ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 90

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
18 maart 2022


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/439 van de Commissie van 20 oktober 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen ter bepaling van de beoordelingsmethode die bevoegde autoriteiten moeten volgen wanneer zij beoordelen of kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aan de vereisten van het gebruik van de interneratingbenadering voldoen ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/440 van de Commissie van 16 maart 2022 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest ( 1 )

67

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/441 van de Commissie van 17 maart 2022 tot wijziging van de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de lijsten van derde landen waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan ( 1 )

105

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/442 van de Raad van 21 februari 2022 tot machtiging tot het openen van onderhandelingen met IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein met het oog op de sluiting van overeenkomsten tussen de Europese Unie en die landen over aanvullende regels betreffende het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

116

 

*

Besluit (EU) 2022/443 van de Raad van 3 maart 2022 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (richtlijn energieprestatie van gebouwen) ( 1 )

118

 

*

Besluit (EU) 2022/444 van de Commissie van 28 juni 2021 betreffende staatssteunmaatregel SA.49414 (2020/C) (ex 2019/NN) door Frankrijk uitgevoerd ten gunste van exploitanten van infrastructuren voor de opslag van aardgas (Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 4494)  ( 1 )

122

 

*

Besluit (EU) 2022/445 van de Commissie van 15 maart 2022 tot wijziging van de bijlage bij de Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra

163

 

*

Besluit (EU) 2022/446 van de Commissie van 15 maart 2022 tot wijziging van de bijlage bij de Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino

180

 

*

Besluit (EU) 2022/447 van de Europese Centrale Bank van 8 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2011/15/EU betreffende de opening van rekeningen voor het verwerken van betalingen in verband met de EFSF-leningen aan lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2022/10)

197

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/439 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2021

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen ter bepaling van de beoordelingsmethode die bevoegde autoriteiten moeten volgen wanneer zij beoordelen of kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aan de vereisten van het gebruik van de interneratingbenadering voldoen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 144, lid 2, derde alinea, artikel 173, lid 3, derde alinea, en artikel 180, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het vereiste in Verordening (EU) nr. 575/2013 dat bevoegde autoriteiten beoordelen of een instelling aan de vereisten voor het gebruik van de interneratingbenadering (“IRB-benadering”) voldoet, heeft betrekking op alle vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering, ongeacht hun mate van belangrijkheid, en houdt in dat er te allen tijde aan die vereisten moet worden voldaan. Bijgevolg heeft dat vereiste niet alleen betrekking op de beoordeling van de eerste aanvraag van een instelling voor het gebruik van de ratingsystemen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten, maar ook op: de beoordeling van aanvullende aanvragen van een instelling voor het gebruik van de ratingsystemen geïmplementeerd volgens het goedgekeurde plan van de instelling voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering; de beoordeling van de aanvraag om wezenlijke wijzigingen aan te brengen in de interne benaderingen voor het gebruik waarvan de instelling toestemming heeft gekregen overeenkomstig artikel 143, lid 3, van die verordening en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 van de Commissie (2); wijzigingen in de IRB-benadering waarvan kennisgeving moet worden gedaan overeenkomstig artikel 143, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014; de doorlopende toetsing van de IRB-benadering voor het gebruik waarvan de instelling toestemming heeft gekregen overeenkomstig artikel 101, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3); de beoordeling van aanvragen om terug te grijpen op minder verfijnde benaderingen overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bevoegde autoriteiten moeten dezelfde criteria toepassen voor al deze specifieke aspecten van de beoordeling van de vraag of aan de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering wordt voldaan. De regels ter bepaling van de beoordelingsmethode moeten daarom op al deze gevallen van toepassing zijn, om de samenhang van de door de bevoegde autoriteiten toegepaste beoordelingsmethoden te waarborgen en het risico op regelgevingsarbitrage te vermijden.

(2)

De beoordelingsmethode moet bestaan uit werkwijzen die de bevoegde autoriteiten — facultatief of verplicht — toepassen, en voorzien in criteria die door de bevoegde autoriteiten worden getoetst.

(3)

Om te bereiken dat de naleving van de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering in de gehele Unie op samenhangende wijze wordt beoordeeld, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten hiertoe dezelfde methoden toepassen. Er moet dan ook een reeks methoden worden vastgesteld die door alle bevoegde autoriteiten worden gebruikt. Gezien de aard van de modelbeoordeling en de diversiteit in en eigenheden van de modellen, moeten de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de te onderzoeken modellen echter ook hun discretionaire bevoegdheid uitoefenen. De beoordelingsmethode van onderhavige verordening moet een specificatie van de minimumcriteria bevatten aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten nagaan of aan de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering wordt voldaan, alsook een verplichting voor de bevoegde autoriteiten om eventuele andere voor dat doel relevante criteria te toetsen. In bepaalde gevallen waarin de bevoegde autoriteit recente beoordelingen heeft uitgevoerd voor gelijksoortige ratingsystemen in dezelfde categorie blootstellingen, ligt het bovendien in de rede om toe te staan dat de resultaten van dergelijke beoordelingen worden gebruikt; dan hoeft de bevoegde autoriteit de beoordeling niet over te doen, indien zij na uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid van mening is dat deze wezenlijk onveranderd blijven. Zo moeten complexiteit, nodeloze lasten en duplicering van werkzaamheden worden vermeden.

(4)

Wanneer de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen of een instelling voldoet aan de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering voor andere doeleinden dan die waarin de eerste aanvraag voorziet, moeten de bevoegde autoriteiten alleen de regels toepassen die van belang zijn voor de reikwijdte van de beoordeling die deze andere doeleinden betreft, en moeten zij hoe dan ook de conclusies uit de eerdere beoordelingen als startpunt gebruiken.

(5)

Wanneer de beoordeling betrekking heeft op aanvragen voor de in artikel 20, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde toestemmingen, zijn de in lid 8 van dat artikel genoemde technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het gezamenlijke besluitvormingsproces van toepassing.

(6)

Van de bevoegde autoriteiten wordt verlangd dat zij nagaan of de instellingen aan de specifieke reguleringsvereisten voor het gebruik van de IRB-benadering voldoen, onderzoek doen naar de algemene kwaliteit van de door een instelling geïmplementeerde oplossingen, systemen en benaderingen, en verzoeken om continue verbeteringen en aanpassingen om voortdurende naleving van deze vereisten te bereiken. Een dergelijke beoordeling vereist in hoge mate dat de bevoegde autoriteiten hun discretionaire bevoegdheid uitoefenen. Regels voor de beoordelingsmethode moeten, enerzijds, de bevoegde autoriteiten in staat stellen hun discretionaire bevoegdheid uit te oefenen door naast de in deze verordening omschreven onderzoeken, voor zover nodig, extra controles te verrichten, en anderzijds harmonisering en vergelijkbaarheid van toezichtpraktijken in verschillende rechtsgebieden waarborgen. Om dezelfde redenen moeten de bevoegde autoriteiten de nodige flexibiliteit hebben voor toepassing van de meest geschikte facultatieve methode of enige andere methode die noodzakelijk is voor controle van bepaalde eisen, gelet op onder andere het wezenlijke karakter van de onder elk ratingsysteem vallende soorten blootstellingen, de complexiteit van de modellen, de bijzondere kenmerken van de situatie, de specifieke door de instelling toegepaste oplossing, de kwaliteit van bewijsmateriaal waarin de instelling heeft voorzien, de hulpmiddelen waar de bevoegde autoriteiten zelf over beschikken. Om dezelfde redenen moeten de bevoegde autoriteiten voorts in staat zijn bij twijfel over de naleving van de vereisten voor de IRB-benadering de nodige aanvullende tests en controles uit te voeren conform het evenredigheidsbeginsel, rekening houdende met de aard, omvang en complexiteit van de bedrijfsactiviteiten en structuur van de instelling.

(7)

Om een samenhangende en volledige beoordeling van de algehele IRB-benadering te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten bij latere aanvragen voor toestemming op basis van het goedgekeurde plan van een instelling voor stapsgewijze invoering hun beoordeling ten minste baseren op de regels voor toepassing van de gebruikstest en ervaringstest, onderbrenging in klassen of groepen, ratingsystemen en risicokwantificering, aangezien deze aspecten van de beoordeling betrekking hebben op elk afzonderlijk ratingsysteem van de IRB-benadering.

(8)

Om de aanvraag om de IRB-benadering te mogen toepassen op toereikendheid te beoordelen, moeten alle ratingsystemen en bijbehorende processen worden geverifieerd wanneer een instelling taken, activiteiten of functies in verband met de opzet, implementatie en validatie van ratingsystemen aan een derde heeft gedelegeerd of een ratingsysteem of datapool van een derde-verkoper heeft aangekocht. Met name moet worden geverifieerd dat er bij de instelling afdoende controles zijn geïmplementeerd en dat alles volledig in documentatie is vastgelegd. Aangezien het leidinggevend orgaan van de instelling uiteindelijk verantwoordelijk is voor de gedelegeerde processen en de prestaties van de bij een derde-verkoper aangekochte ratingsystemen, moet worden nagegaan of de instelling voldoende kennis van de delegeerde processen en aangekochte ratingsystemen in huis heeft. De bevoegde autoriteiten moeten daarom alle gedelegeerde taken, activiteiten en functies alsook de bij een derde-verkoper aangekochte ratingsystemen op dezelfde wijze beoordelen als wanneer de IRB-benadering volledig via interne processen bij de instelling is ontwikkeld.

(9)

Om te voorkomen dat de instellingen de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering gedurende langere tijd slechts ten dele voltooien, moeten de bevoegde autoriteiten nagaan of de termijn voor uitvoering van het zogeheten “uitrolplan” geschikt is, of deze termijn wordt nageleefd en of het uitrolplan moet worden gewijzigd. Nagegaan moet worden of er voor alle onder het uitrolplan vallende blootstellingen is voorzien in een vastgestelde en redelijke maximumtermijn voor invoering van de IRB-benadering.

(10)

Het is belangrijk de robuustheid van de validatiefunctie te beoordelen — en aldus de onafhankelijkheid jegens de afdeling kredietrisicobeheersing —, de volledigheid, frequentie en toereikendheid van de methoden en de deugdelijkheid van het rapportageproces, om te verifiëren dat de ratingsystemen objectief worden beoordeeld en dat de prikkel om gebreken en zwakke punten in de modellen te verhullen, beperkt is. Wanneer de bevoegde autoriteiten nagaan of de validatiefunctie onafhankelijk genoeg is, moeten zij rekening houden met de omvang en complexiteit van de instelling.

(11)

Daar de ratingsystemen de kern van de IRB-benadering vormen en de kwaliteit ervan het niveau van de eigenvermogensvereisten aanmerkelijk kan beïnvloeden, moet de werking van de ratingsystemen regelmatig worden onderzocht. Aangezien ramingen van risicoparameters ten minste ieder jaar moeten worden getoetst en de bevoegde autoriteiten en interne accountantscontrolefunctie de ratingsystemen regelmatig moeten beoordelen, en aangezien input van de validatiefunctie noodzakelijk is voor de uitvoering van deze taak, is het dienstig om te verifiëren dat ten minste ieder jaar de prestaties van ratingsystemen die belangrijke portefeuilles betreffen, wordt gevalideerd en alle andere ratingsystemen achteraf worden getest (“back-testing”).

(12)

Interne accountantscontroles moeten alle gebieden van de IRB-benadering doeltreffend afdekken. Niettemin moet worden nagegaan of de middelen voor interne accountantscontrole efficiënt worden gebruikt, met speciale aandacht voor de meest risicovolle gebieden. Enige flexibiliteit is met name belangrijk bij instellingen die talrijke ratingsystemen gebruiken. Bijgevolg moeten de bevoegde autoriteiten controleren of eenmaal per jaar een toetsing plaatsvindt om sectoren te identificeren die gedurende het jaar grondiger moeten worden onderzocht.

(13)

Om een minimaal harmonisatieniveau te waarborgen met betrekking tot het toepassingsgebied van de ratingsystemen (de zogeheten “gebruikstest”), moeten de bevoegde autoriteiten verifiëren dat de ratingsystemen zijn opgenomen in de relevante processen van de instelling binnen de bredere processen van risicobeheer, kredietacceptatie en besluitvorming, de interne kapitaalallocatie en de corporate-governancefuncties. Dit zijn basisgebieden waarbij interne processen de toepassing van risicoparameters vereisen; bij verschillen tussen de in die gebieden toegepaste parameters en die welke voor de berekening van de eigenvermogensvereisten worden gebruikt, moet dus worden nagegaan of deze gerechtvaardigd zijn.

(14)

Ten aanzien van de vereisten voor de ervaringstest moeten de bevoegde autoriteiten bij het beoordelen of de ratingsystemen die de instelling vóór de aanvraag voor het gebruik van de IRB-benadering toepaste, “grotendeels spoorden” met de IRB-vereisten, en met name verifiëren dat gedurende ten minste drie jaar vóór het gebruik van de IRB-benadering het ratingsysteem is gebruikt binnen de processen van de instelling voor de meting en het beheer van interne risico’s en onderworpen is geweest aan monitoring, interne validatie en interne accountantscontrole. Een dergelijke specificering van de beoordelingsmethode is noodzakelijk om een minimaal harmonisatieniveau te waarborgen. De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat de ratingsystemen op ten minste de meest elementaire gebruiksgebieden zijn geïmplementeerd om zich ervan te verzekeren dat de instelling de ratingsystemen doeltreffend heeft gebruikt en dat zowel het personeel als de leidinggevenden met deze parameters vertrouwd zijn en weten wat de betekenis en de zwakke punten ervan zijn. Ten slotte moeten monitoring, validatie en interne accountantscontrole tijdens de ervaringsperiode uitwijzen dat de ratingsystemen voldoen aan de basisvereisten van de IRB-benadering en dat zij gedurende die periode geleidelijk zijn verbeterd.

(15)

De onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen moet voor blootstellingen niet zijnde blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen een onafhankelijk proces zijn, omdat het meestal noodzakelijk is om daarbij subjectieve inschattingen toe te passen. Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden meestal geheel automatisch ondergebracht op basis van objectieve informatie over de debiteur en zijn transacties. Is het ratingsysteem goed in de IT-systemen en -procedures van de instelling geïmplementeerd, dan is een deugdelijk proces van onderbrenging verzekerd. Indien echter bijsturing is toegestaan, moeten in het ratingproces subjectieve inschattingen worden toegepast. Bijgevolg, en aangezien de verantwoordelijken voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen gewoonlijk geneigd zijn om betere ratings toe te kennen om verkoop en volumes van kredieten te verhogen, moet er, wanneer wordt bijgestuurd, ook in het geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, worden nagegaan of de onderbrenging is goedgekeurd door een persoon die of een comité dat onafhankelijk is van de personen verantwoordelijk voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen.

(16)

Zijn de ratings ouder dan twaalf maanden of is de onderbrenging niet tijdig overeenkomstig het beleid van de instelling getoetst, dan moeten de bevoegde autoriteiten nagaan of er voorzichtige aanpassingen zijn verricht wat betreft de berekening van de risicogewogen activa. Daar kunnen tal van redenen voor zijn. Is de rating achterhaald of gebaseerd op achterhaalde informatie, dan is de risicobeoordeling mogelijk niet nauwkeurig. Met name wanneer de situatie van de debiteur in de afgelopen twaalf maanden is verslechterd, komt dit niet tot uitdrukking in de rating en wordt het risico onderschat. Daarnaast moet volgens de algemene regel met betrekking tot de raming van risicoparameters een extra voorzichtigheidsmarge worden ingebouwd wanneer de raming van de risicoparameters op ontoereikende data of aannames berust. Dezelfde regel moet worden toegepast voor het proces van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen, d.w.z. dat er extra voorzichtigheid moet worden betracht bij de berekening van risicogewichten wanneer bij het onderbrengingsproces ontoereikende informatie in aanmerking is genomen. De methode om de berekening van risicogewichten met extra voorzichtigheid te behandelen, moet niet worden gespecificeerd, aangezien de instelling de rating, de raming van de risicoparameters of het risicogewicht direct kan aanpassen. De aanpassing moet evenredig zijn met de tijdsduur waarin de rating of de informatie die aan de rating ten grondslag ligt, achterhaald is.

(17)

De instellingen zijn gehouden de intern gebruikte specifieke definities van wanbetaling en verlies te documenteren en zorg te dragen voor consistentie met de definities in Verordening (EU) nr. 575/2013. Bij de beoordeling van deze consistentie moeten de bevoegde autoriteiten verifiëren dat de instellingen beschikken over duidelijke beleidslijnen die bepalen wanneer een debiteur of faciliteit wordt ingedeeld als debiteur of faciliteit waarbij sprake is van wanbetaling. Deze beleidslijnen moeten in overeenstemming zijn met de algemene beginselen betreffende vaststelling van wanbetaling. De EBA heeft richtsnoeren vastgesteld inzake de toepassing van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze beleidslijnen moeten ook worden geïntegreerd in de risicobeheersprocessen en -systemen van de instelling, aangezien Verordening (EU) nr. 575/2013 in het bijzonder bepaalt dat interne ratings, met inbegrip van de onderbrenging in een ratingklasse voor wanbetaling, een essentiële rol spelen bij het risicobeheer en andere interne processen van een instelling, hetgeen ook voorwerp moet zijn van verificatie door de bevoegde autoriteiten.

(18)

De informatie over het betalingsgedrag van een debiteur en over blootstellingen waarbij wel en blootstellingen waarbij geen sprake is van wanbetaling, vormt de basis van de interne processen bij de instelling, de kwantificering van de risicoparameters en de berekening van de eigenvermogensvereisten. Dus niet alleen de identificatie van debiteuren in wanbetaling, maar ook het proces waarbij debiteuren in wanbetaling worden heringedeeld als debiteur die niet langer in wanbetaling is, moet robuust en doeltreffend zijn. De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat de prudente herindeling waarborgt dat debiteuren niet worden heringedeeld onder een status van niet-wanbetaling wanneer de instelling verwacht dat de blootstelling in korte tijd zal terugkeren naar wanbetaling.

(19)

Om de bevoegde autoriteiten een samenhangend en nauwkeurig overzicht te geven van de door de instelling gebruikte ratingsystemen en de verbetering van de ratingsystemen in de tijd, moeten zij het register van actuele en oudere versies van de door de instelling gebruikte ratingsystemen (“register van ratingsystemen”) op volledigheid beoordelen. Aangezien de vereisten inzake de ervaringstest betrekking hebben op de voorafgaande drie jaren vanaf het moment waarop een aanvraag voor goedkeuring van een intern model in overweging wordt genomen, en de bevoegde autoriteiten regelmatig — ten minste om de drie jaar — een algemene evaluatie van het interne model moeten uitvoeren, ligt het in de rede dat zij nagaan of in een dergelijk register van ratingsystemen in ieder geval die versies van de interne modellen zijn opgenomen die de instelling tijdens de drie voorafgaande jaren heeft gebruikt.

(20)

In de verschillende stadia van ontwikkeling en gebruik van ratingsystemen worden subjectieve inschattingen toegepast. Een redelijke toepassing van subjectieve inschattingen kan de kwaliteit van het model en de nauwkeurigheid van de voorspellingen met dit model verbeteren. Subjectieve inschattingen moeten niettemin worden onderworpen aan controle, omdat hiermee op basis van eerdere ervaring de ramingen op subjectieve wijze worden veranderd. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de toepassing van subjectieve inschattingen gerechtvaardigd is door de positieve invloed ervan op de nauwkeurigheid van de voorspellingen. Een groot aantal momenten waarop de resultaten van het model worden bijgestuurd, zou er dus op kunnen wijzen dat het ratingsysteem bepaalde belangrijke informatie ontbeert. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de instellingen regelmatig onderzoek doen naar het aantal bijsturingen en de rechtvaardiging ervan, en dat geconstateerde zwakke punten van het model afdoende worden aangepakt bij de modelevaluatie.

(21)

De bevoegde autoriteiten moeten in alle gevallen beoordelen of de instelling bij haar ramingen van de risicoparameters een toereikende voorzichtigheidsmarge heeft aangehouden. Deze voorzichtigheidsmarge moet rekening houden met geconstateerde tekortkomingen in bij risicokwantificering gehanteerde data of methoden en met toegenomen onzekerheid, bijvoorbeeld als gevolg van wijzigingen in de beleidslijnen voor kredietverlening of invordering. Wanneer een instelling niet langer aan de vereisten voor de IRB-benadering voldoet, moeten de bevoegde autoriteiten verifiëren dat zij zich houdt aan de eis dat ratingsystemen tijdig worden bijgesteld. De voorzichtigheidsmarge mag niet worden aangewend als alternatief voor de bijstelling van modellen en als middel om deze volledig aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 te laten voldoen.

(22)

Wat risicokwantificering betreft, is het wenselijk dat PD-ramingen over een langere periode relatief stabiel zijn om buitensporige cycliciteit van de eigenvermogensvereisten te vermijden. De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat de PD-ramingen zijn gebaseerd op het langetermijngemiddelde van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden. Aangezien het eigen vermogen de instellingen moet helpen te overleven in tijden van stress, moet daarnaast bij de risicoramingen rekening worden gehouden met een mogelijke verslechtering van de economische omstandigheden, zelfs in tijden van voorspoed. Bij grotere onzekerheid als gevolg van onvoldoende data moeten de bevoegde autoriteiten ten slotte verifiëren dat er een grotere voorzichtigheidsmarge is ingebouwd. Indien de duur van de beschikbare tijdreeksen niet de verwachte variabiliteit van wanbetalingsgraden omvat, moeten er geschikte methoden worden vastgesteld om rekening te houden met de ontbrekende data.

(23)

De raming van LGD’s is gebaseerd op de gemiddelde gerealiseerde LGD’s gewogen aan de hand van het aantal wanbetalingen. Indien de blootstellingswaarde een belangrijke risicodeterminant is, moet deze in aanmerking worden genomen samen met andere mogelijke risicodeterminanten voor de scheiding of risicodifferentiatie van LGD’s, zodat de parameter voor homogene groepen of faciliteitsklassen wordt berekend. De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat deze aanpak adequaat wordt gehanteerd, omdat deze zorgt voor consistentie met de berekening van de PD-parameter en een zinvolle toepassing van de formule voor de berekening van het risicogewicht. Verordening (EU) nr. 575/2013 maakt onderscheid tussen de methode voor het ramen van LGD’s voor afzonderlijke blootstellingen ten behoeve van risicogewogen posten en het gemiddelde van de op portefeuilleniveau berekende LGD-ramingen. Anders dan bij de afzonderlijke LGD-raming wordt het LGD-minimum voor door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, toegepast op algemeen portefeuilleniveau, gedefinieerd als een naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD. Om passende niveaus te waarborgen van risicoparameters voor blootstellingen die door onroerend goed zijn gedekt, moeten de bevoegde autoriteiten nagaan of de LGD-minima correct worden toegepast.

(24)

Blootstellingen in wanbetaling die na terugkeer tot de status van niet-wanbetaling in korte tijd weer onder de status van wanbetaling worden heringedeeld, moeten vanaf het eerste moment van wanbetaling worden behandeld als blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, omdat de tijdelijke terugkeer naar de status van niet-wanbetaling hoogstwaarschijnlijk heeft plaatsgevonden op basis van onvolledige informatie over de werkelijke situatie waarin de debiteur verkeert. Bijgevolg geeft de behandeling van meervoudige wanbetalingen als enkelvoudige wanbetaling beter de werkelijke wanbetalingservaring weer. De bevoegde autoriteiten moeten dus verifiëren dat bij de raming van risicoparameters meervoudige wanbetalingen in korte tijd van dezelfde debiteur als een enkelvoudige wanbetaling worden behandeld. Bovendien zou dit, wanneer meervoudige wanbetalingen van dezelfde debiteur als afzonderlijke wanbetalingen worden behandeld, tot aanzienlijke fouten kunnen leiden bij de raming van risicoparameters, omdat hogere wanbetalingsgraden tot hogere PD-ramingen zouden leiden. Anderzijds zou de LGD te laag worden geschat, omdat de eerste wanbetalingen van de debiteur zouden worden behandeld als zuiveringsgevallen waaraan geen verlies verbonden is, terwijl de instelling wel degelijk verlies heeft geleden. Door het verband tussen PD- en LGD-ramingen én om een realistische raming van het verwachte verlies te waarborgen, moet de behandeling van meervoudige wanbetalingen ten behoeve van de PD- en LGD-raming ook consistent zijn.

(25)

De omvang van de informatie waarover de instelling beschikt met betrekking tot blootstellingen in wanbetaling, verschilt aanzienlijk van die met betrekking tot renderende blootstellingen. Meer bepaald is er bij blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, sprake van twee extra risicodeterminanten: de tijd dat bij een blootstelling sprake is van wanbetaling, en de gerealiseerde invorderingen. De vóór de wanbetaling uitgevoerde LGD-raming is dus ontoereikend, omdat bij de risicoramingen rekening moet worden gehouden met alle aanzienlijke risicodeterminanten. Daarnaast is voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, al bekend wat de economische omstandigheden waren op het moment van wanbetaling. Voorts moet de LGD voor blootstellingen in wanbetaling een afspiegeling vormen van de som van het verwachte verlies in het licht van het heersende economische klimaat en het eventuele onverwachte verlies (unexpected loss — “UL”) dat zich gedurende de invorderingsperiode zou kunnen voordoen. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de LGD voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan (“LGD in geval van wanbetaling”), wordt geraamd ofwel direct, ofwel als een som van de beste raming van het verwachte verlies (“ELBE”) waarop een opslagfactor wordt toegepast die het onverwachte verlies meeweegt dat zich tijdens de invorderingsperiode zou kunnen voordoen. Ongeacht welke benadering wordt toegepast, moet bij de raming van de LGD in geval van wanbetaling rekening worden gehouden met de informatie over de tijd dat bij een blootstelling sprake is van wanbetaling en de tot de tijd van raming gerealiseerde invorderingen en met mogelijke ongunstige veranderingen in de economische omstandigheden tijdens de verwachte duur van het invorderingsproces.

(26)

Indien instellingen gebruikmaken van eigen LGD-ramingen, moeten de interne vereisten voor het beheer van zekerheden over het geheel genomen overeenkomen met de vereisten in deel 3, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bevoegde autoriteiten moeten zich richten op de vereisten inzake waardering van zekerheden en rechtszekerheid, omdat het belangrijk is dat zekerheden regelmatig en op betrouwbare wijze worden gewaardeerd en dat de waardering de reële marktwaarde onder de heersende marktomstandigheden weerspiegelt. De frequentie en het karakter van de herwaardering moeten naargelang van het soort zekerheid worden aangepast, omdat een achterhaalde of onzorgvuldige waardering zou kunnen leiden tot onderschatting van het risico in verband met kredietblootstellingen. Voorts is het van essentieel belang dat de zekerheid in alle betrokken rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar is. Is dat niet het geval, dan moet de blootstelling worden behandeld als niet-gedekt; wordt een dergelijke zekerheid binnen de risicokwantificering in aanmerking genomen, dan kan dit leiden tot onderschatting van het risico.

(27)

De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat ten behoeve van de geavanceerde IRB-benadering, d.w.z. bij gebruik van eigen LGD-ramingen, garantiegevers als toelaatbaar worden beschouwd indien zij een kredietbeoordeling krijgen aan de hand van een in het kader van de IRB-benadering goedgekeurd ratingsysteem; andere garantiegevers kunnen ook toelaatbaar zijn, mits zij zijn ingedeeld als instelling, centrale overheid of centrale bank, of als onderneming met een kredietbeoordeling van een EKBI, en de garantie voldoet aan de vereisten in deel 3, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, die ook voor de standaardbenadering van toepassing zijn.

(28)

Bij de beoordeling van het proces van de onderbrenging van blootstellingen in blootstellingscategorieën moeten specifieke vereisten worden vastgesteld voor de verificatie door de bevoegde autoriteiten ten behoeve van de onderbrenging van blootstellingen onder blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wegens de preferentiële behandeling ervan wat betreft de berekening van risicogewogen posten. Sommige blootstellingscategorieën worden gedefinieerd op basis van de transactiekenmerken, andere op basis van het soort debiteur; hierdoor kan het voorkomen dat blootstellingen aan de criteria van meerdere blootstellingscategorieën voldoen. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de instelling bij indeling de juiste volgorde aanhoudt om een consequente en eenduidige onderbrenging van blootstellingen in blootstellingscategorieën te waarborgen.

(29)

De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat bij het risico- en kapitaalbeheer rekening wordt gehouden met de resultaten van de stresstests, omdat door de resultaten van de stresstests op te nemen in de besluitvormingsprocessen wordt gewaarborgd dat de scenario’s en het effect ervan op de eigenvermogensvereisten op zinvolle wijze worden ontwikkeld en gerealiseerd, en dat bij het beheer van de instelling rekening wordt gehouden met toekomstige aspecten van de eigenvermogensvereisten.

(30)

De instellingen die gebruikmaken van eigen LGD-ramingen en eigen omrekeningsfactoren, moeten de effectieve looptijd berekenen van de blootstellingen in het kader van de IRB-benadering ten behoeve van de berekening van de eigenvermogensvereisten. Bij revolverende blootstellingen loopt de instelling ook na de terugbetalingsdatum van de actuele opneming nog risico, aangezien de kredietnemer nog opnemingen kan verrichten. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de effectieve looptijd van revolverende blootstellingen op basis van de afloopdatum van de faciliteit wordt berekend.

(31)

Het verschil tussen verwachte verliesposten, enerzijds, en kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen, anderzijds, (“IRB-tekort”) moet op geaggregeerd niveau afzonderlijk worden berekend voor de portefeuille van blootstellingen ten aanzien waarvan zich wel een wanbetaling heeft voorgedaan, en voor de portefeuille van blootstellingen waarbij geen sprake is van wanbetaling. De scheiding tussen blootstellingen waarbij wel en blootstellingen waarbij geen sprake is van wanbetaling, is noodzakelijk om te waarborgen dat de negatieve bedragen uit de berekening voor de portefeuille van blootstellingen in wanbetaling niet worden gebruikt voor verrekening met de positieve bedragen uit de berekening voor de portefeuille met niet in wanbetaling zijnde blootstellingen. Afgezien daarvan moet de totale berekening in overeenstemming zijn met het algemene concept van eigen vermogen, op grond waarvan het eigen vermogen volledig beschikbaar moet zijn om onverwachte verliezen te dekken bij insolventie van de instelling. Aangezien de bedragen van kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen die zijn opgenomen in de berekening van het IRB-tekort, al op het eigen vermogen in mindering zijn gebracht om de verwachte verliezen (expected losses — “EL”) te dekken, is het resterende deel ervan met betrekking tot de totale verwachte verliezen volledig beschikbaar om de verliezen te dekken die bij alle blootstellingen in wanbetaling zijn vastgesteld. De bevoegde autoriteiten moeten daarom verifiëren dat de aanpassingen aan het eigen vermogen op basis van het IRB-tekort correct worden berekend en toegepast.

(32)

Onbetrouwbare, onjuiste, onvolledige of achterhaalde data kunnen leiden tot fouten in de raming van risico’s en de berekening van de eigenvermogensvereisten. Wanneer dergelijke data bij het risicobeheer worden gebruikt, kunnen zij bovendien leiden tot slechte krediet- en managementbesluiten. Om de betrouwbaarheid en een hoge datakwaliteit te waarborgen, moeten de infrastructuur en procedures voor de verzameling en opslag van data goed gedocumenteerd zijn en een volledige beschrijving bevatten van de kenmerken en bronnen van de data; dit schept de voorwaarden voor een deugdelijk gebruik ervan bij interne processen en bij de berekening van de eigenvermogensvereisten. De bevoegde autoriteiten moeten daarom de kwaliteit en documentatie verifiëren van de data die worden gebruikt bij de raming van risicoparameters, de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen en bij de berekening van de eigenvermogensvereisten.

(33)

De datakwaliteit, de nauwkeurigheid van de risicoraming en de deugdelijkheid van de berekening van de eigenvermogensvereisten hangen sterk af van de betrouwbaarheid van de IT-systemen die voor de IRB-benadering worden gebruikt. Bovendien kunnen de continuïteit en consistentie van de risicobeheerprocessen en de berekening van de eigenvermogensvereisten alleen worden gewaarborgd wanneer de daarvoor gebruikte IT-systemen veilig en betrouwbaar zijn en de IT-infrastructuur robuust genoeg is. Het is dan ook noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten ook de IT-systemen op betrouwbaarheid controleren en de IT-infrastructuur op robuustheid.

(34)

De bevoegde autoriteiten moeten verifiëren dat voor zowel de ontwikkeling als de validatie van interne modellen voor blootstellingen in aandelen voor zover mogelijk niet-overlappende waarnemingen van rendementen op blootstellingen in aandelen worden gebruikt. Niet-overlappende waarnemingen zorgen voor een hogere kwaliteit van voorspellingen, aangezien aan alle waarnemingen hetzelfde gewicht wordt toegekend en de waarnemingen onderling niet nauw gecorreleerd zijn.

(35)

Voor het gebruik van de IRB-benadering is toestemming van de bevoegde autoriteiten nodig, en alle wezenlijke wijzigingen in die benadering moeten worden goedgekeurd. Bijgevolg moeten de bevoegde autoriteiten verifiëren dat het interne beheerproces, en met name het proces voor de goedkeuring van dergelijke wijzigingen, waarborgt dat uitsluitend wijzigingen worden uitgevoerd die in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 575/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 en, in die context, dat wijzigingen consistent worden ingedeeld om regelgevingsarbitrage te vermijden.

(36)

De bepalingen van deze verordening zijn nauw met elkaar verbonden, daar zij betrekking hebben op alle aspecten van de beoordelingsmethode die de bevoegde autoriteiten moeten toepassen bij de beoordeling van de vraag of een instelling zich aan de IRB-benadering houdt. Om voor de coherentie tussen die bepalingen te zorgen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en om de personen voor wie deze verplichtingen gelden, een volledig beeld van en een compacte toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste technische reguleringsnormen met betrekking tot de beoordelingsmethode van de IRB-benadering in één enkele verordening op te nemen.

(37)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.

(38)

De Europese Bankautoriteit heeft open publieke consultaties gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies ingewonnen van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep bankwezen (4),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE BEOORDELINGSMETHODE

Artikel 1

Beoordeling van de naleving van de vereisten voor het gebruik van de interneratingbenadering

1.   Om te beoordelen of een instelling aan de vereisten voor het gebruik van de interneratingbenadering (“IRB-benadering”) voldoet, passen de bevoegde autoriteiten deze verordening als volgt toe:

a)

voor de beoordeling van eerste aanvragen voor het gebruik van de IRB-benadering waarin is voorzien in artikel 144 van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten alle bepalingen van deze verordening toe;

b)

voor de beoordeling van aanvragen voor toestemming om de IRB-benadering uit te breiden overeenkomstig het goedgekeurde plan voor stapsgewijze invoering waarin is voorzien in artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten de hoofdstukken 4, 5, 7 en 8 en elk ander onderdeel van deze verordening toe dat voor die aanvraag van belang is;

c)

voor de beoordeling van aanvragen voor voorafgaande toestemming om wijzigingen uit te voeren als bedoeld in artikel 143, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten alle onderdelen van deze verordening toe die voor die wijzigingen van belang zijn;

d)

voor de beoordeling van wijzigingen in ratingsystemen en internemodellenbenaderingen voor blootstellingen in aandelen waarvan kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 143, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten alle onderdelen van deze verordening toe die voor die wijzigingen van belang zijn;

e)

voor doorlopende toetsing van het gebruik van de IRB-benadering krachtens artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU passen de bevoegde autoriteiten alle onderdelen van deze verordening toe die voor die toetsing belang zijn;

f)

voor de beoordeling van aanvragen voor toestemming om terug te grijpen op minder verfijnde benaderingen overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten de artikelen 6 tot en met 8 van deze verordening toe.

2.   Behalve de criteria die zijn vastgelegd in de in lid 1 genoemde bepalingen van deze verordening, verifiëren de bevoegde autoriteiten andere relevante criteria die noodzakelijk zijn om te beoordelen of aan de vereisten van de IRB-benadering wordt voldaan.

Artikel 2

Door de bevoegde autoriteiten toe te passen methoden

1.   Voor de beoordeling van eerste aanvragen voor het gebruik van de IRB-benadering passen de bevoegde autoriteiten alle verplichte methoden toe die in deze verordening zijn vastgelegd. Zij mogen ook andere in deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

2.   Voor de beoordeling van aanvragen voor uitbreiding van de IRB-benadering overeenkomstig een plan voor stapsgewijze invoering passen de bevoegde autoriteiten alle verplichte methoden toe die in hoofdstukken 4, 5, 7 en 8 zijn vastgelegd. Zij mogen ook andere in deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

3.   Voor de beoordeling van aanvragen voor voorafgaande toestemming om wijzigingen aan te brengen in de IRB-benadering, onderzoeken de bevoegde autoriteiten de door de instellingen met betrekking tot de wijziging in te dienen documenten overeenkomstig artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014. Zij mogen ook alle in deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

4.   Voor de beoordeling van wijzigingen in ratingsystemen en internemodellenbenaderingen voor blootstellingen in aandelen waarvan kennisgeving is gedaan, onderzoeken de bevoegde autoriteiten de door de instellingen in te dienen documenten met betrekking tot de wijziging overeenkomstig artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 en mogen zij alle in deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

5.   Voor doorlopende toetsing van het gebruik van de IRB-benadering mogen de bevoegde autoriteiten alle in deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

6.   Voor de beoordeling van aanvragen om terug te grijpen op minder verfijnde benaderingen, mogen de bevoegde autoriteiten alle in hoofdstuk 2 van deze verordening vastgelegde methoden toepassen overeenkomstig lid 7 en eventuele andere methoden overeenkomstig lid 8.

7.   Voor zover deze verordening voorziet in facultatieve toepassing van methoden, mogen de bevoegde autoriteiten alle methoden toepassen die geschikt zijn en evenredig aan de aard, omvang en complexiteitsgraad van de bedrijfsactiviteiten en organisatiestructuur van de instelling, rekening houdende met:

a)

de materialiteit van de soorten blootstellingen die onder de ratingsystemen vallen;

b)

de complexiteit van de ratingmodellen en risicoparameters en de toepassing ervan.

8.   Behalve de in deze verordening beschreven methoden mogen de bevoegde autoriteiten ook andere methoden toepassen die geschikt zijn en evenredig aan de aard, omvang en complexiteitsgraad van de bedrijfsactiviteiten en organisatiestructuur van de instelling, voor zover dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de vraag of aan de vereisten voor het gebruik van de IRB-benadering wordt voldaan.

9.   Bij toepassing van de in deze verordening beschreven methoden mogen de bevoegde autoriteiten rekening houden met de resultaten van recent door henzelf of door andere bevoegde autoriteiten gemaakte beoordelingen, die aan de volgende voorwaarden moeten voldoen:

a)

de beoordeling was geheel of gedeeltelijk gebaseerd op verplichte methoden;

b)

in het beoordeling ging het over hetzelfde of een soortgelijk ratingsysteem in dezelfde categorie blootstellingen.

Artikel 3

Kwaliteit van de documentatie

1.   Om te verifiëren dat de instelling voldoet aan het documentatievereiste van artikel 144, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de documentatie van de ratingsystemen zoals omschreven in artikel 142, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (“ratingsystemen”):

a)

gedetailleerd en nauwkeurig genoeg is voor efficiënt gebruik;

b)

op het passende leidinggevend niveau van de instelling is goedgekeurd;

c)

voor elk document ten minste een vermelding bevat van het soort document, de auteur, de persoon die het document heeft herzien, de persoon die toestemming geeft, de eigenaar, de datum van ontwikkeling en van goedkeuring, het versienummer en het overzicht van de wijzigingen aan het document;

d)

derden in staat stelt de werking van de ratingsystemen te onderzoeken en bevestigen en in het bijzonder te onderzoeken en bevestigen dat:

i)

de documentatie van de opzet van het ratingsysteem gedetailleerd genoeg is voor derden om inzicht te verkrijgen in de redenering die aan alle aspecten van het ratingsysteem ten grondslag ligt, met inbegrip van de aannames, wiskundige formules en, bij subjectieve inschattingen, de besluiten, alsook de procedures voor de ontwikkeling van het ratingsysteem;

ii)

de documentatie van het ratingsysteem gedetailleerd en nauwkeurig genoeg is voor derden om ten aanzien van elk ratingmodel en elke risicoparameter inzicht te verkrijgen in de werking, beperkingen en belangrijkste aannames, en om de ontwikkeling van het model te kunnen reproduceren;

iii)

de documentatie van het ratingproces gedetailleerd en nauwkeurig genoeg is voor derden om na te gaan hoe de methode voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen werkt, en om de onderbrenging te kunnen reproduceren.

2.   Voor de toepassing van lid 1 verifieert de bevoegde autoriteit dat de instelling beschikt over beleidslijnen die specifieke documentatienormen omvatten die waarborgen dat:

a)

de interne documentatie gedetailleerd en nauwkeurig genoeg is;

b)

specifieke personen of eenheden zijn belast met de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de documentatie volledig, samenhangend, nauwkeurig, actueel en als geschikt en veilig goedgekeurd is;

c)

de instelling haar beleidslijnen, procedures en methoden voor toepassing van de IRB-benadering afdoende documenteert.

Artikel 4

Betrokkenheid van derden

1.   Om te beoordelen of wordt voldaan aan het vereiste van artikel 144, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 dat ratingsystemen solide zijn en op integere wijze worden toegepast, ingeval een instelling taken, activiteiten of functies in verband met de opzet, implementatie en validatie van haar ratingsystemen aan een derde heeft gedelegeerd of een ratingsysteem of datapool van een derde-verkoper heeft aangekocht, verifieert de bevoegde autoriteit dat de delegering of aankoop de toepassing van deze verordening niet belemmert en dat:

a)

de directie van de instelling in de zin van artikel 3, lid 1, punt 9, van Richtlijn 2013/36/EU (“directie”) alsmede het leidinggevend orgaan van de instelling of het door dit leidinggevend orgaan aangewezen comité actief betrokken zijn bij het toezicht en de besluitvorming wat betreft de aan de derde gedelegeerde taken, activiteiten en functies of de van derde-verkopers aangekochte ratingsystemen;

b)

het personeel van de instelling beschikt over voldoende kennis van en inzicht in de aan derden gedelegeerde taken, activiteiten of functies en de opzet van de van derde-verkopers aangekochte data- en ratingsystemen;

c)

de continuïteit van uitbestede functies of processen verzekerd is, mede aan de hand van een passende calamiteitenplanning;

d)

een interne accountantscontrole of andere controle van aan derden gedelegeerde taken, activiteiten en functies niet door de betrokkenheid van de derde wordt beperkt of gehinderd;

e)

de bevoegde autoriteit volledig toegang krijgt tot alle relevante informatie.

2.   Indien een derde betrokken is bij de taken voor het ontwikkelen van een ratingsysteem en risicoraming van een instelling, verifieert de bevoegde autoriteit dat:

a)

aan lid 1, punten a) tot en met e), wordt voldaan;

b)

de validatiewerkzaamheden met betrekking tot dergelijke ratingsystemen en risicoramingen niet door deze derde worden uitgevoerd;

c)

de derde aan de instelling de voor de uit te voeren validatiewerkzaamheden benodigde informatie verstrekt.

3.   Indien de instelling voor de ontwikkeling van een ratingsysteem en raming van risicoparameters gebruikmaakt van een datapool van verschillende instellingen en een derde het ratingsysteem ontwikkelt, mag de derde de instelling helpen bij haar validatiewerkzaamheden door de validatietaken uit te voeren die toegang vereisten tot de datapool.

4.   Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de overeenkomsten met de derde en andere relevante documenten toetsen waarin de taken van de derde uiteengezet zijn;

b)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met het personeel van de instelling of de derde waaraan de taak, activiteit of functie wordt gedelegeerd;

c)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de directie of het leidinggevend orgaan van de instelling of derde waaraan de taak, activiteit of functie wordt gedelegeerd, of het comité van de instelling dat door het leidinggevend orgaan is aangewezen;

d)

andere relevante documenten van de instelling of derde toetsen, voor zover nodig.

Artikel 5

Tijdelijk niet voldoen aan de vereisten van de IRB-benadering

Voor de toepassing van artikel 146, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013:

a)

toetst de bevoegde autoriteit of het plan van de instelling voor een spoedige terugkeer naar naleving toereikend is om de niet-naleving te verhelpen en of het tijdschema redelijk is gelet op alle volgende punten:

i)

de materialiteit van de niet-naleving;

ii)

de omvang van de maatregelen die vereist zijn voor terugkeer naar naleving;

iii)

de middelen waarover de instelling beschikt;

b)

monitort de bevoegde autoriteit regelmatig de vorderingen bij de uitvoering van het plan van de instelling voor een spoedige terugkeer naar naleving;

c)

verifieert de bevoegde autoriteit aan de hand van de in deze verordening neergelegde beoordelingsmethoden dat de instelling na uitvoering van het plan voldoet aan de betrokken vereisten.

HOOFDSTUK 2

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE PLANNEN VOOR STAPSGEWIJZE INVOERING EN VOOR PERMANENT GEDEELTELIJK GEBRUIK VAN DE STANDAARDBENADERING

Artikel 6

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling voldoet aan de in artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde voorwaarden voor implementatie van de IRB-benadering en aan de in artikel 150 van die verordening genoemde voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de oorspronkelijke dekking en het plan van de instelling voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering toereikend zijn, in overeenstemming met artikel 7;

b)

de blootstellingscategorieën, soorten blootstellingen of bedrijfseenheden waarbij de standaardbenadering wordt gebruikt, in aanmerking komen voor permanente vrijstelling van de IRB-benadering.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

het plan van de instelling voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering toetsen;

b)

de toepasselijke beleidslijnen en procedures van de instelling toetsen, met inbegrip van de methoden voor berekening van het aandeel van de blootstellingen dat onder de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering moet vallen, en de permanente vrijstelling van de IRB-benadering;

c)

de rollen en verantwoordelijkheden toetsen van de eenheden en leidinggevende organen die betrokken zijn bij de toewijzing van afzonderlijke blootstellingen aan de IRB-benadering of standaardbenadering;

d)

de toepasselijke notulen toetsen van vergaderingen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of comités van de instelling;

e)

de relevante bevindingen toetsen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling;

f)

de toepasselijke voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens accountantscontroles vastgestelde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten:

a)

de functionele documentatie toetsen van de IT-systemen die worden gebruikt bij het proces voor toewijzing van afzonderlijke blootstellingen aan de IRB-benadering of standaardbenadering;

b)

steekproeven uitvoeren en documenten onderzoeken met betrekking tot de kenmerken van de debiteuren en het initiëren en aanhouden van de in de steekproef opgenomen blootstellingen;

c)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 7

Stapsgewijze invoering van de IRB-benadering

1.   Bij de beoordeling van de oorspronkelijke dekking en het plan van de instelling voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

het plan voor stapsgewijze invoering ten minste bevat:

i)

een specificatie van het toepassingsgebied van elk ratingsysteem en van de soorten blootstellingen waaraan met behulp van elk ratingmodel een rating wordt toegekend;

ii)

de geplande datums waarop de IRB-benadering van toepassing is met betrekking tot elke soort blootstelling;

iii)

informatie over de totale blootstellingswaarden op het moment van de beoordeling en de volgens de benadering berekende risicogewogen posten op het moment van de beoordeling voor elke soort blootstelling;

b)

het plan voor stapsgewijze invoering alle blootstellingen van de instelling en, voor zover van toepassing, haar moederonderneming omvat, alsmede alle blootstellingen van de dochterondernemingen van de instelling, tenzij de blootstellingen overeenkomstig artikel 8 worden beoordeeld;

c)

de invoering zal geschieden overeenkomstig artikel 148, lid 1, tweede en derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

de instelling, voor zover zij de IRB-benadering op elke blootstellingscategorie mag toepassen, de IRB-benadering voor blootstellingen in aandelen gebruikt, behalve in de in artikel 148, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gevallen;

e)

de volgorde en tijdsperioden bij de invoering van de IRB-benadering worden gepreciseerd op basis van de reële mogelijkheden van de instelling, rekening houdende met de beschikbaarheid van data, ratingsystemen en ervaringsperioden als bedoeld in artikel 145 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en niet selectief worden gebruikt om lagere eigenvermogensvereisten te verkrijgen;

f)

de volgorde bij invoering van de IRB-benadering waarborgt dat prioriteit wordt gegeven aan de invoering met betrekking tot kredietblootstellingen die verband houden met de kernactiviteiten van de instelling;

g)

ten aanzien van elke soort blootstelling en bedrijfseenheid een exacte termijn voor de invoering van de IRB-benadering wordt vastgesteld, en dat die termijn redelijk is op basis van de aard en schaal van de activiteiten van de instelling.

2.   De bevoegde autoriteiten bepalen of de in lid 1, punt g), genoemde termijn redelijk is op basis van:

a)

de complexiteit van de activiteiten van de instelling, waaronder die van haar moederonderneming en dochterondernemingen;

b)

het aantal bedrijfseenheden en bedrijfsonderdelen binnen de instelling en, voor zover van toepassing, haar moederonderneming en de dochterondernemingen van de instelling;

c)

het aantal en de complexiteit van de door alle entiteiten te implementeren ratingsystemen waarop het plan voor stapsgewijze invoering betrekking heeft;

d)

de plannen voor de implementatie van ratingsystemen in dochterondernemingen die gevestigd zijn in derde landen waar de goedkeuring van IRB-modellen op aanzienlijke juridische of andere moeilijkheden stuit;

e)

de beschikbaarheid van nauwkeurige, passende en volledige tijdreeksen;

f)

de operationele capaciteit van de instelling om de ratingsystemen te ontwikkelen en te implementeren;

g)

eerder opgedane ervaring bij de instelling in het beheren van specifieke soorten blootstellingen.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling zich houdt aan het plan voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering, waarvoor overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013 door de bevoegde autoriteiten toestemming is gegeven, mogen zij met toepasselijke wijzigingen in de volgorde en tijdsperiode alleen rekening houden wanneer is voldaan aan een of meer van de volgende voorwaarden:

a)

er zijn significante veranderingen in het bedrijfsklimaat en bepaalde veranderingen in strategie, fusies en overnames;

b)

er zijn significante veranderingen in de toepasselijke reguleringsvereisten;

c)

de bevoegde autoriteit, de interne accountantscontrolefunctie of de validatiefunctie heeft wezenlijke tekortkomingen in de ratingsystemen geconstateerd;

d)

de in lid 2 genoemde aspecten zijn aanzienlijk veranderd, of er is in het goedgekeurde plan voor stapsgewijze invoering van de IRB-benadering onvoldoende rekening gehouden met een of meer van de in lid 2 genoemde aspecten.

Artikel 8

Voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik

1.   Bij de beoordeling van de vraag of de instelling voldoet aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering met betrekking tot de in artikel 150, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingen, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de instelling de beschikbaarheid van externe data voor representatieve tegenpartijen beoordeelt en in acht neemt;

b)

de kosten die de instelling maakt voor de ontwikkeling van een ratingsysteem voor de tegenpartijen in de desbetreffende blootstellingscategorie, worden beoordeeld rekening houdende met de omvang van de instelling en de aard en schaal van haar activiteiten;

c)

de operationele capaciteit van de instelling voor de ontwikkeling en implementatie van een ratingsysteem wordt beoordeeld rekening houdende met de aard en schaal van de activiteiten van de instelling.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling voldoet aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering met betrekking tot de in artikel 150, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen, gaan zij na of de instelling ten minste één van de volgende aspecten geverifieerd en in acht genomen heeft:

a)

de blootstellingen, met inbegrip van het aantal afzonderlijk beheerde portefeuilles en bedrijfsonderdelen, zijn niet homogeen genoeg om de ontwikkeling van een robuust en betrouwbaar ratingsysteem mogelijk te maken;

b)

de volgens de standaardbenadering berekende risicogewogen post is aanzienlijk hoger dan de verwachte risicogewogen post die volgens de IRB-benadering is berekend;

c)

de blootstelling heeft betrekking op een bedrijfseenheid of bedrijfsonderdeel van de instelling waarvan de stopzetting gepland staat;

d)

de blootstellingen omvatten portefeuilles die onderworpen zijn aan proportionele consolidatie van dochterondernemingen in gedeeltelijk eigendom overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling voldoet aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering, verifiëren zij dat de instelling regelmatig de naleving van de vereisten van artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 monitort.

HOOFDSTUK 3

METHODE VOOR DE BEOORDELING DOOR DE VALIDATIEFUNCTIE VAN INTERNE RAMINGEN EN VAN INTERNE GOVERNANCE EN INTERN TOEZICHT

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 9

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling voldoet aan de vereisten voor interne governance, met inbegrip van de vereisten wat betreft de directie en het leidinggevend orgaan, interne rapportage, kredietrisicobeheersing en interne accountantscontrole, intern toezicht en interne validatie, verifiëren de bevoegde autoriteiten alle volgende punten:

a)

de robuustheid van de regelingen, mechanismen en processen voor de validatie van ratingsystemen van een instelling, en de geschiktheid van het personeel dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de validatie (“validatiefunctie”) als bedoeld in artikel 144, lid 1, punten c) en f), artikel 174, punt d), artikel 185, en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot:

i)

de onafhankelijkheid van de validatiefunctie, overeenkomstig artikel 10;

ii)

de volledigheid en de frequentie van de toepassing van het validatieproces, overeenkomstig artikel 11;

iii)

de toereikendheid van de methoden en procedures van de validatiefunctie, overeenkomstig artikel 12;

iv)

de deugdelijkheid van het rapportageproces en het proces voor het omgaan met de conclusies, bevindingen en aanbevelingen uit de validatie, overeenkomstig artikel 13;

b)

de interne governance en het interne toezicht van de instelling, met inbegrip van de afdeling kredietrisicobeheersing en de interne accountantscontrole van de instelling als bedoeld in de artikelen 189, 190 en 191, van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot:

i)

de rol van de directie en het leidinggevend orgaan, overeenkomstig artikel 14;

ii)

de managementverslaggeving, overeenkomstig artikel 15;

iii)

de afdeling kredietrisicobeheersing, overeenkomstig artikel 16;

iv)

de interne accountantscontrole, overeenkomstig artikel 17.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen en procedures van de instelling toetsen;

b)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of comités van de instelling;

c)

toepasselijke verslagen over ratingsystemen en de conclusies en besluiten op basis van deze verslagen toetsen;

d)

de toepasselijke verslagen toetsen over de activiteiten van de functies voor kredietrisicobeheersing, interne accountantscontrole, intern toezicht en interne validatie, opgesteld door het personeel dat voor elk van die functies verantwoordelijk is of door een andere controlefunctie van de instelling, en de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van die functies;

e)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de beoordeling van de validatiefunctie passen de bevoegde autoriteiten, afgezien van de in lid 2 genoemde methoden, alle volgende methoden toe:

a)

de rollen en verantwoordelijkheden toetsen van alle personeelsleden die bij de validatiefunctie betrokken zijn;

b)

de toereikendheid en geschiktheid van het werkplan voor jaarlijkse validatie toetsen;

c)

de validatiehandboeken toetsen die de validatiefunctie gebruikt;

d)

het proces toetsen voor het rangschikken van de bevindingen en de toepasselijke aanbevelingen naar hun belang;

e)

de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie toetsen op samenhang;

f)

de rol van de validatiefunctie in de interne goedkeuringsprocedure van ratingsystemen en alle daarmee verband houdende wijzigingen toetsen;

g)

het actieplan voor elke toepasselijke aanbeveling toetsen, ook wat betreft de follow-up ervan, zoals goedgekeurd op het passende leidinggevend niveau.

4.   Voor de beoordeling van de afdeling kredietrisicobeheersing als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt c), en artikel 190 van Verordening (EU) nr. 575/2013 passen de bevoegde autoriteiten, afgezien van de in lid 2 bedoelde vereisten, alle volgende methoden toe:

a)

de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokken medewerkers en de directieleden van de afdeling risicokredietbeheersing toetsen;

b)

de toepasselijke rapporten toetsen die de afdeling kredietrisicobeheersing en de directie hebben ingediend bij het leidinggevend orgaan of het aangewezen comité daarvan.

5.   Voor de beoordeling van de afdeling interne accountantscontrole of een andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling als bedoeld in artikel 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen de bevoegde autoriteiten, afgezien van de in lid 2 bedoelde vereisten, alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke rollen en verantwoordelijkheden toetsen van alle personeelsleden die bij de interne accountantscontrole betrokken zijn;

b)

de toereikendheid en geschiktheid van het werkplan voor jaarlijkse interne accountantscontrole toetsen;

c)

de toepasselijke handboeken en werkprogramma’s voor accountantscontrole en de in de toepasselijke accountantsrapporten opgenomen bevindingen en aanbevelingen toetsen;

d)

het actieplan van elke toepasselijke aanbeveling toetsen, ook wat betreft de follow-up ervan, zoals goedgekeurd op het passende leidinggevend niveau.

6.   Afgezien van de in lid 2 genoemde methoden kunnen de bevoegde autoriteiten andere relevante documenten van de instelling toetsen voor de verificatie in het kader van lid 1.

AFDELING 2

Methode voor de beoordeling van de validatiefunctie

Artikel 10

Onafhankelijkheid van de validatiefunctie

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de validatiefunctie voor de toepassing van artikel 144, lid 1, punt f), artikel 174, punt d), artikel 185, en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen op onafhankelijkheid, verifiëren zij dat de voor de validatiefunctie verantwoordelijke afdeling of, indien er geen afzonderlijke afdeling is die uitsluitend met de validatiefunctie is belast, het personeel dat de validatiefunctie uitoefent, aan alle volgende eisen voldoet:

a)

de validatiefunctie is onafhankelijk van het personeel en de managementfunctie die verantwoordelijk is voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen en voor de opzet of ontwikkeling van modellen;

b)

de validatiefunctie wordt uitgeoefend door ander personeel dan het personeel dat verantwoordelijk is voor de opzet en ontwikkeling van het ratingsysteem, en het personeel dat verantwoordelijk is voor de functie kredietrisicobeheersing;

c)

zij legt rechtstreeks verantwoording af aan de directie.

2.   Indien de voor de validatiefunctie verantwoordelijke eenheid organisatorisch afgescheiden is van de afdeling kredietrisicobeheersing en elke eenheid aan verschillende directieleden verantwoording aflegt, verifiëren de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van lid 1 deze beide punten:

a)

de validatiefunctie beschikt over toereikende middelen, waaronder voor de uitoefening van haar taken ervaren en gekwalificeerd personeel;

b)

de beloning van de voor de validatiefunctie verantwoordelijke medewerkers en directieleden niet is gekoppeld aan de uitoefening van de taken in verband met kredietrisicobeheersing of het initiëren of vernieuwen van blootstellingen.

3.   Indien de voor de validatiefunctie verantwoordelijke eenheid organisatorisch afgescheiden is van de afdeling kredietrisicobeheersing en beide eenheden aan hetzelfde directielid verantwoording afleggen, verifiëren de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van lid 1 alle volgende punten:

a)

de validatiefunctie beschikt over toereikende middelen, waaronder voor de uitoefening van haar taken ervaren en gekwalificeerd personeel;

b)

de beloning van de voor de validatiefunctie verantwoordelijke medewerkers en directieleden is niet gekoppeld aan de uitoefening van de taken in verband met kredietrisicobeheersing of het initiëren of vernieuwen van blootstellingen;

c)

er is een besluitvormingsproces waarin de directie van de instelling naar behoren rekening houdt met de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie;

d)

er wordt geen ongepaste invloed uitgeoefend op de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie;

e)

alle noodzakelijke corrigerende maatregelen naar aanleiding van de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie worden op tijd getroffen en uitgevoerd;

f)

bij de interne accountantscontrole wordt regelmatig beoordeeld of aan de in punten a) tot en met e) genoemde voorwaarden wordt voldaan.

4.   Indien er geen afzonderlijke voor de validatiefunctie verantwoordelijke afdeling is, verifiëren de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van lid 1 alle volgende punten:

a)

de validatiefunctie beschikt over toereikende middelen, waaronder voor de uitoefening van haar taken ervaren en gekwalificeerd personeel;

b)

de beloning van de voor de validatiefunctie verantwoordelijke medewerkers en directieleden is niet gekoppeld aan de uitoefening van de taken met betrekking tot kredietrisicobeheersing of het initiëren of vernieuwen van blootstellingen;

c)

er is een besluitvormingsproces waarin de directie van de instelling naar behoren rekening houdt met de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie;

d)

er wordt geen ongepaste invloed uitgeoefend op de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie;

e)

alle noodzakelijke corrigerende maatregelen naar aanleiding van de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatiefunctie worden op tijd getroffen en uitgevoerd;

f)

bij de interne accountantscontrole wordt regelmatig beoordeeld of aan de in punten a) tot en met e) genoemde voorwaarden wordt voldaan;

g)

er is een daadwerkelijke scheiding tussen het personeel dat de validatiefunctie uitoefent en het personeel dat de andere taken verricht;

h)

de instelling is geen mondiaal systeemrelevante of andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU.

5.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de validatiefunctie beoordelen op onafhankelijkheid, beoordelen zij ook of de keuze van de instelling met betrekking tot de organisatie van de validatiefunctie als bedoeld in de leden 2, 3 en 4 toereikend is, rekening houdende met de aard, omvang en schaal van de instelling en de complexiteit van de risico’s die eigen zijn aan het bedrijfsmodel.

Artikel 11

Volledigheid en frequentie van het validatieproces

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de in artikel 144, lid 1, punt f), artikel 174, punt d), artikel 185 en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten de validatiefunctie beoordelen op volledigheid, verifiëren zij dat:

a)

de instelling een volledig validatieproces voor alle ratingsystemen heeft vastgesteld en gedocumenteerd;

b)

de instelling het in punt a) bedoelde validatieproces voldoende vaak uitvoert.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de validatiefunctie beoordelen op volledigheid als bedoeld in lid 1, punt a), verifiëren zij dat de validatiefunctie:

a)

alle aspecten van de bepaling van interne ratings en risicoparameters, waaronder de procedures voor het verzamelen en opschonen van data, de keuzes ten aanzien van methode en modelstructuur en het proces voor de selectie van variabelen, aan een kritische toetsing onderwerpt;

b)

nagaat of interne ratings en risicoparameters adequaat in IT-systemen worden geïmplementeerd en of de definities van klasse en groep in alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden toegepast;

c)

de werking van de ratingsystemen verifieert, rekening houdende met ten minste risicodifferentiëring en -kwantificering en de stabiliteit van de interne ratings en risicoparameters en de modelspecificaties;

d)

alle wijzigingen verifieert met betrekking tot interne ratings en risicoparameters en het wezenlijke karakter ervan overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 en zij consistent follow-up geeft aan haar eigen conclusies, bevindingen en aanbevelingen.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of het in lid 1, punt b), bedoelde validatieproces voldoende vaak wordt uitgevoerd, verifiëren zij dat het validatieproces regelmatig en volgens een jaarlijks werkplan wordt uitgevoerd voor alle ratingsystemen van de instelling, en dat:

a)

voor alle ratingsystemen de krachtens artikel 185, punt b), en artikel 188, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste processen (“back-testing”) ten minste eenmaal per jaar worden uitgevoerd;

b)

voor de ratingsystemen waar belangrijke soorten blootstellingen onder vallen, de werking van de in lid 2, punt c), genoemde ratingsystemen ten minste eenmaal per jaar wordt gecontroleerd.

4.   Indien een instelling een aanvraag indient voor het gebruik van interne ratings en risicoparameters van een ratingsysteem of voor wezenlijke wijzigingen in interne ratings en risicoparameters van een ratingsysteem, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de instelling de in lid 2, punten a), b) en c), bedoelde validatie uitvoert voordat het ratingsysteem wordt gebruikt voor berekening van de eigenvermogensvereisten en voor intern risicobeheer.

Artikel 12

De toereikendheid van de methoden en procedures van de validatiefunctie

Wanneer de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de in artikel 144, lid 1, punt f), artikel 174, punt d), artikel 185 en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten de validatiemethoden en -procedures beoordelen op toereikendheid, verifiëren zij dat deze methoden en procedures een samenhangende en zinvolle beoordeling mogelijk maken van de werking van de systemen voor interne rating en risicoraming, en verifiëren zij dat:

a)

de validatiemethoden en -procedures geschikt zijn om het ratingsysteem te beoordelen op nauwkeurigheid en samenhang;

b)

de validatiemethoden en -procedures evenredig zijn aan de aard, de complexiteitsgraad en het toepassingsgebied van de ratingsystemen van en beschikbaarheid van data bij de instelling;

c)

de validatiemethoden en -procedures duidelijk aangeven wat de doelstellingen, normen en beperkingen van de validatie zijn; een beschrijving bevatten van alle validatietests, datasets en processen voor het opschonen van data; de databronnen en referentietijdsperioden benoemen; en voorzien in vaste doelen en toleranties voor vastgestelde maatstaven ten behoeve van, respectievelijk, de initiële en regelmatige validatie;

d)

de gebruikte validatiemethoden, en met name de uitgevoerde tests, de voor de validatie gebruikte referentiedataset en de respectieve opschoning van de data consequent in de tijd worden toegepast;

e)

de validatiemethoden voorzien in back-testing en benchmarking zoals beschreven in artikel 185, punt c), en artikel 188, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f)

in de validatiemethoden rekening wordt gehouden met de wijze waarop conjunctuurcycli en de daarmee verband houdende systematische variabiliteit van de wanbetalingservaring in aanmerking worden genomen bij de interne ratings en risicoparameters, met name ten aanzien van de PD-raming.

Artikel 13

De deugdelijkheid van het rapportageproces en het proces voor het omgaan met de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatie

Wanneer de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de in artikel 144, lid 1, punt f), artikel 174, punt d), artikel 185 en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten het rapportageproces en het proces voor de aanpak van de conclusies, bevindingen en aanbevelingen van de validatie beoordelen op deugdelijkheid, verifiëren zij dat:

a)

in de validatieverslagen de gebruikte validatiemethoden, de uitgevoerde tests, de gebruikte referentiedataset en de respectieve processen voor opschoning van de data zijn vastgesteld en beschreven, en of zij de resultaten bevatten van die tests, de conclusies van de validatie, de bevindingen en de respectieve aanbevelingen;

b)

de conclusies, bevindingen en aanbevelingen in de validatieverslagen rechtstreeks worden meegedeeld aan de directie en aan het leidinggevend orgaan van de instelling of het door dit orgaan aangewezen comité;

c)

de conclusies, bevindingen en aanbevelingen in de validatieverslagen hun uitdrukking vinden in wijzigingen en verbeteringen in de opzet van interne ratings en risicoramingen, mede in de situaties beschreven in de eerste zin van artikel 185, punt e), en van artikel 188, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

het besluitvormingsproces van de instelling op het passende leidinggevend niveau plaatsvindt.

AFDELING 3

Methode voor de beoordeling van interne governance en intern toezicht

Artikel 14

De rol van de directie en het leidinggevend orgaan

Wanneer de bevoegde autoriteiten de corporate governance van de instelling als bedoeld in artikel 189 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

het besluitvormingsproces van de instelling, de hiërarchie bij de instelling, de rapportagelijnen en de verantwoordelijkheidsniveaus duidelijk worden beschreven in de interne documentatie van de instelling en consequent tot uitdrukking komen in de notulen van haar interne organen;

b)

zowel het leidinggevend orgaan of het door dit orgaan aangewezen comité als de directie ten minste de volgende wezenlijke aspecten van de ratingsystemen goedkeurt:

i)

alle toepasselijke beleidslijnen in verband met de opzet en implementatie van ratingsystemen en de toepassing van de IRB-benadering, met inbegrip van de beleidslijnen inzake alle wezenlijke aspecten van het toekennen van ratings, de raming van risicoparameters en de validatieprocessen;

ii)

alle toepasselijke beleidslijnen inzake risicobeheer, waaronder die met betrekking tot IT-infrastructuur en calamiteitenplanning;

iii)

de risicoparameters van alle ratingsystemen die worden gebruikt in risicobeheerprocessen en de berekening van de eigenvermogensvereisten;

c)

het leidinggevend orgaan of het door dit orgaan aanwezen comité bij formeel besluit een passende organisatiestructuur vaststelt voor de solide implementatie van de ratingsystemen;

d)

het leidinggevend orgaan of het door dit orgaan aanwezen comité, met inachtneming van de regeling voor interne ratingsystemen van de instelling, bij formeel besluit goedkeuring hecht aan de specificatie van het aanvaardbare risiconiveau;

e)

de directie een goed inzicht heeft in alle ratingsystemen van de instelling, in de opzet en werking ervan, in de vereisten voor de IRB-benadering en in de aanpak van de instelling om aan deze vereisten te voldoen;

f)

de directie het leidinggevend orgaan of het door dit orgaan aangewezen comité in kennis stelt van wezenlijke wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke gedragslijnen die een wezenlijke invloed hebben op de werking van de ratingsystemen van de instelling;

g)

de directie in een positie verkeert om de goede werking van de ratingsystemen consequent te waarborgen;

h)

de directie relevante maatregelen neemt indien in het kader van de kredietrisicobeheersing, validatie, interne accountantscontrole of een andere controlefunctie tekortkomingen in de ratingsystemen worden geconstateerd.

Artikel 15

Managementverslaggeving

Wanneer de bevoegde autoriteiten de managementverslaggeving als bedoeld in artikel 189 van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen op toereikendheid, verifiëren zij dat:

a)

bij die managementverslaggeving melding wordt gemaakt van alle volgende elementen:

i)

het risicoprofiel per klasse van debiteuren of blootstellingen;

ii)

de migratie van de ene klasse naar de andere;

iii)

een raming van de relevante risicoparameters per klasse;

iv)

een vergelijking tussen gerealiseerde wanbetalingsgraden en, voor zover eigen ramingen worden gebruikt, van gerealiseerde LGD’s en gerealiseerde omrekeningsfactoren, enerzijds, en de verwachtingen, anderzijds;

v)

aannames en resultaten van stresstests;

vi)

de werking van het ratingproces, de terreinen waarop verbeteringen noodzakelijk zijn en de vorderingen die zijn gemaakt bij het verhelpen van eerder geconstateerde gebreken in de ratingsystemen;

vii)

valideringsverslagen;

b)

de vorm en frequentie van de managementverslaggeving toereikend zijn, rekening houdende met het belang van de informatie en het soort informatie en met het niveau waarop de ontvanger zich in de hiërarchie bevindt, met inachtneming van de organisatiestructuur van de instelling;

c)

de managementverslaggeving het voor de directie gemakkelijker maakt om het kredietrisico in de totale onder de IRB-benadering vallende portefeuille van blootstellingen te monitoren;

d)

de managementverslaggeving evenredig is aan de aard, omvang en complexiteitsgraad van de bedrijfsactiviteiten en organisatiestructuur van de instelling.

Artikel 16

Afdeling kredietrisicobeheersing

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de interne governance en het intern toezicht van de instelling met betrekking tot de afdeling kredietrisicobeheersing als bedoeld in artikel 190 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing een afzonderlijke en onafhankelijke positie inneemt of innemen ten opzichte van het personeel en de managementfuncties die voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen verantwoordelijk zijn;

b)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing functioneel en geschikt is of zijn om de taken te kunnen uitoefenen.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt a), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing binnen de instelling een afzonderlijke organisatorische structuur is of zijn;

b)

het hoofd of de hoofden van de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing deel uitmaakt of uitmaken van de directie;

c)

de functie kredietrisicobeheersing georganiseerd is met inachtneming van de in artikel 76, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU beschreven beginselen;

d)

de verantwoordelijkheid voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen niet berust bij het personeel en de directie die voor de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing verantwoordelijk zijn;

e)

directieleden van de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing die voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen verantwoordelijk is of zijn, rapporteren aan verschillende leden van het leidinggevend orgaan van de instelling of het door dit orgaan aangewezen comité;

f)

de beloning van de medewerkers en directieleden die voor de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing verantwoordelijk zijn, niet gekoppeld is aan de uitvoering van de taken die verband houden met het initiëren of vernieuwen van blootstellingen.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt b), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing evenredig is of zijn aan de aard, omvang en complexiteitsgraad van de bedrijfsactiviteiten en de organisatiestructuur van de instelling, en met name aan de complexiteit van de ratingsystemen en de toepassing ervan;

b)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing beschikt of beschikken over toereikende middelen en over ervaren en gekwalificeerd personeel om alle betrokken activiteiten te verrichten;

c)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing verantwoordelijk is of zijn voor de opzet of selectie, de implementatie, het toezicht op en de werking van de ratingsystemen overeenkomstig de tweede zin van artikel 190, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en dat de in artikel 190, lid 2, van die verordening opgenomen gebieden van verantwoordelijkheid deel uitmaken van de onder die afdeling of afdelingen vallende verantwoordelijkheidsterreinen;

d)

de afdeling of afdelingen kredietrisicobeheersing de directie regelmatig informeert of informeren over de werking van de ratingsystemen, gebieden die vatbaar zijn voor verbetering, en de stand van zaken met betrekking tot het verhelpen van eerder geconstateerde gebreken.

Artikel 17

Interne accountantscontrole

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de interne governance en het intern toezicht van de instelling beoordelen met betrekking tot de afdeling interne accountantscontrole of een andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling als bedoeld in artikel 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling ten minste ieder jaar toetst:

i)

alle ratingsystemen van de instelling;

ii)

de activiteiten van de functie kredietrisicobeheersing;

iii)

de werking van het kredietacceptatieproces;

iv)

de activiteiten van de interne validatiefunctie;

b)

de toetsing in het kader van punt a) de specificatie in het jaarlijks werkplan vergemakkelijkt van gebieden die een gedetailleerde toetsing vereisen wat betreft naleving van alle op de IRB-benadering toepasselijke vereisten zoals die zijn neergelegd in de artikelen 142 tot en met 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling functioneel is en geschikt om haar taken te kunnen uitoefenen.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt c), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling aan de directie en het leidinggevend orgaan van de instelling voldoende informatie verstrekt over de inachtneming door de ratingsystemen van alle voor de IRB-benadering geldende vereisten;

b)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling in verhouding staat tot de aard, omvang en complexiteitsgraad van de bedrijfsactiviteiten en de organisatiestructuur van de instelling, en met name tot de complexiteit van de ratingsystemen en de implementatie ervan;

c)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling beschikt over toereikende middelen en over ervaren en gekwalificeerd personeel om alle betrokken activiteiten te verrichten;

d)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling niet betrokken is bij enig aspect van de werking van het ratingsysteem dat zij toetst overeenkomstig lid 1, punt a);

e)

de afdeling interne accountantscontrole of de andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling onafhankelijk is van het personeel en management verantwoordelijk voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen, en rechtstreeks rapporteert aan de directie;

f)

de beloning van de medewerkers en directieleden die voor de interne accountantscontrolefunctie verantwoordelijk zijn, niet gekoppeld is aan de uitvoering van taken die verband houden met het initiëren of vernieuwen van blootstellingen.

HOOFDSTUK 4

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE GEBRUIKSTEST EN ERVARINGSTEST

Artikel 18

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling voldoet aan de vereisten voor het gebruik van de ratingsystemen voor de toepassing van artikel 144, lid 1, punt b), artikel 145, artikel 171, lid 1, punt c), artikel 172, lid 1, punt a), artikel 172, lid 1, punt c), artikel 172, lid 2, en artikel 175, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen in de ratingsystemen die bij de berekening van eigen vermogen worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in het risicobeheer-, kredietacceptatie- en besluitvormingsproces overeenkomstig artikel 19;

b)

interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen in de ratingsystemen die bij de berekening van eigen vermogen worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in het proces van interne kapitaalallocatie overeenkomstig artikel 20;

c)

interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen in de ratingsystemen die bij de berekening van eigen vermogen worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in de corporate-governancefuncties overeenkomstig artikel 21;

d)

data en ramingen die de instelling toepast voor de berekening van eigen vermogen en die voor interne doeleinden worden gebruikt, consistent zijn, en in het geval van afwijkingen volledig gedocumenteerd en redelijk zijn;

e)

ratingsystemen grotendeels in overeenstemming zijn met de in de artikelen 169 tot en met 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde vereisten en door de instelling ten minste drie jaar vóór het gebruik van de IRB-benadering zijn toegepast, zoals beschreven in artikel 145 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig artikel 22.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen en procedures van de instelling toetsen;

b)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling die betrokken zijn bij de governance van de kredietrisicobeheersing;

c)

de toewijzing van bevoegdheden voor het nemen van kredietbeslissingen, de handboeken voor kredietbeheer en de regelingen inzake handelskanalen toetsen;

d)

de analyse toetsen die de instelling heeft gemaakt van de kredietacceptaties en de data over geweigerde kredietaanvragen, met inbegrip van:

i)

kredietbeslissingen die afwijken van het kredietbeleid van de instelling (“uitzonderingen”);

ii)

gevallen waarin subjectieve inschatting leidt tot afwijking van de inputs of outputs van de ratingsystemen (“bijsturingen”), en de rechtvaardigingen voor de bijsturingen;

iii)

blootstellingen zonder rating en de redenen voor ontbrekende ratings;

iv)

handmatige beslissingen en afsluitmomenten;

e)

de beleidslijnen van de instelling voor kredietherstructurering toetsen;

f)

de gedocumenteerde periodieke rapportage over het kredietrisico toetsen;

g)

de documentatie over de berekening van intern kapitaal van de instelling en de allocatie van het interne kapitaal aan soorten risico, dochterondernemingen en portefeuilles toetsen;

h)

de relevante bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

i)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

(j)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

de documentatie van systemen voor vroegtijdige waarschuwing toetsen;

b)

de methode voor kredietrisicoaanpassingen en de gedocumenteerde analyse van de samenhang daarvan met de berekening van de eigenvermogensvereisten toetsen;

c)

de gedocumenteerde analyse van de voor risico gecorrigeerde winstgevendheid van de instelling toetsen;

d)

het tariefbeleid van de instelling toetsen;

e)

de procedures voor de inning en invordering van schulden toetsen;

f)

de planningshandboeken en -rapporten over het budgetteren van de risicokosten toetsen;

g)

het beloningsbeleid en de notulen van het beloningscomité toetsen;

h)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 19

Gebruikstest bij het risicobeheer-, besluitvormings- en kredietacceptatieproces

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen van de ratingsystemen die bij de berekening van de eigenvermogensvereisten worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in het risicobeheer-, besluitvormings- en kredietacceptatieproces van de instelling zoals voorgeschreven bij artikel 144, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de onderbrenging in klassen of groepen overeenkomstig artikel 171, lid 1, punt c), en artikel 171, lid 2, van die verordening, met betrekking tot de onderbrenging van blootstellingen overeenkomstig artikel 172, lid 1, punten a), b) en c), van die verordening en met betrekking tot de documentatie van ratingsystemen overeenkomstig artikel 175, lid 3, van die verordening, verifiëren zij dat:

a)

het aantal blootstellingen zonder rating en achterhaalde ratings niet wezenlijk is;

b)

die interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen een belangrijke rol spelen, met name bij:

i)

het nemen van besluiten over de goedkeuring, weigering, herstructurering en vernieuwing van een kredietfaciliteit;

ii)

opstelling van het leningsbeleid, door beïnvloeding van hetzij de vereiste maximale blootstellingslimieten, limiteringstechnieken en kredietverbeteringen, hetzij elk ander aspect van het globale kredietrisicoprofiel van de instelling;

iii)

uitvoering van het monitoringproces voor debiteuren en blootstellingen.

2.   Indien instellingen op elk van de volgende gebieden gebruikmaken van interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen, beoordelen de bevoegde autoriteiten hoe dat gebruik ertoe bijdraagt dat deze ratings en ramingen een essentiële rol spelen in het risicobeheer en de besluitvormingsprocessen van de instelling en in haar kredietacceptatieprocessen als bedoeld in lid 1:

a)

prijsstelling met betrekking tot elke kredietfaciliteit of debiteur;

b)

systemen voor vroegtijdige waarschuwing die worden gebruikt ten behoeve van het kredietrisicobeheer;

c)

vaststelling en uitvoering van de beleidslijnen en processen voor inning en invordering;

d)

berekening van kredietrisicoaanpassingen voor zover dit in overeenstemming is met het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving;

e)

het aan interne comités, de directie en het personeel toewijzen of delegeren van bevoegdheid voor het kredietacceptatieproces door het bestuur.

Artikel 20

Gebruikstest bij interne kapitaalallocatie

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen van de ratingsystemen die bij de berekening van eigen vermogen worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in de interne kapitaalallocatie als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen zij of deze ratings en ramingen een belangrijke rol spelen in:

a)

de beoordeling van de hoogte van het interne kapitaal die volgens de instelling nog aansluit op de aard en omvang van haar huidige en mogelijke toekomstige risico als bedoeld in artikel 73 van Richtlijn 2013/36/EU;

b)

de allocatie van het interne kapitaal over soorten risico, dochterondernemingen en portefeuilles.

2.   Indien instellingen om budgettaire redenen interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen in aanmerking nemen voor de berekening van de risicokosten voor de instelling, beoordelen de bevoegde autoriteiten hoe het in aanmerking nemen van deze elementen ertoe bijdraagt dat deze ratings en ramingen een essentiële rol spelen in de interne kapitaalallocatie van de instelling.

Artikel 21

Gebruikstest bij corporate-governancefuncties

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen van de ratingsystemen die bij de berekening van de eigenvermogensvereisten worden gebruikt, een essentiële rol vervullen in de corporate-governancefuncties als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen zij of deze ratings en ramingen een belangrijke rol spelen in:

a)

de managementverslaggeving;

b)

de monitoring van het kredietrisico op portefeuilleniveau.

2.   Wanneer instellingen op een van de volgende gebieden interne ratings en ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen in aanmerking nemen, beoordelen de bevoegde autoriteiten hoe het in aanmerking nemen van deze elementen ertoe bijdraagt dat die ratings en ramingen een essentiële rol spelen in de in lid 1 genoemde corporate-governancefuncties:

a)

de planning van de interne accountantscontrole;

b)

het ontwerp van het beloningsbeleid.

Artikel 22

Ervaringstest

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling ten minste drie jaar vóór het gebruik van de IRB-benadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 145 van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft gebruikgemaakt van ratingsystemen die grotendeels met de vereisten in de artikelen 169 tot en met 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in overeenstemming zijn, verifiëren zij dat:

a)

die ratingsystemen zijn gebruikt in de risicobeheer-, besluitvormings- en kredietacceptatieprocessen van de instelling als bedoeld in artikel 19, lid 1, punt b);

b)

voldoende documentatie van de doeltreffende werking van de ratingsystemen over deze drie jaren beschikbaar is, met name wat betreft de respectievelijke rapportages inzake monitoring, validatie en accountantscontrole.

2.   Voor de beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van de IRB-benadering overeenkomstig het plan voor stapsgewijze invoering is lid 1 ook van toepassing indien de uitbreiding betrekking heeft op blootstellingen die zo sterk van het bestaande toepassingsgebied verschillen dat niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de instelling over voldoende ervaring beschikt om te voldoen aan de vereisten van artikel 145, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de nieuwe blootstellingen, zoals neergelegd in artikel 145, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

HOOFDSTUK 5

BEOORDELINGSMETHODE VOOR HET ONDERBRENGEN VAN BLOOTSTELLINGEN IN KLASSEN OF GROEPEN

Artikel 23

Algemeen

1.   Om te beoordelen of de instelling voldoet aan de vereisten voor de onderbrenging van debiteuren of blootstellingen in klassen of groepen zoals neergelegd in de artikelen 169, 171, 172 en 173 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten:

a)

de toereikendheid van de definities, processen en criteria die de instelling toepast voor het onderbrengen of de toetsing van het onderbrengen van blootstellingen in klassen of groepen, met inbegrip van de behandeling van bijsturingen overeenkomstig artikel 24;

b)

de integriteit van het onderbrengingsproces als bedoeld in artikel 173 van Verordening (EU) nr. 575/2013, waaronder de onafhankelijkheid van het onderbrengingsproces, alsook de onderbrengingstoetsingen overeenkomstig artikel 25.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen en procedures van de instelling toetsen;

b)

de rollen en verantwoordelijkheden toetsen van de voor het initiëren en vernieuwen van blootstellingen verantwoordelijke afdelingen en de voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen verantwoordelijke afdelingen;

c)

de betrokken notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

d)

de interne rapporten van de instelling over de werking van het onderbrengingsproces toetsen;

e)

de betrokken bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

f)

de voortgangsverslagen over de inspanningen van de instelling toetsen om tekortkomingen te verhelpen in de onderbrenging of het toetsingsproces en om tijdens accountantscontroles vastgestelde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling;

h)

de criteria toetsen die het voor subjectieve inschatting verantwoordelijke personeel gebruikt bij de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

de functionele documentatie van de toepasselijke IT-systemen toetsen;

b)

steekproeven uitvoeren en documenten toetsen met betrekking tot de kenmerken van een debiteur en het initiëren en aanhouden van de blootstellingen;

c)

eigen tests op de data van de instelling uitvoeren of van de instelling verlangen dat zij specifieke tests uitvoert;

d)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 24

Onderbrengingsdefinities, -processen en -criteria

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid beoordelen van de door de instelling voor het onderbrengen of de toetsing van het onderbrengen van blootstellingen in klassen of groepen overeenkomstig de artikelen 169, 171, 172 en 173, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gebruikte definities, processen en criteria, verifiëren zij dat:

a)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die zorgen voor een consequente onderbrenging van debiteuren of faciliteiten in een passend ratingsysteem;

b)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die ervoor zorgen dat elke door de instelling gehouden blootstelling volgens het ratingsysteem wordt ondergebracht in een klasse of groep;

c)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, en voor blootstellingen in aandelen waarbij de instelling de in artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 geformuleerde PD/LGD-benadering hanteert, om te verzekeren dat alle blootstellingen op dezelfde debiteur in dezelfde debiteurenklasse worden ondergebracht, met inbegrip van blootstellingen in verschillende bedrijfsonderdelen, afdelingen, geografische locaties en juridische entiteiten binnen de groep en IT-systemen, en om de correcte toepassing te waarborgen van de vrijstelling van het vereiste om te beschikken over een ratingschaal voor debiteuren die alleen de kwantificering weerspiegelt van het risico dat de debiteur in wanbetaling blijft voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening vastgelegd in artikel 170, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en van de vrijstelling van de verplichting afzonderlijke blootstellingen op dezelfde debiteur onder te brengen in dezelfde debiteurenklasse neergelegd in artikel 172, lid 1, punt e), van die verordening;

d)

de voor de onderbrenging toegepaste definities en criteria voldoende gedetailleerd zijn om consensus te verzekeren en te zorgen dat de blootstellingen op consequente wijze in klassen en groepen worden ondergebracht door al het hiervoor verantwoordelijke personeel in alle bedrijfsonderdelen, afdelingen, geografische locaties en juridische entiteiten binnen de groep, ongeacht het IT-systeem dat wordt gebruikt;

e)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen om alle relevante informatie over de debiteuren en faciliteiten te verkrijgen;

f)

er rekening wordt gehouden met alle relevante, op dat moment beschikbare en meest recente informatie;

g)

er rekening wordt gehouden met financiële en niet-financiële informatie bij zowel blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken als blootstellingen in aandelen waarbij een instelling de PD/LGD-benadering hanteert;

h)

indien voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen noodzakelijke informatie ontbreekt of niet actueel is, de instelling voorziet in toleranties voor vastgestelde maatstaven en regels heeft vastgesteld om op gepaste en voorzichtige wijze met dat feit rekening te houden;

i)

financiële overzichten ouder dan 24 maanden als achterhaald worden beschouwd en op voorzichtige wijze worden behandeld;

j)

de onderbrenging in klassen of groepen deel uitmaakt van het kredietacceptatieproces, overeenkomstig artikel 19;

k)

de criteria voor de onderbrenging in klassen of groepen aansluiten bij de door de instelling toegepaste normen voor de verstrekking van leningen en bij haar beleidslijnen voor de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 beoordelen de bevoegde autoriteiten de situaties waarbij de inputs of outputs van het ratingsysteem door middel van subjectieve inschattingen worden bijgestuurd overeenkomstig artikel 172, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zij verifiëren dat:

a)

er is voorzien in gedocumenteerde beleidslijnen waarin de redenen voor en het maximale niveau van bijsturingen zijn vastgesteld, en wordt aangegeven in welke fasen van het onderbrengingsproces de bijsturingen zijn toegestaan;

b)

bijsturingen voldoende worden gerechtvaardigd onder verwijzing naar de in punt a) genoemde redenen en dat de rechtvaardiging wordt gedocumenteerd;

c)

de instelling regelmatig de ontwikkeling analyseert van de blootstellingen waarvan de onderbrenging is bijgestuurd, met inbegrip van een analyse van de bijsturingen uitgevoerd door elk daarmee belast personeelslid, en dat er in het besluitvormingsproces op een passend leidinggevend niveau rekening wordt gehouden met de resultaten van deze analyse;

d)

de instelling volledige informatie over bijsturingen verzamelt, met inbegrip van informatie vóór en na de bijsturingen, regelmatig het aantal en de rechtvaardigingen van bijsturingen monitort, en het effect van de bijsturingen op de werking van het model analyseert;

e)

het aantal en de rechtvaardigingen van bijsturingen niet wijzen op significante tekortkomingen in het ratingmodel.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat met de definities, processen en criteria voor de onderbrenging het volgende wordt bereikt:

a)

groepen verbonden cliënten zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden geïdentificeerd;

b)

bij onderbrenging in een debiteurenklasse wordt op zodanige wijze rekening houden met informatie over de ratings en wanbetalingen van andere relevante entiteiten binnen de groep dat de ratingklassen van elke relevante entiteit binnen de groep de verschillende situatie van elke relevante entiteit en haar betrekkingen met de andere relevante entiteiten van de groep weerspiegelen;

c)

de gevallen waarin de debiteuren worden ondergebracht in een betere klasse dan die van hun moederentiteiten, worden gedocumenteerd en gerechtvaardigd.

Artikel 25

Integriteit van het onderbrengingsproces

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de onafhankelijkheid van het onderbrengingsproces beoordelen overeenkomstig artikel 173 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

het voor de definitieve goedkeuring van de onderbrenging of de toetsing van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen verantwoordelijke personeel en management niet betrokken zijn bij of verantwoordelijk zijn voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen;

b)

directieleden van afdelingen die verantwoordelijk zijn voor de definitieve goedkeuring van de onderbrenging of de toetsing van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen, en directieleden van afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het initiëren of vernieuwen van blootstellingen, rapporteren aan verschillende leden van het leidinggevend orgaan of het desbetreffende aangewezen comité van de instelling;

c)

de beloning van het personeel en management verantwoordelijk voor de definitieve goedkeuring van de onderbrenging of de toetsing van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen, niet gekoppeld is aan de uitvoering van taken die verband houden met het initiëren of vernieuwen van blootstellingen;

d)

dezelfde praktijken als die welke in de punten a), b) en c) worden genoemd, van toepassing zijn op bijsturingen in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de frequentie en toereikendheid van het in artikel 173 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven onderbrengingsproces beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

in toereikende en gedetailleerde beleidslijnen de frequentie wordt aangegeven waarmee de onderbrenging wordt getoetst en de criteria voor de noodzaak van frequentere onderzoeken, rekening houdende met het hogere risico van debiteuren of probleemblootstellingen, en dat deze beleidslijnen consequent in de tijd worden toegepast;

b)

de onderbrenging binnen ten hoogste twaalf maanden na goedkeuring ervan wordt geëvalueerd en dat tijdens de evaluatie noodzakelijk bevonden aanpassingen ervan binnen die termijn worden aangebracht;

c)

de onderbrenging wordt geëvalueerd wanneer nieuwe wezenlijke informatie over de debiteur of blootstelling beschikbaar komt, en dat tijdens de evaluatie noodzakelijk bevonden aanpassingen ervan zonder verdere vertraging worden aangebracht;

d)

de instelling criteria en processen heeft vastgesteld om het wezenlijke belang van nieuwe informatie en de daaropvolgende noodzaak van heronderbrenging te beoordelen, en dat deze criteria en processen consequent worden toegepast;

e)

bij de evaluatie van de onderbrenging wordt gebruikgemaakt van de meest recente informatie die beschikbaar is;

f)

indien de onderbrenging om praktische redenen niet is geëvalueerd zoals beschreven in de punten a) tot en met e), er is voorzien in toereikende beleidslijnen voor het vaststellen, monitoren en verhelpen van de situatie, en maatregelen worden genomen om opnieuw naleving van de punten a) tot en met e) te verzekeren;

g)

de directie regelmatig wordt geïnformeerd over de evaluaties van de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen en over vertragingen bij evaluaties van de onderbrenging als bedoeld in punt f);

h)

er is voorzien in toereikende beleidslijnen voor het daadwerkelijk verkrijgen en regelmatig bijwerken van de relevante informatie, en dat dit op adequate wijze tot uitdrukking komt in de voorwaarden van contracten met debiteuren.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 2 beoordelen de bevoegde autoriteiten het aantal en de waarde van blootstellingen die niet zijn getoetst overeenkomstig lid 2, punten a) tot en met e), en verifiëren zij dat bij deze blootstellingen voorzichtigheid wordt betracht bij berekening van de risicogewogen posten. De beoordeling en verificatie worden voor elk ratingsysteem en voor elke risicoparameter afzonderlijk uitgevoerd.

HOOFDSTUK 6

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE VASTSTELLING VAN WANBETALINGEN

Artikel 26

Algemeen

1.   Om te beoordelen of de instelling alle situaties identificeert die moeten worden beschouwd als wanbetalingen overeenkomstig artikel 178, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 van de Commissie (5), verifiëren de bevoegde autoriteiten alle volgende punten:

a)

de gedetailleerde specificatie en praktische toepassing van de triggers voor vaststelling van wanbetaling door een debiteur, overeenkomstig artikel 27;

b)

de robuustheid en doeltreffendheid van het door een instelling gebruikte proces voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur, overeenkomstig artikel 28;

c)

de triggers en het proces die een instelling gebruikt voor de herindeling van een debiteur in wanbetaling naar de status van niet-wanbetaling, overeenkomstig artikel 29.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

toetsen van de interne criteria, beleidslijnen en procedures van de instelling om vast te stellen of zich een wanbetaling heeft voorgedaan (“definitie van wanbetaling”) en voor de behandeling van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

b)

de rollen en verantwoordelijkheden toetsen van de afdelingen en leidinggevende organen die betrokken zijn bij de vaststelling van wanbetaling door een debiteur en het beheer van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

c)

de betrokken notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

d)

de betrokken bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

e)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

f)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling;

g)

de criteria toetsen die worden toegepast door het personeel dat verantwoordelijk is voor handmatige toekenning van de status van wanbetaling aan een debiteur of een blootstelling en van de terugkeer naar de status van niet-wanbetaling.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

de functionele documentatie van de IT-systemen toetsen die worden gebruikt in het proces voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur;

b)

steekproeven uitvoeren en documenten toetsen met betrekking tot de kenmerken van een debiteur en het initiëren en aanhouden van de blootstellingen;

c)

eigen tests op de data van de instelling uitvoeren of van de instelling verlangen dat zij specifieke tests uitvoert;

d)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 27

Triggers voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de gedetailleerde specificatie en praktische toepassing beoordelen van de door de instelling gebruikte triggers voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur, en of deze voldoen aan artikel 178, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171, verifiëren zij dat:

a)

er is voorzien in toereikend beleid met betrekking tot het tellen van het aantal achterstallige dagen, met inbegrip van de herschikking van de faciliteiten, het toestaan van uitbreidingen, wijzigingen of uitstel, verlengingen, en verrekening van bestaande rekeningen;

b)

de door de instelling gehanteerde definitie van wanbetaling ten minste alle in artikel 178, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bepaalde triggers voor wanbetaling omvat;

c)

indien een instelling binnen haar juridische entiteiten meerdere definities van wanbetaling hanteert, het toepassingsgebied van elke definitie van wanbetaling welomschreven is en verschillen tussen de definities gerechtvaardigd zijn.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 beoordelen de bevoegde autoriteiten of de definitie van wanbetaling in de praktijk wordt toegepast en gedetailleerd genoeg is om consequent te worden toegepast door alle personeelsleden voor alle soorten blootstellingen, en of alle volgende potentiële indicaties dat betaling onwaarschijnlijk is, voldoende zijn gespecificeerd:

a)

de dubieuze status;

b)

gebeurtenissen die specifieke kredietrisicoaanpassingen inhouden die voortvloeien uit een gepercipieerde aanzienlijke vermindering van de kredietkwaliteit;

c)

verkoop van kredietverplichtingen die een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies oplevert;

d)

gebeurtenissen die een gedwongen herstructurering inhouden;

e)

gebeurtenissen die een met een faillissement vergelijkbare bescherming inhouden;

f)

andere indicaties dat betaling onwaarschijnlijk is.

3.   De bevoegde autoriteiten verifiëren dat de beleidslijnen en procedures voorkomen dat debiteuren de status van niet-wanbetaling krijgen wanneer een van de triggers voor wanbetaling van toepassing is.

Artikel 28

Robuustheid en doeltreffendheid van het proces voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de robuustheid en doeltreffendheid van het proces voor de vaststelling van wanbetaling door een debiteur beoordelen overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die ervoor zorgen dat alle wanbetalingen tijdig worden vastgesteld, en vooral dat de relevante informatie doeltreffend is en voldoende vaak wordt verzameld en bijgewerkt;

b)

indien de vaststelling van wanbetaling door een debiteur op automatische processen berust, er tests worden uitgevoerd om te verifiëren dat het IT-systeem de wanbetalingen correct heeft vastgesteld;

c)

indien de vaststelling van wanbetaling door een debiteur op subjectieve inschatting berust, de criteria voor de beoordeling van de debiteuren en triggers voor wanbetaling voldoende gedetailleerd zijn vastgelegd in de interne documentatie, om te waarborgen dat alle ter zake verantwoordelijke personeelsleden consistentie betrachten bij de vaststelling van wanbetalingen;

d)

indien de instelling de definitie van wanbetaling toepast op het niveau van debiteuren, er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die ervoor zorgen dat zodra bij een debiteur wanbetaling wordt vastgesteld, alle blootstellingen op die debiteur in alle systemen, bedrijfsonderdelen en geografische locaties binnen de instelling en haar dochterondernemingen en, voor zover van toepassing, binnen de moederonderneming en haar dochterondernemingen worden geregistreerd als blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

e)

indien zich in de toekenning van de status van wanbetaling aan alle blootstellingen op een debiteur als bedoeld in punt d) vertraging voordoet na wanbetaling met betrekking tot één of meer blootstellingen van de debiteur, deze vertraging niet leidt tot fouten of inconsistenties in het risicobeheer, de risicorapportage, de berekening van de eigenvermogensvereisten of het gebruik van data bij risicokwantificering.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 beoordelen de bevoegde autoriteiten de toepassing van de materialiteitsdrempel omschreven krachtens artikel 178, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de definitie van wanbetaling en de consistentie van deze materialiteitsdrempel met de materialiteitsdrempel voor een achterstallige kredietverplichting, vastgesteld door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171, en verifiëren zij dat:

a)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die ervoor zorgen dat de status van wanbetaling wordt toegekend overeenkomstig artikel 178, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op basis van de beoordeling in de zin van artikel 178, lid 2, punt d), van die verordening en in overeenstemming met de materialiteitsdrempel die van toepassing is op een achterstallige kredietverplichting, zoals door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 vastgesteld;

b)

het proces voor het tellen van het aantal achterstallige dagen in overeenstemming is met de contractuele of wettelijke verplichtingen van de debiteur, de gedeeltelijke betalingen adequaat weerspiegelt en consequent wordt toegepast.

3.   In het geval van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen verifiëren de bevoegde partijen, afgezien van de in lid 1 neergelegde verificatie en de in lid 2 neergelegde beoordeling, dat:

a)

de instelling een duidelijk beleid voert inzake de toepassing van de definitie van wanbetaling voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, hetzij op het niveau van de debiteur, hetzij op het niveau van de afzonderlijke kredietfaciliteit;

b)

het beleid als bedoeld in punt a) aansluit bij het risicobeheer van de instelling en consequent wordt toegepast;

c)

bij toepassing door de instelling van de definitie van wanbetaling op het niveau van de afzonderlijke kredietfaciliteit:

i)

er is voorzien in toereikende procedures en mechanismen die ervoor zorgen dat zodra een kredietfaciliteit wordt geïdentificeerd als zijnde in wanbetaling, deze in alle betrokken systemen binnen de instellingen wordt aangemerkt als kredietfaciliteit ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan;

ii)

wanneer zich een vertraging voordoet in de toekenning van de status van wanbetaling aan een kredietfaciliteit in alle betrokken systemen als bedoeld in punt i), deze vertraging niet leidt tot fouten of inconsistenties in het risicobeheer, de risicorapportage, de berekening van de eigenvermogensvereisten of het gebruik van data bij risicokwantificering.

Artikel 29

Herindeling onder de status van niet-wanbetaling

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de robuustheid beoordelen van de triggers en het proces om een debiteur overeenkomstig artikel 178, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 her in te delen als niet langer in wanbetaling, verifiëren zij dat:

a)

de triggers voor herindeling worden bepaald voor elke trigger van wanbetaling en dat de vaststelling en behandeling van aan gedwongen herstructurering onderworpen kredietverplichtingen duidelijk zijn gespecificeerd;

b)

herindeling alleen mogelijk is als alle triggers van wanbetaling niet meer van toepassing zijn en aan alle toepasselijke voorwaarden voor herindeling is voldaan;

c)

de triggers en het proces voor herindeling op prudente wijze zijn vastgesteld en er met name voor zorgen dat herindeling onder een status van niet-wanbetaling niet plaatsvindt wanneer de instelling verwacht dat de debiteur zijn kredietverplichting niet volledig zal nakomen zonder dat de instelling zal moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van zekerheden.

2.   Voor de toepassing van de beoordeling in het kader van lid 1 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de beleidslijnen en procedures van de instelling niet toestaan dat een debiteur in wanbetaling wordt heringedeeld als debiteur die niet langer in wanbetaling is, louter als gevolg van wijzigingen in de voorwaarden van de kredietverplichtingen, tenzij de instelling heeft geoordeeld dat dankzij deze wijzigingen het niet langer onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de debiteur zijn kredietverplichtingen zal nakomen.

3.   De bevoegde autoriteiten verifiëren de analyse waarop de instelling haar criteria voor herindeling heeft gebaseerd. Zij verifiëren dat in de analyse rekening is gehouden met het trackrecord van de instelling wat betreft wanbetalingen, en het percentage debiteuren in wanbetaling die binnen korte tijd opnieuw in wanbetaling zijn nadat zij onder een niet-wanbetalingsstatus waren heringedeeld.

HOOFDSTUK 7

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE OPZET, OPERATIONELE BIJZONDERHEDEN EN DOCUMENTATIE VAN RATINGSYSTEMEN

AFDELING 1

Algemeen

Artikel 30

Algemeen

1.   Om te beoordelen of de instelling voldoet aan de vereisten voor de opzet, het beheer en de documentatie van ratingsystemen als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten alle volgende punten:

a)

de toereikendheid van de documentatie met betrekking tot het rationale, de opzet en operationele bijzonderheden van de ratingsystemen zoals beschreven in artikel 175 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig de artikelen 31 en 32;

b)

de toereikendheid van de opzet van de ratingsystemen als bedoeld in artikel 170 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig de artikelen 33 tot en met 36;

c)

de toepassing door de instelling van de specifieke vereisten voor statistische modellen of andere mechanische methoden als bedoeld in artikel 174 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig de artikelen 37 tot en met 40.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen van de instelling toetsen;

b)

de technische documentatie van de instelling over de methode en het proces voor de ontwikkeling van ratingsystemen toetsen;

c)

de ontwikkelingshandboeken, -methoden en -processen toetsen waarop de ratingsystemen gebaseerd zijn;

d)

de notulen toetsen van de interne organen van de instelling die verantwoordelijk zijn voor het goedkeuren van de ratingsystemen, met inbegrip van het leidinggevend orgaan of de door dit orgaan aangewezen comités;

e)

de rapporten toetsen over de werking van de ratingsystemen en de aanbevelingen van de afdeling kredietrisicobeheersing, de functies voor validatie en interne accountantscontrole of een andere controlefunctie van de instelling;

f)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens monitoring, validaties en relevante accountantscontroles vastgestelde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

data die in het proces voor de ontwikkeling van de ratingsystemen worden gebruikt, opvragen en analyseren;

b)

eigen ramingen maken of de ramingen van de instellingen reproduceren die zijn uitgevoerd tijdens de ontwikkeling en monitoring van de ratingsystemen, aan de hand van de nodige, door de instelling aangeleverde data;

c)

de instelling verzoeken om aanvullende documentatie of om de verstrekking van analyses met betrekking tot de keuze van de methode voor het opzetten van het ratingsysteem en informatie over de verkregen resultaten;

d)

de functionele documentatie toetsen van de IT-systemen relevant voor de draagwijdte van de beoordeling van de opzet, operationele bijzonderheden en documentatie van de ratingsystemen;

e)

eigen tests van de bevoegde autoriteit uitvoeren op de data van de instelling of de instelling verzoeken om tests op voorstel van de bevoegde autoriteit uit te voeren;

f)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

AFDELING 2

Methode voor de beoordeling van de documentatie over rationale, opzet en operationele bijzonderheden van de ratingsystemen

Artikel 31

Volledigheid van de documentatie van de ratingsystemen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de volledigheid van de documentatie beoordelen ten aanzien van opzet, operationele bijzonderheden en rationale van de ratingsystemen als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt e), en vastgelegd in artikel 175 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat de documentatie compleet is en het volgende omvat:

a)

de toereikendheid van het ratingsysteem en de in het ratingsysteem gebruikte modellen, rekening houdende met de kenmerken van de portefeuille;

b)

een beschrijving van de databronnen en de werkwijzen voor opschoning van data;

c)

de definities van wanbetaling en verlies;

d)

de methodologische keuzes;

e)

de technische specificaties van de modellen;

f)

de tekortkomingen en beperkingen van de modellen en de mogelijke mitigerende factoren ervan;

g)

de resultaten van de implementatietests van de modellen in de IT-systemen, met name informatie over de vraag of de implementatie succesvol en foutloos verliep;

h)

een zelfbeoordeling van de naleving van de reguleringsvereisten voor de interneratingbenadering als bedoeld in de artikelen 169 tot en met 191 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt a), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de documentatie duidelijk aangeeft wat het doel van het ratingsysteem en de modellen is;

b)

de documentatie een beschrijving bevat van het toepassingsgebied van het ratingsysteem en het toepassingsgebied van de binnen het ratingsysteem gebruikte modellen, d.w.z. een specificatie van het soort blootstellingen dat elk model binnen het ratingsysteem dekt in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht, het soort outputs van elk model en het gebruik dat van de outputs wordt gemaakt;

c)

in de documentatie wordt toegelicht hoe rekening wordt gehouden met de door middel van het ratingsysteem verkregen informatie en de resultaten van de modellen ten behoeve van de processen voor risicobeheer, besluitvorming en kredietacceptatie als bedoeld in artikel 19.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt b), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de documentatie omvat:

a)

gedetailleerde informatie over alle voor de ontwikkeling van het model gebruikte data, met inbegrip van een precieze omschrijving van inhoud, bron, formaat en codering van het model, en, voor zover van toepassing, data die ervan uitgesloten zijn;

b)

procedures voor opschoning van data, waaronder procedures voor uitsluiting van data, opsporing en aanpak van uitschieters en data-aanpassingen, alsook een uitdrukkelijke rechtvaardiging voor de toepassing ervan en een evaluatie van het effect ervan.

4.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt c), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de bij de ontwikkeling van het model gebruikte definities van wanbetaling en verlies naar behoren zijn gedocumenteerd, met name indien voor de specificatie van modellen andere definities van wanbetaling worden gehanteerd dan de definities die de instelling toepast overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

5.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt d), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de documentatie omvat:

a)

details over de opzet, theorie, aannames en logica die ten grondslag liggen aan het model;

b)

gedetailleerde omschrijvingen van de methodieken van het model en het rationale ervan, statistische technieken en benaderingen en, voor zover van toepassing, rationale en details met betrekking tot segmentatiemethoden, outputs van statistische processen en de diagnostiek en metingen van de voorspellende waarde van de modellen;

c)

de rol van deskundigen uit relevante bedrijfsgebieden bij de ontwikkeling van het ratingsysteem en de modellen, met inbegrip van een uitvoerige beschrijving van het proces voor raadpleging van deskundigen uit relevante bedrijfsgebieden bij het opzetten van het ratingsysteem en de modellen, en van de door deze deskundigen uit relevante bedrijfsgebieden verstrekte outputs en het rationale daarvoor;

d)

een toelichting van de wijze waarop statistisch model en subjectieve inschatting worden gecombineerd om de uiteindelijke modeloutput te verkrijgen;

e)

een toelichting van de wijze waarop de instelling rekening houdt met een onbevredigende datakwaliteit, een gebrek aan homogene blootstellingsgroepen, veranderingen in bedrijfsprocessen en de economische of juridische omgeving, en andere factoren met betrekking tot de datakwaliteit die de werking van het ratingsysteem of model kunnen beïnvloeden;

f)

een beschrijving van de analyses die worden uitgevoerd ten behoeve van statistische modellen of andere mechanische methoden, al naargelang van toepassing:

i)

de univariate analyse van de in aanmerking genomen variabelen en de respectieve criteria voor selectie van variabelen;

ii)

de multivariate analyse van de geselecteerde variabelen en de respectieve criteria voor selectie van variabelen;

iii)

de procedure voor de opzet van het definitieve model, met inbegrip van:

de definitieve selectie van variabelen;

aanpassingen op basis van subjectieve inschatting aan de variabelen die voortvloeien uit de multivariate analyse;

omzettingen van variabelen;

toekenning van gewichten aan variabelen;

de methode van samenstelling van modelcomponenten, met name bij samenvoeging van de bijdrage van kwalitatieve en kwantitatieve componenten.

6.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt e), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de documentatie omvat:

a)

de technische specificaties van de definitieve modelstructuur, zoals definitieve modelspecificaties, inputcomponenten, zoals type en formaat van de geselecteerde variabelen, gewichten toegepast voor variabelen en outputcomponenten, zoals type en format van de outputdata;

b)

verwijzingen naar de computercodes en -tools die zijn gebruikt in termen van IT-talen en -programma’s waarmee een derde de eindresultaten kan reproduceren.

In geval van verkopermodellen mag de derde de verkoper zijn voor de toepassing van punt b).

7.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt f), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de documentatie een beschrijving bevat van de tekortkomingen en beperkingen van het model, een beoordeling van de vraag of aan de belangrijkste aannames van het model wordt voldaan, en actie ter anticipatie op situaties waarin het model onder verwachting presteert of ontoereikend wordt, alsook een beoordeling van de significantie van gebreken in het model en de mogelijke mitigerende factoren daarvan.

8.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt g), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de documentatie het te volgen proces aangeeft wanneer een nieuw of gewijzigd model in de productieomgeving wordt geïmplementeerd;

b)

de documentatie de resultaten bevat van de tests voor implementatie van de ratingmodellen in de IT-systemen, waaronder de bevestiging dat het in het productiesysteem geïmplementeerde ratingmodel hetzelfde model is dat in de documentatie wordt beschreven en dat het werkt zoals beoogd.

9.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt h), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de zelfbeoordeling van de instelling met betrekking tot de naleving van de reguleringsvereisten voor de IRB-benadering voor elk ratingsysteem afzonderlijk wordt uitgevoerd en door de afdeling interne accountantscontrole of een andere vergelijkbare onafhankelijke accountantscontroleafdeling wordt getoetst.

Artikel 32

Register van ratingsystemen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten het documentatiesysteem en de procedures voor verzameling en opslag van informatie over de ratingsystemen als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt e), en artikel 175 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij dat de instelling een register heeft geïmplementeerd en bijhoudt van alle bestaande en eerdere versies van de ratingsystemen over ten minste de afgelopen drie jaar (“register van ratingsystemen”).

2.   Voor de toepassing van lid 1 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de procedures voor het bijhouden van het register van ratingsystemen met betrekking tot elke versie de volgende informatie vastleggen:

a)

het toepassingsgebied van het ratingsysteem, waarin wordt aangegeven welk soort blootstelling van welk ratingmodel een rating moet krijgen;

b)

het management dat verantwoordelijk is voor de goedkeuring en de datum van interne goedkeuring, de datum van kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten, de datum van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten, voor zover van toepassing, en de implementatiedatum van de versie;

c)

een beknopte beschrijving van elke wijziging ten opzichte van de voorgaande versie die in het register in aanmerking is genomen, waaronder een beschrijving van de aspecten van de ratingsystemen die veranderd zijn, en een verwijzing naar de documentatie van het model;

d)

de wijzigingscategorie vastgesteld overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 en een verwijzing naar de criteria voor indeling bij een wijzigingscategorie.

AFDELING 3

Methode voor de beoordeling van de opzet van ratingsystemen

Artikel 33

Risicodeterminanten en ratingcriteria

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de in het ratingsysteem toegepaste risicodeterminanten en ratingcriteria beoordelen voor de toepassing van artikel 170, lid 1, punten a), c) en e), artikel 170, lid 3, punt a), en artikel 170, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij alle volgende punten:

a)

het proces voor de selectie van relevante risicodeterminanten en ratingcriteria, waaronder de definitie van mogelijke risicodeterminanten, criteria voor de selectie van risicodeterminanten en beslissingen die met betrekking tot risicodeterminanten worden genomen;

b)

de consistentie van de geselecteerde risicodeterminanten en ratingcriteria en hun bijdrage aan de risicobeoordeling met de verwachtingen van de zakelijke gebruikers van het ratingsysteem;

c)

de consistentie van de risicodeterminanten en ratingcriteria die zijn geselecteerd op basis van statistische methoden, met statistisch bewijs over risicodifferentiatie in verband met elke klasse of groep.

2.   De mogelijke risicodeterminanten en ratingcriteria die moeten worden geanalyseerd overeenkomstig lid 1, punt a), bevatten, voor zover voor het soort blootstellingen beschikbaar:

a)

risicokenmerken van debiteuren, waaronder:

i)

voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en instellingen: financiële overzichten, kwalitatieve informatie, sectorrisico, landenrisico, ondersteuning door de moederentiteit;

ii)

voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen: financiële overzichten of informatie over persoonlijke inkomens, kwalitatieve informatie, gedragsinformatie, sociaal-demografische informatie;

b)

transactierisicokenmerken, waaronder soort product, soort zekerheid, rangorde, Loan-To-Value-ratio;

c)

informatie over delinquency: interne informatie of informatie uit externe bronnen, zoals kredietbureaus.

Artikel 34

Verdeling van debiteuren en blootstellingen in de klassen of groepen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de verdeling van debiteuren en blootstellingen in de klassen of groepen van elk ratingsysteem beoordelen voor de toepassing van artikel 170, lid 1, punten b), d) en f), artikel 170, lid 2, en artikel 170, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

het aantal ratingklassen en -groepen toereikend is om een zinvolle risicodifferentiatie en een kwantificering van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep te garanderen, en dat:

i)

voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken en blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, de ratingschaal voor debiteuren ten minste het aantal klassen heeft zoals vastgelegd in, respectievelijk, artikel 170, lid 1, punt b), en artikel 170, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

voor gekochte kortlopende vorderingen die zijn ingedeeld als blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de heterogeniteit van zijn cliënten weerspiegelt;

b)

er geen overmatige concentratie is van aantallen blootstellingen of debiteuren in een klasse of groep, tenzij die verdeling wordt ondersteund door overtuigende empirische gegevens die aantonen dat het risico van deze blootstellingen of debiteuren homogeen is;

c)

de rating- en faciliteitsklassen of -groepen voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen een voldoende aantal blootstellingen of debiteuren in één klasse of groep hebben, tenzij die verdeling wordt ondersteund door overtuigende empirische gegevens die aantonen dat de groepering van die blootstellingen of debiteuren toereikend is, of dat directe ramingen van risicoparameters voor individuele debiteuren of blootstellingen worden toegepast als bedoeld in artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

de rating- en faciliteitsklassen of -groepen voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, voor zover voldoende data beschikbaar zijn, niet te weinig blootstellingen of debiteuren in één klasse of groep hebben, tenzij de verdeling van blootstellingen of debiteuren wordt ondersteund door overtuigende empirische gegevens die aantonen dat de groepering van die blootstellingen of debiteuren toereikend is, of dat directe ramingen van risicoparameters voor individuele debiteuren of blootstellingen worden toegepast zoals vermeld in artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.   Naast de in lid 1 bepaalde verificatie beoordelen de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval, ook de criteria die de instelling toepast bij het vaststellen van:

a)

het maximale en minimale totale aantal klassen of groepen;

b)

het aandeel van de blootstellingen en debiteuren ondergebracht in elke klasse of groep.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 houden de bevoegde autoriteiten rekening met de in heden en verleden waargenomen verdelingen van het aantal blootstellingen en debiteuren en van de blootstellingswaarden, inclusief de migratie van blootstellingen en debiteuren van de ene klasse of groep naar de andere.

Artikel 35

Risicodifferentiatie

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de risicodifferentiatie van elk ratingsysteem beoordelen voor de toepassing van artikel 170, lid 3, punten b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 ten aanzien van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, verifiëren zij alle volgende punten:

a)

de voor de beoordeling van de risicodifferentiatie gebruikte instrumenten zijn, gelet op de beschikbare data, deugdelijk en toereikend, en de toereikende risicodifferentiatie blijkt uit registraties van tijdreeksen van gerealiseerde wanbetalingsgraden of verliespercentages voor klassen of groepen onder uiteenlopende economische omstandigheden;

b)

de instelling stelt de verwachte werking van het ratingsysteem met betrekking tot risicodifferentiatie vast door middel van duidelijk bepaalde vaste doelen en toleranties voor vastgelegde maatstaven en instrumenten, alsmede acties om afwijkingen van deze doelen en toleranties recht te zetten; afzonderlijke doelen en toleranties kunnen worden vastgesteld voor de initiële ontwikkeling en de doorlopende werking;

c)

de doelen en toleranties voor vastgelegde maatstaven en instrumenten en de mechanismen die worden toegepast om aan deze doelen en toleranties te voldoen, waarborgen een toereikende differentiatie van het risico.

2.   De bevoegde autoriteiten passen ook lid 1 toe bij de beoordeling van de risicodifferentiatie voor blootstellingen niet zijnde die met betrekking tot particulieren en kleine partijen krachtens artikel 170, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien er voldoende data beschikbaar zijn om dit mogelijk te maken.

Artikel 36

Homogeniteit

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de homogeniteit van in dezelfde klasse of groep ondergebrachte debiteuren of blootstellingen beoordelen voor de toepassing van artikel 170, lid 1, en artikel 170, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen zij de kenmerken van debiteuren en transactieverlies in elke klasse of groep op gelijksoortigheid, met inachtneming van de volgende factoren:

a)

interne ratings;

b)

PD-ramingen;

c)

voor zover van toepassing, eigen LGD-ramingen;

d)

voor zover van toepassing, eigen ramingen van omrekeningsfactoren;

e)

voor zover van toepassing, eigen ramingen van totale verliezen.

Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen beoordelen de bevoegde autoriteiten deze factoren voor elk ratingsysteem. De bevoegde autoriteiten beoordelen blootstellingen niet zijnde die met betrekking tot particulieren en kleine partijen alleen voor de ratingsystemen waarvoor voldoende data beschikbaar zijn.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 beoordelen de bevoegde autoriteiten het spectrum van waarden en de verdelingen van de debiteuren- en transactieverlieskenmerken die in elke klasse of groep zijn opgenomen.

AFDELING 4

Methode voor de beoordeling van specifieke vereisten voor statistische modellen of andere mechanische methoden

Artikel 37

Datavereisten

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten het proces voor de validatie van de in het model in te voeren data overeenkomstig artikel 174, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij:

a)

de betrouwbaarheid en kwaliteit van de interne en externe databronnen en de datarange die uit deze bronnen wordt verkregen, alsook de tijdsperiode die de bronnen bestrijken;

b)

het proces voor de samenvoeging van data, waarbij data uit meerdere databronnen worden ingevoerd in het model;

c)

het rationale en de schaal van de uitsluitingen van data, opgesplitst per uitsluitingsreden, met gebruikmaking van statistische gegevens voor het aandeel van de totale data dat elke uitsluiting beslaat wanneer bepaalde data van de modelontwikkelingsteekproef werden uitgesloten;

d)

de procedures voor de aanpak van onjuiste en ontbrekende data en de behandeling van uitschieters en categorische data, en verifiëren zij dat een wijziging in het soort categorisering niet leidt tot een verminderde datakwaliteit of structurele breuken in de data;

e)

de processen voor datatransformatie, waaronder standaardisering en andere functionele transformaties, alsook de toepasselijkheid van deze transformaties, gelet op het risico op model overfitting.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de voor het bouwen van het model gebruikte data als bedoeld in artikel 174, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen op representativiteit, verifiëren zij:

a)

de vergelijkbaarheid van de risicokenmerken van de debiteuren of faciliteiten die tot uiting komen in de voor het bouwen van het model gebruikte data, met die van de blootstellingen die onder een bepaald ratingmodel vallen;

b)

de vergelijkbaarheid van de vigerende overnemings- en invorderingsnormen met de normen toegepast op het moment dat betrekking heeft op de voor de modellering gebruikte referentiedataset;

c)

de consistentie in de tijd van de definitie van wanbetaling binnen de voor de modellering gebruikte data, en verifiëren zij dat:

i)

aanpassingen zijn verricht om consistentie met de vigerende definitie van wanbetaling te verwezenlijken, indien de definitie van wanbetaling tijdens de waarnemingsperiode is gewijzigd;

ii)

de instelling toereikende maatregelen heeft vastgesteld die de representativiteit van de data waarborgen, indien zij actief is in verscheidene rechtsgebieden met verschillende definities van wanbetalingen;

iii)

de definitie van wanbetaling die voor de modelspecificatie wordt toegepast geen negatieve gevolgen heeft voor de structuur en werking van het ratingmodel, indien deze definitie afwijkt van de in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde definitie van wanbetaling;

d)

indien bij ontwikkeling van het model wordt gebruikgemaakt van externe data of een datapool van verschillende instellingen, de relevantie en toereikendheid van deze data voor de blootstellingen, de producten en het risicoprofiel van de instelling.

Artikel 38

Opzet van het model

Wanneer de bevoegde autoriteiten de opzet van het ratingmodel beoordelen voor de toepassing van artikel 174, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij:

a)

de toereikendheid van het model met betrekking tot de specifieke toepassing ervan;

b)

de analyse door de instelling van alternatieve aannames of andere benaderingen dan die welke in het model werden gekozen;

c)

de methode van de instelling voor ontwikkeling van het model;

d)

dat het betrokken personeel van de instelling volledig vertrouwd is met de mogelijkheden en beperkingen van het model, en met name dat de documentatie van het model van de instelling:

i)

een beschrijving bevat van welke beperkingen van het model betrekking hebben op de modelinputs, onzekere aannames en de verwerkingscomponent van het model, en of de modeloutput handmatig of in het IT-systeem wordt uitgevoerd;

ii)

voorziet in het vaststellen van situaties waarbij het model onder verwachting kan werken of ontoereikend wordt en een beoordeling bevat van de materialiteit van tekortkomingen in het model en mogelijke mitigerende factoren ervan.

Artikel 39

Subjectieve inschatting

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of het statistische model of een andere mechanische methode wordt aangevuld met subjectieve inschattingen overeenkomstig artikel 174, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en of subjectieve inschatting op evenredige en toereikende wijze wordt toegepast bij de ontwikkeling van het ratingmodel en het proces voor de onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen, verifiëren zij dat:

a)

de wijze waarop subjectieve inschatting wordt toegepast, gerechtvaardigd en volledig gedocumenteerd wordt en dat het effect van subjectieve inschatting op het ratingsysteem wordt beoordeeld, voor zover mogelijk ook door berekening van de marginale bijdrage van subjectieve inschatting aan de werking van het ratingsysteem;

b)

rekening wordt gehouden met alle relevante informatie die niet in het model wordt meegenomen en er voldoende voorzichtigheid wordt betracht;

c)

indien bij het proces van onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen binnen een ratingsysteem subjectieve inschattingen nodig zijn in de vorm van subjectieve inputdata of indien het kredietbeleid voorziet in bijsturingen van inputs of outputs van het model, al het volgende van toepassing is:

i)

het handboek voor gebruikers van het model definieert duidelijk de inputdata en de situaties waarin de inputdata door middel van subjectieve inschatting kunnen worden aangepast;

ii)

de situaties waarin de inputdata daadwerkelijk werden aangepast, zijn beperkt;

iii)

het handboek voor gebruikers van het model definieert duidelijk de situaties waarin de input of output van ratingmodellen mag worden bijgestuurd, alsmede de procedures voor bijsturing van de input of output van de modellen;

iv)

alle data betreffende toepassing van subjectieve inschatting en de situaties waarin de inputs of outputs van de ratingmodellen zijn bijgestuurd, worden opgeslagen en periodiek geanalyseerd door de afdeling kredietrisicobeheersing of de validatiefunctie om het effect ervan op het ratingmodel vast te stellen;

d)

de toepassing van subjectieve inschatting wordt naar behoren beheerd en geschiedt evenredig aan het soort blootstellingen voor elk ratingsysteem.

Artikel 40

Werking van het model

Wanneer de bevoegde autoriteiten de voorspelkracht van het model beoordelen zoals vereist in artikel 174, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat de interne normen van de instelling:

a)

voorzien in een overzicht van de aannames en theorie die ten grondslag liggen aan de maatstaven die de instelling heeft gekozen om de werking van het model te beoordelen;

b)

de toepassing van de maatstaven specificeren, aangeven of elke maatstaf verplicht of facultatief wordt toegepast en wanneer deze moet worden toegepast, en waarborgt dat de maatstaven op coherente wijze worden gebruikt;

c)

de toepassingsvoorwaarden en de aanvaardbare drempels en geaccepteerde afwijkingen voor de maatstaven vermelden, en uiteenzetten of, en zo ja hoe, bij het beoordelingsproces rekening wordt gehouden met statistische fouten die betrekking hebben op de waarden van deze maatstaven en, bij berekening van meer dan één maatstaf, de methoden bepalen voor het aggregeren van meerdere testresultaten in één enkele beoordeling;

d)

voorzien in een proces waarin gevallen van een verslechterde werking van het model die tot overschrijding van de in punt c) bedoelde drempels leidt, worden gemeld bij de ter zake verantwoordelijke directieleden, en dat de leden van het management die verantwoordelijk zijn voor het nemen van de uiteindelijke beslissing over uitvoering van de noodzakelijke wijzigingen in het model, duidelijke handvatten verstrekken over de wijze waarop de resultaten van de maatstaven moeten worden meegenomen.

HOOFDSTUK 8

BEOORDELINGSMETHODE VOOR RISICOKWANTIFICERING

AFDELING 1

Algemeen

Artikel 41

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling, voor de toepassing van artikel 144, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoet aan de vereisten voor kwantificering van risicoparameters, verifiëren de bevoegde autoriteiten:

a)

naleving van de in artikel 179 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde algemene ramingsvereisten, vastgesteld, overeenkomstig de artikelen 42, 43 en 44;

b)

naleving van de in artikel 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten die specifiek zijn voor PD-raming, overeenkomstig de artikelen 45 en 46;

c)

naleving van de vereisten die specifiek zijn voor eigen LGD-ramingen, neergelegd in artikel 181 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig de artikelen 47 tot en met 52;

d)

naleving van de vereisten die specifiek zijn voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren, vastgesteld in artikel 182 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig de artikelen 53 tot en met 56;

e)

naleving van de vereisten voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten, vastgesteld in artikel 183 van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig artikel 57;

f)

naleving van de in artikel 184 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten voor gekochte kortlopende vorderingen, overeenkomstig artikel 58.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen van de instelling toetsen;

b)

de technische documentatie van de instelling over de toepasselijke methode en het toepasselijke ramingsproces toetsen;

c)

de betrokken handboeken, methoden en processen voor het ramen van risicoparameters toetsen en beproeven;

d)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen van de instelling, waaronder het leidinggevend orgaan, het comité voor modellen of andere comités;

e)

de rapporten toetsen over de werking van risicoparameters en de aanbevelingen van de afdeling kredietrisicobeheersing, de functies voor validatie en interne accountantscontrole of een andere controlefunctie van de instelling;

f)

beoordelingen maken van de voortgangsverslagen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens de relevante accountantscontroles, validaties en monitoring geconstateerde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directie van de instelling.

3.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

verzoeken om aanvullende documentatie of analyse die de methodologische keuzes van de instelling en de verkregen resultaten onderbouwen;

b)

eigen ramingen van risicoparameters maken of die van de instelling reproduceren en daarbij gebruikmaken van de toepasselijke data die de instelling heeft verstrekt;

c)

bij het ramingsproces gebruikte data opvragen en analyseren;

d)

de functionele documentatie van de IT-systemen toetsen die relevant is voor het toepassingsgebied van de beoordeling;

e)

eigen tests uitvoeren op de data van de instelling of de instelling verzoeken om tests op voorstel van de bevoegde autoriteit uit te voeren;

f)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

AFDELING 2

Methode voor de beoordeling van de algemene vereisten voor de kwantificering van de risicoparameters

Artikel 42

Datavereisten

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of is voldaan aan de in artikel 179 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde algemene vereisten voor raming, de data voor de kwantificering van risicoparameters en de kwaliteit van die data, verifiëren zij:

a)

de volledigheid van de kwantitatieve en kwalitatieve data en andere informatie met betrekking tot de methoden die voor de kwantificering van risicoparameters worden gebruikt, om te waarborgen dat wordt gebruikgemaakt van alle relevante ervaring uit het verleden en empirische gegevens;

b)

de beschikbaarheid van kwantitatieve data waaruit de ontbinding blijkt van de verlieservaring in de factoren die de determinanten zijn van de respectieve risicoparameters als bedoeld in artikel 179, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

de representativiteit van de voor raming van de risicoparameters voor bepaalde soorten blootstellingen gebruikte data;

d)

de toereikendheid van het aantal blootstellingen in de steekproef en de duur van de historische waarnemingsperiode als bedoeld in de artikelen 45, 47 en 53, toegepast voor de kwantificering om te waarborgen dat de ramingen van de instelling nauwkeurig en robuust zijn;

e)

de rechtvaardiging voor en de documentatie van alle opschoningen van data, waaronder uitsluitingen van waarnemingen uit de raming en een bevestiging dat deze uitsluitingen de risicokwantificering niet vertekenen; voor PD-ramingen, in het bijzonder, de rechtvaardiging voor en de documentatie van het effect van de opschoning van data op het gemiddelde over een lange periode van de gerealiseerde wanbetalingsgraad;

f)

de samenhang tussen de voor de raming van de risicoparameters gebruikte datasets, vooral met betrekking tot de definitie van wanbetaling, de behandeling van wanbetalingen, met inbegrip van meervoudige wanbetalingen als bedoeld in artikel 46, lid 1, punt b), en artikel 49, en de samenstelling van de steekproef.

2.   Voor de verificatie in het kader van lid 1, punt c), beoordelen de bevoegde autoriteiten de representativiteit van de data die worden gebruikt voor het ramen van de risicoparameters ten behoeve van bepaalde soorten blootstellingen, door een beoordeling te maken van:

a)

de opzet van de onder elk ratingmodel vallende blootstellingen en de verschillende risicokenmerken van de debiteuren of faciliteiten, en of de bestaande portefeuille, tot het voorgeschreven niveau, vergelijkbaar is met de portefeuilles die de referentiedataset vormen;

b)

de vergelijkbaarheid van de vigerende overnemings- en invorderingsnormen met de normen die worden toegepast op het moment waar de referentiedataset betrekking op heeft;

c)

de consistentie van de definitie van wanbetaling in de waarnemingsperiode:

i)

wanneer de definitie van wanbetaling in de waarnemingsperiode gewijzigd is: de beschrijving van de verrichte aanpassingen om het vereiste niveau van consistentie met de vigerende definitie van wanbetaling te verwezenlijken;

ii)

wanneer definities van wanbetaling uiteenlopen in de rechtsgebieden waarin de instelling actief is: de toereikendheid van de maatregelen en de voorzichtigheid die de instelling hanteert;

d)

wanneer bij de kwantificering van risicoparameters wordt gebruikgemaakt van externe data of een datapool van verschillende instellingen: de relevantie en geschiktheid van deze data voor de blootstellingen, de producten en het risicoprofiel van de instelling en de bij de instelling gehanteerde definitie van wanbetaling;

e)

wanneer de externe data of data uit de datapool niet aansluiten bij de interne definitie van wanbetaling bij de instelling: de beschrijving van de aanpassingen die de instelling heeft verricht in de externe data of datapool om het vereiste niveau van consistentie met de definitie van wanbetaling te bereiken.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de datapool van verschillende instellingen die wordt gebruikt voor de kwantificering van risicoparameters, beoordelen op kwaliteit, passen zij in aanvulling op de verificatie van de naleving van de vereisten in artikel 179, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 de in de leden 1 en 2 neergelegde beoordelingsmethode toe.

Artikel 43

Toetsing van ramingen

Wanneer de bevoegde autoriteiten het onderzoek van de ramingen van de risicoparameters beoordelen zoals vermeld in artikel 179, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

het proces en het jaarlijkse plan voor onderzoek van de ramingen in een tijdig onderzoek van alle ramingen voorzien;

b)

er criteria zijn bepaald voor de vaststelling van situaties die nopen tot frequenter onderzoek;

c)

de voor raming van de risicoparameters gebruikte methoden en data veranderingen in het overnemingsproces en in de samenstelling van de portefeuilles weerspiegelen;

d)

de voor de LGD-raming gebruikte methoden en data wijzigingen weerspiegelen in het invorderingsproces, de soorten invorderingen en de duur van het invorderingsproces;

e)

de methoden en data voor de raming van omrekeningsfactoren wijzigingen weerspiegelen in het proces voor de monitoring van niet-opgenomen bedragen;

f)

de voor raming van de risicoparameters gebruikte dataset de relevante data uit de meest recente waarnemingsperiode bevat en ten minste eenmaal per jaar wordt bijgewerkt;

g)

de technische vooruitgang en andere relevante informatie tot uitdrukking komen in de ramingen van de risicoparameters.

Artikel 44

Voorzichtigheidsmarge

1.   De bevoegde autoriteiten beoordelen in de volgende situaties of een passende voorzichtigheidsmarge is opgenomen in de waarden van risicoparameters die worden gebruikt bij de berekening van de kapitaalvereisten, als bedoeld in artikel 179, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013:

a)

de methoden en data bieden onvoldoende zekerheid met betrekking tot de ramingen van de risicoparameters, zoals in situaties waar significante ramingsfouten worden gemaakt;

b)

de afdeling kredietrisicobeheersing, de validatiefunctie, de afdeling interne accountantscontrole of een andere controlefunctie van de instelling heeft relevante tekortkomingen vastgesteld in de methoden, informatie en data;

c)

relevante wijzigingen in de overnemingsnormen of beleidslijnen voor invordering of veranderingen in de risicobereidheid van de instelling.

2.   De bevoegde autoriteiten beoordelen of de instellingen de voorzichtigheidsmarge niet aanwenden ter vervanging van door hen op grond van artikel 146 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te nemen corrigerende maatregelen.

AFDELING 3

Methode voor de beoordeling van de specifieke vereisten voor pd-raming

Artikel 45

Duur van de historische waarnemingsperiode

Wanneer de bevoegde autoriteiten de duur van de historische waarnemingsperiode, genoemd in artikel 180, lid 1, punt h), en artikel 180, lid 2, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72 van de Commissie ten aanzien van technische reguleringsnormen tot specificatie van voorwaarden voor toestemmingen voor gegevensontheffing (6), en de berekening van jaarlijkse wanbetalingsgraden op basis van interne ervaring met wanbetaling als bedoeld in artikel 180, lid 1, punt e), verifiëren zij:

a)

dat de duur van de historische waarnemingsperiode ten minste de minimumduur beslaat overeenkomstig de vereisten vastgesteld in artikel 180, lid 1, punt h), en artikel 180, lid 2, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en voor zover van toepassing, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72;

b)

indien de historische waarnemingsperiode langer is dan de in artikel 180, lid 1, punt h), of artikel 180, lid 2, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor een databron vereiste minimumduur, en de daaruit verkregen data relevant zijn: dat de informatie voor die langere periode wordt gebruikt om het gemiddelde over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingsgraden te ramen;

c)

voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen waarbij de instelling geen even groot belang hecht aan alle gebruikte historische data: dat dit wordt gerechtvaardigd door een betere voorspelling van de wanbetalingsgraden, en dat een op een bepaalde periode toegepast nulgewicht of zeer laag gewicht hetzij naar behoren wordt gerechtvaardigd hetzij tot voorzichtigere ramingen leidt;

d)

dat er samenhang is tussen de overnemingsnormen en de bestaande ratingsystemen, en dat er vergelijkbare overnemingsnormen zijn gebruikt op het moment waarop de interne wanbetalingsdata werden gegenereerd, of dat voor wijzigingen in overnemingsnormen en ratingsystemen de in artikel 44, lid 1, punt c), genoemde voorzichtigheidsmarge is gehanteerd;

e)

voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, dat de definitie van debiteuren met een hoge hefboomfinanciering en debiteuren waarvan de activa overwegend verhandelde activa zijn als bedoeld in artikel 180, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook de vaststelling van perioden van hoge volatiliteit voor de debiteuren als bedoeld in die bepaling, toereikend zijn.

Artikel 46

Methode voor PD-raming

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de in artikel 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde methode voor PD-raming beoordelen, verifiëren zij dat de jaarlijkse wanbetalingsgraad voor elke klasse of groep wordt berekend op een wijze die in overeenstemming is met de kenmerken van de jaarlijkse wanbetalingsgraad, zoals omschreven in artikel 4, lid 1, punt 78, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en verifiëren zij dat:

a)

in de noemer van de jaarlijkse wanbetalingsgraad de debiteuren of blootstellingen zijn opgenomen die, bij aanvang van een periode van één jaar, niet in wanbetaling zijn en in die ratingklasse of -groep zijn ondergebracht;

b)

in de teller van de jaarlijkse wanbetalingsgraad die debiteuren of blootstellingen als bedoeld in punt a) zijn opgenomen die binnen die periode van één jaar in wanbetaling zijn; meervoudige wanbetalingen die van toepassing zijn op dezelfde debiteur of blootstelling, waargenomen in de periode van één jaar die betrekking heeft op de wanbetalingsgraad, worden beschouwd als een enkelvoudige wanbetaling als bedoeld in artikel 49, punt b), die heeft plaatsgevonden op de dag van de eerste van deze meervoudige wanbetalingen.

2.   De bevoegde autoriteiten verifiëren dat de methode voor de PD-raming per debiteurenklasse of -groep gebaseerd is op het gemiddelde over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden.

Hiertoe verifiëren zij dat de door de instelling gehanteerde periode voor raming van het gemiddelde over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden representatief is voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van wanbetalingsgraden voor dat soort blootstellingen.

3.   Indien de waargenomen data die voor PD-raming zijn gebruikt, niet representatief zijn voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van wanbetalingsgraden voor een soort blootstelling, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat aan de beide volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de instelling past een geschikte andere methode toe om het gemiddelde te ramen van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden over een periode die representatief is voor het waarschijnlijke bereik van de variabiliteit van wanbetalingsgraden voor dat soort blootstellingen;

b)

een gepaste voorzichtigheidsmarge wordt aangehouden wanneer, na toepassing van een geschikte methode als bedoeld in punt a), wordt geoordeeld dat de raming van de gemiddelden van de wanbetalingsgraden onbetrouwbaar is of andere beperkingen heeft.

4.   Voor de verificatie in het kader van lid 1 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat alle volgende elementen toereikend zijn voor het soort blootstellingen:

a)

de functionele en structurele kenmerken van de ramingsmethode;

b)

de aannames waarop de ramingsmethode berust;

c)

de cycliciteit van de ramingsmethode;

d)

de duur van de historische waarnemingsperiode toegepast overeenkomstig artikel 45;

e)

de voorzichtigheidsmarge toegepast overeenkomstig artikel 44;

f)

de subjectieve inschatting;

g)

voor zover van toepassing, de keuze van de risicodeterminanten.

5.   Voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken waarbij sprake is van debiteuren met een hoge hefboomfinanciering en debiteuren waarvan de activa overwegend verhandelde activa zijn als bedoeld in artikel 180, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat, zoals vermeld in die bepaling, de PD de prestaties van de onderliggende activa op basis van perioden van hoge volatiliteit weerspiegelt.

6.   Voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken waarbij de instelling een ratingschaal van een EKBI gebruikt, verifiëren de bevoegde autoriteiten de analyse die de instelling heeft gemaakt betreffende naleving van de vereisten vastgesteld in artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en gaan zij na of er in die analyse aandacht is besteed aan de vraag of de soorten blootstellingen waarvoor de EKBI een rating heeft uitgebracht, representatief zijn voor het soort blootstellingen van de instelling en de tijdshorizonten voor de kredietbeoordeling door de EKBI.

7.   Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen waarbij de instelling de PD- of LGD-ramingen afleidt uit een raming van de totale verliezen en een adequate PD- of LGD-raming als bedoeld in artikel 180, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten de analyse die de instelling heeft gemaakt van de naleving van alle toepasselijke criteria met betrekking tot PD- en LGD-raming, vastgesteld in de artikelen 178 tot en met 184 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

8.   Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de instelling regelmatig analyses verricht van en rekening houdt met de verwachte wijzigingen in PD tijdens de looptijd van blootstellingen aan kredietrisico (“seasoning effects”) als bedoeld in artikel 180, lid 2, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

9.   Bij de beoordeling van statistische modellen voor PD-raming gebruiken de bevoegde autoriteiten, afgezien van de in de punten 1 tot en met 8 vastgestelde methoden, de methode voor de beoordeling van specifieke vereisten voor statistische modellen of andere mechanische methoden, neergelegd in de artikelen 37 tot en met 40.

AFDELING 4

Methode voor de beoordeling van specifieke vereisten voor eigen lgd-ramingen

Artikel 47

Duur van de historische waarnemingsperiode

Wanneer de bevoegde autoriteiten de duur beoordelen van de periode die voor de LGD-raming wordt gebruikt in de zin van artikel 181, lid 1, punt j), en artikel 181, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72, (“historische waarnemingsperiode”), verifiëren zij dat:

a)

de duur van de historische waarnemingsperiode ten minste de minimumduur beslaat overeenkomstig de vereisten vastgesteld in artikel 181, lid 1, punt j), en artikel 181, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en voor zover van toepassing, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72;

b)

indien de beschikbare historische waarnemingsperiode langer is dan de in artikel 181, lid 1, punt j), en artikel 181, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor een databron vereiste minimumduur, en de daaruit verkregen data relevant zijn voor de LGD-raming: dat de informatie voor die langere periode wordt gebruikt;

c)

voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen waarbij de instelling geen even groot belang hecht aan alle gebruikte historische data: dat dit wordt gerechtvaardigd door een betere voorspelling van de verliespercentages, en dat een op een bepaalde periode toegepast nulgewicht of zeer laag gewicht hetzij naar behoren wordt gerechtvaardigd hetzij tot voorzichtigere ramingen leidt.

Artikel 48

Methode voor LGD-raming

Wanneer de bevoegde autoriteiten de methode voor eigen LGD-ramingen als bedoeld in artikel 181 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

de instelling de LGD’s beoordeelt per homogene faciliteitsklasse of -groep;

b)

de gemiddelde LGD per faciliteitsklasse of -groep wordt berekend aan de hand van het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde;

c)

alle waargenomen wanbetalingen binnen de databronnen worden gebruikt, met name dat er voorzichtig rekening wordt gehouden met onvolledige invorderingsprocessen voor de toepassing van de LGD-raming, en dat de keuze van de schuldherschikkingsperiode en de methoden voor raming van aanvullende kosten en invorderingen na en, voor zover noodzakelijk, tijdens die periode, relevant zijn;

d)

de LGD-ramingen van gedekte blootstellingen niet alleen gebaseerd zijn op de geraamde marktwaarde van de zekerheid maar ook op de gerealiseerde invorderingen uit liquidaties in het verleden en het potentiële onvermogen van een instelling om zeggenschap te krijgen over deze zekerheid en deze uit te winnen;

e)

in de LGD-ramingen van gedekte blootstellingen rekening wordt gehouden met potentiële dalingen van de waarde van zekerheden vanaf het punt van de LGD-raming tot de eventuele invordering;

f)

op voorzichtige wijze rekening wordt gehouden met de mate van afhankelijkheid tussen het risico van de debiteur en het risico van een dalende waarde van de zekerheid en de kosten van uitwinning van de zekerheid;

g)

onbetaalde achterstallige provisies in de winst- en verliesrekening van de instelling zijn geactiveerd, voordat de wanbetalingen bij de waarde van de blootstelling en het verlies van de instelling worden geteld;

h)

op passende wijze rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van toekomstige opnemingen na de wanbetaling;

i)

alle volgende aspecten geschikt zijn voor het soort blootstellingen waarop zij worden toegepast:

i)

de functionele en structurele kenmerken van de ramingsmethode;

ii)

de aannames met betrekking tot de ramingsmethode;

iii)

de ramingsmethode voor een neergangseffect;

iv)

de omvang van gebruikte datareeksen;

v)

de voorzichtigheidsmarge;

vi)

de toepassing van subjectieve inschatting;

vii)

voor zover van toepassing, de keuze van de risicodeterminanten.

Artikel 49

Behandeling van meervoudige wanbetalingen

Voor de behandeling van debiteuren die verschillende malen binnen een kort tijdsbestek zoals bepaald door de instelling in wanbetaling zijn en weer terugkeren naar de status van niet-wanbetaling (“meervoudige wanbetalingen”), verifiëren de bevoegde autoriteiten de toereikendheid van de methoden die de instelling gebruikt en verifiëren zij dat:

a)

uitdrukkelijke voorwaarden worden vastgesteld voordat een faciliteit wordt geacht te zijn teruggekeerd naar een status van niet-wanbetaling;

b)

meervoudige wanbetalingen, vastgesteld binnen een door de instelling afgebakende periode, als een enkelvoudige wanbetaling worden aangemerkt ten behoeve van LGD-raming, waarbij de wanbetalingsdatum van de eerste waargenomen wanbetaling wordt gebruikt als de toepasselijke wanbetalingsdatum en het invorderingsproces in aanmerking wordt genomen vanaf die datum tot de beëindiging van het invorderingsproces na de laatste waargenomen wanbetaling in deze periode;

c)

de duur van de periode waarin meervoudige wanbetalingen worden opgenomen als een enkelvoudige wanbetaling, wordt bepaald met inachtneming van de interne beleidslijnen en de analyse van de wanbetalingservaring van de instelling;

d)

wanbetalingen die voor ramingen van PD’s en omrekeningsfactoren worden toegepast, op gelijke wijze worden behandeld als wanbetalingen die voor de raming van LGD’s worden toegepast.

Artikel 50

Gebruik van voor een economische neergang passende LGD-ramingen

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of wordt voldaan aan het vereiste voor het gebruik van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang zoals bepaald in artikel 181, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de instelling gebruikmaakt van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang indien deze voorzichtiger zijn dan het gemiddelde over een lange periode;

b)

de instelling ter rechtvaardiging van haar keuzes zowel gemiddelden over een lange periode als voor een economische neergang passende LGD-ramingen levert;

c)

de instelling een strikt en goed gedocumenteerd proces hanteert voor het identificeren van een economische neergang en het beoordelen van de effecten ervan op de invorderingspercentages en op het maken van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang;

d)

de instelling in de LGD-ramingen eventuele negatieve afhankelijkheden opneemt die zijn vastgesteld tussen, enerzijds, geselecteerde economische indicatoren en, anderzijds, de invorderingspercentages.

Artikel 51

Raming van LGD, ELBE en UL voor blootstellingen in wanbetaling

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de vereisten beoordelen voor LGD-ramingen voor blootstellingen in wanbetaling en voor de beste raming van verwachte verliezen (“ELBE ”) als bedoeld in artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat de instelling een van de volgende benaderingen gebruikt en beoordelen zij de door de instelling gebruikte benadering:

a)

directe raming van de LGD voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan (“LGD in geval van wanbetaling”) en directe raming van de ELBE;

b)

directe raming van de ELBE en raming van de LGD in geval van wanbetaling als de som van de ELBE en een opslagfactor voor het meewegen van onverwacht verlies in verband met blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, dat zich tijdens de invorderingsperiode kan voordoen.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de benadering van de instelling beoordelen overeenkomstig lid 1, verifiëren zij dat:

a)

in de ramingsmethoden voor de LGD in geval van wanbetaling, ongeacht of het gaat om een directe raming of een op de ELBE toegepaste opslagfactor, rekening wordt gehouden met mogelijke bijkomende onverwachte verliezen (“UL”) tijdens de invorderingsperiode, en met name dat mogelijke ongunstige veranderingen in de economische omstandigheden tijdens de verwachte duur van het invorderingsproces in aanmerking worden genomen;

b)

in de ramingsmethoden voor de LGD in geval van wanbetaling, ongeacht of het gaat om een directe raming of een op de ELBE toegepaste opslagfactor, en voor de ELBE rekening wordt gehouden met de informatie over de tijd dat bij een blootstelling sprake is van wanbetaling en over de tot op dat moment gerealiseerde invorderingen;

c)

indien de instelling een directe raming van de LGD in geval van wanbetaling toepast: dat de ramingsmethoden in overeenstemming zijn met de vereisten van de artikelen 47, 48 en 49;

d)

de raming van de LGD in geval van wanbetaling hoger is dan de ELBE of, wanneer de LGD in geval van wanbetaling gelijk is aan de ELBE, dat voor afzonderlijke blootstellingen dergelijke gevallen worden beperkt en naar behoren door de instelling worden gerechtvaardigd;

e)

in de ramingsmethoden voor de ELBE rekening wordt gehouden met alle op dat moment beschikbare en relevante informatie, en met name met de heersende economische omstandigheden;

f)

bij overschrijding van de ELBE-ramingen door specifieke kredietrisicoaanpassingen de verschillen tussen de twee geanalyseerd en naar behoren gerechtvaardigd worden;

g)

de LGD in geval van wanbetaling, ongeacht of het gaat om een directe raming of een op de ELBE toegepaste opslagfactor, en de ramingsmethoden voor de ELBE duidelijk worden gedocumenteerd.

Artikel 52

Vereisten voor beheer van zekerheden, rechtszekerheid en risicobeheer

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling voor beheer van zekerheden, rechtszekerheid en risicobeheer interne vereisten heeft vastgesteld die in het algemeen in overeenstemming zijn met de vereisten in hoofdstuk 4, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, als bedoeld in artikel 181, lid 1, punt f), van die verordening, verifiëren zij dat ten minste de beleidslijnen en procedures van de instelling met betrekking tot de interne vereisten voor de waardering van zekerheden en rechtszekerheid volledig stroken met de in deel 3, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten.

AFDELING 5

Methode voor de beoordeling van voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren specifieke vereisten

Artikel 53

Duur van de historische waarnemingsperiode

Wanneer de bevoegde autoriteiten de duur beoordelen van de periode die wordt toegepast voor de raming van omrekeningsfactoren genoemd in artikel 182, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72, (“historische waarnemingsperiode”), verifiëren zij:

a)

dat de duur van de historische waarnemingsperiode ten minste de minimumduur beslaat zoals vereist in artikel 182, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor zover van toepassing, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72;

b)

wanneer de beschikbare historische waarnemingsperiode langer is dan de in artikel 182, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor een databron vereiste minimumduur, en de daaruit verkregen data relevant zijn voor de raming van omrekeningsfactoren, dat de informatie voor die langere periode wordt gebruikt;

c)

voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen waarbij de instelling geen even groot belang hecht aan alle gebruikte historische data: dat dit wordt gerechtvaardigd door een betere voorspelling van opnamen onder toegezegde leningen, en dat, indien een nulgewicht of zeer laag gewicht op een bepaalde periode wordt toegepast, dit hetzij naar behoren wordt gerechtvaardigd hetzij tot voorzichtigere ramingen leidt.

Artikel 54

Methode voor raming van omrekeningsfactoren

Wanneer de bevoegde autoriteiten de methode voor raming van omrekeningsfactoren als bedoeld in artikel 182 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

de instelling de ramingen van omrekeningsfactoren beoordeelt per faciliteitsklasse of -groep;

b)

de gemiddelde gerealiseerde omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep worden berekend aan de hand van het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde;

c)

alle waargenomen wanbetalingen binnen de databronnen voor de raming van omrekeningsfactoren worden gebruikt;

d)

er op voorzichtige wijze rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht, behalve voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wanneer deze in de LGD-ramingen zijn opgenomen;

e)

de beleidslijnen en strategieën van de instelling voor het rekeningenbeheer (waaronder de monitoring van limieten) en voor de betalingsverwerking tot uiting komen in de raming van de omrekeningsfactoren;

f)

al volgende elementen toereikend zijn voor het soort blootstellingen waarop zij worden toegepast:

i)

de functionele en structurele kenmerken van de ramingsmethode;

ii)

de aannames waarop de ramingsmethode berust;

iii)

voor zover van toepassing, de methode voor raming van het neergangseffect;

iv)

de duur van de historische waarnemingsperiode overeenkomstig artikel 53;

v)

de voorzichtigheidsmarge toegepast overeenkomstig artikel 44;

vi)

de subjectieve inschatting;

vii)

voor zover van toepassing, de keuze van de risicodeterminanten.

Artikel 55

Gebruik van ramingen voor omrekeningsfactoren passend voor een economische neergang

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of wordt voldaan aan het vereiste voor het gebruik van ramingen voor omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang zoals bepaald in artikel 182, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de instelling gebruikmaakt van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang wanneer deze voorzichtiger zijn dan het gemiddelde over een lange periode;

b)

de instelling ter rechtvaardiging van haar keuzes zowel gemiddelden over een lange periode levert als ramingen voor omrekeningsfactoren die passend zijn voor economische neergang;

c)

de instelling een strikt en goed gedocumenteerd proces hanteert voor het identificeren van een economische neergang en het beoordelen van de effecten ervan op de benutting van kredietlimieten en op het maken van ramingen voor omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang;

d)

de instelling in de ramingen voor omrekeningsfactoren eventuele negatieve afhankelijkheden opneemt die zijn vastgesteld tussen, enerzijds, geselecteerde economische indicatoren en, anderzijds, de benutting van kredietlimieten.

Artikel 56

Vereisten voor beleidslijnen en strategieën voor monitoring van rekeningen en verwerking van betalingen

Om te beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten voor de raming van omrekeningsfactoren als bedoeld in artikel 182, lid 1, punten d) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de instelling beschikt over beleidslijnen en strategieën met betrekking tot monitoring van rekeningen en verwerking van betalingen, en over toereikende systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten dagelijks te monitoren.

AFDELING 6

Methode voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten

Artikel 57

Toelaatbaarheid van garantiegevers en garanties

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten op risicoparameters als bedoeld in artikel 183 van Verordening (EU) nr. 575/2013 verifiëren zij dat:

a)

de instelling duidelijk gespecificeerde criteria hanteert voor de vaststelling van situaties waarin PD- of LGD-ramingen moeten worden aangepast om rekening te houden met mitigerende effecten van garanties, en dat deze criteria consequent in de tijd worden toegepast;

b)

indien de PD van de protectiegever moet worden gebruikt voor aanpassing van de risicogewogen posten overeenkomstig artikel 153, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de mitigerende effecten van garanties niet worden opgenomen in de ramingen van de LGD of PD van de debiteur;

c)

de instelling duidelijk gespecificeerde criteria hanteert voor de erkenning van garantiegevers en garanties voor de berekening van risicogewogen posten, met name door middel van eigen LGD- of PD-ramingen;

d)

de instelling de criteria voor de aanpassing van eigen LGD- of PD-ramingen documenteert om de effecten van garanties weer te geven;

e)

de instelling in haar eigen LGD- of PD-ramingen alleen de garanties erkent die aan de volgende criteria voldoen:

i)

indien de garantiegever een interne rating van de instelling heeft gekregen door middel van een ratingsysteem dat al door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd voor de toepassing van de IRB-benadering, voldoet de garantie aan de in artikel 183, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten;

ii)

indien de instelling toestemming heeft gekregen om de standaardbenadering te gebruiken krachtens artikelen 148 en 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor blootstellingen met betrekking tot entiteiten zoals de garantiegever, wordt voldaan aan de beide volgende voorwaarden:

de garantiegever is ondergebracht in een blootstellingscategorie overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 als instelling, centrale overheid of centrale bank, of als onderneming met een kredietbeoordeling van een EKBI;

de garantie voldoet aan de in de artikelen 213 tot en met 216 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten;

f)

de instelling ook voor single-namekredietderivaten aan de vereisten in de punten a) en e) voldoet.

AFDELING 7

Methode voor de beoordeling van de vereisten voor gekochte kortlopende vorderingen

Artikel 58

Ramingen van risicoparameters voor gekochte kortlopende vorderingen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid beoordelen van PD- en LGD-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen, voor zover de instelling de PD of LGD voor gekochte kortlopende vorderingen afleidt uit een EL-raming overeenkomstig artikel 160, lid 2, en artikel 161, lid 1, punten e) en f), en uit een adequate PD- of LGD-raming, verifiëren zij dat:

a)

de EL wordt geraamd op basis van het gemiddelde over een lange periode van de jaarlijkse totale-verliespercentages of door middel van een andere geschikte benadering;

b)

het proces voor de raming van het totale verlies spoort met het LGD-concept zoals beschreven in artikel 181, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

de instelling haar EL-ramingen op een betrouwbare wijze kan uitsplitsen in PD’s en LGD’s;

d)

in geval van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarbij artikel 153, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegepast, voldoende externe en interne data worden gebruikt.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten in andere gevallen dan die als bedoeld in lid 1, de PD- en LGD-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen beoordelen:

a)

beoordelen zij deze ramingen overeenkomstig de artikelen 42 tot en met 52;

b)

verifiëren zij dat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 184 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

HOOFDSTUK 9

BEOORDELINGSMETHODE VOOR HET ONDERBRENGEN VAN BLOOTSTELLINGEN IN BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN

Artikel 59

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling voldoet aan het vereiste dat elke blootstelling consequent in de tijd wordt ondergebracht in een blootstellingscategorie, zoals bepaald in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013, beoordelen de bevoegde autoriteiten:

a)

de door de instelling gehanteerde onderbrengingsmethode en de toepassing daarvan, overeenkomstig artikel 60;

b)

de volgorde bij de onderbrenging van de blootstellingen in blootstellingscategorieën, overeenkomstig artikel 61;

c)

of de instelling specifieke aandachtspunten inzake de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen in aanmerking heeft genomen, overeenkomstig artikel 62.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen, procedures en onderbrengingsmethode van de instelling toetsen;

b)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

c)

de relevante bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

d)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

e)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling;

f)

de criteria toetsen die worden gebruikt door het personeel dat verantwoordelijk is voor de handmatige onderbrenging van blootstellingen in blootstellingscategorieën.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

steekproeven uitvoeren en documenten toetsen met betrekking tot de kenmerken van een debiteur en het initiëren en aanhouden van de blootstellingen;

b)

de functionele documentatie van de toepasselijke IT-systemen toetsen;

c)

de data van de instelling vergelijken met publiek toegankelijke data, waaronder data die zijn geregistreerd in de database die de EBA onderhoudt overeenkomstig artikel 115, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, of in de databases die de bevoegde autoriteiten onderhouden;

d)

controleren of de instelling voldoet aan Uitvoeringsbesluit 2014/908/EU van de Commissie (7) betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en gebiedsdelen ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

eigen tests uitvoeren op de data van de instelling of de instelling verzoeken om tests op voorstel van de bevoegde autoriteit uit te voeren;

f)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 60

Onderbrengingsmethode en de toepassing daarvan

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de onderbrengingsmethode van de instelling beoordelen overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de methode volledig gedocumenteerd is en voldoet aan alle in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten;

b)

in de methode rekening wordt gehouden met de in artikel 61 neergelegde volgorde bij onderbrenging;

c)

in de methode een lijst is opgenomen van de toezicht- en reguleringsvereisten van derde landen die gelijkwaardig worden geacht aan die van de Unie overeenkomstig het uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en gebiedsdelen ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2014/908/EU), als bedoeld in artikel 107, lid 4, artikel 114, lid 7, artikel 115, lid 4, en artikel 116, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wanneer deze gelijkwaardigheid vereist is voor de onderbrenging van een blootstelling in een bepaalde categorie.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de toepassing van de in lid 1 genoemde onderbrengingsmethode beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

de procedures voor de data-invoer en datatransformatie in de IT-systemen voldoende robuust zijn om te waarborgen dat elke blootstelling correct in een blootstellingscategorie wordt ondergebracht;

b)

er voldoende detailleerde criteria beschikbaar zijn voor het personeel dat verantwoordelijk is voor het onderbrengen van blootstellingen, om een consequente onderbrenging te verzekeren;

c)

de onderbrenging in blootstellingen in aandelen, posten die securitisatieposities vertegenwoordigen en blootstellingen die worden aangemerkt als blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening overeenkomstig artikel 147, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt uitgevoerd door personeel dat op de hoogte is van de voorwaarden en de relevante bijzonderheden van de transactie die bepalend zijn voor de identificatie van deze blootstellingen;

d)

de onderbrenging met behulp van de meest recente data wordt uitgevoerd.

3.   Voor blootstellingen met betrekking tot icb’s verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de instellingen zich tot het uiterste inspannen om de onderliggende blootstellingen onder te brengen in passende blootstellingscategorieën overeenkomstig artikel 152 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 61

Volgorde bij de onderbrenging

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de instelling zich bij de onderbrenging van blootstellingen in blootstellingscategorieën aan artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 houdt, verifiëren zij dat de onderbrenging in de volgende volgorde geschiedt:

a)

bij de eerste stap worden de blootstellingen die mogen worden ingedeeld onder blootstellingen in aandelen, posten die securitisatieposities vertegenwoordigen en andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen, in deze categorieën ondergebracht overeenkomstig artikel 147, lid 2, punten e), f) en g), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

bij de tweede stap worden de blootstellingen die niet zijn ondergebracht overeenkomstig punt a) en die ingedeeld mogen worden onder de categorieën voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, blootstellingen met betrekking tot instellingen, blootstellingen met betrekking tot ondernemingen of blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, in deze categorieën ondergebracht overeenkomstig artikel 147, lid 2, punten a), b), c) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

bij de derde stap worden de kredietverplichtingen die niet zijn ondergebracht overeenkomstig de punten a) of b), ondergebracht in de categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen overeenkomstig artikel 147, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 62

Specifieke vereisten voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de onderbrenging van blootstellingen onder de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen beoordelen overeenkomstig artikel 147, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de instelling op basis van duidelijke criteria en op consistente wijze onderscheid maakt tussen blootstellingen die betrekking hebben op natuurlijke personen en blootstellingen op kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s);

b)

voor het monitoren van de naleving van de in artikel 147, lid 5, punt a), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde limiet beschikt de instelling over toereikende procedures en mechanismen voor:

i)

het identificeren van groepen verbonden cliënten en het aggregeren van relevante blootstellingen die elke instelling en haar moederonderneming en haar dochterondernemingen jegens de groep verbonden cliënten aanhoudt;

ii)

het beoordelen van gevallen waarin de limiet is overschreden;

iii)

het waarborgen dat een blootstelling met betrekking tot een kmo waarvoor de limiet is overschreden, zonder verdere vertraging wordt overgebracht naar de categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten verifiëren dat blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen niet op een even individuele basis worden beheerd als in de categorie blootstellingen met betrekking tot ondernemingen gebeurt in de zin van artikel 147, lid 5, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, nemen zij ten minste de volgende onderdelen van het kredietacceptatieproces in aanmerking:

a)

marketing en verkoopactiviteiten;

b)

soort product;

c)

ratingproces;

d)

ratingsysteem;

e)

kredietacceptatieproces;

f)

methoden voor kredietrisicolimitering;

g)

monitoringprocessen;

h)

proces van inning en invordering.

3.   Bij de vaststelling of wordt voldaan aan de criteria neergelegd in artikel 147, lid 5, punten c) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, onderzoeken de bevoegde autoriteiten of de onderbrenging van blootstellingen in overeenstemming is met de bedrijfsonderdelen van de instelling en de wijze waarop deze blootstellingen worden beheerd.

4.   De bevoegde autoriteiten verifiëren dat de instelling elke blootstelling onderbrengt in één enkele categorie blootstellingen waarop de desbetreffende correlatiecoëfficiënt van toepassing is overeenkomstig artikel 154, leden 1, 3, en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013:

a)

voor de verificatie van de naleving van artikel 154, lid 4, punten d) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

i)

de volatiliteit van de verliespercentages voor gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen laag is in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, door de vergelijking te beoordelen die de instelling heeft gemaakt van de volatiliteit van de verliespercentages voor de portefeuille gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten opzichte van andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen of van andere benchmarkwaarden;

ii)

het risicobeheer van de portefeuille gekwalificeerde revolverende blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen strookt met de onderliggende risicokenmerken, met inbegrip van de verliespercentages;

b)

voor de verificatie van de naleving van artikel 154, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat voor alle blootstellingen waarbij de zekerheden in de vorm van onroerend goed worden gebruikt in de eigen LGD-ramingen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, de in artikel 154, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde correlatiecoëfficiënt wordt toegekend.

HOOFDSTUK 10

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE BIJ DE BEOORDELING VAN DE KAPITAALTOEREIKENDHEID GEBRUIKTE STRESSTEST

Artikel 63

Algemeen

1.   Om de deugdelijkheid te beoordelen van een stresstest die een instelling gebruikt bij de beoordeling van haar kapitaaltoereikendheid overeenkomstig artikel 177 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten alle volgende punten:

a)

de toereikendheid van de gebruikte methoden voor het opzetten van de stresstests, overeenkomstig artikel 64;

b)

de robuustheid van de organisatie van de stresstest, overeenkomstig artikel 65;

c)

de integratie van de stresstests in de processen voor risico- en kapitaalbeheer, overeenkomstig artikel 66.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de interne beleidslijnen, methoden en procedures van de instelling voor de opzet en uitvoering van de stresstest toetsen;

b)

de door de instelling behaalde resultaten van de stresstest toetsen;

c)

de rollen en verantwoordelijkheden toetsen van de afdelingen en leidinggevende organen die betrokken zijn bij het opzetten, goedkeuren en uitvoeren van de stresstest;

d)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

e)

de relevante bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

f)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

de functionele documentatie van de voor de stresstest gebruikte IT-systemen toetsen;

b)

de instelling verzoeken om een doorrekening van de stresstest te maken op basis van alternatieve aannames;

c)

eigen stresstestberekeningen maken van de data van de instelling voor bepaalde soorten blootstellingen;

d)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 64

Toereikendheid van de voor het opzetten van de stresstests gebruikte methoden

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid beoordelen van de methoden gebruikt voor het opzetten van stresstests die de instelling toepast bij de beoordeling van de kapitaaltoereikendheid overeenkomstig artikel 177 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de tests zinvol en redelijk voorzichtig zijn en het effect kunnen vaststellen van scenario’s waarbij van een zware, maar plausibele recessie wordt uitgegaan, op de totale kapitaalvereisten voor het kredietrisico van de instelling;

b)

de tests alle wezenlijke IRB-portefeuilles bestrijken;

c)

de methoden voor zover passend aansluiten bij de methoden die de instelling gebruikt voor stresstests bij interne kapitaalallocatie;

d)

de documentatie van de stresstestmethode, met inbegrip van interne en externe data en bijdragen in de vorm van deskundigenopinies, gedetailleerd genoeg is voor derden om het rationale voor de gekozen scenario’s te kunnen begrijpen en de stresstest te kunnen reproduceren.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1, punt a), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat in de stresstests ten minste de volgende stappen zijn opgenomen:

a)

een vaststelling van de scenario’s waarbij van een zware, maar plausibele recessie wordt uitgegaan en de aanpassing overeenkomstig artikel 153, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het scenario waarbij van een verslechtering van de kredietkwaliteit van protectiegevers wordt uitgegaan;

b)

een beoordeling van de gevolgen van vastgestelde scenario’s voor de risicoparameters, ratingmigratie, verwachte verliezen en berekening van de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico van de instelling;

c)

een beoordeling van de toereikendheid van de eigenvermogensvereisten.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de in lid 2, punt a), genoemde scenario’s beoordelen op toereikendheid, verifiëren zij de deugdelijkheid van de volgende methoden:

a)

de methode voor vaststelling van een groep drijvende economische factoren;

b)

de methode voor het bouwen van stressscenario’s, waaronder de hevigheid en de duur ervan en de waarschijnlijkheid dat zij bewaarheid worden;

c)

de projectiemethode voor het effect van elk scenario op de toepasselijke risicoparameters.

Artikel 65

Organisatie van het stresstestproces

Wanneer de bevoegde autoriteiten de robuustheid beoordelen van de organisatie van het stresstestproces dat de instelling toepast bij de beoordeling van de kapitaaltoereikendheid overeenkomstig artikel 177 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de stresstest geregeld en ten minste één keer per jaar wordt uitgevoerd;

b)

de rollen en verantwoordelijkheden van de met het opzetten en uitvoeren van de stresstest belaste afdeling of afdelingen duidelijk omschreven zijn;

c)

de resultaten van stresstests op een passend leidinggevend niveau worden goedgekeurd en dat de directie tijdig van de resultaten op de hoogte wordt gesteld;

d)

de IT-infrastructuur de uitvoering van stresstests doeltreffend ondersteunt.

Artikel 66

Integratie van de stresstests in de processen voor risico- en kapitaalbeheer

Wanneer de bevoegde autoriteiten de integratie van de stresstests in de processen van de instelling voor risico- en kapitaalbeheer beoordelen voor de toepassing van artikel 177 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de instelling in haar besluitvormingsproces, met name ten aanzien van haar risico- en kapitaalbeheer, rekening houdt met de resultaten van stresstests;

b)

de instelling binnen het proces voor kapitaalbeheer rekening houdt met de resultaten van stresstests, en mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden met betrekking tot de kapitaalvereisten identificeert.

HOOFDSTUK 11

BEOORDELINGSMETHODE VOOR DE BEREKENING VAN DE EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Artikel 67

Algemeen

1.   Om na te gaan of een instelling de eigenvermogensvereisten berekent aan de hand van haar risicoparameters voor verschillende blootstellingscategorieën overeenkomstig artikel 110, leden 2 en 3, artikel 144, lid 1, punt g), en de artikelen 151 tot en met 168 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en de krachtens artikel 430 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste rapportage kan uitvoeren, verifiëren de bevoegde autoriteiten alle volgende punten:

a)

de betrouwbaarheid van het systeem dat wordt gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten, overeenkomstig artikel 68;

b)

de datakwaliteit, overeenkomstig artikel 69;

c)

de deugdelijke toepassing van de methode en procedures voor de verschillende blootstellingscategorieën, overeenkomstig artikel 70;

d)

de organisatie van het proces voor de berekening van de eigenvermogensvereisten, overeenkomstig artikel 71.

2.   Wat groepen betreft, houden de bevoegde autoriteiten voor de beoordeling in het kader van lid 1 rekening met de structuur van de bankgroep en de vastgestelde rollen en verantwoordelijkheden van de moederonderneming en haar dochterondernemingen.

3.   Voor de verificatie in het kader van de leden 1 en 2 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de interne beleidslijnen en procedures toetsen wat betreft het proces voor berekening van de eigenvermogensvereisten, met inbegrip van databronnen, rekenmethoden en toegepaste controles;

b)

de toepasselijke rollen en verantwoordelijkheden toetsen van de verschillende afdelingen en interne organen die bij de berekening van de eigenvermogensvereisten betrokken zijn;

c)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

d)

de documentatie van de tests van het rekensysteem toetsen, met inbegrip van de in de tests opgenomen scenario’s, alsook de resultaten en goedkeuringen ervan;

e)

de toepasselijke controleverslagen toetsen, waaronder de resultaten van de afstemming van data die uit verschillende bronnen afkomstig zijn;

f)

de relevante bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

g)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

h)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

4.   Voor de beoordeling in het kader van de leden 1 en 2 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

de functionele documentatie van de voor de berekening van de eigenvermogensvereisten gebruikte IT-systemen toetsen;

b)

de instelling verzoeken de eigenvermogensvereisten voor bepaalde soorten blootstellingen live te berekenen;

c)

eigen steekproeven uitvoeren van de berekening van de eigenvermogensvereisten aan de hand van data van de instelling voor bepaalde soorten blootstellingen;

d)

eigen tests uitvoeren op de data van de instelling of de instelling verzoeken om tests op voorstel van de bevoegde autoriteit uit te voeren;

e)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 68

Betrouwbaarheid van het voor de berekening van de eigenvermogensvereisten gebruikte systeem

Wanneer de bevoegde autoriteiten de betrouwbaarheid beoordelen van het systeem dat wordt gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 144, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij, afgezien van de vereisten in de artikelen 72 tot en met 75 betreffende de beoordelingsmethode voor het bijhouden van data, dat:

a)

de controletests die de instelling uitvoert om te bevestigen dat de eigenvermogensvereisten worden berekend overeenkomstig de artikelen 151 tot en met 168 van Verordening (EU) nr. 575/2013, volledig zijn;

b)

die controletests betrouwbaar zijn, en met name dat de berekeningen die zijn uitgevoerd in het systeem dat voor de eigenvermogensvereisten wordt gebruikt, aansluiten bij de berekeningen die in een alternatief berekeningsinstrument zijn uitgevoerd;

c)

de instelling de controletests voldoende vaak uitvoert en de tests ten minste plaatsvinden op het moment van implementatie van de algoritmen voor berekening van de eigenvermogensvereisten en in alle overige gevallen waarin wijzigingen worden aangebracht in het systeem.

Artikel 69

Datakwaliteit

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de datakwaliteit beoordelen die wordt gehanteerd voor de berekening van de in artikel 144, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde eigenvermogensvereisten, verifiëren zij, afgezien van de vereisten in artikel 73, de door de instelling geïmplementeerde mechanismen en procedures voor het identificeren van de blootstellingswaarden met alle relevante kenmerken, waaronder data met betrekking tot risicoparameters en kredietrisicolimiteringstechnieken. De bevoegde autoriteiten verifiëren dat:

a)

de risicoparameters volledig zijn, ook in gevallen waarbij ontbrekende parameters worden vervangen door standaardwaarden, en dat, voor zover een dergelijke vervanging heeft plaatsgevonden, daarbij voorzichtigheid wordt betracht en de vervanging wordt onderbouwd en gedocumenteerd;

b)

het bereik van de parameterwaarden in overeenstemming is met de regulerings- en minimumwaarden bepaald in de artikelen 160 tot en met 164 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

de data die bij de berekening van de eigenvermogensvereisten worden gebruikt, aansluiten bij de data die bij andere interne processen worden gebruikt;

d)

de toepassing van risicoparameters in overeenstemming is met de blootstellingskenmerken, en met name dat de ondergebrachte LGD nauwkeurig is en aansluit bij het soort blootstelling en zekerheid dat wordt gebruikt om de blootstelling te dekken overeenkomstig artikel 164 en artikel 230, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

de berekening van de blootstellingswaarde klopt, en met name dat de verrekeningsovereenkomsten en de indeling van posten buiten de balanstelling worden toegepast overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f)

wanneer de PD/LGD-methode wordt toegepast voor blootstellingen in aandelen, de blootstellingen juist ingedeeld en de risicoparameters correct toegepast worden overeenkomstig artikel 165 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de voor de berekening van de eigenvermogensvereisten gebruikte data aansluiten bij de voor interne doeleinden gebruikte data overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 22 betreffende de beoordelingsmethode voor de gebruikstest en ervaringstest, verifiëren zij dat:

a)

er is voorzien in toereikende controle- en afstemmingsmechanismen om te verzekeren dat de waarden van de bij de berekening van de eigenvermogensvereisten gebruikte risicoparameters aansluiten bij de waarde van de parameters die voor interne doeleinden worden gebruikt;

b)

er is voorzien in toereikende controle- en afstemmingsmechanismen om te verzekeren dat de waarden van blootstellingen waarvoor de eigenvermogensvereisten worden berekend, aansluiten bij de boekhoudkundige gegevens;

c)

de berekening van de eigenvermogensvereisten voor alle blootstellingen die zijn opgenomen in het grootboek van de instelling, volledig is, en dat de uitsplitsing tussen blootstellingen volgens de IRB-benadering en volgens de standaardbenadering in overeenstemming is met de artikelen 148 en 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 70

Deugdelijke uitvoering van de methode en procedures voor de verschillende blootstellingscategorieën

Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of de methode en procedures voor de berekening van de in artikel 144, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde eigenvermogensvereisten, deugdelijk zijn uitgevoerd voor verschillende blootstellingscategorieën, verifiëren zij dat:

a)

de formule voor de berekening van het risicogewicht correct wordt toegepast overeenkomstig de artikelen 153 en 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inachtneming van de onderbrenging van de blootstellingen in blootstellingscategorieën;

b)

de correlatiecoëfficiënt wordt berekend op basis van de kenmerken van de blootstellingen, en met name dat de parameter voor totale verkopen wordt toegepast op basis van geconsolideerde financiële informatie;

c)

voor zover de risicogewogen post wordt aangepast overeenkomstig artikel 153, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de aanpassing berust op alle volgende overwegingen:

i)

de informatie over de PD van de protectiegever wordt correct toegepast;

ii)

de PD van de protectiegever wordt geraamd aan de hand van het ratingsysteem dat de bevoegde autoriteiten hebben goedgekeurd in het kader van de IRB-benadering;

d)

de looptijdparameter correct wordt berekend, en met name:

i)

dat de afloopdatum van de faciliteit wordt gebruikt voor de berekening van de looptijdparameter overeenkomstig artikel 162, lid 2, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

dat in gevallen waarin de looptijdparameter korter is dan één jaar, dit voldoende wordt onderbouwd en gedocumenteerd voor de toepassing van artikel 162, leden 1, 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

de ondergrenzen voor de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD voor door niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, waarvoor een centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, zoals neergelegd in artikel 164, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden berekend op het geaggregeerde niveau van alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die zijn gedekt door, respectievelijk, niet-zakelijk onroerend goed en zakelijk onroerend goed, en dat, voor zover de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD op geaggregeerd niveau onder de respectievelijke ondergrenzen ligt, de instelling consequent in de tijd de toepasselijke aanpassingen verricht;

f)

de verschillende benaderingen voor verschillende aandelenportefeuilles, indien de instelling zelf verschillende benaderingen hanteert voor intern risicobeheer overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013, correct worden toegepast, en met name dat de keuze van de benadering:

i)

niet leidt tot onderwaardering van de eigenvermogensvereisten;

ii)

consequent wordt gemaakt, ook in de tijd;

iii)

wordt gerechtvaardigd op basis van interne risicobeheerpraktijken;

g)

wanneer de eenvoudige benadering van het gemiddelde risicogewicht wordt gehanteerd overeenkomstig artikel 155, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de risicogewichten correct worden toegepast, en met name dat het risicogewicht van 190 % alleen wordt toegepast voor voldoende gespreide portefeuilles, voor zover de instelling heeft aangetoond dat het risico als gevolg van de portefeuillediversificatie aanmerkelijk is verminderd ten opzichte van het risico van afzonderlijke blootstellingen in de portefeuille;

h)

het verschil tussen verwachte verliezen en kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 correct wordt berekend, en met name:

i)

dat de berekening afzonderlijk wordt uitgevoerd voor de portefeuille van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, en de portefeuille van blootstellingen waarbij geen sprake is van wanbetaling;

ii)

indien de voor de portefeuille van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, uitgevoerde berekening tot een negatief bedrag leidt, dat dit bedrag niet wordt gebruikt voor verrekening met de positieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening voor de portefeuille met blootstellingen waarbij geen sprake is van wanbetaling;

iii)

dat de berekening wordt uitgevoerd vóór aftrek van belastingeffecten;

i)

de verschillende benaderingen voor de behandeling van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s) correct worden toegepast, en met name:

i)

dat de instelling correct onderscheid maakt tussen blootstellingen in icb’s die zijn onderworpen aan de doorkijkbenadering zoals beschreven in artikel 152, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en andere blootstellingen in icb’s;

ii)

dat de blootstellingen in icb’s die worden behandeld overeenkomstig artikel 152, lid 1 of 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 132, lid 3, van die verordening;

iii)

indien de instelling de in artikel 152, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde benadering gebruikt voor de berekening van de gemiddelde risicogewogen posten:

dat de deugdelijkheid van de berekening door een externe accountant wordt bevestigd;

dat de in artikel 152, lid 2, punt b), i) en ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vermenigvuldigingsfactoren correct worden toegepast;

indien de instelling voor de berekening van de risicogewogen posten een beroep doet op een derde, dat de derde voldoet aan de vereisten van artikel 152, lid 4, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 71

Organisatie van het proces voor de berekening van de eigenvermogensvereisten

Wanneer de bevoegde autoriteiten de deugdelijkheid beoordelen van het proces voor de berekening van de in artikel 144, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde eigenvermogensvereisten, verifiëren zij dat:

a)

de toewijzing van verantwoordelijkheden van de met de controle en het beheer van het berekeningsproces belaste afdeling of afdelingen, in het bijzonder de toewijzing van verantwoordelijkheden voor de specifieke controles die in elke stap van het berekeningsproces moeten worden uitgevoerd, duidelijk wordt omschreven;

b)

relevante procedures, waaronder back-upprocedures, ervoor zorgen dat de berekening van de eigenvermogensvereisten wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 430 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

alle inputdata, waaronder de waarden van de risicoparameters en vorige versies van het systeem, worden opgeslagen zodat de berekening van de eigenvermogensvereisten kan worden gereproduceerd;

d)

de resultaten van de berekening op een passend leidinggevend niveau worden goedgekeurd en dat de directie van mogelijke fouten en onvolkomenheden in de berekening en de maatregelen op de hoogte wordt gesteld.

HOOFDSTUK 12

BEOORDELINGSMETHODE VOOR HET BIJHOUDEN VAN DATA

Artikel 72

Algemeen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of wordt voldaan aan de in artikel 144, lid 1, punt d), en artikel 176, van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten voor het bijhouden van data, evalueren zij:

a)

de kwaliteit van de interne data, externe data of datapools, alsook het proces voor het beheer van de datakwaliteit overeenkomstig artikel 73;

b)

de documentatie en rapportage van de data, overeenkomstig artikel 74;

c)

de toepasselijke IT-infrastructuur, overeenkomstig artikel 75.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de beleidslijnen, methoden en procedures voor het beheer van de datakwaliteit toetsen die relevant zijn voor de data die bij de IRB-benadering worden gebruikt;

b)

toepasselijke rapporten over de datakwaliteit toetsen, alsmede de daarin vermelde conclusies, bevindingen en aanbevelingen;

c)

de beleidslijnen voor de IT-infrastructuur en de procedures voor het beheer van de IT-systemen toetsen, met inbegrip van de beleidslijnen voor calamiteitenplanning die van toepassing zijn op de voor de IRB-benadering gebruikte IT-systemen;

d)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen van de instelling, waaronder het leidinggevend orgaan, of van de comités;

e)

de relevante bevindingen van de interne accountantscontrolefunctie of van andere controlefuncties van de instelling toetsen;

f)

de voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens relevante accountantscontroles geconstateerde risico’s te beperken;

g)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

eigen tests uitvoeren op de data van de instelling of de instelling verzoeken om tests op voorstel van de bevoegde autoriteit uit te voeren;

b)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 73

Datakwaliteit

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de kwaliteit beoordelen van de interne data, externe data of datapools die noodzakelijk zijn om het kredietrisico effectief te meten en te beheren overeenkomstig artikel 144, lid 1, punt d), en artikel 176 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij:

a)

de volledigheid van de waarden in de kenmerken die zij nodig hebben;

b)

de nauwkeurigheid van de data, die waarborgt dat de data wezenlijk vrij van fouten zijn;

c)

de consistentie van de data, die waarborgt dat een bepaalde dataset kan worden gematched met verschillende databronnen van de instelling;

d)

de actualiteit van de datawaarden, die waarborgt dat de data actueel zijn;

e)

de uniciteit van de data, die waarborgt dat bij geaggregeerde data geen duplicering heeft plaatsgevonden als gevolg van filters of andere omzettingen van brondata;

f)

de validiteit van de data, die waarborgt dat de data berusten op een toereikend indelingssysteem, strikt genoeg om aanvaarding af te dwingen;

g)

de traceerbaarheid van de data, die waarborgt dat de geschiedenis, verwerking en locatie van de onderzochte data eenvoudig kunnen worden getraceerd.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten het proces voor het beheer van de datakwaliteit beoordelen, verifiëren zij dat:

a)

er in al het volgende is voorzien:

i)

toereikende normen voor de datakwaliteit waarin de doelstellingen en het algemene bereik van het proces voor het beheer van de datakwaliteit worden bepaald;

ii)

toereikende beleidslijnen, normen en procedures voor verzameling, opslag, migratie, actualisering en gebruik van data;

iii)

een praktijk om het proces voor het beheer van de datakwaliteit voortdurend bij te werken en te verbeteren;

iv)

een reeks van criteria en procedures om vast te stellen of er aan de normen voor datakwaliteit wordt voldaan, en met name de algemene criteria en het algemene proces voor de afstemming van data tussen en binnen systemen, waaronder tussen boekhoudkundige en op interne ratings gebaseerde data;

v)

toereikende processen voor het intern beoordelen en voortdurend verbeteren van de datakwaliteit, waaronder het uitbrengen van interne aanbevelingen om problemen aan te pakken op gebieden die verbetering behoeven, en de uitvoering van deze aanbevelingen met prioriteit naargelang het belang ervan, en met name het proces voor het omgaan met wezenlijke discrepanties die zich bij de reconciliatie van data voordoen;

b)

het proces voor de verzameling van data voldoende onafhankelijk is van het proces voor het beheer van de datakwaliteit en in voorkomend geval gescheiden is van organisatiestructuur en personeel.

Artikel 74

Documenteren en rapporteren van data

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten het documenteren van data beoordelen, noodzakelijk om het kredietrisico effectief te meten en te beheren overeenkomstig artikel 144, lid 1, punt d), en artikel 176, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij:

a)

de specificatie van de set van databases, en met name:

i)

de overzichtskaart van de databases betrokken bij de rekensystemen die voor de IRB-benadering worden gebruikt;

ii)

de relevante databronnen;

iii)

de relevante processen voor extractie en transformatie van data en de daarbij gehanteerde criteria;

iv)

de toepasselijke functionele specificatie van de databases, met inbegrip van hun omvang, datum waarop deze gebouwd zijn, data dictionaries voor omschrijving van de inhoud van de velden en de verschillende in de velden ingevoerde waarden, met duidelijke definities van data-items;

v)

de toepasselijke technische specificatie van de databases, waaronder het soort database, tabellen, databasebeheersysteem en databasearchitectuur, en de bij elke gestandaardiseerde datamodelleringsnotatie gegeven datamodellen;

vi)

de relevante werkstromen en procedures in verband met de verzameling en opslag van data;

b)

het beleid voor datamanagement en de toewijzing van verantwoordelijkheden, waaronder gebruikersprofielen en eigenaren van de data;

c)

de transparantie, toegankelijkheid en consistentie van de binnen het raamwerk voor databeheer uitgevoerde controles.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten de datarapportage beoordelen, verifiëren zij met name dat de datarapportage:

a)

de reikwijdte van de rapporten of evaluaties aangeeft, alsook de bevindingen en, voor zover van toepassing, de aanbevelingen om geconstateerde zwakke punten of tekortkomingen aan te pakken;

b)

met gepaste regelmaat wordt meegedeeld aan de directie en het leidinggevend orgaan van de instelling, en dat het niveau waarop de ontvanger van de datarapportage actief is, in overeenstemming is met de organisatiestructuur van de instelling, met het soort informatie en met het belang van de informatie;

c)

regelmatig en in voorkomend geval ook op ad-hocbasis wordt verricht;

d)

afdoende bewijst dat de instelling de aanbevelingen voldoende ter harte neemt en naar behoren uitvoert.

Artikel 75

IT-infrastructuur

1.   Bij de beoordeling van de architectuur van de IT-systemen die van belang zijn voor de ratingsystemen van de instelling en voor het gebruik van de IRB-benadering overeenkomstig artikel 144 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten:

a)

de architectuur van de IT-systemen met inbegrip van alle applicaties, bijbehorende interfaces en interacties;

b)

een dataflowdiagram dat een overzicht geeft van de belangrijkste applicaties, databases en IT-componenten die betrokken zijn bij het gebruik van de IRB-benadering en verband houden met ratingsystemen;

c)

de onderbrenging van de eigenaren van IT-systemen;

d)

de capaciteit, schaalbaarheid en efficiëntie van de IT-systemen;

e)

de handboeken van de IT-systemen en databases.

2.   Bij de beoordeling van de deugdelijkheid, veiligheid en beveiliging van de IT-infrastructuur die van belang is voor de ratingsystemen van de instelling en voor het gebruik van de IRB-benadering, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de IT-infrastructuur de gewone en buitengewone processen van een instelling tijdig, automatisch en flexibel kan ondersteunen;

b)

het risico op storingen in de IT-infrastructuur (“uitval”), het risico dat data verloren gaan en het risico op onjuiste evaluaties (“fouten”) voldoende worden aangepakt;

c)

de IT-infrastructuur afdoende wordt beschermd tegen diefstal, fraude, manipulatie of sabotage van data of systemen door kwaadwillende insiders of outsiders.

3.   Bij de beoordeling van de robuustheid van de IT-infrastructuur die van belang is voor de ratingsystemen van de instelling en voor het gebruik van de IRB-benadering, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

er back-upprocedures voor de IT-systemen, data en documentatie zijn geïmplementeerd en dat deze procedures periodiek worden getest;

b)

er voor cruciale IT-systemen actieplannen voor continuïteit zijn geïmplementeerd;

c)

er herstelprocedures zijn vastgesteld voor IT-systemen bij uitval en dat deze procedures periodiek worden getest;

d)

het beheer van IT-systeemgebruikers strookt met de toepasselijke beleidslijnen en procedures van de instelling;

e)

er voor cruciale IT-systemen audittrails worden geïmplementeerd;

f)

het beheer van wijzigingen in IT-systemen toereikend is en de monitoring van wijzigingen alle IT-systemen bestrijkt.

4.   Bij de beoordeling of de IT-infrastructuur die van belang is voor de ratingsystemen van de instelling en voor het gebruik van de IRB-benadering, zowel regelmatig als op ad-hocbasis wordt getoetst, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

regelmatige monitoring en ad-hoctoetsingen leiden tot aanbevelingen om zwakke punten en tekortkomingen aan te pakken, indien deze worden vastgesteld;

b)

de directie en het leidinggevend orgaan van de instelling in kennis worden gesteld van de in punt a) bedoelde bevindingen en aanbevelingen;

c)

er afdoende bewijs is dat de instelling de aanbevelingen naar behoren oppakt en uitvoert.

HOOFDSTUK 13

METHODE VOOR DE BEOORDELING VAN INTERNE MODELLEN VOOR BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN

Artikel 76

Algemeen

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of een instelling in staat is om het interne model voor blootstellingen in aandelen te ontwikkelen en te valideren en om elke blootstelling onder te brengen binnen het toepassingsbereik van een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen als voorgeschreven bij artikel 144, lid 1, punten f) en h), en de artikelen 186, 187 en 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013, evalueren zij:

a)

de toereikendheid van de gebruikte data, overeenkomstig artikel 77;

b)

de toereikendheid van de modellen, overeenkomstig artikel 78;

c)

de volledigheid van het stresstestprogramma, overeenkomstig artikel 79;

d)

de integriteit van het model en modelleringsproces, overeenkomstig artikel 80;

e)

de toereikendheid van de onderbrenging van blootstellingen onder de internemodellenbenadering, overeenkomstig artikel 81;

f)

de toereikendheid van de validatiefunctie, overeenkomstig artikel 82.

2.   Voor de evaluatie in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

de toepasselijke interne beleidslijnen en procedures van de instelling toetsen;

b)

toetsen van de technische documentatie van de instelling over de methode en het proces voor de ontwikkeling van het interne model voor blootstellingen in aandelen;

c)

de betrokken handboeken, methoden en processen voor ontwikkeling toetsen en beproeven;

d)

toetsen van de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende afdelingen en interne organen die betrokken zijn bij het opzetten, valideren en toepassen van het interne model voor blootstellingen in aandelen;

e)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen, waaronder het leidinggevend orgaan, of de comités van de instelling;

f)

de relevante rapporten toetsen over de werking van de interne modellen voor blootstellingen in aandelen en de aanbevelingen van de afdeling kredietrisicobeheersing, de functies voor validatie en interne accountantscontrole of een andere controlefunctie van de instelling;

g)

de toepasselijke voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens monitoring, validaties en accountantscontroles vastgestelde risico’s te beperken;

h)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directieleden van de instelling.

3.   Voor de evaluatie in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook alle volgende aanvullende methoden toepassen:

a)

data die in het proces voor de ontwikkeling van interne modellen voor blootstellingen in aandelen worden gebruikt, opvragen en analyseren;

b)

eigen Value at Risk-ramingen maken of die van de instelling reproduceren en daarbij gebruikmaken van de toepasselijke data die de instelling heeft verstrekt;

c)

verzoeken om aanvullende documentatie of analyse die de methodologische keuzes en de verkregen resultaten onderbouwen;

d)

de functionele documentatie van de voor de Value at Risk-berekening gebruikte IT-systemen toetsen;

e)

andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 77

Toereikendheid van de data

Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid beoordelen van de data die zijn gebruikt om de werkelijke rendementsspreiding met betrekking tot blootstellingen in aandelen weer te geven overeenkomstig artikel 186 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

de data het risicoprofiel van de specifieke blootstellingen in aandelen van de instelling weergeven;

b)

de data dermate toereikend zijn dat zij statistisch betrouwbare verliesramingen opleveren, of adequaat zijn aangepast om voldoende realistische en voorzichtige modeloutputs te verkrijgen;

c)

de gebruikte data afkomstig zijn van externe bronnen of, bij gebruik van interne data, deze onafhankelijk worden getoetst door een desbetreffende controlefunctie van de instelling;

d)

de data de langst beschikbare periode weerspiegelen om te komen tot een voorzichtige raming van de potentiële verliezen over een relevante markt- of conjunctuurcyclus op lange termijn, en met name de periode omvatten van significante financiële spanningen die relevant waren voor de portefeuille van de instelling;

e)

bij toepassing van data met een kortere tijdshorizon die in kwartaaldata worden omgezet, de omzettingsprocedure berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en in documentatie vastgelegde benadering waarbij voorzichtig en consistent in de tijd te werk wordt gegaan;

f)

de langste tijdshorizon wordt gekozen die de raming van het 99-percentiel met niet-overlappende waarnemingen mogelijk maakt.

Artikel 78

Toereikendheid van de modellen

Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid beoordelen van de modellen die zijn gebruikt ten behoeve van de raming van spreidingen van aandelenrendementen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 186 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren zij dat:

a)

het model aansluit bij het risicoprofiel en de complexiteit van de aandelenportefeuille van een instelling, en dat, indien de instelling deelnemingen van betekenis bezit met sterk non-lineaire waarden, het model op adequate wijze daarmee rekening houdt;

b)

de koppeling van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen en risicofactoren aannemelijk, intuïtief en conceptueel solide is;

c)

de geselecteerde risicofactoren geschikt zijn en daadwerkelijk zowel algemene als specifieke risico’s bestrijken;

d)

het model de historische koersvariatie afdoende verklaart;

e)

het model rekening houdt zowel met de omvang van potentiële concentraties als met veranderingen in de samenstelling van die concentraties.

Artikel 79

Volledigheid van het stresstestprogramma

1.   Bij de beoordeling van de volledigheid van het bij artikel 186, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voorgeschreven stresstestprogramma, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat de instelling verliesramingen onder alternatieve ongunstige scenario’s kan bieden en dat deze scenario’s verschillen van de scenario’s die het interne model toepast, maar nog steeds waarschijnlijk bewaarheid zullen worden.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

de alternatieve ongunstige scenario’s van belang zijn voor de specifieke deelnemingen van de instelling, aanzienlijke verliezen voor de instelling weerspiegelen en effecten in aanmerking nemen die niet tot uitdrukking komen in de resultaten van het model;

b)

de resultaten van het model onder de alternatieve ongunstige scenario’s worden toegepast bij het beheer van de werkelijke risico’s voor de aandelenportefeuille en periodiek worden gerapporteerd aan de directie;

c)

de alternatieve ongunstige scenario’s periodiek worden getoetst en bijgewerkt.

Artikel 80

Integriteit van het model en het modelleringsproces

1.   Bij de beoordeling van de integriteit van de modellen en het modelleringsproces, voorgeschreven bij artikel 187 van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

het interne model volledig is geïntegreerd in het beheer van de aandelenportefeuille buiten het handelsboek, de algemene managementinformatiesystemen van de instelling en de risicobeheerinfrastructuur van de instelling, en wordt gebruikt voor de bewaking van de beleggingsgrenzen en de risico’s verbonden aan blootstellingen in aandelen;

b)

de modelleringsafdeling competent is en functioneel onafhankelijk van de voor het beheer van de afzonderlijke beleggingen verantwoordelijke afdeling.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1, punt a), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

het leidinggevend orgaan en de directie van de instelling actief betrokken zijn bij het proces van risicobeheersing, in de zin dat zij een aantal beleggingsgrenzen hebben goedgekeurd die gebaseerd zijn op, onder andere, de resultaten van het interne model;

b)

de rapporten die de afdeling risicobeheersing opstelt, worden beoordeeld door een managementechelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de ingenomen posities of van de totale risicoblootstelling van de instelling op te leggen;

c)

er voorzien is in actieplannen voor crisissituaties op de markten die gevolgen hebben binnen het toepassingsgebied van het model, en dat in deze plannen de gebeurtenissen worden beschreven die deze situaties in gang zetten alsmede de geplande acties.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1, punt b), verifiëren de bevoegde autoriteiten dat:

a)

het personeel en de directie die voor de modelleringsafdeling verantwoordelijk zijn, geen taken uitvoeren die verband houden met het beheer van de afzonderlijke beleggingen;

b)

de directieleden van modelleringsafdelingen en van voor het beheer van de afzonderlijke beleggingen verantwoordelijke afdelingen verschillende rapportagelijnen hebben op het niveau van het leidinggevend orgaan van de instelling of het door dit orgaan aanwezen comité;

c)

de beloning van de voor de modelleringsafdeling verantwoordelijke medewerkers en directie niet gekoppeld is aan de uitvoering van taken die verband houden met het beheer van de afzonderlijke beleggingen.

Artikel 81

Toereikendheid van de onderbrenging van blootstellingen onder de internemodellenbenadering

Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid van de onderbrenging van elke blootstelling in het toepassingsgebied van een benadering voor blootstellingen in aandelen onder de internemodellenbenadering beoordelen overeenkomstig artikel 144, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013, evalueren zij de definities, processen en criteria voor de onderbrenging of toetsing van de onderbrenging.

Artikel 82

Toereikendheid van de validatiefunctie

Wanneer de bevoegde autoriteiten de toereikendheid van de validatiefunctie beoordelen met betrekking tot de in artikel 144, lid 1, punt f), en artikel 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten, passen zij de artikelen 10 tot en met 13 toe en verifiëren zij dat:

a)

de instelling ten minste elk kwartaal het eerste percentiel van de feitelijke rendementen op aandelen vergelijkt met de modelramingen;

b)

de bij de in punt a) genoemde vergelijking een waarnemingsperiode wordt gehanteerd die gelijk is aan ten minste één jaar, en een tijdshorizon die de berekening mogelijk maakt van het eerste percentiel op basis van niet-overlappende waarnemingen;

c)

indien het percentage van de waarnemingen onder het geraamde eerste percentiel van de rendementen op aandelen hoger is dan 1 %, dit naar behoren wordt gerechtvaardigd en toepasselijke corrigerende maatregelen worden genomen door de instelling.

HOOFDSTUK 14

BEOORDELINGSMETHODE VOOR HET BEHEER VAN WIJZIGINGEN IN RATINGSYSTEMEN

Artikel 83

Algemeen

1.   Om te beoordelen of een instelling voldoet aan de vereisten voor het beheer van wijzigingen — en het documenteren van wijzigingen — binnen het toepassingsgebied van een ratingsysteem of binnen het toepassingsgebied van een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen, en van wijzigingen in de ratingsystemen of internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen overeenkomstig artikel 143, leden 3 en 4, en artikel 175, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verifiëren de bevoegde autoriteiten dat het beleid van de instelling met betrekking tot dergelijke wijzigingen (“wijzigingsbeleid”) naar behoren uitgevoerd en voldoet aan de vereisten van de artikelen 2 tot en met 5, artikel 8 van en bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014.

2.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 passen de bevoegde autoriteiten alle volgende methoden toe:

a)

het wijzigingsbeleid van de instelling toetsen;

b)

de toepasselijke notulen toetsen van de interne organen van de instelling, waaronder het leidinggevend orgaan, het comité voor modellen of andere comités;

c)

de relevante rapporten toetsen over het beheer van wijzigingen in de ratingsystemen en de aanbevelingen van de afdeling kredietrisicobeheersing, de functies voor validatie en interne accountantscontrole of een andere controlefunctie van de instelling;

d)

de toepasselijke voortgangsverslagen toetsen over de inspanningen van de instelling om tekortkomingen te verhelpen en tijdens monitoring, validaties en accountantscontroles vastgestelde risico’s te beperken;

e)

schriftelijke verklaringen verkrijgen van of gesprekken voeren met de betrokken medewerkers en directie van de instelling.

3.   Voor de beoordeling in het kader van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten ook andere relevante documenten van de instelling toetsen.

Artikel 84

Inhoud van het wijzigingsbeleid

Wanneer de bevoegde autoriteiten het wijzigingsbeleid van een instelling beoordelen, verifiëren zij dat met het wijzigingsbeleid de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de criteria die zijn neergelegd in de artikelen 1 tot en met 5, en artikel 8 van, en bijlage I, bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014, worden toegepast, en dat het beleid voorziet in de praktische toepassing van deze vereisten en criteria met inachtneming van:

a)

verantwoordelijkheden, rapportagelijnen en procedures voor interne goedkeuring van wijzigingen, rekening houdende met de organisatorische kenmerken en de bijzondere kenmerken van de benadering van de instelling;

b)

definities, methoden en, voor zover van toepassing, maatstaven voor de indeling van wijzigingen;

c)

procedures voor identificatie en monitoring van wijzigingen en voor kennisgeving en aanvragen voor toestemming aan de bevoegde autoriteiten;

d)

procedures voor uitvoering van wijzigingen en de documentatie ervan.

HOOFDSTUK 15

SLOTBEPALING

Artikel 85

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 529/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering en de geavanceerde meetbenadering (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 36).

(3)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(4)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 van de Commissie van 19 oktober 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen (PB L 32 van 6.2.2018, blz. 1).

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72 van de Commissie van 23 september 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen tot specificatie van voorwaarden voor toestemmingen voor gegevensontheffing (PB L 10 van 14.1.2017, blz. 1).

(7)  Uitvoeringsbesluit 2014/908/EU van de Commissie van 12 december 2014 betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en grondgebieden ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 155).


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/67


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/440 VAN DE COMMISSIE

van 16 maart 2022

tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 71, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (2) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest die door de in bijlage I bij die verordening vermelde lidstaten (de “betrokken lidstaten”) gedurende een beperkte periode in de in die bijlage vermelde beperkingszones I, II en III moeten worden toegepast.

(3)

De in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III opgenomen gebieden zijn opgenomen op basis van de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie. Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/205 van de Commissie (3), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Litouwen, Polen en Slowakije.

(4)

Bij eventuele wijzigingen van de beperkingszones I, II en III in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden uitgegaan van de epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de gebieden die door die ziekte zijn getroffen en de algemene epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de desbetreffende lidstaat, het risiconiveau ten aanzien van de verdere verspreiding van die ziekte, de wetenschappelijk gefundeerde beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van zones ten aanzien van Afrikaanse varkenspest en de met de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders overeengekomen richtsnoeren van de Unie, die openbaar beschikbaar zijn op de website van de Commissie (4). Bij dergelijke wijzigingen moet ook rekening worden gehouden met internationale normen, zoals de Gezondheidscode voor landdieren (5) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten verstrekte motiveringen voor de zonering.

(5)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsverordening (EU) 2022/205 is vastgesteld, hebben zich nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens voorgedaan in Italië en Polen. Bovendien is de epidemiologische situatie in bepaalde gebieden van Bulgarije en Polen die als beperkingszones III zijn opgenomen, als gevolg van de ziektebestrijdingsmaatregelen die die lidstaten overeenkomstig de wetgeving van de Unie toepassen, verbeterd wat gehouden varkens betreft.

(6)

In januari 2022 is een geval van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij een in het wild levend varken in Italië, in de regio Piemonte. Naar aanleiding van dat geval zijn de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2022/28 (6) en (EU) 2022/62 van de Commissie (7) vastgesteld. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/28 is ingetrokken en vervangen door Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/62, dat van toepassing is tot en met 7 april 2022. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/62 voorziet in de instelling van een besmette zone overeenkomstig artikel 63 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 (8) en in de bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest die van toepassing zijn op beperkingszones II, zoals vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605.

(7)

In januari, februari en maart 2022 zijn verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij in het wild levende varkens in de regio’s Piemonte en Liguria in Italië, in gebieden die momenteel zijn opgenomen in de besmette zone die Italië na de eerste uitbraak in januari 2022 overeenkomstig artikel 63 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 heeft ingesteld.

(8)

Door die nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens verhoogt het risiconiveau, wat in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten die gebieden in Italië die door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu als beperkingszones I en II in die bijlage worden opgenomen.

(9)

In maart 2022 is een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij een in het wild levend varken in de woiwodschap Groot-Polen in Polen, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone I is opgenomen. Door deze nieuwe uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij een in het wild levend varken verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone I in die bijlage opgenomen gebied van Polen dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage worden opgenomen als beperkingszone II in plaats van als beperkingszone I, en moeten de huidige grenzen van beperkingszone I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met deze recente uitbraak.

(10)

Naar aanleiding van die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens in Italië en Polen, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat Afrikaanse varkenspest betreft, is de zonering in die lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605.

(11)

Verder moeten — rekening houdend met de doeltreffendheid van de ziektebestrijdingsmaatregelen voor Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 opgenomen beperkingszones III, die in Bulgarije overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie worden toegepast, en met name de in de artikelen 22, 25 en 40 van die verordening vastgestelde maatregelen, en in overeenstemming met de risicobeperkende maatregelen voor Afrikaanse varkenspest die zijn vermeld in de OIE-code — bepaalde gebieden in de regio’s Lovech, Gabrovo, Montana, Ruse, Shumen, Sliven, Targovishte, Vidin en Burgas in Bulgarije, die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones III zijn opgenomen, nu als beperkingszones II in die bijlage worden opgenomen, op grond van de afwezigheid van uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in die beperkingszones III gedurende de afgelopen twaalf maanden. Die beperkingszones III moeten nu als beperkingszones II worden opgenomen, rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest.

(12)

Verder moeten — rekening houdend met de doeltreffendheid van de ziektebestrijdingsmaatregelen voor Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 opgenomen beperkingszones III, die in Polen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie worden toegepast, en met name de in de artikelen 22, 25 en 40 van die verordening vastgestelde maatregelen, en in overeenstemming met de risicobeperkende maatregelen voor Afrikaanse varkenspest die zijn vermeld in de OIE-code — bepaalde gebieden in de woiwodschappen Neder-Silezië en Ermland-Mazurië in Polen, die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones III zijn opgenomen, nu als beperkingszones II in die bijlage worden opgenomen, op grond van de afwezigheid van uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in die beperkingszones III gedurende de afgelopen twaalf maanden. Die beperkingszones III moeten nu als beperkingszones II worden opgenomen, rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest.

(13)

Om rekening te houden met de recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moeten voor Bulgarije, Italië en Polen nieuwe beperkingszones van voldoende omvang worden afgebakend en in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I en II worden opgenomen. Aangezien de situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de Unie zeer dynamisch is, is bij de afbakening van die nieuwe beperkingszones rekening gehouden met de situatie in de omliggende gebieden.

(14)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die door middel van deze uitvoeringsverordening worden aangebracht in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/205 van de Commissie van 14 februari 2022 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 34 van 16.2.2022, blz. 6).

(4)  Werkdocument SANTE/7112/2015/Rev. 3 “Principles and criteria for geographically defining ASF regionalisation”. https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/asf_en

(5)  Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, 28e editie, 2019. ISBN van volume I: 978-92-95108-85-1; ISBN van volume II: 978-92-95108-86-8. https://www.oie.int/standard-setting/terrestrial-code/access-online/

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/28 van de Commissie van 10 januari 2022 tot vaststelling van bepaalde tijdelijke noodmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Italië (PB L 6 van 11.1.2022, blz. 11).

(7)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/62 van de Commissie van 14 januari 2022 tot vaststelling van bepaalde noodmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Italië (PB L 10 van 17.1.2022, blz. 84).

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 64).


BIJLAGE

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

BEPERKINGSZONES

DEEL I

1.   Duitsland

De volgende beperkingszones I in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Alt Zauche-Wußwerk,

Gemeinde Byhleguhre-Byhlen,

Gemeinde Märkische Heide, mit den Gemarkungen Alt Schadow, Neu Schadow, Pretschen, Plattkow, Wittmannsdorf, Schuhlen-Wiese, Bückchen, Kuschkow, Gröditsch, Groß Leuthen, Leibchel, Glietz, Groß Leine, Dollgen, Krugau, Dürrenhofe, Biebersdorf und Klein Leine,

Gemeinde Neu Zauche,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Groß Liebitz, Guhlen, Mochow und Siegadel,

Gemeinde Spreewaldheide,

Gemeinde Straupitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Müncheberg, Eggersdorf bei Müncheberg und Hoppegarten bei Müncheberg,

Gemeinde Bliesdorf mit den Gemarkungen Kunersdorf - westlich der B167 und Bliesdorf - westlich der B167

Gemeinde Märkische Höhe mit den Gemarkungen Reichenberg und Batzlow,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Haselberg, Frankenfelde, Schulzendorf, Lüdersdorf Biesdorf, Rathsdorf - westlich der B 167 und Wriezen - westlich der B167

Gemeinde Buckow (Märkische Schweiz),

Gemeinde Strausberg mit den Gemarkungen Hohenstein und Ruhlsdorf,

Gemeine Garzau-Garzin,

Gemeinde Waldsieversdorf,

Gemeinde Rehfelde mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Reichenow-Mögelin,

Gemeinde Prötzel mit den Gemarkungen Harnekop, Sternebeck und Prötzel östlich der B 168 und der L35,

Gemeinde Oberbarnim,

Gemeinde Bad Freienwalde mit der Gemarkung Sonnenburg,

Gemeinde Falkenberg mit den Gemarkungen Dannenberg, Falkenberg westlich der L 35, Gersdorf und Kruge,

Gemeinde Höhenland mit den Gemarkungen Steinbeck, Wollenberg und Wölsickendorf,

Landkreis Barnim:

Gemeinde Joachimsthal östlich der L220 (Eberswalder Straße), östlich der L23 (Töpferstraße und Templiner Straße), östlich der L239 (Glambecker Straße) und Schorfheide (JO) östlich der L238,

Gemeinde Friedrichswalde mit der Gemarkung Glambeck östlich der L 239,

Gemeinde Althüttendorf,

Gemeinde Ziethen mit den Gemarkungen Groß Ziethen und Klein Ziethen westlich der B198,

Gemeinde Chorin mit den Gemarkungen Golzow, Senftenhütte, Buchholz, Schorfheide (Ch), Chorin westlich der L200 und Sandkrug nördlich der L200,

Gemeinde Britz,

Gemeinde Schorfheide mit den Gemarkungen Altenhof, Werbellin, Lichterfelde und Finowfurt,

Gemeinde (Stadt) Eberswalde mit der Gemarkungen Finow und Spechthausen und der Gemarkung Eberswalde südlich der B167 und westlich der L200,

Gemeinde Breydin,

Gemeinde Melchow,

Gemeinde Sydower Fließ mit der Gemarkung Grüntal nördlich der K6006 (Landstraße nach Tuchen), östlich der Schönholzer Straße und östlich Am Postweg,

Hohenfinow südlich der B167,

Landkreis Uckermark:

Gemeinde Passow mit den Gemarkungen Briest, Passow und Schönow,

Gemeinde Mark Landin mit den Gemarkungen Landin nördlich der B2, Grünow und Schönermark,

Gemeinde Angermünde mit den Gemarkungen Frauenhagen, Mürow, Angermünde nördlich und nordwestlich der B2, Dobberzin nördlich der B2, Kerkow, Welsow, Bruchhagen, Greiffenberg, Günterberg, Biesenbrow, Görlsdorf, Wolletz und Altkünkendorf,

Gemeinde Zichow,

Gemeinde Casekow mit den Gemarkungen Blumberg, Wartin, Luckow-Petershagen und den Gemarkungen Biesendahlshof und Casekow westlich der L272 und nördlich der L27,

Gemeinde Hohenselchow-Groß Pinnow mit der Gemarkung Hohenselchow nördlich der L27,

Gemeinde Tantow,

Gemeinde Mescherin

Gemeinde Gartz (Oder) mit der Gemarkung Geesow sowie den Gemarkungen Gartz und Hohenreinkendorf nördlich der L27 und B2 bis Gartenstraße,

Gemeinde Pinnow nördlich und westlich der B2,

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Storkow (Mark),

Gemeinde Spreenhagen mit den Gemarkungen Braunsdorf, Markgrafpieske, Lebbin und Spreenhagen,

Gemeinde Grünheide (Mark) mit den Gemarkungen Kagel, Kienbaum und Hangelsberg,

Gemeinde Fürstenwalde westlich der B 168 und nördlich der L 36,

Gemeinde Rauen,

Gemeinde Wendisch Rietz bis zur östlichen Uferzone des Scharmützelsees und von der südlichen Spitze des Scharmützelsees südlich der B246,

Gemeinde Reichenwalde,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Petersdorf und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow westlich der östlichen Uferzone des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze westlich der L35,

Gemeinde Tauche mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Jänickendorf, Schönfelde, Beerfelde, Gölsdorf, Buchholz, Tempelberg und den Gemarkungen Steinhöfel, Hasenfelde und Heinersdorf westlich der L36 und der Gemarkung Neuendorf im Sande nördlich der L36,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Peitz,

Gemeinde Turnow-Preilack,

Gemeinde Drachhausen,

Gemeinde Schmogrow-Fehrow,

Gemeinde Drehnow,

Gemeinde Teichland mit den Gemarkungen Maust und Neuendorf,

Gemeinde Dissen-Striesow,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen, Pulsberg, Jessen, Terpe, Bühlow, Groß Buckow, Klein Buckow, Roitz und der westliche Teil der Gemarkung Spremberg, beginnend an der südwestlichen Ecke der Gemarkungsgrenze zu Graustein in nordwestlicher Richtung entlang eines Waldweges zur B 156, dieser weiter in westlicher Richtung folgend bis zur Bahnlinie, dieser folgend bis zur L 48, dann weiter in südwestlicher Richtung bis zum Straßenabzweig Am früheren Stadtbahngleis, dieser Straße folgend bis zur L 47, weiter der L 47 folgend in nordöstlicher Richtung bis zum Abzweig Hasenheide, entlang der Straße Hasenheide bis zum Abzweig Weskower Allee, der Weskower Allee Richtung Norden folgend bis zum Abzweig Liebigstraße, dieser folgend Richtung Norden bis zur Gemarkungsgrenze Spremberg/ Sellessen,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kathlow, Haasow, Roggosen, Koppatz, Neuhausen, Frauendorf, Groß Oßnig, Groß Döbern und Klein Döbern und der Gemarkung Roggosen nördlich der BAB 15,

Gemeinde Welzow mit den Gemarkungen Proschim und Haidemühl,

Landkreis Oberspreewald-Lausitz:

Gemeinde Hochenbocka,

Gemeinde Grünewald,

Gemeinde Hermsdorf,

Gemeinde Kroppen,

Gemeinde Ortrand,

Gemeinde Großkmehlen,

Gemeinde Lindenau,

Gemeinde Senftenberg mit den Gemarkungen Hosena, Großkoschen, Kleinkoschen und Sedlitz,

Gemeinde Neu-Seeland mit der Gemarkung Lieske,

Gemeinde Tettau,

Gemeinde Frauendorf,

Gemeinde Guteborn,

Gemeinde Ruhland,

Landkreis Elbe-Elster:

Gemeinde Großthiemig,

Gemeinde Hirschfeld,

Gemeinde Gröden,

Gemeinde Schraden,

Gemeinde Merzdorf,

Gemeinde Röderland mit der Gemarkung Wainsdorf östlich der Bahnlinie Dresden- Berlin,

Landkreis Prignitz:

Gemeinde Groß Pankow mit den Gemarkungen Baek, Tangendorf und Tacken,

Gemeinde Karstädt mit den Gemarkungen Groß Warnow, Klein Warnow, Reckenzin, Streesow, Garlin, Dallmin, Postlin, Kribbe, Neuhof, Strehlen und Blüthen,

Gemeinde Pirow mit der Gemarkung Bresch,

Gemeinde Gülitz-Reetz,

Gemeinde Putlitz mit den Gemarkungen Lockstädt, Mansfeld und Laaske,

Gemeinde Triglitz,

Gemeinde Marienfließ mit der Gemarkung Frehne,

Gemeinde Kümmernitztal mit der Gemarkungen Buckow, Preddöhl und Grabow,

Gemeinde Gerdshagen mit der Gemarkung Gerdshagen,

Gemeinde Meyenburg,

Gemeinde Pritzwalk mit der Gemarkung Steffenshagen,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen

Gemeinde Arnsdorf, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Burkau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Crostwitz,

Gemeinde Cunewalde,

Gemeinde Demitz-Thumitz,

Gemeinde Doberschau-Gaußig,

Gemeinde Elsterheide,

Gemeinde Göda,

Gemeinde Großharthau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Großpostwitz/O.L.,

Gemeinde Hochkirch, sofern nicht bereits der Sperrzone II,

Gemeinde Königswartha, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Kubschütz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Lohsa, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Nebelschütz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Neschwitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Neukirch/Lausitz,

Gemeinde Obergurig,

Gemeinde Oßling,

Gemeinde Panschwitz-Kuckau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Puschwitz,

Gemeinde Räckelwitz,

Gemeinde Radibor, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Ralbitz-Rosenthal,

Gemeinde Rammenau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Schmölln-Putzkau,

Gemeinde Schwepnitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Sohland a. d. Spree,

Gemeinde Spreetal, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Bautzen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Bernsdorf,

Gemeinde Stadt Bischhofswerda, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Elstra, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Hoyerswerda, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Kamenz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Lauta,

Gemeinde Stadt Radeberg, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Schirgiswalde-Kirschau,

Gemeinde Stadt Wilthen,

Gemeinde Stadt Wittichenau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Steinigtwolmsdorf,

Stadt Dresden:

Stadtgebiet, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Landkreis Meißen:

Gemeinde Diera-Zehren,

Gemeinde Glaubitz,

Gemeinde Hirschstein,

Gemeinde Käbschütztal,

Gemeinde Klipphausen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Niederau, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Nünchritz,

Gemeinde Priestewitz, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Röderaue, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Gröditz,

Gemeinde Stadt Großenhain, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Lommatzsch,

Gemeinde Stadt Meißen, sofern nicht bereits Teil der Sperrzone II,

Gemeinde Stadt Nossen außer Ortsteil Nossen,

Gemeinde Stadt Riesa,

Gemeinde Stadt Strehla,

Gemeinde Stauchitz,

Gemeinde Wülknitz,

Gemeinde Zeithain,

Landkreis Sächsische Schweiz-Osterzgebirge:

Gemeinde Bannewitz,

Gemeinde Dürrröhrsdorf-Dittersbach,

Gemeinde Kreischa,

Gemeinde Lohmen,

Gemeinde Müglitztal,

Gemeinde Stadt Dohna,

Gemeinde Stadt Freital,

Gemeinde Stadt Heidenau,

Gemeinde Stadt Hohnstein,

Gemeinde Stadt Neustadt i. Sa.,

Gemeinde Stadt Pirna,

Gemeinde Stadt Rabenau mit den Ortsteilen Lübau, Obernaundorf, Oelsa, Rabenau und Spechtritz,

Gemeinde Stadt Stolpen,

Gemeinde Stadt Tharandt mit den Ortsteilen Fördergersdorf, Großopitz, Kurort Hartha, Pohrsdorf und Spechtshausen,

Gemeinde Stadt Wilsdruff,

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern:

Landkreis Vorpommern Greifswald

Gemeinde Penkun südlich der Autobahn A11,

Gemeinde Nadrense südlich der Autobahn A11,

Landkreis Ludwigslust-Parchim:

Gemeinde Balow mit dem Ortsteil: Balow

Gemeinde Barkhagen mit den Ortsteilen und Ortslagen: Altenlinden, Kolonie Lalchow, Plauerhagen, Zarchlin, Barkow-Ausbau, Barkow

Gemeinde Blievenstorf mit dem Ortsteil: Blievenstorf

Gemeinde Brenz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Neu Brenz, Alt Brenz

Gemeinde Domsühl mit den Ortsteilen und Ortslagen: Severin, Bergrade Hof, Bergrade Dorf, Zieslübbe, Alt Dammerow, Schlieven, Domsühl, Domsühl-Ausbau, Neu Schlieven

Gemeinde Gallin-Kuppentin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Kuppentin, Kuppentin-Ausbau, Daschow, Zahren, Gallin, Penzlin

Gemeinde Ganzlin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dresenow, Dresenower Mühle, Twietfort, Ganzlin, Tönchow, Wendisch Priborn, Liebhof, Gnevsdorf

Gemeinde Granzin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Lindenbeck, Greven, Beckendorf, Bahlenrade, Granzin

Gemeinde Grabow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Böschungsbereich und angrenzende Ackerfläche an der Alten Elde (angrenzend an die Gemeinden Prislich und Zierzow)

Gemeinde Groß Laasch mit den Ortsteilen und Ortslagen: Waldgebiet zwischen der Ortslage Groß Laasch und der Elde

Gemeinde Kremmin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Wiesen- und Ackerflächen zwischen K52, B5 und Bahnlinie Hamburg-Berlin

Gemeinde Kritzow mit den Ortsteilen und Ortslagen:

Schlemmin, Kritzow

Gemeinde Lewitzrand mit dem Ortsteil und Ortslage:

Matzlow-Garwitz (teilweise)

Gemeinde Lübz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Broock, Wessentin, Wessentin Ausbau, Bobzin, Lübz, Broock Ausbau, Riederfelde, Ruthen, Lutheran, Gischow, Burow, Hof Gischow, Ausbau Lutheran, Meyerberg

Gemeinde Muchow mit dem Ortsteil und Ortslage: Muchow

Gemeinde Neustadt-Glewe mit den Ortsteilen und Ortslagen: Flugplatz mit angrenzendem Waldgebiet entlang der K38 und B191 bis zur A24, Wabel

Gemeinde Obere Warnow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Grebbin und Wozinkel, Gemarkung Kossebade teilweise, Gemarkung Herzfeld mit dem Waldgebiet Bahlenholz bis an die östliche Gemeindegrenze, Gemarkung Woeten unmittelbar östlich und westlich der L16

Gemeinde Parchim mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dargelütz, Neuhof, Kiekindemark, Neu Klockow, Möderitz, Malchow, Damm, Parchim, Voigtsdorf, Neu Matzlow

Gemeinde Passow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Unterbrüz, Brüz, Welzin, Neu Brüz, Weisin, Charlottenhof, Passow

Gemeinde Plau am See mit den Ortsteilen und Ortslagen: Reppentin, Gaarz, Silbermühle, Appelburg, Seelust, Plau-Am See, Plötzenhöhe, Klebe, Lalchow, Quetzin, Heidekrug

Gemeinde Prislich mit den Ortsteilen und Ortslagen: Neese, Werle, Prislich, Marienhof

Gemeinde Rom mit den Ortsteilen und Ortslagen: Lancken, Stralendorf, Rom, Darze, Paarsch

Gemeinde Spornitz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dütschow, Primark, Steinbeck, Spornitz

Gemeinde Stolpe mit den Ortsteilen und Ortslagen: Granzin, Barkow, Stolpe Ausbau, Stolpe

Gemeinde Werder mit den Ortsteilen und Ortslagen: Neu Benthen, Benthen, Tannenhof, Werder

Gemeinde Zierzow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Kolbow, Zierzow.

2.   Estland

De volgende beperkingszones I in Estland:

Hiiu maakond.

3.   Griekenland

De volgende beperkingszones I in Griekenland:

in the regional unit of Drama:

the community departments of Sidironero and Skaloti and the municipal departments of Livadero and Ksiropotamo (in Drama municipality),

the municipal department of Paranesti (in Paranesti municipality),

the municipal departments of Kokkinogeia, Mikropoli, Panorama, Pyrgoi (in Prosotsani municipality),

the municipal departments of Kato Nevrokopi, Chrysokefalo, Achladea, Vathytopos, Volakas, Granitis, Dasotos, Eksohi, Katafyto, Lefkogeia, Mikrokleisoura, Mikromilea, Ochyro, Pagoneri, Perithorio, Kato Vrontou and Potamoi (in Kato Nevrokopi municipality),

in the regional unit of Xanthi:

the municipal departments of Kimmerion, Stavroupoli, Gerakas, Dafnonas, Komnina, Kariofyto and Neochori (in Xanthi municipality),

the community departments of Satres, Thermes, Kotyli, and the municipal departments of Myki, Echinos and Oraio and (in Myki municipality),

the community department of Selero and the municipal department of Sounio (in Avdira municipality),

in the regional unit of Rodopi:

the municipal departments of Komotini, Anthochorio, Gratini, Thrylorio, Kalhas, Karydia, Kikidio, Kosmio, Pandrosos, Aigeiros, Kallisti, Meleti, Neo Sidirochori and Mega Doukato (in Komotini municipality),

the municipal departments of Ipio, Arriana, Darmeni, Archontika, Fillyra, Ano Drosini, Aratos and the Community Departments Kehros and Organi (in Arriana municipality),

the municipal departments of Iasmos, Sostis, Asomatoi, Polyanthos and Amvrosia and the community department of Amaxades (in Iasmos municipality),

the municipal department of Amaranta (in Maroneia Sapon municipality),

in the regional unit of Evros:

the municipal departments of Kyriaki, Mandra, Mavrokklisi, Mikro Dereio, Protokklisi, Roussa, Goniko, Geriko, Sidirochori, Megalo Derio, Sidiro, Giannouli, Agriani and Petrolofos (in Soufli municipality),

the municipal departments of Dikaia, Arzos, Elaia, Therapio, Komara, Marasia, Ormenio, Pentalofos, Petrota, Plati, Ptelea, Kyprinos, Zoni, Fulakio, Spilaio, Nea Vyssa, Kavili, Kastanies, Rizia, Sterna, Ampelakia, Valtos, Megali Doxipara, Neochori and Chandras (in Orestiada municipality),

the municipal departments of Asvestades, Ellinochori, Karoti, Koufovouno, Kiani, Mani, Sitochori, Alepochori, Asproneri, Metaxades, Vrysika, Doksa, Elafoxori, Ladi, Paliouri and Poimeniko (in Didymoteixo municipality),

in the regional unit of Serres:

the municipal departments of Kerkini, Livadia, Makrynitsa, Neochori, Platanakia, Petritsi, Akritochori, Vyroneia, Gonimo, Mandraki, Megalochori, Rodopoli, Ano Poroia, Katw Poroia, Sidirokastro, Vamvakophyto, Promahonas, Kamaroto, Strymonochori, Charopo, Kastanousi and Chortero and the community departments of Achladochori, Agkistro and Kapnophyto (in Sintiki municipality),

the municipal departments of Serres, Elaionas and Oinoussa and the community departments of Orini and Ano Vrontou (in Serres municipality),

the municipal departments of Dasochoriou, Irakleia, Valtero, Karperi, Koimisi, Lithotopos, Limnochori, Podismeno and Chrysochorafa (in Irakleia municipality).

4.   Letland

De volgende beperkingszones I in Letland:

Dienvidkurzemes novada Vērgales, Medzes, Grobiņas, Nīcas pagasta daļa uz ziemeļiem no apdzīvotas vietas Bernāti, autoceļa V1232, A11, V1222, Bārtas upes, Otaņķu pagasts, Grobiņas pilsēta,

Ropažu novada Stopiņu pagasta daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones I in Litouwen:

Kalvarijos savivaldybė,

Klaipėdos rajono savivaldybė: Agluonėnų, Dovilų, Gargždų, Priekulės, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos,

Marijampolės savivaldybė,

Palangos miesto savivaldybė,

Vilkaviškio rajono savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones I in Hongarije:

Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe,

Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950,

406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Győr-Moson-Sopron megye 100550, 100650, 100950, 101050, 101350, 101450, 101550, 101560 és 102150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251650, 251750, 251850, 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575150, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones I in Polen:

w województwie kujawsko - pomorskim:

powiat rypiński,

powiat brodnicki,

powiat grudziądzki,

powiat miejski Grudziądz,

powiat wąbrzeski,

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Wielbark i Rozogi w powiecie szczycieńskim,

w województwie podlaskim:

gminy Wysokie Mazowieckie z miastem Wysokie Mazowieckie, Czyżew i część gminy Kulesze Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gminy Miastkowo, Nowogród, Śniadowo i Zbójna w powiecie łomżyńskim,

gminy Szumowo, Zambrów z miastem Zambrów i część gminy Kołaki Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Grabowo, Kolno i miasto Kolno, Turośl w powiecie kolneńskim,

w województwie mazowieckim:

powiat ostrołęcki,

powiat miejski Ostrołęka,

gminy Bielsk, Brudzeń Duży, Bulkowo, Drobin, Gąbin, Łąck, Nowy Duninów, Radzanowo, Słupno, Staroźreby i Stara Biała w powiecie płockim,

powiat miejski Płock,

powiat ciechanowski,

gminy Baboszewo, Dzierzążnia, Joniec, Nowe Miasto, Płońsk i miasto Płońsk, Raciąż i miasto Raciąż, Sochocin w powiecie płońskim,

powiat sierpecki,

gmina Bieżuń, Lutocin, Siemiątkowo i Żuromin w powiecie żuromińskim,

część powiatu ostrowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Dzieżgowo, Lipowiec Kościelny, Mława, Radzanów, Strzegowo, Stupsk, Szreńsk, Szydłowo, Wiśniewo w powiecie mławskim,

powiat przasnyski,

powiat makowski,

powiat pułtuski,

część powiatu wyszkowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu węgrowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu wołomińskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Mokobody i Suchożebry w powiecie siedleckim,

gminy Dobre, Jakubów, Kałuszyn, Stanisławów w powiecie mińskim,

gminy Bielany i gmina wiejska Sokołów Podlaski w powiecie sokołowskim,

powiat gostyniński,

w województwie podkarpackim:

powiat jasielski,

powiat strzyżowski,

część powiatu ropczycko – sędziszowskiego niewymieniona w części II i II załącznika I,

gminy Pruchnik, Rokietnica, Roźwienica, w powiecie jarosławskim,

gminy Fredropol, Krasiczyn, Krzywcza, Przemyśl, część gminy Orły położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77, część gminy Żurawica na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77 w powiecie przemyskim,

powiat miejski Przemyśl,

gminy Gać, Jawornik Polski, Kańczuga, część gminy Zarzecze położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

powiat łańcucki,

gminy Trzebownisko, Głogów Małopolski, część gminy Świlcza położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 94 i część gminy Sokołów Małopolski położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gmina Raniżów w powiecie kolbuszowskim,

gminy Brzostek, Jodłowa, miasto Dębica, część gminy wiejskiej Dębica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

w województwie świętokrzyskim:

gminy Nowy Korczyn, Solec–Zdrój, Wiślica, część gminy Busko Zdrój położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Siedlawy-Szaniec-Podgaje-Kołaczkowice w powiecie buskim,

powiat kazimierski,

powiat skarżyski,

część powiatu opatowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu sandomierskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Bogoria, Osiek, Staszów i część gminy Rytwiany położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 764, część gminy Szydłów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 756 w powiecie staszowskim,

gminy Pawłów, Wąchock, część gminy Brody położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 oraz na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie, drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno - wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

powiat ostrowiecki,

gminy Fałków, Ruda Maleniecka, Radoszyce, Smyków, część gminy Końskie położona na zachód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na południe od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Bodzentyn, Bieliny, Łagów, Nowa Słupia, część gminy Raków położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 756 i 764, w powiecie kieleckim,

gminy Działoszyce, Michałów, Pińczów, Złota w powiecie pińczowskim,

gminy Imielno, Jędrzejów, Nagłowice, Sędziszów, Słupia, Wodzisław w powiecie jędrzejowskim,

gminy Moskorzew, Radków, Secemin w powiecie włoszczowskim,

w województwie łódzkim:

gminy Łyszkowice, Kocierzew Południowy, Kiernozia, Chąśno, Nieborów, część gminy wiejskiej Łowicz położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 biegnącej od granicy miasta Łowicz do zachodniej granicy gminy oraz część gminy wiejskiej Łowicz położona na wschód od granicy miasta Łowicz i na północ od granicy gminy Nieborów w powiecie łowickim,

gminy Cielądz, Rawa Mazowiecka z miastem Rawa Mazowiecka w powiecie rawskim,

gminy Bolimów, Głuchów, Godzianów, Lipce Reymontowskie, Maków, Nowy Kawęczyn, Skierniewice, Słupia w powiecie skierniewickim,

powiat miejski Skierniewice,

gminy Mniszków, Paradyż, Sławno i Żarnów w powiecie opoczyńskim,

powiat tomaszowski,

powiat brzeziński,

powiat łaski,

powiat miejski Łódź,

powat łódzki wschodni,

powiat pabianicki,

powiat wieruszowski,

gminy Aleksandrów Łódzki, Stryków, miasto Zgierz w powiecie zgierskim,

gminy Bełchatów z miastem Bełchatów, Drużbice, Kluki, Rusiec, Szczerców, Zelów w powiecie bełchatowskim,

powiat wieluński,

powiat sieradzki,

powiat zduńskowolski,

gminy Aleksandrów, Czarnocin, Grabica, Moszczenica, Ręczno, Sulejów, Wola Krzysztoporska, Wolbórz w powiecie piotrkowskim,

powiat miejski Piotrków Trybunalski,

gminy Masłowice, Przedbórz, Wielgomłyny i Żytno w powiecie radomszczańskim,

w województwie śląskim:

gmina Koniecpol w powiecie częstochowskim,

w województwie pomorskim:

gminy Ostaszewo, miasto Krynica Morska oraz część gminy Nowy Dwór Gdański położona na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

gminy Lichnowy, Miłoradz, Nowy Staw, Malbork z miastem Malbork w powiecie malborskim,

gminy Mikołajki Pomorskie, Stary Targ i Sztum w powiecie sztumskim,

powiat gdański,

Miasto Gdańsk,

powiat tczewski,

powiat kwidzyński,

w województwie lubuskim:

gmina Lubiszyn w powiecie gorzowskim,

gmina Dobiegniew w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

w województwie dolnośląskim:

gminy Dziadowa Kłoda, Międzybórz, Syców, Twardogóra, część gminy wiejskiej Oleśnica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dobroszyce położona na wschód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej do południowej granicy gminy w powiecie oleśnickim,

gminy Jordanów Śląski, Kobierzyce, Mietków, Sobótka, część gminy Żórawina położona na zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4, część gminy Kąty Wrocławskie położona na południe od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie wrocławskim,

część gminy Domaniów położona na południowy zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie oławskim,

gmina Wiązów w powiecie strzelińskim,

część powiatu średzkiego niewymieniona w części II załącznika I,

miasto Świeradów Zdrój w powiecie lubańskim,

gmina Krotoszyce w powiecie legnickim,

gminy Pielgrzymka, Świerzawa, Złotoryja z miastem Złotoryja, miasto Wojcieszów w powiecie złotoryjskim,

powiat lwówecki,

gminy Jawor, Męcinka, Mściwojów, Paszowice w powiecie jaworskim,

gminy Dobromierz, Strzegom, Żarów w powiecie świdnickim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Koźmin Wielkopolski, Rozdrażew, miasto Sulmierzyce, część gminy Krotoszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 15 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 36, nr 36 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 15 do skrzyżowana z drogą nr 444, nr 444 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 36 do południowej granicy gminy w powiecie krotoszyńskim,

gminy Brodnica, Dolsk, Śrem w powiecie śremskim,

gminy Borek Wielkopolski, Piaski, Pogorzela, w powiecie gostyńskim,

gminy Granowo, Grodzisk Wielkopolski i część gminy Kamieniec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gminy Czempiń, Kościan i miasto Kościan w powiecie kościańskim,

gminy Buk, Dopiewo, Komorniki, Kleszczewo, Kostrzyn, Kórnik, Tarnowo Podgórne, Stęszew, Pobiedziska, Mosina, miasto Luboń, miasto Puszczykowo, część gminy Rokietnica położona na południowy zachód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz oraz część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na południe od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gmina Kiszkowo i część gminy Kłecko położona na zachód od rzeki Mała Wełna w powiecie gnieźnieńskim,

powiat czarnkowsko-trzcianecki,

gmina Kaźmierz, część gminy Duszniki położona na południowy – wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostroróg położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, miasto Szamotuły i część gminy Szamotuły położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica - Ostroróg do linii wyznaczonej przez wschodnią granicę miasta Szamotuły i na południe od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły, do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na zachód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na zachód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

gmina Budzyń w powiecie chodzieskim,

gminy Mieścisko, Skoki i Wągrowiec z miastem Wągrowiec w powiecie wągrowieckim,

powiat pleszewski,

gmina Zagórów w powiecie słupeckim,

gmina Pyzdry w powiecie wrzesińskim,

gminy Kotlin, Żerków i część gminy Jarocin położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr S11 i 15 w powiecie jarocińskim,

powiat ostrowski,

powiat miejski Kalisz,

gminy Blizanów, Brzeziny, Żelazków, Godziesze Wielkie, Koźminek, Lisków, Opatówek, Szczytniki, część gminy Stawiszyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków- Kolonia położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

gminy Brudzew, Dobra, Kawęczyn, Przykona, Władysławów, Turek z miastem Turek część gminy Tuliszków położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

gminy Rzgów, Grodziec, Krzymów, Stare Miasto, część gminy Rychwał położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

powiat kępiński,

powiat ostrzeszowski,

w województwie opolskim:

gminy Domaszowice, Pokój, część gminy Namysłów położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie namysłowskim,

gminy Wołczyn, Kluczbork, Byczyna w powiecie kluczborskim,

gminy Praszka, Gorzów Śląski część gminy Rudniki położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 42 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 43 i na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 43 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 42 w powiecie oleskim,

gmina Grodkóww powiecie brzeskim,

gminy Komprachcice, Łubniany, Murów, Niemodlin, Tułowice w powiecie opolskim,

powiat miejski Opole,

w województwie zachodniopomorskim:

gminy Nowogródek Pomorski, Barlinek, Myślibórz, część gminy Dębno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na północ od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na północ od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gmina Stare Czarnowo w powiecie gryfińskim,

gmina Bielice, Kozielice, Pyrzyce w powiecie pyrzyckim,

gminy Bierzwnik, Krzęcin, Pełczyce w powiecie choszczeńskim,

część powiatu miejskiego Szczecin położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Odra Zachodnia biegnącą od północnej granicy gminy do przecięcia z drogą nr 10, następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 10 biegnącą od przecięcia z linią wyznaczoną przez rzekę Odra Zachodnia do wschodniej granicy gminy,

gminy Dobra (Szczecińska), Kołbaskowo, Police w powiecie polickim,

w województwie małopolskim:

powiat brzeski,

powiat gorlicki,

powiat proszowicki,

powiat nowosądecki,

powiat miejski Nowy Sącz,

część powiatu dąbrowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu tarnowskiego niewymieniona w części III załącznika I.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones I in Slowakije:

in the district of Nové Zámky: Mužla, Obid, Štúrovo, Nána, Kamenica nad Hronom, Chľaba, Leľa, Bajtava, Salka, Malé Kosihy, Kolta, Jasová, Dubník, Rúbaň, Strekov,

in the district of Komárno: Bátorové Kosihy, Búč, Kravany nad Dunajom,

in the district of Veľký Krtíš, the municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká nad Ipľom, Hrušov, Kleňany, Sečianky,

in the district of Levice, the municipalities of Ipeľské Úľany, Plášťovce, Dolné Túrovce, Stredné Túrovce, Šahy, Tešmak, Pastovce, Zalaba, Malé Ludince, Hronovce, Nýrovce, Želiezovce, Málaš, Čaka,

the whole district of Krupina, except municipalities included in part II,

the whole district of Banska Bystrica, except municipalities included in part II,

in the district of Liptovsky Mikulas – municipalities of Pribylina, Jamník, Svatý Štefan, Konská, Jakubovany, Liptovský Ondrej, Beňadiková, Vavrišovo, Liptovská Kokava, Liptovský Peter, Dovalovo, Hybe, Liptovský Hrádok, Liptovský Ján, Uhorská Ves, Podtureň, Závažná Poruba, Liptovský Mikuláš, Pavčina Lehota, Demänovská Dolina, Gôtovany, Galovany, Svätý Kríž, Lazisko, Dúbrava, Malatíny, Liptovské Vlachy, Liptovské Kľačany, Partizánska Ľupča, Kráľovská Ľubeľa, Zemianska Ľubeľa, Východná – a part of municipality north from the highway D1,

in the district of Ružomberok, the municipalities of Liptovská Lužná, Liptovská Osada, Podsuchá, Ludrová, Štiavnička, Liptovská Štiavnica, Nižný Sliač, Liptovské Sliače,

the whole district of Banska Stiavnica,

the whole district of Žiar nad Hronom.

9.   Italië

De volgende beperkingszones I in Italië:

Piedmont Region:

in the province of Alessandria, the municipalities of Casalnoceto, Oviglio, Tortona, Viguzzolo, Ponti, Frugarolo, Bergamasco, Castellar Guidobono, Berzano Di Tortona, Castelletto D'erro, Cerreto Grue, Carbonara Scrivia, Casasco, Carentino, Frascaro, Paderna, Montegioco, Spineto Scrivia, Villaromagnano, Pozzolo Formigaro, Momperone, Merana, Monleale, Terzo, Borgoratto Alessandrino, Casal Cermelli, Montemarzino, Bistagno, Castellazzo Bormida, Bosco Marengo, Spigno Monferrato, Castelspina, Denice, Volpeglino, Alice Bel Colle, Gamalero, Volpedo, Pozzol Groppo, Montechiaro D'acqui, Sarezzano,

in the province of Asti, the municipalities of Olmo Gentile, Nizza Monferrato, Incisa Scapaccino, Roccaverano, Castel Boglione, Mombaruzzo, Maranzana, Castel Rocchero, Rocchetta Palafea, Castelletto Molina, Castelnuovo Belbo, Montabone, Quaranti, Mombaldone, Fontanile, Calamandrana, Bruno, Sessame, Monastero Bormida, Bubbio, Cassinasco, Serole,

Liguria Region:

in the province of Genova, the Municipalities of Rovegno, Rapallo, Portofino, Cicagna, Avegno, Montebruno, Santa Margherita Ligure, Favale Di Malvaro, Recco, Camogli, Moconesi, Tribogna, Fascia, Uscio, Gorreto, Fontanigorda, Neirone, Rondanina, Lorsica, Propata,

in the province of Savona, the municipalities of Cairo Montenotte, Quiliano, Dego, Altare, Piana Crixia, Mioglia, Giusvalla, Albissola Marina, Savona,

Emilia-Romagna Region:

in the province of Piacenza, the municipalities of Ottone, Zerba,

Lombardia Region:

in the province of Pavia, the municipalities of Rocca Susella, Montesegale, Menconico, Val Di Nizza, Bagnaria, Santa Margherita Di Staffora, Ponte Nizza, Brallo Di Pregola, Varzi, Godiasco, Cecima.

DEEL II

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones II in Bulgarije:

the whole region of Haskovo,

the whole region of Yambol,

the whole region of Stara Zagora,

the whole region of Pernik,

the whole region of Kyustendil,

the whole region of Plovdiv, excluding the areas in Part III,

the whole region of Pazardzhik, excluding the areas in Part III,

the whole region of Smolyan,

the whole region of Dobrich,

the whole region of Sofia city,

the whole region of Sofia Province,

the whole region of Blagoevgrad excluding the areas in Part III,

the whole region of Razgrad,

the whole region of Kardzhali,

the whole region of Burgas,

the whole region of Varna excluding the areas in Part III,

the whole region of Silistra,

the whole region of Ruse,

the whole region of Veliko Tarnovo,

the whole region of Pleven,

the whole region of Targovishte,

the whole region of Shumen,

the whole region of Sliven,

the whole region of Vidin,

the whole region of Gabrovo,

the whole region of Lovech,

the whole region of Montana,

the whole region of Vratza.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones II in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Grunow-Dammendorf,

Gemeinde Mixdorf

Gemeinde Schlaubetal,

Gemeinde Neuzelle,

Gemeinde Neißemünde,

Gemeinde Lawitz,

Gemeinde Eisenhüttenstadt,

Gemeinde Vogelsang,

Gemeinde Ziltendorf,

Gemeinde Wiesenau,

Gemeinde Friedland,

Gemeinde Siehdichum,

Gemeinde Müllrose,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Jacobsdorf

Gemeinde Groß Lindow,

Gemeinde Brieskow-Finkenheerd,

Gemeinde Ragow-Merz,

Gemeinde Beeskow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Stremmen, Ranzig, Trebatsch, Sabrodt, Sawall, Mitweide, Lindenberg, Falkenberg (T), Görsdorf (B), Wulfersdorf, Giesensdorf, Briescht, Kossenblatt und Tauche,

Gemeinde Langewahl,

Gemeinde Berkenbrück,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Arensdorf und Demitz und den Gemarkungen Steinhöfel, Hasenfelde und Heinersdorf östlich der L 36 und der Gemarkung Neuendorf im Sande südlich der L36,

Gemeinde Fürstenwalde östlich der B 168 und südlich der L36,

Gemeinde Diensdorf-Radlow,

Gemeinde Wendisch Rietz östlich des Scharmützelsees und nördlich der B 246,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Neu Golm und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow östlich des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze östlich der L35,

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Jamlitz,

Gemeinde Lieberose,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Goyatz, Jessern, Lamsfeld, Ressen, Speichrow und Zaue,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Schenkendöbern,

Gemeinde Guben,

Gemeinde Jänschwalde,

Gemeinde Tauer,

Gemeinde Teichland mit der Gemarkung Bärenbrück,

Gemeinde Heinersbrück,

Gemeinde Forst,

Gemeinde Groß Schacksdorf-Simmersdorf,

Gemeinde Neiße-Malxetal,

Gemeinde Jämlitz-Klein Düben,

Gemeinde Tschernitz,

Gemeinde Döbern,

Gemeinde Felixsee,

Gemeinde Wiesengrund,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen Groß Luja, Sellessen, Türkendorf, Graustein, Waldesdorf, Hornow, Schönheide, Liskau und der östliche Teil der Gemarkung Spremberg, beginnend an der südwestlichen Ecke der Gemarkungsgrenze zu Graustein in nordwestlicher Richtung entlang eines Waldweges zur B 156, dieser weiter in westlicher Richtung folgend bis zur Bahnlinie, dieser folgend bis zur L 48, dann weiter in südwestlicher Richtung bis zum Straßenabzweig Am früheren Stadtbahngleis, dieser Straße folgend bis zur L 47, weiter der L 47 folgend in nordöstlicher Richtung bis zum Abzweig Hasenheide, entlang der Straße Hasenheide bis zum Abzweig Weskower Allee, der Weskower Allee Richtung Norden folgend bis zum Abzweig Liebigstraße, dieser folgend Richtung Norden bis zur Gemarkungsgrenze Spremberg/ Sellessen,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kahsel, Bagenz, Drieschnitz, Gablenz, Laubsdorf, Komptendorf und Sergen und der Gemarkung Roggosen südlich der BAB 15,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Bleyen-Genschmar,

Gemeinde Neuhardenberg,

Gemeinde Golzow,

Gemeinde Küstriner Vorland,

Gemeinde Alt Tucheband,

Gemeinde Reitwein,

Gemeinde Podelzig,

Gemeinde Gusow-Platkow,

Gemeinde Seelow,

Gemeinde Vierlinden,

Gemeinde Lindendorf,

Gemeinde Fichtenhöhe,

Gemeinde Lietzen,

Gemeinde Falkenhagen (Mark),

Gemeinde Zeschdorf,

Gemeinde Treplin,

Gemeinde Lebus,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Jahnsfelde, Trebnitz, Obersdorf, Münchehofe und Hermersdorf,

Gemeinde Märkische Höhe mit der Gemarkung Ringenwalde,

Gemeinde Bliesdorf mit der Gemarkung Metzdorf und Gemeinde Bliesdorf – östlich der B167 bis östlicher Teil, begrenzt aus Richtung Gemarkungsgrenze Neutrebbin südlich der Bahnlinie bis Straße „Sophienhof“ dieser westlich folgend bis „Ruesterchegraben“ weiter entlang Feldweg an den Windrädern Richtung „Herrnhof“, weiter entlang „Letschiner Hauptgraben“ nord-östlich bis Gemarkungsgrenze Alttrebbin und Kunersdorf – östlich der B167,

Gemeinde Bad Freienwalde mit den Gemarkungen Altglietzen, Altranft, Bad Freienwalde, Bralitz, Hohenwutzen, Schiffmühle, Hohensaaten und Neuenhagen,

Gemeinde Falkenberg mit der Gemarkung Falkenberg östlich der L35,

Gemeinde Oderaue,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Altwriezen, Jäckelsbruch, Neugaul, Beauregard, Eichwerder, Rathsdorf – östlich der B167 und Wriezen – östlich der B167,

Gemeinde Neulewin,

Gemeinde Neutrebbin,

Gemeinde Letschin,

Gemeinde Zechin,

Landkreis Barnim:

Gemeinde Lunow-Stolzenhagen,

Gemeinde Parsteinsee,

Gemeinde Oderberg,

Gemeinde Liepe,

Gemeinde Hohenfinow (nördlich der B167),

Gemeinde Niederfinow,

Gemeinde (Stadt) Eberswalde mit den Gemarkungen Eberswalde nördlich der B167 und östlich der L200, Sommerfelde und Tornow nördlich der B167,

Gemeinde Chorin mit den Gemarkungen Brodowin, Chorin östlich der L200, Serwest, Neuehütte, Sandkrug östlich der L200,

Gemeinde Ziethen mit der Gemarkung Klein Ziethen östlich der Serwester Dorfstraße und östlich der B198,

Landkreis Uckermark:

Gemeinde Angermünde mit den Gemarkungen Crussow, Stolpe, Gellmersdorf, Neukünkendorf, Bölkendorf, Herzsprung, Schmargendorf und den Gemarkungen Angermünde südlich und südöstlich der B2 und Dobberzin südlich der B2,

Gemeinde Schwedt mit den Gemarkungen Criewen, Zützen, Schwedt, Stendell, Kummerow, Kunow, Vierraden, Blumenhagen, Oderbruchwiesen, Enkelsee, Gatow, Hohenfelde, Schöneberg, Flemsdorf und der Gemarkung Felchow östlich der B2,

Gemeinde Pinnow südlich und östlich der B2,

Gemeinde Berkholz-Meyenburg,

Gemeinde Mark Landin mit der Gemarkung Landin südlich der B2,

Gemeinde Casekow mit der Gemarkung Woltersdorf und den Gemarkungen Biesendahlshof und Casekow östlich der L272 und südlich der L27,

Gemeinde Hohenselchow-Groß Pinnow mit der Gemarkung Groß Pinnow und der Gemarkung Hohenselchow südlich der L27,

Gemeinde Gartz (Oder) mit der Gemarkung Friedrichsthal und den Gemarkungen Gartz und Hohenreinkendorf südlich der L27 und B2 bis Gartenstraße,

Gemeinde Passow mit der Gemarkung Jamikow,

Kreisfreie Stadt Frankfurt (Oder),

Landkreis Prignitz:

Gemeinde Berge,

Gemeinde Pirow mit den Gemarkungen Hülsebeck, Pirow und Burow,

Gemeinde Putlitz mit den Gemarkungen Sagast, Nettelbeck, Porep, Lütkendorf, Putlitz, Weitgendorf und Telschow,

Gemeinde Marienfließ mit den Gemarkungen Jännersdorf, Stepenitz und Krempendorf,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen:

Gemeinde Arnsdorf nördlich der B6,

Gemeinde Burkau westlich des Straßenverlaufs von B98 und S94,

Gemeinde Frankenthal,

Gemeinde Großdubrau,

Gemeinde Großharthau nördlich der B6,

Gemeinde Großnaundorf,

Gemeinde Haselbachtal,

Gemeinde Hochkirch nördlich der B6,

Gemeinde Königswartha östlich der B96,

Gemeinde Kubschütz nördlich der B6,

Gemeinde Laußnitz,

Gemeinde Lichtenberg,

Gemeinde Lohsa östlich der B96,

Gemeinde Malschwitz,

Gemeinde Nebelschütz westlich der S94 und südlich der S100,

Gemeinde Neukirch,

Gemeinde Neschwitz östlich der B96,

Gemeinde Ohorn,

Gemeinde Ottendorf-Okrilla,

Gemeinde Panschwitz-Kuckau westlich der S94,

Gemeinde Radibor östlich der B96,

Gemeinde Rammenau westlich der B98,

Gemeinde Schwepnitz westlich der S93,

Gemeinde Spreetal östlich der B97,

Gemeinde Stadt Bautzen östlich des Verlaufs der B96 bis Abzweig S 156 und nördlich des Verlaufs S 156 bis Abzweig B6 und nördlich des Verlaufs der B 6 bis zur östlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Bischofswerda nördlich der B6 und westlich der B98,

Gemeinde Stadt Elstra westlich der S94 und südlich der S100,

Gemeinde Stadt Großröhrsdorf,

Gemeinde Stadt Hoyerswerda südlich des Verlaufs der B97 bis Abzweig B96 und östlich des Verlaufs der B96 bis zur südlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Kamenz westlich der S100 bis zum Abzweig S93, dann westlich der S93,

Gemeinde Stadt Königsbrück,

Gemeinde Stadt Pulsnitz,

Gemeinde Stadt Radeberg nördlich der B6,

Gemeinde Stadt Weißenberg,

Gemeinde Stadt Wittichenau östlich der B96,

Gemeinde Steina,

Gemeinde Wachau,

Stadt Dresden:

Stadtgebiet nördlich der B6,

Landkreis Görlitz,

Landkreis Meißen:

Gemeinde Ebersbach,

Gemeinde Klipphausen östlich der B6,

Gemeinde Lampertswalde,

Gemeinde Moritzburg,

Gemeinde Niederau östlich der B101

Gemeinde Priestewitz östlich der B101,

Gemeinde Röderaue östlich der B101,

Gemeinde Schönfeld,

Gemeinde Stadt Coswig,

Gemeinde Stadt Großenhain östlich der B101,

Gemeinde Stadt Meißen östlich des Straßenverlaufs von B6 und B101,

Gemeinde Stadt Radebeul,

Gemeinde Stadt Radeburg,

Gemeinde Thiendorf,

Gemeinde Weinböhla.

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern:

Landkreis Ludwigslust-Parchim:

Gemeinde Brunow mit den Ortsteilen und Ortslagen:

Bauerkuhl, Brunow (bei Ludwigslust), Klüß, Löcknitz (bei Parchim),

Gemeinde Dambeck mit dem Ortsteil und der Ortslage:

Dambeck (bei Ludwigslust),

Gemeinde Ganzlin mit den Ortsteilen und Ortslagen: Barackendorf, Hof Retzow, Klein Damerow, Retzow, Wangelin,

Gemeinde Gehlsbach mit den Ortsteilen und Ortslagen: Ausbau Darß, Darß, Hof Karbow, Karbow, Karbow-Ausbau, Quaßlin, Quaßlin Hof, Quaßliner Mühle, Vietlübbe, Wahlstorf

Gemeinde Groß Godems mit den Ortsteilen und Ortslagen:

Groß Godems, Klein Godems,

Gemeinde Karrenzin mit den Ortsteilen und Ortslagen:

Herzfeld, Karrenzin, Karrenzin-Ausbau, Neu Herzfeld, Repzin, Wulfsahl,

Gemeinde Kreien mit den Ortsteilen und Ortslagen: Ausbau Kreien, Hof Kreien, Kolonie Kreien, Kreien, Wilsen,

Gemeinde Kritzow mit dem Ortsteil und der Ortslage: Benzin,

Gemeinde Lübz mit den Ortsteilen und Ortslagen: Burow, Gischow, Meyerberg,

Gemeinde Möllenbeck mit den Ortsteilen und Ortslagen: Carlshof, Horst, Menzendorf, Möllenbeck,

Gemeinde Parchim mit dem Ortsteil und Ortslage: Slate,

Gemeinde Rom mit dem Ortsteil und Ortslage: Klein Niendorf,

Gemeinde Ruhner Berge mit den Ortsteilen und Ortslagen: Dorf Poltnitz, Drenkow, Griebow, Jarchow, Leppin, Malow, Malower Mühle, Marnitz, Mentin, Mooster, Poitendorf, Poltnitz, Suckow, Tessenow, Zachow,

Gemeinde Siggelkow mit den Ortsteilen und Ortslagen: Groß Pankow, Klein Pankow, Neuburg, Redlin, Siggelkow,

Gemeinde Ziegendorf mit den Ortsteilen und Ortslagen: Drefahl, Meierstorf, Neu Drefahl, Pampin, Platschow, Stresendorf, Ziegendorf.

3.   Estland

De volgende beperkingszones II in Estland:

Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond).

4.   Letland

De volgende beperkingszones II in Letland:

Aizkraukles novads,

Alūksnes novads,

Augšdaugavas novads,

Ādažu novads,

Balvu novads,

Bauskas novads,

Cēsu novads,

Dienvidkurzemes novada Aizputes, Cīravas, Lažas, Kalvenes, Kazdangas, Durbes, Dunalkas, Tadaiķu, Vecpils, Bārtas, Sakas, Bunkas, Priekules, Gramzdas, Kalētu, Virgas, Dunikas, Embūtes, Vaiņodes, Gaviezes, Rucavas pagasts, Nīcas pagasta daļa uz dienvidiem no apdzīvotas vietas Bernāti, autoceļa V1232, A11, V1222, Bārtas upes, Aizputes, Durbes, Pāvilostas, Priekules pilsēta,

Dobeles novads,

Gulbenes novads,

Jelgavas novads,

Jēkabpils novads,

Krāslavas novads,

Kuldīgas novads,

Ķekavas novads,

Limbažu novads,

Līvānu novads,

Ludzas novads,

Madonas novads,

Mārupes novads,

Ogres novads,

Olaines novads,

Preiļu novads,

Rēzeknes novads,

Ropažu novada Garkalnes, Ropažu pagasts, Stopiņu pagasta daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, Vangažu pilsēta,

Salaspils novads,

Saldus novads,

Saulkrastu novads,

Siguldas novads,

Smiltenes novads,

Talsu novads,

Tukuma novads,

Valkas novads,

Valmieras novads,

Varakļānu novads,

Ventspils novads,

Daugavpils valstspilsētas pašvaldība,

Jelgavas valstspilsētas pašvaldība,

Jūrmalas valstspilsētas pašvaldība,

Rēzeknes valstspilsētas pašvaldība.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones II in Litouwen:

Alytaus miesto savivaldybė,

Alytaus rajono savivaldybė,

Anykščių rajono savivaldybė,

Akmenės rajono savivaldybė,

Birštono savivaldybė,

Biržų miesto savivaldybė,

Biržų rajono savivaldybė,

Druskininkų savivaldybė,

Elektrėnų savivaldybė,

Ignalinos rajono savivaldybė,

Jonavos rajono savivaldybė,

Joniškio rajono savivaldybė,

Jurbarko rajono savivaldybė,

Kaišiadorių rajono savivaldybė,

Kauno miesto savivaldybė,

Kauno rajono savivaldybė,

Kazlų rūdos savivaldybė,

Kelmės rajono savivaldybė,

Kėdainių rajono savivaldybė,

Klaipėdos rajono savivaldybė: Judrėnų, Endriejavo ir Veiviržėnų seniūnijos,

Kupiškio rajono savivaldybė,

Kretingos rajono savivaldybė,

Lazdijų rajono savivaldybė,

Mažeikių rajono savivaldybė,

Molėtų rajono savivaldybė,

Pagėgių savivaldybė,

Pakruojo rajono savivaldybė,

Panevėžio rajono savivaldybė,

Panevėžio miesto savivaldybė,

Pasvalio rajono savivaldybė,

Radviliškio rajono savivaldybė,

Rietavo savivaldybė,

Prienų rajono savivaldybė,

Plungės rajono savivaldybė,

Raseinių rajono savivaldybė,

Rokiškio rajono savivaldybė,

Skuodo rajono savivaldybės,

Šakių rajono savivaldybė,

Šalčininkų rajono savivaldybė,

Šiaulių miesto savivaldybė,

Šiaulių rajono savivaldybė,

Šilutės rajono savivaldybė,

Širvintų rajono savivaldybė,

Šilalės rajono savivaldybė,

Švenčionių rajono savivaldybė,

Tauragės rajono savivaldybė,

Telšių rajono savivaldybė,

Trakų rajono savivaldybė,

Ukmergės rajono savivaldybė,

Utenos rajono savivaldybė,

Varėnos rajono savivaldybė,

Vilniaus miesto savivaldybė,

Vilniaus rajono savivaldybė,

Visagino savivaldybė,

Zarasų rajono savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones II in Hongarije:

Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Fejér megye 403150, 403160, 403250, 403260, 403350, 404250, 404550, 404560, 404570, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye: 250350, 250850, 250950, 251450, 251550, 251950, 252050, 252150, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones II in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kalinowo, Stare Juchy, Prostki oraz gmina wiejska Ełk w powiecie ełckim,

powiat elbląski,

powiat miejski Elbląg,

powiat gołdapski,

powiat piski,

powiat bartoszycki,

powiat olecki,

powiat giżycki,

powiat braniewski,

powiat kętrzyński,

powiat lidzbarski,

gminy Jedwabno, Świętajno, Szczytno i miasto Szczytno, część gminy Dźwierzuty położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 57, część gminy Pasym położona na południe od linii wyznaczonej przez droge nr 53w powiecie szczycieńskim,

powiat mrągowski,

powiat węgorzewski,

gminy Dobre Miasto, Dywity, Świątki, Jonkowo, Gietrzwałd, Olsztynek, Stawiguda, Jeziorany, Kolno, część gminy Barczewo położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Purda położona na południe od linii wyznaczonej przez droge nr 53, część gminy Biskupiec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 57 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 16 a nastęnie na północ od drogi nr 16 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 57 do zachodniej granicy gminy w powiecie olsztyńskim,

powiat miejski Olsztyn,

powiat nidzicki,

gminy Kisielice, Susz, Zalewo w powiecie iławskim,

część powiatu ostródzkiego niewymieniona w części III załącznika I,

gmina Iłowo – Osada w powiecie działdowskim,

w województwie podlaskim:

powiat bielski,

powiat grajewski,

powiat moniecki,

powiat sejneński,

gminy Łomża, Piątnica, Jedwabne, Przytuły i Wizna w powiecie łomżyńskim,

powiat miejski Łomża,

powiat siemiatycki,

powiat hajnowski,

gminy Ciechanowiec, Klukowo, Szepietowo, Kobylin-Borzymy, Nowe Piekuty, Sokoły i część gminy Kulesze Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gmina Rutki i część gminy Kołaki Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Mały Płock i Stawiski w powiecie kolneńskim,

powiat białostocki,

powiat suwalski,

powiat miejski Suwałki,

powiat augustowski,

powiat sokólski,

powiat miejski Białystok,

w województwie mazowieckim:

gminy Domanice, Korczew, Kotuń, Mordy, Paprotnia, Przesmyki, Siedlce, Skórzec, Wiśniew, Wodynie, Zbuczyn w powiecie siedleckim,

powiat miejski Siedlce,

gminy Ceranów, Jabłonna Lacka, Kosów Lacki, Repki, Sabnie, Sterdyń w powiecie sokołowskim,

powiat łosicki,

powiat sochaczewski,

powiat zwoleński,

powiat kozienicki,

powiat lipski,

powiat radomski

powiat miejski Radom,

powiat szydłowiecki,

gminy Lubowidz i Kuczbork Osada w powiecie żuromińskim,

gmina Wieczfnia Kościelna w powicie mławskim,

gminy Bodzanów, Słubice, Wyszogród i Mała Wieś w powiecie płockim,

powiat nowodworski,

gminy Czerwińsk nad Wisłą, Naruszewo, Załuski w powiecie płońskim,

gminy: miasto Kobyłka, miasto Marki, miasto Ząbki, miasto Zielonka, część gminy Tłuszcz ograniczona liniami kolejowymi: na północ od linii kolejowej biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Tłuszcz oraz na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy do miasta Tłuszcz, część gminy Jadów położona na północ od linii kolejowej biegnącej od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie wołomińskim,

powiat garwoliński,

gminy Boguty – Pianki, Brok, Zaręby Kościelne, Nur, Małkinia Górna, część gminy Wąsewo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 60, część gminy wiejskiej Ostrów Mazowiecka położona na południe od miasta Ostrów Mazowiecka i na południe od linii wyznaczonej przez drogę 60 biegnącą od zachodniej granicy miasta Ostrów Mazowiecka do zachodniej granicy gminy w powiecie ostrowskim,

część gminy Sadowne położona na północny- zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Łochów położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie węgrowskim,

gminy Brańszczyk, Długosiodło, Rząśnik, Wyszków, część gminy Zabrodzie położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie wyszkowskim,

gminy Cegłów, Dębe Wielkie, Halinów, Latowicz, Mińsk Mazowiecki i miasto Mińsk Mazowiecki, Mrozy, Siennica, miasto Sulejówek w powiecie mińskim,

powiat otwocki,

powiat warszawski zachodni,

powiat legionowski,

powiat piaseczyński,

powiat pruszkowski,

powiat grójecki,

powiat grodziski,

powiat żyrardowski,

powiat białobrzeski,

powiat przysuski,

powiat miejski Warszawa,

w województwie lubelskim:

powiat bialski,

powiat miejski Biała Podlaska,

gminy Batorz, Godziszów, Janów Lubelski, Modliborzyce w powiecie janowskim,

powiat puławski,

powiat rycki,

powiat łukowski,

powiat lubelski,

powiat miejski Lublin,

powiat lubartowski,

powiat łęczyński,

powiat świdnicki,

gminy Aleksandrów, Biszcza, Józefów, Księżpol, Łukowa, Obsza, Potok Górny, Tarnogród w powiecie biłgorajskim,

gminy Dołhobyczów, Mircze, Trzeszczany, Uchanie i Werbkowice w powiecie hrubieszowskim,

powiat krasnostawski,

powiat chełmski,

powiat miejski Chełm,

powiat tomaszowski,

część powiatu kraśnickiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat opolski,

powiat parczewski,

powiat włodawski,

powiat radzyński,

powiat miejski Zamość,

gminy Adamów, Grabowiec, Komarów – Osada, Krasnobród, Łabunie, Miączyn, Nielisz, Sitno, Skierbieszów, Stary Zamość, Zamość w powiecie zamojskim,

w województwie podkarpackim:

część powiatu stalowowolskiego niewymieniona w części III załącznika I,

gminy Cieszanów, Horyniec - Zdrój, Narol, Stary Dzików, Oleszyce, Lubaczów z miastem Lubaczów w powiecie lubaczowskim,

gminy Medyka, Stubno, część gminy Orły położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77, część gminy Żurawica na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 77 w powiecie przemyskim,

gmina Pilzno w powiecie dębickim,

gminy Chłopice, Jarosław z miastem Jarosław, Pawłosiów i Wiązownice w powiecie jarosławskim,

gmina Kamień w powiecie rzeszowskim,

gminy Cmolas, Dzikowiec, Kolbuszowa, Majdan Królewski i Niwiska powiecie kolbuszowskim,

powiat leżajski,

powiat niżański,

powiat tarnobrzeski,

gminy Adamówka, Sieniawa, Tryńcza, Przeworsk z miastem Przeworsk, Zarzecze w powiecie przeworskim,

część gminy Sędziszów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Ostrów nie wymieniona w części III załącznika I w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

w województwie pomorskim:

gminy Dzierzgoń i Stary Dzierzgoń w powiecie sztumskim,

gmina Stare Pole w powiecie malborskim,

gminy Stegny, Sztutowo i część gminy Nowy Dwór Gdański położona na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

w województwie świętokrzyskim:

gmina Tarłów i część gminy Ożarów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 74 biegnącą od miejscowości Honorów do zachodniej granicy gminy w powiecie opatowskim,

część gminy Brody położona wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 i na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie oraz przez drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno – wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

gmina Gowarczów, część gminy Końskie położona na wschód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na północ od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Dwikozy i Zawichost w powiecie sandomierskim,

w województwie lubuskim:

gminy Bogdaniec, Deszczno, Kłodawa, Kostrzyn nad Odrą, Santok, Witnica w powiecie gorzowskim,

powiat miejski Gorzów Wielkopolski,

gminy Drezdenko, Strzelce Krajeńskie, Stare Kurowo, Zwierzyn w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

powiat żarski,

powiat słubicki,

gminy Brzeźnica, Iłowa, Gozdnica, Wymiarki i miasto Żagań w powiecie żagańskim,

powiat krośnieński,

powiat zielonogórski

powiat miejski Zielona Góra,

powiat nowosolski,

część powiatu sulęcińskiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu międzyrzeckiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu świebodzińskiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu wschowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

w województwie dolnośląskim:

powiat zgorzelecki,

gminy Gaworzyce, Grębocice, Polkowice i Radwanice w powiecie polkowickim,

część powiatu wołowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat lubiński,

gmina Malczyce, Miękinia, Środa Śląska, część gminy Kostomłoty położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Udanin położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie średzkim,

gmina Wądroże Wielkie w powiecie jaworskim,

powiat miejski Legnica,

część powiatu legnickiego niewymieniona w części I i III załącznika I,

gmina Oborniki Śląskie, Wisznia Mała, Trzebnica, Zawonia w powiecie trzebnickim,

gminy Leśna, Lubań i miasto Lubań, Olszyna, Platerówka, Siekierczyn w powiecie lubańskim,

powiat miejki Wrocław,

gminy Czernica, Długołęka, Siechnice, część gminy Żórawina położona na wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4, część gminy Kąty Wrocławskie położona na północ od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie wrocławskim,

gminy Jelcz - Laskowice, Oława z miastem Oława i część gminy Domaniów położona na północny wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 w powiecie oławskim,

gmina Bierutów, miasto Oleśnica, część gminy wiejskiej Oleśnica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dobroszyce położona na zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej do południowej granicy gminy w powiecie oleśnickim,

gmina Cieszków, Krośnice, część gminy Milicz położona na wschód od linii łączącej miejscowości Poradów – Piotrkosice – Sulimierz – Sułów - Gruszeczka w powiecie milickim,

część powiatu bolesławieckiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu głogowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

gmina Niechlów w powiecie górowskim,

gmina Zagrodno w powiecie złotoryjskim,

w województwie wielkopolskim:

powiat wolsztyński,

gmina Wielichowo, Rakoniewice część gminy Kamieniec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gminy Lipno, Osieczna, Święciechowa, Wijewo, Włoszakowice w powiecie leszczyńskim,

powiat miejski Leszno,

gminy Krzywiń i Śmigiel w powiecie kościańskim,

część powiatu międzychodzkiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu nowotomyskiego niewymieniona w części III załącznika I,

powiat obornicki,

część gminy Połajewo na położona na południe od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo - ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

powiat miejski Poznań,

gminy Czerwonak, Swarzędz, Suchy Las, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na północ od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Rokietnica położona na północ i na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz w powiecie poznańskim,

część gminy Ostroróg położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, część gminy Pniewy położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 187 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 187 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo część gminy Duszniki położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Szamotuły położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica – Ostroróg oraz część położona na wschód od wschodniej granicy miasta Szamotuły i na północ od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na wschód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na wschód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

gmina Malanów, część gminy Tuliszków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

część gminy Rychwał położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogę nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

gmina Mycielin, część gminy Stawiszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków - Kolonia położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

gminy Gostyń i Pępowo w powiecie gostyńskim,

gminy Kobylin, Zduny, część gminy Krotoszyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 15 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 36, nr 36 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 15 do skrzyżowana z drogą nr 444, nr 444 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 36 do południowej granicy gminy w powiecie krotoszyńskim,

w województwie łódzkim:

gminy Białaczów, Drzewica, Opoczno i Poświętne w powiecie opoczyńskim,

gminy Biała Rawska, Regnów i Sadkowice w powiecie rawskim,

gmina Kowiesy w powiecie skierniewickim,

w województwie zachodniopomorskim:

gmina Boleszkowice i część gminy Dębno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na południe od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na południe od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Banie, Cedynia, Chojna, Gryfino, Mieszkowice, Moryń, Trzcińsko – Zdrój, Widuchowa w powiecie gryfińskim,

w województwie opolskim:

gminy Brzeg, Lubsza, Lewin Brzeski, Olszanka, Skarbimierz w powiecie brzeskim,

gminy Dąbrowa, Dobrzeń Wielki, Popielów w powiecie opolskim,

gminy Świerczów, Wilków, część gminy Namysłów położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie namysłowskim.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones II in Slowakije:

the whole district of Gelnica except municipalities included in zone III,

the whole district of Poprad

the whole district of Spišská Nová Ves,

the whole district of Levoča,

the whole district of Kežmarok

in the whole district of Michalovce except municipalities included in zone III,

the whole district of Košice-okolie,

the whole district of Rožnava,

the whole city of Košice,

the whole district of Sobrance,

the whole district of Vranov nad Topľou,

the whole district of Humenné except municipalities included in zone III,

the whole district of Snina,

the whole district of Prešov except municipalities included in zone III,

the whole district of Sabinov except municipalities included in zone III,

the whole district of Svidník,

the whole district of Medzilaborce,

the whole district of Stropkov

the whole district of Bardejov,

the whole district of Stará Ľubovňa,

the whole district of Revúca,

the whole district of Rimavská Sobota except municipalities included in zone III,

in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities not included in part I,

the whole district of Lučenec,

the whole district of Poltár

the whole district of Zvolen,

the whole district of Detva,

in the district of Krupina the whole municipalities of Senohrad, Horné Mladonice, Dolné Mladonice, Čekovce, Lackov, Zemiansky Vrbovok, Kozí Vrbovok, Čabradský Vrbovok, Cerovo, Trpín, Litava,

In the district of Banska Bystica, the whole municipalites of Kremnička, Malachov, Badín, Vlkanová, Hronsek, Horná Mičiná, Dolná Mičiná, Môlča Oravce, Čačín, Čerín, Bečov, Sebedín, Dúbravica, Hrochoť, Poniky, Strelníky, Povrazník, Ľubietová, Brusno, Banská Bystrica, Pohronský Bukovec, Medzibrod, Lučatín, Hiadeľ, Moštenica, Podkonice, Slovenská Ľupča, Priechod,

the whole district of Brezno,

in the district of Liptovsky Mikuláš, the municipalities of Važec, Malužiná, Kráľova lehota, Liptovská Porúbka, Nižná Boca, Vyšná Boca a Východná – a part of municipality south of the highway D1.

9.   Italië

De volgende beperkingszones II in Italië:

Piedmont Region:

in the Province of Alessandria, the municipalities of Cavatore, Castelnuovo Bormida, Cabella Ligure, Carrega Ligure, Francavilla Bisio, Carpeneto, Costa Vescovato, Grognardo, Orsara Bormida, Pasturana, Melazzo, Mornese, Ovada, Predosa Lerma, Fraconalto, Rivalta Bormida, Fresonara, Malvicino, Ponzone, San Cristoforo, Sezzadio Rocca Grimalda, Garbagna, Tassarolo, Mongiardino Ligure, Morsasco, Montaldo Bormida, Prasco, Montaldeo, Belforte Monferrato, Albera Ligure, Bosio Cantalupo Ligure, Castelletto D'orba, Cartosio, Acqui Terme, Arquata Scrivia, Parodi Ligure, Ricaldone, Gavi, Cremolino, Brignano-Frascata, Novi Ligure, Molare, Cassinelle, Morbello, Avolasca, Carezzano, Basaluzzo, Dernice, Trisobbio, Strevi, Sant'Agata Fossili, Pareto, Visone, Voltaggio, Tagliolo Monferrato, Casaleggio Boiro, Capriata D'orba, Castellania, Carrosio, Cassine, Vignole Borbera, Serravalle Scrivia, Silvano D'orba, Villalvernia, Roccaforte Ligure, Rocchetta Ligure, Sardigliano, Stazzano, Borghetto Di Borbera, Grondona, Cassano Spinola, Montacuto, Gremiasco, San Sebastiano Curone, Fabbrica Curone,

Liguria Region:

in the province of Genova, the municipalities of Bogliasco, Arenzano, Ceranesi, Ronco Scrivia, Mele, Isola Del Cantone, Lumarzo, Genova, Masone, Serra Riccò, Campo Ligure, Mignanego, Busalla, Bargagli, Savignone, Torriglia, Rossiglione, Sant'Olcese, Valbrevenna, Sori, Tiglieto, Campomorone, Cogoleto, Pieve Ligure, Davagna, Casella, Montoggio, Crocefieschi, Vobbia,

in the province of Savona, the municipalities of Albisola Superiore, Celle Ligure, Stella, Pontinvrea, Varazze, Urbe, Sassello.

DEEL III

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones III in Bulgarije:

in Blagoevgrad region:

the whole municipality of Sandanski

the whole municipality of Strumyani

the whole municipality of Petrich,

the Pazardzhik region:

the whole municipality of Pazardzhik,

the whole municipality of Panagyurishte,

the whole municipality of Lesichevo,

the whole municipality of Septemvri,

the whole municipality of Strelcha,

in Plovdiv region

the whole municipality of Hisar,

the whole municipality of Suedinenie,

the whole municipality of Maritsa

the whole municipality of Rodopi,

the whole municipality of Plovdiv,

in Varna region:

the whole municipality of Byala,

the whole municipality of Dolni Chiflik.

2.   Italië

De volgende beperkingszones III in Italië:

tutto il territorio della Sardegna.

3.   Polen

De volgende beperkingszones III in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

część powiatu działdowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

część powiatu iławskiego niewymieniona w części II załącznika I,

powiat nowomiejski,

gminy Dąbrówno, Grunwald i Ostróda z miastem Ostróda w powiecie ostródzkim,

część gminy Barczewo położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Purda położona na północ od linii wyznaczonej przez droge nr 53, część gminy Biskupiec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 57 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 16, a nastęnie na południe od drogi nr 16 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 57 do zachodniej granicy gminy w powiecie olsztyńskim,

część gminy Dźwierzuty położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 57, część gminy Pasym położona na północ od linii wyznaczonej przez droge nr 53 w powiecie szczycieńskim,

w województwie lubelskim:

gminy Radecznica, Sułów, Szczebrzeszyn, Zwierzyniec w powiecie zamojskim,

gminy Biłgoraj z miastem Biłgoraj, Goraj, Frampol, Tereszpol i Turobin w powiecie biłgorajskim,

gminy Horodło, Hrubieszów z miastem Hrubieszów w powiecie hrubieszowskim,

gminy Dzwola, Chrzanów i Potok Wielki w powiecie janowskim,

gminy Gościeradów i Trzydnik Duży w powiecie kraśnickim,

w województwie podkarpackim:

powiat mielecki,

gminy Radomyśl nad Sanem i Zaklików w powiecie stalowowolskim,

część gminy Ostrów położona na północ od drogi linii wyznaczonej przez drogę nr A4 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 986, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 986 biegnącą od tego skrzyżowania do miejscowości Osieka i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Osieka_- Blizna w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

gminy Czarna, Żyraków i część gminy wiejskiej Dębica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

gmina Wielkie Oczy w powiecie lubaczowskim,

gminy Laszki, Radymno z miastem Radymno, w powiecie jarosławskim,

w województwie lubuskim:

gminy Małomice, Niegosławice, Szprotawa, Żagań w powiecie żagańskim,

gmina Sulęcin w powiecie sulęcińskim,

gminy Bledzew, Międzyrzecz, Pszczew, Trzciel w powiecie międzyrzeckim,

gmina Sława w powiecie wschowskim,

gminy Lubrza, Łagów, Skąpe, Świebodzin w powiecie świebodzińskim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Krzemieniewo, Rydzyna w powiecie leszczyńskim,

gminy Krobia i Poniec w powiecie gostyńskim,

powiat rawicki,

gminy Kuślin, Lwówek, Miedzichowo, Nowy Tomyśl w powiecie nowotomyskim,

gminy Chrzypsko Wielkie, Kwilcz w powiecie międzychodzkim,

część gminy Pniewy położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 187 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 187 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Lubosinek – Lubosina – Buszewo w powiecie szamotulskim,

w województwie dolnośląskim:

część powiatu górowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Prusice i Żmigród w powiecie trzebnickim,

gmina Kotla w powiecie głogowskim,

gminy Gromadka i Osiecznica w powiecie bolesławieckim,

gminy Chocianów i Przemków w powiecie polkowickim,

gmina Chojnów i miasto Chojnów w powiecie legnickim,

część gminy Wołów położona na północ od linii wyznaczonej prze drogę nr 339 biegnącą od wschodniej granicy gminy do miejscowości Pełczyn, a następnie na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 339 i łączącą miejscowości Pełczyn – Smogorzówek, część gminy Wińsko polożona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 36 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Wińsko, a nastęnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 36 w miejscowości Wińsko i łączącą miejscowości Wińsko_- Smogorzów Wielki – Smogorzówek w powiecie wołowskim,

część gminy Milicz położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Poradów – Piotrkosice - Sulimierz-Sułów - Gruszeczka w powiecie milickim,

w województwie świętokrzyskim:

gminy Gnojno, Pacanów, Stopnica, Tuczępy, część gminy Busko Zdrój położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Siedlawy-Szaniec- Podgaje-Kołaczkowice w powiecie buskim,

gminy Łubnice, Oleśnica, Połaniec, część gminy Rytwiany położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 764, część gminy Szydłów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 756 w powiecie staszowskim,

gminy Chęciny, Chmielnik, Daleszyce, Górno, Masłów, Miedziana Góra, Mniów, Morawica, Łopuszno, Piekoszów, Pierzchnica, Sitkówka-Nowiny, Strawczyn, Zagnańsk, część gminy Raków położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 756 i 764 w powiecie kieleckim,

powiat miejski Kielce,

gminy Kluczewsko, Krasocin, Włoszczowa w powiecie włoszczowskim,

gmina Kije w powiecie pińczowskim,

gminy Małogoszcz, Oksa, Sobków w powiecie jędrzejowskim,

gmina Słupia Konecka w powiecie koneckim,

w województwie małopolskim:

gminy Dąbrowa Tarnowska, Radgoszcz, Szczucin w powiecie dąbrowskim,

gminy Lisia Góra, Pleśna, Ryglice, Skrzyszów, Tarnów, Tuchów w powiecie tarnowskim,

powiat miejski Tarnów.

4.   Roemenië

De volgende beperkingszones III in Roemenië:

Zona orașului București,

Județul Constanța,

Județul Satu Mare,

Județul Tulcea,

Județul Bacău,

Județul Bihor,

Județul Bistrița Năsăud,

Județul Brăila,

Județul Buzău,

Județul Călărași,

Județul Dâmbovița,

Județul Galați,

Județul Giurgiu,

Județul Ialomița,

Județul Ilfov,

Județul Prahova,

Județul Sălaj,

Județul Suceava

Județul Vaslui,

Județul Vrancea,

Județul Teleorman,

Judeţul Mehedinţi,

Județul Gorj,

Județul Argeș,

Judeţul Olt,

Judeţul Dolj,

Județul Arad,

Județul Timiș,

Județul Covasna,

Județul Brașov,

Județul Botoșani,

Județul Vâlcea,

Județul Iași,

Județul Hunedoara,

Județul Alba,

Județul Sibiu,

Județul Caraș-Severin,

Județul Neamț,

Județul Harghita,

Județul Mureș,

Județul Cluj,

Județul Maramureş.

5.   Slowakije

De volgende beperkingszones III in Slowakije:

In the district of Lučenec: Lučenec a jeho časti, Panické Dravce, Mikušovce, Pinciná, Holiša, Vidiná, Boľkovce, Trebeľovce, Halič, Stará Halič, Tomášovce, Trenč, Veľká nad Ipľom, Buzitka (without settlement Dóra), Prša, Nitra nad Ipľom, Mašková, Lehôtka, Kalonda, Jelšovec, Ľuboreč, Fiľakovské Kováče, Lipovany, Mučín, Rapovce, Lupoč, Gregorova Vieska, Praha,

In the district of Poltár: Kalinovo, Veľká Ves,

The whole district of Trebišov’,

The whole district of Vranov and Topľou,

In the district of Humenné: Lieskovec, Myslina, Humenné, Jasenov, Brekov, Závadka, Topoľovka, Hudcovce, Ptičie, Chlmec, Porúbka, Brestov, Gruzovce, Ohradzany, Slovenská Volová, Karná, Lackovce, Kochanovce, Hažín nad Cirochou,

In the district of Michalovce: Strážske, Staré, Oreské, Zbudza, Voľa, Nacina Ves, Pusté Čemerné, Lesné, Rakovec nad Ondavou, Petríkovce, Oborín, Veľké Raškovce, Beša,

In the district of Nové Zámky: Sikenička, Pavlová, Bíňa, Kamenín, Kamenný Most, Malá nad Hronom, Belá, Ľubá, Šarkan, Gbelce, Nová Vieska, Bruty, Svodín,

In the district of Levice: Veľké Ludince, Farná, Kuraľany, Keť, Pohronský Ruskov, Čata,

In the district of Rimavská Sobota: Jesenské, Gortva, Hodejov, Hodejovec, Širkovce, Šimonovce, Drňa, Hostice, Gemerské Dechtáre, Jestice, Dubovec, Rimavské Janovce, Rimavská Sobota, Belín, Pavlovce, Sútor, Bottovo, Dúžava, Mojín, Konrádovce, Čierny Potok, Blhovce, Gemerček, Hajnáčka,

In the district of Gelnica: Hrišovce, Jaklovce, Kluknava, Margecany, Richnava,

In the district Of Sabinov: Daletice,

In the district of Prešov: Hrabkov, Krížovany, Žipov, Kvačany, Ondrašovce, Chminianske Jakubovany, Klenov, Bajerov, Bertotovce, Brežany, Bzenov, Fričovce, Hendrichovce, Hermanovce, Chmiňany, Chminianska Nová Ves, Janov, Jarovnice, Kojatice, Lažany, Mikušovce, Ovčie, Rokycany, Sedlice, Suchá Dolina, Svinia, Šindliar, Široké, Štefanovce, Víťaz, Župčany.

”.

18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/105


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/441 VAN DE COMMISSIE

van 17 maart 2022

tot wijziging van de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de lijsten van derde landen waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 230, lid 1, en artikel 232, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, afkomstig moeten zijn uit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, dat/die overeenkomstig artikel 230, lid 1, van die verordening in een lijst is opgenomen.

(2)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (2) zijn de diergezondheidsvoorschriften vastgesteld waaraan zendingen van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones of, in het geval van aquacultuurdieren, compartimenten daarvan, moeten voldoen om de Unie binnen te komen.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie (3) zijn de lijsten van derde landen of gebieden, of zones of compartimenten daarvan, vastgesteld waaruit de binnenkomst in de Unie van de soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die binnen het toepassingsgebied van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 vallen, is toegestaan.

(4)

Meer in het bijzonder bevatten de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 de lijsten van derde landen of gebieden, of zones daarvan, waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee en levende producten van pluimvee, respectievelijk van zendingen vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan.

(5)

Het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. Die uitbraak bevindt zich nabij Redgrave, Mid Suffolk, Suffolk in Engeland en is op 1 maart 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(6)

Daarenboven hebben de Verenigde Staten de Commissie in kennis gesteld van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. Die uitbraken bevinden zich in een tweede bedrijf in het reeds getroffen Newcastle County (Delaware, Verenigde Staten), in Queen Anne’s County (Maryland, Verenigde Staten), en in Jasper County (Missouri, Verenigde Staten), en zijn op 8 maart 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(7)

Verder hebben de Verenigde Staten de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. Die uitbraak bevindt zich in Lawrence County (Missouri, Verenigde Staten) en is op 9 maart 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(8)

De veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben een controlegebied met een straal van 10 km rond de getroffen inrichtingen ingesteld en een ruimingsbeleid ingevoerd om de aanwezigheid van hoogpathogene aviaire influenza te bestrijden en de verspreiding van die ziekte te beperken.

(9)

Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben de Commissie informatie verstrekt over de epidemiologische situatie op hun grondgebied en de maatregelen die zij hebben genomen ter voorkoming van de verdere verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza. De Commissie heeft die informatie geëvalueerd. Op basis van die evaluatie en ter bescherming van de diergezondheidsstatus van de Unie mag de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild uit de gebieden waarvoor door de veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten beperkende maatregelen zijn vastgesteld in verband met de recente uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza, niet langer worden toegestaan.

(10)

Bovendien heeft het Verenigd Koninkrijk geactualiseerde informatie ingediend over de epidemiologische situatie op zijn grondgebied in verband met de uitbraken van HPAI die op 8 november 2021 nabij Alcester, Bidford, Warwickshire in Engeland en op 21 november 2021 nabij North Fambridge, Maldon, Essex in Engeland in pluimveebedrijven zijn bevestigd. Het Verenigd Koninkrijk heeft ook de maatregelen meegedeeld die het heeft genomen om de verdere verspreiding van die ziekte te voorkomen. Naar aanleiding van die HPAI-uitbraken heeft het Verenigd Koninkrijk meer bepaald een ruimingsbeleid gevoerd om die ziekte te bestrijden en de verspreiding ervan te beperken. Daarnaast heeft het Verenigd Koninkrijk na de ruiming de vereiste reiniging en ontsmetting op de getroffen pluimveebedrijven op zijn grondgebied voltooid.

(11)

De Commissie heeft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende informatie geëvalueerd en is tot de conclusie gekomen dat de uitbraken van HPAI in pluimveebedrijven nabij Alcester, Bidford, Warwickshire in Engeland en nabij North Fambridge, Maldon, Essex in Engeland, voorbij zijn en dat er geen risico meer bestaat in verband met de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten uit de gebieden van het Verenigd Koninkrijk waaruit de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten was opgeschort als gevolg van die uitbraken.

(12)

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in het Verenigd Koninkrijk en in de Verenigde Staten ten aanzien van hoogpathogene aviaire influenza en het ernstige risico op het binnenbrengen ervan in de Unie, moeten de wijzigingen die door deze verordening in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten worden aangebracht, met spoed in werking treden.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.19 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.19

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022”

ii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.28 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.28

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022”

iii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de volgende rij voor zone GB-2.104 toegevoegd na de rij voor zone GB-2.103:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.104

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

1.3.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

1.3.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

1.3.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

1.3.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

1.3.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

1.3.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

1.3.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

1.3.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

1.3.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

1.3.2022”

 

iv)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende rijen voor de zones US-2.17 tot en met US-2.20 toegevoegd na de rij voor zone US-2.16:

US

Verenigde Staten

US-2.17

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

8.3.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

8.3.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

8.3.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

8.3.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

8.3.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

US-2.18

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

8.3.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

8.3.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

8.3.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

8.3.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

8.3.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

US-2.19

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

8.3.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

8.3.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

8.3.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

8.3.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

8.3.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

8.3.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

8.3.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

8.3.2022

 

US-2.20

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

9.3.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

9.3.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

9.3.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

9.3.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

9.3.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

9.3.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

9.3.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

9.3.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

9.3.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

9.3.2022”

 

b)

deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de volgende beschrijving van zone GB-2.104 toegevoegd na de beschrijving van zone GB-2.103:

“Verenigd Koninkrijk

GB-2.104

Nabij Redgrave, Mid Suffolk, Suffolk, Engeland: het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de

WGS84-decimale coördinaten N52.37 en E0.99”.

ii)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende beschrijvingen van de zones US-2.17 tot en met US-2.20 toegevoegd na de beschrijving van zone US-2.16:

“Verenigde Staten

US-2.17

Staat Delaware:

New Castle 02

New Castle County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (GPS-coördinaten 75.7430486°W 39.5199819°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,1 km ten noordwesten van het kruispunt van W Creek Ln en Dickerson Ln;

b)

noordoost: 0,3 km ten noordoosten van het kruispunt van Cuter Way en Nantucket Dr;

c)

oost: 0,23 km noordoosten van het kruispunt van Denny Lynn Dr en Kelsey Lynn Ct;

d)

zuidoost: 0,8 km ten zuidoosten van het kruispunt van Blackbird Station Rn en Lloyd Guessford Rd;

e)

zuid: 2,2 km ten zuidoosten van het kruispunt van Massey Rd en Bradford Johnson Rd;

f)

zuidwest: 1,9 km ten west-zuidwesten van het kruispunt van Megan Rd en Scott Rd;

g)

west: 2,7 km ten noordwesten van het kruispunt van Bohemia Church Rd en Augustine Herman Hwy;

h)

noordwest: 0,7 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van Court House Point Rd en Augustine Herman Hwy.

US-2.18

Staat Maryland:

Queen Anne’s County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (GPS-coördinaten 75.8786226°W 39.2489713°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 0,6 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van de Herbies Way en Chester River Heights Rd;

b)

noordoost: 0,8 km ten noordwesten van het kruispunt van Stullltown Rd en Peters Corner Rd;

c)

oost: 1,4 km ten zuidoosten van het kruispunt van Busic Church Rd en Duhamel Corner Rd;

d)

zuidoost: 0,36 km ten zuidwesten van het kruispunt van Trunk Line Rd en Bee Tree Rd;

e)

zuid: 0,63 km ten zuidoosten van het kruispunt van Murphy Rd en Price Station Rd 405;

f)

zuidwest: 0,1 km ten zuidoosten van het kruispunt van Flat Iron Square Rd en Lieby Rd;

g)

west: 2,2 km oost-zuidoosten van het kruispunt van Rolphs Wharf Rd en Church Hill Rd;

h)

noordwest: 0,5 km ten noordwesten van het kruispunt van Deep Landing Rd en Bright Meadow Ln.

US-2.19

Staat Missouri:

Jasper County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (GPS-coördinaten 94.5953717°W 37.4321134°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 0,7 km ten zuidwesten van het kruispunt van SW 50th Rd en SW 160th Ln;

b)

noordoost: 0,7 km ten westen van het kruispunt van W Highway 126 en SW 115th Ln;

c)

oost: 0,5 km ten zuidoosten van het kruispunt van State Highway 43 en Thistle Rd;

d)

zuidoost: 0,5 km ten zuidwesten van het kruispunt van Park Ln en 25B;

f)

zuidwest: 0,3 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van NE Scammon Rd en NE 85th St;

g)

west: 0,6 km ten noordwesten van het kruispunt van E 400 Highway en Highway 69;

h)

noordwest: 0,7 km ten zuidwesten van het kruispunt van Highway 126 en N Free King’s Highway.

US-2.20

Staat Missouri:

Lawrence County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (GPS-coördinaten 93.7354261°W 37.1689086°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,2 km ten noord-noordoosten van het kruispunt van Farm Rd 2077 en Farm Rd 1170;

b)

noordoost: 1,1 km ten westen van het kruispunt van County Rd 2090 en County Rd 1230;

c)

oost: 1,0 km ten zuidwesten van het kruispunt van Farm Rd 2130 en Farm Rd 1245;

d)

zuidoost: 0,4 km ten noordoosten van het kruispunt van Farm Rd 1220 en Farm Rd 2180;

f)

zuidwest: 0,5 km ten oost-noordoosten van het kruispunt van County Rd 1131 en Farm Rd 2181;

g)

west: 0,7 km ten zuid-zuidwesten van het kruispunt van I-44 en Highway H;

h)

noordwest: 1,5 km ten noord-noordoosten van het kruispunt van Farm Rd 2100 en Farm Rd 1132.”

2)

Bijlage XIV wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.19 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.19

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

8.11.2021

4.3.2022

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

8.11.2021

4.3.2022”

ii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.28 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.28

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

21.11.2021

8.3.2022

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

21.11.2021

8.3.2022”

iii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de volgende rij voor zone GB-2.104 toegevoegd na de rij voor zone GB-2.103:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.104

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

1.3.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

1.3.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

1.3.2022”

 

iv)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende rijen voor de zones US-2.17 tot en met US-2.20 toegevoegd na de rij voor zone US-2.16:

US

Verenigde Staten

US-2.17

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

8.3.2022

 

US-2.18

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

8.3.2022

 

US-2.19

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

8.3.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

8.3.2022

 

US-2.20

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

9.3.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

9.3.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

9.3.2022”

 

b)

in deel 2, in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de rijen US-2 tot en met US-2.16 vervangen door:

“Verenigde Staten

US-2

De in bijlage V, deel 2, onder US-2 beschreven gebieden van de Verenigde Staten”


BESLUITEN

18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/116


BESLUIT (EU) 2022/442 VAN DE RAAD

van 21 februari 2022

tot machtiging tot het openen van onderhandelingen met IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein met het oog op de sluiting van overeenkomsten tussen de Europese Unie en die landen over aanvullende regels betreffende het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, en artikel 79, lid 2, punt d), in samenhang met artikel 218, leden 3 en 4,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 juli 2021 werd Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad (1) vastgesteld, waarbij, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, voor de periode 2021-2027 het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid werd opgericht.

(2)

Verordening (EU) 2021/1148 heeft ten doel een kader te bieden voor het tonen van solidariteit door het financieren van bijstand aan de lidstaten en landen die de bepalingen van het Schengenacquis inzake de buitengrenzen toepassen. Die verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan de geassocieerde landen deelnemen.

(3)

Verordening (EU) 2021/1148 bouwt voort op het Schengenacquis en Denemarken heeft overeenkomstig artikel 4 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, besloten die verordening in zijn nationale recht om te zetten. Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, en dit is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.

(4)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (2). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.

(5)

Op respectievelijk 1 september 2021, 17 december 2021, 11 augustus 2021 en 18 augustus 2021 hebben IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein kennisgegeven van hun besluit om de inhoud van het bij Verordening (EU) 2021/1148 opgerichte instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid te aanvaarden en in hun interne rechtsorde op te nemen.

(6)

In het licht van artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1148 moeten er derhalve onderhandelingen worden geopend met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten met IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein over aanvullende regels betreffende de uitvoering van Verordening (EU) 2021/1148 door elk van die landen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Commissie wordt gemachtigd onderhandelingen te openen over overeenkomsten met IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake aanvullende regels betreffende de uitvoering door die landen van Verordening (EU) 2021/1148.

2.   De onderhandelingen worden gevoerd overeenkomstig de in het addendum bij dit besluit opgenomen onderhandelingenrichtsnoeren.

Artikel 2

De onderhandelingen worden gevoerd in overleg met de raden Justitie en Binnenlandse Zaken, die de voorbereidende instantie zijn die wordt aangewezen als het bijzonder comité in de zin van artikel 218, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

J. DENORMANDIE


(1)  Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 251 van 15.7.2021, blz. 48).

(2)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/118


BESLUIT (EU) 2022/443 VAN DE RAAD

van 3 maart 2022

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (richtlijn energieprestatie van gebouwen)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (“de EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Op grond van artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer bijlage IV bij de EER-overeenkomst houdende bepalingen inzake vervoer, bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)

Bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het aangehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

G. DARMANIN


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).


ONTWERP BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. …

van …

tot wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (“de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (1) (de “EPDB”) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)

Gezien de specificiteit van het relatief recente en uniforme gebouwenbestand van IJsland wordt een tijdelijke en voorwaardelijke vrijstelling van de toepassing van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen overeengekomen. Die vrijstelling moet van toepassing zijn op Richtlijn 2010/31/EU zoals van kracht vóór de wijziging bij Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018. De vrijstelling moet strikt beperkt zijn in de tijd en uitsluitend van toepassing zijn totdat overeenstemming is bereikt over de opneming van Richtlijn 2010/31/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/844, in de EER-overeenkomst.

(3)

In lijn met de zeer beperkte omvang van het gebouwenbestand in Liechtenstein en het type klimaat en gebouwen wordt Liechtenstein vrijgesteld van de verplichting uit hoofde van artikel 5 EPDB om zijn eigen berekeningen uit te voeren voor de vaststelling van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen.

(4)

Op grond van de aanpassingsvoorwaarden onder punt c) mogen Noorwegen en Liechtenstein voorschriften inzake minimumeisen voor energieprestaties vaststellen waarbij gebruik wordt gemaakt van een andere systeemgrens dan die welke uit hoofde van de EPBD is vereist (het verbruik van primaire energie) mits aan de voorwaarden van de aanpassing onder punt c), van dit besluit wordt voldaan.

(5)

Om ervoor te zorgen dat de resultaten van het door de gebruiker beheerde systeem voor energieprestatiecertificering in Noorwegen gelijkwaardig zijn aan de certificaten die, zoals vereist bij artikel 17 EPBD, door onafhankelijke deskundigen worden afgegeven, wordt de aanpassing onder punt d) voorgesteld.

(6)

Bijlage IV bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage IV bij de EER-overeenkomst wordt de tekst van punt 17 (Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002) vervangen door:

“32010 L 0031: Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (de “EPBD”) (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

De bepalingen van de richtlijn worden, voor de toepassing van deze overeenkomst, met de volgende aanpassingen gelezen:

a)

De richtlijn is niet van toepassing op IJsland.

b)

In artikel 5, lid 2, wordt het volgende toegevoegd:

“Voor de vaststelling van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties kan Liechtenstein gebruikmaken van de berekeningen van een andere overeenkomstsluitende partij met vergelijkende parameters.”.

c)

Voor de toepassing van artikel 9, lid 3, punt a), van en bijlage I bij de EPBD mogen Liechtenstein en Noorwegen hun eisen inzake energieverbruik baseren op netto-energie, mits aan de volgende voorwaarden en waarborgen wordt voldaan:

i)

de minimumeisen inzake energieprestaties worden bepaald in overeenstemming met de eisen van artikel 5 EPBD, volgens de basisbeginselen van het methodologisch kader dat is vastgesteld voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties (2);

ii)

er wordt een numerieke indicator van het verbruik van primaire energie gepubliceerd die overeenstemt met de eisen voor energieprestaties in de bouwvoorschriften;

iii)

De Commissie behoudt zich het recht voor deze specifieke aanpassing opnieuw te bezien in het kader van de toekomstige onderhandelingen over de EPBD, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/844.

d)

Aan artikel 17 wordt het volgende toegevoegd:

“Voor woningen mogen EVA-staten een vereenvoudigd, door de gebruiker beheerd systeem voor energieprestatiecertificering opzetten dat als alternatief kan worden gebruikt voor het inschakelen van deskundigen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

er zijn grondige kennis en kwaliteitsvolle gegevens beschikbaar over het volledige woningbestand, met inbegrip van alle typologieën en leeftijdsklassen van gebouwen, en over de kenmerken van de bouwschil en de gebruikte technische bouwsystemen per typologie, waardoor de energieprestaties van afzonderlijke gebouwen en gebouwunits met een hoge mate van zekerheid kunnen worden berekend op basis van de input van de gebruiker;

ii)

voor elke gebouwtypologie is gedetailleerde informatie beschikbaar over kostenoptimale of kosteneffectieve verbeteringen;

iii)

er bestaan maatregelen om de gebruikers te helpen bij het gebruik van het systeem voor de afgifte van certificaten voor gebouwen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een hulplijn of adviesverlening die contacten mogelijk maakt tussen de gebruikers enerzijds en onafhankelijke deskundigen en deskundigen op het gebied van de systemen anderzijds;

iv)

om het risico van manipulatie van de resultaten tot een verwaarloosbaar niveau te beperken, omvat het door de gebruiker beheerde certificeringssysteem mechanismen voor kwaliteitscontrole en verificatie om de inputgegevens van gebruikers te controleren en te waarborgen dat de inputgegevens van de gebruikers transparant zijn;

v)

er worden onafhankelijke controlesystemen gehanteerd om te waarborgen dat de kwaliteit en de betrouwbaarheid van door de gebruiker beheerde energieprestatiecertificering gelijkwaardig zijn aan die van de door deskundigen afgegeven certificaten;

vi)

het door de gebruiker beheerde systeem geeft de gebruikers aanbevelingen over kostenoptimale of kosteneffectieve verbeteringen die specifiek zijn voor hun gebouwen en gebouwunits.”.”.

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Richtlijn 2010/31/EU zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op […], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (3) *.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(1)   PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen.(PB L 81 van 21.3.2012, blz. 18)

(3)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/122


BESLUIT (EU) 2022/444 VAN DE COMMISSIE

van 28 juni 2021

betreffende staatssteunmaatregel SA.49414 (2020/C) (ex 2019/NN) door Frankrijk uitgevoerd ten gunste van exploitanten van infrastructuren voor de opslag van aardgas

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 4494)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, punt a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 23 oktober 2017 hebben de Franse autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van de voorgenomen hervorming van de wet- en regelgeving voor de opslag van aardgas (“de hervorming”). De Franse autoriteiten hebben de hervorming op 23 november 2017 geprenotificeerd en hebben na goedkeuring ervan door het Franse parlement aanvullende informatie verstrekt aan de Commissie.

(2)

Bij brief van 28 februari 2020 heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze maatregel de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“de formele onderzoeksprocedure”) in te leiden (“het inleidingsbesluit”).

(3)

Het inleidingsbesluit is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de betrokken maatregel kenbaar te maken.

(4)

In het kader van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. Zij heeft deze aan de Franse autoriteiten doorgezonden en hen in de gelegenheid gesteld daarover opmerkingen te maken. De Franse autoriteiten hebben hun opmerkingen ingediend bij brief van 3 augustus 2020.

(5)

De Franse autoriteiten hebben op 21 september 2020, 26 januari 2021, 15 maart 2021 en 10 mei 2021 aanvullende informatie verstrekt.

2.   ACHTERGROND VAN DE MAATREGEL

2.1.   De opslag van aardgas in Frankrijk

(6)

Met de infrastructuren voor ondergrondse aardgasopslag is het mogelijk aardgasvoorraden aan te leggen die op het transmissiesysteem zijn aangesloten. Zij maken deel uit van het beheer van de stromen via het netwerk.

(7)

Enerzijds dient de opslag als middel om te zorgen voor een evenwicht tussen de hoeveelheid aardgas in het net en de verbruikte hoeveelheid aardgas, bijvoorbeeld in geval van een verstoring van de voorziening of piekvraag als gevolg van een koudegolf in de winter. Anderzijds maakt de opslag het mogelijk om, samen met gaspijpleidingen en compressoren, de vervoersdienst via het transmissiesysteem te leveren, met name in geval van congestie.

(8)

De opslagexploitanten bieden aan de aardgasleveranciers op klein- en groothandelsmarkten en aan de transmissienetheerders opslagcapaciteit aan. Er is een nauw verband tussen de bereidheid onder aardgasleveranciers om te betalen voor opslagcapaciteit en het verschil in prijs voor aardgas tussen zomer en winter (“spread”). Het niveau van de aardgasproductie is het hele jaar door relatief stabiel, terwijl het aardgasverbruik in sterke mate afhankelijk is van de temperatuur.

(9)

Frankrijk beschikt over veertien opslaginfrastructuren, waarvan elf in bedrijf (2), en er zijn drie opslagexploitanten:

Storengy, een volle dochteronderneming van ENGIE, bezit en exploiteert twaalf locaties, waarvan er drie in reserve zijn geplaatst en negen in bedrijf zijn. De negen locaties die in gebruik zijn, vertegenwoordigen een nuttig volume van 102,1 TWh (d.w.z. 74 % van de totale capaciteit van het grondgebied);

Teréga (voorheen TIGF), eigendom van SNAM (40,5 %), GIC (31,5 %), EDF Investissement (18 %) en Prédica (10 %), exploiteert een in bedrijf zijnde locatie met een nuttig volume van 33,1 TWh (gelijk aan 24 % van de totale capaciteit van het grondgebied);

Géométhane, eigendom van Storengy (50 %), CNP (49 %) en Géostock (1 %), heeft een in bedrijf zijnde locatie met een nuttig volume van 3,3 TWh (gelijk aan 2 % van de totale capaciteit van het grondgebied).

(10)

Vanaf 2009 zijn de seizoensgebonden schommelingen van de aardgasprijzen afgenomen. Tot 2011 was de spread groot genoeg om leveranciers ertoe te bewegen de volledige capaciteit voor aardgasopslag in te kopen. Sinds 2011 is de spread te klein om de door de opslagexploitanten geboden prijs te dekken (spread van 1,5-2 EUR/MWh tegen een prijs van 6-7 EUR/MWh). Als gevolg daarvan is sinds 2010-2011 niet meer alle opslagcapaciteit ingekocht, is de exploitatie van drie locaties in 2014 en 2015 beperkt (“in reserve geplaatst”) en is het inkooppercentage van de in bedrijf zijnde opslaginfrastructuur in 2017-2018 uitgekomen op 63 %.

2.2.   Wet- en regelgeving

(11)

Om de voorzieningszekerheid te waarborgen, heeft Frankrijk in 2014 als eerste stap een decreet uitgevaardigd om de verplichtingen van aardgasleveranciers tot het aanleggen van aardgasvoorraden aan te scherpen (3). Vervolgens heeft Frankrijk geoordeeld dat dit stelsel verschillende tekortkomingen vertoonde en is door enkele aardgasleveranciers beroep ingesteld om de wettigheid van het decreet van 2014 aan te vechten. Daarop heeft Frankrijk besloten tot invoering van een aangepaste maatregel, waarop deze beschikking betrekking heeft (“de betrokken maatregel”).

(12)

Voorts is het een lidstaat uit hoofde van artikel 33 van Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) toegestaan de opslaginfrastructuren aan regulering te onderwerpen. De opslag van aardgas maakt ook deel uit van de maatregelen die de lidstaten kunnen nemen om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad (5) worden nageleefd onder de in die verordening vastgestelde voorwaarden, met name de verplichting om de voorzieningszekerheid veilig te stellen voor nationale afnemers en tegelijkertijd de goede en continue werking van de interne markt voor aardgas te waarborgen.

3.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE BETROKKEN MAATREGEL EN REDENEN VOOR INLEIDING VAN DE PROCEDURE

3.1.   Doel van het mechanisme

(13)

Het reguleringsmechanisme heeft als doel het waarborgen van de werking van de opslaginfrastructuren die nodig zijn om de voorzieningszekerheid van aardgas op het Franse grondgebied op middellange en lange termijn veilig te stellen.

(14)

Het reguleringsmechanisme is in het bijzonder bedoeld om ervoor te zorgen dat er steeds voldoende netcapaciteit is om aan de vraag te voldoen, met name tijdens koudegolven, en om de vervoersdienst in het aardgastransmissiesysteem te waarborgen, met name bij congestie.

3.2.   Rechtsgrond

(15)

Het mechanisme voor regulering van cruciale infrastructuur voor aardgasopslag is in het Franse energiewetboek ingevoerd bij wet nr. 2017-1839 van 30 december 2017 (6) (“de koolwaterstoffenwet” genoemd), die op 1 januari 2018 in werking is getreden.

(16)

In het bijzonder is in artikel 12 van de koolwaterstoffenwet vastgelegd dat de reikwijdte van het reguleringsmechanisme wordt bepaald door het in artikel L.141-1 van het energiewetboek genoemde meerjarige energieprogramma (“het MEP”). Het MEP wordt bij decreet vastgesteld na raadpleging van verschillende adviesorganen en wordt ten minste om de vijf jaar voor twee perioden van vijf jaar herzien. Voor de periode 2019-2028 is het MEP vastgesteld bij decreet nr. 2020-456 van 21 april 2020 (“MEP-decreet nr. 2020-456”).

(17)

Daarnaast stelt de Reguleringscommissie energie (Commission de la régulation de l’énergie, “de CRE”) krachtens artikel 12 van de koolwaterstoffenwet bepaalde regels van het reguleringsmechanisme vast, met name de voorwaarden voor de veiling van opslagcapaciteit, het goedgekeurde inkomen van opslagexploitanten en de wijze waarop dat inkomen wordt geïnd via het in de handel brengen van capaciteit, de tarieven voor het gebruik van het gastransmissiesysteem en de teruggave ervan aan opslagexploitanten (zie de overwegingen 20, 21 en 22).

3.3.   Algemene werking van het mechanisme

(18)

Het in 2017 in Frankrijk vastgestelde reguleringsmechanisme voor aardgasopslag is gebaseerd op drie beginselen.

(19)

Ten eerste is de reikwijdte van dit mechanisme in overeenstemming met de infrastructuren voor ondergrondse opslag die nodig zijn om de voorzieningszekerheid op het Franse grondgebied op middellange en lange termijn te waarborgen (7) (“essentiële opslaginfrastructuren”). Het MEP-decreet bevat een overzicht van de essentiële opslaginfrastructuren. Het is de taak van de respectieve exploitanten die infrastructuren in bedrijf te houden (8).

(20)

Ten tweede wordt de capaciteit van de essentiële opslaginfrastructuren geveild op door de CRE vastgestelde voorwaarden (9). Aan de veilingen kan worden deelgenomen door iedere in een lidstaat van de Unie of in een ander land gevestigde leverancier met een vergunning om op de Franse klein- of groothandelsmarkt actief te zijn. In januari 2018 beschikten 213 Franse of buitenlandse leveranciers over een dergelijke vergunning. De veilingopbrengst wordt rechtstreeks geïnd door de opslagexploitanten.

(21)

Ten derde is aan exploitanten van essentiële opslaginfrastructuren gegarandeerd dat hun kosten worden gedekt voor zover die overeenkomen met die van een “efficiënte exploitant” (10). In dit verband ontvangen zij een gereguleerd inkomen dat bij een besluit van de CRE wordt vastgesteld (“goedgekeurd inkomen”). Indien de inkomsten uit rechtstreekse betalingen van hun afnemers lager liggen dan hun goedgekeurde inkomen, ontvangen de opslagexploitanten een compensatie die gelijk is aan het verschil tussen hun goedgekeurde inkomen en de ontvangen inkomsten (zie overweging 89). Die compensatie wordt gefinancierd door de gastransporteurs op basis van hun portefeuille afnemers die zonder risico op het openbare aardgasdistributienet zijn aangesloten, omdat hun leveringen niet kunnen worden onderbroken en zij niet hebben ingestemd met afschakeling (zie de overwegingen 104 en 105). De compensatie wordt door de beheerder van het transmissiesysteem geïnd via een specifieke component binnen het tarief voor het gebruik van het transmissiesysteem (accès des tiers au réseau de transport, “ATRT-tarief”) en vervolgens afgedragen aan de opslagexploitanten.

(22)

Anderzijds moeten opslagexploitanten, als hun inkomsten hoger zijn dan hun goedgekeurde inkomen, het verschil terugbetalen via het tarief voor het gebruik van het transmissiesysteem (zie overweging 90).

3.4.   Reikwijdte van het reguleringsmechanisme

(23)

Volgens de door de Franse autoriteiten verstrekte toelichting houdt de methode voor vaststelling van essentiële opslaginfrastructuren in dat enerzijds wordt bepaald welke infrastructuren er nodig zijn om een voor de vraag toereikende netcapaciteit te waarborgen, en anderzijds welke infrastructuren nodig zijn om de vervoersdienst via het aardgastransmissiesysteem te waarborgen.

3.4.1.   Infrastructuren die nodig zijn om de netcapaciteit te waarborgen waarmee tijdens koudegolven aan de vraag kan worden voldaan

(24)

Het verwachte niveau van voorzieningszekerheid van het gassysteem is vastgelegd in artikel R.121-4 van het energiewetboek. Het doel is de levering te garanderen voor alle verbruikers die contractueel niet hebben ingestemd met een levering die kan worden afgeschakeld onder bijzonder koude weersomstandigheden zoals die zich statistisch een keer in de vijftig jaar voordoen.

(25)

De vraag welke infrastructuren nodig zijn om een voor de vraag toereikende netcapaciteit te waarborgen, wordt beantwoord aan de hand van een door de transmissiesysteembeheerders gemaakte vergelijking tussen enerzijds de vraag naar aardgas tijdens koudegolven van één tot dertig dagen en anderzijds de aardgasvoorzieningscapaciteit, met name via interconnectoren en terminals voor vloeibaar aardgas (“LNG”).

3.4.1.1.   Geraamde vraag naar aardgas

(26)

Allereerst zijn door de Franse autoriteiten vijf scenario’s onderzocht voor de ontwikkeling van het aardgasverbruik in de komende tien jaar, waarbij elektriciteitsproductie buiten beschouwing is gelaten. In die scenario’s variëren de dalingspercentages van –2 % tot –18 % ten opzichte van het referentiejaar 2012. Uiteindelijk hebben de Franse autoriteiten aangenomen dat het aardgasverbruik met 2 % daalt, waarbij elektriciteitsproductie buiten beschouwing is gelaten.

(27)

Vervolgens is de gemiddelde hoeveelheid gas die in 2025 tijdens een koudegolf dagelijks wordt verbruikt, geraamd op ongeveer 3 640 GWh/d, exclusief het verbruik van laagcalorisch gas (“L-gas”). Voorts is het aardgasverbruik voor elektriciteitsproductie tijdens een koudegolf geraamd op 310 GWh/d.

(28)

De Franse autoriteiten hebben tevens rekening gehouden met het deel van de gasvraag dat kan worden onderbroken, d.w.z. de verbruikers die een contract met een onderbreekbaarheidsclausule hebben gesloten met de beheerder van het net waarop zij zijn aangesloten. In dit verband zij opgemerkt dat er ten tijde van de invoering van het reguleringsmechanisme nog werd gewerkt aan de uitwerking van onderbrekingsvoorzieningen voor koudegolfomstandigheden. De Franse autoriteiten zijn uitgegaan van een onderbrekingspotentieel van 138 GWh/d.

(29)

De Franse autoriteiten hebben verklaard dat afschakeling geen flexibiliteitsmechanisme is maar een laatste redmiddel in geval van een voorzieningscrisis. Daarom is afschakeling buiten beschouwing gelaten bij de raming van de vraag naar aardgas tijdens koudegolven.

(30)

Voorts is er rekening mee gehouden dat het gemiddelde verbruik tijdens een korte koudegolf groter is dan het gemiddelde verbruik tijdens een langere koudegolf.

(31)

Tot slot is door de Franse autoriteiten rekening gehouden met de geleidelijke daling van het gebruik van B-gas als gevolg van een programma voor omschakeling op hoogcalorisch gas (“H--gas”), dat momenteel goed is voor 90 % van het aardgasverbruik in Frankrijk. De omschakeling is in 2018 gang gezet en moet uiterlijk in 2028 zijn voltooid. Volgens een raming van de Franse autoriteiten zal in 2025 de vraag naar in H-gas omgezet L-gas 180 GWh/d bedragen.

(32)

Zodoende is de totale vraag naar aardgas tijdens een koudegolf van vier dagen in 2025 door de Franse autoriteiten geraamd op ongeveer 4 000 GWh/d.

3.4.1.2.   Raming van de aardgasvoorzieningscapaciteit

(33)

Ten aanzien van de aardgasvoorzieningscapaciteit hebben de Franse autoriteiten ramingen gemaakt waarin rekening is gehouden met de interconnectoren, de voorziening van LNG via methaanterminals en de inzet van aardgasvoorraden.

(34)

Ten eerste wordt voor de interconnectoren op basis van de aanname dat 100 % van de vaste capaciteit van H-gasinterconnectie wordt benut, de vaste capaciteit geraamd op 1 780 GWh/d in invoerrichting en op 425 GWh/d in uitvoerrichting (11). De netto-invoer van H-gas via pijpleidingen wordt geraamd op 1 355 GWh/d.

(35)

De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat het versterken van het gasnet en de interconnectoren met aanzienlijke kosten gepaard zou gaan (12), vooral wat betreft het gebruik van bestaande opslaginfrastructuren. Dit soort infrastructuur zou hoe dan ook niet beschikbaar zijn op middellange termijn, omdat de aanleg ervan veel tijd vergt.

(36)

Wat ten tweede de voorziening van LNG betreft, hebben de vier Franse methaanterminals een uitzendcapaciteit van in totaal 1 160 GWh/d (13). Van die capaciteit kan alleen gebruik worden gemaakt als er LNG beschikbaar is in de tanks van de methaanterminals. Volgens de Franse autoriteiten zou in een noodsituatie zoals een koudegolf van minder dan tien dagen kunnen worden volstaan met uitzending van de LNG-voorraad in de tank. Tijdens een koudegolf van meer dan tien dagen zouden LNG-ladingen kunnen worden geleverd en zouden de methaanterminals kunnen worden gebruikt tot hun maximumcapaciteit. Er zijn twee scenario’s gehanteerd op basis van het gemiddelde niveau van de LNG-voorraad in de tanks: in een strenge winter (scenario 1) en in een zachte winter (scenario 2).

(37)

Beide scenario’s komen overeen met een gebruik van de methaanterminals die hoger is dan het gemiddelde gebruik in de winters van 2011 tot 2018. Tot slot heeft Frankrijk scenario 1 aangehouden en het uitzendpotentieel van de methaanterminals geraamd op 330 GWh/d voor een koudegolf van vier dagen.

(38)

De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat de bestaande terminals voor het vloeibaar maken van gas dicht tegen hun maximumcapaciteit werken om de aanzienlijke investeringskosten terug te verdienen. Vanwege de kapitaalintensiteit ervan worden bijna alle LNG-ladingen bovendien afgenomen op basis van langlopende contracten, zodat ze al zijn verkocht voordat zij worden geproduceerd. Overigens kan de geringe ontwikkeling van LNG-opslag wereldwijd worden verklaard uit de lagere kosten van de opslag van gasvormig aardgas. Dat houdt in dat de hoeveelheid op korte termijn beschikbaar LNG gering is.

(39)

Ten derde hebben de Franse autoriteiten ten aanzien van de inzet van ondergrondse aardgasvoorraden verklaard dat zij, omdat gebruik wordt gemaakt van aquifers, die 90 % van de opslaginfrastructuren in Frankrijk uitmaken, jaarlijks tot een voldoende hoog niveau moeten worden gevuld en tot een voldoende laag niveau moeten worden geleegd. Bovendien daalt het debiet van onttrekking uit een opslaginfrastructuur naarmate de voorraad afneemt.

(40)

Aangezien enerzijds de vullingsgraad van de opslaginfrastructuren in de negen winters voorafgaand aan de door Frankrijk uitgevoerde analyse op 1 februari gemiddeld 42 % bedroeg en anderzijds de in de afgelopen zeventig jaar waargenomen koudegolven in 85 % van de gevallen vóór 5 februari inzetten, is door de Franse autoriteiten aangenomen dat bij het begin van een koudegolf in elke opslaginfrastructuur een onttrekkingsdebiet beschikbaar is dat overeenkomt met een vullingsgraad van 45 % van het nuttig volume.

(41)

Daarnaast is door de Franse autoriteiten rekening gehouden met de veiligheidsvoorraad die de transmissiesysteembeheerders moeten aanleggen om in laatste instantie de voorziening van essentiële sociale diensten te verzekeren, wanneer hun leverancier in gebreke blijft, d.w.z. een onttrekkingsdebiet van 124 GWh/d bij een vullingsgraad van 45 % van het nuttige volume.

(42)

Op basis van al deze aannamen hebben de Franse autoriteiten voor de periode 2019-2025 een jaarlijkse behoefte aan opslaginfrastructuur vastgesteld gelijk aan een nuttig volume van 138,5 TWh en een onttrekkingsdebiet van 2 376 GWh/d voor een vullingsgraad van 45 % van het nuttige volume om de netcapaciteit te waarborgen die nodig is om tijdens een koudegolf in de vraag te voorzien (14).

3.4.2.   Infrastructuren die nodig zijn om de vervoersdienst via het gastransmissiesysteem te waarborgen

(43)

De Franse autoriteiten hebben ook vastgesteld welke opslaginfrastructuur nodig is om de voorziening aan het gehele grondgebied te waarborgen, gelet op de vervoerscapaciteit van het gastransmissiesysteem. Daartoe hebben zij de verschillende congestiesituaties in het transmissiesysteem onderzocht.

(44)

De transmissiesysteembeheerders (“TSB’s”) hebben het waarschijnlijkste congestiescenario vastgesteld, dat overeenkomt met de destijds op de markt waargenomen situatie waarin de leveranciers, volgens de Franse autoriteiten, streven naar maximale invoer van aardgas uit Noorwegen en Rusland, momenteel de meest concurrerende aardgasbronnen in Europa, en naar beperking van de invoer van vloeibaar aardgas, dat in Azië hogere waarderingen kan noteren. In deze situatie kunnen er vier belangrijke operationele beperkingen optreden (zie afbeelding 1 hieronder).

Image 1

Afbeelding 1: belangrijkste operationele beperkingen die zich in het transmissiesysteem kunnen voordoen wanneer de leveranciers streven naar maximale aardgasinjecties uit het noordoosten van Frankrijk

(45)

In de methode is rekening gehouden met het feit dat de aardgasleveranciers LNG-voorraden nodig hebben om aan de vraag van de verbruiker te kunnen voldoen maar op geen enkele wijze beperkt zijn ten aanzien van de verdeling van de LNG-voorraden over de vier methaanterminals in Frankrijk.

(46)

De aanname is dat, wanneer er congestie ontstaat, de beheerders van de transmissiesystemen in eerste instantie gebruikmaken van de onderbreekbare capaciteit van de interconnectoren om de congestie te verhelpen. Als de congestie aanhoudt, wordt genoteerd welk volume aardgas moet worden onttrokken aan de ondergrondse opslaginfrastructuur stroomafwaarts van het congestiefront.

(47)

Op die manier kan worden bepaald welke ondergrondse aardgasvoorraden stroomafwaarts van elk congestiefront nodig zijn om de vervoersdienst in het aardgastransmissiesysteem te kunnen waarborgen.

(48)

Bij toepassing van deze methode voor de winter van 2018-2019, voor de belangrijkste congestiefronten die zich kunnen voordoen wanneer leveranciers proberen zo veel mogelijk aardgas uit het noordoosten van Frankrijk te injecteren, is de geraamde behoefte aan ondergrondse opslag gelijk aan een cumulatief nuttig volume van ten minste:

16 TWh stroomafwaarts van congestiefront NS4 (opslaginfrastructuren van Izaute, Lussagnet en Manosque);

54 TWh stroomafwaarts van congestiefront NS3 (opslaginfrastructuren van Céré-la-Ronde, Chemery, Izaute, Lussagnet en Manosque);

55 TWh stroomafwaarts van congestiefront NS2 (opslaginfrastructuren van Céré-la-Ronde, Chemery, Etrez, Izaute, Lussagnet, Manosque en Tersanne);

64 TWh stroomafwaarts van congestiefront NS1 (opslaginfrastructuren in Beynes, Céré-la-Ronde, Chemery, Etrez, Germigny-sous-Coulomb, Gournay-sur-Aronde, Izaute, Lussagnet, Manosque, Saint-Illiers-la-Ville en Tersanne).

3.4.3.   Overzicht van de infrastructuren binnen de reikwijdte van de regulering

(49)

De Franse autoriteiten hebben opgemerkt dat het niet mogelijk was om de essentiële infrastructuren op tijd in kaart te brengen voor de winter van 2018-2019. Om die reden is het reguleringsmechanisme voor de periode 2018-2019 in eerste instantie als overgangsmaatregel toegepast op alle infrastructuren voor de opslag van aardgas op Frans grondgebied. Die infrastructuren zijn in het MEP van 2016 aangemerkt als voor de voorzieningszekerheid noodzakelijk (15).

(50)

Bij het decreet van 26 december 2018 (16) zijn vervolgens de drie in reserve geplaatste locaties van Storengy (Soings-en-Sologne, Saint-Clair-sur-Epte en Trois-Fontaines) en de projecten Lussagnet fase 1 (Teréga) en Manosque 2 (Géométhane) van de lijst van noodzakelijke infrastructuur geschrapt. Van die infrastructuren is sinds de invoering van de gereguleerde toegang tot aardgasopslag nooit gebruikgemaakt.

(51)

Tot slot is voor de periode 2019-2023 bij MEP-decreet nr. 2020-456 vastgesteld dat de infrastructuren voor ondergrondse gasopslag in bedrijf moeten blijven om de voorzieningszekerheid op middellange en lange termijn te waarborgen. Die infrastructuren vertegenwoordigen een nuttig volume van 138,5 TWh en een onttrekkingscapaciteit van 2 376 GWh/d voor een vulling die overeenkomt met een nuttig volume van 45 %:

Infrastructuur

Exploitant

Jaar van inbedrijfstelling

Type opslag

Beynes

Storengy

1956

Aquifer

Céré-la-Ronde

Storengy

1993

Aquifer

Cerville-Verlaine

Storengy

1970

Aquifer

Chemery

Storengy

1968

Aquifer

Etrez

Storengy

1980

Salin

Germigny-sous-Coulomb

Storengy

1982

Aquifer

Gournay

Storengy

1976

Aquifer

Lussagnet/Izaute

Teréga

1957

Aquifer

Manosque

Géométhane

1993

Salin

Saint-Illiers-la-Ville

Storengy

1965

Aquifer

Tersanne/Hauterives

Storengy

1970

Salin

Tabel 1: aardgasopslaginstallaties die tot 2023 in bedrijf moeten blijven

(52)

Volgens het MEP zouden de opslagbehoeften in de periode 2024-2028 een daling moeten laten zien. Het zou mogelijk zijn om tegen 2026 de opslaginfrastructuren terug te brengen met een onttrekkingscapaciteit van ten minste 140 GWh/d bij een nuttig volume van 45 %. Gezien de onzekerheid over de volumes die nodig zijn voor de voorzieningszekerheid na 2026, moeten die volumes in 2023 worden bevestigd en in het volgende MEP worden vastgelegd.

3.5.   Veiling van opslagcapaciteit

(53)

In artikel L.421-5-1 van het energiewetboek is bepaald dat de gereguleerde opslagcapaciteit wordt geveild op de door de CRE vastgestelde voorwaarden. In het bijzonder is op 22 februari 2018 door de CRE besloten dat de minimumprijs op de veilingen gelijk aan nul is (17).

(54)

De resultaten van de eerste veiling waren als volgt:

Opslagperiode

Opbrengst

(miljoen EUR)

Gemiddelde veilingprijs

(In EUR/MWh)

2018-2019

68,4

0,53

2019-2020

233,6

1,80

2020-2021

504,6

3,85

Tabel 2: veilingresultaten en opbrengsten uit extra verkopen in de loop van het jaar

3.6.   Dekking van het goedgekeurde inkomen van de opslagexploitanten zoals is bepaald door de CRE

(55)

In artikel L.452-1 van het energiewetboek is bepaald dat “[d]e tarieven voor het gebruik van transmissienetten […] op transparante en niet-discriminerende wijze [worden] vastgesteld om alle kosten te dekken die worden gemaakt door de in artikel L.421-3-1 genoemde beheerders van transmissiesystemen en exploitanten van opslaginfrastructuren, voor zover deze kosten overeenkomen met die van efficiënte exploitanten”.

(56)

Bovendien wordt volgens hetzelfde artikel in deze kosten “rekening [gehouden] met de kenmerken van de verrichte dienst en met de aan die dienst verbonden kosten” en omvatten zij, in het geval van opslagexploitanten, “een normale vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal”.

(57)

Krachtens artikel L.452-2 van het energiewetboek is de CRE bevoegd om de “methoden voor vaststelling van de tarieven voor het gebruik van aardgastransmissienetten” te bepalen en de opslagexploitanten te vragen haar de voor de vaststelling van die tarieven benodigde, met name boekhoudkundige en financiële, informatie te verstrekken.

(58)

Uit deze bepalingen volgt dat de CRE wettelijk bevoegd is om het goedgekeurde inkomen van opslagexploitanten zodanig vast te stellen dat de kosten van een “efficiënte exploitant” worden gedekt en een normale vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal is gewaarborgd.

(59)

De CRE heeft het geraamde goedgekeurde inkomen in eerste instantie vastgesteld voor een reguleringsperiode van twee jaar. Dit aanvankelijke opslagtarief was geldig in 2018 en 2019 (“ATS 1”) (18). Vervolgens heeft de CRE het reguleringskader voor opslagexploitanten geharmoniseerd met dat van andere infrastructuurtarieven. Het tweede opslagtarief (“ATS 2”) is sinds 2020 van toepassing en geldt voor een periode van vier jaar (19).

(60)

De algemene aanpak voor vaststelling van het geraamde goedgekeurde inkomen blijft ongewijzigd voor de verschillende opslagtarieven. Het goedgekeurde inkomen van opslagexploitanten is vooraf door de CRE vastgesteld op basis van door de exploitanten verstrekte ramingen die middels een correctie in het jaar erna en controles achteraf worden aangepast. CRE houdt rekening met de kosten van de opslagexploitanten voor zover die efficiënt worden geacht.

(61)

Gezien de bijzonder korte termijnen voor uitvoering van de hervorming is voor de jaren 2018 en 2019 echter een vereenvoudigd kader toegepast. Voor het eerste begrotingsjaar heeft de CRE een tariefkader vastgesteld waarin de verschillen tussen raming en resultaat voor alle uitgaven en inkomsten achteraf zijn gecorrigeerd. Met dit mechanisme wordt een tariefniveau gegarandeerd dat uiteindelijk precies overeenkomt met de werkelijke uitgaven en inkomsten van de exploitant. Voor de periode 2020-2023 heeft de CRE de beginselen van de stimuleringsregeling uitgebreid tot de opslaginfrastructuren en op grond van haar analyses een gecontroleerd traject van de kosten van exploitanten gevolgd, in een context die wordt gekenmerkt door de dalende trend in het aardgasverbruik.

(62)

Volgens de door de CRE vastgestelde methode is het geraamde goedgekeurde inkomen gelijk aan de som van de geraamde netto-exploitatiekosten (charges nettes d’exploitation, “CNE”), de geraamde normatieve kapitaalkosten (charges de capital normatives, “CCN”) en het goedgekeurde saldo van de correctierekening voor inkomsten en uitgaven van het voorgaande jaar (compte de régularisation des charges et des produits, “CRCP”).

Goedgekeurde inkomen = CNE + CCN + CRCP

(63)

Voor de berekening van deze bestanddelen worden alleen de activiteiten binnen de reikwijdte van de regulering in aanmerking genomen.

3.6.1.   Netto-exploitatiekosten

(64)

De netto-exploitatiekosten zijn gelijk aan de bruto-exploitatiekosten (energiekosten, extern verbruik, personeelskosten, heffingen en belastingen) van een “efficiënte exploitant” verminderd met de bedrijfsopbrengsten van de exploitant (met name geactiveerde productie, extratarifaire opbrengsten, winsten of verliezen bij de aankoop en verkoop van opgeslagen aardgas).

(65)

Gezien de korte termijnen voor uitvoering van de hervorming heeft de CRE voor de periode 2018-2019 niet kunnen bepalen of de kosten van de exploitanten overeenkomen met de kosten van een “efficiënte exploitant”. Bijgevolg komen de tijdens deze periode in aanmerking genomen kosten uiteindelijk overeen met de door CRE gevalideerde werkelijke kosten van de opslagexploitanten. Voor het tarief ATS 2 heeft de CRE een stimuleringsmechanisme ingevoerd voor netto-exploitatiekosten, met uitzondering van enkele vooraf bepaalde posten. Op een enkele uitzondering na komt iedere afwijking van de voor de ATS 2-periode vastgestelde exploitatiekosten dus ten laste of ten gunste van de exploitant.

3.6.2.   Normatieve kapitaallasten

(66)

De CCN omvatten de afschrijving van en de vergoeding voor het vastgelegde kapitaal. De CCN komen dus overeen met de som van de afschrijving van de gereguleerde activa (base d’actifs régulés, “BAR”), de vergoeding voor het vastgelegde kapitaal berekend op basis van de gewogen gemiddelde vermogenskosten (weighted average cost of capital, “WACC”) voor de reeds in gebruik genomen BAR en de kosten van de schuld voor vaste activa in aanbouw (immobilisations en cours, “IEC”).

CCN = Afschrijving BAR + BAR × WACC + IEC × kosten van de schuld

(67)

De CRE heeft bevestigd dat deze methode overeenstemt met de praktijk voor de regulering van installaties op de markt voor aardgas en elektriciteit in Frankrijk en West-Europa (20).

(68)

Om het initiële niveau van de BAR op 1 januari 2018 vast te stellen (“initiële BAR”), gebruikt de CRE de methode van de “actuele economische kosten” (21). Volgens deze methode wordt de netto economische waarde van de activa bepaald door i) uit te gaan van de brutoboekwaarde van de activa in de rekeningen van de exploitanten (historische bouwkosten), ii) een inflatiecorrectie toe te passen en iii) de waarde af te schrijven over de economische levensduur van de activa.

(69)

De BAR is onderworpen aan jaarlijkse verandering vanwege:

afschrijvingen op basis van de economische levensduur van de activa, in mindering gebracht op de BAR;

nieuwe investeringen waardoor de BAR wordt verhoogd;

in voorkomend geval, activa die vóór hun volledige afschrijving zijn ontmanteld, waardoor de BAR wordt verminderd;

de herwaardering van de inflatieactiva (consumentenprijsindex met uitzondering van tabak).

(70)

De CRE oordeelt dat de representatiefste maatstaf voor de initiële waarde van de door de exploitanten gedane investeringen de brutowaarde van de in hun maatschappelijke rekening opgenomen activa is. Volgens de CRE is deze waarde, die door de accountants is gecontroleerd in het kader van hun jaarlijkse controle, gedocumenteerd en objectief. Deze methode is gelijk aan die welke in 2002 werd geïmplementeerd bij aanvang van de regulering van beheerders van aardgastransmissiesystemen, en wordt ook gebruikt voor de Franse gereguleerde methaanterminals.

(71)

De CRE heeft niet gerekend met de “nieuwwaarde” van de activa maar met een afschrijvingswaarde overeenkomstig de door de opslagexploitanten vóór 2018 opgenomen afschrijvingen, dit om reeds in het verleden betaalde lasten of afschrijvingen van reeds in aanmerking genomen activa niet opnieuw ten laste van de gemeenschap te laten komen.

(72)

Voor de meeste activa zijn de door de exploitanten in hun historische boekhouding gehanteerde afschrijvingstermijnen en de door de marktdeelnemers in hun tarievendossiers verzochte afschrijvingstermijnen vergelijkbaar. Bovendien stemmen zij overeen met standaardgegevens in de sector die in andere landen kunnen worden waargenomen.

(73)

Daarentegen verwierp de CRE het verzoek van de exploitanten om voor het kussengas (22) een uniforme afschrijvingstermijn van 250 jaar te hanteren. De CRE heeft er rekening mee gehouden dat, anders dan de andere activa van de exploitanten, het kussengas door hen is afgeschreven over perioden die per exploitant en in de tijd uiteenlopen (van 25 jaar tot 250 jaar). Daarom heeft de CRE de initiële BAR van de opslagexploitanten vastgesteld aan de hand van een afschrijving van het kussengas die in overeenstemming is met die welke in de boeken van elk van de drie exploitanten is waargenomen. Voor de toekomst heeft de CRE de afschrijvingstermijn voor het kussengas bepaald op 75 jaar, wat overeenkomt met drie keer een verlenging met 25 jaar van de exploitatieconcessie voor het ondergrondse reservoir.

(74)

De door de CRE aangehouden waarden voor de economische levensduur van de verschillende activaklassen van de exploitanten is als volgt:

Activaklassen

Normatieve levensduur

Kussengas

75 jaar

Putten, reservoirs, verzameling

50 jaar

Installaties voor verwerking, compressie, levering en bemetering

20 tot 30 jaar

Vastgoed en gebouwen

30 jaar

Diverse uitrusting

10 tot 15 jaar

Software, klein materiaal

5 jaar

Tabel 3: per activaklasse gehanteerde afschrijvingstermijn

(75)

Voorts heeft de CRE in 2017 de externe adviseur […] verzocht een controle uit te voeren van de door de opslagexploitanten gevraagde initiële BAR. Voor Storengy is de uitkomst van de berekening [3-5 miljard EUR].

(76)

In het geval van Teréga is in een door PwC uitgevoerd aanvullend onderzoek op basis van een discounted cash flow-benadering de BAR gewaardeerd op [1-2 miljard EUR].

(77)

De oorspronkelijk door de exploitanten gevraagde BAR is door de CRE voor de uitvoering van het reguleringsmechanisme in overeenstemming gebracht met de onafhankelijke economische bepaling van de marktwaarde van de activa. De CRE heeft daarom de volgende initiële BAR vastgesteld:

Per 1.1.2018

Storengy (miljard EUR)

Teréga (miljard EUR)

Géométhane (miljard EUR)

Door de exploitant gevraagd

4,0

1,37

0,20

Door de CRE vastgestelde BAR

3,5

1,15

0,19

Tabel 4: initiële BAR van opslagexploitanten bij aanvang regulering

(78)

Wat het vergoedingspercentage voor het kapitaal betreft, heeft de CRE de WACC-methode gebruikt om de exploitant in staat te stellen de rentelasten te financieren en een rendement op eigen middelen te verkrijgen dat vergelijkbaar is met dat van investeringen met een vergelijkbaar risiconiveau. De CRE heeft opgemerkt dat de WACC-methode algemeen wordt gebruikt onder de Europese regelgevende instanties om het vergoedingspercentage voor de activa van gereguleerde infrastructuren te bepalen.

(79)

Op basis van economisch onderzoek en door externe adviseurs verricht werk (23) heeft de CRE de WACC voor de jaren 2018 en 2019 vastgesteld op 5,75 %. Voor de periode 2020-2023 heeft de CRE een WACC van 4,75 % gehanteerd. De gevolgde methode om de WACC voor ATS 2 vast te stellen, is ongewijzigd ten opzichte van die voor ATS 1. Dit is gerechtvaardigd op grond van de lagere financieringskosten, de geplande verlaging van de vennootschapsbelasting en een verhoging van de activa-bèta. De hogere bèta van de activa weerspiegelt het feit dat rekening is gehouden met het financiële risico, met name de gestrande kosten van de energietransitie voor de aandeelhouders van aardgasinfrastructuurbedrijven.

(80)

Bij gebrek aan een vergelijkbare aan de beurs genoteerde opslagexploitant heeft de CRE de WACC van de TSB’s als referentierenpercentage genomen en vervolgens verhoogd met een voor de opslagsector specifieke risicopremie. Die premie is vastgesteld op 50 basispunten vanwege de concentratie van de opslaginstallaties, het geologische risico van de ondergrond en het risico van de vervangbaarheid door de methaanterminals, evenals interconnectoren met het buitenland.

(81)

Verder heeft de CRE verklaard dat dit vergoedingspercentage lager is dan dat toegekend aan de gereguleerde exploitanten van methaanterminals (7,25 %, bij inwerkingtreding van de maatregel), die met hun activiteit vooral commercieel meer risico lopen, omdat er zowel gereguleerde als niet-gereguleerde methaanterminals zijn en het aantal klanten kleiner is. Overigens heeft de CRE het voorbeeld genoemd van het door de Italiaanse regelgever gehanteerde vergoedingspercentage van 6,5 % voor aardgasopslag.

3.6.3.   Investeringen

(82)

Overeenkomstig artikel L.421-7-1 van het energiewetboek leggen de exploitanten van ondergrondse aardgasopslag elk jaar hun jaarlijks investeringsprogramma ter goedkeuring voor aan de CRE. De CRE heeft als taak “erop toe te zien dat de investeringen worden gedaan die nodig zijn voor de gewenste ontwikkeling van opslaginstallaties en dat de toegang daartoe transparant en niet-discriminerend is”.

(83)

In het tweede opslagtarief heeft de CRE een prikkel ingevoerd om de kosten voor verschillende categorieën investeringen te beheersen.

3.6.4.   CRCP (Correctierekening voor inkomsten en uitgaven)

(84)

Het goedgekeurde inkomen wordt door de CRE vastgesteld op basis van de door de exploitanten geraamde inkomsten en uitgaven voor het volgende jaar. De CRCP is ingevoerd om ten aanzien van enkele vooraf bepaalde posten rekening te houden met het verschil tussen de geraamde inkomsten en uitgaven en de feitelijke inkomsten en uitgaven. Daarmee biedt de CRCP de exploitanten bescherming tegen de verschillen in bepaalde inkomsten- en uitgavenposten. De CRCP dient tevens om financiële prikkels in het kader van de stimuleringsmechanismen te betalen en om, na validatie door de CRE, eventuele overdrachtswinst of gestrande kosten in aanmerking te nemen.

(85)

Voor ATS 1 heeft de CRE in het eerste boekjaar van de gereguleerde opslag een tariefkader vastgesteld op grond waarvan de verschillen tussen de geraamde totale inkomsten en uitgaven en de feitelijke totale inkomsten en uitgaven achteraf zijn gecorrigeerd. Derhalve was het tarief “100 % CRCP” en waren er voor geen enkele inkomsten- of uitgavenpost prikkels.

(86)

Voor ATS 2 stemt de CRE het toepassingsgebied van de CRCP af op het algemene kader van alle tarieven van de elektriciteitsnetten en de aardgasinfrastructuren. Dat betekent dat alleen enkele vooraf bepaalde posten achteraf via de CRCP worden gecorrigeerd voor verschillen tussen geraamd en feitelijk resultaat. Die posten betreffen met name investeringsuitgaven of handelsinkomsten. Anderzijds is er voor vrijwel alle exploitatiekosten een prikkel die kan oplopen tot het totaal (100 % van de verschillen tussen geraamd en feitelijk resultaat komt ten laste of ten gunste van de exploitatie) of een deel (bv. voor de energiekosten, waarvoor de prikkel 20 % bedraagt, terwijl 80 % van de verschillen via de CRCP wordt verwerkt).

3.7.   Begunstigden

(87)

De begunstigden van de maatregel zijn de exploitanten van aardgasopslaginfrastructuren die onder het reguleringsmechanisme vallen. Sinds de inwerkingtreding van de maatregel zijn dat Storengy, Teréga en Géométhane.

3.8.   Financiering van de maatregel via tarieven voor het gebruik van de transmissienetten

(88)

Het goedgekeurde inkomen van de opslagexploitanten wordt enerzijds gefinancierd uit hun rechtstreekse inkomsten en anderzijds, als die inkomsten lager zijn dan het goedgekeurde inkomen, uit de opslagcompensatie, die gelijk is aan het verschil tussen het goedgekeurde inkomen en de rechtstreekse inkomsten.

Compensatie = goedgekeurde inkomen – rechtstreekse inkomsten

(89)

De rechtstreeks ontvangen inkomsten van de exploitanten zijn overwegend afkomstig van veilingen, maar ook van eventuele bestaande langlopende contracten en aanvullende diensten.

(90)

De opslagcompensatie wordt door de TSB’s bij de aardgastransporteurs geïnd via een specifieke component, de “opslagcomponent”, van het tarief voor het gebruik van het transmissiesysteem (ATRT-tarief) volgens de door de CRE vastgestelde voorwaarden (zie overweging 21).

(91)

Vooraf zij opgemerkt dat er in Frankrijk twee TSB’s zijn, te weten de twee houders van een vergunning om aardgastransmissiepijpleidingen te exploiteren overeenkomstig artikel L.431-1 van het energiewetboek: GRTgaz en Teréga (voorheen TIGF).

(92)

GRTgaz is een naamloze vennootschap die voor 75 % in handen is van ENGIE en voor 25 % van de Société d’Infrastructures Gas. GRTgaz, dat rechtstreeks onder zeggenschap staat van ENGIE, is onafhankelijk van de andere onderdelen van het verticaal geïntegreerde bedrijf (ENGIE-groep), conform het onafhankelijke TSB-model, zodat de activiteiten van de TSB effectief gescheiden zijn van de productie of levering (24).

(93)

Zoals is beschreven in overweging 9, is Teréga 40,5 % eigendom van Snam, 31,5 % van GIC, 18 % van EDF Investissement en 10 % van Predica. Teréga controleert ook de voorwaarden van een onafhankelijke TSB (25).

3.8.1.   Vaststelling door de CRE van de opslagcomponent in de tarieven voor het gebruik van transmissienetwerken

(94)

In artikel L.452-1, zesde alinea, van het energiewetboek is bepaald dat “[d]e tarieven voor het gebruik van aardgastransmissienetten worden geïnd door de beheerders van deze systemen. De transmissiesysteembeheerders betalen aan de in artikel L.421-3-1 genoemde exploitanten van ondergrondse aardgasopslag een deel van het geïnde bedrag overeenkomstig de door de Reguleringscommissie energie vastgestelde voorwaarden”.

(95)

In artikel L.452-2 van het energiewetboek is bepaald dat “[d]e methoden voor vaststelling van de tarieven voor het gebruik van aardgastransmissienetten […] worden vastgesteld door de Reguleringscommissie energie”.

(96)

Op grond van deze bepalingen heeft de CRE bij Besluit nr. 2018-069 van 22 maart 2018 (26) nadere regels voor de berekening van de opslagcomponent vastgesteld, die op 1 april 2018 in werking zijn getreden.

(97)

De door elke transporteur betaalde opslagcomponent moet volgens de CRE een weerspiegeling vormen van de waarde “voorzieningszekerheid”, d.w.z. de vergoeding voor opslaginstallaties die voorrang waarborgen voor afnemers aan wie de levering niet kan worden onderbroken, met name particuliere afnemers.

3.8.2.   Betaling van de opslagcomponent door de transporteurs en doorfacturering aan de eindafnemers

(98)

Ten aanzien van de verplichte betaling van de opslagcomponent door de transporteurs heeft de CRE bij besluit van 22 maart 2018 de opslagcomponent in de ATRT-tarieven ingevoerd door in haar Besluit nr. 2018-022 van 7 februari 2018 nieuwe bepalingen op te nemen over de ontwikkeling van het tarief voor het gebruik van de aardgastransmissienetten van GRTgaz en TIGF per 1 april 2018.

(99)

Als gevolg van die wijziging is “iedere transporteur aan wie vaste leveringscapaciteit is toegewezen op ten minste één Point d’Interface Transport Distribution (PITD), onderworpen […] aan een opslagcomponent die afhangt van de winterse variatie van de op de openbare gasdistributienetten aangesloten klanten in zijn portefeuille op de eerste dag van elke maand”.

(100)

Onder “transporteur” wordt verstaan een “natuurlijke of rechtspersoon die een contract sluit met een TSB voor het vervoer van gas in het gastransmissiesysteem. Naargelang het geval is de transporteur de in aanmerking komende afnemer, de leverancier of hun gemachtigde”. Een PITD is gedefinieerd als een “fysiek of notioneel interfacepunt tussen een transmissiesysteem en een openbaar distributienet”.

(101)

Bovendien blijkt uit het bepaalde in artikel L.452-1, zesde alinea, van het energiewetboek dat de TSB’s verplicht zijn de ATRT-tarieven in rekening te brengen (zie overweging 94 “worden geïnd”).

(102)

Wat het effect van de opslagcomponent op de eindgebruikers betreft, heeft de CRE aangegeven dat de transporteurs die component aan de in de compensatieregeling opgenomen eindafnemers zullen doorberekenen onder “Transport” op hun factuur. De CRE beschikt niet over de lijst van de betrokken afnemers.

(103)

Meer in het bijzonder is die doorberekening alleen verplicht overeenkomstig de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas op grond van de artikelen L.445-3 en R.445-3 van het energiewetboek (27). Voor marktaanbiedingen kan de leverancier zelf beslissen over deze doorberekening.

3.8.3.   Verdeling van de door de TSB’s geïnde middelen onder de opslagexploitanten op de door de CRE bepaalde wijzen

(104)

Volgens het besluit van de CRE over de opslagcomponent worden de inkomsten uit de opslagcomponent na inning door de TSB’s aan de diverse opslagexploitanten betaald naar rato van de te ontvangen compensatie (28). Het aan elke exploitant toegewezen deel komt overeen met de verhouding tussen de geraamde jaarlijkse compensatie van de exploitant en de totale geraamde compensatie van alle gereguleerde opslagexploitanten, zoals vastgesteld door de CRE. Die delen worden jaarlijks gespecificeerd in het besluit van de CRE over de ontwikkeling van de opslagcomponent.

(105)

Daartoe sluiten de TSB’s overeenkomstig het besluit van de CRE met elke opslagexploitant een contract waarin de voorwaarden worden vastgelegd voor de inning en betaling van de compensatie, waarvan de kosten worden vastgesteld door de CRE en gedekt door het goedgekeurde inkomen van de exploitanten. Voor het jaar 2018 waren die kosten 130 000 EUR per TSB per opslagexploitant (29).

3.9.   Begroting

(106)

Het totale bedrag van de aan de gereguleerde exploitanten betaalde compensatie hangt elk jaar af van de veilingopbrengst en het door de CRE vastgestelde goedgekeurde inkomen. De aan de drie gereguleerde opslagexploitanten betaalde compensaties bedroegen 528 miljoen EUR in 2018, 540 miljoen EUR in 2019 en 251 miljoen EUR in 2020.

 

2018

(miljoen EUR)

2019

(miljoen EUR)

2020

(miljoen EUR)

Storengy

402

392

199

Teréga

101

113

25

Géométhane

26

36

28

Totaal

528

540

251

Tabel 5: saldo van de opslagcompensatie voor de jaren 2018, 2019 en 2020

3.10.   Duur

(107)

De bepalingen van de koolwaterstoffenwet over het reguleringsmechanisme voor de opslagexploitanten zijn op 1 januari 2018 in werking getreden. De CRE heeft het goedgekeurde inkomen van de opslagexploitanten vastgesteld per 1 januari 2018. De eerste veilingen van opslagcapaciteit hebben plaatsgevonden van 5 tot en met 29 maart 2018 voor de periode 2018-2019 en verder zijn veilingen georganiseerd in 2019-2020 en 2020-2021 (zie tabel 2 in overweging 54).

(108)

Daarnaast is op 1 april 2018 de opslagcomponent ingevoerd in het ATRT-tarief. De CRE heeft het geraamde goedgekeurde inkomen aanvankelijk vastgesteld voor een reguleringsperiode van twee jaar (30). Vervolgens heeft zij het reguleringskader voor de opslagexploitanten geharmoniseerd met dat van de andere infrastructuurtarieven. Dit tweede opslagtarief geldt voor de periode 2020-2023 (31).

(109)

Momenteel voorzien de Franse autoriteiten geen einddatum voor het mechanisme. Daarentegen is de reikwijdte van het mechanisme vastgelegd in het laatste MEP (32) tot het wordt herzien. Die herziening van het MEP is gepland voor 2023 en zal uiterlijk op 31 december 2028 plaatsvinden.

3.11.   Toezeggingen

(110)

De Franse autoriteiten hebben twee toezeggingen gedaan. Ten eerste hebben de Franse autoriteiten toegezegd de Commissie vóór eind 2024 een verslag voor te leggen. Dat verslag bevat het volgende:

informatie over de uitvoering van de maatregel in de voorafgaande periode (2018-2023), met name de veilingresultaten ten aanzien van volumes en prijzen en de op elke locatie aan vergoeding ontvangen bedragen;

een bijgewerkt overzicht van de werking van de aardgasmarkt in Frankrijk, met name van die elementen die dienen om de voortzetting van de maatregel in de periode 2023-2028 te rechtvaardigen, zoals het niveau van de spread, het niveau van de vraag, investeringen in het gasnet in Frankrijk en in het buitenland en investeringen in de LNG-terminals;

informatie over de herziening van het MEP in 2023 en de mogelijke gevolgen daarvan voor de reikwijdte van de maatregel;

de methode voor berekening van de gegarandeerde vergoeding in de reguleringsperiode 2023-2028. Als er een andere berekeningsmethode is gehanteerd, wil de Commissie informatie ontvangen over wat de redenen daarvoor zijn;

de gegevens over de gevolgen van de maatregel voor de mededinging, met nadruk op de in het besluit vastgestelde mogelijke verstoringen van de mededinging, bv. de gevolgen van de maatregel voor de aardgasopslaginstallaties in de aangrenzende lidstaten, voor de interconnectoren en voor de Franse methaanterminals. Die elementen moeten worden onderbouwd met historische gegevens over het gebruik van die activa, evenals met relevante wijzigingen in de regelgeving voor de opslag van aardgas in de buurlanden van Frankrijk. Ook de gevolgen van de maatregel op de Franse detailhandel moeten worden beoordeeld en gekwantificeerd.

(111)

Ten tweede hebben de Franse autoriteiten toegezegd de volgende gegevens te publiceren op een website met volledige informatie over staatssteun in Frankrijk (33) en de “Transparency Award Module”: een link naar de volledige tekst van het mechanisme en de wijzen van uitvoering daarvan; de identiteit van de begunstigden van de geldstromen; de vorm van de geldstromen; het aan elke begunstigde toegekende bedrag; de datum van toekenning; het soort onderneming (kleine, middelgrote of grote onderneming), de regio waarin de begunstigde is gevestigd en de belangrijkste economische sector waarin de begunstigde actief is.

3.12.   Redenen voor de inleiding van de formele onderzoeksprocedure

(112)

De Commissie is in haar besluit tot inleiding van de procedure voorlopig van oordeel dat het reguleringsmechanisme een vorm van staatssteun is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, die op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU verenigbaar kan zijn met de interne markt. Niettemin had de Commissie in het stadium van de formele onderzoeksprocedure twijfels geuit ten aanzien van de evenredigheid van het reguleringsmechanisme en het bestaan van verstoringen van de mededinging.

(113)

Meer bepaald had de Commissie enerzijds vastgesteld dat de CRE, wat betreft de vaststelling van het goedgekeurde inkomen van de opslagexploitanten, ervoor zorgt dat zij een vergoeding voor het vastgelegde kapitaal ontvangen. Bij de berekening van deze vergoeding wordt de waarde van de gereguleerde activa beoordeeld. De Commissie heeft twijfels geuit over het proces van onafhankelijke economische waardering van de marktwaarde van de activa ten tijde van de uitvoering van het reguleringsmechanisme door de CRE, waardoor het evenredige karakter van de maatregel ter discussie had kunnen komen te staan.

(114)

Anderzijds kon de Commissie, gezien de in het kader van de formele onderzoeksprocedure aan de Commissie verstrekte informatie, niet uitsluiten dat het mechanisme leidde tot verstoringen van de mededinging. Van die buitensporige verstoringen van de mededinging zou sprake zijn geweest tussen i) de Franse aardgasleveranciers en die van andere lidstaten, ii) de exploitanten van aardgasopslag enerzijds en de exploitanten van LNG en de beheerders van interconnectoren anderzijds en iii) de Franse exploitanten van aardgasopslag en die van andere lidstaten.

4.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

(115)

Frankrijk heeft zijn opmerkingen aan de Commissie doen toekomen, samen met de als bijlage meegezonden opmerkingen van de CRE. De opmerkingen van de CRE worden derhalve geacht integraal deel uit te maken van de opmerkingen van Frankrijk.

(116)

Frankrijk is van mening dat de door de Commissie geuite twijfels over de hervorming van de aardgasopslag ongegrond zijn.

4.1.   Is er sprake van staatssteun?

(117)

Allereerst betwist Frankrijk dat met de betrokken maatregel staatsmiddelen zijn gemoeid. Voorts kan volgens Frankrijk niet worden gesteld dat de overgang van een regime op basis van onderhandeling naar een gereguleerd regime een economisch voordeel zou opleveren voor de exploitant die daartoe wordt verplicht. Evenzo betwist zij dat de beheerders van interconnectoren en methaanterminals concurrenten zijn van opslagexploitanten.

(118)

Wat vervolgens de financiering met staatsmiddelen betreft, betwist Frankrijk dat de dekking van een deel van de kosten van de exploitanten van essentiële aardgasopslaginfrastructuren het karakter van een verplichte bijdrage heeft. Het tarief voor het gebruik van aardgastransmissienetten wordt door de aardgasleveranciers betaald als tegenprestatie voor de vervoersdienst, een dienst met een hoge mate van betrouwbaarheid en een langdurig vermogen om aan een redelijke vraag te voldoen (34).

(119)

Frankrijk merkt voorts op dat de doorberekening van het tarief voor het gebruik van het transmissienetwerk aan de aardgasverbruiker alleen verplicht is voor verbruikers die ervoor kiezen te profiteren van de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas. Volgens Frankrijk vormen aanbiedingen tegen het gereguleerde verkooptarief een minderheid van de levering van aardgas in Frankrijk (35), temeer daar de verwachting is dat de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas gefaseerd worden afgeschaft (36).

(120)

Wat het toegekende voordeel betreft, merkt Frankrijk ten eerste op dat bij de bepaling van de kapitaalkosten rekening wordt gehouden met het lagere risico van gereguleerde activiteiten ten opzichte van niet-gereguleerde activiteiten vanwege een lagere vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal. Ten tweede betwist Frankrijk dat de inkomsten die opslagexploitanten in het gereguleerde stelsel ontvangen, systematisch hoger zouden zijn dan de inkomsten die zij zouden ontvangen volgens een op onderhandeling gebaseerd regime (37). Frankrijk wijst er verder op dat het in 2018 ingevoerde reguleringskader symmetrisch is: de “compensatie” kan namelijk worden omgekeerd en door de opslagexploitanten worden betaald zodra de handelsinkomsten uitkomen boven het door de CRE vastgestelde goedgekeurde inkomen. Het gereguleerde model kan dus niet los worden gezien van de verplichtingen en het verlies van economische kansen die in het kader van dit gereguleerde model aan opslagexploitanten worden opgelegd.

(121)

Dit verlies van winstverwachtingen in verband met gunstige marktomstandigheden blijkt wel uit de 494 miljoen EUR aan bijzondere waardevermindering die de ENGIE-groep enkele dagen na de bekendmaking van de door de CRE aangehouden parameters voor het opslagtarief boekte voor zijn gereguleerde opslagactiviteit. Tot slot wijst Frankrijk erop dat, met uitzondering van Storengy, de Franse opslagexploitanten hun inkomen tussen 2017 en 2018 niet hebben zien toenemen als gevolg van de invoering van het reguleringsmechanisme. Frankrijk benadrukt dat Storengy, bij vergelijkbare niveaus van spreads, een lager goedgekeurd inkomen ontvangt in het gereguleerde kader dan in een op onderhandeling gebaseerd regime.

(122)

Volgens Frankrijk is het niet relevant om bij de analyse van de selectieve aard van het verleende voordeel de situatie van opslagexploitanten in andere lidstaten te onderzoeken. Zij verwijst naar het Gerecht en het Hof van Justitie, die hebben verklaard dat de “selectiviteitsvoorwaarde slechts [kan] worden beoordeeld op het niveau van één enkele lidstaat” (38). In elk geval merkt Frankrijk op dat de opslagexploitanten uit andere lidstaten zich niet in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden ten aanzien van het met de betrokken maatregel nagestreefde doel, namelijk het waarborgen van de aardgasvoorziening in Frankrijk.

(123)

Wat beheerders van interconnectoren enerzijds en exploitanten van methaanterminals anderzijds betreft, wijst Frankrijk erop dat al deze marktdeelnemers in Frankrijk worden gereguleerd (39). Zij profiteren derhalve van reguleringsmechanismen die sterk lijken op het voor opslag ingevoerde mechanisme, met inbegrip van de vaststelling door de regelgever van een goedgekeurd inkomen waarmee zij hun kosten kunnen dekken. Volgens Frankrijk kan dan ook niet worden betwist dat de betrokken maatregel deze exploitanten een selectief voordeel verschaft ten opzichte van de beheerders van gasinterconnectoren en methaanterminals.

(124)

Wat de gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten betreft, is Frankrijk van oordeel dat er geen sprake is van mededinging tussen de beheerders van interconnectoren en methaanterminals enerzijds en opslagexploitanten anderzijds (zie ook de overweging 133 e.v.).

4.2.   Verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt

4.2.1.   Evenredigheid

(125)

Frankrijk legt uit dat regulering op basis van de kosten van de exploitanten een wijdverbreide benadering is onder de Europese regelgevers. Op die manier zijn de exploitanten verzekerd van voldoende inkomen om hun activiteit voort te zetten en weten de eindgebruikers dat zij voor de opslag niet een hogere prijs betalen dan die van de geleverde dienst. Frankrijk legt uit dat volgens haar een op het niveau van de spread gebaseerde methode daarentegen volatiel zou zijn en, naargelang de ontwikkeling van de marktprijzen op korte termijn, dekking van de kosten van de exploitanten niet zou kunnen garanderen of juist tot onterechte winst zou kunnen leiden.

(126)

Om de hoogte van het opslagtarief te bepalen, heeft de CRE een regeling gehanteerd die is gebaseerd op dekking van de efficiënt geachte kosten van de exploitanten. Zo stelt zij voor elke exploitant een goedgekeurd inkomen vast dat de exploitatiekosten, de afschrijving van de activa en de kapitaalkosten dekt. Om het beginniveau van de BAR op 1 januari 2018 van de opslagexploitanten te bepalen, heeft de CRE de brutoboekwaarde van de activa van de exploitanten per 31 december 2016 opnieuw beoordeeld (zie de overweging 55 e.v. over de vaststelling van het goedgekeurde inkomen).

(127)

Subsidiair verstrekt Frankrijk aanvullende analyses om aan te tonen dat andere methoden leiden tot BAR-resultaten die in overeenstemming zijn met de methode van de CRE.

(128)

De waarde van de opslagexploitanten wordt in de boeken van hun aandeelhouders opgenomen volgens standaarden voor jaarrekeningen en op basis van de langetermijnprognose van het inkomen uit de activiteit. Voor Storengy heeft de CRE een initiële BAR-waarde van 3,5 miljard EUR aangehouden, voor een waardering van Storengy in de boeken van ENGIE per 31 december 2016 van [3 tot 5 miljard EUR]. Voor Teréga heeft de CRE een initiële BAR-waarde van 1 156 miljoen EUR aangehouden, voor een waardering van de opslagactiviteiten in de boeken van de moedermaatschappij per 31 december 2016 van ongeveer [1 tot 2 miljard EUR].

(129)

Recente transacties werpen ook licht op de waarde van ondernemingen en de waardering van opslagactiviteiten in het kader van transacties. Zo wordt op basis van de transacties in het kapitaal van Teréga in 2013 (40) en 2015 (41) de waarde van de activa van de opslagactiviteiten op [1 tot 2 miljard EUR] geraamd.

(130)

Voorts merkt Frankrijk op dat ook externe adviseurs hebben gewerkt aan de waardering van de BAR van de exploitanten. Voor Storengy levert de voor de CRE door de adviseur […] gemaakte berekening een resultaat op van [3 tot 5 miljard EUR]. Frankrijk verwijst tevens naar de studie die PwC heeft uitgevoerd in opdracht van Teréga, waarin de BAR in 2018 op tussen [1 miljard en 2 miljard EUR] is gewaardeerd.

(131)

Tot slot zou een alternatieve methode waarbij de historische opbrengsten van de exploitant worden geïnventariseerd om te beoordelen of die de in het verleden gedane investeringen konden dekken, volgens Frankrijk niet robuust genoeg zijn om de BAR-waarde te bepalen. Die methode zou inhouden dat vanaf de datum van de eerste ingebruikneming van de oudste opslagactiva (eind jaren 1950) de free cash flow van elke exploitant, d.w.z. de beschikbare kasgelden van de exploitant na financiering van de behoefte aan werkkapitaal, belastingen en investeringen, wordt gereconstrueerd om die te vergelijken met de brutowaarde van de activa.

(132)

Het reconstrueren van een dergelijk historisch overzicht komt als bijzonder complex voor, zowel wegens de uitgebreide benodigde documentatie als wegens de wijzigingen in de organisatie en het kapitaal van de huidige opslagexploitanten: enerzijds maakt Storengy deel uit van een geïntegreerd model binnen Gaz de France/GDF Suez en zou die reconstructie bijgevolg noodzakelijkerwijs gepaard gaan met aannamen ten aanzien van de afbakening van de activiteit. Anderzijds is Teréga het voorwerp van opeenvolgende verkooptransacties geweest.

4.2.2.   Negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

(133)

Ten aanzien van verstoringen van de mededinging tussen de Franse leveranciers en de leveranciers uit andere lidstaten die in Frankrijk opslagcapaciteit inkopen, licht Frankrijk toe dat de “nationaliteit” van de leverancier geen enkele invloed heeft. De openbare veilingen staan open voor alle partijen met een vergunning om aardgas te leveren. Die leveringsvergunning is niet beperkt tot Franse leveranciers, maar kan worden verkregen door iedereen die op het grondgebied van een lidstaat van de Unie is gevestigd (42). Daarnaast benadrukken de Franse autoriteiten dat voor dezelfde vervoersdienst hetzelfde tarief voor het gebruik van aardgastransmissienetten geldt voor Franse leveranciers en leveranciers uit andere lidstaten.

(134)

Bovendien is er volgens Frankrijk geen mededinging tussen opslag enerzijds en interconnectoren en methaanterminals anderzijds. Frankrijk merkt allereerst op dat de Commissie nooit heeft beoordeeld of er sprake is van één enkele markt die bestaat uit aardgasopslag, hervergassingsinfrastructuren en interconnectoren. Voorts onderstreept Frankrijk dat in de analyses van de capaciteit van het gassysteem die nodig is om aan een redelijke vraag te voldoen, de essentiële aardgasopslaginfrastructuren worden gezien als aanvulling op een volledige inzet van de interconnectoren en een volledige inzet van de capaciteit van de methaanterminals, tot het niveau van de beschikbare voorraden LNG.

(135)

Verder stelt Frankrijk vast dat de Commissie meermaals heeft erkend dat er een afzonderlijke markt voor ondergrondse aardgasopslag bestaat, zowel in Frankrijk (43) als in andere lidstaten (44). In het licht van de uitkomsten van een marktonderzoek naar een transactie op Frans grondgebied heeft de Commissie vastgesteld dat opslag niet vervangbaar is door andere vormen van flexibiliteit (45). Frankrijk merkt ook op dat de Commissie in twee besluiten heeft geoordeeld dat de markt voor de opslag van aardgas regionaal of zelfs nationaal van aard was (46).

(136)

Frankrijk is van mening dat elk flexibiliteitsinstrument zo zijn eigen functies en kenmerken heeft, zodat het niet kan worden vervangen door de andere flexibiliteitsinstrumenten. Met de interconnectoren kan het grondgebied worden voorzien van aardgas. Als er geen opslag was, zouden de interconnectoren groot genoeg moeten zijn om de levering van aardgas op het Franse grondgebied tijdens piekperiodes te waarborgen. Dat zou dan ook niet doeltreffend zijn. Bovendien streeft de EU naar een vermindering van het aardgasverbruik. Er zijn geen nieuwe investeringen gepland voor de interconnectoren waarover Frankrijk momenteel beschikt. De door de Commissie opgeworpen kwestie van mededinging en signalen van langetermijninvestering komt derhalve voor als zuiver theoretisch.

(137)

De methaanterminals bieden arbitrage als mogelijkheid voor de voorziening van het grondgebied tegen de laagste kosten. De beschikbaarheid van LNG is onzeker en hangt sterk af van de voorwaarden van vraag en aanbod wereldwijd, waarbij ladingen regelmatig worden omgeleid. De opslagcapaciteit van methaanterminals is bovendien beperkt (47), en kan in het beste geval gedurende niet meer dan vijf dagen worden aangesproken. Dat is korter dan de gemiddelde duur van koudegolven, want die houden vijf tot vijftien dagen aan. Er is dus onvoldoende tijd om een lading snel genoeg in te zetten om onderbreking van de uitzendingen te voorkomen (48).

(138)

Aardgasopslag is daarmee een dienst met een seizoensgebonden flexibiliteit die noch door interconnectoren onder vergelijkbare economische omstandigheden noch door methaanterminals kan worden geleverd. Omgekeerd is het bestaan van opslaginfrastructuur in Frankrijk op zich niet voldoende om de aardgasvoorziening van Frankrijk te waarborgen. Voor de aardgasvoorziening van het grondgebied zijn de interconnectoren en methaanterminals nog altijd onmisbaar.

(139)

Voor de voorzieningszekerheid van Frankrijk vullen deze verschillende soorten infrastructuur elkaar dus aan en is er geen sprake van onderlinge concurrentie.

(140)

Frankrijk wijst erop dat, ook al zou worden uitgegaan van mededinging tussen interconnectoren, methaanterminals en aardgasopslag, de Franse interconnectoren en methaanterminals allemaal gereguleerd zijn, behalve de terminal van Duinkerken. De winstgevendheid van deze infrastructuren komt bijgevolg overeen met het door de CRE bepaalde vergoedingspercentage voor de activa. De uitvoering van de opslagregulering kan derhalve geen gevolgen hebben voor de winstgevendheid van andere gereguleerde infrastructuren.

(141)

Frankrijk wijst er verder op dat de veronderstelling van schadelijke mededinging voor interconnectoren of methaanterminals wordt weerlegd door de recente ontwikkelingen. Sinds eind 2018 ligt het gebruik van de Franse en Europese terminals op een bijzonder hoog niveau in vergelijking met de laatste tien jaar. Bovendien hebben de exploitanten van methaanterminals onlangs met succes procedures opgestart om hun capaciteit op de middellange termijn op de markt te brengen. Samen met de eind 2018 tot stand gebrachte samenvoeging van de zones in Frankrijk heeft opslagregulering er in belangrijke mate toe bijgedragen dat de Franse en West-Europese markt dieper en liquider zijn geworden.

(142)

Frankrijk betwist ook dat opslagregulering afbreuk zou kunnen doen aan de prikkels om bestaande methaanterminals en interconnectoren te gebruiken. Die prikkels komen van prijssignalen op de verschillende aardgasmarkten (49). In dit verband is opslag een extra middel om de kosten van de aardgasvoorziening te optimaliseren en te profiteren van concurrerende marktprijzen.

(143)

Frankrijk wijst er verder op dat besluiten over investering in interconnectoren en methaanterminals worden ingegeven door voorzieningsstrategieën die niet negatief worden beïnvloed door de opslag van aardgas.

(144)

Tot slot oordeelt Frankrijk dat de betrokken maatregel van geen enkele invloed is op de situatie van de opslagexploitanten in andere lidstaten. De Franse autoriteiten merken op dat de dimensionering van het Franse gassysteem, waarbij in het bijzonder is gerekend met alle voor de interconnectoren beschikbare capaciteit, automatisch inhoudt dat er rekening wordt gehouden met voorzieningsmiddelen achter de interconnectoren, met name de infrastructuren voor de opslag van aardgas in andere lidstaten van de Unie. De Franse autoriteiten merken voorts op dat bepaalde van die infrastructuren eveneens zijn gereguleerd.

(145)

De verkoop van opslagcapaciteit vindt plaats via veilingen en tegen marktprijzen. Dat betekent dat de betrokken maatregel niet nadelig is voor de opslagexploitanten van andere lidstaten. Bovendien kan de betrokken maatregel slechts een minimaal effect hebben op de prijsvorming. De Franse opslag biedt ruimte voor ongeveer 130 TWh (50), een klein volume in vergelijking met de hoeveelheden die op de markten worden verhandeld. In 2018 is er namelijk 28 220 TWh van eigenaar gewisseld op de TTF (51).

(146)

Alle opslagexploitanten in de verschillende lidstaten zijn dus onderworpen aan marktvoorwaarden waarop de Franse opslag slechts weinig invloed heeft, zodat niet kan worden aangenomen dat hun rentabiliteit zou kunnen afnemen als gevolg van de invoering van de betrokken maatregel.

(147)

Frankrijk merkt overigens op dat de vullingsgraad van de Duitse en Belgische opslag op hoge niveaus liggen en dat die niveaus tussen 2018 en 2019 zijn gestegen (52). Uit die hoge niveaus blijkt dat de regulering van de Franse opslag de marktdeelnemers in andere lidstaten niet belet hun volledige opslagcapaciteit te verkopen in een gunstige marktcontext.

5.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

(148)

De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van achttien belanghebbenden, waaronder de drie begunstigden van de maatregel. Hun opmerkingen zijn samengevat in de overwegingen 149 tot en met 233.

5.1.   Opmerkingen van de begunstigden van de maatregel

5.1.1.   Géométhane

(149)

Géométhane benadrukt de positieve effecten van de invoering van de maatregel voor de doelstelling van energiezekerheid. Om haar argumenten kracht bij te zetten, heeft Géométhane de Commissie een gedetailleerd verslag overgelegd (53).

5.1.1.1.   Is er sprake van staatssteun?

(150)

De betrokken maatregel vormt volgens Géométhane om verschillende redenen geen staatssteun.

(151)

Allereerst merkt Géométhane op dat er geen sprake is van financiering uit staatsmiddelen, omdat de opslagcomponent niet als verplichte bijdrage kan worden aangemerkt: de overdracht van middelen is alleen tussen particuliere marktdeelnemers (aardgasleveranciers en opslagexploitanten), de staat heeft slechts beperkte zeggenschap over de middelen, de betrokken maatregel brengt geen verlaging van de staatsbegroting teweeg en de exploitanten zijn verplicht de essentiële opslaginfrastructuren die onder de regeling vallen, in stand te houden.

(152)

Bovendien kan de betrokken maatregel niet worden beschouwd als een selectief voordeel voor opslagexploitanten die op Frans grondgebied actief zijn ten opzichte van die welke in het buitenland zijn gevestigd, want die bevinden zich niet in een situatie die, gezien het doel van de betrokken maatregel, feitelijk en juridisch vergelijkbaar is met die van de op het Franse grondgebied gevestigde opslagexploitanten. Voorts bevinden de exploitanten van andere flexibiliteitsinstrumenten zich niet in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie.

(153)

Tot slot legt Géométhane uit dat de betrokken maatregel niet van invloed is op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.

5.1.1.2.   Verenigbaarheid van de steun

(154)

Aanmerking als staatssteun zou volgens Géomethane inhouden dat de betrokken maatregel zou moeten worden gezien als verenigbaar met de regels voor staatssteun. De maatregel draagt inderdaad bij tot de doelstelling van algemeen belang van energiezekerheid. Bovendien is de betrokken maatregel in het licht van de analyse van alternatieve maatregelen noodzakelijk en geschikt om die doelstelling te verwezenlijken.

(155)

De invoering van de maatregel heeft een stimulerend effect, want zonder die maatregel zouden de opslagexploitanten vanwege het lage percentage inkoop van hun opslagcapaciteit en de lagere inkomsten uit de inkoopcampagnes als gevolg van een kleinere spread ertoe worden bewogen over te gaan tot stillegging of zelfs definitieve sluiting van infrastructuren die essentieel zijn om de aardgasvoorziening in Frankrijk te waarborgen.

(156)

De berekening van het goedgekeurde inkomen met de BAR-waarderingsmethode op basis van de actuele economische kosten is gerechtvaardigd en evenredig, omdat:

bij de uitvoering van het reguleringsmechanisme de BAR is onderworpen aan een onafhankelijke economische beoordeling via een externe controle door adviesbureau […];

de door de exploitanten voorgestelde initiële BAR niet door de CRE is overgenomen;

de methode op basis van de actuele economische kosten uitgaat van de brutoboekwaarde van de activa voor de BAR-waardering;

de methode het mogelijk maakt de afgeschreven vervangingswaarde van de activa weer te geven;

de methode wordt toegepast op alle in Frankrijk gereguleerde infrastructuurtarieven;

de methode wordt toegepast door bijna alle Europese regelgevers.

(157)

Anderzijds zou een waardering van de BAR op basis van de door de spreads weergegeven marktwaarde niet adequaat zijn omdat die de kosten van de exploitanten niet zou dekken, wat in strijd is met het beginsel van kostendekking van Richtlijn 2009/73/EG. Het reguleringsmechanisme, dat is bedoeld om de voor de goede werking van het transmissiesysteem essentiële opslaginfrastructuren in stand te houden, zou door een dergelijke waardering dus in gevaar komen. Bovendien bestaat er bij toename van de spread een risico op een te hoge vergoeding. De door de CRE verkregen BAR-waarde komt overeen met de marktwaarde van de infrastructuur op lange en middellange termijn.

(158)

Het zou niet juist zijn geweest te beoordelen of het niet mogelijk was geweest met het vóór inwerkingtreding van het reguleringsmechanisme gegenereerde inkomen de initiële investeringskosten te dekken, aangezien het in strijd met de praktijken van de Europese regelgevers, ingewikkeld en onbetrouwbaar zou zijn dat inkomen in aanmerking te nemen in de waardering.

(159)

Tot slot worden er maatregelen genomen om de winstvooruitzichten van de exploitanten te beperken (d.w.z. gewogen gemiddelde kapitaalkosten, beperking van de kosten voor exploitanten van efficiënte opslaginfrastructuur en een stimuleringsregeling).

(160)

Daarnaast merkt Géométhane op dat de door de CRE gehanteerde BAR-waarde die van een recente transactie is. In 2016 werd 98 % van de aandelen van Géosud, dat zelf 50 % van de aandelen van Géométhane in handen heeft, door Total, Ineos en Géostock overgedragen aan CNP Assurances voor een bedrag van […]. Het is dus mogelijk de totale waarde van Géométhane te berekenen die door de koper ten tijde van die overdracht is geraamd, namelijk […] (54) (plus […] aan beschikbare liquide middelen, d.w.z. in totaal ongeveer […]). Volgens Géométhane stemt deze marktwaarde overeen […] met de door de CRE in 2018 gehanteerde BAR-waarde van 188,9 miljoen EUR, vermeerderd met de IEC […].

(161)

Met de betrokken maatregel worden negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten voorkomen. Het is namelijk zo dat:

er geen verstoring van de mededinging tussen Franse aardgasleveranciers en buitenlandse aardgasleveranciers is. Het veilen van opslagdiensten staat garant voor een gelijke behandeling van Franse en buitenlandse aardgasleveranciers. Ook de wijze van financiering van de opslagcompensatie waarin de regelgeving voorziet, waarborgt dat buitenlandse en Franse leveranciers gelijk worden behandeld. Buitenlandse leveranciers profiteren niet van lagere prijzen in vergelijking met Franse leveranciers;

er evenmin sprake is van verstoring van de mededinging ten opzichte van opslagexploitanten in buurlanden. Sinds de inwerkingtreding van het reguleringsmechanisme is de vullingsgraad van de opslaginstallaties in heel de Unie opgelopen en heeft bijzonder hoge niveaus bereikt;

er evenmin sprake is van verstoring van de mededinging tussen de opslagexploitanten en de methaanterminals of interconnectoren, omdat methaanterminals en interconnectoren niet vervangbaar zijn. In de bestaande besluiten van de Commissie op het gebied van concentraties is de markt voor de opslag van aardgas gedefinieerd als een afzonderlijke markt. Het is veeleer zo dat aardgasopslag, methaanterminals en interconnectoren elkaar aanvullen.

5.1.2.   Storengy

(162)

Storengy benadrukt de positieve effecten van de invoering van de betrokken maatregel voor de doelstelling van energiezekerheid. Om haar argumenten kracht bij te zetten, heeft Storengy de Commissie een gedetailleerd verslag overgelegd (55).

5.1.2.1.   Is er sprake van staatssteun?

(163)

De betrokken maatregel vormt volgens Storengy om verschillende redenen geen staatssteun.

(164)

Allereerst merkt Storengy op dat er geen sprake is van financiering uit staatsmiddelen omdat de opslagcomponent niet kan aan worden aangemerkt als verplichte bijdrage, dat de overdracht van middelen alleen plaatsvindt tussen particuliere marktdeelnemers (aardgasleveranciers en opslagexploitanten), dat de staat slechts beperkte zeggenschap over de middelen heeft, en dat de betrokken maatregel geen verlaging van de staatsbegroting teweegbrengt en de exploitanten verplicht de essentiële opslaginfrastructuren die onder de regeling vallen, te onderhouden.

(165)

Bovendien kan de betrokken maatregel niet worden beschouwd als een selectief voordeel voor opslagexploitanten die op Frans grondgebied actief zijn ten opzichte van die welke in het buitenland zijn gevestigd, want die bevinden zich niet in een situatie die, gezien het doel van de betrokken maatregel, feitelijk en juridisch vergelijkbaar is met die van de op het Franse grondgebied gevestigde opslagexploitanten. Voorts bevinden de exploitanten van andere flexibiliteitsinstrumenten zich niet in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie.

(166)

Tot slot legt Storengy uit dat de betrokken maatregel niet van invloed is op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.

5.1.2.2.   Verenigbaarheid van de steun

(167)

Aanmerking als staatssteun zou volgens Storengy inhouden dat de betrokken maatregel zou moeten worden gezien als verenigbaar met de regels voor staatssteun. De maatregel draagt inderdaad bij tot de doelstelling van algemeen belang van energiezekerheid. Bovendien is de maatregel in het licht van de analyse van alternatieve maatregelen noodzakelijk en geschikt om die doelstelling te verwezenlijken.

(168)

De invoering van de maatregel heeft een stimulerend effect, want zonder die maatregel zouden de opslagexploitanten vanwege het lage percentage inkoop van hun opslagcapaciteit en de lagere inkomsten uit de inkoopcampagnes als gevolg van een kleinere spread ertoe worden bewogen over te gaan tot stillegging of zelfs definitieve sluiting van infrastructuren die essentieel zijn om de aardgasvoorziening in Frankrijk te waarborgen.

(169)

De berekening van het goedgekeurde inkomen met de BAR-waarderingsmethode op basis van de actuele economische kosten is gerechtvaardigd en evenredig, omdat:

bij de uitvoering van het reguleringsmechanisme de BAR is onderworpen aan een onafhankelijke economische beoordeling via een externe controle door adviesbureau […];

de door de exploitanten voorgestelde initiële BAR niet door de CRE is overgenomen;

de methode op basis van de actuele economische kosten uitgaat van de brutoboekwaarde van de activa voor de BAR-waardering;

de methode het mogelijk maakt de afgeschreven vervangingswaarde van de activa weer te geven;

de methode wordt toegepast op alle in Frankrijk gereguleerde infrastructuurtarieven;

de methode wordt toegepast door bijna alle Europese regelgevers.

(170)

Anderzijds zou het onjuist zijn de BAR te waarderen op basis van de door de spreads weergegeven marktwaarde, omdat de kosten van de exploitanten dan niet gedekt zouden zijn, in strijd met het beginsel van kostendekking van Richtlijn 2009/73/EG. Waardering op basis van de marktwaarde zou dus gevaarlijk zijn voor het reguleringsmechanisme, dat is bedoeld om de voor de goede werking van het transmissiesysteem essentiële opslaginfrastructuren in stand te houden. Bovendien bestaat er bij toename van de spread een risico op een te hoge vergoeding. De door de CRE verkregen BAR-waarde komt overeen met de marktwaarde van de infrastructuur op lange en middellange termijn.

(171)

Het zou niet juist zijn geweest te beoordelen of het niet mogelijk was geweest met het vóór inwerkingtreding van het reguleringsmechanisme gegenereerde inkomen de initiële investeringskosten te dekken, aangezien het in strijd met de praktijken van de Europese regelgevers, ingewikkeld en onbetrouwbaar zou zijn dat inkomen in aanmerking te nemen in de waardering.

(172)

Tot slot worden er maatregelen genomen om de winstvooruitzichten van de exploitanten te beperken (d.w.z. gewogen gemiddelde kapitaalkosten, beperking van de kosten voor exploitanten van efficiënte opslaginfrastructuur en een stimuleringsregeling).

(173)

Met de betrokken maatregel worden negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten voorkomen. Het is namelijk zo dat:

er geen verstoring van de mededinging tussen Franse aardgasleveranciers en buitenlandse aardgasleveranciers is. Het veilen van opslagdiensten staat garant voor een gelijke behandeling van Franse en buitenlandse aardgasleveranciers. Ook de wijze van financiering van de opslagcompensatie waarin de regelgeving voorziet, waarborgt dat buitenlandse en Franse leveranciers gelijk worden behandeld. Buitenlandse leveranciers profiteren niet van lagere prijzen in vergelijking met Franse leveranciers;

er evenmin sprake is van verstoring van de mededinging ten opzichte van opslagexploitanten in buurlanden. Sinds de inwerkingtreding van het reguleringsmechanisme is de vullingsgraad van de opslaginstallaties in heel de Unie opgelopen en heeft bijzonder hoge niveaus bereikt;

er evenmin sprake is van verstoring van de mededinging tussen de opslagexploitanten en de methaanterminals of interconnectoren, omdat methaanterminals en interconnectoren niet vervangbaar zijn. In de bestaande besluiten van de Commissie op het gebied van concentraties is de markt voor de opslag van aardgas gedefinieerd als een afzonderlijke markt. Het is veeleer zo dat aardgasopslag, methaanterminals en interconnectoren elkaar aanvullen.

5.1.3.   Teréga

(174)

Teréga benadrukt dat de hervorming van de gasopslag vooral is bedoeld om de voorzieningszekerheid in Frankrijk te waarborgen, omdat die vóór de inwerkingtreding van het reguleringsmechanisme in het gedrang was gekomen.

5.1.3.1.   Is er sprake van staatssteun?

(175)

Teréga is van mening dat de maatregel niet als staatssteun kan worden aangemerkt. Teréga merkt op dat reguleringssystemen volgens het beginsel van kostendekking voor een efficiënte exploitant en een normale vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal in de Unie gebruikelijk zijn, zonder echter als staatssteun te worden beschouwd.

(176)

Allereerst is Teréga van oordeel dat de betrokken maatregel slechts een tariefreguleringsinstrument is dat niet met staatsmiddelen wordt bekostigd. De maatregel heeft geen gevolgen voor de staatsbegroting en gaat niet gepaard met meerkosten die aan de eindafnemers moeten worden doorberekend. Bovendien oefent de Franse staat geen overheidscontrole uit over de door de TSB’s geïnde middelen of over de TSB’s zelf, want dat zijn privaatrechtelijke vennootschappen onder zeggenschap van overwegend particuliere aandeelhouders.

(177)

Voorts is Teréga van mening dat de betrokken marktdeelnemers niet selectief worden bevoordeeld door de maatregel. Het reguleringsmechanisme is gebaseerd op veilingen en bevat ook efficiëntieprikkels en een instrument voor correctie achteraf van alle inkomsten en uitgaven. Bovendien betekent de symmetrische aard van het reguleringsmechanisme dat de opslagexploitanten niet noodzakelijk een compensatie krijgen, maar de overcompensatie mogelijk moeten terugbetalen.

(178)

Wat het selectiviteitscriterium betreft, is Teréga verder van mening dat de situatie van buitenlandse marktdeelnemers niet relevant is voor de beoordeling in het licht van dat criterium. De situatie van opslagexploitanten is in veel opzichten feitelijk en juridisch anders dan die van exploitanten van methaanterminals en beheerders van interconnectoren, met name wat betreft de beoogde voorzieningszekerheid van aardgas in Frankrijk.

(179)

Tot slot legt Teréga uit dat de betrokken maatregel geen enkele invloed heeft op de mededinging of het handelsverkeer tussen de lidstaten. De opslagcapaciteit wordt geveild volgens een marktmechanisme dat geen discriminatie van exploitanten in andere lidstaten inhoudt. Bovendien heeft de Commissie in haar bestaande besluiten op het gebied van controle op concentraties en mededingingsverstorende praktijken altijd een relevante markt voor de opslag van aardgas afgebakend die hoogstens nationaal van omvang is, zonder ooit te hebben geconcludeerd dat er een ruimere markt bestaat, zowel wat de betrokken diensten betreft als vanuit geografisch oogpunt. In ieder geval is het feit dat de gasinfrastructuur sterk gereguleerd is, onverenigbaar met de vaststelling dat er sprake is van een verstoring van de mededinging op de aardgasmarkten.

5.1.3.2.   Verenigbaarheid van de steun met de interne markt

(180)

Ook al zou het reguleringsmechanisme staatssteun inhouden, wat niet zo is, zou het naar het oordeel van Teréga voldoen aan alle voorwaarden voor verenigbaarheid met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU.

(181)

Teréga is van mening dat de maatregel het gemeenschappelijk belang van voorzieningszekerheid in Frankrijk dient. Het reguleringsmechanisme heeft als doel om via een verhoging van de beschikbare aardgasvolumes op de opslaglocaties een nauwkeurig en kwantificeerbaar niveau van voorzieningszekerheid te bereiken. De betrokken maatregel is bovendien een noodzakelijke overheidsmaatregel die is gebaseerd op een verstandige analyse en antwoord biedt op welomschreven tekortkomingen van de markt, zoals het feit dat eindafnemers niet kunnen aangeven welke waarde zij aan de voorzieningszekerheid toekennen (zoals verzekeringswaarde of systeemwaarde). Daarnaast benadrukt Teréga dat de betrokken maatregel een geschikt instrument is om de voorzieningszekerheid op Frans grondgebied te versterken, niet alleen in vergelijking met de andere beschikbare flexibiliteitsmaatregelen, maar ook vergeleken met andere soorten opslagregulering.

(182)

Teréga betwist de redenering van de Commissie in haar inleidingsbesluit met betrekking tot de evenredigheid van de betrokken maatregel. In het kader van het reguleringsmechanisme blijft het bedrag aan vermeende steun beperkt tot het noodzakelijke minimum. Het reguleringsmechanisme is gebaseerd op het beginsel van kostendekking voor een “efficiënte exploitant”, een plafond voor het inkomen van de opslagexploitanten en geïntegreerde prikkels om hun operationele uitgaven efficiënt te maken. Voorts is door de CRE een onafhankelijke kostenevaluatie uitgevoerd. Op die manier heeft de CRE ervoor gezorgd dat alleen aanvaardbare kosten worden gedekt. De CRE heeft zich voor de waardebepaling van de gereguleerde activa mede gebaseerd op een reeks objectieve, actuele en betrouwbare economische onderzoeken door onafhankelijke deskundigen. De methode die de CRE heeft gevolgd om de activa te waarderen, is in dat opzicht consistent en sluit aan bij de praktijk van andere Europese regelgevers. Anders dan de Commissie suggereert, is Teréga van mening dat de opname van inkomen van vóór het begin van de regulering in de waarde van de basis van de gereguleerde activa wel onvolledig zou moeten zijn als er geen gegevens beschikbaar zijn, en hoe dan ook in strijd met de algemene rechtsbeginselen kan zijn. Overigens betreft het CRE-werk zowel de exploitatiekosten als de waardering van de activa van de opslagexploitanten, die consequent openbaar zijn gemaakt in haar tariefbesluiten, zodat het transparante karakter van de maatregel is gewaarborgd.

(183)

Tot slot oordeelt Teréga dat de mededinging tussen in Frankrijk en in het buitenland gevestigde aardgasleveranciers niet wordt verstoord door de betrokken maatregel. De maatregel in kwestie is niet-discriminerend. Alle detaillisten kunnen capaciteit van de Franse opslaglocaties aankopen via veilingen. Bovendien betalen alle detaillisten die Franse afnemers bedienen, ATRT-tarieven, waarmee het compensatiemechanisme wordt ondersteund. De maatregel heeft zelfs positieve effecten op de kleinhandelsmarkten voor aardgas door de perioden van stress en de risico’s van netwerkcongestie te beperken. Evenmin is er sprake van verstoring van de mededinging met LNG-exploitanten en beheerders van interconnectoren. Die marktdeelnemers zijn zelf ook grotendeels onderworpen aan mechanismen voor regulering van hun inkomen, en in plaats van te concurreren met de opslagexploitanten is het veeleer zo dat zij elkaar aanvullen in het streven naar voorzieningszekerheid. De betrokken maatregel is niet gunstiger voor de ene leverancier van aardgas dan voor de andere en behelst geen verbod op of ontmoediging van het gebruik van de interconnectoren en methaanterminals als aanvullende instrumenten. Die trend blijkt bijvoorbeeld uit de percentages inkoop van capaciteit van de Europese methaanterminals de afgelopen jaren. Tot slot houdt de maatregel geen verstoring van de mededinging met buitenlandse opslagexploitanten in. Benadeling van die exploitanten op de veilingen is uitgesloten, omdat de veilingen zijn gebaseerd op een marktmechanisme. Uit de praktijk is verder duidelijk dat de algemene stijging van de percentages inkoop van opslag in Europa niet is afgeremd door de invoering van de maatregel.

5.2.   Opmerkingen van andere belanghebbende partijen

5.2.1.   AFIEG (Association française indépendante de l’électricité et du gaz — onafhankelijke Franse elektriciteits- en gasunie) (56)

(184)

AFIEG heeft opmerkingen over de methode voor de waardering van de opslagactiva en over de omvang van de opslagactiva die qua volume en verwerkingscapaciteit nodig zijn om de voorzieningszekerheid te waarborgen.

(185)

AFIEG benadrukt dat de verstoringen van de mededinging die vóór de hervorming bestonden als gevolg van het gebrek aan transparantie van het vorige systeem, zijn verholpen.

(186)

Wat de methode voor waardering van de basis van gereguleerde activa betreft, beschikt AFIEG niet over precieze cijfers om de door de CRE gebruikte waardering te valideren, maar verdient volgens haar de economische marktwaarde de voorkeur boven de boekhoudkundige marktwaarde. Met die waarde zou de opslag op een bepaald tijdstip kunnen worden weergegeven in plaats van een meer historisch beeld. AFIEG is verder van mening dat de waardering van het kussengas een fundamenteel onderdeel van de waardering van de opslagactiva lijkt te zijn en wil daarom rekening houden met de financiële gevolgen van de keuze van de regels voor afschrijving van het kussengas op de totale BAR-waarde. Tot slot benadrukt AFIEG dat opslagexploitanten in hun activiteiten niet aan grotere risico’s worden blootgesteld dan transmissiesysteembeheerders. Daarom zou het voor opslagexploitanten gehanteerde vergoedingspercentage voor de BAR niet hoger moeten zijn dan dat van de TSB’s.

(187)

AFIEG is van mening dat de omvang van de opslagactiva die qua volume en verwerkingscapaciteit nodig zijn om de voorzieningszekerheid te waarborgen, door de Franse autoriteiten moet worden beperkt om de kosten-batenverhouding van opslag voor de verbruikers te maximaliseren. De Franse overheid is bij het vaststellen van de voorraden aardgas die minimaal nodig zijn om de voorzieningszekerheid te waarborgen, immers uitgegaan van een onttrekkingsdebiet van 1 990 GWh/d en een volume van 64 TWh (57), terwijl in de bij het decreet inzake het MEP voor 2023-2028 vastgestelde lijst wordt gerekend met 2 376 GWh/d en 138,5 TWh. AFIEG is van mening dat de bij het MEP-decreet vastgestelde omvang te groot is in verhouding tot de opslagbehoeften om de voorzieningszekerheid in Frankrijk te waarborgen. De omvang zou dan ook naar beneden moeten worden bijgesteld om te vermijden dat er extra kosten voor eindverbruikers en nadelen voor de andere vormen van flexibele aardgascapaciteit ontstaan. Voorts merkt AFIEG op dat de door de Franse overheid op 2 % vastgestelde dekking voor het risico van marktfalen te uitgebreid is in vergelijking met het in de buurlanden vastgestelde percentage van 5 %.

5.2.2.   AFG (Association française du gaz — Franse gasunie) (58)

(188)

Volgens AFG is het door de Franse autoriteiten op 1 januari 2018 ingevoerde reguleringskader voor aardgasopslag positief.

(189)

AFG is ook van mening dat de betrokken maatregel is gebaseerd op het beginsel van kostenregulering en heeft geleid tot een efficiënte en evenredige waardering van de activa. AFG voert aan dat dit beginsel van kostenregulering wordt gevolgd door de meeste regelgevers en van toepassing is op de activiteiten transmissie, aardgasdistributie en methaanterminals in Frankrijk.

(190)

Volgens AFG zou een methode op basis van de marktprijzen in plaats van de kosten van “efficiënte exploitanten” mogelijk een wisselvallig en economisch verre van optimaal reguleringskader hebben opgeleverd: bij ongunstige spreads is het met die methode immers niet gegarandeerd dat de kosten van de exploitanten worden gedekt, waardoor zij in een hachelijke situatie kunnen komen te verkeren. Andersom zouden bij zeer gunstige marktspreads de inkomsten van de exploitanten juist te hoog en verre van optimaal voor de afnemers van opslag zijn geweest.

(191)

Volgens AFG heeft de regulering van de Franse opslag niet geleid tot verstoring van de mededinging met de andere aardgasinfrastructuren in Frankrijk, de methaanterminals in Frankrijk en in de Unie of de opslagexploitanten in de Unie. Wat de methaanterminals betreft, stelt AFG vast dat de in Frankrijk ingevoerde hoeveelheden LNG met een stijging van 9,6 Gm3 in 2017 tot 21,5 Gm3 in 2019 in twee jaar zijn verdubbeld. AFG vermeldt verder dat in Duitsland momenteel projecten voor de ontwikkeling van methaanterminals worden bestudeerd. Wat de opslagexploitanten in Europa betreft, benadrukt AFG dat de vullingsgraad van de opslaginstallaties in Duitsland, Nederland en België tussen 2018 en 2019 zijn gestegen en op 1 november 2019 in West-Europa een niveau van ten minste 95 % heeft bereikt.

5.2.3.   ANODE (Association nationale des opérateurs détaillants en énergie — nationale vereniging van detailhandelaren in energie) (59)

(192)

Volgens ANODE maakt de regulering van de Franse opslag het mogelijk de wens van de leveranciers om te beschikken over marktregels voor het op de markt brengen van opslagcapaciteit, te verenigen met een gereguleerd mechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen.

(193)

Daarnaast acht ANODE het essentieel dat het doel van inkoop en vulling van de opslag, en de omvang van de met het oog op de voorzieningszekerheid in het compensatiemechanisme in aanmerking genomen activa, regelmatig worden herzien om er zeker van te zijn dat zij aan de feitelijke behoeften beantwoorden. Dat punt is volgens ANODE des te belangrijker, omdat Frankrijk uitgaat van een vermindering van het aardgasverbruik met 2 %, waarbij elektriciteitsproductie buiten beschouwing is gelaten, […].

(194)

Wat evenredigheid betreft, is ANODE van mening dat de CRE rekening zal moeten houden met de ervaring die is opgedaan met de kosten en de werking van de opslag en met de vermindering van het risico voor de opslagexploitanten. Volgens ANODE zou de vergoeding voor de BAR van de opslagexploitanten moeten worden afgestemd op die van de TSB’s.

5.2.4.   CREG (Commission de Régulation de l’Électricité et du Gaz — regelgevende commissie voor elektriciteit en gas) (60)

(195)

CREG is van mening dat niet is aangetoond dat de volledige opslagcapaciteit in Frankrijk steeds noodzakelijk is om de aardgasvoorziening veilig te stellen. Een deel van het aardgas, en dat kan een belangrijk deel zijn, wordt door de bevrachters gebruikt voor speculatiewinsten op de prijsverschillen van het aardgas in de zomer en in de winter. Het compensatiemechanisme kan dus ook fungeren als gratis middel voor de bevrachters om prijswinsten op het aardgas te realiseren. Dat geeft de in Frankrijk actieve bevrachters een concurrentievoordeel dat de bevrachters in de omringende landen niet hebben.

(196)

België heeft slechts één aardgasopslaginstallatie, de locatie Loenhout, die wordt geëxploiteerd door Fluxys Belgium (61). CREG is van mening dat deze locatie concurreert met andere opslaglocaties in het noordwesten van de Unie.

(197)

Hoewel de spread tussen de winter- en zomerprijzen voor aardgas in 2017 en 2018 beperkt bleef, had de onbeschikbaarheid van de grootste opslaginstallatie in het Verenigd Koninkrijk tot gevolg dat er op de markt in het noordwesten van de Unie meer opslagcapaciteit werd gereserveerd. Dat verklaart de vullingsgraad van 87 % en 84 % van Loenhout in de seizoenen 2016-2017 en 2017-2018.

(198)

De vullingsgraad voor het seizoen 2018-2019 was met 54 % echter laag, terwijl de vullingsgraad voor de EU-28 redelijk stabiel bleef. In dit verband stelt CREG vast dat de vullingsgraad voor de opslag in Frankrijk steeg van 75 % in het seizoen 2017-2018 naar 94 % in het seizoen 2018-2019. De rol van Loenhout als flexibiliteitsbron is overgenomen door de Franse opslaginstallaties die door een nieuw regulatoir ondersteuningskader hebben kunnen profiteren van heel lage tarieven. CREG is van mening dat de invoering van het Franse compensatiemechanisme dan ook aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor Loenhout: alleen marktdeelnemers met bestaande langlopende contracten zijn actief gebleven in Loenhout. CREG is van mening dat de opslagexploitanten in omringende landen zich door het Franse compensatiemechanisme verplicht zien hun opslagcapaciteit tegen of zelfs onder hun marginale kosten te verkopen.

(199)

Voorts wijst CREG erop dat de vullingsgraad voor het seizoen 2019-2020 uitzonderlijk is, zowel voor België (97 %) als voor de EU-28 (97 %). De verklaring daarvoor is te vinden in de zeer lage aardgasprijzen in de zomer van 2019 en een aanzienlijke spread.

(200)

CREG concludeert dat bijgevolg niet kan worden uitgesloten dat het in Frankrijk toegepaste compensatiemechanisme verstoringen van de mededinging teweegbrengt tussen de opslagexploitanten op Frans grondgebied en die van naburige lidstaten, tussen marktpartijen actief op de Franse markt en die actief in naburige lidstaten en tussen enerzijds de aardgasopslagexploitanten en anderzijds de exploitanten van LNG en de beheerders van interconnectoren.

5.2.5.   […] (62)

(201)

[…] is van mening dat het absoluut noodzakelijk is een aardgasvoorraad aan te leggen om de voorzieningszekerheid op korte termijn te waarborgen, en dat de beginselen van de in 2018 ingevoerde regulering volgens haar relevant zijn. Aangezien het voor de voorzieningszekerheid noodzakelijke opslagvolume groter is dan het “economische” volume dat de markt uit eigen beweging zou waarderen, moet het inkomen van de opslagexploitanten worden aangevuld.

(202)

De gereguleerde omvang moet echter beperkt blijven tot de opslagcapaciteit die strikt noodzakelijk is voor de voorzieningszekerheid. Dat is belangrijk om ervoor te zorgen dat de eindverbruiker niet voor buitensporig hoge kosten komt te staan. Is de gereguleerde omvang te groot, dan kan dat ook voor de opslag in een andere lidstaat nadelig zijn en gevolgen hebben voor de methaanterminals en de interconnectoren.

(203)

[…] geeft toe dat het moeilijk is precies te bepalen hoeveel opslag nodig is voor de voorzieningszekerheid. […] is niettemin van mening dat het voor de voorzieningszekerheid noodzakelijk kan zijn alle ondergrondse opslag op te nemen in de omvang van de vereiste opslag. In het licht van de recente ontwikkelingen is […] van mening dat de door Frankrijk gekozen scenario’s zouden kunnen leiden tot een hoger gebruik van met name LNG-hulpbronnen, wat een vermindering van het voor de voorzieningszekerheid benodigd volume tot gevolg zou hebben.

(204)

[…] plaatst ook vraagtekens bij de keuze om de gereguleerde omvang te beperken tot de ondergrondse opslagcapaciteit, temeer daar in de Franse wetgeving het bestaan van voorraden in methaanterminals wordt onderkend en die voorraden worden beschouwd als geschikte bijdrage tot de zekerheid van de aardgasvoorziening.

(205)

Op middellange en lange termijn verwacht […] dat Frankrijk de ontmanteling van enkele van haar gasinfrastructuren moet beheren. Ook al is het mogelijk om met een verhoogde invoercapaciteit de voor de voorzieningszekerheid benodigde hoeveelheid opgeslagen gas te verminderen, zou dat alternatief uiteindelijk heel duur kunnen blijken. Het gebruik van bestaande opslag om de voorzieningszekerheid te waarborgen lijkt dan ook zinvoller dan het opbouwen van nieuwe invoercapaciteit.

5.2.6.   EFET (European Federation of Energy Traders) (63)

(206)

EFET steunt de in 2018 door de Franse autoriteiten doorgevoerde hervorming waarmee een aantrekkelijke en concurrerende markt voor aardgasopslag in Frankrijk tot stand is gebracht.

(207)

Ten aanzien van de verenigbaarheid van de steun twijfelt de EFET niet aan de methode voor berekening van de basiswaarde of het vergoedingspercentage voor het kapitaal, zoals gedefinieerd door de CRE. De waarde van de gereguleerde activa zou moeten overeenkomen met de basis van de gereguleerde activa en met een gereguleerd vergoedingspercentage.

(208)

EFET denkt niet dat de invoering van de hervorming tot verstoringen van de mededinging heeft kunnen leiden: noch tussen de Franse aardgasopslagexploitanten en de exploitanten van andere lidstaten, zoals blijkt uit de gestaag toenemende deelname van exploitanten in Frankrijk en in het buitenland sinds 2018, noch tussen de aardgasopslag- en LNG-terminalexploitanten, aangezien de marktwaarde van de LNG-terminals sinds 2018 voortdurend is gestegen.

5.2.7.   Elengy (64)

(209)

De invoering van de hervorming heeft niet geleid tot een kunstmatige vermindering van de prikkels om gebruik te maken van de LNG-terminals. Ten eerste zijn de activiteiten van de terminals van Elengy sinds de uitvoering van de maatregel toegenomen, waarbij in 2019 en 2020 recordniveaus zijn bereikt.

(210)

Ten tweede wordt de aantrekkelijkheid van de LNG-terminals beïnvloed door talrijke factoren: de kloof tussen de markten van de Unie en die van Azië, de tarieven, het bestaan van langlopende contracten, de diepte en liquiditeit van de stroomafwaartse markt, de flexibiliteit van de terminal, evenals de handelsvoorschriften. De opslagmaatregel heeft geen rechtstreekse invloed op deze factoren, maar heeft wel indirecte en positieve gevolgen gehad. De hervorming heeft immers geholpen om de opslagcapaciteit van de Unie te maximaliseren door de aardgasmarkt van de Unie voor aardgasopslag te verdiepen en de kosten voor de verbruiker te verlagen wanneer de vraag naar aardgas hoog is, en door de op de Franse markt beschikbare liquiditeit te vergroten.

5.2.8.   Enovos (65)

(211)

Enovos is van mening dat, wanneer er voldoende uiteenlopende partijen zijn die deelnemen aan het systeem, de markt de meest aangewezen plaats is om de waarde van een actief te bepalen. Het huidige veilingmechanisme zorgt voor een eerlijke marktbeoordeling. Als het veilingsysteem leidt tot een lagere of hogere vergoeding voor bepaalde partijen, vindt aanpassing plaats op de veilingen van de daaropvolgende jaren.

5.2.9.   Fluxys (66)

(212)

Fluxys merkt op dat de opslag van aardgas in de Unie de afgelopen jaren is geconfronteerd met grote uitdagingen, aangezien het steeds moeilijker wordt om de operationele kosten van de exploitanten van aardgasopslag te dekken. Om de snelle marktontwikkelingen het hoofd te bieden, is het dan ook noodzakelijk een passend economisch model in te voeren dat de waarde van de aardgasopslag voor het systeem en de bijdrage ervan aan de voorzieningszekerheid weerspiegelt. De eenzijdige invoering van steunmechanismen zou kunnen leiden tot verstoringen van de mededinging met andere lidstaten van de Unie. Daarom zou voor alle lidstaten van de Unie een compensatiemechanisme op basis van strikte criteria moeten worden toegepast.

5.2.10.   FNME-CGT (Fédération nationale des mines et de l’énergie — nationale mijnbouw- en energiebond) (67)

(213)

Volgens FNME-CGT zijn met de hervorming van de aardgasopslag in Frankrijk de volgende twee doelstellingen verwezenlijkt: de energiezekerheid veiligstellen tegen de juiste kosten voor de verbruiker en de goede werking van het transportsysteem waarborgen om het vervoer te garanderen.

(214)

FNME-CGT is van mening dat de betrokken maatregel niet als staatssteun kan worden aangemerkt. Volgens FNME-CGT wordt de compensatie niet met staatsmiddelen bekostigd. Voorts betreft de betrokken maatregel geen dwingend opgelegde heffing zonder tegenprestatie, zoals een belasting. Bovendien voert FNME-CGT aan dat doorberekening van het tarief voor het gebruik van het transmissiesysteem op de factuur voor de verbruiker van aardgas alleen verplicht is voor verbruikers die willen profiteren van de gereguleerde tarieven, en dat noch de middelen uit de opslagcomponent noch de exploitanten die de compensatie innen, onder controle van de staat staan.

(215)

FNME-CGT is niet van mening dat de maatregel een selectief voordeel oplevert, aangezien de opslagexploitanten verplicht zijn ervoor te zorgen dat deze infrastructuren steeds operationeel zijn. Bovendien is in het kader van de regulering bepaald dat het overschot aan inkomsten door de exploitant aan de netbeheerders wordt terugbetaald, wat neerkomt op een gemiste economische kans.

(216)

De betrokken maatregel zou zelfs in het hypothetische geval van aanmerking als staatssteun verenigbaar zijn met de interne markt.

(217)

FNME-CGT is van mening dat de methode voor waardering van gereguleerde activa evenredig is met de doelstelling van voorzieningszekerheid. De invoering van een regulering van de inkomsten van exploitanten op basis van door de nationale regelgevende instantie gecontroleerde en goedgekeurde kosten heeft ervoor gezorgd dat de eindverbruiker een vooraf op transparante wijze bepaalde prijs betaalt.

(218)

De BAR-waarderingsmethode geldt overigens voor alle in Frankrijk gereguleerde infrastructuurtarieven, met uitzondering van de distributie van elektriciteit. Bij waardering op basis van de spread tussen zomer en winter zou het niet mogelijk zijn geweest de tekortkomingen te corrigeren van een markt die niet in staat was de verzekeringswaarde van de activa in de prijzen weer te geven. Bovendien zijn de BAR-voorstellen van de exploitanten onderworpen aan een onafhankelijke controle in opdracht van de CRE, die heeft geleid tot een vermindering van de initiële BAR. Verder wordt in de initiële BAR rekening gehouden met de afschrijvingswaarde van de activa. Sommige activa die volledig zijn afgeschreven, zijn zelfs tegen nulwaarde in de BAR opgenomen, zodat daarvoor geen vergoeding is ontvangen.

(219)

Volgens FNME-CGT zijn er nog meer redenen waarom kan worden geconcludeerd dat de maatregel evenredig is: de regelmatige herziening van de reikwijdte van de regelgeving via het MEP, het feit dat alleen kosten van exploitanten van gasinfrastructuren worden gedekt die overeenkomen met die van een “efficiënte exploitant”, de symmetrische aard van de compensatie, waardoor overcompensatie is uitgesloten, en het feit dat de regulering is bedoeld om de inkoop van opslagcapaciteit en de veilingopbrengsten te maximaliseren.

(220)

FNME-CGT is van mening dat de maatregel geen negatieve uitwerking heeft gehad op de mededinging en het handelsverkeer. Ten eerste wordt de door elk van de leveranciers gedragen compensatie bepaald door hun verbruikskenmerken, ongeacht of hun installaties op Frans grondgebied dan wel in een buurland staan, zodat de mededinging tussen de leveranciers niet wordt verstoord. Ten tweede is er geen sprake van mededinging tussen opslag, LNG en interconnectoren, omdat zij elkaar veeleer aanvullen. De methaanterminals hebben technische kenmerken en operationele beperkingen die specifiek zijn voor de LNG-toeleveringsketen. Terwijl de opslag is bedoeld om in de behoefte te voorzien tijdens perioden van piekverbruik, zijn de LNG-terminals en de gasinterconnectoren middelen om aardgas in te voeren en de bronnen voor de aardgasvoorziening te diversifiëren. Omdat de opslaginfrastructuren en de methaanterminals elkaar aanvullen, is het mogelijk geweest om tegen lage kosten in de Unie ingevoerd LNG op te slaan, waar de afnemers van aardgas hun voordeel mee doen. Ten derde heeft de betrokken maatregel niet geleid tot verstoring van de mededinging met opslagexploitanten in andere lidstaten, getuige het feit dat de percentages inkoop en gebruik van de opslag in de Unie in alle gevallen is gestegen en op een hoog niveau liggen.

(221)

In tegenstelling tot het MEP denkt FNME-CGT niet dat het aardgasverbruik jaarlijks met 2 % zal afnemen als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe toepassingen van aardgas. FNME-CGT wijst op criteria in verband met de voorzieningszekerheid die vaak worden vergeten bij het dimensioneren van infrastructuren, zoals het feit dat onder gemiddelde weersomstandigheden de belangrijkste bron van voorziening er maximaal zes maanden niet is.

5.2.11.   GRTgaz (68)

(222)

Volgens GRTgaz zijn netwerk en opslag als één geheel ontworpen en zijn beide onmisbaar om aan de vraag in de winter te voldoen. GRTgaz heeft begin 2018 simulaties uitgevoerd die op basis van de weerscenario’s van de laatste winters wijzen op een opslagbehoefte van 115 tot 125 TWh. GRTgaz geeft tevens aan dat de maximale opslagcapaciteit van 135 TWh ontoereikend is voor een koude winter met een koudegolf en zonder gebruik van LNG.

(223)

Tussen 2012 en 2018 heeft GRTgaz regelmatig gewaarschuwd voor de problemen die werden veroorzaakt door de ontoereikende inkoop en vulling van ondergrondse opslag, met name het risico voor de voorzieningszekerheid en de continuïteit van de levering. Bovendien is volgens GRTgaz de rol van opslag binnen het France gassysteem versterkt met de invoering op 1 november 2018 van één ruimte (Trading Region France, “TRF”).

5.2.12.   Hungarian Gas Storage (69)

(224)

De opslag van aardgas vormt een garantie en waarde voor het systeem zelf, zoals blijkt uit onderzoeken die zijn uitgevoerd voor Gas Infrastructure Europe. Die waarden worden niet weerspiegeld in de marktprijs (70). Daarom is regulering nodig (71), zoals die welke in Frankrijk is ingevoerd. Het op de markt gebaseerde Franse systeem zorgt voor een gelijk speelveld ten opzichte van andere bronnen van flexibiliteit. Overcompensatie wordt voorkomen, want het verschil tussen het gereguleerde inkomen en het marktinkomen wordt terugbetaald. De transparantie van de compensatie is gewaarborgd door de methoden die door de CRE zijn vastgesteld. Dankzij de invoering van de betrokken maatregel is er geen sprake van verstoring van de mededinging op de opslagmarkt of in de energiewaardeketen. De maatregel in kwestie is een voorbeeld voor de andere landen in de Unie.

5.2.13.   Total Direct Énergie (72)

(225)

Zoals is bepaald in het MEP-decreet, is de voor de voorzieningszekerheid benodigde omvang van de activa vastgesteld op 138,5 TWh, terwijl het vereiste volume in het vorige opslagmechanisme slechts 90 TWh was.

(226)

Total Direct Énergie zet vraagtekens bij het veronderstelde gebruik van interconnectoren van 1 585 GWh/d bij een technische capaciteit van 1 810 GWh/d. Dat verschil lijkt niet gerechtvaardigd. De levertijd van ladingen, die tien dagen bedraagt, zou moeten worden aangepast en er zou rekening moeten worden gehouden met vaste LNG-leveringscontracten (zodat de gemiddelde levertijd kan worden verkort). Tot slot valt het voordeel van LNG lager uit als rekening wordt gehouden met koudegolven van slechts zes tot negen dagen.

(227)

Een te grote opzet van de infrastructuren zou automatisch een te grote vergoeding voor de opslagexploitanten tot gevolg hebben. In de initiële BAR had rekening moeten worden gehouden met afschrijvingen die al zijn gerealiseerd. Bovendien is volgens Total Direct Énergie de vergoeding voor de activiteit van opslagexploitanten te hoog in verhouding tot de gelopen risico’s. Die activiteit is immers niet blootgesteld aan grotere risico’s dan de activiteit van transmissiesysteembeheerders. Er is bijgevolg geen enkele reden voor een hogere vergoeding. Daarom zou het gehanteerde BAR-vergoedingspercentage niet hoger moeten zijn dan dat van de TSB’s, dat momenteel door de CRE op 5,25 % is vastgesteld.

(228)

Total Direct Énergie is ook van mening dat de maatregel een dusdanige omvang heeft dat de prijssignalen op de groothandelsmarkten worden verstoord en de marktdeelnemers niet worden aangemoedigd om in te kopen bij andere flexibiliteitsinstrumenten (met name interconnectoren en LNG), ook al zijn die even onmisbaar. Total Direct Énergie merkt op dat de langlopende contracten voor de inkoop van interconnectiecapaciteit de komende jaren aflopen, waarbij de marktsignalen op dit moment niet aanzetten tot verlenging.

5.2.14.   Uniper Energy Storage (73)

(229)

De beschikbaarheid van opslagcapaciteit is essentieel om te garanderen dat het geheel aan infrastructuren voor aardgasinvoer veilig en economisch kan worden geëxploiteerd. Uit de omstandigheden op de markt voor ondergrondse aardgasopslag blijkt echter niet dat de markt een volledige benutting van de opslagcapaciteit zou moeten aanmoedigen (74). De exploitanten van opslagsystemen worden al jarenlang geconfronteerd met een sterke daling van de marktprijzen. Daar komt nog bij dat de situatie ten aanzien van mededinging van land tot land verschilt in Europa, omdat de nationale wettelijke bepalingen op het gebied van marktwerking voor of regulering van de toegang tot opslag en flexibele bronnen onderling verschillen. Het is daarom nodig dat de nationale stelsels voor de regulering van aardgasopslag worden geharmoniseerd (75).

5.2.15.   UPRIGAZ (Union Professionnelle des Industries Privées du Gaz — bedrijfsorganisatie voor particuliere gasbedrijven) (76)

(230)

UPRIGAZ herinnert eraan dat Frankrijk zijn mechanisme voor de regulering van opslag reeds heeft gewijzigd na beroep tegen het oude mechanisme bij de hoogste bestuursrechter wegens bevoegdheidsoverschrijding. Volgens UPRIGAZ is het nieuwe mechanisme relevant, omdat het een reële marktwaarde voor opslagproducten in Frankrijk mogelijk maakt.

(231)

UPRIGAZ is van mening dat niet kan worden gezegd dat het gebruik van Franse methaanterminals en die in buurlanden wordt belemmerd door het reguleringsregime voor aardgasopslag. In 2017 bedroeg de uitzending door Franse methaanterminals 9,6 Gm3. Uit de waargenomen omvang van de uitzending in 2018 (11,1 Gm3) en 2019 (21,5 Gm3) blijkt duidelijk de belangstelling die er in deze periode op de markt was voor Franse methaanterminals. Dat geldt evenzeer voor de methaanterminals in de buurlanden, met een enorme toename van de uitzendingen in België (van 1,1 Gm3 in 2017 tot 6,7 Gm3 in 2019) en Nederland (van 0,8 Gm3 in 2017 tot 7,9 Gm3 in 2019).

(232)

UPRIGAZ is voorts van mening dat de door de Franse autoriteiten gehanteerde methode, met name de veronderstelde 100 % beschikbaarheid van de vaste toegangscapaciteit op de interconnectiepunten, niet leidt tot beperking van de mededinging.

(233)

Tot slot meent UPRIGAZ dat de betrokken maatregel voor de Franse opslagexploitanten geen onrechtmatig voordeel inhoudt ten opzichte van hun buitenlandse collega’s.

6.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

6.1.   Is er sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU?

(234)

Steunmaatregelen zijn in artikel 107, lid 1, van het VWEU gedefinieerd als “steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(235)

Een maatregel wordt als staatssteun aangemerkt, als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: a) de maatregel is aan de staat toe te rekenen en wordt met staatsmiddelen bekostigd; b) met de maatregel wordt een selectief voordeel verleend waardoor bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde handelswaar kunnen worden begunstigd, en c) de maatregel houdt een verstoring of mogelijke verstoring van de mededinging in en kan een ongunstig effect hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

6.1.1.   Staatsmiddelen en toerekenbaarheid

(236)

Om te kunnen worden bestempeld als steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, moeten voordelen ten eerste direct of indirect met staatsmiddelen worden bekostigd en ten tweede toerekenbaar zijn aan de staat (77).

(237)

Wat allereerst de voorwaarde inzake de toerekenbaarheid van de maatregel betreft, moet worden onderzocht of de overheid moet worden geacht bij de vaststelling van die maatregel betrokken te zijn geweest (78).

(238)

In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat het reguleringsmechanisme is ingesteld bij een wet van 2017 (79) waarvan de werkingssfeer is vastgesteld bij decreet (80) en waarvan de uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld bij besluiten van de CRE, een onafhankelijke administratieve instantie, in het kader van de haar bij wet verleende bevoegdheid (zie de overwegingen 15, 16 en 17). De CRE bepaalt met name de uitvoering van de veiling van capaciteit voor essentiële infrastructuur, stelt het goedgekeurde inkomen van opslagexploitanten vast en bepaalt de methode voor de berekening van de opslagcomponent in de ATRT-tarieven. Het reguleringsmechanisme moet derhalve als toerekenbaar aan de staat worden beschouwd.

(239)

Wat in de tweede plaats de voorwaarde van directe of indirecte financiering met staatsmiddelen betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat niet in alle gevallen rechtstreekse financiering door de staat hoeft te worden aangetoond om het aan een of meer ondernemingen verleende voordeel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan te merken (81).

(240)

Het Hof heeft met name geoordeeld dat middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de staat verplichte bijdragen en die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, kunnen worden beschouwd als staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, zelfs indien zij worden beheerd door entiteiten die losstaan van de overheid (82). De vraag of het daarbij gaat om publiekrechtelijke of privaatrechtelijke entiteiten, is op zich niet doorslaggevend (83). Bepalend in dit verband is of dergelijke entiteiten door de staat zijn belast met het beheer van staatsmiddelen, en niet louter verplicht zijn om met hun eigen financiële middelen aankopen te verrichten (84). In het arrest ENEA SA heeft het Hof geoordeeld dat een maatregel niet met staatsmiddelen wordt bekostigd wanneer de uit die maatregel voortvloeiende meerkosten niet volledig aan de eindgebruikers kunnen worden doorberekend (85). Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de wijzen van berekening van deze bijdragen nauwkeurig kunnen worden vastgesteld bij verordening of besluit van een overheidsinstantie, zoals de nationale regelgever, zonder evenwel uit te sluiten dat zij worden aangemerkt als “verplichte bijdragen opgelegd door de wettelijke regeling van de staat” (86).

(241)

In het arrest Essent Netwerk Noord (87) is de betrokken maatregel aangemerkt als een belasting en dus als een maatregel die staatssteun inhoudt, aangezien de staat de prijstoeslag bij wet aan de afnemers van elektriciteit heeft opgelegd op basis van het objectieve criterium van het aantal vervoerde kilowatturen (88). Het Hof heeft in dit verband verduidelijkt dat de hoedanigheid van degene die de belasting verschuldigd is, irrelevant is, aangezien de belasting betrekking heeft op het product of een activiteit die nodig is voor het product (89).

(242)

Bovendien heeft het Hof in arrest EEG 2012 (90) toegelicht dat het niet volstaat dat de inning van een financiële last van de leveranciers facultatief is en enkel “in de praktijk” aan de eindverbruiker wordt doorberekend, om te concluderen dat er sprake is van staatssteun.

(243)

Enerzijds valt de dekking van de kosten van de opslagexploitanten in het onderhavige geval binnen de werkingssfeer van het reguleringsmechanisme via de tarieven voor het gebruik van het transmissiesysteem, zoals bepaald in de koolwaterstoffenwet (zie de overwegingen 17 en 104). Uit hoofde van haar wettelijke bevoegdheid (zie overweging 17) heeft de CRE in de ATRT-tarieven een component ingevoerd die bestemd is voor de financiering van het reguleringsmechanisme in kwestie (de opslagcomponent) (zie overweging 90). De financiering dekt ook de kosten van de inning en terugbetaling van de vergoeding voor de TSB (zie overweging 105).

(244)

Overeenkomstig het besluit van de CRE van 7 februari 2018 (91) zijn alle transporteurs aan wie vaste capaciteit is toegewezen voor levering aan ten minste één PITD, verplicht die opslagcomponent te betalen aan de TSB met wie zij een vervoerscontract hebben gesloten (zie overweging 99). De hoogte van de opslagcomponent per transporteur wordt overeenkomstig de door de CRE vastgestelde methode bepaald op basis van de winterse variatie van diens op het openbare aardgasdistributienet aangesloten afnemers aan wie de levering niet kan worden onderbroken of afgeschakeld (zie overweging 21). In tegenstelling tot het door de belanghebbenden ingenomen standpunt volgt uit het bovenstaande dat de opslagcomponent een bij wet aan de transporteurs opgelegde bijdrage is die verplicht en dus niet optioneel van aard is, en waarvan de hoogte wordt bepaald volgens het objectieve criterium van de winterse variatie van hun klanten op basis van de door de CRE vastgestelde methode. Deze bijdragen worden berekend om alle kosten van de TSB’s in verband met deze dienst te dekken.

(245)

Deze analyse wordt bevestigd door het feit dat de door de transporteurs betaalde termijn voor opslag moet worden doorberekend aan de verbruikers in het kader van de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas (zie de overwegingen 98 tot en met 101).

(246)

Anderzijds betalen de TSB’s krachtens de koolwaterstoffenwet een deel van de via de ATRT-tarieven geïnde bedragen terug aan de opslagexploitanten die binnen de reikwijdte van het reguleringsmechanisme vallen, en wel overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld door de CRE, een overheidsinstantie. CRE stelt de hoogte van dat deel en de kosten van de innings- en terugbetalingsdienst vast (zie overweging 90). TSB’s zijn derhalve bij wet aangewezen en gemachtigd om de via de opslagcomponent verkregen middelen te innen van en terug te betalen aan de gereguleerde opslagexploitanten. De TSB’s kunnen niet vrij beschikken over de middelen, omdat zij niet discretionair bevoegd zijn ten aanzien van de vaststelling en bestemming ervan. De middelen zijn onderworpen aan een verplichte herverdeling, waarbij de hoogte van de te verdelen bedragen wordt vastgesteld door de CRE.

(247)

Bijgevolg heeft de opslagcomponent van de ATRT-tarieven, waarmee de financiering van het reguleringsmechanisme is gewaarborgd, het karakter van een verplichte bijdrage die bij wet, in het kader van de gereguleerde tarieven, aan zowel de transporteurs als de verbruikers wordt opgelegd, een en ander onder toezicht van de CRE. Daarnaast worden de via de opslagcomponent verkregen middelen beheerd en verdeeld door de TSB’s. De Commissie is derhalve van oordeel dat de maatregel met staatsmiddelen wordt bekostigd.

6.1.2.   Selectief voordeel

(248)

Ten aanzien van het bestaan van een voordeel worden volgens vaste rechtspraak als staatssteun aangemerkt de maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen direct of indirect kunnen begunstigen of die een economisch voordeel verschaffen dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen (92).

(249)

In het onderhavige geval biedt het reguleringsmechanisme gereguleerde opslagexploitanten de mogelijkheid te profiteren van een gegarandeerd inkomen, het “goedgekeurde inkomen”, dat door de CRE zodanig wordt vastgesteld dat hun kosten worden gedekt, voor zover deze overeenkomen met de kosten van een “efficiënte exploitant”, evenals een normale vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal (zie overweging 21). Dit goedgekeurde inkomen is gewaarborgd door de inkomsten die de exploitanten rechtstreeks ontvangen en, als die inkomsten lager zijn dan het goedgekeurde inkomen, door de opslagcompensatie die door de TSB’s wordt betaald. Omdat hun eventuele verliezen worden gecompenseerd, hebben de gereguleerde opslagexploitanten dus niet langer te maken met de onzekerheid die inherent is aan normale marktomstandigheden. De Commissie is dan ook van mening, in tegenstelling tot de argumenten van de belanghebbenden, dat exploitanten van essentiële opslaginfrastructuren een economisch voordeel genieten.

(250)

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van een selectief voordeel, heeft het Hof geoordeeld dat voor de beoordeling hiervan moet worden bepaald of de betrokken nationale maatregel in het kader van een gegeven rechtsregeling voor “bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” gunstig is ten opzichte van andere die zich, gezien de doelstelling van die regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden en dus een andere behandeling krijgen (93).

(251)

In het onderhavige geval is het reguleringsmechanisme alleen van toepassing op ondergrondse aardgasopslaginfrastructuren die noodzakelijk worden geacht om de voorzieningszekerheid op het Franse grondgebied op middellange tot lange termijn te waarborgen. De limitatieve lijst van deze essentiële infrastructuren wordt bij decreet vastgesteld (zie overweging 19).

(252)

Voor de winter van 2018-2019 stonden bij wijze van overgangsmaatregel alle opslaginfrastructuren op Frans grondgebied op de lijst (zie overweging 16). Bij de huidige stand van de regelgeving komen de essentiële opslaginfrastructuren voor de periode 2019-2023 overeen met alle opslaginfrastructuren die op Frans grondgebied in bedrijf zijn, dus exclusief de drie in reserve geplaatste infrastructuren en de twee projecten voor de opslag van aardgas (zie de overwegingen 49 en 50). In het huidige MEP is ook bepaald dat de lijst van essentiële infrastructuren bij de volgende herziening van het MEP zal worden ingekort (zie overweging 52).

(253)

Dat houdt in dat in reserve geplaatste opslaglocaties zijn uitgesloten van de reikwijdte van het reguleringsmechanisme. Voorts verwacht Frankrijk dat locaties die op dit moment in bedrijf zijn, in de toekomst zullen worden uitgesloten als gevolg van een in het MEP voorspelde daling van het aardgasverbruik. Uitsluiting geldt daarnaast ook voor de opslagexploitanten van andere lidstaten, met name die van de aangrenzende lidstaten. Voorts geld uitsluiting ook voor de exploitanten van andere flexibiliteitsinstrumenten die helpen de voorzieningszekerheid te waarborgen, zoals exploitanten van methaanterminals of beheerders van interconnectoren.

(254)

Derhalve is de Commissie van mening dat, ook al zou het bestaan van een selectief voordeel op nationaal niveau worden onderzocht en alleen betrekking hebben op de aardgasopslaginfrastructuren, en in tegenstelling tot het standpunt van de belanghebbenden, met de maatregel in kwestie een selectief voordeel zou worden verleend, aangezien het voordeel is voorbehouden aan de exploitanten van de essentiële opslaginfrastructuren die op de huidige MEP-lijst staan.

(255)

De betrokken maatregel kan dus voor bepaalde ondernemingen gunstig zijn ten opzichte van andere die zich, gezien de doelstelling van die regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.

6.1.3.   Ongunstige beïnvloeding van de mededinging en het handelsverkeer tussen lidstaten

(256)

Wat de potentiële ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten betreft, kan volgens de rechtspraak van het Hof de omstandigheid dat een economische sector, zoals de aardgassector, op Unieniveau is geliberaliseerd, bepalend zijn voor een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op het handelsverkeer tussen de lidstaten (94).

(257)

In het onderhavige geval wordt met de invoering van het reguleringsmechanisme aan exploitanten van essentiële opslaginfrastructuren in Frankrijk een voordeel verleend ten opzichte van hun concurrenten. Dit betreft in de eerste plaats de opslagexploitanten van andere lidstaten, ook al zou de markt, zoals sommigen beweren, regionaal van omvang zijn. Afgaande op de opmerkingen van de belanghebbenden, kan de Commissie niet uitsluiten dat de maatregel gevolgen heeft voor de opslag van aardgas in de buurlanden, met name in België, dat geen gegarandeerde vergoeding voor de opslag van aardgas kent.

(258)

De Commissie kan evenmin uitsluiten dat er gevolgen zijn voor de exploitanten van andere flexibiliteitsinstrumenten, zoals de exploitanten van methaanterminals en de beheerders van interconnectoren. Ook al werken zij eveneens op basis van een goedgekeurd inkomen, zoals de belanghebbenden hebben opgemerkt, worden hun inkomsten niet op dezelfde wijze door de staat aangevuld.

(259)

Aangezien de aardgasmarkt op het niveau van de Unie is geliberaliseerd, kan elk voordeel dat aan een onderneming in deze sector wordt verleend, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. De Commissie is dan ook van oordeel dat de maatregel van ongunstige invloed kan zijn op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

(260)

In het onderhavige geval is de betrokken maatregel bedoeld om de exploitanten van essentiële opslaginfrastructuren van een bepaald inkomen te verzekeren. De Commissie is van oordeel dat de maatregel verstoring van de mededinging tot gevolg kan hebben.

6.1.4.   Conclusie over de aanmerking van de betrokken maatregel als staatssteun

(261)

Om de in de overwegingen 234 tot en met 260 uiteengezette redenen is de Commissie van oordeel dat de betrokken maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 107 VWEU.

6.2.   Onrechtmatigheid van de staatssteun

(262)

Door het goedgekeurde inkomen van opslagexploitanten per 1 januari 2018 vast te stellen, door veilingen te organiseren en door een opslagcomponent in te voeren in de ATRT-tarieven per 1 april 2018, hebben de Franse autoriteiten een regelgevend mechanisme ingevoerd dat staatssteun vormt.

(263)

De Franse autoriteiten hebben de maatregel niet bij de Commissie aangemeld vóór de datum waarop zij met de uitvoering ervan zijn begonnen. Daarmee heeft Frankrijk gehandeld in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU. Bijgevolg is de Commissie van mening dat de kwestieuze maatregel onrechtmatig ten uitvoer is gelegd.

6.3.   Verenigbaarheid van de staatssteun met de interne markt

6.3.1.   Rechtsgrondslag voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken maatregel

(264)

Het door Frankrijk ingevoerde mechanisme voor de regulering van de aardgasopslaginfrastructuren heeft tot doel de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag te vergemakkelijken om de voorzieningszekerheid op middellange en lange termijn te waarborgen.

(265)

De Commissie merkt op dat dit de eerste keer is dat de verenigbaarheid van een reguleringsmechanisme voor aardgasopslag met de interne markt wordt beoordeeld.

(266)

Op dergelijke maatregelen wordt niet ingegaan in de richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie (95), noch in enig ander richtsnoer van de Commissie.

(267)

De vraag of het reguleringsmechanisme verenigbaar is met de interne markt moet worden beoordeeld in het licht van het VWEU, met name artikel 107, lid 3, punt c). Daarin is bepaald dat steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd als de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(268)

Om als verenigbaar te worden aangemerkt, moet de steun dus enerzijds zijn bedoeld om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, en anderzijds de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (96).

(269)

In het kader van de eerste voorwaarde onderzoekt de Commissie of de steunregeling is bedoeld om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken. In het kader van de tweede voorwaarde weegt de Commissie de positieve effecten van de voorgenomen steun voor de ontwikkeling van de te ondersteunen activiteiten af tegen de negatieve effecten die de steun op de interne markt kan hebben in de vorm van verstoring van de mededinging en ongunstige gevolgen voor het handelsverkeer.

6.3.2.   Vergemakkelijking van de ontwikkeling van een economische activiteit

6.3.2.1.   De ontwikkelde economische activiteit

(270)

In artikel 107, lid 3, punt c), VWEU is bepaald dat de steun de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid moet vergemakkelijken om als verenigbaar met de interne markt te worden beschouwd (97). De steun moet een stimulerend effect hebben op de betrokken ondernemingen door hun gedrag zodanig te wijzigen dat de ontwikkeling wordt vergemakkelijkt van een economische activiteit die zonder de steun niet, in beperkte mate of op een andere wijze zou plaatsvinden. De steun mag niet dienen ter subsidiëring van de kosten van een economische activiteit die een onderneming sowieso zou moeten maken, en evenmin ter compensering van het normale zakelijke risico van een economische activiteit.

(271)

In het onderhavige geval is de met de steun ontwikkelde economische activiteit de opslag van aardgas in Frankrijk.

(272)

Het reguleringsmechanisme heeft tot doel het economische gedrag van aardgasopslagexploitanten te veranderen. De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat, indien Frankrijk het reguleringsmechanisme niet had ingevoerd en het vorige systeem van opslagverplichtingen had afgeschaft, de door de opslagexploitanten gehanteerde prijs de spread van de verkoopprijzen van aardgas nauw zou volgen. De spread laat sinds 2009 een dalende lijn zien. Daardoor konden de opslagexploitanten vóór de uitvoering van de hervorming hun kosten niet meer dekken met de gehanteerde prijzen. De verslechterde winstgevendheid van aardgasopslag in Frankrijk leidde ertoe dat in 2014 en 2015 werd besloten om drie opslaglocaties in reserve te plaatsen (zie overweging 10). Daarop is door Frankrijk vastgesteld dat er een reëel risico bestaat dat de exploitanten de aan de markt aangeboden opslagcapaciteit verder zullen beperken en meer opslaglocaties in reserve zullen plaatsen.

(273)

De Commissie merkt tevens op dat de vullingsgraad op de opslaglocaties is afgenomen. Het waargenomen percentage inkoop van opslagcapaciteit was in de periode 2017-2018 namelijk slechts 63 %. Als gevolg van het dalende inkooppercentage zijn de inkomsten van de exploitanten verder afgenomen.

(274)

De hervorming heeft ertoe geleid dat de inkooppercentages zijn gestegen en voor de perioden 2018-2019 en 2019-2020 een waargenomen inkooppercentage voor opslagcapaciteit van 93 % hebben bereikt.

(275)

In een contrafeitelijk scenario, zonder invoering van het reguleringsmechanisme, zou zich het risico voordoen van een sterk beperkte ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk. Sinds de hervorming is doorgevoerd, hebben het goedgekeurde inkomen en de verplichting van de opslagexploitanten om hun opslagcapaciteit via de veilingen beschikbaar te stellen aldus een positieve uitwerking gehad op de ontwikkeling van de economische activiteit van de opslagexploitanten.

(276)

De Commissie is daarom van mening dat de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk wordt vergemakkelijkt door het reguleringsmechanisme.

6.3.2.2.   Verenigbaarheid van de steunregeling met andere bepalingen van het Unierecht

(277)

De Commissie merkt op dat de betrokken maatregel en de ontwikkelde economische activiteit overeenstemmen met het bepaalde in het Unierecht.

(278)

Op energiegebied moet iedere heffing die dient om een staatssteunmaatregel te financieren, met name aan de artikelen 30 en 110 VWEU voldoen. In het onderhavige geval is er een dwingend bestemmingsverband tussen de opslagcomponent en de steun aan de opslagexploitanten (zie overweging 246). Een belasting die op nationale en ingevoerde producten wordt geheven volgens identieke criteria, kan niettemin bij het Verdrag verboden zijn als de opbrengst van die belasting dient ter bekostiging van activiteiten die in het bijzonder de belaste nationale producten ten goede komen.

(279)

In het onderhavige geval wordt enerzijds de opslagcomponent betaald door de transporteurs die gebruikmaken van het transportsysteem voor aardgas, dat bijna geheel wordt ingevoerd, ongeacht of zij Frans zijn of niet (zie de overwegingen 98, 99 en 100). Anderzijds zijn de begunstigden de exploitanten van de infrastructuren voor de opslag van aardgas. De Franse en buitenlandse transporteurs hebben op niet-discriminerende wijze toegang tot de door de aardgasopslagexploitanten georganiseerde veilingen (zie overweging 20). Het is dus niet een situatie waarin de belasting specifiek ten goede komt aan de belaste binnenlandse producten. Dat betekent dat wordt voldaan aan de artikelen 30 en 110 VWEU.

(280)

Zoals voorts is beschreven in overweging 12, is in artikel 33 van Richtlijn 2009/73/EG uitdrukkelijk bepaald dat een lidstaat een regeling voor de opslaginfrastructuur kan invoeren. De opslag van aardgas is ook een van de maatregelen die de lidstaten kunnen nemen om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1938 worden nageleefd volgens de in die verordening vastgestelde voorwaarden, met name de verplichting om de voorzieningszekerheid veilig te stellen voor nationale afnemers, rekening houdend met de goede en continue werking van de interne markt voor aardgas.

6.3.2.3.   Conclusie over de bijdrage tot de ontwikkeling van een economische activiteit

(281)

Gezien het bovenstaande, oordeelt de Commissie dat de betrokken maatregel bijdraagt tot de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk en voldoet aan de overige bepalingen van het Europese recht.

6.4.   De negatieve effecten van de steun veranderen de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad

(282)

De Commissie beoordeelt of de negatieve effecten van de steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De Commissie zet eerst de positieve effecten van de steun uiteen, mede rekening houdend met het gemeenschappelijk belang, en beoordeelt vervolgens de elementen waarmee de negatieve effecten van de steun op het handelsverkeer kunnen worden beperkt, te weten de noodzaak, de geschiktheid, de evenredigheid en de transparantie van de steun. In het licht van die analyse stelt de Commissie de resterende gevolgen voor het handelsverkeer vast en weegt daarna de positieve en negatieve effecten van de steun op de interne markt tegen elkaar af.

6.4.1.   Positieve effecten van de steun

(283)

Zoals aangegeven in de overwegingen 270 tot en met 276, heeft de steunregeling positieve effecten op het vergemakkelijken van de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk.

(284)

Voorts merkt de Commissie op dat de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag positieve effecten heeft op de voorzieningszekerheid van aardgas in Frankrijk op middellange en lange termijn. Opslag is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat er steeds voldoende netcapaciteit is om te voldoen aan de vraag tijdens koudegolven en om tijdens congestie de vervoersdienst in het transmissiesysteem te waarborgen.

(285)

Wat koudegolven betreft, heeft Frankrijk simulaties uitgevoerd van het niveau van de vraag naar aardgas en van de aardgasvoorzieningscapaciteit op middellange en lange termijn. Er is een raming gemaakt van de vraag naar aardgas voor koudegolven van één tot dertig dagen, zoals die zich eens in de vijftig jaar voordoen in Frankrijk (zie overweging 25). De Franse autoriteiten hebben rekening gehouden met verschillende scenario’s voor de ontwikkeling van het aardgasverbruik in de komende tien jaar. Uiteindelijk zijn zij ervan uitgegaan dat het verbruik in de periode 2018-2028 met 2 % afneemt (zie overweging 26). Ook hebben zij een raming gemaakt van de effecten van de onderbrekingsvoorzieningen, die echter nog niet zijn geïmplementeerd (zie overweging 28).

(286)

Wat het aanbod betreft, hebben de Franse autoriteiten gerekend met de beschikbaarheidsparameters van de verschillende aardgasbronnen. Zij zijn met name uitgegaan van een vullingsgraad van 100 % van de vaste capaciteit van de bestaande interconnectoren en van de levering van LNG vanuit de methaanterminals met een levertijd van tien dagen voor nieuwe ladingen (zie de overwegingen 33 tot en met 38).

(287)

Deze werkwijze lijkt in overeenstemming te zijn met de historische gegevens en beschikbaarheidsprognoses ten tijde van de uitgevoerde analyse.

(288)

Uit de ramingen van de Franse autoriteiten blijkt dat, om het hoofd te bieden aan de koudegolven in de periode 2019-2025, de behoefte aan aardgasopslag gelijk is aan een onttrekkingsdebiet van 2 376 GWh/d voor een vullingsgraad van 45 % van het nuttige volume.

(289)

Zoals vermeld in overweging 10, heeft de daling van de spreads sinds 2009 geleid tot een daling van het percentage ingekochte opslagcapaciteit tot onder het niveau dat nodig is om de voorzieningszekerheid te waarborgen, evenals tot het in reserve plaatsen van drie locaties, ook al zijn de leveranciers verplicht om aardgasopslag aan te houden.

(290)

Bijgevolg blijkt dat de normale werking van de gasopslagmarkt niet volstaat voor het in stand houden van de opslaginfrastructuren die nodig zijn om het door Frankrijk vereiste niveau van voorzieningszekerheid te waarborgen. De steunregeling heeft dus tot doel de ontwikkeling van de activiteit van aardgasopslag in Frankrijk te vergemakkelijken, aangezien de normale marktwerking alleen niet zou volstaan om dat te waarborgen.

6.4.2.   Beperking van de negatieve gevolgen van de steunregeling voor de interne markt

(291)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie vastgesteld dat de door de Franse autoriteiten ingevoerde steunregeling gevolgen zou kunnen hebben voor de volgende markten: i) de Franse aardgasleveranciers en die van andere lidstaten, ii) exploitanten van aardgasopslag enerzijds en exploitanten van LNG en beheerders van interconnectoren anderzijds en iii) Franse aardgasopslagexploitanten en die van andere lidstaten.

(292)

De Commissie beoordeelt de elementen die kunnen bijdragen tot het beperken van de negatieve gevolgen van de betrokken maatregel, te weten de noodzaak, de geschiktheid, de evenredigheid en de transparantie van het mechanisme.

a)   De noodzaak van de steunregeling

De Commissie is van mening dat een overheidsmaatregel noodzakelijk is wanneer die maatregel in een bepaalde situatie een aanzienlijke verbetering mogelijk maakt die met de normale werking van de markt alleen niet mogelijk zou zijn, bijvoorbeeld door een duidelijk omschreven geval van marktfalen te corrigeren.

(293)

Zoals vermeld in overweging 10, zijn de spreads sinds 2009 afgenomen en konden de opslagexploitanten hun kosten niet meer dekken. De economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk dreigde sterk af te nemen. Anderzijds is het percentage opgeslagen aardgas in Frankrijk sinds de uitvoering van de hervorming toegenomen.

(294)

De Commissie concludeert derhalve dat de hervorming noodzakelijk was om de ontwikkeling van de aardgasopslag in Frankrijk te vergemakkelijken.

b)   De geschiktheid van de steunregeling

(295)

Een steunmaatregel is een geschikt instrument voor interventie om een economische activiteit te vergemakkelijken, wanneer het niet mogelijk is hetzelfde resultaat te bereiken met andere instrumenten voor interventie die de mededinging minder verstoren.

(296)

Frankrijk heeft diverse alternatieve instrumenten overwogen, maar deze zouden de ontwikkeling van de economische activiteit van aardgasopslag in Frankrijk niet op dezelfde wijze vergemakkelijken of hetzelfde niveau van voorzieningszekerheid garanderen, en wel om de volgende redenen.

(297)

Ten eerste zou het niet mogelijk zijn geweest de voorzieningszekerheid te waarborgen door de bestaande regeling van aan leveranciers opgelegde opslagverplichtingen te handhaven. Doordat de spread gedaald is tot ver onder de kosten van de opslagcapaciteit, zijn de prikkels voor leveranciers om capaciteit te reserveren sterk afgenomen, met als gevolg dat drie locaties in reserve zijn geplaatst. Het in reserve plaatsen van nog meer locaties zou problematisch zijn geweest, aangezien uit de beoordeling van de behoefte aan opslag is gebleken dat alle installaties nodig waren om de voorzieningszekerheid in geval van een langdurige koudegolf te waarborgen. Bovendien lagen de totale opslagkosten in het kader van het systeem van opslagverplichtingen hoger ([5 tot 8 EUR/MWh in 2016 en 2017]) dan in het kader van het reguleringsmechanisme (5,6 EUR/MWh na de hervorming).

(298)

Ten tweede zou het evenmin een reëel alternatief zijn geweest het gasnet en de interconnectoren te versterken, gezien de hoge kosten van zulke maatregelen in vergelijking met het gebruik van bestaande opslaginfrastructuren. Dit soort investeringen zou hoe dan ook geen oplossing bieden voor eventuele tekorten aan aardgas in geval van een koudegolf en zou op middellange termijn niet beschikbaar zijn.

(299)

Evenzo blijkt uit de door Frankrijk verstrekte informatie dat een groter gebruik van LNG geen aannemelijk alternatief lijkt te zijn om de voorzieningszekerheid te waarborgen. De bestaande terminals voor het vloeibaar maken van gas werken immers dicht tegen hun maximumcapaciteit om de aanzienlijke investeringskosten terug te verdienen. Bijna alle LNG-ladingen worden bovendien afgenomen op basis van langlopende contracten, vanwege de kapitaalintensiteit ervan, en zijn bijgevolg al vóór productie verkocht. Overigens kan de geringe ontwikkeling van LNG-opslag wereldwijd worden verklaard uit de lagere kosten van de opslag van gasvormig aardgas. Dat houdt in dat de hoeveelheid op korte termijn beschikbaar LNG gering is.

(300)

Ten derde heeft Frankrijk toegelicht dat een zuiver administratieve regeling van sancties die worden opgelegd aan leveranciers, ingeval zij geen aardgas leveren aan eindafnemers, evenmin als een bevredigend alternatief kon worden beschouwd. Een dergelijk systeem levert immers een haalbaarheidsprobleem op, omdat de balancering van de Europese gasmarkten dagelijks plaatsvindt. De handel in aardgas die volgt op afschakeling door de systeembeheerder bij een kritische daling van de druk, maakt dat het buitengewoon lastig wordt om te achterhalen welke leverancier in eerste instantie in gebreke is gebleven. Evenzo zijn de verbruikers aan wie de levering is afgeschakeld, niet per se de afnemers van de leverancier die in gebreke is. In dit verband stelt Frankrijk dat maatregelen vooraf de voorkeur verdienen boven sancties achteraf.

(301)

Ten vierde geldt hetzelfde voor afschakeling of onderbrekingsvoorzieningen. Volgens de Franse autoriteiten is het afschakelen van de belasting in feite geen flexibiliteitsmechanisme maar een laatste redmiddel voor wanneer zich een crisis in de voorziening voordoet. Het is namelijk alleen doeltreffend voor zover de verbruiker gehoor geeft aan de door de systeembeheerder gegeven opdracht tot afschakeling, aangezien automatisch afschakelen op afstand niet mogelijk is. Het mechanisme voor de regulering van essentiële opslaginfrastructuren moet voorkomen dat zich een crisis voordoet die noopt tot afschakeling. Aan de invulling van onderbrekingsvoorzieningen, die betrekking hebben op grote, niet-frequente risico’s zoals koudegolven, werd ten tijde van de hervorming nog gewerkt. Met deze voorzieningen is rekening gehouden in de beoordeling van de vraag naar aardgas. Daarentegen zouden onderbrekingsvoorzieningen niet geschikt zijn voor het tegengaan van de kleinere maar vaker optredende risico’s van congestie.

(302)

Gezien deze elementen oordeelt de Commissie dat het reguleringsmechanisme een geschikt instrument is om de ontwikkeling van de activiteit van aardgasopslag te vergemakkelijken en de voorzieningszekerheid te waarborgen.

c)   De evenredigheid van de steunmaatregel

(303)

Een steunmaatregel wordt als evenredig beschouwd als het bedrag ervan beperkt blijft tot het minimum dat nodig is om de gevolgen voor de interne markt te beperken.

(304)

In het onderhavige geval genieten de opslagexploitanten in het kader van het regelgevend mechanisme een gegarandeerd inkomen. Om de evenredigheid van het reguleringsmechanisme te beoordelen, moet de evenredigheid van de in de overwegingen 59 tot en met 81 beschreven wijze van berekening van het goedgekeurde inkomen van de opslagexploitanten worden beoordeeld.

(305)

In haar inleidingsbesluit heeft de Commissie twijfels geuit over het proces van onafhankelijke economische beoordeling door de CRE van de marktwaarde van de BAR ten tijde van de invoering van het reguleringsmechanisme. Daardoor zou volgens de Commissie de evenredigheid van de steunregeling ter discussie kunnen komen te staan.

(306)

Hoewel deze waardering hoofdzakelijk gebaseerd is op de brutoboekwaarde en de afschrijving van activa, hebben Frankrijk en de begunstigden kunnen aantonen dat de CRE per 31 december 2016 een grondige herwaardering van de initiële BAR heeft uitgevoerd. De CRE heeft geverifieerd dat de door de exploitanten gevraagde afschrijvingstermijnen overeenstemmen met de in hun historische boekhouding vermelde perioden en met de in andere landen waargenomen standaardgegevens voor de sector. De CRE heeft met name vraagtekens geplaatst bij de afschrijvingstermijn van het kussengas. Zoals vermeld in overweging 73, heeft de CRE het verzoek om een afschrijvingstermijn van 250 jaar afgewezen en voor het kussengas een afschrijvingstermijn van 75 jaar gehanteerd. In haar analyse is de CRE ook bijgestaan door externe economische adviseurs om de initiële BAR vast te stellen. De Commissie merkt op dat de CRE na deze analyses een initiële BAR van 4,8 miljard EUR heeft aangehouden voor de drie exploitanten, 13 % lager dan de door de exploitanten gevraagde BAR (zie tabel 4 in overweging 77).

(307)

De Commissie merkt tevens op dat alternatieve methoden, zoals de waarde van de opslagexploitanten in de boekhouding van hun aandeelhouders, de bij recente transacties in aanmerking genomen waarden of het gebruik van de in het Teréga-onderzoek door PwC gebruikte discounted cash flow-methode, een vergelijkbare waardering van de activa opleveren (zie de overwegingen 76, 129 en 160).

(308)

Bovendien wordt er bij hantering van een op spreads gebaseerde waarde geen rekening gehouden met de waarde van aardgasopslag voor het systeem in termen van voorzieningszekerheid. Die waarde zou derhalve niet voldoende representatief zijn voor de ontwikkelingen op middellange en lange termijn om te kunnen dienen als indicator voor een reguleringsmechanisme zoals het onderhavige, dat bedoeld is om de voorzieningszekerheid op middellange en lange termijn te waarborgen.

(309)

In de opmerkingen die de Commissie in de loop van de procedure heeft ontvangen, is uiteengezet dat een historische reconstructie van de inkomsten van de exploitanten bij gebrek aan beschikbare gegevens noodzakelijkerwijs onvolledig en in strijd met de algemene rechtsbeginselen zou zijn.

(310)

De Commissie merkt voorts op dat het opslagtarief bedoeld is om de exploitanten te compenseren voor hun kosten, voor zover die kosten overeenkomen met die van “efficiënte exploitanten”. Daartoe evalueert de CRE de door de exploitanten gevraagde compensatie aan het begin van elke tariefperiode en controleert zij jaarlijks de door de exploitanten voorgenomen investeringen (zie overweging 82). De compensatie bevat ook een element om de jaarlijkse inkomsten en uitgaven te corrigeren. De Commissie merkt op dat de CRE voor de jaren 2018-2019 alleen rekening heeft gehouden met de kosten die als efficiënt worden beschouwd, en dat sinds ATS 2 voor veel posten een prikkel tot kostenbeheersing geldt: regulering ter stimulering van de beheersing van de exploitatiekosten en kapitaaluitgaven, alsmede regulering ter stimulering van de kwaliteit van de dienstverlening (zie de overwegingen 60, 61, 65, 83, 84 en 85).

(311)

Tot slot zijn de methode om de WACC van aardgasopslaglocaties te bepalen en de verhoging ten opzichte van het referentiepercentage van GRTgaz toereikend.

(312)

Daarom concludeert de Commissie dat de door de CRE vastgestelde methode voor vergoeding, en met name de waardering van de gereguleerde activa, leidt tot een evenredige compensatie om de effecten van de steunregeling op de interne markt te beperken.

d)   De transparantie van de steunregeling

(313)

De Commissie oordeelt dat de transparantie van de steunregeling is gewaarborgd door de in overweging 111 vermelde toezeggingen van Frankrijk.

6.4.3.   Vermijden van negatieve effecten van de steunregeling op de mededinging en het handelsverkeer

(314)

De Commissie is van mening dat de negatieve gevolgen van een steunmaatregel voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten tot een minimum beperkt blijven als zij zo beperkt zijn dat de maatregel per saldo positief is.

(315)

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie niet kunnen uitsluiten dat het mechanisme tot grotere verstoringen van de mededinging zou kunnen leiden dan de minimale door de invoering van de steunregeling gerechtvaardigde negatieve effecten tussen i) de Franse aardgasleveranciers en die van andere lidstaten; ii) beheerders van aardgasopslag enerzijds en de LNG-exploitanten en de beheerders van interconnectoren anderzijds, en iii) de Franse exploitanten van aardgasopslag en die van andere lidstaten.

(316)

Wat ten eerste de markten voor de levering van aardgas betreft, is de Commissie in het onderhavige geval niet van mening dat de steunregeling verstoring van de mededinging tussen de Franse leveranciers van aardgas en die uit andere lidstaten veroorzaakt, aangezien de veilingen openstaan voor alle aardgasleveranciers, onder vergelijkbare voorwaarden, ongeacht of zij in Frankrijk of in een andere lidstaat zijn gevestigd. In de opmerkingen van de belanghebbenden wordt verder bevestigd dat voor eenzelfde vervoersdienst hetzelfde tarief voor het gebruik van de transmissiesystemen wordt gehanteerd voor de Franse leveranciers en die uit andere lidstaten. De Commissie heeft dus geen verstoring van de mededinging tussen de Franse aardgasleveranciers en die uit andere lidstaten kunnen vaststellen.

(317)

Wat ten tweede de verstoringen van de mededinging tussen de exploitanten van aardgasopslag en de leveranciers van alternatieve flexibiliteitsinstrumenten in Frankrijk betreft, zijn de Franse autoriteiten en belanghebbenden van oordeel dat de andere instrumenten niet geschikt zijn als vervanging voor de opslag van aardgas, gezien de uiteenlopende perioden en situaties waarin zij worden ingezet en nodig kunnen zijn. Zo kan bijvoorbeeld in het geval van een koudegolf de capaciteit van de methaanterminals alleen worden benut als er LNG beschikbaar is in de tanks. Die beperkte capaciteit zou in het beste geval niet langer dan vijf dagen kunnen worden ingezet. Dat is korter dan de gemiddelde duur van koudegolven. Er is dus onvoldoende tijd om een lading snel genoeg in te zetten om onderbreking van de uitzendingen te voorkomen. Bovendien hangt de doeltreffendheid van de LNG-terminals in geval van netwerkcongestie af van de geografische afstand ervan tot de verbruikspunten.

(318)

Verder is er door diverse derde partijen op gewezen dat er tussen de inkoop van capaciteit van de methaanterminals en die van aardgasopslag geen sprake zou zijn van mededinging. Zij leggen uit dat de invoer van LNG in Europa en die in Frankrijk sinds de invoering van de steunregeling in 2018 sterk zijn toegenomen. De invoer van ongeveer 21,5 Bcm LNG in Frankrijk in 2019 was een record.

(319)

Wat interconnectoren betreft, wordt in de ontvangen opmerkingen betoogd dat het daarbij vooral gaat om invoerinstrumenten. De belanghebbenden merken op dat, als er geen opslag was, de interconnectoren groot genoeg zouden moeten zijn om de levering van aardgas tijdens piekperiodes te waarborgen. Dat zou niet doelmatig zijn. Gezien de verwachte daling van het aardgasverbruik in Frankrijk zijn er geen plannen om nieuwe interconnectoren aan te leggen. De kosten van de aanleg van extra interconnectoren en de versterking van het netwerk zouden in feite hoger zijn dan die van de betrokken steunregeling.

(320)

Bovendien heeft de opslag van aardgas geen invloed op het totale volume aardgas dat via interconnectoren stroomt, dat afhankelijk is van het volume van het in Frankrijk verbruikte aardgas. Niettemin halen de belanghebbenden een verslag (98) van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (“ACER”) aan dat erop wijst dat als er een ruime hoeveelheid opgeslagen gas voorradig is, de invoer tot een minimum beperkt blijft tijdens verbruikspieken die doorgaans optreden wanneer de prijs van aardgas het hoogst is.

(321)

Zoals de belanghebbenden hebben aangegeven, heeft de Commissie meermaals stilgestaan, zonder zich erover uit te spreken, bij het bestaan van een relevante markt voor aardgastransmissie-infrastructuren, met name bestaande uit interconnectoren, aardgasopslag, LNG-terminals en infrastructuur voor hervergassing. De Commissie erkent dat de verschillende flexibiliteitsinstrumenten complementaire diensten kunnen leveren, maar sluit niet volledig uit dat de opslag van aardgas gevolgen heeft voor de LNG-terminals en de interconnectoren. Niettemin heeft de Commissie geen aanmerkelijke verstoringen van de mededinging kunnen vaststellen.

(322)

Ten derde zou de steunregeling ook kunnen leiden tot verstoring van de mededinging met opslagexploitanten in andere lidstaten, met name in de lidstaten die aan Frankrijk grenzen. Op grond van de interconnectoren is dat risico bij voorbaat extra belangrijk voor België en Duitsland.

(323)

CREG in België heeft de Commissie meegedeeld dat de vullingsgraad van de enige Belgische opslaglocatie, Loenhout, na invoering van het reguleringsmechanisme is gedaald van 84 % (winter 2017-2018) tot 54 % (winter 2018-2019). De vullingsgraad is vervolgens gestegen tot 97 % voor de winter 2019-2020. De vullingsgraad in 2018-2019 kwam overeen met de langlopende contracten. CREG wijst erop dat er een effect is door de invoering van het vergoedingsmechanisme in Frankrijk (zie de overwegingen 195 tot en met 200). Hoewel de vullingsgraad in de volgende winter weer is toegenomen, kan de Commissie op grond daarvan niet uitsluiten dat er gevolgen zijn voor de opslag van aardgas in de buurlanden. De Commissie merkt evenwel op dat Fluxys, de exploitant van Loenhout, niet vermeldt dat het reguleringsmechanisme aanzienlijke gevolgen heeft voor zijn activiteiten (zie overweging 212).

(324)

Op korte termijn blijven de verstoringen van de mededinging tussen exploitanten in aangrenzende lidstaten beperkt dankzij het aanzienlijke percentage capaciteitsinkoop (bv. meer dan 90 % in Duitsland, 60 % in België) op basis van langlopende contracten. Die contracten lopen echter af in 2022-2023. Het reguleringsmechanisme zou dus van invloed kunnen zijn op de toekomstige commerciële voorwaarden wanneer over deze langlopende contracten opnieuw wordt onderhandeld, zowel wat betreft prijzen en inkooppercentage als ten aanzien van de winstgevendheid van opslagexploitanten in aangrenzende lidstaten. De Franse autoriteiten hebben toegezegd de Commissie vóór eind 2024 een verslag voor te leggen met gegevens over de gevolgen van de maatregel voor de mededinging, zodat de Commissie kan nagaan of haar beoordeling op dit punt na afloop van de langlopende contracten nog van kracht is (zie overweging 111).

(325)

De Commissie wijst voorts op de opmerking van Fluxys dat het wenselijk zou zijn op Unieniveau een aangepast model te implementeren om in te spelen op de marktontwikkelingen (zie overweging 212). Andere opslagexploitanten staan positief tegenover de in Frankrijk ingevoerde hervorming, maar zijn tegelijkertijd voorstander van een geharmoniseerde aanpak in de Unie (zie de overwegingen 224 en 229).

6.5.   Afweging van de positieve en negatieve effecten van de steun op de interne markt

(326)

Een staatssteunregeling moet ervoor zorgen dat de effecten ervan per saldo positief zijn door te voorkomen dat de voorwaarden van het handelsverkeer zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(327)

De Commissie wijst erop dat de steunregeling in het onderhavige geval dient ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van een economische activiteit, te weten aardgasopslag in Frankrijk. Zij merkt tevens op dat het reguleringsmechanisme bijdraagt tot de zekerheid van de aardgasvoorziening. Voorts zijn de gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer beperkt, omdat de steun geschikt, nodig en evenredig is. De Commissie concludeert dat, hoewel een effect op de mededinging tussen de Franse exploitanten van aardgasopslag en die van andere lidstaten niet kan worden uitgesloten, de negatieve gevolgen van de steun zo beperkt lijken te zijn dat de steunregeling per saldo positief zal blijven tot het huidige MEP in 2028 afloopt, mits er geen aanmerkelijke veranderingen optreden in de mededinging op de in overweging 110 genoemde aardgasmarkten (99).

(328)

In het licht van de bovenstaande argumenten concludeert de Commissie dat in ieder geval tot 2028 de positieve gevolgen van de steunmaatregelen voor de ontwikkeling van de betrokken economische activiteit zwaarder wegen dan de mogelijke negatieve gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer. Derhalve is er tot die tijd geen sprake van zodanige gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

7.   CONCLUSIES

(329)

De Commissie betreurt het dat Frankrijk de betrokken maatregel heeft uitgevoerd in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU. Desondanks is de Commissie van mening dat de maatregel in kwestie tot 31 december 2028, de einddatum van het huidige MEP, verenigbaar is met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De staatssteun die Frankrijk ten aanzien van exploitanten van aardgasopslag heeft uitgevoerd, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2021.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)   PB C 112 van 3.4.2020, blz. 39.

(2)  Er zijn twaalf opslaglocaties in bedrijf als die van Lussagnet en Izaute afzonderlijk worden beschouwd. Deze locaties zijn eigendom van Teréga en delen bepaalde technische installaties. Daarom worden ze soms als één infrastructuur gezien (bv. in het energieprogramma 2019-1928) en soms als twee afzonderlijke infrastructuren (bv. in het energieprogramma 2016-2023).

(3)  Decreet nr. 2014-328 van 12 maart 2014 tot wijziging van decreet nr. 2006-1034 van 21 augustus 2006 inzake de toegang tot ondergrondse aardgasopslag.

(4)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(5)  Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1).

(6)  Wet nr. 2017-1839 van 30 december 2017 tot beëindiging van het onderzoek naar en de exploitatie van koolwaterstoffen en houdende diverse bepalingen inzake energie en milieu.

(7)  Artikel L.421-3-1 van het energiewetboek.

(8)  Artikel L.421-3-1 van het energiewetboek.

(9)  Artikel L.421-5-1 van het energiewetboek.

(10)  Artikel L.452-1 van het energiewetboek.

(11)  De gegevens over de vaste capaciteit van H-gasinterconnectie zijn ontleend aan het Entsog-verslag Transmission Capacitity Map 2017.

(12)  Frankrijk heeft bijvoorbeeld de kosten voor de aanleg van de pijpleidingen Arc Lyonnais, Eridan en Perche voor het transport van gas van Noord- naar Zuid-Frankrijk op 1,6 miljard EUR geraamd.

(13)  De uitzendcapaciteit is als volgt over de vier terminals verdeeld: de terminal van Montoir heeft een uitzendcapaciteit van 400 GWh/d, de methaanterminal van Fos Cavaou heeft een capaciteit van 205 GWh/d, de methaanterminal van Fos Tonkin heeft een uitzendcapaciteit van 205 GWh/d, en de methaanterminal van Duinkerken heeft een uitzendcapaciteit van 520 GWh/d. Wanneer de interconnector van Duinkerken op volle capaciteit wordt gebruikt, is de injectiecapaciteit van de methaanterminal van Duinkerken voor het Franse aardgasnet beperkt tot 350 GWh/d vanwege een knelpunt in het transportsysteem.

(14)  MEP-decreet nr. 2020-456.

(15)  MEP-decreet nr. 2016-1442 van 27 oktober 2016.

(16)  Decreet nr. 2018-1248 van 26 december 2018 betreffende de gasopslaginfrastructuren die nodig zijn voor de voorzieningszekerheid.

(17)  Besluit nr. 2018-039 van 22 februari 2018 betreffende de regelingen voor het in de handel brengen van opslagcapaciteit in het kader van de invoering van de gereguleerde toegang van derden tot de ondergrondse aardgasopslag in Frankrijk.

(18)  Besluit nr. 2018-068 van de CRE van 22 maart 2018 betreffende het tarief voor het gebruik van infrastructuren voor ondergrondse aardgasopslag van Storengy, TIGF en Géométhane vanaf 2018.

(19)  Besluit nr. 2020-011 van de CRE van 23 januari 2020 betreffende het tarief voor het gebruik van infrastructuren voor ondergrondse aardgasopslag van Storengy, TIGF en Géométhane.

(20)  De CRE baseert deze vergelijking op het onderzoek “Methodologies and parameters used to determine the allowed or target revenue of gas transmission system operators (TSOs)”, dat door de Economic Consulting Associates (ECA) is uitgevoerd voor het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER).

(21)  Deze methode vloeit voort uit de financiële wijzigingswet van 28 december 2001, waarbij een bijzondere commissie (de commissie Houri) is ingesteld om de prijs te bepalen waarvoor aardgastransmissienetten door de staat worden overgedragen. Een vergelijkbare methode is ook gebruikt om de activa van de methaanterminals en de aardgasdistributie-exploitanten te waarderen.

(22)   “Kussengas” is het gas dat permanent in de ondergrondse reservoirs wordt geïnjecteerd en van essentieel belang is voor de goede werking van de opslag, omdat daarmee de opslagdruk steeds minimaal de waarde heeft die nodig is om het nuttige volume met het vereiste onttrekkingsprofiel te kunnen leveren (voornoemd Besluit nr. 2018-068 van de CRE).

(23)  In het bijzonder bevat het verslag van Compass Lexecon van 20 maart 2017 de aanbeveling de WACC tussen 4,2 en 5,8 % vast te stellen.

(24)  Besluit van de CRE van 26 januari 2012 tot certificering van GRTgaz; Besluit nr. 2019-135 van de CRE van 25 juni 2019 tot handhaving van de certificering van Teréga na drie deelnemingen van de Crédit Agricole-groep in energieproductiebedrijven.

(25)  Besluit van de CRE van 26 januari 2012 tot certificering van TIGF; besluit van de CRE van 4 februari 2016 tot handhaving van de certificering van TIGF na de participatie van Predica in het kapitaal van TIGF Holding.

(26)  Besluit van de CRE nr. 2018-69 van 22 maart 2018 tot invoering van een opslagcomponent in het tarief voor het gebruik van de transmissienetten van GRTgaz en TIGF.

(27)  Artikel L.445-3 van het energiewetboek: “De gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas worden bepaald op basis van de intrinsieke kenmerken van de leveringen en de daaraan verbonden kosten. Zij dekken het totaal van deze kosten […]”.

Artikel R.445-3 van het energiewetboek: “Voor elke leverancier wordt een tariefformule bepaald waarin alle kosten van de aardgasvoorziening zijn opgenomen. De tariefformule en de andere kosten maken het mogelijk de gemiddelde kostprijs voor de levering van aardgas te bepalen, op basis waarvan de gereguleerde tarieven voor de verkoop ervan worden vastgesteld afhankelijk van de voorwaarden voor het leveren van de dienst aan de betrokken afnemers.

Tot de andere kosten behoren met name: […] 2° de kosten van het gebruik van de aardgasopslag, in voorkomend geval.”

(28)  Voornoemd Besluit nr. 2018-069, blz. 7-8.

(29)  Voornoemd Besluit nr. 2018-069.

(30)  Voornoemd Besluit nr. 2018-069 van de CRE van 22 maart 2018.

(31)  Voornoemd Besluit nr. 2020-011 van de CRE van 23 januari 2020.

(32)  Voornoemd MEP-decreet nr. 2020-456 van 21 april 2020.

(33)  http://www.europe-en-france.gouv.fr/Centre-de-ressources/Aides-d-etat/Regimes-d-aides

(34)  Overeenkomstig artikel 14, lid 4, van Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG.

(35)  Volgens het op 31 december 2019 uitgebrachte CRE-verslag “Retail Market Observatory 4th quarter” 2019 wordt 66 % van de residentiële en niet-residentiële locaties tegen marktvoorwaarden voorzien, tegenover 34 % tegen gereguleerde verkooptarieven, en wordt in 91 % van het aardgasverbruik voorzien tegen marktvoorwaarden, en 9 % tegen gereguleerde verkooptarieven.

(36)  Overeenkomstig artikel 63 van wet nr. 2019-1147 van 8 november 2019 betreffende energie en klimaat.

(37)  Hoewel de handelsinkomsten tussen 2013 en 2017 laag waren, is het totale toegestane inkomen aanzienlijk lager dan de omzet die deze exploitanten in de jaren 2008-2012 hebben behaald, in een context van sterke spread.

(38)  Arresten van 7 november 2014, Banco Santander en Santusa/Commissie, T-399/11, ECLI:EU:T:2014:938, punt 75; 11 november 2004, Spanje/Commissie, C-73/03 ECLI:EU:C:2004:711, punt 28.

(39)  Met uitzondering van Dunkerque LNG, dat een vrijstelling geniet.

(40)  Overname van TIGF door een consortium bestaande uit GIC, Snam en EDF.

(41)  Verwerving van deelneming van de onderneming Prédica in het kapitaal van TIGF.

(42)  Overeenkomstig artikel L.443-4 van het energiewetboek.

(43)  Zie bv. Commissie, 14 november 2006, M. 4180 Gaz de France/Suez, punt 341.

(44)  Commissie, 29 september 1999, M. 1383 — Exxon/Mobil, punten 69 en 261; Commissie, 25 april 2003, M. 3086 — Gaz de France/Preussag Energie, punt 14; Commissie, 21 december 2005, M. 3696 EON/MOL, punt 99; Commissie, 19 november 2013, M. 6984 — EPH/Stredoslovenska Energetika, punt 24.

(45)  Commissie, 8 oktober 2004, M. 3410 Total/Gaz de France, punt 19.

(46)  Commissie, 21 december 2005, M. 3696 — E.ON/MOL, punt 130; Commissie, 19 november 2013, M. 6984 — EPH/Stredoslovenska Energetika, punt 24.

(47)  Gemiddelde voorraad van 4,2 TWh in de Franse terminals in de winter.

(48)  Tien tot vijftien dagen, afhankelijk van de oorsprong van het gas.

(49)  Prijzen van LNG wereldwijd op de verschillende Europese markten.

(50)  Verhandeld gedurende vier maanden.

(51)  Title Transfer Facility, waar het grootste deel van de overdracht plaatsvindt.

(52)  Van respectievelijk 88 % tot 99 % en van 54 % tot 97 %.

(53)   Rapport technico-économique établi consécutivement à l’ouverture par la Commission européenne d’une enquête concernant les conditions de régulation des stockages de gaz naturel en France, […] (Technisch-economisch verslag opgesteld na opening door de Europese Commissie van een onderzoek naar de voorwaarden van de regulering van aardgasopslag in Frankrijk, […]), 12 juni 2020.

(54)  Te weten een aankoopprijs van (130,6)/(98 % × 50 %).

(55)   Rapport technico-économique établi consécutivement à l’ouverture par la Commission européenne d’une enquête concernant les conditions de régulation des stockages de gaz naturel en France, […] (Technisch-economisch verslag opgesteld na opening door de Europese Commissie van een onderzoek naar de voorwaarden van de regulering van aardgasopslag in Frankrijk, […]), 12 juni 2020.

(56)  Bij AFIEG zijn Franse ondernemingen en dochterondernemingen van Europese elektriciteits- en gasexploitanten aangesloten: Alpiq Energie France, BKW France, Endesa, Fortum France, Gazprom Energy, Total Direct Energie, Gazel Energie, Vattenfall. Enovos en Primeo Energie zijn geassocieerde leden.

(57)  Besluit van 13 maart 2018 inzake de voorraden aardgas die minimaal nodig zijn om de voorzieningszekerheid te waarborgen in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 maart 2019.

(58)  AFG is de beroepsorganisatie van de Franse gasindustrie. De gewone leden zijn EDF, ENGIE, France Gas Liquides, Gazprom, GRDF, GRTgaz, Teréga, Total. Naast de gewone leden kent de unie buitengewone leden, partnerleden en sociëtaire leden.

(59)  ANODE vertegenwoordigt alternatieve energieleveranciers in Frankrijk. De leden van de vereniging zijn EkWateur, Enercoop, Energie d’ici, Eni Gas & Power France, Greenyellow, Gaz Européen, Planète OUI, Plüm Energie, Save, Total Direct Energie, Vattenfall en Wekiwi.

(60)  CREG is de regelgever voor elektriciteit en gas in België.

(61)  De locatie heeft een opslagcapaciteit van 780 miljoen kubieke meter (wat overeenkomt met 9 TWh).

(62)  […].

(63)  Bij EFET zijn ruim honderd energiehandelsbedrijven aangesloten, die in meer dan 28 Europese landen actief zijn.

(64)  Beheerder van methaanterminals.

(65)  Handelaar in de energiesector.

(66)  Gasopslagbeheerder in België.

(67)  Franse vakvereniging aangesloten bij het CGT (Algemeen Verbond van werknemers).

(68)  Beheerder van het gastransmissiesysteem.

(69)  Gasopslagbeheerder.

(70)  Onderzoek uitgevoerd voor Gas Infrastructure Europe (GIE): Gas Storage Market Failures, Pöyry, september 2017.

(71)  Onderzoek uitgevoerd voor Gas Infrastructure Europe (GIE): Measures for a sustainable gas storage market, FTI-CL Energy, oktober 2018.

(72)  Onderneming die actief is in de energiesector.

(73)  Gasopslagbeheerder.

(74)  Onderzoeken uitgevoerd voor Gas Infrastructure Europe (GIE): Gas Storage Market Failures, Pöyry, september 2017 en Value of the gas storage infrastructure for the electricity system, Artelys, oktober 2019.

(75)  Onderzoek uitgevoerd voor Gas Infrastructure Europe (GIE): Measures for a sustainable gas storage market, FTI-CL Energy, oktober 2018.

(76)  UPRIGAZ brengt bedrijven samen die actief zijn in de gehele gasketen of een deel daarvan: Dalkia France, Eni, ENGIE, Equinor, ENGIE Cofely, Naturgy, Total Energie Gaz, Teréga, Total Gaz Électricité Holdings France.

(77)  Arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C-482/99, ECLI:EU:C:2002:294, punt 24; 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE, C-677/11, ECLI:EU:C:2013:348, punt 27, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C-262/12, ECLI:EU:C:2013:851, punt 16.

(78)  Arrest van 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C-262/12, ECLI:EU:C:2013:851, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

(79)  Wet nr. 2017-1839 van 30 december 2017 tot beëindiging van het onderzoek naar en de exploitatie van koolwaterstoffen en houdende diverse bepalingen inzake energie en milieu.

(80)  MEP-decreet nr. 2020-456.

(81)  Arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C-482/99, ECLI:EU:C:2002:294, punt 36; 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE, C-677/11, ECLI:EU:C:2013:348, punt 34; 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C-405/16 P, ECLI:EU:C:2019:268, punt 55, en 20 september 2019, FVE Holýšov I e.a./Commissie, T-217/17, ECLI:EU:T:2019:633, punt 105.

(82)  Arresten van het Hof van Justitie van 2 juli 1974, Italië/Commissie, C-173/73, ECLI:EU:C:1974:71, punt 35; 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C-262/12, ECLI:EU:C:2013:851, punt 25; 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C-405/16 P, ECLI:EU:C:2019:268, punt 58, en 20 september 2019, FVE Holýšov I e.a./Commissie, T-217/17, ECLI:EU:T:2019:633, punt 107.

(83)  Arrest van 20 september 2019, FVE Holýšov I e.a./Commissie, T-217/17, ECLI:EU:T:2019:633, punt 126.

(84)  Arresten van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C-405/16 P, ECLI:EU:C:2019:268, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 september 2019, FVE Holýšov I e.a./Commissie, T-217/17, ECLI:EU:T:2019:633, punt 108.

(85)  Arrest van 13 september 2017, ENEA, C-329/15, ECLI:EU:C:2017:671, punt 30.

(86)  Arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C-706/17, ECLI:EU:C:2019:407, punt 66.

(87)  Arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord BV, C-206/06, ECLI:EU:C:2008:413.

(88)  Arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord BV, C-206/06, ECLI:EU:C:2008:413, punten 47 en 66.

(89)  Arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord BV, C-206/06, ECLI:EU:C:2008:413, punt 49.

(90)  Arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C-405/16 P, ECLI:EU:C:2019:268.

(91)  Besluit nr. 2018-022 van 7 februari 2018 over de ontwikkeling van het tarief voor het gebruik van de aardgastransmissienetten van GRTgaz en TIGF per 1 april 2018.

(92)  Arresten van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C-206/06, ECLI:EU:C:2008:413, punt 79; 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C-74/16, ECLI:EU:C:2017:496, punt 65, en 15 mei 2019, Achema e.a., C-706/17, ECLI:EU:C:2019:407, punt 74.

(93)  Arrest van 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, ECLI:EU:C:2015:9, punten 53-55, en arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, ECLI:EU:C:2016:981, punt 54.

(94)  Arresten van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, ECLI:EU:C:2015:151, punt 51; 18 mei 2017, Fondul Proprietatea, C-150/16, ECLI:EU:C:2017:388, punt 34, en 15 mei 2019, Achema e.a, C-706/17, ECLI:EU:C:2019:407, punt 94.

(95)  Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1).

(96)  Arrest van 22 september 2020 in zaak C-594/18 P, Oostenrijk/Commissie (Hinkley Point, eenheid C), ECLI:EU:C:2020:742, punt 19.

(97)  Zoals bevestigd in het recente arrest van het Hof van Justitie van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, ECLI:EU:C:2020:742.

(98)  ACER-verslag van 6 april 2020, The internal gas market in Europe: The role of transmission tariffs, punt 174.

(99)  Indien de Commissie van oordeel is dat een bestaande steunmaatregel niet of niet langer verenigbaar is met de interne markt, kan zij overgaan tot inleiding van de procedure van hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/163


BESLUIT (EU) 2022/445 VAN DE COMMISSIE

van 15 maart 2022

tot wijziging van de bijlage bij de Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra (1), en met name artikel 8, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Monetaire Overeenkomst tussen de Unie en het Vorstendom Andorra (“de overeenkomst”) is op 1 april 2012 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de overeenkomst moet Andorra handelingen van de Unie op het gebied van eurobankbiljetten en -munten, bancair en financieel recht, voorkoming van witwassen van geld, preventie van fraude met en vervalsing van contante en girale betaalmiddelen, medailles en penningen, en statistische rapportagevereisten ten uitvoer leggen. Die handelingen zijn vermeld in de bijlage bij de monetaire overeenkomst.

(3)

De bijlage moet jaarlijks door de Commissie worden gewijzigd teneinde met de nieuwe toepasselijke rechtshandelingen en regels van de Unie, alsmede met de wijzigingen van de bestaande rechtshandelingen en regels van de Unie rekening te houden.

(4)

Sommige rechtsbesluiten en -regels van de Unie zijn niet langer relevant en moeten daarom uit de bijlage worden geschrapt, terwijl andere relevante rechtsbesluiten en -regels van de Unie werden vastgesteld of gewijzigd en aan de bijlage moeten worden toegevoegd.

(5)

De bijlage bij de monetaire overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij de Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB C 369 van 17.12.2011, blz. 1.


BIJLAGE

“BIJLAGE

 

TOE TE PASSEN WETTELIJKE BEPALINGEN

UITERSTE TOEPASSINGSDATUM

 

Voorkoming van witwassen van geld

 

1

Besluit 2000/642/JBZ van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens (PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4)

 

2

Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven (PB L 182 van 5.7.2001, blz. 1)

 

3

Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49)

31 maart 2015 (1)

4

Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103)

 

5

Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39)

1 november 2016 (2)

6

Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1)

1 oktober 2017 (3)

7

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73)

1 oktober 2017 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

8

Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43)

31 december 2020 (6)

 

Aangevuld met:

 

9

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie van 14 juli 2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (PB L 254 van 20.9.2016, blz. 1)

1 december 2017 (5)

 

Gewijzigd bij:

 

10

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/105 van de Commissie van 27 oktober 2017 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 wat betreft de toevoeging van Ethiopië aan de lijst van derde landen met een hoog risico in de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 19 van 24.1.2018, blz. 1)

31 maart 2019 (6)

11

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/212 van de Commissie van 13 december 2017 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de toevoeging van Sri Lanka, Trinidad en Tobago en Tunesië aan de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 41 van 14.2.2018, blz. 4)

31 maart 2019 (6)

12

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1467 van de Commissie van 27 juli 2018 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de toevoeging van Pakistan aan de tabel onder punt I van de bijlage (PB L 246 van 2.10.2018, blz. 1)

31 december 2020 (7)

13

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/855 van de Commissie van 7 mei 2020 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de toevoeging van de Bahama’s, Barbados, Botswana, Cambodja, Ghana, Jamaica, Mauritius, Mongolië, Myanmar/Birma, Nicaragua, Panama en Zimbabwe aan de tabel in punt I van de bijlage, en de schrapping van Bosnië en Herzegovina, Ethiopië, Guyana, Laos, Sri Lanka en Tunesië uit die tabel (PB L 195 van 19.6.2020, blz. 1)

31 december 2022 (9)

14

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/37 van de Commissie van 7 december 2020 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de schrapping van Mongolië uit de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 14 van 18.1.2021, blz. 1)

31 december 2023 (9)

15

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/758 van de Commissie van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen (PB L 125 van 14.5.2019, blz. 4)

 

16

Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005 (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6)

31 december 2021 (7)

17

Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld, (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22)

31 december 2021 (7)

 

Preventie van fraude en vervalsing

 

18

Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 181 van 4.7.2001, blz. 6)

30 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

19

Verordening (EG) nr. 44/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 17 van 22.1.2009, blz. 1)

 

20

Besluit 2001/887/JBZ van de Raad van 6 december 2001 inzake de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 329 van 14.12.2001, blz. 1)

30 september 2013

21

Beschikking 2003/861/EG van de Raad van 8 december 2003 betreffende de analyse van valse euromunten en de samenwerking ter zake (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 44)

30 september 2013

22

Verordening (EG) nr. 2182/2004 van de Raad van 6 december 2004 betreffende op euromunten lijkende medailles en penningen (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 1)

30 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

23

Verordening (EG) nr. 46/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2182/2004 betreffende op euromunten lijkende medailles en penningen (PB L 17 van 22.1.2009, blz. 5)

 

24

Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad (PB L 151 van 21.5.2014, blz. 1)

30 juni 2016 (2)

25

Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 18)

31 december 2021 (7)

 

Regels betreffende eurobankbiljetten en -munten

 

 

Met uitzondering van artikel 1 bis, leden 2 en 3 en de artikelen 4 bis, 4 ter en 4 quater:

 

26

Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4)

30 september 2014 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

27

Verordening (EU) 2015/159 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 27 van 3.2.2015, blz. 1)

31 december 2020 (8)

28

Conclusies van de Raad van 10 mei 1999 betreffende het kwaliteitszorgsysteem voor de euromunten

31 maart 2013

29

Mededeling 2001/C 318/03 van de Commissie van 22 oktober 2001 over de auteursrechtelijke bescherming van het ontwerp van de gemeenschappelijke zijde van de euromuntstukken (COM(2001) 600 definitief) (PB C 318 van 13.11.2001, blz. 3)

31 maart 2013

30

Richtsnoer ECB/2003/5 van de Europese Centrale Bank van 20 maart 2003 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 78 van 25.3.2003, blz. 20)

31 maart 2013

 

Gewijzigd bij:

 

31

Richtsnoer ECB/2013/11 van de Europese Centrale Bank van 19 april 2013 houdende wijziging van Richtsnoer ECB/2003/5 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 118 van 30.4.2013, blz. 43)

30 september 2014 (1)

32

Richtsnoer (EU) 2020/2091 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2020 houdende wijziging van Richtsnoer ECB/2003/5 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2020/61) (PB L 423 van 15.12.2020, blz. 65)

30 september 2022 (9)

33

Besluit ECB/2010/14 van de Europese Centrale Bank van 16 september 2010 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (PB L 267 van 9.10.2010, blz. 1)

30 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

34

Besluit ECB/2012/19 van de Europese Centrale Bank van 7 september 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (PB L 253 van 20.9.2012, blz. 19)

30 september 2014 (1)

35

Besluit (EU) 2019/2195 van de Europese Centrale Bank van 5 december 2019 tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (ECB/2019/39) (PB L 330 van 20.12.2019, blz. 91)

31 december 2021 (8)

36

Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (PB L 339 van 22.12.2010, blz. 1)

31 maart 2013

37

Verordening (EU) nr. 1214/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende professioneel grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg tussen lidstaten van de eurozone (PB L 316 van 29.11.2011, blz. 1)

31 maart 2015 (1)

38

Verordening (EU) nr. 651/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de uitgifte van euromunten (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 135)

30 september 2014 (1)

39

Besluit ECB/2013/10 van de Europese Centrale Bank van 19 april 2013 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 118 van 30.4.2013, blz. 37)

30 september 2014 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

40

Besluit (EU) 2019/669 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2019 tot wijziging van Besluit ECB/2013/10 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 113 van 29.4.2019, blz. 6)

31 december 2020 (7)

41

Besluit (EU) 2020/2090 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2020 tot wijziging van Besluit ECB/2013/10 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2020/60) (PB L 423 van 15.12.2020, blz. 62)

30 september 2022 (9)

42

Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad van 24 juni 2014 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken (herschikking) (PB L 194 van 2.7.2014, blz. 1)

30 september 2014 (2)

 

Bancaire en financiële wetgeving

 

43

Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1)

31 maart 2016

 

Gewijzigd bij:

 

44

Richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (PB L 283 van 27.10.2001, blz. 28)

 

45

Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16)

 

46

Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1)

 

47

Richtlijn 89/117/EEG van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de verplichtingen inzake openbaarmaking van jaarstukken voor in een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen die hun hoofdkantoor buiten deze lidstaat hebben (PB L 44 van 16.2.1989, blz. 40)

31 maart 2018

48

Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22)

31 maart 2018

49

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45)

31 maart 2018

 

Gewijzigd bij:

 

50

Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 37)

 

51

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120)

 

52

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

30 september 2019

53

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

31 maart 2018, met uitzondering van artikel 3, lid 1: 1 februari 2023 en vanaf 1 februari 2025 (3)

54

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

31 december 2022 (8)

55

Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125 van 5.5.2001, blz. 15)

31 maart 2018

 

Gewijzigd bij:

 

56

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

 

57

Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43)

31 maart 2018

 

Gewijzigd bij:

 

58

Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 37)

 

59

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

31 maart 2018 (2)

60

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20-31 december 2025)  (9)

61

Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

31 maart 2018

 

Gewijzigd bij:

 

62

Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG en 93/6/EEG van de Raad en de Richtlijnen 94/19/EG, 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG en 2002/87/EG met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9)

 

63

Richtlijn 2008/25/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 11 maart 2008 tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat, wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft (PB L 81 van 20.3.2008, blz. 40)

 

64

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120)

 

65

Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat (PB L 326 van 8.12.2011, blz. 113)

 

66

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)

 

67

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

68

Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11)

31 maart 2018

 

Gewijzigd bij:

 

69

Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22)

 

70

Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7)

31 maart 2016

 

Gewijzigd bij:

 

71

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

30 september 2017 (3)

72

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35)

30 september 2018 (4)

73

Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12)

31 maart 2016

 

Gewijzigd bij:

 

74

Verordening (EU) nr. 1022/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 5)

 

75

Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34)

 

76

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

31 maart 2018 (2)

77

Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1)

 

78

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35)

30 september 2018 (4)

79

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

80

Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)

31 maart 2016

 

Gewijzigd bij:

 

81

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1)

 

82

Verordening (EU) nr. 258/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van een Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen voor de periode 2014-2020 en houdende intrekking van Besluit nr. 716/2009/EG (PB L 105 van 8.4.2014, blz. 1)

 

83

Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1)

 

84

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20-31 december 2025)  (9)

85

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2019 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

86

Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1)

 

87

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

 

88

Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84)

31 december 2020 (3)

89

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73)

 

90

Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)

30 september 2019 (4)

91

Verordening (EU) 2019/834 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (PB L 141 van 28.5.2019, blz. 42).

31 december 2021 (8)

92

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

93

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20-31 december 2025)  (9)

94

Verordening (EU) 2021/168 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft de vrijstelling van bepaalde benchmarks voor contante wisselkoersen van valuta’s van derde landen en de aanwijzing van vervangingen voor bepaalde benchmarks die worden stopgezet, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 6).

31 december 2023 (9)

95

Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2017 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

96

Verordening (EU) 2017/2395 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de overgangsregelingen ter beperking van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor het eigen vermogen en ter behandeling als grote risicoblootstellingen van blootstellingen met betrekking tot bepaalde overheidsinstanties welke in de nationale valuta van een lidstaat luiden (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 27)

30 juni 2019 (6)

97

Verordening (EU) 2017/2401 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 1).

31 maart 2020 (6)

98

Verordening (EU) 2019/630 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 4)

31 december 2020 (7)

99

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

100

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

101

Verordening (EU) 2020/873 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2020 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 575/2013 en (EU) 2019/876 wat betreft bepaalde aanpassingen in respons op de COVID-19-pandemie (PB L 204 van 26.6.2020, blz. 4)

31 december 2022 (met uitzondering van artikel 1, punt 4) —31 december 2023)  (9)

102

Verordening (EU) 2021/558 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft aanpassingen aan het securitisatiekader ter ondersteuning van het economisch herstel in respons op de COVID-19-crisis (PB L 116 van 6.4.2021, blz. 25)

31 december 2023 (met uitzondering van artikel 1, punten 2) en 4) — 31 december 2024)  (9)

103

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2017 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

104

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

31 maart 2018 (2)

105

Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).

31 december 2022 (8)

106

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

107

Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 14)

31 december 2023 (9)

108

Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

30 september 2018 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

109

Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1)

1 maart 2020 (6)

110

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

30 september 2018 (5)

111

Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149)

31 maart 2016 (2)

112

Richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 179)

30 september 2018 (4)

113

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

31 maart 2018 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

114

Richtlijn (EU) 2017/2399 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft de rang van ongedekte schuldinstrumenten in de insolventierangorde (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 96)

31 oktober 2019 (6)

115

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

31 december 2022 (8)

116

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

117

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20-31 december 2025)  (9)

118

Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

31 december 2020 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

119

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

31 december 2020 (4)

120

Richtlijn (EU) 2016/1034 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 8)

31 december 2021 (5)

121

Met uitzondering van artikel 64, lid 5:

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

122

Richtlijn (EU) 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PB L 334 van 27.12.2019, blz. 155)

31 december 2024 (8)

123

Richtlijn (EU) 2020/1504 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 347 van 20.10.2020, blz. 50)

31 december 2023 (9)

124

Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 14)

31 december 2023 (9)

125

Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

31 december 2020 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

126

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

31 december 2020 (5)

127

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

128

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20 — 31 december 2025)  (9)

129

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

31 december 2020 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

130

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

31 december 2020 (6)

131

Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)

30 september 2019 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

132

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1) tot en met 4), leden 6 en 7), leden 9) en 10), leden 12) en 13), en leden 16) tot en met 19), artikel 10, leden 1), 2) en 3), leden 8) tot en met 12), en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14), en artikel 20 — 31 december 2025)  (9)

133

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2018 (4)

134

Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1)

1 maart 2020 (6)

 

Gewijzigd bij:

 

135

Verordening (EU) 2019/2089 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 17).

31 december 2021 (8)

136

Verordening (EU) 2021/168 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft de vrijstelling van bepaalde benchmarks voor contante wisselkoersen van valuta’s van derde landen en de aanwijzing van vervangingen voor bepaalde benchmarks die worden stopgezet, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 6).

31 december 2023 (9)

 

Wetgeving betreffende de verzameling van statistische informatie  (*1)

 

137

Richtsnoer ECB/2013/24 van de Europese Centrale Bank van 25 juli 2013 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (PB L 2 van 7.1.2014, blz. 34)

31 maart 2016 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

138

Richtsnoer (EU) 2016/66 van de Europese Centrale Bank van 26 november 2015 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2015/40) (PB L 14 van 21.1.2016, blz. 36)

31 maart 2017 (4)

139

Richtsnoer (EU) 2020/1553 van de Europese Centrale Bank van 14 oktober 2020 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2020/51) (PB L 354 van 26.10.2020, blz. 24)

31 december 2022 (9)

140

Richtsnoer (EU) 2021/827 van de Europese Centrale Bank van 29 april 2021 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2021/20) (PB L 184 van 25.5.2021, blz. 4)

31 december 2022 (9)

141

Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/2) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 16) (9)

31 december 2022 (9)

142

Verordening (EU) nr. 1072/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (herschikking) (ECB/2013/34) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 51)

31 maart 2016 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

143

Verordening (EU) nr. 756/2014 van de Europese Centrale Bank van 8 juli 2014 ECB/2014/30 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1072/2013 (ECB/2013/34) met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (ECB/2014/30) (PB L 205 van 12.7.2014, blz. 14)

 

144

Verordening (EU) 2021/830 van de Europese Centrale Bank van 26 maart 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/11)

31 december 2022 (9)


(1)  Het Gemengd Comité van 2013 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(2)  Het Gemengd Comité van 2014 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(3)  Het Gemengd Comité van 2015 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(4)  Het Gemengd Comité van 2016 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(5)  Het Gemengd Comité van 2017 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(6)  Het Gemengd Comité van 2018 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(7)  Het Gemengd Comité van 2019 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(8)  Het Gemengd Comité van 2020 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(9)  Het Gemengd Comité van 2021 is, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 30 juni 2011 tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra, deze termijnen overeengekomen.

(*1)  Als overeengekomen in het kader van de template voor vereenvoudigde statistische rapportage.


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/180


BESLUIT (EU) 2022/446 VAN DE COMMISSIE

van 15 maart 2022

tot wijziging van de bijlage bij de Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino (1), en met name artikel 8, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Monetaire Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino (“de monetaire overeenkomst”) is op 1 september 2012 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de monetaire overeenkomst moet de Republiek San Marino rechtsbesluiten en -regels van de Unie op het gebied van eurobankbiljetten en -munten, bancair en financieel recht, voorkoming van witwassen van geld, preventie van fraude met en vervalsing van contante en girale betaalmiddelen, medailles en penningen, en statistische rapportagevereisten ten uitvoer leggen. Deze besluiten en regels zijn vermeld in de bijlage bij de monetaire overeenkomst.

(3)

De bijlage bij de monetaire overeenkomst dient eenmaal of, indien passend geacht, meermaals per jaar door de Commissie te worden gewijzigd teneinde met de nieuwe toepasselijke rechtsbesluiten en -regels van de Unie, alsook met de wijzigingen in de bestaande rechtsbesluiten en -regels van de Unie rekening te houden.

(4)

Sommige rechtsbesluiten en -regels van de Unie zijn niet langer relevant en moeten daarom uit de bijlage worden geschrapt, terwijl andere rechtsbesluiten en -regels van de Unie werden vastgesteld of gewijzigd en aan de bijlage moeten worden toegevoegd.

(5)

De bijlage bij de monetaire overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij de monetaire overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB C 121 van 26.4.2012, blz. 5.


BIJLAGE

“BIJLAGE

 

TOE TE PASSEN WETTELIJKE BEPALINGEN

UITERSTE TOEPASSINGSDATUM

 

Voorkoming van witwassen van geld

 

1

Besluit 2000/642/JBZ van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens (PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4)

1 september 2013

2

Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven (PB L 182 van 5.7.2001, blz. 1)

 

3

Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49)

1 oktober 2014 (1)

4

Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103)

 

5

Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39)

1 november 2016 (2)

6

Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1)

1 oktober 2017 (3)

7

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73)

1 oktober 2017 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

8

Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43)

31 december 2020 (6)

 

Aangevuld met:

 

9

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie van 14 juli 2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (PB L 254 van 20.9.2016, blz. 1)

1 oktober 2017 (5)

 

Gewijzigd bij:

 

10

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/105 van de Commissie van 27 oktober 2017 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 wat betreft de toevoeging van Ethiopië aan de lijst van derde landen met een hoog risico in de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 19 van 24.1.2018, blz. 1)

31 maart 2019 (6)

11

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/212 van de Commissie van 13 december 2017 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de toevoeging van Sri Lanka, Trinidad en Tobago en Tunesië aan de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 41 van 14.2.2018, blz. 4)

31 maart 2019 (6)

12

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1467 van de Commissie van 27 juli 2018 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de toevoeging van Pakistan aan de tabel onder punt I van de bijlage (PB L 246 van 2.10.2018, blz. 1)

31 december 2019 (7)

13

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/855 van de Commissie van 7 mei 2020 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de toevoeging van de Bahama’s, Barbados, Botswana, Cambodja, Ghana, Jamaica, Mauritius, Mongolië, Myanmar/Birma, Nicaragua, Panama en Zimbabwe aan de tabel in punt I van de bijlage, en de schrapping van Bosnië en Herzegovina, Ethiopië, Guyana, Laos, Sri Lanka en Tunesië uit die tabel (PB L 195 van 19.6.2020, blz. 1)

31 december 2022 (9)

14

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/37 van de Commissie van 7 december 2020 houdende wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot de schrapping van Mongolië uit de in punt I van de bijlage opgenomen tabel (PB L 14 van 18.1.2021, blz. 1)

31 december 2023 (9)

15

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/758 van de Commissie van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen (PB L 125 van 14.5.2019, blz. 4)

31 december 2020 (7)

16

Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005 (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6)

31 december 2021 (7)

17

Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld, (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22)

31 december 2021 (7)

 

Preventie van fraude en vervalsing

 

18

Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 181 van 4.7.2001, blz. 6)

1 september 2013

 

Gewijzigd bij:

19

Verordening (EG) nr. 44/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 17 van 22.1.2009, blz. 1)

20

Besluit 2001/887/JBZ van de Raad van 6 december 2001 inzake de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 329 van 14.12.2001, blz. 1)

1 september 2013

21

Beschikking 2003/861/EG van de Raad van 8 december 2003 betreffende de analyse van valse euromunten en de samenwerking ter zake (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 44)

1 september 2013

22

Verordening (EG) nr. 2182/2004 van de Raad van 6 december 2004 betreffende op euromunten lijkende medailles en penningen (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 1)

1 september 2013

 

Gewijzigd bij:

23

Verordening (EG) nr. 46/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2182/2004 betreffende op euromunten lijkende medailles en penningen (PB L 17 van 22.1.2009, blz. 5)

24

Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad (PB L 151 van 21.5.2014, blz. 1)

1 juli 2016 (2)

25

Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 18)

31 december 2021 (7)

 

Regels betreffende eurobankbiljetten en -munten

 

26

Met uitzondering van artikel 1 bis, leden 2 en 3, en de artikelen 4 bis, 4 ter en 4 quater:

Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4)

1 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

27

Verordening (EU) 2015/159 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 27 van 3.2.2015, blz. 1)

31 oktober 2021 (8)

28

Conclusies van de Raad van 10 mei 1999 betreffende het kwaliteitszorgsysteem voor de euromunten

1 september 2013

29

Mededeling 2001/C 318/03 van de Commissie van 22 oktober 2001 over de auteursrechtelijke bescherming van het ontwerp van de gemeenschappelijke zijde van de euromuntstukken (COM(2001) 600 definitief) (PB C 318 van 13.11.2001, blz. 3)

1 september 2013

30

Richtsnoer ECB/2003/5 van de Europese Centrale Bank van 20 maart 2003 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 78 van 25.3.2003, blz. 20)

1 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

31

Richtsnoer ECB/2013/11 van de Europese Centrale Bank van 19 april 2013 houdende wijziging van Richtsnoer ECB/2003/5 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 118 van 30.4.2013, blz. 43)

1 oktober 2013 (1)

32

Richtsnoer (EU) 2020/2091 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2020 houdende wijziging van Richtsnoer ECB/2003/5 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen tegen niet-conforme reproducties van eurobankbiljetten en betreffende de vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2020/61) (PB L 423 van 15.12.2020, blz. 65)

30 september 2022 (9)

33

Besluit ECB/2010/14 van de Europese Centrale Bank van 16 september 2010 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (PB L 267 van 9.10.2010, blz. 1)

1 september 2013

 

Gewijzigd bij:

 

34

Besluit ECB/2012/19 van de Europese Centrale Bank van 7 september 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (2012/507/EU) (PB L 253 van 20.9.2012, blz. 19)

1 oktober 2013 (1)

35

Besluit (EU) 2019/2195 van de Europese Centrale Bank van 5 december 2019 tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (ECB/2019/39) (PB L 330 van 20.12.2019, blz. 91)

31 december 2021 (8)

36

Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (PB L 339 van 22.12.2010, blz. 1)

1 september 2013

37

Verordening (EU) nr. 1214/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende professioneel grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg tussen lidstaten van de eurozone (PB L 316 van 29.11.2011, blz. 1)

1 oktober 2014 (1)

38

Verordening (EU) nr. 651/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de uitgifte van euromunten (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 135)

1 oktober 2013 (1)

39

Besluit ECB/2013/10 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2013/10) (PB L 118 van 30.4.2013, blz. 37) Gewijzigd bij:

1 oktober 2013 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

40

Besluit (EU) 2019/669 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2019 tot wijziging van Besluit ECB/2013/10 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (PB L 113 van 29.4.2019, blz. 6)

31 december 2020 (7)

41

Besluit (EU) 2020/2090 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2020 tot wijziging van Besluit ECB/2013/10 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2020/60) (PB L 423 van 15.12.2020, blz. 62)

30 september 2022 (9)

42

Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad van 24 juni 2014 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken (herschikking) (PB L 194 van 2.7.2014, blz. 1)

1 oktober 2013 (1)

 

Bancaire en financiële wetgeving

 

43

Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1)

1 september 2016

 

Gewijzigd bij:

 

44

Richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (PB L 283 van 27.10.2001, blz. 28)

 

45

Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16)

 

46

Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1)

 

47

Richtlijn 89/117/EEG van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de verplichtingen inzake openbaarmaking van jaarstukken voor in een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen die hun hoofdkantoor buiten deze lidstaat hebben (PB L 44 van 16.2.1989, blz. 40)

1 september 2018

48

Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22)

1 september 2018

49

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45)

1 september 2018

 

Gewijzigd bij:

50

Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 37)

51

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120)

52

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

30 september 2019 (3)

53

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

1 september 2018

54

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

31 december 2022 (8)

55

Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125 van 5.5.2001, blz. 15)

1 september 2018

 

Gewijzigd bij:

56

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

57

Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43)

1 september 2018

 

Gewijzigd bij:

58

Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 37)

59

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

1 september 2018 (2)

60

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 —31 december 2024, artikel 9, lid 14, en artikel 20 — 31 december 2025) (9)

61

Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

1 september 2018

 

Gewijzigd bij:

62

Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG en 93/6/EEG van de Raad en de Richtlijnen 94/19/EG, 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG en 2002/87/EG met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9)

63

Richtlijn 2008/25/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 11 maart 2008 tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat, wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft (PB L 81 van 20.3.2008, blz. 40)

64

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120)

65

Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat (PB L 326 van 8.12.2011, blz. 113)

66

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)

67

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

68

Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11)

1 september 2018

 

Gewijzigd bij:

 

69

Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22)

1 september 2018 (1)

70

Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7)

1 september 2016

 

Gewijzigd bij:

 

71

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)

1 september 2017 (3)

72

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35)

30 september 2018 (4)

73

Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12)

1 september 2016

 

Gewijzigd bij:

74

Verordening (EU) nr. 1022/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 5)

75

Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34)

76

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

1 september 2018 (3)

77

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35)

30 september 2018 (4)

78

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

79

Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)

1 september 2016

 

Gewijzigd bij:

80

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1)

81

Verordening (EU) nr. 258/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van een Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen voor de periode 2014-2020 en houdende intrekking van Besluit nr. 716/2009/EG (PB L 105 van 8.4.2014, blz. 1)

82

Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1)

83

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid 14, en artikel 20 — 31 december 2025) (9)

84

Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22)

1 april 2018 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

85

Verordening (EU) nr. 248/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 260/2012 betreffende de migratie naar Uniebrede overmakingen en automatische afschrijvingen (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 1)

 

86

Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2019 (3)

 

Gewijzigd bij:

87

Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1)

88

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

89

Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84)

31 december 2020 (3)

90

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73)

91

Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)

30 september 2019 (4)

92

Verordening (EU) 2019/834 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc-derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (PB L 141 van 28.5.2019, blz. 42).

31 december 2021 (8)

93

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

94

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid 14, en artikel 20 — 31 december 2025)  (9)

95

Verordening (EU) 2021/168 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft de vrijstelling van bepaalde benchmarks voor contante wisselkoersen van valuta’s van derde landen en de aanwijzing van vervangingen voor bepaalde benchmarks die worden stopgezet, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 6).

31 december 2023 (9)

96

Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

1 september 2017 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

97

Verordening (EU) 2017/2395 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de overgangsregelingen ter beperking van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor het eigen vermogen en ter behandeling als grote risicoblootstellingen van blootstellingen met betrekking tot bepaalde overheidsinstanties welke in de nationale valuta van een lidstaat luiden (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 27)

30 juni 2019 (6)

98

Verordening (EU) 2017/2401 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 1).

31 maart 2020 (6)

99

Verordening (EU) 2019/630 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft minimale verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 4)

31 december 2020 (7)

100

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

101

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

102

Verordening (EU) 2020/873 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2020 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 575/2013 en (EU) 2019/876 wat betreft bepaalde aanpassingen in respons op de COVID-19-pandemie (PB L 204 van 26.6.2020, blz. 4)

31 december 2022 (met uitzondering van artikel 1, punt 4 — 31 december 2023) (9)

103

Verordening (EU) 2021/558 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft aanpassingen aan het securitisatiekader ter ondersteuning van het economisch herstel in respons op de COVID-19-crisis (PB L 116 van 6.4.2021, blz. 25)

31 december 2023 (met uitzondering van artikel 1, punten 2) en 4) — 31 december 2024) (9)

104

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

1 september 2017 (1)

 

Gewijzigd bij:

 

105

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190)

1 september 2018 (3)

106

Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).

31 december 2022 (8)

107

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

108

Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 14)

31 december 2023 (9)

109

Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

30 september 2018 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

110

Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1)

1 maart 2020 (6)

111

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

30 september 2018 (5)

112

Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149)

1 september 2016 (2)

113

Richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 179)

30 september 2018 (4)

114

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

1 september 2018 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

115

Richtlijn (EU) 2017/2399 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft de rang van ongedekte schuldinstrumenten in de insolventierangorde (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 96)

31 oktober 2019 (6)

116

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

31 december 2022 (8)

117

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

118

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid 14, en artikel 20 — 31 december 2025) (9)

119

Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

31 december 2020 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

120

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

31 december 2020 (4)

121

Richtlijn (EU) 2016/1034 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 8)

31 december 2021 (5)

 

Met uitzondering van artikel 64, lid 5:

 

122

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

31 december 2023 (8)

123

Richtlijn (EU) 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PB L 334 van 27.12.2019, blz. 155)

31 december 2024 (8)

124

Richtlijn (EU) 2020/1504 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten (PB L 347 van 20.10.2020, blz. 50)

31 december 2023 (9)

125

Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 14)

31 december 2023 (9)

126

Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen.

31 december 2020 (3)

 

Gewijzigd bij:

 

127

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

31 december 2020 (5)

128

Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

31 december 2023 (8)

129

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid14, en artikel 20 — 31 december 2025) (9)

130

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1)

31 december 2020 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

131

Verordening (EU) 2016/1033 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik en Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (PB L 175 van 30.6.2016, blz. 1)

31 december 2020 (6)

132

Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1)

30 september 2019 (4)

 

Gewijzigd bij:

 

133

Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 22 van 22.1.2021, blz. 1).

31 december 2024 (met uitzondering van: artikel 95 — 31 december 2022, artikel 87, lid 2 — 31 december 2023, artikel 9, leden 1 tot en met 4, leden 6 en 7, leden 9 en 10, leden 12 en 13, en leden 16 tot en met 19, artikel 10, leden 1, 2 en 3, leden 8 tot en met 12, en artikel 11 — 31 december 2024, artikel 9, lid 14, en artikel 20 — 31 december 2025) (9)

134

Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35) en, in voorkomend geval, de desbetreffende niveau 2-maatregelen

30 september 2018 (4)

135

Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1)

1 maart 2020 (6)

 

Gewijzigd bij:

 

136

Verordening (EU) 2019/2089 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 17).

31 december 2021 (8)

137

Verordening (EU) 2021/168 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft de vrijstelling van bepaalde benchmarks voor contante wisselkoersen van valuta’s van derde landen en de aanwijzing van vervangingen voor bepaalde benchmarks die worden stopgezet, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 6).

31 december 2023 (9)

 

Wetgeving betreffende de verzameling van statistische informatie  (*1)

 

138

Richtsnoer ECB/2013/24 van de Europese Centrale Bank van 25 juli 2013 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (PB L 2 van 7.1.2014, blz. 34)

1 september 2016 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

139

Richtsnoer (EU) 2016/66 van de Europese Centrale Bank van 26 november 2015 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2015/40) (PB L 14 van 21.1.2016, blz. 36)

31 maart 2017 (4)

140

Richtsnoer (EU) 2020/1553 van de Europese Centrale Bank van 14 oktober 2020 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2020/51) (PB L 354 van 26.10.2020, blz. 24)

31 december 2022 (9)

141

Richtsnoer (EU) 2021/827 van de Europese Centrale Bank van 29 april 2021 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/24 betreffende de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot financiële kwartaalrekeningen (ECB/2021/20) (PB L 184 van 25.5.2021, blz. 4)

31 december 2022 (9)

142

Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/2) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 16)(9)

31 december 2022 (9)

143

Verordening (EU) nr. 1072/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (herschikking) (ECB/2013/34) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 51)

1 september 2016 (2)

 

Gewijzigd bij:

 

144

Verordening (EU) nr. 756/2014 van de Europese Centrale Bank van 8 juli 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1072/2013 (ECB/2013/34) met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (ECB/2014/30) (PB L 205 van 12.7.2014, blz. 14)

 

145

Verordening (EU) 2021/830 van de Europese Centrale Bank van 26 maart 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/11)

31 december 2022 (9)


(1)  Het Gemengd Comité van 2013 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(2)  Het Gemengd Comité van 2014 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(3)  Het Gemengd Comité van 2015 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(4)  Het Gemengd Comité van 2016 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(5)  Het Gemengd Comité van 2017 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(6)  Het Gemengd Comité van 2018 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(7)  Het Gemengd Comité van 2019 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(8)  Het Gemengd Comité van 2020 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(9)  Het Gemengd Comité van 2021 heeft overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Monetaire Overeenkomst van 27 maart 2012 tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino over die termijnen beslist.

(*1)  Als overeengekomen in het kader van de template voor vereenvoudigde statistische rapportage.


18.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/197


BESLUIT (EU) 2022/447 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 8 maart 2022

tot wijziging van Besluit 2011/15/EU betreffende de opening van rekeningen voor het verwerken van betalingen in verband met de EFSF-leningen aan lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2022/10)

DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 17 en artikel 21,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Europese Centrale Bank (ECB) aangehouden deposito’s zoals geregeld in Besluit 2011/15/EU van de Europese Centrale Bank (ECB/2010/31) (1), moeten worden vergoed overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, lid 1, van Besluit (EU) 2019/1743 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/31) (2) teneinde consistentie te verzekeren in de rentevergoeding van deposito’s in het Eurosysteem.

(2)

Derhalve moet Besluit 2011/15/EU (ECB/2010/31) dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging

Artikel 5 van Besluit 2011/15/EU (ECB/2010/31) wordt als volgt gewijzigd:

“Artikel 5

Vergoeding

De rentevergoeding op de kasrekening van de NCB wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 1, van Besluit (EU) 2019/1743 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/31) (*1).

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de vijfde dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 8 maart 2022.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)  Besluit 2011/15/EU van de Europese Centrale Bank van 20 december 2010 betreffende de opening van rekeningen voor het verwerken van betalingen in verband met de EFSF-leningen aan lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2010/31) (PB L 10 van 14.1.2011, blz. 7).

(2)  Besluit (EU) 2019/1743 van de Europese Centrale Bank van 15 oktober 2019 betreffende de rentevergoeding op aangehouden extra reserves en bepaalde deposito’s (ECB/2019/31) (PB L 267 van 21.10.2019, blz. 12).