ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 470

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
30 december 2021


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

VN-Reglement nr. 161 — Uniforme technische voorschriften inzake de beveiliging van motorvoertuigen tegen onrechtmatig gebruik en de goedkeuring van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik (door middel van een vergrendelingssysteem) [2021/2274]

1

 

*

VN-Reglement nr. 162 — Uniforme technische voorschriften voor de goedkeuring van immobilisatiesystemen en de goedkeuring van een voertuig wat het immobilisatiesysteem ervan betreft [2021/2275]

23

 

*

VN-Reglement nr. 163 — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen en de goedkeuring van een voertuig wat het voertuigalarmsysteem ervan betreft [2021/2276]

48

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

30.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 470/1


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Zie voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

https://unece.org/status-1958-agreement-and-annexed-regulations

VN-Reglement nr. 161 — Uniforme technische voorschriften inzake de beveiliging van motorvoertuigen tegen onrechtmatig gebruik en de goedkeuring van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik (door middel van een vergrendelingssysteem) [2021/2274]

Datum van inwerkingtreding: 30 september 2021

Dit document dient louter ter informatie. De authentieke en juridisch bindende tekst is: ECE/TRANS/WP.29/2021/48.

INHOUD

Reglement

1.

Toepassingsgebied

2.

Definities

3.

Goedkeuringsaanvraag

4.

Goedkeuring

5.

Goedkeuring van een voertuig van categorie M1 en N1 wat de beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik betreft

6.

Wijziging van het type en uitbreiding van de goedkeuring

7.

Procedures voor de controle van de conformiteit van de productie

8.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

9.

Definitieve stopzetting van de productie

10.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

Bijlagen

1

Inlichtingenformulier

2

Mededeling

3

Opstelling van goedkeuringsmerken

4

Deel 1 — Slijtagetestprocedure voor op de stuurinrichting werkende beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik

4

Deel 2 — Testprocedure voor beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de stuurinrichting werken door middel van een koppelbegrenzer

5

(Gereserveerd)

6

Bedrijfsparameters en testomstandigheden voor beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik (door middel van een vergrendelingssysteem)

7

Elektromagnetische compatibiliteit

1.   Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

1.1.

goedkeuring van een voertuig van categorieën M1 en N1 (1) wat de beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik betreft;

1.2.

de montage van voorzieningen op voertuigen van andere categorieën is facultatief, maar elke gemonteerde dergelijke voorziening moet voldoen aan alle relevante bepalingen van dit reglement;

1.3.

op verzoek van de fabrikant mogen de overeenkomstsluitende partijen goedkeuringen overeenkomstig dit reglement verlenen voor voertuigen van andere categorieën en voorzieningen voor montage op die voertuigen;

1.4.

deze verordening is niet van toepassing op radiofrequenties voor transmissie, ongeacht of deze verband houden met de beveiliging van voertuigen tegen onrechtmatig gebruik.

2.   Definities

2.1.

“Onderdeel”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.2.

“Technische eenheid”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor afzonderlijk, zij het alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypen, typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.3.

“Fabrikant”: de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie. Deze persoon of instantie hoeft niet rechtstreeks betrokken te zijn bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

2.4.

“Voertuigtype”: categorie motorvoertuigen die niet van elkaar verschillen op essentiële punten zoals:

2.4.1.

de typeaanduiding van de fabrikant;

2.4.2.

de plaatsing en constructie van het onderdeel of de onderdelen van het voertuig waarop de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik werkt;

2.4.3.

het type beveiliging tegen onrechtmatig gebruik.

2.5.

“Beveiliging tegen onrechtmatig gebruik”: een vergrendelingssysteem dat het onrechtmatig starten, op de gebruikelijke wijze, van de motor of andere hoofdkrachtbron van het voertuig moet voorkomen, in combinatie met ten minste één systeem ter vergrendeling van

a)

de stuurinrichting, of

b)

de transmissie, of

c)

de versnellingshendel, of

d)

de remmen.

Bij een systeem dat de remmen blokkeert, mag de deactivering ervan niet automatisch de remmen deblokkeren als dat niet de bedoeling is van de bestuurder.

2.6.

“Stuurinrichting”: het stuur, de stuurkolom met toebehoren, de stuuras, het stuurhuis, alsmede alle overige delen die direct bepalend zijn voor de doeltreffendheid van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik.

2.7.

“Combinatie”: een van de speciaal ontworpen en vervaardigde varianten van een vergrendelingssysteem dat alleen bij correcte bediening kan worden in- of uitgeschakeld.

2.8.

“Sleutel”: elke voorziening die ontworpen en vervaardigd is om een vergrendelingssysteem te bedienen dat zelf ontworpen en vervaardigd is om alleen door die voorziening te worden bediend.

2.9.

“Wisselcode”: een elektronische code bestaande uit verschillende elementen waarvan de combinatie na elk gebruik van de zendeenheid op willekeurige wijze wordt gewijzigd.

3.   Goedkeuringsaanvraag

3.1.

De aanvraag om goedkeuring van een voertuigtype of een type onderdeel krachtens dit reglement moet door de fabrikant worden ingediend.

3.2.

Zij gaat vergezeld van een inlichtingenformulier dat is opgesteld volgens het model in bijlage 1 en waarin een beschrijving wordt gegeven van de technische kenmerken van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik en van de installatiemethode(n) voor elk merk en type voertuig waarvoor de beveiliging is bestemd.

3.3.

Een of meer voertuigen/onderdelen die representatief zijn voor het goed te keuren type, worden ter beschikking gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de goedkeuringstest.

4.   Goedkeuring

4.1.

Als het type waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften van dit reglement, moet voor dat type goedkeuring worden verleend.

4.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 00 voor het reglement in zijn oorspronkelijke vorm) moeten de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander type voertuig of onderdeel dat onder dit reglement valt.

4.3.

Van de goedkeuring of uitbreiding van de goedkeuring van een type krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

4.4.

Op elk voertuig of onderdeel dat conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht, bestaande uit:

4.4.1.

een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (2), en

4.4.2.

het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 genoemde cirkel.

4.5.

Als een type conform is met een type dat op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte VN-reglementen is goedgekeurd in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval moeten de nummers van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring in datzelfde land is verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool worden geplaatst.

4.6.

Het goedkeuringsnummer moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.

Bij een voertuig wordt het goedkeuringsmerk dicht bij of op het door de fabrikant bevestigde gegevensplaatje van het voertuig aangebracht.

4.8.

In bijlage 3 bij dit reglement worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.

5.   Goedkeuring van een voertuig van categorieën M1 en N1 wat de beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik betreft

5.1.   Algemene specificaties

5.1.1.

De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik moet zodanig zijn uitgevoerd dat deze moet worden uitgeschakeld om:

5.1.1.1.

de motor met het normale bedieningsorgaan te kunnen starten, en

5.1.1.2.

het voertuig te kunnen verplaatsen of besturen of op eigen kracht te laten voortbewegen.

5.1.1.3.

Aan de voorschriften van punt 5.1.1 kan tegelijk met of vóór de in de punten 5.1.1.1 en 5.1.1.2 beschreven acties worden voldaan.

5.1.2.

Aan de voorschriften van punt 5.1.1 moet worden voldaan met één enkele sleutel.

5.1.3.

Behalve in het in punt 5.2.1.5 bedoelde geval mag bij een systeem dat met een sleutel in een slot wordt bediend, de sleutel niet uit het slot kunnen worden genomen voordat de in punt 5.1.1 bedoelde beveiliging in werking is getreden of is ingeschakeld.

5.1.4.

De in punt 5.1.1 bedoelde beveiliging tegen onrechtmatig gebruik en de onderdelen van het voertuig waarop zij werkt, moeten zo zijn ontworpen dat deze niet snel en zonder de aandacht te trekken kunnen worden geopend, onwerkzaam worden gemaakt of vernield met bijvoorbeeld goedkope en gemakkelijk te verbergen gereedschappen, instrumenten of voorwerpen die voor het grote publiek gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

5.1.5.

De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik moet deel uitmaken van de oorspronkelijke uitrusting van het voertuig (dat wil zeggen door de fabrikant te zijn gemonteerd vóór de eerste verkoop aan de consument). Zij moet zo zijn gemonteerd dat zij, zelfs als de behuizing ervan is verwijderd, in vergrendelde toestand alleen met speciaal gereedschap kan worden gedemonteerd. Als de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik kan worden geneutraliseerd door schroeven te verwijderen, moeten deze schroeven, tenzij zij onverwijderbaar zijn, door delen van de vergrendelde beveiliging worden bedekt.

5.1.6.

Mechanische vergrendelingssystemen moeten ten minste 1 000 verschillende sleutelcombinaties bieden, dan wel evenveel als er jaarlijks voertuigen worden gebouwd, indien dit aantal lager is dan 1 000. Bij voertuigen van eenzelfde type moet de gebruiksfrequentie van een bepaalde combinatie ongeveer 1 op 1 000 bedragen.

5.1.7.

Elektrische/elektronische vergrendelingssystemen, bijvoorbeeld die met afstandsbediening, moeten ten minste 50 000 verschillende combinaties hebben, van een wisselcode zijn voorzien en/of een minimumscantijd van tien dagen hebben, bijvoorbeeld maximaal 5 000 combinaties per 24 uur voor minimaal 50 000 combinaties.

5.1.8.

Wat de aard van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik betreft, is punt 5.1.6 of 5.1.7 van toepassing.

5.1.9.

De sleutel en het slot mogen niet zichtbaar gecodeerd zijn.

5.1.10.

Het slot moet zo zijn ontworpen, vervaardigd en gemonteerd dat de cilinder ervan in vergrendelde stand niet kan worden verdraaid door er met een andere dan de bijpassende sleutel een koppel van minder dan 2,45 Nm op uit te oefenen, en

5.1.10.1.

indien het een cilinder met sluitstiften betreft, deze niet meer dan twee naast elkaar liggende identieke stiften in dezelfde richting heeft, en in totaal niet meer dan 60 % identieke stiften,

5.1.10.2.

dat zich bij cilinders met schijven niet meer dan twee identieke, in dezelfde richting werkende schijven naast elkaar bevinden en dat een slot niet meer dan 50 % identieke schijven bevat.

5.1.11.

De beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik moeten zodanig zijn ontworpen dat zij bij draaiende motor niet per ongeluk kunnen worden geblokkeerd, in het bijzonder wanneer dit de veiligheid in gevaar zou kunnen brengen.

5.1.11.1.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik mogen niet kunnen worden geactiveerd zonder eerst de bediening van de motor stop te zetten en vervolgens een handeling uit te voeren die geen ononderbroken voortzetting van de stopzetting van de motor is, of zonder eerst de bediening van de motor stop te zetten wanneer het voertuig met geactiveerde parkeerrem stilstaat of de snelheid van het voertuig niet meer dan 4 km/h bedraagt.

5.1.11.2.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die in werking worden gesteld door het uitnemen van de sleutel, mogen pas in werking treden wanneer de sleutel ten minste 2 mm is verplaatst of moeten zijn voorzien van een veiligheid waarmee wordt voorkomen dat de sleutel per ongeluk geheel of gedeeltelijk uit het slot wordt genomen.

5.1.11.3.

De punten 5.1.10, 5.1.10.1 of 5.1.10.2, en 5.1.11.2 zijn alleen van toepassing op beveiligingen met mechanische sleutels.

5.1.12.

Alleen voor de vergrendeling of ontgrendeling van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik mag een servomechanisme worden gebruikt. De beveiliging moet in haar bedrijfsstand worden gehouden met een passend middel dat geen stroomtoevoer behoeft.

5.1.13.

Het moet onmogelijk zijn de voertuigmotor op de gebruikelijke wijze in de bedrijfstoestand te brengen, zolang de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik is ingeschakeld.

5.1.14.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die het deblokkeren van de remmen van het voertuig verhinderen, zijn alleen toegestaan als de werkende delen van de remmen door een zuiver mechanische voorziening in een vergrendelde stand worden gehouden. In dat geval zijn de voorschriften van punt 5.1.13 niet van toepassing.

5.1.15.

Indien de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik is voorzien van een verklikkerinrichting voor de bestuurder, moet deze inrichting in werking treden wanneer het portier aan de bestuurderszijde wordt geopend, tenzij de beveiliging in werking is gesteld en de sleutel uit het slot is genomen.

5.2.   Bijzondere specificaties

Behalve aan de algemene specificaties van punt 5.1 moet de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik ook voldoen aan de volgende bijzondere voorwaarden:

5.2.1.

Beveiligingen werkend op de stuurinrichting

5.2.1.1.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de stuurinrichting werken, moeten de werking van de stuurinrichting beletten. Voordat de motor kan gestart worden, moet de normale werking van de stuurinrichting weer ingesteld worden.

5.2.1.2.

De goede werking van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik mag in ingeschakelde toestand niet kunnen worden belemmerd.

5.2.1.3.

Na 2 500 vergrendelingscycli in elke richting van de in deel 1 van bijlage 4 beschreven duurzaamheidstest moet de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik nog steeds aan de voorschriften van de punten 5.1.11, 5.2.1.1, 5.2.1.2 en 5.2.1.4 voldoen.

5.2.1.4.

De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik moet in ingeschakelde toestand aan een van de volgende criteria voldoen:

5.2.1.4.1.

zij moet sterk genoeg zijn om, zonder schade aan de stuurinrichting waardoor de veiligheid in gevaar kan worden gebracht, een statische belasting van de as van de stuurkolom met een koppel van 300 Nm in beide richtingen te doorstaan;

5.2.1.4.2.

zij moet voorzien zijn van een bezwijk- of slipmechanisme, zodat het systeem bestand is tegen een continue of periodieke belasting met een koppel van ten minste 100 Nm. Het vergrendelingssysteem moet na de test van deel 2 van bijlage 4 nog steeds bestand zijn tegen de toepassing van dit koppel;

5.2.1.4.3.

zij moet voorzien zijn van een mechanisme dat het mogelijk maakt het stuurwiel vrij om de geblokkeerde as van de stuurkolom te draaien. Het blokkeermechanisme moet sterk genoeg zijn om een statische belasting van de as van de stuurkolom met een koppel van 200 Nm in beide richtingen te doorstaan.

5.2.1.5.

Voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik waarbij de sleutel uit het slot kan worden genomen in een stand waarbij de werking van de stuurinrichting niet wordt belet, moeten zodanig zijn ontworpen dat deze stand niet door onachtzaamheid kan worden gekozen.

5.2.1.6.

Als een onderdeel het begeeft en de in de punten 5.2.1.4.1, 5.2.1.4.2 en 5.2.1.4.3 gespecificeerde belastingen dus moeilijk kunnen worden toegepast, maar de stuurinrichting wel geblokkeerd blijft, wordt het systeem geacht aan de voorschriften te voldoen.

5.2.2.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de transmissie of de remmen werken

5.2.2.1.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de overbrenging werken, moeten de draaiing van de aangedreven wielen beletten.

5.2.2.2.

Een beveiliging tegen onrechtmatig gebruik die op de remmen werkt, moet ten minste één wiel aan weerszijden van ten minste één as remmen.

5.2.2.3.

De goede werking van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik mag in ingeschakelde toestand niet kunnen worden belemmerd.

5.2.2.4.

De transmissie of de remmen mogen niet door onachtzaamheid kunnen worden geblokkeerd wanneer de sleutel zich in het slot van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik bevindt, zelfs niet wanneer de voorziening die het starten van de motor verhindert, in werking is getreden of is ingeschakeld. Dit geldt niet als aan de voorschriften van punt 5.2.2 wordt voldaan door voorzieningen die ook voor een ander doel worden gebruikt, en als de vergrendeling onder de bovengenoemde voorwaarden noodzakelijk is voor deze extra functie (bv. een elektrische parkeerrem).

5.2.2.5.

De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik moet zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat deze naar behoren blijft functioneren, zelfs bij een zekere mate van slijtage doordat de beveiligingsinrichting 2 500 maal in beide richtingen is ingeschakeld en weer uitgeschakeld. Bij een beveiliging die op de remmen werkt, geldt dit voor elk mechanisch of elektrisch onderdeel van die beveiliging.

5.2.2.6.

Als de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik zo is dat de sleutel uit het slot kan worden genomen in een andere stand dan die waarin de transmissie of de remmen zijn geblokkeerd, moet zij zo zijn ontworpen dat de handeling die nodig is om de beveiliging in die stand te zetten en de sleutel uit het slot te nemen, niet door onachtzaamheid kan plaatsvinden.

5.2.2.7.

Een beveiliging die op de transmissie werkt, moet sterk genoeg zijn om, zonder schade waardoor de veiligheid in gevaar kan worden gebracht, een statische belasting in beide richtingen te doorstaan met een koppel dat 50 % groter is dan het maximumkoppel dat normaliter op de transmissie kan worden uitgeoefend. De waarde van dit beproevingskoppel moet worden bepaald op basis van het maximumkoppel dat door de koppeling of door de automatische versnellingsbak kan worden overgebracht en niet op basis van het maximumkoppel van de motor.

5.2.2.8.

Bij een voertuig met een beveiliging die op de remmen werkt, moet de beveiliging het beladen voertuig op een op- of neerwaartse helling van 20 % in stilstand kunnen houden.

5.2.2.9.

Bij een voertuig met een beveiliging die op de remmen werkt, mogen de voorschriften van dit reglement niet worden gezien als een afwijking van de voorschriften van VN-Reglement nr. 13 of 13-H, zelfs niet in geval van een defect.

5.2.3.

Beveiligingen die werken op de versnellingshendel

5.2.3.1.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de versnellingshendel werken, moeten het overschakelen beletten.

5.2.3.2.

Bij handgeschakelde versnellingsbakken volstaat het als de versnellingshendel uitsluitend in de stand achteruit kan worden vergrendeld; daarnaast is vergrendeling in de vrije stand toegestaan.

5.2.3.3.

Bij automatische versnellingsbakken met een parkeerstand volstaat het als het mechanisme uitsluitend in deze stand kan worden vergrendeld; daarnaast is vergrendeling in de vrije stand en/of in de achteruit toegestaan.

5.2.3.4.

Bij automatische versnellingsbakken zonder een parkeerstand kan het mechanisme uitsluitend in deze stand worden vergrendeld: de vrije stand en/of in de achteruit.

5.2.3.5.

De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik moet zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat deze naar behoren blijft functioneren, zelfs bij een zekere mate van slijtage doordat de beveiligingsinrichting 2 500 maal in beide richtingen is ingeschakeld en weer uitgeschakeld.

5.3.   Elektromechanische en elektronische beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik moeten aan de in bijlage 6 beschreven tests worden onderworpen.

6.   Wijziging van het type en uitbreiding van de goedkeuring

6.1.   Elke wijziging van het voertuigtype of onderdeeltype moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die dat type heeft goedgekeurd. Die typegoedkeuringsinstantie kan dan:

a)

in overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe typegoedkeuring moet worden verleend, of

b)

de procedure van punt 6.1.1 (Herziening) en voor zover van toepassing die van punt 6.1.2 (Uitbreiding).

6.1.1.   Herziening

Wanneer gegevens uit de inlichtingenformulieren zijn gewijzigd en de typegoedkeuringsinstantie oordeelt dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effecten zullen hebben en dat de bedieningspedalen in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoen, moet de wijziging als “herziening” worden aangeduid.

In dat geval moet de typegoedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van de inlichtingenformulieren afgeven, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van de inlichtingenformulieren, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

6.1.2.   De wijziging moet als “uitbreiding” worden aangeduid als er, behalve de wijziging van de gegevens uit de inlichtingenformulieren:

a)

aanvullende keuringen of tests zijn vereist, of

b)

informatie op het mededelingenformulier (met uitzondering van de bijlagen) is gewijzigd, of

c)

goedkeuring krachtens een latere wijzigingenreeks wordt aangevraagd na de inwerkingtreding ervan.

6.2.   De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijziging, moet volgens de procedure van punt 4.3 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen.

6.3.   De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, moet aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld, een volgnummer toekennen.

7.   Procedures voor de controle van de conformiteit van de productie

Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 1 van de overeenkomst (E/ECE/TRANS/505/Rev.3), met inachtneming van de volgende voorschriften:

7.1.

krachtens dit reglement goedgekeurde voertuigen/onderdelen moeten zo worden vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van de relevante punten van dit reglement;

7.2.

voor elke type voertuig of onderdeel moeten de in de relevante delen van dit reglement voorgeschreven tests op een statistisch gecontroleerde en willekeurige basis volgens een van de gebruikelijke kwaliteitsgarantieprocedures worden uitgevoerd;

7.3.

de instantie die de goedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats.

8.   Sancties bij non-conformiteit van de productie

8.1.

De krachtens dit reglement voor een voertuig-/onderdeeltype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 7 is voldaan.

8.2.

Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

9.   Definitieve stopzetting van de productie

9.1.

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuig-/onderdeeltype volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis. Zodra deze instantie de desbetreffende kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

10.   Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

10.1.

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.

(1)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6. https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions

(2)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6 — https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions


BIJLAGE 1

Inlichtingenformulier

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Overeenkomstig VN-Reglement nr. 161 betreffende uniforme technische voorschriften inzake de beveiliging van motorvoertuigen tegen onrechtmatig gebruik en de goedkeuring van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik (door middel van een vergrendelingssysteem)

1.   Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht (1):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Voertuigcategorie (2):…

1.5.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.6.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.7.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

2.   Algemene constructiekenmerken van het voertuig

2.1.

Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:…

2.2.

Kant van het stuur: links/rechts (3)

3.   Diversen

3.1.

Beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik van het voertuig

3.1.1.

Beveiliging:

3.1.1.1.

Gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat betreft de opstelling en het ontwerp van het bedieningsorgaan of de eenheid waarop de beveiliging werkt:…

3.1.1.2.

Tekeningen van de beveiliging en van de montage ervan op het voertuig:…

3.1.1.3.

Technische beschrijving van de voorziening:…

3.1.1.4.

Details van het gebruik van de slotcombinaties:…

(1)  Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit mededelingenformulier betrekking heeft, moeten deze tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(2)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6.

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 2

Mededeling

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 1
 (1)

afgegeven door

:

Naam van de instantie:

……

……

……

betreffende de (2)

:

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een voertuigtype wat de beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik betreft krachtens VN-Reglement nr. 161.

Goedkeuring nr.:… Uitbreiding nr.:…

Reden van de uitbreiding:

DEEL I

1.

Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Identificatiemerkteken van het type, indien op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid (2) aangebracht (3):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Voertuigcategorie (4):…

1.5.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.6.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.7.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

DEEL II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:…

3.

Datum van het testrapport:…

4.

Nummer van het testrapport:…

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:…

7.

Datum:…

8.

Handtekening:…

9.

Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is (bij meer dan één mogelijkheid hoeft niets te worden doorgehaald).

(3)  Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit mededelingenformulier betrekking heeft, moeten deze tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool “?” (bv. ABC??123??).

(4)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6.


Addendum

bij VN-typegoedkeuringscertificaat nr. …

betreffende de typegoedkeuring van een voertuig krachtens VN-Reglement nr. 161

1.   

Aanvullende informatie:…

1.1.   

Korte beschrijving van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik en de delen van het voertuig waarop deze voorziening aangrijpt:…

2.   

Opmerkingen:…


BIJLAGE 3

Opstelling van goedkeuringsmerken

(zie de punten 4.4 tot en met 4.4.2 van dit reglement)

Image 2

a = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het type in kwestie in Nederland (E 4) krachtens VN-Reglement nr. 161 is goedgekeurd onder nummer 001234. De eerste twee cijfers (00) van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van VN-Reglement nr. 161 in zijn oorspronkelijke vorm.


BIJLAGE 4

DEEL 1

Slijtagetestprocedure voor op de stuurinrichting werkende beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik

1.   Testapparatuur

De testapparatuur bestaat uit:

1.1.

een testopstelling waarop een exemplaar van de stuurinrichting met de in punt 2.5 van dit reglement gedefinieerde beveiliging kan worden gemonteerd;

1.2.

een middel om de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik met behulp van de sleutel te activeren en te deactiveren;

1.3.

een systeem om de stuurkolom ten opzichte van de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik te verdraaien.

2.   Testmethode

2.1.

Een exemplaar van de stuurinrichting wordt samen met de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik op de in punt 1.1 bedoelde opstelling bevestigd.

2.2.

Eén cyclus van de testprocedure omvat de volgende stappen:

2.2.1.

Startpositie. De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik wordt gedeactiveerd en de stuuras wordt gedraaid in een stand waarin de beveiliging niet in werking kan treden, tenzij zij van een type is waarbij vergrendeling in gelijk welke stand van de stuurinrichting mogelijk is.

2.2.2.

Inschakeling. De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik wordt met de sleutel van de gedeactiveerde in de geactiveerde stand gezet.

2.2.3. (1)

Geactiveerd. De stuurkolom wordt zodanig verdraaid dat daarop, op het moment dat de beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden wordt vergrendeld, een koppel van 40 Nm ± 2 Nm wordt uitgeoefend.

2.2.4.

Gedeactiveerd. De beveiliging tegen onrechtmatig gebruik wordt op de normale wijze gedeactiveerd, waarbij het koppel tot nul wordt teruggebracht om de deactivering te vergemakkelijken.

2.2.5. (1)

Terug naar startpositie. De stuuras wordt gedraaid in een stand waarin de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik niet in werking kan treden.

2.2.6.

Draaiing in tegenovergestelde richting. Herhaal de in de punten 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5 beschreven stappen, maar in de tegenovergestelde draairichting van de stuuras.

2.2.7.

Het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende vergrendelingen van de beveiliging moet ten minste tien seconden bedragen.

2.3.

De slijtagecyclus wordt zoveel malen herhaald als is vermeld in punt 5.2.1.3 van dit reglement.

DEEL 2

Testprocedure voor beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik die op de stuurinrichting werken door middel van een koppelbegrenzer

1.   Testapparatuur

De testapparatuur bestaat uit:

1.1.

een opstelling waarop de relevante delen van een stuurinrichting kunnen worden bevestigd of, als de test op een compleet voertuig wordt uitgevoerd, een hefinrichting waarmee alle bestuurde wielen van de grond kunnen worden getild, en

1.2.

een of meer voorzieningen waarmee het in punt 2.3 voorgeschreven koppel op het bedieningsorgaan van de stuurinrichting kan worden uitgeoefend en kan worden gemeten. De onnauwkeurigheid van de meting mag ten hoogste 2 % bedragen.

2.   Beschrijving van de testprocedure

2.1.

Als de test op een compleet voertuig wordt uitgevoerd, moet hij plaatsvinden met alle bestuurde wielen van de grond.

2.2.

Het stuurslot moet zo worden geactiveerd dat de stuurinrichting wordt geblokkeerd.

2.3.

Op het bedieningsorgaan van de stuurinrichting moet een zodanig koppel worden uitgeoefend dat het draait.

2.4.

De testcyclus bestaat uit een draaiing van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting van 90°, gevolgd door een draaiing in tegenovergestelde richting van 180° en opnieuw een draaiing van 90° in de oorspronkelijke richting (zie figuur);

1 cyclus = + 90°/– 180°/+ 90° met een tolerantie van ± 10 %.

Image 3

2.5.

Een cyclus duurt 20 ± 2 s.

2.6.

Er moeten vijf testcycli worden uitgevoerd.

2.7.

Tijdens elke testcyclus moet de geregistreerde minimumwaarde van het koppel hoger zijn dan de in punt 5.2.1.4.2 van dit reglement vermelde waarde.

(1)  Als de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik vergrendeling in gelijk welke stand van de stuurinrichting mogelijk maakt, worden de in de punten 2.2.3 en 2.2.5 beschreven procedures overgeslagen.


BIJLAGE 5

(Gereserveerd)


BIJLAGE 6

Bedrijfsparameters en testomstandigheden voor beveiligingen tegen onrechtmatig gebruik (door middel van een vergrendelingssysteem)

1.   Bedrijfsparameters

De onderstaande voorschriften zijn niet van toepassing op:

a)

onderdelen die worden gemonteerd en getest als deel van het voertuig, ongeacht of een vergrendelingssysteem is gemonteerd (bv. lichten, alarmsysteem, immobilisatiesysteem), of

b)

onderdelen die al eerder als deel van het voertuig zijn getest en waarvan schriftelijke bewijzen zijn overgelegd.

Alle onderdelen van het vergrendelingssysteem moeten storingsvrij functioneren onder de volgende omstandigheden.

1.1.   Klimatologische omstandigheden

De volgende twee omgevingstemperatuurklassen zijn vastgesteld:

a)

– 40 tot + 85 °C voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte zijn gemonteerd;

b)

– 40 tot + 125 °C voor onderdelen die in de motorruimte zijn gemonteerd, tenzij anders aangegeven.

1.2.   Veiligheidsklasse van de installatie

Overeenkomstig IEC-publicatie 60529:1989 gelden de volgende veiligheidsklassen:

a)

IP 40 voor onderdelen die in de passagiersruimte worden gemonteerd;

b)

IP 42 voor onderdelen die in de passagiersruimte van roadsters/cabrio’s en personenauto’s met verwijderbare dakpanelen worden gemonteerd, voor zover de plaats van installatie een hogere veiligheidsklasse dan IP 40 vergt;

c)

IP 54 voor alle overige onderdelen.

De fabrikant van het vergrendelingssysteem moet in de montagevoorschriften wijzen op de beperkingen die gelden voor de plaatsing van onderdelen van de installatie in verband met stof, vocht en temperatuur.

1.3.   Bestandheid tegen weersinvloeden

Zeven dagen overeenkomstig IEC-publicatie 60068-2-30:1980.

1.4.   Elektrische voeding

Nominale voedingsspanning: 12 V

Bereik operationele voedingsspanning: 9–15 V, binnen het in punt 1.1.1 aangegeven temperatuurbereik.

Maximale duur van overspanningen bij 23 °C:

U = 18 V, max. 1 uur

U = 24 V, max. 1 min

2.   Testomstandigheden

Alle tests moeten in volgorde op een en hetzelfde vergrendelingssysteem worden verricht. Met toestemming van de keuringsinstantie mogen evenwel andere exemplaren worden gebruikt, als zij van oordeel is dat dit geen invloed heeft op de resultaten van de andere tests.

2.1.   Normale testvoorwaarden

Spanning U = (12 ± 0,2) V

Temperatuur T = (23 ± 5) °C

3.   Bedrijfstest

Alle onderdelen van het vergrendelingssysteem moeten voldoen aan de voorschriften van punten 3.2 tot en met 3.9.

3.1   Na voltooiing van alle hieronder gespecificeerde tests moet het vergrendelingssysteem worden getest onder de normale testvoorwaarden zoals bedoeld in punt 2.1 om na te gaan of het nog steeds normaal functioneert. Zo nodig mogen vóór de test zekeringen worden vervangen.

Indien sommige van de tests die volgens elk van die punten vóór de bedrijfstests moeten plaatsvinden, in serie op één enkel vergrendelingssysteem worden verricht, is het toegestaan de bedrijfstest maar eenmaal uit te voeren nadat de gekozen tests zijn beëindigd in plaats van de voorgeschreven bedrijfstests na elk van de gekozen tests uit te voeren. Alleen bij niet-geaccumuleerde procedures moeten voertuigfabrikanten en leveranciers bevredigende resultaten garanderen.

3.2.   Bestandheid tegen temperatuur- en spanningsvariaties

Gecontroleerd wordt of ook in de volgende omstandigheden voldaan is aan de specificaties van punt 3.1:

3.2.1.

Testtemperatuur

T = (– 40 ± 2) °C

Testspanning

U = (9 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.2.

Voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte worden gemonteerd:

Testtemperatuur

T = (+ 85 ± 2) °C

Testspanning

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.3.

Voor onderdelen die in de motorruimte worden gemonteerd, tenzij anders aangegeven:

Testtemperatuur

T = (+ 125 ± 2) °C

Testspanning

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.4.

Het vergrendelingssysteem moet in zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 uur lang worden gevoed met een overspanning van (18 ± 0,2) V.

3.2.5.

Het vergrendelingssysteem moet in zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 minuut lang worden gevoed met een overspanning van (24 ± 0,2) V.

3.3.   Veilige werking na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water

Na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water volgens IEC-publicatie 60529:1989 ter verificatie van de in punt 1.1.2 genoemde veiligheidsklassen, moeten de bedrijfstests van punt 3.1 worden herhaald.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een vergrendelingssysteem waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het vergrendelingssysteem:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het vergrendelingssysteem (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast, en

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het vergrendelingssysteem is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een vergrendelingssysteem

In dit geval moet de fabrikant in punt 3.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het vergrendelingssysteem van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een vergrendelingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 3.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het vergrendelingssysteem als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 3.1 van bijlage 1 verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

3.4.   Veilige werking na de condenstest

Na het testen van de bestandheid tegen vocht volgens IEC-publicatie 60068-2-30:1980 worden de bedrijfstests van punt 3.1 herhaald.

3.5.   Test van de bescherming tegen ompoling van de voeding

Het vergrendelingssysteem en de onderdelen ervan mogen niet worden vernield bij ompoling van de voedingsspanning tot maximaal 13 V gedurende 2 minuten. Na deze test moeten de bedrijfstests van punt 3.1 worden herhaald, zo nodig na vervanging van de zekeringen.

3.6.   Test van de beveiliging tegen kortsluiting

Alle elektrische aansluitingen van het vergrendelingssysteem moeten bestand zijn tegen aardsluiting, maximaal 13 V en/of door zekeringen worden beschermd. Na deze test worden de bedrijfstests van punt 3.1 herhaald, zo nodig na vervanging van zekeringen.

3.7.   Stroomverbruik in ingeschakelde toestand

Het stroomverbruik van het volledige vergrendelingssysteem, inclusief toestandsindicator, mag in ingeschakelde toestand en onder de in punt 2.1 vermelde omstandigheden gemiddeld niet meer dan 20 mA bedragen.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een vergrendelingssysteem waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het vergrendelingssysteem:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het vergrendelingssysteem (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast, en

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het vergrendelingssysteem is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een vergrendelingssysteem

In dit geval moet de fabrikant in punt 3.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het vergrendelingssysteem van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een vergrendelingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 3.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het vergrendelingssysteem als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 3.1 van bijlage 1 verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

3.8.   Veilige werking na trillingstest

3.8.1.

Voor deze test worden de onderdelen verdeeld in twee typen:

type 1

:

onderdelen die gewoonlijk op het voertuig worden gemonteerd;

type 2

:

onderdelen die aan de motor moeten worden bevestigd.

3.8.2.

De onderdelen/het vergrendelingssysteem moeten worden blootgesteld aan sinusoïdale trillingen met de volgende kenmerken:

3.8.2.1.

Voor type 1

De frequentie moet kunnen variëren van 10 Hz tot 500 Hz bij een amplitude van maximaal ± 5 mm en een maximumversnelling van 3 g (piekwaarde).

3.8.2.2.

Voor type 2

De frequentie moet kunnen variëren van 20 Hz tot 300 Hz bij een amplitude van maximaal ± 2 mm en een maximumversnelling van 15 g (piekwaarde).

3.8.2.3.

Voor zowel type 1 als type 2

De frequentievariatie bedraagt 1 octaaf/min.

Het aantal cycli bedraagt 10 en de test wordt langs elk van de drie assen uitgevoerd.

De trillingen hebben bij lage frequenties een maximale constante amplitude en bij hoge frequenties een maximale constante versnelling.

3.8.3.

Tijdens de test moet het vergrendelingssysteem elektrisch zijn aangesloten en moet de aansluitkabel na 200 mm zijn ondersteund.

3.8.4.

Na de trillingstest moeten de in punt 3.1 bedoelde bedrijfstests worden herhaald.

3.9.   Elektromagnetische compatibiliteit

Het vergrendelingssysteem wordt onderworpen aan de in bijlage 7 beschreven tests.


BIJLAGE 7

Elektromagnetische compatibiliteit

1.   

Bestendigheid tegen storingen via de stroomkabels

De tests moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en overeenkomstig de in bijlage 10 beschreven testmethoden voor een elektrische/elektronische subeenheid (ESE).

Het vergrendelingssysteem moet in in- en uitgeschakelde toestand worden getest.

2.   

Bestendigheid tegen storingen door hogefrequentiestraling

De bestendigheid van een vergrendelingssysteem in een voertuig kan worden getest volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en volgens de testmethoden die in bijlage 6 voor voertuigen en in bijlage 9 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

Het vergrendelingssysteem moet worden getest bij de in tabel 1 gedefinieerde bedrijfsomstandigheden en storingscriteria.

Tabel 1

Bedrijfsomstandigheden en storingscriteria voor het vergrendelingssysteem

Type test

Bedrijfsomstandigheden voor het vergrendelingssysteem

Faalcriteria

Voertuigtest

Vergrendelingssysteem in uitgeschakelde toestand

Sleutel “ON” of voertuig bij 50 km/h (1)

Onverwachte activering van het vergrendelingssysteem

Vergrendelingssysteem in ingeschakelde toestand

Sleutel “OFF”

Onverwachte deactivering van het vergrendelingssysteem

Vergrendelingssysteem in ingeschakelde toestand

Voertuig in laadmodus (indien van toepassing)

Onverwachte deactivering van het vergrendelingssysteem

ESE-test

Vergrendelingssysteem in uitgeschakelde toestand

Onverwachte activering van het vergrendelingssysteem

Vergrendelingssysteem in ingeschakelde toestand

Onverwachte deactivering van het vergrendelingssysteem

3.   

Elektrische storingen door elektrostatische ontladingen

De bestendigheid tegen elektrische storingen wordt getest volgens ISO 10605:2008/AMD 1:2014 aan de hand van de niveaus van ernst voor tests van tabel 2.

ESD-tests worden op voertuigniveau of op het niveau van de elektrische/elektronische subeenheid (ESE) uitgevoerd.

Tabel 2

ESD-testniveaus

Type ontlading

Ontladingspunten

Toestand van het vergrendelingssysteem

Ontladingsnetwerk

Testniveau

Faalcriteria

Luchtontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

Vergrendelings systeem in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel “ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 6 kV

Onverwachte activering van het vergrendelings systeem

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

Vergrendelings systeem in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel “OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 15 kV

Onverwachte deactivering van het vergrendelings systeem zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Contactontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

Vergrendelings systeem in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel “ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 4 kV

Onverwachte activering van het vergrendelings systeem

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

Vergrendelings systeem in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel “OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 8 kV

Onverwachte deactivering van het vergrendelings systeem zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Elke test wordt uitgevoerd met drie ontladingen en een interval van ten minste 5 seconden tussen elke ontlading.

4.   

Stralingsemissies

De tests worden uitgevoerd volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 04, en volgens de testmethoden die in de bijlagen 4 en 5 voor voertuigen of in de bijlagen 7 en 8 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

Het vergrendelingssysteem moet in de ingeschakelde stand staan.


(1)  Deze test kan worden uitgevoerd in de cyclus op 50 km/h van VN-Reglement nr. 10.


30.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 470/23


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Zie voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

https://unece.org/status-1958-agreement-and-annexed-regulations

VN-Reglement nr. 162 — Uniforme technische voorschriften voor de goedkeuring van immobilisatiesystemen en de goedkeuring van een voertuig wat het immobilisatiesysteem ervan betreft [2021/2275]

Datum van inwerkingtreding: 30 september 2021

Dit document dient louter ter informatie. De authentieke en juridisch bindende tekst is: ECE/TRANS/WP.29/2021/49.

INHOUD

Reglement

1.

Toepassingsgebied

2.

Definities

3.

Goedkeuringsaanvraag

4.

Goedkeuring

5.

Specificaties

6.

Wijziging van het type en uitbreiding van de goedkeuring

7.

Conformiteit van de productie

8.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

9.

Definitieve stopzetting van de productie

10.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

Bijlagen

1

Inlichtingenformulier

2

Mededeling

3

Opstelling van goedkeuringsmerken

4

Model van het conformiteitscertificaat

5

Model van het installatiecertificaat

6

Bedrijfsparameters en testvoorwaarden voor een immobilisatiesysteem

7

Elektromagnetische compatibiliteit

1.   Toepassingsgebied

Dit VN-regelement is van toepassing op:

1.1.

de goedkeuring van

a)

immobilisatiesystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor voertuigen van categorie M1 en voor voertuigen van categorie N1 met een maximummassa van 2 ton, indien op een voertuig gemonteerd, en

b)

voertuigen van categorie M1, evenals voertuigen van categorie N1 met een maximummassa van 2 ton, wat de daarop gemonteerde immobilisatiesystemen betreft (1) (2).

1.2.

Op verzoek van de fabrikant mogen de overeenkomstsluitende partijen goedkeuringen verlenen voor voertuigen van andere categorieën en immobilisatiesystemen voor montage op die voertuigen.

1.3.

Deze verordening is niet van toepassing op radiofrequenties voor transmissie, ongeacht of deze verband houden met de beveiliging van voertuigen tegen onrechtmatig gebruik.

2.   Definities

2.1.

“Onderdeel”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.2.

“Technische eenheid”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor afzonderlijk, zij het alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypen, typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.3.

“Fabrikant”: de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie. Deze persoon of instantie hoeft niet rechtstreeks betrokken te zijn bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

2.4.

“Immobilisatiesysteem”: een voorziening die moet voorkomen dat met een voertuig met behulp van zijn eigen krachtbron normaal wordt weggereden (beveiliging tegen onrechtmatig gebruik).

2.5.

“Regelapparatuur”: apparatuur die nodig is voor het in- en/of uitschakelen van een immobilisatiesysteem.

2.6.

“Toestandsindicator”: een voorziening die de toestand aangeeft waarin het immobilisatiesysteem verkeert (in-/uitgeschakeld, overgang van in- naar uitgeschakeld en omgekeerd).

2.7.

“Ingeschakelde toestand”: de toestand waarin met het voertuig niet met behulp van de eigen krachtbron normaal kan worden gereden.

2.8.

“Uitgeschakelde toestand”: de toestand waarin met het voertuig normaal kan worden gereden.

2.9.

“Sleutel”: elke voorziening die ontworpen en vervaardigd is om een vergrendelingssysteem te bedienen dat zelf ontworpen en vervaardigd is om alleen door die voorziening te worden bediend.

2.10.

“Uitschakelvergrendeling”: een voorziening om het immobilisatiesysteem in de uitgeschakelde toestand te vergrendelen.

2.11.

“Wisselcode”: een elektronische code bestaande uit verschillende elementen waarvan de combinatie na elk gebruik van de zendeenheid op willekeurige wijze wordt gewijzigd.

2.12.

“Type immobilisatiesysteem”: systemen die onderling niet significant verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant;

b)

het soort regelapparatuur;

c)

de beoogde werking op de relevante voertuigsystemen (zoals bedoeld in punt 5.2.1).

2.13.

“Voertuigtype wat zijn immobilisatiesysteem betreft”: voertuigen die onderling niet significant verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant;

b)

de voertuigkenmerken die van significante invloed zijn op de prestaties van het immobilisatiesysteem;

c)

het type en ontwerp van het immobilisatiesysteem.

3.   Goedkeuringsaanvraag

3.1.

De aanvraag om goedkeuring van een voertuigtype of een type onderdeel krachtens dit reglement moet door de fabrikant worden ingediend.

3.2.

Zij gaat vergezeld van een inlichtingenformulier dat is opgesteld volgens het model in bijlage 1 en waarin een beschrijving wordt gegeven van de technische kenmerken van het immobilisatiesysteem en van de installatiemethode(n) voor elk merk en type voertuig waarvoor het immobilisatiesysteem is bestemd.

3.3.

Een of meer voertuigen/onderdelen die representatief zijn voor het goed te keuren type, worden ter beschikking gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de goedkeuringstest.

4.   Goedkeuring

4.1.

Als het type waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften van dit reglement, moet voor dat type goedkeuring worden verleend.

4.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 00 voor het reglement in zijn oorspronkelijke vorm) moeten de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander type voertuig of onderdeel dat onder dit reglement valt.

4.3.

Van de goedkeuring of uitbreiding van de goedkeuring van een type krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

4.4.

Op elk voertuig of onderdeel dat conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht, bestaande uit:

4.4.1.

een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (3), en

4.4.2.

het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 genoemde cirkel.

4.5.

Als een type conform is met een type dat op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval moeten de nummers van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring in datzelfde land is verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool worden geplaatst.

4.6.

Het goedkeuringsnummer moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.

Bij een voertuig wordt het goedkeuringsmerk dicht bij of op het door de fabrikant bevestigde gegevensplaatje van het voertuig aangebracht.

4.8.

Bij een onderdeel dat afzonderlijk als immobilisatiesysteem is goedgekeurd, wordt het goedkeuringsmerk door de fabrikant op het hoofdonderdeel (de hoofdonderdelen) van het systeem aangebracht. Bij een onderdeel dat krachtens dit reglement als immobilisatiesysteem is goedgekeurd en dat krachtens VN-Reglement nr. 163, VN-Reglement nr. 116, supplement 7 op de oorspronkelijke versie, of VN-Reglement nr. 97, supplement 8 op wijzigingenreeks 01, als een alarmsysteem is goedgekeurd, worden beide goedkeuringsmerken door de fabrikant op het hoofdonderdeel (de hoofdonderdelen) van het systeem aangebracht.

4.9.

In bijlage 3 bij dit reglement worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.

4.10.

Als alternatief voor het in punt 4.4 beschreven goedkeuringsmerk kan voor elk in de handel gebracht immobilisatiesysteem een conformiteitscertificaat worden afgegeven.

Wanneer een fabrikant van een immobilisatiesysteem een overeenkomstig dit reglement goedgekeurd, niet van het goedkeuringsmerk voorzien immobilisatiesysteem aan een voertuigfabrikant levert om het als originele uitrusting op een of meer voertuigmodellen te monteren, verstrekt de fabrikant van het immobilisatiesysteem de voertuigfabrikant een voldoende aantal conformiteitscertificaten om de goedkeuring van het voertuig krachtens dit reglement te kunnen verkrijgen.

Als het immobilisatiesysteem uit verschillende onderdelen bestaat, wordt het belangrijkste onderdeel of worden de belangrijkste onderdelen voorzien van een referentiemarkering en bevat het conformiteitscertificaat een lijst van deze referentiemarkeringen.

Bijlage 4 bevat een model van het conformiteitscertificaat.

4.11.

Wanneer een immobilisatiesysteem dat is goedgekeurd krachtens dit reglement of krachtens VN-Reglement nr. 116, supplement 7 op de oorspronkelijke versie, of VN-Reglement nr. 97, supplement 8 op wijzigingenreeks 01, als technische eenheid, wordt geïnstalleerd in een voertuig dat voor goedkeuring krachtens dit reglement ter beschikking is gesteld, hoeven de voor de goedkeuring overeenkomstig dit reglement vereiste tests voor een immobilisatiesysteem niet te worden herhaald.

5.   Specificaties

5.1.   Algemene specificaties

5.1.1.

Het immobilisatiesysteem moet overeenkomstig deze voorschriften kunnen worden ingeschakeld en uitgeschakeld.

5.1.2.

Het immobilisatiesysteem moet zodanig zijn ontworpen en worden gemonteerd dat elk ermee uitgerust voertuig nog steeds aan de technische voorschriften voldoet.

5.1.3.

Het mag niet mogelijk zijn het immobilisatiesysteem in te schakelen wanneer de contactsleutel zich in de stand “draaiende motor” bevindt, behalve als:

a)

het voertuig uitgerust is of bestemd is om te worden uitgerust als ambulance, brandweerwagen of politievoertuig, of

b)

de motor gebruikt wordt om:

i)

machines aan te drijven die deel uitmaken van het voertuig of erop gemonteerd zijn en die niet bestemd zijn om het voertuig aan te drijven, of

ii)

de elektrische stroom van de accu’s van het voertuig op het peil te houden dat nodig is om die machines of apparaten aan te drijven,

en het voertuig stilstaat met geactiveerde parkeerrem. Als gebruik wordt gemaakt van deze uitzondering, wordt dit vermeld onder punt 2 van het addendum bij het mededelingenformulier (bijlage 2).

5.1.4.

Het mag niet mogelijk zijn een immobilisatiesysteem permanent uit te schakelen.

5.1.5.

Het immobilisatiesysteem is zo ontworpen en gebouwd dat het na installatie de beoogde functie en de veilige werking van het voertuig niet nadelig beïnvloedt, zelfs niet in geval van storing.

5.1.6.

Het immobilisatiesysteem is zo ontworpen en gebouwd dat het, na installatie op het voertuig volgens de instructies van de fabrikant, niet snel en zonder de aandacht te trekken buiten werking kan worden gesteld of kan worden vernield, bv. met behulp van goedkope en gemakkelijk te verbergen gereedschappen, instrumenten of voorwerpen die voor het grote publiek gemakkelijk verkrijgbaar zijn. Alleen door een gecompliceerde en tijdrovende vervanging van een belangrijk onderdeel of stelsel van onderdelen mag het immobilisatiesysteem te omzeilen zijn.

5.1.7.

Het immobilisatiesysteem is zo ontworpen en gebouwd dat het, na installatie op het voertuig volgens de instructies van de fabrikant, tijdens een redelijke levensduur bestand is tegen het in het voertuig heersende klimaat (voor de tests: zie punt 5.3). Met name de elektrische eigenschappen van de in het voertuig gemonteerde circuits mogen niet ongunstig worden beïnvloed door de toevoeging van het immobilisatiesysteem (doorsnede van de aansluitdraden, kwaliteit van de contacten enz.).

5.1.8.

Een immobilisatiesysteem mag worden gecombineerd met andere voertuigsystemen of daarin worden geïntegreerd (bv. motormanagement, alarmsystemen).

5.1.9.

Een immobilisatiesysteem mag het deblokkeren van de remmen van het voertuig niet verhinderen, behalve als het gaat om een immobilisatiesysteem dat het deblokkeren van pneumatische veerremmen verhindert (4) en dat zo functioneert dat bij normaal gebruik of bij storingen voldaan is aan de technische voorschriften van VN-Reglement nr. 13 die van kracht zijn op het ogenblik van de aanvraag tot typegoedkeuring krachtens dit reglement.

Een immobilisatiesysteem dat het deblokkeren van pneumatische veerremmen verhindert en dat aan het bepaalde in dit punt beantwoordt, moet eveneens aan de technische voorschriften van dit reglement voldoen.

5.1.10.

Een immobilisatiesysteem mag niet zo kunnen functioneren dat het de remmen van het voertuig activeert.

5.2.   Bijzondere specificaties

5.2.1.   Aard van de immobilisatie

5.2.1.1.

Het immobilisatiesysteem moet zodanig zijn ontworpen dat op ten minste één van onderstaande wijzen wordt voorkomen dat het voertuig met behulp van de eigen krachtbron wordt gebruikt:

5.2.1.1.1.

in het geval van montage na het in de handel brengen of bij voertuigen met dieselmotor, door onderbreking van ten minste twee gescheiden voertuigcircuits die nodig zijn voor de werking van het voertuig met behulp van zijn eigen krachtbron (bv. startmotor, ontsteking, brandstoftoevoer, pneumatische veerremmen enz.);

5.2.1.1.2.

door manipulatie met een code van ten minste één regeleenheid die nodig is voor het functioneren van het voertuig.

5.2.1.2.

Bij immobilisatiesystemen die op een voertuig met katalysator worden gemonteerd, mag geen onverbrande brandstof in de uitlaat terechtkomen.

5.2.2.   Betrouwbaarheid van de werking

Het immobilisatiesysteem moet zo zijn ontworpen dat de betrouwbare werking ervan is gegarandeerd, rekening houdend met de specifieke omgevingsomstandigheden in het voertuig (zie de punten 5.1.8 en 5.3).

5.2.3.   Veiligheid van de werking

De toestand van het immobilisatiesysteem (in-/uitgeschakeld) mag niet veranderen als gevolg van een van de in punt 5.3 beschreven tests.

5.2.4.   Inschakeling van het immobilisatiesysteem

5.2.4.1.

Zonder een extra handeling van de bestuurder wordt het immobilisatiesysteem op ten minste een van volgende wijzen ingeschakeld:

a)

bij het verdraaien van de sleutel in de nulstand van het contactslot en het gebruik van een van de portieren; bovendien mogen immobilisatiesystemen die onmiddellijk voor of tijdens de normale startprocedure uitschakelen, bij het verdraaien van de contactsleutel in de “off”-stand weer worden ingeschakeld;

b)

hoogstens 1 minuut na het verwijderen van de sleutel uit het contactslot.

5.2.4.2.

Als het immobilisatiesysteem kan worden ingeschakeld wanneer de contactsleutel zich in de stand “draaiende motor” bevindt, zoals vermeld in punt 5.1.3, mag het immobilisatiesysteem ook worden ingeschakeld door het openen van het portier van de bestuurder en/of door een doelbewuste ingreep van de bevoegde gebruiker.

5.2.5.   Uitschakelen

5.2.5.1.

Het immobilisatiesysteem kan met behulp van een of meer van de volgende voorzieningen worden uitgeschakeld. Andere voorzieningen met een gelijkaardig veiligheidsniveau zijn toegestaan als daarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt.

5.2.5.1.1.

Een toetsenbord voor het invoeren van een individueel te kiezen code met ten minste 10 000 combinaties.

5.2.5.1.2.

Een elektrische/elektronische voorziening, bijvoorbeeld een afstandsbediening, die ten minste 50 000 verschillende combinaties heeft, van een wisselcode is voorzien en/of een minimumscantijd van tien dagen heeft, bijvoorbeeld hoogstens 5 000 combinaties per 24 uur voor minimaal 50 000 combinaties.

5.2.5.1.3.

Als het mogelijk is het immobilisatiesysteem via afstandsbediening uit te schakelen, moet het binnen 5 minuten na de uitschakeling opnieuw worden ingeschakeld als niet geprobeerd wordt het voertuig te starten.

5.2.6.   Toestandsindicator

5.2.6.1.

Om informatie te verschaffen over de toestand van het immobilisatiesysteem (ingeschakeld/uitgeschakeld, overgang van ingeschakeld naar uitgeschakeld en omgekeerd) zijn optische indicatoren binnen en optische signalen buiten de passagiersruimte toegestaan. Eventuele optische signalen of eventueel gebruik van verlichtings- en lichtsignaalvoorzieningen buiten de passagiersruimte moeten voldoen aan de voorschriften van Reglement nr. 48.

5.2.6.2.

Als een indicatie wordt gegeven van kortstondige “dynamische” processen zoals de overgang van “ingeschakeld” naar “uitgeschakeld” en omgekeerd, moet dit langs optische weg gebeuren overeenkomstig punt 5.2.6.1. Een dergelijke optische indicatie kan ook worden gegeven door gelijktijdige inschakeling van de richtingaanwijzers en/of van de verlichting van de passagiersruimte, mits de duur van de optische waarschuwing door de richtingaanwijzers niet meer dan 3 seconden bedraagt.

5.3.   Bedrijfsparameters en testvoorwaarden

Alle onderdelen van het immobilisatiesysteem worden onderworpen aan de in bijlage 6 beschreven tests.

5.4.   Instructies

(De punten 5.4.1 tot en met 5.4.3 zijn alleen van toepassing bij installatie na het in de handel brengen.)

Elk immobilisatiesysteem moet vergezeld gaan van:

5.4.1.

installatievoorschriften:

5.4.1.1.

de lijst van voertuigen en voertuigmodellen waarvoor de voorziening bestemd is. Deze lijst mag specifiek of algemeen zijn, bv. “alle voertuigen met benzinemotor en negatief geaarde 12 V-accu”;

5.4.1.2.

de installatiemethode, toegelicht met foto’s en/of heel duidelijke tekeningen;

5.4.1.3.

de gedetailleerde installatievoorschriften van de leverancier moeten zo zijn opgesteld dat de veiligheid en de betrouwbaarheid van het voertuig niet in het gedrang komen wanneer deze voorschriften door een bevoegd installateur nauwkeurig worden gevolgd;

5.4.1.4.

in de montagevoorschriften moeten de aan de elektrische voeding van het immobilisatiesysteem gestelde eisen worden vermeld en moet, voor zover nodig, worden gewezen op de noodzaak van een accu met een hogere capaciteit;

5.4.1.5.

de leverancier moet aangeven welke procedures moeten worden gevolgd om na de installatie de werking van het voertuig te controleren. Hierbij moet bijzondere aandacht worden besteed aan de veiligheidsaspecten.

5.4.2.

een blanco installatiecertificaat volgens het model in bijlage 5;

5.4.3.

een algemene verklaring ten behoeve van de koper van het immobilisatiesysteem waarin de aandacht wordt gevestigd op de volgende punten:

5.4.3.1.

het immobilisatiesysteem moet overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant worden gemonteerd;

5.4.3.2.

het verdient aanbeveling een bekwame installateur in te schakelen (voor informatie over geschikte installateurs kan men contact opnemen met de fabrikant van het immobilisatiesysteem);

5.4.3.3.

het bij het immobilisatiesysteem gevoegde installatiecertificaat moet worden ingevuld door de installateur.

5.4.4.

gebruiksaanwijzingen;

5.4.5.

onderhoudsinstructies;

5.4.6.

een algemene waarschuwing betreffende de gevaren van wijziging of uitbreiding van het immobilisatiesysteem; bij wijziging of uitbreiding van het systeem wordt het in punt 5.4.2 bedoelde installatiecertificaat automatisch ongeldig.

6.   Wijziging van het type en uitbreiding van de goedkeuring

6.1.

Elke wijziging van een voertuigtype of een type onderdeel in het kader van dit reglement moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het voertuigtype of type onderdeel heeft goedgekeurd. Die typegoedkeuringsinstantie kan dan:

6.1.1.

oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat het onderdeel of voertuig in elk geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of

6.1.2.

de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend rapport verzoeken.

6.2.

De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, meegedeeld volgens de procedure van punt 4.3.

6.3.

De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent een volgnummer toe aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld.

7.   Conformiteit van de productie

7.1.

Procedures betreffende overeenstemming van de productie stemmen overeen met die van aanhangsel 1 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/TRANS/505/Rev.3) en voldoen aan de volgende voorschriften:

7.2.

voor elke type voertuig of onderdeel moeten de in de relevante delen van dit reglement voorgeschreven tests op een statistisch gecontroleerde en willekeurige basis volgens een van de gebruikelijke kwaliteitsgarantieprocedures worden uitgevoerd;

7.3.

de typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste conformiteitscontrolemethoden verifiëren. Deze inspecties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats.

8.   Sancties bij non-conformiteit van de productie

8.1.

De krachtens dit reglement voor een voertuig-/onderdeeltype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 7 is voldaan.

8.2.

Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

9.   Definitieve stopzetting van de productie

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuig-/onderdeeltype volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis. Zodra deze instantie de desbetreffende kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

10.   Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.


(1)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, punt 2 — https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions

(2)  Alleen voertuigen met een elektrisch systeem van 12 V worden in aanmerking genomen.

(3)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6 — https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions

(4)  Volgens de definitie in bijlage 8 bij VN-Reglement nr. 13, zoals gewijzigd.


BIJLAGE 1A

Inlichtingenformulier

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Overeenkomstig punt 5 van VN-Reglement nr. 162 betreffende typegoedkeuring van een systeem voor een voertuigtype wat een immobilisatiesysteem betreft

1.   Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de voorziening b):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.5.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.6.

Adres(sen) van de assemblagefabriek(en):…

2.   Algemene constructiekenmerken van het voertuig

2.1.

Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:…

2.2.

Kant van het stuur: links/rechts (Doorhalen wat niet van toepassing is.)

3.   Diversen

3.1.

Voertuigimmobilisatiesysteem…

3.1.1.

Typegoedkeuringsnummer, indien beschikbaar:…

3.1.1.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de opstelling van het geïnstalleerde immobilisatiesysteem, geïllustreerd met foto’s en/of tekeningen (indien voor het immobilisatiesysteem al typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, mag worden verwezen naar de beschrijving in punt 4.2 van het inlichtingenformulier van de fabrikant van het immobilisatiesysteem):…

3.1.2.

Voor nog niet goedgekeurde immobilisatiesystemen

3.1.2.1.

Gedetailleerde technische beschrijving van het voertuigimmobilisatiesysteem en van de genomen maatregelen tegen onbedoelde activering:…

3.1.2.2.

De systemen waarop het voertuigimmobilisatiesysteem aangrijpt:…

3.1.2.3.

Aantal gebruikte wisselcodecombinaties, indien van toepassing:…

BIJLAGE 1B

Inlichtingenformulier

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Overeenkomstig punt 5 van Reglement nr. 162 betreffende uniforme technische voorschriften voor de goedkeuring van immobilisatiesystemen en de goedkeuring van een voertuig wat het immobilisatiesysteem ervan betreft (met betrekking tot de VN-typegoedkeuring van een immobilisatiesysteem als onderdeel of technische eenheid).

1.   Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht (1):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.5.

Plaats van het VN-goedkeuringsmerk:…

1.6.

Adres(sen) van de assemblagefabriek(en):…

2.   Beschrijving van de voorziening

2.1.

Gedetailleerde technische beschrijving van het voertuigimmobilisatiesysteem en van de genomen maatregelen tegen onbedoelde activering:…

2.2.

Voertuigsystemen waarop het voertuigimmobilisatiesysteem werkt:…

2.3.

Wijze van inschakelen/uitschakelen van de voorziening:…

2.4.

Aantal gebruikte wisselcodecombinaties, indien van toepassing:…

2.5.

Lijst van de voornaamste onderdelen van het systeem en, indien van toepassing, hun referentiemarkering:…

3.   Tekeningen

3.1.

Tekeningen van de voornaamste onderdelen van de voorziening (op de tekeningen moet de voor het VN-typegoedkeuringsmerk bestemde plaats zijn aangegeven):…

4.   Instructies

4.1.

Lijst van voertuigen waarvoor de voorziening is bestemd:…

4.2.

Beschrijving van de wijze van montage, geïllustreerd met foto’s en/of tekeningen:…

4.3.

Gebruiksaanwijzingen:…

4.4.

Eventuele onderhoudsinstructies:…

4.5.

Testpuls 5a/5b overeenkomstig de internationale norm ISO 7637-2:2004: toegepast/niet toegepast…

(1)  Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type onderdeel of technische eenheid waarop dit mededelingenformulier betrekking heeft, moeten deze tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool “?” (bv. ABC??123??).


BIJLAGE 2A

Mededeling

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 4
 (1)

afgegeven door

:

Naam van de instantie:

……

……

……

betreffende de (2)

:

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een voertuigtype wat zijn immobilisatiesysteem betreft krachtens VN-Reglement nr. 162

Goedkeuring nr.:…

DEEL I

1.

Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Identificatiemerkteken van het type, indien op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid (2) aangebracht (a):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Voertuigcategorie (b):…

1.5.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.6.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.7.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

DEEL II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:…

3.

Datum van het testrapport:…

4.

Nummer van het testrapport:…

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:…

7.

Datum:…

8.

Handtekening:…

9.

Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is:…

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is (bij meer dan één mogelijkheid hoeft niets te worden doorgehaald).


Addendum

bij VN-typegoedkeuringscertificaat nr. …

betreffende de typegoedkeuring van een voertuig krachtens Reglement nr. 162

1.   

Aanvullende informatie:…

1.1.   

Korte beschrijving van het immobilisatiesysteem:…

2.   

Opmerkingen:…

Noten betreffende het goedkeuringscertificaat/mededelingenformulier:

(a)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit mededelingenformulier betrekking heeft, moeten deze tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(b)

Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3.), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, para. 2.

BIJLAGE 2B

Mededeling

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 5
 (1)

afgegeven door

:

Naam van de instantie:

……

……

……

betreffende de (2)

:

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een type onderdeel of technische eenheid als immobilisatiesysteem krachtens VN-Reglement nr. 162

Goedkeuring nr.:…

Reden van de uitbreiding:

DEEL I

1.

Algemeen…

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht (a):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.5.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.6.

Adres(sen) van de assemblagefabriek(en):…

DEEL II

1.

Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:…

3.

Datum van het testrapport:…

4.

Nummer van het testrapport:…

5.

Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.

Plaats:…

7.

Datum:…

8.

Handtekening:…

9.

Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van de reglementen).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is (bij meer dan één mogelijkheid hoeft niets te worden doorgehaald).


Addendum

bij VN-typegoedkeuringscertificaat nr. …

betreffende de typegoedkeuring van een immobilisatiesysteem krachtens Reglement nr. 162

1.   

Aanvullende informatie:…

1.1.   

Korte beschrijving van het immobilisatiesysteem:…

1.2.   

Lijst van voertuigen waarvoor het immobilisatiesysteem is bestemd:…

1.3.   

Voertuigtype waarop het immobilisatiesysteem is getest:…

1.4.   

Lijst van de voornaamste onderdelen, naar behoren gemerkt, van het immobilisatiesysteem:…

2.   

Opmerkingen:…

Noten betreffende het goedkeuringscertificaat/mededelingenformulier:

(a)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de typebeschrijving van het onderdeel of de technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

BIJLAGE 3

Opstelling van goedkeuringsmerken

Figuur 1

(zie punt 4.2 van dit reglement)

Image 6

A = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, figuur 1, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het type in kwestie in Nederland (E 4) krachtens VN-Reglement nr. 162 is goedgekeurd onder nummer 001234. De eerste twee cijfers (00) van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van VN-Reglement nr. 162 in zijn oorspronkelijke vorm.


BIJLAGE 4

Model van het conformiteitscertificaat

Ondergetekende…

(naam en voornaam)

verklaart dat het hieronder beschreven immobilisatiesysteem,

Merk:…

Type:…

volledig conform is met het type dat is goedgekeurd

in…

op…

(plaats van goedkeuring)

(datum)

zoals beschreven in het mededelingenformulier met goedkeuringsnummer…

Identificatie van de belangrijkste onderdelen:

Onderdeel:…

Markering:…

Gedaan te:…

op:…

Volledig adres en stempel van de fabrikant:…

Handtekening:…(functie vermelden)


BIJLAGE 5

Model van het installatiecertificaat

Ondergetekende … professioneel installateur, verklaart dat deze het hieronder beschreven voertuigalarmsysteem volgens de door de fabrikant van het systeem verstrekte montagevoorschriften heeft geïnstalleerd.

Beschrijving van het voertuig

Merk:…

Type:…

Serienummer:…

Registratienummer:…

Beschrijving van het immobilisatiesysteem:

Merk:…

Type:…

Goedkeuringsnummer:…

Gedaan te:…op:…

Volledig adres en stempel van de installateur:…

………

………

Handtekening: … (functie vermelden)


BIJLAGE 6

Bedrijfsparameters en testvoorwaarden voor een immobilisatiesysteem

1.   Bedrijfsparameters

De onderstaande voorschriften zijn niet van toepassing op:

a)

onderdelen die worden gemonteerd en getest als deel van het voertuig, ongeacht of een immobilisatiesysteem is gemonteerd (bv. lichten, alarmsysteem, vergrendelingssysteem ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik), of

b)

onderdelen die al eerder als deel van het voertuig zijn getest en waarvan schriftelijke bewijzen zijn overgelegd.

Alle onderdelen van het immobilisatiesysteem moeten onder de volgende omstandigheden storingsvrij functioneren:

1.1.   Klimatologische omstandigheden

De volgende twee omgevingstemperatuurklassen zijn vastgesteld:

a)

– 40 tot + 85 °C voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte zijn gemonteerd;

b)

– 40 tot + 125 °C voor onderdelen die in de motorruimte zijn gemonteerd, tenzij anders aangegeven.

1.2.   Veiligheidsklasse van de installatie

Overeenkomstig IEC-publicatie 60529:1989 gelden de volgende veiligheidsklassen:

a)

IP 40 voor onderdelen die in de passagiersruimte worden gemonteerd;

b)

IP 42 voor onderdelen die in de passagiersruimte van roadsters/cabrio’s en personenauto’s met verwijderbare dakpanelen worden gemonteerd, voor zover de plaats van installatie een hogere veiligheidsklasse dan IP 40 vergt;

c)

IP 54 voor alle overige onderdelen.

De fabrikant van het immobilisatiesysteem wijst in de montagevoorschriften op de beperkingen die gelden voor de plaatsing van onderdelen van de installatie in verband met stof, vocht en temperatuur.

1.3.   Bestandheid tegen weersinvloeden

Zeven dagen overeenkomstig IEC-publicatie 60068-2-30:1980.

1.4.   Elektrische voeding

Nominale voedingsspanning: 12 V

Bereik operationele voedingsspanning: 9-15 V, binnen het in punt 1.1.1 aangegeven temperatuurbereik.

Maximale duur van overspanningen bij 23 °C:

U = 18 V, max. 1 uur

U = 24 V, max. 1 min.

2.   Testomstandigheden

Alle proeven moeten in volgorde op een en hetzelfde immobilisatiesysteem worden verricht. Met toestemming van de keuringsinstantie mogen evenwel andere exemplaren worden gebruikt, als zij van oordeel is dat dit geen invloed heeft op de resultaten van de andere tests.

2.1.   Normale testvoorwaarden

Spanning U = (12 ± 0,2) V

Temperatuur T = (23 ± 5) °C

3.   Bedrijfstest

Alle onderdelen van het immobilisatiesysteem moeten voldoen aan de voorschriften van de punten 3.2 tot en met 3.9.

3.1.   Na voltooiing van alle hieronder gespecificeerde tests moet het immobilisatiesysteem worden getest onder de normale testvoorwaarden zoals bedoeld in punt 2.1, om na gaan of het nog steeds normaal functioneert. Zo nodig mogen vóór de test zekeringen worden vervangen.

Indien sommige van de tests die volgens elk van die punten vóór de bedrijfstests moeten plaatsvinden, in serie op één enkel immobilisatiesysteem worden verricht, is het toegestaan de bedrijfstest maar eenmaal uit te voeren nadat de gekozen tests zijn beëindigd in plaats van de voorgeschreven bedrijfstests na elk van de gekozen tests uit te voeren. Alleen bij niet-geaccumuleerde procedures moeten voertuigfabrikanten en leveranciers bevredigende resultaten garanderen.

3.2.   Bestandheid tegen temperatuur- en spanningsvariaties

Gecontroleerd wordt of ook in de volgende omstandigheden voldaan is aan de specificaties van punt 3.1:

3.2.1.

Testtemperatuur

T (– 40 ± 2) °C

Testspanning

U = (9 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.2.

Voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte worden gemonteerd:

Testtemperatuur

T = (+ 85 ± 2) °C

Testspanning

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.3.

Voor onderdelen die in de motorruimte worden gemonteerd, tenzij anders aangegeven:

Testtemperatuur

T = (+ 125 ± 2) °C

Testspanning

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

4 uur

3.2.4.

Het immobilisatiesysteem moet in zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 uur lang worden gevoed met een overspanning van 18 ± 0,2 V.

3.2.5.

Het immobilisatiesysteem moet in zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 minuut lang worden gevoed met een overspanning van 24 ± 0,2 V.

3.3.   Veilige werking na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water

Na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water volgens IEC-publicatie 60529:1989 ter verificatie van de in punt 1.1.2 genoemde veiligheidsklassen, moeten de bedrijfstests van punt 3.1 worden herhaald.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een immobilisatiesysteem waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het immobilisatiesysteem:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1b) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het immobilisatiesysteem (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast, en

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het immobilisatiesysteem is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een immobilisatiesysteem

In dit geval moet de fabrikant in punt 3.1.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1a) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het immobilisatiesysteem van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een immobilisatiesysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 3.1.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1a) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het immobilisatiesysteem als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 3.1.3.1.1 van bijlage 1a verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

3.4.   Veilige werking na de condenstest

Na het testen van de bestandheid tegen vocht volgens IEC-publicatie 60068-2-30:1980 worden de bedrijfstests van punt 3.1 herhaald.

3.5.   Test van de bescherming tegen ompoling van de voeding

Het immobilisatiesysteem en de onderdelen ervan mogen niet worden vernield bij ompoling van de voedingsspanning tot maximaal 13 V gedurende 2 minuten. Na deze test moeten de bedrijfstests van punt 3.1 worden herhaald, zo nodig na vervanging van de zekeringen.

3.6.   Test van de beveiliging tegen kortsluiting

Alle elektrische aansluitingen van het immobilisatiesysteem moeten bestand zijn tegen aardsluiting, maximaal 13 V en/of door zekeringen worden beschermd. Na deze test worden de bedrijfstests van punt 3.1 herhaald, zo nodig na vervanging van zekeringen.

3.7.   Stroomverbruik in ingeschakelde toestand

Het stroomverbruik van het volledige immobilisatiesysteem, inclusief toestandsindicator, mag in ingeschakelde toestand en onder de in punt 2.1 vermelde omstandigheden gemiddeld niet meer dan 20 mA bedragen.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een immobilisatiesysteem waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het immobilisatiesysteem:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1, deel 2) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het immobilisatiesysteem (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast, en

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het immobilisatiesysteem is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een immobilisatiesysteem

In dit geval moet de fabrikant in punt 3.1.3.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1a) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het immobilisatiesysteem van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een immobilisatiesysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 3.1.3.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 1a) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het immobilisatiesysteem als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 3.1.3.1.1 van bijlage 1a verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

3.8.   Veilige werking na trillingstest

3.8.1.

Voor deze test worden de onderdelen verdeeld in twee typen:

type 1

:

onderdelen die gewoonlijk op het voertuig worden gemonteerd;

type 2

:

onderdelen die aan de motor moeten worden bevestigd.

3.8.2.

De onderdelen/het immobilisatiesysteem worden blootgesteld aan sinusoïdale trillingen met de volgende kenmerken:

3.8.2.1.

Voor type 1

De frequentie moet kunnen variëren van 10 Hz tot 500 Hz bij een amplitude van maximaal ± 5 mm en een maximumversnelling van 3 g (piekwaarde).

3.8.2.2.

Voor type 2

De frequentie moet kunnen variëren van 20 Hz tot 300 Hz bij een amplitude van maximaal ± 2 mm en een maximumversnelling van 15 g (piekwaarde).

3.8.2.3.

Voor zowel type 1 als type 2

De frequentievariatie bedraagt 1 octaaf/min.

Het aantal cycli bedraagt 10 en de test moet langs elk van de drie assen worden uitgevoerd.

De trillingen hebben bij lage frequenties een maximale constante amplitude en bij hoge frequenties een maximale constante versnelling.

3.8.3.

Tijdens de test moet het immobilisatiesysteem elektrisch zijn aangesloten en moet de aansluitkabel na 200 mm zijn ondersteund.

3.8.4.

Na de trillingstest moeten de in punt 3.1 bedoelde bedrijfstests worden herhaald.

3.9.   Elektromagnetische compatibiliteit

Het immobilisatiesysteem wordt onderworpen aan de in bijlage 7 beschreven tests.


BIJLAGE 7

Elektromagnetische compatibiliteit

1.   Bestendigheid tegen storingen via de stroomkabels

1.1.

De tests moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de technische voorschriften en overgangsbepalingen van Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en overeenkomstig de in bijlage 10 beschreven testmethoden voor een elektrische/elektronische subeenheid (ESE).

1.2.

Het immobilisatiesysteem moet in in- en uitgeschakelde toestand worden getest.

2.   Bestendigheid tegen storingen door hogefrequentiestraling

2.1.

De bestendigheid van een immobilisatiesysteem in een voertuig kan worden getest volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en volgens de testmethoden die in bijlage 6 voor voertuigen en in bijlage 9 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

2.2.

Het immobilisatiesysteem moet worden getest bij de in tabel 1 gedefinieerde bedrijfsomstandigheden en storingscriteria.

Tabel 1

Bedrijfsomstandigheden en storingscriteria voor het immobilisatiesysteem

Type test

Bedrijfsomstandigheden voor het immobilisatiesysteem

Faalcriteria

Voertuigtest

Immobilisatiesysteem in uitgeschakelde toestand

Sleutel „ON” of voertuig bij 50 km/h (1)

Onverwachte activering van het immobilisatiesysteem

Immobilisatiesysteem in ingeschakelde toestand

Sleutel „OFF”

Onverwachte deactivering van het immobilisatiesysteem

Immobilisatiesysteem in ingeschakelde toestand

Voertuig in laadmodus (indien van toepassing)

Onverwachte deactivering van het immobilisatiesysteem

ESE-test

Immobilisatiesysteem in uitgeschakelde toestand

Onverwachte activering van het immobilisatiesysteem

Immobilisatiesysteem in ingeschakelde toestand

Onverwachte deactivering van het immobilisatiesysteem

3.   Elektrische storingen door elektrostatische ontladingen

3.1.

De bestendigheid tegen elektrische storingen wordt getest volgens ISO 10605:2008/AMD 1:2014 aan de hand van de niveaus van ernst voor tests van tabel 2.

3.2.

ESD-tests worden op voertuigniveau of op het niveau van de elektrische/elektronische subeenheid (ESE) uitgevoerd.

Tabel 2

ESD-testniveaus

Type ontlading

Ontladingspunten

Toestand van het immobilisatiesysteem

Ontladingsnetwerk

Testniveau

Faalcriteria

Luchtontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

Immobilisatiesysteem in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel „ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 6 kV

Onverwachte activering van het immobilisatiesysteem

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

Immobilisatiesysteem in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel „OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 15 kV

Onverwachte deactivering van het immobilisatiesysteem zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Contactontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

Immobilisatiesysteem in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel „ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 4 kV

Onverwachte activering van het immobilisatiesysteem

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

Immobilisatiesysteem in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel „OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 8 kV

Onverwachte deactivering van het immobilisatiesysteem zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Elke test wordt uitgevoerd met drie ontladingen en een interval van ten minste 5 seconden tussen elke ontlading.

4.   Stralingsemissies

4.1.

De tests worden uitgevoerd volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 04, en volgens de testmethoden die in de bijlagen 4 en 5 voor voertuigen of in de bijlagen 7 en 8 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

4.2.

Het immobilisatiesysteem moet in de ingeschakelde stand staan.

(1)  Deze test kan worden uitgevoerd in de cyclus op 50 km/h van VN-Reglement nr. 10.


30.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 470/48


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Zie voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

https://unece.org/status-1958-agreement-and-annexed-regulations

VN-Reglement nr. 163 — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen en de goedkeuring van een voertuig wat het voertuigalarmsysteem ervan betreft [2021/2276]

Datum van inwerkingtreding: 30 september 2021

Dit document dient louter ter informatie. De authentieke en juridisch bindende tekst is: ECE/TRANS/WP.29/2021/50.

INHOUD

Reglement

1.

Toepassingsgebied

2.

Definities

3.

Goedkeuringsaanvraag

4.

Goedkeuring

Deel I — Goedkeuring van voertuigalarmsystemen

5.

Algemene specificaties

6.

Bijzondere specificaties

7.

Bedrijfsparameters en testvoorwaarden

8.

Instructies

Deel II — Goedkeuring van een voertuig wat zijn alarmsysteem betreft

9.

Definities

10.

Algemene specificaties

11.

Bijzondere specificaties

12.

Testvoorwaarden

13.

Instructies

14.

Wijziging van het voertuigtype en uitbreiding van de goedkeuring

15.

Procedures voor de controle van de conformiteit van de productie

16.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

17.

Definitieve stopzetting van de productie

18.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

Bijlagen

1

Inlichtingenformulier

2

Mededeling

3

Opstelling van goedkeuringsmerken

4

Model van het conformiteitscertificaat

5

Model van het installatiecertificaat

6

Specificaties voor mechanische sleutelschakelaars

7

Elektromagnetische compatibiliteit

8

Test van beveiligingssystemen voor de passagiersruimte

1.   Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

1.1.

de goedkeuring van

a)

alarmsystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor voertuigen van categorie M1 en voor voertuigen van categorie N1 (1) met een maximummassa van 2 ton, indien op een voertuig gemonteerd, en

b)

voertuigen van categorie M1, evenals voertuigen van categorie N1 met een maximummassa van 2 ton, wat de daarop gemonteerde alarmsystemen betreft (2).

1.2.

Op verzoek van de fabrikant mogen de overeenkomstsluitende partijen goedkeuringen verlenen voor voertuigen van andere categorieën en voertuigalarmsystemen voor montage op die voertuigen.

1.3.

Deze verordening is niet van toepassing op radiofrequenties voor transmissie, ongeacht of deze verband houden met de beveiliging van voertuigen tegen onrechtmatig gebruik.

2.   Definities

2.1.

“Onderdeel”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.2.

“Technische eenheid”: een voorziening waarop de voorschriften van dit reglement van toepassing zijn en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, maar waarvoor afzonderlijk, zij het alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypen, typegoedkeuring kan worden verleend indien dit reglement daar uitdrukkelijk in voorziet.

2.3.

“Fabrikant”: de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie. Deze persoon of instantie hoeft niet rechtstreeks betrokken te zijn bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

2.4.

“Voertuigalarmsysteem” (VAS): een systeem dat bestemd is voor installatie op een of meer voertuigtypen en dat ontworpen is om een signaal te geven wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert. Het systeem mag ook extra bescherming bieden tegen onrechtmatig gebruik van het voertuig.

2.5.

“Sensor”: een inrichting die een verandering detecteert die kan ontstaan wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert.

2.6.

“Alarmsignaalinrichting”: een voorziening die aangeeft dat iemand zich onrechtmatig toegang heeft verschaft tot het voertuig of het voertuig heeft gemanipuleerd.

2.7.

“Regelapparatuur”: apparatuur die nodig is voor het inschakelen, uitschakelen en testen van een VAS en voor het doorgeven van een alarmconditie aan alarmsignaalinrichtingen.

2.8.

“Ingeschakelde toestand”: de toestand waarin een VAS alarmcondities kan doorgeven aan alarmsignaalinrichtingen.

2.9.

“Uitgeschakelde toestand”: de toestand waarin een VAS alarmcondities niet kan doorgeven aan alarmsignaalinrichtingen.

2.10.

“Sleutel”: elke voorziening die ontworpen en vervaardigd is om een vergrendelingssysteem te bedienen dat zelf ontworpen en vervaardigd is om alleen door die voorziening te worden bediend.

2.11.

“Type voertuigalarmsysteem”: systemen die onderling niet significant verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant;

b)

het soort sensor;

c)

het soort alarmsignaalinrichting;

d)

het soort regelapparatuur.

2.12.

“Goedkeuring van een voertuigalarmsysteem”: de goedkeuring van een type VAS met betrekking tot de voorschriften van de punten 5, 6 en 7.

2.13.

“Immobilisatiesysteem”: een voorziening die moet voorkomen dat het voertuig met behulp van de motor van het voertuig zelf kan wegrijden.

2.14.

“Paniekalarm”: een voorziening die een persoon in staat stelt een op het voertuig gemonteerd alarm in werking te stellen om in geval van nood hulp in te roepen.

3.   Goedkeuringsaanvraag

3.1.

De aanvraag om goedkeuring van een voertuigtype of een type onderdeel krachtens dit reglement moet door de fabrikant worden ingediend.

3.2.

Zij gaat vergezeld van een inlichtingenformulier dat is opgesteld volgens het model in bijlage 1 en waarin een beschrijving wordt gegeven van de technische kenmerken van het VAS en van de installatiemethode(n) voor elk merk en type voertuig waarvoor het VAS is bestemd.

3.3.

Een of meer voertuigen/onderdelen die representatief zijn voor het goed te keuren type, worden ter beschikking gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de goedkeuringstest.

4.   Goedkeuring

4.1.

Als het type waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring wordt aangevraagd, voldoet aan de voorschriften van de relevante delen van dit reglement, wordt voor dat type goedkeuring verleend.

4.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 00 voor het reglement in zijn oorspronkelijke vorm) moeten de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander type voertuig of onderdeel dat onder dit reglement valt.

4.3.

Van de goedkeuring of uitbreiding van de goedkeuring van een type krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

4.4.

Op elk voertuig of onderdeel dat conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht, bestaande uit:

4.4.1.

een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (3), en

4.4.2.

het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 genoemde cirkel.

4.5.

Als een type conform is met een type dat op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte VN-reglementen is goedgekeurd in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval moeten de nummers van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring in datzelfde land is verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool worden geplaatst.

4.6.

Het goedkeuringsnummer moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.

Bij een voertuig wordt het goedkeuringsmerk dicht bij of op het door de fabrikant bevestigde gegevensplaatje van het voertuig aangebracht.

4.8.

Bij een onderdeel dat afzonderlijk als alarmsysteem is goedgekeurd, wordt het goedkeuringsmerk door de fabrikant op het hoofdonderdeel (de hoofdonderdelen) van het systeem aangebracht.

4.9.

In bijlage 3 bij dit reglement worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.

4.10.

Als alternatief voor het in punt 4.4 beschreven goedkeuringsmerk wordt voor elk in de handel gebracht VAS een conformiteitscertificaat afgegeven.

4.10.1.

Wanneer een fabrikant van een VAS een overeenkomstig dit reglement goedgekeurd, niet van het goedkeuringsmerk voorzien VAS aan een voertuigfabrikant levert om als originele uitrusting op een of meer voertuigmodellen te monteren, verstrekt de fabrikant van het VAS de voertuigfabrikant een voldoende aantal conformiteitscertificaten om de goedkeuring van het voertuig krachtens dit reglement te kunnen verkrijgen.

4.10.2.

Als het VAS uit verschillende onderdelen bestaat, wordt het belangrijkste onderdeel of worden de belangrijkste onderdelen voorzien van een referentiemarkering en bevat het conformiteitscertificaat een lijst van deze referentiemarkeringen.

4.10.3.

Bijlage 4 bevat een model van het conformiteitscertificaat.

Deel I — Goedkeuring van voertuigalarmsystemen

5.   Algemene specificaties

5.1.

Het VAS geeft een alarmsignaal wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert. Het alarmsignaal is akoestisch en kan tevens optisch, draadloos of een combinatie daarvan zijn.

5.2.

Het VAS is zo ontworpen, gebouwd en geïnstalleerd dat het daarmee uitgeruste voertuig aan de relevante technische voorschriften blijft voldoen, met name wat elektromagnetische compatibiliteit (EMC) betreft.

5.3.

De prestaties en veilige werking van het voertuig mogen door de montage van het VAS in een voertuig niet worden beïnvloed (bij uitgeschakeld alarm).

5.4.

Het VAS en de onderdelen ervan mogen niet door onoplettendheid worden ingeschakeld, vooral niet wanneer de motor draait.

5.5.

Een storing in het VAS of de elektrische voeding ervan mag de veilige werking van het voertuig niet in het gedrang brengen.

5.6.

Het VAS, de onderdelen ervan en de daardoor beveiligde delen van het voertuig zijn zo ontworpen, gebouwd en geïnstalleerd dat het risico dat iemand deze snel en zonder de aandacht te trekken buiten werking kan stellen of kan vernielen, bv. met behulp van goedkope en gemakkelijk te verbergen gereedschappen, instrumenten of voorwerpen die voor het grote publiek gemakkelijk verkrijgbaar zijn, zo gering mogelijk is.

5.7.

De middelen voor het in- en uitschakelen van het VAS zijn zo ontworpen dat de naleving van de voorschriften van dit reglement daardoor niet in het gedrang komt. Elektrische verbindingen met onder deel II vallende onderdelen zijn toegestaan.

5.8.

Het systeem is zo geconfigureerd dat het kortsluiten van een van de alarmcircuits geen andere aspecten van het alarmsysteem dan het kortgesloten circuit buiten werking stelt.

5.9.

Het VAS mag een immobilisatiesysteem bevatten dat moet voldoen aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 162 (immobilisatiesystemen), VN-Reglement nr. 116, supplement 7 op de oorspronkelijke versie, of VN-Reglement nr. 97, supplement 8 op wijzigingenreeks 01.

6.   Bijzondere specificaties

6.1.   Beveiligingsbereik

6.1.1.   Specifieke voorschriften

Het VAS detecteert en signaleert in ieder geval dat een portier van het voertuig, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend. Storing of uitschakeling van lichtbronnen, bv. de verlichting van de passagiersruimte, mag geen invloed hebben op deze bewakingsfunctie.

Aanvullende doeltreffende sensoren ter indicatie van bv.:

a)

onrechtmatige toegang tot het voertuig, bv. door bewaking van de passagiersruimte of de glasoppervlakken of door glasbreukdetectie, of

b)

poging tot diefstal, bv. door een hellingsdetector,

zijn toegestaan, indien maatregelen worden genomen om nodeloze inwerkingtreding van het akoestische alarmsignaal (= vals alarm, zie punt 6.1.2) te voorkomen.

Als deze aanvullende sensoren een alarmsignaal veroorzaken nadat iemand zich op onrechtmatige wijze toegang heeft verschaft tot het voertuig (bv. door een ruit te breken) of door externe invloeden (bv. de wind), mag het door een van bovengenoemde sensoren veroorzaakte alarmsignaal niet meer dan tien keer binnen dezelfde activeringsperiode van het VAS worden geactiveerd.

In dit geval wordt de activeringsperiode beperkt door uitschakeling van het systeem als gevolg van een handeling van de daartoe bevoegde voertuiggebruiker.

Sommige typen aanvullende sensoren, bv. sensoren voor bewaking van de passagiersruimte (ultrasoon of infrarood) of hellingsdetectoren, kunnen doelbewust worden gedeactiveerd. In dit geval wordt daartoe telkens vóór het inschakelen van het VAS een doelbewuste afzonderlijke handeling verricht. Het mag niet mogelijk zijn de sensoren te deactiveren als het alarmsysteem is ingeschakeld.

6.1.2.   Beveiliging tegen vals alarm

6.1.2.1.

Door passende maatregelen te nemen, zoals:

a)

mechanisch ontwerp en ontwerp van het elektrisch circuit specifiek afgestemd op motorvoertuigen;

b)

selectie en toepassing van bedienings- en bewakingsbeginselen voor het alarmsysteem en de onderdelen ervan,

wordt ervoor gezorgd dat het VAS in zowel in- als uitgeschakelde toestand het akoestische alarmsignaal niet nodeloos in werking doet treden ten gevolge van:

a)

een inslag op het voertuig: zie de test in punt 7.2.13;

b)

elektromagnetische compatibiliteit zie de test in punt 7.2.12;

c)

daling van de accuspanning door langdurige ontlading: zie de test in punt 7.2.14;

d)

vals alarm van de bewaking van de passagiersruimte: zie de test in punt 7.2.15.

6.1.2.2.

Als de aanvrager van de goedkeuring bijvoorbeeld aan de hand van technische gegevens kan aantonen dat de beveiliging tegen vals alarm voldoende gewaarborgd is, kan de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst van een deel van bovenstaande tests afzien.

6.2.   Akoestisch alarm

6.2.1.   Algemeen

Het alarmsignaal is duidelijk hoorbaar en herkenbaar en verschilt sterk van de andere geluidssignalen die in het wegverkeer gebruikelijk zijn.

Naast de originele akoestische alarmsignaalinrichting mag in de door het VAS bestreken ruimte van het voertuig nog een afzonderlijke akoestische alarmsignaalinrichting worden gemonteerd, die tegen gemakkelijke en snelle toegang door derden wordt beveiligd.

Als gebruik wordt gemaakt van een afzonderlijke akoestische alarmsignaalinrichting zoals beschreven in punt 6.2.3.1, mag de oorspronkelijke standaard gemonteerde akoestische alarmsignaalinrichting eveneens door het VAS worden geactiveerd, op voorwaarde dat manipulatie van de standaard alarmsignaalinrichting (die doorgaans gemakkelijker toegankelijk is) geen invloed heeft op de goede werking van de aanvullende alarmsignaalinrichting.

6.2.2.   Duur van het geluidssignaal

Minimaal: 25 s

Maximaal: 30 s

Het geluidssignaal mag pas opnieuw in werking treden als het voertuig opnieuw wordt gemanipuleerd, d.w.z. nadat bovenstaande periode is verstreken. (Beperkingen: zie de punten 6.1.1 en 6.1.2).

Bij uitschakeling van het alarmsysteem moet het signaal onmiddellijk stoppen.

6.2.3.   Specificaties van het geluidssignaal

6.2.3.1.

Signaal met vaste toonhoogte (vast frequentiespectrum), bv. claxon: akoestische en andere specificaties overeenkomstig deel I van VN-Reglement nr. 28.

Intermitterend signaal (aan/uit):

Herhalingsfrequentie (2 ± 1) Hz

Inschakeltijd = uitschakeltijd ± 10 %.

6.2.3.2.

Geluidssignaalinrichting met frequentiemodulatie: akoestische en andere specificaties overeenkomstig deel I van VN-Reglement nr. 28, maar een aanzienlijk deel van bovengenoemd frequentiebereik (1 800 tot 3 550 Hz) moet symmetrisch in beide richtingen worden doorlopen.

Doorloopfrequentie (2 ± 1) Hz

6.2.3.3.

Geluidsniveau

De geluidsbron is:

a)

ofwel een geluidssignaalinrichting die is goedgekeurd krachtens deel I van VN-Reglement nr. 28;

b)

ofwel een voorziening die voldoet aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 28, deel I, punten 6.1 en 6.2.

In het geval van een andere geluidsbron dan de oorspronkelijk gemonteerde geluidssignaalinrichting mag het minimumgeluidsniveau worden beperkt tot 100 dB(A), gemeten onder de voorwaarden van deel I van VN-Reglement nr. 28.

6.3.   Optisch alarm, indien gemonteerd

6.3.1.   Algemeen

Wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert, activeert de inrichting een optisch signaal dat voldoet aan de punten 6.3.2 en 6.3.3.

6.3.2.   Duur van het optische signaal

Na activering van het alarm houdt het optische signaal minstens 25 seconden en hoogstens 5 minuten aan. Bij uitschakeling van het alarmsysteem stopt het signaal onmiddellijk.

6.3.3.   Type optisch signaal

Knipperen van alle richtingaanwijzers en/of de verlichting van de passagiersruimte van het voertuig, met inbegrip van alle lampen in hetzelfde elektrische circuit.

Herhalingsfrequentie (2 ± 1) Hz

Signalen die niet synchroon zijn met het geluidssignaal, zijn ook toegestaan.

Inschakeltijd = uitschakeltijd ± 10 %.

6.4.   Draadloos alarm (oproep) (voor zover gemonteerd)

Het VAS mag een voorziening bevatten die via radiotransmissie een alarmsignaal genereert.

6.5.   Inschakelvergrendeling van het alarmsysteem

6.5.1.

Bij draaiende motor is het al dan niet opzettelijk inschakelen van het alarmsysteem onmogelijk.

6.6.   In- en uitschakelen van het VAS

6.6.1.   Inschakelen

Voor het inschakelen van het VAS is elke geschikte methode toegestaan, mits deze geen onopzettelijk vals alarm veroorzaakt.

6.6.2.   Uitschakelen

Het VAS kan met een of meer van de volgende voorzieningen worden uitgeschakeld. Andere voorzieningen die hetzelfde resultaat opleveren, zijn toegestaan.

6.6.2.1.

Een mechanische sleutel (conform de voorschriften van bijlage 6) die kan worden gecombineerd met een centraal vergrendelingssysteem met ten minste 1 000 varianten, dat van buiten het voertuig wordt bediend.

6.6.2.2.

Een elektrische/elektronische voorziening, bijvoorbeeld een afstandsbediening, die ten minste 50 000 verschillende combinaties heeft, van een wisselcode is voorzien en/of een minimumscantijd van tien dagen heeft, bijvoorbeeld hoogstens 5 000 combinaties per 24 uur voor minimaal 50 000 combinaties.

6.6.2.3.

Een mechanische sleutel of een elektrische/elektronische voorziening binnen de beveiligde passagiersruimte, met uitstap- en instapvertraging.

6.7.   Uitstapvertraging

Als de voorziening voor het inschakelen van het VAS binnen de beveiligde ruimte is gemonteerd, moet een uitstapvertraging zijn ingebouwd. Het moet mogelijk zijn de uitstapvertraging in te stellen op ten minste 15 en ten hoogste 45 s vanaf het moment van inschakelen. De vertragingsperiode mag instelbaar zijn om deze aan de persoonlijke omstandigheden van de gebruiker te kunnen aanpassen.

6.8.   Instapvertraging

Als de inrichting voor het uitschakelen van het VAS binnen de beveiligde ruimte is gemonteerd, is een instapvertraging van ten minste 5 en ten hoogste 15 seconden toegestaan voordat de optische en geluidssignalen in werking treden. De vertragingsperiode mag instelbaar zijn om deze aan de persoonlijke omstandigheden van de gebruiker te kunnen aanpassen.

6.9.   Toestandsindicator

6.9.1.

Om informatie over de toestand van het VAS (ingeschakeld, uitgeschakeld, alarmvertraging, alarm geactiveerd) te verstrekken, zijn optische indicatoren binnen en buiten de passagiersruimte toegestaan. Eventuele optische signalen of eventueel gebruik van verlichtings- en lichtsignaalvoorzieningen buiten de passagiersruimte moeten voldoen aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 48.

6.9.2.

Als een indicatie wordt gegeven van kortstondige “dynamische” processen zoals de overgang van “ingeschakeld” naar “uitgeschakeld” en vice versa, gebeurt dit langs optische weg overeenkomstig punt 6.9.1. Een dergelijke optische indicatie kan ook worden gegeven door gelijktijdige inschakeling van de richtingaanwijzers en/of van de verlichting van de passagiersruimte, mits de duur van de optische waarschuwing door de richtingaanwijzers niet meer dan 3 seconden bedraagt.

6.10.   Voeding

De stroombron voor het VAS is ofwel de accu van het voertuig ofwel een oplaadbare accu. Er kan ook een al dan niet oplaadbare extra accu worden gebruikt. Deze accu’s mogen in geen geval andere delen van de elektrische installatie van het voertuig van stroom voorzien.

6.11.   Specificaties van optionele functies

6.11.1.   Zelfcontrole, automatische foutindicatie

Bij het inschakelen van het VAS mogen ongewone situaties, zoals openstaande portieren, via een zelfcontrolefunctie (plausibiliteitscontrole) worden gedetecteerd en gemeld.

6.11.2.   Paniekalarm

Een optisch en/of akoestisch en/of draadloos alarm is toegestaan, ongeacht de toestand (in- of uitgeschakeld) en/of functie van het VAS. Een dergelijk alarm moet vanuit het voertuig worden geactiveerd en mag geen invloed hebben op de toestand (in- of uitgeschakeld) van het VAS. De gebruiker van het voertuig kan het paniekalarm ook uitschakelen. Bij een akoestisch alarm mag de duur van het geluidssignaal na elke activering niet worden beperkt. De werking van de motor mag door het paniekalarm niet worden belet of onderbroken.

7.   Bedrijfsparameters en testvoorwaarden

7.1.   Bedrijfsparameters

Alle onderdelen van het VAS moeten onder de volgende omstandigheden storingsvrij functioneren.

7.1.1.   Klimatologische omstandigheden

De volgende twee omgevingstemperatuurklassen zijn vastgesteld:

a)

– 40 tot + 85 °C voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte zijn gemonteerd;

b)

– 40 tot + 125 °C voor onderdelen die in de motorruimte zijn gemonteerd, tenzij anders aangegeven.

7.1.2.   Veiligheidsklasse van de installatie

Overeenkomstig IEC-publicatie 60529:1989 gelden de volgende veiligheidsklassen:

a)

IP 40 voor onderdelen die in de passagiersruimte worden gemonteerd;

b)

IP 42 voor onderdelen die in de passagiersruimte van roadsters/cabrio’s en personenauto’s met verwijderbare dakpanelen worden gemonteerd, voor zover de plaats van installatie een hogere veiligheidsklasse dan IP 40 vergt;

c)

IP 54 voor alle overige onderdelen.

De VAS-fabrikant wijst in de montagevoorschriften op de beperkingen die gelden voor de plaatsing van onderdelen van de installatie in verband met stof, vocht en temperatuur.

7.1.3.   Bestandheid tegen weersinvloeden

Zeven dagen overeenkomstig IEC-publicatie 60068-2-30:1980.

7.1.4.   Elektrische voeding

Nominale voedingsspanning: 12 V

Bereik operationele voedingsspanning: 9-15 V, binnen het in punt 7.1.1 aangegeven temperatuurbereik.

Maximale duur van overspanningen bij 23 °C:

U = 18 V, max. 1 uur

U = 24 V, max. 1 uur

7.2.   Testvoorwaarden

7.2.1.   Bedrijfstests

Voor de in de punten 7.2.3, 7.2.4, 7.2.5, 7.2.6 en 7.2.8.4 voorgeschreven bedrijfstests geldt dat, als sommige van de tests die volgens elk van die punten vóór de bedrijfstest moeten plaatsvinden, na elkaar op een enkel VAS worden uitgevoerd, de bedrijfstest zelf maar eenmaal hoeft te worden uitgevoerd nadat de andere tests zijn beëindigd in plaats van hem na elke test te herhalen. Alleen bij niet-geaccumuleerde procedures moeten voertuigfabrikanten en leveranciers bevredigende resultaten garanderen.

7.2.1.1.

Gecontroleerd wordt of het VAS aan de volgende specificaties voldoet:

duur van het alarm overeenkomstig de punten 6.2.2 en 6.3.2;

frequentie en in-/uitschakeltijd overeenkomstig de punten 6.3.3 en 6.2.3.1 of 6.2.3.2;

aantal alarmcycli overeenkomstig punt 6.1.1, indien van toepassing;

controle van de inschakelvergrendeling van het alarmsysteem overeenkomstig punt 6.5.

7.2.1.2.

Normale testvoorwaarden

Spanning U = (12 ± 0,2) V

Temperatuur T = (23 ± 5) °C

7.2.2.   Bestandheid tegen temperatuur- en spanningsvariaties

Gecontroleerd wordt of ook in de volgende omstandigheden voldaan is aan de specificaties van punt 7.2.1.1:

7.2.2.1.

Testtemperatuur

:

T = (– 40 ± 2) °C

Testspanning

:

U = (9 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

:

4 uur

7.2.2.2.

Voor onderdelen die in de passagiers- of bagageruimte worden gemonteerd:

Testtemperatuur

:

T = (+ 85 ± 2) °C

Testspanning

:

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

:

4 uur

7.2.2.3.

Voor onderdelen die in de motorruimte worden gemonteerd, tenzij anders aangegeven:

Testtemperatuur

:

T = (+ 125 ± 2) °C

Testspanning

:

U = (15 ± 0,2) V

Acclimatiseringstijd

:

4 uur

7.2.2.4.

Het VAS wordt zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 uur lang gevoed met een overspanning van 18 ± 0,2 V.

7.2.2.5.

Het VAS wordt in zowel in- als uitgeschakelde toestand 1 minuut lang gevoed met een overspanning van 24 ± 0,2 V.

7.2.3.   Veilige werking na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water

Na het testen van de dichtheid tegen deeltjes en water volgens IEC-publicatie 605291989 ter verificatie van de in punt 7.1.2 genoemde veiligheidsklassen, moeten de bedrijfstests van punt 7.2.1 worden herhaald.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een VAS waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het VAS:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het VAS (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast, en

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het VAS is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een AS

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het AS van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een VAS waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het VAS als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 4.5 van bijlage 2 verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

7.2.4.   Veilige werking na de condenstest

Na het testen van de bestandheid tegen vocht volgens IEC-publicatie 60068-2-30:1980 worden de bedrijfstests van punt 7.2.1 herhaald.

7.2.5.   Test van de bescherming tegen ompoling van de voeding

Het VAS en de onderdelen ervan mogen niet worden vernield bij ompoling van de voedingsspanning tot maximaal 13 V gedurende 2 minuten. Na deze test moeten de bedrijfstests van punt 7.2.1 worden herhaald, zo nodig na vervanging van de zekeringen.

7.2.6.   Test van de beveiliging tegen kortsluiting

Alle elektrische aansluitingen van het VAS moeten bestand zijn tegen aardsluiting, maximaal 13 V en/of door zekeringen worden beschermd. Na deze test worden de bedrijfstests van punt 7.2.1 herhaald, zo nodig na vervanging van zekeringen.

7.2.7.   Stroomverbruik in ingeschakelde toestand

Het stroomverbruik van het volledige alarmsysteem, inclusief toestandsindicator, mag in ingeschakelde toestand en onder de in punt 7.2.1.2 vermelde omstandigheden gemiddeld niet meer dan 20 mA bedragen.

Met het akkoord van de technische dienst hoeft dit voorschrift niet te worden toegepast onder de volgende omstandigheden:

a)

typegoedkeuring van een VAS waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid wordt aangevraagd

In dit geval moet de fabrikant van het VAS:

i)

in punt 4.5 van het inlichtingenformulier (bijlage 1) aangeven dat het voorschrift van dit punt op het VAS (overeenkomstig punt 7 van dit reglement) niet is toegepast;

ii)

in punt 4.1 van het inlichtingenformulier de lijst van voertuigen opnemen waarvoor het VAS is bestemd en in punt 4.2 de desbetreffende installatievoorwaarden specificeren, en

iii)

aantonen dat de stroomverbruiksvoorschriften niet worden overschreden door daarmee verband houdende documenten over te leggen;

b)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een AS

In dit geval moet de fabrikant in punt 4.3.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 2) aangeven dat het voorschrift van dit punt gezien de installatievoorwaarden niet op het AS van toepassing is en moet de voertuigfabrikant dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen.

c)

typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot de installatie van een VAS waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid

In dit geval moet de voertuigfabrikant in punt 4.3.1.1 van het inlichtingenformulier (bijlage 2) aangeven dat het voorschrift van dit punt niet van toepassing is op de installatie van het VAS als aan de desbetreffende installatievoorwaarden is voldaan.

Dit voorschrift geldt niet wanneer de in punt 4.3.1.1 van bijlage 2 verlangde informatie al voor de goedkeuring van de technische eenheid is verstrekt.

7.2.8.   Veilige werking na trillingstest

7.2.8.1.

Voor deze test worden de onderdelen verdeeld in twee typen:

type 1

:

onderdelen die gewoonlijk op het voertuig worden gemonteerd;

type 2

:

onderdelen die aan de motor moeten worden bevestigd.

7.2.8.2.

De onderdelen en het VAS worden blootgesteld aan sinusoïdale trillingen met de volgende kenmerken:

7.2.8.2.1.

Voor type 1

De frequentie moet kunnen variëren van 10 Hz tot 500 Hz bij een amplitude van maximaal ± 5 mm en een maximumversnelling van 3 g (piekwaarde).

7.2.8.2.2.

Voor type 2

De frequentie moet kunnen variëren van 20 Hz tot 300 Hz bij een amplitude van maximaal ± 2 mm en een maximumversnelling van 15 g (piekwaarde).

7.2.8.2.3.

Voor zowel type 1 als type 2

De frequentievariatie bedraagt 1 octaaf/min.

Het aantal cycli bedraagt 10 en de test wordt langs elk van de drie assen uitgevoerd.

De trillingen hebben bij lage frequenties een maximale constante amplitude en bij hoge frequenties een maximale constante versnelling.

7.2.8.3.

Tijdens de test moet het VAS elektrisch zijn aangesloten en moet de aansluitkabel na 200 mm zijn ondersteund.

7.2.8.4.

Na de trillingstest worden de in punt 7.2.1 bedoelde bedrijfstests herhaald.

7.2.9.   Duurzaamheidstest

Onder de in punt 7.2.1.2 gespecificeerde testvoorwaarden wordt de alarmcyclus (akoestisch en/of optisch alarm) 300 maal volledig doorlopen, telkens met een interval van 5 minuten voor het akoestische alarm.

7.2.10.   Tests van externe sleutelschakelaars (aan de buitenkant van het voertuig gemonteerd)

De volgende tests mogen alleen worden uitgevoerd als geen gebruik wordt gemaakt van de cilinder van het originele portierslot.

7.2.10.1.

De sleutelschakelaar is zo ontworpen en gebouwd dat hij nog steeds naar behoren functioneert na 2 500 in- en uitschakelcycli in beide richtingen, gevolgd door een blootstelling gedurende ten minste 96 uur aan de zoutsproeitest volgens IEC 68-2-11-1981: test van de corrosiebestendigheid.

7.2.11.   Test van beveiligingssystemen voor de passagiersruimte

Het alarm wordt geactiveerd wanneer door het geopende raam van een voorportier een verticale plaat van 0,2 × 0,15 m met een snelheid van 0,4 m/s, parallel aan het wegdek en onder een hoek van 45o met het middenlangsvlak van het voertuig, over een afstand van 0,3 m (gemeten vanaf het midden van de verticale plaat) in de passagiersruimte naar voren wordt gestoken (zie de tekeningen in bijlage 8).

7.2.12.   Elektromagnetische compatibiliteit

Het VAS wordt onderworpen aan de in bijlage 7 beschreven tests.

In dit geval wordt een VAS dat voldoet aan alle bedrijfstoestanden van de tests in bijlage 7, geacht het akoestische alarmsignaal niet nodeloos in werking te doen treden in samenhang met de voorschriften van punt 6.1.2.1.

Wat de conformiteit met de bedrijfstoestand bij elke test betreft, wordt een VAS dat ontworpen is om het alarm in de ingeschakelde toestand onder sommige van de testvoorwaarden van bijlage 7 in werking te doen treden en dat het akoestische alarmsignaal tijdens de tests activeert, geacht bij de tests naar behoren te functioneren en dus aan de bedrijfstoestand van de tests te voldoen. In dit geval moet de fabrikant van het VAS dat aantonen door daarmee verband houdende documenten over te leggen.

7.2.13.   Beveiliging tegen vals alarm bij een impact op het voertuig

Er moet worden gecontroleerd dat een impact van een halve bol met de bolle kant en met een energie van maximaal 4,5 J, een diameter van 165 mm en een hardheid van 70 ± 10 Shore A op een willekeurige plaats op de carrosserie of de beglazing van het voertuig geen vals alarm veroorzaakt.

7.2.14.   Beveiliging tegen vals alarm bij daling van de accuspanning

Er moet worden gecontroleerd dat een langzame daling van de spanning van de hoofdaccu door een continue ontlading met 0,5 V per uur tot een spanning van 3 V geen vals alarm veroorzaakt.

Testvoorwaarden: zie punt 7.2.1.2.

7.2.15.   Test van de beveiliging tegen vals alarm van de bewaking van de passagiersruimte

Beveiligingssystemen voor de passagiersruimte, zoals bedoeld in punt 6.1.1, worden samen met een voertuig onder normale omstandigheden getest (punt 7.2.1.2).

Het systeem, dat volgens de instructies van de fabrikant moet zijn geïnstalleerd, mag niet worden geactiveerd wanneer het vijfmaal aan de in punt 7.2.13 beschreven test is onderworpen, telkens met een interval van 0,5 s.

De aanwezigheid van een persoon die de buitenzijde van het voertuig aanraakt of rond het voertuig beweegt (bij gesloten ramen) mag geen vals alarm veroorzaken.

8.   Instructies

Elk VAS moet vergezeld gaan van:

8.1.

De installatievoorschriften

8.1.1.

De lijst van voertuigen en voertuigmodellen waarvoor de voorziening bestemd is. Deze lijst mag specifiek of algemeen zijn, bv. “alle voertuigen met benzinemotor en negatief geaarde 12 V-accu”.

8.1.2.

De installatiemethode, toegelicht met foto’s en/of heel duidelijke tekeningen.

8.1.3.

In het geval van een VAS met immobilisatiesysteem moet worden voldaan aan aanvullende instructies betreffende de naleving van de voorschriften van VN-Reglement nr. 162 (immobilisatiesystemen), VN-Reglement nr. 116, supplement 7 op de oorspronkelijke versie, of VN-Reglement nr. 97, supplement 8 op wijzigingenreeks 01.

8.2.

Een blanco installatiecertificaat volgens het model in bijlage 5.

8.3.

Een algemene verklaring ten behoeve van de koper van het VAS waarin zijn aandacht wordt gevestigd op de volgende punten:

a)

het VAS moet volgens de instructies van de fabrikant worden geïnstalleerd;

b)

het verdient aanbeveling een goede installateur te kiezen (de VAS-fabrikant kan informatie verstrekken over geschikte installateurs);

c)

het bij het VAS gevoegde installatiecertificaat moet door de installateur worden ingevuld.

8.4.

Gebruiksaanwijzingen

8.5.

Onderhoudsinstructies

8.6.

Een algemene waarschuwing betreffende de gevaren van wijziging of uitbreiding van het systeem; bij wijziging of uitbreiding van het systeem wordt het in punt 8.2 bedoelde installatiecertificaat automatisch ongeldig.

8.7.

Vermelding van de plaats waar zich het in punt 4.4 bedoelde internationale goedkeuringsmerk en/of het in punt 4.10 bedoelde internationale conformiteitscertificaat bevinden.

Deel II — Goedkeuring van een voertuig wat zijn alarmsysteem betreft

Wanneer een VAS dat is goedgekeurd krachtens deel I van dit reglement of krachtens VN-Reglement nr. 116, supplement 7 op de oorspronkelijke versie, of VN-Reglement nr. 97, supplement 8 op wijzigingenreeks 01, wordt geïnstalleerd in een voertuig dat voor goedkeuring krachtens deel II van dit reglement ter beschikking is gesteld, hoeven de voor de goedkeuring overeenkomstig deel I van dit reglement vereiste tests voor een VAS niet te worden herhaald.

9.   Definities

Voor de toepassing van deel II van dit reglement wordt verstaan onder:

9.1.

“alarmsysteem” (AS): een samenstel van onderdelen dat als originele uitrusting in een voertuigtype is gemonteerd en dat bedoeld is om een signaal te geven wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert. Het systeem mag ook extra bescherming bieden tegen onrechtmatig gebruik van het voertuig;

9.2.

“voertuigtype wat zijn alarmsysteem betreft”: voertuigen die onderling niet significant verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant;

b)

de kenmerken van het voertuig die merkbaar van invloed zijn op de prestaties van het AS;

c)

het type en ontwerp van het AS of VAS;

9.3.

“goedkeuring van een voertuig”: de goedkeuring van een voertuigtype met betrekking tot de voorschriften van de punten 10, 11 en 12;

9.4.

andere begrippen die in deel II worden gebruikt, zijn gedefinieerd in punt 2.

10.   Algemene specificaties

10.1.

Het AS is zo ontworpen en gebouwd dat het een alarmsignaal geeft wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert. Het mag ook een immobilisatiesysteem omvatten.

Het alarmsignaal is akoestisch en er mag bovendien een optisch of draadloos alarmsignaal of een combinatie daarvan worden gegeven.

10.2.

Voertuigen die met een AS zijn uitgerust, voldoen aan de relevante technische voorschriften, met name wat elektromagnetische compatibiliteit (EMC) betreft.

10.3.

Het AS en de onderdelen ervan mogen niet door onoplettendheid worden ingeschakeld, vooral niet wanneer de motor draait.

10.4.

Een storing in het AS of de elektrische voeding ervan mag de veilige werking van het voertuig niet in het gedrang brengen.

10.5.

Het AS, de onderdelen ervan en de daardoor beveiligde delen zijn zo geïnstalleerd dat het risico dat iemand deze snel en zonder de aandacht te trekken buiten werking kan stellen of kan vernielen, bv. met behulp van goedkope en gemakkelijk te verbergen gereedschappen, instrumenten of voorwerpen die voor het grote publiek gemakkelijk verkrijgbaar zijn, zo gering mogelijk is.

10.6.

Het systeem is zo geconfigureerd dat het kortsluiten van een van de alarmcircuits geen andere aspecten van het alarmsysteem dan het kortgesloten circuit buiten werking stelt.

11.   Bijzondere specificaties

11.1.   Beveiligingsbereik

11.1.1.   Specifieke voorschriften

Het AS detecteert en signaleert in ieder geval dat een portier van het voertuig, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend. Storing of uitschakeling van lichtbronnen, bv. de verlichting van de passagiersruimte, mag geen invloed hebben op deze bewakingsfunctie.

De installatie van aanvullende doelmatige sensoren ter indicatie van bv.:

a)

onrechtmatige toegang tot het voertuig, bv. door bewaking van de passagiersruimte of de glasoppervlakken of glasbreukdetectie, of

b)

poging tot diefstal, bv. door een hellingsdetector,

zijn toegestaan, indien maatregelen worden genomen om nodeloze inwerkingtreding van het akoestische alarmsignaal (= vals alarm, zie punt 11.1.2) te voorkomen.

Als deze aanvullende sensoren een alarmsignaal veroorzaken nadat iemand zich op onrechtmatige wijze toegang heeft verschaft tot het voertuig (bv. door een ruit te breken) of door externe invloeden (bv. de wind), mag het door een van bovengenoemde sensoren veroorzaakte alarmsignaal niet meer dan tien keer binnen dezelfde activeringsperiode van het AS worden geactiveerd.

In dit geval wordt de activeringsperiode beperkt door uitschakeling van het systeem als gevolg van een handeling van de daartoe bevoegde voertuiggebruiker.

Sommige typen aanvullende sensoren, bv. sensoren voor bewaking van de passagiersruimte (ultrasoon of infrarood) of hellingsdetectoren, kunnen doelbewust worden gedeactiveerd. In dit geval wordt daartoe telkens vóór het inschakelen van het AS een doelbewuste afzonderlijke handeling verricht. Het mag niet mogelijk zijn de sensoren te deactiveren als het alarmsysteem is ingeschakeld.

11.1.2.   Beveiliging tegen vals alarm

11.1.2.1.

Er wordt voor gezorgd dat het AS in zowel in- als uitgeschakelde toestand het akoestische alarmsignaal niet nodeloos in werking doet treden ten gevolge van:

a)

een inslag op het voertuig: zie de test in punt 7.2.13;

b)

elektromagnetische compatibiliteit zie de test in punt 7.2.12;

c)

daling van de accuspanning door langdurige ontlading: zie de test in punt 7.2.14;

d)

vals alarm van de bewaking van de passagiersruimte: zie de test in punt 7.2.15.

11.1.2.2.

Als de aanvrager van de goedkeuring bijvoorbeeld aan de hand van technische gegevens kan aantonen dat de beveiliging tegen vals alarm voldoende gewaarborgd is, kan de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst van een deel van bovenstaande tests afzien.

11.2.   Akoestisch alarm

11.2.1.   Algemeen

Het alarmsignaal is duidelijk hoorbaar en herkenbaar en verschilt sterk van de andere geluidssignalen die in het wegverkeer gebruikelijk zijn.

Naast de originele akoestische alarmsignaalinrichting mag in de door het AS bestreken ruimte van het voertuig nog een afzonderlijke akoestische alarmsignaalinrichting worden gemonteerd, die tegen gemakkelijke en snelle toegang door derden wordt beveiligd.

Als gebruik wordt gemaakt van een afzonderlijke akoestische alarmsignaalinrichting zoals beschreven in punt 11.2.3.1, mag de oorspronkelijke standaard gemonteerde akoestische alarmsignaalinrichting eveneens door het AS worden geactiveerd, op voorwaarde dat manipulatie van de standaard alarmsignaalinrichting (die doorgaans gemakkelijker toegankelijk is) geen invloed heeft op de goede werking van de aanvullende alarmsignaalinrichting.

11.2.2.   Duur van het geluidssignaal

Minimaal: 25 s

Maximaal: 30 s

Het geluidssignaal mag pas opnieuw in werking treden als het voertuig opnieuw wordt gemanipuleerd, d.w.z. nadat bovenstaande periode is verstreken (beperkingen: zie de punten 11.1.1 en 11.1.2).

Bij uitschakeling van het alarmsysteem moet het signaal onmiddellijk stoppen.

11.2.3.   Specificaties van het geluidssignaal

11.2.3.1.

Signaal met vaste toonhoogte (vast frequentiespectrum), bv. claxon: akoestische en andere specificaties overeenkomstig deel I van VN-Reglement nr. 28.

Intermitterend signaal (aan/uit):

Herhalingsfrequentie (2 ± 1) Hz

Inschakeltijd = uitschakeltijd ± 10 %.

11.2.3.2.

Geluidssignaalinrichting met frequentiemodulatie: akoestische en andere specificaties overeenkomstig deel I van VN-Reglement nr. 28, maar een aanzienlijk deel van bovengenoemd frequentiebereik (1 800 tot 3 550 Hz) moet symmetrisch in beide richtingen worden doorlopen.

Doorloopfrequentie (2 ± 1) Hz

11.2.3.3.

Geluidsniveau

De geluidsbron is:

a)

ofwel een geluidssignaalinrichting zijn die is goedgekeurd krachtens deel I van VN-Reglement nr. 28;

b)

ofwel een voorziening zijn die voldoet aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 28, deel I, punten 6.1 en 6.2.

In het geval van een andere geluidsbron dan de oorspronkelijk gemonteerde geluidssignaalinrichting mag het minimumgeluidsniveau worden beperkt tot 100 dB(A), gemeten onder de voorwaarden van deel I van VN-Reglement nr. 28.

11.3.   Optisch alarm, indien gemonteerd

11.3.1.   Algemeen

Wanneer iemand zich onrechtmatig toegang verschaft tot het voertuig of het voertuig manipuleert, activeert de inrichting een optisch signaal dat voldoet aan de punten 11.3.2 en 11.3.3.

11.3.2.   Duur van het optische signaal

Na activering van het alarm houdt het optische signaal minstens 25 seconden en hoogstens 5 minuten aan. Bij uitschakeling van het alarmsysteem stopt het signaal onmiddellijk.

11.3.3.   Type optisch signaal

Knipperen van alle richtingaanwijzers en/of de verlichting van de passagiersruimte van het voertuig, met inbegrip van alle lampen in hetzelfde elektrische circuit.

Herhalingsfrequentie (2 ± 1) Hz

Signalen die niet synchroon zijn met het geluidssignaal, zijn ook toegestaan.

Inschakeltijd = uitschakeltijd ± 10 %.

11.4.   Draadloos alarm (oproep) (voor zover gemonteerd)

Het AS mag een voorziening bevatten die via radiotransmissie een alarmsignaal genereert.

11.5.   Inschakelvergrendeling van het alarmsysteem

11.5.1.

Bij draaiende motor is het al dan niet opzettelijk inschakelen van het alarmsysteem onmogelijk.

11.6.   In- en uitschakelen van het AS

11.6.1.

Inschakelen

Voor het inschakelen van het AS is elke geschikte methode toegestaan, mits deze geen onopzettelijk vals alarm veroorzaakt.

11.6.2.

Uitschakelen

Het AS kan met een of meer van de volgende voorzieningen worden uitgeschakeld. Andere voorzieningen die hetzelfde resultaat opleveren, zijn toegestaan:

11.6.2.1.

een mechanische sleutel (conform de voorschriften van bijlage 6) die kan worden gecombineerd met een centraal vergrendelingssysteem met ten minste 1 000 combinaties, dat van buiten het voertuig wordt bediend;

11.6.2.2.

een elektrische/elektronische voorziening, bijvoorbeeld een afstandsbediening, die ten minste 50 000 verschillende combinaties heeft, van een wisselcode is voorzien en/of een minimumscantijd van tien dagen heeft, bijvoorbeeld hoogstens 5 000 combinaties per 24 uur voor minimaal 50 000 combinaties;

11.6.2.3.

een mechanische sleutel of een elektrische/elektronische voorziening binnen de beveiligde passagiersruimte, met uitstap- en instapvertraging.

11.7.   Uitstapvertraging

Als de voorziening voor het inschakelen van het AS binnen de beveiligde ruimte is gemonteerd, moet een uitstapvertraging zijn ingebouwd. Het moet mogelijk zijn de uitstapvertraging in te stellen op ten minste 15 en ten hoogste 45 s vanaf het moment van inschakelen. De vertragingsperiode mag instelbaar zijn om deze aan de persoonlijke omstandigheden van de gebruiker te kunnen aanpassen.

11.8.   Instapvertraging

Als de inrichting voor het uitschakelen van het AS binnen de beveiligde ruimte is gemonteerd, is een instapvertraging van ten minste 5 en ten hoogste 15 s toegestaan voordat de optische en geluidssignalen in werking treden. De vertragingsperiode mag instelbaar zijn om deze aan de persoonlijke omstandigheden van de gebruiker te kunnen aanpassen.

11.9.   Toestandsindicator

11.9.1.

Om informatie over de toestand van het AS (ingeschakeld, uitgeschakeld, alarmvertraging, alarm geactiveerd) te verstrekken, zijn optische indicatoren binnen en buiten de passagiersruimte toegestaan. Eventuele optische signalen of eventueel gebruik van verlichtings- en lichtsignaalvoorzieningen buiten de passagiersruimte moeten voldoen aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 48.

11.9.2.

Als een indicatie wordt gegeven van kortstondige “dynamische” processen zoals de overgang van “ingeschakeld” naar “uitgeschakeld” en vice versa, gebeurt dit langs optische weg overeenkomstig punt 11.9.1. Een dergelijke optische indicatie kan ook worden gegeven door gelijktijdige inschakeling van de richtingaanwijzers en/of van de verlichting van de passagiersruimte, mits de duur van de optische waarschuwing door de richtingaanwijzers niet meer dan 3 seconden bedraagt.

11.10.   Voeding

De stroombron voor het AS is de accu van het voertuig of een oplaadbare accu. Er kan ook een al dan niet oplaadbare extra accu worden gebruikt. Deze accu’s mogen in geen geval andere delen van de elektrische installatie van het voertuig van stroom voorzien.

11.11.   Specificaties van optionele functies

11.11.1.   Zelfcontrole, automatische foutindicatie

Bij het inschakelen van het AS mogen ongewone situaties, zoals openstaande portieren, via een zelfcontrolefunctie (plausibiliteitscontrole) worden gedetecteerd en gemeld.

11.11.2.   Paniekalarm

Een optisch en/of akoestisch en/of draadloos alarm is toegestaan, ongeacht de toestand (in- of uitgeschakeld) en/of functie van het AS. Een dergelijk alarm moet vanuit het voertuig worden geactiveerd en mag geen invloed hebben op de toestand (in- of uitgeschakeld) van het AS. De gebruiker van het voertuig kan het paniekalarm ook uitschakelen. Bij een akoestisch alarm mag de duur van het geluidssignaal na elke activering niet worden beperkt. De werking van de motor mag door het paniekalarm niet worden belet of onderbroken.

12.   Testvoorwaarden

Alle onderdelen van het VAS of AS moeten worden getest volgens de procedures van punt 7.

Dit voorschrift geldt niet voor:

12.1.

onderdelen die worden gemonteerd en getest als deel van het voertuig, ongeacht of een VAS/AS is gemonteerd (bv. lampen), of

12.2.

onderdelen die al eerder als deel van het voertuig zijn getest en waarvan schriftelijke bewijzen zijn overgelegd;

12.3.

onderdelen die niet in het voertuig geïntegreerd zijn, bv. sleutels.

13.   Instructies

Elk voertuig moet vergezeld gaan van:

13.1.

gebruiksvoorschriften,

13.2.

onderhoudsinstructies,

13.3.

een algemene waarschuwing betreffende de gevaren van wijziging of uitbreiding van het systeem.

14.   Wijziging van het voertuigtype en uitbreiding van de goedkeuring

14.1.

Elke wijziging van het voertuigtype of onderdeeltype moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die dat type heeft goedgekeurd. Die typegoedkeuringsinstantie kan dan:

a)

in overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe typegoedkeuring moet worden verleend, of

b)

de procedure van punt 14.1.1 (herziening) en voor zover van toepassing die van punt 14.1.2 (herziening).

14.1.1.

Herziening

Wanneer gegevens uit de inlichtingenformulieren zijn gewijzigd en de typegoedkeuringsinstantie oordeelt dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardige nadelige effecten zullen hebben en dat het voertuig in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, moet de wijziging als “herziening” worden aangeduid.

In dat geval moet de typegoedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van de inlichtingenformulieren afgeven, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van de inlichtingenformulieren, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

14.1.2.

De wijziging moet als “uitbreiding” worden aangeduid als er, behalve de wijziging van de gegevens uit de inlichtingenformulieren:

a)

aanvullende keuringen of tests zijn vereist, of

b)

informatie op het mededelingenformulier (met uitzondering van de bijlagen) is gewijzigd, of

c)

goedkeuring krachtens een latere wijzigingenreeks wordt aangevraagd na de inwerkingtreding ervan.

14.2.

De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijziging, moet volgens de procedure van punt 4.3 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen. Voorts moet de inhoudsopgave bij de informatiedocumenten en testrapporten die aan het mededelingendocument zijn gehecht, dienovereenkomstig worden gewijzigd om de datum van de recentste herziening of uitbreiding aan te geven.

14.3.

De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, kent een volgnummer toe aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld.

15.   Procedures voor de controle van de conformiteit van de productie

Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 1 van de overeenkomst (E/ECE/TRANS/505/Rev.3), met inachtneming van de volgende voorschriften:

15.1.

krachtens dit reglement goedgekeurde voertuigen/onderdelen moeten zo worden vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van de relevante punten van dit reglement;

15.2.

voor elke type voertuig of onderdeel moeten de in de relevante delen van dit reglement voorgeschreven tests op een statistisch gecontroleerde en willekeurige basis volgens een van de gebruikelijke kwaliteitsgarantieprocedures worden uitgevoerd;

15.3.

de instantie die de goedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats.

16.   Sancties bij non-conformiteit van de productie

16.1.

De krachtens dit reglement voor een voertuig-/onderdeeltype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 15 is voldaan.

16.2.

Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

17.   Definitieve stopzetting van de productie

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuig-/onderdeeltype volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis. Zodra deze instantie de desbetreffende kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.

18.   Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die de goedkeuring verlenen en waaraan de certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.


(1)  Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde eesolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6 — https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions

(2)  Alleen voertuigen met een elektrisch systeem van 12 V worden in aanmerking genomen.

(3)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6 — https://unece.org/transport/standards/transport/vehicle-regulations-wp29/resolutions


BIJLAGE 1A

Inlichtingenformulier

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Overeenkomstig punt 11 van dit reglement betreffende typegoedkeuring van een voertuigtype wat een alarmsysteem betreft

1.   Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht:…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.5.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.6.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

2.   Algemene constructiekenmerken van het voertuig

2.1.

Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:

2.2.

Kant van het stuur: links/rechts (Doorhalen wat niet van toepassing is.)

3.   Diversen

3.1.

Typegoedkeuringsnummer, indien beschikbaar:

3.1.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de opstelling van het geïnstalleerde alarmsysteem, geïllustreerd met foto’s en/of tekeningen (indien voor het alarmsysteem al typegoedkeuring is verleend als technische eenheid, mag worden verwezen naar de beschrijving in punt 4.2 van het inlichtingenformulier van de fabrikant van het alarmsysteem):

3.2.

Voor nog niet goedgekeurde alarmsystemen

3.2.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem:

3.2.2.

Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem:

BIJLAGE 1B

Inlichtingenformulier

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Overeenkomstig punt 6 van dit reglement betreffende de ECE-typegoedkeuring van een alarmsysteem als onderdeel of als technische eenheid

1.   Algemeen

1.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):…

1.2.

Type:…

1.3.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht (1):…

1.3.1.

Plaats van dat merkteken:…

1.4.

Naam en adres van de fabrikant:…

1.5.

Plaats van het ECE-goedkeuringsmerk:…

1.6.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

2.   Beschrijving van de voorziening

2.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem:…

2.1.1.

Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem:…

2.1.2.

Genomen maatregelen ter preventie van vals alarm:…

2.2.

Bereik van de door de voorziening geboden beveiliging:…

2.3.

Wijze van inschakelen/uitschakelen van de voorziening:…

2.4.

Aantal gebruikte wisselcodecombinaties, indien van toepassing:…

2.5.

Lijst van de voornaamste onderdelen van de voorziening en, indien van toepassing, hun referentiemarkering:…

3.   Tekeningen

3.1.

Tekeningen van de voornaamste onderdelen van de voorziening (op de tekeningen moet de voor het VN-typegoedkeuringsmerk of, in voorkomend geval, het referentiemerk bestemde plaats zijn aangegeven):…

4.   Instructies

4.1.

Lijst van voertuigen waarvoor de voorziening is bestemd:…

4.2.

Beschrijving van de wijze van montage, geïllustreerd met foto’s en/of tekeningen:…

4.3.

Gebruiksaanwijzingen:…

4.4.

Eventuele onderhoudsinstructies:…

4.5.

Lijst van punten van dit reglement die niet van toepassing zijn krachtens de installatievoorwaarden voor een VAS dat op specifieke plaatsen in specifieke voertuigen moet worden geïnstalleerd.

(1)  Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type onderdeel of technische eenheid waarop dit mededelingenformulier betrekking heeft, moeten deze tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool “?” (bv. ABC??123??).


BIJLAGE 2A

Mededeling

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 7
 (1)

afgegeven door

:

Naam van de instantie:

……

……

……

betreffende de (2)

:

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een voertuigtype wat het voertuigalarmsysteem betreft krachtens VN-Reglement nr. 163

Goedkeuring nr.:… Uitbreiding nr.:…

1.

Handelsmerk:…

2.

Type en handelsnaam (handelsnamen):…

3.

Naam en adres van de fabrikant:…

4.

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:…

4.1.

Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:…

4.2.

Kant van het stuur: links/rechts (2)

4.3.

Alarmsysteem:…

4.3.1.

Typegoedkeuringsnummer, indien beschikbaar:…

4.3.1.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de opstelling van het geïnstalleerde VAS, geïllustreerd met foto’s en/of tekeningen (indien voor het VAS al typegoedkeuring is verleend als technische eenheid, mag worden verwezen naar de beschrijving in punt 4.2 van het inlichtingenformulier van de fabrikant van het VAS):

4.3.2.

Voor nog niet goedgekeurde alarmsystemen

4.3.2.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem:…

4.3.2.2.

Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem:…

5.

Beknopte beschrijving van het voertuig:…

6.

Datum waarop het voertuig voor goedkeuring ter beschikking is gesteld:…

7.

Technische dienst die de goedkeuringstests verricht:…

8.

Datum van het door die dienst afgegeven rapport:…

9.

Nummer van het door die dienst afgegeven rapport:…

10.

Goedkeuring verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (2)

11.

Plaats:…

12.

Datum:…

13.

Handtekening:…

14.

Bij deze mededeling zijn de volgende documenten gevoegd, voorzien van bovengenoemd goedkeuringsnummer:…

15.

Opmerkingen:…

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de desbetreffende voorschriften van dit reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 2B

Mededeling

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 8
 (1)

afgegeven door

:

Naam van de instantie:

……

……

……

betreffende de (2)

:

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een type onderdeel of technische eenheid als alarmsysteem krachtens Reglement nr. 163

Goedkeuring nr.: … Uitbreiding nr.:…

1.

Handelsmerk:…

2.

Type en handelsnaam (handelsnamen):…

3.

Naam en adres van de fabrikant:…

3.1.

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:…

3.2.

Adres van de assemblagefabriek(en):…

4.

Alarmsysteem:…

4.1.

Middel tot identificatie van het type, indien op de voorziening aangebracht:

4.1.1.

Plaats van dat merkteken:

4.2.

Beschrijving van het alarmsysteem:

4.2.1.

Een gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem:…

4.2.2.

Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem:…

4.2.3.

Lijst van voertuigen waarvoor het alarmsysteem is bestemd:…

4.2.4.

Voertuigtypen waarop het alarmsysteem is getest:…

5.

Technische dienst die de goedkeuringstests verricht:…

6.

Datum van het door die dienst afgegeven rapport:…

7.

Nummer van het door die dienst afgegeven rapport:…

8.

Goedkeuring verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (2)

9.

Plaats:…

10.

Datum:…

11.

Handtekening:…

12.

Bij deze mededeling zijn de volgende documenten gevoegd, voorzien van bovengenoemd goedkeuringsnummer:…

13.

Opmerkingen:…

(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de desbetreffende voorschriften van dit reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 3

Opstelling van goedkeuringsmerken

(zie de punten 4.4 tot en met 4.4.2 van dit reglement)

Image 9

a = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het type in kwestie in België (E 6) krachtens VN-Reglement nr. 163 is goedgekeurd onder nummer 00185. De eerste twee cijfers (00) van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van VN-Reglement nr. 163 in zijn oorspronkelijke vorm.


BIJLAGE 4

Model van het conformiteitscertificaat

Ondergetekende…

(naam en voornaam)

verklaart dat het hieronder beschreven voertuigalarmsysteem,

Merk:…

Type:…

volledig conform is met het type dat is goedgekeurd

te…

op…

(plaats van goedkeuring)

(datum)

zoals beschreven in het mededelingenformulier met goedkeuringsnummer…

Identificatie van de belangrijkste onderdelen:

Onderdeel: … ……Markering:

 

Gedaan te:…

op:…

Volledig adres en stempel van de fabrikant:…

Handtekening: …(functie vermelden)


BIJLAGE 5

Model van het installatiecertificaat

Ondergetekende… professioneel installateur, verklaart dat hij het hieronder beschreven voertuigalarmsysteem volgens de door de fabrikant van het systeem verstrekte montagevoorschriften heeft geïnstalleerd.

Beschrijving van het voertuig

Merk:…

Type:…

Serienummer:…

Registratienummer:…

Beschrijving van het voertuigalarmsysteem:

Merk:…

Type:…

Goedkeuringsnummer:…

Gedaan te: …op:…

Volledig adres en stempel van de installateur:…

Handtekening: (functie vermelden)


BIJLAGE 6

Specificaties voor mechanische sleutelschakelaars

1.   

De cilinder van de sleutelschakelaar mag niet meer dan 1 mm uitsteken en het uitstekende deel moet conisch zijn.

2.   

De voeg tussen de cilinderkern en het cilinderhuis moet bestand zijn tegen een trekkracht van 600 N en een koppel van 25 Nm.

3.   

De cilinder van de sleutelschakelaar moet beveiligd zijn tegen uitboren.

4.   

Van het sleutelprofiel moeten ten minste 1 000 werkelijke varianten bestaan.

5.   

De sleutelschakelaar mag niet kunnen worden bediend met een sleutel die slechts één permutatie verschilt van de bijpassende sleutel.

6.   

Het sleutelgat van een externe sleutelschakelaar moet voorzien zijn van een sluiter of op een andere wijze tegen het indringen van vuil en water zijn beschermd.


BIJLAGE 7

Elektromagnetische compatibiliteit

1.   

Bestendigheid tegen storingen via de stroomkabels

De tests moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en overeenkomstig de in bijlage 10 beschreven testmethoden voor een elektrische/elektronische subeenheid (ESE).

Het VAS/AS moet in in- en uitgeschakelde toestand worden getest.

2.   

Bestendigheid tegen storingen door hogefrequentiestraling

De bestendigheid van een VAS/AS in een voertuig kan worden getest volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en volgens de testmethoden die in bijlage 6 voor voertuigen en in bijlage 9 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

Het VAS/AS moet worden getest bij de in tabel 1 gedefinieerde bedrijfsomstandigheden en storingscriteria.

Tabel 1

Bedrijfsomstandigheden en storingscriteria voor het VAS/AS

Type test

Bedrijfsomstandigheden VAS/AS

Faalcriteria

Voertuigtest

VAS/AS in uitgeschakelde toestand

Sleutel “ON” of voertuig bij 50 km/h (1)

Onverwachte activering van het VAS/AS

VAS/AS in ingeschakelde toestand

Sleutel “OFF”

Onverwachte deactivering van het VAS/AS

VAS/AS in ingeschakelde toestand

Voertuig in laadmodus (indien van toepassing)

Onverwachte deactivering van het VAS/AS

ESE-test

VAS/AS in uitgeschakelde toestand

Onverwachte activering van het VAS/AS

VAS/AS in ingeschakelde toestand

Onverwachte deactivering van het VAS/AS

3.   

Elektrische storingen door elektrostatische ontladingen

De bestendigheid tegen elektrische storingen wordt getest volgens ISO 10605:2008/AMD 1:2014 aan de hand van de niveaus van ernst voor tests van tabel 2.

ESD-tests worden op voertuigniveau of op het niveau van de elektrische/elektronische subeenheid (ESE) uitgevoerd.

Tabel 2

ESD-testniveaus

Type ontlading

Ontladingspunten

Toestand VAS/AS

Ontladingsnetwerk

Testniveau

Faalcriteria

Luchtontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

VAS/AS in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel “ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 6 kV

Onverwachte activering van het VAS/AS

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

VAS/AS in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel “OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 15 kV

Onverwachte deactivering van het VAS/AS zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Contactontlading

Punten die gemakkelijk alleen vanaf de binnenkant van het voertuig bereikbaar zijn

VAS/AS in uitgeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet de sleutel “ON” zijn of het voertuig bij 50 km/h of de motor stationair draaien)

330 pF, 2 kΩ

± 4 kV

Onverwachte activering van het VAS/AS

Punten die gemakkelijk alleen van buiten het voertuig kunnen worden geraakt

VAS/AS in ingeschakelde toestand

(als de test op het voertuig wordt uitgevoerd, moet het voertuig vergrendeld zijn en de sleutel “OFF”)

150 pF, 2 kΩ

± 8 kV

Onverwachte deactivering van het VAS/AS zonder reactivering, binnen 1 seconde, na elke ontlading

Elke test wordt uitgevoerd met drie ontladingen en een interval van ten minste 5 seconden tussen elke ontlading.

4.   

Stralingsemissies

De tests worden uitgevoerd volgens de technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 10, wijzigingenreeks 06, en volgens de testmethoden die in de bijlagen 4 en 5 voor voertuigen of in de bijlagen 7 en 8 voor elektrische/elektronische subeenheden (ESE) zijn beschreven.

Het VAS/AS moet in de ingeschakelde stand staan.


(1)  Deze test kan worden uitgevoerd in de cyclus op 50 km/h van VN-Reglement nr. 10.


BIJLAGE 8

Test van beveiligingssystemen voor de passagiersruimte

Punt 7.2.11.

Image 10