|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
64e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
RICHTSNOEREN |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/1 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/2251 VAN DE RAAD
van 13 december 2021
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 waarbij de Italiaanse Republiek werd gemachtigd een bijzondere maatregel in te voeren die afwijkt van artikel 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), en met name artikel 395, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 van de Raad (2) werd Italië gemachtigd een maatregel in te voeren die afwijkt van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG (de “bijzondere maatregel”), teneinde elektronische facturering verplicht te stellen voor alle belastingplichtigen die op het grondgebied van Italië gevestigd zijn, met uitzondering van belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 282 van die richtlijn. |
|
(2) |
Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 31 maart 2021, heeft Italië verzocht om te mogen blijven afwijken van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG, teneinde verplichte elektronische facturering te kunnen blijven toepassen. Voorts heeft Italië verzocht om het toepassingsgebied van de bijzondere maatregel te mogen uitbreiden tot belastingplichtigen die gebruikmaken van de in artikel 282 van die richtlijn bedoelde vrijstelling voor kleine ondernemingen. |
|
(3) |
Bij brieven van 10 september 2021 heeft de Commissie de overige lidstaten van het verzoek van Italië in kennis gesteld. Bij brief van 13 september 2021 heeft de Commissie Italië meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek. |
|
(4) |
Italië voert aan dat het systeem voor verplichte elektronische facturering, dat alle afgegeven facturen via het systeem “Sistema di Interscambio” van het Italiaanse agentschap voor overheidsinkomsten kanaliseert, zijn doelstellingen volledig heeft waargemaakt, namelijk het bestrijden van belastingfraude en -ontduiking, het vereenvoudigen van de naleving van de belastingwetgeving en het efficiënter maken van de belastinginning, waardoor de administratieve kosten voor ondernemingen verminderd worden. |
|
(5) |
Italië meent dat de uitbreiding van de werkingssfeer van de bijzondere maatregel tot belastingplichtigen die gebruikmaken van de in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling voor kleine ondernemingen, de mogelijkheden van het Italiaanse agentschap voor overheidsinkomsten verruimen om btw-fraude en -ontduiking te bestrijden, doordat een volledig beeld verkregen wordt van de door alle belastingplichtigen afgegeven facturen. Daarnaast zou het Italiaanse agentschap voor overheidsinkomsten zo kunnen monitoren of die belastingplichtigen voldoen aan de vereisten en voorwaarden om van die vrijstelling gebruik te maken. |
|
(6) |
Italië voert aan dat de gevraagde uitbreiding van de werkingssfeer van de bijzondere maatregel geen aanzienlijke kosten met zich mee zou brengen voor belastingplichtigen die gebruikmaken van de in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling voor kleine ondernemingen. Om dergelijke kosten te verzachten, heeft Italië gratis verschillende oplossingen beschikbaar gesteld voor het opstellen en doorsturen van elektronische facturen, zoals de installatie van een softwarepakket op computers en een applicatie voor mobiele apparaten. Bovendien gaat de invoering van elektronische facturering gepaard met het afschaffen van andere vereisten, zoals het rapporteren van factuurgegevens over binnenlandse transacties, het indienen van de statistische aangifte over aankopen binnen de EU en het verstrekken van gegevens over contracten die zijn gesloten door lease- en verhuurbedrijven. Dankzij de invoering zijn er ook extra diensten voor belastingplichtigen gekomen, zoals vooraf ingevulde aankoop- en verkoopregisters, planning van periodieke btw-afrekeningen, vooraf ingevulde jaarlijkse btw-aangiften en vooraf ingevulde betalingsformulieren, met inbegrip van de belastingen die betaald, verrekend of teruggevraagd moeten worden, waarbij voorrang gegeven wordt aan belastingplichtigen die gebruikmaken van e-facturering. Die maatregelen moeten de evenredigheid van de bijzondere maatregel waarborgen. |
|
(7) |
De bijzondere maatregel moet in de tijd beperkt worden om de gevolgen ervan voor de bestrijding van btw-fraude en -ontduiking en voor belastingplichtigen te monitoren, met name voor degenen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG. |
|
(8) |
Als Italië een verlenging van de bijzondere maatregel nodig acht, moet het de Commissie, samen met het verzoek om verlenging, een verslag voorleggen met een evaluatie van de doeltreffendheid van de bijzondere maatregel inzake bestrijding van btw-fraude en -ontduiking en vereenvoudiging van de belastinginning. Dat verslag moet tevens een evaluatie bevatten van de gevolgen van de maatregel voor belastingplichtigen, met name voor belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG. |
|
(9) |
De bijzondere maatregel mag geen afbreuk doen aan het recht van afnemers om een factuur op papier te ontvangen in het geval van intracommunautaire transacties. |
|
(10) |
De bijzondere maatregel zal geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw. |
|
(11) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 moet daarom dienovereenkomstig gewijzigd worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt vervangen door: “Artikel 1 In afwijking van artikel 218 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Italië gemachtigd om uitsluitend facturen in de vorm van elektronische documenten of berichten te aanvaarden indien zij zijn uitgereikt door op het Italiaanse grondgebied gevestigde belastingplichtigen.”. |
|
2) |
Artikel 2 wordt vervangen door: “Artikel 2 In afwijking van artikel 232 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Italië gemachtigd te bepalen dat voor het gebruik van elektronische facturen die zijn uitgereikt door op het Italiaanse grondgebied gevestigde belastingplichtigen geen goedkeuring van de ontvanger vereist is.”. |
|
3) |
Artikel 4 wordt vervangen door: “Artikel 4 Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2024. Indien Italië een verlenging van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde afwijkingen nodig acht, legt het de Commissie een verzoek om verlenging voor, samen met een verslag met een evaluatie van de mate waarin de in artikel 3 bedoelde nationale maatregelen doeltreffend zijn gebleken wat betreft het bestrijden van btw-fraude en -ontduiking en het vereenvoudigen van de belastinginning. Dat verslag bevat tevens een evaluatie van de gevolgen van die maatregelen voor belastingplichtigen, met name voor belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG, en evalueert in het bijzonder of die maatregelen hun administratieve lasten en kosten verhogen.”. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 13 december 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
J. BORRELL FONTELLES
(1) PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 van de Raad van 16 april 2018 waarbij de Italiaanse Republiek wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te voeren die afwijkt van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 99 van 19.4.2018, blz. 14).
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/4 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/2252 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2021
tot wijziging van Beschikking 94/741/EG inzake de vragenlijsten voor de verslagen van de lidstaten betreffende de toepassing van bepaalde richtlijnen in de sector afvalstoffen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (1), en met name artikel 17,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 94/741/EG van de Commissie (2) is de vragenlijst vastgesteld voor het verslag van de lidstaten betreffende de omzetting en uitvoering van Richtlijn 86/278/EEG. |
|
(2) |
Het model voor dat verslag van de lidstaten moet worden herzien om rekening te houden met de nieuwe vereisten betreffende de rapportage van ruimtelijke gegevens op basis van informatie uit de in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 86/278/EEG, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad (3) ., bedoelde registers. |
|
(3) |
De gerapporteerde ruimtelijke gegevens moeten beperkt blijven tot gegevens die nodig zijn om de toepassing van Richtlijn 86/278/EEG mogelijk te maken en mogen daarom alleen betrekking hebben op de geometrie of locatie van de plaats waar het slib zal worden gebruikt. |
|
(4) |
Om de administratieve lasten in verband met gegevensverzameling en -rapportage te verminderen, kunnen bestaande gegevens die voor andere doeleinden zijn verzameld, zoals kadastrale gegevens of gegevens die in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn verzameld, opnieuw worden gebruikt voor de rapportage van de ruimtelijke gegevens ter identificatie van de plaats waar zuiveringsslib op landbouwgrond zal worden gebruikt. |
|
(5) |
Beschikking 94/741/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De datum van toepassing van dit besluit moet dezelfde zijn als de datum van toepassing van de wijziging van artikel 10, leden 1 en 2, van Richtlijn 86/278/EEG, zoals vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/1010. |
|
(7) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) , ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Beschikking 94/741/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 16 december 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6.
(2) Beschikking 94/741/EG van de Commissie van 24 oktober 1994 inzake de vragenlijsten voor de verslagen van de lidstaten betreffende de toepassing van bepaalde richtlijnen in de sector afvalstoffen (tenuitvoerlegging van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad) (PB L 296 van 17.11.1994, blz. 42).
(3) Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 115).
(4) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(5) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
BIJLAGE
De bijlage bij Beschikking 94/741/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De titel van de vragenlijst ten behoeve van de opstelling van een verslag door de lidstaten betreffende de omzetting en de toepassing van Richtlijn 86/278/EEG wordt vervangen door: |
“VRAGENLIJST
ten behoeve van de opstelling van een verslag door de lidstaten betreffende de omzetting en de toepassing van Richtlijn 86/278/EEG van de Raad betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (*1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG van de Raad (*2) en Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad (*3)
|
2) |
In deel II, punt 7, wordt de volgende tabel toegevoegd:
|
||||||||||||
|
3) |
In deel II wordt het volgende punt toegevoegd:
|
(*1) (PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6).
(*2) Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48).
(*3) Verordening (EU) 2019/1010 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 115).”.”
(*4) Zoals gedefinieerd in artikel 67, lid 4, punt a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).”.
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/7 |
RICHTSNOER (EU) 2021/2253 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 2 november 2021
tot vaststelling van beginselen van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem (ECB/2021/49)
(herschikking)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 127 en 128,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 12.1, artikel 14.3, in samenhang met artikel 5 en artikel 16,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11) (1) moet op verscheidene punten worden gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid moet Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) worden herschikt. |
|
(2) |
Teneinde de taken uit te voeren die krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken (NCB’s) van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna het “Eurosysteem” genoemd) zijn toevertrouwd, neemt het Eurosysteem de beginselen van onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht en transparantie in acht en handhaaft het de hoogste normen van beroepsethiek en integriteit, waaronder geen tolerantie ten aanzien van ongepast gedrag en intimidatie. Een governancekader dat deze beginselen en normen beschermt, is een essentieel element om de geloofwaardigheid van het Eurosysteem te waarborgen en is noodzakelijk om het vertrouwen van onder toezicht staande entiteiten, tegenpartijen bij monetair beleid en burgers van de Unie te waarborgen. |
|
(3) |
Tegen deze achtergrond heeft de Raad van bestuur, als aanscherping van Richtsnoer ECB/2002/6 van de Europese Centrale Bank (2) in 2015 Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) vastgesteld, waarin de beginselen zijn vastgelegd van een gemeenschappelijk ethisch kader voor het Eurosysteem (hierna het “Ethisch Kader voor het Eurosysteem” genoemd) dat de geloofwaardigheid en reputatie van het Eurosysteem waarborgt, alsook het vertrouwen van het publiek in de integriteit en onpartijdigheid van de leden van de organen en de personeelsleden van de ECB en van de NCB’s van het Eurosysteem. |
|
(4) |
De Raad van bestuur is van mening dat, teneinde de hoogste normen van beroepsethiek en beroepsintegriteit te handhaven, de bestaande gemeenschappelijke minimumnormen en regels ter voorkoming van handel met voorwetenschap en misbruik van niet-openbare Eurosysteeminformatie, alsmede ter voorkoming en beheersing van belangenconflicten, verder moeten worden ontwikkeld. Daartoe acht de Raad van bestuur het van belang dat de ECB en de NCB’s maatregelen nemen om zelfs het ontstaan van de schijn van handel met voorwetenschap, misbruik van niet-openbare informatie of van mogelijke belangenconflicten te voorkomen. Hoewel de ECB en de nationale centrale banken een zekere mate van vrijheid moeten hebben bij het bepalen van het meest geschikte kader voor dergelijke maatregelen, is het tegelijkertijd van belang — om de reputatie van het Eurosysteem afdoende te beschermen — dat een reeks op elkaar afgestemde maatregelen, met name met betrekking tot voorschriften betreffende kritische financiële privétransacties, ten minste van toepassing moet zijn op personeelsleden van de ECB en van de NCB’s wanneer zij taken van het Eurosysteem uitvoeren. Deze afgestemde maatregelen dienen ook van toepassing te zijn op leden van een intern orgaan met administratieve en/of adviserende taken die direct of indirect samenhangen met de uitvoering van de Eurosysteemtaken door de NCB’s. |
|
(5) |
Teneinde het vertrouwen van onder toezicht staande entiteiten, tegenpartijen bij monetair beleid en burgers van de Unie in het volledig professioneel onafhankelijk handelen van personeelsleden van de ECB en de nationale centrale banken, alsmede leden van hun organen, verder te beschermen, moet de schijn van belangenconflicten worden vermeden. Daartoe moeten personeelsleden en leden van organen die toegang hebben tot marktgevoelige informatie, verplicht worden bij het verrichten van particuliere financiële transacties specifieke regels en normen in acht te nemen, met name wanneer bij die transacties gereglementeerde entiteiten betrokken zijn. |
|
(6) |
Hoewel het Ethisch Kader voor het Eurosysteem uitsluitend van toepassing is op de uitvoering van de taken van het Eurosysteem, heeft de Raad van bestuur Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/12) (3) tot vaststelling van de beginselen van een Ethisch kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (hierna het “Ethisch kader voor het GTM” genoemd) vastgesteld, dat van toepassing is op de uitvoering van toezichttaken door de ECB en de NBA’s. |
|
(7) |
De in Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) vastgelegde beginselen werden aangevuld met de uitvoeringspraktijken van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem (Eurosystem Ethics Framework Implementation — EEFI) (4) die zijn goedgekeurd door de Raad van bestuur en omgezet in interne voorschriften en praktijken die door elke centrale bank van het Eurosysteem zijn vastgesteld. Deze EEFI-praktijken, waaronder met name uitvoeringspraktijk nr. 4 met betrekking tot de compliancefunctie, moeten worden opgenomen in het herziene Ethisch Kader voor het Eurosysteem, en wel op een wijze die het beginsel van organisatorische autonomie van elke centrale bank van het Eurosysteem waarborgt. |
|
(8) |
Teneinde te verzekeren dat het Ethisch Kader voor het Eurosysteem blijft beantwoorden aan passende normen en beste praktijken die rekening houden met de nieuwste ontwikkelingen in de centralebankwereld en tussen instellingen van de Unie, voorziet Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) in een regelmatige toetsing door de Raad van bestuur. De inwerkingtreding van de Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB (5) (hierna de “unieke gedragscode” genoemd), een verdere verbetering van de uniforme normen voor beroepsethiek voor alle leden van ECB-organen van hoog niveau en hun plaatsvervangers. Tegen deze achtergrond acht de Raad van bestuur het noodzakelijk de bestaande normen aan te passen zoals bepaald in het Ethisch Kader voor het Eurosysteem. |
|
(9) |
Met het oog op de oprichting van een interinstitutioneel forum voor de uitwisseling van ethische en nalevingskwesties en over kwesties in verband met de uitvoering van Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) en Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12), heeft de Raad van bestuur de Ethics and Compliance Officers Task Force (ECTF) opgericht. In het licht van het toenemende belang van deze aangelegenheden en de daaruit voortvloeiende noodzaak om ambitieuzere normen op Eurosysteemniveau na te streven en de coherente tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem te ondersteunen, heeft de Raad van bestuur het passend geacht de ECTF versterkte verantwoordelijkheden toe te kennen en het ECTF om te vormen tot een permanente Ethics and Compliance Conference (ECC). Deze versterkte verantwoordelijkheden moeten het Eurosysteem in staat stellen de uitdagingen die inherent zijn aan de dynamische aard van integriteitsnormen en normen inzake goed bestuur adequaat aan te pakken. |
|
(10) |
Met het oog op de algehele samenhang van deze ethische kaders moeten de belangrijkste concepten betreffende belangenconflicten, aanvaarding van geschenken en gastvrijheid en het verbod op misbruik van niet-openbare informatie, zoals uiteengezet in de Richtsnoeren (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) en (EU) 2015/856 (ECB/2015/12), verder worden ontwikkeld en in overeenstemming worden gebracht met de unieke gedragscode. Met name moeten de aan de indienstneming voorafgaande screening en de beperkingen na uitdiensttreding worden uitgebreid tot senior personeelsleden van het Eurosysteem die rechtstreeks rapporteren aan het uitvoerend niveau, teneinde op doeltreffende wijze tegemoet te komen aan de bezorgdheid over “draaideurconstructies” tussen de centrale banken en de particuliere sector, met name financiëlemarktdeelnemers. |
|
(11) |
Hoewel het Ethisch Kader voor het Eurosysteem alleen van toepassing is op de uitvoering van Eurosysteemtaken, is het niettemin wenselijk dat de centrale banken van het Eurosysteem gelijkwaardige normen hanteren voor leden van hun organen, hun personeel en anderen die niet-Eurosysteemtaken uitvoeren. |
|
(12) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten de toepasselijke nationale wetgeving, met name de arbeidswetgeving, onverlet. |
|
(13) |
De bepalingen van dit richtsnoer mogen geen afbreuk doen aan de unieke gedragscode en aan eventuele ethische gedragsvereisten die zijn vastgesteld op specifieke gebieden die ten minste voldoen aan de beginselen van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Werkingssfeer
1. Dit richtsnoer is van toepassing op de centrale banken van het Eurosysteem bij de uitvoering van hun Eurosysteemtaken. Dienaangaande zijn door de centrale banken van het Eurosysteem ter uitvoering van de bepalingen van dit richtsnoer vastgestelde interne voorschriften van toepassing op hun personeelsleden en de leden van hun organen.
2. Voor zover juridisch haalbaar beogen de centrale banken van het Eurosysteem de in de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit richtsnoer vastgelegde verplichtingen eveneens van toepassing te verklaren op personen die betrokken zijn bij de uitvoering van Eurosysteemtaken, maar geen personeelsleden zijn van de centrale banken van het Eurosysteem.
Artikel 2
Definities
In dit richtsnoer wordt verstaan onder:
|
1) |
“centrale bank van het Eurosysteem”: de Europese Centrale Bank (ECB) of een nationale centrale bank van een lidstaat die de euro als munt heeft; |
|
2) |
“Eurosysteemtaak” de taken die uit hoofde van het Verdrag en de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank aan het Eurosysteem zijn opgedragen; |
|
3) |
“Ethisch Kader voor het Eurosysteem”: de bepalingen van dit richtsnoer zoals ten uitvoer gelegd door elk van de centrale banken van het Eurosysteem; |
|
4) |
“niet-openbare informatie”: informatie, ongeacht de vorm ervan, die betrekking heeft op de uitvoering Eurosysteemtaken door de centrale banken van het Eurosysteem en die niet openbaar is gemaakt; |
|
5) |
“marktgevoelige informatie”: specifieke niet-openbare informatie die, indien bekendgemaakt, waarschijnlijk een significant effect heeft op activaprijzen of prijzen op de financiële markten; |
|
6) |
‘personeelslid” een persoon met een arbeidsverhouding met een centrale bank van het Eurosysteem, behalve indien aan deze persoon uitsluitend taken zijn toevertrouwd die geen verband houden met de uitvoering van Eurosysteemtaken; |
|
7) |
“lid van een orgaan”: een lid van een besluitvormend of ander intern orgaan van centrale banken van het Eurosysteem dat geen personeelslid is, behalve indien aan dat lid van een orgaan uitsluitend taken zijn toevertrouwd die geen verband houden met de uitvoering van Eurosysteemtaken; |
|
8) |
“gereglementeerde entiteit”:
|
|
9) |
“belangenconflict”: een situatie waarin persoonlijke belangen de onpartijdige en objectieve uitvoering van taken en verantwoordelijkheden kunnen beïnvloeden of als dusdanig kunnen worden ervaren; |
|
10) |
“persoonlijk belang”: een voordeel of potentieel voordeel, van financiële of niet-financiële aard, voor een personeelslid of een lid van een orgaan, met inbegrip van — maar niet beperkt tot — een uitkering aan een rechtstreeks gezinslid (ouder, kind, broer of zuster), echtgenoot of partner; |
|
11) |
“kortetermijnhandel, d.w.z. de aankoop en daaropvolgende verkoop of de verkoop en daaropvolgende aankoop van hetzelfde financiële instrument binnen 90 kalenderdagen; |
|
12) |
“legacy asset”: verboden actief dat door een lid van een orgaan of een personeelslid werd verworven vóór het verbod op het actief of het verbod daarop van toepassing werd, of dat op een later tijdstip in bezit is gekomen als gevolg van omstandigheden waarop zij geen invloed hadden; |
|
13) |
“voordeel”: een geschenk, gastvrijheid of ander voordeel — financieel, in natura of van een andere aard — waarvoor geen overeengekomen compensatie voor verleende diensten bestaat en waarop de ontvanger niet anderszins recht heeft; |
|
14) |
“verzekeringsinstelling”: een onderneming die onder een of meer van de definities van artikel 13, punten 1 tot en met 6, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (12) valt, mits zij is opgenomen in het register van verzekeringsondernemingen van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen. |
Artikel 3
Tegenstrijdige nationale bepalingen en toepasselijkheid van andere ethische kaders
1. Indien een NCB door het nationale recht wordt verhinderd een bepaling van dit richtsnoer ten uitvoer te leggen, stelt zij de ECB daarvan onverwijld in kennis en neemt zij redelijke maatregelen om de door die nationale wetgeving opgeworpen belemmering weg te nemen, teneinde te komen tot een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van dit richtsnoer in het Eurosysteem.
2. De bepalingen van dit richtsnoer doen geen afbreuk aan strengere ethische regels die door de centrale banken van het Eurosysteem zijn vastgesteld en die van toepassing zijn op hun personeelsleden en de leden van hun organen.
HOOFDSTUK II
Normen voor ethisch gedrag
DEEL 1
ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 4
Grondbeginselen
1. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen bij de uitvoering van hun taken en verantwoordelijkheden de hoogste ethische gedragsnormen in acht nemen.
2. Bij het nakomen van de verplichting uit hoofde van lid 1 nemen de centrale banken van het Eurosysteem met name de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen eerlijk, onafhankelijk, onpartijdig, met respect en discretie handelen en daarbij elke vorm van ongepast gedrag of intimidatie vermijden, en zonder rekening te houden met het eigenbelang, en aldus het vertrouwen van het publiek in het Eurosysteem in stand te houden en te bevorderen.
Artikel 5
Interacties met derden
De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen die met externe partijen — en met name met vertegenwoordigers van de financiëledienstensector — bijeenkomen a) neutraliteit en gelijke behandeling handhaven in hun interacties met die externe partijen; b) een stille periode van zeven dagen vóór de monetaire-beleidsvergaderingen van de Raad van bestuur inachtnemen waarin zij zich onthouden van toespraken of andere opmerkingen die de verwachtingen ten aanzien van toekomstige monetaire-beleidsbeslissingen zouden kunnen beïnvloeden; c) een basisadministratie van de vergaderingen bij te houden, en d) elk gedrag te vermijden dat kan worden opgevat als het toekennen van voordelen aan externe partijen, waaronder voordelen van commerciële of prestigieuze aard.
DEEL 2
VOORKOMEN EN BEHEREN VAN BELANGENCONFLICTEN
Artikel 6
Belangenconflicten
1. De centrale banken van het Eurosysteem beschikken over een mechanisme voor het beheer van een situatie waarin een kandidaat die zal worden aangesteld als personeelslid, een belangenconflict heeft dat onder meer voortvloeit uit eerdere beroepsactiviteiten, financiële deelnemingen, particuliere activiteiten of persoonlijke relaties.
2. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne voorschriften vast die van leden van hun organen en hun personeelsleden vereisen dat zij gedurende hun tewerkstelling situaties vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij deze situaties rapporteren. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een gemeld belangenconflict naar behoren wordt geregistreerd en passende maatregelen beschikbaar zijn en worden genomen om een dergelijk belangenconflict op te lossen of te beperken, met inbegrip van ontheffing van taken met betrekking tot de desbetreffende kwestie.
3. De centrale banken van het Eurosysteem beschikken over een mechanisme om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden als gevolg van beroepsactiviteiten na uitdiensttreding van hun personeelsleden en de leden van hun organen, met inbegrip van adequate kennisgevingsvereisten en afkoelingsperioden.
4. De centrale banken van het Eurosysteem hebben, indien toepasselijk, een mechanisme ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit door hun personeelsleden en leden van hun organen gedurende onbetaald verlof uitgeoefende beroepswerkzaamheden.
Artikel 7
Verbod op het ontvangen van voordelen
1. De ECB en NBA’s stellen interne voorschriften vast die de personeelsle den en leden van hun organen verbieden een belofte te verlangen, te ontvangen of te aanvaarden in verband met het voor zichzelf of enige persoon ontvangen van een voordeel dat samenhangt met de uitvoering van hun officiële taken en verantwoordelijkheden.
2. De centrale banken van het Eurosysteem kunnen in hun interne voorschriften vrijstellingen vastleggen van het in lid 1 neergelegde verbod ten aanzien van door centrale banken, NBA's, instellingen, organen of agentschappen van de Unie, internationale organisaties, en overheidsagentschappen en de academische wereld aangeboden voordelen, en ten aanzien van door de private sector aangeboden voordelen van een gebruikelijke of te verwaarlozen waarde, mits in het laatste geval deze voordelen noch frequent zijn noch uit dezelfde bron stammen. Centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat deze vrijstellingen geen invloed hebben op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van hun personeelsleden en de leden van hun organen, of als dusdanig kunnen worden opgevat.
DEEL 3
BEROEPSGEHEIM EN VOORKOMING VAN MISBRUIK VAN NIET-OPENBARE INFORMATIE
Artikel 8
Beroepsgeheim en verbod op openbaarmaking van niet-openbare informatie
Gelet op de voorschriften inzake beroepsgeheim van artikel 37 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, nemen de centrale banken van het Eurosysteem de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen voldoen aan de op hen toepasselijke voorschriften inzake beroepsgeheim en dat zij geen niet-openbare informatie aan derden mogen bekendmaken, tenzij zij gemachtigd zijn om dergelijke informatie openbaar te maken.
Artikel 9
Verbod op misbruik van niet-openbare informatie
1. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat hun personeelsleden en leden van hun organen geen misbruik maken van niet-openbare informatie.
2. Het verbod op misbruik van niet-openbare informatie bestrijkt ten minste het gebruik van niet-openbare informatie a) voor financiële privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden, en b) om derden aan te bevelen of ertoe aan te zetten om op basis van de niet-openbare informatie te handelen.
Artikel 10
Algemene beginselen betreffende financiële privétransacties
De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen te verzekeren dat hun personeelsleden en de leden van hun organen bij het verrichten van financiële privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden verplicht zijn voorzichtigheid in acht te nemen, terughoudendheid te betrachten en een investeringshorizon op middellange tot lange termijn te hebben.
Artikel 11
Specifieke beperkingen op kritische financiële privétransacties
1. Rekening houdend met overwegingen van doeltreffendheid, doelmatigheid en evenredigheid stellen de centrale banken van het Eurosysteem interne regels vast die van toepassing zijn op personeelsleden en de leden van organen die bij de uitvoering van Eurosysteemtaken anders dan op eenmalige basis toegang hebben tot marktgevoelige informatie (hierna “personen met toegang tot marktgevoelige informatie” genoemd), waarbij de in lid 2 beschreven specifieke beperkingen worden ingevoerd met betrekking tot financiële privétransacties die geacht worden nauw verband te houden met de uitvoering van de taken van het Eurosysteem (hierna ‘kritische particuliere financiële transacties” genoemd).
2. De in lid 1 bedoelde interne regels zullen:
|
a) |
kritische financiële privétransacties verbieden met:
|
|
b) |
kritische financiële privétransacties beperken, met name in:
|
|
c) |
de kortetermijnhandel beperken. |
3. Rekening houdend met overwegingen van doeltreffendheid, doelmatigheid en evenredigheid kunnen de krachtens lid 2, punten b) en c), vastgestelde interne voorschriften bestaan uit een of meer van de volgende beperkingen op de betrokken transactie:
|
a) |
een verbod; |
|
b) |
een vereiste voor voorafgaande toestemming; |
|
c) |
een vereiste voor ex-ante- of ex-postrapportage; |
|
d) |
een embargoperiode waarbinnen een dergelijke transactie niet wordt uitgevoerd. |
4. In hun interne regels zullen de centrale banken van het Eurosysteem: i) bepalen dat personen met toegang tot marktgevoelige informatie melding maken van hun legacy assets wanneer het aanhouden van deze activa een belangenconflict doet ontstaan met hun betrokkenheid bij Eurosysteemtaken, en ii) een mechanisme instellen om te verzekeren dat belangenconflicten die voortvloeien uit legacy-activa binnen een redelijke termijn worden opgelost, met inbegrip van de mogelijkheid om te verzoeken dat legacy-activa waarmee belangenconflicten ontstaan, binnen een redelijke termijn worden verkocht. De centrale banken van het Eurosysteem kunnen in hun interne voorschriften bepalen dat legacy assets waaruit geen belangenconflicten ontstaan, kunnen worden behouden.
5. De centrale banken van het Eurosysteem leggen in hun interne voorschriften de voorwaarden en waarborgen vast uit hoofde waarvan personen met toegang tot marktgevoelige informatie die het beheer van hun financiële privétransacties opdragen aan een onafhankelijke derde op basis van een schriftelijke activabeheerovereenkomst, vrijgesteld zijn van de specifieke beperkingen in dit artikel.
6. De centrale banken van het Eurosysteem kunnen interne voorschriften vaststellen waarbij de in dit artikel opgenomen beperkingen worden opgelegd aan hun personeelsleden en de leden van hun organen, met uitzondering van personen met toegang tot marktgevoelige informatie.
7. Teneinde rekening te houden met besluiten van de Raad van bestuur nemen de centrale banken van het Eurosysteem de nodige maatregelen om hun interne voorschriften aan te passen waarbij specifieke beperkingen worden opgelegd kritische financiële privétransacties als bedoeld in lid 2.
HOOFDSTUK III
Samenwerking en tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader van het Eurosysteem
Artikel 12
Onafhankelijke ethische en/of compliancefuncties
1. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat zij beschikken over een specifieke ethische en/of compliancefunctie — een kernfunctie voor risicobeheer — om hun besluitvormende organen te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem. De ethische en/of compliancefunctie wordt uitgerust met de de status, het gezag en onafhankelijkheid die nodig zijn om haar taken uit te voeren. Zij rapporteert rechtstreeks — hiërarchisch of functioneel — aan het hoogste managementniveau binnen de betrokken centrale bank van het Eurosysteem. Zij beschikt over voldoende middelen om haar taken uit te voeren, op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen en haar deskundigheid actueel te houden.
2. De verantwoordelijkheden van de ethische en/of compliancefunctie met betrekking tot het Ethisch Kader van het Eurosysteem omvatten: a) het verstrekken van advies over en sturing bij de interpretatie en toepassing van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem; b) bewustmaking en verplichte opleiding; c) het identificeren en beoordelen van nalevingsrisico’s; d) het monitoren en beoordelen van naleving; e) het rapporteren van zaken van niet-naleving; f) het opstellen, of bijdragen aan het opstellen, van interne voorschriften en prakrijken van de betrokken bank van het Eurosysteem, en g) het voorbereiden door de betrokken centrale bank van het Eurosysteem van het jaarverslag als bedoeld in artikel 15, lid 1.
3. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun ethische en/of compliancefunctie naar behoren en tijdig wordt betrokken bij kwesties die van invloed kunnen zijn op het Ethisch Kader voor het Eurosysteem.
4. De ethische en/of compliancefunctie van de centrale banken van het Eurosysteem behandelt de bij de uitoefening van haar verantwoordelijkheden verkregen informatie met de grootst mogelijke vertrouwelijkheid en verwerkt en bewaart alle persoonsgegevens overeenkomstig de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
5. In gevallen waarin de ethische en/of compliancefunctie van de centrale banken van het Eurosysteem andere taken en plichten uitvoert en vervult, nemen de centrale banken van het Eurosysteem de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze taken en plichten verenigbaar zijn met de ethische en/of compliancefunctie zelf of met de taken en plichten van de organisatorische eenheid waarmee de ethische en/of compliancefunctie organisatorisch verbonden is.
Artikel 13
Monitoren van naleving
1. De centrale banken van het Eurosysteem stellen mechanismen in voor het monitoren naleving van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer. De monitoring omvat met name de naleving van de interne voorschriften tot uitvoering van de specifieke beperkingen op kritische financiële privétransacties als bedoeld in artikel 11 en, in voorkomend geval, regelmatige en/of ad-hoc nalevingscontroles.
2. De nalevingsmonitoring laat interne voorschriften betreffende interne onderzoeken onverlet indien een personeelslid of een lid van een orgaan verdacht wordt van schending van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer.
Artikel 14
Rapportage van gevallen van niet-naleving en follow-up
1. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne regels vast inzake klokkenluiders, alsmede interne procedures voor de rapportage van gevallen van niet-naleving van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer. Deze interne regels en procedures omvatten maatregelen om passende bescherming van personen te verzekeren die gevallen van niet-naleving rapporteren.
2. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat gevallen van niet-naleving worden opgevolgd, waaronder, al naar gelang het geval, de oplegging van evenredige disciplinaire maatregelen in overeenstemming met de toepasselijke disciplinaire voorschriften en procedures.
3. De centrale banken van het Eurosysteem rapporteren onverwijld elk ernstig incident in verband met niet-naleving van hun interne uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer en in overeenstemming met de toepasselijke interne procedures via het Comité Organisatorische Ontwikkeling (Organisational Development Committee) en de directie aan de Raad van bestuur, en stellen het Auditcomité en het ECC parallel daarvan in kennis.
HOOFDSTUK IV
Slotbepalingen
Artikel 15
Rapportage en toetsing
1. De centrale banken van het Eurosysteem verzenden aan het ECC hun jaarverslag betreffende de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer met het oog op de uitwisseling van informatie over de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en de voorbereiding van toekomstige toetsingen en/of het vergemakkelijken van de ontwikkeling van gemeenschappelijke benaderingen als bedoeld in artikel 12, lid 2.
2. De Raad van bestuur toetst dit richtsnoer ten minste om de drie jaar vanaf de datum waarop de uitvoeringsvoorschriften en -maatregelen van het richtsnoer uiterlijk moesten worden toegepast zoals bepaald in artikel 17, lid 2, of op aanbeveling van de ECC.
Artikel 16
Intrekking
1. Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) wordt hierbij ingetrokken.
2. Verwijzingen naar Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) gelden als verwijzingen naar dit richtsnoer en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij dit richtsnoer.
Artikel 17
Vankrachtwording en tenuitvoerlegging
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de NCB's.
2. De centrale banken van het Eurosysteem nemen de nodige maatregelen om dit richtsnoer uit te voeren en na te leven en passen de uitvoeringsvoorschriften en -maatregelen van dit richtsnoer toe met ingang van 1 juni 2023 (13). De NCB's stellen de ECB in kennis van obstakels voor de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en doen de ECB uiterlijk op 1 april 2023 (14) de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen toekomen.
Artikel 18
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 2 november 2021.
Voor de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 tot vaststelling van beginselen van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem en tot intrekking van Richtsnoer ECB/2002/6 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 23).
(2) Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 26 september 2002 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2002/6) ( PB L 270 van 8.10.2002, blz. 14.)
(3) Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2015/12) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 29).
(4) Uitvoeringspraktijken van het Ethisch kader van het Eurosysteem (Implementing Practices of the Ethical Eurosystem Framework), 12 maart 2015, beschikbaar in het Engels op EUR-Lex.
(5) Gedragscode voor hoge ambtenaren van de Europese Centrale Bank (PB C 89 van 8.3.2019, blz. 2).
(6) Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/2) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 16).
(7) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(8) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(9) Verordening (EU) nr. 795/2014 van de Europese Centrale Bank van 3 juli 2014 met betrekking tot oversightvereisten voor systeemrelevante betalingssystemen (ECB/2014/28) (PB L 217 van 23.7.2014, blz. 16).
(10) Eurosystem oversight policy framework, herziene versie (juli 2016), beschikbaar in het Engels op de website van de ECB onder: www.ecb.europa.eu
(11) Revised oversight framework for retail payment systems, februari 2016, beschikbaar in het Engels op de website van de ECB onder: www.ecb.europa.eu
(12) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(13) 18 maanden na kennisgeving.
(14) 16 maanden na kennisgeving.
BIJLAGE
Concordantietabel
|
Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) |
Dit richtsnoer |
|
Artikel 1 |
Artikel 2 |
|
Artikel 2 |
Artikel 1 |
|
Artikel 3 |
/ |
|
Artikel 4 |
/ |
|
Artikel 5 |
Artikel 13 |
|
Artikel 6 |
Artikel 14 |
|
Artikel 7 |
Artikel 9 |
|
Artikel 8 |
Artikel 11 |
|
Artikel 9 |
Artikel 6 |
|
Artikel 10 |
Artikel 7 |
|
Artikel 11 |
Artikel 16 |
|
Artikel 12 |
Artikel 17 |
|
Artikel 13 |
Artikel 15 |
|
Artikel 14 |
Artikel 18 |
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/17 |
BESLUIT (EU) 2021/2254 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 7 december 2021
tot wijziging van Besluit ECB/2020/1997 betreffende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2021
(ECB/2021/53)
DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 128, lid 2,
Gezien Besluit (EU) 2015/2332 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2015 betreffende het procedurele kader voor de goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang (ECB/2015/43) (1), en met name artikel 3, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Centrale Bank (ECB) heeft sinds 1 januari 1999 het alleenrecht de muntenuitgifteomvang door lidstaten die de euro als munt hebben goed te keuren. |
|
(2) |
Uitgaande van de schattingen van de vraag naar euromunten in 2021 die door de lidstaten die de euro als munt hebben aan de ECB zijn voorgelegd, heeft de ECB in Besluit (EU) 2020/1997 (ECB/2020/57) (2) de totale omvang van eurocirculatiemunten en niet voor circulatie bestemde euroverzamelaarsmunten in 2021 goedgekeurd. |
|
(3) |
Krachtens artikel 3 van Besluit (EU) 2015/2332 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/43) moet een lidstaat van het eurogebied de ECB ervan in kennis stellen of de werkelijke vraag naar euromunten waarschijnlijk groter is dan de goedgekeurde muntenuitgifteomvang in een kalenderjaar, en verzoekt de lidstaat om ad-hocgoedkeuring voor een aanvullende muntenuitgifte in dat kalenderjaar indien de gestegen vraag voortduurt. |
|
(4) |
Op 22 november 2021 ontving de ECB een verzoek van de Banc Ceannais na hÉireann/Central Bank of Ireland om de omvang van de door Ierland in 2021 uit te geven euromunten te verhogen met een extra volume van 10 miljoen EUR, d.w.z. van 16,3 miljoen EUR tot 26,3 miljoen EUR om te reageren op een aanzienlijke stijging van de vraag naar munten vanwege verlaagde deponeringen van munten in 2021 in vergelijking met 2020, en een hoger dan geraamde vraag voor de periode voor kerstmis in 2021. |
|
(5) |
Krachtens artikel 3, lid 7, van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) dient de directie een individueel besluit op een ad-hocgoedkeuringsverzoek vast te stellen indien geen wijziging van het ad-hocverzoek vereist is. |
|
(6) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2020/1997 (ECB/2020/57) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging
De tabel in artikel 2 van Besluit (EU) 2020/1997 (ECB/2020/57) wordt als volgt gewijzigd:
De rij met betrekking tot Ierland wordt vervangen door:
|
“Ierland |
25,8 |
0,5 |
26,3 ”. |
Artikel 2
Vankrachtwording
Dit besluit wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de geadresseerden.
Artikel 3
Geadresseerden
Dit besluit is gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben.
Gedaan te Frankfurt am Main, 7 december 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 328 van 12.12.2015, blz. 123.
(2) Besluit (EU) 2020/1997 van de Europese Centrale Bank van 24 november 2020 houdende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2021 (ECB/2020/57) (PB L 410 van 7.12.2020, blz. 104).
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/19 |
BESLUIT (EU) 2021/2255 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 7 december 2021
betreffende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2022 (ECB/2021/54)
DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 128, lid 2,
Gezien Besluit (EU) 2015/2332 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2015 betreffende het procedurele kader voor de goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang (ECB/2015/43) (1), en met name artikel 2, lid 9,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Centrale Bank (ECB) heeft sinds 1 januari 1999 het alleenrecht de muntenuitgifteomvang door de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de “eurogebiedlidstaten” genoemd) goed te keuren. |
|
(2) |
De 19 eurogebiedlidstaten hebben hun verzoeken om goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2022 bij de ECB ingediend, aangevuld met een toelichting betreffende de gevolgde schattingsmethodologie. Sommige lidstaten hebben tevens aanvullende informatie verstrekt over circulatiemunten, voor zover dergelijke informatie beschikbaar is en door de betrokken lidstaten van belang wordt geacht om het goedkeuringsverzoek te staven. |
|
(3) |
Aangezien het recht van de eurogebiedlidstaten om euromunten uit te geven afhankelijk is van goedkeuring van de uitgifteomvang door de ECB, mogen de eurogebiedlidstaten overeenkomstig artikel 3 van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) de door de ECB goedgekeurde omvang niet overschrijden zonder voorafgaande goedkeuring van de ECB. Aangezien geen wijziging van de verzochte muntenuitgifteomvang vereist is, is de directie krachtens artikel 2, lid 9, van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) bevoegd dit besluit betreffende de jaarlijkse door de eurogebiedlidstaten ingediende goedkeuringsverzoeken inzake de muntenuitgifteomvang in 2022 vast te stellen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van artikel 1 van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43).
Artikel 2
Goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang in 2022
De ECB verleent hierbij goedkeuring aan euromuntenuitgifteomvang door de eurogebiedlidstaten in 2022, zoals uiteengezet in de onderstaande tabel:
|
|
Voor uitgifte in 2022 goedgekeurde euromuntenomvang |
||
|
Circulatiemunten |
Munten voor verzamelaars (niet bestemd voor circulatie) |
Muntenuitgifteomvang |
|
|
(in miljoen EUR) |
(in miljoen EUR) |
(in miljoen EUR) |
|
|
België |
32,00 |
1,00 |
33,00 |
|
Duitsland |
371,00 |
212,00 |
583,00 |
|
Estland |
13,90 |
0,33 |
14,23 |
|
Ierland |
23,30 |
0,50 |
23,80 |
|
Griekenland |
101,70 |
0,62 |
102,32 |
|
Spanje |
159,80 |
30,00 |
189,80 |
|
Frankrijk |
199,00 |
50,00 |
249,00 |
|
Italië |
166,26 |
2,74 |
169,00 |
|
Cyprus |
10,40 |
0,01 |
10,41 |
|
Letland |
10,30 |
0,15 |
10,45 |
|
Litouwen |
20,00 |
0,77 |
20,77 |
|
Luxemburg |
11,50 |
0,40 |
11,90 |
|
Malta |
7,40 |
0,40 |
7,80 |
|
Nederland |
49,70 |
0,30 |
50,00 |
|
Oostenrijk |
66,00 |
166,01 |
232,01 |
|
Portugal |
30,50 |
2,00 |
32,50 |
|
Slovenië |
21,00 |
1,00 |
22,00 |
|
Slowakije |
18,00 |
2,00 |
20,00 |
|
Finland |
10,00 |
5,00 |
15,00 |
|
Totaal |
1 321,76 |
475,23 |
1 796,99 |
Artikel 3
Vankrachtwording
Dit besluit wordt van kracht op de dag van de kennisgeving ervan aan de geadresseerden.
Artikel 4
Geadresseerden
Dit besluit is gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben.
Gedaan te Frankfurt am Main, 7 december 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
RICHTSNOEREN
|
17.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 454/21 |
RICHTSNOER (EU) 2021/2256 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 2 november 2021
tot vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2021/50)
(herschikking)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 6, lid 1, in samenhang met artikel 6, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank (2) (ECB/2015/12) moet op verscheidene punten worden gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid moet Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) eveneens worden ingetrokken. |
|
(2) |
Teneinde de taken uit te voeren die krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale bevoegde autoriteiten (NBA's) van de deelnemende lidstaten aan het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (hierna “GTM” genoemd) zijn toevertrouwd, nemen de ECB en NBA's de beginselen van onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht en transparantie in acht en handhaaft het de hoogste normen op het gebied van beroepsethiek en integriteit, waaronder geen tolerantie ten aanzien van ongepast gedrag en intimidatie.. Een governancekader dat deze beginselen en normen beschermt, is een essentieel element om de geloofwaardigheid van het GTM te waarborgen en is noodzakelijk om het vertrouwen van onder toezicht staande entiteiten, tegenpartijen van monetair beleid en burgers van de Unie te waarborgen. |
|
(3) |
Tegen deze achtergrond heeft de Raad van bestuur in 2015 Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) vastgesteld, waarin de beginselen zijn vastgelegd van een gemeenschappelijk ethisch kader voor het GTM (hierna het “Ethisch Kader voor het GTM” genoemd) dat de geloofwaardigheid en reputatie van het GTM waarborgt, alsook het vertrouwen van het publiek in de integriteit en onpartijdigheid van de leden van de organen en de personeelsleden van de ECB en van de NBA’s van aan het GTM deelnemende lidstaten. |
|
(4) |
De Raad van bestuur is van mening dat, teneinde de hoogste normen van beroepsethiek en beroepsintegriteit te handhaven, de bestaande gemeenschappelijke minimumnormen en regels ter voorkoming van handel met voorwetenschap en misbruik van niet-openbare informatie van het GTM, alsmede ter voorkoming en beheersing van belangenconflicten, verder moeten worden ontwikkeld. Daartoe acht de Raad van bestuur het van belang dat de ECB en de NBA's maatregelen nemen om zelfs het ontstaan van de schijn van handel met voorwetenschap, misbruik van niet-openbare informatie of van mogelijke belangenconflicten te voorkomen. Hoewel de ECB en de NBA's een zekere mate van vrijheid moeten hebben bij het bepalen van het meest geschikte kader voor dergelijke maatregelen, is het tegelijkertijd van belang — om de reputatie van het GTM afdoende te beschermen — dat een reeks op elkaar afgestemde maatregelen, met name met betrekking tot regels inzake kritische financiële privétransacties, ten minste van toepassing moet zijn op personeelsleden van de ECB en van de NBA’s wanneer zij GTM-taken uitvoeren. Deze afgestemde maatregelen dienen ook van toepassing te zijn op leden van interne organen met administratieve en/of adviserende taken die direct of indirect samenhangen met de uitvoering van GTM-taken door de NBA’s. |
|
(5) |
Teneinde het vertrouwen van onder toezicht staande entiteiten en burgers van de Unie dat personeelsleden van de ECB en de nationale centrale banken, alsmede leden van hun organen, volledig professioneel handelen, verder te beschermen, moet de schijn van belangenconflicten worden vermeden. Daartoe moeten personeelsleden en leden van organen die toegang hebben tot marktgevoelige informatie, worden verplicht bij het verrichten van particuliere financiële transacties specifieke regels en normen in acht te nemen, met name wanneer bij die transacties gereglementeerde entiteiten betrokken zijn. |
|
(6) |
Hoewel het Ethisch Kader voor het SSM uitsluitend van toepassing is op de uitvoering van de taken van toezichttaken, heeft de Raad van bestuur Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11) (3) tot vaststelling van de beginselen van een Ethisch kader voor het Eurosysteem vastgesteld (hierna het ‘Ethisch Kader voor het Eurosysteem” genoemd) dat van toepassing is op de uitvoering van toezichttaken door de ECB en de NBA’s. |
|
(7) |
De beginselen die zijn vastgelegd in Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) werden aangevuld met de uitvoeringspraktijken van het Ethisch Kader van het Eurosysteem (EEFI) (4) die zijn goedgekeurd door de Raad van bestuur en omgezet in interne regels en praktijken die door elke centrale bank van het Eurosysteem zijn vastgesteld. Deze EEFI-praktijken, waaronder met name uitvoeringspraktijk nr. 4 met betrekking tot de compliancefunctie, moeten worden opgenomen in het herziene Ethisch Kader voor het SSM zulks op een wijze die het beginsel van organisatorische autonomie van elke centrale bank van het Eurosysteem waarborgt. |
|
(8) |
Om ervoor te zorgen dat het Ethisch Kader voor het GTM passende normen en beste praktijken blijft weerspiegelen die rekening houden met de stand van de nieuwste ontwikkelingen in de centrale-bankwereld en tussen instellingen van de Unie, voorziet Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) in een regelmatige toetsing door de Raad van bestuur. De inwerkingtreding van de Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB (5) (hierna de “Uniforme Gedragscode” genoemd), een verdere verbetering van de uniforme normen voor beroepsethiek voor alle leden van ECB-organen op hoog niveau en hun plaatsvervangers. Tegen deze achtergrond acht de Raad van bestuur het noodzakelijk de bestaande normen aan te passen zoals bepaald in het Ethisch Kader voor het GTM. |
|
(9) |
Met het oog op de oprichting van een interinstitutioneel forum voor de uitwisseling van ethische en nalevingskwesties en over kwesties in verband met de uitvoering van Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) en Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12), heeft de Raad van bestuur de Ethics and Compliance Officers Task Force (ECTF) opgericht. In het licht van het toenemende belang van deze aangelegenheden en de daaruit voortvloeiende noodzaak om ambitieuzere normen op Eurosysteemniveau na te streven en de coherente tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem te ondersteunen, heeft de Raad van bestuur het passend geacht de ECTF versterkte verantwoordelijkheden toe te kennen en het ECTF om te vormen tot een permanente Ethics and Compliance Conference (ECC). Deze versterkte verantwoordelijkheden moeten het Eurosysteem in staat stellen de uitdagingen die inherent zijn aan de dynamische aard van integriteitsnormen en normen inzake goed bestuur adequaat aan te pakken. |
|
(10) |
Met het oog op de algehele samenhang van deze ethische kaders moeten de belangrijkste concepten betreffende belangenconflicten, aanvaarding van geschenken en gastvrijheid en het verbod op misbruik van niet-openbare informatie, zoals uiteengezet in de Richtsnoeren (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) en (EU) 2015/856 (ECB/2015/12), verder worden ontwikkeld en in overeenstemming worden gebracht met de uniforme code. Met name moeten de aan de indienstneming voorafgaande screeningbeperkingen en de beperkingen na uitdiensttreding worden uitgebreid tot senior personeelsleden van het GTM die rechtstreeks rapporteren aan het uitvoerend niveau, teneinde op doeltreffende wijze tegemoet te komen aan de bezorgdheid over “draaideurconstructies” tussen de centrale banken en de particuliere sector, met name financiëlemarktdeelnemers. |
|
(11) |
Hoewel het Ethisch Kader van het GTM alleen van toepassing is op de uitvoering van GTM-taken, is het niettemin wenselijk dat de centrale banken van het Eurosysteem gelijkwaardige normen hanteren voor leden van hun organen, hun personeel en anderen die niet-SSM-taken uitvoeren. |
|
(12) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten de toepasselijke nationale wetgeving, met name de arbeidswetgeving, onverlet. |
|
(13) |
De bepalingen van dit richtsnoer mogen geen afbreuk doen aan de uniforme code en aan eventuele ethische gedragsvereisten die zijn vastgesteld op specifieke gebieden die ten minste voldoen aan de beginselen van het Ethisch Kader voor het GTM, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Werkingssfeer
1. Dit richtsnoer is van toepassing op de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale bevoegde autoriteiten (NBA's) bij de uitvoering van aan de ECB opgedragen toezichttaken. Dienaangaande zijn door de ECB en de NBA's ter uitvoering van de bepalingen van dit richtsnoer vastgestelde interne voorschriften van toepassing op hun personeelsleden en de leden van hun organen.
2. Voor zover juridisch haalbaar beogen de ECB en de NBA's de verplichtingen die in de uitvoeringsbepalingen van dit richtsnoer zijn vastgelegd, van toepassing te verklaren op personen die betrokken zijn bij de uitvoering van toezichttaken, maar geen personeelsleden zijn.
Artikel 2
Definities
In dit richtsnoer wordt verstaan onder:
|
1) |
“nationale bevoegde autoriteit”: een nationale bevoegde autoriteit als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013. Deze definitie doet geen afbreuk aan nationaalrechtelijke regelingen waarbij bepaalde toezichttaken zijn toegewezen aan een NCB die niet is aangemerkt als een NBA. Een verwijzing naar een NBA in dit richtsnoer geldt in een dergelijk geval ook voor de NCB met betrekking tot de haar krachtens nationaal recht toegewezen taken; |
|
2) |
“Ethisch Kader voor het GTM”: de bepalingen van dit richtsnoer zoals uitgevoerd door de ECB en elk van de NBA’s; |
|
3) |
“niet-openbare informatie”: informatie, ongeacht de vorm ervan, die betrekking heeft op de uitvoering van taken van het Eurosysteem door de centrale banken van het Eurosysteem en die niet openbaar is gemaakt; |
|
4) |
“marktgevoelige informatie” precieze informatie die, indien bekendgemaakt, waarschijnlijk een significant effect heeft op activaprijzen of prijzen op de financiële markten; |
|
5) |
“personeelslid” een persoon met een arbeidsverhouding met de ECB of een NBA, behalve indien deze persoon uitsluitend taken verricht die geen verband houden met de uitvoering van toezichttaken uit hoofde van Verordening (EU) 2014/2013; |
|
6) |
“lid van een orgaan”: een lid van een besluitvormend of ander intern orgaan van centrale banken van het Eurosysteem dat geen personeelslid is, behalve indien dat lid van een orgaan uitsluitend is belast met taken die geen verband houden met de uitvoering van toezichttaken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013; |
|
7) |
“gereglementeerde entiteit”: een van de volgende entiteiten:
|
|
8) |
“belangenconflict”: een situatie waarin persoonlijke belangen van invloed kunnen zijn of kunnen worden geacht invloed uit te oefenen op de onpartijdige en objectieve uitvoering van taken en verantwoordelijkheden; |
|
9) |
“persoonlijk belang”: een voordeel of potentieel voordeel, van financiële of niet-financiële aard, voor een personeelslid of een lid van een orgaan, met inbegrip van — maar niet beperkt tot — een uitkering aan een rechtstreeks gezinslid (ouder, kind, broer of zuster), echtgenoot of partner; |
|
10) |
“kortetermijnhandel”: de aankoop en daaropvolgende verkoop of de verkoop en daaropvolgende aankoop van hetzelfde financiële instrument binnen 90 kalenderdagen; |
|
11) |
“historisch actief”: verboden actief dat door een lid van een orgaan of een personeelslid is verworven voorafgaand aan verbod op het actief of het verbod daarop van toepassing werd, of dat op een later tijdstip in bezit is gekomen als gevolg van omstandigheden waarop zij geen invloed hadden; |
|
12) |
“voordeel”: een geschenk, gastvrijheid of ander voordeel — financieel, in natura of van een andere aard — waarvoor geen overeengekomen compensatie voor verleende diensten bestaat en waarop de ontvanger niet anderszins recht heeft. |
Artikel 3
Tegenstrijdige nationale bepalingen en toepasselijkheid van verschillende ethische kaders
1. Indien een NBA op grond van het toepasselijke nationale recht een bepaling van dit richtsnoer niet ten uitvoer kan leggen, stelt zij de ECB daarvan onverwijld in kennis en neemt zij redelijke maatregelen om de door die nationale wetgeving opgeworpen belemmering weg te nemen, teneinde te komen tot een geharmoniseerde implementatie van dit richtsnoer in het GTM.
2. De bepalingen van dit richtsnoer doen geen afbreuk aan strengere ethische regels die door de ECB en NBA's zijn vastgesteld en die van toepassing zijn op hun personeelsleden en de leden van hun organen.
HOOFDSTUK II
Normen voor ethisch gedrag
DEEL 1
ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 4
Grondbeginselen
1. De ECB's en NBA's nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen bij de uitvoering van hun taken en verantwoordelijkheden de hoogste ethische gedragsnormen in acht nemen.
2. Bij het nakomen van de verplichting uit hoofde van lid 1 nemen de centrale banken van het Eurosysteem met name de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen eerlijk, onafhankelijk, onpartijdig, met respect en discretie handelen, en zonder rekening te houden met het eigenbelang, en aldus het vertrouwen van het publiek in het GTM in stand te houden en te bevorderen.
Artikel 5
Betrekkingen met derden
De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden en de leden van hun organen die met externe partijen — en met name vertegenwoordigers van de financiëledienstensector — bijeenkomen a) neutraliteit en gelijke behandeling handhaven in hun contacten met die externe partijen; b) een stille periode van zeven dagen vóór een monetaire-beleidsvergadering van de Raad van bestuur inachtnemen waarin zij zich onthouden van toespraken of andere opmerkingen die de verwachtingen ten aanzien van toekomstige monetaire-beleidsbeslissingen zouden kunnen beïnvloeden; c) de basisgegevens van de vergaderingen bij te houden, en d) elk gedrag te vermijden dat kan worden opgevat als het toekennen van voordelen aan externe partijen, waaronder voordelen van commerciële of prestige aard.
DEEL 2
VOORKOMEN EN BEHEREN VAN BELANGENCONFLICTEN
Artikel 6
Belangenconflicten
1. De ECB en NBA's beschikken over een mechanisme voor het beheer van een situatie waarin een kandidaat die zal worden aangesteld als personeelslid, een belangenconflict heeft dat onder meer voortvloeit uit eerdere beroepsactiviteiten, financiële deelnemingen, particuliere activiteiten of persoonlijke relaties.
2. De ECB en NBA's stellen interne voorschriften vast die van leden van hun organen en hun personeelsleden vergen dat zij gedurende hun tewerkstelling situaties vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij dergelijke situaties rapporteren. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer een belangenconflict wordt gemeld, dit naar behoren wordt geregistreerd en passende maatregelen beschikbaar zijn en worden genomen om een dergelijk belangenconflict op te lossen of te beperken, met inbegrip van ontheffing van taken met betrekking tot de desbetreffende aangelegenheid.
3. De ECB en NBA's beschikken over een mechanisme om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden als gevolg van beroepsactiviteiten na uitdiensttreding van hun personeelsleden en de leden van hun organen, met inbegrip van adequate kennisgevingsvereisten en afkoelingsperioden.
4. De ECB en NBA's hebben, indien toepasselijk, een regeling ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit door hun personeelsleden en leden van hun organen gedurende onbetaald verlof uitgeoefende beroepswerkzaamheden.
Artikel 7
Verbod op het ontvangen van voordelen
1. De ECB en NBA's stellen interne voorschriften vast die het personeelsleden en leden van hun organen verbieden een belofte te verlangen, te ontvangen of te aanvaarden, in verband met het voor zichzelf of enige persoon ontvangen van een voordeel dat samenhangt met de uitvoering van hun officiële taken en verantwoordelijkheden.
2. De ECB en NBA’s kunnen in hun interne voorschriften vrijstellingen vastleggen van het in lid 1 neergelegde verbod ten aanzien van door centrale banken, NBA's, instellingen, organen of agentschappen van de Unie, internationale organisaties, en overheidsagentschappen en de academische wereld aangeboden voordelen, en ten aanzien van door de private sector aangeboden voordelen van een gebruikelijke of te verwaarlozen waarde, mits in het laatste geval deze voordelen noch frequent zijn noch uit dezelfde bron stammen. De ECB en NBA’s nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat deze vrijstellingen geen invloed hebben op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van hun personeelsleden en de leden van hun organen, of als dusdanig kunnen worden opgevat.
DEEL 3
BEROEPSGEHEIM EN VOORKOMING VAN MISBRUIK VAN NIET-OPENBARE INFORMATIE
Artikel 8
Beroepsgeheim en verbod op openbaarmaking van niet-openbare informatie
Gelet op de voorschriften inzake beroepsgeheim van artikel 37 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, artikel 27, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en artikel 53 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) nemen de ECB en de NBA’s de nodige maatregelen om te verzekeren dat hun personeelsleden en de leden van hun organen voldoen aan de op hen toepasselijke voorschriften inzake beroepsgeheim en dat zij geen niet-openbare informatie aan derden mogen bekendmaken, tenzij zij gemachtigd zijn om dergelijke informatie openbaar te maken.
Artikel 9
Verbod op misbruik van niet-openbare informatie
1. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat hun personeelsleden en leden van hun organen geen misbruik maken van niet-openbare informatie.
2. Het verbod op misbruik van niet-openbare informatie heeft ten minste betrekking op het gebruik van niet-openbare informatie a) voor financiële privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden, en b) om derden aan te bevelen of ertoe aan te zetten om op basis van die niet-openbare informatie te handelen.
Artikel 10
Algemene beginselen betreffende financiële privétransacties
De ECB en NBA’s nemen de nodige maatregelen te verzekeren dat hun personeelsleden en de leden van hun organen bij het verrichten van financiële privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden verplicht zijn voorzichtigheid in acht te nemen, terughoudendheid te betrachten en een investeringshorizon op middellange tot lange termijn te hebben.
Artikel 11
Specifieke beperkingen op kritische financiële privétransacties
1. Rekening houdend met overwegingen van doeltreffendheid, doelmatigheid en evenredigheid stellen de ECB en NBA's interne regels vast die van toepassing zijn op personeelsleden en de leden van organen die bij de uitvoering van GTM-taken anders dan op eenmalige basis toegang hebben tot marktgevoelige informatie (hierna “personen met toegang tot marktgevoelige informatie” genoemd), waarbij de in lid 2 beschreven specifieke beperkingen worden ingevoerd met betrekking tot financiële privétransacties die geacht worden nauw verband te houden met de uitvoering van de taken van het Eurosysteem (hierna ‘kritische financiële privétransacties” genoemd).
2. De in lid 1 bedoelde interne regels zullen:
|
a) |
kritische financiële privétransacties transacties verbieden met:
|
|
b) |
andere kritische financiële privétransacties beperken indien noodzakelijk, en |
|
c) |
de kortetermijnhandel beperken. |
3. Rekening houdend met overwegingen van doeltreffendheid, doelmatigheid en evenredigheid kunnen de krachtens lid 2, punten b) en c), vastgestelde interne voorschriften bestaan uit een of meer van de volgende beperkingen op de betrokken transactie:
|
a) |
een verbod; |
|
b) |
een vereiste voor voorafgaande toestemming; |
|
c) |
een vereiste voor ex-ante- of ex-postrapportage; |
|
d) |
een embargoperiode waarbinnen een dergelijke transactie niet wordt uitgevoerd. |
4. In hun interne voorschriften zullen de ECB en de NBA’s i) bepalen dat personen die toegang hebben tot marktgevoelige informatie, melding maken van hun legacy-activa wanneer het aanhouden van deze activa een belangenconflict doet ontstaan met hun betrokkenheid bij SSM-taken, en ii) een mechanisme instellen om te verzekeren dat belangenconflicten die voortvloeien uit legacy-activa binnen een redelijke termijn worden opgelost, met inbegrip van de mogelijkheid om te verzoeken dat legacy-activa waarmee belangenconflicten ontstaan binnen een redelijke termijn worden verkocht. De ECB en NBA's kunnen in hun interne regels bepalen dat legacy-activa die geen belangenconflicten doen ontstaan, kunnen worden behouden.
5. De ECB en NBA’s leggen in hun interne voorschriften de voorwaarden en waarborgen vast krachtens welke personen die toegang hebben tot marktgevoelige informatie en die het beheer van hun financiële privétransacties opdragen aan een onafhankelijke derde op basis van een schriftelijke activabeheerovereenkomst, vrijgesteld zijn van de specifieke beperkingen uit hoofde van dit artikel.
6. De ECB en NBA's kunnen interne regels vaststellen waarbij de in dit artikel opgenomen beperkingen worden opgelegd aan hun personeelsleden en de leden van hun organen, met uitzondering van personen met toegang tot marktgevoelige informatie.
7. Teneinde rekening te houden met besluiten van de Raad van bestuur nemen de ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om hun interne regels aan te passen waarbij specifieke beperkingen worden opgelegd op kritische financiële privétransacties als bedoeld in lid 2.
HOOFDSTUK III
Samenwerking en tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader voor het GTM
Artikel 12
Onafhankelijke ethische en/of compliancefuncties
1. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij beschikken over een specifieke ethische en/of compliancefunctie — een kernfunctie voor risicobeheer — om hun besluitvormende organen te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van het Ethisch Kader voor het GTM. De ethische en/of compliancefunctie wordt uitgerust met de passende status, autoriteit en onafhankelijkheid die nodig zijn om haar taken uit te voeren. Zij rapporteert rechtstreeks — hiërarchisch of functioneel — aan het hoogste managementniveau binnen de ECB of de betrokken NBA, naargelang het geval. Zij beschikt over voldoende middelen om haar taken uit te voeren, op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen en haar deskundigheid actueel te houden.
2. De verantwoordelijkheden van de ethische en/of compliancefunctie met betrekking tot het Ethisch Kader voor het GTM omvatten: a) het verstrekken van advies over de interpretatie en toepassing van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem; b) bewustmaking en verplichte opleiding; c) het identificeren en het beoordelen van nalevingsrisico’s; d) het monitoren en beoordelen van naleving; e) het rapporteren van zaken van niet-naleving; f) het opstellen, of bijdragen aan het opstellen, van interne regels en prakrijken van de betrokken bank van het Eurosysteem, en g) het voorbereiden van het jaarverslag door de betrokken centrale bank van het Eurosysteem als bedoeld in artikel 15, lid 1.
3. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun ethische en/of compliancefunctie naar behoren en tijdig wordt betrokken bij kwesties die van invloed kunnen zijn op het Ethisch Kader voor het GTM.
4. De ethische en/of compliancefunctie van de ECB en NBA's behandelt de bij de uitoefening van haar verantwoordelijkheden verkregen informatie met de grootst mogelijke vertrouwelijkheid en verwerkt en bewaart alle persoonsgegevens overeenkomstig de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
5. In gevallen waarin de ethische en/of compliancefunctie van ECB en de NBA’s andere taken en plichten uitvoert en vervult, nemen de ECB en NBA's de nodige maatregelen om te verzekeren dat deze taken en plichten verenigbaar zijn met de ethische en/of compliancefunctie zelf of met de taken en plichten van de organisatorische eenheid waarmee de ethische en/of compliancefunctie organisatorisch verbonden is.
Artikel 13
Nalevingsmonitoring
1. ECB en NBA’s stellen mechanismen in voor het monitoren van de naleving van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer. De monitoring omvat met name de naleving van de interne voorschriften tot uitvoering van de specifieke beperkingen op kritische financiële privétransacties als bedoeld in artikel 11 en, in voorkomend geval, regelmatige en/of ad-hocnalevingscontroles.
2. De nalevingsmonitoring laat interne voorschriften betreffende interne onderzoeken onverlet indien een personeelslid of een lid van een orgaan verdacht wordt van schending van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer.
Artikel 14
Rapportage van gevallen van niet-naleving en follow-up
1. De ECB en NBA's stellen interne voorschriften inzake klokkenluiders vast, alsmede interne procedures voor de rapportage van gevallen van niet-naleving van de uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer. Deze interne regels en procedures omvatten maatregelen om passende bescherming van personen te verzekeren die gevallen van niet-naleving rapporteren.
2. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat gevallen van niet-naleving worden opgevolgd, waaronder, al naar gelang het geval, de oplegging van evenredige disciplinaire maatregelen overeenkomstig de toepasselijke disciplinaire voorschriften en procedures.
3. De ECB en NBA’s rapporteren onverwijld elk ernstig incident in verband met niet-naleving van hun interne uitvoeringsvoorschriften rapporteren elk ernstig incident in verband met niet-naleving van hun interne uitvoeringsvoorschriften van dit richtsnoer en in overeenstemming met de toepasselijke interne procedures via het Comité Organisatorische Ontwikkeling (Organisational Development Committee) en de directie aan de Raad van bestuur, en stellen het Auditcomité en het ECC parallel daarvan in kennis.
HOOFDSTUK IV
Slotbepalingen
Artikel 15
Verslaglegging en evaluatie
1. De ECB en NBA's verzenden aan het ECC hun jaarverslag betreffende de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer met het oog op de uitwisseling van informatie over de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en de voorbereiding van toekomstige toetsingen en/of het vergemakkelijken van de ontwikkeling van gemeenschappelijke benaderingen als bedoeld in artikel 12, lid 2.
2. De Raad van bestuur toetst dit richtsnoer ten minste om de drie jaar vanaf de datum waarop de uitvoeringsvoorschriften en -maatregelen van het richtsnoer uiterlijk moesten worden toegepast zoals bepaald in artikel 17, lid 2, of op aanbeveling van de ECC.
Artikel 16
Intrekking
1. Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) wordt hierbij ingetrokken.
2. Verwijzingen naar Richtsnoer (EU) 2015/855 (ECB/2015/11) gelden als verwijzingen naar dit richtsnoer en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij dit richtsnoer.
Artikel 17
Vankrachtwording en tenuitvoerlegging
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving aan de NBA's.
2. De ECB en NBA's nemen de nodige maatregelen om dit richtsnoer uit te voeren en na te leven en uitvoeringsvoorschriften en -maatregelen toe vanaf 1 juni 2023. De NBA's stellen de ECB in kennis van obstakels voor de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en doen de ECB uiterlijk op 1 april 2023 teksten en middelen toekomen die verband houden met die maatregelen.
Artikel 18
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot de ECB en de NBA's.
Gedaan te Frankfurt am Main, 2 november 2021.
Voor de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2015/12) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 29).
(3) Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 tot vaststelling van beginselen van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem en tot intrekking van Richtsnoer ECB/2002/6 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 23).
(4) Ethisch Framework voor GTM-uitvoeringspraktijken (Ethics Framework for the SSM Implementation Practices), 12 maart 2015, beschikbaar op EUR-Lex.
(5) Gedragscode voor hoge ambtenaren van de Europese Centrale Bank (PB C 89 van 8.3.2019, blz. 2).
(6) Verordening (EU) 2021/379 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de balansposten van kredietinstellingen en van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2021/2) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 16).
(7) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(8) Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).
(9) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
BIJLAGE
Concordantietabel
|
Richtsnoer (EU) 2015/856 (ECB/2015/12) |
Dit richtsnoer |
|
Artikel 1 |
Artikel 2 |
|
Artikel 2 |
Artikel 1 |
|
Artikel 3 |
/ |
|
Artikel 4 |
/ |
|
Artikel 5 |
Artikel 13 |
|
Artikel 6 |
Artikel 14 |
|
Artikel 7 |
Artikel 9 |
|
Artikel 8 |
Artikel 11 |
|
Artikel 9 |
Artikel 6 |
|
Artikel 10 |
Artikel 7 |
|
Artikel 11 |
Artikel 17 |
|
Artikel 12 |
Artikel 15 |
|
Artikel 13 |
Artikel 18 |