|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
65e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/1 |
WIJZIGINGEN OP DE DOUANEOVEREENKOMST INZAKE HET INTERNATIONALE VERVOER VAN GOEDEREN ONDER DEKKING VAN CARNETS TIR (TIR-OVEREENKOMST VAN 1975)
Volgens de kennisgeving C.N.91.2022.TREATIES-XI.A.16 van de VN-depositaris treden de volgende wijzigingen op de TIR-overeenkomst op 25 juni 2022 in werking voor alle overeenkomstsluitende partijen:
Artikel 18, derde regel
Vervang vier door acht
Voeg een nieuwe zin toe die als volgt luidt: “Douaneautoriteiten kunnen het maximaal aantal douanekantoren van vertrek (of bestemming) op hun grondgebied tot minder dan zeven, maar niet tot minder dan drie beperken.”
Bijlage 1, VERSIE 1, bladzijde 2, van voorblad: Model van carnet TIR, nr. 5, van de “règles relatives à l’utilisation du carnet TIR”
Vervang quatre door huit
Bijlage 1, VERSIE 1, bladzijde 3, van voorblad: Model van carnet TIR, versie 1, nr. 5, van de “rules regarding the use of the TIR Carnet”
Vervang four door eight
Bijlage 1, VERSIE 1, bladzijde 5 (wit), van het model van het carnet TIR, voucher nr. 1
Vervang de bestaande voucher nr. 1 door (1)
Bijlage 1, VERSIE 1, bladzijde 6 (groen), van het model van het carnet TIR, versie 1, voucher nr. 2
Vervang de bestaande voucher nr. 2 door (2)
Bijlage 1, VERSIE 2, bladzijde 2, van voorblad: Model van carnet TIR, nr. 5, van de “règles relatives à l’utilisation du carnet TIR”
Vervang quatre door huit
Bijlage 1, VERSIE 2, bladzijde 3, van voorblad: Model van carnet TIR, versie 1, nr. 5, van de “rules regarding the use of the TIR Carnet”
Vervang four door eight
Bijlage 1, VERSIE 2, bladzijde 12 (wit), van het model van het carnet TIR, voucher nr. 1
Vervang de bestaande voucher nr. 1 door (3)
Bijlage 1, VERSIE 2, bladzijde 13 (groen), van het model van het carnet TIR, voucher nr. 2
Vervang de bestaande voucher nr. 1 door (4)
Bijlage 6, nieuwe toelichting op artikel 18
Voeg nieuwe toelichting 0.18.3 toe
|
0.18.3 |
De Overeenkomstsluitende Partijen maken de informatie over deze beperkingen bekend en stellen het TIR-Uitvoerend Orgaan in kennis, onder meer door middel van een correct gebruik van de elektronische toepassingen die hiertoe zijn ontwikkeld door het TIR-secretariaat onder toezicht van het TIR-Uitvoerend Orgaan. |
GOODS MANIFEST
GOODS MANIFEST
GOODS MANIFEST
GOODS MANIFEST
(1) Zie bladzijden 2 en 3 van dit document.
(2) Zie bladzijden 4 en 5 van dit document.
(3) Zie bladzijden 6 en 7 van dit document.
(4) Zie bladzijden 8 en 9 van dit document.
VERORDENINGEN
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/10 |
VERORDENING (EU) 2022/972 VAN DE RAAD
van 17 juni 2022
tot wijziging van Verordening (EU) 2021/2283 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 31,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om een toereikende en ononderbroken aanvoer te waarborgen van bepaalde landbouw- en industrieproducten die in de Unie in ontoereikende mate worden vervaardigd, en zo verstoringen van de markt voor die producten te voorkomen, zijn bij Verordening (EU) 2021/2283 van de Raad (1) autonome tariefcontingenten van de Unie (“contingenten”) geopend. Binnen de grenzen van deze contingenten kunnen de betrokken producten tegen een verlaagd recht of een nulrecht in de Unie worden ingevoerd. |
|
(2) |
Omdat het in het belang van de Unie is om een passende aanvoer van bepaalde industrieproducten te waarborgen en gelet op het feit dat er in de Unie niet in toereikende mate identieke, gelijkwaardige of vervangende producten worden vervaardigd, moeten er voor een passende hoeveelheid van de producten in kwestie nieuwe contingenten met nulrecht worden geopend met volgnummers 09.2819, 09.2839, 09.2855, 09.2857 en 09.2702. |
|
(3) |
Aangezien de contingenten met volgnummers 09.2583 en 09.2876 ontoereikend zijn geworden om nog langer aan de behoeften van de marktdeelnemers in de Unie te kunnen voldoen, moet de omschrijving van de onder die contingenten vallende producten worden gewijzigd. De vermelding van de toepasselijke Taric-code voor die producten moet daarom worden gewijzigd. |
|
(4) |
Aangezien het niet langer in het belang van de Unie is om de contingenten met volgnummers 09.2637, 09.2679 en 09.2740 te handhaven, moeten die contingenten met ingang van 1 juli 2022 worden gesloten. |
|
(5) |
Gelet op de wijzigingen die moeten worden aangebracht en om redenen van duidelijkheid, moet de bijlage bij Verordening (EU) 2021/2283 worden vervangen. |
|
(6) |
Om te vermijden dat de toepassing van de contingentregeling wordt onderbroken en om te voldoen aan de richtsnoeren die in de mededeling van de Commissie van 13 december 2011 inzake autonome tariefschorsingen en -contingenten zijn vastgesteld, moeten de wijzigingen waarin deze verordening voorziet met betrekking tot de contingenten voor de betrokken producten, toepassing vinden vanaf 1 juli 2022. Deze verordening moet derhalve met spoed in werking treden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EU) 2021/2283 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Luxemburg, 17 juni 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. LE MAIRE
(1) Verordening (EU) 2021/2283 van de Raad van 20 december 2021 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1388/2013 (PB L 458 van 22.12.2021, blz. 33).
BIJLAGE
“BIJLAGE
|
Volgnummer |
GN-code |
TARIC |
Omschrijving |
Contingentperiode |
Omvang van het contingent |
Contingentrecht |
||||||||||||||||||||
|
09.2849 |
ex 0710 80 69 |
10 |
Paddenstoelen van de soort Auricularia polytricha, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, bestemd voor de vervaardiging van “kant-en-klaar maaltijden” (1) (2) |
1.1-31.12 |
700 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2664 |
ex 2008 60 39 |
30 |
Zoete kersen met toegevoegde alcohol, met een suikergehalte van niet meer dan 9 gewichtspercenten, met een diameter van niet meer dan 19,9 mm, met pit, bestemd om te worden verwerkt in chocoladeproducten (1) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
10 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2913 |
ex 2401 10 35 ex 2401 10 70 ex 2401 10 95 ex 2401 10 95 ex 2401 10 95 ex 2401 20 35 ex 2401 20 70 ex 2401 20 95 ex 2401 20 95 ex 2401 20 95 |
91 10 11 21 91 91 10 11 21 91 |
Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak, ook indien in regelmatige vorm gesneden, met een douanewaarde van niet minder dan 450 EUR per 100 kg netto, bestemd om als dekblad of als omblad te worden gebruikt bij de vervaardiging van producten van onderverdeling 2402 10 00 (1) |
1.1-31.12 |
6 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2828 |
2712 20 90 |
|
Paraffine bevattende minder dan 0,75 gewichtspercent olie |
1.1-31.12 |
100 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2600 |
ex 2712 90 39 |
10 |
Olierijke paraffinewas (CAS RN 64742-61-6) |
1.1-31.12 |
100 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2578 |
ex 2811 19 80 |
50 |
Sulfamidezuur (CAS RN 5329-14-6) met een zuiverheid van 95 of meer gewichtspercenten, al dan niet met toevoeging van niet meer dan 5 % antiklontermiddel siliciumdioxide (CAS RN 112926-00-8) |
1.1-31.12 |
27 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2928 |
ex 2811 22 00 |
40 |
Silicavulstof in de vorm van korrels, met een siliciumdioxidegehalte van 97 gewichtspercenten of meer |
1.1-31.12 |
1 700 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2806 |
ex 2825 90 40 |
30 |
Wolfraamtrioxide, met inbegrip van wolfraamoxide(blauw) (CAS RN 1314-35-8 of CAS RN 39318-18-8) |
1.1-31.12 |
12 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2819 |
ex 2833 25 00 |
30 |
Koperhydroxidesulfaat (Cu4(OH)6(SO4)), hydraat (CAS RN 12527-76-3) met een zuiverheid van 98 of meer gewichtspercenten |
1.7-31.12 |
120 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2872 |
ex 2833 29 80 |
40 |
Cesiumsulfaat (CAS RN 10294-54-9), in vaste vorm of als waterige oplossing met meer dan 48 gewichtspercenten, maar niet meer dan 52 gewichtspercenten cesiumsulfaat |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2567 |
ex 2903 22 00 |
10 |
Trichloorethyleen (CAS RN 79-01-6) met een zuiverheid van 99 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
11 885 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2837 |
ex 2903 79 30 |
20 |
Broomchloormethaan (CAS RN 74-97-5) |
1.1-31.12 |
600 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2933 |
ex 2903 99 80 |
30 |
1,3-dichloorbenzeen (CAS RN 541-73-1) |
1.1-31.12 |
2 600 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2700 |
ex 2905 12 00 |
10 |
Propaan-1-ol (propylalcohol) (CAS RN 71-23-8) |
1.1-31.12 |
15 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2830 |
ex 2906 19 00 |
40 |
Cyclopropylmethanol (CAS RN 2516-33-8) |
1.1-31.12 |
20 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2851 |
ex 2907 12 00 |
10 |
O-kresol (CAS RN 95-48-7) met een zuiverheidsgraad van 98,5 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
20 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2704 |
ex 2909 49 80 |
20 |
2,2,2',2'-tetrakis(hydroxymethyl)-3,3'-oxydipropaan-1-ol (CAS RN 126-58-9) |
1.1-31.12 |
500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2565 |
ex 2914 19 90 |
70 |
Calciumacetylacetonaat (CAS RN 19372-44-2) met een zuiverheid van 95 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2852 |
ex 2914 29 00 |
60 |
Cyclopropylmethylketon (CAS RN 765-43-5) |
1.1-31.12 |
300 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2638 |
ex 2915 21 00 |
10 |
Azijnzuur (CAS RN 64-19-7) met een zuiverheid van 99 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
1 000 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2702 |
2915 32 00 |
|
Vinylacetaat (CAS RN 108-05-4) |
1.7-31.12 |
225 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2728 |
ex 2915 90 70 |
85 |
Ethyltrifluoracetaat (CAS RN 383-63-1) |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2665 |
ex 2916 19 95 |
30 |
Kalium-(E,E)-hexa-2,4-dienoaat (CAS RN 24634-61-5) |
1.1-31.12 |
8 250 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2684 |
ex 2916 39 90 |
28 |
2,5-dimethylfenylacetylchloride (CAS RN 55312-97-5) |
1.1-31.12 |
700 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2599 |
ex 2917 11 00 |
40 |
Diethyloxalaat (CAS RN 95-92-1) |
1.1-31.12 |
500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2769 |
ex 2917 13 90 |
10 |
Dimethylsebacaat (CAS RN 106-79-6) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2634 |
ex 2917 19 80 |
40 |
Dodecaandizuur (CAS RN 693-23-2) met een zuiverheid van meer dan 98,5 gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
8 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2808 |
ex 2918 22 00 |
10 |
O-acetylsalicylzuur (CAS RN 50-78-2) |
1.1-31.12 |
120 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2646 |
ex 2918 29 00 |
75 |
Octadecyl 3-(3,5-di-tert-butyl-4-hydroxyfenyl)propionaat (CAS RN 2082-79-3) met:
bestemd voor de vervaardiging van op poedermengsels (poeders of geperste korrels) gebaseerde kant-en-klare stabilisatoren voor de verwerking van pvc (1) |
1.1-31.12 |
380 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2647 |
ex 2918 29 00 |
80 |
Pentaerythritol-tetrakis(3-(3,5-di-tert-butyl-4-hydroxyfenyl)propionaat) (CAS RN 6683-19-8)
bestemd voor de vervaardiging van op poedermengsels (poeders of geperste korrels) gebaseerde kant-en-klare stabilisatoren voor de verwerking van pvc (1) |
1.1-31.12 |
140 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2975 |
ex 2918 30 00 |
10 |
Benzofenon-3,3’,4,4’-tetracarbonzuurdianhydride (CAS RN 2421-28-5) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2688 |
ex 2920 29 00 |
70 |
Tris (2,4-di-tert-butylfenyl)fosfiet (CAS RN 31570-04-4) |
1.1-31.12 |
6 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2598 |
ex 2921 19 99 |
75 |
Octadecylamine (CAS RN 124-30-1) |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2649 |
ex 2921 29 00 |
60 |
Bis(2-dimethylaminoethyl)(methyl)amine (CAS RN 3030-47-5) |
1.1-31.12 |
1 700 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2682 |
ex 2921 41 00 |
10 |
Aniline (CAS RN 62-53-3) met een zuiverheid van 99 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
150 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2617 |
ex 2921 42 00 |
89 |
4-fluor-N-(1-methylethyl)benzeenamine (CAS RN 70441-63-3) |
1.1-31.12 |
500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2602 |
ex 2921 51 19 |
10 |
o-fenyleendiamine (CAS RN 95-54-5) |
1.1-31.12 |
1 800 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2563 |
ex 2922 41 00 |
20 |
L-lysinehydrochloride (CAS RN 657-27-2) of een waterige oplossing van L-lysine (CAS RN 56-87-1), bevattende 50 of meer gewichtspercenten L-lysine |
1.7-31.12 |
122 500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2592 |
ex 2922 50 00 |
25 |
L-threonine (CAS RN 72-19-5) |
1.1-31.12 |
166 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2575 |
ex 2923 90 00 |
87 |
(3-chloor-2-hydroxypropyl)trimethylammoniumchloride (CAS RN 3327-22-8), in de vorm van een waterige oplossing bevattende 65 % of meer, maar niet meer dan 71 % (3-chloor-2-hydroxypropyl)trimethylammoniumchloride |
1.1-31.12 |
19 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2854 |
ex 2924 19 00 |
85 |
3-jodoprop-2-yn-1-yl butylcarbamaat (CAS RN 55406-53-6) |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2874 |
ex 2924 29 70 |
87 |
Paracetamol (INN) (CAS RN 103-90-2) |
1.1-31.12 |
20 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2742 |
ex 2926 10 00 |
10 |
Acrylonitril (CAS RN 107-13-1), bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van goederen bedoeld bij hoofdstuk 55 en post 6815 (1) |
1.1-31.12 |
60 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2583 |
ex 2926 10 00 |
30 |
Acrylonitril (CAS RN 107-13-1), bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van goederen bedoeld bij de posten 2921 , 2924 , 3903 , 3906 , 3908 , 3911 en 4002 (1) |
1.7-31.12 |
20 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2856 |
ex 2926 90 70 |
84 |
2-nitro-4-(trifluormethyl)benzonitril (CAS RN 778-94-9) |
1.1-31.12 |
900 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2708 |
ex 2928 00 90 |
15 |
Monomethylhydrazine (CAS RN 60-34-4) in de vorm van een waterige oplossing met een gehalte aan monomethylhydrazine van 40 (± 5) gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
900 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2581 |
ex 2929 10 00 |
25 |
1,5-naftyleendiisocyanaat (CAS RN 3173-72-6) met een zuiverheid van 90 gewichtspercenten of meer |
1.1-31.12 |
300 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2685 |
ex 2929 90 00 |
30 |
Nitroguanidine (CAS RN 556-88-7) |
1.1-31.12 |
6 500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2597 |
ex 2930 90 98 |
94 |
Bis[3-(triethoxysilyl)propyl]disulfide (CAS RN 56706-10-6) |
1.1-31.12 |
6 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2596 |
ex 2930 90 98 |
96 |
2-chloor-4-(methylsulfonyl)-3-((2,2,2-trifluorethoxy)methyl)benzoëzuur (CAS RN 120100-77-8) |
1.1-31.12 |
300 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2580 |
ex 2931 90 00 |
75 |
Hexadecyltrimethoxysilaan (CAS RN 16415-12-6) met een zuiverheid van ten minste 95 gewichtspercenten of meer, bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van polyethyleen (1) |
1.1-31.12 |
165 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2842 |
2932 12 00 |
|
2-furaldehyde (furfuraldehyde) |
1.1-31.12 |
10 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2696 |
ex 2932 20 90 |
25 |
Decaan-5-olide (CAS RN 705-86-2) |
1.1-31.12 |
6 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2697 |
ex 2932 20 90 |
30 |
Dodecaan-5-olide (CAS RN 713-95-1) |
1.1-31.12 |
6 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2812 |
ex 2932 20 90 |
77 |
Hexaan-6-olide (CAS RN 502-44-3) |
1.1-31.12 |
4 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2858 |
2932 93 00 |
|
Piperonal (CAS RN 120-57-0) |
1.1-31.12 |
220 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2839 |
ex 2933 39 99 |
09 |
2-(2-pyridyl)ethanol (CAS RN 103-74-2) met een zuiverheid van 99 of meer gewichtspercenten |
1.7-31.12 |
350 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2673 |
ex 2933 39 99 |
43 |
2,2,6,6-tetramethylpiperidine-4-ol (CAS RN 2403-88-5) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2880 |
ex 2933 59 95 |
39 |
Ibrutinib (INN) (CAS RN 936563-96-1) |
1.1-31.12 |
5 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2860 |
ex 2933 69 80 |
30 |
1,3,5-tris[3-(dimethylamino)propyl]hexahydro-1,3,5-triazine (CAS RN 15875-13-5) |
1.1-31.12 |
600 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2566 |
ex 2933 99 80 |
05 |
1,4,7,10-tetra-azacyclododecaan (CAS RN 294-90-6) met een zuiverheid van 96 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
60 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2658 |
ex 2933 99 80 |
73 |
5-(acetoacetylamino)benzimidazolon (CAS RN 26576-46-5) |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2593 |
ex 2934 99 90 |
67 |
5-chloorthiofeen-2-carbonzuur (CAS RN 24065-33-6) |
1.1-31.12 |
45 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2675 |
ex 2935 90 90 |
79 |
4-[[(2-methoxybenzoyl)amino]sulfonyl]benzoylchloride (CAS RN 816431-72-8) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2710 |
ex 2935 90 90 |
91 |
2,4,4-trimethylpentaan-2-aminium (3R,5S,6E)-7-{2-[(ethylsulfonyl) amino]-4-(4-fluorfenyl)-6-(propaan-2-yl)pyrimidine-5-yl}-3,5- dihydroxyhept-6-enoaat (CAS RN 917805-85-7) |
1.1-31.12 |
5 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2945 |
ex 2940 00 00 |
20 |
D-xylose (CAS RN 58-86-6) |
1.1-31.12 |
400 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2686 |
ex 3204 11 00 |
75 |
Kleurstof C.I. Disperse Yellow 54 (CAS RN 7576-65-0) en preparaten op basis daarvan met een gehalte aan C.I. Disperse Yellow 54 van 99 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
250 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2676 |
ex 3204 17 00 |
14 |
Preparaten op basis van kleurstof C.I. Pigment Red 48:2 (CAS RN 7023-61-2) met een gehalte daarvan van 60 of meer, maar niet meer dan 85 gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
50 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2698 |
ex 3204 17 00 |
30 |
Kleurstof C.I. Pigment Red 4 (CAS RN 2814-77-9) en preparaten op basis daarvan met een gehalte aan kleurstof C.I. Pigment Red 4 van 60 of meer gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
150 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2659 |
ex 3802 90 00 |
19 |
Met soda flux gecalcineerde diatomeeënaarde |
1.1-31.12 |
35 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2908 |
ex 3804 00 00 |
10 |
Natriumlignosulfonaat (CAS RN 8061-51-6) |
1.1-31.12 |
40 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2889 |
3805 10 90 |
|
Sulfaatterpentijnolie |
1.1-31.12 |
25 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2935 |
ex 3806 10 00 |
10 |
Gomhars |
1.1-31.12 |
280 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2832 |
ex 3808 92 90 |
40 |
Preparaat bevattende 38 gewichtspercenten of meer, maar niet meer dan 50 gewichtspercenten van pyrithionzink (INN) (CAS RN 13463-41-7) op basis van een waterige dispersie |
1.1-31.12 |
500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2876 |
ex 3811 29 00 |
57 |
Additieven, bestaande uit reactieproducten van difenylamine en vertakte nonenen met:
bestemd voor de vervaardiging van smeeroliën (1) |
1.1-31.12 |
900 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2814 |
ex 3815 90 90 |
76 |
Katalysator, bestaande uit titaandioxide en wolfraamtrioxide |
1.1-31.12 |
3 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2644 |
ex 3824 99 92 |
77 |
Bereiding bevattende:
|
1.1-31.12 |
10 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2681 |
ex 3824 99 92 |
85 |
Mengsel van bis(3-triethoxysilylpropyl)sulfiden (CAS RN 211519-85-6) |
1.1-31.12 |
9 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2650 |
ex 3824 99 92 |
87 |
Acetofenon (CAS RN 98-86-2), met een zuiverheid van 60 gewichtspercenten of meer, maar niet meer dan 90 gewichtspercenten |
1.1-31.12 |
2 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2829 |
ex 3824 99 93 |
43 |
Extract van het residu dat is verkregen bij de extractie van colofonium uit hout, in de vorm van een vaste stof, onoplosbaar in alifatische oplosmiddelen, met de volgende kenmerken:
|
1.1-31.12 |
1 600 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2907 |
ex 3824 99 93 |
67 |
Mengsel van plantsterolen in poedervorm, bevattende:
bestemd voor de vervaardiging van stanolen/sterolen of stanol/sterolesters (1) |
1.1-31.12 |
2 500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2568 |
ex 3824 99 96 |
91 |
Mengsel, in korrelvorm, bevattende:
waarvan 75 of meer gewichtspercenten door een zeef met een maaswijdte van 0,60 mm passeren, maar niet meer dan 10 gewichtspercenten door een zeef met een maaswijdte van 0,25 mm passeren (bepaald volgens de methode ASTM D1511) |
1.1-31.12 |
1 500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2820 |
ex 3827 90 00 |
10 |
Mengsel bevattende:
|
1.1-31.12 |
6 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2671 |
ex 3905 99 90 |
81 |
Poly(vinylbutyral) (CAS RN63148-65-2):
|
1.1-31.12 |
12 500 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2846 |
ex 3907 40 00 |
25 |
Polymeermengsel van polycarbonaat en poly(methylmethacrylaat) met een gehalte aan polycarbonaat van 98,5 % of meer, in de vorm van pellets of korrels, met een lichtdoorlaatbaarheid van 88,5 % of meer, gemeten aan de hand van een proefmonster met een dikte van 4 mm bij een golflengte van λ = 400 nm (overeenkomstig ISO 13468-2) |
1.1-31.12 |
2 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2585 |
ex 3907 99 80 |
70 |
Copolymeer van poly(ethyleentereftalaat) en cyclohexaandimethanol, bevattende meer dan 10 gewichtspercenten cyclohexaandimethanol |
1.1-31.12 |
60 000 t |
2 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2855 |
ex 3910 00 00 |
10 |
Vloeibare poly(methylhydrosiloxaan) met eindstandige trimethylsilylgroepen (CAS RN 63148-57-2) met een zuiverheid van 99,9 of meer gewichtspercenten |
1.7-31.12 |
250 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2723 |
ex 3911 90 19 |
10 |
Poly(oxy-1,4-fenyleensulfonyl-1,4-fenyleenoxy-4,4’-bifenyleen) |
1.1-31.12 |
5 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2816 |
ex 3912 11 00 |
20 |
Celluloseacetaatvlokken |
1.1-31.12 |
75 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2573 |
ex 3913 10 00 |
20 |
Natriumalginaat, geëxtraheerd uit bruin zeewier (CAS RN 9005-38-3), met
|
1.1-31.12 |
2 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2641 |
ex 3913 90 00 |
87 |
Natrium hyaluronaat, niet steriel, met:
|
1.1-31.12 |
300 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2661 |
ex 3920 51 00 |
50 |
Platen van polymethylmethacrylaat die voldoen aan de normen :
|
1.1-31.12 |
100 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2645 |
ex 3921 14 00 |
20 |
Blokken met celstructuur van geregenereerde cellulose, gedrenkt in water bevattende magnesiumchloride en quaternaire ammoniumverbindingen, waarvan de afmetingen 100 cm (± 10 cm) × 100 cm (± 10 cm) × 40 cm (± 5 cm) bedragen |
1.1-31.12 |
1 700 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2572 |
ex 5205 26 00 ex 5205 27 00 |
10 10 |
Ruwe witte eendraadsgarens van katoen
|
1.1-31.12 |
50 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2576 |
ex 5208 12 16 |
20 |
Ongebleekte weefsels met platbinding, met:
Van de binnenkant uit bestaat de 15 mm (± 2 mm) brede omgeslagen zelfkant uit een strook van 6 mm of meer, maar niet meer dan 9 mm breed met platbinding en een strook van 6 mm of meer, maar niet meer dan 9 mm breed met panamabinding |
1.1-31.12 |
1 500 000 m2 |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2577 |
ex 5208 12 96 |
20 |
Ongebleekte weefsels met platbinding, met:
Van de binnenkant uit bestaat de 15 mm (± 2 mm) brede omgeslagen zelfkant uit een strook van 6 mm of meer, maar niet meer dan 9 mm breed met platbinding en een strook van 6 mm of meer, maar niet meer dan 9 mm breed met panamabinding |
1.1-31.12 |
2 300 000 m2 |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2848 |
ex 5505 10 10 |
10 |
Afval van synthetische vezels (incl. kammeling en garen afval) van nylon of andere polyamiden (PA6 en PA66). |
1.1-31.12 |
10 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2721 |
ex 5906 99 90 |
20 |
Gegummeerd textielweefsel met inlagen, met de volgende kenmerken:
gebruikt bij de vervaardiging van het opvouwbare dak van motorvoertuigen (1) |
1.1-31.12 |
375 000 m2 |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2866 |
ex 7019 12 00 ex 7019 12 00 |
06 26 |
Stratifils (rovings) van S-glas:
voor gebruik in de vliegtuigbouw (1) |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2628 |
ex 7019 66 00 |
10 |
Gaasweefsel van glasvezels bedekt met kunststof, met een gewicht van 120 g/m2 (± 10 g/m2), van het soort gebruikt voor de vervaardiging van insectenwerende rolhorren of van horren met een vaste omlijsting |
1.1-31.12 |
3 000 000 m2 |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2799 |
ex 7202 49 90 |
10 |
Ferrochroom bevattende 1,5 of meer, doch niet meer dan 4 gewichtspercenten koolstof en niet meer dan 70 gewichtspercenten chroom |
1.1-31.12 |
50 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2652 |
ex 7409 11 00 ex 7410 11 00 |
30 40 |
Folie en stroken van geraffineerd koper, elektrolytisch geproduceerd, met een dikte van 0,015 mm of meer |
1.1-31.12 |
1 020 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2734 |
ex 7409 19 00 |
20 |
Platen of bladen, bestaande uit:
|
1.1-31.12 |
7 000 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2662 |
ex 7410 21 00 |
55 |
Platen:
|
1.1-31.12 |
80 000 m2 |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2835 |
ex 7604 29 10 |
30 |
Staven van aluminiumlegering met een diameter van 300,1 mm of meer, maar niet meer dan 533,4 mm |
1.1-31.12 |
1 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2736 |
ex 7607 11 90 ex 7607 11 90 ex 7607 11 90 ex 7607 11 90 |
75 77 78 79 |
Stroken of folie van een legering van aluminium en magnesium:
bestemd voor de vervaardiging van lamellen voor jaloezieën (1) |
1.1-31.12 |
600 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2722 |
8104 11 00 |
|
Ruw magnesium, bevattende 99,8 of meer gewichtspercenten magnesium |
1.1-31.12 |
120 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2840 |
ex 8104 30 00 |
20 |
Magnesiumpoeder:
|
1.1-31.12 |
2 000 t |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2629 |
ex 8302 49 00 |
91 |
Telescopische handgrepen van aluminium, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van reisartikelen (1) |
1.1-31.12 |
1 500 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2720 |
ex 8413 91 00 |
50 |
Pompkop voor hogedrukpomp met twee cilinders, gemaakt van gesmeed staal, met:
van de soort die wordt gebruikt in dieselinspuitsystemen |
1.1-31.12 |
65 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2569 |
ex 8414 90 00 |
80 |
Behuizing voor turbocompressorwiel, van gegoten aluminiumlegering of gietijzer:
bestemd voor gebruik in de automobielindustrie (1) |
1.1-31.12 |
4 000 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2570 |
ex 8482 91 90 |
10 |
Rollichamen met een logaritmisch profiel en een diameter van 25 mm of meer, maar niet meer dan 70 mm, of kogels met een diameter van 30 mm, maar niet meer dan 100 mm,
bestemd voor gebruik in de windturbine-industrie (1) |
1.1-31.12 |
600 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2738 |
ex 8482 99 00 |
30 |
Messing kooien met de volgende kenmerken:
van de soort bestemd voor de vervaardiging van kogellagers |
1.1-31.12 |
50 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2857 |
ex 8482 99 00 |
50 |
Binnen- en buitenringen van staal, niet geslepen, buitenring met een inwendige loopbaan, binnenring met een uitwendige loopbaan, met uitwendige diameters van:
|
1.7-31.12 |
10 000 000 kg |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2763 |
ex 8501 40 20 ex 8501 40 80 |
40 30 |
Elektrische eenfasewisselstroomcollectormotor met een uitgaand vermogen van 250 W of meer, een toegevoerd vermogen van 700 W of meer maar niet meer dan 2 700 W, een buitendiameter van meer dan 120 mm (± 0,2 mm) maar niet meer dan 135 mm (± 0,2 mm), een nominaal toerental van meer dan 30 000 tpm maar niet meer dan 50 000 tpm, uitgerust met een luchtaanzuigventilator, bestemd voor gebruik bij de fabricage van stofzuigers (1) |
1.1-31.12 |
2 000 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2672 |
ex 8529 90 92 ex 9405 42 31 |
75 70 |
Printplaat met leds:
bestemd voor de vervaardiging van achtergrondverlichtingsmodules voor goederen van post 8528 (1) |
1.1-31.12 |
115 000 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2574 |
ex 8537 10 91 |
73 |
Multifunctioneel toestel (instrumentenpaneel) met
bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van personenauto’s met enkel een elektromotor voor voortbeweging van GS-onderverdeling 8703 80 (1) |
1.1-31.12 |
66 900 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2003 |
ex 8543 70 90 |
63 |
Spanningsgestuurde frequentiegeneratoren, bestaande uit actieve en passieve elementen aangebracht op een gedrukte schakeling, geborgen in een omhulling waarvan de afmetingen niet meer dan 30 mm × 30 mm bedragen |
1.1-31.12 |
1 400 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2910 |
ex 8708 99 97 |
75 |
Bevestigingssteun, vervaardigd uit een aluminiumlegering, met montagegaten, al dan niet met bevestigingsmoeren, om de versnellingsbak indirect aan de carrosserie te bevestigen, bestemd voor de vervaardiging van goederen bedoeld bij hoofdstuk 87 (1) |
1.1-31.12 |
200 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2694 |
ex 8714 10 90 |
30 |
Asklemmen, behuizingen, vorkbruggen en klemstukken, van een aluminiumlegering, van de soort gebruikt voor motorfietsen |
1.1-31.12 |
1 000 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2668 |
ex 8714 91 10 ex 8714 91 10 ex 8714 91 10 |
21 31 75 |
Fietsframes, vervaardigd van koolstofvezels en kunsthars, bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van fietsen (inclusief elektrische fietsen) (1) |
1.1-31.12 |
600 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2564 |
ex 8714 91 10 ex 8714 91 10 ex 8714 91 10 |
25 35 77 |
Frame, vervaardigd van aluminium of aluminium- en carbonvezels en kunsthars, bestemd voor de vervaardiging van fietsen (met inbegrip van elektrische fietsen) (1) |
1.1-31.12 |
9 600 000 stuks |
0 % |
||||||||||||||||||||
|
09.2579 |
ex 9029 20 31 ex 9029 90 00 |
40 40 |
Geclusterd instrumentenpaneel met:
bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van goederen bedoeld bij hoofdstuk 87 (1) |
1.1-31.12 |
160 000 stuks |
0 % |
(1) Schorsing van rechten is onderworpen aan douanetoezicht in het kader van de regeling bijzondere bestemming overeenkomstig artikel 254 van Verordening (EU) nr. 952/2013.
(2) De schorsing van de douanerechten is echter niet van toepassing indien de behandeling wordt verricht door de kleinhandel of door horecabedrijven.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/29 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/973 VAN DE COMMISSIE
van 14 maart 2022
tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad door criteria inzake agronomische efficiëntie en veiligheid vast te leggen voor het gebruik van bijproducten in EU-bemestingsproducten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (1), en met name artikel 42, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2019/1009 bevat voorschriften voor het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten. EU-bemestingsproducten bevatten bestanddelen van een of meer van de in bijlage II bij die verordening vermelde categorieën. Overeenkomstig bestanddelencategorie (“CMC”) 11 van die bijlage mogen EU-bemestingsproducten bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), met enkele uitzonderingen, bevatten, die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) moeten worden geregistreerd. |
|
(2) |
Op grond van artikel 42, lid 7, van Verordening (EU) 2019/1009 moet de Commissie punt 3 van CMC 11 in deel II van bijlage II aanvullen door criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid vast te leggen voor het gebruik van bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG in EU-bemestingsproducten. De Commissie heeft in dat verband het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) opdracht gegeven een wetenschappelijke advies (4) op te stellen. |
|
(3) |
Bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG zijn een zeer heterogene categorie stoffen. Deze stoffen zijn zowel fysisch als chemisch verschillend en worden tijdens verschillende productieprocessen verkregen. In deze verordening worden de bijproducten op basis van hun agronomische efficiëntie in twee categorieën onderverdeeld. De eerste categorie omvat bijproducten die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren. De tweede categorie omvat bijproducten die in kleinere concentraties als technische toevoegingsmiddelen worden gebruikt. Hoewel zij niet rechtstreeks verband houden met de nutriënten of de voedingsefficiëntie, verbeteren zij de kwaliteit van het bemestingsproduct of maken zij het veiliger om te hanteren. |
|
(4) |
Voor de eerste categorie heeft het JRC bijproducten geïdentificeerd die in uiteenlopende productieprocessen worden verkregen en die ammoniumzouten, sulfaatzouten, fosfaatzouten, elementaire zwavel, calciumcarbonaat en calciumoxide bevatten. Om ervoor te zorgen dat die bijproducten een duidelijke agronomische waarde hebben en geen nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu creëren, moet een strenge zuiverheidsvereiste worden vastgesteld. |
|
(5) |
Voor de tweede categorie stelt het JRC voor om het gebruik van bijproducten als technische toevoegingsmiddelen toe te staan, zoals verhardings-, bind- of vulmiddelen of middelen om verstuiving tegen te gaan en de gezondheid van gebruikers beter te beschermen. Om ervoor te zorgen dat het gebruik van dergelijke bijproducten geen nadelige gevolgen voor de algehele agronomische efficiëntie van het EU-bemestingsproduct of voor de menselijke gezondheid of het milieu heeft, moet een maximumconcentratie in het uiteindelijke EU-bemestingsproduct worden vastgesteld. |
|
(6) |
Daarnaast heeft het JRC de meest gebruikte bijproducten volgens de bestaande praktijken beoordeeld. Die bijproducten zijn geselecteerd op basis van hun marktpotentieel, de beschikbare gegevens, hun huidige wettelijke situatie, hun gebruiksgeschiedenis en hun duidelijke agronomische waarde alsook op basis van hoe eenvoudig het was veiligheidscriteria te ontwikkelen gezien de beperkte tijd die voor de beoordeling beschikbaar was. De geïdentificeerde bijproducten zijn moederloog uit de reactie van 5(β-methyl-thioethyl)-hydantoïne met kaliumcarbonaat in het productieproces voor methionine, residuen van de verwerking en zuivering van mineralen en ertsen, post-distillatievloeistof van het Solvay-proces, calciumcarbide van de productie van acetyleen, ijzerhoudende slakken, metaalzouten van de verwerking van ertsconcentraten en de oppervlaktebehandeling van metalen, en humuszuur en fulvozuur van de ontkleuring van drinkwater. Het gebruik van deze bijproducten in EU-bemestingsproducten moet mogelijk zijn zonder naleving van beperkende zuiverheidsniveaus voor de eerste categorie bijproducten, of voor het toegestane doel en in de toegestane maximumconcentratie voor de tweede categorie bijproducten. De reden hiervoor is dat deze bijproducten duidelijk geïdentificeerd zijn, waardoor het JRC hun agronomische waarde en alle mogelijke specifieke risico’s grondig kon analyseren. |
|
(7) |
Daarnaast moeten de overeenkomstige aanvullende veiligheidscriteria voor het gebruik van bijproducten worden vastgesteld. |
|
(8) |
Sommige van die bijproducten moeten voldoen aan veiligheidscriteria die het gehalte aan contaminanten en andere zorgwekkende stoffen beperken en die worden toegepast naast de criteria die in bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 voor de overeenkomstige productfunctiecategorie zijn vastgesteld, onverminderd Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad (5). |
|
(9) |
Voor de contaminanten totaal chroom, thallium en vanadium moeten extra grenswaarden worden vastgesteld. Sommige bijproducten kunnen die contaminanten bevatten als gevolg van de specifieke kenmerken van de productieprocessen waarbij zij worden verkregen. De voor die contaminanten voorgestelde grenswaarden moeten ervoor zorgen dat het gebruik van EU-bemestingsproducten die bijproducten met die contaminanten bevatten, niet tot accumulatie ervan in de bodem leidt. De grenswaarden voor die contaminanten moeten als een gehalte in het eindproduct worden vastgesteld, in overeenstemming met de in bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 vastgestelde eisen. Dit is gerechtvaardigd aangezien veiligheidscriteria die naar aanleiding van specifieke aangeduide risico’s worden ingevoerd, doorgaans betrekking hebben op het eindproduct en niet op een bestanddeel. Dit maakt de conformiteitsbeoordeling van en het markttoezicht op die producten gemakkelijker, aangezien alleen het eindproduct moet worden getest. |
|
(10) |
Residuen van de verwerking of zuivering van sedimentair fosfaaterts bevatten van nature voorkomende radionucliden. Om het veilige gebruik van die bijproducten in EU-bemestingsproducten te waarborgen moeten maximale toegestane niveaus van activiteitsconcentratiewaarden worden vastgesteld voor van nature voorkomende radionucliden van de uranium- en thoriumreeksen in EU-bemestingsproducten die die materialen bevatten. |
|
(11) |
Daarnaast moeten aanvullende veiligheidscriteria worden vastgesteld om het gehalte aan 16 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16) (6) en polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF) (7) te beperken. Verordening (EU) 2019/1021 bevat beperkingen voor de vrijkoming voor PAK16 en PCDD/PCDF als stoffen die tijdens productieprocessen onbedoeld worden geproduceerd, maar bevat geen grenswaarde voor die gevallen. Gezien het grote risico dat de aanwezigheid van die verontreinigende stoffen in bemestingsproducten vormt, moeten strengere voorschriften worden ingevoerd dan die welke in die verordening zijn vastgesteld. Om de samenhang met Verordening (EU) 2019/1021 te waarborgen, moeten die grenswaarden op het niveau van de bestanddelen worden vastgesteld en niet als concentratie in het eindproduct. |
|
(12) |
De grenswaarden voor contaminanten, PAK16 en PCDD/PCDF zijn mogelijk niet in alle gevallen relevant. Fabrikanten moeten derhalve de mogelijkheid hebben om er zonder controle, bijvoorbeeld door middel van tests, van uit te gaan dat het bemestingsproduct aan een bepaalde eis voldoet wanneer de naleving van die eis zeker en onweerlegbaar voortvloeit uit de aard of het productieproces van het tot CMC 11 behorende bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat dat bijproduct bevat. |
|
(13) |
Sommige bijproducten kunnen seleen bevatten, dat in hoge concentraties giftig kan zijn. Daarnaast kunnen sommige bijproducten ook chloride bevatten, dat tot bezorgdheid over het zoutgehalte in de bodem kan leiden. Wanneer die stoffen aanwezig zijn in concentraties die een bepaalde grenswaarde overschrijden, moet het gehalte van die stoffen op het etiket worden vermeld, zodat de gebruikers van het bemestingsproduct goed worden geïnformeerd. |
|
(14) |
Aangezien Verordening (EU) 2019/1009 met ingang van 16 juli 2022 volledig van toepassing zal zijn, moet de toepassing van deze verordening tot dezelfde datum worden uitgesteld, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Bijproducten van de bestanddelencategorie (CMC) 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren, voldoen aan de volgende criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid:
|
a) |
de droge stof van de bijproducten bestaat voor ten minste 95 % uit ammoniumzouten, sulfaatzouten, fosfaatzouten, elementaire zwavel, calciumcarbonaat of calciumoxide, of mengsels daarvan; |
|
b) |
zij worden geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces waarvoor als uitgangsmateriaal andere stoffen en mengsels worden gebruikt dan dierlijke bijproducten of afgeleide producten die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8) vallen; |
|
c) |
zij bevatten een gehalte aan organische koolstof (Corg) van maximaal 0,5 % van de droge stof van het bijproduct; |
|
d) |
zij bevatten maximaal 6 mg/kg droge stof polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16) (9); |
|
e) |
zij bevatten maximaal 20 ng WHO-toxiciteitsequivalenten (10)/kg droge stof polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF) (11). |
Een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren, bevat maximaal:
|
a) |
400 mg/kg droge stof totaal chroom (Cr); |
|
b) |
2 mg/kg droge stof thallium (Tl). |
2. Bijproducten van CMC 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die als technische toevoegingsmiddelen worden gebruikt, voldoen aan de volgende criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid:
|
a) |
zij worden gebruikt om de veiligheid en agronomische efficiëntie van het EU-bemestingsproduct te verbeteren; |
|
b) |
hun totale concentratie in het EU-bemestingsproduct bedraagt maximaal 5 massaprocent; |
|
c) |
zij bevatten maximaal 6 mg/kg droge stof polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16); |
|
d) |
zij bevatten maximaal 20 ng WHO-toxiciteitsequivalenten (12)/kg droge stof polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF). |
Artikel 2
1. De in artikel 1 vastgestelde criteria zijn niet van toepassing op bijproducten van CMC 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die een van de volgende producten zijn:
|
a) |
moederloog uit de reactie van 5(β-methyl-thioethyl)-hydantoïne met kaliumcarbonaat in het productieproces voor methionine; |
|
b) |
residuen van de verwerking en zuivering van mineralen en ertsen, indien zij calciumcarbonaten, magnesiumcarbonaten, calciumsulfaten, magnesiumoxide, fosfaatzouten en/of in water oplosbare zouten van kalium, magnesium of natrium bevatten in een totaalgehalte van meer dan 60 % van de droge stof van de residuen; |
|
c) |
post-distillatievloeistof van het Solvay-proces; |
|
d) |
calciumcarbide van de productie van acetyleen; |
|
e) |
ijzerhoudende slakken; |
|
f) |
stoffen verkregen uit de verwerking van ertsconcentraten en de oppervlaktebehandeling van metalen die ten minste 2 massaprocent di- of trivalente overgangsmetaalkationen (zink (Zn), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn) of kobalt (Co)) bevatten in oplossing; |
|
g) |
humuszuur en fulvozuur van de ontkleuring van drinkwater. |
2. De activiteitsconcentratiewaarde van van nature voorkomende radionucliden van de U-238- en Th-232-reeksen in een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit residuen van de verwerking of zuivering van sedimentair fosfaaterts zoals bedoeld in lid 1, punt b), bedraagt maximaal 1 kBq/kg van het product.
3. Een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit in de punten e) en f) van het eerste lid bedoelde bijproducten, bevat maximaal:
|
a) |
400 mg/kg droge stof totaal chroom (Cr); |
|
b) |
2 mg/kg droge stof thallium (Tl); |
|
c) |
600 mg/kg droge stof vanadium (V). |
Artikel 3
Indien de naleving van een bepaalde eis die in artikel 1, lid 1, eerste alinea, punten d) en e), artikel 1, lid 1, tweede alinea, artikel 1, lid 2, punten c) en d), en artikel 2, leden 2 en 3, is vastgesteld, zeker en onweerlegbaar voortvloeit uit de aard of het productieproces van het bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat een bijproduct bevat, naargelang het geval, kan er, op verantwoordelijkheid van de fabrikant, bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure zonder controle (bijvoorbeeld door middel van tests) van uit worden gegaan dat die eis inderdaad is nageleefd.
Artikel 4
1. Wanneer een EU-bemestingsproduct geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, eerste alinea, punten b) tot en met f), en een gehalte aan seleen (Se) van meer dan 10 mg/kg droge stof bevat, wordt het seleengehalte vermeld.
2. Wanneer een EU-bemestingsproduct geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, eerste alinea, punten b), c) en g), en een gehalte aan chloride (Cl) van meer dan 30 g/kg droge stof bevat, wordt het chloridegehalte vermeld, tenzij het EU-bemestingsproduct is geproduceerd door middel van een productieproces waarbij stoffen of mengsels die chloride bevatten, zijn gebruikt voor de productie of opname van zouten van alkali- en aardalkalimetalen en overeenkomstig bijlage III informatie over deze zouten wordt verstrekt.
3. Wanneer het gehalte aan seleen of chloride overeenkomstig lid 1 of lid 2 wordt vermeld, wordt het duidelijk gescheiden van de nutriëntendeclaratie en kan het als verschillende waarden worden uitgedrukt.
4. Wanneer uit de aard of het productieproces van het bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat een bijproduct bevat, naargelang het geval, zeker en onweerlegbaar voortvloeit dat een EU-bemestingsproduct minder seleen of chloride bevat dan de in de leden 1 en 2 vastgestelde grenswaarden, hoeft het etiket geen informatie over deze parameters te bevatten, en dit zonder controle (bijvoorbeeld door middel van tests) en op verantwoordelijkheid van de fabrikant.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing met ingang van 16 juli 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 maart 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1.
(2) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(3) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(4) Huygens, D., Saveyn, H.G.M., Technical proposals for by-products and high purity materials as component materials for EU Fertilising Products, JRC128459, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2022.
(5) Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45).
(6) De som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen.
(7) De som van 2,3,7,8-TCDD; 1,2,3,7,8-PeCDD; 1,2,3,4,7,8-HxCDD; 1,2,3,6,7,8-HxCDD; 1,2,3,7,8,9-HxCDD; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD; OCDD; 2,3,7,8-TCDF; 1,2,3,7,8-PeCDF; 2,3,4,7,8-PeCDF; 1,2,3,4,7,8-HxCDF; 1,2,3,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,7,8,9-HxCDF; 2,3,4,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF; 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF; en OCDF.
(8) Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).
(9) De som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen.
(10) Van den Berg, M., L.S. Birnbaum, M. Denison, M. De Vito, W. Farland, et al. (2006), The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds, Toxicological sciences: an official journal of the Society of Toxicology 93:223-241, doi:10.1093/toxsci/kfl055
(11) De som van 2,3,7,8-TCDD; 1,2,3,7,8-PeCDD; 1,2,3,4,7,8-HxCDD; 1,2,3,6,7,8-HxCDD; 1,2,3,7,8,9-HxCDD; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD; OCDD; 2,3,7,8-TCDF; 1,2,3,7,8-PeCDF; 2,3,4,7,8-PeCDF; 1,2,3,4,7,8-HxCDF; 1,2,3,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,7,8,9-HxCDF; 2,3,4,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF; 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF; en OCDF.
(12) Van den Berg, M., L.S. Birnbaum, M. Denison, M. De Vito, W. Farland, et al. (2006), The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds, Toxicological sciences: an official journal of the Society of Toxicology 93:223-241, doi:10.1093/toxsci/kfl055.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/34 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/974 VAN DE COMMISSIE
van 16 juni 2022
tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Cidre du Perche/Perche” (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de naam “Cidre du Perche/Perche” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Cidre du Perche/Perche” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam “Cidre du Perche/Perche” (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.8 (Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 juni 2022.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 100 van 1.3.2022, blz. 43.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/35 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/975 VAN DE COMMISSIE
van 17 maart 2022
tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft de verlenging van de in artikel 14, lid 2, van die verordening vastgestelde overgangsregeling en tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft de toepassingsdatum van die verordening
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s) (1), en met name artikel 8, lid 5, en artikel 10, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 1286/2014 stelt uniforme regels vast aangaande de vorm en de inhoud van het door priip-ontwikkelaars op te stellen essentiële-informatiedocument alsmede aangaande de verstrekking van het essentiële-informatiedocument aan retailbeleggers teneinde retailbeleggers in staat te stellen de essentiële kenmerken en risico’s van een priip te begrijpen en te vergelijken. Ingevolge artikel 32, lid 1, van die verordening waren beheermaatschappijen als omschreven in artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), beleggingsmaatschappijen van artikel 27 van die richtlijn en personen die advies verlenen over rechten van deelneming in icbe’s als bedoeld in artikel 1, lid 2, van die richtlijn of rechten van deelneming in icbe’s verkopen, echter van de verplichtingen op grond van deze verordening vrijgesteld tot 31 december 2021. Wanneer een lidstaat voorschriften betreffende de vorm en de inhoud van het essentiële-informatiedocument, als vastgesteld in de artikelen 78 tot en met 81 van Richtlijn 2009/65/EG, toepast op niet-icbe-fondsen die aan retailbeleggers worden aangeboden, geldt de overgangsregeling in artikel 32, lid 1, van die verordening voor beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen en personen die retailbeleggers over rechten van deelneming in dergelijke fondsen advies verlenen of dergelijke rechten van deelneming verkopen. Verordening (EU) 2021/2259 van het Europees Parlement en de Raad (3) wijzigde Verordening (EU) nr. 1286/2014 om die overgangsregeling te verlengen tot en met 31 december 2022. |
|
(2) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 van de Commissie (4), die is vastgesteld op grond van de artikelen 8, lid 5, 10, lid 2, en 13, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1286/2014, stelt regels vast voor de presentatie, de inhoud, de evaluatie en de herziening van essentiële-informatiedocumenten en de voorwaarden voor het voldoen aan het vereiste om dergelijke documenten te verstrekken. Volgens artikel 14, lid 2, van die gedelegeerde verordening kunnen priip-ontwikkelaars tot en met 31 december 2019 het document met essentiële beleggersinformatie opgesteld in overeenstemming met de artikelen 78 tot en met 81 van Richtlijn 2009/65/EG gebruiken om specifieke informatie voor de toepassing van de artikelen 11 tot en met 13 van die gedelegeerde verordening te verstrekken, in plaats van het in die gedelegeerde verordening bedoelde essentiële-informatiedocument, als ten minste één van de onderliggende beleggingsopties als bedoeld in artikel 14, lid 1, van die verordening een icbe- of niet-icbe-fonds is als bedoeld in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014. Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1866 van de Commissie (5) verlengde die overgangsregeling tot en met 31 december 2021, en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 van de Commissie (6) wijzigde Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 om die overgangsregeling nogmaals te verlengen, tot en met 30 juni 2022. |
|
(3) |
Aangezien Verordening (EU) 2021/2259 de in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014 bedoelde overgangsregeling nu heeft verlengd tot en met 31 december 2022, moet die verlenging ook worden opgenomen in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653, en moet de overgangsregeling verder worden verlengd, van 30 juni 2022 tot en met 31 december 2022. Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Er moet ook worden bepaald dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 pas van toepassing wordt op de dag nadat de in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014 bedoelde overgangsregeling afloopt. De in artikel 2, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 vastgestelde datum moet dus worden vervangen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653
In artikel 18 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 wordt de derde alinea vervangen door:
“Artikel 14, lid 2, is van toepassing tot en met 31 december 2022.”.
Artikel 2
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268
In artikel 2, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 wordt “1 juli 2022” vervangen door “1 januari 2023”.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 maart 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1.
(2) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(3) Verordening (EU) 2021/2259 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1286/2014 wat betreft de verlenging van de overgangsregeling voor beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen en personen die advies geven over rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en niet-icbe’s of die verkopen (PB L 455 van 20.12.2021, blz. 1).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 van de Commissie van 8 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip’s) door de vaststelling van technische reguleringsnormen voor de presentatie, de inhoud, de evaluatie en de herziening van essentiële-informatiedocumenten en de voorwaarden voor het voldoen aan het vereiste om dergelijke documenten te verstrekken (PB L 100 van 12.4.2017, blz. 1).
(5) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1866 van de Commissie van 3 juli 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 om de overgangsregeling voor PRIIP-producenten die rechten van deelneming in fondsen van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad als onderliggende beleggingsoptie aanbieden op de verlengde vrijstellingstermijn, op grond van dat artikel af te stemmen (PB L 289 van 8.11.2019, blz. 4).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2268 van de Commissie van 6 september 2021 tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 van de Commissie vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft de onderliggende methodologie voor en de presentatie van prestatiescenario’s, de presentatie van kosten en de methodologie voor de berekening van samenvattende kostenindicatoren, de presentatie en inhoud van informatie over prestaties in het verleden en de presentatie van kosten door verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip’s) die een scala van beleggingsopties bieden, en de afstemming van de overgangsregeling van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad voor priip-ontwikkelaars die rechten van deelneming in fondsen als onderliggende beleggingsopties aanbieden, op de in dat artikel vastgestelde verlengde overgangsregeling (PB L 455 I van 20.12.2021, blz. 1).
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/38 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/976 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2022
tot wijziging van de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de gegevens voor Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de lijsten van derde landen waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 230, lid 1, artikel 232, lid 1, en artikel 232, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, afkomstig moeten zijn uit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, dat/die overeenkomstig artikel 230, lid 1, van die verordening in een lijst is opgenomen. |
|
(2) |
In Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (2) zijn de diergezondheidsvoorschriften vastgesteld waaraan zendingen van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones of, in het geval van aquacultuurdieren, compartimenten daarvan, moeten voldoen om de Unie binnen te komen. |
|
(3) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie (3) zijn de lijsten van derde landen of gebieden, of zones of compartimenten daarvan, vastgesteld waaruit de binnenkomst in de Unie van de soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die binnen het toepassingsgebied van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 vallen, is toegestaan. |
|
(4) |
Meer in het bijzonder bevatten de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 de lijsten van derde landen of gebieden, of zones daarvan, waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee en levende producten van pluimvee, respectievelijk van zendingen vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan. |
|
(5) |
Canada heeft de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee in de provincie Saskatchewan, Canada, die op 4 mei 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) is bevestigd. |
|
(6) |
Daarnaast heeft Canada de Commissie in kennis gesteld van twee uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee in de provincie British Columbia, Canada, die op 4 juni 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) zijn bevestigd. |
|
(7) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza nabij Southwell, Newark and Sherwood, Nottinghamshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 19 mei 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) is bevestigd. |
|
(8) |
Daarnaast heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza nabij Bexhill-on-Sea, Rother, East Sussex, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 15 juni 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) is bevestigd. |
|
(9) |
De Verenigde Staten hebben de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee in de staat North Dakota, Verenigde Staten, die op 6 juni 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) is bevestigd. |
|
(10) |
Daarenboven hebben de Verenigde Staten de Commissie in kennis gesteld van drie uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee: één uitbraak bevindt zich in de staat Colorado, Verenigde Staten, een andere uitbraak bevindt zich in de staat Indiana, Verenigde Staten en een bijkomende uitbraak bevindt zich in de staat Washington, Verenigde Staten, en al deze uitbraken zijn op 7 juni 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd. |
|
(11) |
Naar aanleiding van die uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza hebben de veterinaire autoriteiten van Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten een controlegebied met een straal van 10 km rond de getroffen inrichtingen ingesteld en een ruimingsbeleid ingevoerd om de aanwezigheid van hoogpathogene aviaire influenza te bestrijden en de verspreiding van die ziekte te beperken. |
|
(12) |
Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben de Commissie informatie verstrekt over de epidemiologische situatie op hun grondgebied en de maatregelen die zij hebben genomen ter voorkoming van de verdere verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza. De Commissie heeft die informatie geëvalueerd. Op basis van die evaluatie en ter bescherming van de diergezondheidsstatus van de Unie mag de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild uit de gebieden waarvoor door de veterinaire autoriteiten van Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten beperkende maatregelen zijn vastgesteld in verband met de recente uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza, niet langer worden toegestaan. |
|
(13) |
Bovendien heeft Canada geactualiseerde informatie ingediend over de epidemiologische situatie op zijn grondgebied in verband met een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza in pluimveebedrijven in de provincie Nova Scotia, Canada, die op 8 februari 2022 is bevestigd. Canada heeft ook informatie ingediend over de maatregelen die het heeft genomen om de verdere verspreiding van die ziekte te voorkomen. Naar aanleiding van deze uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza heeft Canada meer bepaald een ruimingsbeleid gevoerd om die ziekte te bestrijden en de verspreiding ervan te beperken. Daarnaast heeft Canada na de ruiming de vereiste reiniging en ontsmetting op de getroffen pluimveebedrijven op zijn grondgebied voltooid. |
|
(14) |
Verder heeft het Verenigd Koninkrijk geactualiseerde informatie ingediend over de epidemiologische situatie op zijn grondgebied in verband met tien uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in pluimveebedrijven: één uitbraak nabij Alford, East Lindsey, Lincolnshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 16 december 2021 is bevestigd, één uitbraak nabij Washington, Sunderland, Tyne & Wear, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 11 december 2021 is bevestigd, één uitbraak nabij Mablethorpe, East Lindsey, Lincolnshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 31 december 2021 is bevestigd, één uitbraak nabij Eton, Windsor & Maidenhead, Berkshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 2 januari 2022 is bevestigd, één uitbraak nabij Alford, East Lindsey, Lincolnshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 3 januari 2022 is bevestigd, één uitbraak nabij Upholland, West Lancashire, Lancashire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 7 januari 2022 is bevestigd, één uitbraak nabij Byker, Newcastle Upon Tyne, Tyne & Wear, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 25 januari 2022 is bevestigd, één uitbraak nabij Bishop’s Waltham, Winchester, Hampshire, Engeland, Verenigd Koninkrijk, die op 4 februari 2022 is bevestigd, één uitbraak nabij Welshpool, Montgomeryshire, Powys, Wales, Verenigd Koninkrijk, die op 21 februari 2022 is bevestigd en één uitbraak nabij Collieston, Aberdeenshire, Schotland, Verenigd Koninkrijk, die op 11 maart 2022 is bevestigd. Het Verenigd Koninkrijk heeft ook informatie ingediend over de maatregelen die het heeft genomen om de verdere verspreiding van die ziekte te voorkomen. Naar aanleiding van deze uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza heeft het Verenigd Koninkrijk meer bepaald een ruimingsbeleid gevoerd om die ziekte te bestrijden en de verspreiding ervan te beperken. Daarnaast heeft het Verenigd Koninkrijk na de ruiming de vereiste reiniging en ontsmetting op de getroffen pluimveebedrijven op zijn grondgebied voltooid. |
|
(15) |
De Commissie heeft de door Canada en het Verenigd Koninkrijk ingediende informatie geëvalueerd en is tot de conclusie gekomen dat de uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in pluimveebedrijven voorbij zijn en dat er geen risico meer bestaat in verband met de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten uit de gebieden van Canada en het Verenigd Koninkrijk waaruit de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten als gevolg van die uitbraak was opgeschort. |
|
(16) |
De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten daarom worden gewijzigd om rekening te houden met de huidige epidemiologische situatie ten aanzien van hoogpathogene aviaire influenza in Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Verordening (EU) 2021/404 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(17) |
Rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten ten aanzien van hoogpathogene aviaire influenza en het ernstige risico op het binnenbrengen ervan in de Unie, moeten de wijzigingen die door deze verordening in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten worden aangebracht, met spoed in werking treden. |
|
(18) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 1).
BIJLAGE
De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage XIV, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/55 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/977 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2022
tot aanvaarding van twee verzoeken om behandeling als nieuwe producent-exporteur met betrekking tot de definitieve antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 van de Commissie
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 van de Commissie van 24 februari 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China (2), en met name artikel 2,
Overwegende hetgeen volgt:
A. GELDENDE MAATREGELEN
|
(1) |
Op 29 november 2010 heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010 (3) (“de oorspronkelijke verordening”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op garens met een hoge sterktegraad van polyesters (“het betrokken product”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC”). |
|
(2) |
Op 26 februari 2017 heeft de Commissie naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 met nog eens vijf jaar verlengd. |
|
(3) |
In het kader van het onderzoek dat tot de instelling van antidumpingrechten (“het oorspronkelijke onderzoek”) heeft geleid, was overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef van de producenten-exporteurs in de VRC samengesteld. De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 bevat een lijst van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs. |
|
(4) |
De Commissie had voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uit de VRC individuele antidumpingrechten variërend van 0 % tot 9,8 % op het betrokken product ingesteld. Voor de medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, werd een recht van 5,3 % ingesteld. |
|
(5) |
De Commissie kan op grond van artikel 4 van de oorspronkelijke verordening de bijlage bij die verordening wijzigen door aan een nieuwe producent-exporteur het recht toe te kennen dat van toepassing is op de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen, wanneer een nieuwe producent-exporteur in de VRC ten genoegen van de Commissie aantoont dat:
|
B. VERZOEKEN OM BEHANDELING ALS NIEUWE PRODUCENT-EXPORTEUR
|
(6) |
De ondernemingen Fujian Billion Polymerization Fiber Technology Industrial Co., Ltd en Zhejiang Sanwei Material Technology Co., Ltd (“de indieners van de verzoeken”) hebben bij de Commissie een verzoek ingediend om behandeling als nieuwe producent-exporteur. Zij hebben aangevoerd dat zij aan alle drie de voorwaarden van artikel 4 van de oorspronkelijke Verordening (“de BNPE-voorwaarden”) voldeden. |
|
(7) |
Om te bepalen of de indieners van de verzoeken voldeden aan de voorwaarden voor een BNPE, heeft de Commissie de indieners van de verzoeken eerst een vragenlijst toegezonden met het verzoek om aan te tonen dat zij aan die voorwaarden voldeden. |
|
(8) |
Na de antwoorden op de vragenlijst te hebben geanalyseerd, heeft de Commissie om verdere informatie en bewijsmateriaal verzocht, die door de indieners van de verzoeken werden verstrekt. |
|
(9) |
De Commissie heeft alle gegevens gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of de indieners van de verzoeken aan de BNPE-voorwaarden voldeden. Daartoe heeft zij het door de indieners van de verzoeken in hun antwoorden op de vragenlijst verstrekte bewijsmateriaal geanalyseerd door verschillende onlinedatabanken, waaronder Orbis (4), te raadplegen en de informatie over de ondernemingen te toetsen aan informatie die openbaar op internet beschikbaar was. Tegelijkertijd heeft de Commissie de bedrijfstak van de Unie geïnformeerd over de verzoeken van de indieners van de verzoeken en hem verzocht, indien dat nodig wordt geacht, opmerkingen te maken. De bedrijfstak van de Unie heeft geen opmerkingen ingediend over de vraag of de indieners van de verzoeken aan de BNPE-voorwaarden voldoen. |
C. ANALYSE VAN DE VERZOEKEN
Fujian Billion Polymerization Fiber Technology Industrial Co., Ltd (“Billion”)
|
(10) |
Wat de eerste BNPE-voorwaarde betreft, beschikte Billion in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek niet over productiecapaciteit voor industriële garens, zodat zij geen uitvoer naar de Unie heeft verricht. Zij heeft vanaf 2019 in dergelijke productiecapaciteit geïnvesteerd (5). Derhalve, en bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel, voldoet de indiener van het verzoek aan deze voorwaarde. |
|
(11) |
Wat de tweede BNPE-voorwaarde betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat Billion niet verbonden is met een producent-exporteur in de VRC voor wie de oorspronkelijke antidumpingmaatregelen gelden. Bovendien heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de aandeelhouders van Billion en vastgesteld dat op geen van hen de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. De indiener van het verzoek voldoet dan ook aan deze voorwaarde. |
|
(12) |
Wat de derde BNPE-voorwaarde betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de indiener van het verzoek in 2021, dus na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek, naar de Unie heeft uitgevoerd. Billion heeft facturen, een paklijst, een cognossement en een bewijs van betaling voor een in 2021 door bedrijven in België en Nederland geplaatste bestelling overgelegd. Billion voldoet derhalve aan deze voorwaarde. |
|
(13) |
Bijgevolg voldoet Billion aan alle drie de voorwaarden voor een BNPE, zodat het verzoek moet worden aanvaard. Voor de indiener van het verzoek moet dan ook het antidumpingrecht voor niet in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen medewerkende ondernemingen gelden. |
Zhejiang Sanwei Material Technology Co., Ltd (“Sanwei”)
|
(14) |
Wat de eerste BNPE-voorwaarde betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat Sanwei in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek inderdaad geen uitvoer naar de Unie heeft verricht, aangezien zij in oktober 2017 werd opgericht. Derhalve, en bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel, voldoet de indiener van het verzoek aan deze voorwaarde. |
|
(15) |
Wat de tweede BNPE-voorwaarde betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat Sanwei niet verbonden is met een producent-exporteur in de VRC voor wie de oorspronkelijke antidumpingmaatregelen gelden. Bovendien heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de aandeelhouders van Sanwei en vastgesteld dat op geen van hen de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. De indiener van het verzoek voldoet dan ook aan deze voorwaarde. |
|
(16) |
Wat de derde BNPE-voorwaarde betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de indiener van het verzoek in 2021, dus na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek, naar de Unie heeft uitgevoerd. Sanwei heeft facturen, een paklijst, een cognossement en een bewijs van betaling voor een in 2021 door een Duits bedrijf geplaatste bestelling overgelegd. Sanwei voldoet derhalve aan deze voorwaarde. |
|
(17) |
Bijgevolg voldoet Sanwei aan alle drie de voorwaarden voor een BNPE, zodat het verzoek moet worden aanvaard. Voor de indiener van het verzoek moet dan ook het antidumpingrecht voor niet in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen medewerkende ondernemingen gelden. |
D. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(18) |
De indieners van de verzoeken en de bedrijfstak van de Unie zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het passend werd geacht het antidumpingrecht dat van toepassing is op de niet in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen medewerkende ondernemingen, aan Fujian Billion Polymerization Fiber Technology Industrial Co., Ltd en Zhejiang Sanwei Material Technology Co., Ltd toe te kennen. |
|
(19) |
De partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen. |
|
(20) |
De verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende ondernemingen worden toegevoegd aan de lijst van producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325:
|
Onderneming |
Aanvullende Taric-code |
|
Fujian Billion Polymerization Fiber Technology Industrial Co., Ltd |
A977 |
|
Zhejiang Sanwei Material Technology Co., Ltd |
A977 |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) PB L 49 van 25.2.2017, blz. 6.
(3) PB L 315 van 1.12.2010, blz. 1.
(4) Orbis is een wereldwijde verstrekker van bedrijfsinformatie over meer dan 220 miljoen bedrijven over de hele wereld, hoofdzakelijk van gestandaardiseerde informatie over particuliere ondernemingen en bedrijfsstructuren.
(5) https://www.oerlikon.com › ecoma › files › 2020-07_OBA_Billion_IDY_en.pdf
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/58 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/978 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2022
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (1), en met name de artikelen 16 en 20,
Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2), en met name de artikelen 13 en 16,
Overwegende hetgeen volgt:
1. ACHTERGROND
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (3) heeft de Europese Commissie ten aanzien van bepaalde staalproducten een definitieve vrijwaringsmaatregel ingesteld (“de vrijwaringsmaatregel”) die bestaat uit tariefcontingenten voor bepaalde staalproducten (“het betrokken product”) van 26 categorieën die zijn vastgesteld op niveaus die de traditionele handelsstromen per productcategorie handhaven. Een douanerecht van 25 % is alleen van toepassing als de kwantitatieve drempels van deze tariefcontingenten worden overschreden. De vrijwaringsmaatregel werd aanvankelijk ingesteld voor een periode van drie jaar, namelijk tot en met 30 juni 2021 (“de definitieve verordening”). |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 (4) van de Commissie (“de verlengingsverordening”) heeft de Commissie de vrijwaringsmaatregel verlengd tot en met 30 juni 2024. |
|
(3) |
In overweging 161 van de definitieve verordening heeft de Commissie zich ertoe verbonden “regelmatig een beoordeling van de situatie uit [te] voeren en ten minste op het einde van elk jaar van toepassing van de maatregelen een nieuw onderzoek [te] overwegen”. In deze geest heeft de Commissie in respectievelijk 2019 en 2020 twee onderzoeken ter evaluatie van de werking uitgevoerd. |
|
(4) |
In overweging 85 van de verlengingsverordening heeft de Commissie het volgende verklaard: “Opdat de werking van de vrijwaringsmaatregel in de tussentijd is aangepast aan de ontwikkeling van de markt en in overeenstemming is met de belangen van alle belanghebbenden, zal de Commissie bovendien zoals in 2019 en 2020 de werking ervan evalueren. Die evaluatie van de werking zal lang genoeg van tevoren worden gestart om de eventueel noodzakelijke wijzigingen in te voeren vanaf 1 juli 2022, na het eerste jaar van de verlenging”. |
|
(5) |
Dienovereenkomstig heeft de Commissie, met een bericht van opening dat op 17 december 2021 in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt (5), een onderzoek ter evaluatie van de werking geopend met het verzoek aan belanghebbenden hun standpunt kenbaar te maken en bewijsmateriaal in te dienen met betrekking tot met name de volgende redenen voor een nieuw onderzoek:
|
2. PROCEDURE
|
(6) |
De goede rechtsgang werd gewaarborgd met een schriftelijke procedure in twee fasen, waarbij de partijen eerst hun opmerkingen en ondersteunend bewijsmateriaal indienden en vervolgens de gelegenheid hadden om de oorspronkelijke opmerkingen van andere partijen te weerleggen. In totaal heeft de Commissie meer dan honderd indieningen van opmerkingen en tegenargumenten ontvangen. |
|
(7) |
Terwijl het onderzoek ter evaluatie van de werking nog liep en voordat het werd afgesloten, heeft de vrijwaringsmaatregel een reeks wijzigingen ondergaan. In maart 2022 heeft de EU bij Verordening (EU) 2022/428 (6) een verbod ingesteld op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit Rusland en Belarus (7) als onderdeel van het vierde sanctiepakket naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraïne. Om een mogelijk aanbodtekort op de staalmarkt van de Unie als gevolg van dit verbod te voorkomen, heeft de Commissie bij Verordening (EU) 2022/434 (8) de vrijwaringsmaatregel gewijzigd door de landspecifieke contingenten van Rusland en Belarus in elke betrokken productcategorie evenredig te herverdelen over andere leverende landen. |
|
(8) |
Bovendien heeft de Commissie bij Verordening (EU) 2022/664 (9) Zuid-Afrika en andere landen van de Economische Partnerschapsovereenkomst (EPO) van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC) met ingang van 1 mei 2022 aan de vrijwaringsmaatregel onderworpen na het verstrijken van de vrijstelling die zij in het kader van een bilaterale EPO hadden genoten. |
|
(9) |
Tot slot heeft de Commissie de toepassing van de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van Oekraïne tijdelijk opgeschort (10). Deze opschorting heeft tot gevolg dat de invoer uit Oekraïne in geen enkel nationaal of residueel contingent in aanmerking wordt genomen zolang die opschorting van kracht blijft (11). Evenzo wordt het volume van de invoer uit Oekraïne tijdens de referentieperiode van het oorspronkelijke onderzoek (2015-2017) (12) niet in aanmerking genomen bij de berekening van de residuele contingenten. |
3. BEVINDINGEN VAN HET ONDERZOEK
|
(10) |
Na een grondige analyse van alle ontvangen opmerkingen en de gegevens waarover zij beschikte, is de Commissie tot de volgende conclusies gekomen. Deze conclusies zijn opgenomen in de volgende onderafdelingen, die de structuur van het bericht van opening volgen. |
3.1. Toewijzing en beheer van tariefcontingenten
Opmerkingen van belanghebbenden
|
(11) |
Sommige belanghebbenden (bepaalde derde landen en gebruikers) vroegen de driemaandelijkse toedeling van de contingenten door een toedeling op jaarbasis te vervangen, terwijl andere belanghebbenden (bedrijfstak van de Unie) verzochten om de invoering van een maandelijkse toedeling. Sommige partijen (bedrijfstak van de Unie) vroegen de overdracht van ongebruikte contingenten tot 4 % te beperken, terwijl andere (bepaalde derde landen en gebruikers) vroegen het aandeel van bepaalde ongebruikte landspecifieke contingenten te herverdelen. Daarnaast vroegen andere partijen (bepaalde derde landen en gebruikers) het systeem van landspecifieke contingenten te schrappen en de contingenten in plaats daarvan globaal toe te delen. Ten slotte verzochten andere belanghebbenden de contingenten van bepaalde landen af te schaffen en die contingenten onder andere landen van oorsprong te herverdelen, en aan bepaalde landen waarvan de uitvoer onder het residuele contingent valt een landspecifiek contingent toe te wijzen. |
Beoordeling
|
(12) |
De contingenten werden, ongeacht of zij landspecifiek of residueel waren, toegewezen op basis van de uitvoerprestaties in de referentieperiode van het oorspronkelijke onderzoek (13). Het systeem met contingenten op kwartaalbasis is doeltreffend gebleken om stabiliteit op de markt van de Unie tot stand te brengen, plotselinge stijgingen van de invoer te voorkomen die de markt zouden destabiliseren (14) en te zorgen voor een ordelijke en voorspelbare invoerstroom gedurende het hele jaar. Dit systeem maakt het ook mogelijk dat qua volume en landen van oorsprong traditionele handelsstromen zonder aanvullend recht worden toegestaan. |
|
(13) |
Dit systeem zorgt voor een evenwicht tussen de tegengestelde belangen die op het spel staan. Ten eerste werkt het systeem in het voordeel van de bedrijfstak van de Unie, omdat het een stortvloed aan invoer in een korte periode, met de daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor de markt, voorkomt. Ten tweede is het systeem ook gunstig voor bepaalde derde landen en bepaalde gebruikers in de Unie, die anders door andere grotere leveranciers ten onrechte van de markt zouden worden verdrongen en niet in staat zouden zijn om aan gebruikers in de Unie te leveren, die op hun beurt zouden worden belet het materiaal dat zij nodig hebben van deze specifieke landen van oorsprong te kopen. Ten slotte kunnen grotere exporterende landen toch hun traditionele handelsstromen in de meeste productcategorieën overschrijden door in het laatste kwartaal van een periode waarin de gevestigde leveranciers de contingenten niet konden opgebruiken toegang te krijgen tot het residuele contingent. |
|
(14) |
Aanvaarding van enig argument van belanghebbenden, zoals samengevat in overweging 11, zou dit evenwicht verstoren en de doeltreffendheid van de maatregel kunnen ondermijnen. Bovendien hebben de partijen in hun opmerkingen met geen enkel bewijs aangetoond in welk opzicht het huidige systeem niet geschikt zou zijn en hoe de verschillende voorgestelde aanpassingen in het algemene belang van de Unie (en niet alleen in hun individueel belang), en verenigbaar met de logica en de goede werking van de maatregel zouden zijn. |
|
(15) |
Om deze redenen was de Commissie van mening dat het handhaven van het huidige systeem van contingentbeheer (toedeling op kwartaalbasis en een combinatie van landspecifieke en residuele contingenten), het behoud van de overdracht van ongebruikte contingenten en de toegang tot het residuele contingent in het vierde kwartaal nog steeds passend is en dat dit billijk is ten opzichte van alle belanghebbenden. |
3.1.1. Aanpassingen ten aanzien van de productcategorieën 7 en 17
|
(16) |
Hoewel het huidige systeem voor de toedeling en het beheer van contingenten passend is, was de Commissie niettemin van mening dat er enkele technische aanpassingen nodig zijn om de werking ervan in het licht van gewijzigde omstandigheden te verbeteren. Deze betreffen de productcategorieën 7 (kwartoplaten) en 17 (walsdraad, staven en profielen). |
|
(17) |
In deze twee productcategorieën is Oekraïne van oudsher een belangrijke speler (15) (goed voor ongeveer 33 % van de totale contingenten in elk van deze categorieën) en heeft het zijn contingenten consequent op een vrij hoog niveau gebruikt. De Commissie heeft echter opgemerkt (16) dat er sinds de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne vrijwel geen invoer van deze twee categorieën uit Oekraïne in de Unie heeft plaatsgevonden. Dit wijst erop dat Oekraïne momenteel niet in staat is deze producten in betekenisvolle volumes te produceren en/of naar de markt van de Unie uit te voeren. Onder deze omstandigheden, en na analyse van het gebruik van de contingenten door andere exporterende landen waarop de maatregel van toepassing is, was de Commissie van oordeel dat er, indien zij geen maatregelen zou nemen, sprake zou zijn van een risico van een potentieel ontoereikend aanbod in deze categorieën voor gebruikers in de Unie. |
|
(18) |
Daarom achtte de Commissie het in het belang van de Unie noodzakelijk om voor de contingenten die in de categorieën 7 en 17 onder de maatregel (17) blijven vallen, over te gaan op een globale toedeling. Met andere woorden: de bestaande landspecifieke contingenten zullen worden afgeschaft om in plaats daarvan één enkel contingent beschikbaar te stellen voor alle landen van oorsprong, waardoor de gebruikers aanzienlijk meer flexibiliteit krijgen om het door hun benodigde staal in te voeren, uit welke bron dan ook die binnen het contingent in deze categorieën beschikbaar is. |
|
(19) |
De Commissie concludeerde dat deze aanpassing, gezien het patroon van invoervolumes (gebruik van contingenten) en landen van oorsprong in het verleden, de doeltreffendheid van de maatregel ten aanzien van producenten in de Unie niet dreigt te ondermijnen en dat het onwaarschijnlijk is dat verdringing zou plaatsvinden, en dat de traditionele handelsstromen behouden zullen blijven. Deze aanpassing zal opnieuw worden beoordeeld in het licht van de ontwikkeling van de handelsstromen in deze categorieën en van de opschorting van de toepassing van de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van Oekraïne, of indien er ongewenste verdringingseffecten worden vastgesteld. |
3.2. Verdringing van traditionele handelsstromen
|
(20) |
In de definitieve maatregel voerde de Commissie een mechanisme in waarbij landen die hun landspecifieke contingent hadden uitgeput, ook (vrij van rechten en tot de uitputting ervan) toegang hadden tot het residuele contingent dat oorspronkelijk beschikbaar was in het laatste kwartaal (april-juni) van elke jaarlijkse periode van de maatregel. |
|
(21) |
De Commissie rechtvaardigde dit mechanisme als zijnde in het belang van de importeurs en gebruikers in de Unie, aangezien het niet alleen zou zorgen voor het behoud van de traditionele handelsstromen, maar ook zou voorkomen dat delen van het residuele tariefcontingent in voorkomend geval ongebruikt zouden blijven. |
|
(22) |
In het kader van de eerste evaluatie van de werking in 2019 heeft de Commissie voor twee productcategorieën opgemerkt dat het volledige residuele contingent in het vierde kwartaal bijna uitsluitend in slechts twee dagen was opgemaakt door landen waarvoor een landspecifiek tariefcontingent gold. Als gevolg daarvan konden historische – kleinere – leveranciers in het laatste kwartaal van een periode niet vrij van rechten uitvoeren. Dit had negatieve gevolgen voor de traditionele handelsstromen wat oorsprong betreft, wat ten nadele kwam van bepaalde derde landen en bepaalde gebruikers in de Unie. Om voor dit onbedoelde negatieve effect te compenseren, heeft de Commissie een plafond ingevoerd van 30 % per land dat toegang heeft tot het residuele contingent van het vierde kwartaal in de categorieën 13 (betonstaal) en 16 (walsdraad). |
|
(23) |
In het kader van de tweede evaluatie van de werking in 2020 en nadat meer gevallen van verdringing in verschillende productcategorieën waren vastgesteld, heeft de Commissie een systeem ontwikkeld waarbij de toegang tot het residuele contingent in het vierde kwartaal zou afhangen van de waargenomen invoertrends en het daadwerkelijke gebruik van het residuele contingent door de kleinere leveranciers die de natuurlijke begunstigden van dit deel van het tariefcontingent zijn (18). |
|
(24) |
Om de verdringing van traditionele landen van oorsprong in het residuele contingent tot een minimum te beperken en tegelijkertijd extra toegang te blijven verlenen in die categorieën waar dat nodig is om een maximaal gebruik van het contingent te waarborgen, heeft de Commissie een systeem opgezet waarbij elke productcategorie onder een van de volgende drie verschillende groepen valt, overeenkomend met drie verschillende toegangsscenario’s. Dit systeem beantwoordt aan één van de belangrijkste beginselen en doelstellingen van de vrijwaringsmaatregel, namelijk het behoud van de traditionele handelsstromen wat landen van oorsprong betreft. |
|
(25) |
De volgende drie regelingen zijn momenteel van toepassing:
|
Opmerkingen van belanghebbenden
|
(26) |
Sommige belanghebbenden (sommige derde landen en gebruikers) verzochten om volledige afschaffing van de toegang tot het residuele contingent in het vierde kwartaal. Andere verzochten om bepaalde wijzigingen specifiek te maken voor bepaalde productcategorieën, terwijl andere (waaronder sommige derde landen en gebruikers, alsook de bedrijfstak van de Unie) verzochten om een compleet verbod voor grotere exporterende landen om in een bepaalde categorie toegang te krijgen tot het residuele contingent, of om een restrictievere aanpak toe te passen. |
Beoordeling
|
(27) |
Na onderzoek van de ontvangen opmerkingen en de werking van de maatregel was de Commissie van oordeel dat het huidige systeem nog steeds het meest geschikt is voor zover het waarborgt dat de gebruikers maximaal gebruikmaken van hun kansen om het residuele contingent op te gebruiken, maar ook dat de traditionele handelsstromen wat landen van oorsprong betreft in acht worden genomen (wat ook in het belang van de gebruikers is). Het systeem om toegang te verlenen tot het residuele contingent was de regel voor alle productcategorieën op vier na. |
|
(28) |
Aanvaarding van de verzoeken van belanghebbenden zou erop neerkomen dat bepaalde gebruikers worden belet hun rechtenvrije invoer te verhogen wanneer er vraag naar is op de markt van de Unie, of dat andere gebruikers in de Unie worden belet producten uit bepaalde landen van oorsprong te kopen die vanwege verdringingseffecten ook nodig zijn voor de markt van de Unie. Tegelijkertijd zorgt het systeem ervoor dat de extra volumes die sommige landen in het kader van deze regeling kunnen uitvoeren, binnen de grenzen blijven die waarborgen dat zij de doeltreffendheid van de maatregel voor de producenten in de Unie niet ondermijnen. Daarom is het huidige systeem het meest geschikt met het oog op het algemene belang van de Unie. |
Aanpassing
|
(29) |
In het lopende onderzoek heeft de Commissie beoordeeld of er sprake was geweest van verdringingseffecten. Daartoe heeft de Commissie, op basis van hetzelfde soort analyse als in het kader van het tweede nieuwe onderzoek was gebruikt, de verschillende regelingen geactualiseerd op basis van de sindsdien beschikbaar gekomen gegevens. Dit betekent dat de Commissie de invoergegevens en het gebruik van de contingenten per oorsprong en categorie heeft geanalyseerd voor de periode van 1 april 2020 tot en met 31 maart 2022. |
|
(30) |
Op basis van dezelfde methode die bij de tweede evaluatie van de werking is toegepast, maar met bijgewerkte gegevens, worden de toegangsregelingen per productcategorie als volgt bijgewerkt (zie bijlage II voor specifieke volumes):
|
|
(31) |
In overeenstemming met de beginselen die bij de vorige evaluatie van de werking zijn toegepast, zal voor de volgende categorieën een speciale regeling gelden:
|
|
(32) |
De categorieën 7, 8, 17 en 25A zullen globaal worden toegedeeld. Daarom is de mogelijkheid om toegang te krijgen tot het residuele contingent in het vierde kwartaal niet van toepassing, aangezien er geen landen zijn waarvan de uitvoer onder een landspecifiek contingent valt. |
|
(33) |
Voor de categorieën 1 en 4B wordt de huidige regeling op grond waarvan in het vierde kwartaal toegang wordt verleend tot het residuele contingent met een plafond van 30 % per land van uitvoer, nog steeds passend geacht om te zorgen voor een toereikende verscheidenheid aan bevoorradingsbronnen en tegelijkertijd verdringingseffecten door een buitensporige stroom extra invoer die verder gaat dan de traditionele handelsstromen te voorkomen. |
|
(34) |
Over het geheel genomen zou met deze maatregel de toegang tot het residuele contingent in het vierde kwartaal voor de overgrote meerderheid van de productcategorieën (op drie na) gewaarborgd blijven. |
3.3. Actualisering van de lijst van ontwikkelingslanden waarvoor de maatregel geldt
|
(35) |
Elk ontwikkelingsland dat lid is van de WTO werd uitgesloten van de toepassing van de definitieve maatregel, zolang het aandeel van dat ontwikkelingsland in de invoer minder dan 3 % van de totale invoer voor elke productcategorie bedraagt. De Commissie heeft zich ertoe verbonden de ontwikkeling van de invoer na de vaststelling van de maatregel te volgen en de lijst van uitgesloten landen regelmatig opnieuw te bezien. |
|
(36) |
De laatste actualisering vond plaats in het kader van het nieuwe onderzoek naar aanleiding van het terugtrekkingsakkoord tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk (“VK”), met effect per 1 januari 2021, en er heeft sinds 1 januari 2021 geen wijziging meer plaatsgevonden. Om de lijst van ontwikkelingslanden die onderworpen zijn aan en uitgesloten zijn van de maatregel aan te passen, herziet de Commissie de berekeningen op basis van de meest recente beschikbare geconsolideerde invoergegevens, d.w.z. de invoerstatistieken van het jaar 2021 (19). |
Aanpassing
|
(37) |
De wijzigingen die uit deze actualisering voortvloeien, zijn de volgende (de geactualiseerde tabel is beschikbaar in bijlage I).
|
3.4. Mate van liberalisering
|
(38) |
Het huidige liberaliseringspercentage van de vrijwaring werd vastgesteld op 3 % per jaar. De Commissie heeft in dit onderzoek beoordeeld of dit niveau van liberalisering nog steeds passend was. |
Opmerkingen van belanghebbenden
|
(39) |
Sommige belanghebbenden (met name producenten-exporteurs en gebruikers in de Unie) verzochten de Commissie het liberaliseringstempo te verhogen tot meer dan 3 % (velen van hen verzochten om een liberaliseringspercentage van 5 %), terwijl de bedrijfstak van de Unie verzocht het liberaliseringstempo te verlagen tot 1 % in plaats daarvan. |
Beoordeling
|
(40) |
Het vrijwaringsinstrument is bedoeld om van tijdelijke aard te zijn. Met ingang van 1 juli 2022 wordt de maatregel voor het vijfde jaar van toepassing. Het doel van de liberalisering (een wettelijke verplichting op grond van de regels van de WTO (21) en de EU (22)) is geleidelijk meer concurrentie bij invoer op de markt mogelijk te maken terwijl de interne bedrijfstak zich aan de toegenomen invoer aanpast. Dit om een maatregel te vermijden die geen stimulans zou zijn voor aanpassingen voor de interne bedrijfstak zolang hij van kracht is, en die tot concurrentieproblemen zou leiden wanneer de interne bedrijfstak na de invoering van een vrijwaringsmaatregel aan grotere buitenlandse concurrentie zal worden blootgesteld. |
|
(41) |
In het licht van deze logica was de Commissie van mening dat op dit tijdstip (na vier jaar maatregel) een iets grotere mate van liberalisering op jaarbasis moet worden overwogen om de interne bedrijfstak aan te moedigen zijn aanpassingen voort te zetten, zonder de doeltreffendheid van de maatregel te ondermijnen. |
Aanpassing
|
(42) |
De Commissie was van mening dat het passend zou zijn het jaarlijkse liberaliseringsniveau per 1 juli 2022 vast te stellen op 4 %. |
|
(43) |
Deze verhoging moet ook bijdragen tot het verlichten van eventuele spanningen voor gebruikers in de Unie in bepaalde productcategorieën, in een context die wordt gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid op de markt. Anderzijds zou de beperkte aanvullende verhoging geen bedreiging vormen voor de bedrijfstak van de Unie en de doeltreffendheid van de maatregel niet ondermijnen. |
3.5. Gevolgen van de wijzigingen van de Section 232-maatregel van de VS
|
(44) |
In maart 2018 hebben de VS in het kader van de Section 232-maatregel van de VS een recht van 25 % ingesteld op de invoer van bepaalde staalproducten. De maatregel blijft momenteel van kracht, hoewel bepaalde wijzigingen hebben plaatsgevonden. In dit nieuwe onderzoek heeft de Commissie deze wijzigingen beoordeeld om vast te kunnen stellen of zij gevolgen hebben voor de vrijwaringsmaatregel van de EU, met name wat betreft het risico van verlegging van het handelsverkeer naar de markt van de Unie. |
Opmerkingen van belanghebbenden
|
(45) |
De in dit verband ontvangen verzoeken kunnen in drie typen worden onderscheiden. Voor wat de eerste twee typen betreft, betoogden bepaalde gebruikers en derde landen dat het risico van verlegging van het handelsverkeer klein(er) is vanwege de verschillende aanpassingen van de Section 232-maatregel. Vervolgens betoogden sommige belanghebbenden dat de bedrijfstak van de Unie vanwege de aan de exporteurs in de Unie toegekende tariefcontingenten verkoop naar de markt van de VS zou verleggen, en dit ten koste van de binnenlandse verkoop, waardoor er een tekort op de binnenlandse markt zou ontstaan. |
|
(46) |
Anderzijds stelde de staalindustrie van de Unie dat het risico van verlegging van het handelsverkeer blijft bestaan en dat de verbeterde toegang van de EU tot de VS-markt hun vermogen om aan de interne (Unie-)markt te leveren, niet zal beïnvloeden. |
Beoordeling
Veranderingen ten aanzien van de EU
|
(47) |
In oktober 2021 besloten de VS de EU-invoer uit hoofde van de Section 232-maatregel aan een stelsel van tariefcontingenten te onderwerpen. In het kader van deze nieuwe regeling zou de EU tot een bepaald niveau (op basis van historische uitvoervolumes) (23) vrij van rechten kunnen uitvoeren, en alleen wanneer dit niveau is uitgeput, zou het recht van 25 % van toepassing worden. Deze maatregel had tot doel de positie van de EU-exporteurs op de Amerikaanse markt te verbeteren, die tot dan toe onderworpen was aan een recht van 25 % op elke uitgevoerde ton. Dit nieuwe stelsel is van toepassing sinds 1 januari 2022. |
|
(48) |
Sommige belanghebbenden voerden aan dat, omdat de prijzen in de VS doorgaans hoger zijn dan die in de EU, EU-producenten een prikkel zouden hebben om naar de VS uit te voeren ten koste van de binnenlandse verkoop, waardoor er in sommige categorieën een tekort op de markt van de Unie dreigt te ontstaan. |
|
(49) |
De Commissie was om een aantal redenen van oordeel dat deze argumenten moesten worden afgewezen. Ten eerste kan het begrip verlegging van het handelsverkeer naar de markt van de Unie niet de beperking van de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie zelf naar de VS omvatten. De bedrijfstak van de Unie kan met andere woorden nooit het risico lopen van verlegging van het handelsverkeer wat zijn eigen verkoop aangaat. Dit druist in tegen de logica van verlegging van het handelsverkeer. Daarom is het feit dat de EU haar aanwezigheid op de markt van de VS kan verbeteren, neutraal voor wat betreft het risico van verlegging van het handelsverkeer van exporterende landen naar de markt van de Unie. |
|
(50) |
Ten tweede worden de argumenten dat de bedrijfstak van de Unie zijn tariefcontingenten ten koste van (hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend) de binnenlandse verkoop zou opgebruiken, niet met bewijsmateriaal gestaafd. Deze argumenten namen niet in aanmerking dat, ook in theorie, de bedrijfstak van de Unie zijn productievolume zou kunnen verhogen (24), waarbij de binnenlandse verkoop dus niet zou worden opgeofferd en er extra inkomsten door meer uitvoer naar de VS zouden worden gegenereerd, en dat hij ook uitvoer naar andere markten die om een aantal redenen – waaronder prijsniveaus – minder aantrekkelijk kunnen zijn (25), naar de VS zou kunnen verleggen. |
|
(51) |
Los van al deze theoretische mogelijkheden is uit de realiteit gebleken dat de EU in het eerste kwartaal sinds de inwerkingtreding van het stelsel van tariefcontingenten haar contingenten nog lang niet heeft uitgeput. Zij heeft namelijk in het eerste kwartaal slechts rond de 42 % van het contingent gebruikt (26). |
|
(52) |
Daarom is gebleken dat de belangrijkste aanname van sommige belanghebbenden en de premisse die aan hun argumenten ten grondslag ligt, namelijk dat de producenten-exporteurs in de EU al hun contingenten in de VS zouden kunnen gebruiken, in de eerste plaats onjuist zijn. |
|
(53) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat het feit dat de EU onderworpen is aan een stelsel van tariefcontingenten in het kader van de Section 232-maatregel van de VS, geen gevolgen heeft voor de werking van de vrijwaringsmaatregel voor wat het risico van verlegging van het handelsverkeer betreft. Voorts heeft geen enkele partij op enigerlei wijze aangetoond dat uitvoer in het kader van een Section 232-quotaregeling als zodanig een risico op een tekort aan aanbod op de markt van de Unie meebrengt. |
Veranderingen ten aanzien van sommige derde landen (met uitzondering van de EU)
|
(54) |
Wat de argumenten met betrekking tot wijzigingen van Section 232 van de VS ten aanzien van andere derde landen betreft, blijkt uit de gegevens waarover de Commissie beschikt dat de volgende wijzigingen van de Section 232-maatregel van de VS hebben plaatsgevonden:
|
|
(55) |
Uit het onderzoek is gebleken dat deze aanpassingen van VS-Section 232 over het geheel genomen om een aantal redenen weinig gevolgen hebben voor de werking en de grondgedachte van onze vrijwaringsmaatregel. Ten eerste voeren de meeste van deze landen, om deze veranderingen in perspectief te plaatsen, momenteel nauwelijks staal uit naar de Unie (als zij dat al doen) (27) en zijn zij evenmin historische leveranciers (28). Van de weinige landen met betekenisvollere uitvoervolumes naar de Unie, namelijk het VK, Japan en Korea, blijven deze drie onderworpen aan de Section 232-maatregel van de VS, d.w.z. dat hun rechtenvrije uitvoer naar de markt van de VS wordt beperkt. Korea mag immers alleen uitvoeren in het kader van een contingent (kwantitatieve beperking), zonder de mogelijkheid om buiten dat volume uit te voeren, en het VK en Japan zijn onderworpen aan een tariefcontingent waarvoor een recht van 25 % geldt. Bovendien betekent het bestaan van een tariefcontingent niet noodzakelijkerwijs dat deze landen de toegewezen hoeveelheden doeltreffend zullen kunnen gebruiken, zoals blijkt uit het voorbeeld van het aan de EU toegewezen tariefcontingent. Ten slotte blijven de meeste landen van oorsprong die goed zijn voor het grootste deel van de invoer in de Unie, onderworpen aan een recht van 25 % op hun uitvoer naar de VS. |
|
(56) |
In dit verband komt het risico van verlegging van het handelsverkeer voornamelijk van de belangrijkste staalproducerende landen naar de Unie, die over (in sommige gevallen vrij grote) reservecapaciteit beschikken en dus in staat zijn om snel (29) hun aanwezigheid op de markt van de Unie (30) te vergroten die, zoals uit eerdere onderzoeken is gebleken, qua prijzen en omvang een aantrekkelijke markt is (31). |
|
(57) |
Bovendien hebben partijen in hun opmerkingen niet aangetoond (of zelfs niet vermeld) hoe de vaststellingen van de Commissie in eerdere onderzoeken (32) aanzienlijk zouden zijn gewijzigd. In dit verband zijn onder meer te noemen de nog steeds aanhoudende wereldwijde overcapaciteit in de staalsector (33), de aanzienlijke daling van de invoer op de markt van de VS in vergelijking met de periode voorafgaand aan de instelling van de Section 232-maatregel van de VS (34), of het gebrek aan vervangingsmarkten voor de verloren volumes (35). |
|
(58) |
Hoe dan ook zou de verbetering van de toegang van bepaalde derde landen tot de markt van de VS, zoals aangegeven in overweging 54, het voor de rest van de landen zelfs nog moeilijker maken om naar de markt van de VS uit te voeren, aangezien zij verhoudingsgewijs in een slechtere concurrentiepositie verkeren doordat zij een recht van 25 % moeten betalen. Daadwerkelijk daalde de invoer uit de landen waarvoor geen preferentiële toegang krachtens de Section 232-maatregel van de VS gold, aanzienlijk sneller dan het gemiddelde (36). Daarom zouden de aanpassingen van de VS-maatregel de kans op verlegging van het handelsverkeer uit derde landen die geen preferentiële behandeling genieten in het kader van de Section 232-maatregel, nog verder kunnen vergroten, waarbij waarschijnlijk is dat sommige van die landen eerder een sterke toename van de invoer op de markt van de Unie zullen veroorzaken. |
Conclusie
|
(59) |
De Commissie is om de in deze onderafdeling uiteengezette redenen tot de conclusie gekomen dat de wijzigingen van de Section 232-maatregel van de VS geen gevolgen hebben voor de werking van de EU-vrijwaringsmaatregel ten aanzien van staal en geen wijziging inhouden van de grondslag voor haar beoordeling van het risico van verlegging van het handelsverkeer. |
4. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
|
(60) |
Naast de kwesties die in afdeling 3 aan de orde zijn gekomen, voerden belanghebbenden andere argumenten aan die in deze afdeling worden behandeld. |
4.1. Verzoeken om de maatregel te beëindigen of op te schorten op grond van de ontwikkeling van de staalprijzen in de Unie
|
(61) |
In de loop van het onderzoek en na afloop van de schriftelijke fase van de procedure hebben verscheidene belanghebbenden de Commissie spontaan verzocht de vrijwaringsmaatregel op te schorten of te beëindigen wegens een stijging van de staalprijzen in de Unie. Deze belanghebbenden betoogden dat het beëindigen of opschorten van de vrijwaringsmaatregel de oplossing zou zijn om de staalprijzen op een lager niveau te brengen. |
|
(62) |
Ten eerste omvatte het nieuwe onderzoek geen mogelijke beëindiging of opschorting van de maatregel. Het soort bewijsmateriaal dat werd verzameld en de analyse die tijdens het onderzoek werd verricht, was daarom niet van dezelfde aard als een mogelijke beëindiging van een vrijwaringsmaatregel zou hebben vereist. De beëindiging van de vrijwaringsmaatregel viel dus buiten de reikwijde van dit nieuwe onderzoek. |
|
(63) |
Niettemin, en volledigheidshalve, achtte de Commissie het passend deze argumenten in hun context te plaatsen en in de onderhavige verordening een feitelijke analyse van de recente marktontwikkelingen te verstrekken. In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat de ontwikkeling van de staalprijzen in de Unie in de eerste maanden van 2022 een opwaartse trend vertoonde, net na de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne, en dat zij tekenen vertoonden van een voortdurende daling (met een daling van 21 % ten opzichte van de piek in 2022 (37)) vanaf eind april 2022 (38). |
|
(64) |
Deze prijsontwikkeling vond plaats in een context van algemene inflatie, die ook van invloed was op de grondstoffen voor de staalproductie en energie. In haar “Short Range outlook” (39) voor 2022 en 2023 merkte de World Steel Association (WSA) op dat de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne de inflatiedruk verder zal doen toenemen, enerzijds door hogere energie- en grondstoffenprijzen voor de staalproductie en anderzijds door aanhoudende verstoringen van de toeleveringsketen. Dit werd verder bevestigd door de meest recente beschikbare informatie over de prijsontwikkeling van grondstoffen voor staalproductie (met inbegrip van energie) uit bronnen zoals de OESO (40), de Wereldbank (41) en S -P Platts (42), waaruit een prijsstijging en een algemene opwaartse trend blijken met prijzen die aanzienlijk hoger liggen dan in voorgaande perioden. |
|
(65) |
De eigen statistische beoordeling van de Commissie (43) bevestigde ook dat de prijsontwikkeling op de belangrijkste staalmarkt wereldwijd een trend vertoonde die vergelijkbaar was met die van de Unie, en dat de prijsontwikkeling op de markt van de Unie dus volledig overeenstemde met die op de belangrijkste markten in de hele wereld. Tegen deze achtergrond is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de vrijwaringsmaatregel hoe dan ook niet de oorzaak van de prijsontwikkeling in de Unie had kunnen zijn. |
4.2. Vermeend tekort aan staal in de Unie
|
(66) |
Sommige belanghebbenden betoogden dat er op de markt van de Unie sprake was van een tekort aan staal en dat de vrijwaringsmaatregel voor staal dit nog verergerde omdat bepaalde contingenten waren uitgeput. In de context van de stijging van de staalprijzen betoogden zij derhalve dat de maatregel moest worden opgeschort of beëindigd. |
|
(67) |
De Commissie merkte op dat de gebruikmaking van het tariefcontingent in de eerste drie kwartalen van het vierde jaar van de maatregel (1 juli 2021-31 maart 2022) 77 % bedroeg, d.w.z. dat meer dan 5,6 miljoen ton van het contingent ongebruikt bleef, zoals blijkt uit de onderstaande tabel. Hieruit blijkt dat de gebruikers in de Unie over het algemeen de mogelijkheid hadden om de invoer van rechtenvrij staal in elke periode verder te verhogen. Hoewel dit niet uitsloot dat er bij de gebruikmaking van de contingenten in bepaalde categorieën meer spanningen waren dan in andere, hadden de meeste productcategorieën in elk kwartaal een rechtenvrij contingent beschikbaar. Tabel 1 Ontwikkeling van het gebruik van tariefcontingenten in de eerste 3 kwartalen van jaar 4 (44)
|
|
(68) |
De Commissie merkte ook op dat het niveau van de invoer in 2021 zeer dicht bij de piek van de invoer in 2018 lag (45). Daarnaast heeft de World Steel Association (WSA) Short Range Outlook (46) voor 2022 en 2023 gewezen op de onzekerheid in de economische vooruitzichten. De vooruitzichten voor de staalmarkt voor 2022 zijn met name verslechterd als gevolg van de oorlog, en de vraag naar staal zal naar verwachting toenemen met 0,4 % in 2022 en met 2,2 % in 2023. |
|
(69) |
Tegen deze achtergrond en rekening houdend met het feit dat de hoogte van de contingenten met ingang van 1 juli 2022 verder zal worden verhoogd met 4 %, zoals uiteengezet in afdeling 3.4, was de Commissie van mening dat de vermeende druk in bepaalde marktsegmenten hoe dan ook moet worden verlicht, met behoud van de doeltreffendheid van de maatregel. |
4.3. Argumenten inzake opschorting van de maatregel vanwege de gevolgen van het invoerverbod voor de invoer uit Rusland en Belarus voor bepaalde gebruikers
|
(70) |
Sommige belanghebbenden voerden aan dat het invoerverbod voor Rusland en Belarus hun invoermogelijkheden aanzienlijk aantast, en betoogden dat de Commissie de maatregel om deze redenen zou moeten beëindigen. |
|
(71) |
De Commissie merkte in dit verband op dat de instabiliteit als gevolg van de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne en de daaruit voortvloeiende door de EU opgelegde sancties met betrekking tot staal onvermijdelijke factoren op de markt zijn waaraan alle belanghebbenden zich geleidelijk moeten aanpassen. |
|
(72) |
Niettemin heeft de Commissie in het kader van de vrijwaringsmaatregel onmiddellijk actie ondernomen om de nevenschade van het invoerverbod zoveel mogelijk te beperken door de contingenten die sinds april 2022 van kracht waren, te herverdelen. Deze aanpassing van de maatregel zal de verstoringen voor bepaalde gebruikers als gevolg van het invoerverbod voor Rusland en Belarus grotendeels verlichten, doordat zij toegang krijgen tot die rechtenvrije hoeveelheden uit andere landen van oorsprong. Het zal voor gebruikers in de Unie echter onvermijdelijk enige tijd vergen om zich aan deze situatie aan te passen en over te stappen op leveranciers uit andere landen van oorsprong (47). De Commissie erkende met name dat bepaalde gebruikers in sommige gevallen een vrijwel volledige verandering van leveranciers nodig zouden hebben, aangezien hun afhankelijkheid van de invoer van staal uit Rusland en/of Belarus zeer groot was. Het bestaan van deze sancties op het gebied van staal kan op zich echter niet afdoen aan de geldigheid of de noodzaak van de vrijwaringsmaatregel. |
4.4. Verzoeken om herverdeling van contingenten uit Oekraïne
|
(73) |
Sommige belanghebbenden hebben de Commissie verzocht de aan Oekraïne toegewezen landspecifieke contingenten te herverdelen omdat Oekraïne als gevolg van de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne niet in staat zou zijn om in betekenisvolle hoeveelheden naar de Unie uit te voeren. Sommige van deze belanghebbenden stelden voor dat de Commissie dezelfde aanpak zou volgen bij de herverdeling van de contingenten uit Rusland en Belarus. |
|
(74) |
Uit de analyse van de Commissie van het gebruik van de contingenten door Oekraïne vóór de opschorting van de vrijwaringsverordening zoals uiteengezet in overweging 9, is gebleken dat Oekraïne in de meeste productcategorieën waarvoor het over een landspecifiek contingent beschikte, gebruik bleef maken van de contingenten. Voor de categorieën waarvoor geen uitvoer werd geregistreerd, is de Commissie voor de contingenten van alle andere landen van oorsprong waarop de maatregel van toepassing is, overgegaan op een globale toedeling, zoals uiteengezet in afdeling 3.1.1. De Commissie herinnerde eraan dat de contingenten die (zonder opschorting) aan Oekraïne ter beschikking zouden staan, niet beschikbaar zouden zijn zolang de opschorting van de maatregel ten aanzien van dit land van kracht blijft. |
4.5. Verzoeken om gedifferentieerde behandeling van bepaalde productcategorieën
|
(75) |
Verschillende belanghebbenden hebben verzoeken ingediend met betrekking tot specifieke productcategorieën (deze categorieën verschilden afhankelijk van de indiener van het verzoek). Deze verzoeken betroffen onder meer de uitsluiting van een bepaalde productcategorie van de maatregel, een gedifferentieerde behandeling van een bepaald land van oorsprong binnen een bepaalde productcategorie en de toepassing van een verschillend liberaliseringsniveau naargelang de productcategorie. |
|
(76) |
Zoals de Commissie in eerdere verordeningen heeft toegelicht, betreft de werkingssfeer van de maatregel één enkel product, namelijk bepaalde staalproducten. Als zodanig kan de Commissie de productcategorieën die onder het betrokken product vallen, niet behandelen alsof zij afzonderlijk een betrokken product betreffen. De Commissie heeft bij het beheer en de toedeling van de contingenten en waar dit in het belang van de Unie was, de maatregel aangepast om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de vrijwaringsmaatregel konden worden verwezenlijkt. De Commissie kan de basisstructuur van de maatregel, bijvoorbeeld de definitie van de productomschrijving, echter niet wijzigen om tegemoet te komen aan verzoeken van belanghebbenden die zouden leiden tot een discriminerende behandeling ten opzichte van andere productcategorieën en belanghebbenden, en, wat belangrijker is, niet in overeenstemming zouden zijn met de opzet van de maatregel en de in de definitieve verordening gedefinieerde productomschrijving. |
4.6. Verzoeken tot intrekking van de vrijwaringsmaatregel in de categorieën waarop antidumping- en/of compenserende maatregelen van toepassing zijn
|
(77) |
Sommige belanghebbenden voerden aan dat de Commissie de vrijwaringsmaatregel zou moeten opheffen voor de productcategorieën waarvoor antidumpingrechten en/of compenserende rechten gelden, aangezien die de bedrijfstak van de Unie volgens hen voldoende bescherming zouden bieden. |
|
(78) |
De Commissie herinnerde eraan dat de grondgedachte en doelstelling van het vrijwaringsinstrument en die van andere handelsbeschermingsinstrumenten verschillend zijn, aangezien zij niet op dezelfde kwesties betrekking hebben. Terwijl vrijwaringsmaatregelen betrekking hebben op toename van de invoer als gevolg van onvoorziene ontwikkelingen, hebben antidumping- en compenserende instrumenten betrekking op oneerlijke handelspraktijken. Het kan voorkomen dat wordt vastgesteld dat een land op een bepaald moment met betrekking tot een bepaalde productcategorie aan dumping doet, en dat er zich later als gevolg van onvoorziene ontwikkelingen niettemin een sterke toename van de invoer uit verscheidene landen van oorsprong voordoet. Bovendien verschilt het toepassingsgebied van beide instrumenten met betrekking tot de landen van oorsprong, net als de soorten onderzoeken die worden uitgevoerd, met inbegrip van procedureregel, gewoonlijk aanzienlijk. De gelijktijdige toepassing van beide instrumenten op een bepaalde productcategorie is dus volledig verenigbaar met zowel de WTO- als de EU-regels (48). |
4.7. Verzoek om de tariefcontingenten van het VK te verhogen om met de handel tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland rekening te houden
|
(79) |
Sommige belanghebbenden voerden aan dat de aan het VK toegewezen contingenten moeten worden verhoogd om rekening te houden met de historische handel tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland. |
|
(80) |
In dit verband herinnerde de Commissie eraan dat het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) (49) de relevante rechtshandeling is betreffende de status van Noord-Ierland ten aanzien van de handels- en douaneregels van de EU. Daarom werd de verkoop van staal naar Noord-Ierland (vanuit Groot-Brittannië of een ander derde land) in overeenstemming met de bepalingen van het protocol niet als historische invoer in de Unie beschouwd en maakte deze dus geen deel uit van de contingentberekening (50). Deze aanpak zorgde ervoor dat de uitvoeringswetgeving van de EU op het gebied van vrijwaringsmaatregelen volledig in overeenstemming blijft met het protocol. Dit argument werd dan ook afgewezen. |
4.8. Argumenten inzake vermeende ontwijking
|
(81) |
Sommige partijen wezen op mogelijke gevallen van ontwijking van de maatregel. Met name wezen sommige partijen op vermeende ontwijking door Rusland in de categorieën 12 en 13, en in het algemeen in categorie 28. |
|
(82) |
De Commissie merkt in dit verband op dat ten aanzien van Rusland momenteel een invoerverbod geldt. Pogingen om de huidige maatregelen te omzeilen worden dus gemonitord door de EU en de nationale douaneautoriteiten. |
|
(83) |
De Commissie merkt tot slot op dat het onderhavige nieuwe onderzoek tot wijziging van de lopende vrijwaringsmaatregel ook voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bilaterale overeenkomsten die met bepaalde derde landen zijn ondertekend. |
|
(84) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 respectievelijk artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2019/159 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1, lid 5 wordt vervangen door: “5. Indien het relevante tariefcontingent op grond van lid 2 voor een specifiek land is uitgeput, kan de invoer uit dat land voor sommige productcategorieën verdergaan op basis van het resterende deel van het tariefcontingent voor dezelfde productcategorie. Deze bepaling geldt enkel gedurende het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent. Voor de productcategorieën 5, 9 en 21 wordt geen verdere toegang verleend tot het resterende deel van het tariefcontingent. Voor de productcategorieën 12, 13, 14, 16, 20 en 27 wordt alleen toegang verleend tot een specifieke hoeveelheid van het aanvankelijk in het laatste kwartaal beschikbare tariefcontingent. Voor de productcategorieën 1 en 4B is het geen enkel land van uitvoer toegestaan om alleen meer dan 30 % te gebruiken van het residuele tariefcontingent dat aanvankelijk beschikbaar is in het laatste kwartaal van elk jaar waarin maatregelen worden toegepast. Voor de productcategorieën 2, 3A, 3B, 4A, 6, 10, 15, 18, 19, 22, 24, 25B, 26 en 28 wordt toegang verleend tot het in het laatste kwartaal in de respectieve productcategorieën oorspronkelijk beschikbare totale volume van het tariefcontingent.”; |
|
2) |
Punt III.2 van bijlage III wordt vervangen door de tekst van bijlage I bij deze verordening, en |
|
3) |
Bijlage IV wordt vervangen door de tekst van bijlage II bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16.
(2) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen (PB L 225 I van 25.6.2021, blz. 1).
(5) Bericht van opening betreffende het nieuwe onderzoek van de vrijwaringsmaatregel die van toepassing is op de invoer van bepaalde staalproducten (2021/C 509/10) (PB C 509 van 17.12.2021, blz. 12).
(6) Verordening (EU) 2022/428 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 87 I van 15.3.2022, blz. 13).
(7) Voor Belarus gold het invoerverbod voor alle staalproducten (dus met inbegrip van alle staalproducten waarop de vrijwaringsmaatregel van toepassing was), terwijl het verbod voor Rusland alleen gold voor de staalproducten waarop de vrijwaringsmaatregel voor staal van toepassing was.
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/434 van de Commissie van 15 maart 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 88 van 16.3.2022, blz. 181).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/664 van de Commissie van 21 april 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 121 van 22.4.2022, blz. 12).
(10) Verordening (EU) 2022/870 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 inzake tijdelijke handelsliberaliseringsmaatregelen bovenop de handelsconcessies die op Oekraïense producten van toepassing zijn krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (PB L 152 van 3.6.2022, blz. 103).
(11) Om die reden zijn, ook al is Oekraïne voor bepaalde categorieën in de bijlage opgenomen, die landspecifieke contingenten met een daaraan gekoppeld volgnummer niet van toepassing.
(12) Met inbegrip van de daaropvolgende verhogingen als gevolg van liberalisering.
(13) Zie overweging 33 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/894 van de Commissie van 29 juni 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 206 van 30.6.2020, blz. 27): “Tot slot merkt de Commissie ook op dat het referentietijdvak dat voor het berekenen van de tariefcontingenten wordt gebruikt, al bij de definitieve verordening werd vastgesteld en bijgevolg vanaf het begin een van de pijlers bij het opstellen van de maatregelen vormt, en dat de reikwijdte van het nieuwe onderzoek zich niet uitstrekt tot substantiële wijzigingen van de basisstructuur van de maatregelen”.
(14) Ibid. in afdeling 3.2.1.
(15) Categorie 7 ondervindt ook de gevolgen van het invoerverbod voor een historisch belangrijke leverancier: Rusland.
(16) Bron: Overleg over tariefcontingenten, beschikbaar op:
https://ec.europa.eu/taxation_customs/dds2/taric/quota_consultation.jsp
(17) Contingenten die betrekking hebben op Oekraïne maken geen deel uit van de vrijwaringsmaatregel en staan dus niet ter beschikking van enig ander land zolang de in overweging 9 bedoelde tijdelijke opschorting van kracht blijft.
(18) Zie afdeling 3.2.3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/894.
(19) Bron: Eurostat.
(20) Dit geldt niet zolang de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van Oekraïne wordt opgeschort.
(21) Artikel 7.4 van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.
(22) Artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) 2015/478.
(23) De hoogte van het aan de EU toegewezen tariefcontingent bedraagt ongeveer 3,3 miljoen ton per jaar, wat neerkomt op ongeveer 2,5 % van het gemiddelde volume van de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie (jaren 2018-2019).
(24) Zowel uit de definitieve als uit de verlengingsverordening bleek dat de bedrijfstak van de Unie over het geheel genomen over een bepaalde extra capaciteit beschikte.
(25) Verscheidene belanghebbenden voerden aan dat de VS doorgaans het hoogste prijsniveau hebben.
(26) Verslag van de VS over het verbruik van tariefcontingenten.
(27) In 2021 bedroeg het aandeel van de invoer van Canada, Mexico, Brazilië, Australië en Argentinië op de markt van de Unie 0,9 %.
(28) Het gecombineerde aandeel van de invoer in de Unie uit Canada, Mexico, Brazilië, Australië en Argentinië in de periode 2013-2021 bedroeg 2,25 % van de totale invoer (en bereikte in 2016 een piek van slechts 3,7 %).
(29) Uit eerdere evaluaties van de werking is gebleken dat bepaalde landen in staat waren hun aanwezigheid op de markt van de Unie aanzienlijk en snel te vergroten, bijvoorbeeld met zeer snelle uitputting van de contingenten, met inbegrip van aanvullende contingenten in het vierde kwartaal.
(30) Het is relevant erop te wijzen dat de grootste landen van uitvoer naar de Unie consequent (ook in de opmerkingen in het kader van dit nieuwe onderzoek) hebben betoogd dat de bestaande contingenten hun vermogen om naar de Unie uit te voeren ernstig zouden beperken, wat erop wijst dat zij zonder vrijwaringsmaatregelen hun aanwezigheid op de markt van de Unie zouden kunnen vergroten.
(31) Zie punt 3.1.2.g van de verlengingsverordening voor een meer gedetailleerde beoordeling. Wat de volumes betreft, blijft de markt van de Unie wereldwijd de belangrijkste markt voor de invoer van staal. Zie OESO, “Steel Market Developments – Q2 2022” , (DSTI/SC(2022)1), tabel 8.
(32) Zie bijvoorbeeld de bevindingen van de Commissie in de afdelingen 3.1.2 en 3.1.3 van de verlengingsverordening.
(33) Zie bijvoorbeeld de verklaring van de voorzitter tijdens de 91e zitting van het Staalcomité van de OESO (29-31 maart 2022): “overcapaciteit, die in 2021 op 544 miljoen ton stond en sinds 2018 op een aanhoudend hoog niveau is gebleven, wat wijst op de noodzaak van verdere capaciteitsverminderingen in de betrokken jurisdicties”. Beschikbaar op: 91st Session of the OECD Steel Committee — Chair's Statement - OECD;
Zie ook van de OESO: “Latest Developments in Steelmaking Capacity” , blz. 4 en 6 (DSTI/SC(2022)3: “De wereldwijde overcapaciteit voor staal blijft toenemen. De wereldwijde capaciteit voor het maken van ruw staal is toegenomen met 6,0 miljoen metrische ton (mmt), ofwel met 0,2 %, tot 2 454,3 mmt in 2021”;
Zie ook het gezamenlijk communiqué van de ministers van Handel van de G7 van 21 oktober 2021: “Wij bevestigden het belang van het Mondiaal Forum inzake overcapaciteit van staal (GFSEC) als forum dat kan helpen het probleem van de mondiale overcapaciteit van staal in een multilateraal kader aan te pakken. Wij zullen de OESO blijven steunen en ermee blijven samenwerken om voort te bouwen op haar uitstekende werk dat tot dusver is verricht, onder meer door te blijven focussen op de analyse van de frequentie en de omvang van marktverstorende praktijken en de gevolgen die deze kunnen hebben voor kwesties als het creëren en in stand houden van overcapaciteit”; te raadplegen via: https://www.g7uk.org/g7-trade-ministers-communique-2/
(34) De invoer in de VS in 2021 was over het geheel genomen 21 % lager dan in 2017, d.w.z. vóór de Section 232-maatregel van de VS.
(35) Verloren volumes van uitvoer naar onder meer de markten van de VS en de Unie, alsook naar andere derde markten. Zie voor meer details afdeling 3.1.2 van de verlengingsverordening.
(36) De daling van de invoer van landen met relevante uitvoer naar de Unie die niet in aanmerking komen voor enige preferentiële behandeling in het kader van de Section 232-maatregel van de VS, waaronder China, India, Rusland, Taiwan, Turkije, Oekraïne en het VK, bedroeg -48 %, terwijl er sprake was van een algehele daling van de invoer met -21 % (zie voetnoot 34). Bron: Commissie voor internationale handel van de Verenigde Staten - https://dataweb.usitc.gov
(37) Als referentie werd de prijs voor warmgewalste platte producten (“Hot-Rolled Flat price”) in de Unie als referentie genomen (vergelijking van de piek die medio maart werd bereikt met gegevens van medio mei 2022).
(38) Bron: S&P Platts Global and Steel Business Briefing (SBB) (beschikbaar bij abonnement).
Voor bewijsmateriaal uit openbaar beschikbare bronnen over de ontwikkeling van de prijzen in de Unie, zie onder meer: MEPS International — https://mepsinternational.com/gb/en/news/buying-panic-subsides-in-european-steel-market (20 april 2022); EUROMETAL – Lower import offers, poor demand drags down EU HRC prices — EUROMETAL (2 mei 2022); Metal Bulletin — https://www.metalbulletin.com/Article/5097739/HRC-prices-across-Europe-continue-to-slide- on-weak-demand.html (10 mei 2022) en https://www.metalbulletin.com/Article/5098015/hot-rolled-coil/European-HRC-buyers-continue-to-be-held-back-by-sufficient-stocks-weak-demand.html (12 mei 2022)
(39) Zie WorldSteel Association, “Short Range Outlook”, april 2022, beschikbaar op: worldsteel Short Range Outlook April 2022 - worldsteel.org
(40) Zie OESO, “Economic and Social Impacts and Policy Implications of the War in Ukraine” van 29 maart 2022, blz. 7 en 8, beschikbaar op: https://www.oecd.org/industry/ind/Item_3.1_Economic_and_financial_market_Impacts.pdf
Zie ook de verklaring van de voorzitter tijdens de 91e zitting van het Staalcomité van de OESO, beschikbaar op: https://www.oecd.org/sti/ind/91-oecd-steel-chair-statement.htm; “De toenemende druk op mondiale toeleveringsketens, waaronder tekorten aan halfgeleiderchips, stijgende energiekosten en de vooruitzichten voor hogere rentetarieven als gevolg van de versnelling van de inflatie, hebben de industriële activiteit en de mondiale vraag naar staal gedrukt. (...) De gevolgen worden rechtstreeks gevoeld als een aanzienlijke negatieve aanbodschok voor staal en grondstoffen uit Rusland en Oekraïne, die met name de Europese staalindustrie treft, met als gevolg een stijging van de staal- en grondstoffenprijzen. De mondiale staalindustrie heeft ook te lijden onder indirecte effecten, zoals hogere energie- en productiekosten en een vertraging van de mondiale economische groei, die de vraag naar staal aanzienlijk zal temperen.”
(41) Zie Wereldbank, “Commodity Prices”, mei 2022, op: CMO-Pink-Sheet-May-2022.pdf (worldbank.org)
(42) Zie de prijsontwikkeling van staalproducten op S&P Platts Global, Global Market Outlook, van april 2022 (beschikbaar bij abonnement).
(43) Bron: Global Trade Atlas – analyse gericht op de vergelijking (van het jaar 2021 met het jaar 2019) van het niveau van de uitvoerprijzen van enkele van de belangrijkste staalproducenten wereldwijd voor de categorieën waarop de EU-vrijwaringsmaatregel voor staal van toepassing is. Uit de analyse bleek de volgende ontwikkeling van de uitvoerprijzen van enkele van de belangrijkste staalproducerende landen ter wereld van het product waarop de vrijwaringsmaatregel van de EU van toepassing is: China (+43 %), India (+32 %), Japan (+14 %), Rusland (+28 %), Zuid-Korea (+27 %), Turkije (+43 %), en het VK (+21 %).
(44) Bron: https://ec.europa.eu/taxation_customs/dds2/taric/quota_consultation.jsp
(45) Het volume van de invoer in 2021 was slechts 1,5 % lager dan in 2018.
(46) Zie World Steel Short Range Outlook, beschikbaar op: worldsteel Short Range Outlook April 2022 — worldsteel.org
(47) Op grond van artikel 3, punt g), van Verordening (EU) 2022/428 kon de invoer uit Rusland en Belarus in het kader van het residuele contingent worden voortgezet zolang er vóór 16 maart 2022 aan gesloten contracten of aan voor de uitvoering van dergelijke contracten nodige aanvullende contracten uiterlijk op 17 juni 2022 uitvoering werd gegeven.
(48) In dit verband herinnerde de Commissie eraan dat Verordening (EU) 2015/477 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen ten aanzien van het gecombineerde effect van antidumping- of antisubsidiemaatregelen en vrijwaringsmaatregelen (PB L 83 van 27.3.2015, blz. 11) de interactie tussen enerzijds vrijwarings- en anderzijds antidumping- en compenserende maatregelen naar behoren wordt behandeld. Zie ook arrest van het Gerecht van 20 oktober 2021, Novolipetsk Steel PAO/Commissie, T-790/19, ECLI:EU:T:2021:706.
(49) Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“terugtrekkingsakkoord”) (PB L 63 van 31.1.2020, blz. 7).
(50) Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2037 van de Commissie van 10 december 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 416 van 11.12.2020, blz. 32).
BIJLAGE I
“III.2 — Lijst van productcategorieën uit ontwikkelingslanden ten aanzien waarvan de definitieve maatregelen gelden
|
Lijst van productcategorieën uit ontwikkelingslanden ten aanzien waarvan de definitieve maatregelen gelden |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Land/Productgroep |
1 |
2 |
3A |
3B |
4A |
4B |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
24 |
25A |
25B |
26 |
27 |
28 |
|
Brazilië |
|
|
|
|
X |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
China |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
X |
|
X |
X |
X |
X |
|
X |
X |
|
|
X |
X |
|
X |
X |
X |
|
X |
X |
X |
X |
|
Egypte |
X |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
India |
X |
X |
|
|
X |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
X |
|
X |
X |
|
|
X |
|
|
|
Indonesië |
|
|
|
|
X |
|
|
|
X |
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Kazachstan |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Moldavië |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
X |
X |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Noord-Macedonië |
|
|
|
|
X |
|
|
|
X |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
X |
X |
|
X |
|
|
|
|
|
|
Zuid-Afrika |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
X |
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Tunesië |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Turkije |
X |
X |
|
|
X |
X |
X |
X |
|
X |
X |
|
X |
X |
|
|
X |
X |
|
X |
X |
X |
|
X |
|
X |
X |
X |
X |
|
Oekraïne |
X |
X |
|
|
X |
X |
|
|
X |
|
|
|
|
X |
X |
|
X |
X |
|
|
X |
X |
X |
X |
|
|
X |
X |
X” |
|
Verenigde Arabische Emiraten |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
X |
X |
|
X |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Vietnam |
X |
|
X |
X |
X |
X |
X |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
Alle andere ontwikkelingslanden |
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
BIJLAGE II
“BIJLAGE IV
IV.1 — Omvang tariefcontingenten
|
Productnummer |
Productcategorie |
GN-codes |
Toewijzing per land (indien van toepassing) |
Jaar 5 |
Jaar 6 |
Aanvullend recht |
Volgnummers |
||||||
|
Van 1.7.2022 t.e.m. 30.9.2022 |
Van 1.10.2022 t.e.m. 31.12.2022 |
Van 1.1.2023 t.e.m. 31.3.2023 |
Van 1.4.2023 t.e.m. 30.6.2023 |
Van 1.7.2023 t.e.m. 30.9.2023 |
Van 1.10.2023 t.e.m. 31.12.2023 |
Van 1.1.2024 t.e.m. 31.3.2024 |
Van 1.4.2024 t.e.m. 30.6.2024 |
||||||
|
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
||||||||||||
|
1 |
Bladen en strippen van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, warm gewalst |
7208 10 00 , 7208 25 00 , 7208 26 00 , 7208 27 00 , 7208 36 00 , 7208 37 00 , 7208 38 00 , 7208 39 00 , 7208 40 00 , 7208 52 10 , 7208 52 99 , 7208 53 10 , 7208 53 90 , 7208 54 00 , 7211 13 00 , 7211 14 00 , 7211 19 00 , 7212 60 00 , 7225 19 10 , 7225 30 10 , 7225 30 30 , 7225 30 90 , 7225 40 15 , 7225 40 90 , 7226 19 10 , 7226 91 20 , 7226 91 91 , 7226 91 99 |
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8966 |
|
Turkije |
452 373,88 |
452 373,88 |
442 539,66 |
447 456,77 |
469 183,40 |
469 183,40 |
464 083,58 |
464 083,58 |
25 % |
09.8967 |
|||
|
India |
287 227,31 |
287 227,31 |
280 983,24 |
284 105,28 |
297 900,24 |
297 900,24 |
294 662,20 |
294 662,20 |
25 % |
09.8968 |
|||
|
Korea (Republiek) |
179 365,46 |
179 365,46 |
175 466,21 |
177 415,83 |
186 030,40 |
186 030,40 |
184 008,33 |
184 008,33 |
25 % |
09.8969 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
150 045,49 |
150 045,49 |
146 783,63 |
148 414,56 |
155 620,95 |
155 620,95 |
153 929,42 |
153 929,42 |
25 % |
09.8976 |
|||
|
Servië |
159 231,56 |
159 231,56 |
155 770,01 |
157 500,79 |
165 148,37 |
165 148,37 |
163 353,27 |
163 353,27 |
25 % |
09.8970 |
|||
|
Andere landen |
900 290,25 |
900 290,25 |
880 718,72 |
890 504,48 |
933 743,65 |
933 743,65 |
923 594,27 |
923 594,27 |
25 % |
||||
|
2 |
Niet-gelegeerde en ander gelegeerde koudgewalste platen |
7209 15 00 , 7209 16 90 , 7209 17 90 , 7209 18 91 , 7209 25 00 , 7209 26 90 , 7209 27 90 , 7209 28 90 , 7209 90 20 , 7209 90 80 , 7211 23 20 , 7211 23 30 , 7211 23 80 , 7211 29 00 , 7211 90 20 , 7211 90 80 , 7225 50 20 , 7225 50 80 , 7226 20 00 , 7226 92 00 |
India |
156 974,80 |
156 974,80 |
153 562,31 |
155 268,55 |
162 807,74 |
162 807,74 |
161 038,10 |
161 038,10 |
25 % |
09.8801 |
|
Korea (Republiek) |
91 042,24 |
91 042,24 |
89 063,06 |
90 052,65 |
94 425,23 |
94 425,23 |
93 398,87 |
93 398,87 |
25 % |
09.8802 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
84 142,99 |
84 142,99 |
82 313,80 |
83 228,39 |
87 269,62 |
87 269,62 |
86 321,03 |
86 321,03 |
25 % |
09.8977 |
|||
|
Oekraïne |
69 898,31 |
69 898,31 |
68 378,78 |
69 138,54 |
72 495,62 |
72 495,62 |
71 707,62 |
71 707,62 |
25 % |
09.8803 |
|||
|
Servië |
39 631,71 |
39 631,71 |
38 770,15 |
39 200,93 |
41 104,37 |
41 104,37 |
40 657,58 |
40 657,58 |
25 % |
09.8805 |
|||
|
Andere landen |
321 824,43 |
321 824,43 |
314 828,25 |
318 326,34 |
333 782,94 |
333 782,94 |
330 154,85 |
330 154,85 |
25 % |
||||
|
3.A |
Elektroplaten (andere dan met gerichte korrels) |
7209 16 10 , 7209 17 10 , 7209 18 10 , 7209 26 10 , 7209 27 10 , 7209 28 10 |
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8808 |
|
Verenigd Koninkrijk |
532,59 |
532,59 |
521,01 |
526,80 |
552,38 |
552,38 |
546,38 |
546,38 |
25 % |
09.8978 |
|||
|
Iran (Islamitische Republiek) |
159,72 |
159,72 |
156,25 |
157,98 |
165,65 |
165,65 |
163,85 |
163,85 |
25 % |
09.8809 |
|||
|
Korea (Republiek) |
244,60 |
244,60 |
239,29 |
241,94 |
253,69 |
253,69 |
250,93 |
250,93 |
25 % |
09.8806 |
|||
|
Andere landen |
817,65 |
817,65 |
799,87 |
808,76 |
848,03 |
848,03 |
838,81 |
838,81 |
25 % |
||||
|
3.B |
7225 19 90 , 7226 19 80 |
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8811 |
|
|
Korea (Republiek) |
33 860,21 |
33 860,21 |
33 124,12 |
33 492,16 |
35 118,40 |
35 118,40 |
34 736,68 |
34 736,68 |
25 % |
09.8812 |
|||
|
China |
29 777,29 |
29 777,29 |
29 129,96 |
29 453,62 |
30 883,77 |
30 883,77 |
30 548,08 |
30 548,08 |
25 % |
09.8813 |
|||
|
Taiwan |
23 288,87 |
23 288,87 |
22 782,59 |
23 035,73 |
24 154,25 |
24 154,25 |
23 891,70 |
23 891,70 |
25 % |
09.8814 |
|||
|
Andere landen |
8 303,99 |
8 303,99 |
8 123,47 |
8 213,73 |
8 612,56 |
8 612,56 |
8 518,94 |
8 518,94 |
25 % |
||||
|
4.A |
Metallisch beklede bladen |
Taric-codes: 7210 41 00 20, 7210 41 00 30, 7210 49 00 20, 7210 49 00 30, 7210 61 00 20, 7210 61 00 30, 7210 69 00 20, 7210 69 00 30, 7212 30 00 20, 7212 30 00 30, 7212 50 20 , 7212 50 61 20, 7212 50 61 30, 7212 50 69 20, 7212 50 69 30, 7225 92 00 20, 7225 92 00 30, 7225 99 00 11, 7225 99 00 22, 7225 99 00 23, 7225 99 00 41, 7225 99 00 45, 7225 99 00 91, 7225 99 00 92, 7225 99 00 93, 7226 99 30 10, 7226 99 30 30, 7226 99 70 11, 7226 99 70 13, 7226 99 70 91, 7226 99 70 93, 7226 99 70 94 |
Korea (Republiek) |
36 115,37 |
36 115,37 |
35 330,25 |
35 722,81 |
37 457,36 |
37 457,36 |
37 050,22 |
37 050,22 |
25 % |
09.8816 |
|
India |
51 623,89 |
51 623,89 |
50 501,64 |
51 062,77 |
53 542,16 |
53 542,16 |
52 960,18 |
52 960,18 |
25 % |
09.8817 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
34 028,35 |
34 028,35 |
33 288,60 |
33 658,47 |
35 292,79 |
35 292,79 |
34 909,17 |
34 909,17 |
25 % |
09.8979 |
|||
|
Andere landen |
454 338,51 |
454 338,51 |
444 461,58 |
449 400,05 |
471 221,03 |
471 221,03 |
466 099,06 |
466 099,06 |
25 % |
||||
|
4.B |
GN-codes: 7210 20 00 , 7210 30 00 , 7210 90 80 , 7212 20 00 , 7212 50 30 , 7212 50 40 , 7212 50 90 , 7225 91 00 , 7226 99 10 Taric-codes: 7210 41 00 80, 7210 49 00 80, 7210 61 00 80, 7210 69 00 80, 7212 30 00 80, 7212 50 61 80, 7212 50 69 80, 7225 92 00 80, 7225 99 00 25, 7225 99 00 95, 7226 99 30 90, 7226 99 70 19, 7226 99 70 96 |
China |
123 409,30 |
123 409,30 |
120 726,49 |
122 067,90 |
127 995,00 |
127 995,00 |
126 603,75 |
126 603,75 |
25 % |
09.8821 |
|
|
Korea (Republiek) |
160 163,83 |
160 163,83 |
156 682,01 |
158 422,92 |
166 115,27 |
166 115,27 |
164 309,67 |
164 309,67 |
25 % |
09.8822 |
|||
|
India |
73 708,96 |
73 708,96 |
72 106,59 |
72 907,78 |
76 447,88 |
76 447,88 |
75 616,92 |
75 616,92 |
25 % |
09.8823 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
34 028,35 |
34 028,35 |
33 288,60 |
33 658,47 |
35 292,79 |
35 292,79 |
34 909,17 |
34 909,17 |
25 % |
09.8980 |
|||
|
Andere landen |
100 848,08 |
100 848,08 |
98 655,73 |
99 751,91 |
104 595,44 |
104 595,44 |
103 458,53 |
103 458,53 |
25 % |
||||
|
5 |
Organisch beklede platen |
7210 70 80 , 7212 40 80 |
India |
75 642,86 |
75 642,86 |
73 998,45 |
74 820,66 |
78 453,64 |
78 453,64 |
77 600,88 |
77 600,88 |
25 % |
09.8826 |
|
Korea (Republiek) |
68 363,40 |
68 363,40 |
66 877,24 |
67 620,32 |
70 903,68 |
70 903,68 |
70 132,99 |
70 132,99 |
25 % |
09.8827 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
33 563,94 |
33 563,94 |
32 834,29 |
33 199,12 |
34 811,13 |
34 811,13 |
34 432,75 |
34 432,75 |
25 % |
09.8981 |
|||
|
Taiwan |
21 910,16 |
21 910,16 |
21 433,85 |
21 672,00 |
22 724,31 |
22 724,31 |
22 477,30 |
22 477,30 |
25 % |
09.8828 |
|||
|
Turkije |
15 126,78 |
15 126,78 |
14 797,94 |
14 962,36 |
15 688,87 |
15 688,87 |
15 518,34 |
15 518,34 |
25 % |
09.8829 |
|||
|
Andere landen |
41 252,54 |
41 252,54 |
40 355,75 |
40 804,14 |
42 785,42 |
42 785,42 |
42 320,36 |
42 320,36 |
25 % |
||||
|
6 |
Blik |
7209 18 99 , 7210 11 00 , 7210 12 20 , 7210 12 80 , 7210 50 00 , 7210 70 10 , 7210 90 40 , 7212 10 10 , 7212 10 90 , 7212 40 20 |
China |
106 758,00 |
106 758,00 |
104 437,17 |
105 597,58 |
110 724,96 |
110 724,96 |
109 521,43 |
109 521,43 |
25 % |
09.8831 |
|
Verenigd Koninkrijk |
38 940,37 |
38 940,37 |
38 093,84 |
38 517,11 |
40 387,34 |
40 387,34 |
39 948,34 |
39 948,34 |
25 % |
09.8982 |
|||
|
Servië |
21 429,38 |
21 429,38 |
20 963,53 |
21 196,46 |
22 225,67 |
22 225,67 |
21 984,08 |
21 984,08 |
25 % |
09.8832 |
|||
|
Korea (Republiek) |
15 501,05 |
15 501,05 |
15 164,07 |
15 332,56 |
16 077,04 |
16 077,04 |
15 902,29 |
15 902,29 |
25 % |
09.8833 |
|||
|
Taiwan |
12 887,99 |
12 887,99 |
12 607,82 |
12 747,90 |
13 366,89 |
13 366,89 |
13 221,60 |
13 221,60 |
25 % |
09.8834 |
|||
|
Andere landen |
35 715,05 |
35 715,05 |
34 938,63 |
35 326,84 |
37 042,16 |
37 042,16 |
36 639,53 |
36 639,53 |
25 % |
||||
|
7 |
Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal |
7208 51 20 , 7208 51 91 , 7208 51 98 , 7208 52 91 , 7208 90 20 , 7208 90 80 , 7210 90 30 , 7225 40 12 , 7225 40 40 , 7225 40 60 , 7225 99 00 |
Oekraïne |
270 017,57 |
270 017,57 |
264 147,62 |
267 082,59 |
280 051,01 |
280 051,01 |
277 006,97 |
277 006,97 |
25 % |
09.8836 |
|
Andere landen |
554 571,27 |
554 571,27 |
542 515,37 |
548 543,32 |
575 178,29 |
575 178,29 |
568 926,35 |
568 926,35 |
25 % |
||||
|
8 |
Roestvrije warmgewalste platen en banden |
7219 11 00 , 7219 12 10 , 7219 12 90 , 7219 13 10 , 7219 13 90 , 7219 14 10 , 7219 14 90 , 7219 22 10 , 7219 22 90 , 7219 23 00 , 7219 24 00 , 7220 11 00 , 7220 12 00 |
Andere landen |
105 581,29 |
105 581,29 |
103 286,04 |
104 433,67 |
109 504,53 |
109 504,53 |
108 314,26 |
108 314,26 |
25 % |
|
|
9 |
Roestvrije koudgewalste platen en banden |
7219 31 00 , 7219 32 10 , 7219 32 90 , 7219 33 10 , 7219 33 90 , 7219 34 10 , 7219 34 90 , 7219 35 10 , 7219 35 90 , 7219 90 20 , 7219 90 80 , 7220 20 21 , 7220 20 29 , 7220 20 41 , 7220 20 49 , 7220 20 81 , 7220 20 89 , 7220 90 20 , 7220 90 80 |
Korea (Republiek) |
47 773,95 |
47 773,95 |
46 735,39 |
47 254,67 |
49 549,16 |
49 549,16 |
49 010,58 |
49 010,58 |
25 % |
09.8846 |
|
Taiwan |
44 302,39 |
44 302,39 |
43 339,29 |
43 820,84 |
45 948,59 |
45 948,59 |
45 449,15 |
45 449,15 |
25 % |
09.8847 |
|||
|
India |
29 610,23 |
29 610,23 |
28 966,53 |
29 288,38 |
30 710,50 |
30 710,50 |
30 376,69 |
30 376,69 |
25 % |
09.8848 |
|||
|
Zuid-Afrika |
25 765,68 |
25 765,68 |
25 205,56 |
25 485,62 |
26 723,10 |
26 723,10 |
26 432,63 |
26 432,63 |
25 % |
09.8853 |
|||
|
Verenigde Staten |
24 090,93 |
24 090,93 |
23 567,21 |
23 829,07 |
24 986,11 |
24 986,11 |
24 714,52 |
24 714,52 |
25 % |
09.8849 |
|||
|
Turkije |
20 046,66 |
20 046,66 |
19 610,86 |
19 828,76 |
20 791,56 |
20 791,56 |
20 565,57 |
20 565,57 |
25 % |
09.8850 |
|||
|
Maleisië |
12 700,45 |
12 700,45 |
12 424,35 |
12 562,40 |
13 172,38 |
13 172,38 |
13 029,20 |
13 029,20 |
25 % |
09.8851 |
|||
|
Andere landen |
50 944,84 |
50 944,84 |
49 837,34 |
50 391,09 |
52 837,87 |
52 837,87 |
52 263,55 |
52 263,55 |
25 % |
||||
|
10 |
Roestvrije warmgewalste kwartoplaten |
7219 21 10 , 7219 21 90 |
China |
4 731,30 |
4 731,30 |
4 628,44 |
4 679,87 |
4 907,10 |
4 907,10 |
4 853,77 |
4 853,77 |
25 % |
09.8856 |
|
India |
2 007,05 |
2 007,05 |
1 963,42 |
1 985,24 |
2 081,63 |
2 081,63 |
2 059,01 |
2 059,01 |
25 % |
09.8857 |
|||
|
Zuid-Afrika |
1 374,32 |
1 374,32 |
1 344,44 |
1 359,38 |
1 425,39 |
1 425,39 |
1 409,89 |
1 409,89 |
25 % |
09.8859 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
827,96 |
827,96 |
809,96 |
818,96 |
858,73 |
858,73 |
849,39 |
849,39 |
25 % |
09.8984 |
|||
|
Taiwan |
764,41 |
764,41 |
747,79 |
756,10 |
792,81 |
792,81 |
784,19 |
784,19 |
25 % |
09.8858 |
|||
|
Andere landen |
1 002,95 |
1 002,95 |
981,14 |
992,04 |
1 040,21 |
1 040,21 |
1 028,91 |
1 028,91 |
25 % |
||||
|
12 |
Niet-gelegeerd en ander gelegeerd staafstaal, waaronder lichte profielen |
7214 30 00 , 7214 91 10 , 7214 91 90 , 7214 99 31 , 7214 99 39 , 7214 99 50 , 7214 99 71 , 7214 99 79 , 7214 99 95 , 7215 90 00 , 7216 10 00 , 7216 21 00 , 7216 22 00 , 7216 40 10 , 7216 40 90 , 7216 50 10 , 7216 50 91 , 7216 50 99 , 7216 99 00 , 7228 10 20 , 7228 20 10 , 7228 20 91 , 7228 30 20 , 7228 30 41 , 7228 30 49 , 7228 30 61 , 7228 30 69 , 7228 30 70 , 7228 30 89 , 7228 60 20 , 7228 60 80 , 7228 70 10 , 7228 70 90 , 7228 80 00 |
China |
135 003,41 |
135 003,41 |
132 068,55 |
133 535,98 |
140 019,93 |
140 019,93 |
138 497,97 |
138 497,97 |
25 % |
09.8861 |
|
Verenigd Koninkrijk |
112 785,82 |
112 785,82 |
110 333,95 |
111 559,89 |
116 976,77 |
116 976,77 |
115 705,28 |
115 705,28 |
25 % |
09.8985 |
|||
|
Turkije |
101 999,52 |
101 999,52 |
99 782,14 |
100 890,83 |
105 789,67 |
105 789,67 |
104 639,78 |
104 639,78 |
25 % |
09.8862 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8863 |
|||
|
Zwitserland |
65 555,05 |
65 555,05 |
64 129,94 |
64 842,50 |
67 990,98 |
67 990,98 |
67 251,94 |
67 251,94 |
25 % |
09.8864 |
|||
|
Belarus |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8865 |
|||
|
Andere landen |
58 414,15 |
58 414,15 |
57 144,27 |
57 779,21 |
60 584,73 |
60 584,73 |
59 926,20 |
59 926,20 |
25 % |
||||
|
13 |
Betonstaal |
7214 20 00 , 7214 99 10 |
Turkije |
90 856,92 |
90 856,92 |
88 881,77 |
89 869,35 |
94 233,03 |
94 233,03 |
93 208,76 |
93 208,76 |
25 % |
09.8866 |
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8867 |
|||
|
Oekraïne |
42 298,50 |
42 298,50 |
41 378,96 |
41 838,73 |
43 870,24 |
43 870,24 |
43 393,39 |
43 393,39 |
25 % |
09.8868 |
|||
|
Bosnië en Herzegovina |
32 685,87 |
32 685,87 |
31 975,31 |
32 330,59 |
33 900,43 |
33 900,43 |
33 531,95 |
33 531,95 |
25 % |
09.8869 |
|||
|
Moldavië (Republiek) |
27 318,01 |
27 318,01 |
26 724,14 |
27 021,07 |
28 333,10 |
28 333,10 |
28 025,13 |
28 025,13 |
25 % |
09.8870 |
|||
|
Andere landen |
132 668,90 |
132 668,90 |
129 784,79 |
131 226,85 |
137 598,67 |
137 598,67 |
136 103,03 |
136 103,03 |
25 % |
||||
|
14 |
Staven en lichte profielen van roestvrij staal |
7222 11 11 , 7222 11 19 , 7222 11 81 , 7222 11 89 , 7222 19 10 , 7222 19 90 , 7222 20 11 , 7222 20 19 , 7222 20 21 , 7222 20 29 , 7222 20 31 , 7222 20 39 , 7222 20 81 , 7222 20 89 , 7222 30 51 , 7222 30 91 , 7222 30 97 , 7222 40 10 , 7222 40 50 , 7222 40 90 |
India |
30 542,92 |
30 542,92 |
29 878,94 |
30 210,93 |
31 677,84 |
31 677,84 |
31 333,52 |
31 333,52 |
25 % |
09.8871 |
|
Verenigd Koninkrijk |
4 463,47 |
4 463,47 |
4 366,44 |
4 414,96 |
4 629,33 |
4 629,33 |
4 579,01 |
4 579,01 |
25 % |
09.8986 |
|||
|
Zwitserland |
4 393,46 |
4 393,46 |
4 297,95 |
4 345,71 |
4 556,72 |
4 556,72 |
4 507,19 |
4 507,19 |
25 % |
09.8872 |
|||
|
Oekraïne |
3 393,31 |
3 393,31 |
3 319,54 |
3 356,42 |
3 519,40 |
3 519,40 |
3 481,14 |
3 481,14 |
25 % |
09.8873 |
|||
|
Andere landen |
4 956,51 |
4 956,51 |
4 848,76 |
4 902,63 |
5 140,68 |
5 140,68 |
5 084,81 |
5 084,81 |
25 % |
||||
|
15 |
Walsdraad van roestvrij staal |
7221 00 10 , 7221 00 90 |
India |
7 103,74 |
7 103,74 |
6 949,31 |
7 026,53 |
7 367,70 |
7 367,70 |
7 287,62 |
7 287,62 |
25 % |
09.8876 |
|
Taiwan |
4 580,21 |
4 580,21 |
4 480,64 |
4 530,43 |
4 750,40 |
4 750,40 |
4 698,77 |
4 698,77 |
25 % |
09.8877 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
3 679,69 |
3 679,69 |
3 599,69 |
3 639,69 |
3 816,42 |
3 816,42 |
3 774,93 |
3 774,93 |
25 % |
09.8987 |
|||
|
Korea (Republiek) |
2 286,74 |
2 286,74 |
2 237,03 |
2 261,88 |
2 371,71 |
2 371,71 |
2 345,93 |
2 345,93 |
25 % |
09.8878 |
|||
|
China |
1 548,74 |
1 548,74 |
1 515,07 |
1 531,90 |
1 606,28 |
1 606,28 |
1 588,83 |
1 588,83 |
25 % |
09.8879 |
|||
|
Japan |
1 536,99 |
1 536,99 |
1 503,57 |
1 520,28 |
1 594,10 |
1 594,10 |
1 576,77 |
1 576,77 |
25 % |
09.8880 |
|||
|
Andere landen |
773,87 |
773,87 |
757,04 |
765,46 |
802,62 |
802,62 |
793,90 |
793,90 |
25 % |
||||
|
16 |
Niet-gelegeerde en ander gelegeerde walsdraad |
7213 10 00 , 7213 20 00 , 7213 91 10 , 7213 91 20 , 7213 91 41 , 7213 91 49 , 7213 91 70 , 7213 91 90 , 7213 99 10 , 7213 99 90 , 7227 10 00 , 7227 20 00 , 7227 90 10 , 7227 90 50 , 7227 90 95 |
Verenigd Koninkrijk |
176 384,36 |
176 384,36 |
172 549,92 |
174 467,14 |
182 938,53 |
182 938,53 |
180 950,07 |
180 950,07 |
25 % |
09.8988 |
|
Oekraïne |
118 599,40 |
118 599,40 |
116 021,16 |
117 310,28 |
123 006,38 |
123 006,38 |
121 669,35 |
121 669,35 |
25 % |
09.8881 |
|||
|
Zwitserland |
130 373,45 |
130 373,45 |
127 539,25 |
128 956,35 |
135 217,93 |
135 217,93 |
133 748,17 |
133 748,17 |
25 % |
09.8882 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8883 |
|||
|
Turkije |
113 300,38 |
113 300,38 |
110 837,33 |
112 068,85 |
117 510,45 |
117 510,45 |
116 233,16 |
116 233,16 |
25 % |
09.8884 |
|||
|
Belarus |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8885 |
|||
|
Moldavië (Republiek) |
66 581,74 |
66 581,74 |
65 134,31 |
65 858,02 |
69 055,81 |
69 055,81 |
68 305,20 |
68 305,20 |
25 % |
09.8886 |
|||
|
Andere landen |
116 864,97 |
116 864,97 |
114 324,43 |
115 594,70 |
121 207,50 |
121 207,50 |
119 890,02 |
119 890,02 |
25 % |
||||
|
17 |
Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal |
7216 31 10 , 7216 31 90 , 7216 32 11 , 7216 32 19 , 7216 32 91 , 7216 32 99 , 7216 33 10 , 7216 33 90 |
Oekraïne |
30 113,25 |
30 113,25 |
29 458,61 |
29 785,93 |
31 232,21 |
31 232,21 |
30 892,73 |
30 892,73 |
25 % |
09.8891 |
|
Andere landen |
64 947,85 |
64 947,85 |
63 535,94 |
64 241,90 |
67 361,21 |
67 361,21 |
66 629,03 |
66 629,03 |
25 % |
||||
|
18 |
Damwandprofielen |
7301 10 00 |
China |
6 736,44 |
6 736,44 |
6 590,00 |
6 663,22 |
6 986,76 |
6 986,76 |
6 910,82 |
6 910,82 |
25 % |
09.8901 |
|
Verenigde Arabische Emiraten |
3 333,90 |
3 333,90 |
3 261,43 |
3 297,67 |
3 457,79 |
3 457,79 |
3 420,20 |
3 420,20 |
25 % |
09.8902 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
864,55 |
864,55 |
845,76 |
855,16 |
896,68 |
896,68 |
886,93 |
886,93 |
25 % |
09.8990 |
|||
|
Andere landen |
274,44 |
274,44 |
268,47 |
271,45 |
284,63 |
284,63 |
281,54 |
281,54 |
25 % |
||||
|
19 |
Spoorwegmateriaal |
7302 10 22 , 7302 10 28 , 7302 10 40 , 7302 10 50 , 7302 40 00 |
Verenigd Koninkrijk |
4 916,90 |
4 916,90 |
4 810,01 |
4 863,46 |
5 099,61 |
5 099,61 |
5 044,18 |
5 044,18 |
25 % |
09.8991 |
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8906 |
|||
|
Turkije |
1 498,14 |
1 498,14 |
1 465,57 |
1 481,86 |
1 553,81 |
1 553,81 |
1 536,92 |
1 536,92 |
25 % |
09.8908 |
|||
|
China |
1 449,19 |
1 449,19 |
1 417,68 |
1 433,44 |
1 503,04 |
1 503,04 |
1 486,70 |
1 486,70 |
25 % |
09.8907 |
|||
|
Andere landen |
759,42 |
759,42 |
742,91 |
751,17 |
787,64 |
787,64 |
779,08 |
779,08 |
25 % |
||||
|
20 |
Gasbuizen |
7306 30 41 , 7306 30 49 , 7306 30 72 , 7306 30 77 |
Turkije |
47 578,14 |
47 578,14 |
46 543,83 |
47 060,99 |
49 346,07 |
49 346,07 |
48 809,70 |
48 809,70 |
25 % |
09.8911 |
|
India |
18 309,56 |
18 309,56 |
17 911,53 |
18 110,55 |
18 989,92 |
18 989,92 |
18 783,51 |
18 783,51 |
25 % |
09.8912 |
|||
|
Noord-Macedonië |
6 762,54 |
6 762,54 |
6 615,53 |
6 689,04 |
7 013,83 |
7 013,83 |
6 937,59 |
6 937,59 |
25 % |
09.8913 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
6 432,95 |
6 432,95 |
6 293,10 |
6 363,03 |
6 671,99 |
6 671,99 |
6 599,47 |
6 599,47 |
25 % |
09.8992 |
|||
|
Andere landen |
10 690,62 |
10 690,62 |
10 458,21 |
10 574,41 |
11 087,86 |
11 087,86 |
10 967,34 |
10 967,34 |
25 % |
||||
|
21 |
Holle profielen |
7306 61 10 , 7306 61 92 , 7306 61 99 |
Turkije |
94 689,32 |
94 689,32 |
92 630,86 |
93 660,09 |
98 207,83 |
98 207,83 |
97 140,35 |
97 140,35 |
25 % |
09.8916 |
|
Verenigd Koninkrijk |
50 502,05 |
50 502,05 |
49 404,18 |
49 953,11 |
52 378,63 |
52 378,63 |
51 809,29 |
51 809,29 |
25 % |
09.8993 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8917 |
|||
|
Noord-Macedonië |
27 955,71 |
27 955,71 |
27 347,98 |
27 651,85 |
28 994,51 |
28 994,51 |
28 679,35 |
28 679,35 |
25 % |
09.8918 |
|||
|
Oekraïne |
20 676,33 |
20 676,33 |
20 226,85 |
20 451,59 |
21 444,63 |
21 444,63 |
21 211,54 |
21 211,54 |
25 % |
09.8919 |
|||
|
Zwitserland |
15 453,34 |
15 453,34 |
15 117,40 |
15 285,37 |
16 027,57 |
16 027,57 |
15 853,35 |
15 853,35 |
25 % |
09.8920 |
|||
|
Belarus |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8921 |
|||
|
Andere landen |
19 871,64 |
19 871,64 |
19 439,65 |
19 655,65 |
20 610,04 |
20 610,04 |
20 386,02 |
20 386,02 |
25 % |
||||
|
22 |
Naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal |
7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , 7304 41 00 , 7304 49 83 , 7304 49 85 , 7304 49 89 |
India |
5 659,79 |
5 659,79 |
5 536,75 |
5 598,27 |
5 870,10 |
5 870,10 |
5 806,30 |
5 806,30 |
25 % |
09.8926 |
|
Oekraïne |
3 543,95 |
3 543,95 |
3 466,91 |
3 505,43 |
3 675,64 |
3 675,64 |
3 635,69 |
3 635,69 |
25 % |
09.8927 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
1 798,90 |
1 798,90 |
1 759,80 |
1 779,35 |
1 865,75 |
1 865,75 |
1 845,47 |
1 845,47 |
25 % |
09.8994 |
|||
|
Korea (Republiek) |
1 114,07 |
1 114,07 |
1 089,85 |
1 101,96 |
1 155,47 |
1 155,47 |
1 142,91 |
1 142,91 |
25 % |
09.8928 |
|||
|
Japan |
1 036,03 |
1 036,03 |
1 013,51 |
1 024,77 |
1 074,53 |
1 074,53 |
1 062,85 |
1 062,85 |
25 % |
09.8929 |
|||
|
China |
888,89 |
888,89 |
869,57 |
879,23 |
921,92 |
921,92 |
911,90 |
911,90 |
25 % |
09.8931 |
|||
|
Andere landen |
2 586,28 |
2 586,28 |
2 530,05 |
2 558,16 |
2 682,38 |
2 682,38 |
2 653,22 |
2 653,22 |
25 % |
||||
|
24 |
Andere naadloze buizen |
7304 19 10 , 7304 19 30 , 7304 19 90 , 7304 23 00 , 7304 29 10 , 7304 29 30 , 7304 29 90 , 7304 31 20 , 7304 31 80 , 7304 39 50 , 7304 39 82 , 7304 39 83 , 7304 39 88 , 7304 51 81 , 7304 51 89 , 7304 59 82 , 7304 59 83 , 7304 59 89 , 7304 90 00 |
China |
36 946,09 |
36 946,09 |
36 142,92 |
36 544,50 |
38 318,95 |
38 318,95 |
37 902,44 |
37 902,44 |
25 % |
09.8936 |
|
Oekraïne |
30 880,76 |
30 880,76 |
30 209,44 |
30 545,10 |
32 028,25 |
32 028,25 |
31 680,11 |
31 680,11 |
25 % |
09.8937 |
|||
|
Belarus |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8938 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
11 268,07 |
11 268,07 |
11 023,11 |
11 145,59 |
11 686,77 |
11 686,77 |
11 559,74 |
11 559,74 |
25 % |
09.8995 |
|||
|
Verenigde Staten |
8 110,65 |
8 110,65 |
7 934,33 |
8 022,49 |
8 412,03 |
8 412,03 |
8 320,60 |
8 320,60 |
25 % |
09.8940 |
|||
|
Andere landen |
43 742,37 |
43 742,37 |
42 791,45 |
43 266,91 |
45 367,77 |
45 367,77 |
44 874,64 |
44 874,64 |
25 % |
||||
|
25.A |
Grote gelaste buizen |
7305 11 00 , 7305 12 00 |
Andere landen |
115 747,59 |
115 747,59 |
113 231,34 |
114 489,47 |
120 048,60 |
120 048,60 |
118 743,72 |
118 743,72 |
25 % |
|
|
25.B |
Grote gelaste buizen |
7305 19 00 , 7305 20 00 , 7305 31 00 , 7305 39 00 , 7305 90 00 |
Turkije |
14 371,47 |
14 371,47 |
14 059,05 |
14 215,26 |
14 905,49 |
14 905,49 |
14 743,48 |
14 743,48 |
25 % |
09.8971 |
|
China |
8 134,62 |
8 134,62 |
7 957,78 |
8 046,20 |
8 436,89 |
8 436,89 |
8 345,18 |
8 345,18 |
25 % |
09.8972 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8973 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
5 903,81 |
5 903,81 |
5 775,46 |
5 839,64 |
6 123,18 |
6 123,18 |
6 056,63 |
6 056,63 |
25 % |
09.8996 |
|||
|
Korea (Republiek) |
2 781,17 |
2 781,17 |
2 720,71 |
2 750,94 |
2 884,52 |
2 884,52 |
2 853,16 |
2 853,16 |
25 % |
09.8974 |
|||
|
Andere landen |
6 251,05 |
6 251,05 |
6 115,16 |
6 183,11 |
6 483,33 |
6 483,33 |
6 412,86 |
6 412,86 |
25 % |
||||
|
26 |
Andere gelaste buizen |
7306 11 00 , 7306 19 00 , 7306 21 00 , 7306 29 00 , 7306 30 12 , 7306 30 18 , 7306 30 80 , 7306 40 20 , 7306 40 80 , 7306 50 21 , 7306 50 29 , 7306 50 80 , 7306 69 10 , 7306 69 90 , 7306 90 00 |
Zwitserland |
46 275,35 |
46 275,35 |
45 269,36 |
45 772,35 |
47 994,87 |
47 994,87 |
47 473,18 |
47 473,18 |
25 % |
09.8946 |
|
Turkije |
36 650,08 |
36 650,08 |
35 853,34 |
36 251,71 |
38 011,94 |
38 011,94 |
37 598,77 |
37 598,77 |
25 % |
09.8947 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
11 192,00 |
11 192,00 |
10 948,70 |
11 070,35 |
11 607,88 |
11 607,88 |
11 481,71 |
11 481,71 |
25 % |
09.8997 |
|||
|
Taiwan |
8 671,66 |
8 671,66 |
8 483,14 |
8 577,40 |
8 993,88 |
8 993,88 |
8 896,12 |
8 896,12 |
25 % |
09.8950 |
|||
|
China |
7 769,95 |
7 769,95 |
7 601,04 |
7 685,50 |
8 058,67 |
8 058,67 |
7 971,08 |
7 971,08 |
25 % |
09.8949 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8952 |
|||
|
Andere landen |
19 298,91 |
19 298,91 |
18 879,37 |
19 089,14 |
20 016,03 |
20 016,03 |
19 798,47 |
19 798,47 |
25 % |
||||
|
27 |
Staven van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, door koud nabewerken verkregen |
7215 10 00 , 7215 50 11 , 7215 50 19 , 7215 50 80 , 7228 10 90 , 7228 20 99 , 7228 50 20 , 7228 50 40 , 7228 50 61 , 7228 50 69 , 7228 50 80 |
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8956 |
|
Zwitserland |
40 584,14 |
40 584,14 |
39 701,88 |
40 143,01 |
42 092,18 |
42 092,18 |
41 634,66 |
41 634,66 |
25 % |
09.8957 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
24 483,32 |
24 483,32 |
23 951,08 |
24 217,20 |
25 393,08 |
25 393,08 |
25 117,07 |
25 117,07 |
25 % |
09.8998 |
|||
|
China |
25 900,31 |
25 900,31 |
25 337,26 |
25 618,79 |
26 862,73 |
26 862,73 |
26 570,74 |
26 570,74 |
25 % |
09.8958 |
|||
|
Oekraïne |
29 232,30 |
29 232,30 |
28 596,82 |
28 914,56 |
30 318,53 |
30 318,53 |
29 988,98 |
29 988,98 |
25 % |
09.8959 |
|||
|
Andere landen |
30 366,43 |
30 366,43 |
29 706,29 |
30 036,36 |
31 494,80 |
31 494,80 |
31 152,46 |
31 152,46 |
25 % |
||||
|
28 |
Draad van niet-gelegeerd staal |
7217 10 10 , 7217 10 31 , 7217 10 39 , 7217 10 50 , 7217 10 90 , 7217 20 10 , 7217 20 30 , 7217 20 50 , 7217 20 90 , 7217 30 41 , 7217 30 49 , 7217 30 50 , 7217 30 90 , 7217 90 20 , 7217 90 50 , 7217 90 90 |
Belarus |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8961 |
|
China |
75 996,55 |
75 996,55 |
74 344,45 |
75 170,50 |
78 820,47 |
78 820,47 |
77 963,72 |
77 963,72 |
25 % |
09.8962 |
|||
|
Russische Federatie |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
25 % |
09.8963 |
|||
|
Turkije |
49 453,52 |
49 453,52 |
48 378,45 |
48 915,98 |
51 291,14 |
51 291,14 |
50 733,63 |
50 733,63 |
25 % |
09.8964 |
|||
|
Oekraïne |
37 294,60 |
37 294,60 |
36 483,85 |
36 889,22 |
38 680,41 |
38 680,41 |
38 259,97 |
38 259,97 |
25 % |
09.8965 |
|||
|
Andere landen |
47 545,89 |
47 545,89 |
46 512,29 |
47 029,09 |
49 312,63 |
49 312,63 |
48 776,62 |
48 776,62 |
25 % |
||||
IV.2 – Omvang globale en residuele tariefcontingenten per kwartaal
|
Productnummer |
Toewijzing per land (indien van toepassing) |
Jaar 2 |
Jaar 3 |
||||||
|
Van 1.7.2022 t.e.m. 30.9.2022 |
Van 1.10.2022 t.e.m. 31.12.2022 |
Van 1.1.2023 t.e.m. 31.3.2023 |
Van 1.4.2023 t.e.m. 30.6.2023 |
Van 1.7.2023 t.e.m. 30.9.2023 |
Van 1.10.2023 t.e.m. 31.12.2023 |
Van 1.1.2024 t.e.m. 31.3.2024 |
Van 1.4.2024 t.e.m. 30.6.2024 |
||
|
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
||
|
1 |
Andere landen |
900 290,25 |
900 290,25 |
880 718,72 |
890 504,48 |
933 743,65 |
933 743,65 |
923 594,27 |
923 594,27 |
|
2 |
Andere landen |
321 824,43 |
321 824,43 |
314 828,25 |
318 326,34 |
333 782,94 |
333 782,94 |
330 154,85 |
330 154,85 |
|
3A |
Andere landen |
817,65 |
817,65 |
799,87 |
808,76 |
848,03 |
848,03 |
838,81 |
838,81 |
|
3B |
Andere landen |
8 303,99 |
8 303,99 |
8 123,47 |
8 213,73 |
8 612,56 |
8 612,56 |
8 518,94 |
8 518,94 |
|
4A |
Andere landen |
454 338,51 |
454 338,51 |
444 461,58 |
449 400,05 |
471 221,03 |
471 221,03 |
466 099,06 |
466 099,06 |
|
4B |
Andere landen |
100 848,08 |
100 848,08 |
98 655,73 |
99 751,91 |
104 595,44 |
104 595,44 |
103 458,53 |
103 458,53 |
|
5 |
Andere landen |
41 252,54 |
41 252,54 |
40 355,75 |
40 804,14 |
42 785,42 |
42 785,42 |
42 320,36 |
42 320,36 |
|
6 |
Andere landen |
35 715,05 |
35 715,05 |
34 938,63 |
35 326,84 |
37 042,16 |
37 042,16 |
36 639,53 |
36 639,53 |
|
7 |
Andere landen |
554 571,27 |
554 571,27 |
542 515,37 |
548 543,32 |
575 178,29 |
575 178,29 |
568 926,35 |
568 926,35 |
|
8 |
Andere landen |
105 581,29 |
105 581,29 |
103 286,04 |
104 433,67 |
109 504,53 |
109 504,53 |
108 314,26 |
108 314,26 |
|
9 |
Andere landen |
50 944,84 |
50 944,84 |
49 837,34 |
50 391,09 |
52 837,87 |
52 837,87 |
52 263,55 |
52 263,55 |
|
10 |
Andere landen |
1 002,95 |
1 002,95 |
981,14 |
992,04 |
1 040,21 |
1 040,21 |
1 028,91 |
1 028,91 |
|
12 |
Andere landen |
58 414,15 |
58 414,15 |
57 144,27 |
57 779,21 |
60 584,73 |
60 584,73 |
59 926,20 |
59 926,20 |
|
13 |
Andere landen |
132 668,90 |
132 668,90 |
129 784,79 |
131 226,85 |
137 598,67 |
137 598,67 |
136 103,03 |
136 103,03 |
|
14 |
Andere landen |
4 956,51 |
4 956,51 |
4 848,76 |
4 902,63 |
5 140,68 |
5 140,68 |
5 084,81 |
5 084,81 |
|
15 |
Andere landen |
773,87 |
773,87 |
757,04 |
765,46 |
802,62 |
802,62 |
793,90 |
793,90 |
|
16 |
Andere landen |
116 864,97 |
116 864,97 |
114 324,43 |
115 594,70 |
121 207,50 |
121 207,50 |
119 890,02 |
119 890,02 |
|
17 |
Andere landen |
64 947,85 |
64 947,85 |
63 535,94 |
64 241,90 |
67 361,21 |
67 361,21 |
66 629,03 |
66 629,03 |
|
18 |
Andere landen |
274,44 |
274,44 |
268,47 |
271,45 |
284,63 |
284,63 |
281,54 |
281,54 |
|
19 |
Andere landen |
759,42 |
759,42 |
742,91 |
751,17 |
787,64 |
787,64 |
779,08 |
779,08 |
|
20 |
Andere landen |
10 690,62 |
10 690,62 |
10 458,21 |
10 574,41 |
11 087,86 |
11 087,86 |
10 967,34 |
10 967,34 |
|
21 |
Andere landen |
19 871,64 |
19 871,64 |
19 439,65 |
19 655,65 |
20 610,04 |
20 610,04 |
20 386,02 |
20 386,02 |
|
22 |
Andere landen |
2 586,28 |
2 586,28 |
2 530,05 |
2 558,16 |
2 682,38 |
2 682,38 |
2 653,22 |
2 653,22 |
|
24 |
Andere landen |
43 742,37 |
43 742,37 |
42 791,45 |
43 266,91 |
45 367,77 |
45 367,77 |
44 874,64 |
44 874,64 |
|
25A |
Andere landen |
115 747,59 |
115 747,59 |
113 231,34 |
114 489,47 |
120 048,60 |
120 048,60 |
118 743,72 |
118 743,72 |
|
25B |
Andere landen |
6 251,05 |
6 251,05 |
6 115,16 |
6 183,11 |
6 483,33 |
6 483,33 |
6 412,86 |
6 412,86 |
|
26 |
Andere landen |
19 298,91 |
19 298,91 |
18 879,37 |
19 089,14 |
20 016,03 |
20 016,03 |
19 798,47 |
19 798,47 |
|
27 |
Andere landen |
30 366,43 |
30 366,43 |
29 706,29 |
30 036,36 |
31 494,80 |
31 494,80 |
31 152,46 |
31 152,46 |
|
28 |
Andere landen |
47 545,89 |
47 545,89 |
46 512,29 |
47 029,09 |
49 312,63 |
49 312,63 |
48 776,62 |
48 776,62 |
IV.3 – Maximumomvang van het residuele contingent waartoe landen met een landspecifiek contingent in de laatste kwartalen toegang hebben
|
Productcategorie |
Nieuw toegewezen contingent (in ton) |
|
|
Van 1.4.2023 t.e.m. 30.6.2023 |
Van 1.4.2024 t.e.m. 30.6.2024 |
|
|
1 |
Speciale regeling |
Speciale regeling |
|
2 |
318 326,34 |
330 154,85 |
|
3.A |
808,76 |
838,81 |
|
3.B |
8 213,73 |
8 518,94 |
|
4.A |
449 400,05 |
466 099,06 |
|
4.B |
Speciale regeling |
Speciale regeling |
|
5 |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
|
6 |
35 326,84 |
36 639,53 |
|
7 |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
8 |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
9 |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
|
10 |
992,04 |
1 028,91 |
|
12 |
22 671,97 |
23 514,42 |
|
13 |
53 215,94 |
55 193,36 |
|
14 |
3 652,73 |
3 788,46 |
|
15 |
765,46 |
793,90 |
|
16 |
18 138,68 |
18 812,69 |
|
17 |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
18 |
271,45 |
281,54 |
|
19 |
751,17 |
779,08 |
|
20 |
960,89 |
996,60 |
|
21 |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
Geen toegang tot het residuele contingent in vierde kwartaal |
|
22 |
2 558,16 |
2 653,22 |
|
24 |
43 266,91 |
44 874,64 |
|
25.A |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
25.B |
6 183,11 |
6 412,86 |
|
26 |
19 089,14 |
19 798,47 |
|
27 |
4 699,24 |
4 873,85 |
|
28 |
47 029,09 |
48 776,62 |
(1) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8601
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8602
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Turkije*: 09.8572, voor India*: 09.8573, voor Korea (Republiek)*: 09.8574, voor Servië*: 09.8575 en voor het Verenigd Koninkrijk*: 09.8599 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig
artikel 1, lid 5.
(2) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8603
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8604
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor India*, Korea (Republiek)*, Oekraïne*, Brazilië*, Servië* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8567 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(3) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8605
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8606
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Korea (Republiek)*, Iran (Islamitische Republiek)* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8568 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(4) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8607
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8608
09.8816 Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Korea (Republiek)*, China* en Taiwan*: 09.8569 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(5) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8609
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8610
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor India*, Korea (Republiek)* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8570 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(6) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8611
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8612
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*: 09.8581, voor Korea (Republiek)*: 09.8582, voor India*: 09.8583, voor het Verenigd Koninkrijk*: 09.8584 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(7) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8613
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8614
(8) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8615
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8616
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*, Korea (Republiek)*, Taiwan*, Servië* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8576 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(9) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8617
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8618
(10) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8619
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8620
(11) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8621
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8622
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Korea (Republiek)*, Taiwan*, India*, Zuid-Afrika*, Verenigde Staten van Amerika*, Turkije* en Maleisië*: 09.8578 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(12) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8623
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8624
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*, India*, Zuid-Afrika*, Taiwan* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8591 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(13) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8625
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8626
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China *, Turkije *, Zwitserland * en het Verenigd Koninkrijk *: 09.8592 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(14) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8627
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8628
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Turkije*, Oekraïne*, Bosnië en Herzegovina* en Moldavië*: 09.8593 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(15) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8629
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8630
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor India*, Zwitserland*, Oekraïne* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8594 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(16) Van 1.7 tot en met 31.3: 09,8631 09,8907
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8632
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor India*, Taiwan*, Korea (Republiek)*, China*, Japan* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8595 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(17) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8633
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8634
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Oekraïne*, Zwitserland*, Turkije*, Moldavië* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8558 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(18) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8635
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8636
(19) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8637
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8638
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*, de Verenigde Arabische Emiraten* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8580 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(20) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8639
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8640
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*, Turkije* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8585 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(21) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8641
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8642
(22) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8643
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8644
(23) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8645
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8646
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor India*, Oekraïne*, Korea (Republiek)*, Japan*, China* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8597 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(24) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8647
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8648
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor China*, Oekraïne*, de Verenigde Staten van Amerika* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8586 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(25) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8657
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8658
(26) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8659
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8660
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Turkije*, China*, Korea (Republiek)* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8587 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(27) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8651
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8652
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Zwitserland*, Turkije*, Taiwan*, China* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8588 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(28) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8653
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8654
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Zwitserland*, China *, Oekraïne* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8539 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
(29) Van 1.7 tot en met 31.3: 09.8655
Van 1.4 tot en met 30.6: 09.8656
Van 1.4 tot en met 30.6: Voor Turkije*, Oekraïne* en China*: 09.8598 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/88 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/979 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2022
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, punt b),
Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, punt a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld. |
|
(2) |
Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, moet de onderhavige verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2022.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Wolfgang BURTSCHER
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).
BIJLAGE
“BIJLAGE I
|
GN-code |
Omschrijving |
Representatieve prijs (EUR/100 kg) |
In artikel 3 bedoelde zekerheid (EUR/100 kg) |
Oorsprong (1) |
|
0207 14 10 |
Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren |
259,0 250,1 |
12 15 |
BR TH |
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).”.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/91 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/980 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2022
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 wat betreft de aanvullende invoerrechten in de sector suiker
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 182, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie (2) voorziet in aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker. |
|
(2) |
In het licht van de toenmalige marktomstandigheden en -vooruitzichten werd in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 van de Commissie (3) bepaald dat de aanvullende invoerrechten tot en met 30 september 2015 niet van toepassing zouden zijn op een aantal suikerproducten. Aangezien de heersende marktomstandigheden na die datum niet wezenlijk waren veranderd, werd die periode bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1278/2014 van de Commissie (4) verlengd tot en met 30 september 2017 en bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1409 van de Commissie (5) verder verlengd tot en met 30 september 2022. |
|
(3) |
In artikel 182, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is bepaald dat er geen aanvullende invoerrechten worden geheven wanneer de invoer de Uniemarkt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel. Gelet op de fundamentals van de wereld- en de Uniemarkt voor suiker blijft het weinig waarschijnlijk dat de invoer van suikerproducten die onder het invoerrecht van het gemeenschappelijk douanetarief vallen, de Uniemarkt zal verstoren. Bijgevolg dienen er geen aanvullende rechten voor deze invoer te gelden, tenzij de marktsituatie duidelijk verandert. |
|
(4) |
Daarom moet de in artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 bepaalde periode waarin er voor diverse suikerproducten geen aanvullende invoerrechten gelden, worden verlengd. |
|
(5) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Omwille van de rechtszekerheid moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van de dag na die van het verstrijken van de periode waarin artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 voorziet. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 wordt de datum “30 september 2022” vervangen door “30 september 2027”.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 van de Commissie van 25 januari 2013 tot afwijking van Verordening (EG) nr. 951/2006 met betrekking tot de toepassing van representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 892/2012 tot vaststelling van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2012/2013 (PB L 26 van 26.1.2013, blz. 19).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1278/2014 van de Commissie van 1 december 2014 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 967/2006, (EG) nr. 828/2009 en (EG) nr. 891/2009 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 (PB L 346 van 2.12.2014, blz. 26).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1409 van de Commissie van 1 augustus 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 75/2013 en Verordening (EG) nr. 951/2006 wat betreft de aanvullende invoerrechten in de sector suiker en de berekening van het sacharosegehalte van isoglucose en bepaalde stropen (PB L 201 van 2.8.2017, blz. 21).
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/93 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/981 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2022
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 14, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie (2) zijn definitieve antidumpingrechten ingesteld op aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
|
(2) |
Guangdong Huachang Aluminium Factory Co., Ltd, aanvullende Taric-code (3) C575, een onderneming waarvoor een antidumpingrecht van 22,1 % voor niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten geldt, heeft de Commissie op 9 juni 2021 (“de datum van het verzoek”) meegedeeld dat zij haar naam had gewijzigd in Guangdong Huachang Group Co., Ltd. |
|
(3) |
De onderneming heeft de Commissie verzocht te bevestigen dat de naamswijziging niet van invloed is op haar aanspraak op het antidumpingrecht dat onder haar vroegere naam op haar van toepassing was. |
|
(4) |
De Commissie heeft de verstrekte informatie onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de naamswijziging naar behoren bij de bevoegde autoriteiten is geregistreerd en niet heeft geleid tot nieuwe betrekkingen met andere groepen ondernemingen die niet door de Commissie zijn onderzocht. |
|
(5) |
Deze naamswijziging is dus niet van invloed op de bevindingen van de Commissie in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546, en met name niet op het antidumpingrecht dat op de onderneming van toepassing is. |
|
(6) |
De stukken in het dossier bevestigden ook dat de naamswijziging van toepassing was met ingang van 26 april 2021, de dag waarop de naamswijziging door de administratieve dienst voor marktregulering van Foshan Nanhai werd geregistreerd. |
|
(7) |
Gezien de constateringen in de bovenstaande overwegingen heeft de Commissie het passend geacht Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 te wijzigen om de gewijzigde naam van de onderneming waaraan voorheen aanvullende Taric-code C575 was toegewezen, in aanmerking te nemen. De naamswijziging moet derhalve met ingang van de datum van het verzoek, d.w.z. 9 juni 2021, worden toegepast. |
|
(8) |
De in de onderhavige verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie wordt als volgt gewijzigd:
|
“Guangdong Huachang Aluminium Factory Co., Ltd. |
C575” |
wordt vervangen door
|
“Guangdong Huachang Group Co., Ltd. |
C575” |
2. De aanvullende Taric-code C575, die voorheen aan Guangdong Huachang Aluminium Factory Co., Ltd was toegekend, is met ingang van 9 juni 2021 van toepassing op Guangdong Huachang Group Co., Ltd.
3. Alle definitieve rechten die zijn betaald op de invoer van door Guangdong Huachang Group Co., Ltd vervaardigde producten die het bij artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 ten aanzien van Guangdong Huachang Group Co., Ltd vastgestelde antidumpingrecht overstijgen, worden terugbetaald of kwijtgescholden overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie van 29 maart 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 109 van 30.3.2021, blz. 1).
(3) Het geïntegreerde tarief van de Europese Unie.
BESLUITEN
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/95 |
BESLUIT (EU) 2022/982 VAN DE RAAD
van 16 juni 2022
betreffende de indiening, namens de Europese Unie, van voorstellen tot wijziging van de bijlagen I en II bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) met het oog op de 19e Conferentie van de Partijen bij Cites en van een soort die in Cites-bijlage III moet worden opgenomen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (“Cites”) is op 1 juli 1975 in werking getreden. De Unie is bij Besluit (EU) 2015/451 van de Raad (1) toegetreden tot Cites. |
|
(2) |
Op grond van artikel XI, lid 3, van Cites kan de Conferentie van de Partijen bij Cites (CoP) onder meer besluiten tot wijziging van de bijlagen I en II bij Cites goedkeuren. |
|
(3) |
Bovendien kan elke Partij bij Cites op grond van artikel XVI van Cites aan het Cites-secretariaat een lijst voorleggen van de in Cites-bijlage III op te nemen soorten waarvan die Partij verklaart dat die, binnen de grenzen van haar bevoegdheid, tot het onderwerp gemaakt zijn van een regeling die ten doel heeft hun exploitatie te verhinderen of te beperken en waarvoor de samenwerking met de andere Partijen bij de controle op de handel noodzakelijk is. |
|
(4) |
Tijdens haar 19e vergadering van 14 tot en met 25 november 2022 zal de CoP een besluit nemen over voorstellen tot wijziging van de Cites-bijlagen I en II. De partijen moeten dergelijke voorstellen uiterlijk op 17 juni 2022 indienen bij het Cites-secretariaat. Als partij bij Cites kan de Unie dergelijke voorstellen indienen. |
|
(5) |
De indiening van voorstellen die door de CoP in overweging genomen moeten worden, is gebaseerd op een deskundige analyse van de verdiensten van die voorstellen, overeenkomstig de in Cites vastgestelde criteria en in het licht van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens. Die gegevens ondersteunen de in dit besluit vervatte voorstellen, die erop gericht zijn ervoor te zorgen dat de handel in de desbetreffende soorten geen bedreiging vormt voor hun voortbestaan in het wild, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Met het oog op de 19e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) dient de Unie:
|
— |
de in bijlage I bij dit besluit opgenomen voorstellen tot wijziging van Cites-bijlagen I en II in; |
|
— |
de in bijlage II bij dit besluit opgenomen voorstellen tot wijziging van Cites-bijlage II mede in. |
Artikel 2
De Unie dient de in bijlage III bij dit besluit opgenomen soort die in Cites-bijlage III is opgenomen, in.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Luxemburg, 16 juni 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
O. DUSSOPT
(1) Besluit (EU) 2015/451 van de Raad van 6 maart 2015 betreffende de toetreding van de Europese Unie tot de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) (PB L 75 van 19.3.2015, blz. 1).
BIJLAGE I
Wijzigingen van Cites-bijlagen I en II
|
Taxonomische groep |
Taxon (gewone naam) |
Voorstel |
|
Reptielen |
Physignathus cocincinus (Indochinese wateragame) |
Opnemen in bijlage II |
|
|
Cuora galbinifrons (Achterindische doosschildpad) |
Overhevelen van bijlage II naar bijlage I |
|
Amfibieën |
Laotriton laoensis |
Opnemen in bijlage II Met een jaarlijks nulquotum (broncode W) voor commerciële doeleinden |
|
Agalychnis lemur |
Opnemen in bijlage II Met een jaarlijks nulquotum (broncode W) voor commerciële doeleinden |
|
|
Vissen |
Alle nog niet in bijlage II opgenomen soorten Sphyrnidae spp. (hamerhaaien) |
Opnemen in bijlage II |
|
Ongewervelden |
Thelenota ananas, T. anax, T. rubralineata (zeekomkommers) |
Opnemen in bijlage II |
|
Bomen |
Khaya spp. Populaties in Afrika |
Opnemen in bijlage II met annotatie #17 |
|
Afzelia spp. Populaties in Afrika |
Opnemen in bijlage II met annotatie #17 |
|
|
|
Dipteryx spp. |
Opnemen in bijlage II met annotatie #17 + zaden |
|
|
Handroanthus spp., Tabebuia spp. en Roseodendron spp. |
Opnemen in bijlage II met annotatie #17 |
|
|
Pterocarpus spp. Populaties in Afrika |
Opnemen in bijlage II met annotatie #17 |
|
Overige planten |
Rhodiola spp. |
Opnemen in bijlage II met annotatie #2 |
BIJLAGE II
Wijziging van Cites-bijlage II ter mede-indiening
|
Voorgesteld door |
Taxonomische groep |
Taxon (gewone naam) |
Voorstel |
|
Panama |
Kraakbeenvissen |
Carcharhinidae spp. Requiemhaaien |
Opnemen in bijlage II |
BIJLAGE III
Wijziging van Cites-bijlage III
|
Caribena versicolor |
Bijlage III |
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/100 |
BESLUIT (EU) 2022/983 VAN DE RAAD
van 17 juni 2022
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Raad van de Werelddouaneorganisatie over de goedkeuring van ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement van het Comité voor het geharmoniseerde systeem
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 31, artikel 43, lid 2, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (“het verdrag”) is door de Unie bij Besluit 87/369 van de Raad (1) gesloten en is op 1 januari 1988 in werking getreden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 6, lid 6, van het verdrag stelt het Comité voor het geharmoniseerde systeem (“het GS-comité”) zijn huishoudelijk reglement op, waarover wordt beslist met een meerderheid van twee derde van de aan zijn leden toegekende stemmen. Dat huishoudelijk reglement is onderworpen aan de goedkeuring van de Raad van de Werelddouaneorganisatie (“de WDO-Raad”). |
|
(3) |
De WDO-Raad zal naar verwachting tijdens zijn zittingen van juni (139e en 140e zitting op 23-25 juni 2022) ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement van het GS-comité goedkeuren. Die ontwerpwijzigingen zullen goedgekeurd worden op basis van een voorstel dat het GS-comité opgesteld en gefinaliseerd heeft op zijn 64e (18-27 september 2019) en 68e (6-28 september 2021) zitting. De wijzigingen zullen na de goedkeuring ervan in werking treden. |
|
(4) |
Het is van het grootste belang dat het GS-comité zijn besluiten op transparante en efficiënte wijze neemt en dat dergelijke besluiten zo veel mogelijk steun van de leden van het GS-comité krijgen. |
|
(5) |
Aangezien de ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement van het GS-comité goedgekeurd moeten worden door de WDO-Raad, is het passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in de WDO-Raad ingenomen moet worden, aangezien het gewijzigde huishoudelijke reglement, na de goedkeuring ervan, rechtsgevolgen zal hebben in de Unie en invloed kan hebben op de inhoud van het recht van de Unie, met name bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2). |
|
(6) |
Het standpunt van de Unie moet erin bestaan de ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement van het GS-comité, alsook kleine redactionele of taalkundige aanpassingen die nodig worden geacht, te steunen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het standpunt dat namens de Unie tijdens de zittingen van juni 2022 van de Raad van de Werelddouaneorganisatie (“de WDO-Raad”) ingenomen moet worden, bestaat erin dat de ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement van het Comité voor het geharmoniseerde systeem, zoals uiteengezet in de bijlage bij dit besluit, gesteund worden.
2. De vertegenwoordigers van de Unie in de WDO-Raad kunnen in het licht van ontwikkelingen tijdens de komende zittingen van de WDO-Raad, in overleg met de lidstaten of tijdens coördinatievergaderingen ter plaatse, akkoord gaan met kleine redactionele of taalkundige aanpassingen van de in lid 1 bedoelde ontwerpwijzigingen, zonder dat een verder besluit van de Raad vereist is.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Luxemburg, 17 juni 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. LE MAIRE
(1) Besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 inzake de sluiting van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, alsmede van het daarbij behorende protocol van wijziging (PB L 198 van 20.7.1987, blz. 1).
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
BIJLAGE
ONTWERPWIJZIGINGEN VAN HET HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN HET COMITE VOOR HET GEHARMONISEERDE SYSTEEM
1. Ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement regel 19:
|
Derde alinea |
Besluiten over wijzigingen van het verdrag worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de door de leden van het comité uitgebrachte stemmen. Indien er echter twee of meer opties voor de wijziging zijn, past het comité eerst een stapsgewijze stemprocedure toe, zoals hieronder beschreven volgens de stemprocedure met gewone meerderheid, om het aantal opties terug te brengen tot één. Zodra er één enkele optie voor de wijziging resteert, wordt volgens de regel van de tweederdemeerderheid een eindstemming gehouden over het al dan niet aanvaarden van de wijziging. |
|
Vierde alinea |
De overige besluiten worden genomen bij gewone meerderheid (meer dan 50 %) van de door de leden van het comité uitgebrachte stemmen. Indien er meer dan twee opties zijn en geen van die opties meer dan 50 % van de door de leden van het comité uitgebrachte stemmen heeft behaald, wordt bij gewone meerderheid van stemmen een stapsgewijze stempraktijk toegepast waarbij het aantal opties wordt verminderd door de optie met de minste stemmen uit te sluiten totdat de optie met de meeste stemmen meer dan 50 % van de door de leden van het comité uitgebrachte stemmen heeft behaald. |
2. Ontwerpwijzigingen van het huishoudelijk reglement regel 20:
|
Kennisgevingen aan de secretaris-generaal om aangelegenheden overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het verdrag en Besluit nr. 298 voor te leggen aan de Raad of voor een nieuw onderzoek aan het comité, mogen niet vóór de dag na de sluiting van de zitting van het comité worden gedaan, maar moeten uiterlijk aan het einde van de tweede maand volgende op de maand waarin die zitting is gesloten, worden gedaan. Een kennisgeving wordt geacht binnen de termijn te zijn gedaan indien zij door de secretaris-generaal is ontvangen vóór 24:00 uur (plaatselijke tijd Brussel) van de laatste dag van de termijn. Overeenkomstig Besluit nr. 298 van de Raad kan de secretaris-generaal op verzoek van een verdragsluitende partij aangelegenheden die zich voordoen in het kader van artikel 8, lid 2, van het verdrag, rechtstreeks terugzenden naar het comité, mits het verzoek uiterlijk in de periode die in de vorige alinea is gespecificeerd, is gedaan. De secretaris-generaal plaatst de kwestie vervolgens op de agenda van de volgende zitting van het comité voor een nieuw onderzoek. Indien van verschillende verdragsluitende partijen verzoeken met betrekking tot dezelfde aangelegenheid worden ontvangen met het oog op voorlegging aan zowel de Raad als het comité, of indien een verdragsluitende partij niet aangeeft of de aangelegenheid aan de Raad dan wel rechtstreeks aan het comité moet worden voorgelegd, wordt de aangelegenheid aan de Raad voorgelegd. De secretaris-generaal stelt alle verdragsluitende partijen in kennis van de ontvangst van een verzoek om een aangelegenheid aan de Raad of aan het comité voor te leggen. Een verdragsluitende partij die een verzoek tot voorlegging van een aangelegenheid aan de Raad of het comité indient, kan haar verzoek te allen tijde intrekken voordat de aangelegenheid door de Raad wordt behandeld of opnieuw wordt onderzocht door het comité. Het comité zal zich echter buigen over een aangelegenheid als die door de Raad wordt voorgelegd. Indien een verdragsluitende partij een verzoek intrekt, wordt het oorspronkelijke besluit van het comité geacht te zijn goedgekeurd, tenzij een verzoek van een andere verdragsluitende partij die dezelfde aangelegenheid betreft, nog hangende is. De secretaris-generaal stelt de verdragsluitende partijen in kennis van elke intrekking. Wanneer aangelegenheden overeenkomstig artikel 8, lid 3, van het verdrag en Besluit nr. 298 van de Raad geheel of gedeeltelijk voor een nieuw onderzoek aan het comité worden voorgelegd, doet de verdragsluitende partij die heeft verzocht om de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken, de secretaris-generaal uiterlijk 60 dagen vóór de openingsdatum van de volgende zitting van het comité een nota toekomen met de redenen waarom zij om dit nieuwe onderzoek heeft verzocht, samen met haar voorstellen voor een oplossing van de aangelegenheid. De secretaris-generaal doet die nota toekomen aan de andere verdragsluitende partijen. |
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/103 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/984 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2022
betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader van de Volksrepubliek China voor centrale tegenpartijen die een vergunning hebben om otc-derivaten op de interbancaire markt te clearen en die onder toezicht staan van de People’s Bank of China, aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 25, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De procedure voor de erkenning van in derde landen gevestigde centrale tegenpartijen (“CTP’s”) die in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is vastgesteld, is bedoeld om CTP’s die zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen in derde landen waarvan de reguleringsnormen gelijkwaardig zijn aan die welke in genoemde verordening zijn vastgesteld, de mogelijkheid te bieden clearingdiensten te verrichten voor clearingleden of handelsplatformen die in de Unie zijn gevestigd. Die erkenningsprocedure en de gelijkwaardigheidsbesluiten waarin wordt voorzien, dragen zodoende bij tot het bereiken van de overkoepelende doelstelling van Verordening (EU) nr. 648/2012 om het systeemrisico te verminderen door meer gebruik te maken van veilige en solide CTP’s voor de clearing van over-the-counter (“otc”) derivatencontracten, ook als die CTP’s in een derde land zijn gevestigd en daar een vergunning hebben gekregen. |
|
(2) |
Om een rechtstelsel van een derde land als gelijkwaardig aan het rechtsstelsel van de Unie aan te merken wat CTP’s betreft, dient het concrete resultaat van het toepasselijke juridische en toezichthoudende kader van dat stelsel gelijkwaardig te zijn aan dat van de Unievereisten wat de regelgevingsdoelstellingen betreft die met die vereisten worden bereikt. Het doel van deze gelijkwaardigheidstoetsing is daarom om na te gaan of het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China waarborgt dat CTP’s die daar zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen om otc-derivaten op de interbancaire markt te clearen, in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen niet blootstellen aan een hoger risiconiveau dan dat waaraan clearingleden en handelsplatformen zouden kunnen worden blootgesteld door CTP’s die in de Unie een vergunning hebben gekregen, en of het bijgevolg geen onaanvaardbare niveaus van systeemrisico in de Unie oplevert. In het bijzonder dienen daarbij de aanzienlijk lagere risico’s die verbonden zijn aan clearingactiviteiten die worden ontplooid op een financiële markt die kleiner is dan de financiële markt van de Unie, in aanmerking te worden genomen. |
|
(3) |
Artikel 25, lid 6, punten a), b), en c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 noemt drie voorwaarden die vervuld moeten zijn om te kunnen verklaren dat het juridische en toezichthoudende kader van een derde land dat geldt voor CTP’s die in dat land over een vergunning beschikken, gelijkwaardig is aan de vereisten welke in die verordening zijn vastgelegd. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 6, punt a), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten CTP’s die in een derde land over een vergunning beschikken, voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten zoals die in titel IV van die verordening zijn neergelegd. |
|
(5) |
Dit besluit heeft betrekking op het regelgevings- en toezichtstelsel dat van toepassing is op CTP’s die van de People’s Bank of China een vergunning hebben gekregen om otc-derivaten op de interbancaire markt te clearen. De People’s Bank of China is verantwoordelijk voor de vergunningverlening aan en het toezicht op CTP’s die zorgen voor centrale clearing van otc-derivatentransacties op de Chinese interbancaire markten. In de Volksrepubliek China worden interbancaire otc-derivatentransacties omschreven als transacties tussen institutionele beleggers met betrekking tot derivatencontracten die niet worden verhandeld op een beurs die onder toezicht staat van de China Securities Regulatory Commission (“CSRC”) (2). De Chinese interbancaire markten bestaan voornamelijk uit de interbancaire obligatiemarkt (3), de interbancaire kredietmarkt (4) en de interbancaire valutamarkt (5). De interbancaire otc-derivatenmarkten omvatten rentederivaten, wisselkoersderivaten, obligatiederivaten, kredietderivaten en grondstoffenderivaten. De derivatencontracten die onder de bevoegdheid van de People’s Bank of China vallen, komen overeen met een subset van de derivatencontracten die onder de bepalingen van Verordening (EU) nr. 648/2012 vallen die van toepassing zijn op CTP’s. |
|
(6) |
Het regelgevings- en toezichtstelsel dat van toepassing is op CTP’s die derivaten clearen die worden verhandeld op een beurs die onder toezicht staat van de CSRC overeenkomstig hoofdstuk V van de wet op de effecten van de Volksrepubliek China, hoofdstuk II van de Verordening betreffende het beheer van de handel in futures, en de wet op futures en derivaten van de Volksrepubliek China, valt niet onder dit besluit. |
|
(7) |
De juridisch bindende vereisten van de Volksrepubliek China voor CTP’s waaraan de People’s Bank of China een vergunning heeft verleend, omvatten de wet van de Volksrepubliek China betreffende de People’s Bank of China (“wet betreffende de People’s Bank of China”) (6) en secundaire regelgeving, waarin de wettelijke verplichtingen zijn vastgelegd waaraan CTP’s die in de Volksrepubliek China zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen, moeten voldoen. Volgens de bekendmaking van het Algemeen Bureau van de Volksrepubliek China van 2013 betreffende aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van beginselen voor financiëlemarktinfrastructuren (7) moeten vergunninghoudende CTP’s met name toepassing en uitvoering geven aan de internationale normen die zijn vastgesteld in het kader van de Principles for Financial Market Infrastructures (“PFMI’s”), die in april 2012 zijn uitgevaardigd door het Committee on Payments and Market Infrastructures en de International Organization of Securities Commissions (8). |
|
(8) |
De kernbeginselen voor CTP’s die zijn vastgelegd in de regels die van toepassing zijn in de Volksrepubliek China, bevatten algemene normen waaraan CTP’s moeten voldoen om een vergunning te krijgen om clearingdiensten in China te verlenen. Op grond van deze beginselen moeten CTP’s zich houden aan de PFMI’s, beschikken over duidelijke en transparante governanceregelingen, de veiligheid en efficiëntie van de financiëlemarktinfrastructuren bevorderen en de stabiliteit van het bredere financiële stelsel ondersteunen. De People’s Bank of China kan CTP’s ook specifieke vereisten opleggen, met name betreffende internecontrolemechanismen en risicobeheersystemen. |
|
(9) |
Vergunninghoudende CTP’s staan onder permanent toezicht van de People’s Bank of China. Vergunninghoudende CTP’s moeten de People’s Bank of China in kennis stellen van elke wijziging in de regels van de CTP en elke belangrijke aangelegenheid, daaronder begrepen wijzigingen in de verrichte activiteiten en de aanbieding van nieuwe diensten, wijzigingen in de risicobeheercontrole en in noodplannen, wijzigingen in de statuten, interne procedures en intern beleid, en fusies en overnames. De People’s Bank of China moet dergelijke wijzigingen of belangrijke aangelegenheden goedkeuren. |
|
(10) |
De juridisch bindende vereisten in de Volksrepubliek China voor CTP’s die onder toezicht van de People’s Bank of China staan, hebben dus een tweeledige structuur. Het eerste niveau bestaat uit de wet betreffende de People’s Bank of China en de bijbehorende secundaire regelgeving, waarin de algemene normen zijn vastgelegd, waaronder de toepassing van de PFMI’s, waaraan de CTP’s moeten voldoen. Het tweede niveau bestaat uit de regels en procedures krachtens welke een vergunninghoudende CTP elke wijziging in de door haar aangeboden diensten en in haar bedrijfsvoeringsregels, daaronder begrepen haar regels inzake risicobeheer alsook interne regels en procedures, ter goedkeuring aan de People’s Bank of China moet voorleggen. |
|
(11) |
Bij de beoordeling of het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op in de Volksrepubliek China gevestigde CTP’s die onder toezicht van de People’s Bank of China staan, gelijkwaardig is aan het juridische en toezichthoudende kader van de Unie, moet ook rekening worden gehouden met de uitkomst inzake risicolimitering die dat juridische en toezichthoudende kader waarborgt wat betreft het risiconiveau waaraan in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen zijn blootgesteld als gevolg van hun deelneming in die entiteiten. De uitkomst inzake risicolimitering wordt bepaald door zowel het risiconiveau dat aan de door de betrokken CTP ontplooide clearingactiviteiten verbonden is en dat afhankelijk is van de omvang van de financiële markt waarop deze opereert, als de geschiktheid van het voor CTP’s geldende juridische en toezichthoudende kader voor het limiteren van dat risiconiveau. Om dezelfde uitkomst inzake risicolimitering te verkrijgen, zijn striktere vereisten inzake risicolimitering vereist voor CTP’s die hun activiteiten ontplooien op grotere financiële markten met een hoger inherent risiconiveau dan voor CTP’s die hun activiteiten ontplooien op kleinere financiële markten met een lager inherent risiconiveau. |
|
(12) |
De financiële markten waarop CTP’s met een vergunning voor de interbancaire markt in de Volksrepubliek China hun clearingactiviteiten verrichten, zijn aanzienlijk kleiner dan die waarop in de Unie gevestigde CTP’s hun clearingactiviteiten verrichten. Met name de afgelopen drie jaar vertegenwoordigde de totale waarde van de derivatentransacties die zijn gecleard bij CTP’s onder toezicht van de People’s Bank of China, minder dan 1 % van de totale waarde van de in de Unie geclearde derivatentransacties. Daarom stelt deelneming in dergelijke CTP’s clearingleden en handelsplatformen die in de Unie zijn gevestigd, aan aanzienlijk lagere risico’s bloot dan deelneming in CTP’s die in de Unie over een vergunning beschikken. |
|
(13) |
Het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP’s die in de Volksrepubliek China zijn gevestigd en onder toezicht van de People’s Bank of China staan, moet derhalve als gelijkwaardig aan het juridische en toezichthoudende kader van de Unie worden beschouwd indien dat juridische en toezichthoudende kader geschikt is om dat lagere risiconiveau te limiteren. De primaire regels die van toepassing zijn op CTP’s waaraan de People’s Bank of China een vergunning heeft verleend, daaronder begrepen de aan vergunninghoudende CTP’s opgelegde verplichting om de PFMI’s toe te passen en uit te voeren, limiteren het lagere risiconiveau op de betrokken markt en leveren een uitkomst inzake risicolimitering op die gelijkwaardig is aan die welke door Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt nagestreefd. |
|
(14) |
De Commissie concludeert derhalve dat het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China waarborgt dat CTP’s waaraan de People’s Bank of China een vergunning heeft verleend, voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten zoals die in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn neergelegd. |
|
(15) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 6, punt b), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet het juridische en toezichthoudende kader van een derde land voor de CTP’s die daar over een vergunning beschikken, voorzien in doorlopend effectief toezicht en effectieve handhaving ten aanzien van die CTP’s. |
|
(16) |
De People’s Bank of China is belast met het toezicht op vergunninghoudende CTP’s op de interbancaire markt en betrokken bij het dagelijks beheer van CTP’s waarop zij toezicht houdt. De People’s Bank of China heeft uitgebreide bevoegdheden om controle uit te oefenen op en sancties op te leggen aan een vergunninghoudende CTP, daaronder begrepen de bevoegdheid om inspecties ter plaatse en elders uit te voeren, een vergunninghoudende CTP te verzoeken correcties aan te brengen, waarschuwingen te geven, illegale winsten in beslag te nemen, sancties op te leggen aan een CTP, en de bestuurders, hogere leidinggevenden van de CTP en andere rechtstreeks aansprakelijke werknemers een vermaning of een boete te geven. |
|
(17) |
De Commissie concludeert derhalve dat CTP’s die van de People’s Bank of China een vergunning hebben gekregen en onder haar toezicht staan, doorlopend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving. |
|
(18) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 6, punt c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet het juridische en toezichthoudende kader van een derde land voorzien in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP’s waaraan uit hoofde van rechtsstelsels van derde landen een vergunning is verleend (“CTP’s uit een derde land”). |
|
(19) |
Overeenkomstig artikel 4, punten 1) en 9), en artikel 32, punt 8), van de wet betreffende de People’s Bank of China is de People’s Bank of China belast met de handhaving van de normale werking van clearingsystemen en heeft zij de bevoegdheid om de regels en voorschriften inzake het clearingsysteem ten uitvoer te leggen. Buiten de Volksrepubliek China gevestigde CTP’s die financiële instrumenten willen clearen voor in de Volksrepubliek China gevestigde commerciële banken, kunnen om een brief van geen bezwaar |
|
(20) |
De Commissie concludeert derhalve dat het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China voor CTP’s die onder toezicht van de People’s Bank of China staan, voorziet in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP’s uit derde landen. |
|
(21) |
De voorwaarden van artikel 25, lid 6, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten derhalve worden geacht te zijn vervuld door het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China, dat als gelijkwaardig aan de in Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde vereisten moet worden aangemerkt. Dit besluit is gebaseerd op het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP’s die over een vergunning van de People’s Bank of China beschikken om otc-derivaten te clearen, ten tijde van de vaststelling van dit besluit. De Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten zullen de ontwikkeling van het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP’s in de Volksrepubliek China, en de naleving van de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is genomen, regelmatig blijven volgen. |
|
(22) |
Ten minste om de drie jaar moet de Commissie de gronden evalueren op basis waarvan het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China als gelijkwaardig aan het juridische en toezichthoudende kader van de Unie wordt beschouwd, daaronder begrepen het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP’s die onder toezicht van de People’s Bank of China staan. Dergelijke regelmatige evaluaties doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Commissie om te allen tijde een specifieke evaluatie uit te voeren wanneer relevante ontwikkelingen haar ertoe nopen de gelijkwaardigheid van dat juridische en toezichthoudende kader aan het juridische en toezichthoudende kader van de Unie opnieuw te beoordelen. Op basis van de bevindingen van die evaluaties kan de Commissie te allen tijde besluiten dit besluit te wijzigen of in te trekken, met name wanneer de ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en toezicht in de Volksrepubliek China van invloed zijn op de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is vastgesteld. |
|
(23) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet het juridische en toezichthoudende kader van de Volksrepubliek China, dat bestaat uit de wet van de Volksrepubliek China betreffende de People’s Bank of China en de bijbehorende secundaire regelgeving en dat van toepassing is op centrale tegenpartijen die van de People’s Bank of China een vergunning hebben gekregen om over-the-counter derivaten op de interbancaire markt te clearen, als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 worden beschouwd.
Artikel 2
Uiterlijk op 22 juni 2025 en vervolgens om de drie jaar evalueert de Commissie de gronden waarop het in artikel 1 bedoelde besluit is gebaseerd.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Hoofdstuk V van de wet op de effecten van de Volksrepubliek China (Besluit nr. 14 van de president van de Volksrepubliek China) en hoofdstuk II van de Verordening betreffende het beheer van de handel in futures (Besluit nr. 676 van de Staatsraad).
(3) Artikel 3, maatregelen voor het beheer van obligatietransacties op de nationale interbancaire obligatiemarkt, Besluit nr. 2 van 2000 van de People’s Bank of China.
(4) Artikel 3, maatregelen voor het beheer van interbancair krediet, Besluit nr. 3 van 2007 van de People’s Bank of China.
(5) Artikel 2, voorlopige bepalingen betreffende het beheer van de interbancaire valutamarkt, YF nr. 423 van 1996.
(6) Wet van de Volksrepubliek China betreffende de People’s Bank of China, aangenomen tijdens de derde zitting van het achtste Nationale Volkscongres op 18 maart 1995.
(7) Bekendmaking van het Algemeen Bureau van de Volksrepubliek China betreffende aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van beginselen voor financiëlemarktinfrastructuren (YBF nr. 187 van 2013).
(8) Committee on Payment and Settlement Systems/Technical Committee of the International Organization of Securities Commissions, Principles for financial market infrastructures, April 2012, CPMI Papers No. 101.
(9) Bekendmaking van het Algemeen Bureau van de Volksrepubliek China betreffende aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van beginselen voor financiëlemarktinfrastructuren (YBF nr. 187 van 2013, blz. 11).
(10) CBIRC 2013-33.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/108 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/985 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2022
betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader voor centrale tegenpartijen in Israël aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 25, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De procedure voor de erkenning van in derde landen gevestigde centrale tegenpartijen (“CTP’s”), die in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 is vastgesteld, is bedoeld om CTP’s die zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen in derde landen waarvan de reguleringsnormen gelijkwaardig zijn aan die welke in genoemde verordening zijn vastgesteld, de mogelijkheid te bieden clearingdiensten te verrichten voor clearingleden of handelsplatformen die in de Unie zijn gevestigd. Die erkenningsprocedure en het daarin voorziene gelijkwaardigheidsbesluit dragen zodoende bij tot het bereiken van de overkoepelende doelstelling van Verordening (EU) nr. 648/2012 om het systeemrisico te verminderen door meer gebruik te maken van veilige en solide CTP’s voor de clearing van over-the-counter (“otc”)-derivatencontracten, ook als die CTP’s in een derde land zijn gevestigd en daar een vergunning hebben gekregen. |
|
(2) |
Om een rechtsstelsel van een derde land als gelijkwaardig aan het rechtsstelsel van de Unie aan te merken op het gebied van CTP’s, moet het concrete resultaat van het toepasselijke juridische en toezichthoudende kader gelijkwaardig zijn aan dat van de Unievereisten wat de bereikte toezicht- en regelgevingsdoelstellingen betreft. Doel van die gelijkwaardigheidstoetsing is daarom na te gaan of het juridische en toezichthoudende kader van het betrokken derde land waarborgt dat CTP’s die in dat derde land zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen, in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen niet blootstellen aan een groter risico dan clearingleden en handelsplatformen zouden lopen door CTP’s die in de Unie een vergunning hebben gekregen, en bijgevolg geen onaanvaardbaar systeemrisico in de Unie opleveren. |
|
(3) |
De beoordeling of het juridische en toezichthoudende kader van Israël gelijkwaardig is aan dat van de Unie mag niet alleen gebaseerd zijn op een vergelijkende analyse van de juridisch bindende vereisten voor CTP’s in Israël, maar moet ook kijken naar het resultaat van die vereisten. De Commissie moet ook nagaan of die vereisten geschikt zijn om de risico’s te limiteren waaraan in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen mogelijk worden blootgesteld, rekening houdend met de omvang van de financiële markt waarop CTP’s in Israël opereren. Om een gelijkwaardig resultaat inzake risicolimitering te verkrijgen, zijn striktere vereisten inzake risicolimitering vereist voor CTP’s die hun activiteiten ontplooien op grotere financiële markten met een hoger inherent risiconiveau dan voor CTP’s die hun activiteiten ontplooien op kleinere financiële markten met een lager inherent risiconiveau. |
|
(4) |
Artikel 25, lid 6, punten a), b), en c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 noemt drie voorwaarden die vervuld moeten zijn om vast te stellen dat het juridische en toezichthoudende kader van een derde land dat geldt voor CTP’s die in dat land over een vergunning beschikken, gelijkwaardig is aan de vereisten van die verordening. |
|
(5) |
Volgens artikel 25, lid 6, punt a), moeten CTP’s waaraan in een derde land vergunning is verleend, voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de van titel IV van die verordening. |
|
(6) |
De juridisch bindende vereisten voor CTP’s die in Israël een vergunning hebben gekregen, zijn vastgelegd in de effectenwet 5728-1968 (2) (Securities Law, “SL”), en met name in de afdelingen 50A, 50B, 50B19 en 50C. De SL past afdeling 10 van de wet op de betalingssystemen 5768-2008 (3) (Payment Systems Law, “PSL”) toe, waarin de criteria zijn vastgesteld voor de uitoefening van het toezicht op de in Israël gevestigde clearinghuizen ((ter waarborging van stabiele en efficiënte clearinghuizen) door de Israëlische effectenautoriteit (“Israel Securities Authority, ISA”). Dit juridische kader wordt aangevuld met de reeks richtsnoeren van de ISA aan in Israël gevestigde CTP’s. De SL, de PSL en de richtsnoeren van de ISA waarborgen de volledige uitvoering van de internationale normen die zijn vastgesteld in het kader van de beginselen voor financiële marktinfrastructuren (Principles for Financial Markets Infrastructures, “PFMI’s”), welke in april 2012 zijn uitgevaardigd door het Comité betalingen en marktinfrastructuur (Committee on Payment and Market Infrastructure, “CPMI”) en de Internationale Organisatie van Effectentoezichthouders (International Organization of Securities Commissions, “Iosco”) (4). |
|
(7) |
In Israël gevestigde CTP’s moeten een vergunning krijgen van de Israëlische minister van Financiën na raadpleging van de ISA en na goedkeuring door de Commissie financiën in de Knesset. Om clearingdiensten te verrichten, moeten CTP’s voldoen aan de specifieke bepalingen van de SL en beschikken over interne regels en procedures die met name de naleving van alle relevante normen van de PFMI’s waarborgen. Met name moeten in Israël gevestigde CTP’s veilig en doeltreffend opereren en de aan hun activiteiten en transacties verbonden risico’s prudent beheren. Zoals bepaald in een richtsnoer van de ISA van 15 december 2015 aan CTP’s die in Israël een vergunning hebben gekregen, moeten CTP’s ook beschikken over voldoende financiële en personele middelen en middelen op het gebied van risicobeheer, informatietechnologie, systemen en infrastructuur om hun taak als CTP uit te oefenen. Bovendien is elke CTP die in Israël een vergunning heeft gekregen, verantwoordelijk voor de vaststelling van haar interne regels, behalve voor een wijziging in de regels voor het lidmaatschap, waarvoor de formele goedkeuring van de ISA vereist is overeenkomstig afdeling 50B, a), 1) van de SL. Onverminderd deze bepaling kan de ISA krachtens afdeling 50C, b), van de effectenwet opdracht geven tot een wijziging in de regels van een CTP die in Israël een vergunning heeft gekregen wanneer deze regels niet overeenkomen met het juridische kader van Israël voor CTP’s en met de PFMI’s. |
|
(8) |
De Israëlische financiële markt is aanzienlijk kleiner dan de financiële markt van de Unie. Met name bedraagt de totale waarde van de in Israël geclearde derivatentransacties sinds 2015 minder dan 1 % van de totale waarde van in de Unie geclearde derivatentransacties. Daarom stelt deelneming in CTP’s die in Israël een vergunning hebben gekregen, in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen aan aanzienlijk lagere risico’s bloot dan deelneming in CTP’s die in de Unie een vergunning hebben gekregen. |
|
(9) |
De Commissie concludeert dat het juridische en toezichthoudende kader van Israël waarborgt dat CTP’s die daar over een vergunning beschikken, voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012. |
|
(10) |
Artikel 25, lid 6, punt b), van Verordening (EU) nr. 648/2012 eist dat het juridische en het toezichthoudende kader voor CTP’s waaraan in een derde land vergunning is verleend, ervoor zorgen dat CTP’s in dat rechtsgebied doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving worden onderworpen. |
|
(11) |
Overeenkomstig afdeling 50C van de SL is de ISA gemachtigd toezicht uit te oefenen op de activiteiten van CTP’s die in Israël over een vergunning beschikken. Met het toezicht van de ISA wordt beoogd de stabiliteit en de efficiëntie van de Israëlische CTP’s te waarborgen en na te gaan of zij hun verplichtingen naleven. Daarnaast vormen de bepalingen van afdeling 10 van de PSL, de afdelingen 56A en 50C, d), van de SL een aanvulling op het pakket bevoegdheden van de ISA, die audits van een CTP en inspecties ter plaatse kan uitvoeren en documenten kan verlangen waaruit blijkt dat de juridisch bindende vereisten voor CTP’s die in Israël over een vergunning beschikken, naar behoren worden uitgevoerd. Overeenkomstig afdeling 50C, b), van de effectenwet kan de ISA bij een vermoedelijke inbreuk interne regels opleggen aan de gevestigde CTP’s. |
|
(12) |
De Commissie concludeert dat het juridische en toezichthoudende kader van Israël voor CTP’s die daar over een vergunning beschikken, voorziet in voortdurend effectief toezicht en effectieve handhaving. |
|
(13) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 6, punt c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet het juridisch kader van een derde land voorzien in een doeltreffend gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP’s waaraan uit hoofde van rechtsstelsels van derde landen een vergunning is verleend (“CTP’s uit een derde land”). |
|
(14) |
Niet-Israëlische CTP’s die derivaten in Israël willen clearen, moeten een vergunning aanvragen bij de voorzitter van de ISA en de goedkeuring verkrijgen van de Israëlische minister van Financiën. Overeenkomstig afdeling 50A, a8) van de SL kan, wanneer de voorzitter van de ISA van oordeel is dat de ISA kan samenwerken met de bevoegde autoriteit van de vergunninghoudende niet-Israëlische CTP’s, dat de wettelijke vereisten voor die CTP gelijkwaardig zijn aan het Israëlische kader en dat het verlenen van een vergunning aan die CTP de belangen van beleggers in Israël niet zou schaden, kan de ISA besluiten die CTP vrij te stellen van de bepalingen van het juridische kader van Israël voor CTP’s. In deze omstandigheden is de erkenning van een niet-Israëlische CTP dus mogelijk. |
|
(15) |
De Commissie concludeert dat het juridische kader van Israël voorziet in een doeltreffend gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP’s uit een derde land. |
|
(16) |
Daarom is de Commissie van oordeel dat het juridische en toezichthoudende kader van Israël voor CTP’s voldoet aan de voorwaarden van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012. Bijgevolg moet dat juridische en toezichthoudende kader als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 worden beschouwd. |
|
(17) |
Dit besluit is gebaseerd op de juridisch bindende vereisten die op het tijdstip van de vaststelling van dit besluit van toepassing zijn op CTP’s in Israël. De Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten zullen blijven toezien op de ontwikkeling van het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP’s in Israël en op de naleving van de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is genomen. |
|
(18) |
De Commissie kan te allen tijde besluiten dit besluit te wijzigen of in te trekken, met name wanneer de ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en toezicht in Israël invloed hebben op de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is vastgesteld. |
|
(19) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt het in de Securities Law 5728-1968 en de Payment Systems Law 5768-2008 vastgestelde juridische en toezichthoudende kader van Israël voor centrale tegenpartijen, zoals aangevuld door de richtsnoeren van de Israëlische effectenautoriteit voor centrale tegenpartijen in Israël, geacht gelijkwaardig te zijn aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Securities Law 5728-1968.
(3) Payment Systems Law 5768-2008.
(4) Committee on Payment and Settlement Systems/Technical Committee of the International Organization of Securities Commissions, Principles for financial market infrastructures, april 2012, CPMI Papers nr. 101.
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/111 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/986 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2022
tot niet-goedkeuring van N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 8
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Die lijst bevat N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine (EG-nr.: 219-145-8; CAS-nr.: 2372-82-9). |
|
(2) |
N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine is beoordeeld voor gebruik in biociden van productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen) zoals omschreven in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), die overeenkomt met productsoort 8 zoals omschreven in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012. |
|
(3) |
Portugal is als lidstaat-rapporteur aangewezen en de beoordelende bevoegde autoriteit van Portugal heeft op 9 november 2005 het beoordelingsverslag en haar conclusies bij de Commissie ingediend. Na de indiening van het beoordelingsverslag hebben besprekingen in technische vergaderingen plaatsgevonden, die werden georganiseerd door de Commissie en, na 1 september 2013, door het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”). |
|
(4) |
Uit artikel 90, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 kan worden afgeleid dat stoffen waarvan de beoordeling door de lidstaten per 1 september 2013 is afgerond, overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG moeten worden beoordeeld. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 75, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 stelt het Comité voor biociden het advies van het Agentschap over de aanvragen tot goedkeuring van een werkzame stof op. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 2 december 2020 het advies van het Agentschap (4) aangenomen, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit. |
|
(6) |
Uit dat advies kan worden afgeleid dat van biociden van productsoort 8 die N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine bevatten, niet kan worden verwacht dat zij voldoen aan de criteria van artikel 5, lid 1, punt b), van Richtlijn 98/8/EG, die overeenkomen met de criteria van artikel 19, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 528/2012, aangezien er onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens zijn vastgesteld en er geen passende risicobeperkende maatregel kon worden vastgesteld. |
|
(7) |
Tijdens de besprekingen met de vertegenwoordigers van de lidstaten in het Permanent Comité voor biociden werd het standpunt ingenomen dat de beoordeling onder de slechtst denkbare realistische gebruiksomstandigheden was uitgevoerd en dat het beperken van het aantal cycli van houtbehandeling tot twee per dag per gebruiker wegens moeilijkheden bij de handhaving en de controle geen passende risicobeperkende maatregel zou zijn om de vastgestelde risico’s voor de gezondheid van de mens tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. |
|
(8) |
Rekening houdend met het advies van het Agentschap en de besprekingen in het Permanent Comité voor biociden is het niet passend N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine goed te keuren voor gebruik in biociden van productsoort 8. |
|
(9) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine (EG-nr.: 219-145-8; CAS-nr.: 2372-82-9) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 8.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).
(3) Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).
(4) Advies van het Comité voor biociden over de aanvraag tot goedkeuring van de werkzame stof N-(3-aminopropyl)-N-dodecylpropaan-1,3-diamine, productsoort 8, ECHA/BPC/270/2020, aangenomen op 2 december 2020.
RICHTSNOEREN
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/113 |
RICHTSNOER (EU) 2022/987 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 2 mei 2022
houdende wijziging van Richtsnoer (EU) 2015/510 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (ECB/2014/60) (ECB/2022/17)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 127, lid 2, eerste streepje,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name de artikel 3.1, eerste streepje, de artikelen 9.2, 12.1, 14.3 en 18.2, en artikel 20, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verwezenlijking van een gemeenschappelijk monetair beleid vergt de vaststelling van instrumenten en procedures voor gebruik door het Eurosysteem, teneinde dat beleid in de lidstaten die de euro als munt hebben uniform ten uitvoer te leggen. |
|
(2) |
Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) (1) moet worden gewijzigd om een aantal noodzakelijke technische en redactionele verbeteringen die verband houden met bepaalde aspecten van de monetairbeleidstransacties, te integreren. |
|
(3) |
Het aanhouden van bilaterale procedures voor geldmarkttransacties is niet langer gerechtvaardigd, aangezien de ervaring heeft geleerd dat tenderprocedures doeltreffend zijn en in aanmerking komende wederpartijen gelijke toegang bieden tot monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem. |
|
(4) |
De beleenbaarheidscriteria voor effecten op onderpand van activa (asset-backed securities — ABS) moeten worden aangepast om kasstroomgenererende activa die geen volledig beroep op de debiteuren inhouden, uitdrukkelijk uit te sluiten, en om de transparantie van de openbaarmakingsvereisten van het Eurosysteem met betrekking tot het beleenbaarheidsbeoordelingsproces voor effecten op onderpand van activa te vergroten. |
|
(5) |
Bepaalde aanpassingen zijn nodig om meer duidelijkheid te scheppen over de wijze waarop kredietvorderingen met een bestaande coupongerelateerde kasstroom die negatief is voor beleenbaarheidsdoeleinden, worden behandeld. |
|
(6) |
In het licht van het besluit van het Eurosysteem om de rapportagevereisten voor leningsgewijze gegevens van het onderpandkader van het Eurosysteem in overeenstemming te brengen met de openbaarmakingsvereisten van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad (2), zijn aanpassingen van de rapportagevereisten voor leningsgewijze gegevens noodzakelijk voor door beleenbare kredietvorderingen gedekte niet-verhandelbare schuldinstrumenten. |
|
(7) |
Bepaalde aanpassingen moeten worden aangebracht om ervoor te zorgen dat het onderpandkader van het Eurosysteem consistent is met de relevante bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4), naar aanleiding van de wijzigingen die in die verordening zijn aangebracht met betrekking tot gedekte obligaties bij Verordening (EU) 2019/2160 van het Europees Parlement en de Raad (5), die met ingang van 8 juli 2022 worden toegepast. |
|
(8) |
Het aantal door het Eurosysteem aanvaarde kredietbeoordelingsbronnen voor de mobilisatie van kredietvorderingen als onderpand is teruggebracht van vier naar drie, na de geleidelijke afschaffing van het gebruik van ratinginstrumenten als kredietbeoordelingsbronnen uit het algemene kader. De desbetreffende bepalingen moeten worden geactualiseerd om die wijziging weer te geven. |
|
(9) |
De Raad van bestuur heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de sinds 2020 aangenomen tijdelijke maatregelen ter versoepeling van de onderpandvereisten als reactie op de met de verspreiding van de coronavirusziekte (COVID-19) verband houdende uitzonderlijke economische en financiële omstandigheden. Deze maatregelen omvatten de verhoging van de limiet met betrekking tot door kredietinstellingen en hun nauw verbonden entiteiten uitgegeven ongedekte schuldinstrumenten die als onderpand kunnen worden aangeboden of gebruikt door de wederpartijen van het Eurosysteem. Dit onderzoek nam in aanmerking a) dat deelnemende wederpartijen van het Eurosysteem aan uit hoofde van Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/21) (6) uitgevoerde gerichte langerlopende herfinancieringstransacties verder voldoende onderpand voor deze transacties moeten kunnen verstrekken; b) de neveneffecten voor de wederpartijen van het Eurosysteem in verband met elk van die maatregelen; c) de risico-overwegingen in verband met elk van die maatregelen, en d) overige markt- en beleidsoverwegingen. In die context heeft de Raad van bestuur op 23 maart 2022 besloten om, onder andere, de voornoemde limiet met betrekking tot ongedekte schuldinstrumenten te herstellen, teneinde de blootstelling van het Eurosysteem aan concentratierisico te verminderen. Dit besluit moet worden weergegeven in de betreffende bepalingen van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60). |
|
(10) |
In aanmerking komende wederpartijen wier toegang tot monetairbeleidstransacties is beperkt uit overwegingen van prudentieel handelen of in gevallen van wanbetaling overeenkomstig artikel 158 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60), kunnen een beroep doen op de marginale beleningsfaciliteit na een automatisch verzoek in het kader van de kredietverlengingsprocedure beschreven in bijlage III bij Richtsnoer ECB/2012/27 (7). Het is noodzakelijk te specificeren welke sancties van toepassing zijn indien en voor zover bepaalde limieten worden overschreden als gevolg van een beroep op de marginale beleningsfaciliteit in dergelijke omstandigheden. |
|
(11) |
Er moet meer duidelijkheid worden verschaft over de wijze waarop de referentierentevoeten voor verhandelbare en niet-verhandelbare activa voor beleenbaarheidsdoeleinden worden behandeld. |
|
(12) |
In overeenstemming met het besluit van de Raad van bestuur van 17 februari 2021 moeten de beleenbaarheidscriteria voor duurzame obligaties verder worden verduidelijkt. |
|
(13) |
Actualiseringen van de bepalingen inzake de toelaatbaarheid van effectenafwikkelingssystemen en koppelingen zijn noodzakelijk om expliciet het geval aan te pakken van centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depositories — CSD’s) die gevestigd zijn in lidstaten die tot het eurogebied toetreden, en om rekening te houden met het feit dat verwijzingen naar het relevante gebruikersbeoordelingskader overbodig zijn geworden bij de afronding van de vergunningverleningsprocedure uit hoofde van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8). |
|
(14) |
Het aanhouden van het buitenlandse noodonderpandkader is niet langer gerechtvaardigd gezien de operationele last van het handhaven van het kader, het feit dat het kader nooit is geactiveerd en de waarschijnlijk beperkte beschikbaarheid van de doelgerichte activa voor wederpartijen van het Eurosysteem in geval van nood. |
|
(15) |
Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank (ECB/2003/9) (9) inzake de toepassing van reserveverplichtingen is herschikt en ingetrokken bij Verordening (EU) 2021/378 van de Europese Centrale Bank (ECB/2021/1) (10). De bij Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) ingevoerde wijzigingen moeten worden verwerkt in de bepalingen met betrekking tot minimumreserves in Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60). |
|
(16) |
Sommige bepalingen van het richtsnoer moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de gevolgen voor het kader voor de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid en de rechten en plichten van belanghebbenden, met name met betrekking tot openmarkttransacties, liquiditeitsbeheer, permanente faciliteiten, het sanctieregime, minimumreserveverplichtingen en vergoeding van rekeningen-courant, in het geval van activering van de verbeterde noodoplossing (Enhanced Contingency Solution (ECONS)) in het kader van het TARGET2-systeem, en een langdurige verstoring van TARGET2 die langer dan één werkdag duurt. |
|
(17) |
Derhalve moet Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
In artikel 3 wordt lid 2 vervangen door: “2. De minimumreserveverplichtingen worden uiteengezet in Verordening (EG) nr. 2531/98 en Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1). Bepaalde kenmerken van de minimumreserveverplichtingen worden ter informatie in bijlage I geïllustreerd.”. |
|
3) |
In artikel 4 wordt tabel1 als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In artikel 8, lid 2, wordt punt c) vervangen door:
|
|
5) |
In artikel 10, lid 4, wordt punt c) vervangen door:
|
|
6) |
In artikel 11, lid 5, wordt punt c) vervangen door:
|
|
7) |
In artikel 12, lid 6, wordt punt c) vervangen door:
|
|
8) |
In artikel 14, lid 3, wordt punt d) vervangen door:
|
|
9) |
In artikel 17 wordt lid 6 vervangen door: “6. De Raad van bestuur van de ECB besluit regelmatig over de rentetarieven voor de permanente faciliteiten. De aangepaste rentetarieven worden bij aanvang van de nieuwe reserveaanhoudingsperiode van kracht, zoals bepaald in artikel 8 van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1). De ECB publiceert ten minste drie maanden voor het begin van elk kalenderjaar een kalender van de reserveperioden.”. |
|
10) |
Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
In artikel 22 wordt lid 1 vervangen door: “1. Instellingen die voldoen aan de in artikel 55 vastgelegde criteria en die toegang hebben tot een rekening bij de NCB waar de transactie kan worden afgewikkeld, met name in TARGET2, kunnen een beroep doen op de depositofaciliteit. Toegang tot de depositofaciliteit wordt alleen verleend op TARGET2-werkdagen, met uitzondering van de dagen waarop TARGET2 aan het einde van de dag niet beschikbaar is als gevolg van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen als bedoeld in artikel 187 bis.”. |
|
12) |
In deel twee, titel III, wordt de titel van hoofdstuk 1 vervangen door: “ Tenders voor openmarkttransacties van het Eurosysteem ”. |
|
13) |
Artikel 24 wordt vervangen door: “Artikel 24 Soorten procedures voor openmarkttransacties Openmarkttransacties worden uitgevoerd met behulp van tenders.”. |
|
14) |
In deel twee, titel III, hoofdstuk 1, wordt afdeling 3, met inbegrip van de artikelen 44 tot en met 48, geschrapt. |
|
15) |
In artikel 50, lid 2, wordt in tabel 8 de zinsnede “Afwikkelingsdatum voor openmarkttransacties op basis van snelle tenders of een bilaterale procedures” vervangen door “Afwikkelingsdatum voor openmarkttransacties op basis van snelle tenders”. |
|
16) |
Artikel 52 wordt vervangen door: “Artikel 52 Afwikkeling van openmarkttransacties die worden uitgevoerd door middel van snelle tenders of bilaterale procedures 1. Het Eurosysteem streeft ernaar openmarkttransacties die worden uitgevoerd door middel van snelle tenders op de transactiedag te verrekenen. Andere afwikkelingsdata kunnen worden toegepast, met name voor onvoorwaardelijke aan- of verkopen van waardepapier en deviezenswaps. 2. Finetuningtransacties en door middel van onvoorwaardelijke aan- of verkopen van waardepapier uitgevoerde structurele transacties die worden uitgevoerd door middel van bilaterale procedures worden decentraal via de NCB’s afgewikkeld.”. |
|
17) |
In artikel 54 worden de leden 1 en 2 vervangen door: “1. Krachtens artikel 3, lid 1, punten b) en c), van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) kan een door een wederpartij bij een NCB aangehouden vereffeningsrekening als reserverekening worden gebruikt. Op vereffeningsrekeningen aangehouden reserves kunnen worden gebruikt voor afwikkelingen gedurende de dag. De dagelijks aangehouden reserves van een wederpartij worden berekend als de som van eindedagstanden op diens reserverekeningen. Voor de toepassing van dit artikel heeft “reserverekeningen” dezelfde betekenis als in Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1). 2. Op aangehouden reserves die voldoen aan de minimumreserveverplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2531/98 en Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1), wordt een rentevergoeding toegepast overeenkomstig Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1).”. |
|
18) |
In artikel 55 wordt punt a) vervangen door:
|
|
19) |
In artikel 55 bis wordt lid 5 vervangen door: “5. Een liquidatie-entiteit komt niet in aanmerking voor toegang tot de monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem.”. |
|
20) |
Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
22) |
Aan artikel 73 wordt het volgende lid 6 toegevoegd: “6. De kasstroomgenererende activa moeten een volledig verhaal op de debiteuren inhouden.”. |
|
23) |
Het volgende artikel 79 bis wordt ingevoegd: “Artikel 79 bis Beoordeling van informatie met betrekking tot de beleenbaarheid van effecten op onderpand van activa Het Eurosysteem kan op basis van zijn beoordeling van de verstrekte informatie besluiten effecten op onderpand van activa niet te aanvaarden voor het gebruik als onderpand bij krediettransacties van het Eurosysteem. Bij zijn beoordeling houdt het Eurosysteem rekening met de vraag of de verstrekte informatie voldoende duidelijk, consistent en volledig wordt geacht om naleving aan te tonen van elk van de beleenbaarheidscriteria die van toepassing zijn op effecten op onderpand van activa, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of de kasstroomgenererende activa zijn verworven op een wijze die het Eurosysteem beschouwt als een “echte verkoop” zoals bepaald in artikel 75, lid 2.”. |
|
24) |
Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
25) |
Artikel 90 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
26) |
In artikel 107 bis wordt lid 2 vervangen door: “2. DECC's hebben een vaste en onvoorwaardelijke hoofdsom en een couponstructuur die voldoet aan de in artikel 63 genoemde criteria. De cover pool bevat alleen kredietvorderingen waarvoor een specifiek ECB-DECC-sjabloon voor de rapportage van leningsgewijze gegevens beschikbaar is.”. |
|
27) |
In artikel 110 wordt lid 1 vervangen door: “1. Wederpartijen die kredietvorderingen als onderpand mobiliseren, selecteren een kredietbeoordelingssysteem uit een van de drie kredietbeoordelingsbronnen die het Eurosysteem overeenkomstig de algemene aanvaardingscriteria in deel vier, titel V, heeft aanvaard. Indien de wederpartijen de EKBI-bron geselecteerd hebben, kan elk EKBI-systeem worden gebruikt.”. |
|
28) |
In artikel 112 bis worden de leden 1 en 2 vervangen door: “1. Van DECC's wordt niet vereist dat zij beoordeeld worden door een van de drie kredietbeoordelingsbronnen die het Eurosysteem overeenkomstig de algemene aanvaardingscriteria in deel vier, titel V, heeft aanvaard. 2. Elke onderliggende kredietvordering in de cover pool van DECC's heeft een kredietbeoordeling die wordt verstrekt door een van de drie kredietbeoordelingsbronnen die het Eurosysteem overeenkomstig de algemene aanvaardingscriteria in deel vier, titel V, heeft aanvaard. Het gebruikte kredietbeoordelingssysteem of de gebruikte kredietbeoordelingsbron is bovendien identiek aan het door de initiator overeenkomstig artikel 110 geselecteerde systeem of de geselecteerde bron. De in afdeling 1 vastgelegde regels inzake de kredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem voor de onderliggende kredietvorderingen zijn van toepassing.”. |
|
29) |
Titel VII en artikel 137 worden geschrapt. |
|
30) |
Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
31) |
Artikel 141 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
32) |
In artikel 153 wordt lid 1 vervangen door: “1. De ECB legt krachtens Verordening (EG) nr. 2532/98, Verordening (EG) nr. 2157/1999 (ECB/1999/4), Verordening (EG) nr. 2531/98, Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) en Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank (ECB/2021/45) (*6) sancties op aan instellingen die niet voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit ECB-verordeningen en -besluiten inzake de toepassing van reserveverplichtingen. De desbetreffende sancties en de procedurele regels voor de toepassing ervan zijn in die rechtshandelingen vastgelegd. (*6) Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank van 7 oktober 2021 betreffende de methode die wordt toegepast voor het berekenen van sancties wegens niet-naleving van de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves en de daarmee verband houdende minimumreserveverplichtingen (ECB/2021/45) (PB L 367 van 15.10.2021, blz. 4).”." |
|
33) |
In artikel 154, lid 1, wordt punt d) vervangen door:
|
|
34) |
In artikel 155 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd: “2 bis. Indien de berekening van een financiële sanctie overeenkomstig bijlage VII, na toepassing van de in lid 2 bedoelde verlaging met 50 %, resulteert in een bedrag van minder dan 500 EUR, wordt de minimale financiële sanctie van 500 EUR opgelegd.”. |
|
35) |
Na artikel 187 wordt het volgende nieuwe DEEL ZEVEN A, dat de artikelen 187 bis tot en met 187 quinquies bevat, ingevoegd: “DEEL ZEVEN A BIJZONDERE BEPALINGEN IN GEVAL VAN EEN VERSTORING VAN TARGET2 GEDURENDE MEERDERE WERKDAGEN Artikel 187 bis Langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen 1. De ECB kan een verklaring afgeven dat een verstoring van het TARGET2-systeem die de normale verwerking van betalingen belemmert een “langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen” is indien:
Reguliere monetairbeleidstransacties kunnen worden uitgesteld of geannuleerd na activering van de noodoplossing als bedoeld in punt a). 2. De in lid 1 bedoelde verklaring wordt meegedeeld via de website van de ECB. Als onderdeel van een dergelijke verklaring, of daarna, deelt de ECB de gevolgen van de verstoring mee voor specifieke monetairbeleidstransacties en -instrumenten. 3. Na een krachtens dit artikel afgelegde verklaring kunnen bijzondere maatregelen en bepalingen met betrekking tot bepaalde monetairbeleidstransacties en -instrumenten van toepassing zijn, zoals gespecificeerd in dit richtsnoer en met name in de artikelen 187 ter, 187 quater en 187 quinquies. 4. Zodra de verstoring van het TARGET2-systeem is opgelost, doet de ECB op de website van de ECB een mededeling die inhoudt dat de bijzondere maatregelen en bepalingen die zijn vastgesteld als gevolg van die verlengde TARGET2-verstoring gedurende meerdere werkdagen, niet langer van toepassing zijn. Artikel 187 ter Verwerking van monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem in geval van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen In geval van een verklaring van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen overeenkomstig artikel 187 bis, kunnen de volgende bepalingen van toepassing zijn op de verwerking van monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem.
Artikel 187 quater Toegang tot de marginale beleningsfaciliteit in het geval van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen In het geval van een verklaring van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen overeenkomstig artikel 187 bis, kunnen de volgende bepalingen van toepassing zijn op de marginale beleningsfaciliteit.
Artikel 187 quinquies Geen oplegging van sancties in geval van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen Aan een wederpartij wordt geen sanctie opgelegd krachtens artikel 154 indien overeenkomstig artikel 187 bis een verklaring wordt afgegeven inzake een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen die gevolgen heeft voor het vermogen van die wederpartij om haar verplichtingen uit hoofde van dit richtsnoer na te komen.”. |
|
36) |
Bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij dit richtsnoer. |
|
37) |
Bijlagen VIa en VII worden overeenkomstig bijlage II bij dit richtsnoer gewijzigd. |
Artikel 2
Inwerkingtreding en implementatie
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving aan de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben.
2. De nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan dit richtsnoer en passen die maatregelen met ingang van 8 juli 2022 toe. Zij stellen de Europese Centrale Bank (ECB) uiterlijk op 20 mei 2022 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.
Artikel 3
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 2 mei 2022.
Voor de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (algemene documentatie richtsnoer) (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).
(2) Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).
(3) Richtlijn (EU) 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2014/59/EU (PB L 328 van 18.12.2019, blz. 29).
(4) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2019/2160 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (PB L 328 van 18.12.2019, blz. 1).
(6) Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank van 22 juli 2019 betreffende een derde reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (ECB/2019/21) (PB L 204 van 2.8.2019, blz. 100).
(7) Richtsnoer ECB/2012/27 van 5 december 2012 betreffende een geautomatiseerd trans-Europees realtime-brutovereveningssysteem (TARGET2) (PB L 30 van 30.1.2013, blz. 1).
(8) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(9) Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10).
(10) Verordening (EU) 2021/378 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de toepassing van minimumreserveverplichtingen (ECB/2021/1) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 1).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) wordt vervangen door:
“BIJLAGE I
MINIMUMRESERVES
De inhoud van deze bijlage is louter ter informatie. Indien deze bijlage en het juridische kader voor het stelsel van minimumreserververplichtingen van het Eurosysteem zoals bedoeld in punt 1 tegenstrijdig zijn, geldt het laatste.
1.
Krachtens artikel 19 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de “ESCB-statuten”) vereist de Europese Centrale Bank (ECB) dat kredietinstellingen minimumreserves aanhouden op rekeningen bij nationale centrale banken (NCB’s) in het kader van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem. Het juridische kader voor dit stelsel is vastgelegd in artikel 19 van de ESCB-statuten, Verordening (EG) nr. 2531/98 en Verordening (EU) nr. 2021/378 (ECB/2021/1). De toepassing van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) waarborgt dat de voorwaarden van het stelsel van minimumreserverplichtingen van het Eurosysteem in alle eurogebiedlidstaten gelijk zijn.
2.
Het stelsel van minimumreserverplichtingen van het Eurosysteem dient hoofdzakelijk om de geldmarktrente te stabiliseren en een structureel liquiditeitstekort te bewerkstelligen (of te vergroten).
3.
Overeenkomstig artikel 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) is stelsel van minimumreserverplichtingen van het Eurosysteem van toepassing op kredietinstellingen die:|
i) |
een vergunning hebben verkregen in overeenstemming met artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU, of |
|
ii) |
zijn vrijgesteld van een dergelijke vergunning krachtens artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU. |
Bovendien is het stelsel van minimumreserverplichtingen van het Eurosysteem ook van toepassing op in het eurogebied gevestigde bijkantoren van niet in het eurogebied gevestigde kredietinstellingen. Het stelsel van minimumreserverplichtingen van het Eurosysteem is evenwel niet van toepassing op buiten het eurogebied gevestigde bijkantoren van in het eurogebied gevestigde kredietinstellingen.
4.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) zijn instellingen vrijgesteld van reserveverplichtingen indien hun vergunning wordt ingetrokken of van hun vergunning afstand wordt gedaan, of indien zij onderworpen zijn aan liquidatieprocedures overeenkomstig Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1).
5.
Krachtens artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) kan de ECB instellingen op verzoek van de betrokken NCB vrijstellen van reserveverplichtingen in de in de punten a) tot en met d) beschreven omstandigheden. Dergelijke instellingen omvatten onder meer instellingen die onderworpen zijn aan een saneringsmaatregel uit hoofde van Richtlijn 2001/24/EG, instellingen ten aanzien waarvan een bevel tot bevriezing is uitgevaardigd door de Unie of door een lidstaat of onderworpen zijn aan maatregelen die de Unie krachtens artikel 75 van het Verdrag heeft opgelegd om het gebruik van hun tegoeden te beperken; instellingen die onderworpen zijn aan een besluit van het Eurosysteem om hun toegang tot openmarkttransacties of permanente faciliteiten van het Eurosysteem op te schorten of uit te sluiten, en instellingen waarvoor het niet passend is om minimumreserveverplichtingen op te leggen.
6.
De in artikel 4 van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) genoemde vrijstellingen zijn van toepassing vanaf het begin van de aanhoudingsperiode waarin de desbetreffende gebeurtenis zich voordoet.
7.
Krachtens artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) publiceert de ECB op haar website een lijst van instellingen die onderworpen zijn aan de minimumreserveverplichtingen van het Eurosysteem krachtens die verordening.
8.
De ECB publiceert ook een lijst van instellingen die zijn vrijgesteld van de minimumreserveverplichtingen, met uitzondering van de in artikel 4, lid 2, punten a), b en c), van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) genoemde instellingen.
9.
De reservebasis van elke instelling wordt bepaald aan de hand van een percentage van een aantal balansposten. De balansgegevensrapportage aan de NCB's geschiedt in het bredere ECB-kader van monetaire en financiële statistieken. Instellingen berekenen de reservebasis met betrekking tot een bepaalde aanhoudingsperiode op basis van de gegevens met betrekking tot de maand die twee maanden voorafgaat aan de maand waarin de aanhoudingsperiode aanvangt overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1), behoudens de uitzonderingen voor instellingen die bij een “cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, zoals vastgelegd in artikel 5, lid 6, van die verordening.
10.
De reserveratio’s worden door de ECB vastgesteld met inachtneming van de in de Verordening (EG) nr. 2531/98 vastgestelde limiet.
11.
Het bedrag aan door instellingen aan te houden minimumreserves wordt berekend aan de hand van de in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) vastgestelde reserveratio’s voor elk van de passiva van de reservebasis uit hoofde van artikel 5 van die verordening. NCB’s moeten de overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) berekende minimumreserves gebruiken om de aangehouden minimumreserves te vergoeden en te beoordelen of instellingen voldoen aan de verplichting om het vereiste bedrag aan minimumreserves aan te houden.
12.
Teneinde de rentevoeten te stabiliseren, kunnen instellingen uit hoofde van het reserveverplichtingenstelsel van het Eurosysteem gebruikmaken van de middelingsbepaling, die inhoudt dat naleving van de reserveverplichtingen wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de eindedagstand op een of meer reserverekeningen gedurende een aanhoudingsperiode. De reserveperiode wordt in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2021/378 (ECB/2021/1) gedefinieerd.
13.
Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2021/378 (ECB/2021/1) worden de door de instelling gedurende de reserveperiode aangehouden minimumreserves vergoed tegen het gemiddelde rentetarief van het Eurosysteem (gewogen naar het aantal kalenderdagen) voor de basisherfinancieringstransacties volgens de volgende formule (de uitkomst wordt tot op één cent nauwkeurig afgerond):
Waarbij:
|
Rt |
= |
te betalen vergoeding voor het gedurende de aanhoudingsperiode t aanhouden van minimumreserves; |
|
Ht |
= |
daggemiddelde van gedurende de aanhoudingsperiode t aangehouden minimumreserves; |
|
nt |
= |
aantal kalenderdagen in de aanhoudingsperiode t; |
|
rt |
= |
vergoedingspercentage voor het aanhouden van minimumreserves gedurende de aanhoudingsperiode t. Het vergoedingspercentage wordt standaard afgerond op twee decimalen; |
|
i |
= |
i-ste kalenderdag van de aanhoudingsperiode t; |
|
MRi |
= |
marginale rentevoet voor de meest recente basisherfinancieringstransactie die op of voor kalenderdag i is afgewikkeld. |
De eindedagstand van TARGET2 gedurende de periode van een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen als bedoeld in artikel 187 bis zal bij de berekening van deze formule met terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen nadat de TARGET2-verstoring langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen, zal worden bepaald aan de hand van de beste informatie waarover de ECB beschikt. Alle tegoeden die in de noodoplossing worden aangehouden tijdens een langdurige verstoring van TARGET2 gedurende meerdere werkdagen, intraday of voor een langere periode, worden vergoed tegen nul procent.
Indien een instelling niet voldoet aan andere verplichtingen opgelegd ingevolge ECB-verordeningen en -besluiten betreffende de reserveverplichtingen van het Eurosysteem (bijv. als relevante gegevens niet tijdig worden verzonden of niet nauwkeurig zijn), kan de ECB sancties opleggen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2532/98, Verordening (EG) nr. 2157/1999 (ECB/1999/4) en Besluit (EU) 2021/1815 (ECB/2021/45).
(*1) Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125 van 5.5.2001, blz. 15).”
BIJLAGE II
De bijlagen VIa en VII bij Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
In bijlage VIa wordt afdeling 1 vervangen door: “I. BELEENBAARHEIDSCRITERIA VOOR EFFECTENAFWIKKELINGSSYSTEMEN (SECUTIRITES SETTLEMENT SYSTEMS — SSS'EN) EN KOPPELINGEN TUSSEN SSS'EN
(*1) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).”." |
|
2) |
In bijlage VII, afdeling II, wordt punt 10 geschrapt. |
(*1) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).”.”
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/131 |
RICHTSNOER (EU) 2022/988 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 2 mei 2022
tot wijziging van Richtsnoer (EU) 2016/65 betreffende binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem toegepaste surpluspercentages (ECB/2015/35) (ECB/2022/18)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 127, lid 2, eerste streepje,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 3.1, eerste streepje, de artikelen 9.2, 12.1, 14.3 en 18.2, en artikel 20, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de “NCB’s” genoemd), krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. In Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) (1) zijn de algemene voorwaarden vastgelegd waaronder de ECB en de NCB’s bereid zijn krediettransacties aan te gaan, met inbegrip van de beleenbaarheidscriteria voor onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem. |
|
(2) |
Op alle voor krediettransacties van het Eurosysteem beleenbare activa zijn specifieke risicobeheersingsmaatregelen van toepassing om het Eurosysteem te beschermen tegen financiële verliezen voor de gevallen waarin het onderpand te gelde moet worden gemaakt vanwege een geval van wanbetaling van een wederpartij. Het risicobeheersingskader van het Eurosysteem wordt regelmatig herzien om toereikende bescherming te waarborgen. |
|
(3) |
De Raad van bestuur heeft uitgebreid evaluatie uitgevoerd van de sinds 2020 aangenomen tijdelijke maatregelen ter versoepeling van de onderpandvereisten als reactie op de met de aan de verspreiding van de coronavirusziekte (COVID-19) gerelateerde uitzonderlijke economische en financiële omstandigheden, waaronder de tijdelijke vermindering van surpluspercentages. Deze evaluatie nam in aanmerking a) dat deelnemende wederpartijen van het Eurosysteem aan uit hoofde van Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/21) (2) uitgevoerde doelgerichte langerlopende herfinancieringstransacties verder voldoende onderpand voor deze transacties moeten kunnen verstrekken; b) de effecten op het onderpand van de wederpartijen van het Eurosysteem in verband met elk van die maatregelen; c) de risico-overwegingen in verband met elk van die maatregelen, en d) overige markt- en beleidsoverwegingen. In die context heeft de Raad van bestuur op 23 maart 2022 besloten om onder andere de voornoemde vermindering van surpluspercentages in twee fasen geleidelijk af te bouwen, de eerste fase beginnende op 8 juli 2022, teneinde de risicobescherming en de risicodoelmatigheid van het Eurosysteem te vergroten. Dit besluit dient in de relevante bepalingen tot uiting te komen. |
|
(4) |
Derhalve moet Richtsnoer (EU) 2016/65 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/35) (3) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Richtsnoer (EU) 2016/65 (ECB/2015/35) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 4 worden de punten a) en b) vervangen door:
|
|
2) |
In artikel 5 wordt lid 5 vervangen door: “5. Op niet-verhandelbare retailschuldbewijzen met hypothecair onderpand wordt surpluspercentage toegepast van 28,4 %.”. |
|
3) |
De bijlage wordt overeenkomstig de bijlage bij dit richtsnoer gewijzigd. |
Artikel 2
Vankrachtwording en tenuitvoerlegging
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de NCB’s.
2. De NCB’s nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan dit richtsnoer en passen dit richtsnoer met ingang van 8 juli 2022 toe. Zij stellen de Europese Centrale Bank uiterlijk op 20 mei 2022 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.
Artikel 3
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot de NCB’s.
Gedaan te Frankfurt am Main, 2 mei 2022.
Voor de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (richtsnoer algemene documentatie) (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).
(2) Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank van 22 juli 2019 betreffende een derde reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (ECB/2019/21) (PB L 204 van 2.8.2019, blz. 100).
(3) Richtsnoer (EU) 2016/65 van de Europese Centrale Bank van 18 november 2015 betreffende binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem toegepaste surpluspercentages (ECB/2015/35) (PB L 14 van 21.1.2016, blz. 30).
BIJLAGE
In de bijlage worden de tabellen 2, 2 bis en 3 worden vervangen door:
“Tabel 2
Surpluspercentages (in %) toegepast op verhandelbare activa in surpluspercentagecategorieën I tot en met IV
|
|
Surpluspercentagecategorieën |
||||||||||||
|
Kredietkwaliteit |
Restlooptijd (jaren) (*1) |
Categorie I |
Categorie II |
Categorie III |
Categorie IV |
||||||||
|
vastrentende coupon |
nulcoupon |
variabele coupon |
vastrentende coupon |
nulcoupon |
variabele coupon |
vastrentende coupon |
nulcoupon |
variabele coupon |
vastrentende coupon |
nulcoupon |
variabele coupon |
||
|
Categorieën 1 en 2 |
[0,1 ) |
0,5 |
0,5 |
0,5 |
0,9 |
0,9 |
0,9 |
0,9 |
0,9 |
0,9 |
6,8 |
6,8 |
6,8 |
|
[1,3 ) |
0,9 |
1,8 |
0,5 |
1,4 |
2,3 |
0,9 |
1,8 |
2,7 |
0,9 |
9,0 |
9,5 |
6,8 |
|
|
[3,5 ) |
1,4 |
2,3 |
0,5 |
2,3 |
3,2 |
0,9 |
2,7 |
4,1 |
0,9 |
11,7 |
12,2 |
6,8 |
|
|
[5,7 ) |
1,8 |
2,7 |
0,9 |
3,2 |
4,1 |
1,4 |
4,1 |
5,4 |
1,8 |
13,1 |
14,0 |
9,0 |
|
|
[7,10 ) |
2,7 |
3,6 |
1,4 |
4,1 |
5,9 |
2,3 |
5,4 |
7,2 |
2,7 |
14,9 |
16,2 |
11,7 |
|
|
[10 , ∞) |
4,5 |
6,3 |
1,8 |
7,2 |
9,5 |
3,2 |
8,1 |
11,7 |
4,1 |
18,0 |
23,0 |
13,1 |
|
|
Categorie 3 |
[0,1 ) |
5,4 |
5,4 |
5,4 |
6,3 |
6,3 |
6,3 |
7,2 |
7,2 |
7,2 |
11,7 |
11,7 |
11,7 |
|
[1,3 ) |
6,3 |
7,2 |
5,4 |
8,6 |
12,2 |
6,3 |
10,8 |
13,5 |
7,2 |
20,3 |
22,5 |
11,7 |
|
|
[3,5 ) |
8,1 |
9,0 |
5,4 |
12,2 |
16,7 |
6,3 |
14,9 |
19,8 |
7,2 |
25,2 |
29,3 |
11,7 |
|
|
[5,7 ) |
9,0 |
10,4 |
6,3 |
12,6 |
18,0 |
8,6 |
16,7 |
23,4 |
10,8 |
27,5 |
31,5 |
20,3 |
|
|
[7,10 ) |
10,4 |
11,7 |
8,1 |
14,4 |
22,1 |
12,2 |
17,1 |
25,2 |
14,9 |
27,9 |
33,3 |
25,2 |
|
|
[10 , ∞) |
11,7 |
14,4 |
9,0 |
17,1 |
26,6 |
12,6 |
17,6 |
27,0 |
16,7 |
28,4 |
34,2 |
27,5 |
|
Tabel 2 bis
Op beleenbare verhandelbare activa in surpluspercentagecategorie V toegepaste surpluspercentageniveaus (in %)
|
|
|
Categorie V |
|
Kredietkwaliteit |
Gewogen gemiddelde restlooptijd (*2) |
Surpluspercentage |
|
Categorieën 1 en 2 |
[0,1 ) |
3,6 |
|
[1,3 ) |
4,1 |
|
|
[3,5 ) |
4,5 |
|
|
[5,7 ) |
8,1 |
|
|
[7,10 ) |
11,7 |
|
|
[10 , ∞) |
18 |
Tabel 3
Op beleenbare kredietvorderingen toegepaste surpluspercentageniveaus (in %)
|
Kredietkwaliteit |
Restlooptijd (jaren) (*3) |
Vaste rente betaling |
Variabele rente betaling |
|
Categorieën 1 en 2 |
[0,1 ) |
7,2 |
7,2 |
|
[1,3 ) |
10,8 |
7,2 |
|
|
[3,5 ) |
14,4 |
7,2 |
|
|
[5,7 ) |
16,7 |
10,8 |
|
|
[7,10 ) |
21,6 |
14,4 |
|
|
[10 , ∞) |
31,5 |
16,7 |
|
|
Categorie 3 |
[0,1 ) |
13,5 |
13,5 |
|
[1,3 ) |
25,2 |
13,5 |
|
|
[3,5 ) |
32,9 |
13,5 |
|
|
[5,7 ) |
38,7 |
25,2 |
|
|
[7,10 ) |
40,5 |
32,9 |
|
|
[10 , ∞) |
43,2 |
38,7 |
(*1) D.w.z. [0,1) restlooptijd korter dan één jaar, [1,3) restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.
(*2) D.w.z. [0,1) gewogen gemiddelde restlooptijd korter dan één jaar, [1,3) gewogen gemiddelde restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.
(*3) D.w.z. [0,1) restlooptijd korter dan één jaar, [1,3) restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.”
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/135 |
RICHTSNOER (EU) 2022/989 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 2 mei 2022
tot wijziging van Richtsnoer (EU) 2021/975 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (ECB/2014/31) (ECB/2022/19)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 127, lid 2, eerste streepje,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 3.1, eerste streepje, en de artikelen 5.1, 12.1, 14.3 en 18.2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de “NCB’s” genoemd), om de doelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken te verwezenlijken, krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. In Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) (1) zijn de algemene voorwaarden vastgelegd waaronder de ECB en de NCB’s bereid zijn krediettransacties aan te gaan, met inbegrip van de beleenbaarheidscriteria voor onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem. |
|
(2) |
Er moet meer duidelijkheid worden verschaft over de wijze waarop de referentierentevoeten voor verhandelbare activa worden behandeld met het oog op de beleenbaarheid ervan. |
|
(3) |
De Raad van bestuur heeft uitgebreid evaluatie uitgevoerd van de sinds 2020 aangenomen tijdelijke maatregelen ter versoepeling van de onderpandvereisten als reactie op de met de aan de verspreiding van de coronavirusziekte (COVID-19) gerelateerde uitzonderlijke economische en financiële omstandigheden. Deze maatregelen omvatten de tijdelijke vermindering van surpluspercentages, het behoud van de beleenbaarheid van activa of de geschiktheid van de emittenten en garanten van die activa die de minimumkredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem op 7 april 2020 vervulden, maar vervolgens zijn gedeclasseerd, en de mogelijkheid voor NCB’s om overheidsschuldbewijzen, die zijn uitgegeven door de centrale overheid van de Helleense Republiek en niet voldoen aan de kredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem, als beleenbaar onderpand te aanvaarden. Deze evaluatie nam in aanmerking: a) dat deelnemende wederpartijen van het Eurosysteem aan uit hoofde van Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/21) (2) uitgevoerde doelgerichte langerlopende herfinancieringstransacties verder voldoende onderpand voor deze transacties moeten kunnen verstrekken; b) de neveneffecten voor de wederpartijen van het Eurosysteem in verband met elk van die maatregelen; c) de risico-overwegingen in verband met elk van die maatregelen, en d) overige markt- en beleidsoverwegingen. |
|
(4) |
In die context heeft de Raad van bestuur op 23 maart 2022 besloten om onder andere de voornoemde vermindering van surpluspercentages in twee fasen geleidelijk af te bouwen, de eerste fase beginnende op 8 juli 2022, teneinde de risicobescherming en de risicodoelmatigheid van het Eurosysteem te vergroten. |
|
(5) |
De Raad van bestuur heeft eveneens besloten om verhandelbare activa, en de emittenten en garanten van die activa, die de minimumkredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem op 7 april 2020 vervulden, maar vervolgens door de in het Eurosysteem aanvaarde ratingbureaus zijn gedeclasseerd naar een kredietkwaliteitsniveau dat onder de minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdrempels ligt, met ingang van 8 juli 2022 niet langer als beleenbare activa of geschikte emittenten en garanten van die activa te aanvaarden, teneinde terug te keren naar een consistente behandeling van emittenten, verhandelbare activa en garanten in het onderpandkader van het Eurosysteem, die onafhankelijk is van het tijdstip van de handelingen van de ratingbureaus. |
|
(6) |
Voorts heeft de Raad van bestuur besloten NCB’s te blijven toestaan om door de centrale overheid van de Helleense Republiek uitgegeven verhandelbare schuldbewijzen, die niet voldoen aan de kredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem, maar voldoen aan alle overige op verhandelbare activa toepasselijke beleenbaarheidscriteria, als beleenbaar onderpand te aanvaarden, voor ten minste zolang herinvesteringen in die schuldbewijzen voortduren in het kader van het pandemie-noodaankoopprogramma (PEPP) (3), onder voorbehoud van een specifiek schema van surpluspercentages. Deze maatregel zal tijdelijk zijn en is gebaseerd op de volgende aanvullende overwegingen: a) de noodzaak om de versnippering in de toegang tot het monetair beleid van het Eurosysteem te blijven voorkomen, hetgeen de goede werking van het transmissiemechanisme van het monetair beleid op de Griekse economie zou kunnen schaden, terwijl deze nog steeds herstellende is van de gevolgen van de pandemie; b) de verbintenissen die de Helleense Republiek is aangegaan in het kader van het verscherpt toezicht en de monitoring van de uitvoering daarvan door de instellingen van de Unie uit hoofde van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (4); c) het feit dat de schuldverminderingsmaatregelen op middellange termijn voor de Helleense Republiek die in het kader van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit en het Europees stabiliteitsmechanisme zijn genomen, afhankelijk zijn van verdere uitvoering van deze verplichtingen; d) de voor de ECB beschikbare informatie over de economische en financiële situatie van de Helleense Republiek vanwege de betrokkenheid van de ECB in het versterkt toezichtkader; e) het feit dat zelfs na het einde van het versterkt toezicht: i) de economische, financiële en begrotingssituatie van de Helleense Republiek regelmatig zal worden gecontroleerd in het kader van het post-programmatoezicht krachtens artikel 14 van Verordening (EU) nr. 472/2013 en het driemaandelijks vroegtijdig waarschuwingssysteem van het Europees stabiliteitsmechanisme; ii) de schuldverminderingsmaatregelen voor de Helleense Republiek gekoppeld zullen blijven aan dat post-programmatoezicht, en iii) de geplande betalingen aan de Helleense Republiek in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit uit hoofde van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (5) onderworpen zijn aan de succesvolle voltooiing van de overeengekomen mijlpalen en streefdoelen overeenkomstig artikel 24 van die verordening; f) de uitvoering van regelmatige overheidsschuldhoudbaarheidsbeoordelingen door het Europees stabiliteitsmechanisme, de Europese Commissie en de ECB; g) het feit dat zelfs na het einde van het versterkt toezicht de ECB toegang zal behouden tot informatie over de economische en financiële situatie van de Helleense Republiek via de in bovenstaand punt e), i) en iii), beschreven mechanismen. |
|
(7) |
Derhalve moet Richtsnoer 2014/528/EU van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/31) (6) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Richtsnoer 2014/528/EU (ECB/2014/31) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 7 wordt lid 3 vervangen door: “3. In lid 1 aangeduide verhandelbare schuldinstrumenten met coupons die gekoppeld zijn aan één geldmarktrente die bepaald wordt door een centrale bank, of door een beheerder overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (*1), of een geldmarktrente die als benchmark van een derde land is opgenomen in het in artikel 36 van die verordening bedoelde register in de denominatievaluta, of aan inflatie-indexen zonder discrete marge (discrete range), zonder margeaanwas (range accrual), clickcoupons (ratchets) of gelijkaardige complexe structuren voor het betrokken land, vormen eveneens beleenbaar onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem. (*1) Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1).”." |
|
2) |
In artikel 8 bis wordt lid 3 geschrapt. |
|
3) |
In artikel 8 ter wordt lid 12 vervangen door: “12. De bepalingen van dit artikel blijven van kracht tot en met 7 juli 2022.”. |
|
4) |
Bijlage II bis wordt vervangen door bijlage I bij dit richtsnoer. |
|
5) |
Bijlage II ter wordt vervangen door bijlage II bij dit richtsnoer. |
Artikel 2
Vankrachtwording en tenuitvoerlegging
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de NCB’s.
2. De NCB’s nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan dit richtsnoer en passen dit richtsnoer met ingang van 8 juli 2022 toe, met uitzondering van de maatregelen om te voldoen aan artikel 1, punten 2 en 3, die zij met ingang van 30 juni 2022 zullen toepassen. Zij stellen de Europese Centrale Bank uiterlijk op 20 mei 2022 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.
Artikel 3
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 2 mei 2022.
Voor de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (richtsnoer algemene documentatie) (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).
(2) Besluit (EU) 2019/1311 van de Europese Centrale Bank van 22 juli 2019 betreffende een derde reeks gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (ECB/2019/21) (PB L 204 van 2.8.2019, blz. 100).
(3) Besluit (EU) 2020/440 van de Europese Centrale Bank van 24 maart 2020 betreffende een tijdelijk pandemie-noodaankoopprogramma (ECB/2020/17) (PB L 91 van 25.3.2020, blz. 1).
(4) Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1 ).
(5) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
(6) Richtsnoer 2014/528/EU van de Europese Centrale Bank van 9 juli 2014 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging vn Richtsnoer ECB/2007/9 (ECB/2014/31) (PB L 240 van 13.8.2014, blz. 28).
BIJLAGE I
Bijlage II bis bij Richtsnoer 2014/528/EU (ECB/2014/31) wordt vervangen door:
“BIJLAGE II BIS
Surpluspercentages (in %) toegepast op uit hoofde van artikel 3, lid 2, van dit richtsnoer beleenbare effecten op onderpand van activa
|
Gewogen gemiddelde restlooptijd (*1) |
Surpluspercentage |
|
[0,1) |
5,4 |
|
[1,3) |
8,1 |
|
[3,5) |
11,7 |
|
[5,7) |
13,5 |
|
[7,10) |
16,2 |
|
[10, ∞) |
27 |
(*1) D.w.z. [0,1) gewogen gemiddelde restlooptijd korter dan één jaar, [1,3) gewogen gemiddelde restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.
BIJLAGE II
Bijlage II ter bij Richtsnoer 2014/528/EU (ECB/2014/31) wordt vervangen door:
“BIJLAGE II TER
Surpluspercentages (in %) toegepast op in artikel 8 bis genoemde beleenbare verhandelbare activa
|
Kredietkwaliteit |
Restlooptijd (jaren) (*1) |
Categorie I |
||
|
vastrentende coupon |
nulcoupon |
variabele coupon |
||
|
Categorie 4 |
[0,1) |
7,2 |
7,2 |
7,2 |
|
[1,3) |
10,8 |
11,7 |
10,8 |
|
|
[3,5) |
12,6 |
13,5 |
12,6 |
|
|
[5,7) |
14,0 |
15,3 |
14,0 |
|
|
[7,10) |
14,9 |
16,2 |
14,9 |
|
|
[10, ∞) |
16,2 |
18,9 |
16,2 |
|
|
Categorie 5 |
[0,1) |
9 |
9 |
9 |
|
[1,3) |
12,6 |
13,5 |
12,6 |
|
|
[3,5) |
14,9 |
15,8 |
14,9 |
|
|
[5,7) |
16,2 |
17,6 |
16,2 |
|
|
[7,10) |
17,1 |
18,5 |
17,1 |
|
|
[10, ∞) |
18,5 |
21,2 |
18,5 |
|
(*1) D.w.z. [0,1) restlooptijd korter dan één jaar, [1,3) restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
24.6.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/140 |
BESLUIT nr. 1/2022 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-JORDANIË
van 2 juni 2022
betreffende de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2021-2027 [2022/990]
DE ASSOCIATIERAAD EU-JORDANIË,
Gezien de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, (“de overeenkomst”) is op 24 november 1997 ondertekend en op 1 mei 2002 in werking getreden. |
|
(2) |
Artikel 91 van de overeenkomst geeft de Associatieraad EU-Jordanië de bevoegdheid passende besluiten vast te stellen om de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 101 van de overeenkomst treffen de partijen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen en zien zij erop toe dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden verwezenlijkt. |
|
(4) |
Bij de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid is voorgesteld de samenwerking met partners naar een volgend niveau te brengen, waarbij aan beide kanten meer zeggenschap mogelijk wordt. |
|
(5) |
De Europese Unie en Jordanië hebben besloten hun partnerschap te consolideren door overeenstemming te bereiken over een aantal prioriteiten voor de periode 2021-2027 (“de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2021-2027”), om de veerkracht en stabiliteit van Jordanië te ondersteunen en te bevorderen en tegelijkertijd ook de gevolgen van het aanhoudende conflict in Syrië aan te pakken. |
|
(6) |
De Europese Unie en Jordanië hebben overeenstemming bereikt over de tekst van de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2021-2027, die de uitvoering van de overeenkomst zullen bevorderen en de nadruk leggen op samenwerking op het gebied van gedeelde belangen die in gezamenlijk overleg zijn geïdentificeerd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De Associatieraad EU-Jordanië beveelt aan dat de partijen bij de overeenkomst de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2021-2027 zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit, uitvoeren.
Artikel 2
De partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2021-2027 vervangen de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië die zijn vastgesteld bij Besluit nr. 1/2016 van de Associatieraad EU-Jordanië (1).
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, op 2 juni 2022.
Voor de Associatieraad EU-Jordanië
De voorzitter
J. BORRELL-FONTELLES
(1) Besluit nr. 1/2016 van de Associatieraad EU-Jordanië van 19 december 2016 waarbij overeenstemming wordt bereikt over de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië (PB L 355 van 24.12.2016, blz. 31).
BIJLAGE
PARTNERSCHAPSPRIORITEITEN EU-JORDANIË 2021-2027
INLEIDING
De EU en Jordanië hebben een sterk partnerschap. Jordanië is een belangrijke partner van de EU en de EU heeft grote waardering voor de grote matigende invloed die Jordanië in de regio heeft. Om de solide en veelzijdige betrekkingen tussen de twee partners verder te versterken, zijn partnerschapsprioriteiten vastgesteld, die de uitvoering van de Associatieovereenkomst EU-Jordanië zullen ondersteunen en voor de periode 2021-2027 richting zullen geven aan het partnerschap.
De partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië belichamen de gedeelde doelstellingen van het Europees nabuurschapsbeleid, die erin bestaan te komen tot een gemeenschappelijke ruimte van vrede, welvaart en stabiliteit. Zij omvatten de belangrijkste aspecten ervan, namelijk differentiatie en gedeelde verantwoordelijkheid, maar zijn ook flexibel, zodat zij kunnen worden aangepast aan veranderende omstandigheden, volgens wat de EU en Jordanië overeenkomen. Bovendien sluiten zij aan bij het in de conclusies van de Europese Raad van 10 en 11 december 2020 (1) uitgedrukte streven naar een democratisch, stabieler, groener en welvarender zuidelijk nabuurschap als strategische prioriteit voor de EU.
De partnerschapsprioriteiten belichamen ook de doelstellingen van de nieuwe, ambitieuze en innovatieve agenda voor het Middellandse Zeegebied die in de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger inzake het zuidelijk nabuurschap van 9 februari 2021 (2) en in de daaropvolgende conclusies van de Raad over een hernieuwd partnerschap met het zuidelijk nabuurschap van 16 april 2021 (3) is uiteengezet en die tot doel heeft de samenwerking een nieuw elan te geven en het onbenutte potentieel van de betrekkingen aan te boren. De agenda ondersteunt de doeltreffende en tijdige uitvoering van onderling overeengekomen vlaggenschipinitiatieven van het economisch en investeringsplan voor de landen van het zuidelijk nabuurschap (4) die het partnerschap van de EU met Jordanië zullen versterken en onze gemeenschappelijke goederen in het Middellandse Zeegebied zullen helpen beschermen. De nieuwe agenda biedt kansen voor nieuwe partnerschappen op het gebied van strategische prioriteiten van de groene en digitale transitie die zullen bijdragen tot duurzaamheid, welvaart en veerkracht. Bij deze inspanningen zullen de EU en Jordanië voortbouwen op het partnerschap met Jordanië en op de verdere uitvoering van de Jordaanse hervormingsagenda. De EU en Jordanië zullen als medevoorzitters van de Unie voor het Middellandse Zeegebied constructief blijven samenwerken om een sterk partnerschap in het hele Middellandse Zeegebied te bevorderen.
Overeenkomstig de nieuwe agenda zal het partnerschap tussen de EU en Jordanië gebaseerd blijven op gemeenschappelijke waarden en dialoog, waarbij ernaar wordt gestreefd vooruitgang te boeken op een gezamenlijke sociaaleconomische en politieke agenda, met inbegrip van hervormingen en de uitvoering daarvan op gebieden als goed bestuur, de rechtsstaat, de mensenrechten, sociale cohesie en gelijke kansen voor iedereen, non-discriminatie, milieu- en klimaatbescherming, macro-economische stabiliteit en het ondernemingsklimaat. Met de nieuwe agenda wordt gestreefd naar een groen, digitaal, veerkrachtig en rechtvaardig herstel na de COVID-19-pandemie, overeenkomstig de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de Klimaatovereenkomst van Parijs en de Europese Green Deal.
Het stimuleren van een duurzaam sociaaleconomisch langetermijnherstel en het scheppen van werkgelegenheid in de landen van het zuidelijk nabuurschap is een belangrijke gedeelde prioriteit en vormt de innovatieve hoeksteen van de nieuwe agenda voor het Middellandse Zeegebied. Het bij de mededeling gevoegde gezamenlijke werkdocument over een economisch en investeringsplan voor de landen van het zuidelijk nabuurschap, waarin Jordanië een prominente plaats inneemt, is een vastberaden poging om inhoud te geven aan dit partnerschap en zich toe te spitsen op belangrijke projecten die het partnerschap van de EU met Jordanië versterken. De uitvoering van de vlaggenschipinitiatieven van het economisch en investeringsplan van de nieuwe agenda voor het Middellandse Zeegebied zal bijdragen tot de verwezenlijking van de partnerschapsprioriteiten en een belangrijk onderdeel vormen van de samenwerking tussen de EU en Jordanië.
Op basis van de gezamenlijke mededeling, het daarin uiteengezette economisch en investeringsplan en de conclusies van de Raad zal de EU ook haar krachten met de lidstaten bundelen om initiatieven in het kader van Team Europe rond kerngebieden van wederzijds belang te bevorderen, waarbij wordt voortgebouwd op de succesvolle respons van Team Europe op de COVID-19-crisis, zowel wereldwijd als in Jordanië.
De partnerschapsprioriteiten zijn een dynamisch document en impliceren dat wederzijdse verbintenissen moeten worden nagekomen.
Het partnerschap en de prioritaire samenwerkingsgebieden zullen verder vorm krijgen via regelmatige politieke vergaderingen op hoog niveau, dialogen inzake economie, werkgelegenheid en sociale zaken, handel, justitie en mensenrechten, democratische processen, klimaat en milieu, het mobiliteitspartnerschap EU-Jordanië, de overeenkomst tussen de EU en Jordanië inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking en andere bestaande samenwerkingsgebieden, de toezeggingen van de EU en Jordanië om de dialoog en samenwerking inzake veiligheid, met inbegrip van de bestrijding van gewelddadig extremisme en terrorisme en cyberbeveiliging, te bevorderen, en de huidige bilaterale samenwerking ter ondersteuning van Jordanië.
De partnerschapsprioriteiten bevestigen de banden tussen de EU en Jordanië en leggen de reikwijdte van de verdieping van het wederzijdse engagement vast.
De huidige context is bijzonder bevorderlijk voor het consolideren van de betrekkingen tussen de EU en Jordanië, die gebaseerd zijn op gedeelde doelstellingen, waarden en belangen bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen.
De COVID-19-pandemie heeft de druk op de gezondheidszorg, het onderwijs en de economie verder doen toenemen en brengt aanzienlijke sociaaleconomische uitdagingen met zich mee. De EU en Jordanië zullen sterker uit de crisis komen, onder meer via een groene en digitale transformatie van hun economieën, door hun veerkracht te vergroten en door hun gemeenschappen op inclusieve wijze welvaart en kansen op fatsoenlijk werk te bieden. De EU en haar partners zullen zich meer inzetten voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie, ook discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, en voor de bevordering van gendergelijkheid op alle beleidsterreinen, als onderdeel van het streven naar een inclusief herstel na de COVID-19-pandemie.
De crisis in Syrië heeft sinds 2011 een zware impact op Jordanië, de regio en de EU. De EU en Jordanië hebben bevestigd dat zij gemeenschappelijke doelen nastreven en gezamenlijke belangen hebben bij het vredesproces en het herstel van de stabiliteit en de vrede in Syrië. Dit zou er uiteindelijk voor zorgen dat vluchtelingen vrijwillig, veilig en op waardige wijze kunnen terugkeren. Ondertussen is het van belang te blijven voorzien in bijstand en toegang tot bescherming, onderwijs, bestaansmiddelen en diensten voor Syrische vluchtelingen in Jordanië.
De EU erkent de belangrijke rol die Jordanië speelt op nationaal, regionaal en internationaal niveau en ondersteunt het engagement van Jordanië in het multilaterale systeem. De EU prijst de genereuze en niet-aflatende inzet van Jordanië om grote aantallen vluchtelingen, onder wie Syriërs, Palestijnen, Irakezen, Libiërs en Jemenieten, die in Jordanië een veilig heenkomen zoeken, op te vangen en te beschermen, en hen te voorzien van onderwijs, gezondheidszorg, bestaansmiddelen en diensten op het gebied van sociale bescherming. De EU zal Jordanië blijven helpen bij het bieden van steun aan vluchtelingen die bescherming zoeken in Jordanië en bij het versterken van de veerkracht van Jordanië, onder meer via het voortdurende engagement om de gevolgen van de COVID-19-pandemie te verzachten. Zoals voorheen komt de EU-steun aan Jordanië voor de omgang met de vluchtelingenproblematiek bovenop de bilaterale steunprogramma's. Het is van cruciaal belang armoede, discriminatie en genderongelijkheid te bestrijden, adequate inkomenssteun te bieden, in niet-discriminerende toegang tot sociale bescherming te voorzien overeenkomstig nationale kaders zoals de Jordaanse nationale strategie voor sociale bescherming, duurzame ontwikkeling en groei te bevorderen, de mensenrechten te beschermen en te zorgen voor billijke toegang tot diensten van hoge kwaliteit.
Jordanië levert ook toonaangevende inspanningen en speelt een voortrekkersrol voor het bevorderen van de vrede en veiligheid in het Midden-Oosten, met name bij het vredesproces in het Midden-Oosten. Daarnaast is de rol van Jordanië bij het voorkomen en bestrijden van radicalisering en terrorisme en gewelddadig extremisme van grote waarde gebleken. De leidende en stabiliserende rol van Jordanië wordt voorts geïllustreerd door het feit dat het samen met de EU medevoorzitter is van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ), waar het pleit voor politieke oplossingen voor diverse crises in de regio en voor regionale integratie en ontwikkeling, duurzame, groene, circulaire en hulpbronnenefficiënte economieën met een lage uitstoot van broeikasgassen.
Jordanië en de EU zullen zich ook blijven inzetten voor alle aspecten van migratie in het kader van een alomvattend, wederzijds voordelig en op maat gesneden partnerschap en in het kader van het mobiliteitspartnerschap, dat een samenhangend kader biedt voor maatregelen op het gebied van migratie, mobiliteit en veiligheid, waarbij vraagstukken in verband met grensbeheer, voorkoming van illegale migratie en internationale bescherming worden aangepakt (5).
De partnerschapsprioriteiten steunen op hetgeen gezamenlijk is verwezenlijkt op gebieden van wederzijds belang, zoals het doel om de verdere doorvoering van hervormingen te bevorderen en aldus bij te dragen tot de macro-economische stabiliteit van Jordanië, overeenkomstig de prioriteiten van het herziene IMF-programma en rekening houdend met de gevolgen van de COVID-19-pandemie. Zij bouwen ook voort op de Conferentie van Londen van 2016 over steun voor Syrië en de regio en de toezeggingen die Jordanië en de andere organisatoren van die conferentie in het internationale pact ("international compact") hebben gedaan. Die waren erop gericht de ontwikkelingsresultaten van Jordanië in stand te houden en daarbij door te gaan met het bieden van humanitaire hulp en adequate steun aan gastgemeenschappen. Tijdens de vijf daaropvolgende Conferenties van Brussel over steun voor de toekomst van Syrië en de regio is het politieke, humanitaire en financiële engagement van de internationale gemeenschap hernieuwd en versterkt om het Syrische volk, de buurlanden en de gastgemeenschappen die het zwaarst door het conflict zijn getroffen te steunen, en is geëvalueerd welke vorderingen de regeringen, de donoren en de Verenigde Naties (VN) hebben gemaakt bij het nakomen van de verbintenissen en toezeggingen die zij in dat verband hebben gedaan. In het licht van de aanhoudende extreme kwetsbaarheid van Syrische vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen, die nog wordt verergerd door de COVID-19-pandemie, bevestigen de EU en Jordanië hun engagement om alle vluchtelingen in Jordanië bijstand en daadwerkelijke bescherming te bieden. Het is van belang hun toegang tot diensten verder te verbeteren, ervoor te zorgen dat hun mensenrechten worden geëerbiedigd en te blijven werken aan de versterking van hun zelfredzaamheid, en mogelijkheden voor hen te scheppen zodat zij kunnen bijdragen tot de economische ontwikkeling van Jordanië. Bij de ondersteuning van vluchtelingen, onder meer uit Syrië, zullen de EU en Jordanië een aanpak met nadruk op kwetsbaarheid en met de nodige aandacht voor de situatie van kwetsbare gastgemeenschappen hanteren.
De EU blijft zich inzetten voor de voortdurende verlening van bijstand en bescherming aan Palestijnse vluchtelingen, ook in Jordanië. In dit verband hebben de EU en Jordanië gewezen op de cruciale bijdrage die de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) levert tot de veiligheid en stabiliteit in de regio, overeenkomstig het VN-mandaat dat in de desbetreffende VN-resoluties is vastgelegd, en hebben zij verklaard zich ertoe te verbinden de organisatie politiek en financieel te blijven steunen. Zij erkennen de belangrijke rol die UNRWA blijft spelen en zeggen toe de organisatie te zullen steunen bij de uitvoering van haar mandaat op de terreinen waarop zij actief is, alsook bij de hervormingen op het gebied van beheer en bestuur met het oog op meer transparantie, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer waarmee de organisatie een aanvang heeft gemaakt. Zij pleiten voorts bij de donorgemeenschap voor een duurzamere en voorspelbaardere meerjarenfinanciering en voor een eerlijke lastenverdeling.
PRIORITEITEN
De partnerschapsprioriteiten belichamen gedeelde belangen en spitsen zich toe op gebieden waarop samenwerking tussen de EU en Jordanië wederzijdse voordelen oplevert. Overeenkomstig de gezamenlijke mededeling en de conclusies van de Raad hebben de EU en Jordanië zich ertoe verbonden de samenwerking op te voeren met betrekking tot een reeks maatregelen op de volgende belangrijke beleidsterreinen: versterking van de veerkracht en de interconnectie in/deelname aan de wereldeconomie, opbouw van welvaart en benutting van de kansen van de tweeledige groene en digitale transitie; menselijke ontwikkeling, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten; vrede en veiligheid; migratie en mobiliteit; klimaatactie, energie en milieu.
Op basis van het bovenstaande worden drie prioriteiten vastgesteld voor de periode 2021-2027:
De EU en Jordanië zullen streven naar de versterking van de samenwerking inzake regionale stabiliteit en veiligheid, met inbegrip van terrorismebestrijding. De EU en Jordanië zijn sterke partners op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid. De strategische en operationele samenwerking zal worden voortgezet op bilateraal niveau, in multilaterale fora en op regionaal niveau, onder meer via het medevoorzitterschap van de EU en Jordanië van de UMZ, en door gebruik te maken van de voorgestelde jaarlijkse bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en de zuidelijke partnerlanden, alsook van eventuele sectorale ministeriële bijeenkomsten. Het is in het belang van zowel de EU als Jordanië om vrede en stabiliteit in de regio en wereldwijd te bevorderen, door bijvoorbeeld samen te werken aan het vredesproces in het Midden-Oosten, overeenkomstig het internationaal recht en de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN-Veiligheidsraad), alsook ten behoeve van de politieke transitie en het herstel van de vrede in Syrië, op basis van onder meer Resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad. Zowel de EU als Jordanië willen model staan voor een tolerante samenleving, en ook in dat verband moeten zij intensiever samenwerken op het gebied van buitenlandse zaken.
Het partnerschap is gericht op de bevordering van het economisch herstel en stabiliteit, alsmede op groene, digitale, inclusieve en op kennis gebaseerde groei, de kwaliteit van het onderwijs en het scheppen van fatsoenlijke banen, ook voor jongeren, overeenkomstig de prioriteiten van de regering, het uitvoerend indicatief ontwikkelingsprogramma "Jordanië 2025 — Nationale visie en strategie" en de sectorale beleidslijnen en strategieën. Met de steun wordt beoogd Jordanië beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan de gevolgen van de Syrische crisis en de regionale instabiliteit, alsook aan de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie. Tegelijk wil men de kansen benutten voor een betere wederopbouw na de crisis.
De EU en Jordanië zullen nauwer samenwerken bij de aanpak van de klimaatverandering en de aantasting van het milieu door zich gezamenlijk in te zetten voor groene groei en energietransitie naar klimaatneutraliteit, overeenkomstig de strategie voor de Jordaanse energiesector (2020-2030) en overeenkomstig de Jordaanse nationale vastgestelde bijdrage en het nationale aanpassingsplan. Een sterke, inclusieve, groene en verbonden Jordaanse economie die wordt geschraagd door de vrijhandelszone die is ingesteld in het kader van de Associatieovereenkomst tussen Jordanië en de EU, de vereenvoudigde oorsprongsregels en een beter investeringsklimaat (via hervorming van het ondernemingsklimaat) en toegang tot financiering voor ondernemers en met name kleine en middelgrote ondernemingen, onder meer door de dialoog tussen de overheid en de particuliere sector te bevorderen en directer met de particuliere sector samen te werken, zijn van wezenlijk belang voor het scheppen van fatsoenlijke banen. Ondersteuning van door innovatie gestuurde groei en kennisdeling zal zorgen voor verdere modernisering, vergroening en diversificatie van de economie. Samenwerking met het oog op duurzame, slimme en veerkrachtige vervoersconnectiviteit (met inbegrip van de luchtvaartovereenkomst tussen de EU en Jordanië) en de uitvoering van de nationale vervoersstrategie op lange termijn 2015-2030 zullen eveneens bijdragen tot regionale en economische integratie.
Er zal specifieke aandacht uitgaan naar het vergroten van de inzetbaarheid en de participatie van jongeren en vrouwen in de economie. Die aandacht zal ook gaan naar het creëren van duurzame en gelijke economische kansen, onder meer op basis van onderwijs en beroepsopleiding van hoge kwaliteit en een toereikende openbare vervoersvoorziening, en naar het bevorderen van een cultuur van ondernemerschap en innovatie en een transitie naar een groene, circulaire en digitale economie. Er zou ook moeten worden nagedacht over initiatieven op het vlak van cultuur, waaronder initiatieven voor de ontwikkeling van een culturele en creatieve sector, aangezien deze sectoren in grote mate bijdragen tot de interculturele dialoog en tot sociaaleconomische ontwikkeling.
De volledige handhaving van de Associatieovereenkomst en de voortzetting van de gezamenlijke werkzaamheden ter versterking van de bestaande handels- en investeringsbetrekkingen zouden ook de integratie van Jordanië in de EU-markt versterken en nieuwe kansen scheppen voor handel, investeringen en ontwikkeling. Overeenkomstig de mededeling over de evaluatie van het handelsbeleid (6) zal de EU een nieuw initiatief voor duurzame investeringen voorstellen aan geïnteresseerde partners in het zuidelijke nabuurschap en Afrika.
Het partnerschap is gericht op de ondersteuning van de inspanningen en de inzet van Jordanië ter versterking van goed bestuur, de rechtsstaat, democratische hervormingen en de mensenrechten, waaronder sociale en arbeidsrechten. De mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals vastgelegd in het internationale, regionale en nationale recht, zijn gedeelde waarden. De eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten is een essentieel onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en Jordanië, en van de duurzame sociaaleconomische ontwikkeling en stabiliteit in Jordanië.
Wat migratie en mobiliteit betreft, vormt de verdere effectieve uitvoering van de verschillende onderdelen van het mobiliteitspartnerschap, gelet op de mededeling van de Europese Commissie over het migratie- en asielpact (7) en de Jordaanse wetgeving, een horizontale prioriteit, die er ook toe zou bijdragen dat personen geregeld en gemakkelijker tussen Jordanië en de EU kunnen reizen, onder meer met het oog op de versterking van het toerisme, de bevordering van uitwisselingen op onderwijsgebied en samenwerking met de Jordaanse expatgemeenschappen in het buitenland. Een alomvattende en duurzame aanpak van migratie en asiel, met inbegrip van samenwerking op het gebied van terugkeer overeenkomstig de bevoegdheden van de EU en de nationale bevoegdheden van de lidstaten, zou de EU en Jordanië een wederzijds voordeel kunnen opleveren.
1. VERSTERKING VAN DE SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN REGIONALE STABILITEIT EN VEILIGHEID, MET INBEGRIP VAN TERRORISMEBESTRIJDING
De EU onderkent alle relevante inspanningen die Jordanië levert. Zij moet nauw met Jordanië blijven samenwerken voor het aanpakken van de instabiliteit in de regio, waaronder de veiligheidsbedreiging die uitgaat van Da'esh en andere terreurgroepen. In dit verband is de EU vastbesloten Jordanië bij te staan in zijn inspanningen om zijn buitengrenzen te stabiliseren en te beveiligen. De EU en Jordanië steunen beide de noodzaak van duurzame en blijvende oplossingen voor de crisis in Syrië, overeenkomstig Resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad. De werkzaamheden in de passende internationale fora om de crisis in Syrië op te lossen en de samenwerking in de context van het stappenplan EU-Jordanië voor meer veiligheid en terrorismebestrijding moeten worden voortgezet. Daarbij moet bijzondere nadruk worden gelegd op gezamenlijke projecten en het delen van informatie.
De EU en Jordanië zouden ook meer inspanningen moeten leveren om bruggen te slaan in andere conflictsituaties, bijvoorbeeld met betrekking tot het vredesproces in het Midden-Oosten. De EU erkent de onmisbare en constructieve rol die Jordanië speelt voor de stabiliteit van de regio en herhaalt hoe belangrijk het is dat de historische status quo van de heilige plaatsen in Jeruzalem gehandhaafd blijft, ook wat betreft het Hasjemitische voogdijschap. De EU en Jordanië zullen zich intensief blijven inzetten voor een rechtvaardige en alomvattende oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict op basis van de tweestatenoplossing, internationaal overeengekomen parameters en het internationaal recht. In een andere context dan die van de onmiddellijke conflicten zullen de EU en Jordanië in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming de samenwerking en de veerkracht gaan versterken op het gebied van risicobeheersing en civiele bescherming in verband met rampen, de werkzaamheden inzake de veerkracht voor en aanpassing aan klimaatverandering opvoeren en investeren in preventieve maatregelen.
De EU en Jordanië zijn partners bij het bevorderen en stimuleren van de interreligieuze en interculturele dialoog, op globale en regionale niveaus waarop Jordanië een leidende rol speelt. De EU en Jordanië zullen samenwerken en zoeken naar manieren om het cultureel erfgoed te beschermen en te behouden als een belangrijk instrument voor vrede, democratie en duurzame ontwikkeling en als middel om een positieve dialoog en integratie tot stand te brengen, en zullen daartoe acties voorstellen.
Toegang tot natuurlijke hulpbronnen, met name veilig drinkwater, zal een ander belangrijk aspect zijn voor stabiliteit op lange termijn. Jordanië en de EU zullen blijven samenwerken om de doeltreffendheid en de duurzaamheid van het beheer van de watervoorraden verder te verbeteren.
Voorkoming en bestrijding van terrorisme, gewelddadig extremisme en radicalisering moeten hoog op de agenda blijven staan. In dat verband zullen de EU en Jordanië, bovenop de regelmatige politieke en thematische dialoog, meer concrete samenwerkingsmaatregelen nemen en meer informatie delen, om deze kwesties binnen de rechtsstaat en met volledige inachtneming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden aan te pakken. De EU en Jordanië zullen samenwerken bij de bestrijding van de onderliggende oorzaken van radicalisering, terrorisme en gewelddadig extremisme. Daarbij zullen zij aandacht hebben voor sociale cohesie, de belangrijke rol van vrouwen en jongeren en van onderwijs, onder meer door onderling overeengekomen onderwijsprogramma's en de betrokkenheid van een breed deel van het Jordaanse maatschappelijk middenveld.
De EU en Jordanië hebben tevens een kader vastgesteld voor de deelname van Jordanië aan de crisisbeheersingsoperaties van de EU, hetgeen een ander voorbeeld is van de nauwe samenwerking op het gebied van veiligheidskwesties waarop kan worden voortgebouwd.
2. BEVORDEREN VAN DUURZAME ECONOMISCHE STABILITEIT, EEN GROENE, DIGITALE, INCLUSIEVE EN OP KENNIS GEBASEERDE GROEI, DE KWALITEIT VAN HET ONDERWIJS EN HET SCHEPPEN VAN FATSOENLIJKE BANEN
Door de crisis in Syrië verblijven er al geruime tijd een groot aantal vluchtelingen in Jordanië, en dit heeft een zware impact op de economische situatie, de schaarse natuurlijke hulpbronnen en de verlening van basisdiensten. De toch al moeilijke economische situatie in Jordanië wordt daardoor nog extra op de proef gesteld. De COVID-19-pandemie heeft de sociaaleconomische uitdagingen, kwetsbaarheden en ongelijkheden aanzienlijk verergerd. De economische dialoog, hervormingen en samenwerking inzake macro-economische aangelegenheden zullen in dat verband in coördinatie met multilaterale en bilaterale donoren verder worden ontwikkeld en uitgevoerd om tot een gezond macro-economisch en structureel beleid te komen dat een duurzaam en inclusief groeipotentieel bevordert, de Jordaanse economie beter bestand maakt tegen economische schokken en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbetert. De inspanningen om de macro-economische stabiliteit te handhaven, moeten worden voortgezet in de context van het herziene programma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de verbintenissen die Jordanië tegenover de internationale gemeenschap heeft gedaan overeenkomstig de Conferentie van Londen in 2019 en de hervormingsmatrix van Jordanië. De EU ondersteunt deze inspanningen via samenwerkingsbijstand en via aanzienlijke macrofinanciële bijstandsprogramma's.
Naast een gezond beheer op fiscaal en budgettair gebied zal er ook intensiever worden samengewerkt met het oog op hervormingen in de publieke sector in Jordanië. Dat moet zorgen voor een beter beheer van de overheidsfinanciën en voor meer efficiëntie en betere dienstverlening in de publieke sector.
Een van de grootste sociaaleconomische uitdagingen voor Jordanië, onder meer als gevolg van aanhoudende regionale crises, is de ongelijke toegang tot werk, onder meer voor vrouwen en jongeren, de geringe economische groei, de hoge werkloosheid en de groeiende schuldenlast. Dit moet worden opgelost door fatsoenlijk werk te scheppen, ondernemerschap en innovatie te ondersteunen — met name in de groene, digitale en sociale economie —, vaardigheden en kwalificaties te bevorderen — door gerichte opleiding, onderwijs en onderzoek aan te moedigen —, en een doelgericht en alomvattend stelsel van sociale bescherming te ontwikkelen. In het kader van de partnerschapsprioriteiten zal worden getracht deze kwesties met beleidsinstrumenten op de volgende gebieden aan te pakken: handel, ontwikkeling van het bedrijfsleven, onderwijs, opleiding en een leven lang leren, alsmede meer mobiliteit. Daarbij zal er ook steeds worden gestreefd naar een verbetering van de economische positie en participatie van alle segmenten van de samenleving.
|
a) |
Handel ten behoeve van ontwikkeling is een belangrijk element van de partnerschapsprioriteiten. Jordanië zal profiteren van de groei van werkgelegenheid, die wordt geschraagd door de toename van de uitvoer naar de EU in het kader van de vereenvoudigde oorsprongsregels en begeleidende maatregelen. De EU en Jordanië zullen gezamenlijk passende benaderingen vaststellen om de modernisering van de bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen te versterken. Voorts zullen de EU en Jordanië samenwerken op het gebied van kleine en middelgrote ondernemingen, ontwikkeling, technologie en knowhow, teneinde de bilaterale en economische banden te versterken. |
|
b) |
Tezelfdertijd zullen de EU en Jordanië hun dialoog voortzetten om harmonisatie te bevorderen op gebieden als sanitaire en fytosanitaire maatregelen, technische handelsbelemmeringen en diensten teneinde de handel te vereenvoudigen en Jordanië aantrekkelijker te maken voor investeringen. Om de gezondheid en de veiligheid van de consument beter te beschermen en de handel te vereenvoudigen, zal de EU bovendien met Jordanië samenwerken om de ontwikkeling van een doeltreffend kader voor productveiligheid te ondersteunen, overeenkomstig de internationale normen, waarbij niet-tarifaire belemmeringen worden vermeden. |
|
c) |
De EU en Jordanië zullen hun inspanningen prioriteren en intensiveren om: het bedrijfsklimaat te verbeteren en investeringen aan te trekken, met name investeringen die de transitie naar een emissiearme, veerkrachtige en circulaire economie ondersteunen; de productiviteit en het concurrentievermogen van de particuliere sector te ondersteunen en het ondernemerschap te bevorderen (onder meer door juridische, regelgevende en administratieve hervormingen, met inbegrip van het mededingingsbeleid en regels voor controle op subsidies, leningen aan bedrijven en optimale benutting van digitale transformatie en groene transitie); de kennis en vaardigheden te ontwikkelen die noodzakelijk zijn op de Jordaanse arbeidsmarkt en voor de groene, digitale en sociale economie. Een nieuw initiatief voor duurzame investeringen, zoals hierboven vermeld, zou kunnen helpen deze doelstellingen te verwezenlijken. Ook zullen de EU en Jordanië samenwerken aan de versterking van op kennis gebaseerde sectoren, wat van belang is voor het scheppen van fatsoenlijke banen, met name voor jongeren en vrouwen, en voor de ondersteuning en versterking van de positie van ondernemingen, met name in de economische sectoren die het zwaarst zijn getroffen door de COVID-19-pandemie. |
|
d) |
Ook onderwijs is belangrijk voor het bevorderen van de sociale en economische ontwikkeling. Het zal van cruciaal belang zijn dat Jordanië, in samenwerking met de EU, deze prioriteit verwezenlijkt zodat alle inwoners van Jordanië daarvan kunnen profiteren, de uitdagingen in verband met COVID-19 worden aangepakt en leerachterstanden worden weggewerkt. Bij de samenwerking tussen de EU en Jordanië zal de toegang tot veilig en hoogwaardig openbaar onderwijs voor alle kinderen, jongeren en jonge volwassenen op alle niveaus een belangrijke plaats innemen, omdat zo kan worden gegarandeerd dat iedereen de kans krijgt om te studeren, een toekomst uit te bouwen en bij te dragen tot de economische groei en de ontwikkeling van het land. Bijzondere aandacht moet gaan naar beroepsopleiding en -onderwijs dat inspeelt op de arbeidsmarkt, en naar hoger onderwijs en levenslang leren. |
De EU en Jordanië zullen ook, zowel op bilateraal niveau als binnen de Unie voor het Middellandse Zeegebied, samenwerken op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie, onder meer door de uitvoering van stappenplannen voor de aanpak van gezamenlijke prioriteiten als klimaatverandering, gezondheid en hernieuwbare energiebronnen.
De EU en Jordanië zullen inspanningen leveren ten behoeve van innovatief onderzoek, op kennis gebaseerde oplossingen en samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie overeenkomstig de strategie voor de Jordaanse energiesector (2020-2030) en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, onder meer voor duurzame landbouwpraktijken en duurzaam water- en afvalbeheer, met inbegrip van veilig drinkwater. Deze samenwerking zal in overeenstemming zijn met de Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, alsmede met de Europese Green Deal, en zal een krachtiger optreden inhouden om de transitie naar een klimaatneutrale, veerkrachtige en circulaire economie te bevorderen. De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie zal worden voortgezet via Horizon Europa, Prima (Partnership in Research and Innovation in the Mediterranean Area - partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied) en het regionale platform voor onderzoek en innovatie van de UMZ.
De EU en Jordanië zullen een forum opzetten voor het identificeren en voorbereiden van toekomstige investeringsprojecten, overeenkomstig de nationale prioriteiten van Jordanië en in coördinatie met bilaterale en multilaterale donoren. De EU zal onder meer trachten Jordanië, in coördinatie met andere donoren, te steunen bij zijn plannen voor de uitvoering van het project Aqaba-Amman Water Desalination and Conveyance (AAWDC). Dat is een nationaal project van strategisch belang dat erop gericht is het tekort in de cruciale watervoorraden van het land terug te dringen.
De EU en Jordanië zullen samenwerken om te zorgen voor samenhang tussen de prioriteiten op het gebied van energie, water, voedsel, gezondheid en klimaatverandering, de uitvoering daarvan te bevorderen en participatieve processen op regionaal en internationaal niveau te waarborgen.
3. BEVORDEREN VAN GOED BESTUUR, DE RECHTSSTAAT, DEMOCRATISCHE HERVORMINGEN EN DE EERBIEDIGING VAN DE MENSENRECHTEN
In overeenstemming met de sterke verbintenis van Jordanië tot de voortzetting van het hervormingsproces, dat wordt gestimuleerd door het Koninklijk Comité voor de modernisering van het politieke stelsel, zullen de EU en Jordanië blijven samenwerken met het oog op de verdere versterking van het democratische en justitiële stelsel in Jordanië, de rechtsstaat, de gendergelijkheid en de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. De EU en Jordanië zullen steun verlenen aan maatregelen ter bestrijding van alle vormen van discriminatie en aan alle aspecten die verband houden met een effectief en goed gevestigd maatschappelijk middenveld, onder meer door een juridische werkomgeving en een operationele ruimte te creëren die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van een levendig maatschappelijk middenveld.
De samenwerking zal gericht zijn op de uitvoering van de alomvattende en inclusieve hervormingen, de verdere versterking van de doelmatigheid, doeltreffendheid en onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat, alsmede de gelijke toegang tot de rechter voor iedereen, overeenkomstig internationaal aanvaarde normen. Dit zal justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken omvatten, door de toetreding tot en de uitvoering van de desbetreffende internationale verdragen te bevorderen en door samen met Eurojust te werken aan een internationale overeenkomst inzake justitiële samenwerking in strafzaken. De samenwerking zal verder toegespitst zijn op het verkiezingsproces (waaronder de follow-up van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies en de verkiezingsdeskundigenmissies van de EU) en de steun voor gendergelijkheid, met inbegrip van de bestrijding van gendergerelateerd geweld, voor een zinvolle politieke participatie van vrouwen en jongeren, en voor de versterking van de positie van vrouwen in het politieke en openbare leven. De samenwerking tussen de EU en Jordanië zal verder ook betrekking hebben op economische, sociale en culturele rechten, burgerschapsvorming, de versterking van het systeem van politieke partijen en van het toezicht en de wetgevende rol van het parlement, de banden tussen de lokale en de nationale politiek, een zinvolle sociale dialoog, het decentralisatieproces, pluralistische en onafhankelijke media, transparantie, met inbegrip van financiële transparantie, en verantwoordingsplicht, alsmede corruptiebestrijding.
De EU en Jordanië zullen een regelmatige dialoog blijven voeren over democratie en goed bestuur, justitie, de rechtsstaat en mensenrechten. De dialoog zal voortbouwen op de internationale, regionale en nationale verwezenlijkingen en toezeggingen van Jordanië. Maatschappelijke organisaties zullen gezamenlijk worden uitgenodigd om een bijdrage te leveren.
Wat specifiek de mensenrechten betreft, zal in de regelmatige dialoog onder meer worden ingegaan op: vrijheid van meningsuiting in al haar vormen; vrijheid van vereniging, met inbegrip van de werkomgeving voor het maatschappelijk middenveld en de sociale partners, zoals vakbonden en kamers van koophandel; de rechten van de vrouw en de versterking van de positie van vrouwen in het politieke, economische en openbare leven, en de rechten van het kind. Om vooruitgang te boeken op het gebied van deze doelstellingen, de democratie en het goede bestuur in Jordanië te bevorderen en te versterken, en om fraude en corruptie beter te kunnen bestrijden, is een verantwoordelijk, transparant, efficiënt en inclusief overheidsapparaat nodig. Daarbij hoort ook een effectieve en efficiënte samenwerking met het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie.
In de dialoog zal naar behoren rekening worden gehouden met de toezeggingen die Jordanië al op multilateraal niveau heeft gedaan. Ook economische, sociale en culturele rechten, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs en werk, zullen aan bod komen. De dialoog zal zich met name toespitsen op de gebieden die in de partnerschapsprioriteiten aan bod komen.
Met het oog op een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens zal de EU zich blijven inzetten voor een verdere omzetting van de EU- en internationale normen inzake gegevensbescherming. Jordanië zou verdere praktische stappen moeten zetten om de eerbiediging van het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens in de openbare en de particuliere sector te waarborgen, onder meer op het gebied van rechtshandhaving en strafrechtspleging.
RESPONS OP DE SYRISCHE CRISIS
De EU en Jordanië zullen blijven samenwerken om duurzame en blijvende oplossingen te vinden voor de Syrische crisis, overeenkomstig resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad, zodat vluchtelingen vrijwillig, veilig en op waardige wijze kunnen terugkeren. Hun inspanningen zullen worden voortgezet om zowel vluchtelingen als kwetsbare gastgemeenschappen toegang te bieden tot bescherming, bestaansmiddelen en diensten, onder meer via de volgende maatregelen:
|
— |
verdere vereenvoudiging van de administratieve status van vluchtelingen en waarborging van doeltreffende bescherming, toegang tot basisdiensten en eerbiediging van hun fundamentele mensenrechten en wettelijke rechten; |
|
— |
verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van essentiële diensten, waaronder sociale bijstand, afvalwaterdiensten, gezondheidszorg, waaronder geestelijke gezondheidszorg en psychosociale ondersteuning, en formeel en niet-formeel onderwijs; |
|
— |
vergroting van hun bestaansmiddelen en hun zelfredzaamheid door mogelijkheden te scheppen om bij te dragen tot de economische ontwikkeling van Jordanië, onder meer door: het ondernemingsklimaat te bevorderen en de productiviteit en de arbeidsmarktomstandigheden te verbeteren; een beleid te ontwikkelen om vaardigheden te doen aansluiten op de marktbehoeften; de toegang tot onderwijs en opleiding te vergemakkelijken; de toegang tot arbeidsmogelijkheden te verbeteren en uit te breiden, onder meer door steun voor bedrijven aan huis en werkvergunningen; de economische positie en participatie van jongeren en vrouwen te versterken; |
|
— |
de uitvoer naar de EU-markt te bevorderen, onder meer door de daadwerkelijke implementatie van de oorsprongsregels voor Jordanië, teneinde investeringen en de creatie van werkgelegenheid te bevorderen, wat zowel Jordaniërs als Syrische vluchtelingen ten goede komt. |
MECHANISMEN VOOR DIALOOG EN WEDERZIJDSE SAMENWERKING
Het algemene kader voor de betrekkingen tussen de EU en Jordanië is vastgelegd in de Associatieovereenkomst die in 2002 in werking is getreden en in het "geavanceerde status"-partnerschap dat in 2010 is overeengekomen. De uitvoering van de Associatieovereenkomst is met succes gerationaliseerd door de subcomités volgens de partnerschapsprioriteiten samen te brengen in een aantal thematische dialogen, bovenop de politieke dialogen.
In verband met de herziening van de Agenda voor het Middellandse Zeegebied en de conclusies van de Raad in 2024 is ook een tussentijdse evaluatie gepland om het effect te evalueren van de partnerschapsprioriteiten die door de EU en Jordanië in onderling overleg zullen worden vastgesteld en om deze prioriteiten, waar nodig, aan te passen.
Ter ondersteuning van de verlening van EU-steun voor de respons op de Syrische vluchtelingencrisis zullen de relevante wederzijdse verbintenissen uit hoofde van deze prioriteiten ook regelmatig worden getoetst in het kader van de bilaterale samenwerking tussen de EU en Jordanië, tijdens andere relevante dialogen en bijeenkomsten, en via de follow-up van de Conferenties van Brussel.
Overeenkomstig het beginsel van meer verantwoordelijkheid van het Europees nabuurschapsbeleid zal de EU, in nauwe coördinatie met de lidstaten, deelnemen aan coördinatiemechanismen met de Jordaanse regering op centraal en lokaal niveau, en met partners, zoals het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector.
In het kader van de ambities die in de partnerschapsprioriteiten zijn uitgestippeld, verbindt de EU zich ertoe financiële steun te blijven verlenen en zich binnen de internationale gemeenschap te blijven inzetten voor Jordanië, en verbindt Jordanië zich ertoe door te gaan met de uitvoering van zijn hervormingsagenda, die van cruciaal belang zal zijn voor het gezamenlijk welslagen van het partnerschap.
(1) EUCO 22/20 van 11 december 2020.
(2) JOIN(2021) 2 final.
(3) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7931-2021-INIT/nl/pdf
(4) SWD(2021) 23 final.
(5) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10055-2014-REV-3/nl/pdf
(6) COMM(2021) 66 final van 18.2.2021.
(7) COMM(2020) 609 final van 23.9.2020.