b)

nutriëntenbeheer;

c)

efficiënt gebruik van grondstoffen;

d)

milieu- en klimaatvriendelijke productiemethoden.

4.   De steun neemt de vorm aan van een vaste betaling die uiterlijk op 15 oktober 2023 wordt gedaan, op basis van de door de bevoegde autoriteit uiterlijk op 31 maart 2023 goedgekeurde aanvragen voor steun. De daaropvolgende vergoeding van de Commissie geschiedt overeenkomstig de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen. De hoogte van de betaling mag worden gedifferentieerd per categorie begunstigden, volgens objectieve en niet-discriminerende criteria.

5.   Het maximumsteunbedrag is niet hoger dan 15 000 EUR per landbouwer en 100 000 EUR per kmo.

6.   Bij de verlening van steun uit hoofde van dit artikel houden de lidstaten rekening met de steun die is verleend uit hoofde van andere nationale en Uniesteuninstrumenten en particuliere regelingen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne.”.

2)

In artikel 49 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De voor de selectie van concrete acties bevoegde autoriteit van de lidstaat ziet erop toe dat concrete acties, met uitzondering van de in artikel 18, lid 1, punt b), artikel 24, lid 1, punt d), en de artikelen 28 tot en met 31, artikel 33, artikel 34 en de artikelen 36 tot en met 39 quater bedoelde concrete acties, worden geselecteerd overeenkomstig de in lid 1 van dit artikel bedoelde selectiecriteria en volgens een transparante en goed gedocumenteerde procedure.”.

3)

In artikel 59 wordt het volgende lid ingevoegd:

“6 ter.   De Elfpo-steun die uit hoofde van artikel 39 quater wordt verleend, bedraagt ten hoogste 5 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de jaren 2021-2022 als bepaald in deel twee van bijlage I.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

F. RIESTER


(1)  Advies van 16 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2022.

(3)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/37


VERORDENING (EU) 2022/1034 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 juni 2022

tot wijziging van Verordening (EU) 2021/953 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 21, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad (2) wordt het kader vastgesteld voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat), teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. Deze verordening draagt tevens bij tot het gemakkelijker maken om de beperkingen van het vrije verkeer die door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht zijn ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, stapsgewijs en op gecoördineerde wijze op te heffen.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 moeten de testcertificaten worden afgegeven op basis van twee types tests voor SARS-CoV-2-besmetting, namelijk moleculaire nucleïnezuuramplificatietests (“NAAT-tests”), waaronder die welke gebruikmaken van reverse transcription polymerase chain reaction (“RT-PCR-tests”), en snelle antigeentests, die berusten op de detectie van virale eiwitten (antigenen) met behulp van een lateral flow immunoassay die resultaten geeft in minder dan 30 minuten, op voorwaarde dat zij worden uitgevoerd door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel.

(3)

Verordening (EU) 2021/953 houdt echter geen rekening met in een laboratoriumomgeving uitgevoerde antigeenassays, zoals enzyme-linked immunosorbent assays of geautomatiseerde immunoassays. Sinds juli 2021 beoordeelt de technische werkgroep voor diagnostische COVID-19-tests, die verantwoordelijk is voor het voorbereiden van updates van de gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests die is goedgekeurd door het op grond van artikel 17 van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Gezondheidsbeveiligingscomité, de voorstellen van lidstaten en fabrikanten in verband met in een laboratoriumomgeving uitgevoerde COVID-19-antigeenassays. Die voorstellen zijn aan dezelfde criteria getoetst als de snelle antigeentests, en het Gezondheidsbeveiligingscomité heeft een lijst opgesteld van in een laboratoriumomgeving uitgevoerde antigeenassays die aan die criteria voldoen.

(4)

Als gevolg van die ontwikkelingen en om het toepassingsgebied van de verschillende types diagnostische tests die mogen worden gebruikt voor de afgifte van een digitaal EU-COVID-certificaat uit te breiden, moet de definitie van snelle antigeentests worden aangepast zodat ook in een laboratoriumomgeving uitgevoerde antigeenassays eronder vallen. Bijgevolg moeten de lidstaten testcertificaten en, na de vaststelling van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/256 van de Commissie (4), herstelcertificaten kunnen afgeven op basis van de antigeentests die aan de vastgestelde kwaliteitscriteria voldoen en daarom zijn opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests die door het Gezondheidsbeveiligingscomité is goedgekeurd en regelmatig door dat comité wordt bijgewerkt. Aangezien de COVID-19-teststrategieën per lidstaat verschillen, moet het gebruik door de lidstaten van antigeentests voor de afgifte van herstelcertificaten dan ook facultatief blijven, met name bij een tekort aan NAAT-capaciteit wegens een hoog aantal besmettingen in het betrokken gebied of om een andere reden. Indien er voldoende NAAT-capaciteit beschikbaar is, kunnen de lidstaten beslissen herstelcertificaten enkel op de basis van NAAT-tests - die worden beschouwd als de meest betrouwbare methode voor het testen van met COVID-19 besmette personen en van personen die met hen in contact zijn gekomen - te blijven afgeven. Maar net zo goed moeten de lidstaten in perioden waarin het aantal SARS-CoV-2-besmettingen stijgt, waardoor de vraag naar tests sterk toeneemt of er een tekort aan NAAT-tests ontstaat, over de tijdelijke mogelijkheid beschikken om herstelcertificaten af te geven op basis van antigeentests. Wanneer het aantal besmettingen afneemt, kunnen de lidstaten beslissen om herstelcertificaten enkel op basis van NAAT-tests te blijven afgeven.

(5)

Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2021/953 moeten de door de lidstaten afgegeven vaccinatiecertificaten het aantal aan de houder toegediende doses vermelden. Verduidelijkt moet worden dat met dit vereiste alle toegediende doses worden bedoeld, ongeacht de lidstaat waar ze zijn toegediend, en dus niet alleen de doses die zijn toegediend in de lidstaat die het vaccinatiecertificaat afgeeft. Indien alleen melding zou worden gemaakt van de eerdere doses die zijn ontvangen in de lidstaat waar het vaccinatiecertificaat is afgegeven, zou er een discrepantie kunnen ontstaan tussen het totale aantal doses dat aan iemand daadwerkelijk is toegediend en het op het vaccinatiecertificaat aangegeven aantal, wat de houders ervan zou kunnen weerhouden om hun vaccinatiecertificaat te gebruiken bij de uitoefening van het recht op vrij verkeer binnen de Unie. De toediening van eerdere doses in andere lidstaten wordt aangetoond door middel van een geldig digitaal EU-COVID-certificaat. Een lidstaat mag van Unieburgers die in het bezit zijn van dergelijke vaccinatiecertificaten, niet vereisen dat zij aanvullende informatie of aanvullend bewijs, zoals het partijnummer van eerdere doses, overleggen. Een lidstaat moet kunnen vereisen dat een persoon een geldig identiteitsbewijs en een eerder vaccinatie- of herstelcertificaat overlegt. In dit verband gelden de in artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde regels over de aanvaarding van door andere lidstaten afgegeven vaccinatiecertificaten. Bovendien moeten certificaten die vallen onder een op grond van artikel 3, lid 10, en artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde uitvoeringshandeling, onder dezelfde voorwaarden als de door de lidstaten afgegeven digitale EU-COVID-certificaten worden aanvaard, teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Unie door de houders ervan te faciliteren. Overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Verordening (EU) 2021/953 heeft de houder van een digitaal EU-COVID-certificaat het recht te verzoeken om afgifte van een nieuw certificaat indien de persoonsgegevens in het oorspronkelijke certificaat niet nauwkeurig zijn, ook wat de vaccinatie van de houder betreft.

(6)

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/953 moet de lidstaat waar een COVID-19-vaccin is toegediend een vaccinatiecertificaat afgeven aan de betrokkene. Dit mag echter niet worden opgevat als een beletsel voor een lidstaat om in artikel 3, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/953 bedoelde vaccinatiecertificaten af te geven aan personen die een bewijs dat zij in een andere lidstaat zijn gevaccineerd overleggen.

(7)

Met name in het licht van de opkomst van nieuwe zorgwekkende SARS-CoV-2-varianten is het met het oog op de strijd tegen de COVID-19-pandemie cruciaal dat de ontwikkeling van COVID-19-vaccins en de studies over deze vaccins worden voortgezet. In die verband is het belangrijk de deelname van vrijwilligers aan klinische proeven (studies naar de veiligheid of werkzaamheid van een geneesmiddel, zoals een COVID-19-vaccin) te vergemakkelijken. Klinisch onderzoek speelt een fundamentele rol bij de ontwikkeling van vaccins, en vrijwillige deelname aan klinische proeven moet daarom worden aangemoedigd. Indien deelnemers aan klinische proeven geen vaccinatiecertificaten kunnen krijgen, kunnen zij minder geneigd zijn om aan dergelijke proeven deel te nemen, waardoor de voltooiing van dergelijke proeven vertraging zou oplopen en meer in het algemeen de volksgezondheid een negatieve impact zou kunnen ondervinden. Bovendien moet de integriteit van klinische proeven, ook wat blindering en vertrouwelijkheid van de gegevens betreft, bewaakt worden om de geldigheid van de resultaten te waarborgen. Daarom moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden om vaccinatiecertificaten af te geven aan deelnemers aan klinische proeven die door ethische commissies en bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn goedgekeurd, ongeacht of de deelnemer het kandidaat-COVID-19-vaccin of — om te voorkomen dat de studies worden ondermijnd — de aan de controlegroep toegediende dosis heeft gekregen.

(8)

Daarnaast moet worden verduidelijkt dat andere lidstaten vaccinatiecertificaten voor COVID-19-vaccins die klinisch worden getest, moeten kunnen aanvaarden om vrijstelling te verlenen van de beperkingen van het vrije verkeer die overeenkomstig het Unierecht zijn ingesteld naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. De aanvaardingsperiode van dergelijke vaccinatiecertificaten mag niet langer zijn dan die van certificaten die zijn afgegeven op basis van COVID-19-vaccins waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is verleend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5). De aanvaardingsperiode van zulke vaccinatiecertificaten kan verschillen naargelang de vraag of het vaccin is toegediend als onderdeel van de primaire vaccinatiereeks of als booster. Binnen die periode kunnen de lidstaten dergelijke vaccinatiecertificaten aanvaarden, tenzij ze zijn ingetrokken na de voltooiing van de klinische proef, met name wanneer voor het COVID-19-vaccin vervolgens geen vergunning voor het in de handel brengen wordt verleend, of wanneer de vaccinatiecertificaten zijn afgegeven voor een placebo dat als onderdeel van een blinde proef aan de controlegroep is toegediend. In dit verband vallen de afgifte van vaccinatiecertificaten aan deelnemers aan klinische proeven met COVID-19-vaccins en de aanvaarding van die certificaten onder de bevoegdheid van de lidstaat. Indien een COVID-19-vaccin dat klinisch wordt getest, vervolgens op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning voor het in de handel brengen krijgt, vallen vaccinatiecertificaten voor dat vaccin vanaf de datum van afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen binnen het toepassingsgebied van artikel 5, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EU) 2021/953. Teneinde te zorgen voor een coherente aanpak moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om het Gezondheidsbeveiligingscomité, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) of het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) te verzoeken richtsnoeren uit te vaardigen over de aanvaarding van certificaten die zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin dat klinisch wordt getest en waarvoor nog geen vergunning voor het in de handel brengen op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 is verleend, waarbij rekening moet worden gehouden met de ethische en wetenschappelijke criteria voor de uitvoering van klinische proeven.

(9)

Sinds de vaststelling van Verordening (EU) 2021/953 is de epidemiologische situatie met betrekking tot de COVID-19-pandemie sterk geëvolueerd. Ondanks verschillen in de vaccinatiegraad in de verschillende lidstaten, had op 31 januari 2022 meer dan 80 % van de volwassen bevolking in de Unie de primaire vaccinatiecyclus voltooid en had meer dan 50 % een boosterdosis gekregen. Het verhogen van de vaccinatiegraad blijft een cruciale doelstelling in de strijd tegen de COVID-19-pandemie, aangezien vaccinatie een betere bescherming biedt tegen ziekenhuisopname en ernstige ziekte, en speelt dan ook een belangrijke rol als het erop aankomt de beperkingen van het vrije verkeer van personen op te heffen.

(10)

Bovendien heeft de verspreiding van de zorgwekkende deltavariant van SARS-CoV-2 in de tweede helft van 2021 geleid tot een toename van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnames en overlijdens, waardoor de lidstaten strenge volksgezondheidsmaatregelen moesten nemen om de capaciteit van hun gezondheidszorgsysteem te vrijwaren. Begin 2022 veroorzaakte de zorgwekkende omikronvariant van SARS-CoV-2 een sterke stijging van het aantal COVID-19-besmettingen en verdrong die variant de deltavariant in ijltempo en zorgde zij in de hele Unie voor een ongekend hoog niveau van besmetting binnen gemeenschappen. In zijn snelle risicobeoordeling van 27 januari 2022 wees het ECDC erop dat de kans op ernstige klinische gevolgen die opname in een ziekenhuis of op intensive care vereisen, minder waarschijnlijk lijkt bij omikronbesmettingen. Hoewel het minder ernstige ziekteverloop ten dele het gevolg is van inherente kenmerken van het virus, blijkt uit onderzoek naar de doeltreffendheid van vaccins dat vaccinatie een belangrijke rol speelt bij het voorkomen van ernstige klinische gevolgen van een omikronbesmetting en dat de doeltreffendheid tegen ernstige ziekte significant toeneemt bij mensen die drie vaccindoses hebben gekregen. Omdat het niveau van besmetting binnen gemeenschappen dermate hoog is dat veel mensen tegelijkertijd ziek zijn, zal bovendien zowel het gezondheidszorgstelsel als de werking van de samenleving in haar geheel in de lidstaten een tijdlang onder zware druk staan, voornamelijk door afwezigheden op het werk en in het onderwijs.

(11)

Na de piek in het aantal omikronbesmettingen begin 2022 zal een groot deel van de bevolking naar verwachting op zijn minst enige tijd beschermd zijn tegen COVID-19, omdat deze mensen gevaccineerd zijn en/of besmet zijn geraakt. Dankzij de momenteel beschikbare COVID-19-vaccins is een aanzienlijk hoger percentage van de bevolking ook beter beschermd tegen het risico om ernstig ziek te worden of te overlijden als gevolg van COVID-19. Niettemin valt onmogelijk te voorspellen wat de gevolgen zijn van een mogelijke stijging van de besmettingen in de tweede helft van 2022. Bovendien valt een mogelijke verslechtering van de COVID-19-pandemie als gevolg van de opkomst van nieuwe zorgwekkende SARS-CoV-2-varianten niet uit te sluiten. Zoals ook door het ECDC is opgemerkt, blijven er in dit stadium van de COVID-19-pandemie nog grote onzekerheden bestaan.

(12)

Gezien de blijvende onzekerheden over de verdere ontwikkeling van de COVID-19-pandemie kan niet worden uitgesloten dat lidstaten Unieburgers en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, ook na 30 juni 2022, de datum waarop Verordening (EU) 2021/953 vervalt, zullen blijven verplichten een bewijs van COVID-19-vaccinatie, -testresultaat- of -herstel over te leggen. Daarom moet een situatie worden voorkomen waarin Unieburgers en hun familieleden, ingeval bepaalde op de volksgezondheid gebaseerde beperkingen van het vrij verkeer na 30 juni 2022 nog van kracht zijn, geen gebruik meer kunnen maken van hun digitale EU-COVID-certificaten, die een doeltreffend, veilig en privacybeschermend instrument vormen om iemands COVID-19-vaccinatie, -testresultaat of -herstel te bewijzen, wanneer het bezit daarvan wordt vereist door lidstaten voor de uitoefening van hun recht van vrij verkeer.

(13)

In dat verband moeten de lidstaten Unieburgers en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, verplichten een bewijs van COVID-19-vaccinatie, -testresultaat- of -herstel over te leggen of moeten zij aanvullende beperkingen opleggen, zoals aanvullende reisgerelateerde tests voor SARS-CoV-2-besmettingen of reisgerelateerde quarantaine of zelfisolatie, maar uitsluitend indien dergelijke beperkingen niet-discriminerend zijn, alsook noodzakelijk en evenredig zijn met het oog op de bescherming van de volksgezondheid op basis van het meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, met inbegrip van epidemiologische gegevens die door het ECDC zijn gepubliceerd op basis van Aanbeveling (EU) 2022/107 van de Raad (6) en in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.

(14)

Bij het opleggen van beperkingen van het vrije verkeer om volksgezondheidsredenen moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden, exclaves en geografisch geïsoleerde gebieden en aan de waarschijnlijke gevolgen van dergelijke beperkingen voor de grensoverschrijdende regio’s, gezien de sterke sociale en economische banden van die regio’s.

(15)

De verificatie van de certificaten die het digitaal EU-COVID-certificaat vormen, mag niet leiden tot verdere beperkingen van het vrije verkeer binnen de Unie of tot reisbeperkingen binnen het Schengengebied.

(16)

Tegelijkertijd moet de verlenging van de toepassingsperiode van Verordening (EU) 2021/953 tot twaalf maanden worden beperkt, aangezien alle beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de Unie die zijn ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, waaronder een vereiste om het digitaal EU-COVID-certificaat over te leggen, moeten worden opgeheven zodra de epidemiologische situatie dat toelaat. Bovendien mag de verlenging van de toepassingsperiode van die verordening niet worden opgevat als een verplichting voor de lidstaten, met name lidstaten die binnenlandse volksgezondheidsmaatregelen opheffen, om beperkingen van het vrije verkeer te handhaven of op te leggen. De krachtens Verordening (EU) 2021/953 aan de Commissie gedelegeerde bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, moet ook worden verlengd. Het kader van het digitale EU-COVID-certificaat moet kunnen worden aangepast op basis van nieuw bewijsmateriaal over COVID-19-vaccinatie, herbesmetting na herstel of tests en aan de wetenschappelijke vooruitgang in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie.

(17)

Uiterlijk op 31 december 2022 moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een derde verslag indienen over de toepassing van Verordening (EU) 2021/953. Het verslag moet met name een overzicht bevatten van de overeenkomstig artikel 11 van die verordening ontvangen informatie over de beperkingen van het vrije verkeer die de lidstaten hebben ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, alsook een overzicht dat alle ontwikkelingen beschrijft met betrekking tot het binnenlandse en internationale gebruik van het digitale EU-COVID-certificaat, alle relevante updates met betrekking tot de beoordeling die in het tweede verslag is opgenomen, en een beoordeling van de geschiktheid van het voortgezette gebruik van digitale EU-COVID-certificaten voor de toepassing van die verordening, rekening houdend met epidemiologische ontwikkelingen en het meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, en in het licht van de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Bij het opstellen van het verslag moet de Commissie advies inwinnen bij het ECDC en het Gezondheidsbeveiligingscomité. Onverminderd het initiatiefrecht van de Commissie moet het verslag vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel om de toepassingsperiode van Verordening (EU) 2021/953 in te korten, rekening houdend met de ontwikkeling van de epidemiologische situatie met betrekking tot de COVID-19-pandemie en eventuele aanbevelingen op dat vlak van het ECDC en het Gezondheidsbeveiligingscomité.

(18)

Verordening (EU) 2021/953 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(19)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het faciliteren van de uitoefening van het recht van vrij verkeer in de Unie gedurende de COVID-19-pandemie door het invoeren van een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-certificaten inzake iemands COVID-19-vaccinatie, -testresultaat of -herstel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(20)

Om onmiddellijke en tijdige toepassing mogelijk te maken teneinde de continuïteit van het digitale EU-COVID-certificaat te waarborgen, moet deze verordening in werking treden op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(21)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Europees Comité voor gegevensbescherming zijn geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (7), en hebben op 14 maart 2022 (8) een gezamenlijk advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2021/953 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt punt 5 vervangen door:

“5)

“antigeentest”: een van de volgende testcategorieën die berust op de detectie van virale eiwitten (antigenen) om de aanwezigheid van SARS-CoV-2 aan te tonen:

a)

snelle antigeentests, zoals lateral flow immunoassays, die resultaten geven in minder dan 30 minuten,

b)

in een laboratoriumomgeving uitgevoerde antigeenassays, zoals enzyme-linked immunosorbent assays of geautomatiseerde immunoassays voor de detectie van antigenen;”.

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea worden de punten b) en c) vervangen door:

“b)

een certificaat met de bevestiging dat de houder ervan een NAAT-test of antigeentest heeft ondergaan die is opgenomen in de door het Gezondheidsbeveiligingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests, en die is uitgevoerd door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel in de lidstaat die het certificaat afgeeft, en die het type test, de datum van uitvoering van de test en het resultaat van de test vermeldt (testcertificaat);

c)

een certificaat met de bevestiging dat de houder ervan is hersteld van een SARS-CoV-2-besmetting na een positief resultaat van een NAAT-test of van een antigeentest die is opgenomen in de door het Gezondheidsbeveiligingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests, uitgevoerd door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel (herstelcertificaat).”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De Commissie publiceert de door het Gezondheidsbeveiligingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests, inclusief eventuele actualiseringen.”;

b)

lid 11 wordt vervangen door:

“11.   “Indien nodig verzoekt de Commissie het Gezondheidsbeveiligingscomité, het ECDC of het EMA om advies inzake het beschikbare wetenschappelijk bewijsmateriaal over de effecten van de medische feiten die in de in lid 1 bedoelde certificaten worden gedocumenteerd, met name wat betreft nieuwe zorgwekkende varianten van SARS-CoV-2 en de aanvaarding van COVID-19-vaccins die klinisch worden getest.”.

3)

In artikel 4 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Het vertrouwenskader is gebaseerd op een openbare-sleutelinfrastructuur en maakt de betrouwbare en beveiligde afgifte en verificatie van de echtheid, geldigheid en integriteit van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten mogelijk. Het vertrouwenskader maakt het mogelijk fraude, met name vervalsing, op te sporen. Bovendien maakt het de bilaterale uitwisseling mogelijk van lijsten van ingetrokken certificaten met de unieke certificaatidentificatiecodes van ingetrokken certificaten. Dergelijke lijsten van ingetrokken certificaten bevatten geen andere persoonsgegevens. De verificatie van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten en, indien van toepassing, lijsten van ingetrokken certificaten leidt er niet toe dat de afgever in kennis wordt gesteld van de verificatie.”.

4)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2, eerste alinea, wordt punt b) vervangen door:

“b)

informatie over het aan de houder toegediende COVID-19-vaccin en over het aantal toegediende doses, ongeacht de lidstaat waar die doses zijn toegediend;”;

b)

aan lid 5 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“De lidstaten kunnen ook vaccinatiecertificaten afgeven aan personen die deelnemen aan een klinische proef voor een COVID-19-vaccin die is goedgekeurd door de ethische commissies en bevoegde autoriteiten van de lidstaten, ongeacht of aan de deelnemer het kandidaat-COVID-19-vaccin of de aan de controlegroep toegediende dosis is toegediend. De informatie over het COVID-19-vaccin die overeenkomstig de in punt 1 van de bijlage beschreven specifieke gegevensvelden in het vaccinatiecertificaat moet worden opgenomen, mag de integriteit van de klinische proef niet ondermijnen.

De lidstaten mogen door andere lidstaten overeenkomstig de vierde alinea afgegeven vaccinatiecertificaten aanvaarden om vrijstelling te verlenen van beperkingen van het vrije verkeer die overeenkomstig het Unierecht zijn ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, tenzij de aanvaardingsperiode ervan is verstreken of die certificaten zijn ingetrokken na de voltooiing van de klinische proef, met name op de grond dat er voor het COVID-19-vaccin vervolgens geen vergunning voor het in de handel brengen werd verleend of op de grond dat de vaccinatiecertificaten werden afgegeven voor een placebo dat als onderdeel van een blinde proef aan de controlegroep werd toegediend.”.

5)

In artikel 6, lid 2, wordt punt b) vervangen door:

“b)

informatie over de NAAT-test of de antigeentest die de houder heeft ondergaan;”.

6)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Elke lidstaat geeft op verzoek de in artikel 3, lid 1, punt c), bedoelde herstelcertificaten af na een positief resultaat van een NAAT-test die door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel is uitgevoerd.

De lidstaten kunnen op verzoek ook de in artikel 3, lid 1, punt c), bedoelde herstelcertificaten afgeven na een positief resultaat van een antigeentest die is opgenomen in de door het Gezondheidsbeveiligingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests en die door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel is uitgevoerd.

De lidstaten kunnen herstelcertificaten afgeven op basis van antigeentests die op of na 1 oktober 2021 door gezondheidswerkers of gekwalificeerd testpersoneel zijn uitgevoerd, op voorwaarde dat de gebruikte antigeentest op de door het Gezondheidsbeveiligingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke EU-lijst van COVID-19-antigeentests stond op de datum waarop de test een positief resultaat opleverde.

Herstelcertificaten worden ten vroegste elf dagen afgegeven na de datum waarop iemand voor het eerst met een positief resultaat een NAAT-test of een antigeentest heeft ondergaan.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij het aantal dagen waarna een herstelcertificaat moet worden afgegeven, wordt gewijzigd op basis van advies van het Gezondheidsbeveiligingscomité overeenkomstig artikel 3, lid 11, of op basis van door het ECDC beoordeeld wetenschappelijk bewijsmateriaal.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   Op basis van op grond van artikel 3, lid 11, ontvangen advies is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel en van artikel 3, lid 1, punt c), om de afgifte van het herstelcertificaat mogelijk te maken op basis van een positief resultaat van een antigeentest, een antilichaamtest, met inbegrip van een serologische test op antistoffen tegen SARS-CoV-2, of een andere wetenschappelijk betrouwbare methode. Bij dergelijke gedelegeerde handelingen wordt ook punt 3 van de bijlage gewijzigd door de toevoeging, de aanpassing of de verwijdering van de gegevensvelden die onder de in lid 2, punten b) en c), van dit artikel genoemde categorieën persoonsgegevens vallen.”.

7)

In artikel 10 wordt lid 5 vervangen door:

“5.   Geen enkele op grond van artikel 4, lid 2, uitgewisselde lijst van ingetrokken certificaten mag worden bewaard na het einde van de toepassingsduur van deze verordening.”.

8)

Artikel 11 wordt vervangen door:

“Artikel 11

Beperkingen van het vrije verkeer en informatie-uitwisseling

1.   Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om beperkingen van het vrije verkeer op te leggen om volksgezondheidsredenen zien de lidstaten die vaccinatiecertificaten, testcertificaten waarop een negatief testresultaat vermeld staat of herstelcertificaten aanvaarden, ervan af aanvullende beperkingen van het vrije verkeer op te leggen, tenzij dergelijke beperkingen niet-discriminerend zijn, en noodzakelijk en evenredig zijn om de volksgezondheid te beschermen op basis van het meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, waaronder epidemiologische gegevens die door het ECDC worden gepubliceerd op basis van Aanbeveling (EU) 2022/107 van de Raad (*1), en in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.

2.   Wanneer een lidstaat overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van de in lid 1 van dit artikel bepaalde beginselen, aan houders van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten aanvullende beperkingen oplegt, met name als gevolg van een zorgwekkende of belangwekkende SARS-CoV-2-variant, stelt deze lidstaat de Commissie en de andere lidstaten daarvan dienovereenkomstig, en indien mogelijk 48 uur vóór de invoering van zulke nieuwe beperkingen, in kennis. Daartoe verstrekken de lidstaten de volgende informatie:

a)

de redenen voor zulke beperkingen, waaronder alle relevante aan die beperkingen ten grondslag liggende epidemiologische gegevens en wetenschappelijke bewijzen die in dat stadium beschikbaar en toegankelijk zijn;

b)

de werkingssfeer van zulke beperkingen, met vermelding van welke certificaathouders al dan niet onder zulke beperkingen vallen;

c)

de ingangsdatum en de duur van zulke beperkingen.

2 bis.   Wanneer een lidstaat overeenkomstig de leden 1 en 2 beperkingen oplegt, besteedt hij bijzondere aandacht aan de waarschijnlijke gevolgen van zulke beperkingen voor de grensoverschrijdende regio’s en aan de specifieke kenmerken van ultraperifere gebieden, exclaves en geografisch geïsoleerde gebieden.

3.   De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de afgifte en de voorwaarden voor de aanvaarding van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten, en van de COVID-19-vaccins die zij op grond van artikel 5, lid 5, tweede alinea, aanvaarden.

4.   De lidstaten verstrekken de bevolking tijdig duidelijke en volledige informatie met betrekking tot de leden 1, 2 en 3. In de regel maken de lidstaten die informatie 24 uur vóór de inwerkingtreding van de nieuwe beperkingen openbaar, rekening houdend met het feit dat in epidemiologische noodgevallen enige flexibiliteit is vereist. Bovendien kan de door de lidstaten verstrekte informatie op gecentraliseerde wijze openbaar worden gemaakt door de Commissie.

(*1)  Aanbeveling (EU) 2022/107 van de Raad van 25 januari 2022 betreffende een gecoördineerde aanpak om veilig vrij verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te vergemakkelijken en ter vervanging van Aanbeveling (EU) 2020/1475 (PB L 18 van 27.1.2022, blz. 110)”."

9)

In artikel 12 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 2, en artikel 7, leden 1 en 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van 24 maanden met ingang van 1 juli 2021.”.

10)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de derde alinea geschrapt;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“3.   Uiterlijk op 31 december 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van de verordening.

Dit verslag bevat met name:

a)

een overzicht van de overeenkomstig artikel 11 ontvangen informatie over de beperkingen van het vrije verkeer die de lidstaten hebben ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken;

b)

een overzicht dat alle ontwikkelingen beschrijft met betrekking tot het binnenlandse en internationale gebruik van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten en de vaststelling van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 8, lid 2, betreffende door derde landen afgegeven COVID-19-certificaten;

c)

relevante updates met betrekking tot de beoordeling, uiteengezet in het op grond van artikel 2 van dit artikel ingediende verslag, van de gevolgen van deze verordening voor de facilitering van het vrije verkeer, met inbegrip van reizen en toerisme en de aanvaarding van diverse types vaccins, grondrechten en niet-discriminatie, alsook voor de bescherming van persoonsgegevens tijdens de COVID-19-pandemie;

d)

een beoordeling van de geschiktheid van het voortgezette gebruik van de in artikel 3, lid 1, bedoelde certificaten voor de toepassing van deze verordening, rekening houdend met epidemiologische ontwikkelingen en het meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal.

Bij het opstellen van het verslag wint de Commissie advies in bij het ECDC en het Gezondheidsbeveiligingscomité, dat bij dat verslag wordt gevoegd.

Het verslag kan vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel, met name om de toepassingsperiode van deze verordening te verkorten, rekening houdend met de ontwikkeling van de epidemiologische situatie betreffende de COVID-19-pandemie en eventuele door het ECDC en het Gezondheidsbeveiligingscomité daartoe gegeven aanbevelingen.”.

11)

In artikel 17 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2023.”.

12)

In de bijlage wordt punt 2, i), vervangen door:

“i)

testcentrum of -faciliteit (facultatief voor antigeentest);”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

F. RIESTER


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2022.

(2)  Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1).

(3)  Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/256 van de Commissie van 22 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad wat de afgifte van herstelcertificaten op basis van snelle antigeentests betreft (PB L 42 van 23.2.2022, blz. 4).

(5)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).

(6)  Aanbeveling (EU) 2022/107 van de Raad van 25 januari 2022 betreffende een gecoördineerde aanpak om veilig vrij verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te vergemakkelijken en ter vervanging van Aanbeveling (EU) 2020/1475 (PB L 18 van 27.1.2022, blz. 110).

(7)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(8)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/46


VERORDENING (EU) 2022/1035 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 juni 2022

tot wijziging van Verordening (EU) 2021/954 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, punt c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit hoofde van het Schengenacquis, en in het bijzonder Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (2) (de “Schengengrenscode”), mogen onderdanen van derde landen die legaal in de Unie verblijven of wonen en onderdanen van derde landen die het grondgebied van een lidstaat legaal zijn binnengekomen, zich gedurende 90 dagen binnen een periode van 180 dagen vrij verplaatsen op het grondgebied van alle andere lidstaten.

(2)

Het digitaal EU-COVID-certificaat werd ingesteld bij Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad (3), waarbij een gemeenschappelijk kader is vastgesteld voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten teneinde de uitoefening van het recht op vrij verkeer van burgers van de Unie en hun familieleden tijdens de COVID-19-pandemie te vergemakkelijken. Die Verordening ging vergezeld van Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad (4), waarbij het kader voor het digitaal EU-COVID-certificaat werd uitgebreid tot onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven of wonen en die overeenkomstig het Unierecht naar andere lidstaten mogen reizen.

(3)

De Verordeningen (EU) 2021/953 en (EU) 2021/954 verstrijken op 30 juni 2022. De COVID-19-pandemie is echter niet voorbij en uitbraken van zorgwekkende varianten kunnen negatieve gevolgen blijven hebben voor het reizen binnen de Unie. Bijgevolg dient de toepassingsperiode van die verordeningen te worden verlengd, zodat het verdere gebruik van het digitaal EU-COVID-certificaat mogelijk is.

(4)

De toepassingsperiode van Verordening (EU) 2021/953 moet met twaalf maanden worden verlengd. Aangezien Verordening (EU) 2021/954 tot doel heeft de toepassing van Verordening (EU) 2021/953 uit te breiden tot bepaalde categorieën onderdanen van derde landen die legaal in de Unie verblijven of wonen, moet de toepassingsperiode ervan rechtstreeks samenhangen met die van Verordening (EU) 2021/953. Verordening (EU) 2021/954 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Deze verordening mag niet worden opgevat als een vergemakkelijking of aanmoediging van de vaststelling van reisbeperkingen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. Bovendien rechtvaardigen vereisten tot verificatie van certificaten uit hoofde van Verordening (EU) 2021/953, op zich niet dat grenscontroles aan de binnengrenzen tijdelijk worden heringevoerd. Controles aan de binnengrenzen moeten het uiterste middel blijven, met inachtneming van de specifieke regels van de Schengengrenscode.

(6)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van dat protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening of het deze in zijn interne recht zal omzetten.

(7)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (5); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland. Om de lidstaten in staat te stellen onder de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/953 COVID-19-certificaten te aanvaarden die door Ierland zijn afgegeven aan onderdanen van derde landen die legaal op zijn grondgebied verblijven of wonen, met als doel het reizen binnen het grondgebied van de lidstaten te faciliteren, moet Ierland aan die onderdanen van derde landen COVID-19-certificaten afgeven die voldoen aan de vereisten van het vertrouwenskader voor het digitaal EU-COVID-certificaat. Ierland en de andere lidstaten moeten op basis van wederkerigheid de certificaten aanvaarden die zijn afgegeven aan onderdanen van derde landen die onder deze verordening vallen.

(8)

Wat Cyprus, Bulgarije, Roemenië en Kroatië betreft, vormt deze verordening een handeling die op het Schengenacquis voortbouwt of anderzins daaraan is gerelateerd in de zin van respectievelijk artikel 3, lid 1, van de Toetredingsakte van 2003, artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte van 2005, en artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte van 2011.

(9)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (6), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt C, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (7).

(10)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (8), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (9).

(11)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (10), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (11).

(12)

Verordening (EU) 2021/954 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het voor onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen faciliteren om tijdens de COVID-19-pandemie te reizen door een kader in te voeren voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-certificaten met iemands COVID-19-vaccinatiestatus, -testresultaat of -herstel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(14)

Om ervoor te zorgen dat deze verordening meteen en tijdig kan worden toegepast teneinde de continuïteit van het digitaal EU-COVID-certificaat te waarborgen, moet zij in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(15)

Overeenkomstig artikel 42, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (12) zijn de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Europees Comité voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 14 maart 2022 (13) hebben zij een gezamenlijk advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3 van Verordening (EU) 2021/954 wordt vervangen door:

“Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2021 tot het verstrijken van de toepassingsperiode van Verordening (EU) 2021/953.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

F. RIESTER


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2022.

(2)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 24).

(5)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(6)   PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(7)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(8)   PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(9)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(10)   PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(11)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(12)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(13)  Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/50


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1036 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

tot wijziging van Verordening (EU) 2020/1429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verlenging van de referentieperiode

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2020/1429 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak (1), en met name artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De COVID-19-pandemie en de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om die pandemie in te dammen, hebben tot een sterke terugval van het spoorverkeer geleid.

(2)

De spoorwegondernemingen, die blijvend geconfronteerd worden met aanzienlijke liquiditeitsproblemen en grote verliezen en in sommige gevallen failliet dreigen te gaan, hebben geen vat op deze omstandigheden.

(3)

Om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19-pandemie op te vangen en spoorwegondernemingen te ondersteunen, biedt Verordening (EU) 2020/1429 de lidstaten de mogelijkheid om infrastructuurbeheerders toe te staan de heffingen voor de toegang tot spoorweginfrastructuur te verlagen, kwijt te schelden of uit te stellen. Die mogelijkheid was verleend voor een beperkte referentieperiode, die laatstelijk bij Verordening (EU) 2022/312 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd verlengd tot en met 30 juni 2022.

(4)

Tijdens de pandemie opgelegde mobiliteitsbeperkingen hadden aanzienlijke gevolgen voor het gebruik van passagierstreinen. Ook het goederenvervoer per spoor werd in beperktere mate getroffen. Uit de door de spoorinfrastructuurbeheerders van de Unie verstrekte gegevens blijkt dat de pandemie het passagiersvervoer het hardst heeft getroffen. Commerciële passagiersdiensten werden het zwaarst getroffen; in alle lidstaten nam het aanbod aanzienlijk af en er rijden nog steeds minder commerciële passagierstreinen dan in 2019.

(5)

Het aantal goederentreinen op het net vertoonde een herstel en lag in 2021 slechts 0,1 % lager dan in 2019. In 2021 reden er op het spoornet 2 % meer passagierstreinen op grond van openbaredienstverplichtingen dan in 2019, terwijl dat aantal in 2020 nog 5,1 % beneden het cijfer van 2019 lag. Aangezien het aantal passagiers zowel in 2020 als in 2021 gedaald was tot minder dan twee derde van het aantal passagiers in 2019, werden de beperkte impact van de pandemie en het daaropvolgende herstel waarschijnlijk ondersteund door de blijvende financiële steun van de bevoegde autoriteiten in het kader van de openbaredienstcontracten. In 2021 reden er nog steeds 18,2 % minder commerciële passagierstreinen dan in 2019. Aangezien dat aantal in 2020 22,9 % lager lag dan in 2019, was er nog geen sprake van een significant herstel.

(6)

Als het verkeer wordt uitgedrukt in treinkm, kunnen vergelijkbare trends worden geobserveerd. Het door goederentreinen afgelegde aantal treinkilometers vertoonde tekenen van herstel en lag in 2021 slechts 0,5 % lager dan in 2019. Het aantal passagierstreinkilometers op basis van openbaredienstverplichtingen lag in 2021 1,1 % hoger dan in 2019. Het aantal commerciële passagierstreinkilometers lag in 2021 18,7 % onder het niveau van 2019, een lichte verbetering ten opzichte van 2020.

(7)

Het is dan ook duidelijk dat de gevolgen van de COVID-19-pandemie tot een aanhoudende terugval van het passagiersvervoer per spoor hebben geleid, waarbij het passagiersverkeer in 2018 ongeveer 80 % van het totale aantal treinkilometers vertegenwoordigde.

(8)

Uit de gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie blijkt dat het aantal dagelijks geregistreerde COVID-19-gevallen in Europa begin 2022 het hoogste niveau sinds het begin van de pandemie had bereikt. Het aantal dagelijks gerapporteerde gevallen blijft bovendien zeer hoog.

(9)

Het is waarschijnlijk dat het negatieve effect van de pandemie op het spoorverkeer aanhoudt en dat spoorwegondernemingen tot eind 2022 met financiële moeilijkheden zullen kampen.

(10)

Daarom moet de in artikel 1 van Verordening (EU) 2020/1429 vastgestelde referentieperiode worden verlengd tot 31 december 2022.

(11)

Als het Europees Parlement en de Raad deze verordening zouden onderzoeken voor de volledige bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6, lid 6, van Verordening (EU) 2020/1429, zou deze verordening pas in werking treden na afloop van de momenteel in artikel 1 van Verordening (EU) 2020/1429 bedoelde referentieperiode. Om rechtsonzekerheid te voorkomen, moet de onderhavige verordening worden vastgesteld volgens de spoedprocedure van artikel 7 van Verordening (EU) 2020/1429, en moet zij met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Verordening (EU) 2020/1429 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Bij deze verordening worden tijdelijke regels vastgesteld inzake de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur als bedoeld in hoofdstuk IV van Richtlijn 2012/34/EU. Zij is van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2022 (“de referentieperiode”) van toepassing op het gebruik van spoorweginfrastructuur voor binnenlands en internationaal spoorvervoer die onder die richtlijn valt.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 333 van 12.10.2020, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2022/312 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2020/1429 wat betreft de duur van de referentieperiode voor de toepassing van tijdelijke maatregelen inzake heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur (PB L 55 van 28.2.2022, blz. 1)


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/52


VERORDENING (EU) 2022/1037 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad en van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie wat betreft het gebruik van glycolipiden als conserveermiddelen in dranken

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 10, lid 3, en artikel 14,

Gezien Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (2), en met name artikel 7, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 is een EU-lijst vastgesteld van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en de desbetreffende gebruiksvoorwaarden.

(2)

In de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie (3) zijn de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 opgenomen levensmiddelenadditieven vastgesteld.

(3)

De EU-lijst van levensmiddelenadditieven en de specificaties van levensmiddelenadditieven kunnen worden bijgewerkt volgens de uniforme procedure van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008, hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij op aanvraag van een lidstaat of een belanghebbende partij.

(4)

In december 2019 is bij de Commissie een aanvraag ingediend voor de goedkeuring van het gebruik van glycolipiden als conserveermiddel in gearomatiseerde dranken, enkele andere producten van categorie 14.1 (“alcoholvrije dranken”) en alcoholvrij bier, en moutdranken.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft de veiligheid van het voorgestelde gebruik van glycolipiden als levensmiddelenadditief beoordeeld. In het advies van de EFSA (4) van 4 mei 2021 is een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 10 mg/kg lichaamsgewicht per dag vastgesteld. De EFSA heeft opgemerkt dat de hoogste schatting van de blootstelling van 3,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag bij peuters binnen de vastgestelde ADI ligt en heeft geconcludeerd dat de blootstelling aan glycolipiden geen veiligheidsrisico oplevert bij de door de aanvrager voorgestelde toepassingen en gebruiksconcentraties.

(6)

Glycolipiden worden in een gistingsproces geproduceerd door de schimmel Dacryopinax spathularia. Wanneer glycolipiden als conserveringsmiddel worden gebruikt, verlengen zij de houdbaarheid van levensmiddelen door ze te beschermen tegen bederf door micro-organismen en door de groei van pathogene micro-organismen te onderdrukken; Glycolipiden zijn actief tegen gist, schimmels en grampositieve bacteriën en kunnen dienen als alternatief voor andere conserveermiddelen die momenteel in dranken zijn toegestaan.

(7)

Daarom moet het gebruik van glycolipiden als conserveermiddel in de dranken waarop de aanvraag betrekking heeft, worden toegestaan en moet aan dat additief het E-nummer E 246 worden toegekend.

(8)

De specificaties van glycolipiden (E 246) moeten in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 worden opgenomen zodra zij voor het eerst in de EU-lijst van levensmiddelenadditieven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 worden opgenomen.

(9)

De Verordeningen (EG) nr. 1333/2008 en (EU) nr. 231/2012 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(2)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie van 9 maart 2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven (PB L 83 van 22.3.2012, blz. 1).

(4)   EFSA Journal 2021;19(6):6609.


BIJLAGE I

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt als volgt gewijzigd:

a)

In deel B, onder punt 3 “Andere additieven dan kleurstoffen en zoetstoffen”, wordt na de vermelding voor levensmiddelenadditief E 243 de volgende nieuwe vermelding ingevoegd:

“E 246

Glycolipiden”

b)

Deel E wordt als volgt gewijzigd:

1)

in categorie 14.1.4 (Gearomatiseerde dranken) wordt de vermelding voor E 246 (Glycolipiden) ingevoegd na de vermelding voor E 242:

 

“E 246

Glycolipiden

50

 

behalve dranken op basis van zuivelproducten”

2)

in categorie 14.1.5.2 (Overige) wordt de vermelding voor E 246 (Glycolipiden) ingevoegd na de vermelding voor E 242:

 

“E 246

Glycolipiden

20

(93)

alleen vloeibaar theeconcentraat en vloeibaar vruchten- en kruidentheeconcentraat”

3)

in categorie 14.2.1 (Bier en moutdranken) wordt de vermelding voor E 246 (Glycolipiden) ingevoegd na de vermelding voor E 220 — E 228:

 

“E 246

Glycolipiden

50

 

alleen alcoholvrij bier en moutdranken”


BIJLAGE II

In de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt na de vermelding voor levensmiddelenadditief E 243 de volgende nieuwe vermelding ingevoegd:

E 246 GLYCOLIPIDEN

Synoniemen

 

Definitie

De in de natuur voorkomende glycolipiden worden verkregen door middel van een fermentatieproces waarbij gebruik wordt gemaakt van de wilde stam MUCL 53181 van de schimmel Dacryopinax spathularia (eetbare zoete “osmanthusoor”-zwam). Glucose wordt als koolstofbron gebruikt. Het oplosmiddelvrije stroomafwaarts proces omvat filtratie en microfiltratie om microbiële cellen te verwijderen, bezinking en wassen met gebufferd water om te zuiveren. Het product wordt gepasteuriseerd en sproeigedroogd. Het productieproces heeft geen gevolgen voor de chemische eigenschappen of samenstelling van glycolipiden.

CAS-nummer

2205009-17-0

Chemische naam

Glycolipiden afkomstig van Dacryopinax spathularia

Gehalte

Minimaal 93 % glycolipidengehalte van de droge stof

Beschrijving

Beige tot lichtbruin poeder, zwakke karakteristieke geur

Identificatie

 

Oplosbaarheid

Conform (10 g/l in water)

pH

Tussen 5,0 en 7,0 (10 g/l in water)

Troebelheid

Maximaal 28 NTU (10 g/l in water)

Zuiverheid

 

Watergehalte

Maximaal 5 % (Karl Fischer-methode)

Eiwitgehalte

Maximaal 3 % Eiwit (factor N × 6,25)

Vet

Maximaal 2 % (gravimetrisch)

Natrium

Maximaal 3,3 %

Arseen

Maximaal 1 mg/kg

Lood

Maximaal 0,7 mg/kg

Cadmium

Maximaal 0,1 mg/kg

Kwik

Maximaal 0,1 mg/kg

Nikkel

Maximaal 2 mg/kg

Microbiologische criteria

 

Aeroob kiemgetal

Maximaal 100 kolonies per gram

Gisten en schimmels

Maximaal 10 kolonies per gram

Coliformen

Maximaal 3 MWA (meest waarschijnlijke aantal) per gram

Salmonella spp.

Afwezig in 25 g”


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/56


VERORDENING (EU) 2022/1038 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van polyvinylpyrrolidon (E 1201) in voeding voor medisch gebruik, in tablet- en drageevorm

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 10, lid 3,

Gezien Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (2), en met name artikel 7, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 is een EU-lijst vastgesteld van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en de desbetreffende gebruiksvoorwaarden.

(2)

Die lijst kan volgens de uniforme procedure als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008, hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij ingevolge een aanvraag worden bijgewerkt.

(3)

Overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 mag polyvinylpyrrolidon (E 1201) worden gebruikt als levensmiddelenadditief in tafelzoetstoffen in tabletvorm en in voedingssupplementen die in vaste vorm worden geleverd, met uitzondering van voedingssupplementen voor zuigelingen en peuters.

(4)

Op 29 oktober 2018 is een aanvraag ingediend voor de goedkeuring van het gebruik van polyvinylpyrrolidon (E 1201) als levensmiddelenadditief in voeding voor medisch gebruik, in tablet- en drageevorm, als tabletbindmiddel. Deze aanvraag is toegankelijk gemaakt voor de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1331/2008.

(5)

Polyvinylpyrrolidon (E 1201) is in 1990 door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding geëvalueerd (3). In haar wetenschappelijk advies van 1 juli 2020 (4) heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) de veiligheid van polyvinylpyrrolidon (E 1201) als levensmiddelenadditief opnieuw beoordeeld en de uitbreiding van het gebruik ervan naar voeding voor medisch gebruik in tablet- en drageevorm onderzocht. In dat advies heeft de EFSA geconcludeerd dat een dergelijke uitbreiding van het gebruik bij het voorgestelde maximaal toelaatbare niveau en het aanbevolen verbruiksniveau naar verwachting geen veiligheidsrisico oplevert.

(6)

Er bestaat een technologische behoefte aan de toevoeging van polyvinylpyrrolidon (E 1201) tijdens de productie van tabletten voor medisch gebruik om de ingrediënten sterk te binden, de samenhang ervan te waarborgen en de desintegratie ervan te vertragen. Daarom moet het gebruik van dit additief als stabilisator van voeding voor medisch gebruik in tablet- en drageevorm worden toegestaan.

(7)

De toelating van het gebruik van polyvinylpyrrolidon (E 1201) als levensmiddelenadditief in categorie 13.2 “Dieetvoeding voor medisch gebruik als omschreven in Richtlijn 1999/21/EG (met uitzondering van producten van levensmiddelencategorie 13.1.5)” van deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 houdt niet in dat een met dat levensmiddelenadditief verwerkt product wordt ingedeeld als voeding voor medisch gebruik overeenkomstig Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(8)

Verordening (EG) nr. 1333/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt in levensmiddelencategorie 13.2 “Dieetvoeding voor medisch gebruik als omschreven in Richtlijn 1999/21/EG (met uitzondering van producten die onder categorie 13.1.5 vallen)” de volgende vermelding toegevoegd:

 

“E 1201

Polyvinylpyrrolidon

quantum satis

 

alleen in tablet- of drageevorm”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(2)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  Report of the Scientific Committee for Food, twenty-sixth series. Report EUR 13 913.

(4)   EFSA Journal 2020;18(8):6215.

(5)  Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35).


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/58


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1039 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat de schorsing van bepaalde tariefpreferenties voor bepaalde SAP-begunstigde landen voor het jaar 2023 betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (1), en met name artikel 8, lid 3,

Na raadpleging van het Comité algemene preferenties in de zin van artikel 39 van Verordening (EU) nr. 978/2012,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 worden de tariefpreferenties van de algemene regeling van het stelsel van algemene preferenties (SAP) geschorst voor producten van een SAP-afdeling van oorsprong uit een SAP-begunstigd land, indien de gemiddelde waarde van de invoer naar de Unie van dergelijke producten uit dat SAP-begunstigde land gedurende drie opeenvolgende jaren de in bijlage VI bij die verordening genoemde drempelwaarden overschrijdt.

(2)

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 978/2012 en op basis van de handelsstatistieken betreffende de kalenderjaren 2015-2017 is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/249 van de Commissie (2) de lijst van productafdelingen vastgesteld waarvoor de tariefpreferenties vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022 zijn geschorst.

(3)

Op grond van artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 978/2012 evalueert de Commissie die lijst om de drie jaar en stelt zij een uitvoeringshandeling vast om de tariefpreferenties te schorsen of weer in te voeren.

(4)

Aangezien Verordening (EU) nr. 978/2012 op 31 december 2023 afloopt, moet de herziene lijst met ingang van 1 januari 2023 gedurende één jaar van toepassing zijn. De lijst is gebaseerd op de handelsstatistieken betreffende de kalenderjaren 2018-2020 die op 1 september 2021 beschikbaar waren, en in de lijst wordt rekening gehouden met de invoer uit de SAP-begunstigde landen die zijn opgenomen in de lijst van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 978/2012, zoals op die datum van toepassing. Er wordt echter geen rekening gehouden met de waarde van de invoer uit de SAP-begunstigde landen die met ingang van 1 januari 2023 niet langer in aanmerking komen voor de tariefpreferenties in het kader van artikel 4, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 978/2012,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tariefpreferenties als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 978/2012 worden ten aanzien van de betrokken SAP-begunstigde landen geschorst voor de lijst van producten van de SAP-afdelingen als vermeld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/249 van de Commissie van 12 februari 2019 tot schorsing van de tariefpreferenties voor bepaalde SAP-begunstigde landen ten aanzien van bepaalde SAP-afdelingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode 2020-2022 (PB L 42 van 13.2.2019, blz. 6).


BIJLAGE

Lijst van de SAP-afdelingen waarvoor de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 978/2012 bedoelde tariefpreferenties ten aanzien van een betrokken SAP-begunstigd land worden geschorst:

Kolom A: naam van het land

Kolom B: SAP-afdeling (artikel 2, punt j), van de SAP-verordening)

Kolom C: beschrijving

A

B

C

India

S-6a

Anorganische en organische chemische producten

S-7a

Kunststof en werken daarvan

S-8b

Lederwaren; pelterijen en bontwerk; namaakbont

S-11a

Textielstoffen

S-13

Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen; keramische producten; glas en glaswerk

S-14

Parels en edele metalen

S-15a

Gietijzer, ijzer en staal alsmede werken van gietijzer, van ijzer en van staal

S-15b

Onedele metalen (met uitzondering van gietijzer, ijzer en staal), werken van onedele metalen (met uitzondering van gietijzer, van ijzer en van staal)

S-16

Machines, toestellen en mechanische werktuigen; elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan

S-17a

Rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen

Indonesië

S-1a

Levende dieren en dierlijke producten, met uitzondering van vis

S-3

Dierlijke of plantaardige oliën en vetten alsmede was van dierlijke of van plantaardige oorsprong

S-5

Minerale producten

S-9a

Hout, houtskool en houtwaren

Kenia

S-2a

Levende planten en producten van de bloementeelt


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/61


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1040 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

tot wijziging van de bijlagen VI en XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de lijsten van derde landen, gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde in gevangenschap levende vogels, levende producten daarvan en vleesproducten van pluimvee, is toegestaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 230, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2016/429 bevat onder andere de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, en is sinds 21 april 2021 van toepassing. Een van die diergezondheidsvoorschriften houdt in dat die zendingen afkomstig moeten zijn uit een overeenkomstig artikel 230, lid 1, van die verordening in de lijst opgenomen derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan.

(2)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (2) vormt een aanvulling op Verordening (EU) 2016/429 wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones of compartimenten daarvan. In Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 is bepaald dat de binnenkomst in de Unie van zendingen van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die binnen het toepassingsgebied van de verordening vallen, alleen wordt toegestaan als zij afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, dat/die voor de specifieke soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong in de lijst is opgenomen overeenkomstig de in die gedelegeerde verordening vastgestelde diergezondheidsvoorschriften.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie (3) zijn de lijsten van derde landen of gebieden, of zones of compartimenten daarvan vastgesteld waaruit de binnenkomst in de Unie van de soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die binnen het toepassingsgebied van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 vallen, is toegestaan. De bijlagen I tot en met XXII bij die uitvoeringsverordening bevatten de lijsten alsook bepaalde algemene regels betreffende de lijsten.

(4)

Deel 1, afdeling A, van bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 bevat de lijst van derde landen of gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels en levende producten van in gevangenschap levende vogels, met uitzondering van in gevangenschap levende vogels die onder de in artikel 62 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 genoemde afwijkingen vallen, is toegestaan.

(5)

Het Verenigd Koninkrijk heeft bij de Commissie een aanvraag ingediend om de binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels en levende producten daarvan, met uitzondering van de in artikel 62 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 bedoelde in gevangenschap levende vogels, uit de van de Kroon afhankelijke gebieden Man en Jersey toe te staan en heeft garanties verstrekt betreffende het vermogen van de bevoegde autoriteiten van die van de Kroon afhankelijke gebieden om te zorgen voor de betrouwbare officiële certificering en naleving van de relevante diergezondheidsvoorschriften voor dergelijke zendingen in gevangenschap levende vogels en levende producten daarvan die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie. Die van de Kroon afhankelijke gebieden moeten daarom worden opgenomen in de lijst in bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404.

(6)

Bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Deel 1, afdeling A, van bijlage XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 bevat de lijst van derde landen of gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen vleesproducten van hoefdieren, pluimvee en vederwild die zijn onderworpen aan de in bijlage XXVI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 bedoelde risicobeperkende behandelingen, is toegestaan.

(8)

Marokko heeft bij de Commissie een aanvraag ingediend om de binnenkomst in de Unie van zendingen vleesproducten van pluimvee, met uitzondering van loopvogels, toe te staan en heeft garanties verstrekt betreffende de naleving door dat derde land van de meldings- en rapportageverplichtingen van de in de lijst in punt 1 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 opgenomen ziekten die relevant zijn voor pluimvee, en garanties betreffende de naleving door dat derde land van de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften van de Unie of van gelijkwaardige voorschriften. Daarom, en rekening houdend met de gezondheidssituatie voor pluimvee in Marokko, is het passend dat derde land op te nemen in de lijst in deel 1, afdeling A, van bijlage XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft vleesproducten van ander pluimvee dan loopvogels die de in bijlage XXVI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 bedoelde specifieke risicobeperkende behandeling “D” hebben ondergaan.

(9)

Bijlage XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Aangezien Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 met ingang van 21 april 2021 van toepassing is, moeten de wijzigingen die bij deze verordening in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden aangebracht, omwille van de rechtszekerheid en om de handel te vergemakkelijken, met spoed in werking treden.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen VI en XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen VI en XV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden als volgt gewijzigd:

1)

In deel 1, afdeling A, van bijlage VI worden de volgende vermeldingen voor Man en voor Jersey ingevoegd tussen de vermelding voor Israël en die voor Nieuw-Zeeland:

IM

Man

IM-0

In gevangenschap levende vogels

CAPTIVE-BIRDS

 

 

 

 

Broedeieren van in gevangenschap levende vogels

HE-CAPTIVE-BIRDS

 

 

 

 

JE

Jersey

JE-0

In gevangenschap levende vogels

CAPTIVE-BIRDS

 

 

 

 

Broedeieren van in gevangenschap levende vogels

HE-CAPTIVE-BIRDS”

 

 

 

 

2)

In deel 1, afdeling A, van bijlage XV wordt de vermelding voor Marokko vervangen door:

MA

Marokko

MA-0

B

B

B

B

B

B

B

D

Niet toegestaan

Niet toegestaan

MPST”

 


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/64


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1041 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2022

ter onderwerping van de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea aan registratie na de heropening van het onderzoek ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 2 april 2020 in zaak T-383/17, zoals bevestigd door het Hof van Justitie in zaak C-260/20 P, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 van de Commissie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Vaststelling van maatregelen

(1)

Op 17 november 2017 heeft de Commissie (“de Commissie”) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2005 van de Commissie tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (2) bekendgemaakt. Op 3 mei 2017 heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (3) (“de litigieuze verordening”) bekendgemaakt.

1.2.   De arresten in de zaken T-383/17 en C-260/20 P

(2)

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2017, heeft de Hansol-groep (Hansol Paper Co. Ltd en Hansol Artone Paper Co. Ltd) (“Hansol”) beroep ingesteld tot nietigverklaring van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 voor zover deze betrekking had op Hansol (zaak T-383/17). Hansol betwistte de wettigheid van de litigieuze verordening op een aantal punten. In een van zijn middelen betwistte Hansol de berekening van bepaalde normale waarden overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. In een ander middel voerde Hansol aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt bij de weging van de verkopen in de Unie aan onafhankelijke afnemers ten opzichte van de verkopen aan verbonden verwerkende bedrijven. Hansol voerde aan dat deze vermeende rekenfout de berekening van de dumpingmarge en, onder meer, de prijsonderbiedingsmarge verstoorde.

(3)

Op 2 april 2020 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in zaak T-383/17, waarbij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 nietig werd verklaard voor zover deze betrekking had op de door Hansol vervaardigde goederen (4). Het Gerecht stelde vast dat de Commissie artikel 2, lid 1, van de basisverordening had geschonden bij de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening voor een productsoort die door Hansol Artone Paper Co. Ltd werd verkocht terwijl er voor dezelfde productsoort representatieve binnenlandse verkoop door Hansol Paper Co. Ltd bestond. Het Gerecht stelde ook vast dat de vermeende wegingsfout vaststond en dat de Commissie rekening had moeten houden met de hoeveelheden die Schades Nordic, een van de verbonden verwerkende bedrijven van de Hansol-groep in de Unie, aan onafhankelijke afnemers had verkocht. De Commissie had derhalve artikel 2, lid 11, van de basisverordening geschonden, aangezien de door de Commissie verrichte berekeningen niet de volledige omvang van de door Hansol toegepaste dumping weergaven. Ten slotte heeft het Gerecht geoordeeld dat deze wegingsfout ook van invloed was op de berekening van de prijsonderbiedingsmarge, aangezien de Commissie voor die berekening dezelfde weging had gebruikt. Het Gerecht heeft ook vastgesteld dat de Commissie een fout had gemaakt door artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie toe te passen door VAA-kosten en een winstmarge voor de wederverkoop van het betrokken product door de verbonden verkoopentiteit in de EU in mindering te brengen bij de vaststelling van de uitvoerprijs van dat product in het kader van de vaststelling van de schade.

(4)

Op 11 juni 2020 heeft de Commissie het Hof van Justitie in hogere voorziening verzocht het arrest van het Gerecht te vernietigen (zaak C-260/20 P). Op 12 mei 2022 heeft de Tweede kamer van het Hof de hogere voorziening afgewezen en de bevindingen van het Gerecht bevestigd (5). Het Hof van Justitie merkte echter op dat de Commissie, anders dan het Gerecht had vastgesteld, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 2, lid 9, van de basisverordening in deze zaak naar analogie toe te passen.

(5)

Bijgevolg werd Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 nietig verklaard voor zover deze betrekking heeft op Hansol.

2.   GRONDEN VOOR REGISTRATIE

(6)

De Commissie heeft onderzocht of het passend is de invoer van het betrokken product te laten registreren. In dat verband hield zij rekening met het volgende.

(7)

Artikel 266 VWEU bepaalt dat de instellingen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van de arresten van het Hof en het Gerecht. Indien een door de instellingen in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals een antidumpingonderzoek, vastgestelde handeling nietig wordt verklaard, wordt aan een arrest van het Gerecht uitvoering gegeven door de nietig verklaarde handeling te vervangen door een nieuwe waarin de door het Gerecht vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven (6).

(8)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling worden hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (7). Dit houdt met name in dat wanneer een handeling tot afsluiting van een bestuurlijke procedure nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de voorbereidende handelingen, zoals die tot inleiding van de antidumpingprocedure. Wanneer bijvoorbeeld een verordening tot instelling van definitieve antidumpingmaatregelen nietig wordt verklaard, betekent dit dat de antidumpingprocedure na de nietigverklaring nog hangende is, aangezien de handeling tot afsluiting van de antidumpingprocedure uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen (8), tenzij de onwettigheid al in het stadium van de inleiding heeft plaatsgevonden.

(9)

Blijkens het bericht van heropening heeft de Commissie, nu de onwettigheid niet in het stadium van de inleiding maar tijdens het onderzoek heeft plaatsgevonden, besloten het onderzoek te heropenen voor zover het Hansol betreft en het onderzoek hervat op het punt waarop de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan.

(10)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de hervatting van de administratieve procedure en het eventueel opnieuw instellen van rechten niet in strijd met het verbod van terugwerkende kracht worden geacht (9). Het bericht van heropening stelde belanghebbenden, met inbegrip van importeurs, ervan in kennis dat eventueel verschuldigde toekomstige rechten zullen voortvloeien uit de bevindingen van dit nieuwe onderzoek.

(11)

Op basis van haar nieuwe bevindingen en de uitkomst van het heropende onderzoek, die in dit stadium onbekend is, kan de Commissie een verordening vaststellen tot herziening van het toepasselijke recht, indien dit gerechtvaardigd is. Dat eventuele herziene recht zal gelden vanaf de datum waarop de litigieuze verordening in werking is getreden.

(12)

De Commissie verzocht de nationale douaneautoriteiten hiertoe de resultaten van het nieuwe onderzoek af te wachten voordat zij een besluit nemen over verzoeken om terugbetaling betreffende de antidumpingrechten met betrekking tot Hansol die het Gerecht nietig heeft verklaard. De douaneautoriteiten moeten de behandeling van verzoeken om terugbetaling van de nietig verklaarde rechten dus uitstellen tot het resultaat van het nieuwe onderzoek is bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(13)

Mocht het heropende onderzoek ertoe leiden dat opnieuw maatregelen worden ingesteld, dan moeten rechten bovendien ook worden geïnd voor de periode waarin het heropende onderzoek liep.

(14)

Dienaangaande merkt de Commissie op dat artikel 14, lid 5, van de basisverordening in registratie voorziet als een middel om ervoor te zorgen dat maatregelen naderhand kunnen worden toegepast op invoer vanaf de datum van registratie (10). In dit geval acht de Commissie het passend invoer die in verband staat met Hansol te registreren teneinde in voorkomend geval de inning van antidumpingrechten na de heropening van het onderzoek te vergemakkelijken.

(15)

Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie (11) zij opgemerkt dat, anders dan bij registratie gedurende de periode vóór de instelling van voorlopige maatregelen, de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van de antidumpingbasisverordening niet van toepassing zijn op het onderhavige geval. Registratie in de context van onderzoeken ter uitvoering van uitspraken van het Gerecht heeft immers niet tot doel de in die bepalingen geregelde retroactieve inning van middels handelsbeschermingsmaatregelen opgelegde rechten mogelijk te maken. Het doel is veeleer de doeltreffendheid van de bestaande maatregelen te waarborgen, zonder onnodige onderbreking vanaf de datum van inwerkingtreding van de litigieuze verordeningen tot de herinstelling van de gecorrigeerde rechten, door ervoor te zorgen dat in de toekomst het juiste bedrag van de rechten kan worden geïnd.

(16)

Gezien bovenstaande overwegingen meent de Commissie dat er redenen zijn voor registratie overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening.

3.   REGISTRATIE

(17)

Op basis van het bovenstaande moet de invoer van het door Hansol (Hansol Paper Co. Ltd en Hansol Artone Paper Co. Ltd) geproduceerde betrokken product worden geregistreerd.

(18)

Zoals in het bericht van heropening is aangegeven, zal het uiteindelijke bedrag aan eventueel verschuldigde antidumpingrechten vanaf de datum van inwerkingtreding van de litigieuze antidumpingverordening uit de bevindingen van het nieuwe onderzoek voortvloeien.

(19)

Voor de periode tussen de bekendmaking van het bericht van heropening en de datum van inwerkingtreding van de resultaten van het heropende onderzoek mogen geen hogere rechten worden geïnd dan die welke zijn vastgesteld in de litigieuze antidumpingverordening.

(20)

Het huidige antidumpingrecht voor Hansol bedraagt 104,46 EUR per ton netto,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De douaneautoriteiten nemen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036 en artikel 24, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1037 de nodige maatregelen voor de registratie van de invoer van bepaald licht thermisch papier met een gewicht van niet meer dan 65 g/m2; in rollen met een breedte van 20 cm of meer, een gewicht per rol (inclusief papier) van 50 kg of meer en een diameter per rol (inclusief papier) van 40 cm of meer (“jumborollen”); met of zonder grondlaag op één of beide zijden; bekleed met een warmtegevoelige stof op één of beide zijden; met of zonder toplaag, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 90 00, ex 4816 90 00 en ex 4823 90 85 (Taric-codes: 4809900010, 4811900010, 4816900010, 4823908520), van oorsprong uit de Republiek Korea en geproduceerd door de Hansol-groep (Hansol Paper Co. Ltd en Hansol Artone Paper Co. Ltd) (aanvullende Taric-code C874).

2.   De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening beëindigd.

3.   Het antidumpingrecht dat kan worden geïnd op bepaald licht thermisch papier, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 90 00, ex 4816 90 00 en ex 4823 90 85 (Taric-codes: 4809900010, 4811900010, 4816900010, 4823908520), van oorsprong uit de Republiek Korea en geproduceerd door de Hansol-groep (Hansol Paper Co. Ltd en Hansol Artone Paper Co. Ltd) tussen de heropening van het onderzoek en de datum van inwerkingtreding van de resultaten van het heropende onderzoek, mag niet meer bedragen dan het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 ingestelde antidumpingrecht.

4.   De nationale douaneautoriteiten wachten de bekendmaking van de uitvoeringsverordening van de Commissie tot het opnieuw instellen van de rechten af voordat zij een besluit nemen over het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van antidumpingrechten betreffende invoer die in verband staat met de Hansol-groep (Hansol Paper Co. Ltd en Hansol Artone Paper Co. Ltd).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)   PB L 310 van 17.11.2016, blz. 1.

(3)   PB L 114 van 3.5.2017, blz. 3.

(4)  ECLI:EU:T:2020:139.

(5)  ECLI EU:C:2022:370.

(6)  Arrest van het Hof van Justitie van 26 april 1988, Asteris AE e.a. en Helleense Republiek/Commissie, 97, 193, 99 en 215/86, Jurispr. 1988, blz. 2181, punten 27 en 28, en arrest van het Gerecht van 1 juni 2022, Jindal Saw/Commissie, T-440/20, EU:T:2022:318.

(7)  Arresten van het Hof van Justitie van 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85; arresten van het Gerecht van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, T-301/01, Jurispr. 2008, blz. II-1753, punten 99 en 142, en 12 mei 2011, Région Nord-Pas de Calais/Commissie, T-267/08 en T-279/08, Jurispr. 2011, blz. II-1999, punt 83.

(8)  Arresten van het Hof van Justitie van 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85.

(9)  Arresten van het Hof van Justitie van 15 maart 2018, Deichmann, C-256/16, punt 79, en 19 juni 2019, C & J Clark International, C-612/16, punt 5.

(10)  Arrest van het Gerecht van 1 juni 2022, Jindal Saw/Commissie, T-440/20, EU:T:2022:318, punten 154-159.

(11)  Arresten van het Hof van Justitie van 15 maart 2018, Deichmann, C-256/16, ECLI:EU:C:2018:187, punt 79, en 19 juni 2019, C & J Clark International, C-612/16, ECLI:EU:C:2019:508, punt 58.


BESLUITEN

30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/68


BESLUIT (EU) 2022/1042 VAN DE RAAD

van 21 juni 2022

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van Protocol 31 betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, dat is gehecht aan de EER-overeenkomst (Begrotingsonderdeel 07 20 03 01 — Sociale zekerheid)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 46 en 48, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (“de EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Op grond van artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer Protocol 31 betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, dat is gehecht aan de EER-overeenkomst (“Protocol 31”), bij besluit van het Gemengd Comité van de EER dat is ingesteld bij de EER-overeenkomst (het “Gemengd Comité van de EER”), gewijzigd worden.

(3)

Het is passend om de samenwerking voort te zetten tussen de partijen bij de EER-overeenkomst inzake uit de algemene begroting van de Unie gefinancierde maatregelen met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(4)

Protocol 31 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet daarom gebaseerd worden op het aangehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van Protocol 31 betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, dat is gehecht aan de EER-overeenkomst, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BEAUNE


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.


ONTWERP

Besluit van het Gemengd Comité van de EER Nr. …

van …

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is passend om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten inzake uit de algemene begroting van de Unie gefinancierde maatregelen van de Unie met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(2)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet daarom gewijzigd worden om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2022 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 5, leden 5 en 14, van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst worden de woorden “boekjaar 2021” vervangen door de woorden “boekjaren 2021 en 2022”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving uit hoofde van artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (*1).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/71


BESLUIT (EU) 2022/1043 VAN DE RAAD

van 28 juni 2022

tot benoeming van een lid van, en twee plaatsvervangers in het Comité van de Regio’s, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien Besluit (EU) 2019/852 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Comité van de Regio’s (1),

Gezien de voordrachten van de Spaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 300, lid 3, van het Verdrag bestaat het Comité van de Regio’s uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering.

(2)

Op 3 februari 2020 heeft de Raad Besluit (EU) 2020/144 (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 vastgesteld.

(3)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het aftreden van de heer Juan ESPADAS CEJAS.

(4)

In het Comité van de Regio’s zijn twee zetels van plaatsvervanger vrijgekomen vanwege het aftreden van de heer Carlos MARTÍNEZ MÍNGUEZ en het verstrijken van het nationale mandaat op grond waarvan de heer José Francisco BALLESTA GERMÁN was voorgedragen.

(5)

De Spaanse regering heeft de heer Julio MILLÁN MUÑOZ, vertegenwoordiger van een lokaal lichaam die in een lokaal lichaam is gekozen, Alcalde del Ayuntamiento de Jaén (Andalucía) (burgemeester van Jaén (Andalucía)), voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, voorgedragen als lid van het Comité van de Regio’s.

(6)

De Spaanse regering heeft de volgende vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen die in een lokaal lichaam zijn gekozen, voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, voorgedragen als plaatsvervangers in het Comité van de Regio’s: mevrouw Noelia María ARROYO HERNÁNDEZ, Alcaldesa del Ayuntamiento de Cartagena (Murcia) (burgemeester van Cartagena (Murcia)), en de heer Óscar PUENTE SANTIAGO, Alcalde del Ayuntamiento de Valladolid (Castilla y León) (burgemeester van Valladolid (Castilla y León)),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen die in een lichaam zijn gekozen, worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2025, in het Comité van de Regio’s benoemd:

a)

tot lid:

de heer Julio MILLÁN MUÑOZ, Alcalde del Ayuntamiento de Jaén (Andalucía) (burgemeester van Jaén (Andalucía)),

en

b)

tot plaatsvervangers:

mevrouw Noelia María ARROYO HERNÁNDEZ, Alcaldesa del Ayuntamiento de Cartagena (Murcia) (burgemeester van Cartagena (Murcia)),

de heer Óscar PUENTE SANTIAGO, Alcalde del Ayuntamiento de Valladolid (Castilla y León) (burgemeester van Valladolid (Castilla y León)).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

A. PANNIER-RUNACHER


(1)   PB L 139 van 27.5.2019, blz. 13.

(2)  Besluit (EU) 2020/144 van de Raad van 3 februari 2020 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 (PB L 32 van 4.2.2020, blz. 16).


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/73


BESLUIT VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ (GBVB) 2022/1044

van 28 juni 2022

tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (EUPOL COPPS/1/2022)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 38, derde alinea,

Gezien Besluit 2013/354/GBVB van de Raad van 3 juli 2013 betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (1), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 9, lid 1, van Besluit 2013/354/GBVB is het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd om overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag de passende besluiten te nemen met het oog op de politieke controle op en de strategische leiding van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS), met inbegrip van het besluit tot benoeming van een hoofd van de missie.

(2)

Op 13 oktober 2020 heeft het PVC Besluit (GBVB) 2020/1541 (2) vastgesteld, waarbij mevrouw Nataliya APOSTOLOVA werd benoemd tot hoofd van de missie EUPOL COPPS voor de periode van 15 november 2020 tot en met 30 juni 2021.

(3)

Op 28 juni 2021 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2021/1066 (3) vastgesteld, waarbij het mandaat van EUPOL COPPS werd verlengd tot en met 30 juni 2022.

(4)

Op 1 juli 2021 heeft het PVC bij Besluit (GBVB) 2021/1128 (4) het mandaat van mevrouw Nataliya APOSTOLOVA als hoofd van de missie van EUPOL COPPS verlengd tot en met 30 juni 2022.

(5)

Op 27 juni 2022 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2022/1018 (5) vastgesteld, tot verlenging van het mandaat van EUPOL COPPS van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023.

(6)

De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft voorgesteld het mandaat van mevrouw Nataliya APOSTOLOVA als hoofd van de missie EUPOL COPPS te verlengen van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het mandaat van mevrouw Nataliya APOSTOLOVA als hoofd van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) wordt verlengd van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2022.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2022.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

D. PRONK


(1)   PB L 185 van 4.7.2013, blz. 12.

(2)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2020/1541 van 13 oktober 2020 tot benoeming van het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (EUPOL COPPS/1/2020) (PB L 353 van 23.10.2020, blz. 8).

(3)  Besluit (GBVB) 2021/1066 van de Raad van 28 juni 2021 tot wijziging van Besluit 2013/354/GBVB betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (PB L 229 van 29.6.2021, blz. 13).

(4)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2021/1128 van 1 juli 2021 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (EUPOL COPPS1/2021) (PB L 244 van 9.7.2021, blz. 3).

(5)  Besluit (GBVB) 2022/1018 van de Raad van 27 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2013/354/GBVB betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse Gebieden (EUPOL COPPS) (PB L 170 van 28.6.2022, blz. 76).


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/75


BESLUIT VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ (GBVB) 2022/1045

van 28 juni 2022

tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (EU BAM Rafah/1/2022)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 38, derde alinea,

Gezien Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB van de Raad van 25 november 2005 tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (1), en met name artikel 10, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 10, lid 1, van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB is het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd om overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag de nodige besluiten te nemen met het oog op de politieke controle op en de strategische sturing van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah), met inbegrip van het besluit tot benoeming van het missiehoofd.

(2)

Op 13 oktober 2020 heeft het PVC Besluit (GBVB) 2020/1548 (2) vastgesteld, waarbij de heer Mihai-Florin BULGARIU werd benoemd tot hoofd van de missie EU BAM Rafah voor de periode van 1 november 2020 tot en met 30 juni 2021.

(3)

Op 28 juni 2021 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2021/1065 (3) vastgesteld tot verlenging van het mandaat van EU BAM Rafah tot en met 30 juni 2022.

(4)

Op 1 juli 2021 heeft het PVC Besluit (GBVB) 2021/1127 (4) tot verlenging van het mandaat van de heer Mihai-Florin BULGARIU als hoofd van de missie EU BAM Rafah van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 vastgesteld.

(5)

Op 27 juni 2022 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2022/1017 (5) tot verlenging van het mandaat van EU BAM Rafah tot en met 30 juni 2023 vastgesteld.

(6)

De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft voorgesteld het mandaat van de heer Mihai-Florin BULGARIU als hoofd van de missie EU BAM Rafah te verlengen tot en met 30 juni 2023,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het mandaat van de heer Mihai-Florin BULGARIU als hoofd van de missie EU BAM Rafah wordt verlengd van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2022.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2022.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

D. PRONK


(1)   PB L 327 van 14.12.2005, blz. 28.

(2)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2020/1548 van 13 oktober 2020 tot benoeming van het hoofd van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (EU BAM Rafah/2/2020) (PB L 354 van 26.10.2020, blz. 5).

(3)  Besluit (GBVB) 2021/1065 van de Raad van 28 juni 2021 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (PB L 229 van 29.6.2021, blz. 11).

(4)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2021/1127 van 1 juli 2021 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (EU BAM Rafah/1/2021) (PB L 244 van 9.7.2021, blz. 1).

(5)  Besluit (GBVB) 2022/1017 van 27 juni 2022 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EU BAM Rafah) (PB L 170 van 28.6.2022, blz. 74).


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/77


BESLUIT (EU) 2022/1046 VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN

van 29 juni 2022

tot benoeming van rechters bij het Gerecht

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 254 en 255,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van zesentwintig rechters bij het Gerecht verstrijkt op 31 augustus 2022. Er zijn benoemingen nodig om die vacatures voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2028 te vervullen.

(2)

De heer Ion GÂLEA, de heer Marc JAEGER, de heer Dean SPIELMANN en mevrouw Mirela STANCU zijn voorgedragen voor de verlenging van hun ambtstermijn als rechter bij het Gerecht.

(3)

De heer Steven VERSCHUUR is voorgedragen voor een eerste ambtstermijn als rechter bij het Gerecht.

(4)

Bovendien bepaalt artikel 48 van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad (1), dat het aantal rechters bij het Gerecht in drie fasen wordt verhoogd, zodat het Gerecht per 1 september 2019 uit twee rechters per lidstaat bestaat. Overeenkomstig artikel 2, punt a), van die verordening omvat de eerste fase van de verhoging van het aantal rechters bij het Gerecht de benoeming van twaalf extra rechters, waarvan zes met een ambtstermijn die afloopt op 31 augustus 2016. Die zes rechters worden op zodanige wijze gekozen dat de regeringen van zes lidstaten twee rechters voordragen voor de gedeeltelijke vervanging van het Gerecht in 2016, waarvan de ambtstermijn van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2022 loopt. Het ambt van de extra rechter die op voordracht van de regering van de Slowaakse Republiek moet worden benoemd, is een van de ambten van de zes extra rechters waarop de gedeeltelijke vervanging van het Gerecht in 2016 betrekking heeft. Mevrouw Beatrix RICZIOVÁ is voorgedragen voor het ambt van extra rechter bij het Gerecht.

(5)

Krachtens artikel 7 van Protocol nr. 3 en naar aanleiding van het overlijden van de heer Barna BERKE moet een rechter bij het Gerecht worden benoemd voor de resterende duur van de ambtstermijn van de heer Barna BERKE, dat wil zeggen tot en met 31 augustus 2022.

(6)

Voor deze vacature is de heer Tihamér TÓTH voorgedragen.

(7)

Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft een positief advies uitgebracht over de geschiktheid van die kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter bij het Gerecht,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2028 worden benoemd tot rechter bij het Gerecht:

de heer Ion GÂLEA,

de heer Marc JAEGER,

de heer Dean SPIELMANN,

mevrouw Mirela STANCU,

de heer Steven VERSCHUUR.

Artikel 2

Voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2022 worden benoemd tot rechter bij het Gerecht:

mevrouw Beatrix RICZIOVÁ,

de heer Tihamér TÓTH.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2022.

De voorzitter

P. LÉGLISE-COSTA


(1)  Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PB L 341 van 24.12.2015, blz. 14).


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/79


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA nr. 269/21/COL

van 1 december 2021

tot invoering van herziene richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor 2022-2027 [2022/1047]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (“DE AUTORITEIT”),

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol 26,

Gezien de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna “de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24 en artikel 5, lid 2, punt b),

Gezien Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst (hierna “Protocol nr. 3” genoemd), en met name artikel 1, lid 1, van deel I,

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 24 van de Toezichtovereenkomst geeft de Autoriteit uitvoering aan de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), van de Toezichtovereenkomst maakt de Autoriteit mededelingen en richtsnoeren bekend over aangelegenheden waarop de EER-overeenkomst betrekking heeft, indien die overeenkomst of de Toezichtovereenkomst daarin uitdrukkelijk voorziet of indien de Autoriteit zulks nodig acht.

Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst dient de Autoriteit alle in de EVA-staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen en dienstige maatregelen voor te stellen, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de EER-overeenkomst vereist.

Op 19 april 2021 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) herziene EU-richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen aangenomen (1),

Die richtsnoeren zijn ook relevant voor de Europese Economische Ruimte.

Overeenkomstig de homogeniteitsdoelstelling die in artikel 1 van de EER-overeenkomst is vastgesteld, dient een eenvormige toepassing van de EER-staatssteunregels in de hele Europese Economische Ruimte te worden verzekerd.

De Autoriteit dient, ingevolge punt II onder de titel “ALGEMEEN” op bladzijde 11 van bijlage XV bij de EER-overeenkomst, na overleg met de Commissie, besluiten vast te stellen die met de besluiten van de Europese Commissie overeenstemmen.

Na raadpleging van de Europese Commissie,

Na raadpleging van de EVA-staten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De materiële regels op het gebied van staatssteun worden gewijzigd door de invoering van herziene richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen met ingang van de datum van dit besluit. De herziene richtsnoeren zijn aan dit besluit gehecht en maken er integraal deel van uit.

Artikel 2

De bestaande richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor 2014-2021 worden met ingang van 1 januari 2022 vervangen.

Artikel 3

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 1 december 2021.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA,

Bente ANGELL-HANSEN

Voorzitter

Verantwoordelijk lid van het College

Högni S. KRISTJÁNSSON

Lid van het College

Stefan BARRIGA

Lid van het College

Melpo-Menie JOSÉPHIDÈS

Medeondertekenaar, directeur

van de Juridische en Uitvoerende Dienst


(1)  Bekendgemaakt in PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1.


Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (*) *)

Inhoudsopgave

1.

Inleiding 83

2.

Toepassingsgebied en definities 85

2.1.

Toepassingsgebied regionale steun 85

2.2.

Definities 86

3.

Aan te melden regionale steun 89

4.

In aanmerking komende kosten 89

4.1.

Investeringssteun 89

4.1.1.

In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de investeringskosten 90

4.1.2.

In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten 91

4.2.

Exploitatiesteun 91

5.

Verenigbaarheidsbeoordeling van regionale steun 91

5.1.

Bijdrage aan regionale ontwikkeling en cohesie 92

5.1.1.

Regelingen voor investeringssteun 92

5.1.2.

Aan te melden individuele investeringssteun 93

5.1.3.

Regelingen voor exploitatiesteun 94

5.2.

Stimulerend effect 94

5.2.1.

Investeringssteun 94

5.2.2.

Regelingen voor exploitatiesteun 96

5.3.

Noodzaak van overheidsmaatregelen 96

5.4.

Regionale steun als geschikt instrument 96

5.4.1.

Een geschikt instrument in vergelijking met mogelijke andere beleidsinstrumenten 97

5.4.2.

Een geschikt instrument in vergelijking met andere steuninstrumenten 97

5.5.

Evenredigheid van het steunbedrag (steun beperken tot het minimum) 97

5.5.1.

Investeringssteun 97

5.5.2.

Regelingen voor exploitatiesteun 99

5.6.

Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer 99

5.6.1.

Algemene overwegingen 99

5.6.2.

Duidelijk negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer 100

5.6.3.

Regelingen voor investeringssteun 101

5.6.4.

Aan te melden individuele investeringssteun 102

5.6.5.

Regelingen voor exploitatiesteun 103

5.7.

Transparantie 103

6.

Evaluatie 104

7.

Regionalesteunkaarten 105

7.1.

Voor regionale steun in aanmerking komend bevolkingsaandeel 106

7.2.

De afwijking van artikel 61, lid 3, punt a) 106

7.3.

De afwijking van artikel 61, lid 3, punt c) 107

7.3.1.

Vooraf vastliggende steungebieden onder c) 107

7.3.2.

Niet vooraf vastliggende steungebieden onder c) 108

7.4.

Voor regionale investeringssteun geldende maximale steunintensiteiten 109

7.4.1.

Maximale steunintensiteiten in steungebieden onder a) 109

7.4.2.

Maximale steunintensiteiten in steungebieden onder c) 110

7.4.3.

Verhoogde steunintensiteiten voor kmo’s 110

7.4.4.

Verhoogde steunintensiteiten voor gebieden die in aanmerking komen voor steun uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie () 110

7.4.5.

Toegenomen steunintensiteiten voor regio’s waar de bevolking afneemt 110

7.5.

Aanmelding en beoordeling van regionalesteunkaarten 110

7.6.

Aanpassingen 111

7.6.1.

Bevolkingsreserve 111

7.6.2.

Tussentijdse evaluatie 111

8.

Wijziging van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor 2014-2020 111

9.

Toepasselijkheid van de regels inzake regionale steun 112

10.

Verslaglegging en toezicht 112

11.

Wijziging 112

1.   INLEIDING

1.

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (“de Autoriteit”) kan de volgende soorten steunmaatregelen verenigbaar verklaren met de werking van de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst:

a)

steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, en

b)

steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën binnen de Europese Economische Ruimte (“EER”) te vergemakkelijken (1)

Dit soort staatssteun wordt regionale steun genoemd.

2.

Deze richtsnoeren bepalen op welke voorwaarden regionale steun als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst kan worden beschouwd. Zij stellen ook de criteria vast voor het afbakenen van de gebieden die voldoen aan de voorwaarden voor verenigbaarheid in artikel 61, lid 3, punten a) en c), van de EER-overeenkomst.

3.

Het staatssteuntoezicht op het gebied van regionale steun is in de eerste plaats bedoeld om ervoor te zorgen dat steun voor regionale ontwikkeling en territoriale samenhang (2) de handelsvoorwaarden tussen EER-staten niet in overdreven mate schaadt (3). Het tracht met name te voorkomen dat er subsidiewedlopen ontstaan wanneer EER-staten proberen bedrijven naar steungebieden in de EER te halen of die daar te houden. Daarnaast moet dit toezicht ook de gevolgen van regionale steun voor het handelsverkeer en de mededinging tot het noodzakelijke minimum beperken.

4.

De doelstelling van regionale ontwikkeling en territoriale samenhang onderscheidt regionale steun van andere vormen van steun zoals steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, steun ten behoeve van werkgelegenheid, opleiding, energie of milieubescherming, waarmee, overeenkomstig artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst, andere doelstellingen van economische ontwikkeling worden nagestreefd. In sommige omstandigheden kunnen hogere steunintensiteiten worden toegestaan voor die andere soorten steun, wanneer die worden toegekend aan ondernemingen in steungebieden, om rekening te houden met de specifieke moeilijkheden waarmee zij in deze gebieden te kampen hebben (4).

5.

Regionale steun kan alleen daadwerkelijk een rol spelen indien deze spaarzaam en evenredig wordt ingezet en wordt toegespitst op steungebieden in de EER (5). Met name moeten de toegestane steunplafonds de vertaling zijn van de mate waarin de problemen de ontwikkeling in de bewuste gebieden beïnvloeden. De voordelen van de steun voor de ontwikkeling van een steungebied moeten opwegen tegen de verstoring van de mededinging en het handelsverkeer waartoe de steun kan leiden (6). Het gewicht dat aan de positieve effecten van de steun wordt toegekend, zal waarschijnlijk verschillen naargelang de afwijking op grond van artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst, die inhoudt dat voor de gebieden met de grootste achterstand die onder artikel 61, lid 3, punt a), vallen, een grotere mededingingsverstoring kan worden geaccepteerd dan voor de steungebieden die onder artikel 61, lid 3, punt c), vallen (7).

6.

Bovendien kan regionale steun de economische ontwikkeling van steungebieden alleen daadwerkelijk ondersteunen of faciliteren indien hij wordt toegekend om aan te zetten tot aanvullende investeringen of economische activiteiten in die gebieden. In een zeer beperkt aantal duidelijk omschreven gevallen kunnen de obstakels waarmee deze gebieden bij het aantrekken of behouden van economische activiteit te maken krijgen, zo groot of zo blijvend van aard zijn dat investeringssteun misschien niet voldoende is om de ontwikkeling van dat gebied mogelijk te maken In deze situatie kan regionale investeringssteun worden aangevuld met regionale exploitatiesteun.

7.

In 2019 ging de Europese Commissie (“de Commissie”) van start met een evaluatie van het kader voor regionale steun om na te gaan of haar richtsnoeren inzake regionale steun nog steeds geschikt waren voor het beoogde doel. Uit de resultaten (8) is gebleken dat de regels in principe goed werken, maar dat een aantal verbeteringen nodig is om de economische ontwikkelingen te weerspiegelen. Bovendien kan de Commissie bij het beoordelen van het effect van regionale steun rekening houden met de mededelingen “de Europese Green Deal” (9), “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (10) en “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (11), waardoor de regels enigszins gewijzigd moeten worden. In deze context worden ook andere staatssteunregels herzien en besteedt de Commissie specifiek aandacht aan het toepassingsgebied van elk van de thematische richtsnoeren, evenals aan de mogelijkheden om voor éénzelfde investering eventueel verschillende soorten steun te combineren. In die zin kan steun voor initiële investeringen voor nieuwe, milieuvriendelijke technologieën die bijdragen aan de decarbonisering van productieprocessen in de industrie, ook in energie-intensieve sectoren als de staalsector, worden beoordeeld afhankelijk van de exacte kenmerken ervan, met name in het kader van de staatssteunregels voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie of die voor milieubescherming en energie. Regionale steun kan ook worden gecombineerd met andere soorten steun. Het is bijvoorbeeld mogelijk om voor eenzelfde investeringsproject regionale steun te combineren met steun in het kader van de staatssteunregels voor milieubescherming en energie als dat investeringsproject de ontwikkeling van een steungebied faciliteert en tegelijk de mate van milieubescherming verhoogt, op voorwaarde dat de investering of een deel ervan in aanmerking komt voor steun in het kader van beide thematische regels en dat de regels van beide kaders worden nageleefd. Op die manier kunnen EER-staten ervoor zorgen dat beide doelstellingen zo goed mogelijk worden nagestreefd zonder dat er sprake is van overcompensatie. […] (12).

7 bis.

De Autoriteit merkt op dat bepaalde beleidsinstrumenten en wetgevende bepalingen waarnaar de Commissie verwijst, misschien nog niet in de EER-overeenkomst zijn opgenomen. Niettemin zal de Autoriteit, wanneer zij nagaat of regionale steun verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst, met het oog op een eenvormige toepassing van de bepalingen inzake staatssteun en gelijke concurrentievoorwaarden in de hele EER, over het algemeen dezelfde vergelijkingspunten hanteren als in de richtsnoeren van de Commissie, maar daarbij wel rekening houden met de specifieke wetgevingssituatie van de EER-EVA-staten (13). Deze richtsnoeren bevatten bijgevolg verwijzingen naar wetgeving en beleidsdocumenten van de Europese Unie waarnaar wordt verwezen in de richtsnoeren van de Commissie (14). Dit betekent niet dat de EER-EVA-staten verplicht zijn wetgeving na te leven die niet is opgenomen in de EER-overeenkomst.

8.

Als reactie op de verstoring van de economie door de COVID-19-pandemie heeft de Commissie gerichte instrumenten ingevoerd, zoals de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun (15). De pandemie kan in sommige gebieden meer langdurige effecten hebben dan in andere. Momenteel is het nog te vroeg om te voorspellen wat de gevolgen van de pandemie op de middellange en lange termijn zullen zijn en welke gebieden bijzonder getroffen zullen zijn. Daarom plant de Autoriteit een tussentijdse evaluatie van de regionalesteunkaarten in 2023, waarbij rekening zal worden gehouden met de meest recente statistieken.

2.   TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

2.1.   Toepassingsgebied regionale steun

9.

De in deze richtsnoeren vervatte verenigbaarheidsvoorwaarden gelden voor zowel aan te melden regionalesteunregelingen als voor aan te melden individuele steun.

10.

Deze richtsnoeren hebben geen betrekking op staatssteun aan de sectoren ijzer en staal (16), bruinkool (17) en steenkool (18).

11.

De Autoriteit zal de in deze richtsnoeren vervatte beginselen toepassen op regionale steun in alle andere onder de EER-overeenkomst vallende economische sectoren, met uitzondering van sectoren waarvoor bijzondere staatssteunregels gelden, met name […] (19) (20) het vervoer (21), breedband (22) en energie (23), behalve wanneer de staatssteun in die sectoren wordt verstrekt als onderdeel van een horizontaal regionaal stelsel voor exploitatiesteun.

12.

De Autoriteit zal de in deze richtsnoeren vervatte beginselen toepassen op de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten en de afzet van die producten (24).

13.

Grote ondernemingen hebben bij het investeren of behouden van economische activiteit in een steungebied doorgaans minder onder regionale beperkingen te lijden dan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). Ten eerste kunnen grote ondernemingen gemakkelijker kapitaal en krediet aantrekken op internationale markten en ondervinden zij minder hinder van het beperktere aanbod aan financiële diensten in steungebieden. Ten tweede kunnen investeringen van grote ondernemingen schaalvoordelen opleveren die de locatiegebonden initiële kosten doen dalen en die, in vele opzichten, niet gekoppeld zijn aan het gebied waarin de investering plaatsvindt. Ten derde beschikken grote ondernemingen die investeringen plannen, doorgaans over aanzienlijke onderhandelingsmacht tegenover overheden, waardoor zij misschien steun toegekend krijgen zonder dat daaraan behoefte is of zonder dat daarvoor een afdoende rechtvaardiging bestaat. Ten slotte valt van grote ondernemingen meer te verwachten dat zij belangrijke spelers op de betrokken markt zijn en dat bijgevolg de investering waarvoor de steun wordt toegekend, de mededinging en het handelsverkeer op de interne markt kan verstoren.

14.

Omdat het weinig waarschijnlijk is dat regionale steun ten behoeve van investeringen van grote ondernemingen een stimulerend effect heeft, kan dit soort steun in principe niet worden beschouwd als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, punt c), van de EER-overeenkomst, tenzij hij wordt toegekend voor initiële investeringen die nieuwe economische activiteiten in deze steungebieden onder c) creëren overeenkomstig de in deze richtsnoeren vervatte criteria. […] (25) (26).

15.

Regionale steun om de lopende kosten van een onderneming te verminderen, vormt exploitatiesteun. Exploitatiesteun kan alleen als verenigbaar worden beschouwd indien kan worden aangetoond dat deze steun nodig is voor de ontwikkeling van het gebied, bijvoorbeeld als hij is bedoeld om bepaalde specifieke moeilijkheden te verminderen waarmee kmo’s te kampen hebben in gebieden met de grootste achterstand (overeenkomstig artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst), om bijkomende kosten te compenseren voor het verrichten van een economische activiteit in ultraperifere gebieden of om de ontvolking van zeer dunbevolkte gebieden tegen te gaan of af te remmen.

16.

Deze richtsnoeren hebben geen betrekking op exploitatiesteun toegekend aan ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit valt onder sectie K “Financiële activiteiten en verzekeringen” van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (27), of aan ondernemingen die intragroepsactiviteiten verrichten en waarvan de hoofdactiviteit valt onder de klassen 70.10 “Activiteiten van hoofdkantoren” of 70.22 “Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering” van NACE Rev.2.

17.

Regionale steun mag niet worden verleend aan ondernemingen in moeilijkheden, zoals voor de toepassing van deze richtsnoeren gedefinieerd door de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (28).

18.

Bij het beoordelen van regionale steun voor een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Autoriteit waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst is verklaard, zal de Autoriteit rekening houden met de steun die nog moet worden teruggevorderd (29).

2.2.   Definities

19.

Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt verstaan onder:

1)

“steungebied onder a)”: de gebieden die op een regionalesteunkaart zijn aangewezen overeenkomstig artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst, en “steungebied onder c)”: de gebieden die op een regionalesteunkaart zijn aangewezen overeenkomstig artikel 61, lid 3, punt c), van de EER-overeenkomst;

2)

“ad-hocsteun”: steun die niet op grond van een steunregeling wordt verleend;

3)

“bijgesteld steunbedrag”: het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een groot investeringsproject berekend volgens deze formule:

3.1.

bijgesteld steunbedrag = R × (A + 0,50 × B + 0,34 × C)

3.2.

waarbij: R de maximale steunintensiteit is die voor het betrokken gebied van toepassing is, onder uitsluiting van de verhoogde steunintensiteit voor kmo’s, A het gedeelte van de in aanmerking komende kosten gelijk aan 50 miljoen EUR is, B het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tussen 50 miljoen EUR en 100 miljoen EUR is, en C het gedeelte van de in aanmerking komende kosten boven 100 miljoen EUR is;

4)

“steunintensiteit”: het brutosubsidie-equivalent, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten;

5)

“steungebied”: een steungebied onder a) of een steungebied onder c);

6)

“voltooiing van de investering”: het moment waarop de investering door de nationale autoriteiten wordt beschouwd als voltooid, of drie jaar na de start van de werkzaamheden, als dat eerder is;

7)

“tijdstip van toekenning van de steun”: het tijdstip waarop de wettelijke aanspraak om steun te ontvangen krachtens de nationale wettelijke regeling aan de begunstigde van de steun wordt verleend;

8)

“EU27”: de 27 EU-lidstaten (zonder Noord-Ierland) (*);

8 a)

“EER-staten”: de EU27 en de EER-EVA-staten;

8 b)

“EER-EVA-staten”: IJsland, Liechtenstein en Noorwegen;

9)

“evaluatieplan”: een document dat een of meer steunregelingen bestrijkt en ten minste de volgende elementen bevat: de te evalueren doelstellingen, de evaluatievragen, de resultaatindicatoren, de geplande methode voor de uitvoering van de evaluatie, de vereisten inzake gegevensverzameling, het voorgestelde tijdschema voor de evaluatie met inbegrip van de datum van indiening van de tussentijdse en de definitieve evaluatieverslagen, de beschrijving van de onafhankelijke instantie die de evaluatie zal uitvoeren of de criteria die zullen worden gebruikt voor de selectie ervan, en de nadere bepalingen om de evaluatie openbaar te maken;

10)

“brutosubsidie-equivalent”: de contante waarde van de steun gelijk aan wat die zou zijn indien de steun was verstrekt in de vorm van een subsidie aan de begunstigde van de steun, vóór belastingen of andere heffingen, zoals berekend op de datum van de toekenning van de steun of op de datum van de aanmelding van de steun aan de Autoriteit als die eerder is, op basis van het op die datum toepasselijke referentiepercentage;

11)

“horizontale regionale regeling voor exploitatiesteun”: een handeling op basis waarvan, zonder verdere uitvoeringsmaatregelen, individuele exploitatiesteun kan worden verleend aan ondernemingen die in de handeling op algemene en abstracte wijze worden gedefinieerd. Voor de toepassing van deze definitie kan een sectorale steunregeling niet worden beschouwd als een horizontale regeling voor exploitatiesteun;

12)

“individuele steun”: ad-hocsteun of aan te melden steun die aan individuele begunstigden wordt toegekend op grond van een steunregeling;

13)

“initiële investering”:

a)

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met een of meer van de volgende zaken:

de oprichting van een nieuwe vestiging;

de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande vestiging;

de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten (30) die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd, of

een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van de producten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft, of

b)

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen. De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering.

Een vervangingsinvestering vormt bijgevolg geen initiële investering;

14)

“initiële investering die leidt tot nieuwe economische activiteiten”:

a)

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met een of meer van de volgende zaken:

de oprichting van een nieuwe vestiging, of

de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend, of

b)

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen, op voorwaarde dat de met de overgenomen activa uit te oefenen nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan. De loutere verkrijging van de aandelen van een onderneming geldt niet als initiële investering die leidt tot een nieuwe economische activiteit;

15)

“immateriële activa”: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten;

16)

“banencreatie”: een nettoverhoging van het aantal werknemers in de betrokken vestiging ten opzichte van het gemiddelde over de twaalf voorgaande maanden, nadat van het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen alle arbeidsplaatsen die in deze periode verloren zijn gegaan, zijn afgetrokken, uitgedrukt in arbeidsjaareenheden;

17)

“grote onderneming”: een onderneming die niet voldoet aan de criteria om te worden beschouwd als een kmo overeenkomstig punt 28;

18)

“groot investeringsproject”: een initiële investering met in aanmerking komende kosten van meer dan 50 miljoen EUR;

19)

“maximale steunintensiteit”: de steunintensiteit zoals weerspiegeld in de regionalesteunkaarten bepaald in deel 7.4, met inbegrip van de verhoogde steunintensiteit voor kmo’s;

20)

“aantal werknemers”: het aantal arbeidsjaareenheden, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds in dienst zijnde werknemers, waarbij deeltijdarbeid en seizoenarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden worden uitgedrukt;

21)

[…] (31);

22)

“exploitatiesteun”: steun om de lopende uitgaven van een onderneming te verminderen, met inbegrip van categorieën zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur en administratie, maar met uitsluiting van afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze bij de toekenning van regionale investeringssteun zijn opgenomen in de in aanmerking komende kosten;

23)

“regionalesteunkaart”: de lijst met gebieden die een EER-EVA-staat heeft aangewezen in overeenstemming met de in deze richtsnoeren bepaalde voorwaarden en die door de Autoriteit is goedgekeurd;

24)

“verplaatsing”: een overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit (of een deel daarvan) van een vestiging in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst (initiële vestiging) naar de vestiging in een andere overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst waar de gesteunde investering plaatsvindt (gesteunde vestiging). Van een overbrenging is sprake indien het product in de initiële en in de gesteunde vestiging ten minste ten dele voor dezelfde doeleinden dient en aan de vragen of behoeften van hetzelfde type afnemers voldoet en voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit in een van de initiële vestigingen van de begunstigde van de steun in de EER banen verloren gaan;

25)

“dezelfde of vergelijkbare activiteit”: een activiteit die behoort tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2;

26)

“sectorale steunregeling”: een regeling die activiteiten omvat die binnen de werkingssfeer van minder dan vijf klassen (viercijferige code) van de statistische classificatie NACE Rev. 2 vallen;

27)

“één investeringsproject”: een initiële investering die verband houdt met een zelfde of soortgelijke activiteit die wordt gestart door de begunstigde van de steun op groepsniveau in een periode van drie jaar vanaf de aanvang van de werkzaamheden aan een andere gesteunde investering in hetzelfde statistische gebied op niveau 3 (32);

28)

“kleine en middelgrote ondernemingen” (kmo’s): ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de richtsnoeren van de Autoriteit van 19 april 2006 betreffende steun voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (33);

29)

“aanvang van de werkzaamheden”: hetzij de aanvang van de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de investering, hetzij de eerste, juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, als dat eerder is. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd. Bij overnames is de aanvang van de werkzaamheden de datum van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen vestiging verband houden;

30)

“dunbevolkte gebieden”: de gebieden die de betrokken EER-EVA-staat in overeenstemming met punt 169 heeft aangewezen;

31)

“materiële activa”: activa zoals gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting;

32)

“zeer dunbevolkte gebieden”: statistische gebieden op niveau 2 met minder dan acht inwoners/km2 of delen van dergelijke statistische gebieden die door de betrokken EER-EVA-staat in overeenstemming met punt 169 zijn aangewezen;

33)

“loonkosten”: het totale bedrag dat daadwerkelijk door de begunstigde van de steun ten aanzien van de betreffende werkgelegenheid moet worden betaald en dat het brutoloon vóór belastingen en de verplichte bijdragen (zoals sociale premies, kosten voor kinder- en ouderenzorg) over een bepaalde periode omvat.

3.   AAN TE MELDEN REGIONALE STEUN

20.

In principe moeten EER-EVA-staten regionale steun aanmelden overeenkomstig artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (“Protocol 3”), met uitzondering van maatregelen die voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in een groepsvrijstellingsverordening die met bijlage XV in de EER-overeenkomst is opgenomen (34).

21.

De Autoriteit zal deze richtsnoeren toepassen op aan te melden regionalesteunregelingen en op aan te melden individuele regionale steun.

22.

Voor individuele steun die in het kader van een aangemelde regeling wordt toegekend, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3 gelden als de uit alle bronnen verleende steun de in de algemene groepsvrijstellingsverordening (35) bepaalde individuele aanmeldingsdrempel voor regionale investeringssteun overschrijdt.

23.

Voor individuele steun die krachtens een aangemelde regeling wordt toegekend, blijft de verplichting tot aanmelding uit hoofde van artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3 gelden tenzij de begunstigde:

a)

heeft bevestigd dat hij in de twee jaar voorafgaand aan de steunaanvraag geen verplaatsing heeft uitgevoerd naar de vestiging waar de initiële investering moet plaatsvinden, en

b)

zich ertoe heeft verbonden die verplaatsing niet te doen gedurende een periode van maximaal twee jaar na de voltooiing van de initiële investering.

4.   IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN

4.1.   Investeringssteun

24.

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

1)

de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, of

2)

de geraamde loonkosten die voortvloeien uit banencreatie door een initiële investering, berekend over twee jaar, of

3)

een combinatie van een deel van de kosten bedoeld in punt 1 en punt 2, zonder evenwel het bedrag van punt 1 of dat van punt 2 als dat hoger is, te overschrijden.

25.

Als de in aanmerking komende kosten worden vastgesteld op basis van de investeringskosten in materiële en immateriële activa, komen enkel de kosten voor activa die deel uitmaken van de initiële investering in de vestiging van de begunstigde van de steun in het betrokken steungebied, in aanmerking.

26.

In afwijking van de voorwaarde in punt 25 kunnen de activa voor vendor tooling (36) worden opgenomen in de in aanmerking komende kosten van de onderneming die deze activa verwierf (of vervaardigde) als zij worden gebruikt gedurende de volledige periode waarin zij ten minste moeten worden behouden, namelijk vijf jaar voor grote ondernemingen en drie jaar voor kmo’s, voor een verwerkings- of assemblageactiviteit van de begunstigde van de steun die rechtstreeks verband houdt met een productieproces dat is gebaseerd op de gesteunde initiële investering van de begunstigde van de steun. Deze afwijking is van toepassing op voorwaarde dat de vestiging van de leverancier zich in een steungebied bevindt, de leverancier zelf geen regionale investeringssteun noch investeringssteun voor kmo’s overeenkomstig artikel 17 van de algemene groepsvrijstellingsverordening ontvangt voor de betrokken activa, en de steunintensiteit niet hoger is dan de relevante maximale steunintensiteit die van toepassing is op de vestigingsplaats van de leverancier. Elke aanpassing van de steunintensiteit voor grote investeringsprojecten is eveneens van toepassing op de berekende steun voor de kosten van de activa voor vendor tooling, die worden geacht deel uit te maken van de totale investeringskosten van de initiële investering.

4.1.1.   In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de investeringskosten

27.

De verworven activa moeten nieuw zijn, behalve voor kmo’s of voor de overname van een vestiging (37).

28.

Bij kmo’s kan maximaal 50 % van de kosten voor voorbereidende studies of consultancykosten met betrekking tot de investering als in aanmerking komende kosten worden beschouwd.

29.

Voor steun aan grote ondernemingen ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces moeten de in aanmerking komende kosten hoger liggen dan de in de drie voorgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa.

30.

Voor steun ten behoeve van de diversificatie van een bestaande vestiging moeten de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger liggen dan de boekwaarde van de activa die opnieuw worden gebruikt, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt.

31.

Kosten met betrekking tot de huur/leasing van materiële activa kunnen op de volgende voorwaarden in aanmerking worden genomen:

1)

voor gronden en gebouwen moet de huur na het verwachte tijdstip van de voltooiing van de investering ten minste vijf jaar blijven doorlopen in het geval van grote ondernemingen en drie jaar in het geval van kmo’s;

2)

voor de huur van installaties of machines moet de huur plaatsvinden in de vorm van leasing en moet deze voor de begunstigde van de steun een verplichting inhouden om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

32.

In het geval van een initiële investering als bedoeld in punt 19, 13) b), en punt 19, 14) b), mogen in principe alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking worden genomen. Als echter een familielid van de oorspronkelijke eigenaar, of een werknemer, een kleine onderneming overneemt, is de voorwaarde dat de activa moeten worden gekocht van derden die geen banden hebben met de koper, niet van toepassing. De transactie moet op marktvoorwaarden plaatsvinden. Indien de verwerving van de activa van een vestiging vergezeld gaat van een bijkomende, voor regionale steun in aanmerking komende investering, moeten de in aanmerking komende kosten van die aanvullende investering worden bijgeteld bij de kosten voor de verwerving van de activa van de vestiging.

33.

Voor grote ondernemingen komen de kosten van immateriële activa slechts in aanmerking tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor de initiële investering. Voor kmo’s komt 100 % van de kosten van immateriële activa in aanmerking.

34.

Immateriële activa die in aanmerking komen voor de berekening van de investeringskosten, moeten verbonden blijven met het betrokken steungebied en mogen niet naar andere gebieden worden overgebracht. Met het oog daarop moeten de immateriële activa voldoen aan de volgende voorwaarden:

1)

zij moeten uitsluitend in de steun ontvangende vestiging worden gebruikt;

2)

zij moeten kunnen worden afgeschreven;

3)

zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper;

4)

zij moeten worden opgenomen bij de activa van de onderneming die steun ontvangt en moeten gedurende ten minste vijf jaar (drie jaar voor kmo’s) verbonden blijven met het project waarvoor de steun wordt verleend.

4.1.2.   In aanmerking komende kosten, berekend op basis van de loonkosten

35.

Regionale steun kan ook worden berekend aan de hand van de geraamde loonkosten die ontstaan als gevolg van de door een initiële investering gecreëerde banen. De steun mag alleen de loonkosten in verband met de gecreëerde banen compenseren, berekend over twee jaren, en de daaruit volgende steunintensiteit mag de geldende maximale steunintensiteiten in het betrokken gebied niet overschrijden.

36.

Wanneer in aanmerking komende kosten worden berekend aan de hand van de geraamde loonkosten als bedoeld in punt 35, worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

1)

het investeringsproject moet leiden tot banencreatie;

2)

iedere arbeidsplaats moet binnen drie jaar na de voltooiing van de investering worden ingevuld;

3)

iedere via de investering gecreëerde arbeidsplaats moet binnen het betrokken gebied behouden blijven gedurende ten minste vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, of drie jaar voor kmo’s.

4.2.   Exploitatiesteun

37.

In aanmerking komende kosten voor regelingen voor exploitatiesteun moeten vooraf zijn bepaald en volledig toe te schrijven zijn aan de problemen die de steun moet aanpakken, zoals de EER-EVA-staat heeft aangetoond.

38.

[…].

5.   VERENIGBAARHEIDSBEOORDELING VAN REGIONALE STEUN

39.

De Autoriteit zal alleen oordelen dat een regionale steunmaatregel verenigbaar is met artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst als de steun bijdraagt aan regionale ontwikkeling en cohesie. De steun moet bedoeld zijn om de economische ontwikkeling van steungebieden onder a) te promoteren dan wel om de ontwikkeling van steungebieden onder c) te faciliteren (deel 5.1) en moet daarenboven voldoen aan elk van de volgende criteria:

1)

stimulerend effect: de steun moet het gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig veranderen dat zij een extra activiteit uitvoeren die zij zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of op een andere locatie zouden uitvoeren (deel 5.2);

2)

noodzaak van overheidsmaatregelen: een staatssteunmaatregel moet zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen of door iets te doen aan een rechtvaardigheids- of cohesieprobleem (deel 5.3);

3)

geschiktheid van de steunmaatregel: de voorgenomen steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling ervan te bereiken (deel 5.4);

4)

evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het minimum): het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de bijkomende investering of activiteit in het betrokken gebied (deel 5.5);

5)

vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen EER-Staten: de positieve effecten van de steun moeten opwegen tegen de negatieve effecten ervan op de mededinging en het handelsverkeer (deel 5.6);

6)

transparantie van de steun: de EER-staten, de Autoriteit, de marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en informatie over de verleende steun (deel 5.7).

40.

De volledige afwegingstoets kan voor bepaalde categorieën regelingen ook afhankelijk worden gesteld van de eis dat een evaluatie achteraf wordt uitgevoerd, zoals die in deel 6 van deze richtsnoeren wordt beschreven. In dergelijke gevallen kan de Autoriteit de looptijd van die regelingen beperken (in de regel tot vier jaar of minder), met een mogelijkheid om nadien de verlenging daarvan opnieuw aan te melden.

41.

Indien een steunmaatregel, de daaraan gekoppelde voorwaarden (zoals de financieringsmethode wanneer die integrerend deel uitmaakt van de staatssteunmaatregel) of de gefinancierde activiteit leiden tot een schending van het EER-recht, kan de steun niet met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar worden verklaard (38).

5.1.   Bijdrage aan regionale ontwikkeling en cohesie

42.

De voornaamste doelstelling van regionale steun is de economische ontwikkeling van achterstandsregio’s binnen de EER. Door de duurzame ontwikkeling van steungebieden te stimuleren en faciliteren verbetert de steun de economische en sociale cohesie door de verschillen in het ontwikkelingsniveau tussen gebieden weg te werken.

5.1.1.   Regelingen voor investeringssteun

43.

Regionalesteunregelingen moeten integrerend deel uitmaken van een regionale ontwikkelingsstrategie, met helder omschreven doelstellingen.

44.

EER-EVA-staten moeten aantonen dat de regeling in overeenstemming is met en bijdraagt tot de ontwikkelingsstrategie van het betrokken gebied. Daartoe kunnen de EER-EVA-staten verwijzen naar evaluaties van vroegere staatssteunregelingen, effectbeoordelingen uitgevoerd door steunverlenende autoriteiten of adviezen van deskundigen. Om te waarborgen dat de steunregeling aan de ontwikkelingsstrategie bijdraagt, moet de regeling een methode bevatten waarmee de steunverlenende autoriteiten prioriteiten kunnen stellen en de investeringsprojecten kunnen selecteren die beantwoorden aan de doelstellingen van de regeling (bijvoorbeeld met een puntensysteem).

45.

Regionalesteunregelingen kunnen in steungebieden onder a) worden opgezet om initiële investeringen van kmo’s of van grote ondernemingen te ondersteunen. In steungebieden onder c) kunnen zij worden opgezet voor het ondersteunen van initiële investeringen van kmo’s en voor initiële investeringen van grote ondernemingen die leiden tot nieuwe economische activiteiten.

46.

Wanneer krachtens een regeling steun aan individuele investeringsprojecten wordt toegekend, moet de steunverlenende autoriteit nagaan of het geselecteerde project zal bijdragen aan de doelstelling van de regeling, en zo aan de ontwikkelingsstrategie voor het betrokken gebied. Daarvoor zouden EER-EVA-staten moeten verwijzen naar de informatie die de steunaanvrager verschaft op het steunaanvraagformulier met een beschrijving van de positieve effecten van de investering op de ontwikkeling van het betrokken gebied (39).

47.

Om ervoor te zorgen dat de investering een reële en blijvende bijdrage levert aan de ontwikkeling van het betrokken gebied, moet de investering ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo’s, drie jaar na de voltooiing ervan in dat gebied behouden blijven (40).

48.

Om te garanderen dat de investering levensvatbaar is, moet de EER-EVA-staat ervoor zorgen dat de begunstigde van de steun een financiële bijdrage levert van ten minste 25 % (41) van de in aanmerking komende kosten — uit eigen middelen dan wel door externe financiering — in een vorm die vrij is van alle financiële steun van de overheid (42).

49.

Om te vermijden dat steunmaatregelen tot milieuschade zouden leiden, moeten de EER-EVA-staten ook de inachtneming van de milieuwetgeving van de EER borgen, met name door de verplichting op te nemen dat een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd wanneer de wet dit voorschrijft, en door erop toe te zien dat alle vereiste vergunningen worden verkregen.

5.1.2.   Aan te melden individuele investeringssteun

50.

Om aan te tonen dat aan te melden individuele investeringssteun bijdraagt tot de regionale ontwikkeling, kunnen EER-EVA-staten gebruikmaken van een uiteenlopende reeks indicatoren, zoals de onderstaande, die zowel direct kunnen zijn (bv. rechtstreekse banencreatie) als indirect (bv. lokale innovatie):

1)

het aantal directe arbeidsplaatsen dat door de investering wordt gecreëerd, is een belangrijke indicator van de bijdrage aan de regionale ontwikkeling en cohesie. Ook de kwaliteit en het blijvende karakter van de gecreëerde arbeidsplaatsen en de vereiste vaardigheden moeten in aanmerking worden genomen;

2)

in het lokale netwerk van (toe)leveranciers kan zelfs een groter aantal nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd, hetgeen helpt de investering beter in het betrokken gebied te integreren en zorgt voor bredere overloopeffecten. Het aantal gecreëerde indirecte arbeidsplaatsen is dus ook een indicator die in aanmerking moet worden genomen;

3)

een toezegging van de begunstigde van de steun om uitgebreide opleidingsactiviteiten te organiseren ter verbetering van de (algemene en specifieke) vaardigheden van zijn werknemers, zal in aanmerking worden genomen als een factor die bijdraagt tot regionale ontwikkeling en cohesie. De klemtoon zal voorts worden gelegd op het aanbieden van stages of praktijkstages, met name voor jongeren, en op opleiding waardoor de kennis en de inzetbaarheid van werknemers buiten de onderneming worden vergroot;

4)

externe schaalvoordelen of andere voordelen uit oogpunt van regionale ontwikkeling kunnen ontstaan dankzij geografische nabijheid (clustereffect). Door het ontstaan van ondernemingsclusters in dezelfde sector kunnen afzonderlijke bedrijven zich meer specialiseren, hetgeen tot meer efficiëntie leidt. Hoe zwaar deze indicator meeweegt bij het bepalen van de bijdrage aan de regionale ontwikkeling en territoriale cohesie, hangt af van de mate waarin het cluster ontwikkeld is;

5)

investeringen houden technische kennis in en kunnen de bron zijn van een aanzienlijke technologieoverdracht (kennisspillover). Investeringen in technologie-intensieve sectoren leiden doorgaans tot overdracht van technologie naar het betrokken gebied. In dit verband zijn ook de omvang en de specifieke aard van de kennisverspreiding van belang;

6)

ook de bijdrage van het project tot de mogelijkheden van het gebied om door middel van lokale innovatie nieuwe technologie te creëren, kan in aanmerking worden genomen. Samenwerking met lokale organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, zoals universiteiten en onderzoeksinstellingen, kunnen in dit verband als positief worden beschouwd;

7)

de looptijd van de investering en mogelijke toekomstige vervolginvesteringen zijn een aanwijzing voor een duurzame band van een onderneming met het betrokken gebied.

51.

De EER-EVA-staten kunnen zich baseren op het bedrijfsplan van de begunstigde van de steun, dat informatie kan opleveren over het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen, de betaalde lonen (verhoging van de koopkracht van huishoudens als overloopeffect), de volumes van de inkopen bij lokale producenten, en de omzet die door de investering wordt gegenereerd en die het gebied mogelijk ten goede komt door toegenomen belastinginkomsten.

52.

Voor aan te melden individuele investeringssteun gelden de in de punten 47 tot en met 49 bepaalde vereisten.

53.

Voor ad-hocsteun (43) moet de EER-EVA-staat niet alleen voldoen aan de voorwaarden in de punten 50 tot en met 52, maar ook aantonen dat het project aansluit bij en bijdraagt aan de ontwikkelingsstrategie van het betrokken gebied.

5.1.3.   Regelingen voor exploitatiesteun

54.

Regelingen voor exploitatiesteun bevorderen de ontwikkeling van steungebieden alleen indien de uitdagingen waarvoor deze gebieden staan, vooraf duidelijk zijn vastgesteld. De obstakels bij het aantrekken of behouden van economische activiteiten kunnen zo zwaar of zozeer van blijvende aard zijn dat investeringssteun op zich niet voldoende is om de ontwikkeling van die gebieden mogelijk te maken.

55.

Wat betreft steun om bepaalde specifieke moeilijkheden voor kmo’s in steungebieden onder a) te verminderen, moeten de EER-EVA-staten het bestaan en de omvang van die specifieke moeilijkheden aantonen en aantonen dat een regeling voor exploitatiesteun nodig is omdat die specifieke moeilijkheden niet kunnen worden overwonnen met investeringssteun.

56.

[…].

57.

Wat betreft exploitatiesteun om de ontvolking in dun- en zeer dunbevolkte gebieden te voorkomen of af te remmen, moeten de EER-EVA-staten aantonen dat er een risico op ontvolking van het betrokken gebied bestaat als de exploitatiesteun niet wordt verleend.

5.2.   Stimulerend effect

5.2.1.   Investeringssteun

58.

Regionale steun kan alleen verenigbaar worden verklaard met de werking van de EER-overeenkomst als hij een stimulerend effect heeft. Staatssteun wordt geacht een stimulerend effect te hebben als de steun het gedrag van een onderneming zodanig verandert dat deze meer aan de ontwikkeling van het gebied bijdragende activiteiten onderneemt, die zij niet, of alleen in beperktere mate, op een andere wijze of op een andere locatie zou hebben uitgevoerd als de steun niet zou zijn verleend. De steun mag niet de kosten subsidiëren van een activiteit die een onderneming sowieso zou verrichten en mag evenmin het normale zakelijke risico van een economische activiteit compenseren.

59.

Het stimulerende effect kan op twee manieren worden aangetoond:

1)

de steun is een prikkel om een positief besluit te nemen om te investeren in het betrokken gebied omdat anders de investering niet voldoende rendabel zou zijn voor de begunstigde van de steun elders in de EER (44) (scenario 1 — investeringsbesluit);

2)

de steun geeft een prikkel om een voorgenomen investering in het betrokken gebied — en niet elders — uit te voeren, doordat de steun de nettonadelen en -kosten van investeren in een vestiging in het betrokken gebied compenseert (scenario 2 — vestigingsbesluit).

60.

Indien de steun het gedrag van de begunstigde van de steun niet verandert door een (aanvullende) initiële investering in het betrokken gebied te stimuleren, mag worden aangenomen dat dezelfde investering zelfs zonder de steun in het gebied zou plaatsvinden. De steun heeft dus geen stimulerend effect voor het bereiken van de doelstelling van regionale ontwikkeling en cohesie en kan niet op grond van deze richtsnoeren met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar worden verklaard.

61.

Evenwel kan regionale steun die via fondsen in het kader van het cohesiebeleid in steungebieden onder a) wordt toegekend ten behoeve van investeringen die vereist zijn om normen te halen die in het EER-recht zijn vastgesteld, worden beschouwd als steun met een stimulerend effect, indien het, zonder de steun, voor de begunstigde van de steun onvoldoende winstgevend was geweest om de investering in het betrokken gebied uit te voeren, met sluiting van een bestaande vestiging in dat gebied tot gevolg.

5.2.1.1.   Regelingen voor investeringssteun

62.

Werkzaamheden aan een individuele investering kunnen pas van start gaan nadat het formulier voor het aanvragen van steun is ingediend.

63.

Indien de werkzaamheden van start gaan voordat het aanvraagformulier voor steun is ingediend, zal verleende steun ten behoeve van die individuele investering niet als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst worden beschouwd.

64.

EER-EVA-staten moeten een standaardformulier voor het aanvragen van steun indienen dat ten minste alle in bijlage VII bepaalde informatie bevat. Op dat aanvraagformulier moeten kmo’s en grote ondernemingen, aan de hand van een nulscenario (counterfactual), uitleggen wat er zou gebeuren als zij de steun niet zouden krijgen, met vermelding van het in punt 59 beschreven scenario dat van toepassing is.

65.

Daarnaast moeten grote ondernemingen ter staving van het in het aanvraagformulier beschreven nulscenario bewijsstukken verschaffen. Kmo’s vallen niet onder deze verplichting voor niet aan te melden steun die in het kader van een regeling wordt verleend.

66.

De steunverlenende autoriteit moet het nulscenario op zijn geloofwaardigheid toetsen en nagaan of regionale steun het vereiste stimulerende effect oplevert dat overeenstemt met een van de in punt 59 beschreven scenario’s. Een nulscenario is geloofwaardig indien het een reëel scenario betreft en verband houdt met factoren die meespeelden in de besluitvorming op de datum waarop de begunstigde van de steun het besluit nam ten aanzien van de investering.

5.2.1.2.   Aan te melden individuele investeringssteun

67.

EER-EVA-staten moeten niet alleen de voorwaarden van de punten 62 tot en met 66 in acht nemen, maar moeten voor aan te melden individuele steun ook duidelijk bewijsmateriaal overleggen dat de steun de keuze voor de investering of de locatie beïnvloedt (45). Zij moeten aangeven welke van de in punt 59 beschreven scenario’s van toepassing is. Om een omvattende beoordeling mogelijk te maken, moeten EER-EVA-staten niet alleen informatie over het project verstrekken, maar ook een uitgebreide beschrijving van het nulscenario waarin de begunstigde geen steun krijgt van een overheidsinstantie binnen de EER.

68.

In scenario 1 zouden EER-EVA-staten kunnen aantonen dat de steun een stimulerend effect heeft door documenten van de onderneming over te leggen waaruit blijkt dat de investering zonder de steun onvoldoende winstgevend zou zijn.

69.

In scenario 2 zouden EER-EVA-staten kunnen aantonen dat de steun een stimulerend effect heeft door documenten van de onderneming over te leggen waaruit blijkt dat er een vergelijking is gemaakt tussen de kosten en baten van vestiging in het betrokken gebied en die van vestiging in een ander gebied of in andere gebieden. De Autoriteit gaat na of deze vergelijkingen realistisch zijn.

70.

De EER-EVA-staten wordt gevraagd om zich te baseren op echte en officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen (onder meer een beoordeling van de locatiegebonden risico’s), financiële rapporten, interne businessplannen, adviezen van deskundigen en andere studies met betrekking tot het investeringsproject dat ter beoordeling voorligt. Deze documenten moeten stammen uit dezelfde periode als de besluitvorming over de investering of de locatie ervan. Documenten die informatie bevatten over vraagprognoses, kostenprognoses en financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité zijn overgelegd en waarin verschillende investeringsscenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen zijn verstrekt, kunnen de EER-EVA-staten helpen om het stimulerende effect aan te tonen.

71.

In dat verband, en met name in scenario 1, kan de rentabiliteit worden beoordeeld aan de hand van methoden die in de betrokken sector gebruikelijk zijn, zoals methoden om de netto contante waarde (NPV) (46) van het project, de interne opbrengstvoet (IRR) (47) of de gemiddelde Return on Capital Employed (ROCE) vast te stellen. De winstgevendheid van het project moet worden vergeleken met normale rendementspercentages die de begunstigde hanteert bij andere vergelijkbare investeringsprojecten. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, moet de winstgevendheid van het project worden vergeleken met de kapitaalkosten van de begunstigde als geheel of met de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector zijn waar te nemen.

72.

Indien de steun het gedrag van de begunstigde van de steun niet verandert door aan te zetten tot (aanvullende) investeringen in het gebied, is er geen sprake van een positief effect voor dat gebied. Bijgevolg zal steun niet als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst worden beschouwd als blijkt dat dezelfde investering in het gebied zou hebben plaatsgevonden zelfs zonder dat de steun was verleend.

5.2.2.   Regelingen voor exploitatiesteun

73.

Bij regelingen voor exploitatiesteun zal de steun geacht worden een stimulerend effect te hebben als mag worden verwacht dat, zonder de steun, het niveau van de economische activiteit in het betrokken gebied aanzienlijk zou zijn afgenomen als gevolg van de problemen die de steun wil aanpakken.

74.

Daarom zal de Autoriteit ervan uitgaan dat de exploitatiesteun aanzet tot verdere economische activiteiten in het gebied als de EER-EVA-staat het bestaan en de substantiële omvang van die problemen in dat gebied heeft aangetoond (zie de punten 54 tot en met 57).

5.3.   Noodzaak van overheidsmaatregelen

75.

Om te beoordelen of staatssteun noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling van regionale ontwikkeling en cohesie, moet er eerst een diagnose van het probleem worden gesteld. Staatssteun moet gericht zijn op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt niet tot stand kan brengen. Dit is met name van belang in een context van schaarse publieke middelen.

76.

Staatssteunmaatregelen kunnen onder bepaalde voorwaarden marktfalen corrigeren en zodoende bijdragen tot het doelmatige functioneren van de markten en het versterken van het concurrentievermogen. Wanneer de markten doeltreffende resultaten opleveren die echter uit oogpunt van rechtvaardigheid of cohesie onbevredigend worden geacht, kan staatssteun worden gebruikt om tot meer gewenste, rechtvaardigere marktuitkomsten te komen.

77.

Wat betreft steun ten behoeve van de ontwikkeling van gebieden die op de regionalesteunkaart zijn opgenomen overeenkomstig de in deel 7 van deze richtsnoeren bepaalde regels, is de Autoriteit van mening dat in deze gebieden de markt zonder overheidsmaatregelen geen resultaten oplevert die in voldoende mate bijdragen tot de economische ontwikkeling en de cohesie. Bijgevolg wordt de in deze gebieden verleende steun als noodzakelijk beschouwd.

5.4.   Regionale steun als geschikt instrument

78.

De steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de betrokken beleidsdoelstelling te helpen bereiken. Een steunmaatregel zal alleen als verenigbaar worden beschouwd indien dezelfde positieve bijdrage aan regionale ontwikkeling en cohesie niet met andere, minder verstorende beleidsinstrumenten of andere, minder verstorende soorten steuninstrumenten kan worden geleverd.

5.4.1.   Een geschikt instrument in vergelijking met mogelijke andere beleidsinstrumenten

5.4.1.1.   Investeringssteun

79.

Regionale investeringssteun is niet het enige beleidsinstrument waarover de EER-EVA-staten beschikken om investeringen en de creatie van banen in steungebieden te stimuleren. De EER-EVA-staten kunnen ook andere maatregelen gebruiken, zoals de uitbouw van infrastructuur, de verbetering van de kwaliteit van onderwijs en opleiding, of de verbetering van het ondernemingsklimaat.

80.

Bij de aanmelding van een investeringssteunregeling moeten de EER-EVA-staten aangeven waarom regionale steun een geschikt instrument is om het gebied te helpen ontwikkelen.

81.

Indien een EER-EVA-staat besluit een sectorale steunregeling uit te werken, moet hij aantonen wat de voordelen daarvan zijn vergeleken met een multisectoriële regeling of andere beleidsopties.

82.

De Autoriteit zal met name rekening houden met effectbeoordelingen die de EER-EVA-staten voor de voorgenomen steunregeling beschikbaar stellen. Zij kan eveneens rekening houden met de uitkomsten van evaluaties achteraf als beschreven in deel 6 om het passende karakter van de voorgenomen regeling te beoordelen.

83.

In het geval van ad-hocinvesteringssteun moeten EER-EVA-staten aantonen hoe de steun beter kan bijdragen aan de ontwikkeling van een gebied dan steun via een regeling of andere soorten maatregelen.

5.4.1.2.   Regelingen voor exploitatiesteun

84.

EER-EVA-staten moeten aantonen dat de steun geschikt is om de doelstelling van de regeling te behalen wat betreft de problemen waarvoor de steun een oplossing wil bieden. Om aan te tonen dat de steun geschikt is, kunnen EER-EVA-staten het steunbedrag vooraf berekenen als een vast bedrag dat de over een bepaalde periode verwachte bijkomende kosten dekt, om zo ondernemingen te stimuleren hun kosten onder controle te houden en hun bedrijfsactiviteiten op termijn doelmatiger te laten verlopen (48).

5.4.2.   Een geschikt instrument in vergelijking met andere steuninstrumenten

85.

Regionale steun kan in meerdere vormen worden toegekend. De EER-EVA-staten moeten er echter voor zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm die naar verwachting het minste risico op verstoringen van het handelsverkeer en de mededinging oplevert. Indien de steun wordt toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert (bv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen, of de terbeschikkingstelling van gronden, goederen of diensten tegen voordelige prijzen), moeten de EER-EVA-staten aantonen waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of steun die gebaseerd is op schuld- of vermogensinstrumenten (bv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties, de verwerving van een belang of een andere vorm van kapitaalinjectie tegen gunstige voorwaarden), niet geschikt zijn.

86.

De uitkomsten van evaluaties achteraf als beschreven in deel 6 kunnen mee in rekening worden genomen om het passende karakter van het voorgenomen steuninstrument te beoordelen.

5.5.   Evenredigheid van het steunbedrag (steun beperken tot het minimum)

5.5.1.   Investeringssteun

87.

Bij regionale steun moet het steunbedrag beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om bijkomende investeringen of activiteiten in het betrokken gebied te stimuleren.

88.

Om de voorspelbaarheid en een gelijk speelveld te verzekeren, past de Autoriteit voor investeringssteun maximale steunintensiteiten (49) toe.

89.

Voor een initieel investeringsproject moeten de maximale steunintensiteit en het maximale steunbedrag (50) (bijgestelde steunbedrag (51) en de daarmee samenhangende verlaagde steunintensiteit voor een groot investeringsproject) worden berekend door de steunverlenende autoriteit bij de toekenning van de steun of bij de aanmelding van de steun bij de Autoriteit, als dat eerder is.

90.

Aangezien grote investeringsprojecten waarschijnlijk tot grotere verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer zullen leiden, mag het steunbedrag voor deze projecten het bijgestelde steunbedrag niet overschrijden.

91.

Als de initiële investering deel uitmaakt van één investeringsproject dat bovendien een groot investeringsproject is, mag het steunbedrag voor dat investeringsproject het bijgestelde steunbedrag niet overschrijden. De wisselkoers en de disconteringsvoet die voor de toepassing van deze regel moeten worden gebruikt, zijn degene die van toepassing zijn op de datum waarop de steun wordt verleend aan het eerste project van dat éne investeringsproject.

92.

De maximale steunintensiteiten dienen een dubbel doel.

93.

In de eerste plaats dienen deze maximale steunintensiteiten bij aan te melden regelingen als safe-harbours voor kmo’s: als de steunintensiteit onder het toegestane maximum blijft, wordt de steun geacht evenredig te zijn.

94.

In de tweede plaats worden in alle andere gevallen de maximale steunintensiteiten gebruikt als een plafond voor de in de punten 95 tot en met 97 beschreven nettomeerkosten.

95.

Als algemene regel zal de Autoriteit individueel aan te melden steun als tot het minimum beperkt beschouwen indien het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van het investeren in het betrokken gebied vergeleken met het nulscenario waarin er geen steun wordt verleend (52), met de maximale steunintensiteiten als plafond. Ook moeten EER-EVA-staten voor investeringssteun die in het kader van een aan te melden regeling aan grote ondernemingen wordt toegekend, ervoor zorgen dat het steunbedrag tot het minimum beperkt blijft, op basis van een “nettomeerkosten”-benadering, met de maximale steunintensiteiten als plafond.

96.

In situaties die onder scenario 1 (investeringsbesluiten) vallen, mag het steunbedrag dus niet hoger uitkomen dan het minimum dat noodzakelijk is om het project voldoende winstgevend te maken, bijvoorbeeld om de interne opbrengstvoet ervan te doen toenemen tot boven het normale percentage dat de onderneming hanteert bij andere vergelijkbare investeringsprojecten of, wanneer die beschikbaar zijn, om de interne opbrengstvoet ervan te doen toenemen tot boven de kapitaalkosten van de begunstigde als geheel of tot boven de rendementspercentages die doorgaans in de sector worden bereikt.

97.

In situaties uit scenario 2 (vestigingsprikkels) mag het steunbedrag niet hoger uitkomen dan het verschil tussen de netto contante waarde van de investering in het doelgebied en de netto contante waarde op de alternatieve locatie. Daarbij moeten alle betrokken kosten en baten in aanmerking worden genomen — dus bijvoorbeeld ook administratieve kosten, vervoerskosten, opleidingskosten die niet worden gedekt door opleidingssteun, en loonverschillen. Als de alternatieve locatie echter binnen de EER gelegen is, mogen subsidies op die locatie niet in aanmerking worden genomen.

98.

Berekeningen die voor het analyseren van het stimulerende effect zijn gebruikt, kunnen ook worden gebruikt om na te gaan of de steun evenredig is. EER-EVA-staten moeten de evenredigheid aantonen met documenten als bedoeld in punt 70.

99.

Investeringssteun mag gelijktijdig op grond van meerdere regionalesteunregelingen worden toegekend of mag worden gecumuleerd met ad hoc regionale steun, op voorwaarde dat de totale steun uit alle bronnen niet méér bedraagt dan de maximale steunintensiteit per project die vooraf moet worden berekend door de eerste steunverlenende autoriteit. Andere staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, geheel of gedeeltelijk overlappend, mag alleen worden gecumuleerd als dat niet leidt tot het overschrijden van de hoogste steunintensiteit of het toepasselijke steunbedrag voor deze steun in het kader van de toepasselijke thematische regels. Zowel bij de toekenning van de steun als bij de betaling ervan moet een controle op de cumulatie worden uitgevoerd (53). Als de EER-EVA-staat toestaat dat staatssteun in het kader van een regeling wordt gecumuleerd met staatssteun in het kader van andere regelingen, moet hij voor iedere regeling de methode vermelden op grond waarvan hij zal toezien op de naleving van de in dit punt gestelde voorwaarden.

100.

Voor een initiële investering die verband houdt met projecten in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC) die voldoen aan de criteria van de verordening betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) (54), zal de steunintensiteit die van toepassing is op het steungebied waarin de initiële investering is gevestigd, gelden voor alle begunstigden die aan het project deelnemen. Indien de initiële investering in twee of meer steungebieden is gevestigd, is de maximale steunintensiteit voor de initiële investering de intensiteit die van toepassing is in het steungebied waar het grootste deel van de in aanmerking komende kosten wordt gemaakt. Initiële investeringen die grote ondernemingen in steungebieden onder c) uitvoeren, kunnen alleen regionale steun in het kader van ETC-projecten krijgen indien het gaat om initiële investeringen ten behoeve van een nieuwe economische activiteit.

5.5.2.   Regelingen voor exploitatiesteun

101.

EER-EVA-staten moeten aantonen dat het steunvolume evenredig is met de problemen die de steun wil verhelpen.

102.

EER-EVA-staten moeten met name aan de volgende voorwaarden voldoen:

1)

de steun moet worden berekend ten opzichte van een vooraf bepaalde reeks in aanmerking komende kosten die volledig toe te schrijven zijn aan de problemen die de steun wil aanpakken, zoals door de EER-EVA-staat is aangetoond;

2)

de steun moet beperkt zijn tot een bepaalde verhouding van deze vooraf bepaalde reeks in aanmerking komende kosten en bedraagt niet meer dan deze kosten;

3)

het steunbedrag per begunstigde van de steun moet evenredig zijn aan de omvang van de problemen die iedere begunstigde van de steun daadwerkelijk ondervindt.

103.

Wat betreft steun om bepaalde specifieke moeilijkheden te verminderen waarmee kmo’s in steungebieden onder a) te maken krijgen, moet het steunvolume geleidelijk worden verminderd over de looptijd van de regeling (55). Dat geldt niet voor regelingen om ontvolking in dunbevolkte en zeer dunbevolkte gebieden te voorkomen.

5.6.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

104.

Wil de steun verenigbaar zijn, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel in termen van mededingingsdistorsies en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen EER-staten beperkt zijn en niet zoveel zwaarder doorwegen dan de positieve effecten dat de doelstellingen van gemeenschappelijk belang erdoor worden geschaad.

5.6.1.   Algemene overwegingen

105.

Bij de volledige afweging van de positieve effecten van de steun (deel 5.1) tegen de negatieve effecten ervan op mededinging en handelsverkeer kan de Autoriteit indien nodig rekening houden met de omstandigheid dat de steun niet alleen bijdraagt aan regionale ontwikkeling en cohesie, maar ook andere positieve effecten heeft. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als wordt vastgesteld dat de initiële investering niet alleen lokale banen schept, nieuwe activiteiten introduceert en/of lokale inkomsten genereert, maar ook een aanzienlijke bijdrage levert aan de digitale transitie of de transitie naar ecologisch duurzame activiteiten, waaronder koolstofarme, klimaatneutrale of klimaatbestendige activiteiten. De Autoriteit zal met name rekening houden met artikel 3 van de taxonomieverordening (Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (56), met inbegrip van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen aan” of andere vergelijkbare methoden. Daarnaast kan de Autoriteit, als onderdeel van de beoordeling van de negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer, waar nodig ook rekening houden met negatieve externaliteiten van de gesteunde activiteit als dergelijke externaliteiten een dusdanig negatief effect hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen EER-staten dat dit het gemeenschappelijke belang schaadt door marktinefficiënties te creëren of te verergeren (57).

106.

Wat de negatieve effecten betreft kan regionale steun leiden tot twee soorten mogelijke verstoring van de mededinging en het handelsverkeer, namelijk verstoringen van productmarkten en locatiegebonden effecten. Beide soorten verstoringen kunnen leiden tot allocatieve inefficiëntie (die de economische slagkracht van de interne markt aantasten) en spreidingsproblemen (verdeling van economische activiteiten over de verschillende gebieden).

107.

Een van de mogelijke schadelijke effecten van staatssteun is dat de markt niet voor efficiënte uitkomsten kan zorgen door de meest doelmatige producenten te belonen en de minst doelmatige producenten onder druk te zetten om te verbeteren, te herstructureren of de markt te verlaten. Staatssteun die leidt tot een aanzienlijke capaciteitstoename in een achterblijvende markt kan de mededinging buitensporig verstoren, omdat de totstandbrenging of instandhouding van overcapaciteit kan resulteren in een uitholling van de winstmarges, een vermindering van investeringen door concurrenten of zelfs de terugtreding van die concurrenten uit de markt. Dit kan leiden tot een situatie waarbij concurrerende ondernemingen die anders op de markt zouden kunnen concurreren, gedwongen worden de markt te verlaten. Een en ander kan ook beletten dat ondernemingen de markt betreden of daar uitbreiden en kan de prikkels voor concurrenten om te innoveren, verzwakken. Dit kan resulteren in ondoelmatige marktstructuren die op lange termijn ook nadelig zijn voor de consumenten. De beschikbaarheid van steun kan mogelijke begunstigden ook aanzetten tot zelfgenoegzaamheid of overdreven risicovol gedrag. Het langetermijneffect op de algemene prestaties van de sector is waarschijnlijk negatief.

108.

Steun kan ook verstorende effecten hebben waar het gaat om het vergroten of behouden van aanzienlijke marktmacht van de begunstigde van de steun. Zelfs wanneer steun niet rechtstreeks aanzienlijke marktmacht versterkt, kan dit onrechtstreeks gebeuren, doordat de steun bestaande concurrenten ontmoedigt om uit te breiden waardoor zij de markt verlaten, of de markttoetreding van nieuwe concurrenten ontmoedigt.

109.

Naast verstoringen op de productmarkten kan regionale steun, naar zijn aard, ook de vestiging van economische activiteiten ongunstig beïnvloeden. Wanneer een gebied dankzij de steun een investering aantrekt, loopt een ander gebied die kans mis. Deze negatieve effecten in de door de steun ongunstig beïnvloede gebieden is voelbaar door het verlies aan economische activiteiten en door banenverlies, ook bij toeleveranciers. Negatieve effecten zijn ook voelbaar door misgelopen positieve externaliteiten (zoals het clustereffect, kennisspillover, onderwijs en opleiding).

110.

Regionale steun valt door de geografische specificiteit ervan te onderscheiden van andere vormen van horizontale steun. Een specifiek kenmerk van regionale steun is dat deze tot doel heeft de keuze van investeerders te beïnvloeden met betrekking tot de keuze van de locatie van investeringsprojecten. Wanneer regionale steun de bijkomende kosten compenseert die het gevolg zijn van de regionale beperkingen, en aanvullende investeringen in steungebieden stimuleert zonder deze weg te trekken uit andere gelijk of minder ontwikkelde steungebieden, draagt deze niet alleen bij aan de ontwikkeling van het gebied maar ook aan de cohesie en komt hij uiteindelijk de gehele EER ten goede. De potentieel negatieve locatiegebonden effecten van regionale steun worden reeds tot op zekere hoogte beperkt door de regionalesteunkaarten waarop de gebieden waar regionale steun mag worden verleend, zijn afgebakend, overeenkomstig de beleidsdoelstellingen inzake regionale economische ontwikkeling en cohesie, en door de maximaal toegestane steunintensiteiten. Toch blijft begrijpen wat er zonder de steunverlening zou zijn gebeurd, belangrijk om een beoordeling te kunnen maken van de impact van de steun op de ontwikkeling van het gebied en op de cohesie.

5.6.2.   Duidelijk negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

111.

De Autoriteit onderscheidt een aantal omstandigheden waarin de negatieve effecten van regionale investeringssteun voor de mededinging en het handelsverkeer tussen EER-staten duidelijk zwaarder wegen dan eventuele positieve effecten, waardoor het weinig waarschijnlijk is dat de steun met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar wordt verklaard.

5.6.2.1.   Creëren van overcapaciteit op een markt die structureel krimpt

112.

Zoals wordt opgemerkt in punt 107 houdt de Autoriteit, om de negatieve effecten van de steun te beoordelen, rekening met de bijkomende productiecapaciteit die door het project wordt gecreëerd als de markt achterblijft.

113.

Wanneer investeringen die de productiecapaciteit op een markt vergroten, met staatssteun mogelijk worden gemaakt, bestaat het risico dat dit de productie of investeringen in andere gebieden van de EER ongunstig beïnvloedt. Dat is met name waarschijnlijk wanneer de capaciteitsverhoging groter is dan de groei van de markt of plaatsvindt in een markt met overcapaciteit.

114.

Als de investering leidt tot het ontstaan of vergroten van overcapaciteit op een markt die structureel in absolute achteruitgang is (d.w.z. de markt is krimpend) (58), meent de Autoriteit dat de steun een negatief effect heeft dat weinig kans maakt om door positieve effecten te worden gecompenseerd. Dit geldt met name voor scenario 1-situaties (investeringsbesluiten).

115.

Voor scenario 2-situaties (vestigingsbesluiten) waar de investering in elk geval op dezelfde geografische markt zou plaatsvinden, of uitzonderlijk op een verschillende geografische markt waar de verkoop echter op dezelfde geografische markt gericht is, beïnvloedt de steun alleen het vestigingsbesluit op voorwaarde dat hij beperkt blijft tot het minimum dat nodig is om het vestigingsbesluit te wijzigen en de begunstigde van de steun geen bijkomende liquiditeit verstrekt. In deze situatie zou de investering bijkomende capaciteit toevoegen op de gegeven geografische markt, los van de steun. Dan zouden mogelijke resultaten in termen van overcapaciteit in principe dezelfde zijn ongeacht de steun. Als de alternatieve investeringslocatie zich in een andere geografische markt bevindt, en de steun leidt tot de creatie van overcapaciteit in een markt die in absolute cijfers krimpend is, zijn de conclusies van punt 114 van toepassing.

5.6.2.2.   Cohesieverstorende effecten

116.

Zoals wordt opgemerkt in de punten 109 en 110 moet de Autoriteit rekening houden met de gevolgen voor de locatie van de economische activiteit om de negatieve effecten van de steun te beoordelen.

117.

In scenario 2-situaties (vestigingsbesluiten), waar de investering, zonder de steun, was gevestigd in een gebied met een hogere of dezelfde regionalesteunintensiteit (59) als het doelgebied, vormt dit een negatief effect dat waarschijnlijk niet kan worden gecompenseerd door positieve effecten omdat dit ingaat tegen de redenen waarom precies regionale steun wordt verleend.

5.6.2.3.   Verplaatsing

118.

Wanneer de Autoriteit aan te melden maatregelen beoordeelt, zal zij om alle nodige informatie verzoeken, om te kunnen vaststellen of de staatssteun op bestaande locaties binnen de EER waarschijnlijk tot een substantieel verlies aan banen zou leiden. In deze situatie en als de investering de begunstigde van de steun in staat stelt een activiteit naar het doelgebied te verplaatsen, zal, indien er een oorzakelijk verband tussen de steun en de verplaatsing van activiteiten bestaat, een en ander een negatief effect zijn dat waarschijnlijk niet door positieve effecten kan worden gecompenseerd.

5.6.3.   Regelingen voor investeringssteun

119.

Regelingen voor investeringssteun mogen geen significante verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer opleveren. Met name kunnen regelingen, zelfs wanneer verstoringen op een individueel niveau als beperkt kunnen worden beschouwd (mits alle voorwaarden voor investeringssteun zijn vervuld), op cumulatieve basis nog steeds leiden tot sterke niveaus van verstoring. Dit soort verstoringen kan invloed hebben op afzetmarkten doordat een situatie van overcapaciteit wordt gecreëerd of versterkt of doordat aanzienlijke marktmacht van een aantal begunstigden ontstaat, wordt versterkt of in stand gehouden zodat dit de dynamische prikkels negatief beïnvloedt. Steun in het kader van regelingen kan ook leiden tot een aanzienlijk verlies aan economische activiteiten in andere gebieden van de EER. Als een regeling op bepaalde sectoren is gericht, is het risico op dit soort verstoringen nog meer uitgesproken.

120.

Daarom moeten de EER-EVA-staten aantonen dat deze negatieve effecten tot het minimum beperkt zullen zijn, rekening houdende met bijvoorbeeld de omvang van de projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, de verwachte begunstigden en de kenmerken van de beoogde sectoren. Opdat de Autoriteit de te verwachten negatieve effecten kan beoordelen, kunnen EER-EVA-staten alle beschikbare effectbeoordelingen en evaluaties achteraf die zijn uitgevoerd voor vergelijkbare voorgaande regelingen, indienen.

121.

Wanneer in het kader van een regeling steun wordt toegekend aan individuele projecten, moet de steunverlenende autoriteit nagaan of en bevestigen dat de steun geen duidelijk negatieve effecten oplevert die in de punten 111 tot en met 118 worden beschreven. Deze controle kan gebeuren op basis van de bij de steunaanvraag van de begunstigde van de steun ontvangen informatie en de verklaring in het standaardformulier voor het aanvragen van steun waarop de alternatieve locatie voor het geval dat de steun niet wordt verleend, moet worden vermeld.

5.6.4.   Aan te melden individuele investeringssteun

122.

Bij het beoordelen van de negatieve effecten van individuele steun maakt de Autoriteit een onderscheid tussen de twee nulscenario’s zoals die in de punten 96 en 97 worden beschreven.

5.6.4.1.   Scenario 1-situaties (investeringsbesluit)

123.

In scenario 1-situaties legt de Autoriteit bijzondere nadruk op de negatieve effecten met betrekking tot de opbouw van overcapaciteit in krimpende markten, het beletten van marktuittreding en het begrip aanzienlijke marktmacht. Deze negatieve effecten worden in de punten 124 tot en met 133 beschreven, en de positieve effecten van de steun moeten daartegen opwegen. Indien echter komt vast te staan dat de steun de duidelijk negatieve effecten zou opleveren die in punt 114 worden beschreven, is het weinig waarschijnlijk dat de steun zal worden gecompenseerd door positieve effecten en met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar wordt verklaard.

124.

Om de potentiële verstoring van de mededinging en het handelsverkeer te bepalen en beoordelen, moeten de EER-EVA-staten bewijsmateriaal verschaffen waarmee de Autoriteit de betrokken productmarkten kan afbakenen (producten die beïnvloed worden door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun) en de getroffen concurrenten en afnemers/consumenten kan identificeren. Het betrokken product is in de regel het product waarop het investeringsproject betrekking heeft (60). Heeft het project betrekking op een tussenproduct en wordt een aanzienlijk deel van productie niet op de markt afgezet, dan kan het betrokken product het downstreamproduct zijn. De relevante productmarkt omvat het betrokken product en daarmee substitueerbare producten die als dusdanig worden beschouwd hetzij door de consument (wegens de kenmerken van het product, de prijs of het gebruik waarvoor het is bestemd), hetzij door de producent (wegens de flexibiliteit van de productie-installaties).

125.

De Autoriteit zal meerdere criteria hanteren om deze mogelijke verstoringen te beoordelen, zoals de marktstructuur voor het betrokken product, de prestaties van de markt (krimpende of groeiende markt), de procedure voor de selectie van de begunstigde van de steun, drempels voor toetreding en uittreding, en productdifferentiatie.

126.

Het feit dat een onderneming stelselmatig een beroep moet doen op staatssteun, kan een aanwijzing zijn dat de onderneming niet op eigen kracht de concurrentie het hoofd kan bieden of dat zij onterechte voordelen geniet ten opzichte van haar concurrenten.

127.

De Autoriteit onderscheidt twee belangrijke bronnen van mogelijke negatieve effecten op productmarkten:

1)

gevallen van capaciteitsverhoging die leidt tot een situatie van overcapaciteit of die een bestaande situatie van overcapaciteit verergert, met name in een krimpende markt;

2)

gevallen waarin de begunstigde van de steun aanzienlijke marktmacht heeft.

128.

Om te beoordelen of de steun kan worden benut voor het creëren of in stand houden van ondoelmatige marktstructuren, zal de Autoriteit rekening houden met de bijkomende productiecapaciteit die door het project wordt gecreëerd en gaat zij na of het een achterblijvende markt betreft.

129.

Wanneer de betrokken markt groeit, is er doorgaans minder reden voor bezorgdheid dat de steun dynamische prikkels ongunstig zal beïnvloeden of het verlaten van of de toetreding tot de markt sterk zal belemmeren.

130.

Meer bezorgdheid is geboden wanneer markten krimpen. De Autoriteit maakt een onderscheid tussen de gevallen waarin de markt, op lange termijn beschouwd, structureel krimpt, en de gevallen waarin de betrokken markt relatief krimpt (d.w.z. nog wel groeit, maar een benchmarkgroeipercentage niet overschrijdt).

131.

Of een markt ontoereikend presteert, wordt in de regel gemeten door een vergelijking te maken met het bbp van de EER in de drie jaar die voorafgaan aan de aanvang van het project (benchmarkpercentage). Om dit te meten kan ook worden gebruikgemaakt van groeiprognoses voor de volgende drie tot vijf jaar. Mogelijke indicatoren daarbij zijn de verwachte toekomstige groei van de desbetreffende markt, de hieruit voortvloeiende verwachte capaciteitsbenuttingspercentages, en de waarschijnlijke invloed van de capaciteitstoename op concurrenten wat betreft prijzen en winstmarges.

132.

In sommige gevallen is de groei van de EER-productmarkt misschien niet de geschikte maatstaf om alle effecten van de steun te kunnen beoordelen, met name indien de geografische markt mondiaal is. In dergelijke gevallen zal de Autoriteit kijken naar het effect van de steun op de betrokken marktstructuren, met name het potentieel ervan om producenten in de EER uit de markt te drukken.

133.

Bij haar beoordeling van de vraag of er aanzienlijke marktmacht bestaat, zal de Autoriteit rekening houden met de positie van de begunstigde van de steun gedurende een periode voordat deze steun ontvangt, en de verwachte marktpositie nadat de investering is voltooid. De Autoriteit zal rekening houden met marktaandelen van de begunstigde van de steun, maar ook de marktaandelen van diens concurrenten en andere relevante factoren. Zij zal bijvoorbeeld de marktstructuur beoordelen door te kijken naar de concentratie op de markt, mogelijke toegangsbelemmeringen (61), kopersmacht (62) en drempels voor groei op de markt of voor het verlaten van de markt.

5.6.4.2.   Scenario 2-situaties (vestigingsbesluit)

134.

Indien uit de analyse van het nulscenario blijkt dat de investering zonder de steun op een andere locatie had plaatsgevonden (scenario 2) in dezelfde geografische markt voor het betrokken product, en indien de steun evenredig is, is de uitkomst in termen van overcapaciteit of aanzienlijke marktmacht in beginsel waarschijnlijk dezelfde zijn, ongeacht of steun wordt toegekend. In die gevallen zullen de positieve effecten van de steun waarschijnlijk opwegen tegen de beperkte negatieve effecten op de mededinging. Wanneer de alternatieve locatie echter in de EER ligt, zijn vooral de aan de alternatieve locatie verbonden negatieve effecten een punt van zorg voor de Autoriteit. Daarom kan de steun, indien deze duidelijk negatieve effecten oplevert zoals die in punten 117 en 118 zijn beschreven, niet met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar worden verklaard omdat het weinig waarschijnlijk is dat deze door positieve effecten zal worden gecompenseerd.

5.6.5.   Regelingen voor exploitatiesteun

135.

Indien de steun noodzakelijk is en evenredig voor het behalen van de bijdrage aan de in deel 5.1.3 beschreven regionale ontwikkeling en cohesie, kan worden verwacht dat de negatieve effecten van de steun voor de mededinging en het handelsverkeer tussen EER-staten worden gecompenseerd door de positieve effecten ervan. In sommige gevallen kan de steun echter leiden tot veranderingen van de marktstructuur of de kenmerken van een sector of bedrijfstak die de mededinging aanzienlijk kan verstoren door drempels voor marktoetreding of -uittreding, substitutie-effecten of de verplaatsing van handelsstromen. In die gevallen valt niet te verwachten dat de negatieve effecten worden gecompenseerd door positieve effecten.

5.7.   Transparantie

136.

De EER-EVA-staten moeten zorgen voor de bekendmaking van de volgende informatie in de “transparency award module” (63) van de Europese Commissie of op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau:

1)

de volledige tekst van het besluit tot individuele steunverlening of de goedgekeurde steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor, of een link daarnaar;

2)

informatie over elke individuele steun die is verleend ter waarde van meer van 100 000 EUR, aan de hand van de in bijlage VIII opgenomen structuur.

137.

Wat betreft steun voor ETC-projecten moet de in punt 136 bedoelde informatie worden geplaatst op de website van de EER-staat waarin de betrokken managementautoriteit (64) is gevestigd. De deelnemende EER-staten kunnen echter beslissen dat elk van hen de informatie over de steunmaatregelen op zijn grondgebied moet verschaffen op de respectieve websites.

138.

De EER-EVA-staten zetten hun uitgebreide staatssteunwebsites als bedoeld in punt 136 zodanig op dat die informatie gemakkelijk toegankelijk is. Informatie moet worden gepubliceerd in een open spreadsheetformaat waarmee de gegevens effectief kunnen worden doorzocht, opgehaald, gedownload en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bv. in CSV- of XML-formaat. Het algemene publiek moet toegang krijgen tot deze website zonder beperkingen, dus ook zonder zich vooraf te moeten registreren.

139.

Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen worden de in punt 136, 2), vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld als de EER-EVA-staten de vereiste informatie over individuele steunbedragen publiceren volgens de onderstaande tranches (in miljoen EUR):

 

0,1-0,5;

 

0,5-1;

 

1-2;

 

2-5;

 

5-10;

 

10-30;

 

30-60;

 

60-100;

 

100-250, en

 

250 en meer.

140.

De in punt 136, 2), bedoelde informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum waarop de steun is verleend, of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte (65). In het geval van onrechtmatige maar uiteindelijk wel verenigbare steun moeten de EER-EVA-staten deze informatie bekendmaken binnen een termijn van uiterlijk zes maanden vanaf de datum van het besluit van de Autoriteit dat de steun verenigbaar verklaarde. Om de handhaving van de staatssteunregels krachtens de EER-overeenkomst mogelijk te maken, moet de informatie gedurende ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend, beschikbaar blijven.

141.

De Autoriteit publiceert op haar website de link naar de in punt 136 bedoelde staatssteunwebsite.

6.   EVALUATIE

142.

Als verdere garantie dat de verstoring van de mededinging en het handelsverkeer beperkt blijft, kan de Autoriteit eisen dat de in punt 143 bedoelde steunregelingen worden onderworpen aan een evaluatie achteraf. Er zullen evaluaties worden verricht voor regelingen waarvan de potentiële verstoring van de mededinging en het handelsverkeer zeer groot is, d.w.z. regelingen die de mededinging aanzienlijk dreigen te beperken of te verstoren als de tenuitvoerlegging niet tijdig wordt geëvalueerd.

143.

Een evaluatie achteraf kan vereist zijn voor steunregelingen waarvoor omvangrijke steunmiddelen zijn uitgetrokken of die nieuwe kenmerken bevatten, of wanneer aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving worden verwacht. In ieder geval zal een evaluatie vereist zijn voor regelingen waarvan de jaarlijkse begroting voor staatssteun of de uitgavenrekeningen in een jaar meer bedragen dan 150 miljoen EUR of meer dan 750 miljoen EUR over hun totale looptijd, d.w.z. de gecombineerde looptijd van de regeling en alle voorgaande regelingen die een soortgelijk doel en geografisch gebied bestrijken, vanaf 1 januari 2022. Gezien de doelstellingen van de evaluatie, en om EER-EVA-staten niet onevenredig te belasten, is de evaluatie achteraf enkel vereist voor steunregelingen met een totale looptijd van meer dan drie jaar, vanaf 1 januari 2022.

144.

Van de vereiste evaluatie achteraf kan worden afgeweken voor steunregelingen die een onmiddellijke opvolger zijn van een regeling voor een soortgelijk doel en geografisch gebied dat aan een evaluatie is onderworpen, waarvoor een eindevaluatieverslag is opgesteld overeenkomstig het door de Autoriteit goedgekeurde evaluatieplan en waarvoor geen negatieve zaken zijn gevonden. Als het eindevaluatieverslag van een regeling niet in overeenstemming is met het goedgekeurde evaluatieplan, moet die regeling onmiddellijk worden opgeschort.

145.

De evaluatie moet erop gericht zijn na te gaan of is voldaan aan de veronderstellingen en de voorwaarden die aan de verenigbaarheid van de regeling ten grondslag liggen en of de steunmaatregel in het licht van de algemene en de specifieke doelstellingen ervan nodig en doeltreffend is. Zij moet ook indicaties geven over de gevolgen van de regeling voor de mededinging en de handel.

146.

Voor steunregelingen die overeenkomstig punt 143 onderworpen zijn aan de evaluatievereiste, moeten EER-EVA-staten een ontwerp-evaluatieplan opstellen, dat integrerend deel uitmaakt van de beoordeling door de Autoriteit van de regeling:

1)

tegelijk met de steunregeling indien de begroting voor staatssteun van de regeling meer bedraagt dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd ervan;

2)

uiterlijk 30 werkdagen dagen na een aanzienlijke wijziging die de begroting van de regeling verhoogt tot meer dan 150 miljoen EUR in een bepaald jaar of tot meer dan 750 miljoen EUR over de totale looptijd van de regeling;

3)

uiterlijk 30 werkdagen na de vastlegging in de officiële boekhouding van uitgaven in het kader van de regeling die meer dan 150 miljoen EUR bedragen in het voorgaande jaar.

147.

Het ontwerp-evaluatieplan moet in overeenstemming zijn met de door de Autoriteit (66) verstrekte gemeenschappelijke methodologische beginselen. EER-EVA-staten moeten het door de Autoriteit goedgekeurde evaluatieplan publiceren.

148.

De evaluatie achteraf moet worden uitgevoerd door een van de steunverlenende autoriteit onafhankelijke deskundige, op basis van het evaluatieplan. Elke evaluatie moet ten minste één tussentijds en één eindevaluatieverslag omvatten. EER-EVA-staten moeten beide verslagen publiceren.

149.

Het eindevaluatieverslag moet tijdig bij de Autoriteit worden ingediend zodat zij de eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en ten laatste negen maanden voordat de regeling afloopt. Deze periode kan worden verkort voor regelingen waarvoor de evaluatievereiste in werking treedt in de loop van de laatste twee jaren van de uitvoering. De mate van diepgang en de methode waarmee deze evaluatie moet plaatsvinden, zullen worden vastgesteld in het besluit waarbij de steunregeling wordt goedgekeurd. Bij de aanmelding van een eventuele latere steunmaatregel met een soortgelijke doelstelling moet worden beschreven hoe met de uitkomsten van de evaluatie rekening is gehouden.

7.   REGIONALESTEUNKAARTEN

150.

In dit deel stelt de Autoriteit de criteria vast voor het afbakenen van de gebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 61, lid 3, punten a) en c), van de EER-overeenkomst. De gebieden die aan die voorwaarden voldoen en die EER-EVA-staten als steungebieden onder a) of c) (67) willen aanwijzen, moeten worden aangegeven op een regionalesteunkaart die bij de Autoriteit moet worden aangemeld en door de Autoriteit moet worden goedgekeurd voordat regionale steun kan worden verleend aan ondernemingen die in de aangewezen gebieden zijn gevestigd.

151.

De kaarten moeten ook de maximale steunintensiteiten aangeven die in deze gebieden van toepassing is gedurende de periode dat de goedgekeurde kaart geldig is.

152.

Om het stimulerende effect van de steun te behouden als al aanvragen voor discretionaire steunmaatregelen werden ingediend voordat de geldigheid van de kaart inging, mag het “nodig geachte steunbedrag” van de oorspronkelijke steunaanvraag niet retroactief worden aangepast nadat het project van start is gegaan om een hogere steunintensiteit die op grond van deze richtsnoeren beschikbaar zou kunnen zijn, te rechtvaardigen.

153.

Voor automatische steunregelingen in de vorm van een belastingvoordeel mogen de op grond van deze richtsnoeren beschikbare maximale steunintensiteiten alleen worden toegepast op projecten die van start zijn gegaan op of na de datum waarop de verhoging van de relevante maximale steunintensiteit van toepassing werd volgens de relevante nationale regels. Voor projecten die vóór die datum van start gingen, blijft de maximale steunintensiteit die werd goedgekeurd in de vorige regionalesteunkaart van toepassing.

7.1.   Voor regionale steun in aanmerking komend bevolkingsaandeel

154.

Aangezien de toekenning van regionale steun een afwijking is van het algemene verbod op staatssteun zoals dat in artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is vastgesteld, is de Commissie van mening dat het totale bevolkingsaandeel van steungebieden onder a) én onder c) in de EU27 lager moet zijn dan het bevolkingsaandeel van niet als steungebied aangewezen gebieden. Het totale bevolkingsaandeel van de aangewezen gebieden in de EU27 moet dus minder zijn dan 50 % van de bevolking van de EU27.

155.

In haar richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (68) heeft de Commissie het totale bevolkingsaandeel van steungebieden onder a) en onder c) vastgesteld op 47 % van de EU28-bevolking. Gezien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de EU acht de Commissie een toename van het bevolkingsaandeel tot 48 % van de totale EU27-bevolking gepast.

156.

Daarom is, voor de lidstaten, het totale maximale bevolkingsaandeel van steungebieden onder a) en onder c) vastgesteld op 48 % van de EU27-bevolking in de huidige richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen (69).

156 bis.

De Autoriteit deelt het standpunt van de Commissie. Bijgevolg moet in deze richtsnoeren een overeenkomstig plafond voor de gehele EER (inclusief de EER-EVA-staten) worden vastgesteld. Dit EER-brede plafond wordt verkregen door de bevolking van de EER-EVA-staten mee te nemen in de berekening van het in de richtsnoeren van de Commissie vastgestelde plafond voor het bevolkingsaandeel. Voor de toepassing van de deze richtsnoeren wordt het totale bevolkingsaandeel van steungebieden onder a) en onder c) derhalve vastgesteld op 48 % van de totale EER-bevolking, gebruikmakend van de Eurostat-gegevens over 2018.

7.2.   De afwijking van artikel 61, lid 3, punt a)

157.

Artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst bepaalt dat steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, als verenigbaar met de EER-overeenkomst kunnen worden beschouwd. Volgens het Hof van Justitie “[blijkt] uit het gebruik van de begrippen “abnormaal” en “ernstig” in artikel [107], lid 3, sub a, [van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie] dat deze afwijking enkel streken betreft wier economische toestand, vergeleken met die van de gehele [Unie], bijzonder ongunstig is” (70).

158.

De Autoriteit is van mening dat de voorwaarden van artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst zijn vervuld in statistische gebieden op niveau 2 met een bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking van ten hoogste 75 % van het EER-gemiddelde (71).

159.

Bijgevolg kan een EER-EVA-staat dus de volgende gebieden als steungebieden onder a) aanwijzen:

1)

statistische gebieden op niveau 2 waarvan het met een in koopkrachtstandaard (“KKS”) (72) gemeten bbp per hoofd van de bevolking ten hoogste 75 % van het EER-gemiddelde bedraagt (op basis van gemiddelden over de laatste drie jaar, gebruikmakend van Eurostat-gegevens (73));

2)

[…].

160.

Bijlage I bevat de in aanmerking komende steungebieden onder a) per EER-EVA-staat. Op het tijdstip van de vaststelling van deze richtsnoeren kwam geen enkel gebied in de EER-EVA-staten in aanmerking voor de afwijking van artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst.

7.3.   De afwijking van artikel 61, lid 3, punt c)

161.

In artikel 61, lid 3, punt c), van de EER-overeenkomst is bepaald dat “steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad”, als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst kunnen worden beschouwd. Volgens het Hof van Justitie is de in artikel 107, lid 3, punt c), [van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie] “geformuleerde afwijking […] echter ruimer, doordat zij ziet op de ontwikkeling van bepaalde streken zonder dat aan de economische voorwaarden van [artikel 107], lid 3, sub a, moet zijn voldaan, mits door de betrokken steunmaatregelen “de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt […] niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad”. Deze bepaling verleent de Commissie de bevoegdheid om de lidstaten toe te staan, steunmaatregelen te treffen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken die het nationaal gemiddelde niet halen.” (74) Volgens de Autoriteit geldt hetzelfde op grond van artikel 61, lid 3, punt c), van de EER-overeenkomst.

162.

Het maximale bevolkingsaandeel voor steungebieden onder c) in de EER (“bevolkingsaandeel onder c)”) wordt verkregen door het bevolkingsaandeel van de in aanmerking komende steungebieden onder a) in de EER in mindering te brengen op het in punt 156 bis bepaalde totale maximale bevolkingsaandeel voor de hele EER.

163.

Er zijn twee categorieën steungebieden onder c):

1)

gebieden die voldoen aan bepaalde voorwaarden en die een EER-EVA-staat als steungebied onder c) kan aanwijzen zonder dat dit verder hoeft te worden verantwoord (“vooraf vastliggende steungebieden onder c)”);

2)

gebieden die een EER-EVA-staat, naar eigen inzicht, als steungebieden onder c) kan aanwijzen mits de EER-EVA-staat aantoont dat die gebieden voldoen aan bepaalde sociaal-economische criteria (“niet vooraf vastliggende steungebieden onder c)”).

7.3.1.   Vooraf vastliggende steungebieden onder c)

7.3.1.1.   Specifiek quotum van het bevolkingsaandeel onder c) voor vooraf vastliggende steungebieden onder c)

164.

[…] (75).

165.

De Autoriteit is van mening dat EER-EVA-staten een voldoende groot bevolkingsaandeel onder c) moeten hebben, om dunbevolkte gebieden als steungebieden onder c) te kunnen aanwijzen.

166.

De volgende gebieden worden als vooraf vastliggende steungebieden onder c) beschouwd:

1)

[…];

2)

dunbevolkte gebieden: statistische gebieden op niveau 2 met minder dan 8 inwoners/km2 of statistische gebieden op niveau 3 met minder dan 12,5 inwoners/km2 (telkens volgens Eurostat-gegevens inzake bevolkingsdichtheid voor 2018).

167.

Bijlage I bevat de specifieke toewijzing van het vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c) per EER-EVA-staat. Deze bevolkingstoewijzing mag enkel worden gebruikt om vooraf vastliggende steungebieden onder c) aan te wijzen.

7.3.1.2.   Aanwijzing van vooraf vastliggende steungebieden onder c)

168.

EER-EVA-staten kunnen de in punt 166 bedoelde vooraf vastliggende steungebieden onder c) aanwijzen als steungebied onder c).

169.

Voor dunbevolkte gebieden moeten EVA-EER-staten in beginsel statistische gebieden op niveau 2 met minder dan 8 inwoners/km2 of statische gebieden op niveau 3 met minder dan 12,5 inwoners/km2 aanwijzen. EER-EVA-staten kunnen echter delen van statistische gebieden op niveau 3 met minder dan 12,5 inwoners/km2 aanwijzen of andere aan die statistische gebieden op niveau 3 grenzende gebieden mits de aangewezen gebieden minder dan 12,5 inwoners/km2 hebben. Voor zeer dunbevolkte gebieden mogen EER-EVA-staten statistische gebieden op niveau 2 met minder dan 8 inwoners per km2 of andere kleinere vergelijkbare gebieden die grenzen aan deze statistische gebieden op niveau 2 aanwijzen, tenminste als deze minder dan 8 inwoners per km2 tellen en de bevolking van de zeer dunbevolkte gebieden en de dunbevolkte gebieden samen niet uitkomt boven het specifieke bevolkingsaandeel van de gebieden onder c) bedoeld in punt 167.

7.3.2.   Niet vooraf vastliggende steungebieden onder c)

7.3.2.1.   Methode voor de verdeling over de EER-EVA-staten van het niet vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c)

170.

Het maximale bevolkingsaandeel voor de niet vooraf vastliggende steungebieden onder c) in de EER wordt verkregen door het bevolkingsaantal van de in aanmerking komende steungebieden onder a) en dat van de vooraf vastliggende steungebieden onder c) voor de EU27 en de EER-EVA-staten in mindering te brengen op het in punt 156 bis bepaalde totale maximale bevolkingsaandeel voor de hele EER. Het niet vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c) wordt over de EER-EVA-staten verdeeld aan de hand van de in bijlage III beschreven methode.

7.3.2.2.   Vangnet en minimumbevolkingsaandeel

171.

De Commissie is van mening dat, om continuïteit bij de regionalesteunkaarten te verzekeren en alle lidstaten een minimum aan beleidsruimte te garanderen, geen enkele lidstaat meer dan 30 %van zijn totale bevolkingsaandeel mag verliezen ten opzichte van de periode 2017-2020, en dat in alle lidstaten een minimaal bevolkingsaandeel moet zijn gedekt.

172.

Daarom heeft de Commissie, in afwijking op het in punt 156 van de richtsnoeren van de Commissie bepaalde totale maximale bevolkingsaandeel, het bevolkingsaandeel onder c) in iedere betrokken lidstaat opgetrokken zodat:

1)

het totale bevolkingsaandeel in steungebieden onder a) en onder c) van elke betrokken lidstaat niet met meer dan 30 % daalt ten opzichte van de periode 2017-2020 (76);|

2)

alle lidstaten een bevolkingsaandeel van ten minste 7,5 % van hun nationale bevolking gedekt zien (77).

172 bis.

De Autoriteit deelt het standpunt van de Commissie. Het bevolkingsaandeel onder c) wordt derhalve verhoogd zodat Liechtenstein het minimale bevolkingsaandeel van 7,5 % van de nationale bevolking heeft.

173.

Bijlage I geeft per EER-EVA-staat de niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), daaronder begrepen het vangnet en het minimale bevolkingsaandeel.

7.3.2.3.   Aanwijzing van niet vooraf vastliggende steungebieden onder c)

174.

De Autoriteit is van mening dat de criteria die EER-EVA-staten gebruiken om steungebieden onder c) aan te wijzen, de verscheidenheid aan situaties tot uiting moeten brengen waarin de toekenning van regionale steun gerechtvaardigd kan zijn. De criteria moeten dus een antwoord bieden op de sociaal-economische, geografische of structurele problemen die zich in steungebieden onder c) kunnen voordoen, en moeten voldoende garanties bieden dat de toekenning van regionale steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig zal veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

175.

Daarom kunnen EER-EVA-staten, op basis van de volgende criteria, de niet vooraf vastliggende steungebieden onder c) aanwijzen als steungebied onder c):

1)

Criterium 1: aangrenzende gebieden van ten minste 100 000 inwoners (78). Deze moeten gelegen zijn in statistische gebieden op niveau 2 of niveau 3 met:

i)

een bbp per hoofd van de bevolking van ten hoogste het EER-gemiddelde, of

ii)

een werkloosheidscijfer van ten minste 115 % van het landelijke gemiddelde (79).

2)

Criterium 2: statistische gebieden op niveau 3 met minder dan 100 000 inwoners, met:

i)

een bbp per hoofd van de bevolking van ten hoogste het EER-gemiddelde, of

ii)

een werkloosheidscijfer van ten minste 115 % van het landelijke gemiddelde.

3)

Criterium 3: eilanden of door een vergelijkbare geografische afgelegen ligging gekenmerkte aangrenzende gebieden (bv. schiereilanden of bergachtige gebieden) met:

i)

een bbp per hoofd van de bevolking van ten hoogste het EER-gemiddelde (80), of

ii)

een werkloosheidscijfer van ten minste 115 % van het landelijke gemiddelde (81), of

iii)

minder dan 5 000 inwoners.

4)

criterium 4: statische gebieden op niveau 3 (of delen daarvan) die aangrenzende gebieden vormen, die grenzen aan een steungebied onder a) of die een landsgrens delen met een land buiten de EER of de Europese Vrijhandels Associatie (EVA).

5)

criterium 5: aangrenzende gebieden van ten minste 50 000 inwoners (82) die een belangrijke structurele verandering ondergaan, of die zich in zware, relatieve achteruitgang bevinden, op voorwaarde dat die gebieden niet zijn gelegen in statische gebieden op niveau 3 of aangrenzende gebieden die voldoen aan de voorwaarden om te worden aangewezen als vooraf bepaalde gebieden of op grond van de criteria 1 tot en met 4 (83).

176.

Voor de toepassing van de in punt 175 vastgestelde criteria verwijst het concept “aangrenzende gebieden” naar volledige lokale bestuurlijke eenheden (LBE’s) (84) of een groep lokale bestuurlijke eenheden (85). Een groep lokale bestuurlijke eenheden zal als een aangrenzend gebied worden beschouwd indien elk gebied binnen die groep een administratieve grens deelt met een ander gebied uit die groep (86).

177.

Of het voor elke EER-EVA-staat toegestane bevolkingsaandeel in acht wordt genomen, zal worden beoordeeld op grond van de meest recente gegevens over het totale aantal ingezetenen van de betrokken gebieden, zoals dat wordt bekendgemaakt door het nationale bureau voor de statistiek.

7.4.   Voor regionale investeringssteun geldende maximale steunintensiteiten

178.

De Autoriteit is van mening dat bij de voor regionale investeringssteun geldende maximale steunintensiteiten rekening moet worden gehouden met de aard en de omvang van de verschillen in het ontwikkelingsniveau van de diverse gebieden in de EER. Daarom moeten de steunintensiteiten hoger zijn voor steungebieden onder a) dan voor steungebieden onder c).

7.4.1.   Maximale steunintensiteiten in steungebieden onder a)

179.

De steunintensiteit voor grote ondernemingen in steungebieden onder a) mag niet hoger liggen dan:

1)

50 % in statistische gebieden op niveau 2 waarvan het bbp per hoofd van de bevolking ten hoogste 55 % van het EER-gemiddelde bedraagt;

2)

40 % in statistische gebieden op niveau 2 waarvan het bbp per hoofd van de bevolking meer dan 55 % en ten hoogste 65 % van het EER-gemiddelde bedraagt;

3)

30 % in statistische gebieden op niveau 2 waarvan het bbp per hoofd van de bevolking meer dan 65 % van het EER-gemiddelde bedraagt.

180.

[…].

181.

De in punt 179 vastgestelde steunintensiteiten mogen worden verhoogd in de in de delen 7.4.4 en 7.4.5 bedoelde gebieden voor zover de steunintensiteit voor grote ondernemingen in het betrokken gebied niet meer dan 70 % bedraagt.

7.4.2.   Maximale steunintensiteiten in steungebieden onder c)

182.

De steunintensiteit voor grote ondernemingen mag niet hoger liggen dan:

1)

20 % in dunbevolkte gebieden en in gebieden (statistische gebieden op niveau 3 of delen van statistische gebieden op niveau 3) die een landsgrens delen met een land buiten de EER of de EVA;

2)

15 % in voormalige steungebieden onder a);

3)

10 % in niet vooraf vastliggende steungebieden onder c) waarvan het bbp per hoofd van de bevolking meer dan 100 % van het EER-gemiddelde bedraagt en het werkloosheidspercentage minder dan 100 % van het EER-gemiddelde bedraagt.

4)

15 % in andere niet vooraf vastliggende steungebieden onder c).

183.

In voormalige steungebieden onder a) mag de in punt 182, 2) bepaalde steunintensiteit van 15 % tot en met 31 december 2024 worden verhoogd met maximaal 5 procentpunten.

184.

Indien een steungebied onder c) grenst aan een steungebied onder a), mogen in punt 182 bepaalde steunintensiteiten in de statistische gebieden op niveau 3 of delen van statistische gebieden op niveau 3 binnen dat steungebied onder c) die grenzen aan het steungebied onder a), zo nodig worden verhoogd zodat het verschil in steunintensiteit tussen de beide gebieden niet meer dan 15 procentpunten bedraagt.

185.

De in punt 182 bepaalde steunintensiteiten mogen ook worden verhoogd in de in deel 7.4.5 bedoelde gebieden.

7.4.3.   Verhoogde steunintensiteiten voor kmo’s

186.

De in de delen 7.4.1 en 7.4.2 vastgestelde maximale steunintensiteiten mogen worden verhoogd met maximaal 20 procentpunten voor kleine ondernemingen en met maximaal 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen (87).

7.4.4.   Verhoogde steunintensiteiten voor gebieden die in aanmerking komen voor steun uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie (88)

187.

[…] (89).

7.4.5.   Toegenomen steunintensiteiten voor regio’s waar de bevolking afneemt

188.

De in deel 7.4.1 bepaalde maximale steunintensiteiten kunnen met 10 procentpunten worden verhoogd en de in deel 7.4.2 bepaalde maximale steunintensiteiten kunnen met 5 procentpunten worden verhoogd voor statistische gebieden op niveau 3 waar de bevolking in de periode 2009-2018 met meer dan 10 % is afgenomen (90).

7.5.   Aanmelding en beoordeling van regionalesteunkaarten

189.

Na de vaststelling van deze richtsnoeren moet iedere EER-EVA-staat bij de Autoriteit aanmelding doen van één regionalesteunkaart die geldt van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2027. Iedere aanmelding moet de in bijlage V gespecificeerde informatie bevatten.

190.

De Autoriteit bestudeert de aangemelde regionalesteunkaart voor elke EER-EVA-staat en neemt, als de kaart voldoet aan de in deze richtsnoeren vastgestelde voorwaarden, een besluit ter goedkeuring ervan aan. Alle regionalesteunkaarten zullen in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het EER-supplement daarbij worden bekendgemaakt en zullen integrerend deel uitmaken van deze richtsnoeren.

7.6.   Aanpassingen

7.6.1.   Bevolkingsreserve

191.

Een EER-EVA-staat kan op eigen initiatief besluiten om een “reserve” van het nationale bevolkingsaandeel aan te leggen, bestaande uit het verschil tussen het maximale bevolkingsaandeel van die EER-EVA-staat zoals dat door de Autoriteit is toegewezen (91), en het bevolkingsaandeel dat wordt gebruikt voor de steungebieden onder a) en onder c) die op zijn regionalesteunkaart zijn aangegeven.

192.

Indien een EER-EVA-staat besluit om deze reserve aan te leggen, kan hij van die reserve steeds gebruikmaken om nieuwe steungebieden onder c) aan zijn steunkaart toe te voegen totdat zijn nationale bevolkingsaandeel is bereikt. Daartoe kan de EER-EVA-staat gebruikmaken van de meest recente sociaal-economische gegevens die zijn verschaft door Eurostat of door zijn nationale bureau voor de statistiek of andere erkende bronnen. De bevolking van de steungebieden onder c) moet worden berekend op basis van de bevolkingsgegevens die werden gebruikt voor het opstellen van de initiële kaart.

193.

De EER-EVA-staat moet bij de Autoriteit aanmelding doen telkens als hij voornemens is om zijn bevolkingsreserve te gebruiken om nieuwe steungebieden onder c) toe te voegen, voordat hij die aanpassingen doorvoert.

7.6.2.   Tussentijdse evaluatie

194.

In 2023 zal een tussentijdse evaluatie van de regionalesteunkaarten plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met geactualiseerde statistieken. Uiterlijk in juni 2023 zal de Autoriteit nadere informatie over die tussentijdse evaluatie meedelen.

8.   WIJZIGING VAN DE RICHTSNOEREN INZAKE REGIONALE STEUNMAATREGELEN VOOR 2014-2020

195.

In zijn aanmelding op grond van punt 189 kan een EER-EVA-staat ook een wijziging aan zijn regionalesteunkaart voor 2014-2021 (92) opnemen om de gebieden die op grond van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 voor steun in aanmerking komen, te vervangen door gebieden die in aanmerking komen voor steun in de kaart die de Autoriteit nog moet goedkeuren op grond van punt 190 van deze richtsnoeren. De herziene regionalesteunkaart zal gelden vanaf de datum van de aanneming van het besluit van de Autoriteit over de aangemelde wijziging van de regionalesteunkaart voor 2014-2021 tot en met 31 december 2021. Dat besluit zal ook de maximale steunintensiteiten bevatten die van toepassing zijn in de gebieden die krachtens de gewijzigde regionalesteunkaart voor 2014-2021 voor steun in aanmerking komen, die overeenstemmen met de maximale steunintensiteiten die zijn bepaald in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020. De gewijzigde kaart zal integrerend deel uitmaken van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020, overeenkomstig punt 157 van die richtsnoeren.

196.

De richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 worden als volgt gewijzigd:

1)

punt 20, q) wordt vervangen als volgt:

“ “regionalesteunkaart”: de lijst met gebieden die een EER-EVA-staat heeft aangewezen in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze richtsnoeren of in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2022, en die door de Autoriteit is goedgekeurd;”;

2)

het volgende punt 161 bis wordt ingevoegd na punt 161:

“5.6.3.    Wijziging naar aanleiding van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2022

161 bis.

Een EER-EVA-staat kan verzoeken om een wijziging van zijn regionalesteunkaart overeenkomstig deel 7.6 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2022.”.

9.   TOEPASSELIJKHEID VAN DE REGELS INZAKE REGIONALE STEUN

197.

De Autoriteit zal de in deze richtsnoeren vervatte beginselen toepassen voor het beoordelen van de verenigbaarheid van alle aan te melden regionale steun die wordt toegekend na 31 december 2021 of waarvan de toekenning gepland is na die datum.

198.

Aanmeldingen van regionalesteunregelingen of van na 31 december 2021 toe te kennen steunmaatregelen kunnen pas als volledig worden beschouwd nadat de Autoriteit een besluit heeft vastgesteld waarin de regionalesteunkaart voor de betrokken EER-EVA-staat wordt goedgekeurd in overeenstemming met de in deel 7.5 beschreven regelingen.

199.

De tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren zal resulteren in een aantal veranderingen in de regels voor regionale steun. Het is daarom nodig te onderzoeken of alle bestaande (93) regionalesteunregelingen, daaronder begrepen de regelingen voor investeringssteun en de regelingen voor exploitatiesteun, die na 2021 zullen doorlopen, nog gerechtvaardigd en doeltreffend zijn.

200.

Daarom stelt de Autoriteit de EER-EVA-staten, overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deel I van Protocol 3, de volgende dienstige maatregelen voor:

1)

EER-EVA-staten moeten de toepassing van alle bestaande regionalesteunregelingen beperken tot steun die uiterlijk op 31 december 2021 zal worden toegekend;

2)

EER-EVA-staten moeten andere bestaande horizontale steunregelingen die in een bijzondere behandeling voorzien voor steun aan projecten in steungebieden, aanpassen om ervoor te zorgen dat steun die na 31 december 2021 zal worden toegekend, in overeenstemming is met de regionalesteunkaart die van kracht is op de datum waarop de steun wordt toegekend;

3)

EER-EVA-staten moeten uiterlijk op 31 december 2021 bevestigen de in punten 1 en 2 voorgestelde maatregelen te aanvaarden

10.   VERSLAGLEGGING EN TOEZICHT

201.

Overeenkomstig Protocol 3 en besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit (94) (95) moeten de EER-EVA-staten jaarlijks verslagen indienen bij de Autoriteit.

202.

De EER-EVA-staten moeten voor alle steunmaatregelen gedetailleerde dossiers bijhouden. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om te bepalen of de voorwaarden met betrekking tot de in aanmerking komende kosten en de maximaal toegestane steunintensiteit zijn vervuld. EER-EVA-staten moeten deze dossiers gedurende tien jaar vanaf het tijdstip waarop de steun werd verleend, bewaren en moeten deze op haar verzoek aan de Autoriteit bezorgen.

11.   WIJZIGING

203.

De Autoriteit kan te allen tijde besluiten deze richtsnoeren te wijzigen wanneer dat nodig is om met het mededingingsbeleid verband houdende redenen of om rekening te houden met andere takken van EU-beleid en met internationale verplichtingen, of om iedere andere gerechtvaardigde reden.

(*)  Deze richtsnoeren komen overeen met de richtsnoeren van de Europese Commissie inzake regionale steunmaatregelen (PB C 153 van 29.4.2021, blz. 1). Deze richtsnoeren kwalificeren niet als wetgevingsinstrumenten en hoeven dus niet door het Gemengd Comité van de EER in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(1)  Gebieden die in aanmerking komen voor regionale steun uit hoofde van artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst (doorgaans “steungebieden onder a)” genoemd) hebben binnen de EER meestal de grootste achterstand inzake economische ontwikkeling. Ook gebieden die in aanmerking komen op grond van artikel 61, lid 3, punt c), van de EER-overeenkomst (“steungebieden onder c)” genoemd), hebben met achterstand te kampen, maar in mindere mate. Door het relatief hoge bbp per hoofd van de bevolking in de EER-EVA-staten komt momenteel geen enkel gebied in deze staten in aanmerking voor de afwijking van artikel 61, lid 3, punt a), van de EER-overeenkomst.

(2)  […]

(3)  Deze richtsnoeren hebben betrekking op steun die in de EER wordt toegekend door de EER- EVA-staten, namelijk IJsland, Liechtenstein en Noorwegen. Met “lidstaten” bedoelt de Autoriteit ook het grondgebied van Noord-Ierland als overeengekomen in het “Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland” bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

(4)  Regionale opslagen voor steun die ten behoeve van dit soort doelstellingen wordt toegekend, gelden dus niet als regionale steun.

(5)  EER-EVA-staten kunnen deze gebieden aangeven op een regionalesteunkaart op grond van de voorwaarden die in deel 7 zijn bepaald.

(6)  Zie arrest van het Hof van Justitie van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, ECLI:EU:C:1980:209, punt 17, en arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C-169/95, ECLI:EU:C:1997:10, punt 20.

(7)  Zie arrest van het Gerecht van 12 december 1996, AIUFASS en AKT/Commissie, T-380/94, ECLI:EU:T:1996:195, punt 54.

(8)  Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie over de resultaten van de geschiktheidscontrole van 30 oktober 2020, SWD(2020) 257 final.

(9)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 11 december 2019, COM(2019) 640 final.

(10)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 10 maart 2020, COM(2020) 102 final.

(11)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 19 februari 2020, COM(2020) 67 final.

(12)  […].

(13)  Op basis van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (COM(2020) 22 final) heeft de Commissie in haar richtsnoeren ook specifieke bepalingen opgenomen om steun in het kader van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (“JTF”) overeenkomstig de cohesiebeginselen te faciliteren. Die bepalingen zijn niet opgenomen in deze richtsnoeren omdat ten tijde van de vaststelling ervan niet voldoende duidelijk was hoe het JTF zou worden behandeld in het kader van de EER-overeenkomst om voorwaarden te kunnen vaststellen. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling kan de Autoriteit overwegen deze richtsnoeren op deze en andere punten te herzien.

(14)  Sommige passages van de richtsnoeren van de Commissie zijn evenwel geschrapt. Daarbij gaat het om passages die verwijzen naar juridische instrumenten en bepalingen die geen deel uitmaken van of geen equivalent hebben in de EER-overeenkomst, en, zoals vermeld in de vorige voetnoot, passages die verwijzen naar een juridisch instrument waarvan de gevolgen in het kader van de EER-overeenkomst op dit moment onvoldoende duidelijk zijn. Schrappingen zijn aangegeven met […].

(15)   PB C 91I van 20.3.2020, blz. 1.

(16)  Zoals gedefinieerd in bijlage VI.

(17)  De term “bruinkool” omvat minderwaardige “C”-kolen (of ortholigniet) en de minderwaardige “B”-kolen (of metaligniet) in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.

(18)  De term “steenkool” omvat hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige A- en B-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties en zoals verduidelijkt in Besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24).

(19)  […].

(20)  […].

(21)  Met “vervoer” wordt bedoeld het passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Vervoersinfrastructuur die valt onder specifieke richtsnoeren, zoals luchthavens, wordt eveneens van deze richtsnoeren uitgesloten (zie de Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB L 318 van 24.11.2016, blz. 17 en EER-Supplement nr. 66 van 24.11.2016, blz. 1).

(22)  Richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken (PB L 135 van 8.5.2014, blz. 49), en EER-supplement nr. 27 van 8.5.2014, blz. 1).

(23)  De Autoriteit zal de verenigbaarheid van staatssteun voor de energiesector beoordelen op grond van de richtsnoeren energie- en milieusteun 2014-2020 (PB L 131 van 28.5.2015, blz. 1 en EER-supplement nr. 30 van 28.5.2015, blz. 1).

(24)  […].

(25)  […].

(26)  […].

(27)  NACE staat voor “Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté européenne” (“Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap”) en wordt gebruikt voor de verschillende statistische classificaties van economische activiteiten binnen de EU. Zie Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1). De verordening is opgenomen in bijlage XXI bij de EER-overeenkomst bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 61/2007 (PB L 266 van 11.10.2007, blz. 25, en EER-Supplement nr. 48 van 11.10.2007, blz. 18).

(28)  Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB L 271 van 16.10.2015, blz. 35, en EER-Supplement nr. 62 van 15.10.2015, blz. 1). Zoals uiteengezet in punt 23 van die richtsnoeren, kan een onderneming in moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet worden beschouwd als een passend instrument om aan de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen, zolang haar levensvatbaarheid niet is verzekerd.

(29)  Zie het arrest van 13 september 1995, TWD Textilwerke Deggendorf GmbH/Commissie, gevoegde zaken T-244/93 en T-486/93, ECLI:EU:T:1995:160, punt 56, en de mededeling van de Autoriteit betreffende de terugvordering van onrechtmatige en onverenigbare staatssteun (PB L 105 van 21.4.2011, blz. 32, en EER-Supplement nr. 23 van 21.4.2011, blz. 1).

(*)  (Zie in dit verband ook voetnoot 3).

(30)  Het begrip product heeft in de context van deze richtsnoeren eveneens betrekking op diensten.

(31)  […].

(32)  In deze richtsnoeren zal de term “statistisch gebied” worden gebruikt in plaats van de afkorting “NUTS” in de richtsnoeren van de Commissie. NUTS staat voor “Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek” volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1) als gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1755 van de Commissie (PB L 270 van 24.10.2019, blz. 1). Deze verordening is niet in de EER-overeenkomst opgenomen. Om echter tot gemeenschappelijke definities te komen bij de steeds toenemende vraag naar statistische informatie op regionaal niveau, zijn het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) en de nationale bureaus voor de statistiek van de kandidaat-lidstaten en de EVA overeengekomen om statistische gebieden af te bakenen die vergelijkbaar zijn met die van de NUTS-classificatie. De in deze richtsnoeren gebruikte gegevens zijn gebaseerd op deze NUTS 2021-nomenclatuur.

(33)  Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 94/06/COL van 19 april 2006 houdende de zevenenvijftigste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun (PB L 36 van 5.2.2009, blz. 62 en EER-supplement nr. 6 van 5.2.2009, blz. 1).

(34)  […].

(35)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1). De verordening is in de EER-overeenkomst opgenomen in punt 1j van bijlage XV bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 152/2014 (PB L 342 van 27.11.2014, blz. 63, en EER-Supplement nr. 71 van 27.11.2014, blz. 61).

(36)  Vendor tooling is het verwerven (of het zelf vervaardigen) van machines, gereedschap of uitrusting en bijbehorende software door een onderneming (op groepsniveau) die niet worden verworven (of vervaardigd) om te worden gebruikt in een van de eigen gebouwen (op groepsniveau) maar beschikbaar worden gesteld van bepaalde leveranciers voor de vervaardiging van producten in de gebouwen van de leverancier, die zullen dienen als tussenproducten voor het productieproces van de onderneming. Activa voor vendor tooling blijven eigendom van de verwervende onderneming, maar worden ter beschikking gesteld van de leverancier voor de taken en onder de voorwaarden die zijn bepaald in een leveringsovereenkomst of soortgelijke overeenkomst. Zij houden verband met welbepaalde productie- of assemblageactiviteiten in een of meer van de gebouwen van de onderneming (op groepsniveau) en moeten na voltooiing van de bestelling of na het verstrijken of beëindigen van een kaderovereenkomst worden teruggegeven aan de eigenaar.

(37)  In de zin van punt 19, 13) en punt 19, 14).

(38)  Zie arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C-156/98, ECLI:EU:C:2000:467, punt 78, en van 22 december 2008, Régie Networks, C-333/07, ECLI:EU:C:2008:764, punten 94 tot en met 116.

(39)  Zie bijlage VII.

(40)  Deze verplichting om de investering voor een minimumperiode van vijf jaar (of drie jaar voor kmo’s) in het betrokken gebied te behouden, mag niet beletten dat installaties of uitrusting die in die periode verouderd zijn geworden of defect zijn geraakt, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteit voor de minimumperiode in het betrokken gebied behouden blijft. Voor het vervangen van die installaties of uitrusting mag echter geen regionale steun worden verleend.

(41)  […].

(42)  Dit geldt bijvoorbeeld niet voor leningen met rentesubsidie, voor door de overheid verstrekte participatieleningen of overheidsparticipaties die niet aan het beginsel van een particuliere investeerder handelend in een markteconomie voldoen, staatsgaranties die steunelementen bevatten, of staatssteun die binnen het kader van de de-minimisregels wordt verleend.

(43)  Voor ad-hocsteun gelden, tenzij anders vermeld, dezelfde voorwaarden als voor individuele steun die op grond van een regeling wordt verleend.

(44)  Dergelijke investeringen kunnen de voorwaarden scheppen voor verdere investeringen die levensvatbaar zijn zonder aanvullende steun.

(45)  De nulscenario’s worden beschreven in punt 64.

(46)  De netto contante waarde van een project is het verschil tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt (doorgaans op basis van de kapitaalkosten).

(47)  De interne opbrengstvoet is niet gebaseerd op het boekhoudkundige rendement in een bepaald jaar, maar houdt rekening met de toekomstige kasstromen die de investeerder verwacht te ontvangen over de hele levensduur van de investering. Deze wordt omschreven als de disconteringsvoet waarbij de netto contante waarde van de kasstromen nul is.

(48)  Wanneer echter de toekomstige ontwikkeling van kosten en opbrengsten met een hoge mate van onzekerheid is omgeven en er sprake is van grote informatieasymmetrie, kan het zijn dat de betrokken overheidsinstantie misschien ook compensatiemodellen wil invoeren die niet volledig vooraf vastliggen, maar die een mix zijn van vooraf en achteraf vastgestelde elementen (bv. door het gebruik van terugvorderingsmechanismen, met het oog op een verdeling van onverwachte baten).

(49)  Zie deel 7.4 betreffende regionalesteunkaarten.

(50)  Uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent.

(51)   Idem.

(52)  Bij het vergelijken van nulscenario’s moet de steun met dezelfde factor worden verdisconteerd als de bijbehorende investerings- en nulscenario’s.

(53)  De vereiste dat de maximaal toegestane steunintensiteit per project vooraf door de eerste steunverlenende autoriteit moet worden berekend, is niet van toepassing wanneer de steun wordt verleend via automatische steunregelingen in de vorm van belastingvoordeel. Controles op de cumulatie zijn dan in principe niet mogelijk wanneer de steun wordt toegekend en zouden dan moeten worden uitgevoerd als de steun wordt uitbetaald.

(54)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259) of een verordening houdende specifieke bepalingen voor doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) die van toepassing is voor de programmeringsperiode 2021-2027, afhankelijk van welke verordening van toepassing is voor een bepaalde initiële investering.

(55)  Ook wanneer regelingen voor exploitatiesteun worden aangemeld met het oog op de verlenging van bestaande steunmaatregelen.

(56)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(57)  Dit kan ook het geval zijn als de steun de werking verstoort van economische instrumenten die zijn ingevoerd om dergelijke negatieve externaliteiten te internaliseren (b.v. door prijssignalen van het emissiehandelssysteem van de EU of een soortgelijk instrument te beïnvloeden).

(58)  De Autoriteit zal dit beoordelen in termen van zowel volume en als waarde en zal rekening houden met de conjunctuurcyclus.

(59)  Om dit na te gaan moet gebruik worden gemaakt van het standaardsteunplafond dat geldt voor steungebieden onder c) die grenzen aan steungebieden onder a), ongeacht de verhoogde steunintensiteiten overeenkomstig punt 184 van deze richtsnoeren.

(60)  Voor investeringsprojecten die de productie van meerdere, uiteenlopende producten betreffen, moet elk van deze producten worden beoordeeld.

(61)  Bij deze toegangsbelemmeringen gaat het om juridische belemmeringen (in het bijzonder intellectuele-eigendomsrechten), schaal- en toepassingsvoordelen, en drempels voor de toegang tot netwerken en infrastructuur. Wanneer de steun betrekking heeft op een markt waar de begunstigde van de steun een gevestigde onderneming is, kunnen mogelijke toegangsbelemmeringen de door de begunstigde van de steun uitgeoefende potentiële aanzienlijke marktmacht versterken, en zo ook de mogelijke negatieve effecten van die marktmacht.

(62)  Wanneer sterke afnemers op de markt aanwezig zijn, is het minder waarschijnlijk dat een begunstigde van steun de prijzen kan verhogen tegenover deze sterke afnemers.

(63)   “State Aid Transparency Public Search”, beschikbaar via https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl.

(64)  Als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013.

(65)  Als er geen formele vereiste voor een jaaraangifte bestaat, wordt 31 december van het jaar waarvoor de steun is verleend, ten behoeve van de codering ingevoerd als de datum waarop de steun is verleend.

(66)  Gebaseerd op het Werkdocument van de diensten van de Commissie, Gemeenschappelijke methodiek voor de evaluatie van staatssteun, Brussel, 28.5.2014, SWD(2014)179 final of de opvolger ervan.

(67)  Ook dunbevolkte en zeer dunbevolkte gebieden moeten op de regionalesteunkaart worden aangegeven.

(68)   PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1.

(69)  Dit plafond werd vastgesteld aan de hand van Eurostat-bevolkingsgegevens over 2018. Het plafond zal overeenstemmen met 48,00 % van de EU27_2020 — (Europese Unie — 27 landen (vanaf 2020)).

(70)  Arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie, 248/84, ECLI:EU:C:1987:437, punt 19; arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C-169/95, ECLI:EU:C:1997:10, punt 15; en arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2002, Italië/Commissie, C-310/99, ECLI:EU:C:2002:143, punt 77.

(71)  […].

(72)  Telkens hierna sprake is van bbp per hoofd van de bevolking, betreft dit het in KKS gemeten bbp.

(73)  Deze gegevens betreffen de periode 2016-2018. Telkens hierna sprake is van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het EER-gemiddelde, zijn de gegevens gebaseerd op het gemiddelde van de regionale gegevens van Eurostat voor de periode 2016-2018 (als bijgewerkt op 23.3.2020).

(74)  Arrest Duitsland/Commissie, 248/84, op. cit., punt 19.

(75)  […].

(76)  Dit aspect van het vangnet geldt voor Duitsland, Ierland, Malta en Slovenië.

(77)  Dit bevolkingsaandeel dat minimaal moet zijn gedekt, geldt voor Denemarken en Luxemburg.

(78)  Deze bevolkingsdrempel zal worden verlaagd tot 50 000 inwoners voor EER-EVA-staten die een niet vooraf vastliggend bevolkingsaandeel onder c) hebben van minder dan 1 miljoen inwoners of tot 10 000 inwoners voor EER-EVA-staten met een nationale bevolking van minder dan 1 miljoen inwoners.

(79)  Voor werkloosheidscijfers moeten de berekeningen gebaseerd zijn op regionale gegevens die door het nationale bureau voor de statistiek worden bekendgemaakt, waarbij wordt gebruikgemaakt van het gemiddelde over de laatste drie jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn (op het tijdstip van de aanmelding van de regionalesteunkaart). Tenzij in deze richtsnoeren anders is aangegeven, wordt het werkloosheidspercentage ten opzichte van het landelijke gemiddelde op deze basis berekend.

(80)  Om te berekenen of dit soort eilanden of aangrenzende gebieden een bbp per hoofd van de bevolking van ten hoogste het EER-gemiddelde hebben, kan de EER-EVA-staat gebruikmaken van gegevens verschaft door zijn nationale bureau voor de statistiek of door andere erkende bronnen.

(81)  Om te berekenen of dit soort eilanden of aangrenzende gebieden een werkloosheidspercentage van ten minste 115 % van het landelijke gemiddelde hebben, kunnen EER-EVA-staten gebruikmaken van gegevens verschaft door hun nationale bureau voor de statistiek of door andere erkende bronnen.

(82)  Deze bevolkingsdrempel zal worden verlaagd tot 25 000 inwoners voor EER-EVA-staten die een niet vooraf vastliggend bevolkingsaandeel onder c) hebben van minder dan 1 miljoen inwoners of tot 10 000 inwoners voor EER-EVA-staten met een totale bevolking van minder dan 1 miljoen inwoners of tot 5 000 inwoners voor eilanden of door een vergelijkbare geografische afgelegen ligging gekenmerkte aangrenzende gebieden.

(83)  Voor de toepassing van criterium 5 moeten EER-EVA-staten aantonen dat het gebied een aanzienlijke structurele verandering ondergaat of zich in zware, relatieve achteruitgang bevindt door de betrokken gebieden aan de hand van sociaal-economische indicatoren betreffende structurele bedrijfsstatistieken, arbeidsmarkten, rekeningen van huishoudens, onderwijs of andere vergelijkbare indicatoren te vergelijken met de toestand van andere gebieden in dezelfde EER-EVA-staat of in andere EER-staten. Daartoe kunnen EER-EVA-staten gebruikmaken van gegevens die zijn verschaft door hun nationale bureau voor de statistiek of door andere erkende bronnen. […].

(84)  De lokale administratieve eenheden worden bepaald in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) als gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening 2019/1755 van de Commissie. Zoals aangegeven in voetnoot 30 is deze verordening niet in de EER-overeenkomst opgenomen. Om echter tot gemeenschappelijke definities te komen bij de steeds toenemende vraag naar statistische informatie op regionaal niveau, zijn het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) en de nationale bureaus voor de statistiek van de kandidaat-lidstaten en de EVA overeengekomen om statistische gebieden af te bakenen die vergelijkbaar zijn met die van de NUTS-classificatie.

(85)  De EER-EVA-staat kan niettemin delen van een lokale bestuurlijke eenheid aanwijzen, op voorwaarde dat het bevolkingsaantal van de betrokken lokale bestuurlijke eenheid het volgens de criteria 1 of 5 voor aangrenzende gebieden vereiste minimumbevolkingsaantal overschrijdt (daaronder begrepen de voor die criteria verlaagde bevolkingsdrempels) en op voorwaarde dat het bevolkingsaantal van de delen van die lokale bestuurlijke eenheid ten minste 50 % bedraagt van het minimumbevolkingsaantal dat volgens het toepasselijke criterium vereist is.

(86)  In het geval van eilanden omvatten administratieve grenzen ook de zeegrenzen met andere administratieve eenheden van de betrokken EER-EVA-staat.

(87)  De verhoogde steunintensiteiten voor kmo’s zullen niet gelden voor steun ten behoeve van grote investeringsprojecten.

(88)  […].

(89)  […].

(90)  Zie bijlage IV.

(91)  Zie bijlage I.

(92)  De door de Autoriteit op grond van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 goedgekeurde regionalesteunkaart die van toepassing is voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2021.

(93)  Steunmaatregelen die in het kader van de algemene groepsvrijstellingsverordening ten uitvoer zijn gelegd, worden niet als bestaande steunregelingen beschouwd. Steunmaatregelen die ten uitvoer zijn gelegd in strijd met artikel 1, lid 3, van Protocol 3, worden niet als bestaande steunregelingen beschouwd tenzij zij worden geacht te bestaan krachtens artikel 15, lid 3, van deel II van dat Protocol.

(94)  Besluit nr. 195/04/COL van 14 juli 2004 betreffende de uitvoeringsbepalingen als bedoeld in artikel 27 van deel II van Protocol 3. De geconsolideerde versie van het besluit is beschikbaar op: https://www.eftasurv.int/cms/sites/default/files/documents/2017-Consolidated-version-of-Dec-195-054-COL--002-.pdf

(95)  […].


BIJLAGE I

Aandeel regionale steun per EER-EVA-staat voor de periode 2022-2027

Noorwegen

Statistisch gebied

Bbp per inwoner

Aandeel nationale bevolking

Vooraf vastliggende steungebieden onder c) (dunbevolkte gebieden)

NO021, NO022 Innlandet

7,30  %

NO061, NO062 Trøndelag

8,66  %

NO071 Nordland

4,60  %

NO072, NO073 Troms og Finnmark

4,58  %

Niet vooraf vastliggende steungebieden onder c)

6,87  %

Totale bevolkingsaandeel 2022-2027

32,02  %


IJsland

Statistisch gebied

Bbp per inwoner

Aandeel nationale bevolking

Vooraf vastliggende steungebieden onder c) (dunbevolkte gebieden)

IS00 IJsland

100  %

Totale bevolkingsaandeel 2022-2027

100  %


Liechtenstein

Statistisch gebied

Bbp per inwoner

Aandeel nationale bevolking

Niet vooraf vastliggende steungebieden onder c)

7,50  %

Totale bevolkingsaandeel 2022-2027

7,50  %


BIJLAGE II

[…]

[…].


BIJLAGE III

Methode voor de verdeling over de EER-EVA-staten van het niet vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c)

De Autoriteit zal het niet vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c) voor elke betrokken EER-EVA-staat bepalen aan de hand van de volgende methode:

1)

De Autoriteit zal nagaan welke statistische gebieden op niveau 3 in de EER-EVA-staten niet in een van de volgende gebieden liggen:

in aanmerking komende steungebieden onder a), vermeld in bijlage I;

voormalige steungebieden onder a), vermeld in bijlage I;

dunbevolkte gebieden vermeld in bijlage I.

2)

Uit de in stap 1 bepaalde statistische gebieden op niveau 3 zal de Autoriteit de gebieden selecteren die aan een van de volgende criteria voldoen:

een bbp per hoofd van de bevolking (1) dat ten hoogste op de drempel voor afwijking van het nationale bbp per hoofd van de bevolking (2) ligt, of

een werkloosheidspercentage (3) dat ten minste op de drempel voor afwijking van het nationale werkloosheidspercentage (4) ligt, of ten minste 150 % van het landelijke gemiddelde bedraagt, of

een bbp per hoofd van de bevolking van ten hoogste 90 % van het EER-gemiddelde, of

een werkloosheidspercentage van ten minste 125 % van het EER-gemiddelde.

3)

De toewijzing van het niet vooraf vastliggende bevolkingsaandeel onder c) voor EER-EVA-staat i (A i) wordt berekend aan de hand van de volgende formule (uitgedrukt als percentage van de EER-bevolking):

A i = p i/P × 100

waarbij:

p i de bevolking (5) van de statistische gebieden op niveau 3 in EER-EVA-staat i is die in stap 2 werd bepaald.

P de som is van de bevolking van de statistische gebieden op niveau 3 en van de NUTS 3-regio’s, zoals die in stap 2 werd bepaald in respectievelijk de huidige richtsnoeren en in de richtsnoeren van de Commissie.


(1)  Alle in deze bijlage vermelde gegevens over bbp per hoofd van de bevolking zijn gebaseerd op het gemiddelde over de laatste drie jaar waarvoor Eurostat-gegevens beschikbaar zijn, d.w.z. de periode 2016-2018.

(2)  De drempel voor afwijking van het nationale bbp per hoofd van de bevolking voor EER-EVA-staat i (TG i) wordt berekend met de volgende formule (uitgedrukt als percentage van het nationale bbp per hoofd van de bevolking):

(TG) i = 85 × ((1 + 100/g i)/2)

waarbij: g i het bbp per hoofd van de bevolking van EER-EVA-staat i is, uitgedrukt als percentage van het EER-gemiddelde.

(3)  Alle in deze bijlage vermelde werkloosheidscijfers zijn gebaseerd op het gemiddelde over de laatste drie jaar waarvoor Eurostat-gegevens beschikbaar zijn, d.w.z. de periode 2017-2019. Deze gegevens bevatten echter geen informatie op niveau 3 en daarom wordt gebruikgemaakt van de werkloosheidsgegevens voor het gebied op niveau 2 waarin die gebieden op niveau 3 liggen.

(4)  De drempel voor afwijking van het nationale werkloosheidspercentage voor EER-EVA-staat i (TU i) wordt berekend met de volgende formule (uitgedrukt als percentage van het nationale werkloosheidspercentage):

(TU) i = 115 × ((1 + 100/u i)/2)

waarbij: u i het nationale werkloosheidspercentage van EER-EVA-staat i is, uitgedrukt als percentage van het EER-gemiddelde.

(5)  Bevolkingscijfers voor gebieden op niveau 3 werden berekend aan de hand van de bevolkingscijfers die Eurostat gebruikt voor het berekenen van het regionale bbp per hoofd van de bevolking voor 2018.


BIJLAGE IV

Methode voor het bepalen van steungebieden waar de bevolking afneemt als bedoeld in deel 7.4.5

Overeenkomstig punt 188 kunnen EER-EVA-staten als volgt aangeven in welke gebieden de bevolking afneemt:

EER-EVA-staten moeten steungebieden aangeven op het niveau van statistische gebieden op niveau 3 overeenkomstig artikel 61, lid 3, punten a) en c), van de EER-overeenkomst;

er moet gebruik worden gemaakt van Eurostat-gegevens over bevolkingsdichtheid voor de periode 2009-2018, op basis van de meest recente NUTS-classificatie die beschikbaar is;

EER-EVA-staten moeten aantonen dat de bevolking in de periode 2009-2018 met meer dan 10 % is afgenomen.

Als de classificatie van statistische gebieden de afgelopen tien jaar werd gewijzigd, moeten EER-EVA-staten gebruikmaken van de gegevens over bevolkingsdichtheid over de langste periode waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

De EER-EVA-staten moeten aangeven welke gebieden op die manier zijn aangewezen als zij een aanmelding op grond van punt 189 doen.


BIJLAGE V

Te verschaffen informatie bij het aanmelden van een regionalesteunkaart

1)

EER-EVA-staten moeten, in voorkomend geval, informatie verschaffen voor elk van de volgende categorieën gebieden die worden voorgesteld om als steungebied te worden aangewezen:

steungebieden onder a);

voormalige steungebieden onder a);

dunbevolkte gebieden:

zeer dunbevolkte gebieden;

[…];

steungebieden waar de bevolking afneemt als bedoeld in deel 7.4.5;

niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), aangewezen op basis van criterium 1;

niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), aangewezen op basis van criterium 2;

niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), aangewezen op basis van criterium 3;

niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), aangewezen op basis van criterium 4;

niet vooraf vastliggende steungebieden onder c), aangewezen op basis van criterium 5.

2)

Voor elke categorie moeten EER-EVA-staten de volgende informatie verschaffen voor elk voorgesteld gebied:

identificatie van het gebied (aan de hand van de regiocode van de statistische gebieden op niveau 2 of niveau 3, de LBE-code van de gebieden die het aangrenzende gebied vormen of andere officiële benamingen van de betrokken bestuurlijke eenheden);

de voorgestelde steunintensiteit in het gebied voor de periode 2022-2027 of, voor voormalige steungebieden onder a), voor de periode 2022-2024 en de periode 2025-2027 (waarbij, in voorkomend geval, een eventuele verhoging van de steunintensiteit op grond van de punten 180, 181, 183 of 184, 185 en 186 wordt vermeld);

de totale ingezeten bevolking van het gebied, zoals vermeld in punt 177.

3)

Voor het aanwijzen van dunbevolkte en zeer dunbevolkte gebieden moeten EER-EVA-staten afdoende bewijzen leveren dat aan de toepasselijke voorwaarden van punt 169 is voldaan.

4)

Voor niet vooraf vastliggende gebieden die zijn aangewezen op basis van de criteria 1 tot en met 5, moeten EER-EVA-staten afdoende bewijzen leveren dat aan alle toepasselijke voorwaarden van de punten 175, 176 en 177 is voldaan.

BIJLAGE VI

Definitie van de ijzer- en staalindustrie

Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt onder “ijzer- en staalindustrie” verstaan de productie van een of meer van de volgende producten:

a)

ruwijzer en ferrolegeringen: ruwijzer voor vervaardiging van staal, gieterij-ijzer en andere ruwijzersoorten, spiegelijzer en ferromangaan carburé, niet inbegrepen de andere ferrolegeringen;

b)

ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal: vloeibaar staal al dan niet gegoten tot blokken, waaronder smeedblokken; halffabricaten; plaatstrippen; warmgewalst breedband op rollen, behalve de productie van gegoten staal voor staalgietwerk, zoals die van kleine en middelgrote zelfstandige gieterijen;

c)

warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal: rails, dwarsliggers, onderlegplaten, klemplaten, balken, zware profielen en staven van 80 mm en meer, damwandstaal, staven en profielen van minder dan 80 mm en plaatstaal van minder dan 150 mm breedte, walsdraad, rond en vierkant staafmateriaal voor buizen, warmgewalst bandstaal en warmgewalste strippen (met inbegrip van buizenstrip), platen met een dikte van 3 mm en meer, universaalstaal van 150 mm en meer, met uitzondering van draadproducten, blanke staven en ijzergietwerk;

d)

koudgewalste eindproducten: blik, verlode plaat, zwarte plaat, gegalvaniseerde platen, andere platen met bekleed oppervlak, koudgewalste plaat, op rollen en in platen, dynamo- en transformatorplaat, band bestemd voor het maken van blik;

e)

buizen: stalen buizen (naadloos of gelast) met een diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of staal.


BIJLAGE VII

In het aanvraagformulier voor regionale investeringssteun te vermelden informatie

1.

Informatie over de begunstigde van de steun:

Naam, statutaire zetel, belangrijkste activiteitensector (NACE-code).

Verklaring dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is in de zin van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun.

Verklaring met vermelding van de steun (zowel de-minimis als staatssteun) reeds ontvangen voor andere investeringen in de voorbije drie jaar in hetzelfde statistische gebied op niveau 3 waar de nieuwe investering zal plaatsvinden. Verklaring met vermelding van de van andere steunverlenende autoriteiten ontvangen of nog te ontvangen regionale steun voor hetzelfde project.

Verklaring waarin wordt aangegeven of de begunstigde een zelfde of vergelijkbare activiteit in de EER heeft gesloten in een periode van twee jaar vóór de datum van deze aanvraag.

Verklaring waarin wordt aangegeven of de begunstigde op het tijdstip van de steunaanvraag voornemens is dit soort activiteit te sluiten in een periode van twee jaar nadat de te subsidiëren investering is voltooid.

Voor steun die in het kader van een regeling is toegekend: verklaring en toezegging dat er geen verplaatsing zal gebeuren.

2.

Informatie over de te steunen investering:

Korte beschrijving van de investering.

Korte beschrijving van de voor het betrokken gebied verwachte positieve effecten (bv. aantal gecreëerde of behouden banen, O & O&I-activiteiten, opleiding, clustervorming en mogelijke bijdrage van het project aan de groene (1) en de digitale transitie van de regionale economie).

Toepasselijke rechtsgrondslag (nationaal, EER, of beide).

Geplande start van de werken en voltooiing van de investering.

Locatie(s) van de investering.

3.

Informatie over de financiering van de investering:

Investeringskosten en andere gerelateerde kosten, kosten-batenanalyse voor de aangemelde steunmaatregel.

Totale in aanmerking komende kosten.

Steunbedrag dat nodig is om de investering uit te voeren.

Steunintensiteit.

4.

Informatie over de behoefte aan steun en de daarvan verwachte impact:

Korte toelichting bij de behoefte aan steun en de impact ervan op het investeringsbesluit of het vestigingsbesluit. Deze moet een toelichting bevatten over het besluit over een alternatieve investering of vestiging als de steun niet wordt verleend.

Verklaring dat er geen onherroepelijk akkoord is tussen de begunstigde van de steun en aannemers om de investering uit te voeren.


(1)  Waar nodig met inbegrip van informatie over hoe ecologisch duurzaam de investering is in de zin van de taxonomieverordening (Verordening (EU) 2020/852, PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13) of vergelijkbare methodologieën.


BIJLAGE VIII

In punt 136 bedoelde informatie.

De informatie over individuele steunverlening bedoeld in punt 136, punt 2, van de richtsnoeren moet het volgende omvatten:

Identiteit van de individuele begunstigde van de steun (1)

naam

identificator van de begunstigde van de steun

Type begunstigde van de steun bij de aanvraag:

kleine of middelgrote onderneming

grote onderneming

Statistisch gebied waarin de begunstigde van de steun is gevestigd, op niveau 2 of lager

De voornaamste sector of activiteit van de begunstigde van de steun voor de verleende steun, aan de hand van de NACE-groep (driecijferige numerieke code) (2)

Steunelement uitgedrukt in hele bedragen in de nationale valuta

Als het verschillend is van het steunelement, het nominale bedrag van de steun, uitgedrukt in hele bedragen in de nationale valuta (3)

Steuninstrument (4):

subsidie/rentesubsidie/kwijtschelding van schuld

lening/terugbetaalbare voorschotten/terugbetaalbare subsidie

garantie

belastingvoordeel of belastingvrijstelling

risicofinanciering

andere (gelieve te specificeren)

Datum van toekenning en datum van bekendmaking

Doel van de steun

Identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten

Waar van toepassing, de naam van de met het beheer belaste entiteit en de namen van de geselecteerde financiële intermediairs

Referentie van de steunmaatregel (5)


(1)  Met uitzondering van bedrijfsgevoelige en anderszins vertrouwelijke informatie, op voorwaarde dat dit goed wordt onderbouwd en de Autoriteit daarmee instemt; zie de richtsnoeren van de Autoriteit over geheimhouding bij beschikkingen inzake staatssteun (PB L 154 van 8.6.2006, blz. 27 en EER-supplement nr. 29 van 8.6.2006, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1). De verordening is in de EER-overeenkomst opgenomen in bijlage XXI bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 61/2007 (PB L 266 van 11.10.2007, blz. 25, en EER-Supplement nr. 48 van 11.10.2007, blz. 18).

(3)  Brutosubsidie-equivalent of, indien van toepassing, het bedrag van de investering. Bij exploitatiesteun kan het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde worden meegedeeld. Voor fiscale regelingen kan dit bedrag worden verstrekt volgens de in punt 139 vastgestelde tranches. Het bekend te maken bedrag is het maximaal toegestane belastingvoordeel en niet het jaarlijks afgetrokken bedrag (bv. in het kader van een belastingkrediet moet het maximaal toegestane belastingkrediet worden bekendgemaakt, en niet het daadwerkelijke bedrag, dat afhankelijk kan zijn van de belastbare inkomsten en van jaar tot jaar kan variëren).

(4)  Indien de steun wordt verleend via meerdere steuninstrumenten, moet het steunbedrag per instrument worden gespecificeerd.

(5)  Zoals verstrekt door de Autoriteit in het kader van de in deel 3 bedoelde kennisgevingsprocedure.


30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/121


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 293/21/COL

van 16 december 2021

tot wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van staatssteun door de invoering van herziene richtsnoeren over kortlopende exportkredietverzekering [2022/1048]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (“DE AUTORITEIT”),

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol 26,

Gezien de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (“de toezichtovereenkomst”), en met name artikel 24 en artikel 5, lid 2, punt b),

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 24 van de toezichtovereenkomst past de Autoriteit de bepalingen van de EER-overeenkomst op het gebied van de steunmaatregelen van de staten toe.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), van de toezichtovereenkomst doet de Autoriteit kennisgevingen of richtsnoeren uitgaan betreffende de in de EER-overeenkomst behandelde aangelegenheden indien die overeenkomst of de toezichtovereenkomst zulks uitdrukkelijk voorschrijft of indien de Autoriteit dit nodig acht.

Op 6 december 2021 heeft de Europese Commissie een mededeling vastgesteld inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering (de “richtsnoeren”) (1).

De richtsnoeren zijn ook relevant voor de Europese Economische Ruimte (“EER”).

Overeenkomstig de homogeniteitsdoelstelling die in artikel 1 van de EER-overeenkomst is vastgesteld, moet een eenvormige toepassing van de EER-staatssteunregels in de hele Europese Economische Ruimte worden gewaarborgd.

Overeenkomstig punt II onder de titel “ALGEMEEN” van bijlage XV bij de EER-overeenkomst moet de Autoriteit, na overleg met de Europese Commissie, besluiten vaststellen die met de besluiten van de Commissie overeenstemmen.

In de richtsnoeren kan worden verwezen naar bepaalde beleidsinstrumenten van de Europese Unie en naar bepaalde rechtshandelingen van de Europese Unie die niet in de EER-overeenkomst zijn opgenomen. Wanneer de Autoriteit nagaat of steun verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst, zal zij over het algemeen dezelfde vergelijkingspunten hanteren als de Europese Commissie met het oog op een eenvormige toepassing van de bepalingen inzake staatssteun en gelijke mededingingsvoorwaarden in de hele EER.

Na raadpleging van de Europese Commissie,

Na raadpleging van de EVA-staten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De materiële regels op het gebied van staatssteun worden gewijzigd door de invoering van herziene richtsnoeren over kortlopende exportkredietverzekering. De richtsnoeren zijn aan dit besluit gehecht en maken er integrerend deel van uit.

2.   Met ingang van 1 januari 2022 vervangen deze richtsnoeren de bestaande richtsnoeren over kortlopende exportkredietverzekering (2).

Artikel 2

De Autoriteit past de richtsnoeren in voorkomend geval toe met de volgende aanpassingen, met inbegrip van maar niet beperkt tot het volgende:

a)

een verwijzing naar “lidstaat”/“lidstaten” wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar “EVA-staat”/“EVA-staten” (3), of, in voorkomend geval, “EER-staat”/“EER-staten”;

b)

een verwijzing naar de “Europese Commissie” wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar de “Toezichthoudende Autoriteit van de EVA”;

c)

een verwijzing naar “het Verdrag” of “VWEU” wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar “de EER-overeenkomst”;

d)

een verwijzing naar artikel 49 VWEU of naar delen van dat artikel wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar artikel 31 van de EER-overeenkomst en de overeenkomstige delen van dat artikel;

e)

een verwijzing naar artikel 63 VWEU of naar delen van dat artikel wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar artikel 40 van de EER-overeenkomst en de overeenkomstige delen van dat artikel;

f)

een verwijzing naar artikel 107 VWEU of naar delen van dat artikel wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar artikel 61 van de EER-overeenkomst en de overeenkomstige delen van dat artikel;

g)

een verwijzing naar artikel 108 VWEU of naar delen van dat artikel wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar deel I, artikel 1, van Protocol 3 van de toezichtovereenkomst en de overeenkomstige delen van dat artikel;

h)

een verwijzing naar Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (4) wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar deel II van Protocol 3 van de toezichtovereenkomst;

i)

een verwijzing naar Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (5) wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar Besluit nr. 195/04/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA;

j)

“(on)verenigbaar met de interne markt” wordt door de Autoriteit gelezen als “(on)verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst”;

k)

“binnen (of buiten) de Unie” wordt door de Autoriteit gelezen als “binnen (of buiten) de EER”;

l)

“handel binnen de Unie” wordt door de Autoriteit gelezen als “handel binnen de EER”;

m)

indien in de richtsnoeren is bepaald dat zij op alle economische sectoren zullen worden toegepast, past de Autoriteit de richtsnoeren toe op alle economische sectoren of delen van economische sectoren die binnen het toepassingsgebied van de EER-overeenkomst vallen;

n)

een verwijzing naar mededelingen van de Commissie, bekendmakingen of richtsnoeren wordt door de Autoriteit gelezen als een verwijzing naar de overeenkomstige richtsnoeren van de Autoriteit.

Artikel 3

De Autoriteit past de lijst van landen met verhandelbare risico’s in de bijlage bij de richtsnoeren toe met toevoeging van Liechtenstein.

Gedaan te Brussel, 16 december 2021.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Bente ANGELL-HANSEN

Voorzitter

Verantwoordelijk lid van het College

Högni KRISTJÁNSSON

Lid van het College

Stefan BARRIGA

Lid van het College

Melpo-Menie JOSÉPHIDÈS

Medeondertekenaar, directeur

van de Juridische en Uitvoerende Dienst


(1)  C(2021) 8705 final (PB C 497 van 10.12.2021, blz. 5).

(2)   PB L 343 van 19.12.2013, blz. 54, en EER-supplement nr. 71 van 19.12.2013, blz. 1, opnieuw aangenomen bij Besluit nr. 4/19/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 6 februari 2019 houdende de honderdenvierde wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun [2019/1008] (PB L 163 van 20.6.2019, blz. 110), en EER-supplement nr. 48 van 20.6.2019, blz. 1, gewijzigd bij Besluit nr. 30/20/COL van 1 april 2020 houdende de honderdenzesde wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van staatssteun door de vervanging van de bijlage bij de richtsnoeren over kortlopende exportkredietverzekering [2020/982] (PB L 220 van 9.7.2020, blz. 8), en EER-supplement nr. 46 van 9.7.2020, blz. 1, Besluit nr. 90/20/COL van 15 juli 2020 houdende de honderdenzevende wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door wijziging en verlenging van een aantal staatssteunrichtsnoeren [2020/1576] (PB L 359 van 29.10.2020, blz. 16), en EER-supplement nr. 68 van 29.10.2020, blz. 4, en Besluit nr. 12/21/COL van 24 februari 2021 tot vervanging van de bijlage bij de richtsnoeren voor kortlopende exportkredietverzekering [2021/1238] (PB L 271 van 29.7.2021, blz. 1), en EER-supplement nr. 50 van 29.7.2021, blz. 1.

(3)  Met “EVA-staten” wordt verwezen naar IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

(4)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).

(5)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).


Mededeling van de Commissie inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering

1.   Inleiding

1.

Exportsubsidies kunnen op de markt negatief uitwerken op de concurrentie tussen potentieel concurrerende leveranciers van goederen en diensten. Daarom heeft de Commissie, als hoedster van de mededingingsregels van het Verdrag, exportsteun voor handel binnen de Unie en voor export buiten de Unie steeds streng veroordeeld. Deze mededeling heeft tot doel duidelijkheid te geven over de wijze waarop de Commissie de steun van de lidstaten voor exportkredietverzekering beoordeelt in het licht van de staatssteunregels.

2.

De Commissie heeft haar bevoegdheid gebruikt om richtsnoeren uit te vaardigen voor staatssteun op het gebied van kortlopende exportkredietverzekering. Het doel was om daadwerkelijke of potentiële verstoringen van de mededinging op de interne markt aan te pakken, niet alleen tussen exporteurs in verschillende lidstaten (in het handelsverkeer binnen en buiten de Unie), maar ook tussen kredietverzekeraars die in de Unie actief zijn. In 1997 heeft de Commissie de beginselen voor overheidsoptreden in deze sector vastgelegd in haar mededeling aan de lidstaten ingevolge artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag inzake de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op kortlopende exportkredietverzekering (1) (“de mededeling van 1997”. De beginselen van de mededeling van 1997 zouden vanaf 1 januari 1998 gelden voor een periode van vijf jaar. De mededeling van 1997 is vervolgens aangepast en de geldigheidsduur ervan is in 2001 (2), 2004 (3), 2005 (4) en 2010 (5) verlengd. De beginselen ervan waren van toepassing tot en met 31 december 2012.

3.

De ervaring die met name tijdens de financiële crisis tussen 2009 en 2011 met de toepassing van de beginselen van de mededeling van 1997 was opgedaan, wees erop dat het beleid van de Commissie in deze sector diende te worden herzien. Daarom heeft de Commissie een nieuwe mededeling aan de lidstaten inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering (6) vastgesteld (“de mededeling van 2021”). De beginselen van de mededeling van 2012 zouden in beginsel gelden van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2018 (7). De bijlage bij de mededeling van 2012 is vervolgens meermaals aangepast (8) en de periode van toepassing van de mededeling van 2012 is in 2018 (9) en 2020 (10) verlengd. Zij is nu van toepassing tot en met 31 december 2021.

4.

In 2019 is de Commissie begonnen met een evaluatie van de mededeling van 2012 in het kader van de geschiktheidscontrole van het pakket voor de modernisering van het staatssteunbeleid, richtsnoeren voor de spoorwegen en kortlopende exportkredietverzekering (11). Uit de resultaten van de evaluatie is gebleken dat de regels in principe goed werken, maar dat een aantal kleine verbeteringen nodig is om de marktontwikkelingen te weerspiegelen. Daarom bevat deze mededeling slechts enkele technische aanpassingen maar worden de beginselen van de mededeling van 2012 overgenomen.

5.

Het doel van de in deze mededeling uiteengezette regels is ervoor te zorgen dat staatssteun de mededinging tussen particuliere en publieke of door de overheid gesteunde exportkredietverzekeraars niet verstoort. Die regels zullen er ook voor zorgen dat een gelijk speelveld tussen exporteurs tot stand komt.

6.

Deze mededeling geeft de lidstaten nadere aanwijzingen over de beginselen waarop de Commissie haar uitlegging van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag en de toepassing ervan op kortlopende exportkredietverzekering wil baseren. Deze mededeling dient het beleid van de Commissie op dit terrein zo transparant mogelijk te maken en te zorgen voor voorspelbaarheid en een gelijke behandeling. Daartoe wordt in deze mededeling een reeks voorwaarden vastgesteld waaraan moet worden voldaan wanneer publieke verzekeraars op de markt voor kortlopende kredietverzekeringen actief willen worden in het segment van de verhandelbare risico’s.

7.

Risico’s die in beginsel onverhandelbaar zijn, vallen buiten het toepassingsgebied van deze mededeling.

8.

Onderdeel 2 geeft een beschrijving van het toepassingsgebied van deze mededeling en de daarin gehanteerde definities. Onderdeel 3 gaat in op de toepasselijkheid van artikel 107, lid 1, van het Verdrag en het algemene verbod op staatssteun voor exportkredietverzekeringen ten behoeve van verhandelbare risico’s. Onderdeel 4 geeft tot slot een aantal uitzonderingen op het toepassingsgebied van verhandelbare risico’s en vermeldt onder welke voorwaarden staatssteun voor het verzekeren van die tijdelijk onverhandelbare risico’s verenigbaar kan zijn met de interne markt.

2.   Toepassingsgebied van de mededeling en definities

2.1.   Toepassingsgebied

9.

De Commissie zal de in deze mededeling uiteengezette beginselen alleen toepassen op exportkredietverzekeringen met een risicoduur van minder dan twee jaar. Alle overige instrumenten voor exportfinanciering zijn van het toepassingsgebied van deze mededeling uitgesloten.

2.2.   Definities

10.

Voor de toepassing van deze mededeling wordt verstaan onder:

1)

“exportkredietverzekering”: een verzekeringsproduct waarbij de verzekeraar verzekeringsdekking aanbiedt tegen een commercieel of politiek risico, of beide, met betrekking tot betalingsverplichtingen bij een exporttransactie;

2)

“particuliere kredietverzekeraar”: een onderneming of organisatie niet zijnde een publieke verzekeraar die exportkredietverzekering aanbiedt;

3)

“publieke verzekeraar”: een onderneming of andere organisatie die met de steun van of namens een lidstaat exportkredietverzekering aanbiedt, of een lidstaat die zelf exportkredietverzekering aanbiedt;

4)

“verhandelbare risico’s”: commerciële of politieke risico’s, of beide, met een maximale risicoduur van minder dan twee jaar die berusten bij overheids- en niet-overheidsafnemers in de in de bijlage genoemde landen; alle overige risico’s gelden voor de toepassing van deze mededeling als onverhandelbaar;

5)

“commerciële risico’s”: onder meer de volgende risico’s:

a)

willekeurige opzegging van een contract door een afnemer, d.w.z. een willekeurig besluit van een niet-overheidsafnemer om het contract zonder gegronde redenen op te schorten of te beëindigen;

b)

willekeurige weigering zonder gegronde redenen van een niet-overheidsafnemer om de contractgoederen te accepteren;

c)

insolventie van een niet-overheidsafnemer en zijn garant;

d)

voortgezette non-betaling (protracted default), d.w.z. de niet-betaling door een niet-overheidsafnemer en zijn garant van een uit het contract voortvloeiende schuld;

6)

“politieke risico’s”: onder meer de volgende risico’s:

a)

het risico dat een overheidsafnemer of een land de uitvoering van een transactie belet of niet tijdig betaalt;

b)

een niet aan een individuele afnemer toe te rekenen risico of een risico dat buiten de verantwoordelijkheid van de individuele afnemer valt;

c)

het risico dat een land de door in dat land gevestigde afnemers betaalde bedragen niet naar het land van de verzekerde transfereert;

d)

het risico dat een geval van overmacht zich voordoet buiten het land van de verzekeraar, waarbij het onder meer kan gaan om op oorlog gelijkende handelingen, voor zover de effecten daarvan niet anderszins zijn verzekerd;

7)

“risicoduur”: de fabricatietermijn plus de krediettermijn;

8)

“fabricatietermijn”: de periode tussen het tijdstip van bestelling en de levering van de goederen of diensten;

9)

“krediettermijn”: de termijn die de afnemer krijgt om de geleverde goederen en diensten te betalen in het kader van een exportkrediettransactie;

10)

“dekking eentransactierisico”: verzekering van alle omzet op één afnemer of van één specifiek contract met één afnemer;

11)

“herverzekering”: vorm van verzekering die een verzekeraar afsluit bij een andere verzekeraar ter beheersing van zijn risico door zijn eigen risico te verminderen;

12)

“coassurantie”: het percentage van alle verzekerde schade dat niet door de verzekeraar wordt vergoed, maar dat voor rekening komt van een andere verzekeraar;

13)

“quotencontract”: herverzekeringscontract waarbij een verzekeraar zich ertoe heeft verplicht om een bepaald percentage van elk risico dat door hem binnen een gedefinieerde verzekeringscategorie is geaccepteerd, in herverzekering over te dragen aan de herverzekeraar, en de herverzekeraar zich ertoe heeft verplicht dit in herverzekering te accepteren;

14)

“top-up-dekking”: aanvullende dekking bovenop een door een andere verzekeraar vastgestelde kredietlimiet;

15)

“polis met volledige omzetdekking”: een kredietverzekeringspolis die niet de dekking van een eentransactierisico betreft, d.w.z. een kredietverzekeringspolis die alle of de meeste van de verkopen op krediet van de verzekerde dekt, alsmede handelsvorderingen uit verkopen aan meer dan één afnemer.

3.   Toepasselijkheid van artikel 107, lid 1, van het Verdrag

3.1.   Algemene beginselen

11.

Overeenkomstig artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn “steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

12.

Indien publieke verzekeraars een exportkredietverzekering verstrekken, zijn daarmee staatsmiddelen gemoeid. Deze betrokkenheid van de Staat levert de verzekeraars of de exporteurs mogelijk een selectief voordeel op, hetgeen de mededinging kan verstoren of dreigen te verstoren en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. De in de onderdelen 3.2, 3.3 en 4 beschreven beginselen zijn bedoeld als leidraad met betrekking tot de vraag hoe dergelijke maatregelen op grond van de staatssteunregels zullen worden beoordeeld.

3.2.   Steun voor verzekeraars

13.

Indien publieke verzekeraars bepaalde voordelen genieten ten opzichte van particuliere kredietverzekeraars, kan daarmee staatssteun gemoeid zijn. Deze voordelen kunnen verschillende vormen aannemen en bijvoorbeeld betrekking hebben op:

a)

een staatsgarantie voor leningen en verliezen;

b)

vrijstelling van de verplichting tot het aanleggen van toereikende reserves en van andere verplichtingen die voortvloeien uit het feit dat exportkredietverzekeringtransacties voor rekening of met garantie van de Staat zijn vrijgesteld van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (12);

c)

verlichting of vrijstelling van belastingen die normaal verschuldigd zijn (zoals de vennootschapsbelasting en belastingen op verzekeringspolissen);

d)

steunverlening of kapitaalverschaffing door de Staat of andere vormen van financiering die niet in overeenstemming zijn met het beginsel van de particuliere investeerder handelend in een markteconomie;

e)

de levering van diensten in natura door de Staat, zoals de toegang tot en het gebruik van overheidsinfrastructuur of -faciliteiten of bevoorrechte informatie van de Staat onder voorwaarden die de marktwaarde daarvan niet weerspiegelen;

f)

directe herverzekering door de Staat of een directe herverzekeringsgarantie van de Staat onder voorwaarden die gunstiger zijn dan die welke op de particuliere herverzekeringsmarkt worden aangeboden, hetgeen ofwel tot een te lage prijs van de herverzekeringsdekking leidt, ofwel tot de kunstmatige schepping van capaciteit die op de particuliere markt niet beschikbaar zou komen.

3.3.   Het verbod op staatssteun voor exportkredieten

14.

De in punt 13 vermelde voordelen voor publieke verzekeraars wat betreft verhandelbare risico’s beïnvloeden het handelsverkeer betreffende kredietverzekeringsdiensten binnen de Unie ongunstig. Zij doen verschillen ontstaan in de verzekeringsdekking die in verschillende lidstaten voor verhandelbare risico’s beschikbaar is. Dat verstoort de mededinging tussen verzekeraars in verschillende lidstaten en heeft secundaire effecten op het handelsverkeer binnen de Unie, ongeacht of het om export binnen dan wel buiten de Unie gaat (13). Om die redenen mogen publieke verzekeraars, indien zij dat soort voordelen genieten ten opzichte van particuliere kredietverzekeraars, geen verhandelbare risico’s verzekeren. Het is dus nodig de voorwaarden te bepalen waaronder zij actief kunnen zijn om zo te garanderen dat zij geen staatssteun genieten.

15.

Voordelen voor publieke verzekeraars worden soms — ten minste ten dele — aan exporteurs doorgegeven. Dergelijke voordelen kunnen de mededinging en het handelsverkeer verstoren en staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Niettemin gaat de Commissie ervan uit dat geen onterecht voordeel aan exporteurs is doorgegeven indien aan de in onderdeel 4.3 van deze mededeling genoemde voorwaarden voor het verstrekken van exportkredietverzekeringen voor verhandelbare risico’s is voldaan.

4.   Voorwaarden voor het verstrekken van exportkredietverzekeringen ten behoeve van tijdelijk onverhandelbare risico’s

4.1.   Algemene beginselen

16.

Zoals opgemerkt in punt 14, mogen publieke verzekeraars geen verhandelbare risico’s verzekeren indien zij voordelen genieten ten opzichte van particuliere kredietverzekeraars zoals beschreven in punt 13. Indien publieke verzekeraars of hun dochterondernemingen toch verhandelbare risico’s willen verzekeren, dient te worden gewaarborgd dat zij daarbij direct noch indirect staatssteun genieten. Met het oog daarop moeten zij beschikken over een bepaalde hoeveelheid eigen middelen (een solvabiliteitsmarge, met inbegrip van een garantiefonds) en technische reserves (een egalisatievoorziening) en over de vereiste vergunning overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG. Zij moeten ook ten minste een afzonderlijke beheersrekening aanhouden en een gescheiden boekhouding voeren voor het met steun van of namens de Staat verzekeren van verhandelbare en onverhandelbare risico’s, om aan te tonen dat zij voor het verzekeren van verhandelbare risico’s geen staatssteun ontvangen. De boekhouding voor activiteiten die voor eigen rekening van de verzekeraar worden verzekerd, dient in overeenstemming te zijn met Richtlijn 91/674/EEG (14).

17.

Lidstaten die herverzekeringsdekking verstrekken aan een exportkredietverzekeraar door middel van deelneming in of betrokkenheid bij particuliere herverzekeringsovereenkomsten die zowel verhandelbare als onverhandelbare risico’s dekken, moeten kunnen aantonen dat deze regelingen geen staatssteun omvatten als bedoeld in punt 13, f).

18.

Publieke verzekeraars kunnen, onder de in onderdeel 4 van deze mededeling beschreven voorwaarden, exportkredietverzekering aanbieden voor tijdelijk onverhandelbare risico’s.

4.2.   Uitzonderingen op het toepassingsgebied van verhandelbare risico’s: tijdelijk onverhandelbare risico’s

19.

Onverminderd de definitie van verhandelbare risico’s worden bepaalde commerciële of politieke risico’s, of beide, die berusten bij afnemers die zijn gevestigd in de in de bijlage genoemde landen, in de volgende gevallen tijdelijk als onverhandelbaar beschouwd:

a)

wanneer de Commissie besluit om één of meer landen tijdelijk van de in de bijlage opgenomen lijst van landen met verhandelbare risico’s te schrappen zoals beschreven in onderdeel 5.2, omdat de capaciteit van de particuliere verzekeringsmarkt ontoereikend is om alle economisch verantwoorde risico’s in het betrokken land of de betrokken landen af te dekken;

b)

wanneer de Commissie, na ontvangst van een aanmelding van een lidstaat als bedoeld in onderdeel 5.3 van deze mededeling, besluit dat de risico’s voor kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (15) waarvan de jaarlijkse totale exportomzet niet meer dan 2,5 miljoen EUR bedraagt, tijdelijk onverhandelbaar zijn voor exporteurs in de lidstaat die de aanmelding doet;

c)

wanneer de Commissie, na ontvangst van een aanmelding van een lidstaat als bedoeld in onderdeel 5.3 van deze mededeling, besluit dat de dekking voor een eentransactierisico met een risicoduur van ten minste 181 dagen, doch minder dan twee jaar tijdelijk onverhandelbaar is voor exporteurs in de lidstaat die de aanmelding doet;

d)

wanneer de Commissie, na ontvangst van een aanmelding van een lidstaat als bedoeld in onderdeel 5.4 van deze mededeling, besluit dat, als gevolg van een aanbodtekort voor exportkredietverzekering, bepaalde risico’s tijdelijk onverhandelbaar zijn voor exporteurs in de lidstaat die de aanmelding doet.

20.

Om de mededingingverstoringen op de interne markt zo veel mogelijk te beperken, kunnen risico’s die overeenkomstig punt 19 tijdelijk als onverhandelbaar worden beschouwd, door publieke verzekeraars worden gedekt, mits aan de in onderdeel 4.3 genoemde voorwaarden is voldaan.

4.3.   Voorwaarden voor het verschaffen van dekking voor tijdelijk onverhandelbare risico’s

4.3.1.   Kwaliteit van de dekking

21.

De kwaliteit van de dekking die publieke verzekeraars bieden, moet aan marktnormen beantwoorden. Meer bepaald kunnen alleen economisch verantwoorde risico’s, d.w.z. risico’s die op basis van gezonde acceptatiebeginselen aanvaardbaar zijn, worden gedekt. Het dekkingspercentage moet maximaal 95 % bedragen voor commerciële en politieke risico’s en de wachttermijn voor schadevergoedingen moet ten minste 90 dagen duren.

4.3.2.   Acceptatiebeginselen

22.

Bij de beoordeling van risico’s moeten steeds gezonde acceptatiebeginselen worden toegepast. Dit betekent dat het risico voor financieel onverantwoorde transacties niet in aanmerking dient te komen voor dekking in het kader van door de overheid gesteunde regelingen. Ten aanzien van dit soort beginselen moeten de criteria inzake risicoacceptatie expliciet zijn. Indien reeds een zakelijke relatie bestaat, moeten exporteurs een positieve handels- of betalingservaring hebben, of allebei. Afnemers moeten een “schoon” schadeverleden hebben en hun wanbetalingsrisico (probability of default) moet acceptabel zijn, evenals hun interne of externe financiële ratings.

4.3.3.   Passende tarifering

23.

Het dragen van risico bij exportkredietverzekering dient door een passende premie te worden vergoed. Om de verdringing van particuliere kredietverzekeraars zo minimaal mogelijk te houden, moeten de gemiddelde premies bij door de overheid gesteunde regelingen hoger zijn dan de gemiddelde premies die particuliere kredietverzekeraars voor vergelijkbare risico’s berekenen. Dit vereiste garandeert dat overheidsinterventie geleidelijk verdwijnt, omdat de hogere premie ervoor zorgt dat exporteurs naar particuliere kredietverzekeraars terugkeren zodra de marktomstandigheden dat mogelijk maken en het risico opnieuw verhandelbaar wordt.

24.

De tarifering geldt als passend indien de minimale jaarlijkse risicopremie (16) (“de safe-harbourpremie”) voor de betrokken risicocategorie van de afnemers (17) wordt berekend zoals aangegeven in de onderstaande tabel. De safe-harbourpremie is van toepassing tenzij lidstaten het bewijs leveren dat die percentages voor het betrokken risico niet passend zijn. Voor een polis met volledige omzetdekking moet de risicocategorie overeenstemmen met het gemiddelde risico van de door de polis gedekte afnemers.

Risicocategorie

Minimale jaarlijkse risicopremie (18) (% van het verzekerde volume)

Uitstekend (19)

0,2 -0,4

Goed (20)

0,41 -0,9

Bevredigend (21)

0,91 -2,3

Zwak (22)

2,31 -4,5

25.

Bij coassurantie, quotencontracten en top-up-dekking geldt de tarifering als passend indien de berekende premie ten minste 30 % hoger ligt dan de premie voor de door een particuliere kredietverzekeraar verschafte (oorspronkelijke) dekking.

26.

Boven op de risicopremie moet, ongeacht de looptijd van het contract, een beheersvergoeding worden betaald, wil de tarifering als passend worden beschouwd.

4.3.4.   Transparantie en verslaglegging

27.

De lidstaten moeten de ingevoerde regelingen voor de risico’s die overeenkomstig punt 19 tijdelijk als onverhandelbaar worden beschouwd, op de websites van publieke verzekeraars bekendmaken en daarbij alle toepasselijke voorwaarden vermelden.

28.

Zij moeten jaarlijks bij de Commissie een verslag indienen over de risico’s die overeenkomstig punt 19 tijdelijk als onverhandelbaar worden beschouwd en door publieke verzekeraars worden gedekt. Zij moeten dat verslag uiterlijk op 31 juli van het jaar volgend op de maatregel indienen.

29.

Het verslag moet voor elke regeling de volgende gegevens bevatten:

a)

het totale bedrag van de toegestane kredietlimieten;

b)

de verzekerde omzet;

c)

de berekende premies;

d)

de ingediende schadevorderingen en de uitgekeerde schadevergoedingen;

e)

de teruggevorderde bedragen;

f)

de beheerskosten van de regeling.

30.

Deze gegevens moeten worden verstrekt in een spreadsheetformaat, waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, uitgelicht, gedownload en gemakkelijk op het internet kunnen worden gepubliceerd, zoals bijvoorbeeld in CSV- of XML-formaat. De lidstaten moeten de verslagen op de website van de publieke verzekeraars publiceren.

5.   Procedurevoorschriften

5.1.   Algemene beginselen

31.

De in punt 19, a), bedoelde risico’s kunnen door publieke verzekeraars worden gedekt mits aan de voorwaarden van onderdeel 4.3 wordt voldaan. In dat geval hoeft geen aanmelding bij de Commissie plaats te vinden.

32.

De in punt 19, b), c) en d), bedoelde risico’s kunnen door publieke verzekeraars worden gedekt mits aan de voorwaarden van onderdeel 4.3 wordt voldaan én na een aanmelding bij en goedkeuring door de Commissie.

33.

Het niet voldoen aan een van de voorwaarden van onderdeel 4.3 betekent niet dat de exportkredietverzekering of exportkredietverzekeringsregeling automatisch verboden is. Indien een lidstaat wil afwijken van een van de voorwaarden van onderdeel 4.3 of indien er twijfel bestaat over de vraag of een voorgenomen exportkredietverzekeringsregeling aan de voorwaarden van deze mededeling voldoet, met name onderdeel 4, moet de lidstaat de regeling bij de Commissie aanmelden.

34.

Toetsing aan de staatssteunregels laat de verenigbaarheid van een bepaalde maatregel met andere Verdragsbepalingen onverlet.

5.2.   Aanpassing van de lijst van landen met verhandelbare risico’s

35.

Wanneer de Commissie nagaat of het gebrek aan voldoende particuliere capaciteit rechtvaardigt dat een land tijdelijk van de lijst van landen met verhandelbare risico’s wordt geschrapt, als bedoeld in punt 19, a), neemt zij de volgende factoren in aanmerking, in volgorde van prioriteit:

a)

krimp van de particuliere kredietverzekeringscapaciteit: met name het besluit van een grote kredietverzekeraar om risico’s op afnemers in het betrokken land niet te dekken, een aanmerkelijke daling van de totale verzekerde bedragen of een aanmerkelijke daling van de acceptatiepercentages voor het betrokken land over een periode van zes maanden;

b)

verslechtering van de ratings voor overheden: met name plotselinge veranderingen in de kredietratings over een periode van zes maanden, bijvoorbeeld herhaalde ratingverlagingen door onafhankelijk ratingbureaus, of een scherpe toename van de credit default swap (cds) spreads;

c)

verslechtering van de prestaties van de zakelijke sector: met name een scherpe stijging van insolventies in het betrokken land over een periode van zes maanden.

36.

Wanneer de marktcapaciteit ontoereikend wordt om alle economisch verantwoorde risico’s te dekken, kan de Commissie op schriftelijk verzoek ten minste drie lidstaten of uit eigen beweging de in de bijlage opgenomen lijst van landen met verhandelbare risico’s herzien.

37.

Indien de Commissie voornemens is de lijst van landen met verhandelbare risico’s aan te passen, zal zij lidstaten, particuliere kredietverzekeraars en belanghebbenden raadplegen en informatie bij hen inwinnen. De raadpleging en het soort verlangde informatie wordt op de website van de Commissie bekendgemaakt. De raadplegingsperiode bedraagt in de regel maximaal 20 werkdagen. Wanneer de Commissie, op basis van de ingewonnen informatie, besluit om de lijst van landen met verhandelbare risico’s aan te passen, zal zij dat besluit aankondigen op haar website.

38.

De tijdelijke schrapping van een land van de lijst van landen met verhandelbare risico’s geldt in principe voor ten minste twaalf maanden. In die periode afgesloten verzekeringspolissen met betrekking tot het tijdelijk geschrapte land mogen gelden voor maximaal 180 dagen vanaf de datum waarop de tijdelijke schrapping verstrijkt. Na die datum mogen geen nieuwe verzekeringspolissen worden afgesloten. Drie maanden voordat de tijdelijke schrapping verstrijkt, gaat de Commissie na of zij de schrapping van het betrokken land van de lijst verlengt. Indien de Commissie vaststelt dat de marktcapaciteit nog steeds ontoereikend is om, rekening houdende met de in punt 35 genoemde factoren, alle economisch verantwoorde risico’s te dekken, kan zij de tijdelijke schrapping van het land van de lijst overeenkomstig punt 37 verlengen.

5.3.   Verplichting tot aanmelding voor tijdelijk onverhandelbare risico’s als bedoeld in punt 19, b) en c)

39.

Wat de in punt 19, b) en c), bedoelde risico’s betreft, lijken de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, er op te wijzen dat er een marktkloof bestaat en dat die risico’s derhalve onverhandelbaar zijn. Daarbij dient evenwel te worden aangetekend dat het ontbreken van dekking niet voor iedere lidstaat geldt en dat de toestand mettertijd kan veranderen naarmate de particuliere sector meer belangstelling krijgt voor dit marktsegment. Overheidsinterventie mag alleen worden toegestaan voor risico’s die de markt anders niet zou dekken.

40.

Om die redenen dient een lidstaat, indien hij de in punt 19, b) of c), van deze mededeling bedoelde risico’s wil dekken, overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag aanmelding te doen bij de Commissie en in zijn aanmelding aan te tonen dat hij contact heeft opgenomen met de belangrijkste kredietverzekeraars en makelaars in die lidstaat (23) en hun de gelegenheid heeft geboden om het bewijs te verschaffen dat aldaar voor de betrokken risico’s dekking beschikbaar is. Indien de betrokken kredietverzekeraars en makelaars binnen 30 dagen na ontvangst van een verzoek daartoe van de betrokken lidstaat, die lidstaat of de Commissie geen gegevens verschaffen over de dekkingsvoorwaarden en verzekerde volumes voor het soort risico’s dat de lidstaat wil dekken of indien uit de verschafte informatie niet blijkt dat voor de betrokken risico’s dekking beschikbaar is in die lidstaat, beschouwt de Commissie de risico’s tijdelijk als onverhandelbaar.

5.4.   Verplichting tot aanmelding in overige gevallen

41.

Wat de in punt 19, d), bedoelde risico’s betreft, moet de betrokken lidstaat in zijn aanmelding bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag aantonen dat geen dekking beschikbaar is voor exporteurs in die lidstaat als gevolg van een aanbodschok op de particuliere verzekeringsmarkt, met name de terugtrekking van een belangrijke kredietverzekeraar uit de betrokken lidstaat, verminderde capaciteit of een ten opzichte van andere lidstaten beperkt productaanbod.

6.   Datum van toepassing en toepassingsduur

42.

De Commissie zal de in deze mededeling vervatte beginselen toepassen vanaf 1 januari 2022, met uitzondering van de lijst van landen in de bijlage, die vanaf 1 april 2022 zal worden toegepast. Tot en met 31 maart 2022 zal de Commissie alle commerciële en politieke risico’s in verband met uitvoer naar alle landen tijdelijk als niet-verhandelbaar beschouwen in overeenstemming met de tijdelijke uitzondering van punt 33 van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (24) en punt 62 van mededeling van de Commissie C(2021) 8442 betreffende de zesde wijziging van de tijdelijke kaderregeling. De Commissie kan te allen tijde besluiten deze mededeling aan te passen wanneer zulks noodzakelijk mocht zijn om met het mededingingsbeleid verband houdende redenen of om rekening te houden met andere beleidsmaatregelen van de Unie en met internationale verplichtingen.

(1)   PB C 281 van 17.9.1997, blz. 4.

(2)   PB C 217 van 2.8.2001, blz. 2.

(3)   PB C 307 van 11.12.2004, blz. 12.

(4)   PB C 325 van 22.12.2005, blz. 22.

(5)   PB C 329 van 7.12.2010, blz. 6.

(6)   PB C 392 van 19.12.2012, blz. 1.

(7)  Punt 18, a), en onderdeel 5.2 van de mededeling van 2012 waren van toepassing vanaf de datum van vaststelling van de mededeling van 2012.

(8)   PB C 398 van 22.12.2012, blz. 6; PB C 372 van 19.12.2013, blz. 1; PB C 28 van 28.1.2015, blz. 1; PB C 215 van 1.7.2015, blz. 1; PB C 244 van 5.7.2016, blz. 1; PB C 206 van 30.6.2017, blz. 1; PB C 225 van 28.6.2018, blz. 1; PB C 457 van 19.12.2018, blz. 9; PB C 401 van 27.11.2019, blz. 3; PB C 101 I van 28.3.2020, blz. 1; PB C 340 I van 13.10.2020, blz. 1; PB C 34 van 1.2.2021, blz. 6.

(9)   PB C 457 van 19.12.2018, blz. 9.

(10)   PB C 224 van 8.7.2020, blz. 2.

(11)  Werkdocument van de diensten van de Commissie — Fitness check of the 2012 State aid modernisation package, railways guidelines and short-term export credit insurance, 30.10.2020, SWD(2020) 257 final.

(12)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(13)  In zijn arrest in zaak C-142/87, België/Commissie, verklaarde het Hof van Justitie dat niet alleen de steun voor uitvoer binnen de Unie, maar ook steun voor uitvoer buiten de Unie het handelsverkeer binnen de Unie kan beïnvloeden. Beide soorten activiteiten worden verzekerd door exportkredietverzekeraars en steun voor beide vormen van uitvoer kan derhalve de mededinging en het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig beïnvloeden.

(14)  Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PB L 374 van 31.12.1991, blz. 7).

(15)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(16)  Voor de betrokken risicocategorie werd de bandbreedte voor de safe-harbourrisicopremie telkens bepaald op basis van de spreads voor eenjaars credit default swaps (cds), gebaseerd op een samengestelde rating bestaande uit de ratings van de drie belangrijkste ratingbureaus (Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch), over de afgelopen vijf jaar (2007-2011), in de aanname dat de gemiddelde verliesratio’s voor kortlopende exportkredietverzekeringen 40 % bedragen. De bandbreedtes werden nadien doorlopend bepaald om beter rekening te houden met het feit dat risicopremies niet constant blijven in de tijd.

(17)  De risicocategorieën van de afnemers zijn gebaseerd op de kredietratings. Er zijn geen ratings van specifieke ratingbureaus nodig. Ook nationale ratingsystemen of door banken gehanteerde ratingsystemen kunnen worden geaccepteerd. Voor ondernemingen zonder publieke rating zou een op verifieerbare gegevens gebaseerde rating kunnen worden toegepast.

(18)  Het percentage van de safe-harbourpremie voor een verzekeringsovereenkomst van 30 dagen kan worden berekend door de jaarlijkse risicopremie te delen door 12.

(19)  De risicocategorie “uitstekend” bevat risico’s die overeenstemmen met de kredietratings AAA, AA+, AA, AA-, A+, A, A- van Standard & Poor’s.

(20)  De risicocategorie “goed” bevat risico’s die overeenstemmen met de kredietratings BBB+, BBB of BBB- van Standard & Poor’s.

(21)  De risicocategorie “bevredigend” bevat risico’s die overeenstemmen met de kredietratings BB+, BB of BB- van Standard & Poor’s.

(22)  De risicocategorie “zwak” bevat risico’s die overeenstemmen met de kredietratings B+, B of B- van Standard & Poor’s.

(23)  De kredietverzekeraars en -makelaars met wie contact wordt opgenomen, dienen representatief te zijn in termen van het productaanbod (bijv. gespecialiseerde aanbieders van dekking tegen eentransactierisico’s) en de omvang van de markt die zij bestrijken (bijv. samen vertegenwoordigen zij een minimumaandeel van 50 % van de markt).

(24)  Mededeling van de Commissie — Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak, C(2020) 1863 van 19.3.2020 (PB C 91 I van 20.3.2020, blz. 1), zoals gewijzigd bij mededelingen van de Commissie C(2020) 2215 (PB C 112 I van 4.4.2020, blz. 1), C(2020) 3156 (PB C 164 van 13.5.2020, blz. 3), C(2020) 4509 (PB C 218 van 2.7.2020, blz. 3), C(2020) 7127 (PB C 340 I van 13.10.2020, blz. 1), C(2021) 564 (PB C 34 van 1.2.2021, blz. 6) en C(2021) 8442 (PB C 473 van 24.11.2021, blz. 1). De punten 24 tot en met 27 en punt 62 van mededeling van de Commissie C(2021) 8442 betreffende de zesde wijziging van de tijdelijke kaderregeling bevatten meer informatie over de tijdelijke uitzondering.


BIJLAGE

Lijst van landen met verhandelbare risico’s

België

Cyprus

Slowakije

Bulgarije

Letland

Finland

Tsjechië

Litouwen

Zweden

Denemarken

Luxemburg

Australië

Duitsland

Hongarije

Canada

Estland

Malta

IJsland

Ierland

Nederland

Japan

Griekenland

Oostenrijk

Nieuw-Zeeland

Spanje

Polen

Noorwegen

Frankrijk

Portugal

Zwitserland

Kroatië

Roemenië

Verenigd Koninkrijk

Italië

Slovenië

Verenigde Staten van Amerika


Rectificaties

30.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/133


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 324 van 10 december 2009 )

Bladzijde 43, artikel 122, lid 1:

in plaats van:

“1.   Behoudens lid 2 zijn de bepalingen van titel II van toepassing zowel op rechtstreeks uit derde landen afkomstige goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven als op goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven nadat zij onder een andere douaneregeling zijn opgeslagen.”,

lezen:

“1.   Behoudens lid 2 zijn de bepalingen van titel II van toepassing zowel op rechtstreeks uit derde landen afkomstige goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven als op goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven nadat zij onder een andere douaneregeling zijn geplaatst.”.