|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
64e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/1 |
BESLUIT (EU) 2021/1437 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 augustus 2021
tot wijziging van Besluit (EU) 2017/934 betreffenden de delegatie van besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (ECB/2021/33)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 6,
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit (EU) 2017/934 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/41) (3) zet de criteria uiteen voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de Europese Centrale Bank (ECB) voor het vaststellen van besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten. Uit de ervaring die bij de toepassing van dat besluit is opgedaan, is gebleken dat bepaalde verduidelijkingen en technische wijzigingen noodzakelijk zijn, met name omwille van consistentie en zekerheid bij de toepassing van die criteria. |
|
(2) |
De procedure voor het delegeren van besluitvormingsbevoegdheden moet worden verduidelijkt met betrekking tot besluiten inzake significantie wanneer de hoofden van arbeidseenheden bedenkingen hebben bij de verwevenheid van een dergelijk besluit met een of meer andere besluiten die toezichthoudende goedkeuring vereisen. Dit kan het geval zijn wanneer de uitkomst van de betrokken toezichthoudende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. |
|
(3) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (4), en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (5). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking is aangegaan, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die niet de euro als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Het is daarom passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden krachtens de relevante bepalingen van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40). |
|
(4) |
Wanneer de hoofden van arbeidseenheden daarenboven zorgen hebben over de complexiteit of gevoeligheid, in termen van impact op de reputatie van de ECB en/of het functioneren van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, van een wijziging van een besluit inzake significantie, moet een dergelijke wijziging van een besluit inzake significantie worden vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar procedure en niet door middel van een gedelegeerd besluit. Deze wijziging vezekert afstemming met de in de krachtens artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) door de Raad van bestuur vastgestelde delegatiebesluiten met betrekking tot andere typen toezichthoudende besluiten. |
|
(5) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2017/934 (ECB/2016/41) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Besluit (EU) 2017/934 (ECB/2016/41) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan artikel 1 wordt het volgende punt 9) toegevoegd: “9) “gevoeligheid”: een kenmerk dat of factor die een negatieve impact kan hebben op de reputatie van de ECB en/of de consistente werking van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, met inbegrip van maar niet beperkt tot het volgende: a) de betrokken onder toezicht staande entiteit was voorheen, of is momenteel onderworpen aan strenge toezichtmaatregelen zoals maatregelen voor vroegtijdige interventie; b) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou een nieuw precedent scheppen dat de ECB in de toekomst zou kunnen binden; c) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou negatieve media-aandacht kunnen aantrekken, of d) een nationale bevoegde autoriteit die een nauwe samenwerking met de ECB is aangegaan, deelt haar ongenoegen met betrekking tot het ontwerpbesluit aan de ECB mee.”. |
|
2) |
Aan artikel 2 worden de volgende leden 3, 4 en 5 toegevoegd: “3. Wijzigingen van een significantiebesluit worden niet bij gedelegeerd besluit genomen indien de complexiteit van de beoordeling of gevoeligheid van de zaak vereist dat deze wijzigingen volgens de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld. 4. De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden krachtens lid 1 is van toepassing op:
5. Hoofden van arbeidseenheden leggen een significantiebesluit dat voldoet aan de in artikel 3 vervatte criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten ter vaststelling in het kader van de geen-bezwaarprocedure voor aan de raad van toezicht en de Raad van bestuur, indien de toezichthoudende beoordeling van dat betrouwbaarheids- en deskundigheidsbesluit rechtstreeks van invloed is op de toezichthoudende beoordeling van een ander besluit dat volgens de geen-bezwaarprocedure moet worden vastgesteld.”. |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(3) Besluit (EU) 2017/934 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 tot benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake de significantie van onder toezicht staande entiteiten (ECB/2016/41) (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 18).
(4) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 1).
(5) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 4).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/3 |
BESLUIT (EU) 2021/1438 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 augustus 2021
tot wijziging van Besluit (EU) 2017/935 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten (ECB/2021/34)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, punt e),
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit (EU) 2017/935 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/42) (3) specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de Europese Centrale Bank (ECB) tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten. Uit de ervaring die bij de toepassing van dat besluit is opgedaan, is gebleken dat bepaalde verduidelijkingen en technische wijzigingen noodzakelijk zijn, met name om redenen van consistentie en zekerheid bij de toepassing van die criteria. |
|
(2) |
De procedure voor het delegeren van besluitvormingsbevoegdheden moet worden verduidelijkt met betrekking tot deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten wanneer de hoofden van arbeidseenheden zorgen hebben over de verwevenheid van een dergelijk besluit met een of meer andere besluiten die toezichthoudende goedkeuring vereisen. Dit kan het geval zijn wanneer de uitkomst van de desbetreffende toezichthoudende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. Desalniettemin mag deze verduidelijking van de procedure voor het delegeren van besluitvormende bevoegdheden geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om twee deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten met betrekking tot de benoeming van bepaalde leden van een leidinggevend orgaan te splitsen, wanneer voor een of meer benoemingen niet aan de delegatievoorwaarden is voldaan. |
|
(3) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (4) en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (5). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking is aangegaan, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die niet de euro als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Het is daarom passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Besluit (EU) 2017/935 (ECB/2016/42). |
|
(4) |
In een geval waar de complexiteit van de beoordeling dit voorschrijft wordt een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit, maar wordt in plaats daarvan aangenomen in het kader van de geen-bezwaar-procedure. Het moet worden verduidelijkt dat er daarnaast zaken zijn waar de gevoeligheid van het onderwerp, in termen van impact op de reputatie van de ECB en/of het functioneren van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, kunnen vereisen dat een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit wordt vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure en niet door middel van een gedelegeerd besluit. |
|
(5) |
De reikwijdte van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten moet worden vergroot teneinde de volgende besluiten te omvatten: a) besluiten inzake toestemming voor het uitoefenen van andere niet-uitvoerende bestuursfuncties in de zin van artikel 91, lid 6, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement van de Raad (6); b) besluiten inzake het al of niet vervullen van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten door managers van bijkantoren, en c) besluiten inzake het al of niet vervullen van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten door personen waaraan het leidinggevende orgaan geheel of gedeeltelijk uitvoerende taken delegeert — ongeacht of deze personen zijn voorgedragen of benoemd als formele leden van het bestuursorgaan. Deze vergroting van de reikwijdte van gedelegeerde deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten is passend, aangezien de onderliggende beoordelingen van dergelijke besluiten van vergelijkbare aard zijn als beoordelingen in het kader van standaard geschiktheids- en betrouwbaarheidsbesluiten. |
|
(6) |
Voorts moet de reikwijdte van gedelegeerde deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten worden vergroot tot besluiten betreffende herbenoemingen waarbij de ECB geen bezwaar tegen de vorige benoeming heeft geuit en er zich sinds de laatste beoordeling geen nieuwe materiële feiten hebben voorgedaan die van invloed zijn op een of meer van de beoordelingscriteria. |
|
(7) |
Om de criteria te vereenvoudigen die worden toegepast om te bepalen of een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit wordt gedelegeerd en om de huidige delegatieregeling in overeenstemming te brengen met andere delegatieregelingen, moet een definitie van “negatief besluit” worden toegevoegd. Om dezelfde reden van afstemming met andere delegatieregelingen moet het vereiste, zoals dat van toepassing is ingeval van een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit dat door middel van een gedelegeerd besluit wordt genomen, dat de betrokken nationale bevoegde autoriteit een ontwerp van een gedelegeerd besluit twintig werkdagen vóór de afloop van de uiterste termijn voor de vaststelling van een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit uit hoofde van het toepasselijke recht bij de ECB indient, worden geschrapt. |
|
(8) |
In de gevallen waarin een feit of feiten in verband met strafrechtelijke of administratieve procedures bij de ECB is of worden ingediend in verband met een betrouwbaarheids- en deskundigheidsbesluit, moet het criterium om te bepalen of dat besluit wordt aangenomen door middel van een gedelegeerd besluit worden verduidelijkt om de nadruk te leggen op procedures die van invloed zijn op de geschiktheid van de benoemde persoon. |
|
(9) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2017/935 (ECB/2016/42) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
punt 2 wordt vervangen door:
|
|
b) |
punt 10 wordt vervangen door:
|
|
c) |
punt 14 wordt vervangen door:
|
|
d) |
het volgende punt 16 wordt toegevoegd:
|
|
e) |
het volgende punt 17 wordt toegevoegd:
|
|
f) |
het volgende punt 18 wordt toegevoegd:
|
2. Aan artikel 2 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:
2.“3. De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden krachtens lid 1 is van toepassing op:
|
a) |
de vaststelling door de ECB van toezichtbesluiten; |
|
b) |
de vaststelling door de ECB van instructies die krachtens artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 geadresseerd zijn aan de nationale bevoegde autoriteiten waarmee de ECB een nauwe samenwerking is aangegaan.”. |
3) Artikel 3 wordt vervangen door:
“Artikel 3
Delegatiereikwijdte
3)1. Deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten worden niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit indien aan een van de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
de relevante onder toezicht staande entiteit is een van de volgende:
|
|
b) |
de beslissing is een negatieve beslissing; |
|
c) |
een van de volgende feiten wordt aan de ECB voorgelegd:
tenzij het relevante feit geen invloed heeft op de reputatie van het lid, zulks gebaseerd op een beoordeling overeenkomstig de criteria die zijn gespecificeerd in de Gids voor beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid, met name met betrekking tot de aard van de aangifte of beschuldiging, de ernst van de sanctie en de verstreken tijd (ten minste vijf jaren sinds de oplegging van een strafmaatregel); |
|
d) |
de complexiteit van de beoordeling of de gevoeligheid van de kwestie vereisen dat deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld. |
2. Niettegenstaande lid 1 wordt een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit indien het betrekking heeft op de herbenoeming van dezelfde persoon voor dezelfde functie in dezelfde onder toezicht staande entiteit, de ECB toestemming heeft verleend voor de vorige benoeming en zich sinds de laatste beoordeling geen nieuwe materiële feiten hebben voorgedaan die van invloed zijn op een of meer van de beoordelingscriteria.
3. Indien krachtens de leden 1 en 2 een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit niet kan worden vastgesteld middels een gedelegeerd besluit, wordt het besluit overeenkomstig het toepasselijke recht en de geen-bezwaarprocedure vastgesteld.
4. Hoofden van arbeidseenheden leggen een deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluit dat voldoet aan de in dit artikel vervatte criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten, ter vaststelling overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure voor aan de raad van toezicht en de Raad van bestuur, indien de toezichthoudende beoordeling van dat betrouwbaarheids- en deskundigheidsbesluit rechtstreeks van invloed is op de toezichthoudende beoordeling van een ander besluit dat overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure moet worden vastgesteld.
5. Niettegenstaande het bepaalde in lid 4 resulteert, indien de beoordeling van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten meer dan één lid van een leidinggevend orgaan betreft en krachtens de leden 1 en 2 een besluit niet kan worden vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit ten aanzien van een of meerdere van hen, de beoordeling in twee deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten. Eén besluit wordt vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke recht en de geen-bezwaarprocedure, en het andere besluit door middel van een gedelegeerd besluit.”.
4) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
de inleidende zin komt als volgt te luiden: “1. De beoordeling van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voor leden wordt overeenkomstig het toepasselijk recht uitgevoerd, rekening houdend met de Gids voor de beoordeling van deskundigheid en betrouwbaarheid (hoofdstukken betreffende beoordelingscriteria en met deskundigheid en betrouwbaarheid verband houdende toestemming) en bestrijkt de volgende criteria:”; |
|
b) |
het volgende lid 2 wordt toegevoegd: “2. De beoordeling van de toestemming aan een lid van het leidinggevend orgaan om een aanvullend niet-uitvoerend bestuursmandaat te bekleden, wordt uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke wetgeving die artikel 91, lid 6, van Richtlijn 2013/36/EU omzet en rekening houdend met de criteria in de ECB-gids inzake keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte in het Unierecht.”. |
Artikel 2
Overgangsbepaling
De bepalingen van Besluit (EU) 2017/935 (ECB/2016/42) blijven in ongewijzigde vorm toepassing in de gevallen waarin een voorstel voor een deskundigs- en betrouwbaarheidsbesluit vóór de inwerkingtreding van dit besluit door een nationale bevoegde autoriteit bij de ECB is ingediend.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(3) Besluit (EU) 2017/935 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten en de beoordeling van deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten (ECB/2016/42) (PB L 141 van 1.6.2017, blz. 21).
(4) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 1).
(5) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 4).
(6) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/8 |
BESLUIT (EU) 2021/1439 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
3 augustus 2021
tot wijziging van Besluit (EU) 2018/546 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van eigenvermogenbesluiten (ECB/2021/35)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 26, leden 2 en 3, en de artikelen 28, 29, 77 ,78 en 78 bis,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (2), en met name artikel 4, lid 1, punt d),
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (3), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit (EU) 2018/546 van de Europese Centrale Bank (ECB/2018/10) (4) specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de Europese Centrale Bank (ECB) inzake de vaststelling van eigenvermogenbesluiten. Uit de ervaring die bij de toepassing van dat besluit is opgedaan, is gebleken dat bepaalde verduidelijkingen en technische wijzigingen noodzakelijk zijn, met name omwille van consistentie en zekerheid bij de toepassing van die criteria. |
|
(2) |
De procedure voor het delegeren van besluitvormingsbevoegdheden moet worden verduidelijkt met betrekking tot eigenvermogenbesluiten wanneer de hoofden van arbeidseenheden zorgen hebben over de verwevenheid van een dergelijk besluit met een of meer andere besluiten die toezichthoudende goedkeuring vereisen. Dit kan het geval zijn wanneer de uitkomst van de desbetreffende toezichthoudende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. |
|
(3) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (5), en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (6). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking is aangegaan, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die de euro niet als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Daarom is het passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden krachtens de relevante bepalingen van Besluit (EU) 2018/546 (ECB/2018/10). |
|
(4) |
In een geval waar de complexiteit van de beoordeling dit voorschrijft wordt een eigenvermogensbesluit niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit, maar wordt in plaats daarvan aangenomen in het kader van de geen-bezwaar-procedure. Het moet worden verduidelijkt dat er daarnaast zaken zijn waar de gevoeligheid van het onderwerp, in termen van impact op de reputatie van de ECB en/of het functioneren van het Gemeenschappelijk Toezichtmechanisme, kunnen vereisen dat een eigenvermogensbesluit wordt vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure en niet door middel van een gedelegeerd besluit. |
|
(5) |
Teneinde het besluitvormingsproces te vergemakkelijken is delegatie van besluitvormingsbevoegdheden noodzakelijk met betrekking tot de vaststelling van toestemmingen tot opname van de tussentijdse of eindejaarsresultaten in het tier 1-kernkapitaal voordat de instelling een formeel besluit heeft genomen ter bevestiging van het uiteindelijke resultaat van de instelling voor dat jaar, overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 575/2013. Indien echter aan de toepasselijkheidvereisten van Besluit (EU) 2015/656 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/4) (7) is voldaan, dient dat besluit te worden toegepast. |
|
(6) |
Voort is, met het oog op vergemakkelijking van het besluitvormingsproces, een delegatie van besluitvormingsbevoegdheden noodzakelijk met betrekking tot het antwoord van de ECB op een raadplegingsverzoek dat overeenkomstig artikel 78 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 van een afwikkelingsautoriteit is ontvangen, met betrekking tot de marge waarmee een instelling de in Verordening (EU) nr. 575/2013 en de Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) en Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) neergelegde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moet overschrijden na een optreden van de instelling als bedoeld in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. |
|
(7) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2018/546 (ECB/2018/10) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Besluit (EU) 2018/546 (ECB/2018/10) wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2. |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3. |
De titel van artikel 3 wordt vervangen door: “ Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende toestemming om instrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken” ; |
|
4. |
In artikel 3 wordt lid 1 vervangen door: “1. Besluiten betreffende de aanmerking van kapitaalinstrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden door middel van een gedelegeerd besluit genomen indien de instrumentenvorm waarvoor om toestemming wordt verzocht, ten tijde van de ontvangst van het verzoek door de ECB op de EBA-lijst stond.”; |
|
5. |
De titel van artikel 4 wordt vervangen door: “ Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende toestemming om instrumenten als aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten aan te merken ”; |
|
6. |
In artikel 4 wordt lid 1 vervangen door: “1. Indien uit hoofde van nationaal recht toestemming vereist is, worden besluiten betreffende toestemming om kapitaalinstrumenten aan te merken als aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten door middel van een gedelegeerd besluit genomen.”; |
|
7. |
In artikel 4 wordt lid 2 vervangen door: “2. Negatieve besluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld.”; |
|
8. |
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9. |
Het volgende artikel 5 bis wordt ingevoegd: “Artikel 5 bis Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende toestemming om tussentijdse of eindejaarsresultaten op te nemen in tier 1-kernkapitaal 1. Besluiten krachtens artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 waarbij toestemming wordt verleend om tussentijdse of eindejaarsresultaten in het tier 1-kernkapitaal op te nemen voordat de instelling een formeel besluit heeft genomen ter bevestiging van de definitieve winst of het definitieve verlies van de instelling voor het jaar, met inbegrip van die welke niet voldoen aan het vereiste van artikel 3, lid 2, van Besluit (EU) 2015/656 (ECB/2015/4), worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan de volgende criteria is voldaan:
2. Negatieve besluiten worden niet door middel van een gedelegeerd besluit vastgesteld.”; |
|
10. |
het volgende artikel 5 ter wordt ingevoegd: “Artikel 5 ter Criteria voor de goedkeuring van antwoorden op raadplegingsverzoeken van een afwikkelingsautoriteit over de vermindering van in aanmerking komende passiva-instrumenten 1. Indien de ECB wordt geraadpleegd of om haar instemming wordt verzocht door een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt het besluit betreffende de goedkeuring van het antwoord van de ECB op een dergelijk raadplegingsverzoek genomen door middel van delegatie, tenzij aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan. 2. Indien de ECB het geheel of gedeeltelijk oneens is met de afwikkelingsautoriteit over de aangelegenheid waarover de ECB werd geraadpleegd of waarvoor haar instemming werd verzocht overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt het besluit betreffende de goedkeuring van het antwoord van de ECB niet genomen door middel van een gedelegeerd besluit.”. |
Artikel 2
Overgangsbepaling
De bepalingen van Besluit (EU) 2018/546 (ECB/2018/10) blijven in ongewijzigde vorm van toepassing wanneer de aanvraag om goedkeuring voor een van de in artikel 2, lid 1, van dat besluit, in haar ongewijzigde vorm, genoemde operaties bij de ECB werd ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(3) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(4) Besluit (EU) 2018/546 van de Europese Centrale Bank van 15 maart 2018 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van eigenvermogenbesluiten (ECB/2018/10) (PB L 90 van 6.4.2018, blz. 105).
(5) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224I van 13.7.2020, blz.1).
(6) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224I van 13.7.2020, blz.4).
(7) Besluit (EU) 2015/656 van de Europese Centrale Bank van 4 februari 2015 betreffende de voorwaarden krachtens welke kredietinstellingen overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening (EU) nr. 575/2013 tussentijdse of eindejaarsresultaten mogen opnemen in het tier 1-kernkapitaal (ECB/2015/4) (PB L 107 van 25.4.2015, blz. 76).
(8) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van Richtlijnen 2006/48/EG, (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(9) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 | betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/14 |
BESLUIT (EU) 2021/1440 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 augustus 2021 tot wijziging van Besluit (EU) 2019/1376 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen
(ECB/2021/36)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, punten a), b), c) en d), artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 4, artikel 14, leden 3 en 5, artikel 15, lid 3 en artikel 17, lid 1,
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/23) (3) specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de Europese Centrale Bank (ECB) inzake de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen. Uit de ervaring die bij de toepassing van dat besluit is opgedaan, is gebleken dat bepaalde verduidelijkingen en technische wijzigingen noodzakelijk zijn, met name omwille van consistentie en zekerheid bij de toepassing van die criteria. |
|
(2) |
De procedure voor het delegeren van besluitvormingsbevoegdheden moet worden verduidelijkt met betrekking paspoortbesluiten, besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten wanneer de hoofden van arbeidseenheden zorgen hebben over de verwevenheid van een dergelijk besluit met een of meer andere besluiten die toezichthoudende goedkeuring vereisen. Dit kan het geval zijn wanneer de uitkomst van de desbetreffende toezichthoudende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. |
|
(3) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (4), en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (5). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking tot stand is gebracht, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die de euro niet als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Daarom is het passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23). |
|
(4) |
In een geval waar de complexiteit van de beoordeling dit voorschrijft wordt een paspoortbesluit, een besluit inzake gekwalificeerde deelnemingen en een intrekkingsbesluit niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit, maar wordt in plaats daarvan vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure. Het moet worden verduidelijkt dat er daarnaast zaken zijn waar de gevoeligheid van het onderwerp, in termen van impact op de reputatie van de ECB en/of het functioneren van het Gemeenschappelijk Toezichtmechanisme, kunnen vereisen dat een een paspoortbesluit, een besluit inzake gekwalificeerde deelnemingen en een intrekkingsbesluit worden vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure en niet door middel van een gedelegeerd besluit. |
|
(5) |
Het toepassingsgebied van gedelegeerde besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen moet worden uitgebreid tot gevallen waarin de groep waartoe de kandidaat-verwerver behoort reeds een gekwalificeerde deelneming in de doelentiteit bezit, er op groepsniveau geen relevante drempel wordt overschreden en de verkoper zich buiten de groep bevindt. De onderliggende beoordeling in dergelijke gevallen zal doorgaans eenvoudig zijn, aangezien de relevante omstandigheden geen substantiële wijziging van de eigendomsstructuur van de doelentiteit met zich meebrengen en de beoordeling derhalve vergelijkbaar is met de onderliggende beoordeling in gevallen van gekwalificeerde deelnemingen die voortvloeien uit intragroep-reorganisaties, met betrekking waartoe de besluiten momenteel worden gedelegeerd. |
|
(6) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Aan artikel 1 wordt het volgende punt 15) toegevoegd: ’15) “gevoeligheid”: een kenmerk dat of factor die een negatieve impact kan hebben op de reputatie van de ECB en/of de consistente werking van het Gemeenschappelijk Toezichtmechanisme, met inbegrip van maar niet beperkt tot het volgende: a) de betrokken onder toezicht staande entiteit was voorheen, of is momenteel onderworpen aan strenge toezichtmaatregelen zoals maatregelen voor vroegtijdige interventie, b) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou een nieuw precedent scheppen dat de ECB in de toekomst zou kunnen binden, c) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou negatieve media-aandacht kunnen aantrekken, of d) een nationale bevoegde autoriteit die een nauwe samenwerking met de ECB is aangegaan, deelt haar ongenoegen met betrekking tot het ontwerpbesluit aan de ECB mee.”; |
|
2. |
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3. |
Artikel 4, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4. |
In artikel 5, lid 1, wordt punt a) vervangen door:
|
Artikel 2
Overgangsbepaling
De bepalingen van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) blijven in ongewijzigde vorm van toepassing in de gevallen waarin een ontwerpvoorstel voor een besluit inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming of intrekkingsbesluit door de nationale bevoegde autoriteit vóór de inwerkingtreding van dit besluit bij de ECB werd ingediend, of wanneer de kennisgeving betreffende het voornemen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit om een bijkantoor op te richten of om de door haar financiële dochterinstelling aangegane verplichtingen te waarborgen, vóór de inwerkingtreding van dit besluit door de nationale bevoegde autoriteit bij de ECB werd ingediend.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(3) Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2019 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/23) (PB L 224 van 28.8.2019, blz. 1).
(4) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224I van 13.7.2020, blz. 1).
(5) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224I van 13.7.2020, blz. 4).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/17 |
BESLUIT (EU) 2021/1441 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 augustus 2021
tot wijziging van Besluit (EU) 2019/322 inzake de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen inzake krachtens nationaal recht toegewezen toezichtsbevoegdheden (ECB/2021/37)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, punten d) en e), artikel 4, lid 3, en artikel 9, lid 1,
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit (EU) 2019/322 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/4) (3) specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de Europese Centrale Bank (ECB) om besluiten in het kader van nationale bevoegdheden vast te stellen. Uit de ervaring die bij de toepassing van dat besluit is opgedaan is gebleken dat bepaalde verduidelijkingen en technische wijzigingen noodzakelijk zijn, met name omwille van consistentie en zekerheid bij de toepassing van die criteria. |
|
(2) |
De procedure voor het delegeren van besluitvormingsbevoegdheden moet worden verduidelijkt met betrekking tot besluiten in het kader van nationale bevoegdheden wanneer de hoofden van arbeidseenheden zich zorgen maken over de verwevenheid van een dergelijk besluit met een of meer andere besluiten die toezichthoudende goedkeuring vereisen. Dit kan het geval zijn wanneer de uitkomst van de desbetreffende toezichthoudende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. |
|
(3) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (4), en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (5). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking tot stand is gebracht, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die niet de euro als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Daarom is het passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden krachtens de desbetreffende bepalingen van Besluit (EU) 2019/322 (ECB/2019/4). |
|
(4) |
In een geval waar de complexiteit van de beoordeling dit voorschrijft wordt een besluit in het kader van nationale bevoegdheden niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit, maar wordt in plaats daarvan vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure. Het moet worden verduidelijkt dat er daarnaast zaken zijn waar de gevoeligheid van het onderwerp, in termen van impact op de reputatie van de ECB en/of het functioneren van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, kunnen vereisen dat een besluit in het kader van nationale bevoegdheden wordt vastgesteld in het kader van de geen-bezwaar-procedure en niet door middel van een gedelegeerd besluit. |
|
(5) |
Met Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en van de Raad (6) werd voor kredietinstellingen de mogelijkheid ingevoerd om, onder bepaalde voorwaarden, opeenvolgende uitgiften in de vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij reeds toestemming hebben gekregen zonder specifieke toestemming van de toezichthouder als tier 1-kernkapitaalinstrumenten te classificeren. In dit verband is het passend de delegatie van besluiten tot goedkeuring van wijzigingen van de statuten van kredietinstellingen met betrekking tot de uitgifte van dergelijke instrumenten toe te staan indien de ECB van oordeel is dat aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan. |
|
(6) |
Een fusie of splitsing van een belangrijke onder toezicht staande entiteit kan wijzigingen van de statuten van de entiteit vereisen om rekening te houden met de situatie van die entiteit als gevolg van de fusie of de splitsing. In dergelijke gevallen wordt bij de beoordeling door de toezichthouder van de fusie of de splitsing ook rekening gehouden met de daaruit voortvloeiende wijzigingen van statuten van de entiteit, ook al is de goedkeuring van die wijzigingen het voorwerp van een afzonderlijke toezichtprocedure. Het is derhalve passend de delegatie van besluiten tot goedkeuring van wijzigingen van statuten toe te staan in gevallen waarin deze wijzigingen het gevolg zijn van een fusie of een splitsing. |
|
(7) |
Derhalve moet Besluit (EU) 2019/322 (ECB/2019/4) dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Besluit (EU) 2019/322 (ECB/2019/4) wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
In artikel 4, lid 1, wordt de inleidende zin van punt a) vervangen door:
|
|
4) |
In artikel 5, lid 1, wordt de inleidende zin van punt a) vervangen door:
|
|
5) |
In artikel 6, lid 1, wordt de inleidende zin van punt a) vervangen door:
|
|
6) |
In artikel 7, lid 1, wordt de inleidende zin van punt a) vervangen door:
|
|
7) |
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
In artikel 9, lid 1, wordt de inleidende zin van punt a) vervangen door:
|
|
9) |
In artikel 11, lid 1, wordt punt b) vervangen door:
|
|
10) |
Artikel 12, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Overgangsbepaling
De bepalingen van Besluit (EU) 2019/322 (ECB/2019/4) blijven in ongewijzigde vorm van toepassing in de gevallen waarin de aanvraag tot goedkeuring voor een van de in artikel 3, lid 1, van dat besluit, in ongewijzigde vorm, bedoelde transacties vóór de inwerkingtreding van dit besluit bij de ECB is ingediend.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(3) Besluit (EU) 2019/322 van de Europese Centrale Bank van 31 januari 2019 houdende de benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten aangaande krachtens het nationaal recht toegekende toezichthoudende bevoegdheden (ECB/2019/4) (PB L 55 van 25.2.2019, blz. 7).
(4) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 1).
(5) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 4).
(6) Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/22 |
BESLUIT (EU) 2021/1442 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 3 augustus 2021
betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van besluiten inzake interne modellen en over verlenging van uiterste termijnen (ECB/2021/38)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name de artikelen 148, 149 en 150,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (2), en met name artikel 4, lid 1, punt e),
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (3), en met name artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Binnen het kader van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de exclusieve taak toezicht te houden op kredietinstellingen met het oog op een consistente toepassing van de toezichtsnormen, het bevorderen van de financiële stabiliteit en het garanderen van gelijke voorwaarden. |
|
(2) |
Krachtens artikel 4, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 is de ECB als de bevoegde autoriteit voor belangrijke onder toezicht staande entiteiten verantwoordelijk voor het verlenen van voorafgaande toestemming aan belangrijke onder toezicht staande entiteiten voor de verlenging van de termijn voor de stapsgewijze invoering van de interneratingbenadering voor de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico voor verschillende categorieën blootstellingen en bedrijfseenheden overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het teruggrijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en het permanent toepassen van de standaardbenadering overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013. |
|
(3) |
ECB-toezichtbesluiten kunnen verplichtingen of vereisten bevatten waaraan de geadresseerde binnen een specifieke termijn moet voldoen, indien dit noodzakelijk is om een juiste tenuitvoerlegging van het besluit of andere vereisten te waarborgen. Op verzoek van onder toezicht staande entiteiten kan de ECB door middel van een ander toezichtbesluit de termijn voor verplichtingen of vereisten verlengen, voor zover dit redelijk wordt geacht. Bovendien kan de ECB op verzoek van kandidaat-verwervers de maximumtermijn voor het voltooien van de voorgenomen verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling verlengen. |
|
(4) |
Als bevoegde autoriteit is de ECB verplicht elk jaar een aanzienlijk aantal internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen vast te stellen. Ter bevordering van het besluitvormingsproces is een delegatiebesluit noodzakelijk met betrekking tot de vaststelling van die besluiten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat bevoegdheidsdelegatie noodzakelijk is opdat een instelling die een aanzienlijk aantal besluiten moet vaststellen haar taken kan vervullen. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de noodzaak van het goed functioneren van beslissingsbevoegdheid bezittende organen erkend als een beginsel dat inherent is aan elk institutioneel stelsel (4). |
|
(5) |
Delegatie van besluitvormende bevoegdheden moet beperkt en evenredig zijn en de delegatiereikwijdte moet duidelijk omschreven zijn. |
|
(6) |
Op 24 juni 2020 heeft de Raad van bestuur besloten een nauwe samenwerking aan te gaan tussen de ECB en de Republiek Bulgarije (5), en tussen de ECB en de Republiek Kroatië (6). Artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat indien overeenkomstig dat artikel een nauwe samenwerking is aangegaan, de ECB met het oog op de uitvoering van bepaalde taken met betrekking tot kredietinstellingen die gevestigd zijn in een lidstaat die de euro niet als munt heeft, instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Daarom is het passend dergelijke instructies op te nemen in de handelingen die de ECB kan vaststellen door middel van delegatie aan hoofden van arbeidseenheden overeenkomstig de relevante bepalingen van dit besluit. |
|
(7) |
Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) verduidelijkt de voor de vaststelling van delegatiebesluiten betreffende toezicht te volgen procedure en verduidelijkt tevens aan welke personen besluitvormingsbevoegdheden gedelegeerd mogen worden. Dat besluit doet geen afbreuk aan de vervulling van toezichttaken door de ECB en laat de bevoegdheden van de raad van toezicht om volledige ontwerpbesluiten aan de Raad van bestuur voor te leggen onverlet. |
|
(8) |
Indien niet is voldaan aan de criteria voor de vaststelling van een gedelegeerd besluit, moeten besluiten worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure van artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank (7). Voorts zou de geen-bezwaarprocedure eveneens moeten worden gevolgd indien de hoofden van arbeidseenheden betwijfelen of voldaan is aan de beoordelingscriteria voor internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van termijnen vanwege de complexiteit van de beoordeling of de gevoeligheid van het onderwerp en wanneer de uitkomst van de desbetreffende beoordeling rechtstreeks van invloed is op een of meer van die andere besluiten en de besluiten derhalve gelijktijdig door hetzelfde besluitvormende orgaan moeten worden overwogen om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. |
|
(9) |
ECB-toezichtbesluiten kunnen administratief getoetst worden overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en zoals nader bepaald in Besluit ECB/2014/16 van de Europese Centrale Bank (8). Ingeval van een dergelijke administratieve toetsing dient de raad van toezicht rekening te houden met het advies van de administratieve raad voor toetsing en aan de Raad van bestuur een nieuw ontwerpbesluit voor te leggen ter vaststelling in het kader van de geen-bezwaarprocedure, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:
|
1) |
“internemodellenbesluit”: een besluit van de ECB inzake voorafgaande toestemming voor het verlengen van de uiterste termijn voor stapsgewijze invoering voor de interneratingbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico voor de verschillende blootstellingscategorieën overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013, om terug te grijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en om permanent de standaardbenadering toe te passen overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
2) |
“standaardbenadering”: de benadering voor de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 3, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 als bedoeld in deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van die verordening; |
|
3) |
“interneratingbenadering” (IRB-benadering): de benadering voor de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 3, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 als bedoeld in deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening; |
|
4) |
“tier 1-kernkapitaalratio”, “tier 1-kapitaalratio” en “totale kapitaalratio”: tier 1-kernkapitaalratio, tier 1-kapitaalratio en totale kapitaalratio als bedoeld in artikel 92, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
5) |
“verplichting”: een aanvullende bepaling bij een toezichtbesluit op grond waarvan de geadresseerde(n) binnen een uiterste termijn actie moet(en) ondernemen om de correcte uitvoering van het toezichtbesluit te waarborgen; |
|
6) |
“beperking”: een aanvullende bepaling bij een toezichtbesluit die het toegestane gebruik van een intern model beperkt of wijzigt, onder meer door hogere vermenigvuldigingsfactoren of kapitaalopslagfactoren op te leggen; |
|
7) |
“besluit over verlenging van uiterste termijnen”: een besluit van de ECB tot verlenging van: a) de termijn voor de nakoming van verplichtingen of vereisten die door de ECB in een toezichtbesluit zijn opgelegd, en b) de maximumtermijn voor het voltooien van de voorgenomen verwerving zoals vastgelegd in een besluit inzake gekwalificeerde deelnemingen, zoals omschreven in artikel 1, punt 3), van Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/23) (9); |
|
8) |
“gedelegeerd besluit”: een gedelegeerd besluit als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40); |
|
9) |
“hoofden van arbeidseenheden”: hoofden van arbeidseenheden van de ECB aan wie de bevoegdheid wordt gedelegeerd om internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen vast te stellen; |
|
10) |
“geen-bezwaarprocedure”: de in artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 uiteengezette procedure die nader wordt beschreven in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2; |
|
11) |
“negatief besluit”: een besluit waarbij geen of geen volledige toestemming of verlenging wordt verleend zoals verzocht door de door de belangrijke onder toezicht staande entiteit of kandidaat-verwerver. Een besluit met aanvullende bepalingen zoals voorwaarden, verplichtingen of beperkingen wordt als een negatief besluit beschouwd, tenzij die aanvullende bepalingen: a) verzekeren dat de onder toezicht staande entiteit voldoet aan eisen van relevant Unierecht, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2 en artikel 6, lid 2, en schriftelijk zijn overeengekomen, of b) slechts een of meerdere bestaande voorwaarden herhalen waaraan de onder toezicht staande entiteit krachtens Unierecht moet voldoen of informatie vereisen betreffende de naleving van een of meerdere van die vereisten; |
|
12) |
“gevoeligheid”: een kenmerk dat of factor die een negatieve impact kan hebben op de reputatie van de ECB en/of de consistente werking van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, met inbegrip van maar niet beperkt tot het volgende: a) de betrokken onder toezicht staande entiteit was voorheen, of is momenteel onderworpen aan strenge toezichtmaatregelen zoals maatregelen voor vroegtijdige interventie; b) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou een nieuw precedent scheppen dat de ECB in de toekomst zou kunnen binden; c) het ontwerpbesluit, zodra het is aangenomen, zou negatieve media-aandacht kunnen aantrekken, of d) een nationale bevoegde autoriteit die een nauwe samenwerking met de ECB is aangegaan, deelt haar ongenoegen ten aanzien van het ontwerpbesluit aan de ECB mee; |
|
13) |
“belangrijke onder toezicht staande entiteit”: een belangrijke onder toezicht staande entiteit als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (10); |
|
14) |
“belangrijke onder toezicht staande groep”: een belangrijke onder toezicht staande groep als gedefinieerd in artikel 2, punt 22, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17); |
|
15) |
“SREP-besluit”: een door de ECB op basis van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 vastgesteld besluit, volgend op het jaarlijkse toetsings- en evaluatieproces in het kader van toezicht (Supervisory Review and Evaluation Process — SREP) als bedoeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (11); |
|
16) |
“ECB-gids”: een door de Raad van bestuur op voorstel van de raad van toezicht vastgesteld document dat wordt gepubliceerd op de ECB-website en dat richtsnoeren geeft inzake de uitlegging door de ECB van de wettelijke vereisten; |
|
17) |
“ECB Guide to internal models” (Gids van de ECB betreffende interne modellen): een document met deze titel en elk ander document dat richtsnoeren geeft voor de interpretatie door de ECB van de wettelijke vereisten die van toepassing zijn op de beoordeling van interne modellen en dat op voorstel van de raad van toezicht wordt vastgesteld door de Raad van bestuur en gepubliceerd wordt op de ECB-website. |
Artikel 2
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Dit besluit specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de ECB tot het vaststellen van internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen.
2. De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden doet geen afbreuk aan de toezichthoudende beoordeling die moet worden uitgevoerd met het oog op het nemen van internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen.
Artikel 3
Delegatie van internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van termijnen
1. In overeenstemming met artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) delegeert de Raad van bestuur hierbij aan de hoofden van arbeidseenheden van de ECB die overeenkomstig artikel 5 van dat besluit door de directie zijn benoemd de bevoegdheid tot het vaststellen van besluiten inzake:
|
a) |
toestemming voor het verlengen van de termijn voor de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
b) |
toestemming om terug te grijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
c) |
toestemming voor het permanent gedeeltelijk gebruik van de gestandaardiseerde benadering overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
d) |
de verlenging van uiterste termijnen. |
2. De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden krachtens lid 1 is van toepassing op:
|
a) |
de vaststelling door de ECB van toezichtbesluiten; |
|
b) |
de vaststelling door de ECB van instructies die krachtens artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, geadresseerd zijn aan de nationale bevoegde autoriteiten waarmee de ECB een nauwe samenwerking is aangegaan. |
3. De in lid 1 genoemde internemodellenbesluiten worden door middel van een gedelegeerd besluit vastgesteld indien is voldaan aan de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.
4. De in lid 1 bedoelde besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen worden door middel van een gedelegeerd besluit vastgesteld indien is voldaan aan de in artikelen 7 en 8 bedoelde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.
5. Internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen worden niet door middel van een gedelegeerd besluit genomen indien de complexiteit van de beoordeling of de gevoeligheid van de zaak vereist dat de besluiten in het kader van de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld. Hoofden van arbeidseenheden leggen een internemodellenbesluit of een besluit inzake de verlenging van uiterste termijnen dat voldoet aan de in de artikelen 4 tot en met 8 neergelegde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten ter goedkeuring in het kader van de geen-bezwaarprocedure voor aan de raad van toezicht en de Raad van bestuur, indien de toezichthoudende beoordeling van dat internemodellenbesluit of besluit over de verlenging van uiterste termijnen rechtstreeks van invloed is op de toezichthoudende beoordeling van een ander besluit dat in het kader van de geen-bezwaarprocedure moet worden vastgesteld.
6. Negatieve internemodellenbesluiten en negatieve besluiten inzake negatieve verlenging van termijnen worden niet vastgesteld door middel van een gedelegeerd besluit.
Artikel 4
Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake voorafgaande toestemming voor de verlenging van de uiterste termijn voor de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering
1. Besluiten waarbij toestemming verlenging van de uiterste termijn voor de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
de verlenging wordt gevraagd voor een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de uiterste datum zoals vastgelegd in het laatste goedgekeurde plan voor de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering voor de desbetreffende categorie blootstellingen of bedrijfsonderdelen of voor het gebruik van eigen ramingen van verlies bij wanbetaling of omrekeningsfactoren als bedoeld in artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013; |
|
b) |
de blootstellingswaarde en de risicogewogen post van de blootstellingen waarop de instelling de IRB-benadering toepast, die worden berekend met inachtneming van de richtsnoeren voor de berekening van deze bedragen zoals uiteengezet in de “ECB Guide to internal models”, zijn en blijven na het besluit boven 50 % van de totale blootstellingswaarde en de totale risicogewogen post op geconsolideerd niveau van een belangrijke onder toezicht staande groep of op individueel niveau van een belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien die belangrijke onder toezicht staande entiteit geen deel uitmaakt van een belangrijke onder toezicht staande groep. |
2. De beoordeling van de verlenging van de uiterste termijn voor de stapsgewijze invoering van de IRB-benadering wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en door de Europese Commissie vastgestelde technische uitvoerings- en reguleringsnormen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met alle toepasselijke ECB-gidsen of soortgelijke door de ECB uitgegeven documenten, alsmede met richtsnoeren en definitieve ontwerpen van technische reguleringsnormen van de Europese toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 5
Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake voorafgaande toestemming om terug te grijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen
1. Besluiten waarbij toestemming wordt verleend om terug te grijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
nadat is teruggegrepen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen wordt het eigen vermogen van de onder toezicht staande entiteit geacht hoger te blijven dan de som van de vereisten van artikel 92, lid 1, punten a) tot en met c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, het eigen vermogen dat overeenkomstig artikel 16, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 moet worden aangehouden, het gecombineerde buffervereiste als gedefinieerd in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU en de pijler 2-kapitaalrichtsnoeren als bedoeld in het laatst beschikbare SREP-besluit en de tier 1-kernkapitaalratio neemt met niet met meer dan 50 basispunten af en de daaruit voortvloeiende marge op het totaal vereiste kapitaal en pijler 2-kapitaalrichtsnoeren als bedoeld in het meest recente SREP-besluit is niet lager dan 50 basispunten van de tier 1-kernkapitaalratio op geconsolideerd niveau van een belangrijke onder toezicht staande groep of op individueel niveau van een belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien die belangrijke onder toezicht staande entiteit geen deel uitmaakt van een belangrijke onder toezicht staande groep; |
|
b) |
nadat is teruggegrepen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen worden de eigenvermogensvereisten niet verlaagd op geconsolideerd niveau van een belangrijke onder toezicht staande groep of op individueel niveau van een belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien die belangrijke onder toezicht staande entiteit geen deel uitmaakt van een belangrijke onder toezicht staande groep. |
2. Wanneer een verzoek om terug te grijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen betrekking heeft op meer dan één ratingsysteem, wordt het besluit genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien met betrekking tot elk ratingsysteem binnen het toepassingsgebied van het besluit aan alle criteria van lid 1 is voldaan.
3. De beoordeling van het teruggrijpen op het gebruik van minder verfijnde benaderingen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 149 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en door de Commissie vastgestelde technische uitvoerings- en reguleringsnormen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met alle toepasselijke ECB-gidsen of soortgelijke door de ECB uitgegeven documenten, alsmede met richtsnoeren en definitieve ontwerpen van technische reguleringsnormen van de Europese toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 6
Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake voorafgaande toestemming voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering
1. Besluiten waarbij toestemming wordt verleend voor het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
volgend op het besluit inzake het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering, zijn de blootstellingswaarde en de risicogewogen post van de blootstellingen waarvoor de instelling de IRB-benadering hanteert, berekend met inachtneming van de richtsnoeren voor de berekening van deze bedragen zoals uiteengezet in de “ECB Guide to internal models”, gelijk aan of hoger dan 50 % van de totale blootstellingswaarde en de totale risicogewogen post op geconsolideerd niveau van een belangrijke onder toezicht staande groep of op individueel niveau van een belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien die belangrijke onder toezicht staande entiteit geen deel uitmaakt van een belangrijke onder toezicht staande groep; |
|
b) |
volgend op het besluit over het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering bedraagt de stijging van de blootstellingswaarde en de risicogewogen posten die onder de standaardbenadering vallen, niet meer dan 20 % van de totale blootstellingswaarde en de totale risicogewogen post op geconsolideerd niveau van een belangrijke onder toezicht staande groep of op individueel niveau van een belangrijke onder toezicht staande entiteit, indien die belangrijke onder toezicht staande entiteit geen deel uitmaakt van een belangrijke onder toezicht staande groep. |
2. De beoordeling van het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en door de Commissie vastgestelde technische uitvoerings- en reguleringsnormen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met alle toepasselijke ECB-gidsen of soortgelijke door de ECB uitgegeven documenten, alsmede met richtsnoeren en definitieve ontwerpen van technische reguleringsnormen van de Europese toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 7
Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen voor verplichtingen en voor vereisten die in een eerder ECB-toezichtbesluit zijn opgelegd
1. Besluiten inzake de verlenging van de termijnen voor verplichtingen en voor vereisten die in een eerder ECB-toezichtbesluit zijn opgelegd, worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien aan elk van de volgende criteria is voldaan:
|
a) |
de onder toezicht staande entiteit verzoekt om verlenging van de uiterste termijn en het verzoek wordt ten minste dertig dagen vóór het verstrijken van de uiterste termijn bij de ECB ingediend; |
|
b) |
de verlenging duurt niet langer dan de periode voorafgaande aan de oorspronkelijke uiterste termijn en bedraagt niet meer dan twaalf maanden; |
|
c) |
de verlenging heeft geen afbreuk doet aan de rechten van de onder toezicht staande entiteit. |
2. Niettegenstaande lid 1 worden besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen niet genomen door middel van een gedelegeerd besluit in één van de volgende situaties:
|
a) |
de verlenging leidt tot een wijziging van de oorspronkelijke reikwijdte van de verplichting of het vereiste in een eerder ECB-toezichtbesluit, of in een onderliggende beoordeling waarop dat eerdere besluit was gebaseerd; |
|
b) |
de verlenging heeft betrekking op een reeds verlengde termijn; |
|
c) |
de verlenging wordt aangevraagd door een kredietinstelling waarvan de governancescore, zoals uiteengezet in het laatst beschikbare SREP-besluit, 4 is; |
|
d) |
de verlenging wordt aangevraagd door een kredietinstelling waarvan de marge voor eigen vermogen boven de pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het laatst beschikbare SREP-besluit, lager is dan 100 basispunten voor de tier 1-kernkapitaalratio; |
|
e) |
de verlenging wordt aangevraagd door een kredietinstelling waaraan in de voorgaande periode van drie jaar de in artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) vervatte vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn gericht; |
|
f) |
de verlenging is niet toegestaan onder het toepasselijke recht. |
3. De beoordeling van verzoeken om verlenging wordt uitgevoerd met het oog op het feit of a) de verlenging redelijk is, rekening houdend met de door de kredietinstelling verstrekte motivering voor de gevraagde verlenging, en b) de verlenging de effectieve uitvoering van de toezichtmaatregel in gevaar brengt.
Artikel 8
Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake de verlenging van de maximumtermijn voor het voltooien van een voorgenomen verwerving
1. Besluiten inzake de verlenging van de in besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen voor het voltooien van een voorgenomen verwerving vastgestelde maximumtermijn worden genomen door middel van een gedelegeerd besluit indien de verlenging wordt toegestaan voor een periode van ten hoogste twaalf maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de oorspronkelijke termijn voor het voltooien van de voorgenomen verwerving.
2. Niettegenstaande lid 1 worden besluiten inzake de verlenging van de desbetreffende maximumtermijn niet door middel van een gedelegeerd besluit genomen indien een van de volgende situaties van toepassing is:
|
a) |
de uitbreiding leidt tot een wijziging van de oorspronkelijke reikwijdte van het besluit inzake gekwalificeerde deelnemingen of de onderliggende beoordeling waarop dat besluit is gebaseerd; |
|
b) |
de maximumtermijn is reeds verlengd; |
|
c) |
de kandidaat-verwerver of de doelentiteit is een kredietinstelling waarvan de governancescore, zoals uiteengezet in het laatst beschikbare SREP-besluit, 4 is; |
|
d) |
de kandidaat-verwerver of de doelentiteit is een kredietinstelling waarvan de marge voor eigen vermogen boven de pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het laatst beschikbare SREP-besluit, is lager dan 100 basispunten voor de tier 1-kernkapitaalratio; |
|
e) |
de kandidaat-verwerver of de doelentiteit is een kredietinstelling waaraan in de voorgaande periode van drie jaar de in artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU vervatte vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn gericht. |
3. De beoordeling van verzoeken om verlenging van de maximumtermijn wordt uitgevoerd met betrekking tot het feit of: a) de verlening redelijk is, rekening houdend met de door de kredietinstelling verstrekte motivering voor de gevraagde verlenging, en b) de verlenging de effectieve tenuitvoerlegging van de toezichtmaatregel niet in gevaar brengt.
Artikel 9
Overgangsbepaling
Dit besluit wordt niet toegepast indien het verzoek om toestemming of verlenging van een termijn bij de ECB werd ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 10
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 3 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(3) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(4) Arrest van het Hof van Justitie van 23 september 1986, AKZO Chemie tegen Commissie, 5/85, ECLI:EU:C:1986:328, punt 37, en arrest van het Hof van Justitie van 26 mei 2005, Carmine Salvatore Tralli tegen ECB, C-301/02 P, ECLI:EU:C:2005:306, punt 59.
(5) Besluit (EU) 2020/1015 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en Българска народна банка (Bulgaarse Nationale Bank) (ECB/2020/30) (PB L 224 I van 13.7.2020, blz. 1).
(6) Besluit (EU) 2020/1016 van de Europese Centrale Bank van 24 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank en de Hrvatska narodna banka (ECB/2020/31) (PB L 224I van 13.7.2020, blz. 4).
(7) Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).
(8) Besluit ECB/2014/16 van de Europese Centrale Bank van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).
(9) Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2019 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/23) (PB L 224 van 28.8.2019, blz. 1).
(10) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).
(11) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(12) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
|
6.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 314/30 |
BESLUIT (EU) 2021/1443 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 26 augustus 2021
tot benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van internemodellenbesluiten en besluiten tot verlenging van uiterste termijnen (ECB/2021/40)
DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 11.6,
Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (1), en met name de artikelen 4 en 5,
Gezien Besluit (EU) 2021/1442 van de Europese Centrale Bank van 3 augustus 2021 befrende besluiten inzake interne modellen en over verlenging van uiterste termijnen (ECB/2021/38) (2), en met name artikel 3,
Gezien Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (3), en met name artikel 10,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan het aanzienlijk aantal besluiten dat de Europese Centrale Bank (ECB) moet vaststellen voor de vervulling van haar toezichttaken, is een procedure opgezet voor de vaststelling van specifieke gedelegeerde besluiten. |
|
(2) |
Een delegatiebesluit is van kracht vanaf de vaststelling van een besluit van de directie waarbij één of meerdere hoofden van arbeidseenheden worden benoemd om besluiten te nemen op basis van een delegatiebesluit. |
|
(3) |
De directie moet bij de benoeming van hoofden van arbeidseenheden rekening houden met het belang van het delegatiebesluit en het aantal geadresseerden aan wie gedelegeerde besluiten gestuurd moeten worden. |
|
(4) |
Op basis van artikel 10, lid 1, van Besluit ECB/2004/2 van de Europese Centrale Bank neemt de directie een besluit over het aantal, de naam en de respectieve bevoegdheden van alle arbeidseenheden van de ECB. |
|
(5) |
De voorzitter van de raad van toezicht werd geraadpleegd betreffende de hoofden van arbeidseenheden aan wie de bevoegdheid tot vaststelling van internemodellenbesluiten en besluiten tot verlenging van uiterste termijnen moet worden gedelegeerd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van artikel 1 van Besluit (EU) 2021/1442 (ECB/2021/38).
Artikel 2
Gedelegeerde internemodellenbesluiten en besluiten inzake de verlenging van uiterste termijnen
1. Gedelegeerde besluiten krachtens artikel 3 van Besluit (EU) 2021/1442 (ECB/2021/38), met uitzondering van die besluiten inzake de verlenging van de maximumtermijn voor het sluiten van een voorgenomen verwerving zoals uiteengezet in het besluit inzake gekwalificeerde deelneming als gedefinieerd in artikel 1, punt 3, van Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank (ECB/2019/23) (4), worden vastgesteld door de hoofden van één van de volgende arbeidseenheden:
|
a) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken; |
|
b) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde instellingen; |
|
c) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s. |
2. Gedelegeerde besluiten krachtens artikel 3 van Besluit (EU) 2021/1442 (ECB/2021/38) inzake de verlenging van de maximumtermijn voor het afsluiten van een voorgenomen verwerving waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten als gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (5) betrokken zijn, worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal SSM Governance & Operations — of, indien zij niet beschikbaar zijn, het hoofd van de eenheid Autorisatie — en een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:
|
a) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Systeem- & Internationale Banken; |
|
b) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Universele & Gediversifieerde Instellingen; |
|
c) |
de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s, indien het toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Gespecialiseerde Instellingen en LSI’s. |
Indien bij een gedelegeerd besluit krachtens de artikelen 3 en 4 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) meer dan één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, is de belangrijke onder toezicht staande entiteit de onder toezicht staande entiteit of groep waarin de gekwalificeerde deelneming wordt verworven.
3. Gedelegeerde besluiten krachtens artikel 3 van Besluit (EU) 2021/1442 (ECB/2021/38) betreffende de verlenging van de maximumtermijn voor het sluiten van de voorgenomen verwerving waarbij geen belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn betrokken, worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal SSM Governance & Operations - of indien zij niet beschikbaar zijn, het hoofd van de eenheid Autorisatie.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Frankfurt am Main, 26 augustus 2021.
De president van de ECB
Christine LAGARDE
(1) PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.
(2) Zie bladzijde 22 van dit Publicatieblad.
(3) PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33.
(4) Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2019 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/23) (PB L 224 van 28.8.2019, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).