ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 69

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
4 maart 2022


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2022/362 van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2022 tot wijziging van de Richtlijnen 1999/62/EG, 1999/37/EG en (EU) 2019/520 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan voertuigen

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/363 van de Commissie van 24 januari 2022 tot wijziging en rectificatie van bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 wat betreft de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde visserijproducten is toegestaan ( 1 )

40

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/364 van de Commissie van 3 maart 2022 tot wijziging van de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de gegevens voor Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de lijsten van derde landen waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan ( 1 )

45

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/365 van de Commissie van 3 maart 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1624 van de Commissie tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot procedures, standaardformulieren en templates voor de informatieverstrekking voor de opstelling en uitvoering van afwikkelingsplannen voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

60

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/366 van de Raad van 3 maart 2022 betreffende de gedeeltelijke opschorting van de toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

105

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/367 van de Commissie van 2 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 1200)  ( 1 )

107

 

*

Besluit (EU) 2022/368 van de Europese Centrale Bank van 18 februari 2022 tot wijziging van Besluit (EU) 2015/2218 betreffende de procedure tot vaststelling van de niet-toepasselijkheid op personeelsleden van het vermoeden van een materiële impact op het risicoprofiel van een onder toezicht staande kredietinstelling (ECB/2021/6)

117

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit Nr. 72/2020 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/369]

123

 

*

Besluit Nr. 73/2021 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/370]

125

 

*

Besluit Nr. 74/2021 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur [2022/371]

127

 

*

Besluit Nr. 75/2021 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/372]

129

 

*

Besluit Nr. 76/2021 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/373]

131

 

*

Besluit Nr. 77/2022 van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika van 8 februari 2022 tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/374]

133

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/1


RICHTLIJN (EU) 2022/362 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 februari 2022

tot wijziging van de Richtlijnen 1999/62/EG, 1999/37/EG en (EU) 2019/520 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan voertuigen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verwezenlijking van de doelstelling die door de Commissie in haar Witboek van 28 maart 2011, getiteld “Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem”, werd geformuleerd, namelijk de volledige toepassing van de beginselen “de vervuiler betaalt” en “de gebruiker betaalt” om inkomsten te genereren en de financiering van toekomstige vervoersinvesteringen te waarborgen, verloopt moeizaam en de toepassing van infrastructuurheffingen voor het wegverkeer in de Unie vertoont nog steeds een aantal inconsistenties.

(2)

In dat witboek pleit de Commissie voor “de volledige en verplichte internalisering van de externe kosten (waaronder geluidshinder, plaatselijke verontreiniging en congestie, bovenop de verplichte doorberekening van de slijtagekosten) voor het spoor- en wegvervoer”.

(3)

De verplaatsingen van goederen- en personenvoertuigen dragen bij aan de uitstoot van verontreinigende stoffen in de atmosfeer. Die verontreinigende stoffen, die zeer ernstige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid en tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in de Unie leiden, omvatten onder meer PM2,5, NO2 en O3. Volgens schattingen van het Europees Milieuagentschap uit 2020 was langdurige blootstelling aan die drie verontreinigende stoffen in 2018 verantwoordelijk voor respectievelijk 379 000, 54 000 en 19 400 vroegtijdige sterfgevallen in de Unie.

(4)

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie behoort alleen al het lawaai dat wordt veroorzaakt door het wegverkeer tot de schadelijkste milieugerelateerde stressfactoren in Europa, op de tweede plaats na luchtverontreiniging. Ten minste 9 000 vroegtijdige sterfgevallen per jaar kunnen worden toegeschreven aan hartaandoeningen ten gevolge van verkeerslawaai.

(5)

Volgens het verslag over de luchtkwaliteit in Europa van 2020 van het Europees Milieuagentschap was het wegvervoer in 2018 de sector met de grootste stikstofoxide-uitstoot (NOx) en de op een na grootste uitstoot van roetdeeltjes.

(6)

In haar mededeling van 20 juli 2016 met als titel “Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit” heeft de Commissie aangekondigd dat zij een voorstel zou doen tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), zodat heffingen ook naar koolstofdioxide (CO2) kunnen worden gedifferentieerd, en om een aantal beginselen van die richtlijn naar bussen en touringcars, evenals naar personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen, uit te breiden.

(7)

Gelet op de vervangingstijd van het wagenpark en op het feit dat de wegvervoersector moet bijdragen tot de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en daarna, zijn bij Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad (5) de CO2-emissiereductiedoelstellingen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen voor 2025 en 2030 vastgesteld op respectievelijk 15 % en 30 % onder de eerder vastgestelde gemiddelde CO2-emissies.

(8)

Een interne markt voor wegvervoer met een gelijk speelveld vereist de uniforme toepassing van regels. Een van de hoofddoelstellingen van deze richtlijn is het wegnemen van concurrentiedistorsie tussen gebruikers.

(9)

Niettegenstaande het belang van de wegvervoersector, hebben alle zware bedrijfsvoertuigen een aanzienlijke impact op de wegeninfrastructuur en veroorzaken zij luchtverontreiniging. Ondanks hun economisch en sociaal belang, zijn lichte voertuigen verantwoordelijk voor het grootste deel van de door het wegverkeer veroorzaakte schadelijke milieu- en sociale effecten waar het gaat om emissies en congestie. Met het oog op gelijke behandeling en eerlijke concurrentie moet Richtlijn 1999/62/EG ook van toepassing worden op voertuigen waarop die richtlijn, wat tolgelden en gebruiksrechten betreft, nog niet van toepassing was. De werkingssfeer van die richtlijn moet daarom worden uitgebreid tot andere zware bedrijfsvoertuigen dan voertuigen voor goederenvervoer en tot lichte voertuigen, personenauto’s inbegrepen.

(10)

Om te voorkomen dat het verkeer zich verplaatst naar tolvrije wegen, met mogelijk verregaande gevolgen voor de verkeersveiligheid en voor de optimale benutting van het wegennet, moeten de lidstaten tol kunnen heffen op alle trajecten van hun autosnelwegennet.

(11)

Om te zorgen voor een consistente en geharmoniseerde toepassing van de regeling voor infrastructuurheffingen in de hele Unie en een gelijk speelveld op de markt voor goederenvervoer, is het belangrijk dat kosten in verschillende tolregelingen op eenzelfde manier worden berekend. Rekening houdend met het feit dat bestaande concessieovereenkomsten andere regelingen kunnen bevatten dan die waarin deze richtlijn voorziet, moet het de lidstaten worden toegestaan, met het oog op het waarborgen van de financiële levensvatbaarheid van bestaande concessieovereenkomsten, om die vrij te stellen van bepaalde in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen, totdat die overeenkomsten ingrijpend worden gewijzigd. De lidstaten kunnen er ook voor kiezen bestaande concessieovereenkomsten in overeenstemming te brengen met wijzigingen in het regelgevingskader van de Unie of de lidstaten, of de mogelijkheid te onderzoeken om een externekostenheffing toe te passen voor CO2 en voor luchtverontreiniging en/of kortingen in verband met die emissies, wanneer de concessietolgelden niet worden gedifferentieerd overeenkomstig deze richtlijn.

(12)

Tijdsgebonden gebruiksrechten zijn per definitie geen getrouwe afspiegeling van de reële kosten van het gebruik van het wegennet en zijn, om dezelfde reden, geen effectief instrument om schoner en efficiënter vervoer te stimuleren of congestie terug te dringen. Opdat toekomstige tolregelingen nog draagvlak zouden hebben bij de gebruikers, moeten de lidstaten, als onderdeel van een breder pakket van mobiliteitsdiensten, evenwel de mogelijkheid krijgen adequate regelingen voor de inning van tolgelden op te zetten. Dergelijke regelingen moeten ervoor zorgen dat de infrastructuurkosten eerlijk verdeeld worden en moeten voldoen aan het beginsel “de vervuiler betaalt”. lidstaten die een dergelijke regeling invoeren, moeten ervoor zorgen dat het conform is met Richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad (6). Gezien hun aanzienlijke impact op de weginfrastructuur en hun bijdrage aan luchtverontreiniging, moeten nauwkeurige heffingsregelingen voor zware bedrijfsvoertuigen prioriteit krijgen. Met name om schonere en efficiëntere vervoersactiviteiten te bevorderen, moeten tijdsgebonden gebruiksrechten in beginsel geleidelijk worden afgeschaft op het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer, aangezien dat vervoerskernnetwerk de strategisch belangrijkste knooppunten en verbindingen van het trans-Europees vervoersnetwerk bevat.

In het licht van de historische omstandigheden en rekening houdend met de uitdagingen en aanzienlijke administratieve lasten die de invoering van tolgelden met zich meebrengen, moeten de lidstaten kunnen beschikken over een voldoende lange overgangsperiode tijdens welke zij tijdsgebonden gebruiksrechten moeten kunnen invoeren of handhaven. Na die overgangsperiode moeten de lidstaten alleen in behoorlijk gemotiveerde gevallen volledig tijdsgebonden gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen kunnen toepassen op gedeelten van hun trans-Europees kernnetwerk voor vervoer. Zulke behoorlijk gemotiveerde gevallen moeten worden beperkt tot gevallen waarin tolheffing op zware bedrijfsvoertuigen ertoe zou leiden dat de administratieve, investerings- en exploitatiekosten niet meer in verhouding staan tot de verwachte inkomsten of gegenereerde baten, bijvoorbeeld omdat de betrokken trajecten relatief kort of de bevolkingsdichtheid of het verkeer relatief laag zijn, ofwel indien tolheffing ertoe zou leiden dat de verkeersstromen zich verleggen met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid of de volksgezondheid. Die mogelijkheid voor de lidstaten in behoorlijk gemotiveerde gevallen is noodzakelijk om zwaarwegende redenen van algemeen belang, zoals het in aanmerking nemen van de moeilijke situatie en het isolement van gebieden met een lage bevolkingsdichtheid, geringe verkeersveiligheid of slechte volksgezondheid. Bovendien moeten bij de toepassing van tijdsgebonden gebruiksrechten in die behoorlijk gemotiveerde gevallen de procedurele vereisten worden nageleefd: een verplichting te evalueren of een dergelijke regeling noodzakelijk is en een verplichting de Commissie in kennis te stellen van de toepassing ervan. In een dergelijke kennisgeving moeten de specifieke omstandigheden worden vermeld betreffende de segmenten van het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer waar tijdsgebonden gebruiksrechten worden toegepast.

(13)

Lidstaten die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn tol heffen op hun trans-Europees kernnetwerk voor vervoer of een deel daarvan, moeten een gecombineerde heffingsregeling voor alle zware bedrijfsvoertuigen of voor sommige typen zware bedrijfsvoertuigen kunnen invoeren. Die optie mag echter alleen mogelijk zijn als voortzetting van en in aanvulling op een tolregeling op het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer waar de strategisch belangrijkste knooppunten en verbindingen van het trans-Europees vervoersnetwerk zich bevinden, of op een deel daarvan. Met die regeling zouden de lidstaten de beginselen “de gebruiker betaalt” en “de vervuiler betaalt” ook buiten het tolnetwerk kunnen toepassen, door gebruiksrechten te innen op de segmenten van het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer waar geen tol geheven wordt of op bepaalde soorten zware bedrijfsvoertuigen, zoals voertuigen van een specifieke tonnage waarvoor geen tol moet worden betaald. Dankzij de gecombineerde heffingsregeling zouden de lidstaten dan verdere vooruitgang kunnen boeken en tot een groener wegvervoer kunnen komen, met name wanneer er geen heffingsregeling is en wanneer tolgelden economisch niet haalbaar of sociaal niet aanvaardbaar zijn. Geheel in lijn met het streven naar duurzame mobiliteit, moet het maximumbedrag van die gebruiksrechten bovendien variëren op basis van de euro-emissieklasse en de CO2-emissieklasse van het voertuig. Het voorgaande indachtig, zou de toepassing van een dergelijke regeling die zowel op tijd als afstand gebaseerd is, onmiskenbaar veel voordelen opleveren. Daarom moet ze ook na het einde van de overgangsperiode kunnen worden toegepast voor volledig tijdsgebonden regelingen. Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn moeten de lidstaten, wanneer ze een wegenheffing aan zware vrachtvoertuigen opleggen, aan alle zware vrachtvoertuigen tol of gebruiksrechten opleggen.

(14)

Bij het aanscherpen van de beginselen “de gebruiker betaalt” en “ de vervuiler betaalt" moeten bepaalde kenmerken van de lidstaten of van hun regelingen voor tolheffing en gebruiksrechten in aanmerking worden genomen. Bijvoorbeeld moet met betrekking tot bijzonder dunbevolkte gebieden of daar waar er een bijzonder groot net van tolwegen of wegen met heffingen is, op bepaalde trajecten tolvrijstelling kunnen worden verleend.

(15)

Sommige lidstaten hebben grote netwerken van tolwegen met heel wat snelwegen en andere wegen die geen deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk. Het heffen van tolgelden of gebruiksrechten op alle zware vrachtvoertuigen zou dan leiden tot aanzienlijk hogere lasten, met name voor kleine en middelgrote ambachtelijke bedrijven (waarvan er vele bij bouwwerkzaamheden betrokken zijn, en die doorgaans geen transportdiensten verlenen). Die lasten zouden op hun beurt tot hogere prijzen leiden, bijvoorbeeld in de bouw. Prijsstijgingen zouden kunnen betekenen dat met name toekomstige investeringen, zoals in energierenovatie van huizen en appartementen en in modernisering van huistechnologie, worden uitgesteld of zelfs geschrapt. Bovendien leggen de voertuigen van ambachtelijke bedrijven soms lange afstanden af om hun diensten te verlenen, en die ritten zijn niet gemakkelijk door middel van andere vervoerswijzen af te leggen. Daar komt bij dat ondernemingen in plattelandsgebieden, die vanwege de lage bevolkingsdichtheid en de geringe vraag in die gebieden afhankelijk zijn van hun vermogen om diensten te verlenen en bouwactiviteiten te verrichten in stedelijke gebieden, een concurrentienadeel hebben ten opzichte van ondernemingen in grote steden of aan de rand van grootstedelijke gebieden. Daarom moet de lidstaten de mogelijkheid hebben bepaalde vrijstellingen te verlenen, zoals voor voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van materialen, uitrusting of machines die door de bestuurder worden gebruikt tijdens diens werkzaamheden of die worden gebruikt voor de levering van ambachtelijk geproduceerde goederen.

(16)

De mogelijkheid om wegen waarvoor een heffing geldt, bijvoorbeeld snelwegen, tunnels of bruggen, te gebruiken in plaats van moeilijk berijdbare lokale wegen kan belangrijk zijn voor personen met een handicap. Om hen in staat te stellen zonder verdere administratieve lasten gebruik te maken van wegen waarvoor een heffing geldt, moeten de lidstaten voertuigen van personen met een handicap kunnen vrijstellen van de verplichting tolgelden of gebruiksrechten te betalen.

(17)

De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord om bij het introduceren van wegeninfrastructuurheffingen voor personenauto’s rekening te houden met sociaal-economische factoren. Heffingen op personenauto’s kunnen bijvoorbeeld worden aangepast om frequente gebruikers niet al te zeer te benadelen.

(18)

Het is van bijzonder belang dat de lidstaten een eerlijke heffingsregeling vaststellen, met name één die niet nadelig uitpakt voor gebruikers van particuliere voertuigen die op het platteland of in een moeilijk bereikbaar of afgelegen gebied wonen en daarom genoodzaakt zijn vaker gebruik te maken van tolwegen.

(19)

Net als voor zware bedrijfsvoertuigen het geval is, is het ook voor lichte voertuigen belangrijk dat de lidstaten er bij een eventuele invoering van tijdsgebonden heffingen voor zorgen dat die proportioneel zijn, ook met betrekking tot perioden van minder dan één jaar. In dat verband moet er rekening mee worden gehouden dat het gebruikspatroon van lichte voertuigen en zware bedrijfsvoertuigen verschilt. Proportionele tijdsgebonden heffingen zouden kunnen worden berekend op basis van beschikbare gegevens over reispatronen.

(20)

Op grond van Richtlijn 1999/62/EG mag een externekostenheffing worden ingevoerd die zo goed mogelijk overeenstemt met de marginale maatschappelijke kost van het gebruik van het betrokken voertuig. Die methode blijkt de eerlijkste en efficiëntste manier te zijn om de negatieve milieu- en gezondheidseffecten van door zware bedrijfsvoertuigen veroorzaakte luchtvervuiling en geluidsoverlast mee te wegen, en zou ervoor zorgen dat zware bedrijfsvoertuigen een eerlijke bijdrage leveren bij het halen van de luchtkwaliteitsnormen voor Europa, zoals vastgesteld bij Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en geldende geluidsnormen of streefwaarden. De toepassing van dergelijke heffingen moet dan ook worden vergemakkelijkt. Externekostenheffingen moeten systematischer worden toegepast. Met het oog op de evolutie naar de onverkorte toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de lidstaten de externekostenheffing ook laten gelden voor zware bedrijfsvoertuigen, ten minste voor luchtvervuiling, op netwerken waarvoor een infrastructuurheffing geldt.

(21)

Daartoe moet de maximale gewogen gemiddelde externekostenheffing worden vervangen door eenvoudig toepasbare referentiewaarden die worden aangepast aan de inflatie, de wetenschappelijke vooruitgang bij het ramen van de externe kosten van het wegvervoer en de ontwikkelingen inzake de samenstelling van het wagenpark.

(22)

Het differentiëren van infrastructuurheffingen op basis van de euro-emissieklasse heeft het gebruik van schonere voertuigen bevorderd. Gelet op de vernieuwing van het wagenpark, wordt echter verwacht dat de differentiatie van heffingen op basis van de euro-emissieklasse voor het gebruik van het interstedelijk wegennet op middellange termijn minder resultaat zal opleveren. De lidstaten moeten derhalve differentiatie van toltarieven op basis daarvan kunnen stopzetten.

(23)

Tegelijkertijd moet, gelet op het toenemende aandeel van CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen, een differentiatie van infrastructuurheffingen en gebruiksrechten op basis van CO2-emissieklasse ingevoerd worden, die een aanzet kan zijn om op dat vlak vooruitgang te boeken. In het geval van gemeenschappelijke regelingen van gebruiksrechten, die kunnen bijdragen tot verdere harmonisatie, is differentiatie ingewikkelder, met name gezien de voorwaarden waaraan dergelijke regelingen moeten voldoen. Aangezien de deelnemende lidstaten moeten instemmen met de verdeling van de inkomsten uit de gebruiksrechten, waarbij de hoogte ervan wordt beperkt bij de bepalingen die door deze richtlijn worden ingevoerd, en internationale overeenkomsten gewijzigd moeten worden, is het in een dergelijk specifiek geval goed om meer tijd uit te trekken voor het implementeren van de differentiatie op basis van CO2-emissies. De differentiatie moet in alle gevallen in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2019/1242.

(24)

Tot CO2-emissies aangepakt worden met meer geschikte instrumenten, zoals geharmoniseerde brandstofbelastingen (met inbegrip van een koolstofcomponent), of tot het wegvervoer onder een emissiehandelssysteem valt, moeten de lidstaten een externekostenheffing kunnen toepassen die overeenkomt met de kosten van CO2-emissies. Als daarvoor wetenschappelijke onderbouwing is, moeten de lidstaten hogere externekostenheffingen voor CO2-emissies kunnen toepassen dan de in deze richtlijn opgenomen referentiewaarden.

(25)

Als stimulans om tot een schoner wagenpark van zware bedrijfsvoertuigen te komen, moet voor die voertuigen de differentiatie van de infrastructuurheffingen en gebruiksrechten op basis van hun CO2-emissies verplicht worden, tenzij er een externekostenheffing voor CO2-emissies wordt toegepast.

(26)

Om de best presterende zware bedrijfsvoertuigen te belonen, moeten de lidstaten het hoogste niveau van verlaging van de heffingen mogen toepassen op voertuigen zonder uitlaatemissies. Om het gebruik van emissievrije voertuigen verder te bevorderen, moeten de lidstaten die tijdelijk kunnen vrijstellen van wegenheffingen. Om dezelfde redenen en om het aandeel voertuigen waarvoor tolvermindering geldt, in de loop der jaren stabiel te houden — waardoor de lidstaten hun tolinkomsten op de lange termijn kunnen plannen — moeten nieuwe voertuigen in CO2-emissieklassen worden ingedeeld op basis van hun prestaties afgezet tegen het lineair emissiereductietraject voor de periode van 2021 tot en met 2030, als omschreven in Verordening (EU) 2019/1242.

(27)

Met het oog op de effectiviteit en samenhang van de differentiatie van heffingen op basis van CO2-emissies en van externekostenheffingen voor CO2-emissies, beide bedoeld als aanzet voor de uitrol van emissiearme en emissievrije voertuigen, en om ervoor te zorgen dat Richtlijn 1999/62/EG en eventuele andere toekomstige instrumenten voor koolstofheffingen voor wegvervoer op onderling coherente manier worden toegepast, moet de Commissie tijdig nagaan of ze doelmatig en noodzakelijk zijn. Op basis van die evaluatie moet de Commissie, waar passend, voorstellen om bepalingen inzake differentiatie van heffingen op basis van CO2-emissies en van externekostenheffingen voor CO2-emissies zo te wijzigen dat dubbele heffingen via verschillende instrumenten voor koolstofheffingen worden voorkomen. Hoewel de toekomstige maatregel de rechtszekerheid en de coherente toepassing van de verschillende regels moet waarborgen, moet deze richtlijn verduidelijken dat de lidstaten niet meer verplicht mogen worden om het in deze richtlijn neergelegde CO2-differentiatiesysteem toe te passen na de datum van toepassing van een ander op het wegvervoer toepasselijk instrument voor koolstofheffingen dat misschien op Unieniveau wordt vastgesteld, bijvoorbeeld op basis van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, Besluit (EU) 2015/1814 en Verordening (EU) 2015/757 [2021/0211(COD)]. Indien inmiddels een ander instrument voor koolstofheffingen voor het wegvervoer is vastgesteld, moet de hoogte van de externekostenheffingen voor CO2-emissies worden beperkt tot wat nodig is om die externe kosten te internaliseren, en moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de in bijlage III quater vastgestelde referentiewaarden bij gedelegeerde handeling aan te passen.

(28)

Mede met het oog op het bewaren van het automobielerfgoed van de Unie, moeten de lidstaten voertuigen van historisch belang in een speciale categorie kunnen onderbrengen om de verschillende heffingen die krachtens deze richtlijn moeten worden betaald te kunnen aanpassen.

(29)

Momenteel legt Verordening (EU) 2019/1242 geen emissiereductietrajecten vast voor groepen zware bedrijfsvoertuigen die niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van die verordening vallen. In het licht van artikel 15 van die verordening is het mogelijk dat die verordening in de toekomst wordt gewijzigd en dat voor dergelijke groepen voertuigen emissiereductietrajecten worden vastgesteld. Indien een dergelijke wijziging wordt vastgesteld, moet de differentiatie van infrastructuurheffingen en gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen op basis van CO2-emissieklassen 2 en 3 ook op die groepen voertuigen van toepassing zijn. Indien een dergelijke wijziging niet wordt vastgesteld, moet de differentiatie voor die groepen voertuigen uitsluitend op de CO2-emissieklassen 1, 4 en 5 van toepassing zijn.

(30)

De Commissie moet overwegen zo nodig een wijziging van de Richtlijn 1999/62/EG voor te stellen waarbij de CO2-emissieklassen 2 en 3 worden ingevoerd voor alle zware bedrijfsvoertuigen, overeenkomstig de beginselen die gelden voor zware bedrijfsvoertuigen die momenteel wat betreft hun CO2-emissies onder Verordening (EU) 2019/1242 vallen, indien het toepassingsgebied van die verordening wordt uitgebreid tot andere zware bedrijfsvoertuigen.

(31)

Deze richtlijn moet de vermindering van de CO2-emissies door middel van technische verbeteringen aan combinaties van zware vrachtvoertuigen en hun aanhangwagens en opleggers bevorderen. Daarom voorziet deze richtlijn in een verlaging van de wegenheffingen voor zware vrachtvoertuigen met lage CO2-emissies. Ten behoeve van de samenhang in de regelgeving moet de Commissie, indien nodig en zodra de wettelijk gecertificeerde waarden voor het effect van aanhangwagens en opleggers op de CO2-emissies van combinaties van zware vrachtvoertuigen beschikbaar zijn, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG indienen, teneinde met dergelijke gecertificeerde waarden rekening te houden bij het bepalen van de verlaging van de wegenheffingen waarin deze richtlijn voorziet.

(32)

Om de vernieuwing van het wagenpark te blijven bevorderen en om de tweedehandsmarkt van zware bedrijfsvoertuigen niet te verstoren, moet de indeling van voertuigen van CO2-emissieklassen 2 en 3 om de zes jaar na de datum van hun eerste registratie opnieuw worden beoordeeld. Om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, moeten gebruiksrechten die vóór de datum van herindeling geldig waren, geldig blijven.

(33)

Wat de inwerkingtreding van de herindeling in de regelingen voor gebruiksrechten betreft, wordt de keuze van een geschikt model bepaald door specifieke overwegingen inzake administratieve gevolgen van die herindeling en de gevolgen ervan voor de inkomsten. Daarom moet de beslissing over de wijze waarop de herindeling in de regelingen voor gebruiksrechten moet worden uitgevoerd, worden overgelaten aan de lidstaten (of, in het geval van gemeenschappelijke regelingen, aan de groep van betrokken lidstaten).

(34)

Om te zorgen voor de coherente toepassing van differentiatie van toltarieven op basis van CO2-emissies, is een wijziging van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad (8) nodig om te vereisen dat de specifieke CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen op hun kentekenbewijs worden vermeld indien het conformiteitscertificaat die gegevens bevat. Indien Verordening (EU) 2019/1242 wordt gewijzigd op een manier die gevolgen heeft voor de berekening van CO2-emissies die verband houden met het gebruik van koolstofarme brandstoffen, is het wellicht goed dat de Commissie nagaat of de samenhang tussen deze richtlijn en die wijzigingen moet worden verbeterd. Het is belangrijk dat ervoor gezorgd wordt dat boordapparatuur die als onderdeel van een tolheffingsdienst wordt gebruikt, de gegevens betreffende CO2-emissies en CO2-emissieklassen van zware bedrijfsvoertuigen bevat, en dat dergelijke gegevens beschikbaar zijn voor de uitwisseling van informatie tussen lidstaten, als omschreven in Richtlijn (EU) 2019/520.

(35)

Lichte voertuigen veroorzaken twee derde van de schadelijke milieu- en gezondheidseffecten van het wegvervoer. Daarom is het belangrijk het gebruik van de schoonste en meest brandstofefficiënte voertuigen te bevorderen middels differentiatie van wegenheffingen op basis van hun specifieke CO2-emissies en hun emissies van verontreinigende stoffen als bepaald overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (9) en in verband met Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (10). Om het gebruik van de schoonste en meest efficiënte voertuigen te bevorderen, moeten de lidstaten voor dergelijke voertuigen veel lagere tolgelden en gebruiksrechten kunnen heffen. De lidstaten moeten de verbeterde milieuprestaties van het voertuig dat aangepast is om op alternatieve brandstoffen te rijden, in aanmerking kunnen nemen. Daarbij moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om brandstoffen, geproduceerd met grondstoffen met een hoog risico op indirecte veranderingen in landgebruik (indirect land-use change, ILUC) waarvoor een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met hoge koolstofvoorraden waar te nemen valt, uit te sluiten. Gebruikers moeten via een vast abonnement of een andere door de exploitant van het tolsysteem erkende regeling gedifferentieerde tolgelden of gebruiksrechten kunnen genieten die afhangen van de verbeterde milieuprestaties van het aangepaste voertuig.

(36)

Om te voorkomen dat het extra gewicht als gevolg van de emissievrije technologie een handicap is voor de ontwikkeling en het gebruik van emissievrije lichte voertuigen, moeten de lidstaten verlaagde tarieven of vrijstellingen kunnen toepassen met betrekking tot dergelijke voertuigen.

(37)

De kosten van verkeerscongestie, waartoe alle motorvoertuigen in verschillende mate bijdragen, bedragen ongeveer 1 % van het bbp. Een groot deel van die kosten wordt veroorzaakt door congestie op interlokale wegen. Specifieke congestieheffingen moeten dan ook worden toegestaan, op voorwaarde dat die gelden voor zowel zware als lichte voertuigcategorieën. Omdat ze verkeerscongestie kunnen helpen terugdringen, kunnen collectieve vervoermiddelen, namelijk minibussen, bussen en touringcars, door de lidstaten van zo'n congestieheffing vrijgesteld worden. Om effectief en proportioneel te zijn, moeten zulke heffingen worden berekend op basis van de marginale congestiekosten en worden gedifferentieerd op basis van plaats, tijdstip en voertuigcategorie.

(38)

De wegenheffingen kunnen middelen genereren voor de financiering van het onderhoud en de ontwikkeling van hoogwaardige vervoersinfrastructuur. Daarom is het passend van de lidstaten te vereisen dat ze adequaat rapporteren over de besteding van die inkomsten. Dat moet met name helpen om mogelijke financieringstekorten in kaart te brengen en om meer publiek draagvlak voor tolheffingen te krijgen. Met het oog op de transparantie is het wenselijk dat de lidstaten aan weggebruikers bepaalde informatie over de op hun grondgebied geheven tolgelden en gebruiksrechten bekendmaken, zoals informatie over de besteding van door de toepassing van Richtlijn 1999/62/EG gegenereerde inkomsten, over de differentiatie van infrastructuurheffingen, over externekostenheffingen en over de totale inkomsten uit congestieheffingen per voertuigcategorie.

(39)

De congestieheffingen moeten een proportionele afspiegeling zijn van de werkelijke kosten die een voertuig veroorzaakt, direct voor andere weggebruikers en indirect voor de samenleving als geheel. Om te voorkomen dat zij het vrij verkeer van personen en goederen al te veel hinderen, moeten congestieheffingen beperkt worden tot specifieke bedragen die de marginale maatschappelijke congestiekosten weerspiegelen wanneer de maximumcapaciteit bijna bereikt is, namelijk wanneer het wegennet verzadigd raakt. Om dezelfde reden mag een congestieheffing, om congestie tegen te gaan, niet worden gecombineerd met een infrastructuurheffing die wordt gedifferentieerd volgens het tijdstip van de dag, het type dag of het seizoen. Om ervoor te zorgen dat congestieheffingen zo veel mogelijk positief effect hebben, moeten de inkomsten ervan dienen voor projecten die de oorzaken van de congestie aanpakken.

(40)

Rekening houdend met het feit dat bestaande concessieovereenkomsten andere regelingen kunnen bevatten dan die waarin deze richtlijn voorziet, en om hun financiële levensvatbaarheid te waarborgen, is het zinvol te eisen dat bestaande concessieovereenkomsten pas aan de verplichting de infrastructuurheffing te differentiëren moeten voldoen nadat zij ingrijpend zijn gewijzigd.

(41)

Toeslagen op de infrastructuurheffingen kunnen eveneens nuttig zijn voor het oplossen van problemen die voortvloeien uit de aanzienlijke milieuschade of congestie die door het gebruik van bepaalde wegen wordt veroorzaakt, en niet alleen in bergachtige gebieden. De huidige regel, die het gebruik van dergelijke toeslagen tot bergachtige gebieden beperkt, moet daarom worden opgeheven. Indien twee of meer lidstaten in dezelfde corridor hogere toeslagen heffen, moet er rekening mee worden gehouden dat die toeslagen negatieve economische gevolgen kunnen hebben voor andere lidstaten die dezelfde corridor gebruiken. Daarnaast mogen geen toeslagen worden geheven op trajecten waar reeds een congestieheffing geldt, om te voorkomen dat gebruikers tweemaal moeten betalen. Daartoe moeten aan de Commissie, om negatieve effecten op de economische ontwikkeling van perifere regio’s te voorkomen en om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend teneinde de door de lidstaat voorgelegde plannen om een toeslag aan te rekenen op de infrastructuurheffingen voor specifieke trajecten waar geregeld congestie optreedt, of waarvan het gebruik door voertuigen aanzienlijke milieuschade veroorzaakt, af te wijzen dan wel om wijziging ervan te verzoeken. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(42)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend teneinde uitvoeringshandelingen vast te stellen om de referentiewaarden van de CO2-emissies te bepalen voor subgroepen zware bedrijfsvoertuigen die niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) 2019/1242 vallen. De Commissie moet de gegevens met betrekking tot dergelijke subgroepen voertuigen, bekendgemaakt in het in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad (12) bedoelde verslag, overnemen. Gelet op de beperkte aard van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, hoeft er vóór de vaststelling van de uitvoeringshandelingen niet te worden voorzien in controle door een uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaand comité.

(43)

Indien een lidstaat een wegenheffingsregeling invoert, kan de toekenning van compensaties in bepaalde gevallen leiden tot discriminatie van buitenlandse weggebruikers. De mogelijkheid om compensatie te verlenen moet derhalve worden beperkt tot tolgelden en mag niet langer worden toegestaan voor gebruiksrechten.

(44)

Teneinde potentiële synergie tussen de bestaande wegenheffingsregelingen te benutten, en om de werkingskosten te drukken, moet de Commissie volop worden betrokken bij de samenwerking tussen lidstaten die gezamenlijke wegenheffingsregelingen wensen in te voeren.

(45)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van installaties voor de energie of brandstofvoorziening van emissiearme en emissievrije voertuigen te financieren teneinde de elektrificatie van wegen te bevorderen. Met name wanneer een lidstaat voornemens is die elektrische installaties niet uit de middelen voor wegeninfrastructuur te financieren, mag deze richtlijn die lidstaat niet beletten gebruiksrechten voor die installaties te heffen.

(46)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk ervoor te zorgen dat nationale heffingen op voertuigen voor het gebruik van bepaalde infrastructuur worden toegepast binnen een samenhangend kader dat in de gehele Unie een gelijke behandeling waarborgt, niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege het grensoverschrijdende karakter van het wegvervoer en van de problemen die met deze richtlijn worden aangepakt, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(47)

Externekostenheffingen moeten een zo getrouw mogelijke afspiegeling blijven van de kosten die zware bedrijfsvoertuigen veroorzaken op het gebied van luchtverontreiniging, geluidshinder en klimaatverandering, zonder dat het heffingenstelsel daardoor overdreven ingewikkeld wordt, zodat het gebruik van de meest brandstofefficiënte voertuigen wordt bevorderd, de stimulansen resultaat blijven opleveren en de differentiatie van de wegenheffingen actueel blijft.

(48)

Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen om de referentiewaarden voor externekostenheffingen in de bijlagen III ter en III quater bij Richtlijn 1999/62/EG aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(49)

De Richtlijnen 1999/62/EG, 1999/37/EG en (EU) 2019/520 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 1999/62/EG

Richtlijn 1999/62/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen”.

2)

De artikelen 1 en 2 worden vervangen door:

“Artikel 1

1.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

belastingen op zware vrachtvoertuigen;

b)

tolgelden en gebruiksrechten op voertuigen.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op voertuigen die uitsluitend worden gebruikt op de niet-Europese grondgebieden van de lidstaten.

3.   De richtlijn is evenmin van toepassing op voertuigen die zijn ingeschreven op de Canarische Eilanden, in Ceuta en Melilla en op de Azoren en Madeira, en uitsluitend vervoer verrichten binnen die grondgebieden of tussen die grondgebieden en het vasteland van Spanje, respectievelijk Portugal.

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

“trans-Europees wegennet”: de infrastructuur voor het wegvervoer als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*), als aangeduid op de kaarten in bijlage I bij die verordening;

2)

“trans-Europees kernnetwerk voor vervoer”: de overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013 geïdentificeerde vervoersinfrastructuur;

3)

“aanlegkosten”: de kosten in verband met de aanleg, inclusief, waar passend, de financieringskosten, van:

a)

nieuwe infrastructuurvoorzieningen of nieuwe infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties);

b)

infrastructuur of infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties) die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór 10 juni 2008, indien de tolregelingen reeds waren ingesteld op 10 juni 2008, of die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór de vaststelling van nieuwe tolregelingen die na 10 juni 2008 zijn ingevoerd, of

c)

infrastructuur of infrastructuurverbeteringen die voltooid waren vóór de in punt b) bedoelde termijnen, indien:

i)

een lidstaat een tolsysteem heeft ingesteld dat voorziet in het terugbetalen van die kosten door middel van een overeenkomst met een exploitant van een tolsysteem of andere rechtshandelingen van gelijke werking die van kracht zijn geworden vóór 10 juni 2008, of

ii)

een lidstaat kan aantonen dat de aanleg van de betrokken infrastructuur slechts gerechtvaardigd was als de geplande levensduur meer dan 30 jaar bedraagt;

4)

“financieringskosten”: rente over leningen en rendement op eventueel door aandeelhouders beschikbaar gesteld aandelenkapitaal;

5)

“significante structurele reparaties”: structurele reparaties, met uitzondering van reparaties die tegenwoordig geen nut meer hebben voor de weggebruiker, met name indien verdere vernieuwing van het wegdek of andere aanlegwerkzaamheden in de plaats zijn gekomen van het reparatiewerk;

6)

“autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die:

a)

behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;

b)

geen andere weg, spoorweg of trambaan, fietspad of voetpad gelijkvloers kruist, en

c)

specifiek als autosnelweg is aanduid;

7)

“tolgeld”: een vastgesteld bedrag dat betaald moet worden met betrekking tot een voertuig en dat gebaseerd is op de afstand die een bepaald type voertuig op een infrastructuurvoorziening heeft afgelegd, waarvan de betaling het recht geeft om met dat voertuig de infrastructuurvoorziening te gebruiken, en dat bestaat uit een of meer van de volgende heffingen:

a)

een infrastructuurheffing,

b)

een congestieheffing, of

c)

een externekostenheffing;

8)

“infrastructuurheffing”: een heffing ter dekking van door een lidstaat gemaakte aanleg-, onderhouds-, exploitatie- en ontwikkelingskosten in verband met de infrastructuur;

9)

“externekostenheffing”: een heffing ter dekking van de kosten in verband met een of meer van de volgende heffingen:

a)

door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging;

b)

door het verkeer veroorzaakte geluidshinder, of

c)

door het verkeer veroorzaakte CO2-emissies;

10)

“kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging”: de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en aan het milieu die wordt veroorzaakt door de uitstoot, tijdens het gebruik van een voertuig, van fijn stof en van ozonprecursoren zoals NOx en vluchtige organische stoffen;

11)

“kosten van door het verkeer veroorzaakte geluidhinder”: de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en aan het milieu die wordt veroorzaakt door de geluidhinder voortgebracht door voertuigen of door het contact van voertuigen met het wegdek;

12)

“kosten van door het verkeer veroorzaakte CO2-emissies”: de kosten van de schade die wordt veroorzaakt door het vrijkomen van CO2 tijdens het gebruik van een voertuig;

13)

“congestie”: een situatie waarin het verkeersvolume in de buurt komt van of hoger is dan de wegcapaciteit;

14)

“congestieheffing”: een heffing op voertuigen ter dekking van de in een lidstaat veroorzaakte congestiekosten en tot terugdringing van de verkeerscongestie;

15)

“gewogen gemiddelde infrastructuurheffing”: de totale inkomsten van een infrastructuurheffing over een bepaalde periode, gedeeld door het aantal kilometers dat zware bedrijfsvoertuigen in die periode op de aan die heffing onderworpen trajecten hebben afgelegd;

16)

“gebruiksrecht”: een vastgesteld bedrag waarvan de betaling recht geeft om gedurende een bepaalde tijd met een voertuig gebruik te maken van de in artikel 7, leden 1 en 2, bedoelde infrastructuurvoorzieningen;

17)

“voertuig”: een motorvoertuig met minstens vier wielen of een samenstel van gelede voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg;

18)

“zwaar bedrijfsvoertuig”: een voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 3,5 ton;

19)

“zwaar vrachtvoertuig”: een zwaar bedrijfsvoertuig voor goederenvervoer;

20)

“touringcar” en “bus”: een zwaar bedrijfsvoertuig voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

21)

“licht voertuig”: een voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 3,5 ton;

22)

“personenauto”: een licht voertuig voor het vervoer van niet meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

23)

“voertuig van historisch belang”: een voertuig van historisch belang in de zin van artikel 3, punt 7, van Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad (**);

24)

“minibus”: een licht voertuig voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

25)

“kampeerauto”: een voertuig uitgerust met een leefruimte die een tafel en zitplaatsen (die al dan niet kunnen worden omgevormd tot slaapplaatsen), eventueel afzonderlijke slaapplaatsen, en kook- en opslagfaciliteiten omvat;

26)

“licht bedrijfsvoertuig”: een licht voertuig voor goederenvervoer;

27)

“bestelwagen”: een licht voertuig als gedefinieerd in punt 4.2 van deel C van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (***);

28)

“CO2-emissies” van een zwaar bedrijfsvoertuig: de specifieke CO2-emissies die zijn vermeld in punt 2.3 van het klanteninformatiedossier van het voertuig in de zin van deel II van bijlage IV bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie (****);

29)

“emissievrij voertuig”:

a)

een “emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig” in de zin van artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad (*****), of

b)

een personenauto, minibus of licht bedrijfsvoertuig zonder interne verbrandingsmotor;

30)

“emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig”:

a)

een “emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig” in de zin van artikel 3, punt 12, van Verordening (EU) 2019/1242, of

b)

een zwaar bedrijfsvoertuig dat niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van die verordening valt en waarvan de CO2-emissies minder dan 50 % bedragen van de referentiewaarden van CO2-emissies van de groep voertuigen waartoe dat voertuig behoort, en dat geen emissievrij voertuig is;

31)

“vervoerder”: een onderneming die goederen of passagiers vervoert over de weg;

32)

“voertuig van emissieklasse Euro 0, Euro I, Euro II, Euro III, Euro IV, Euro V, EEV, Euro VI”: een zwaar bedrijfsvoertuig dat voldoet aan de emissiegrenswaarden in bijlage 0;

33)

“type zwaar bedrijfsvoertuig”: een categorie waartoe een zwaar bedrijfsvoertuig behoort op basis van het aantal assen, de afmetingen of de massa van het voertuig, of op basis van een voertuigindeling volgens aan de weg toegebrachte schade, zoals het in bijlage IV opgenomen indelingssysteem op basis van de aan het wegdek toegebrachte schade, mits het indelingssysteem gebaseerd is op voertuigkenmerken die voorkomen in de voertuigdocumenten die in alle lidstaten worden gebruikt, of die duidelijk zichtbaar zijn;

34)

“subgroep voertuigen”: een “subgroep voertuigen” in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2019/1242;

35)

“groep voertuigen”: een groep voertuigen die is opgenomen in tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2017/2400;

36)

“rapporteringsperiode van jaar Y”: een “rapporteringsperiode van jaar Y” in de zin van artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2019/1242;

37)

“emissiereductietraject” voor de rapporteringsperiode van jaar Y en subgroep voertuigen (sg), namelijk ETY,sg: het product van de jaarlijkse CO2-emissiereductiefactor (R-ETY) maal de referentiewaarden van CO2-emissies (rCO2sg) van de subgroep (sg), namelijk ETY,sg = R-ETY × rCO2sg; voor de jaren Y ≤ 2030 zijn R-ETY en rCO2sg allebei bepaald in punt 5.1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1242; voor de jaren Y> 2030 is R-ETY gelijk aan 0,70; rCO2sg is van toepassing zoals aangepast door middel van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1242 voor de rapporteringsperioden vanaf de respectieve datums van toepassing van die gedelegeerde handelingen;

38)

“referentiewaarden van CO2-emissies van een groep voertuigen”:

a)

wat voertuigen betreft die onder Verordening (EU) 2019/1242 vallen, het volgens de formule in punt 3 van bijlage I bij die verordening berekende bedrag;

b)

wat voertuigen betreft die niet onder Verordening (EU) 2019/1242 vallen, het gemiddelde van alle CO2-emissies van voertuigen in die groep voertuigen, dat overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad (******) voor de eerste rapporteringsperiode is gerapporteerd; die periode begint na de datum waarop de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van voertuigen van die groep voertuigen, die niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/2400, verboden is overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/2400;

39)

“concessieovereenkomst”: een “concessie voor werken” of een “concessie voor diensten” in de zin van artikel 5, punt 1, a) of b), van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (*******);

40)

“concessietolgeld”: tolgeld geheven door een concessiehouder krachtens een concessieovereenkomst;

41)

“ingrijpend gewijzigde tol- of heffingsregeling”: een tol- of heffingsregeling waarbij de inkomsten door tariefwijziging naar verwachting zullen stijgen met meer dan 10 % ten opzichte van het voorgaande boekjaar, exclusief het effect van een verkeerstoename en na inflatiecorrectie, gemeten aan de hand van veranderingen in het EU-brede geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), met uitzondering van energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door de Commissie (Eurostat).

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt 2:

a)

mag het percentage van de aanlegkosten dat in aanmerking wordt genomen, in geen geval groter zijn dan het percentage van de huidige geplande levensduur van de infrastructuurcomponenten dat nog moest ingaan op 10 juni 2008 of, indien dat later is, op de invoeringsdatum van de nieuwe tolregelingen;

b)

kunnen infrastructuurkosten of infrastructuurverbeteringen ook specifieke uitgaven omvatten voor infrastructuurvoorzieningen om geluidshinder te beperken, innovatieve technologieën toe te passen of de verkeersveiligheid te verbeteren, alsook daadwerkelijk door de exploitant van de infrastructuur gemaakte kosten, op basis van objectieve milieuaspecten zoals bescherming tegen bodemverontreiniging.

3.   Onverminderd artikel 7 quinquies bis, lid 3, kunnen de lidstaten een kampeerauto ofwel als een touringcar of bus, ofwel als een personenauto behandelen.

(*)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1)."

(**)  Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51)."

(***)  Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1)."

(****)  Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1)."

(*****)  Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 202)."

(******)  Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ((PB L 173 van 9.7.2018, blz. 1)."

(*******)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).”."

3)

De artikelen 7 en 7 bis worden vervangen door:

“Artikel 7

1.   Onverminderd artikel 9, lid 1 bis, kunnen de lidstaten tolgelden en gebruiksrechten handhaven of invoeren op het trans-Europees wegennet of op bepaalde delen daarvan, en op andere trajecten van hun autosnelwegennet die geen deel uitmaken van het trans-Europees wegennet, mits aan de in de leden 4 tot en met 14 van dit artikel en aan de in de artikelen 7 bis tot en met 7 duodecies gestelde voorwaarden is voldaan.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om met inachtneming van het VWEU tolgelden en gebruiksrechten toe te passen op andere wegen, mits het invoeren van tolgelden en gebruiksrechten op dergelijke andere wegen geen discriminerende werking heeft jegens het internationaal verkeer en niet tot concurrentievervalsing tussen vervoerders leidt. Tolgelden en gebruiksrechten die worden toegepast op andere wegen dan snelwegen en dan wegen die deel uitmaken van het trans-Europees wegennet voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 4 en 5 van dit artikel, in artikel 7 bis en in artikel 7 undecies, leden 1, 2 en 4.

3.   Onverminderd andere bepalingen van deze richtlijn kunnen tolgelden en gebruiksrechten voor verschillende voertuigcategorieën, zoals zware bedrijfsvoertuigen, zware vrachtvoertuigen, touringcars en bussen, lichte voertuigen, lichte bedrijfsvoertuigen, minibussen en personenauto’s, onafhankelijk van elkaar worden ingevoerd of gehandhaafd. Wanneer de lidstaten echter “personenauto’s in rekening brengen, brengen zij ook lichte bedrijfsvoertuigen in rekening.

4.   Voor het gebruik van een en hetzelfde traject leggen de lidstaten niet zowel tolgelden als gebruiksrechten op aan een voertuigcategorie. Een lidstaat die voor het gebruik van zijn wegennet een gebruiksrecht oplegt, mag echter ook tolgelden heffen voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen.

De lidstaten kunnen ertoe besluiten artikel 7 quater bis, lid 3, artikel 7 octies bis, lid 1, en artikel 7 octies ter, lid 2, niet toe te passen op tolgelden voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen, indien aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de toepassing van artikel 7 quater bis, lid 3, artikel 7 octies bis, lid 1, en artikel 7 octies ter, lid 2, maakt het technisch niet werkbaar om in het betrokken tolsysteem een dergelijke differentiatie aan te brengen;

b)

de toepassing van artikel 7 quater bis, lid 3, artikel 7 octies bis, lid 1, en artikel 7 octies ter, lid 2, zou ertoe leiden dat de meest vervuilende voertuigen omrijden, met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid en de volksgezondheid.

Een lidstaat die besluit om overeenkomstig de tweede alinea van dit lid, artikel 7 quater bis, lid 3, artikel 7 octies bis, lid 1, en artikel 7 octies ter, lid 2, niet toe te passen, stelt de Commissie in kennis van dat besluit.

5.   Bij het heffen van tolgelden en gebruiksrechten wordt geen onderscheid gemaakt, direct of indirect, op grond van

a)

de nationaliteit van de weggebruiker;

b)

de lidstaat of het derde land waar de vervoerder gevestigd is;

c)

de lidstaat of het derde land waar het voertuig geregistreerd is;

d)

de herkomst of de bestemming van het vervoer.

6.   De lidstaten kunnen in verlaagde tolgelden of gebruiksrechten voorzien op bepaalde trajecten, of bepaalde trajecten volledig vrijstellen van wegenheffingen, met name daar waar de verkeersdrukte gering is in dunbevolkte gebieden.

7.   In het geval van wegeninfrastructuur die onder concessieovereenkomsten valt en indien de overeenkomst werd ondertekend vóór 24 maart 2022 of indien in het kader van een procedure voor overheidsopdrachten, de inschrijvingen of antwoorden op uitnodigingen om te onderhandelen op grond van een procedure van gunning door onderhandelingen zijn ontvangen vóór 24 maart 2022, kunnen de lidstaten ervoor kiezen artikel 7 quater bis, lid 3, artikel 7 octies, leden 1 en 2, artikel 7 octies bis en artikel 7 octies ter niet toe te passen op tolgelden en gebruiksrechten op die wegeninfrastructuur totdat de overeenkomst wordt verlengd of de tol- of heffingsregeling ingrijpend wordt gewijzigd.

8.   Lid 7 geldt ook voor overeenkomsten op lange termijn tussen een openbare en een particuliere entiteit die werden ondertekend vóór 24 maart 2022 voor de uitvoering van werken en/of het beheer van andere diensten dan de uitvoering van werkzaamheden die niet de overdracht van het vraagrisico omvatten.

9.   De lidstaten kunnen voorzien in verlaagde tolgelden of gebruiksrechten, dan wel in vrijstellingen van de verplichting tolgeld of gebruiksrechten te betalen, voor:

a)

zware bedrijfsvoertuigen die zijn vrijgesteld van de verplichting om een controleapparaat te installeren en te gebruiken krachtens Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*);

b)

zware vrachtvoertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 3,5 ton en minder dan 7,5 ton die worden gebruikt voor het vervoer van materiaal, uitrusting of machines die zijn bestemd voor gebruik door de bestuurder tijdens diens werk, of voor het afleveren van ambachtelijk vervaardigde goederen, als het vervoer niet voor rekening van derden wordt verricht;

c)

elk voertuig dat onder de voorwaarden van artikel 6, lid 2, punten a) en b), valt of gebruikt wordt door dan wel eigendom is van een persoon met een handicap, en

d)

emissievrije voertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand tot 4,25 ton.

10.   Vanaf 25 maart 2030 passen de lidstaten geen gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen toe op het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer.

11.   In afwijking van lid 10 kunnen de lidstaten gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen heffen op gedeelten van het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer, maar alleen in behoorlijk gemotiveerde gevallen waarin tolheffing:

a)

ertoe zou leiden dat de administratieve, investerings- en exploitatiekosten niet meer in verhouding staan tot de verwachte inkomsten of baten van een dergelijke tolheffing, bijvoorbeeld omdat de betrokken trajecten relatief kort of de bevolkingsdichtheid of het verkeersvolume relatief laag zijn, of

b)

zou leiden tot een omleiding van het verkeer met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid of de volksgezondheid.

Alvorens die gebruiksrechten toe te passen, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van dergelijk voornemen. Die kennisgeving bevat de redenen voor de toepassing, in het licht van de eerste alinea, van de gebruiksrechten op basis van objectieve criteria en duidelijke informatie over de voertuigen en trajecten waarop de gebruiksrechten betrekking hebben.

De lidstaten kunnen één enkele kennisgeving indienen voor meerdere trajecten die onder de vrijstellingen vallen, mits de motivering voor elk traject is opgenomen.

12.   Wanneer lidstaten overeenkomstig artikel 8 een gemeenschappelijke regeling voor gebruiksrechten toepassen, passen die lidstaten de gemeenschappelijke regeling aan, of heffen zij die op, uiterlijk op 25 maart 2032.

13.   Met betrekking tot zware vrachtvoertuigen kan een lidstaat er tot en met 25 maart 2027 voor kiezen tolgelden en gebruiksrechten uitsluitend toe te passen op zware vrachtvoertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van ten minste 12 ton, indien die lidstaat van oordeel is dat het heffen van tolgelden of gebruiksrechten op zware vrachtvoertuigen van minder dan 12 ton:

a)

als gevolg van omrijden via alternatieve routes grote negatieve gevolgen zou hebben op de doorstroming van het verkeer, op het milieu, op geluidsniveaus, op congestie, op de volksgezondheid of op de verkeersveiligheid;

b)

administratieve kosten zou meebrengen die meer bedragen dan 15 % van de door die uitbreiding gegenereerde extra inkomsten, of

c)

betrekking zou hebben op een categorie voertuigen die niet meer dan 10 % van de in rekening te brengen infrastructuurkosten veroorzaakt.

Lidstaten die ervoor kiezen tolgelden en/of gebruiksrechten alleen toe te passen op zware vrachtvoertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van ten minste 12 ton, stellen de Commissie in kennis van hun besluit, met opgave van redenen.

14.   Indien tolgelden op alle zware bedrijfsvoertuigen worden toegepast, kunnen de lidstaten ervoor kiezen een ander percentage van de kosten door te rekenen aan touringcars, bussen en kampeerauto’s enerzijds en aan zware vrachtvoertuigen anderzijds.

15.   Uiterlijk op 25 maart 2027 beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van deze richtlijn met betrekking tot het in rekening brengen van lichte voertuigen.

Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de heffingsregelingen voor lichte voertuigen wat betreft het soort heffingen dat op verschillende voertuigcategorieën wordt toegepast, de omvang van het bestreken netwerk, de proportionaliteit van de prijsstelling en andere relevante elementen.

Op basis van die beoordeling doet de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn.

Artikel 7 bis

1.   Gebruiksrechten zijn evenredig met de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuurvoorzieningen.

2.   Indien op zware bedrijfsvoertuigen gebruiksrechten worden toegepast, zijn de infrastructuurvoorzieningen ten minste de volgende perioden beschikbaar: een dag, een week, een maand en een jaar. Het maandtarief, het weektarief en het dagtarief bedragen niet meer dan respectievelijk 10 %, 5 % en 2 % van het jaartarief.

Een lidstaat kan besluiten dat op voertuigen die op zijn grondgebied geregistreerd zijn, alleen jaartarieven van toepassing zijn.

Voor alle zware bedrijfsvoertuigen stellen de lidstaten de gebruiksrechten, met inbegrip van de administratieve kosten, vast op een tarief dat niet hoger is dan de in bijlage II opgenomen maximumtarieven.

3.   Indien op personenauto’s gebruiksrechten worden toegepast, zijn de infrastructuurvoorzieningen ten minste de volgende perioden beschikbaar: een dag, een week of tien dagen of beide, een maand of twee maanden of beide, en een jaar. Het tarief voor twee maanden, het maandtarief, het tiendagentarief, het weektarief en het dagtarief bedragen niet meer dan respectievelijk 30 %, 19 %, 12 %, 11 % en 9 % van het jaartarief.

De lidstaten kunnen de dagelijkse gebruiksrechten uitsluitend voor doorvoer beperken.

De lidstaten kunnen ook andere gebruiksperiodes van de infrastructuur instellen. In dergelijke gevallen passen de lidstaten tarieven toe overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling tussen gebruikers, rekening houdend met alle relevante factoren, met name het jaartarief en de tarieven voor andere gebruiksperiodes als bedoeld in de eerste alinea, alsmede met de bestaande gebruikspatronen en de administratieve kosten.

Met betrekking tot gebruiksrechten die vóór 24 maart 2022 zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling tarieven behouden die hoger liggen dan de in de eerste alinea genoemde maxima, mits die vóór die datum reeds van kracht waren, en overeenkomstige hogere tarieven behouden voor andere gebruiksperiodes. Die tarieven worden evenwel in overeenstemming gebracht met de in de eerste alinea genoemde grenswaarden en met de tweede alinea zodra de ingrijpend gewijzigde heffingsregeling van kracht wordt, en uiterlijk op 25 maart 2030.

4.   Wat betreft minibussen en lichte bedrijfsvoertuigen, voldoen de lidstaten aan lid 2 of aan lid 3. Indien de lidstaten voor lichte bedrijfsvoertuigen andere gebruiksrechten vaststellen dan voor personenauto’s, stellen zij hogere gebruiksrechten vast voor lichte bedrijfsvoertuigen dan voor personenauto’s.

5.   Uiterlijk op 25 maart 2027 beoordeelt de Commissie de technische en juridische haalbaarheid van een differentiatie van de behandeling van verschillende lichte bedrijfsvoertuigen op basis van de vraag of het betrokken lichte bedrijfsvoertuig al dan niet met een tachograaf is uitgerust. Op basis van die beoordeling doet de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn in die zin.

(*)  Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).”."

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 7 bis bis

1.   Lidstaten die vóór 24 maart 2022 tolgelden op hun trans-Europees kernnetwerk voor vervoer of een deel ervan toepasten, kunnen een gecombineerde heffingsregeling voor alle zware bedrijfsvoertuigen of voor sommige typen zware bedrijfsvoertuigen vaststellen.

2.   In die gecombineerde heffingsregeling kunnen de lidstaten, niettegenstaande artikel 7, lid 10, gebruiksrechten toepassen voor alle zware bedrijfsvoertuigen of voor sommige typen zware bedrijfsvoertuigen, met inbegrip van bepaalde gewichtscategorieën van zware bedrijfsvoertuigen op het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer of delen daarvan, overeenkomstig artikel 7, lid 4.

3.   De in lid 2 van dit artikel bedoelde gebruiksrechten worden gedifferentieerd overeenkomstig artikel 7 octies bis en op basis van de euro-emissieklasse. Daarnaast stellen de lidstaten voor de betrokken zware bedrijfsvoertuigen de gebruiksrechten, met inbegrip van de administratieve kosten, vast op een tarief dat niet boven de in bijlage II vastgestelde maximumtarieven uitkomt.

4.   De lidstaten die de gecombineerde heffingsregeling vaststellen, voeren een effectbeoordeling of -analyse uit waarin de invoering ervan wordt toegelicht en gemotiveerd en die ten minste zes maanden voor de invoering ervan aan de Commissie wordt meegedeeld.”.

5)

De artikelen 7 ter en 7 quater worden vervangen door:

“Artikel 7 ter

1.   De infrastructuurheffing voor zware bedrijfsvoertuigen wordt gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing voor zware bedrijfsvoertuigen is gerelateerd aan de aanlegkosten en de kosten voor exploitatie, onderhoud en ontwikkeling van het betrokken infrastructuurnet. De gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag eveneens een rendement op het kapitaal en/of een winstmarge op grond van de marktvoorwaarden omvatten.

2.   De in rekening te brengen kosten hebben betrekking op het wegennet of het deel van het wegennet waarop infrastructuurheffingen voor zware bedrijfsvoertuigen worden aangerekend en op de voertuigen die aan die heffingen zijn onderworpen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen slechts een percentage van die kosten aan te rekenen.

Artikel 7 quater

1.   De lidstaten kunnen externekostenheffingen invoeren of handhaven op basis van de kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging, geluidshinder, of CO2-emissies dan wel een combinatie daarvan.

Indien een externekostenheffing wordt toegepast op zware bedrijfsvoertuigen, differentiëren de lidstaten de heffing en wordt die vastgesteld overeenkomstig de in bijlage III bis bedoelde minimumeisen en methoden en met inachtneming van de in de bijlagen III ter en III quater opgenomen referentiewaarden. De lidstaten kunnen ervoor kiezen slechts een percentage van die kosten in rekening te brengen.

2.   Het tarief van de externekostenheffing wordt vastgesteld door de betrokken lidstaat. Indien een lidstaat daartoe een instantie aanwijst, is die instantie juridisch en financieel onafhankelijk van de organisatie die belast is met het beheer of de inning van een deel of het geheel van de heffing.

3.   De lidstaten kunnen vrijstellingen toepassen om het tarief van de externekostenheffing aan te passen voor voertuigen van historisch belang.”.

6)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 7 quater bis

1.   Wanneer een externekostenheffing voor luchtverontreiniging of geluidshinder wordt aangerekend, houden de lidstaten rekening met de kosten met betrekking tot het wegennet of het deel daarvan waarop die heffing aangerekend wordt en met de voertuigen die aan die heffing onderworpen zijn.

2.   De externekostenheffing in verband met de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging geldt niet voor zware bedrijfsvoertuigen die aan de strengste euro-emissienormen voldoen.

De eerste alinea is niet langer van toepassing vier jaar na de datum waarop de regelgeving waarbij die emissienormen zijn ingevoerd, van toepassing werd.

3.   Met ingang van 25 maart 2026 passen de lidstaten een externekostenheffing voor de door verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging op zware bedrijfsvoertuigen toe op het in artikel 7, lid 1, bedoelde tolwegennet.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten besluiten geen externekostenheffing toe te passen op trajecten waar zo’n heffing ertoe zou leiden dat de meest vervuilende voertuigen gaan omrijden, met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid en de volksgezondheid.

4.   De lidstaten kunnen beoordelen of het mogelijk is een externekostenheffing voor CO2-emissies en voor luchtverontreiniging, of kortingen in verband met die emissies, toe te passen, indien de concessietolgelden niet worden gedifferentieerd overeenkomstig de artikelen 7 octies en 7 octies bis voor zware bedrijfsvoertuigen en overeenkomstig artikel 7 octies ter voor lichte voertuigen.

Het resultaat van die facultatieve beoordeling, met opgave van de reden waarom de externekostenheffing of korting niet wordt toegepast, wordt aan de Commissie meegedeeld.

Artikel 7 quater ter

1.   Lidstaten kunnen hogere externekostenheffingen voor CO2-emissies toepassen dan de in bijlage III quater opgenomen referentiewaarden, mits dat op niet-discriminerende wijze geschiedt en die heffingen ten hoogste tweemaal de in bijlage III quater vermelde waarden bedragen. Lidstaten die dit lid toepassen, motiveren hun besluit en stellen de Commissie daarvan in kennis overeenkomstig bijlage III bis.

2.   Voor bussen en touringcars kunnen de lidstaten ervoor kiezen dezelfde of lagere waarden toe te passen dan die welke op zware vrachtvoertuigen worden toegepast.

3.   Een externekostenheffing voor CO2-emissies kan worden gecombineerd met een infrastructuurheffing die is gedifferentieerd overeenkomstig artikel 7 octies bis.

4.   Uiterlijk op 25 maart 2027 beoordeelt de Commissie de uitvoering en de doeltreffendheid van de externekostenheffing voor CO2-emissies, alsook de samenhang ervan met Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (*) en Richtlijn 2003/96/EG van de Raad (**). Op basis van die beoordeling doet de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van dit artikel. Indien dit artikel niet uiterlijk op 1 januari 2027 in die zin is gewijzigd, maar Richtlijn 2003/87/EG of Richtlijn 2003/96/EG zodanig is gewijzigd dat ten minste een deel van de externe kosten van CO2-emissies door het wegvervoer daadwerkelijk wordt geïnternaliseerd, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 9 quinquies van deze richtlijn gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van bijlage III quater bij deze richtlijn om de referentiewaarden van de externekostenheffing voor CO2-emissies aan te passen, rekening houdend met de effectieve koolstofprijs voor brandstoffen voor het wegvervoer in de Unie.

(*)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32)."

(**)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).”."

7)

Artikel 7 quinquies wordt vervangen door:

“Artikel 7 quinquies

Uiterlijk zes maanden na de vaststelling van nieuwe en strengere euro-emissienormen dient de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel in om de overeenkomstige referentiewaarden in bijlage III ter te bepalen en de maximumtarieven voor gebruiksrechten in bijlage II aan te passen.”.

8)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 7 quinquies bis

1.   De lidstaten kunnen, overeenkomstig de eisen van bijlage V, een congestieheffing invoeren op elk deel van hun wegennet waar congestie optreedt. De congestieheffingen kunnen uitsluitend worden toegepast op trajecten waar geregeld congestie optreedt en uitsluitend gedurende perioden waarin dat doorgaans het geval is.

2.   De lidstaten specificeren de in lid 1 bedoelde trajecten en perioden op basis van objectieve criteria die verband houden met de congestiegraad van de wegen en hun omgeving, onder andere gemeten in termen van gemiddelde verliestijden of filelengtes.

3.   Op bepaalde delen van het wegennet ingevoerde congestieheffingen gelden op niet-discriminerende wijze voor alle voertuigcategorieën, in overeenstemming met de in bijlage V vastgestelde standaard equivalentiecoëfficiënten. De lidstaten kunnen evenwel minibussen, bussen en touringcars gedeeltelijk of volledig vrijstellen van de congestieheffing ter bevordering van het collectief vervoer, de sociaal-economische ontwikkeling en de territoriale cohesie. Kampeerauto’s worden, ongeacht hun technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, voor de toepassing van dit lid niet als bussen en touringcars behandeld.

4.   De congestieheffing wordt vastgesteld overeenkomstig de in bijlage V bedoelde minimumeisen. Zij is een afspiegeling van de kosten die een voertuig veroorzaakt voor andere weggebruikers en indirect voor de samenleving, en houdt zich aan de in bijlage VI vastgestelde referentiewaarden voor een bepaald wegtype. Een lidstaat die congestieheffingen wil toepassen die hoger zijn dan de in bijlage VI vermelde referentiewaarden, stelt de Commissie daarvan overeenkomstig de in bijlage V bedoelde eisen in kennis.

Inkomsten uit congestieheffingen, of het financiële waarde-equivalent van die inkomsten, worden gebruikt om het congestieprobleem aan te pakken of om duurzaam vervoer en duurzame mobiliteit in het algemeen te ontwikkelen.

Indien die inkomsten aan de algemene begroting worden toegewezen, wordt een lidstaat geacht de tweede alinea te hebben toegepast indien hij een beleid voor financiële steun ten uitvoer legt om het congestieprobleem aan te pakken of om duurzaam vervoer en duurzame mobiliteit te ontwikkelen, waarbij die financiële steun een waarde heeft die gelijk is aan de inkomsten uit congestieheffingen.

5.   De lidstaten voorzien in adequate mechanismen om de impact van de congestieheffingen te monitoren en de hoogte daarvan te evalueren. Elke lidstaat evalueert regelmatig, en ten minste om de drie jaar, de hoogte van de heffingen om ervoor te zorgen dat zij niet hoger zijn dan de congestiekosten die in die lidstaat worden veroorzaakt op de trajecten die onderworpen zijn aan de congestieheffing.”.

9)

In artikel 7 sexies worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.   De lidstaten berekenen het maximumtarief van de infrastructuurheffing voor zware bedrijfsvoertuigen met gebruikmaking van een methode die is gebaseerd op de in artikel 7 ter en bijlage III opgenomen kernbeginselen voor kostenberekening.

2.   Bij concessietolgelden is het maximumtarief van de infrastructuurheffing voor zware bedrijfsvoertuigen ten hoogste gelijk aan het tarief berekend volgens methoden gebaseerd op de in artikel 7 ter en in bijlage III opgenomen kernbeginselen voor kostenberekening. Die gelijkwaardigheid wordt beoordeeld op basis van een referentieperiode waarvan de lengte past bij de aard van de concessieovereenkomst.”.

10)

De artikelen 7 septies en 7 octies worden vervangen door:

“Artikel 7 septies

1.   Nadat een lidstaat de Commissie hiervan in kennis heeft gesteld, kan die lidstaat een toeslag toevoegen aan de infrastructuurheffingen voor specifieke trajecten waar regelmatig congestie optreedt, of waarvan het gebruik door voertuigen aanzienlijke milieuschade veroorzaakt, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de inkomsten uit de toeslag worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van vervoersdiensten — of in de aanleg of het onderhoud van de vervoersinfrastructuur van het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer — die rechtstreeks bijdragen tot de vermindering van de congestie of milieuschade en die zich bevinden in dezelfde corridor als het traject waarvoor de toeslag wordt aangerekend;

b)

de toeslag bedraagt ten hoogste 15 % van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing, berekend overeenkomstig artikel 7 ter, lid 1, en artikel 7 sexies van deze richtlijn, behalve indien de gegenereerde inkomsten worden geïnvesteerd in grensoverschrijdende trajecten op een overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 1315/2013 geïdentificeerde kernnetwerkcorridor, in welk geval de toeslag niet meer dan 25 % van die gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag bedragen, of indien twee of meer lidstaten in dezelfde corridor een toeslag aanrekenen, in welk geval die toeslag, na instemming van alle lidstaten die deel uitmaken van die corridor en die grenzen aan de lidstaten op wier grondgebied het gedeelte van de corridor valt waarop een toeslag wordt geheven, meer dan 25 % van die gewogen gemiddelde infrastructuurheffing mag bedragen, maar niet meer dan 50 %;

c)

de toepassing van de toeslag leidt niet tot oneerlijke behandeling van bedrijfsverkeer in vergelijking met andere weggebruikers;

d)

vóór de toepassing van de toeslag wordt bij de Commissie een beschrijving ingediend van de precieze locatie waarvoor de toeslag wordt toegepast en het bewijs van een besluit om de in punt a) bedoelde vervoersinfrastructuur of vervoersdiensten te financieren;

e)

de periode waarin de toeslag van toepassing zal zijn, is vooraf bepaald en begrensd en, wat de verwachte inkomsten betreft, in overeenstemming met de financiële plannen en kosten-batenanalyse voor de projecten die medegefinancierd worden met de inkomsten uit de toeslag.

2.   Voor een nieuw grensoverschrijdend project kan een toeslag uitsluitend worden toegepast indien alle bij het project betrokken lidstaten daarmee instemmen.

3.   Een toeslag kan worden toegepast op infrastructuurheffingen die overeenkomstig artikel 7 octies, artikel 7 octies bis of artikel 7 octies ter worden gedifferentieerd.

4.   Wanneer de Commissie de vereiste inlichtingen heeft ontvangen van een lidstaat die voornemens is een toeslag in te voeren, stelt zij die informatie ter beschikking van de leden van het in artikel 9 quater bedoelde comité. Indien de Commissie van oordeel is dat de geplande toeslag niet in overeenstemming is met de in lid 1 van dit artikel genoemde voorwaarden of indien zij van oordeel is dat de geplande toeslag aanzienlijke nadelige gevolgen zal hebben voor de economische ontwikkeling van perifere regio’s, kan zij uitvoeringshandelingen vaststellen om het door de betrokken lidstaat voorgelegde plan voor heffingen af te wijzen, dan wel om wijziging ervan te verzoeken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9 quater, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Er worden geen toeslagen toegepast op trajecten waarop een congestieheffing wordt aangerekend.

Artikel 7 octies

1.   De infrastructuurheffing mag worden gedifferentieerd om congestie te reduceren, schade aan de infrastructuur te beperken en het gebruik van de desbetreffende infrastructuur te optimaliseren of de verkeersveiligheid te bevorderen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de differentiatie is transparant, wordt openbaar gemaakt en geldt onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers;

b)

de differentiatie wordt toegepast op basis van het tijdstip van de dag, het soort dag of het seizoen;

c)

geen enkele infrastructuurheffing overschrijdt het maximumniveau van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing als bedoeld in artikel 7 ter met meer dan 175 %;

d)

de piekperioden waarin ter beperking van de congestie de hoogste infrastructuurheffingen worden aangerekend, zijn beperkt tot maximaal zes uur per dag;

e)

de differentiatie op een traject waarop zich congestie voordoet, wordt op een transparante en inkomstenneutrale wijze uitgewerkt en toegepast zodat weggebruikers die in daluren reizen, verlaagde toltarieven betalen, en voor weggebruikers die tijdens de spits op datzelfde traject rijden, hogere toltarieven gelden;

f)

er wordt geen congestieheffing aangerekend op het betrokken traject.

Een lidstaat die een dergelijke differentiatie wenst in te voeren of een bestaande differentiatie wil wijzigen, stelt de Commissie daarvan in kennis en bezorgt haar de nodige informatie zodat zij kan beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan.

2.   Totdat de differentiatie van de infrastructuurheffingen en gebruiksrechten als bedoeld in artikel 7 octies bis wordt toegepast voor zware bedrijfsvoertuigen, differentiëren de lidstaten de infrastructuurheffing op basis van de euro-emissieklasse van het voertuig, met dien verstande dat geen enkele infrastructuurheffing meer dan 100 % hoger mag zijn dan dezelfde heffing voor gelijkwaardige voertuigen die aan de strengste euro-emissienormen voldoen. Zodra de infrastructuurheffingen en gebruiksrechten worden gedifferentieerd op grond van artikel 7 octies bis, kunnen de lidstaten de differentiatie op basis van de euro-emissieklasse beëindigen.

In afwijking van de eerste alinea kan een lidstaat besluiten de verplichting de infrastructuurheffing te differentiëren niet toe te passen indien een van de volgende situaties zich voordoet:

a)

de samenhang van de tolregelingen op zijn grondgebied zou daardoor ernstig ondermijnd worden;

b)

het is technisch niet werkbaar om in de tolregeling een dergelijke differentiatie aan te brengen;

c)

de meest vervuilende voertuigen zouden daardoor omrijden, met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid en volksgezondheid;

d)

het tolgeld omvat een externekostenheffing voor luchtverontreiniging.

Dergelijke afwijkende regelingen of vrijstellingen worden ter kennis van de Commissie gebracht.

3.   De in dit artikel bedoelde differentiaties mogen niet tot doel hebben extra inkomsten te genereren.”.

11)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 7 octies bis

1.   De lidstaten differentiëren de infrastructuurheffingen en de gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen overeenkomstig dit artikel.

De lidstaten passen die differentiatie toe voor de subgroepen zware bedrijfsvoertuigen die vallen onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) 2019/1242, en wel uiterlijk twee jaar na de bekendmaking van de referentiewaarden van de CO2-emissies voor die subgroepen voertuigen in de overeenkomstig artikel 11, lid 1, van die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen.

Voor de CO2-emissieklassen 1, 4 en 5, als bedoeld in lid 2 van dit artikel, is die differentiatie van toepassing op de groepen zware bedrijfsvoertuigen die niet vallen onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) 2019/1242, en wel uiterlijk twee jaar na de bekendmaking van de referentiewaarden van de CO2-emissies voor de betrokken groep in de op grond van lid 7 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandelingen. Indien punt 5.1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1242 door een wetgevingshandeling van de Unie zodanig wordt gewijzigd dat de referentiewaarden van CO2-emissies voor een groep zware bedrijfsvoertuigen daaronder vallen, worden die referentiewaarden van CO2-emissies niet langer vastgesteld op grond van lid 7 van dit artikel, maar overeenkomstig punt 5.1 van bijlage I bij die verordening.

Indien de emissiereductietrajecten voor groepen zware bedrijfsvoertuigen die niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) 2019/1242 vallen, vastgelegd worden bij een wetgevingshandeling van de Unie die punt 5.1 van bijlage I bij die verordening wijzigt, zijn de differentiaties voor de CO2-emissieklassen 2 en 3, in de zin van lid 2 van dit artikel, van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe emissiereductietrajecten.

Onverminderd de verlaagde tarieven als bedoeld in lid 3, kunnen de lidstaten voorzien in verlaagde tarieven voor de infrastructuurheffingen of gebruiksrechten, of in vrijstellingen voor de betaling van infrastructuurheffingen of gebruiksrechten voor emissievrije voertuigen van alle groepen voertuigen van 24 maart 2022 tot en met 31 december 2025. Vanaf 1 januari 2026 worden die verlagingen beperkt tot 75 % ten opzichte van de heffing voor CO2-emissieklasse 1 in de zin van lid 2.

2.   De lidstaten stellen, onverminderd lid 1, voor elk type zwaar bedrijfsvoertuig de volgende CO2-emissieklassen vast:

a)

CO2-emissieklasse 1 — voertuigen die niet tot een van de in punten b) tot en met e) genoemde CO2-emissieklassen behoren;

b)

CO2-emissieklasse 2 — voertuigen van de subgroep voertuigen sg die voor het eerst zijn geregistreerd in de rapporteringsperiode van jaar Y met CO2-emissies van meer dan 5 % lager dan het emissiereductietraject voor de rapporteringsperiode van jaar Y en de subgroep voertuigen sg, maar die niet onder een van de in de punten c), d) en e) genoemde CO2-emissieklassen vallen;

c)

CO2-emissieklasse 3 — voertuigen van de subgroep voertuigen sg die voor het eerst zijn geregistreerd in de rapporteringsperiode van jaar Y met CO2-emissies van meer dan 8 % lager dan het emissiereductietraject voor de rapporteringsperiode van jaar Y en de subgroep voertuigen sg, maar die niet onder een van de in de punten d) en e) genoemde CO2-emissieklassen vallen;

d)

CO2-emissieklasse 4 — emissiearme zware bedrijfsvoertuigen;

e)

CO2-emissieklasse 5 — emissievrije voertuigen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de indeling van een voertuig van CO2-emissieklasse 2 of 3 om de zes jaar na de datum van de eerste registratie opnieuw wordt beoordeeld en dat, in voorkomend geval, het voertuig opnieuw wordt ingedeeld in de betreffende emissieklasse op basis van de op dat moment geldende drempelwaarden. De herindeling wordt, wat de gebruiksrechten betreft, van kracht uiterlijk op de eerste geldigheidsdag die valt op of na de dag van die herindeling.

3.   Onverminderd lid 1 zijn de verlaagde heffingen als volgt van toepassing op voertuigen van CO2-emissieklassen 2, 3, 4 en 5:

a)

CO2-emissieklasse 2 — verlaging van 5 % tot en met 15 % ten opzichte van de heffing voor CO2-emissieklasse 1;

b)

CO2-emissieklasse 3 — verlaging van 15 % tot en met 30 % ten opzichte van de heffing voor CO2-emissieklasse 1;

c)

CO2-emissieklasse 4 — verlaging van 30 % tot en met 50 % ten opzichte van de heffing voor CO2-emissieklasse 1;

d)

CO2-emissieklasse 5 — verlaging van 50 % tot en met 75 % ten opzichte van de heffing voor CO2-emissieklasse 1;

Indien de infrastructuurheffing of het gebruiksrecht ook wordt gedifferentieerd op basis van de euro-emissieklasse, worden de in de eerste alinea bedoelde verlagingen toegepast ten opzichte van de heffing die voor de strengste euro-emissienormen wordt toegepast.

4.   De in dit artikel bedoelde differentiatie mag niet tot doel hebben extra inkomsten te genereren.

5.   In afwijking van lid 1 kan een lidstaat besluiten de verplichting de infrastructuurheffing te differentiëren overeenkomstig lid 2 niet toe te passen, indien een externekostenheffing voor CO2-emissies wordt aangerekend en gedifferentieerd op basis van de referentiewaarden van de externekostenheffing voor CO2-emissies in bijlage III quater.

6.   Op trajecten waar op verifieerbare wijze een voertuig zonder CO2-emissies wordt gebruikt, kunnen de lidstaten op dat voertuig verlaagde heffingen toepassen overeenkomstig CO2-emissieklasse 5. Op andere trajecten passen de lidstaten die van die mogelijkheid gebruikmaken de heffingen voor CO2-emissieklasse 1 toe op dat voertuig.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de referentiewaarden van de CO2-emissies te bepalen voor groepen voertuigen die niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) 2019/1242 vallen.

Die uitvoeringshandelingen bevatten de in het in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/956 bedoelde verslag bekendgemaakte relevante gegevens voor iedere groep voertuigen. De Commissie stelt die uitvoeringshandelingen vast uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van het in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/956 bedoelde verslag.

8.   Uiterlijk op 25 maart 2027 beoordeelt de Commissie de uitvoering en de doeltreffendheid van de in dit artikel bedoelde differentiatie van heffingen op basis van CO2-emissies, alsook of ze nog steeds nodig is en de samenhang ervan met de Richtlijnen 2003/87/EG en 2003/96/EG. Indien nodig doet de Commissie op basis van die beoordeling een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de bepalingen van deze richtlijn die verband houden met de differentiatie van heffingen op basis van CO2-emissies.

9.   Na 24 maart 2022 herziet de Commissie om de vijf jaar de maximumtarieven voor de gebruiksrechten in bijlage II en de in lid 3 bedoelde verlagingen, en doet zij op basis van de resultaten van die herziening zo nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van die bepalingen.

10.   Om de dertig maanden na 24 maart 2022 stelt de Commissie een verslag op waarin de geschiktheid wordt beoordeeld van de drempelwaarden voor CO2-emissieklassen 2 en 3 als bedoeld in artikel 7 octies bis, lid 2, punten b) en c), van deze richtlijn, met betrekking tot de overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1242 gepubliceerde referentie-emissies of de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde CO2-emissies, en doet zij zo nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van die drempelwaarden op basis van de resultaten van die beoordeling.

11.   De toepassing van de in dit artikel bedoelde differentiatie van heffingen op basis van CO2-emissies is niet verplicht indien een andere maatregel van de Unie betreffende koolstofheffing op brandstof voor het wegvervoer van toepassing is.

Artikel 7 octies ter

1.   De lidstaten kunnen tolgelden en gebruiksrechten voor lichte voertuigen differentiëren op basis van de milieuprestaties van het voertuig, als bepaald door de specifieke CO2-emissies (gecombineerd) of (gewogen, gecombineerd) als geregistreerd in punt 49 van het conformiteitscertificaat van het voertuig, en door de Euro-emissieprestaties.

Onverminderd lid 2 van dit artikel gelden lagere toltarieven en gebruiksrechten voor personenauto’s, minibussen en lichte bedrijfsvoertuigen die aan de twee volgende voorwaarden voldoen:

a)

hun specifieke CO2-emissies, als bepaald overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (*), zijn gelijk aan nul, of lager dan:

i)

voor de periode van 2021 tot en met 2024 de doelstellingen2021 voor het wagenpark van de EU die zijn bepaald overeenkomstig deel A, punt 6, en deel B, punt 6, van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (**);

ii)

voor de periode van 2025 tot en met 2029: de doelstellingen voor het wagenpark van de EU die zijn vastgesteld overeenkomstig deel A, punt 6.1.1, en deel B, punt 6.1.1, van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/631;

iii)

voor de periode vanaf 2030: de doelstellingen voor het wagenpark van de EU die zijn vastgesteld overeenkomstig deel A, punt 6.1.2, en deel B, punt 6.1.2, van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/631;

b)

hun emissies van verontreinigende stoffen, als bepaald overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151, zijn zoals vastgesteld in de tabel in bijlage VII bij deze richtlijn. De lidstaten kunnen de in bijlage VII bij deze richtlijn bedoelde verlaging voor emissievrije voertuigen toepassen zonder de in die bijlage bedoelde verlagingen voor de overige emissieprestatiecategorieën toe te passen.

2.   Met ingang van 1 januari 2026 differentiëren de lidstaten, voor zover technisch werkbaar, de tolgelden en het jaartarief van de gebruiksrechten voor bestelwagens en minibussen op basis van de milieuprestaties van het voertuig, overeenkomstig de voorschriften in bijlage VII. Daartoe zijn de bepalingen van de tweede alinea van lid 1 indicatief.

Indien lidstaten ervoor kiezen andere criteria voor emissieprestaties of een andere mate van verlaging toe te passen dan die vermeld in lid 1, of ervoor kiezen andere of extra criteria te hanteren, stellen zij de Commissie daarvan ten minste zes maanden vóór de invoering van een differentiatie in kennis, en rechtvaardigen zij die keuze.

De lidstaten kunnen er echter voor kiezen uitsluitend verlagingen toe te passen op emissievrije voertuigen, zonder enige differentiatie voor andere voertuigen en zonder de Commissie daarvan in kennis te stellen.

3.   Met inachtneming van de voorwaarden van de leden 1 en 2 mogen de lidstaten rekening houden met een verbeterde milieuprestatie van het voertuig die wordt behaald doordat het voertuig is aangepast om op alternatieve brandstoffen te rijden.

4.   De lidstaten mogen uitzonderlijke maatregelen vaststellen met het oog op het opleggen van heffingen aan voertuigen van historisch belang.

5.   De in dit artikel bedoelde differentiaties mogen niet tot doel hebben extra inkomsten te genereren.

(*)  Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1)."

(**)  Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13).”."

12)

Artikel 7 nonies wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de aanhef wordt vervangen door:

“1.   Ten minste zes maanden voor de toepassing van een nieuwe of ingrijpend gewijzigde tolregeling met gebruikmaking van een infrastructuurheffing zenden de lidstaten de Commissie het volgende toe:”;

ii)

aan punt a) wordt het volgende streepje toegevoegd:

“—

voor zover van toepassing, duidelijke informatie over de belangrijkste kenmerken van de elektronische tolregeling, waaronder de interoperabiliteit ervan;”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“1 bis.   Bij het toezenden van informatie aan de Commissie overeenkomstig lid 1 kan een lidstaat informatie over meer dan één wijziging van een tolregeling met gebruikmaking van een infrastructuurheffing toevoegen. Indien de Commissie al in kennis werd gesteld van een wijziging, wordt de lidstaat geacht aan de informatieverplichting van lid 1 te hebben voldaan en kan die wijziging worden uitgevoerd zonder de Commissie verder te informeren.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Vóór de uitvoering van een nieuwe of ingrijpend gewijzigde tolregeling met gebruikmaking van een externekostenheffing of congestieheffing informeren de lidstaten de Commissie over het wegennet waarop de nieuwe regeling van toepassing is, en van de voorgenomen tarieven per voertuigcategorie en emissieklasse, en stellen zij, indien van toepassing, de Commissie daarvan in kennis overeenkomstig bijlage III bis, punt 2, of bijlage V, punt 2.”;

d)

lid 4 wordt geschrapt;

13)

Artikel 7 decies wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 worden de punten b) en c) vervangen door:

“b)

de kortingen of verlagingen zijn een afspiegeling van de feitelijke vermindering van de administratieve kosten voor de behandeling van frequente gebruikers ten opzichte van incidentele gebruikers;

c)

de verlagingen bedragen niet meer dan 13 % van de infrastructuurheffing die wordt betaald door gelijkwaardige voertuigen die niet in aanmerking komen voor de korting of verlaging.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“2 bis.   De lidstaten kunnen voor frequente gebruikers voorzien in kortingen op of verlagingen van de infrastructuurheffing voor personenauto’s, met name in gebieden met verspreide bewoning en in buitenwijken van steden. De lagere inkomsten als gevolg van de korting die wordt toegekend aan frequente gebruikers, worden niet verhaald op minder frequente gebruikers.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Met inachtneming van de voorwaarden van artikel 7 octies, lid 1, punt b), en van artikel 7 octies, lid 3, van deze richtlijn mogen de toltarieven voor grote projecten van het trans-Europees kernnetwerk voor vervoer, waarvan de kaarten zijn aangeduid in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1315/2013, aan andere vormen van differentiatie worden onderworpen, teneinde de commerciële levensvatbaarheid van die projecten veilig te stellen, wanneer zij directe concurrentie ondervinden van andere vervoerswijzen. De daaruit voortvloeiende tariefstructuur moet lineair en proportioneel zijn. De details ervan worden openbaar gemaakt, en de tariefstructuur is voor alle gebruikers onder gelijke voorwaarden beschikbaar. De tariefstructuur leidt niet tot het doorberekenen van extra kosten aan andere gebruikers in de vorm van hogere toltarieven.”.

14)

Artikel 7 undecies wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De tolgelden en de gebruiksrechten worden toegepast en geïnd en op hun betaling wordt toezicht gehouden op een zodanige wijze dat de vrije verkeersstromen zo weinig mogelijk worden belemmerd en verplichte controles aan de binnengrenzen van de Unie worden vermeden. Daartoe werken de lidstaten samen voor de vaststelling van methoden die weggebruikers in staat stellen de tolgelden en gebruiksrechten 24 uur per dag te betalen, op zijn minst elektronisch, of, aan de grens of aan de belangrijkste verkooppunten, met de gebruikelijke betaalmiddelen, zowel binnen als buiten de lidstaten waarin de tolgelden of gebruiksrechten worden toegepast. De lidstaten zijn niet verplicht te voorzien in fysieke betaalpunten.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“2 bis.   Indien een bestuurder of, waar passend, de vervoerder of de aanbieder van de Europese dienst voor elektronische tolheffing (European Electronic Toll Service — EETS) het bewijs niet kan leveren van de emissieklasse van het voertuig voor de toepassing van artikel 7 octies, lid 2, artikel 7 octies bis of artikel 7 octies ter, kunnen de lidstaten tolgelden of gebruiksrechten heffen tot het hoogste tarief.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de weggebruiker de emissieklasse van het voertuig in ieder geval elektronisch kan aangeven alvorens gebruik te maken van de infrastructuur. De lidstaten kunnen elektronische en niet-elektronische middelen aanbieden zodat de gebruiker het bewijs kan leveren om in aanmerking te komen voor tolverminderingen of, waar passend, bij een controle. De lidstaten kunnen eisen dat het bewijs dat langs elektronische weg wordt geleverd, wordt verstrekt voordat de infrastructuur wordt gebruikt.

De lidstaten kunnen de maatregelen nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het bewijs kan worden geleverd gedurende dertig dagen of een langere door de lidstaten te bepalen periode na het gebruik van de infrastructuur, en om de terugbetaling te waarborgen van eventuele verschillen tussen de aangerekende tolgelden of gebruiksrechten en de tolgelden of gebruiksrechten voor de emissieklasse van het betrokken voertuig zoals die blijkt uit binnen de vastgestelde termijn verstrekt bewijs.”;

c)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3.   Indien een lidstaat een voertuig tolgeld oplegt, worden het totale bedrag van dat tolgeld, het bedrag van de infrastructuurheffing, het bedrag van de externekostenheffing en het bedrag van de congestieheffing in voorkomend geval vermeld op een aan de weggebruiker verstrekt ontvangstbewijs, voor zover mogelijk op elektronische wijze. De weggebruiker kan ermee instemmen dat hem geen ontvangstbewijs wordt verstrekt.

4.   Indien economisch haalbaar, rekenen de lidstaten infrastructuurheffingen, externekosten- en congestieheffingen aan en innen zij die door middel van een elektronisch tolheffingssysteem voor het wegverkeer dat voldoet aan de bepalingen van artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad (*). De Commissie bevordert de samenwerking tussen de lidstaten die noodzakelijk blijkt om de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen op Europees niveau te waarborgen.

(*)  Richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 45).”."

15)

Artikel 7 duodecies wordt vervangen door:

“Artikel 7 duodecies

Onverminderd de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie belet deze richtlijn de lidstaten die een tolregeling invoeren niet om daarvoor een adequate compensatie te bieden.”.

16)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)

de betaling van het gemeenschappelijk gebruiksrecht geeft toegang tot het door elke deelnemende lidstaat overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, vastgestelde wegennet;

b)

de deelnemende lidstaten stellen de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast, die niet boven de in artikel 7 bis bedoelde maximumtarieven mogen uitkomen;”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“3.   In het geval van een gemeenschappelijk systeem voor gebruiksrechten als bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt de uiterste datum voor toepassing van de in artikel 7 octies bis, lid 1, tweede en derde alinea, bedoelde differentiaties verlengd tot en met 25 maart 2025, of indien de referentiewaarden van de CO2-emissies worden bekendgemaakt na 24 maart 2022, drie jaar na de bekendmaking van de referentiewaarden van de CO2-emissies.”.

17)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 bis wordt vervangen door:

“1 bis.   Deze richtlijn belet de lidstaten niet de volgende heffingen toe te passen:

a)

regulerende heffingen die specifiek bedoeld zijn om verkeerscongestie of milieueffecten, zoals slechte luchtkwaliteit, tegen te gaan op alle wegen in stedelijke gebieden, waaronder wegen van het trans-Europees netwerk die door stedelijke gebieden lopen;

b)

heffingen die specifiek bedoeld zijn om de bouw, de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van installaties te financieren die zijn geïntegreerd in of worden ingezet langs of over wegen om emissiearme en -vrije voertuigen in beweging van energie te voorzien, en die aan die voertuigen worden opgelegd.

Die heffingen worden op niet-discriminerende basis toegepast.”;

b)

in lid 2 wordt de tweede alinea geschrapt.

18)

Aan artikel 9 quater wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.”.

19)

De artikelen 9 quinquies en 9 sexies worden vervangen door:

“Artikel 9 quinquies

De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 9 sexies gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn met betrekking tot bijlage 0, de formules in punten 4.1 en 4.2 van bijlage III bis, en de bedragen in de tabellen in de bijlagen III ter en III quater, teneinde die aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Onder de in artikel 7 quater ter, lid 4, genoemde omstandigheden stelt de Commissie overeenkomstig artikel 9 sexies gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van deze richtlijn wat betreft de referentiewaarden van de externekostenheffing voor CO2-emissies, zoals bepaald in bijlage III quater, rekening houdend met de effectieve koolstofprijs voor brandstoffen voor het wegvervoer in de Unie. Die wijzigingen mogen alleen tot doel hebben ervoor te zorgen dat de externekostenheffingen voor CO2-emissies niet hoger worden dan nodig is om die externe kosten te internaliseren.

Artikel 9 sexies

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 9 quinquies bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 maart 2022. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met dezelfde termijnen verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van die termijnen tegen die verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9 quinquies bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Voordat de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt zij de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (*).

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan tegelijkertijd kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 9 quinquies vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

(*)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.”."

20)

De artikelen 9 septies en 9 octies worden geschrapt.

21)

De artikelen 10 bis en 11 worden vervangen door:

“Artikel 10 bis

1.   De bedragen in euro in bijlage II en de bedragen in centen in de tabellen in de bijlagen III ter en III quater worden om de twee jaar aangepast ter verrekening van de wijzigingen in het voor de gehele EU geldende geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, als gepubliceerd door de Commissie (Eurostat). De eerste aanpassing vindt plaats uiterlijk op 31 maart 2025.

De bedragen worden automatisch geactualiseerd door aanpassing van het basisbedrag in euro of in centen met de percentagewijziging in bovengenoemde index. De resulterende bedragen worden afgerond tot een rond bedrag in euro wat betreft bijlage II en een rond bedrag in een tiende cent wat betreft de bijlagen III ter en III quater.

2.   De Commissie publiceert de aangepaste bedragen als bedoeld in lid 1 uiterlijk op 31 maart 2025 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Die aangepaste bedragen gelden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking daarvan.

Artikel 11

1.   Uiterlijk op 25 maart 2025 en daarna om de vijf jaar publiceren de lidstaten een verslag in geaggregeerde vorm over de op hun grondgebied geheven tolgelden en gebruiksrechten.

2.   In het op grond van lid 1 gepubliceerde verslag wordt de volgende informatie opgenomen:

a)

de ontwikkeling van de heffingen voor het gebruik van wegeninfrastructuur, namelijk de desbetreffende netwerken en voertuigcategorieën, met inbegrip van alle vrijstellingen op grond van artikel 7, artikel 7 quater of artikel 7 octies ter;

b)

de differentiatie van de infrastructuurheffingen of gebruiksrechten op basis van de voertuigcategorie en het type zwaar bedrijfsvoertuig;

c)

de differentiatie van de infrastructuurheffingen of gebruiksrechten op basis van de milieuprestaties van de voertuigen, op grond van artikel 7 octies, artikel 7 octies bis of artikel 7 octies ter;

d)

voor zover van toepassing, de differentiatie van infrastructuurheffingen op basis van het tijdstip van de dag, het soort dag of het seizoen, op grond van artikel 7 octies, lid 1;

e)

de externekostenheffingen die zijn aangerekend voor elke combinatie van voertuigklasse, wegtype en tijdsperiode;

f)

de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing en de totale inkomsten uit de infrastructuurheffingen;

g)

de totale inkomsten uit externekostenheffingen;

h)

de totale inkomsten uit congestieheffingen per voertuigcategorie;

i)

de totale inkomsten van de toeslagen en de delen van het wegennet waarop ze werden aangerekend;

j)

de totale inkomsten uit tolgelden of uit gebruiksrechten, of, in bepaalde gevallen, uit beide;

k)

het gebruik van de door de toepassing van deze richtlijn gegenereerde inkomsten en hoe de lidstaten met die inkomsten de doelstellingen van artikel 9, lid 2, konden verwezenlijken, of, indien die inkomsten aan de algemene begroting worden toegewezen, de uitgaven voor infrastructuur voor het wegverkeer en projecten voor duurzaam vervoer, en

l)

de ontwikkeling van het aandeel voertuigen van de verschillende emissieklassen op tolwegen.

De lidstaten die die informatie online openbaar maken, zijn niet verplicht het verslag op te stellen.”.

22)

De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

a)

De bijlagen 0, II, III, III bis, III ter en IV worden gewijzigd overeenkomstig de punten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de bijlage bij deze richtlijn;

b)

de tekst in de punten 6 en 8 van de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als de bijlagen III quater, V, VI en VII bij Richtlijn 1999/62/EG.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 1999/37/EG

Bijlage I bij Richtlijn 1999/37/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt II.6 (V.7) wordt vervangen door:

“(V.7)

CO2 (in g/km) of specifieke CO2-emissies indien aangegeven in punt 49.5 van het EG-certificaat van overeenstemming van zware bedrijfsvoertuigen als gedefinieerd in het aanhangsel bij bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie (*) of in punt 49.5 van het certificaat van individuele goedkeuring van een voertuig zoals gedefinieerd in aanhangsel 1 van bijlage III bij die verordening,

(*)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie van 15 april 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB L 163 van 26.5.2020, blz. 1).”."

2)

Het volgende punt wordt toegevoegd:

“(V.10)

CO2-emissieklasse van zware bedrijfsvoertuigen bepaald bij de eerste registratie, overeenkomstig artikel 7 octies bis, lid 2, van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1).

(*1)  Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).”."

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn (EU) 2019/520

In bijlage I bij Richtlijn (EU) 2019/520, in de rubriek “Gegevenselementen die worden verstrekt als resultaat van de krachtens artikel 23, lid 1, uitgevoerde geautomatiseerde zoekopdracht”, deel I “Gegevens met betrekking tot voertuigen”, wordt de tabel vervangen door:

“Deel I.   Gegevens met betrekking tot voertuigen

Item

V/F (14)

Opmerkingen

Kenteken

V

 

Chassisnummer/Voertuigidentificatienummer (VIN)

V

 

Lidstaat van inschrijving

V

 

Merk

V

(D.1 (15)) bijvoorbeeld Ford, Opel, Renault

Handelsbenaming van het voertuig

V

(D.3) bijvoorbeeld Focus, Astra, Megane

EU-categoriecode

V

(J) bijvoorbeeld bromfiets, motorfiets, auto

Euro-emissieklasse

V

bijvoorbeeld Euro 4, Euro 6

CO2-emissieklasse

F

van toepassing op zware bedrijfsvoertuigen

Datum van herclassificering

F

van toepassing op zware bedrijfsvoertuigen

CO2 in g/tkm

F

van toepassing op zware bedrijfsvoertuigen

Technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig in beladen toestand

V

 

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 25 maart 2024 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

A. PANNIER-RUNACHER


(1)   PB C 81 van 2.3.2018, blz. 188.

(2)   PB C 176 van 23.5.2018, blz. 66.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 9 november 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 17 februari 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).

(5)  Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 202).

(6)  Richtlijn (EU) 2019/520 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 45).

(7)  Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).

(8)  Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57).

(9)  Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13).

(11)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 1).

(13)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(14)  V = verplicht indien beschikbaar in het nationaal register, F = facultatief.

(15)  Geharmoniseerde Uniecode, zie Richtlijn 1999/37/EG.”.


BIJLAGE

1)

Aan punt 3 van bijlage 0 bij Richtlijn 1999/62/EG wordt de volgende tabel toegevoegd:

“Euro VI-emissiegrenswaarden

 

Grenswaarden

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC

(mg/kWh)

CH4

(mg/kWh)

NOX (1)

(mg/kWh)

NH3

(ppm)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

Deeltjesaantal

(#/kWh)

WHSC (CI)

1 500

130

 

 

400

10

10

8,0 × 1011

WHTC (CI)

4 000

160

 

 

460

10

10

6,0 × 1011

WHTC (PI)

4 000

 

160

500

460

10

10

6,0 × 1011

Opmerking:

PI

=

elektrische ontsteking (positive ignition).

CI

=

compressieontsteking (compression ignition).

(1)

Het toelaatbare niveau van de NO2-component in de NOx-grenswaarde kan in een later stadium worden bepaald.”.

2)

Bijlage II bij Richtlijn 1999/62/EG wordt vervangen door:

“BIJLAGE II

MAXIMUMBEDRAGEN VAN GEBRUIKSRECHTEN IN EURO, INCLUSIEF ADMINISTRATIEVE KOSTEN, BEDOELD IN ARTIKEL 7 BIS, LID 2

Jaarlijks

 

maximaal drie assen

minimaal vier assen

Euro 0

1 899

3 185

Euro I

1 651

2 757

Euro II

1 428

2 394

Euro III

1 242

2 073

Euro IV

1 081

1 803

Euro V

940

1 567

Euro VI

855

1 425

Maand-, week- en dagtarief

Het maximale maand-, week- en dagtarief staat in verhouding tot de duur van het gebruik van de infrastructuur.

.

3)

Bijlage III bij Richtlijn 1999/62/EG wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 2.1, wordt het zesde streepje vervangen door:

“—

De kostentoerekening aan zware bedrijfsvoertuigen geschiedt op een objectieve en transparante basis, waarbij rekening wordt gehouden met het aandeel van zware bedrijfsvoertuigen in het verkeer dat van het wegennet gebruik maakt en de daaraan verbonden kosten. De voertuigkilometers van de zware bedrijfsvoertuigen kunnen daartoe worden gecorrigeerd aan de hand van objectief verantwoorde “equivalentiecoëfficiënten”, zoals die welke zijn opgenomen in punt 4 (1).”;

b)

in punt 2.2, wordt het tweede streepje vervangen door:

“—

De kosten worden op basis van werkelijke en voorspelde aandelen voertuigkilometers verdeeld over de zware bedrijfsvoertuigen en het overige verkeer, en kunnen worden gecorrigeerd aan de hand van objectief verantwoorde equivalentiecoëfficiënten, zoals die welke zijn opgenomen in punt 4.”;

c)

in punt 4 wordt de titel vervangen door:

“4.

Aandeel van zware bedrijfsvoertuigen in het verkeer, equivalentiecoëfficiënten en correctiemechanisme”;

d)

in punt 4 wordt het eerste streepje vervangen door:

“—

De berekening van het tolgeld is gebaseerd op het feitelijke of voorspelde aandeel van zware bedrijfsvoertuigen in de voertuigkilometers, die mogen worden gecorrigeerd aan de hand van equivalentiefactoren om de hogere kosten voor aanleg en reparatie van infrastructuur voor gebruik door zware bedrijfsvoertuigen mee te rekenen.”.

4)

Bijlage III bis bij Richtlijn 1999/62/EG wordt vervangen door:

“BIJLAGE III bis

MINIMUMEISEN VOOR DE AANREKENING VAN EEN EXTERNEKOSTENHEFFING

In deze bijlage worden de minimumeisen vastgesteld voor de aanrekening van een externekostenheffing en, in voorkomend geval, voor de berekening van de maximale externekostenheffing.

1.   Betrokken delen van het wegennet

De lidstaten specificeren nauwkeurig op welk deel of welke delen van hun wegennet een externekostenheffing zal worden toegepast.

Indien een lidstaat voornemens is een externekostenheffing slechts aan te rekenen op een deel of delen van zijn wegennet, namelijk het aandeel van die lidstaat in het trans-Europees wegennet en de autosnelwegen in die lidstaat, wordt dat deel of worden die delen aangewezen nadat een beoordeling is gemaakt waarbij is vastgesteld dat het opleggen van een externekostenheffing op andere delen van het aldus samengestelde wegennet nadelige effecten kan hebben op het milieu, de volksgezondheid of de verkeersveiligheid.

Met ingang van 25 maart 2026 kiest een lidstaat die voornemens is geen externekostenheffing voor luchtverontreiniging aan te rekenen op specifieke trajecten van zijn tolwegennet, die specifieke trajecten ook op basis van een dergelijke beoordeling.

2.   Relevante voertuigen, wegen en tijdsperiodes

Indien een lidstaat voornemens is hogere externekostenheffingen aan te rekenen dan de in bijlage III ter of bijlage II quater opgenomen referentiewaarden, stelt die lidstaat de Commissie in kennis van de voertuigindeling op basis waarvan de externekostenheffingen zal worden gedifferentieerd. Indien van toepassing stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de ligging van de wegen die aan hogere externekostenheffingen onderworpen zullen worden (“voorstedelijke wegen, (inclusief autosnelwegen)”) en van de wegen die aan lagere externekostenheffingen onderworpen zullen worden (“interlokale wegen (inclusief autosnelwegen)”).

Indien van toepassing stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de exacte tijdsperiodes die overeenstemmen met de nachtperiode tijdens welke een hogere heffing van externe geluidshinderkosten mag worden opgelegd om de grotere geluidshinder te compenseren.

De indeling van de wegen in voorstedelijke wegen (inclusief autosnelwegen) en interlokale wegen (inclusief autosnelwegen) en de vaststelling van de tijdsperiodes is gebaseerd op objectieve criteria in verband met het niveau van blootstelling van de wegen en hun omgeving aan verontreiniging, zoals de bevolkingsdichtheid, de jaarlijkse gemiddelde luchtverontreiniging (met name van PM10 en NO2) en het aantal dagen (voor PM10) en uren (NO2) waarop, respectievelijk waarin de bij Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde grenswaarden worden overschreden. De gebruikte criteria worden gespecificeerd in de kennisgeving.

3.   Bedrag van de heffing

Dit deel is van toepassing indien een lidstaat voornemens is hogere externekostenheffingen toe te passen dan de in bijlage III ter of bijlage III quater opgenomen referentiewaarden.

Voor elke voertuigklasse, elk soort weg en elke tijdsperiode, naargelang het geval, stelt de lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie, één specifiek tarief vast. De daaruit voortvloeiende heffingsstructuur is transparant, wordt openbaar gemaakt en is onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar. De bekendmaking moet geruime tijd vóór de uitvoering geschieden. Alle parameters, gegevens en andere informatie die nodig zijn om te begrijpen hoe de verschillende externekostenelementen zijn berekend, worden openbaar gemaakt.

Bij de bepaling van de tarieven moet de lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie zich laten leiden door het beginsel van doelmatige tarifering, zijnde de vaststelling van tarieven die een zo getrouw mogelijke afspiegeling zijn van de maatschappelijke marginale kosten van het gebruik van het voertuig waarop de heffing wordt toegepast.

Bij de bepaling van de tarieven moet rekening worden gehouden met het risico op omrijden en de negatieve effecten die dat kan hebben op de verkeersveiligheid, het milieu en de congestie, en moet worden onderzocht hoe die risico’s kunnen worden beperkt.

De lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie monitort in hoeverre de heffingsregeling de door het wegvervoer veroorzaakte milieuschade vermindert. Om de twee jaar worden, waar passend, de tariefstructuur en het specifieke bedrag van de heffing dat is vastgesteld voor een bepaalde voertuigklasse, een wegtype en een periode, aangepast aan de veranderingen in vraag en aanbod van het vervoer.

4.   Externekostenelementen

4.1.   Kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging

Indien een lidstaat hogere externekostenheffingen wil toepassen dan de in bijlage III ter opgenomen referentiewaarden, berekent die lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie, de in rekening te brengen kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging aan de hand van de volgende formule:

Image 1

waarbij:

—PCVij

=

de luchtverontreinigingskosten van voertuigklasse i op een weg van type j (EUR/voertuig.kilometer)

—EFik

=

de emissiefactor van verontreinigende stof k en voertuigklasse i (gram/voertuig.kilometer)

—PCjk

=

in geld uitgedrukte kosten van verontreinigende stof k voor het wegtype j (EUR/gram)

De emissiefactoren zijn dezelfde als die welke door de lidstaten worden gebruikt om de in Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad (*) bepaalde nationale emissie-inventarissen vast te stellen (waarbij gebruik moet worden gemaakt van het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen (**)). De in geld uitgedrukte kosten van verontreinigende stoffen worden door de lidstaat of, waar passend, door een onafhankelijke instantie als bedoeld in artikel 7 quater, lid 2, van deze richtlijn geraamd op basis van wetenschappelijk onderbouwde methoden.

De lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie kan wetenschappelijk onderbouwde alternatieve methoden voor de berekening van de kosten van luchtverontreiniging toepassen met gebruikmaking van gegevens van luchtverontreinigingsmetingen en in geld uitgedrukte plaatselijke kosten van de luchtverontreinigende stoffen.

4.2.   Kosten van door het verkeer veroorzaakte geluidshinder

Indien een lidstaat hogere externekostenheffingen wil toepassen dan de in bijlage III ter opgenomen referentiewaarden, berekent de lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie de in rekening te brengen kosten van de door het verkeer veroorzaakte geluidshinder aan de hand van de volgende formules:

Image 2

NCVj (dag) = a × NCVj

NCVj (nacht) = b × NCVj

waarbij:

— NCVj

=

geluidshinderkosten van één zwaar vrachtvoertuig op een weg van het type j (EUR/voertuig.kilometer)

— NCjk

=

geluidshinderkosten per persoon blootgesteld aan geluidsniveau k op weg van het type j (EUR/persoon)

— POPk

=

de bevolking die is blootgesteld aan dagelijks geluidsniveau k per kilometer (persoon/kilometer)

— WADT

=

gewogen gemiddeld dagelijks verkeer (personenauto-equivalent)

— a en b

=

wegingsfactoren die zodanig door de lidstaten zijn vastgesteld dat de resulterende gewogen gemiddelde geluidshinderheffing per voertuigkilometer overeenkomt met NCVj (dagelijks).

De door het verkeer veroorzaakte geluidshinder betreft het effect van geluid op de gezondheid van de bevolking langs de weg.

De aan geluidsniveau k blootgestelde bevolking wordt afgeleid uit de strategische geluidsbelastingskaarten die zijn opgesteld krachtens artikel 7 van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (***), of een andere gelijkwaardige gegevensbron.

De geluidshinderkosten per aan geluidsniveau k blootgestelde persoon worden door de lidstaat of, waar passend, door een onafhankelijke instantie geraamd aan de hand van wetenschappelijk onderbouwde methoden.

Bij de bepaling van het gewogen gemiddeld dagelijks verkeer wordt uitgegaan van een equivalentiefactor “e” tussen zware vrachtvoertuigen en personenauto’s op basis van de geluidsemissies van de gemiddelde personenauto en het gemiddelde zwaar vrachtvoertuig en in het licht van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad (****).

De lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie, kan gedifferentieerde geluidshinderheffingen vaststellen om het gebruik van stillere voertuigen te belonen, mits dat niet tot ongelijke behandeling van buitenlandse voertuigen leidt.

4.3.   Kosten van door het verkeer veroorzaakte CO2-emissies

Indien een lidstaat een externekostenheffing voor CO2-emissies wil toepassen die hoger is dan de in bijlage III quater opgenomen referentiewaarden, berekent die lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie, de in rekening te brengen kosten op basis van wetenschappelijk bewijs en aan de hand van de vermijdingskostenbenadering, waarbij de lidstaat met name rekening houdt met de volgende aspecten en die toelicht:

a)

de keuze van de emissiestreefwaarde;

b)

de raming van de mogelijkheden voor mitigatie;

c)

de raming van het referentiescenario;

d)

risicoaversie en verliesaversie;

e)

de weging van het eigen vermogen.

Ten minste zes maanden vóór de uitvoering van een dergelijke externekostenheffing voor CO2-emissies stelt de lidstaat de Commissie daarvan in kennis.

.

(*)  Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1)."

(**)  Methodologie van het Europees Milieuagentschap: het EMEP/EEA-richtsnoer van 2019 voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen — Technisch richtsnoer om nationale emissie-inventarissen op te stellen (http://www.eea.europa.eu//publications/emep-eea-guidebook-2019)."

(***)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12)."

(****)  Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 131)."

5)

Bijlage III ter bij Richtlijn 1999/62/EG wordt vervangen door:

“BIJLAGE III ter

REFERENTIEWAARDEN VOOR EXTERNEKOSTENHEFFINGEN

In deze bijlage worden de referentiewaarden van de externekostenheffing vastgesteld, met inbegrip van de kosten van luchtverontreiniging en geluidshinder.

Tabel 1

Referentiewaarden van de externekostenheffing voor zware vrachtvoertuigen

Voertuigklasse

Cent/voertuigkilometer

Voorstedelijke wegen (2)

Interlokale wegen (3)

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van minder dan 12 ton

of met twee assen

Euro 0

18,6

9,9

Euro I

12,6

6,4

Euro II

12,5

6,3

Euro III

9,6

4,8

Euro IV

7,3

3,4

Euro V

4,4

1,8

Euro VI

2,3

0,5

Minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen

2,0

0,3

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand tussen 12 en 18 ton

of met drie assen

Euro 0

24,6

13,7

Euro I

15,8

8,4

Euro II

15,8

8,4

Euro III

12,5

6,6

Euro IV

9,2

4,5

Euro V

5,6

2,7

Euro VI

2,8

0,7

Minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen

2,3

0,3

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand tussen 18 en 32 ton

of met vier assen

Euro 0

27,8

15,8

Euro I

20,4

11,3

Euro II

20,4

11,2

Euro III

16,3

8,9

Euro IV

11,8

6,0

Euro V

6,6

3,4

Euro VI

3,1

0,8

Minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen

2,5

0,3

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 32 ton

of met 5 of meer assen

Euro 0

33,5

19,4

Euro I

25,0

14,1

Euro II

24,9

13,9

Euro III

20,1

11,1

Euro IV

14,2

7,5

Euro V

7,6

3,8

Euro VI

3,4

0,8

Minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen

2,8

0,3

De waarden van tabel 1 kunnen met een factor van maximaal 2 worden vermenigvuldigd in bergachtige gebieden en rond agglomeraties, voor zover dat gerechtvaardigd is door de lagere bevolkingsdichtheid, het hellingspercentage van de wegen, de hoogte of temperatuurinversies. Indien er wetenschappelijk bewijs is ter ondersteuning van een hogere berg- of agglomeratiefactor, kan die referentiewaarde worden verhoogd op basis van een gedetailleerde motivering.

.

6)

De volgende bijlage wordt aan Richtlijn 1999/62/EG toegevoegd:

“BIJLAGE III quater

REFERENTIEWAARDEN VAN DE EXTERNEKOSTENHEFFING VOOR CO2-EMISSIES

In deze bijlage worden de referentiewaarden van de externekostenheffing vastgesteld, rekening houdend met de kosten van de CO2-emissies.

Tabel 1

Referentiewaarden van de externekostenheffing voor CO2-emissies voor zware vrachtvoertuigen

Voertuigklasse

 

Cent/voertuigkilometer

Interlokale wegen (inclusief autosnelwegen)

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van minder dan 12 ton

of met twee assen

CO2-emissieklasse 1

Euro 0

4,5

Euro I

Euro II

Euro III

Euro IV

Euro V

Euro VI

4,0

CO2-emissieklasse 2

3,8

CO2-emissieklasse 3

3,6

Emissiearm voertuig

2,0

Emissievrij voertuig

0

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand tussen 12 en 18 ton

of met drie assen

CO2-emissieklasse 1

Euro 0

6,0

Euro I

Euro II

Euro III

5,2

Euro IV

Euro V

Euro VI

5,0

CO2-emissieklasse 2

4,8

CO2-emissieklasse 3

4,5

Emissiearm voertuig

2,5

Emissievrij voertuig

0

Zwaar vrachtvoertuig met technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand tussen 18 en 32 ton

of met vier assen

CO2-emissieklasse 1

Euro 0

7,9

Euro I

6,9

Euro II

Euro III

Euro IV

6,7

Euro V

Euro VI

CO2-emissieklasse 2

6,4

CO2-emissieklasse 3

6,0

Emissiearm voertuig

3,4

Emissievrij voertuig

0

Zwaar vrachtvoertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 32 ton

of met 5 of meer assen

CO2-emissieklasse 1

Euro 0

9,1

Euro I

8,1

Euro II

Euro III

Euro IV

8,0

Euro V

Euro VI

CO2-emissieklasse 2

7,6

CO2-emissieklasse 3

7,2

Emissiearm voertuig

4,0

Emissievrij voertuig

0

7)

In bijlage IV bij Richtlijn 1999/62/EG wordt de tabel “Voertuigcombinaties (gelede voertuigen en aanhangwagencombinaties)” vervangen door:

“Voertuigcombinaties (gelede voertuigen en aanhangwagencombinaties)

Aandrijfassen voorzien van luchtvering of van een als gelijkwaardig erkende vering

Andere veringsystemen van aandrijfassen

Schadeklasse

Aantal assen en technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand

(in ton)

Aantal assen en technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand

(in ton)

 

Gelijk aan of meer dan

Minder dan

Gelijk aan of meer dan

Minder dan

 

2  + 1 assen

 

7,5

12

14

16

18

20

22

23

25

12

14

16

18

20

22

23

25

28

7,5

12

14

16

18

20

22

23

25

12

14

16

18

20

22

23

25

28

I

2  + 2 assen

 

23

25

26

28

25

26

28

29

23

25

26

28

25

26

28

29

 

29

31

29

31

II

31

33

31

33

 

33

36

36

38

33

36

III

2  + 3 assen

II

36

38

38

40

36

38

 

 

 

38

40

III

2  + 4 assen

II

36

38

38

40

36

38

 

 

 

38

40

III

3  + 1 assen

II

30

32

32

35

30

32

 

 

 

32

35

III

3  + 2 assen

II

36

38

38

40

36

38

 

 

 

38

40

40

44

III

40

44

 

 

 

3  + 3 assen

 

36

38

38

40

36

38

I

 

 

38

40

II

40

44

40

44

 

7 assen

40

50

40

50

II

50

60

50

60

III

60

 

60

 

Ten minste 8 assen

40

50

40

50

I

50

60

50

60

II

60

60

III”

8)

De volgende bijlagen worden aan Richtlijn 1999/62/EG toegevoegd:

“BIJLAGE V

MINIMUMEISEN VOOR DE AANREKENING VAN CONGESTIEHEFFINGEN

Deze bijlage bevat de minimumeisen voor de aanrekening van een congestieheffing.

1.   De delen van het wegennet, de voertuigen en de perioden die onderworpen worden aan congestieheffingen

De lidstaten specificeren duidelijk:

a)

op welk deel of welke delen van hun wegennet, zijnde hun aandeel in het trans-Europees wegennet en hun snelwegen als bedoeld in artikel 7, lid 1, congestieheffingen worden toegepast overeenkomstig artikel 7 quinquies bis, leden 1 en 3.

b)

de indeling van de weggedeelten van hun wegennet waarop een congestieheffing wordt geheven, in “grootstedelijke” en “niet-grootstedelijke” wegen. Voor de indeling van de weggedeelten gebruiken de lidstaten de in tabel 1 opgenomen criteria.

Tabel 1

Criteria voor de indeling van de wegen van het wegennet als bedoeld in punt a) in “grootstedelijke” en “niet-grootstedelijke” wegen

Wegcategorie

Indelingscriterium

“Grootstedelijke wegen”

delen van het wegennet die binnen agglomeraties met 250 000 inwoners of meer zijn gelegen

“Niet-grootstedelijke wegen”

delen van het wegennet die niet als “grootstedelijke wegen” zijn gekwalificeerd

c)

voor elk afzonderlijk weggedeelte: de periode waarin de heffing van toepassing is. Indien tijdens de heffingsperiode verschillende heffingen van toepassing zijn, specificeren de lidstaten duidelijk het begin en het einde van elke periode waarin een bepaalde heffing wordt toegepast.

De lidstaten gebruiken de in tabel 2 opgenomen equivalentiefactoren voor het bepalen van de verhouding tussen de heffingsniveaus voor de verschillende voertuigcategorieën:

Tabel 2

Equivalentiecoëfficiënten voor de verhouding tussen de niveaus van de congestieheffing voor de verschillende voertuigcategorieën

Voertuigcategorie

Equivalentiefactor

Lichte voertuigen

1

Ongelede zware vrachtvoertuigen

1,9

Touringcars en bussen

2,5

Gelede zware vrachtvoertuigen

2,9

2.   Bedrag van de heffing

Voor elke voertuigcategorie, elk wegvak en elke periode, bepaalt de lidstaat, of waar passend een onafhankelijke instantie, één specifiek tarief dat werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deel 1 van deze bijlage en rekening houdend met de overeenkomstige in de tabel in bijlage VI vastgestelde referentiewaarde. De daaruit voortvloeiende heffingsstructuur is transparant, wordt openbaar gemaakt en is onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar.

Alvorens een congestieheffing wordt toegepast, publiceert de lidstaat tijdig alle hierna genoemde informatie:

a)

alle parameters, gegevens en andere informatie die nodig zijn om te begrijpen hoe wegen en voertuigen zijn ingedeeld en hoe de perioden waarin de heffing van toepassing is, zijn bepaald;

b)

een volledig overzicht van de congestieheffingen voor iedere voertuigcategorie op elk weggedeelte en in elke periode.

De lidstaten bezorgen de Commissie alle informatie die zij op grond van de punten a) en b) moeten publiceren.

Voordat de tarieven worden bepaald, wordt rekening gehouden met het risico op omrijden en de negatieve effecten die dat kan hebben voor de verkeersveiligheid, het milieu en de congestie, en wordt bekeken hoe die risico’s kunnen worden beperkt.

Indien een lidstaat van plan is hogere congestieheffingen toe te passen dan de in bijlage VI vastgestelde referentiewaarden, stelt hij de Commissie in kennis van het volgende:

i)

de ligging van de wegen die aan de congestieheffingen worden onderworpen;

ii)

de indeling van wegen als “grootstedelijk” en “niet-grootstedelijk”, zoals bepaald in deel 1, punt b);

iii)

de perioden waarin de heffing van toepassing is, zoals bepaald in deel 1, punt c);

iv)

iedere gedeeltelijke of volledige vrijstelling voor minibussen, bussen en touringcars.

3.   Controle

De lidstaat of, waar passend, een onafhankelijke instantie ziet erop toe hoe doeltreffend de heffingsregeling is in het verminderen van de congestie. Om de drie jaar worden, waar passend, de tariefstructuur, de perioden en het specifieke bedrag van de heffing dat is vastgesteld voor elke voertuigcategorie, elk type weg en elke periode aangepast aan de veranderingen in vraag en aanbod van het vervoer.

BIJLAGE VI

REFERENTIEWAARDEN VAN DE CONGESTIEHEFFING

In deze bijlage worden de referentiewaarden van de congestieheffing bepaald.

De in de onderstaande tabel opgenomen referentiewaarden gelden voor lichte voertuigen. De congestieheffingen voor andere voertuigcategorieën worden bepaald door vermenigvuldiging van de heffing voor lichte voertuigen met de equivalentiefactoren in de tabel in bijlage V.

Tabel

Referentiewaarden van de congestieheffing voor lichte voertuigen:

Cent/voertuigkilometer

Grootstedelijke wegen

Niet-grootstedelijke wegen

Autosnelwegen

25,9

23,7

Hoofdwegen

61,0

41,5

BIJLAGE VII

EMISSIEPRESTATIES

In deze bijlage worden de emissieprestaties gespecificeerd voor verontreinigende stoffen op basis waarvan tolgelden en gebruiksrechten worden gedifferentieerd overeenkomstig artikel 7 octies ter, lid 1, punt b).

Tabel

Criteria voor emissieprestaties voor verontreinigende stoffen voor lichte voertuigen

Tolgeld en gebruiksrecht

5-15 % lager dan het hoogste tarief

15-25 % lager dan het hoogste tarief

25-35 % minder dan het hoogste tarief

Tot 75 % lager dan het hoogste tarief

Emissieprestaties

Euro-6d-temp-x (#)

Euro-6d-x (#)

Aangegeven maximale RDE-waarden voor emissies van verontreinigende stoffen (##)< 80 % van de toepasselijke emissiegrenswaarden

Emissievrije voertuigen


(*)  Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).

(**)  Methodologie van het Europees Milieuagentschap: het EMEP/EEA-richtsnoer van 2019 voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen — Technisch richtsnoer om nationale emissie-inventarissen op te stellen (http://www.eea.europa.eu//publications/emep-eea-guidebook-2019).

(***)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).

(****)  Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 131).


(1)  Bij de toepassing van equivalentiecoëfficiënten door de lidstaten kan rekening worden gehouden met wegenaanleg in fasen of volgens een langelevenscyclusbenadering.

(2)   “voorstedelijk”: gebieden met een bevolkingsdichtheid tussen 150 en 900 inwoners/km2 (mediaan van de bevolkingsdichtheid: 300 inwoners/km2).

(3)   “interlokaal”: gebieden met een bevolkingsdichtheid van minder dan 150 inwoners/km2.

(#)  waarbij x leeg is of een van de volgende stoffen mag zijn: (EVAP, EVAP-ISC, ISC of ISC-FCM)

(##)  voor NOx en PN als genoemd in punt 48.2 van het conformiteitscertificaat, in het aanhangsel bij bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/683 van de Commissie (*).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/363 VAN DE COMMISSIE

van 24 januari 2022

tot wijziging en rectificatie van bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 wat betreft de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde visserijproducten is toegestaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, punt b),

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (2), en met name artikel 127, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 van de Commissie (3) bevat de voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen uit derde landen of regio’s daarvan om te waarborgen dat zij voldoen aan de toepasselijke regels inzake voedselveiligheid zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2017/625 of aan voorschriften waarvan erkend is dat zij daaraan ten minste gelijkwaardig zijn. De binnenkomst in de Unie van die goederen en dieren is met name onderworpen aan het voorschrift dat zij afkomstig moeten zijn uit derde landen of regio’s daarvan die zijn opgenomen in een lijst overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2017/625.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 van de Commissie (4) bevat de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen is toegestaan overeenkomstig artikel 126, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2017/625. Bijlage IX bij die verordening bevat de lijst van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde visserijproducten, waaronder aquacultuurproducten, is toegestaan.

(3)

Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/367 van de Commissie (5) zijn Belarus, Israël (6), Moldavië, Zwitserland, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en Uruguay voor de subcategorie “Kaviaar (visproduct)” opgenomen in de categorie “Aquacultuurproducten” in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU van de Commissie (7). Die derde landen moeten derhalve in bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 worden opgenomen met de opmerking “Aquacultuur: kaviaar (visproduct)”.

(4)

Canada, China en de Verenigde Staten waren voorheen in de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU opgenomen voor “Aquacultuurproducten” en voerden op die basis uit de aquacultuur afkomstige kaviaar uit. Het residubewakingsplan voor vis dat zij hebben ingediend, voldeed aan de algemene voorschriften van de Unie voor aquacultuurproducten en bestreek ook kaviaar. Die derde landen zijn derhalve niet voor “Visproducten (bv. caviaar)” opgenomen in de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315. Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/367 zijn Canada, China en de Verenigde Staten voor de subcategorie “Kaviaar (visproduct)” opgenomen in de categorie “Aquacultuurproducten” in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU. Die derde landen moeten derhalve in bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 worden opgenomen voor alle visserijproducten binnen de categorie aquacultuur.

(5)

Oman is bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315 van de Commissie (8) geschrapt uit de lijst van de voor aquacultuurproducten in aanmerking komende landen in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU, omdat het goedgekeurde residubewakingsplan van Oman niet voldeed. Oman is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/34 van de Commissie (9) uit bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 geschrapt voor aquacultuurproducten, maar per vergissing ook voor in het wild gevangen vis, waarvoor geen residubewakingsplan vereist is. De vermelding voor Oman voor in het wild gevangen vis in bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 moet derhalve worden gerectificeerd.

(6)

Bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd.

(7)

Om verstoringen van het handelsverkeer te beperken en omwille van de rechtszekerheid en de consistentie met Besluit 2011/163/EU moet deze verordening met spoed in werking treden.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 januari 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)   PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 van de Commissie van 4 maart 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen (PB L 131 van 17.5.2019, blz. 18).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 118).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/367 van de Commissie van 2 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (zie bladzijde 107 van dit Publicatieblad).

(6)  De Staat Israël met uitzondering van gebieden onder Israëlisch bestuur sinds juni 1967, namelijk de Golanhoogte, de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever.

(7)  Besluit 2011/163/EU van de Commissie van 16 maart 2011 tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (PB L 70 van 17.3.2011, blz. 40).

(8)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315 van de Commissie van 17 december 2021 tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (PB L 464 van 28.12.2021, blz. 17).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/34 van de Commissie van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlagen III, VIII, IX en XI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 wat betreft de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaald voor menselijke consumptie bestemd vrij vederwild, van zendingen van bepaalde tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen, van bepaalde visserijproducten en van kikkerbilletjes en slakken is toegestaan, en tot intrekking van Beschikking 2007/82/EG (PB L 8 van 13.1.2022, blz. 1).


BIJLAGE

Bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 wordt als volgt gewijzigd:

a)

De vermelding voor de Verenigde Arabische Emiraten wordt vervangen door:

“AE

Verenigde Arabische Emiraten

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)

Alleen grondstoffen uit lidstaten of uit andere derde landen waaruit de invoer in de Unie van dergelijke grondstoffen is toegestaan”

b)

De vermelding voor Belarus wordt vervangen door:

“BY

Belarus

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)”

c)

De vermelding voor Canada wordt vervangen door:

“CA

Canada  (*1)

 

d)

De vermelding voor Zwitserland wordt vervangen door:

“CH

Zwitserland  (*2)

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)

e)

De vermelding voor China wordt vervangen door:

“CN

China  (*3)

 

f)

De vermelding voor Israël wordt vervangen door:

“IL

Israël  (*4)

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)

g)

De vermelding voor Moldavië wordt vervangen door:

“MD

Moldavië

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)”

h)

Tussen de vermelding voor Nieuw-Zeeland en die voor Panama wordt de volgende vermelding ingevoegd:

“OM

Oman

Alleen wildvangst”

i)

De vermelding voor Turkije wordt vervangen door:

“TR

Turkije

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)”

j)

De vermelding voor de Verenigde Staten wordt vervangen door:

“US

Verenigde Staten  (*5)

 

k)

De vermelding voor Uruguay wordt vervangen door:

“UY

Uruguay

Aquacultuur: vis en kaviaar (visproduct)”


(*1)  Deze derde landen of regio’s daarvan mogen alle visserijproducten (vis, kaviaar (visproduct) en schaaldieren) uitvoeren.”.

(*2)  Overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten van 21 juni 1999 (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 132).”.

(*3)  Deze derde landen of regio’s daarvan mogen alle visserijproducten (vis, kaviaar (visproduct) en schaaldieren) uitvoeren.”.

(*4)  De Staat Israël met uitzondering van gebieden onder Israëlisch bestuur sinds juni 1967, namelijk de Golanhoogte, de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever.”.

(*5)  Deze derde landen of regio’s daarvan mogen alle visserijproducten (vis, kaviaar (visproduct) en schaaldieren) uitvoeren.”.


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/45


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/364 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2022

tot wijziging van de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 wat betreft de gegevens voor Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de lijsten van derde landen waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 230, lid 1, en artikel 232, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, afkomstig moeten zijn uit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, dat/die overeenkomstig artikel 230, lid 1, van die verordening in een lijst is opgenomen.

(2)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (2) zijn de diergezondheidsvoorschriften vastgesteld waaraan zendingen van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones of, in het geval van aquacultuurdieren, compartimenten daarvan, moeten voldoen om de Unie binnen te komen.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie (3) zijn de lijsten van derde landen of gebieden, of zones of compartimenten daarvan, vastgesteld waaruit de binnenkomst in de Unie van de soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die binnen het toepassingsgebied van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 vallen, is toegestaan.

(4)

Meer in het bijzonder bevatten de bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 de lijsten van derde landen of gebieden, of zones daarvan, waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee en levende producten van pluimvee, respectievelijk van zendingen vers vlees van pluimvee en vederwild is toegestaan.

(5)

Canada heeft de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. De uitbraak heeft zich voorgedaan in een tweede bedrijf in de provincie Nova Scotia en is op 8 februari 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(6)

Ook het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie in kennis gesteld van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. De uitbraken hebben zich voorgedaan in de buurt van Grimsby (North East Lincolnshire, Lincolnshire, Engeland), in de buurt van Newtown en in de buurt van Welshpool (Montgomeryshire, Powys, Wales) en zijn op 21 februari 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(7)

Bovendien hebben de Verenigde Staten de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. De uitbraak heeft zich voorgedaan in New Castle County (Delaware, Verenigde Staten) en is op 22 februari 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(8)

De Verenigde Staten hebben de Commissie daarenboven in kennis gesteld van twee uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. De uitbraken hebben zich voorgedaan in Greene County (Indiana, Verenigde Staten) en zijn op 23 februari 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(9)

Daarenboven hebben de Verenigde Staten de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee. De uitbraak heeft zich voorgedaan in een derde bedrijf in het reeds getroffen Dubois County (Indiana, Verenigde Staten) en is op 24 februari 2022 door laboratoriumanalyses (RT-PCR) bevestigd.

(10)

De veterinaire autoriteiten van Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben controlegebieden met een straal van 10 km rond de getroffen inrichtingen ingesteld en een ruimingsbeleid ingevoerd om de aanwezigheid van hoogpathogene aviaire influenza te bestrijden en de verspreiding van die ziekte te beperken.

(11)

Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben de Commissie informatie verstrekt over de epidemiologische situatie op hun grondgebied en de maatregelen die zij hebben genomen ter voorkoming van de verdere verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza. De Commissie heeft die informatie geëvalueerd. Op basis van die evaluatie en ter bescherming van de diergezondheidsstatus van de Unie mag de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee, levende producten van pluimvee en vers vlees van pluimvee en vederwild uit de gebieden waarvoor door de veterinaire autoriteiten van Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten beperkende maatregelen zijn vastgesteld in verband met de recente uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza, niet langer worden toegestaan.

(12)

Bovendien heeft het Verenigd Koninkrijk geactualiseerde informatie ingediend over de epidemiologische situatie op zijn grondgebied in verband met de uitbraken van HPAI die respectievelijk op 2 november 2021 en 12 november 2021 in pluimvee-inrichtingen nabij Wrexham (Wales) en nabij Frinton-on-Sea (Tendring, Essex, England) zijn bevestigd, en over de maatregelen die het heeft genomen om de verdere verspreiding van die ziekte te voorkomen. Naar aanleiding van deze uitbraak van HPAI heeft het Verenigd Koninkrijk meer bepaald een ruimingsbeleid gevoerd om die ziekte te bestrijden en de verspreiding ervan te beperken. Daarnaast heeft het Verenigd Koninkrijk na de ruiming de vereiste reiniging en ontsmetting op de getroffen pluimveebedrijven op zijn grondgebied voltooid.

(13)

De Commissie heeft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende informatie geëvalueerd en is tot de conclusie gekomen dat de uitbraken van HPAI in de pluimvee-inrichtingen nabij Wrexham (Wales) en nabij Frinton-on-Sea (Tendring, Essex, England), voorbij zijn en dat er geen risico meer bestaat in verband met de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten uit de gebieden van het Verenigd Koninkrijk waaruit de binnenkomst in de Unie van pluimveeproducten is opgeschort als gevolg van die uitbraken.

(14)

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten ten aanzien van hoogpathogene aviaire influenza en het ernstige risico op het binnenbrengen ervan in de Unie, moeten de wijzigingen die door deze verordening in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 moeten worden aangebracht, met spoed in werking treden.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden of zones daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen V en XIV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/404 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor Canada wordt de volgende rij voor zone CA-2.2 toegevoegd na de rij voor zone CA-2.1:

CA

Canada

CA-2.2

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

8.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

8.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

8.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

8.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

8.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

8.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

8.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

8.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

8.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

8.2.2022”

 

ii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.17 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.17

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022”

iii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.20 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.20

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022”

iv)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk worden de volgende rijen voor de zones GB-2.98, GB-2.99 en GB-2.100 toegevoegd na de rij voor zone GB-2.97:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.98

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

21.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

21.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

21.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

21.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

21.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

21.2.2022

 

GB-2.99

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

21.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

21.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

21.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

21.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

21.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

21.2.2022

 

GB-2.100

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

21.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

21.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

21.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

21.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

21.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

21.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

21.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

21.2.2022”

 

v)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende rijen voor de zones US-2.8, US-2.9, US-2.10 en US-2.11 toegevoegd na de rij voor zone US-2.7:

US

Verenigde Staten

US.2.8

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

22.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

22.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

22.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

22.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

22.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

22.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

22.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

22.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

22.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

22.2.2022

 

US.2.9

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

23.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

23.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

23.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

23.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

23.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

23.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

23.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

23.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

23.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

23.2.2022

 

US.2.10

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

23.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

23.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

23.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

23.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

23.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

23.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

23.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

23.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

23.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

23.2.2022

 

US.2.11

Ander fokpluimvee dan loopvogels en ander gebruikspluimvee dan loopvogels

BPP

N, P1

 

24.2.2022

 

Fokloopvogels en gebruiksloopvogels

BPR

N, P1

 

24.2.2022

 

Ander voor de slacht bestemd pluimvee dan loopvogels

SP

N, P1

 

24.2.2022

 

Voor de slacht bestemde loopvogels

SR

N, P1

 

24.2.2022

 

Andere eendagskuikens dan loopvogels

DOC

N, P1

 

24.2.2022

 

Eendagskuikens van loopvogels

DOR

N, P1

 

24.2.2022

 

Minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

POU-LT20

N, P1

 

24.2.2022

 

Broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HEP

N, P1

 

24.2.2022

 

Broedeieren van loopvogels

HER

N, P1

 

24.2.2022

 

Minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

HE-LT20

N, P1

 

24.2.2022”

 

b)

deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor Canada wordt de volgende beschrijving van de zone CA-2.2 toegevoegd na de beschrijving van zone CA-2.1:

“Canada

CA-2.2

Provincie Nova Scotia:

Gemeenten Newport Landing, Poplar Grove, Miller Creek, Centre Burlington, Mount Denson, Hantsport, Upper Falmouth, Windsor Forks, Five Mile Plains, Falmouth, Three Mile Plains, Newport Station, Saint Croix, Gypsum Mines, Sweets Corner, Mantua, Hartville, Belmont en Union Corner.”

ii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk worden de volgende beschrijvingen van de zones GB-2.98, GB-2.99 en GB-2.100 toegevoegd na de beschrijving van zone GB-2.97:

“Verenigd Koninkrijk

GB-2.98

Omgeving van Grimsby, Northeast Lincolnshire, Lincolnshire, Engeland:

het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84-decimale coördinaten N53.53 en W0.15.

GB-2.99

Omgeving van Newtown, Montgomeryshire, Powys, Wales:

het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84-decimale coördinaten N52.54 en W3.37.

GB-2.100

Omgeving Welshpool, Montgomeryshire, Powys, Wales:

het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84-decimale coördinaten N52.69 en W3.12.”

iii)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende beschrijvingen van de zones US-2.8, US-2.9, US-2.10 en US-2.11 toegevoegd na de beschrijving van zone US-2.7:

“Verenigde Staten

US-2.8

De staat Delaware:

New Castle County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 75.7420940°W 39.5302267°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 0,3 km ten noorden van het kruispunt van Bethel Church Road en Dillon Circle;

b)

noordoost: 0,8 km ten westen van het kruispunt van Bakersfield Drive en Old Stagecoach Road;

c)

oost: 0,3 km ten noordoosten van het kruispunt van Dupont Parkway en Old State Road;

d)

zuidoost: 1,3 km ten westen van het kruispunt van Blackbird Staion Road en Grears Corner Road;

e)

zuid: 1,5 km ten oost-zuidoosten van het kruispunt van Massey Road en Bradford Johnson Road;

f)

zuidwest: 1,3 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S Bohemia Avenue en E. Main Street;

g)

west: 0,9 km ten westen van het kruispunt van Augustine Herman Highway en Glebe Road;

h)

noordwest: 0,6 km ten noordwesten van het kruispunt van Augustine Herman Highway en Randalia Road.

US-2.9

De staat Indiana:

Greene County (Greene 01): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 87.0249854°W 39.0522695°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 2,5 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van IN-57 en W State Road 54;

b)

noordoost: 3,5 km ten oosten van het kruispunt van S 250 W en W Base Road;

c)

oost: 1,4 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Baseline Road en W Harvest Church Road;

d)

zuidoost: 0,4 km ten zuidwesten van het kruispunt van N County Road 1100 E en E County Road 1650 N;

e)

zuid: 1,3 km ten zuidwesten van het kruispunt van N County Road 700 E en E County Road 1550 N;

f)

zuidwest: 1,5 km ten zuidwesten van het kruispunt van S County Road 900 W en W County Road 750 S;

g)

west: 1,9 km ten zuidoosten van het kruispunt van S County Road 1200 W en W County Road 300 S;

h)

noordwest: 0,7 km ten zuiden van het kruispunt van N County Road 900 W en W State Road 54.

US-2.10

De staat Indiana:

Greene County (Greene 02): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 86.9268450°W 39.0433847°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,3 km ten noordoosten van het kruispunt van N Washington Street en Sand Road;

b)

noordoost: 0,6 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Haslers Road en E Sylvania Road;

c)

oost: 1,8 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Fowler Road en E Smith Drive;

d)

zuidoost: 0,6 km ten noordoosten van het kruispunt van Highway 5 en Highway 486;

e)

zuid: 1,2 km ten zuidoosten van het kruispunt van N County Road 1100 E en E County Road 1475 N;

f)

zuidwest: 0,8 km ten oosten van het kruispunt van S County Road 700 E en W County Road 1650 N;

g)

west: 1,5 km ten zuiden van het kruispunt van S County Road 600 W en W County Road 300 S;

h)

noordwest: 0,2 km ten oosten van het kruispunt van S State Road 57 en W Base Road.

US-2.11

De staat Indiana:

Dubois County (Dubois 03): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 86.9082905°W 38.3575910°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,7 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S Meridian Road en E 3rd Avenue;

b)

noordoost: 1,3 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van S St Anthony RDW en E 450S;

c)

oost: 0,4 km ten noordwesten van het kruispunt van E State Road 264 en E 850S;

d)

zuidoost: 1,9 km ten zuidoosten van het kruispunt van Highway 64 en N State Road 162;

e)

zuid: 2,5 km ten zuid-zuidwesten van het kruispunt van Highway 64 en N 700 E;

f)

zuidwest: 2,5 km ten oosten van het kruispunt van S State Road 161 en W 1150S;

g)

west: 0,9 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S State Road 161 en W 650S;

h)

noordwest: 1,7 km ten zuidoosten van het kruispunt van S 550W en W Kessner Bridge Road.”

2)

Bijlage XIV wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor Canada wordt de volgende rij voor zone CA-2.2 toegevoegd na de rij voor zone CA-2.1:

CA

Canada

CA-2.2

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

8.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

8.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

8.2.2022”

 

ii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.17 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.17

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

2.11.2021

19.2.2022

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

2.11.2021

19.2.2022”

iii)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk wordt de rij voor zone GB-2.20 vervangen door:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.20

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

12.11.2021

20.2.2022

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

12.11.2021

20.2.2022”

iv)

in de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk worden de volgende rijen voor de zones GB-2.98, GB-2.99 en GB-2.100 toegevoegd na de rij voor zone GB-2.97:

GB

Verenigd Koninkrijk

GB-2.98

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

21.2.2022

 

GB-2.99

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

21.2.2022

 

GB-2.100

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

21.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

21.2.2022”

 

v)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende rijen voor de zones US-2.8, US-2.9, US-2.10 en US-2.11 toegevoegd na de rij voor zone US-2.7:

US

Verenigde Staten

US-2.8

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

22.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

22.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

22.2.2022

 

US-2.9

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

23.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

23.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

23.2.2022

 

US-2.10

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

23.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

23.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

23.2.2022

 

US-2.11

Vers vlees van ander pluimvee dan loopvogels

POU

N, P1

 

24.2.2022

 

Vers vlees van loopvogels

RAT

N, P1

 

24.2.2022

 

Vers vlees van vederwild

GBM

P1

 

24.2.2022”

 

b)

deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de vermelding voor Canada wordt de volgende beschrijving van de zone CA-2.2 toegevoegd na de beschrijving van zone CA-2.1:

“Canada

CA-2.2

Provincie Nova Scotia:

Gemeenten Newport Landing, Poplar Grove, Miller Creek, Centre Burlington, Mount Denson, Hantsport, Upper Falmouth, Windsor Forks, Five Mile Plains, Falmouth, Three Mile Plains, Newport Station, Saint Croix, Gypsum Mines, Sweets Corner, Mantua, Hartville, Belmont en Union Corner.”

ii)

in de vermelding voor de Verenigde Staten worden de volgende beschrijvingen van de zones US-2.8, US-2.9, US-2.10 en US-2.11 toegevoegd na de beschrijving van zone US-2.7:

“Verenigde Staten

US-2.8

De staat Delaware:

New Castle County: een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 75.7420940°W 39.5302267°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 0,3 km ten noorden van het kruispunt van Bethel Church Road en Dillon Circle;

b)

noordoost: 0,8 km ten westen van het kruispunt van Bakersfield Drive en Old Stagecoach Road;

c)

oost: 0,3 km ten noordoosten van het kruispunt van Dupont Parkway en Old State Road;

d)

zuidoost: 1,3 km ten westen van het kruispunt van Blackbird Staion Road en Grears Corner Road;

e)

zuid: 1,5 km ten oost-zuidoosten van het kruispunt van Massey Road en Bradford Johnson Road;

f)

zuidwest: 1,3 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S Bohemia Avenue en E. Main Street;

g)

west: 0,9 km ten westen van het kruispunt van Augustine Herman Highway en Glebe Road;

h)

noordwest: 0,6 km ten noordwesten van het kruispunt van Augustine Herman Highway en Randalia Road.

US-2.9

De staat Indiana:

Greene County (Greene 01): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 87.0249854°W 39.0522695°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 2,5 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van IN-57 en W State Road 54;

b)

noordoost: 3,5 km ten oosten van het kruispunt van S 250 W en W Base Road;

c)

oost: 1,4 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Baseline Road en W Harvest Church Road;

d)

zuidoost: 0,4 km ten zuidwesten van het kruispunt van N County Road 1100 E en E County Road 1650 N;

e)

zuid: 1,3 km ten zuidwesten van het kruispunt van N County Road 700 E en E County Road 1550 N;

f)

zuidwest: 1,5 km ten zuidwesten van het kruispunt van S County Road 900 W en W County Road 750 S;

g)

west: 1,9 km ten zuidoosten van het kruispunt van S County Road 1200 W en W County Road 300 S;

h)

noordwest: 0,7 km ten zuiden van het kruispunt van N County Road 900 W en W State Road 54.

US-2.10

De staat Indiana:

Greene County (Greene 02): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 86.9268450°W 39.0433847°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,3 km ten noordoosten van het kruispunt van N Washington Street en Sand Road;

b)

noordoost: 0,6 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Haslers Road en E Sylvania Road;

c)

oost: 1,8 km ten zuidoosten van het kruispunt van S Fowler Road en E Smith Drive;

d)

zuidoost: 0,6 km ten noordoosten van het kruispunt van Highway 5 en Highway 486;

e)

zuid: 1,2 km ten zuidoosten van het kruispunt van N County Road 1100 E en E County Road 1475 N;

f)

zuidwest: 0,8 km ten oosten van het kruispunt van S County Road 700 E en W County Road 1650 N;

g)

west: 1,5 km ten zuiden van het kruispunt van S County Road 600 W en W County Road 300 S;

h)

noordwest: 0,2 km ten oosten van het kruispunt van S State Road 57 en W Base Road.

US-2.11

De staat Indiana:

Dubois County (Dubois 03): een zone met een straal van 10 km beginnend met het noordpunt (gps-coördinaten 86.9082905°W 38.3575910°N) en cirkelvormig met de klok mee:

a)

noord: 1,7 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S Meridian Road en E 3rd Avenue;

b)

noordoost: 1,3 km ten noord-noordwesten van het kruispunt van S St Anthony RDW en E 450S;

c)

oost: 0,4 km ten noordwesten van het kruispunt van E State Road 264 en E 850S;

d)

zuidoost: 1,9 km ten zuidoosten van het kruispunt van Highway 64 en N State Road 162;

e)

zuid: 2,5 km ten zuid-zuidwesten van het kruispunt van Highway 64 en N 700 E;

f)

zuidwest: 2,5 km ten oosten van het kruispunt van S State Road 161 en W 1150S;

g)

west: 0,9 km ten zuid-zuidoosten van het kruispunt van S State Road 161 en W 650S;

h)

noordwest: 1,7 km ten zuidoosten van het kruispunt van S 550W en W Kessner Bridge Road.”


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/60


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/365 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2022

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1624 van de Commissie tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot procedures, standaardformulieren en templates voor de informatieverstrekking voor de opstelling en uitvoering van afwikkelingsplannen voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad (2) voerde een aantal wijzigingen door van het in Richtlijn 2014/59/EU bepaalde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL). Informatie over de mogelijkheden van instellingen om aan dit vereiste te voldoen, komt ook — in beperkte mate — aan bod in het kader van afwikkelingsplanning.

(2)

Bijgevolg moet Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1624 van de Commissie (3) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(4)

De EBA heeft geen open publieke consultaties georganiseerd over de ontwerpen van technische uitvoeringnormen waarop deze verordening is gebaseerd, noch heeft zij de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, omdat zij van oordeel was dat een en ander bijzonder onevenredig zou zijn gelet op het zeer beperkte toepassingsbereik, het geringe aantal en het beperkte effect van de wijzigingen, rekening houdende met het feit dat die wijzigingen alleen actualiseringen van verwijzingen naar Richtlijn 2014/59/EU omvatten, twee nieuw te rapporteren posten en mineure aanpassingen om technische obstakels voor rapportage te verwijderen. De EBA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) is opgericht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1624 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

template Z 02.00 wordt vervangen door template Z 02.00 van bijlage I bij deze verordening;

b)

template Z 03.00 wordt vervangen door template Z 03.00 van bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks van toepassing in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(2)  Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1624 van de Commissie van 23 oktober 2018 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot procedures, standaardformulieren en templates ten behoeve van de informatieverstrekking voor de opstelling en uitvoering van afwikkelingsplannen voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1066 van de Commissie (PB L 277 van 7.11.2018, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


BIJLAGE I

Z 02.00 – Passivastructuur (LIAB)


 

Tegenpartij

TOTAAL

 

Huishoudens

Niet-financiële vennootschappen (kmo’s)

Niet-financiële vennootschappen (niet-kmo’s)

Kredietinstellingen

Andere financiële vennootschappen

Overheden en centrale bank

Niet-geïdentificeerd, genoteerd op handelsplatform

Niet-geïdentificeerd, niet-genoteerd op handelsplatform

waarvan: intragroep

waarvan: onder het recht van een derde land vallende verplichtingen, met uitsluiting van intragroep

Rij

Post

0010

0020

0030

0040

0050

0060

0070

0080

0090

0100

0110

0100

VAN BAIL-IN UITGESLOTEN VERPLICHTINGEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0110

Gedekte deposito’s

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0120

Gedekte verplichtingen – door zekerheden gedekte deel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0130

Verplichtingen jegens cliënten, indien beschermd bij insolventie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0140

Fiduciaire verplichtingen, indien beschermd bij insolventie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0150

Verplichtingen jegens instellingen < 7 dagen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0161

Verplichtingen jegens systemen (of exploitanten daarvan) en CTP’s < 7 dagen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0170

Verplichtingen jegens werknemers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0180

Verplichtingen van kritiek belang voor dagelijkse bedrijfsactiviteiten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0190

Verplichting jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, indien preferent

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0200

DGS-verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0210

Verplichtingen jegens andere entiteiten van de af te wikkelen groep

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0300

NIET VAN BAIL-IN UITGESLOTEN VERPLICHTINGEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0310

Deposito’s, niet gedekt maar preferent

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0311

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0312

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0313

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0314

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0320

Deposito’s, niet gedekt en niet preferent

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0321

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0322

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0323

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0324

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0330

Uit derivaten voortvloeiende balansverplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0331

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, vóór verrekening zekerheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0332

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, na verrekening zekerheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0333

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, na verrekening zekerheden, met verwerking geraamde beëindigingsbedragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0334

Som nettopassiefposities rekening houdende met regels inzake prudentiële saldering

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0340

Niet door zekerheden gedekte verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0341

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0342

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0343

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0344

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0350

Structured notes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0351

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0352

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0353

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0354

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0360

Niet-achtergestelde ongedekte verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0361

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0362

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0363

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0364

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0365

Niet-achtergestelde niet-preferente verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0366

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0367

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0368

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0369

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0370

Achtergestelde verplichtingen (niet erkend als eigen vermogen)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0371

waarvan: resterende looptijd <= 1 maand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0372

waarvan: resterende looptijd > 1 maand < 1 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0373

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0374

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0380

Andere voor MREL in aanmerking komende verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0381

waarvan: resterende looptijd >= 1 jaar en < 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0382

waarvan: resterende looptijd >= 2 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0390

Niet-financiële verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0400

Resterende verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0500

EIGEN VERMOGEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0510

Tier1-kernkapitaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0511

waarvan: kapitaalinstrumenten/aandelenkapitaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0512

waarvan: instrumenten met dezelfde rang als gewone aandelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0520

Aanvullend tier 1-kapitaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0521

waarvan: (deel van) als eigen vermogen erkende achtergestelde verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0530

Tier 2-kapitaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0531

waarvan: (deel van) als eigen vermogen erkende achtergestelde verplichtingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0600

TOTAAL VERPLICHTINGEN & EIGEN VERMOGEN MET INBEGRIP VAN UIT DERIVATEN VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Z 03.00 – Eigenvermogensvereisten (OWN)


 

 

Bedrag of percentage

0010

0100

TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN

 

0110

Bijdrage aan totale geconsolideerde risicoposten

 

0120

Maatstaf totale blootstelling (TEM)

 

 

AANVANGSKAPITAAL EN HEFBOOMRATIOVEREISTE

 

0210

Aanvangskapitaal

 

0220

Hefboomratiovereiste

 

0300

TOTALE SREP-KAPITAALVEREISTE-RATIO (TSCR-RATIO)

 

0310

TSCR: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

 

0320

TSCR: bestaande uit tier 1-kapitaal

 

0400

GECOMBINEERDE BUFFERVEREISTEN

 

0410

Kapitaalconserveringsbuffer

 

0420

Conserveringsbuffer als gevolg van macroprudentieel of systeemrisico onderkend op het niveau van een lidstaat

 

0430

Instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer

 

0440

Systeemrisicobuffer

 

0450

Buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen

 

0460

Buffer voor andere systeemrelevante instellingen

 

0500

Algeheel kapitaalvereiste-ratio (OCR-ratio)

 

0510

OCR: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

 

0520

OCR: bestaande uit tier 1-kapitaal

 

0600

OCR en pijler 2-richtsnoeren (P2G)

 

0610

OCR en P2G: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

 

0620

OCR en P2G: bestaande uit tier 1-kapitaal”

 


BIJLAGE II

„BIJLAGE II

Instructies

I.   Algemene instructies

I.1   Opzet

1.

Het raamwerk bestaat uit 15 templates, georganiseerd in 3 blokken:

(1)

“Algemene informatie”: hierin vindt u een overzicht van de organisatiestructuur van een groep en zijn entiteiten, de spreiding van activa en risicoposten. Dit blok bestaat uit template “Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG)”.

(2)

“Informatie over posten binnen en buiten de balanstelling”: hier vindt u financiële informatie over passiva, eigen vermogen, financiële banden tussen groepsentiteiten, verplichtingen ten aanzien van de belangrijkste tegenpartijen, van de belangrijkste tegenpartijen ontvangen posten buiten de balanstelling, en depositoverzekering. Dit blok bestaat uit 6 templates:

(a)

“Z 02.00 — Passivastructuur (LIAB)”;

(b)

“Z 03.00 — Eigenvermogensvereisten (OWN)”;

(c)

“Z 04.00 — Intragroep financiële verwevenheden (IFC)”;

(d)

Twee templates over de belangrijkste tegenpartijen: “Z 05.01 — Passiva belangrijkste tegenpartijen (MCP 1)” en “Z 05.01 — Belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling (MCP 2)”;

(e)

“Z 06.00 — Depositoverzekering (Z-DIS)”.

(3)

“Kritieke functies”: hier vindt u een overzicht van kritieke functies, met een uitsplitsing naar rechtspersonen, kernbedrijfsonderdelen, kritieke diensten, financiële-marktinfrastructuren en informatiesystemen. Dit blok bestaat uit 7 templates:

(a)

4 templates om kritieke functies te identificeren en te mappen met kernbedrijfsonderdelen en groepsentiteiten: “Z 07.01 — Beoordeling kriticiteit economische functies (Z-FUNC 1)”; “Z 07.02 — Mapping kritieke functies met rechtspersonen (Z-FUNC 2)”; “Z 07.03 — Mapping kernbedrijfsonderdelen met rechtspersonen (Z-FUNC 3)”, en “Z 07.04 — Mapping kritieke functies met kernbedrijfsonderdelen (Z-FUNC 4)”;

(b)

“Z 08.00 — Kritieke diensten (Z-SERV)”;

(c)

“Z 09.00 — FMI-diensten — Aanbieders en gebruikers — Mapping met kritieke functies (FMI)”;

(d)

2 templates over kritieke informatiesystemen: “Z 10.01 — Kritieke informatiesystemen (algemene informatie) (Z-CIS 1)” en “Z 10.02 — Mapping informatiesystemen (Z-CIS 2)”.

I.2   Referenties

2.

Voor de toepassing van deze bijlage zijn de volgende afkortingen van toepassing:

a)

“BCBS”: Bazels Comité voor bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision) van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS);

b)

“CPMI”: het Committee on Payments and Market Infrastructures van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS);

c)

“FINREP”: de financiële-informatietemplates in de bijlagen III en IV bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (1), en de aanvullende instructies daarbij in bijlage V bij die uitvoeringsverordening;

d)

“COREP (OF)”: de bijlagen I (templates) en II (instructies) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie;

e)

“COREP (LR)”: de bijlagen X (templates) en XI (instructies) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie;

f)

“FSB”: Financial Stability Board;

g)

“IAS”: internationale standaarden voor jaarrekeningen in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (2);

h)

“IFRS”: internationale standaarden voor financiële verslaglegging in de zin van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

i)

“LEI-code”: de identificatiecode voor juridische entiteiten (3). Wanneer voor een bepaalde tegenpartij een identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI-code) bestaat, deze code gebruiken om die tegenpartij te identificeren;

j)

“nGAAP” of “nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen”: nationale kaders voor financiële verslaggeving, ontwikkeld op grond van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad (4).

I.3   Standaarden voor jaarrekeningen

3.

Tenzij in deze bijlage anders aangegeven, rapporteren instellingen alle bedragen op basis van het kader voor financiële verslaggeving dat zij gebruiken voor het rapporteren van financiële informatie in overeenstemming met de artikelen 9 tot en met 11 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451. instellingen die geen financiële informatie in overeenstemming met die verordening hoeven te rapporteren, passen de regels van hun respectieve kader voor financiële verslaggeving toe.

4.

Ten behoeve van de instellingen die zich bij hun rapportage op de IFRS baseren, zijn verwijzingen naar de desbetreffende IFRS opgenomen.

I.4   Reikwijdte van de consolidatie

5.

Dit kader verwijst, afhankelijk van de template, naar:

a)

consolidatie op basis van boekhoudkundige consolidatie (entiteiten opgenomen in de geconsolideerde financiële overzichten overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving);

b)

prudentiële consolidatie (entiteiten die onder de consolidatie vallen overeenkomstig deel één, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5)) op het niveau van de EU-moederonderneming;

c)

consolidatie op het niveau van de afwikkelingsentiteit voor de afwikkelingsgroep.

6.

Voor elke template volgen instellingen de consolidatiebasis of -bases die op grond van artikel 4 van deze verordening van toepassing is of zijn.

I.5   Nummering en andere conventies

7.

De instructies in deze bijlage volgen de in de volgende tabel beschreven conventies, waarbij numerieke codes worden gebruikt om naar kolommen, rijen en cellen van de templates te verwijzen. Van deze numerieke codes wordt uitgebreid gebruikgemaakt in de validatievoorschriften.

De volgende algemene notaties worden gehanteerd:

(a)

{Template;Rij;Kolom} om te verwijzen naar kolommen, rijen en cellen van een template;

(b)

{Rij;Kolom} in het geval van validaties binnen een template, waarbij alleen datapunten uit die template worden gebruikt, zonder naar een template te verwijzen;

(c)

{Template;Row} in het geval van templates die slechts uit één kolom bestaan, waarbij uitsluitend naar rijen wordt verwezen;

(d)

een asterisk geeft aan dat de validatie geldt voor de gehele rij of kolom.

8.

Wanneer een data-item niet van toepassing is op de entiteiten waarvoor wordt gerapporteerd, het overeenkomstige veld leeg laten.

9.

Wanneer in de instructies in deze bijlage sprake is van een primaire sleutel, wordt daarmee een kolom of combinatie van kolommen bedoeld waarmee alle rijen van de template op unieke wijze worden geïdentificeerd. Een primaire sleutel bevat voor elke rij van de template een unieke waarde. Deze waarde mag niet nul zijn.

II.   Instructies met betrekking tot de templates

II.1   Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG)

II.1.1   Algemene opmerkingen

10.

Deze template geeft een overzicht van de juridische structuur en eigendomsstructuur van de groep. Eén template indienen voor alle groepsentiteiten die voldoen aan de minimumdrempel van artikel 4, lid 2, punt a), van deze verordening. Alleen rechtspersonen in deze template identificeren.

II.1.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0010-0160

Entiteit

0010

Naam

Naam van de entiteit. Officiële naam zoals die voorkomt in ondernemingsdocumenten, met vermelding van de rechtsvorm.

0020

Code

Code van de entiteit. Voor instellingen is de code een alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt. De code moet steeds een waarde hebben.

0030

LEI-code

Alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers van de entiteit, voor zover beschikbaar.

0040

Type entiteit

Het type entiteit is, in volgorde van prioriteit, een van de volgende:

a)

“Kredietinstelling”

Deze categorie omvat kredietinstellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van de in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) bedoelde entiteiten.

b)

“Aan het in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde aanvangskapitaalvereiste onderworpen beleggingsonderneming”

Deze categorie omvat beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die aan het in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde aanvangskapitaalvereiste zijn onderworpen.

c)

“Niet aan het in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde aanvangskapitaalvereiste onderworpen beleggingsonderneming”

d)

“Financiële instelling”

Deze categorie omvat financiële instellingen in de zin van artikel 4, lid 26, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, niet zijnde instellingen die in punt e) als “holding” zijn geclassificeerd.

e)

“Holding”

Deze categorie omvat de volgende holdings:

een financiële holding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 20, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een gemengde financiële holding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een gemengde holding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 22, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een gemengde financiële moederholding in een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 30, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een financiële EU-moederholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 31, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een gemengde financiële moederholding in een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 32, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

een gemengde financiële EU-moederholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 33, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

f)

“Verzekeringsonderneming”

Deze categorie omvat verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 13 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).

g)

“Ander type entiteit”: een entiteit die niet onder een van de bovenstaande categorieën valt.

0050

Land

De ISO 3166-1 alpha-2-identificatiecode van het land van oprichting van de entiteit, dat een lidstaat of een derde land kan zijn.

0060

Opgenomen in de prudentiële perimeter

Rapporteer de volgende afkortingen:

 

Y — Ja;

 

N — Nee.

0070

Ontheffing artikel 7 VKV

Rapporteer de volgende afkortingen:

 

Y — indien de bevoegde autoriteit, overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013, ontheffing heeft verleend van de toepassing van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

 

N — ander geval.

0080

Ontheffing artikel 10 VKV

Rapporteer de volgende afkortingen:

 

Y — indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 ontheffing heeft verleend.

 

N — ander geval.

0090

Totale activa

Totale activa als gedefinieerd voor FINREP: {F 01.01;380,010}

0100

Totaal risicoposten

Totaal risicoposten als gedefinieerd voor COREP (OF): {C 02.00;0010;0010}

Dit item niet rapporteren voor entiteiten die geen instellingen of entiteiten zijn die overeenkomstig artikel 7 of artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 ontheffing hebben gekregen.

0110

Blootstelling voor de berekening van de hefboomratio

Totale blootstelling voor de berekening van de hefboomratio als gedefinieerd voor COREP (LR): {C 47.00;0290;0010}

Dit item niet rapporteren voor entiteiten die geen instellingen of entiteiten zijn die overeenkomstig artikel 7 of artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 ontheffing hebben gekregen.

0120

Standaard voor jaarrekeningen

Standaarden voor jaarrekeningen toegepast door de entiteit. Rapporteer de volgende afkortingen:

IFRS

nGAAP.

0130

Bijdrage aan totale geconsolideerde activa

Het bedrag dat de entiteit bijdraagt aan de totale geconsolideerde activa van de groep waarop de rapportage ziet.

0140

Bijdrage aan totale geconsolideerde risicoposten

Het bedrag dat de entiteit bijdraagt aan de totale geconsolideerde risicoposten van de groep waarop de rapportage ziet.

0150

Bijdrage aan geconsolideerde blootstelling voor de berekening van de hefboomratio

Het bedrag dat de entiteit bijdraagt aan de totale geconsolideerde blootstelling voor de berekening van de hefboomratio van de groep waarop de rapportage ziet.

0160

Relevante rechtspersoon

De vraag of de entiteit een relevante rechtspersoon is in de zin van artikel 2 van deze verordening.

0170-0210

Directe moederonderneming

Directe moederonderneming van de entiteit. Alleen een directe moederonderneming met meer dan 5 % van de stemrechten in de entiteit rapporteren.

Indien een entiteit meer dan één directe moederonderneming heeft, alleen de directe moederonderneming met hoogste aandeel in het kapitaal — of, in voorkomend geval, aandeel van de stemrechten — rapporteren.

0170

Naam

Naam van de directe moederonderneming van de entiteit.

0180

Code

De code van de directe moederonderneming. Voor instellingen is de code een alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt. De code moet steeds een waarde hebben.

0190

LEI-code

Alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers van de entiteit, voor zover beschikbaar.

0200

Aandelenkapitaal

Bedrag van het door de directe moederonderneming in de entiteit aangehouden aandelenkapitaal, met uitsluiting van reserves.

0210

Stemrechten in de entiteit

Percentage van de stemrechten die de directe moederonderneming in de entiteit bezit.

Deze informatie is alleen verplicht ingeval één aandeel niet gelijk is aan één stem (en stemrechten dus niet gelijk zijn aan het aandelenkapitaal).

II.2   Z 02.00 — Passivastructuur (LIAB)

II.2.1   Algemene opmerkingen

11.

Deze template vereist gedetailleerde informatie over de passivastructuur van de entiteit of groep. Verplichtingen worden opgesplitst in wel en niet van bail-in uitgesloten verplichtingen. Verdere uitsplitsingen in categorieën verplichtingen, tegenpartijen en looptijden worden vermeld.

12.

Wanneer in deze template een uitsplitsing naar looptijd moet worden gegeven, is de resterende looptijd de tijd tot de contractuele vervaldatum. Daarop gelden de volgende afwijkingen:

a)

indien een passiva-instrument een aflossingsoptie voor de houder bevat die kan worden uitgeoefend vóór de oorspronkelijke vervaldatum van het instrument, is de vervaldatum van het instrument de vroegst mogelijke datum waarop de houder de aflossingsoptie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen;

b)

indien een passiva-instrument een prikkel voor de uitgevende instelling bevat om het instrument vóór zijn oorspronkelijke vervaldatum op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, is de vervaldatum van het instrument de vroegst mogelijke datum waarop de uitgevende instelling die optie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen;

c)

indien het instrument een call option zonder gespecificeerde uitoefeningsdatum voor de uitgevende instelling bevat of indien de uitoefening van de optie door specifieke gebeurtenissen wordt getriggerd, wordt de volgens voorzichtige schattingen waarschijnlijke datum van aflossing gerapporteerd. Met regulatory of tax call options wordt hier geen rekening gehouden.

Bij tussentijdse betalingen van de hoofdsom wordt deze opgesplitst en toegewezen aan de overeenkomstige looptijdsegmenten. In voorkomend geval de looptijd afzonderlijk in aanmerking nemen voor zowel de hoofdsom als de opgelopen rente.

13.

De in deze template gerapporteerde bedragen zijn uitstaande bedragen. Het uitstaande bedrag van een vordering of instrument is de som van de hoofdsom van en de opgelopen rente over de vordering of het instrument. Het uitstaande bedrag is gelijk aan de waarde van de vordering die de schuldeiser in het kader van een insolventieprocedure zou kunnen indienen.

14.

Uit derivaten voortvloeiende balansverplichtingen (gerapporteerd in rij 0330) worden echter tegen boekwaarde gerapporteerd. De boekwaarde is de boekwaarde zoals gedefinieerd voor FINREP-doeleinden, onder IFRS of nGAAP, al naargelang. Anders de cijfers volgens nGAAP-rapportageregelingen gebruiken.

II.2.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0010

Huishoudens

FINREP, bijlage V, deel 1, punt 42, f)

Particulieren of groepen particulieren (zoals consumenten) en partijen die uitsluitend voor eigen eindgebruik goederen en niet-financiële diensten produceren, alsmede producenten van marktgoederen en niet-financiële en financiële diensten mits hun activiteiten niet die van quasi-vennootschappen zijn. Deze categorie omvat ook instellingen zonder winstoogmerk die huishoudens bedienen en die zich hoofdzakelijk bezighouden met de productie van niet-marktgoederen en -diensten die voor specifieke groepen huishoudens zijn bedoeld.

0020

Niet-financiële vennootschappen (kmo’s)

Bijlage I, titel I, artikel 2.1, bij de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 (8); FINREP, bijlage V, deel 1, punt 5, i)

Ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

0030

Niet-financiële vennootschappen (niet-kmo’s)

FINREP, bijlage V, deel 1, punt 42, e)

Vennootschappen en quasi-vennootschappen die zich niet bezighouden met financiële intermediatie maar hoofdzakelijk met de productie van marktgoederen en niet-financiële diensten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank (9).

In kolom 0020 gerapporteerde “kmo’s” zijn hier uitgesloten.

0040

Kredietinstellingen

FINREP, bijlage V, deel 1, punt 42, c)

Kredietinstellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en multilaterale ontwikkelingsbanken.

0050

Andere financiële vennootschappen

FINREP, bijlage V, deel 1, punt 42, d)

Alle financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen niet zijnde kredietinstellingen, zoals beleggingsondernemingen, beleggingsfondsen, verzekeringsondernemingen, pensioenfondsen, instellingen voor collectieve belegging en clearinginstituten, alsook alle overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband.

0060

Overheden en centrale bank

FINREP, bijlage V, deel 1, punt 42, a) en b)

Centrale banken en centrale overheden, deelstaat- of regionale overheden, en lokale overheden, met inbegrip van administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen, doch exclusief door deze overheden aangehouden publieke en particuliere vennootschappen die commerciële activiteiten verrichten (welke onder “Kredietinstellingen”, “Andere financiële vennootschappen” of “Niet-financiële vennootschappen” worden gerapporteerd, naargelang van de activiteit ervan); fondsen voor sociale zekerheid, en internationale organisaties zoals de Europese Unie, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen.

0070

Niet-geïdentificeerd, genoteerd op een handelsplatform

Wanneer de identiteit van de houder van een effect niet bekend is doordat de instrumenten zijn genoteerd op een handelsplatform in de zin van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (10), de bedragen aan deze kolom toewijzen.

0080

Niet-geïdentificeerd, niet-genoteerd op een handelsplatform

Wanneer de identiteit van de houder van een effect niet bekend is, zonder dat de instrumenten op een handelsplatform zijn genoteerd, de bedragen aan deze kolom toewijzen en niet verder uitsplitsen naar tegenpartij. Entiteiten stellen alles in het werk om tegenpartijen te identificeren en beperken het gebruik van deze kolom tot een minimum.

0090

Totaal

0100

Waarvan: intragroep

Verplichtingen ten aanzien van entiteiten opgenomen in de geconsolideerde financiële overzichten van de uiteindelijke moederonderneming (in tegenstelling tot het wettelijke consolidatiebereik).

0110

Waarvan: onder het recht van een derde land vallende verplichtingen, met uitsluiting van intragroep

Deze omvatten de brutobedragen van verplichtingen die onder het recht van een derde land vallen en/of die zijn uitgegeven door in derde landen gevestigde groepsentiteiten. Intragroepsverplichtingen zijn uitgesloten.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit heeft bevestigd dat zij zich, overeenkomstig artikel 55, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (11), ervan heeft vergewist dat besluiten van een afwikkelingsautoriteit tot afschrijving of omzetting van een passiefpost zullen worden uitgevoerd krachtens het recht van dat derde land, die verplichting niet in deze kolom rapporteren.


Rijen

Instructies

0100

Van bail-in uitgesloten verplichtingen

Artikel 44, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bepaalt dat de afwikkelingsautoriteiten hun afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden niet uitoefenen met betrekking tot van bail-in uitgesloten passiva, ongeacht of deze onder het recht van een lidstaat of van een derde land vallen.

0110

Gedekte deposito’s

Het bedrag van gedekte deposito’s in de zin van artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (12), met uitsluiting van tijdelijk hoge saldi in de zin van artikel 6, lid 2, van die richtlijn.

0120

Gedekte verplichtingen — door zekerheden gedekte deel

Artikel 44, lid 2, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU

Gedekte verplichtingen, met inbegrip van retrocessieovereenkomsten (repo’s), gedekte obligaties en verplichtingen in de vorm van financiële instrumenten die integraal deel uitmaken van de pool van onderliggende activa en die volgens nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties gedekt zijn.

Noch het vereiste dat ervoor gezorgd moet worden dat alle gedekte activa in verband met een dekkingspool van gedekte obligaties onaangeroerd en gescheiden blijven en over voldoende vermogen blijven beschikken, noch de uitsluiting van artikel 44, lid 2, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU mag de afwikkelingsautoriteiten ervan weerhouden om, in voorkomend geval, deze bevoegdheden uit te oefenen met betrekking tot die delen van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen die de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee zij zijn gedekt, overschrijden. Dit ongedekte bedrag van die gedekte verplichtingen niet in deze rij, maar in rij 0340 rapporteren, evenwel met een verdere uitsplitsing.

Centralebankverplichtingen die worden gedekt door een pool van zekerheden (bv. basisherfinancieringstransacties, Long Term Refinancing Operations (LTRO’s), Targeted Longer Term Refinancing Operations (TLTRO’s) enz.), als gedekte verplichtingen beschouwen.

Een bijzonder type verplichtingen zijn ontvangen en op de balans opgenomen zekerheidsposities. Wanneer dit soort zekerheidsposities wettelijk gekoppeld zijn aan een actiefpositie, deze ten behoeve van deze rapportage als gedekte verplichtingen behandelen.

0130

Verplichtingen jegens cliënten, indien beschermd bij insolventie

Artikel 44, lid 2, punt c), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen die ontstaan doordat de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU activa of geld van cliënten aanhoudt, met inbegrip van door of namens icbe’s in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) of abi’s in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) gedeponeerde cliëntenactiva of -gelden, op voorwaarde dat de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventiewetgeving.

0140

Fiduciaire verplichtingen, indien beschermd bij insolventie

Artikel 44, lid 2, punt d), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen die ontstaan doordat er een fiduciaire relatie tussen de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU (als vertrouwenspersoon) en een andere persoon (als begunstigde) ontstaat, op voorwaarde dat de begunstigde in kwestie bescherming geniet uit hoofde van de toepasselijke insolventie- of civielrechtelijke wetgeving.

0150

Verplichtingen jegens instellingen < zeven dagen

Artikel 44, lid 2, punt e), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens instellingen, met uitzondering van entiteiten die tot dezelfde boekhoudgroep behoren, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen.

0161

Verplichtingen jegens systemen (of exploitanten daarvan) en CTP’s < zeven dagen

Artikel 44, lid 2, punt f), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen die als zodanig zijn aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) of jegens hun deelnemers en die uit de deelname aan een dergelijk systeem voortvloeien, of jegens CTP’s waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (16) en CTP’s uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van die verordening.

0170

Verplichtingen jegens werknemers

Artikel 44, lid 2, punt g), i), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de beloning. Dit is echter niet van toepassing op de variabele component van de beloning van in artikel 92, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde materiële risico’s nemende medewerkers.

0180

Verplichtingen van kritiek belang voor dagelijkse bedrijfsactiviteiten

Artikel 44, lid 2, punt g), ii), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens commerciële of handelscrediteuren welke voortvloeien uit de levering van goederen of diensten aan de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten ervan, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten.

0190

Verplichtingen jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, indien preferent

Artikel 44, lid 2, punt g), iii), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties mits het, volgens het toepasselijke recht, preferente verplichtingen betreft.

0200

DGS-verplichtingen

Artikel 44, lid 2, punt g), iv), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens depositogarantiestelsels welke voortvloeien uit bijdragen die uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU verschuldigd zijn.

0210

Verplichtingen jegens andere entiteiten van de af te wikkelen groep

Artikel 44, lid 2, punt h), van Richtlijn 2014/59/EU

Verplichtingen jegens instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, doch zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, behalve indien die verplichtingen in de crediteurenrangorde volgens het betrokken nationaal recht inzake normale insolventieprocedures dat van toepassing is op de datum van omzetting van Richtlijn 2014/59/EU, lager gerangschikt zijn dan gewone ongedekte verplichtingen.

Indien de uitgesloten verplichting een derivatenpassief is, worden de nettopassiefposities rekening houdende met de prudentiële nettingregels van artikel 429 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 gerapporteerd.

0300

Niet van bail-in uitgesloten verplichtingen

0310-0314

Deposito’s, niet gedekt maar preferent

Artikel 108 van Richtlijn 2014/59/EU

Deposito’s in de zin van artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn 2014/49/EU die niet in aanmerking komen voor uitsluiting van bail-in (artikel 44, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU), doch wel voor de preferente behandeling overeenkomstig artikel 108 van Richtlijn 2014/59/EU.

0320-0324

Deposito’s, niet gedekt en niet preferent

Deposito’s in de zin van artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn 2014/49/EU die, op grond van artikel 44, lid 2, punt a), of artikel 108 van Richtlijn 2014/59/EU, niet in aanmerking komen voor uitsluiting van bail-in of voor preferente behandeling.

0330

Uit derivaten voortvloeiende balansverplichtingen

Boekwaarde van uit derivaten voortvloeiende balansverplichtingen.

0331

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, vóór verrekening zekerheden

Standaard is dit de som van alle nettomarktwaarden van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen per contractuele nettingset. Alleen wanneer de nettomartkwaarde van een nettingset een verplichting is, de nettingset rapporteren. Derivaten die niet onder nettingregelingen vallen, worden als één contract behandeld, d.w.z. als gold het een nettingset met slechts één derivaat.

0332

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, na compensatie zekerheden

De waardering in rij 0331 is onderhevig aan een aanpassing voor tot dekking van deze blootstelling verschafte zekerheden, hetgeen het totaal oplevert van deze nettomarktwaarden na verrekening van de zekerheden tegen de marktwaarde ervan.

0333

Som nettopassiefposities rekening houdende met contractuele nettingsets, na aanpassing waardering tegen marktwaarde, na verrekening zekerheden, met verwerking geraamde beëindigingsbedragen

Overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie (17) een aanvullend beëindigingsbedrag dat overeenstemt met de verliezen of kosten die tegenpartijen bij derivaten hebben gemaakt, dan wel de winsten die zij hebben gerealiseerd bij het vervangen of het verkrijgen van het economische equivalent, wat materiële voorwaarden betreft, van beëindigde contracten en van de optierechten van de partijen met betrekking tot die beëindigde contracten.

De ramingen die nodig zijn om het beëindigingsbedrag in overeenstemming met die gedelegeerde verordening te bepalen, kunnen in individuele gevallen heel moeilijk te maken zijn. Daarom mogen in plaats daarvan proxywaarden worden gebruikt, die gebaseerd mogen zijn op beschikbare data zoals de prudentiële vereisten voor marktrisico. Indien het onmogelijk blijkt te zijn om voor de uit derivaten voortvloeiende verplichtingen het beëindigingsbedrag te berekenen, moet het gerapporteerde bedrag gelijk zijn aan het in rij 0332 gerapporteerde bedrag.

0334

Som nettopassiefposities rekening houdende met regels inzake prudentiële netting

Hier de nettopassiefposities voor derivaten rapporteren, rekening houdende met de regels inzake prudentiële netting van artikel 429 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 (met betrekking tot de berekening van de maatstaf voor de totale risicoblootstelling voor de berekening van de hefboomratio).

0340-0344

Niet door zekerheden gedekte verplichtingen

Het bedrag van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen dat de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee deze verplichtingen zijn gedekt, overschrijdt. Dit is het “niet door zekerheden gedekte” deel van door zekerheden gedekte verplichtingen, bijvoorbeeld het deel met “onderdekking” van gedekte obligaties of retrocessieovereenkomsten.

0350-0354

Structured notes

Structured notes worden voor dit doel omschreven als schuldverplichtingen met een ingebouwde derivatencomponent en met rendementen gekoppeld aan een onderliggend effect of onderliggende index (publiek of specifiek, zoals aandelen of obligaties, vastrentende tarieven of krediet, valuta, grondstoffen enz.). Structured notes omvatten geen schuldinstrumenten die uitsluitend call- of putopties bevatten, d.w.z. de waarde van het instrument is niet afhankelijk van ingebouwde derivatencomponenten.

0360-0364

Niet-achtergestelde ongedekte verplichtingen

Dit omvat alle niet-achtergestelde, ongedekte instrumenten die niet zijn opgenomen in de categorie “structured notes”.

0365-0369

Niet-achtergestelde niet-preferente verplichtingen

Bedrag van de volgende verplichtingen:

ongedekte vorderingen die voortvloeien uit schuldinstrumenten die voldoen aan de in artikel 108, lid 2, punten a), b) en c), en artikel 108, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde voorwaarden;

ongedekte vorderingen die voortvloeien uit schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 108, lid 5, eerste alinea, punt b), van Richtlijn 2014/59/EG;

schuldinstrumenten met de laagste rang onder de gewone ongedekte vorderingen die voortvloeien uit in artikel 108, lid 7, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde schuldinstrumenten, waarvoor een lidstaat, in overeenstemming met dat lid, heeft bepaald dat deze dezelfde rang hebben als die van vorderingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 108, lid 2, punten a), b) en c), en artikel 108, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU.

0370-0374

Achtergestelde verplichtingen

Verplichtingen die volgens het nationale insolventierecht pas zullen worden terugbetaald nadat alle categorieën gewone schuldeisers en niet-achtergestelde niet-preferente schuldeisers volledig zijn terugbetaald. Dit omvat zowel contractueel als wettelijk achtergestelde verplichtingen. In het geval van holdings kunnen ook niet-achtergestelde schuldtitels in deze categorie worden gerapporteerd (d.w.z. structurele achterstelling).

Alleen achtergestelde instrumenten die niet als eigen vermogen worden erkend, mogen in deze categorie worden opgenomen.

Deze rij moet ook het deel van de achtergestelde verplichtingen omvatten dat in beginsel als eigen vermogen kwalificeert, doch niet in het eigen vermogen is opgenomen door uitfaseringsbepalingen zoals artikel 64 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (resterende looptijd) of deel tien van Verordening (EU) nr. 575/2013 (impact grandfathering).

0380-0382

Andere voor MREL in aanmerking komende verplichtingen

Instrumenten die in aanmerking komen om aan het vereiste van artikel 45 van Richtlijn 2014/59/EU te voldoen, doch niet onder de rijen 0320 en 0340 t/m 0370 vallen.

0390

Niet-financiële verplichtingen

In deze rij vallen niet-financiële verplichtingen die geen verband houden met schuldinstrumenten waarbij voor de houders daarvan bail-in om praktische redenen mogelijk is, zoals voorzieningen met betrekking tot geschillen waarin de entiteit verwikkeld is.

0400

Resterende verplichtingen

Niet in de rijen 0100 t/m 0390 gerapporteerde verplichtingen.

0500

Eigen vermogen

Artikel 4, lid 1, punt 118, en artikel 72 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zelfde definitie als COREP (OF): {C 01.00;010;010}

0510

Tier 1-kernkapitaal

Artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zelfde definitie als COREP (OF): {C 01.00;020;010}

0511

Waarvan: kapitaalinstrumenten/aandelenkapitaal

Juridische instrumenten die (een deel van) het tier 1-kernkapitaal uitmaken en de vorm aannemen van kapitaalinstrumenten/aandelenkapitaal.

0512

Waarvan: instrumenten met dezelfde rang als gewone aandelen

Juridische instrumenten die (een deel van) het tier 1-kernkapitaal uitmaken en de vorm aannemen van andere instrumenten dan kapitaalinstrumenten/aandelenkapitaal, maar die dezelfde rang hebben als deze categorie.

0520

Aanvullend tier 1-kapitaal

Artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zelfde definitie als COREP (OF): {C 01.00;530;010}

0521

Waarvan: (deel van) als eigen vermogen erkende achtergestelde verplichtingen

Juridische instrumenten die (een deel van) het aanvullend tier 1-kapitaal uitmaken.

0530

Tier 2-kapitaal

Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zelfde definitie als COREP (OF): {C 01.00;750;010}

0531

Waarvan: (deel van) als eigen vermogen erkende achtergestelde verplichtingen

Deze uitsplitsing identificeert de juridische instrumenten die (een deel van) het tier 2-kapitaal uitmaken.

0600

Totaal verplichtingen en eigen vermogen, met inbegrip van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen

Som van alle in deze template gerapporteerde verplichtingen en het bedrag van het wettelijke eigen vermogen. Hiervoor worden alle bedragen uit de bovenstaande lijnen opgeteld. Voor derivaten wordt de waarde gebruikt uit rij 0334 “Som nettopassiefposities rekening houdende met regels inzake prudentiële netting”.

II.3   Z 03.00 — Eigenvermogensvereisten (OWN)

II.3.1   Algemene opmerkingen

15.

In deze template wordt informatie gebundeld over de eigenvermogensvereisten voor een entiteit of een groep.

16.

Alle gerapporteerde informatie geeft de eigenvermogensvereisten weer zoals die van toepassing zijn op de rapportagereferentiedatum.

17.

De in deze template gerapporteerde informatie over pijler 2-vereisten moet zijn gebaseerd op de laatst beschikbare officiële SREP-brief van de bevoegde autoriteit.

18.

Wanneer de entiteit waarop de rapportage betrekking heeft, niet onderworpen is aan kapitaalvereisten op individuele basis, alleen rij 0110 rapporteren.

II.3.2   Instructies voor bepaalde posities

Rijen

Instructies

0100

Totaal risicoposten

Artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zie Z 01.00, kolom 0100

Totaal risicoposten als gedefinieerd voor COREP (OF): {C 02.00;010;010}

0110

Bijdrage aan totale geconsolideerde risicoposten

Zie Z 01.00, kolom 0140

Deze post alleen rapporteren voor entiteiten die niet onderworpen zijn aan kapitaalvereisten op individuele basis.

0120

Maatstaf totale blootstelling (TEM)

Artikel 429, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0210-0250

Aanvangskapitaal- en hefboomratiovereisten

0210

Aanvangskapitaal

Artikel 12 en artikelen 28 tot en met 31 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 93 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van het aanvangskapitaal dat vereist is als voorwaarde voor het verkrijgen van een vergunning om de activiteit van een instelling te beginnen.

0220

Hefboomratiovereiste

Hefboomratiovereiste overeenkomstig artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 zoals dat geldt voor de entiteit of groep, uitgedrukt als percentage van de maatstaf van totale blootstelling. instellingen die blootstellingen met betrekking tot de centrale bank van de instelling als bedoeld in artikel 429 bis, lid 1, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013 uitsluiten, rapporteren het vereiste inzake de aangepaste hefboomratio berekend overeenkomstig artikel 429 bis, lid 7, van die verordening. Indien er geen formeel vereiste voorhanden is, laten entiteiten deze cel open.

0300

Totale SREP-kapitaalvereiste-ratio (TSCR-ratio)

COREP (OF): {C 03.00;0130;0010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de totale kapitaalratio (8 %) als bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii)

de ratio additionele eigenvermogensvereisten (pijler 2-vereisten — “P2R”), bepaald in overeenstemming met artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU en de EBA-richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder — geconsolideerde versie (EBA/GL/2014/13) (“EBA SREP-richtsnoeren”).

Deze post geeft de totale SREP-kapitaalvereiste-ratio (TSCR-ratio) weer, zoals die door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld. De TSCR wordt omschreven in deel 1.2 van de EBA SREP-richtsnoeren.

Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

0310

TSCR: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

COREP (OF): {C 03.00;0140;0010}

De som van i) en ii), als volgt:

i)

de tier 1-kernkapitaalratio (4,5 %) als bedoeld in artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

het deel van de P2R-ratio, genoemd in punt ii) van rij 0300, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden.

Indien de bevoegde autoriteit geen in de vorm van tier 1-kernkapitaal aan te houden additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

0320

(iii)

TSCR: bestaande uit tier 1-kapitaal

COREP (OF): {C 03.00;0150;0010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de tier 1-kapitaalratio (6 %) als bedoeld in artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii)

het deel van de P2R-ratio, genoemd in punt ii) van rij 0300, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden.

Indien de bevoegde autoriteit geen in de vorm van tier 1-kapitaal aan te houden additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

0400

Gecombineerde buffervereisten

Artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU

COREP (OF): {C 04.00;0740;0010}

0410

Kapitaalconserveringsbuffer

Artikel 128, punt 1, en artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU

COREP (OF): {C 04.00;750;010}

Overeenkomstig artikel 129, lid 1, van die richtlijn is de kapitaalconserveringsbuffer een aanvullend bedrag aan tier 1-kernkapitaal. Doordat de kapitaalconserveringsbuffer stabiel op 2,5 % is gesteld, moet in deze cel een bedrag worden gerapporteerd.

0420

Conserveringsbuffer als gevolg van macroprudentieel of systeemrisico onderkend op het niveau van een lidstaat

Artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013

COREP (OF): {C 04.00;760;010}

In deze cel wordt het bedrag gerapporteerd van de conserveringsbuffer die, overeenkomstig artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013, in aanvulling op de kapitaalconserveringsbuffer kan worden verlangd als gevolg van een op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel of systeemrisico.

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0430

Instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer

Artikel 128, punt 2, artikel 130 en de artikelen 135 tot en met 140 van Richtlijn 2013/36/EU

(zie COREP (OF): {C 04.00;770;010}).

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0440

Systeemrisicobuffer

Artikel 128, punt 5, en de artikelen 133 en 134 van Richtlijn 2013/36/EU

(zie COREP (OF): {C 04.00;780;010})

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0450

Buffer mondiaal systeemrelevante instelling

Artikel 128, punt 3, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

COREP (OF): {C 04.00;800;010}

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0460

Buffer andere systeemrelevante instelling

Artikel 128, punt 4, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

COREP (OF): {C 04.00;810;010}

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0500

Algeheel kapitaalvereiste-ratio (OCR-ratio)

COREP (OF): {C 03.00;160;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de in rij 0300 genoemde TSCR-ratio;

(ii)

voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

De post geeft de algehele kapitaalvereiste-ratio (OCR-ratio) weer zoals gedefinieerd in deel 1.2 van de EBA SREP-richtsnoeren.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, alleen punt i) rapporteren.

0510

OCR: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

COREP (OF): {C 03.00;170;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de TSCR-ratio bestaande uit het tier 1-kernkapitaal genoemd in rij 0310;

(ii)

voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, alleen punt i) rapporteren.

0520

OCR: bestaande uit tier 1-kapitaal

COREP (OF): {C 03.00;180;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de TSCR-ratio bestaande uit het tier 1-kapitaal genoemd in rij 0320;

(ii)

voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, alleen punt i) rapporteren.

0600

OCR en pijler 2-richtsnoeren (P2G)

COREP (OF): {C 03.00;190;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de in rij 0500 genoemde OCR-ratio;

(ii)

voor zover van toepassing de pijler 2-richtsnoeren (“P2G”) als gedefinieerd in de EBA SREP-richtsnoeren. P2G worden alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling zijn meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

0610

OCR: bestaande uit tier 1-kernkapitaal

COREP (OF): {C 03.00;200;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de OCR-ratio bestaande uit het tier 1-kernkapitaal genoemd in rij 0510;

(ii)

in voorkomend geval, het deel van P2G, genoemd in punt ii) van rij 0600, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden. P2G worden alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling zijn meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

0620

OCR en P2G: bestaande uit tier 1-kapitaal

COREP (OF): {C 03.00;210;010}

De som van i) en ii), als volgt:

(i)

de OCR-ratio bestaande uit het tier 1-kapitaal genoemd in rij 0520;

(ii)

in voorkomend geval, het deel van de P2G, genoemd in punt ii) van rij 600, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden. P2G worden alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling zijn meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, alleen punt i) rapporteren.

II.4   Z 04.00 — Intragroep financiële verwevenheden (IFC)

II.4.1   Algemene opmerkingen

19.

In deze template wordt gevraagd naar informatie over niet van bail-in uitgesloten intragroepsverplichtingen, kapitaalinstrumenten en garanties.

20.

Elke financiële verwevenheid rapporteren tussen de betrokken rechtspersonen die in de geconsolideerde financiële overzichten zijn opgenomen. Gerapporteerde bedragen worden geaggregeerd wanneer zij betrekking hebben op dezelfde tegenpartijen (zowel uitgevende of gegarandeerde entiteit, als schuldeiser, houder of garantieverstrekker) en hetzelfde soort verplichtingen, kapitaalinstrumenten of garanties.

21.

De combinatie van de in de kolommen 0020, 0040 en 0050 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

II.4.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0010-0020

Uitgevende entiteit of gegarandeerde entiteit

Rechtspersoon die de schuld- of kapitaalinstrumenten uitgeeft, of die de gegarandeerde entiteit is.

0010

Naam entiteit

Moet verschillen van de in kolom 0030 opgenomen entiteitsnaam.

0020

Code

De code van de uitgevende instelling of ontvanger van de garantie. Voor instellingen is de code een alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt.

De code moet verschillen van de in kolom 0040 opgenomen code.

0030-0040

Schuldeiser, houder of garantieverstrekker

Rechtspersoon die de schuldeiser voor de verplichting is, het kapitaalinstrument houdt of de garantie verstrekt.

0030

Naam entiteit

Moet verschillen van de in kolom 0010 opgenomen entiteitsnaam.

0040

Code

De code van de schuldeiser, houder of garantieverstrekker. Voor instellingen is de code een alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt.

Moet verschillen van de in kolom 0020 opgenomen code.

0050-0080

Financiële verwevenheid

Dit veld beschrijft de financiële verwevenheid tussen de betrokken rechtspersonen.

0050

Type

Te kiezen uit de volgende lijst:

Intragroepsverplichtingen

L.1.

Deposito’s, niet gedekt maar preferent

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0310.

L.2.

Deposito’s, niet gedekt en niet preferent

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0320.

L.3.

Uit derivaten voortvloeiende verplichtingen (beëindigingsbedragen)

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0330.

L.4.

Niet door zekerheden gedekte verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0340.

L.5.

Structured notes

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0350.

L.6.

Niet-achtergestelde ongedekte verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0360.

L.7.

Niet-achtergestelde niet-preferente verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0365.

L.8.

Achtergestelde verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0370.

L.9.

Andere voor MREL in aanmerking komende verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0380.

L.10.

Niet-financiële verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0390.

L.11.

Resterende verplichtingen

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0400. Verplichtingen die niet onder een van de vorige posten vallen.

L.12.

Tier 2-kapitaal

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0530.

L.13.

Aanvullend tier 1-kapitaal

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0520.

L.14.

Tier 1-kernkapitaal

Zelfde definitie als in Z 02.00 (LIAB), rij 0510.

Intragroepsgaranties

G.1.

Uitgiften

Garanties voor specifieke instrumenten/verplichtingen die zijn uitgegeven

G.2.

Tegenpartij

Garanties verstrekt aan een bepaalde tegenpartij van de instelling

G.3.

Onbeperkt

Algemene garanties die niet tot een vast bedrag zijn beperkt

G.4.

Overige

Alle soorten garanties die niet onder voorgaande soorten vallen.

0060

Uitstaand bedrag

Voor verplichtingen (kolom 0050, types L.1, L.2 en L.4 t/m L.14): het uitstaande bedrag van de intragroepsverplichtingen; voor uit derivaten voortvloeiende verplichtingen (type L.3): de beëindigingsbedragen als gedefinieerd ten behoeve van template Z 02.00 (LIAB), rij 0333.

Voor garanties (kolom 0050, waarden G.1 t/m G.4): het potentiële maximumbedrag aan toekomstige betalingen op grond van de garantie.

0070

waarvan uitgegeven volgens recht derde land

Het aandeel, als geldbedrag, van het uitstaande bedrag dat onder het recht van een derde land valt.

0080

Waarvan: voor MREL in aanmerking komend

Het bedrag aan eigen middelen en passiva dat in aanmerking komt om aan het vereiste van artikel 45 van Richtlijn 2014/59/EU te voldoen.

II.5   Z 05.01 en Z 05.02 — Belangrijkste tegenpartijen (MCP)

II.5.1   Algemene opmerkingen

22.

In deze templates wordt informatie verzameld over verplichtingen ten aanzien van de belangrijkste tegenpartijen (Z 05.01) en van de belangrijkste tegenpartijen ontvangen posten buiten de balanstelling (Z 05.02). Gerapporteerde bedragen worden geaggregeerd wanneer zij behoren bij dezelfde tegenpartij en bij dezelfde verplichtingen of posten buiten de balanstelling.

23.

Verplichtingen en posten buiten de balanstelling waarvoor de tegenpartij niet kan worden geïdentificeerd, niet in deze templates rapporteren. Verplichtingen en posten buiten de balanstelling waarvoor de tegenpartij een entiteit is die is opgenomen in de geconsolideerde financiële overzichten, niet rapporteren.

II.5.2   Z 05.01 — Verplichtingen belangrijkste tegenpartijen — Instructies voor bepaalde posities

24.

De combinatie van de in de kolommen 0020 en 0060 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

Kolommen

Instructies

0010-0050

Tegenpartij

Informatie over de belangrijkste tegenpartijen ten aanzien waarvan de verplichtingen ontstaan.

Belangrijkste tegenpartijen worden geïdentificeerd door de som te maken van de uitstaande bedragen van alle verplichtingen die de entiteit of groep waarvoor de template wordt gerapporteerd, heeft jegens elke tegenpartij of groep verbonden cliënten, met uitsluiting van verplichtingen jegens entiteiten die in de geconsolideerde financiële overzichten zijn opgenomen.

De tegenpartijen en groepen verbonden tegenpartijen worden vervolgens gerangschikt volgens het geaggregeerde uitstaande bedrag, om de top tien van de belangrijkste tegenpartijen te identificeren, waarvoor in deze template informatie moet worden verschaft.

De definitie van “groep verbonden tegenpartijen” sluit aan bij de definitie van “groep verbonden cliënten” in artikel 4, lid 1, punt 39, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Ten behoeve van deze template mag een tegenpartij geen entiteit zijn die in de geconsolideerde financiële overzichten is opgenomen.

0010

Naam entiteit

Naam van de belangrijkste tegenpartij of, in voorkomend geval, naam van een groep verbonden cliënten.

De naam van een groep verbonden cliënten is de naam van de moederonderneming of, wanneer de groep verbonden cliënten geen moederonderneming heeft, de handelsnaam van de groep.

0020

Code

De code van de belangrijkste tegenpartij of groep verbonden cliënten. Voor instellingen is de code een alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt.

0030

Groep of individuele cliënt

De instelling rapporteert “1” voor individuele belangrijkste tegenpartijen en “2” voor groepen verbonden cliënten.

0040

Land

De ISO 3166-1 alpha-2-identificatiecode van het land van oprichting van de tegenpartij. Dit omvat pseudo-ISO-codes voor internationale organisaties, beschikbaar in de laatste uitgave van het “Balance of Payments Vademecum” van Eurostat.

Het land wordt bepaald aan de hand van de statutaire zetel van de tegenpartij. Voor groepen verbonden cliënten, het land van oprichting van de moederonderneming.

0050

Sector

Aan elke tegenpartij wordt één sector toegewezen op basis van de volgende FINREP-indeling van economische sectoren (FINREP, bijlage V, deel 1, hoofdstuk 6):

Centrale banken

Overheden

Kredietinstellingen

Andere financiële vennootschappen

Niet-financiële vennootschappen

Huishoudens

Voor groepen verbonden cliënten wordt geen sector gerapporteerd.

0060

Type

Het type verplichtingen is een van de volgende types verplichtingen opgesomd in template Z 02.00 — Passivastructuur (LIAB):

L.0

Van bail-in uitgesloten verplichtingen

L.1

Deposito’s, niet gedekt maar preferent

L.2

Deposito’s, niet gedekt en niet preferent

L.3

Uit derivaten voortvloeiende verplichtingen

L.4

Niet door zekerheden gedekte verplichtingen

L.5

Structured notes

L.6

Niet-achtergestelde ongedekte verplichtingen

L.7

Niet-achtergestelde niet-preferente verplichtingen

L.8

Achtergestelde verplichtingen (niet erkend als eigen vermogen)

L.9

Andere voor MREL in aanmerking komende verplichtingen

L.10

Niet-financiële verplichtingen

L.11

Resterende verplichtingen

Indien de verplichtingen jegens een van de belangrijkste tegenpartijen uit meer dan één van die types bestaan, elk type verplichtingen in een afzonderlijke rij rapporteren.

0070

Bedrag

Het bedrag is gelijk aan de definitie van een “uitstaand bedrag” zoals bepaald in template Z 02.00 — Passivastructuur. In het geval van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen (type L.3) wordt het beëindigingsbedrag als gedefinieerd ten behoeve van template Z 02.00 (LIAB), rij 0333, gerapporteerd.

II.5.3   Z 05.02 — Belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling: Instructies voor bepaalde posities

25.

De combinatie van de in de kolommen 0020 en 0060 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

Kolommen

Instructies

0010-0050

Tegenpartij

Informatie over de belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling

De belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling worden geïdentificeerd door de som te maken van het totale nominale bedrag aan toezeggingen en financiële garanties (zoals gedefinieerd ten behoeve van FINREP, template F 09) die de entiteit of groepsentiteit waarvoor de template wordt gerapporteerd, heeft ontvangen van tegenpartijen of groep verbonden cliënten. Van de belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling zijn entiteiten uitgesloten die zijn opgenomen in de geconsolideerde financiële overzichten van de groep. De tegenpartijen en groepen verbonden cliënten worden vervolgens gerangschikt volgens het geaggregeerde bedrag, om de top tien van de belangrijkste tegenpartijen buiten de balanstelling te identificeren, waarvoor in deze template informatie moet worden verschaft.

Ten behoeve van deze template worden alleen tegenpartijen gerapporteerd die niet in de geconsolideerde financiële overzichten zijn opgenomen.

0010

Naam entiteit

Zie instructies voor kolom 0010 van Z 05.01.

0020

Code

Zie instructies voor kolom 0020 van Z 05.01.

0030

Groep of individuele cliënt

Zie instructies voor kolom 0030 van Z 05.01.

0040

Land

Zie instructies voor kolom 0040 van Z 05.01.

0050

Sector

Zie instructies voor kolom 0050 van Z 05.01.

0060

Type

Het type post buiten de balanstelling is een van de volgende, als gedefinieerd in FINREP, template F 09.02:

OBS.1

Ontvangen toegezegde leningen

OBS.2

Ontvangen financiële garanties

OBS.3

Overige ontvangen toezeggingen

Indien de van een van de belangrijkste tegenpartijen ontvangen posten buiten de balanstelling uit meer dan één van die types bestaan, elk type post buiten de balanstelling in een afzonderlijke rij rapporteren.

0070

Bedrag

II.6   Z 06.00 — Depositoverzekering (DIS)

II.6.1   Algemene opmerkingen

26.

Deze template geeft een overzicht van de depositoverzekeringen binnen een groep. Een depositogarantiestelsel (DGS) wordt in deze template gerapporteerd indien een betrokken juridische entiteit van de groep daarbij is aangesloten.

27.

Iedere kredietinstelling die van de groep deel uitmaakt, in een aparte rij rapporteren.

II.6.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0010-0020

Entiteit

0010

Naam entiteit

De naam van de entiteit zoals gerapporteerd in Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG).

0020

Code

Code van de entiteit zoals gerapporteerd in Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG).

Deze code is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template.

0030

DGS

Artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EG

De naam van het officieel erkende DGS waaraan de entiteit deelneemt op grond van Richtlijn 2014/49/EU. Dit moeten de DGS’s in de lidstaat van oprichting van de entiteit zijn, onder uitsluiting van andere DGS’s die, in andere lidstaten, eventueel aanvullende bescherming (“top-up”) bieden aan cliënten van de entiteit in een bijkantoor in die lidstaat. Wanneer een instelling deelneemt aan een IPS dat ook officieel als DGS is erkend overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU, moet de naam van het DGS identiek zijn aan de naam van het IPS in rij 0050.

De DGS’s worden, voor elk land van oprichting van entiteit, gekozen uit de volgende:

Oostenrijk

Einlagensicherung AUSTRIA Ges.m.b.H.

“Sparkassen-Haftungs GmbH”

België

“Garantiefonds voor financiële diensten/Fonds de garantie pour les services financiers”

Bulgarije

“Фондът за гарантиране на влоговете в банките”

Kroatië

“Državna agencija za osiguranje štednih uloga i sanaciju banaka”

Cyprus

“Σύστημα Εγγύησης των Καταθέσεων και Εξυγίανσης Πιστωτικών και Άλλων Ιδρυμάτων”

Tsjechische Republiek

“Garanční systém finančního trhu”

Denemarken

“Garantiformuen”

Estland

“Tagatisfond”

Finland

“Talletussuojarahasto”

Frankrijk

“Fonds de Garantie des Dépôts et de Résolution”

Duitsland

“Entschädigungseinrichtung deutscher Banken GmbH”

“Entschädigungseinrichtung des Bundesverbandes Öffentlicher Banken Deutschlands GmbH”

“Sicherungseinrichtung des Deutschen Sparkassen- und Giroverbandes (DSGV-Haftungsverbund)”

“BVR Institutssicherung GmbH”

Gibraltar

“Gibraltar Deposit Guarantee Scheme”

Griekenland

“Ταμείο Εγγύησης Καταθέσεων και Επενδύσεων”

Hongarije

“Országos Betétbiztosítási Alap”

IJsland

“Tryggingarsjóður innstæðueigenda og fjárfesta”

Ierland

“Irish Deposit Protection Scheme”

Italië

“Fondo Interbancario di Tutela dei Depositi”

“Fondo di Garanzia dei Depositanti del Credito Cooperativo”

Letland

“Latvijas Noguldījumu garantiju fonds”

Liechtenstein

“Einlagensicherungs- und Anlegerentschädigungs-Stiftung SV”

Litouwen

“Indėlių ir investicijų draudimas”

Luxemburg

“Fond de garantie des Dépôts Luxembourg”

Malta

“Depositor Compensation Scheme”

Nederland

“De Nederlandsche Bank, Depositogarantiestelsel”

Noorwegen

“Bankenes sikringsfond”

Polen

“Bankowy Fundusz Gwarancyjny”

Portugal

“Fundo de Garantia de Depósitos”

Roemenië

“Fondul de Garantare a Depozitelor in Sistemul Bancar”

Slowakije

“Fond ochrany vkladov”

Slovenië

“Banka Slovenije”

Spanje

“Fondo de Garantía de Depósitos de Entidades de Crédito”

Zweden

“Riksgälden”

Indien het officieel erkende DGS waaraan de entiteit deelneemt, hierboven niet wordt vermeld, “ander” rapporteren.

0040

Bedrag gedekte deposito’s

Artikel 2, lid 1, punt 5, en artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU

Het bedrag van gedekte deposito’s in de zin van artikel 2, lid 5, punt 1, gelezen in samenhang met artikel 6, van Richtlijn 2014/59/EU, dat gedekt is door het DGS in rij 0030, met uitsluiting van tijdelijk hoge saldi in de zin van artikel 6, lid 2, van Richtlijn/2014/49/EU.

0050

Institutioneel protectiestelsel

Artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Naam van het institutioneel protectiestelsel (“IPS”), als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waaraan de entiteit deelneemt. Niets rapporteren indien de entiteit niet aan een IPS deelneemt. Wanneer een instelling deelneemt aan een IPS dat ook officieel als DGS is erkend overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU, moet de naam van het IPS identiek zijn aan de naam van het DGS in rij 0030.

0060

Aanvullende bescherming op grond van contractuele regeling

Artikel 1, lid 3, punt a), van Richtlijn 2014/49/EU

Bedrag van deposito’s dat is gedekt door een contractuele regeling bij de entiteit.

II.7   Kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen

II.7.1   Algemene opmerkingen

28.

De vier templates van dit deel bevatten essentiële informatie en kwalitatieve evaluaties van de impact, vervangbaarheid en kriticiteit van economische functies die de groep uitvoert, aangevuld met een mapping van die kritieke functies met kernbedrijfsonderdelen en rechtspersonen.

29.

Meer specifiek gaan de templates over de volgende thema’s:

30.

Template Z 07.01 — Beoordeling kriticiteit economische functies (FUNC 1) identificeert, aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, voor elke lidstaat waar de groep actief is, de niet-kritieke en kritieke functies die de groep uitvoert;

31.

Template Z 07.02 — Mapping kritieke functies met rechtspersonen (FUNC 2) splitst de geïdentificeerde kritieke functies uit volgens rechtspersoon en gaat na of elke rechtspersoon al dan niet van materieel belang wordt geacht voor de kritieke functie.

32.

Template Z 07.03 — Mapping kernbedrijfsonderdelen met rechtspersonen (FUNC 3) geeft een volledige lijst van de kernbedrijfsonderdelen en mapt deze met rechtspersonen.

33.

Template Z 07.04 — Mapping kritieke functies met kernbedrijfsonderdelen (FUNC 4) mapt de geïdentificeerde kritieke functies met bedrijfsonderdelen.

34.

Overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 35 van Richtlijn 2014/49/EU zijn “kritieke functies” activiteiten, diensten of bedrijfsactiviteiten waarvan de onderbreking naar alle waarschijnlijkheid in een of meer lidstaten tot een verstoring van essentiële diensten aan de reële economie zal leiden of, wegens de omvang of het marktaandeel van een instelling of groep, haar verwevenheid met entiteiten binnen en buiten een groep, haar complexiteit of haar grensoverschrijdende activiteiten, de financiële stabiliteit zal verstoren, vooral wat de vervangbaarheid ervan betreft.

35.

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2016/778 van de Commissie (18) geldt een functie als kritiek indien deze aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de functie wordt door een instelling uitgevoerd ten behoeve van derden die niet bij de instelling of groep zijn aangesloten, en

b)

een plotselinge verstoring van die functie zou waarschijnlijk bijzonder negatieve gevolgen hebben voor die derden, door besmetting te veroorzaken of door het algemene vertrouwen van de marktdeelnemers te ondermijnen wegens de systeemrelevantie van de functie voor die derden en de systeemrelevantie van de instelling of groep die de functie uitvoert.

36.

Overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/59/EU zijn “kernbedrijfsonderdelen” bedrijfsonderdelen en daarmee samenhangende diensten die materiële bronnen van inkomsten, winst of franchisewaarde vormen voor een instelling of voor een groep waarvan een instelling deel uitmaakt.

37.

In het kader van deze template worden met “economische functies” de functies uit de onderstaande tabel bedoeld.

38.

Voor elke categorie economische functies kan een economische functie “andere” worden gekozen indien de functie niet past binnen de andere vooraf bepaalde functies.

39.

Tegenpartijen waarvan sprake in de rijen 0010 t/m 0070 en in de rijen 0080 t/m 0150, worden op dezelfde wijze gedefinieerd als tegenpartijsectoren, zoals bepaald in FINREP, bijlage V, deel 1, hoofdstuk 6. “Kmo’s” zijn kleine en middelgrote bedrijven (mkb-bedrijven) in de zin van FINREP, bijlage V, deel 1, punt 5, i).

ID

Economische functies

Deposito’s

Met acceptatie van deposito’s wordt de acceptatie van deposito’s van niet-financiële intermediairs bedoeld. Dit omvat niet het lenen bij andere financiële intermediairs; dit komt afzonderlijk aan bod onder “Wholesalefinanciering”.

Deposito’s omvatten: i) rekeningen-courant/girale deposito’s; ii) deposito’s met overeengekomen looptijd, en iii) deposito’s met opzegtermijn, maar retrocessieovereenkomsten zijn uitgesloten.

Referenties: FSB, Guidance on Identification of Critical Functions and Critical Shared Services (2013), blz. 14; bijlage II, deel 2, punten 9.1, 9.2 en 9.3, bij Verordening (EU) nr. 1071/2013.

1.1

Huishoudens

1.2

Niet-financiële vennootschappen (kmo’s)

1.3

Niet-financiële vennootschappen (niet-kmo’s)

1.4

Overheden

1.5, 1.6, 1.7

Andere sectoren/tegenpartijen (1), (2) en (3)

Verstrekte leningen

Met “verstrekte leningen” wordt het verstrekken van middelen aan niet-financiële tegenpartijen, zoals zakelijke of particuliere cliënten, bedoeld. Het verstrekken van leningen aan financiële tegenpartijen is een afzonderlijke activiteit, die wordt beoordeeld onder “Wholesalefinanciering”. Leningen omvatten schuldinstrumenten gehouden door instellingen, doch niet schuldinstrumenten die effecten zijn, ongeacht hun boekhoudkundige indeling.

Referenties: FSB, Guidance on Identification of Critical Functions and Critical Shared Services (2013), blz. 17; bijlage II, deel 2, punt 2, bij Verordening (EU) nr. 1071/2013.

2.1

Huishoudens — Lening voor huisaankoop

Met “lening voor huisaankoop” wordt krediet bedoeld dat aan huishoudens wordt verleend voor investering in huizen voor eigen gebruik en verhuur, met inbegrip van bouwen en herinrichting.

2.2

Huishoudens — andere lening

2.3

Niet-financiële vennootschappen — kmo’s

2.4

Niet-financiële vennootschappen — niet-kmo’s

2.5

Overheden

2.6, 2.7, 2.8

Andere sectoren/tegenpartijen (1), (2) en (3)

Betaling, contanten, afwikkeling, clearing, bewaring

Referentie: FSB, Guidance on Identification of Critical Functions and Critical Shared Services (2013), blz. 20.

De economische functies in deze rubriek omvatten het verschaffen van betaling, contanten, afwikkeling, clearing- en bewaringsdiensten door een kredietinstelling, als intermediair tussen haar eigen cliënten of als intermediair tussen een cliënt en één of meer relevante financiëlemarktinfrastructuren (“FMI’s”), of het aan andere banken verschaffen van (indirecte) toegang tot FMI’s. Overeenkomstig de FSB Guidance on Identification of Critical Functions and Critical Shared Services is de functie betaling, contanten, afwikkeling, clearing en bewaring beperkt tot diensten die banken hun cliënten verlenen. Deze categorie omvat geen diensten die worden verricht door (zuivere) FMI-aanbieders. Voor deze template omvatten FMI’s betaalsystemen, effectenafwikkelingssystemen, centrale effectenbewaarinstellingen en centrale tegenpartijen (doch geen transactieregisters).

“Betalingsdienst”, “betalingstransactie” en “betalingssysteem” hebben dezelfde betekenis als gedefinieerd in, onderscheidenlijk, artikel 4, punten 3, 5 en 7, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (19).

3.1

Betalingsdiensten MFI’s

Deze rij omvat betalingsdiensten voor monetaire financiële instellingen (“MFI’s”), al dan niet met gebruikmaking van externe betalingssystemen. Dit omvat ook (betalingen met betrekking tot) correspondentbankdiensten. MFI’s omvatten alle institutionele eenheden in de subsectoren: i) centrale banken, ii) deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, en iii) geldmarktfondsen.

3.2

Betalingsdiensten niet-MFI’s

Betalingsdiensten voor cliënten, al dan niet met gebruikmaking van externe betalingssystemen. Dit omvat alleen natuurlijke personen of rechtspersonen die niet tot de MFI-sector behoren. Ook betalingsdienstenaanbieders zijn uitgesloten van de “niet-MFI”-sector.

3.3

Cashdiensten

Verschaffing van cashdiensten aan cliënten (zowel particulieren als bedrijven, alleen niet-MFI’s). Die diensten omvatten opnames aan geldautomaten en aan het loket, maar geen andere cashdiensten (met inbegrip van geldtransportdiensten voor grootwinkelbedrijven). Ook geld opnemen met cheques en aan het loket met bankformulieren (waarbij kaarten als identificatiemiddel kunnen worden gebruikt) vallen hieronder.

3.4

Effectenafwikkelingsdiensten

Diensten aan cliënten voor het bevestigen, clearen en afwikkelen van effectentransacties, al dan niet met gebruikmaking van effectenafwikkelingssystemen. Met “afwikkeling” wordt de voltooiing bedoeld van een effectentransactie waar deze is gesloten met het doel verplichtingen van de partijen bij die transactie te vervullen middels de overboeking van geld of effecten, dan wel van beide.

3.5

CTP-clearingdiensten

Diensten aan cliënten voor het clearen van effecten en derivaten. Dit omvat ook het bieden van indirecte toegang tot een centrale tegenpartij (CTP).

3.6

Bewaringsdiensten

Bewaring en beheer van financiële instrumenten voor cliënten en met bewaring samenhangende diensten, zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer.

3.7, 3.8, 3.9

Andere diensten/activiteiten/functies (1), (2) en (3)

Kapitaalmarkten

Met “kapitaalmarktdiensten” wordt de uitgifte van en transacties in effecten, daarmee samenhangende adviesdiensten en aanverwante diensten, zoals prime brokerage en marketmaking, bedoeld.

4.1

Derivaten aangehouden voor handelsdoeleinden (OTC)

Artikel 2, leden 5 en 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012.

Een “derivaat” of “derivatencontract” is een financieel instrument als vermeld in bijlage I, deel C, punten 4 tot en met 10, bij Richtlijn 2014/65/EU (20), zoals geïmplementeerd bij de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 1287/2006.

Een “otc-derivaat” of “otc-derivatencontract” is een derivatencontract waarvan de uitvoering niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU, of op een markt van een derde land die overeenkomstig artikel 2 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt geacht gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt.

Het te rapporteren bedrag omvat alleen op de OTC-markt verhandelde derivaten.

4.2

Derivaten aangehouden voor handelsdoeleinden (niet-OTC)

Alle voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten, met uitzondering van voor handelsdoeleinden aangehouden OTC-derivaten.

4.3

Secundaire markten/handel

De secundaire markt is de plaats waar beleggers effecten kopen en verkopen. Deze functie geldt voor de totale handelsportefeuille (d.w.z. aandelen, kredieten aan ondernemingen, kredieten aan overheden).

Het te rapporteren bedrag omvat de waarde van effecten gemeten als het totale bedrag aan voor handelsdoeleinden aangehouden effecten. Effecten worden gerapporteerd tegen reële waarde op de rapportagedatum.

Het bedrag omvat geen leningen, derivaten en niet-verhandelbare activa (bv. vorderingen).

4.4

Primaire markten/overnemen

Primaire markten zijn markten waar nieuwe effecten op effectenbeurzen worden uitgegeven door bedrijven, overheden en andere groepen, om financiering te verkrijgen via vreemd- of eigenvermogensgebaseerde effecten (zoals gewone en preferente aandelen, bedrijfsobligaties, notes, bills, overheidsobligaties). Primaire markten worden gefaciliteerd door overnemende groepen.

4.5, 4.6, 4.7

Andere diensten/activiteiten/functies (1), (2) en (3)

Wholesalefinanciering

Leningactiviteiten op wholesalemarkten aan en van financiële tegenpartijen (kredietinstellingen en andere financiële vennootschappen).

5.1

Aangaan van leningen

Op wholesalemarkten bij financiële tegenpartijen aangegane leningen (ook via retrocessieovereenkomsten, interbancair krediet, commercial paper, certifcate of deposits (CD’s), geldmarktfondsen, kredietlijnen, door activa gedekt commercial paper (ABCP’s) en fiduciaire deposito’s).

5.2

Derivaten (activa)

Alle derivaten bij financiële tegenpartijen die aan de actiefzijde van de balans worden aangehouden. In tegenstelling tot “Kapitaalmarkten” omvatten derivaten, onder “Wholesalefinanciering”, alle derivaten met financiële tegenpartijen (niet beperkt tot HFT).

5.3

Verstrekte leningen

Op wholesalemarkten aan financiële tegenpartijen verstrekte leningen (ook via omgekeerde retrocessieovereenkomsten, commercial paper, certifcate of deposits (CD’s), geldmarktfondsen, kredietlijnen, door activa gedekt commercial paper (ABCP’s), fiduciaire deposito’s).

5.4

Derivaten (verplichtingen)

Alle derivaten bij financiële tegenpartijen die aan de passiefzijde van de balans worden aangehouden.

5.5, 5.6, 5.7

Andere producttypes (1), (2) en (3)

Alle functies van de economische functie “Wholesalefinanciering” die niet in de punten 5.1 t/m 5.4 zijn opgenomen.

II.7.2   Z 07.01 — Beoordeling kriticiteit economische functies (FUNC 1): Instructies voor bepaalde posities

40.

In deze template eenmaal rapporteren per lidstaat (geïdentificeerd als “land”) waar de groep actief is.

41.

Dit betreft alle in die lidstaat door een groepsentiteit uitgevoerde economische functies, ongeacht of die functie een kritieke functie is of niet.

Rijen

Instructies

0010 — 0380

Economische functies

Economische functies zoals hierboven gedefinieerd.

Kolommen

Instructies

0010

Beschrijving economische functie

Wanneer de economische functie van het type “Andere” is (functies 1.5-1.7, 2.6-2.8, 3.7-3.9, 4.5-4.7, 5.5-5.7), een beschrijving van die functie geven.

0020

Marktaandeel

Raming van het marktaandeel van de instelling of groep voor de economische functie in het respectieve land. Als percentage van de totale markt in termen van het geldbedrag.

0030

Geldbedrag

De inhoud van deze kolom is afhankelijk van de uitgevoerde economische functie.

1.

Deposito’s

Boekwaarde (inclusief opgelopen rente) van geaccepteerde deposito’s

Referenties: FINREP, bijlagen III en IV, template F 08.01, en bijlage V, deel 2, punt 97.

2.

Verstrekte leningen

Brutoboekwaarde van niet en wel aan een bijzondere waardevermindering onderhevige leningen en voorschotten (inclusief opgelopen rente). Leningvoorraad geldt als proxywaarde voor verwachte toekomstige leningen.

Referenties: FINREP, bijlagen III en IV, template F 04.04.01, en bijlage V, deel 1, punt 34, b).

3.

Betaling, contanten, afwikkeling, clearing, bewaring

De algemene regel is dat het gemiddelde van dagelijkse transacties over het jaar wordt gerapporteerd. Indien niet beschikbaar, mag een gemiddelde over een kortere periode (bv. enkele maanden) worden gerapporteerd.

Wat meer specifiek de verschillende functies betreft, de volgende maatstaven in aanmerking nemen:

Betalingsdiensten (3.1 en 3.2): waarde verzonden transacties.

(Referenties: artikel 4, lid 5, van Richtlijn (EU) 2015/2366; ECB/2013/43 (21))

Cashdiensten (3.3): Waarde transacties aan geldautomaten, als gedefinieerd in tabel 5 a van ECB/2013/43, alsmede over the counter (OTC) opname van contanten, als gedefinieerd in tabel 4 van ECB/2014/15 (22).

Effectenafwikkelingsdiensten (3.4): waarde namens cliënten verwerkte effectenoverdrachten. Dit omvat transacties verwerkt door een effectenafwikkelingsysteem of intern afgewikkeld door de rapporterende instellingen, en free-of-payment (FOP) afwikkelingstransacties.

CTP-clearingdiensten (3.5): De posities (blootstellingen) die de CTP’s waarbij de instelling is aangesloten, namens hun cliënten innemen bij de instelling. Rapporteer de gemiddelde dagwaarde van openstaande posities met betrekking tot cliëntenactiviteit bij CTP’s. Indien niet beschikbaar, mag een gemiddelde over een kortere periode (bv. enkele maanden) worden gerapporteerd.

Bewaringsdiensten (3.6): het bedrag van de activa in bewaring, tegen reële waarde. Andere waarderingsgrondslagen, waaronder de nominale waarde, mogen worden gehanteerd als de reële waarde niet beschikbaar is. In gevallen waarin de instelling diensten verleent aan entiteiten zoals instellingen voor collectieve belegging of pensioenfondsen, mogen de desbetreffende activa worden opgenomen tegen de waarde waartegen zij op de balans van die entiteiten zelf zijn opgenomen. De gerapporteerde bedragen zijn inclusief opgelopen rente, indien van toepassing.

(Referentie: FINREP, bijlagen III en IV, template F 22.02, kolom 010)

4.

Kapitaalmarkten

Notioneel bedrag — Alleen voor derivaten rapporteren (4.1-4.2): bruto nominaal bedrag van alle transacties die op de referentiedatum zijn afgesloten maar nog niet zijn afgewikkeld.

Referenties: FINREP, bijlage V, deel 2, punt 133 (voor de definitie); FINREP, bijlagen III, IV en V (voor de data).

Totaal derivaten (4.1-4.2): template F 10.00, kolom 030, rij 290.

OTC derivaten (4.1): template F 10.00, kolom 030, rijen 300 + 310 + 320.

Activiteiten secundaire markt (4.3): Boekwaarde activa — de aan de activazijde van de balans te rapporteren boekwaarde, inclusief opgelopen rente [FINREP: bijlage V, deel 1, punt 27] voor eigenvermogensinstrumenten en schuldpapier [FINREP: bijlage V, deel 1, punt 31], geclassificeerd als “Aangehouden voor handelsdoeleinden” [FINREP: bijlage V, deel 1, punt 15, a), en punt 16, a)].

Referentie: FINREP: bijlage III, template F 04.01, kolom 010, rijen 010 + 060 + 120.

Primaire markten (4.4): Inkomsten uit vergoedingen — Ontvangen vergoedingen en provisies voor betrokkenheid bij het initiëren of uitgeven van effecten die niet door de instelling zijn geïnitieerd of uitgegeven.

Referentie: FINREP: bijlagen III en IV, template F 22.01, kolom 010, rijen 030 + 180.

5.

Wholesalefinanciering

Brutoboekwaarde zoals gedefinieerd in FINREP gebruiken.

Referenties: FINREP: bijlage V, deel 1, punt 34, FINREP: bijlagen III en IV, templates:

Aangegane leningen (5.1): template F 20.06, kolom 010, rijen 100 + 110, alle landen.

Derivaten (activa) (5.2): template F 20.04, kolom 010, rij 010, alle landen.

Verstrekte leningen (5.3): template F 20.04, kolom 010, rijen 170 + 180, alle landen.

Derivaten (verplichtingen) (5.4): template F 20.06, kolom 010, rij 010, alle landen.

0040

Numerieke indicator

De inhoud van deze kolom is afhankelijk van de uitgevoerde economische functie.

1.

Deposito’s

Totaal aantal cliënten die de als geldelijk bedrag gerapporteerde waarde hebben gedeponeerd. Indien een cliënt meer dan één depositoproduct/-rekening gebruikt, wordt de cliënt slechts eenmaal geteld.

2.

Verstrekte leningen

Totaal aantal cliënten. Indien een cliënt meerdere leningproducten/-rekeningen gebruikt, wordt de cliënt slechts eenmaal geteld.

3.

Betaling, contanten, afwikkeling, clearing, bewaring

De algemene regel is dat het gemiddelde van dagelijkse transacties over het jaar wordt gerapporteerd. Indien niet beschikbaar, mogen gemiddelden over een kortere periode (bv. enkele maanden) worden gerapporteerd.

Wat meer specifiek de verschillende functies betreft, de volgende maatstaven in aanmerking nemen:

Betalingsdiensten (3.1-3.2): Aantal uitgevoerde transacties.

Referenties: artikel 4, lid 5, van Richtlijn (EU) 2015/2366; ECB/2013/43.

Cashdiensten (3.3): aantal transacties aan geldautomaten, als gedefinieerd in tabel 7 van ECB/2013/43, alsmede over the counter (OTC) opname van contanten, als gedefinieerd in tabel 4 van ECB/2014/15.

Effectenafwikkelingsdiensten (3.4): Aantal namens cliënten verwerkte transacties voor effectenoverdracht. Dit omvat transacties verwerkt door een effectenafwikkelingsysteem of intern afgewikkeld door de rapporterende instelling of groep, en free-of-payment (FOP) afwikkelingstransacties.

4.

Kapitaalmarkten

Aantal tegenpartijen of transacties. Voor derivaten (4.1-4.2) en secundaire-marktinstrumenten (4.3): het totale aantal tegenpartijen. Voor primaire markten (4.4): het totale aantal overnemingstransacties.

5.

Wholesalefinanciering

Het totale aantal tegenpartijen. Indien een tegenpartij meer dan één rekening en/of meer dan één transactie heeft, wordt de tegenpartij slechts eenmaal geteld.

0050

Impact op de markt

Geraamde impact van een plotse stopzetting van de functie op derde partijen, financiële markten en de reële economie, rekening houdende met de omvang of het marktaandeel in het land, externe en interne verwevenheid, complexiteit en grensoverschrijdende activiteiten van de instelling.

Deze evaluatie wordt kwalitatief uitgedrukt als “Groot (H)”, “Middelgroot (MH)”, “Middellaag (ML)” of “Laag (L)”.

“H” wordt gebruikt indien de stopzetting een belangrijke invloed op de nationale markt heeft; “MH” indien de impact significant is; “ML” indien de impact materieel is, maar beperkt blijft, en “L” indien de impact gering is.

0060

Vervangbaarheid

Artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/778.

Een functie geldt als vervangbaar indien deze op aanvaardbare wijze en binnen een redelijke termijn kan worden vervangen, waardoor systemische problemen voor de reële economie en de financiële markten kunnen worden vermeden. Hierbij rekening houden met het volgende:

a)

de structuur van de markt voor deze functie en de beschikbaarheid van alternatieve aanbieders;

b)

de mogelijkheden van andere aanbieders op het gebied van capaciteit, de vereisten om de functie te kunnen uitvoeren en de potentiële belemmeringen voor toetreding of uitbreiding;

c)

de prikkel voor andere aanbieders om deze activiteiten aan te vatten;

d)

de tijd die de gebruikers van de dienst nodig hebben om over te stappen naar de nieuwe dienstverrichter en de kosten van deze overstap, de tijd die andere concurrenten nodig hebben om de functies over te nemen, en de vraag of die tijd voldoende is om een aanzienlijke verstoring te voorkomen naargelang van de aard van de dienst.

Deze evaluatie wordt kwalitatief uitgedrukt als “Groot (H)”, “Middelgroot (MH)”, “Middellaag (ML)” of “Laag (L)”.

“H” wordt geselecteerd indien een functie binnen redelijke termijn gemakkelijk op vergelijkbare voorwaarden kan worden uitgevoerd door een andere bank;

“L” indien een functie niet gemakkelijk of snel kan worden vervangen;

“MH” en “ML” voor tussenliggende gevallen, rekening houdende met verschillende dimensies (bv. marktaandeel, marktconcentratie, tijd tot vervanging, alsmede wettelijke barrières en operationele voorwaarden voor toetreding of uitbreiding).

0070

Kritieke functie

In deze kolom rapporteren of, rekening houdende met de kwantitatieve data en kriticiteitsindicatoren in deze template, de economische functie als kritiek voor de markt van het betrokken land geldt.

Rapporteer “Ja” of “Nee”.

II.7.3   Z 07.02 — Mapping kritieke functies met rechtspersonen (FUNC 2): Instructies voor bepaalde posities

42.

Deze template rapporteren voor de volledige groep. In deze template alleen in {Z 07.01;070} als dusdanig geïdentificeerde kritieke functies (per lidstaat) rapporteren.

43.

De combinatie van de in de kolommen 0010, 0020 en 0040 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

Kolommen

Instructies

0010

Land

Het land waarvoor de functie kritiek is, zoals gerapporteerd in Z 07.01 (FUNC 1).

0020

ID

ID van de kritieke functies zoals hierboven gedefinieerd in hoofdstuk II.7.1 en bedoeld in template Z 07.01 (FUNC 1).

0030

Naam entiteit

Naam van de entiteit die de kritieke functie uitvoert, zoals gerapporteerd in Z 01.00 (ORG).

Indien meerdere entiteiten dezelfde kritieke functies in hetzelfde land uitvoeren, iedere entiteit in een afzonderlijke rij rapporteren.

0040

Code

Code van de entiteit die de kritieke functie uitvoert, zoals gerapporteerd in Z 01.00 Organisatiestructuur (ORG).

0050

Geldbedrag

Bijdrage, als geldbedrag, van de rechtspersoon aan het geldbedrag als beschreven in kolom 0030 van template Z 07.01 (FUNC 1).

II.7.4   Z 07.03 — Mapping kernbedrijfsonderdelen met rechtspersonen (FUNC 3): Instructies voor bepaalde posities

44.

De combinatie van de in de kolommen 0020 en 0040 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

45.

Alleen betrokken rechtspersonen in deze template rapporteren.

Kolommen

Instructies

0010

Kernbedrijfsonderdeel

Kernbedrijfsonderdeel in de zin van artikel 2, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/59/EU en artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/778 van de Commissie.

0020

ID Bedrijfsonderdeel

Door de instelling te verschaffen unieke ID van het bedrijfsonderdeel.

0030

Beschrijving

Beschrijving kernbedrijfsonderdeel.

0040

Naam entiteit

Naam van de entiteit die in Z 01.00 (ORG) is gerapporteerd als hebbende deel uitgemaakt of als deel uitmakend van het kernbedrijfsonderdeel.

Indien meerdere entiteiten deel uitmaakten of uitmaken van hetzelfde kernbedrijfsonderdeel, iedere entiteit in een afzonderlijke rij rapporteren.

0050

Code

Code van de entiteit die deel uitmaakte of deel uitmaakt van het kernbedrijfsonderdeel, zoals gerapporteerd in Z 01.00 (ORG).

II.7.5   Z 07.04 — Mapping kritieke functies met kernbedrijfsonderdelen (FUNC 4): Instructies voor bepaalde posities

46.

De combinatie van de in de kolommen 0010, 0020 en 0040 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

47.

In deze template alleen kritieke functies, als geïdentificeerd in {Z 07.01;0070} rapporteren.

Kolommen

Instructies

0010

Land

Het land waarvoor de functie kritiek is, zoals gerapporteerd in Z 07.01 (FUNC 1).

0020

ID Functie

ID van de kritieke functies zoals hierboven gedefinieerd in hoofdstuk II.7.1 en bedoeld in template Z 07.01 (FUNC 1).

0030

Kernbedrijfsonderdeel

Kernbedrijfsonderdeel in de zin van artikel 2, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/59/EU en artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/778 van de Commissie van 2 februari 2016, zoals gerapporteerd in template Z 07.03 (FUNC 3).

0040

ID Bedrijfsonderdeel

Door de instelling te verschaffen unieke ID van het bedrijfsonderdeel; zelfde ID als gerapporteerd in template Z 07.03 (FUNC 3).

II.8   Z 08.00 — Kritieke diensten (SERV)

II.8.1   Algemene instructies

48.

De in deze template op te nemen informatie eenmaal voor de hele groep rapporteren, een lijst geven van kritieke diensten die door entiteiten in de groep worden ontvangen, en deze koppelen aan de door de groep uitgevoerde kritieke functies.

49.

Kritieke diensten zijn de onderliggende operaties, activiteiten en diensten die worden verricht voor één (specifieke diensten) of meer bedrijfsonderdelen of rechtspersonen (gedeelde dienstverlening) binnen de groep en die nodig zijn om één of meer kritieke functies te kunnen uitvoeren. Kritieke diensten kunnen worden verricht door entiteiten binnen de groep (interne dienst) of kunnen worden uitbesteed aan een externe aanbieder (externe dienst). Een dienst geldt als kritieke dienst wanneer de verstoring ervan de verrichting van kritieke functies ernstig kan belemmeren of volledig kan verhinderen omdat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de kritieke functies die een instelling ten behoeve van derden verricht.

50.

In deze template geen diensten rapporteren die volledig intern door een rechtspersoon worden verricht.

51.

In deze template geen diensten zonder materiële impact op kritieke functies rapporteren.

52.

De combinatie van de in de kolommen 0005, 0010, 0030, 0050, 0070 en 0080 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

II.8.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0005

Identificatiecode

0010

Type dienst

Het type dienst is één van de verderop genoemde types diensten.

Waar mogelijk de subcategorie rapporteren (tweecijferige identificatie). Bestaat er geen subcategorie of wordt de door de instelling verrichte dienst door geen enkele subcategorie correct beschreven, dan de hoofdcategorie (eencijferige identificatie) rapporteren.

1.

Human resources-ondersteuning

1.1.

Personeelsadministratie, waaronder de administratie van contracten en salarissen

1.2.

Interne communicatie

2.

Informatietechnologie

2.1.

IT- en communicatieapparatuur

2.2.

Dataopslag en -verwerking

2.3.

Overige IT-infrastructuur, werkstations, telecommunicatie, servers, datacentra en aanverwante diensten

2.4.

Beheer van softwarelicenties en toepassingsprogramma’s

2.5.

Toegang tot externe leveranciers, met name van data en infrastructuur

2.6.

Applicatieonderhoud, waaronder onderhoud van softwaretoepassingen en daarmee verband houdende datastromen

2.7.

Genereren van rapporten, interne informatiestromen en databases

2.8.

Gebruikersondersteuning

2.9.

Herstel in noodsituaties en bij calamiteiten

3.

Verwerking van transacties, waaronder juridische kwesties met betrekking tot transacties, in het bijzonder anti-witwaskwesties

4.

Verstrekking of beheer van vastgoed en facilitaire voorzieningen met bijbehorende faciliteiten

4.1.

Kantoorpanden en opslag

4.2.

Beheer interne faciliteiten

4.3.

Beveiliging en toegangscontrole

4.4.

Beheer vastgoedportefeuille

4.5.

Overige (specificeren)

5.

Juridische diensten en compliancefuncties

5.1.

Ondersteuning op het gebied van ondernemingsrecht

5.2.

Juridische diensten voor bedrijfsactiviteiten en transacties

5.3.

Complianceondersteuning

6.

Treasurydiensten

6.1.

Coördinatie, administratie en beheer van de treasuryactiviteit

6.2.

Coördinatie, administratie en beheer van de herfinanciering van entiteiten, waaronder beheer van zekerheden

6.3.

Rapportagefunctie, in het bijzonder met betrekking tot voorgeschreven liquiditeitsratio’s

6.4.

Coördinatie, administratie en beheer van financieringsprogramma’s voor middellange en lange termijn, en herfinanciering van groepsentiteiten

6.5.

Coördinatie, administratie en beheer van herfinancieringen, in het bijzonder kortetermijnkwesties

7.

Handel/vermogensbeheer

7.1.

Verwerking: boeken van verkopen, ontwerp, uitvoering, onderhoud van handelsproducten

7.2.

Bevestiging, afwikkeling, betaling

7.3.

Beheer van posities en tegenpartijen, met betrekking tot rapportage van data en relaties met tegenpartijen

7.4.

Positiebeheer (risico en reconciliatie)

8.

Risicobeheer en -waardering

8.1.

Centraal risicobeheer of risicobeheer per bedrijfsonderdeel of type risico

8.2.

Genereren risicorapporten

9.

Boekhouding

9.1.

Wettelijke en toezichtsrapportage

9.2.

Waardering, in het bijzonder van marktposities

9.3.

Managementrapportages

10.

Geldverwerking

0020-0030

Ontvanger dienst

De groepsentiteit die de in kolom 0010 gerapporteerde kritieke dienst ontvangt van een andere groepsentiteit of van de externe dienstverrichter gerapporteerd in de kolommen 0040-0050.

0020

Naam entiteit

Moet verschillen van de naam in kolom 0040.

0030

Code

Unieke identificatiecode van de rechtspersoon in kolom 0020 zoals gerapporteerd in template Z 01.00 (ORG).

Moet verschillen van de identificatiecode in kolom 0050.

0040-0050

Dienstverrichter

De (interne of externe) rechtspersoon die de in de in kolom 0010 gerapporteerde kritieke dienst aan een groepsentiteit verleent.

0040

Naam entiteit

Moet verschillen van de naam in kolom 0020.

0050

Code

Unieke identificatiecode van de rechtspersoon in kolom 0040. Moet verschillen van de identificatiecode in kolom 0030.

Wanneer de dienstverrichter een groepsentiteit is, moet de code dezelfde zijn als die gerapporteerd in template Z 01.00 (ORG).

Wanneer de dienstverrichter geen groepsentiteit is, is de code van die entiteit:

voor instellingen: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers;

voor andere entiteiten: de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers of, wanneer die niet beschikbaar is, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

De code is uniek en wordt consistent in alle templates gebruikt.

0060

Deel van de groep

“Ja” — indien de dienst door een groepsentiteit wordt verricht (“Intern”).

“Nee” — indien de dienst door een entiteit buiten de groep wordt verricht (“Extern”).

0070-0080

Kritieke functie

De kritieke functie waarvan de uitvoering ernstig zou worden belemmerd of volledig zou worden verhinderd in geval van een verstoring van de kritieke dienst. Dit is een van de functies die als kritiek zijn beoordeeld in template Z 07.01 (FUNC 1).

0070

Land

Lidstaat waarvoor de functie kritiek is, zoals gerapporteerd in Z 07.01 (FUNC 1).

0080

ID

ID van de kritieke functies zoals hierboven gedefinieerd in hoofdstuk II.7.1 en bedoeld in template Z 07.01 (FUNC 1).

0090

Geraamde tijd voor vervangbaarheid

Tijd die naar raming nodig is om een dienstverrichter te vervangen door een andere die vergelijkbaar is wat betreft voorwerp, kwaliteit en kostprijs van de ontvangen dienst.

Een van de volgende waarden rapporteren:

“één dag — één week” wanneer de vervangingstijd niet langer dan één week is;

“één week — één maand” wanneer de vervangingstijd langer één week is, doch niet langer dan één maand;

“1 — zes maanden” wanneer de vervangingstijd langer dan één maand is, doch niet langer dan zes maanden;

“6 — twaalf maanden” wanneer de vervangingstijd langer dan zes maanden is, doch niet langer dan één jaar;

“meer dan één jaar” wanneer de vervangingstijd langer dan één jaar is.

0100

Geraamde tijd voor toegang tot contracten

Tijd die naar raming nodig is om na een verzoek van de afwikkelingsautoriteit de volgende informatie op te halen over het contract betreffende de dienst:

looptijd van het contract

contractpartijen (opsteller contract en leverancier, contactpersonen) en hun jurisdictie

aard van de dienst (d.w.z. korte beschrijving van de aard van de transactie tussen de partijen, met inbegrip van prijzen)

de vraag of dezelfde dienst door een andere interne/externe dienstverrichter kan worden verricht (met vermelding van potentiële kandidaten)

jurisdictie van het contract

afdeling belast met de belangrijkste contractactiviteiten

belangrijkste sancties in het contract in geval van opschorting of uitstel van betaling

trigger voor vervroegde opzegging en opzeggingsperiode

operationele ondersteuning na opzegging

voor welke kritieke functies en bedrijfsonderdelen relevant.

Een van de volgende waarden rapporteren:

één dag

één dag — één week

meer dan één week

geen contract voor de dienst.

0110

Toepasselijk recht

ISO-code van de land onder het recht waarvan het contract valt.

0120

Afwikkelingsbestendig contract

Geeft de beoordeling weer van de vraag of het contract kan worden voortgezet en overgedragen in geval van afwikkeling.

Bij de beoordeling wordt onder meer met de volgende factoren rekening gehouden:

clausules die een tegenpartij het recht geven het contract op te zeggen uitsluitend als gevolg van afwikkeling, vroegtijdige-interventiemaatregelen of scenario’s van kruiselingse wanbetaling ondanks dat materiële verplichtingen verder worden nagekomen;

clausules die een tegenpartij het recht geven de dienstverrichtings- of prijsvoorwaarden aan te passen uitsluitend als gevolg van afwikkeling, vroegtijdige interventie of scenario’s van kruiselingse wanbetaling ondanks dat materiële verplichtingen verder worden nagekomen;

de erkenning, in het contract, van beëindigingsrechten van afwikkelingsautoriteiten.

Een van de volgende waarden rapporteren:

“Ja” — indien het contract als afwikkelingsbestendig wordt beoordeeld.

“Nee” — indien het contract niet als afwikkelingsbestendig wordt beoordeeld.

“Niet beoordeeld” — indien geen beoordeling is gemaakt.

II.9   Z 09.00 — FMI-diensten — Aanbieders en gebruikers — Mapping met kritieke functies

II.9.1   Algemene opmerkingen

53.

In deze template worden activiteiten, functies of diensten voor clearing, betalingen, effectenafwikkeling en bewaring geïdentificeerd, waarvan de stopzetting de uitvoering van één of meer kritieke functies ernstig kan belemmeren of volledig kan verhinderen.

54.

Deze template eenmaal rapporteren voor de volledige instelling of groep.

55.

Alleen financiëlemarktinfrastructuren identificeren waarvan de verstoring de uitvoering van een kritieke functie ernstig zou belemmeren of verhinderen.

56.

De combinatie van de in de kolommen 0020, 0030, 0040, 0070 en 0100 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

II.9.2   Instructies voor bepaalde posities

Kolommen

Instructies

0010-0020

Gebruiker

Groepsentiteit die gebruikmaakt van de betalings-, bewarings-, clearing- of transactieregisterdiensten, zoals gerapporteerd in Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG).

0010

Naam entiteit

Naam van de entiteit die gebruikmaakt van de betalings-, bewarings-, clearing- of transactieregisterdiensten, zoals gerapporteerd in Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG).

Alleen entiteiten die in Z 07.02 zijn geïdentificeerd als uitvoerders van kritieke functies, rapporteren.

0020

Code

Code van de entiteit die gebruikmaakt van de betalings-, bewarings-, clearing- of transactieregisterdiensten, zoals gerapporteerd in Z 01.00 — Organisatiestructuur (ORG).

0030-0040

Kritieke functie

Door de entiteit uitgevoerde kritieke functie waarvan de uitvoering zou worden belemmerd of verhinderd door de verstoring van de toegang tot de betalings-, bewarings-, afwikkelings-, clearing- of transactieregisterdienst.

0030

Land

Het land waarvoor de functie kritiek is, zoals gerapporteerd in Z 07.01 (FUNC 1).

0040

ID

ID van de kritieke functies zoals hierboven gedefinieerd in hoofdstuk II.7.1 en bedoeld in template Z 07.01 (FUNC 1).

0050-0070

Financiëlemarktinfrastructuur (FMI)

Referentie: CPMI, Principles for financial market infrastructures

Een multilateraal systeem van deelnemende financiële instellingen, met inbegrip van de exploitant van het systeem, gebruikt voor de registratie, clearing of afwikkeling van betalingen, effecten, derivaten of andere financiële transacties.

0050

Type systeem

Een van de volgende waarden rapporteren:

“PS”

Betalingssysteem

“(I)CSD”

— (Internationale) centrale effectenbewaarinstelling, met inbegrip van (I)CSD’s die (intern of via uitbesteding) afwikkelingsdiensten verrichten

“SSS”

Effectenafwikkelingssysteem zonder bewaring

“Effecten-CTP”

Centrale tegenpartij voor effectenclearing

“Derivaten-CTP”

Centrale tegenpartij voor derivatenclearing

“TR”

Transactieregister

“Andere”

wanneer het type systeem van de FMI niet overeenstemt met een van de vooraf bepaalde typen hierboven

“NVT”

wanneer kritieke betalings-, clearing-, afwikkelings- of bewaringsdiensten worden verricht door een entiteit die geen van de hierboven genoemde financiëlemarktinfrastructuren is, bijvoorbeeld depotbanken.

0060

Naam

Handelsnaam van de financiëlemarktinfrastructuur

Wanneer in kolom 0050 “NVT” wordt gerapporteerd, deze kolom openlaten.

0070

FMI-code

De code van de FMI. Voor zover beschikbaar, is de code de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Is geen LEI-code beschikbaar, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

Wanneer in kolom 0050 “NVT” wordt gerapporteerd, deze kolom openlaten.

0080

Deelnemingsvorm

Een van de volgende waarden rapporteren:

“Direct”

in het geval van rechtstreeks lidmaatschap of rechtstreekse deelneming

“Indirect”

in het geval van indirect lidmaatschap of indirecte deelneming

“NVT”

wanneer in kolom 0050 “NVT” is gerapporteerd.

0090

Naam

Handelsnaam van de intermediair wanneer in kolom 0080 “Indirect” of “NVT” is gerapporteerd.

Wanneer in kolom 0080 “Direct” is gerapporteerd, hier “NVT” (niet van toepassing) rapporteren.

De intermediair kan deel uitmaken van de groep waartoe de rapporterende entiteit behoort, of van een andere kredietinstelling die geen banden heeft met die groep.

Een intermediair kan een bedrijf zijn dat clearing-, betalings-, effectenafwikkelings- en/of bewaringsdiensten levert aan andere bedrijven (met name wanneer in kolom 0050 “NVT” wordt gerapporteerd). Het kan een direct lid zijn van één of meerdere FMI’s en indirecte toegang bieden tot de diensten die een dergelijke FMI verricht (met name wanneer in kolom 0080 “Indirect” wordt gerapporteerd).

0100

Code

De code van de intermediair. Voor zover beschikbaar, is de code de alfanumerieke LEI-code met twintig cijfers. Is geen LEI-code beschikbaar, een code volgens een eenvormige codering van toepassing in de Unie of, wanneer die niet beschikbaar is, een nationale code.

Wanneer in kolom 0090 “Direct” is gerapporteerd, hier “NVT” (niet van toepassing) rapporteren.

0110

Beschrijving dienst

Beschrijving van de dienst indien het in kolom 0050 gerapporteerde type systeem “Ander” of “NVT” is.

0120

Toepasselijk recht

De ISO 3166-1 alpha-2-identificatiecode van het land onder het recht waarvan de toegang tot de FMI valt.

In het geval van rechtstreeks lidmaatschap of rechtstreekse deelname, is dit het toepasselijke recht van het contract tussen de FMI en de gebruiker waarover moet worden gerapporteerd. In het geval van indirect lidmaatschap of indirecte deelname, is dit het toepasselijke recht van het contract tussen de vertegenwoordigende instelling en de gebruiker waarover moet worden gerapporteerd.

II.10   Kritieke informatiesystemen

II.10.1   Algemene opmerkingen

57.

Dit onderdeel bestaat uit de volgende templates:

a)

Z 10.01 — Kritieke informatiesystemen (algemene informatie) (CIS 1), met een lijst van alle kritieke informatiesystemen binnen de groep;

b)

Z 10.02 — Mapping kritieke informatiesystemen (CIS 2), waarin de kritieke informatiesystemen met de gebruikende entiteiten binnen de groep en kritieke functies worden gemapt.

58.

Een kritiek informatiesysteem (“CIS”) is een IT-toepassing of software die een kritieke dienst ondersteunt en waarvan de verstoring de uitvoering van een kritieke functie ernstig zou belemmeren of verhinderen.

59.

Deze templates rapporteren voor de volledige groep.

II.10.2   Z 10.01 — Kritieke informatiesystemen (algemene informatie) (CIS 1): Instructies voor bepaalde posities

60.

De in kolom 0010 van deze template te rapporteren waarde vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

Kolommen

Instructies

0010 — 0040

Kritiek informatiesysteem

0010

Systeemidentificatiecode

De systeemidentificatiecode is een acroniem waarmee de instelling het kritieke informatiesysteem ondubbelzinnig identificeert.

Dit is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template.

0020

Naam systeem

Handelsnaam of interne naam van het systeem.

0030

Type systeem

Een van de volgende waarden rapporteren:

“Op maat ontwikkelde software voor ondersteuning bedrijfsprocessen”

Toepassingen die zijn ontwikkeld volgens precieze bedrijfsspecificaties. Deze kunnen intern of met een beroep op externe dienstverrichters zijn ontwikkeld, doch steeds ter ondersteuning van bedrijfsprocessen.

“Aangeschafte software — ongewijzigd”

Op de markt aangeschafte toepassingen, doorgaans verkocht of gelicentieerd door een verkoper, waarin geen specifieke aanpassingen aan de bedrijfsactiviteiten van de organisatie zijn aangebracht. Ook toepassingen met normale configuratiemechanismen, vallen onder deze categorie.

“Aangeschafte software met wijzigingen op maat”

Op de markt aangeschafte toepassingen, maar waarvan de verkoper (of zijn vertegenwoordiger) een specifieke versie heeft gecreëerd in het kader van de installatie in kwestie. Deze specifieke versie wordt gekenmerkt door veranderingen in het gedrag van de toepassing, nieuwe kenmerken of de integratie van niet-standaard invoegtoepassingen die zijn ontwikkeld op maat van de bedrijfsactiviteiten van de organisatie.

“Toepassing/Extern portal”

Externe portals of toepassingen aangeleverd door derden, doorgaans partners, om toegang te krijgen tot de diensten die dezen aanbieden. Doorgaans vallen deze buiten het bereik van het beheer van de informatiesystemen van de organisatie, en worden zij geïnstalleerd, onderhouden en beheerd door de partner zelf. Dergelijke toepassingen hebben vaak de vorm van portals (die toegankelijk zijn via internet of particuliere netwerken) en zijn, ondanks dat zij buiten het bereik van het beheer van de informatiesystemen van de organisatie vallen, belangrijk (of kritiek) voor bepaalde bedrijfsfuncties.

0040

Beschrijving

Beschrijving van het hoofddoel van het informatiesysteem binnen de bedrijfscontext.

0050-0060

Groepsentiteit verantwoordelijk voor het systeem

0050

Naam entiteit

Naam van de rechtspersoon die binnen de groep voor het systeem verantwoordelijk is.

Dit is de entiteit die belast is met de algehele inkoop, ontwikkeling, integratie, aanpassing, exploitatie, onderhoud en buitengebruikstelling van een informatiesysteem en die een cruciale bijdrage levert aan de ontwikkeling van systeemontwerpspecificaties, zodat de beveiliging en operationele gebruikersbehoeften worden gedocumenteerd, getest en geïmplementeerd.

0060

Code

Code van de rechtspersoon die binnen de groep voor het systeem verantwoordelijk is, zoals gerapporteerd in Z 01.00 Organisatiestructuur (ORG).

II.10.3   Z 10.02 — Mapping informatiesystemen (CIS 2): Instructies voor bepaalde posities

61.

De combinatie van de in de kolommen 0010, 0030, 0040, 0050 en 0060 van deze template gerapporteerde waarden vormt een primaire sleutel die uniek moet zijn voor iedere rij van de template.

Kolommen

Instructies

0010

Systeemidentificatiecode

De identificatiecode van het informatiesysteem zoals gerapporteerd in kolom 010 van template Z 10.01 (CIS 1).

0020-0030

Systeemgebruikende groepsentiteit

De entiteit die het systeem binnen de groep gebruikt (“gebruiker”). In het geval van meerdere gebruikers wordt voor elke gebruiker van hetzelfde informatiesysteem een afzonderlijke rij gerapporteerd.

0020

Naam entiteit

Naam van de gebruikende entiteit zoals gerapporteerd in Z 01.00 (ORG).

0030

Code

Code van de gebruikende entiteit zoals gerapporteerd in Z 01.00 (ORG).

0040

Kritieke dienst

De identificatiecode van de kritieke dienst, zoals gerapporteerd in Z 08.00 (kolom 0005) die het systeem ondersteunt. De kritieke dienst kan zelf een IT-dienst zijn die of een ander type dienst dat het informatiesysteem ondersteunt (bv. transactieverwerking).

0050-0060

Kritieke functie

De kritieke functie die ernstig zou worden belemmerd of volledig zou worden verhinderd door een verstoring van door het informatiesysteem ondersteunde diensten. Er kunnen meerdere kritieke functies zijn; in dat geval worden voor hetzelfde informatiesystem meerdere rijen gerapporteerd.

0050

Land

Het land waarvoor de functie kritiek is, zoals gerapporteerd in Z 07.01 (FUNC 1).

0060

ID

ID van de kritieke functies zoals hierboven gedefinieerd in hoofdstuk II.7.1 en bedoeld in template Z 07.01 (FUNC 1).


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie van 17 december 2020 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (PB L 97 van 19.3.2021, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(3)  Nadere informatie is te vinden op de volgende website: www.leiroc.org

(4)  Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(8)  Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(9)  Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 16).

(10)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(11)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EU, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(12)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

(13)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(14)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(15)  Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).

(16)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(17)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie van 23 mei 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen met technische reguleringsnormen voor methodieken en grondslagen voor de waardering van uit derivaten voortvloeiende passiva (PB L 228 van 23.8.2016, blz. 7).

(18)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/778 van de Commissie van 2 februari 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de omstandigheden en voorwaarden waaronder de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen geheel of gedeeltelijk kan worden opgeschort, en inzake de criteria voor de vaststelling van de activiteiten, diensten en bedrijfsactiviteiten ten aanzien van kritieke functies alsook inzake de criteria voor de vaststelling van de bedrijfsonderdelen en daarmee samenhangende diensten ten aanzien van kernbedrijfsonderdelen (PB L 131 van 20.5.2016, blz. 41).

(19)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(20)  Verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PB L 241 van 2.9.2006, blz. 1).

(21)  Verordening (EU) nr. 1409/2013 van de Europese Centrale Bank van 28 november 2013 betreffende betalingsstatistieken (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 18).

(22)  Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 4 april 2014 betreffende monetaire en financiële statistieken (ECB/2014/15) (PB L 340 van 26.11.2014, blz. 1).


BESLUITEN

4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/105


BESLUIT (EU) 2022/366 VAN DE RAAD

van 3 maart 2022

betreffende de gedeeltelijke opschorting van de toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, punt a), in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (1) (“de overeenkomst”) is op 28 mei 2015 ondertekend en op 12 februari 2016 bij Besluit (EU) 2016/272 van de Raad (2) gesloten. De overeenkomst vergemakkelijkt het reizen naar de Unie voor burgers van Vanuatu en het reizen naar Vanuatu voor burgers van de Unie.

(2)

De overeenkomst is gebaseerd op de gemeenschappelijke wens van de overeenkomstsluitende partijen om de interpersoonlijke contacten, het toerisme en de handel tussen de Unie en Vanuatu te stimuleren.

(3)

Uit hoofde van artikel 8, lid 4, van de overeenkomst kan elke overeenkomstsluitende partij de toepassing van de overeenkomst geheel of gedeeltelijk opschorten, met name in verband met de openbare orde of de bescherming van de nationale veiligheid. Het besluit tot opschorting moet uiterlijk twee maanden vóór de voorgenomen inwerkingtreding ervan worden meegedeeld aan de andere overeenkomstsluitende partij. Indien de redenen voor de opschorting niet langer bestaan, moet de overeenkomstsluitende partij die de toepassing van de overeenkomst heeft opgeschort, de andere overeenkomstsluitende partij onmiddellijk daarvan in kennis stellen en een einde aan de opschorting maken.

(4)

Vanuatu past burgerschapsregelingen voor investeerders toe op grond waarvan onderdanen van andere landen die eerder geen banden met Vanuatu hadden, de Vanuataanse nationaliteit hebben gekregen, en de overgrote meerderheid van de aanvragen is goedgekeurd. Op basis van de door de paspoortdienst van Vanuatu op 14 juni 2021 verstrekte informatie heeft Vanuatu in de periode tot maart 2021 meer dan 10 500 paspoorten afgegeven in het kader van dergelijke regelingen, met een extreem laag afwijzingspercentage. Dat roept twijfels op over de betrouwbaarheid van de veiligheidsscreening en de due-diligence door de Vanuataanse autoriteiten.

(5)

In oktober 2017, november 2019, juni 2020 en maart 2021 heeft de Commissie in het kader van contacten met Vanuatu ernstige bezorgdheid geuit en de Vanuataanse regering gewaarschuwd voor de mogelijke herinvoering van de visumplicht. De door Vanuatu verstrekte uitleg volstond niet om die bezorgdheid weg te nemen.

(6)

De verlening van het burgerschap aan aanvragers die in de databanken van Interpol zijn opgenomen, is in tegenspraak met eerdere garanties van de Vanuataanse autoriteiten met betrekking tot de veiligheidsscreening en geeft aanleiding tot verdere bezorgdheid over de betrouwbaarheid van de veiligheidsscreeningprocedures die in het kader van de regelingen worden toegepast.

(7)

Onder de succesvolle aanvragers van de Vanuataanse nationaliteit bevinden zich onderdanen van verschillende landen waarvan de onderdanen in het bezit moeten zijn van een visum wanneer zij de buitengrenzen van de Unie overschrijden. Voorts heeft de Commissie bezorgdheid geuit over het ontbreken van vereisten inzake fysieke aanwezigheid of fysiek verblijf, de korte periode voor de behandeling van de aanvragen in het kader van de regelingen en het gebrek aan systematische informatie-uitwisseling met het land van herkomst van de aanvragers of het land waar zij eerder hun hoofdverblijfplaats hadden. De Commissie is tot de conclusie gekomen dat de manier waarop de aanvragen voor de burgerschapsregelingen voor investeerders in Vanuatu worden gescreend, geen hoog veiligheidsniveau garandeert.

(8)

De opschorting van de toepassing van de overeenkomst moet worden beperkt tot gewone paspoorten die zijn afgegeven vanaf 25 mei 2015, toen het aantal succesvolle aanvragers in het kader van de Vanuataanse burgerschapsregelingen voor investeerders sterk begon te stijgen.

(9)

De toepassing van de overeenkomst ten aanzien van burgers van Vanuatu die in het bezit zijn van een vanaf 25 mei 2015 door Vanuatu afgegeven gewoon paspoort, moet daarom worden opgeschort.

(10)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (3); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf wordt met ingang van 4 mei 2022 opgeschort voor burgers van Vanuatu die in het bezit zijn van een gewoon paspoort dat vanaf 25 mei 2015 door Vanuatu is afgegeven.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 8, lid 4, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

G. DARMANIN


(1)   PB L 173 van 3.7.2015, blz. 48.

(2)  Besluit (EU) 2016/272 van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (PB L 52 van 27.2.2016, blz. 11).

(3)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/107


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/367 VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2022

tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 1200)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (1), en met name artikel 29, lid 1, vierde alinea, en artikel 29, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Derde landen waaruit de lidstaten onder die richtlijn vallende dieren en dierlijke producten mogen invoeren, moeten overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 96/23/EG residubewakingsplannen indienen die de nodige garanties bieden (“de plannen”). De plannen moeten ten minste de groepen residuen en stoffen omvatten die in bijlage I bij Richtlijn 96/23/EG zijn vermeld.

(2)

Bij Besluit 2011/163/EU van de Commissie (2) worden de door bepaalde derde landen ingediende plannen betreffende de in de bijlage bij dat besluit vermelde dieren en dierlijke producten goedgekeurd.

(3)

De bijlage bij Besluit 2011/163/EU is voor het laatst gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315 van de Commissie (3). Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315 is de categorie “Aquacultuurproducten” in vier subcategorieën verdeeld, te weten “Vis”, “Visproducten (bv. caviaar)”, “Schaaldieren” en “Weekdieren (tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen)”, om beter aan te sluiten op de categorieën die worden gebruikt voor de certificaten van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 van de Commissie (4), en op de lijsten van landen overeenkomstig de bijlagen VIII en IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 van de Commissie (5) waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde producten is toegestaan.

(4)

Belarus, Canada, China, Israël (6), Moldavië, Zwitserland, Turkije, de Verenigde Staten en Uruguay waren voorheen in de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU opgenomen voor “Aquacultuurproducten” en voerden op die basis uit de aquacultuur afkomstige kaviaar uit. Het residubewakingsplan voor vis dat zij hebben ingediend, voldeed aan de algemene voorschriften van de Unie voor aquacultuurproducten en bestreek ook kaviaar. Die derde landen zijn derhalve niet voor “Visproducten (bv. caviaar)” opgenomen in de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315. Om verwarring te voorkomen wat de toestemming voor de uitvoer van kaviaar naar de Unie betreft, moeten die derde landen ook in de kolom “Visproducten (bv. caviaar)” worden vermeld. Omwille van de duidelijkheid moet de kolom “Visproducten (bv. caviaar)” de naam “Kaviaar (7) (visproduct)” krijgen.

(5)

De Verenigde Arabische Emiraten hebben geen residubewakingsplan voor visproducten bij de Commissie ingediend. De Verenigde Arabische Emiraten hebben echter garanties geboden met betrekking tot visproducten van oorsprong uit de lidstaten of uit derde landen waaruit de uitvoer van die producten naar de Unie is toegestaan. Daarom moet in de subkolom voor “Kaviaar (visproduct)” in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU een vermelding voor de Verenigde Arabische Emiraten worden toegevoegd, met een passende voetnoot.

(6)

Besluit 2011/163/EU moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (8).

Artikel 2

De bijlage bij Besluit 2011/163/EU wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2022.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)   PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(2)  Besluit 2011/163/EU van de Commissie van 16 maart 2011 tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (PB L 70 van 17.3.2011, blz. 40).

(3)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2315 van de Commissie van 17 december 2021 tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (PB L 464 van 28.12.2021, blz. 17).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 van de Commissie van 16 december 2020 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft modellen van diergezondheidscertificaten, modellen van officiële certificaten en modellen van diergezondheids-/officiële certificaten, voor de binnenkomst in de Unie en verplaatsingen binnen de Unie van zendingen van bepaalde categorieën dieren en goederen, en officiële certificering met betrekking tot dergelijke certificaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 599/2004, Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 636/2014 en (EU) 2019/628, Richtlijn 98/68/EG en de Beschikkingen 2000/572/EG, 2003/779/EG en 2007/240/EG (PB L 442 van 30.12.2020, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/405 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van de lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen is toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 31.3.2021, blz. 118).

(6)  De Staat Israël met uitzondering van gebieden onder Israëlisch bestuur sinds juni 1967, namelijk de Golanhoogte, de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever.

(7)  Kaviaar of kaviaarsurrogaten bereid uit kuit.

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).


BIJLAGE

“BIJLAGE

ISO 2-code

Land  ((1))

Runderen

Schapen/geiten

Varkens

Paardachtigen

Pluimvee

Aquacultuurproducten

Melk

Eieren

Konijnen

Vrij wild

Gekweekt wild

Honing

Casings

Visserijproducten

Weekdieren (tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen)

Vis

Kaviaar  ((13)) (visproduct)

Schaaldieren

AD

Andorra

X

X

X ((2))

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

AE

Verenigde Arabische Emiraten

 

 

 

 

 

X ((2))

X ((2))

 

 

X ((3))

 

 

 

 

 

 

AL

Albanië

 

X

 

 

 

X

 

 

 

X ((2a))

X

 

 

 

 

X

AM

Armenië

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

AR

Argentinië

X

X

 

X

X

X

 

 

 

X

X

X

X

X

X

X

AU

Australië

X

X

 

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

BA

Bosnië en Herzegovina

X

X

X

 

X

X

 

 

 

X

X

 

 

 

X

 

BD

Bangladesh

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

BF

Burkina Faso

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

BJ

Benin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

BN

Brunei

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

BR

Brazilië

X

 

 

X

X

X

 

X

 

 

 

 

 

 

X

X

BW

Botswana

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BY

Belarus

 

 

 

X ((7))

 

X

X

 

 

X

X

 

 

 

X

X

BZ

Belize

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

CA

Canada

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

 

CH

Zwitserland

X

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

X

X

CL

Chili

X

X

X

 

X

X

 

 

X

X

 

 

X

 

X

X

CM

Kameroen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

CN

China

 

 

 

 

X

X

X

X

 

 

X

X

 

 

X

X

CO

Colombia

 

 

 

 

 

X

 

X

 

X

X ((2))

 

 

 

 

X

CR

Costa Rica

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

CU

Cuba

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

X

 

DO

Dominicaanse Republiek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

EC

Ecuador

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

EG

Egypte

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X ((2a))

 

 

 

 

 

X

ET

Ethiopië

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

FK

Falklandeilanden

X

X ((5))

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FO

Faeröer

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GB

Verenigd Koninkrijk

X

X

X

X

X

X

 

 

X

X

X

X

X

X

X

X

GE

Georgië

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

GG

Guernsey

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

GL

Groenland

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

GT

Guatemala

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

X

 

HN

Honduras

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

ID

Indonesië

 

 

 

 

 

X

 

X

 

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

 

 

IL

Israël ((4))

 

 

 

 

X

X

X

 

 

X

X

 

 

 

X

 

IM

Man

X

X

X

 

 

X

 

 

X

X

 

 

 

 

X

 

IN

India

 

 

 

 

X ((2a))

X

 

X

 

X ((2a))

X

 

 

 

X

X

IR

Iran

 

 

 

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

X

JE

Jersey

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

JM

Jamaica

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

JP

Japan

X

 

X

 

X

X

 

 

X

X

X

 

 

 

X ((2a))

X

KE

Kenia

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KR

Zuid-Korea

 

 

 

 

X

X

 

X

X

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

X ((2a))

 

LB

Libanon

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

LK

Sri Lanka

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

MA

Marokko

 

 

 

 

X

X

 

X ((2a))

X

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

 

X

MD

Moldavië

 

 

 

 

X

X

X

 

 

X

X

 

 

 

X

 

ME

Montenegro

X

X ((5))

X

 

X

X

 

 

 

X

X

 

 

 

X

 

MG

Madagaskar

 

 

 

 

 

X

X

X

 

 

 

 

 

 

X

 

MK

Noord-Macedonië

X

X

X

 

X

X

 

 

 

X

X

 

X

 

X

 

MM

Myanmar/Birma

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

X

 

MN

Mongolië

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

MU

Mauritius

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X ((2))

 

MX

Mexico

 

 

X ((2))

 

 

X

 

X

 

X ((2a))

X

 

 

 

X

 

MY

Maleisië

 

 

 

 

X ((2))

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

MZ

Mozambique

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

NA

Namibië

X

X ((5))

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

NC

Nieuw-Caledonië

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

X

X

 

NG

Nigeria

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

NI

Nicaragua

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

X

 

NZ

Nieuw-Zeeland

X

X

X ((2a))

X

X ((2a))

X

 

 

X

X

X ((2a))

X ((2a))

X

X

X

X

OM

Oman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

X ((2a))

 

PA

Panama

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

PE

Peru

 

 

 

 

 

X

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

PH

Filipijnen

 

 

 

 

 

X

 

X

 

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

 

 

PK

Pakistan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

PM

Saint-Pierre en Miquelon

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PN

Pitcairneilanden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

PY

Paraguay

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

RS

Servië ((6))

X

X

X

X ((7))

X

X

 

 

 

X

X

 

X

 

X

X

RU

Rusland

X

X

X

 

X

 

 

 

 

X

X

 

 

X ((8))

X

X

RW

Rwanda

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

SA.

Saudi-Arabië

 

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

SG

Singapore

X ((2))

X ((2))

X ((2))

X ((9))

X ((2))

X

 

 

 

X ((2))

X ((2a))

 

X ((9))

X ((9))

 

 

SL

Sierra Leone

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

SM

San Marino

X

 

X ((2))

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

X

 

SV

El Salvador

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

SY

Syrië

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

SZ

Eswatini

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TG

Togo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

TH

Thailand

X ((2a))

 

X ((2a))

 

X

X

 

X

X

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

X

 

TN

Tunesië

 

 

 

 

 

X

 

 

X

 

 

 

 

 

 

X

TR

Turkije

 

 

 

 

X

X

X

 

X

X

X

 

 

 

X

X

TW

Taiwan

 

 

 

 

 

X

 

X

 

X ((2a))

X

 

 

 

X

 

TZ

Tanzania

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

X

 

UA

Oekraïne

X

 

X

 

X

X

 

 

X

X

X

X

 

 

X

X

UG

Uganda

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

US

Verenigde Staten

X

X ((10))

X

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

 

UY

Uruguay

X

X

 

X

 

X

X

 

X

X

 

 

X

 

X

X

UZ

Oezbekistan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

VE

Venezuela

 

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

VN

Vietnam

 

 

 

 

 

X

 

X

X

X ((2a))

X ((2a))

 

 

 

X

 

WF

Wallis en Futuna

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

XK

Kosovo ((11))

 

 

 

 

X ((2))

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ZA

Zuid-Afrika

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

X ((12))

 

 

ZM

Zambia

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 


((1))  De tabel bevat een lijst van landen en gebieden. Zij is niet beperkt tot landen die door de EU zijn erkend.

((2))  Derde landen die alleen grondstoffen gebruiken van andere derde landen of lidstaten die zijn goedgekeurd voor de invoer van dergelijke grondstoffen naar de Unie, overeenkomstig artikel 2.

((2a))  Derde landen die overeenkomstig artikel 2 producten van dierlijke oorsprong gebruiken uit lidstaten of uit andere derde landen waaruit de invoer van die verwerkte producten naar de Unie is toegestaan, die enkel bestemd zijn voor de bereiding van samengestelde producten die naar de Unie worden uitgevoerd.

((3))  Alleen kamelenmelk.

((4))  De Staat Israël met uitzondering van gebieden onder Israëlisch bestuur sinds juni 1967, namelijk de Golanhoogte, de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever.

((5))  Alleen schapen.

((6))  Uitgezonderd Kosovo.

((7))  Uitvoer naar de Unie van levende paardachtigen voor de slacht (uitsluitend dieren voor de levensmiddelenproductie).

((8))  Alleen rendieren.

((9))  Alleen voor verse vleesproducten van oorsprong uit Nieuw-Zeeland die bestemd zijn voor de Unie en al dan niet met opslag worden gelost en overgeladen in en doorgevoerd via Singapore.

((10))  Alleen geiten.

((11))  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

((12))  Alleen loopvogels.

((13))  Kaviaar of kaviaarsurrogaten bereid uit kuit.


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/117


BESLUIT (EU) 2022/368 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 februari 2022

tot wijziging van Besluit (EU) 2015/2218 betreffende de procedure tot vaststelling van de niet-toepasselijkheid op personeelsleden van het vermoeden van een materiële impact op het risicoprofiel van een onder toezicht staande kredietinstelling (ECB/2021/6)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 127, lid 6, en artikel 132,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie (2) zijn kwalitatieve en kwantitatieve criteria vastgesteld om de categorieën van medewerkers te identificeren wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden. De gedelegeerde verordening voorziet ook in een procedure op grond waarvan een instelling kan bepalen dat, hoewel een medewerker aan de kwantitatieve criteria voldoet, de beroepswerkzaamheden van deze medewerker niet worden geacht het risicoprofiel van de instelling materieel te beïnvloeden, en op basis van een dergelijke vaststelling kan zij de bevoegde autoriteit in kennis stellen van het uitsluiten van het betrokken personeelslid van het vermoeden dat de beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling materieel beïnvloeden, of toestemming vragen voor een dergelijke uitsluiting. Vanuit haar verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de entiteiten die onder haar rechtstreeks toezicht staan de regels inzake de identificatie van personeelsleden op coherente wijze toepassen om de deugdelijkheid van dergelijke identificatie te waarborgen, heeft de ECB Besluit (EU) 2015/2218 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/38) (3) vastgesteld om duidelijkheid te verschaffen over de procedure voor de uitsluiting van medewerkers als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014.

(2)

Naar aanleiding van wijzigingen in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) is Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 ingetrokken voor kredietinstellingen en op 14 juni 2021 vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 van de Commissie (5), die het ontwerp van nieuwe technische uitvoeringsnormen bevat om de begrippen leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid te definiëren en om de in artikel 94, lid 2, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU genoemde personeelsleden of categorieën personeelsleden te identificeren. Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 elimineert ook de kennisgevingsprocedure en stelt criteria vast voor de beoordeling van de uitzonderlijke omstandigheden overeenkomstig artikel 6, lid 4 , van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923.

(3)

Teneinde rechtszekerheid te waarborgen voor kredietinstellingen die kennisgevingen en aanvragen krachtens Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 of verzoeken om voorafgaande goedkeuring krachtens Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 hebben ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, is het noodzakelijk overgangsmaatregelen vast te stellen.

(4)

Derhalve moet Besluit (EU) 2015/2218 (ECB/2015/38) dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Besluit (EU) 2015/2218 (ECB/2015/38) wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

“Artikel 1

Werkingssfeer

Dit besluit stelt de procedurele voorschriften vast voor het door de onder toezicht staande kredietinstellingen bij de ECB in te dienen verzoek om voorafgaande goedkeuring om personeelsleden of categorieën van personeelseden uit te sluiten van het vermoeden dat het betrokken personeelsleden betreft zoals geïdentificeerd op basis van de in artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 van de Commissie (*1) vastgelegde kwantitatieve criteria.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 van de Commissie van 25 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden (PB L 203 van 9.6.2021, blz. 1).”."

2)

In artikel 2 wordt punt 3 vervangen door:

“3)

“betrokken personeelslid”: a) alle personeelsleden en categorieën personeelsleden van een onder toezicht staande kredietinstelling wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de kredietinstelling materieel beïnvloeden en die zijn vermeld in artikel 92, lid 3, punten a) tot en met c), van Richtlijn 2013/36/EU, en b) alle andere personeelsleden en categorieën personeelsleden die niet uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 92, lid 3, punten a) tot en met c), van Richtlijn 2013/36/EU, en wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een onder toezicht staande kredietinstelling even wezenlijk beïnvloeden als het risicoprofiel van de overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 geïdentificeerde personeelsleden of categorieën van personeelsleden”.”.

3)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“1.   Een verzoek om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, bevat de volgende informatie ten aanzien van het einde van het voorafgaande boekjaar en het lopende boekjaar:”;

b)

in lid 1 worden punten e) en f) vervangen door:

“e)

het aantal betrokken personeelsleden, vastgesteld op basis van de in artikel 92, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 vastgelegde kwalitatieve criteria”;

“f)

het aantal betrokken personeelsleden, zulks uitsluitend vastgesteld op basis van de in artikel 92, lid 3, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 vastgelegde kwantitatieve criteria, samen met een vermelding tot welke van de in artikel 92, lid 3, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 6, lid 1, punt a) of b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 bedoelde categorieën elk betrokken personeelslid behoort;”;

c)

in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:

“2.   Een verzoek om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, bevat de volgende informatie ten aanzien van elk personeelslid voor wie om toepassing van artikel 6, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 wordt verzocht:”;

d)

in lid 2 wordt punt d) vervangen door:

“d)

het totale bezoldigingsbedrag in euro en de verhouding tussen de variabele en vaste bezoldiging van het personeelslid in het referentiejaar;”;

e)

in lid 2 wordt punt f) vervangen door:

“f)

de kwantitatieve criteria op basis waarvan werd vastgesteld dat het een betrokken personeelslid betreft (artikel 6, lid 1, punt a) of b)), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923);”;

f)

in lid 2 wordt punt g) vervangen door:

“g)

de criteria op basis waarvan krachtens artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 de voorafgaande goedkeuring ten aanzien van het personeelslid is gevraagd (artikel 6, lid 2, punt a) of b)), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923).”;

g)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Een verzoek om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, bevat het jaarlijkse interne of externe auditevaluatierapport inzake het vaststellingsproces ten aanzien van betrokken personeelsleden en de resultaten daarvan, met betrekking tot elk personeelslid waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 voorafgaande goedkeuring wordt gevraagd.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het opschrift wordt vervangen door:

Vereiste documentatie om te onderbouwen dat het personeelslid of de categorie van personeelsleden uitsluitend beroepswerkzaamheden uitoefent in en alleen autorisaties heeft in een bedrijfsonderdeel dat geen essentiële bedrijfseenheid is ”;

b)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“1.   Bij het aanvragen van voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, dienen onder toezicht staande kredietinstellingen bij de ECB de volgende documentatie in om te onderbouwen dat een personeelslid of de categorie personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, uitsluitend beroepswerkzaamheden uitoefent en autorisaties heeft in een bedrijfseenheid die geen essentiële bedrijfseenheid is, zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923:”;

c)

in lid 1 wordt het volgende punt d bis) ingevoegd:

“d bis)

een verklaring waarin wordt gemotiveerd waarom de bedrijfseenheid niet anderszins wordt geacht het interne kapitaal van de onder toezicht staande kredietinstelling materieel te beïnvloeden;”;

d)

in lid 1 wordt punt e) vervangen door:

“e)

een verklaring die uiteenzet waarom de onder toezicht staande kredietinstelling het personeelslid, of de categorie personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, een bezoldiging heeft toegekend die voldoet aan de in artikel 6, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 bedoelde criteria, ofschoon het personeelslid of de categorie personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, beroepswerkzaamheden uitoefent in een niet-essentiële bedrijfseenheid;”;

e)

in lid 1 wordt punt f) vervangen door:

“f)

een onderbouwde verklaring die uiteenzet waarom het personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, niet voldoet aan de in artikel 92, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 vastgelegde kwalitatieve criteria;”;

f)

aan lid 1 wordt het volgende punt g) toegevoegd:

“g)

een gedetailleerd en allesomvattend overzicht waarin wordt uitgelegd waarom het bedrijfsonderdeel geen kernbedrijfsonderdeel is als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (*2), of zoals gedefinieerd in een gedelegeerde handeling die de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 2, van die richtlijn kan vaststellen.

(*2)  Richtlijn 2014/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).”."

5)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de aanhef wordt vervangen door:

Vereiste documentatie om te onderbouwen dat de beroepswerkzaamheden van het personeelslid of de categorie personeelsleden geen aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid ”;

b)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“1.   Bij het aanvragen van voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, dienen onder toezicht staande kredietinstellingen bij de ECB de volgende documentatie in om te onderbouwen dat de beroepswerkzaamheden van een personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, geen aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid als bedoeld in artikel 6, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923”;

c)

in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

“c)

een gedetailleerde beschrijving van de in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 vastgelegde criteria die zijn toegepast om te beoordelen of de beroepswerkzaamheden van het betrokken personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, geen aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, waarbij wordt vermeld hoe deze criteria werden toegepast en hoe met alle voor de meting van interne risico's toegepaste relevante risico- en prestatie-indicatoren rekening is gehouden;”;

d)

in lid 1 wordt punt d) vervangen door:

“d)

een verklaring die uiteenzet waarom de onder toezicht staande kredietinstelling het personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, een bezoldiging heeft toegekend die voldoet aan de in artikel 6, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 bedoelde criteria, ofschoon het personeelslid geen aanzienlijke impact heeft op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid;”;

e)

in lid 1 wordt punt e) vervangen door:

“e)

een onderbouwde verklaring die uiteenzet waarom het betrokken personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, niet voldoet aan de in artikel 92, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 vastgelegde kwalitatieve criteria;”.

6)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“1.   Wanneer onder toezicht staande kredietinstellingen een verzoek indienen om voorafgaande goedkeuring overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 voor een personeelslid aan wie in of ten aanzien van wie het voorafgaande boekjaar een totale bezoldiging van 1 000 000 EUR of meer werd toegekend, verstrekken de onder toezicht staande kredietinstellingen de volgende documentatie aan de ECB ter onderbouwing van de in artikel 6, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden:”;

b)

in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

“b)

een gedetailleerde beschrijving van de met het betrokken personeelslid verband houdende uitzonderlijke omstandigheden, die verklaart waarom de onder toezicht staande kredietinstelling het personeelslid een bezoldiging heeft toegekend van 1 000 000 EUR of meer, ofschoon het personeelslid naar verluidt het risicoprofiel van de onder toezicht staande kredietinstelling niet materieel beïnvloedt.”.

7)

Artikel 7 wordt geschrapt.

8)

Artikel 8 wordt vervangen door:

“Artikel 8

Indieningstermijn voor verzoeken om voorafgaande goedkeuring

Verzoeken om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, worden onverwijld en uiterlijk binnen zes maanden na het einde van het voorgaande boekjaar ingediend.”.

9)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

“1.   Op basis van de informatie in een verzoek om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, beoordeelt de ECB:”;

b)

in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

“b)

de basis op grond waarvan de onder toezicht staande kredietinstelling heeft vastgesteld dat het betrokken personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, voldoet aan een van de in artikel 6, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923 vastgelegde voorwaarden;”;

c)

in lid 1, punt c), worden punten i) en ii) vervangen door:

“i)

of de onder toezicht staande kredietinstelling naar behoren rekening heeft gehouden met de voorwaarde van artikel 6, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 of van artikel 6, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, naargelang het geval, en

ii)

of de onder toezicht staande kredietinstelling heeft aangetoond dat het betrokken personeelslid, of de categorie van personeelsleden waartoe het personeelslid behoort, waarvoor het verzoek om voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923, is ingediend, het risicoprofiel van de onder toezicht staande kredietinstelling niet even wezenlijk beïnvloedt als de in artikel 92, lid 3, punt a), b) of c), van Richtlijn 2013/36/EU genoemde categorieën van personeelsleden;”;

d)

in lid 1 wordt punt d) vervangen door:

“d)

voor wat betreft verzoeken om voorafgaande goedkeuring voor personeelsleden aan wie een totale bezoldiging van 1 000 000 EUR of meer werd toegekend, of uitzonderlijke omstandigheden van toepassing zijn. Voorafgaand aan enig te nemen besluit stelt de ECB in dergelijke gevallen de Europese Bankautoriteit in kennis van de resultaten van de initiële beoordeling.”;

e)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   De ECB neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de volledige documentatie.”;

f)

lid 3 wordt geschrapt.

10)

In artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Een door de ECB verleende voorafgaande goedkeuring als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2021/923, is beperkt tot het verrichten van werkzaamheden door het personeelslid gedurende het boekjaar volgende op het jaar waarin de onder toezicht staande kredietinstelling in kennis gesteld werd van het ECB-toezichtbesluit houdende de goedkeuring.”.

Artikel 2

Overgangsbepalingen

1.   Kennisgevingen die krachtens artikel 4, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 en verzoeken om voorafgaande goedkeuring die krachtens artikel 4, lid 5, van die gedelegeerde verordening zijn ingediend vóór 14 juni 2021, blijven onderworpen aan de procedures en voorschriften van Besluit (EU) 2015/2218 (ECB/2015/38) zoals deze van toepassing zijn voorafgaand aan de datum waarop dit besluit in werking treedt.

2.   Op de krachtens artikel 6, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 ingediende verzoeken om voorafgaande goedkeuring die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden de in Besluit (EU) 2015/228 (ECB/2015/38) neergelegde procedures en vereisten toegepast zoals deze van toepassing zijn voorafgaand aan de datum waarop dit besluit in werking treedt.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 februari 2022.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)   PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 houdende aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met betrekking tot kwalitatieve en passende kwantitatieve criteria tot vaststelling van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden (PB L 167 van 6.6.2014, blz. 30).

(3)  Besluit (EU) 2015/2218 van de Europese Centrale Bank van 20 november 2015 betreffende de procedure tot vaststelling van de niet-toepasselijkheid op personeelsleden van het vermoeden van een materiële impact op het risicoprofiel van een onder toezicht staande kredietinstelling (ECB/2015/38) (PB L 314 van 1.12.2015, blz. 66).

(4)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 van de Commissie van 25 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92,lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden (PB L 203 van 9.6.2021, blz. 1).


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/123


BESLUIT Nr. 72/2020 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/369]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdte van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan is door de partijen overeengekomen en zal door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de EG dat wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

EKTOS Testing and Reliability Services A/S (IKTOS TRS A/S)

Peter Bangs Vej 17

7600 Struer

DENEMARKEN


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/125


BESLUIT Nr. 73/2021 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/370]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

De in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorganen worden toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdten van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van de in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorganen zijn door de partijen overeengekomen en zullen door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de EG die worden toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

IBL-Lab GmbH

Heinrich-Hertz-Allee 7

66386 St. Ingbert

DUITSLAND

C.R.E.I. Ven S.c.r.a.l. Centro Ricerca Elettronica Industriale del Veneto

Corso Spagna 12

35127 Padua

ITALIË


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/127


BESLUIT Nr. 74/2021 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur [2022/371]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur.

2.

De specifieke reikwijdte van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan is door de partijen overeengekomen en zal door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de VS die worden toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende telecommunicatieapparatuur

KL-Certification GmbH

Heinrich-Hertz-Allee 7

66386 St. Ingbert

DUITSLAND


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/129


BESLUIT Nr. 75/2021 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/372]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

De in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorganen worden toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdten van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van de in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorganen zijn door de partijen overeengekomen en zullen door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de EG die worden toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

Ademco CZ s.r.o.

Turanka 1236/96

Slatina

627 00 Brno

TSJECHIË


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/131


BESLUIT Nr. 76/2021 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/373]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdte van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan is door de partijen overeengekomen en zal door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de EG dat wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

TÜV Italia Srl

Gruppo TÜV SÜD

Via Bradizzo 123/125

10088 Volpiano (TO)

ITALIË


4.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/133


BESLUIT Nr. 77/2022 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST INZAKE WEDERZIJDSE ERKENNING TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

van 8 februari 2022

tot opneming van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit [2022/374]

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, en met name de artikelen 7 en 14,

Overwegende dat de Gemengde Commissie een besluit moet nemen over de opneming van een of meer overeenstemmingsbeoordelingsorganen in een sectorbijlage,

BESLUIT:

1.

Het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit.

2.

De specifieke reikwijdte van de opneming in de lijst, wat de producten en overeenstemmingsbeoordelingsprocedures betreft, van het in aanhangsel A vermelde overeenstemmingsbeoordelingsorgaan is door de partijen overeengekomen en zal door hen worden gehandhaafd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door de vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit wordt van toepassing op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen wordt gezet.

Namens de Verenigde Staten van Amerika

James C. SANFORD

Ondertekend te Washington op 2 februari 2022

Namens de Europese Unie

Lucian CERNAT

Ondertekend te Brussel op 8 februari 2022


Aanhangsel A

Overeenstemmingsbeoordelingsorgaan in de EG dat wordt toegevoegd aan de lijst van overeenstemmingsbeoordelingsorganen in de kolom “Toegang van de EG tot de markt van de VS” in afdeling V van de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit

Kiwa Creiven Srl

Corso Spagna 12

35127 Padua

ITALIË