ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 277

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
2 augustus 2021


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1253 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in bepaalde organisatorische vereisten en voorwaarden voor de bedrijfsvoering voor beleggingsondernemingen ( 1 )

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1254 van de Commissie van 21 april 2021 tot rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn ( 1 )

6

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1255 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 wat betreft door beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in aanmerking te nemen duurzaamheidsrisico’s en duurzaamheidsfactoren ( 1 )

11

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1256 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 wat betreft de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de governance van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ( 1 )

14

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1257 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2017/2358 en Verordening (EU) 2017/2359 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in de vereisten inzake producttoezicht en -governance voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs en in de regels inzake bedrijfsvoering en beleggingsadvies voor verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten ( 1 )

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1258 van de Commissie van 26 juli 2021 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Őrségi tökmagolaj (BGA))

25

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1259 van de Commissie van 26 juli 2021 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Tuzséri alma (BGA))

26

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1260 van de Commissie van 26 juli 2021 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pera Mantovana (BGA))

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1261 van de Commissie van 26 juli 2021 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Olio di Roma (BGA))

28

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1262 van de Commissie van 26 juli 2021 tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (Iaşi (BOB))

29

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1263 van de Commissie van 26 juli 2021 tot verlening van de in artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde bescherming aan de naam (Muškat momjanski/Moscato di Momiano (BOB))

30

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1264 van de Commissie van 26 juli 2021 tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (Coteaux du Libron (BGA))

31

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1265 van de Commissie van 26 juli 2021 tot registratie van een geografische aanduiding van een gedistilleerde drank op grond van artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad (Bayerischer Bärwurz)

32

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1266 van de Commissie van 29 juli 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

34

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1267 van de Commissie van 29 juli 2021 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

62

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1268 van de Commissie van 29 juli 2021 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest ( 1 )

99

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2021/1269 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren in de productgoveranceverplichtingen ( 1 )

137

 

*

Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2021/1270 van de Commissie van 21 april 2021 tot wijziging van Richtlijn 2010/43/EU wat betreft voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in aanmerking te nemen duurzaamheidsrisico’s en duurzaamheidsfactoren ( 1 )

141

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2021/1271 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 26 juli 2021 tot benoeming van de directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

145

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1272 van de Commissie van 30 juli 2021 houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, van door de Staat Vaticaanstad afgegeven COVID-19-certificaten met de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten ( 1 )

148

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1273 van de Commissie van 30 juli 2021 houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, van door San Marino afgegeven COVID-19-certificaten met de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten ( 1 )

151

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1253 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in bepaalde organisatorische vereisten en voorwaarden voor de bedrijfsvoering voor beleggingsondernemingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 16, lid 12, artikel 24, lid 13, en artikel 25, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs (2) afgesloten. In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal (3) gekomen. De Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Om die doelstelling te verwezenlijken, moeten beleggers duidelijke signalen krijgen wat betreft hun beleggingen, om gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” gekomen (4), waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De effectbeoordeling op basis waarvan nadien wetgevingsinitiatieven zijn genomen, is in mei 2018 gepubliceerd (5) en liet zien dat er duidelijkheid moet komen over duurzaamheidsfactoren die beleggingsondernemingen in het kader van hun verplichtingen ten aanzien van cliënten en potentiële cliënten in aanmerking moeten nemen. Daarom moeten beleggingsondernemingen niet alleen alle relevante financiële risico’s doorlopend beoordelen, maar ook alle desbetreffende duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (6) die, wanneer deze zich voordoen, een werkelijk of mogelijk wezenlijk negatief effect op de waarde van de belegging kunnen veroorzaken. In Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie (7) is niet uitdrukkelijk sprake van duurzaamheidsrisico’s. Daarom, en om ervoor te zorgen dat interne procedures en organisatorische regelingen correct worden uitgevoerd en nageleefd, moet worden verduidelijkt dat processen, systemen en interne controles van beleggingsondernemingen duurzaamheidsrisico’s tot uiting moeten brengen en dat technische capaciteit en kennis nodig is om die risico’s te kunnen analyseren.

(4)

Om een hoog niveau van beleggersbescherming aan te houden, moeten beleggingsondernemingen, bij het bepalen van de soorten belangenconflicten die de belangen van een cliënt of potentiële cliënt kunnen schaden, ook die soorten belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan doordat de duurzaamheidsvoorkeuren van de cliënt worden opgenomen. Bij bestaande cliënten voor wie een geschiktheidsbeoordeling al is uitgevoerd, moeten beleggingsondernemingen de mogelijkheid krijgen om de individuele duurzaamheidsvoorkeuren van de cliënt in kaart te brengen bij de volgende regelmatige bijwerking van de bestaande geschiktheidsbeoordeling.

(5)

Beleggingsondernemingen die beleggingsadvies en portfoliobeheer aanbieden, moeten in staat zijn hun cliënten en potentiële cliënten de meest geschikte financiële instrumenten aan te bevelen en moeten dus vragen kunnen stellen om de individuele duurzaamheidsvoorkeuren van een cliënt in kaart te brengen. In overeenstemming met de verplichting voor een beleggingsonderneming om in het beste belang van haar cliënten te handelen, moeten aanbevelingen aan cliënten en potentiële cliënten zowel de financiële doelstellingen als eventuele door die cliënten geformuleerde duurzaamheidsvoorkeuren tot uiting brengen. Daarom moet worden verduidelijkt dat beleggingsondernemingen passende regelingen moeten treffen om te voorkomen dat de integratie van duurzaamheidsfactoren in het adviesproces en het portfoliobeheer resulteren in praktijken van mis-selling of in de foutieve voorstelling dat financiële instrumenten of strategieën voldoen aan duurzaamheidsvoorkeuren terwijl dat niet het geval is. Om dergelijke praktijken of foutieve voorstellingen te vermijden, moeten beleggingsondernemingen die beleggingsadvies verlenen, allereerst een beoordeling maken van andere beleggingsdoelstellingen, de tijdshorizon en de individuele omstandigheden van een cliënt of potentiële cliënt voordat zij een cliënt naar haar of zijn potentiële duurzaamheidsvoorkeuren vragen.

(6)

Tot dusver zijn financiële instrumenten ontwikkeld met een uitlopend ambitieniveau wat betreft duurzaamheid. Om cliënten of potentiële cliënten inzicht te kunnen geven in die verschillende mate van duurzaamheid en om weloverwogen beleggingsbeslissingen in termen van duurzaamheid te kunnen nemen, moeten beleggingsondernemingen die beleggingsadvies en diensten inzake portfoliobeheer verlenen, het verschil uitleggen tussen, enerzijds, financiële instrumenten die — geheel of ten dele — duurzame beleggingen nastreven in economische activiteiten die kwalificeren als ecologisch duurzaam in de zin van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (8), duurzame investeringen in de zin van artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088 en financiële instrumenten die rekening houden met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren en in aanmerking kunnen komen om te worden aanbevolen omdat zij beantwoorden aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren van cliënten, en, anderzijds, andere financiële instrumenten zonder die specifieke kenmerken die niet in aanmerking mogen komen om te worden aanbevolen aan de cliënten of potentiële cliënten die individuele duurzaamheidsvoorkeuren hebben.

(7)

De zorg moet worden weggenomen over “greenwashing”, met name de praktijk om een oneerlijk concurrentievoordeel te verkrijgen door een financieel instrument als milieuvriendelijk of duurzaam aan te bevelen, terwijl dat financiële instrument in feite niet aan elementaire milieu- of duurzaamheidsnormen voldoet. Om mis-selling en greenwashing te voorkomen, mogen beleggingsondernemingen geen financiële instrumenten aanbevelen of besluiten daarin te handelen omdat deze aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren zouden voldoen terwijl die financiële instrumenten niet aan die voorkeuren voldoen. Beleggingsondernemingen moeten hun cliënten of potentiële cliënten uitleggen waarom zij dat niet doen en moeten die redenen documenteren.

(8)

Duidelijk moet worden gemaakt dat financiële instrumenten die niet voor individuele duurzaamheidsvoorkeuren in aanmerking komen, nog steeds door beleggingsondernemingen kunnen worden aanbevolen, maar niet als gaat het om instrumenten die aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren voldoen. Om verdere aanbevelingen aan cliënten of potentiële cliënten te kunnen doen, moet de cliënt, wanneer financiële instrumenten aan haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren voldoen, informatie over haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren kunnen aanpassen. Om mis-selling en greenwashing te voorkomen, moeten beleggingsondernemingen de beslissing van de cliënt, samen met de verklaring van de cliënt voor die aanpassing, documenteren.

(9)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De bevoegde autoriteiten en beleggingsondernemingen moeten voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe vereisten uit deze verordening aan te passen. Daarom moet de toepassing ervan worden uitgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 worden de volgende punten 7, 8 en 9 toegevoegd:

“7.

“duurzaamheidsvoorkeuren”: de keuze van een cliënt of potentiële cliënt ten aanzien van de vraag of, en zo ja, in welke mate een of meer van de volgende financiële instrumenten in haar of zijn beleggingsstrategie moet worden geïntegreerd:

a)

een financieel instrument waarvoor de cliënt of potentiële cliënt bepaalt dat een minimumpercentage moet worden belegd in ecologisch duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

b)

een financieel instrument waarvoor de cliënt of potentiële cliënt bepaalt dat een minimumpercentage moet worden belegd in duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*2);

c)

een financieel instrument dat rekening houdt met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren waarbij de cliënt of potentiële cliënt de kwantitatieve of kwalitatieve elementen bepaalt waaruit moet blijken dat met die effecten rekening wordt gehouden;

8.

“duurzaamheidsfactoren”: duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088.

9.

“duurzaamheidsrisico’s”: duurzaamheidsrisico’s in de zin van artikel 2, punt 22, van Verordening (EU) 2019/2088.

(*1)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13)."

(*2)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

2)

Artikel 21, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“Beleggingsondernemingen nemen duurzaamheidsrisico’s in aanmerking wanneer zij de in dit lid vastgestelde verplichtingen in acht nemen.”;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

“Bij de naleving van de in dit lid vervatte vereisten houden beleggingsondernemingen rekening met de aard, schaal en complexiteit van hun bedrijf en met de aard en het gamma van de beleggingsdiensten en -activiteiten die in het kader van dit bedrijf worden verricht.”.

3)

Artikel 23, lid 1, onder a) wordt vervangen door:

“a)

adequate gedragsregels en afdoende procedures voor het risicobeheer vaststellen, implementeren en in stand houden die de risico’s onderkennen die aan de activiteiten, processen en systemen van de beleggingsonderneming verbonden zijn en die zo nodig de risico-omvang bepalen die door de ondernemingen wordt getolereerd. Daarbij houden beleggingsondernemingen met duurzaamheidsrisico’s rekening.”.

4)

Artikel 33 wordt vervangen door:

“Artikel 33

Belangenconflicten die de belangen van een cliënt kunnen schaden

(artikel 16, lid 3, en artikel 23, van Richtlijn 2014/65/EU)

Beleggingsondernemingen houden er, ter bepaling van de soorten belangenconflicten die zich bij het verrichten van beleggings- en nevendiensten of beleggingsactiviteiten of een combinatie daarvan voordoen en de belangen van een cliënt, met inbegrip van haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren, kunnen schaden, ten minste rekening mee of op de beleggingsonderneming of een relevante persoon, dan wel op een persoon die direct of indirect met de onderneming verbonden is door een zeggenschapsband, een van de volgende situaties van toepassing is, ongeacht of deze voortvloeit uit de verrichting van beleggings- of nevendiensten of beleggingsactiviteiten, dan wel een andere oorzaak heeft:

a)

de onderneming of deze persoon kan financieel gewin behalen of een financieel verlies vermijden ten koste van de cliënt;

b)

de onderneming of deze persoon heeft bij het resultaat van een ten behoeve van de cliënt verrichte dienst of een namens de cliënt uitgevoerde transactie een belang dat verschilt van het belang van de cliënt bij dit resultaat;

c)

de onderneming of deze persoon heeft een financiële of andere drijfveer om het belang van een andere cliënt of groep cliënten te laten primeren op het belang van de cliënt;

d)

de onderneming of deze persoon oefent hetzelfde bedrijf uit als de cliënt;

e)

de onderneming of deze persoon ontvangt of zal van een andere persoon dan de cliënt voor een ten behoeve van de cliënt verrichte dienst een inducement ontvangen in de vorm van geldelijke of niet-geldelijke voordelen of diensten.”.

5)

In artikel 52 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Beleggingsondernemingen geven een beschrijving van:

a)

de beschouwde soorten financiële instrumenten;

b)

het scala aan financiële instrumenten en aanbieders, geanalyseerd per type instrument volgens de reikwijdte van de dienst;

c)

in voorkomend geval, de bij de selectie van financiële instrumenten in aanmerking te nemen duurzaamheidsfactoren;

d)

wanneer onafhankelijk advies wordt verleend, hoe de verleende dienst voldoet aan de voorwaarden om onafhankelijk beleggingsadvies te verlenen, en de factoren die de beleggingsonderneming bij de selectie in aanmerking neemt om financiële instrumenten aan te bevelen, waaronder risico’s, kosten en complexiteit van de financiële instrumenten.”.

6)

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

de transactie voldoet aan de beleggingsdoelstellingen van de betrokken cliënt, met inbegrip van de risicotolerantie en duurzaamheidsvoorkeuren van de cliënt;”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   De informatie over de beleggingsdoelstellingen van de cliënt of potentiële cliënt bevat, voor zover van toepassing, gegevens over de duur van de periode waarin de cliënt de belegging wenst aan te houden, haar of zijn voorkeur wat betreft het nemen van bepaalde risico’s, haar of zijn risicotolerantie, de bedoeling van de belegging en daarnaast haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren.”;

c)

lid 9 wordt vervangen door:

“9.   Beleggingsondernemingen hebben adequate gedragslijnen en procedures ingesteld — en kunnen dit ook aantonen — om ervoor te zorgen dat zij inzicht hebben in de aard en kenmerken, met inbegrip van de kosten en risico’s, van de voor hun cliënten geselecteerde beleggingsdiensten en financiële instrumenten, met inbegrip van alle duurzaamheidsoverwegingen, en dat zij, rekening houdende met de kosten en complexiteit, toetsen of gelijkwaardige beleggingsdiensten of financiële instrumenten aan het profiel van hun cliënten kunnen beantwoorden.”;

d)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   Bij de verrichting van de beleggingsdienst in de vorm van beleggingsadvies of vermogensbeheer doet een beleggingsonderneming geen aanbeveling of neemt zij geen handelsbeslissing wanneer geen van de diensten of instrumenten voor de cliënt geschikt is.

Een beleggingsonderneming doet geen aanbeveling voor financiële instrumenten of neemt geen handelsbeslissing voor dergelijke instrumenten als zouden deze voldoen aan de geschiktheidsvoorkeuren van een cliënt of potentiële cliënt, wanneer geen van de diensten of instrumenten aan die voorkeuren voldoet. De beleggingsonderneming legt de cliënt of potentiële cliënten uit waarom zij dat niet doet en documenteert die redenen.

Wanneer geen financieel instrument aan de duurzaamheidsvoorkeuren van de cliënt of potentiële cliënt voldoet, en de cliënt besluit haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren aan te passen, documenteert de beleggingsonderneming de beslissing van de cliënt, samen met de redenen voor die beslissing.”;

e)

in lid 12 wordt de eerste alinea vervangen door:

“12.   Bij de verlening van beleggingsadvies verstrekken beleggingsondernemingen een verslag aan de niet-professionele cliënt waarin het gegeven advies wordt geschetst en waarin tevens wordt aangegeven hoe de gedane aanbeveling geschikt is voor de niet-professionele cliënt, waarbij onder meer wordt vermeld hoe de aanbeveling op de beleggingsdoelstellingen en haar of zijn persoonlijke situatie is toegesneden onder verwijzing naar de vereiste looptijd van de belegging, de kennis en ervaring van de cliënt, de houding van de cliënt tegenover risico en haar of zijn mogelijkheden om verlies te dragen, en haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren.”;

f)

aan lid 13 wordt een nieuwe alinea toegevoegd:

“De vereisten om aan de duurzaamheidsvoorkeuren van cliënten of potentiële cliënten te voldoen, laten, in voorkomend geval, de in de eerste alinea bepaalde voorwaarden onverlet.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 augustus 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(3)  COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  SWD(2018) 264 final.

(6)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/6


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1254 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 16, lid 12, en artikel 27, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 1, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie (2) bevatte fouten voor zover daarin werd voorgeschreven dat artikel 59, lid 4, artikel 60 en hoofdstuk IV van die verordening moeten worden toegepast in plaats van artikel 64, lid 4, artikel 65 en hoofdstuk VIII.

(2)

Er stonden fouten in een aantal kruisverwijzingen in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565, met name onder de titels “Beoordeling van cliënten”, “Verwerking van orders”, “Orders van cliënten en transacties”, “Rapportage aan cliënten”, “Communicatie met cliënten” en “Organisatorische vereisten”.

(3)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 wordt als volgt gerectificeerd:

(1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

“1.   Hoofdstuk II, en afdelingen 1 tot en met 4, artikel 64, lid 4, artikel 65, en afdelingen 6 tot en met 8 van hoofdstuk III en, voor zover zij betrekking hebben op die bepalingen, hoofdstukken I en VIII van deze verordening zijn van toepassing op beheermaatschappijen die diensten verrichten in overeenstemming met artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG en artikel 6, lid 6, van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1).

(*1)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).”."

(2)

Bijlage I wordt vervangen door de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 1).


BIJLAGE

“BIJLAGE I

Bewaren van gegevens

Minimumlijst van gegevens die beleggingsondernemingen moeten bijhouden naargelang van de aard van hun activiteiten

Aard van de verplichting

Gegevenstype

Inhoudsindicatie

Rechtsgrondslag

Beoordeling van cliënten

 

Informatieverstrekking aan klanten

Inhoud als bedoeld in artikel 24, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU en de artikelen 44 tot en met 51 van deze verordening

Artikel 24, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 44 tot en met 51 van deze verordening

 

Overeenkomsten met cliënten

Gegevens als bedoeld in artikel 25, lid 5, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 25, lid 5, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 58 van deze verordening

 

Beoordeling van geschiktheid en adequaatheid

Inhoud als bedoeld in artikel 25, leden 2 en 3, van Richtlijn 2014/65/EU en de artikelen 54, 55 en 60 van deze verordening

Artikel 25, leden 2 en 3, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 54, 55 en 56 van deze verordening

Verwerking van orders

 

Verwerking van orders van cliënten — Samengevoegde transacties

Gegevens als bedoeld in de artikelen 67 tot en met 70 van deze verordening

Artikel 24, lid 1, en artikel 28, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 67 tot en met 70 van deze verordening

 

Samenvoeging en toewijzing van transacties voor eigen rekening

Gegevens als bedoeld in artikel 69 van deze verordening

Artikel 24, lid 1, en artikel 28, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 69 van deze verordening

Orders van cliënten en transacties

 

Bijhouden van gegevens over orders van cliënten of handelsbeslissingen

Gegevens als bedoeld in artikel 74 van deze verordening

Artikel 16, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 74 van deze verordening

 

Bijhouden van gegevens over transacties en orderverwerking

Gegevens als bedoeld in artikel 75 van deze verordening

Artikel 16, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 75 van deze verordening

Rapportage aan cliënten

 

Plichten met betrekking tot voor cliënten verrichte diensten

Inhoud als bedoeld in de artikelen 59 tot en met 63 van deze verordening

Artikel 24, leden 1 en 6, en artikel 25, leden 1 en 6, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 59 tot en met 63 van deze verordening

Vrijwaring van de activa van cliënten

 

Door een beleggingsonderneming aangehouden financiële instrumenten van cliënten

Gegevens als bedoeld in artikel 16, lid 8, van Richtlijn 2014/65/EU en artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593 van de Commissie

Artikel 16, lid 8, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593

 

Door een beleggingsonderneming aangehouden gelden van cliënten

Gegevens als bedoeld in artikel 16, lid 9, van Richtlijn 2014/65/EU en artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593

Artikel 16, lid 9, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593

 

Gebruik van financiële instrumenten van cliënten

Gegevens als bedoeld in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593

Artikel 16, leden 8, 9 en 10, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/593

Communicatie met cliënten

 

Informatie over kosten en bijbehorende lasten

Inhoud als bedoeld in artikel 50 van deze verordening

Artikel 24, lid 4, onder c), van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 50 van deze verordening

 

Informatie over de beleggingsonderneming en haar diensten, financiële instrumenten en de vrijwaring van activa van cliënten

Inhoud als bedoeld in de artikelen 47, 48 en 49 van deze verordening

Artikel 24, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 47, 48 en 49 van deze verordening

 

Informatieverstrekking aan klanten

Gegevens over communicatie

Artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 46 van deze verordening

 

Reclame-uitingen (behalve in mondelinge vorm)

Elke reclame-uiting van de beleggingsonderneming (behalve die in mondelinge vorm) als bedoeld in de artikelen 44 en 46 van deze verordening

Artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 44 en 46 van deze verordening

 

Beleggingsadvies aan niet-professionele cliënten

i) Het feit dat, alsook het tijdstip en de datum waarop beleggingsadvies is verleend, ii) het aanbevolen financiële instrument, en iii) het aan de cliënt verstrekte geschiktheidsverslag

Artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 54 van deze verordening

 

Onderzoek op beleggingsgebied

Elk onderdeel van onderzoek op beleggingsgebied dat door de beleggingsonderneming op een duurzame drager wordt verspreid

Artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 36 en 37 van deze verordening

Organisatorische vereisten

 

Bedrijf en interne organisatie van de onderneming

Gegevens als bedoeld in artikel 21, lid 1, onder f), van deze verordening

Artikel 16, leden 2 tot en met 10, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 21, lid 1, onder f), van deze verordening.

 

Nalevingsrapporten

Elk nalevingsrapport aan het leidinggevend orgaan

Artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 22, lid 2, onder c), en artikel 25, lid 2, van deze verordening

 

Gegevens over belangenconflicten

Gegevens als bedoeld in artikel 35 van deze verordening

Artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 35 van deze verordening

 

Promotionele aanbiedingen

Uit hoofde van artikel 24, lid 9, van Richtlijn 2014/65/EU aan cliënten verstrekte informatie

Artikel 24, lid 9, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikelen 11, 12 en 13 van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593.

 

Risicobeheerrapporten

Elk risicobeheerrapport aan de directie

Artikel 16, lid 5, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 23, lid 1, onder b), en artikel 25, lid 2, van deze verordening

 

Interne-controlerapporten

Elk interne-controlerapport aan de directie

Artikel 16, lid 5, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 24 en artikel 25, lid 2, van deze verordening

 

Gegevens over de behandeling van klachten

Elke klacht en de maatregelen die zijn genomen om deze klacht te regelen

Artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 26 van deze verordening

 

Gegevens over persoonlijke transacties

Gegevens als bedoeld in artikel 29, lid 5, onder c), van deze verordening

Artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2014/65/EU

Artikel 29, lid 5, onder c), van deze verordening


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/11


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1255 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 wat betreft door beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in aanmerking te nemen duurzaamheidsrisico’s en duurzaamheidsfactoren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (1), en met name artikel 12, lid 3, artikel 14, lid 4, artikel 15, lid 5, en artikel 18, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs afgesloten (2). In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal (3) gekomen. Die Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Om die doelstelling te verwezenlijken, moeten beleggers duidelijke signalen krijgen wat betreft hun beleggingen, om gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” (4) gekomen, waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De effectbeoordeling op basis waarvan nadien wetgevingsinitiatieven zijn genomen, is in mei 2018 gepubliceerd (5). Deze liet zien dat er duidelijkheid moet komen over duurzaamheidsfactoren die beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (“abi-beheerders”) in het kader van hun verplichtingen ten aanzien van beleggers in aanmerking moeten nemen. Daarom moeten abi-beheerders niet alleen alle relevante financiële risico’s doorlopend beoordelen, maar ook alle desbetreffende duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (6) die, wanneer deze zich voordoen, een werkelijk of mogelijk wezenlijk negatief effect op de waarde van de belegging kunnen veroorzaken. In Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 (7) van de Commissie is niet uitdrukkelijk sprake van duurzaamheidsrisico’s. Daarom, en om ervoor te zorgen dat interne procedures en organisatorische regelingen correct worden uitgevoerd en nageleefd, moet worden verduidelijkt dat in processen, systemen en interne controles van abi-beheerders duurzaamheidsrisico’s tot uiting moeten komen en dat technische capaciteit en kennis nodig is om die risico’s te kunnen analyseren.

(4)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2088 zijn abi-beheerders die de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking moeten nemen, of die deze belangrijkste ongunstige effecten vrijwillig in aanmerking nemen, verplicht openbaar te maken hoe die belangrijkste ongunstige effecten in hun due-diligencebeleid in aanmerking worden genomen. Ter wille van de consistentie tussen Verordening (EU) 2019/2088 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 moet die verplichting tot uiting komen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013.

(5)

Om een hoog niveau van beleggersbescherming aan te houden, moeten abi-beheerders, bij het bepalen van de soorten belangenconflicten die de belangen van een abi kunnen schaden, ook belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan als gevolg van de integratie van duurzaamheidsrisico’s in hun processen, systemen en interne controles. Bij die conflicten kan het onder meer gaan om conflicten die voortvloeien uit de beloning of persoonlijke transacties van betrokken personeelsleden, belangenconflicten die aanleiding kunnen geven tot greenwashing, mis-selling of foutieve voorstelling van beleggingsstrategieën, en belangenconflicten tussen verschillende abi’s die door dezelfde abi-beheerder worden beheerd.

(6)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De bevoegde autoriteiten en abi-beheerders moeten voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe vereisten uit deze verordening aan te passen. Daarom moet de toepassing ervan worden uitgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

Aan artikel 1 worden de volgende punten 6 en 7 toegevoegd:

“6.

“duurzaamheidsrisico”: duurzaamheidsrisico in de zin van artikel 2, punt 22, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

7.

“duurzaamheidsfactoren”: duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088.

(*1)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

(2)

Aan artikel 18 worden de volgende leden 5 en 6 toegevoegd:

“5.   De lidstaten verplichten abi-beheerders duurzaamheidsrisico’s in aanmerking te nemen wanneer zij de in de leden 1 tot en met 3 vastgestelde verplichtingen in acht nemen.

6.   Wanneer abi-beheerders de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren zoals beschreven in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2019/2088 in aanmerking nemen of zoals vereist door artikel 4, lid 3 of 4, van diezelfde verordening, nemen die abi-beheerders dergelijke belangrijkste ongunstige effecten in aanmerking wanneer zij de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel vastgestelde verplichtingen in acht nemen.”.

(3)

Aan artikel 22 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

“3.   Ten behoeve van de toepassing van lid 1 behouden abi-beheerders de nodige middelen en deskundigheid voor de doeltreffende integratie van duurzaamheidsrisico’s.”.

(4)

Aan artikel 30 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Abi-beheerders zorgen ervoor dat zij, wanneer zij de soorten belangenconflicten bepalen die de belangen van een abi kunnen schaden, ook de soorten belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan als gevolg van de integratie van duurzaamheidsrisico’s in hun processen, systemen en interne controles.”.

(5)

In artikel 40 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Het risicobeheerbeleid omvat de procedures die noodzakelijk zijn om de abi-beheerder in staat te stellen voor elke door hem beheerde abi de blootstelling aan markt-, liquiditeits-, duurzaamheids- en tegenpartijrisico’s te beoordelen, alsook de blootstelling van de abi aan alle andere relevante risico’s, inclusief operationele risico’s, die van wezenlijk belang kunnen zijn voor elke door hem beheerde abi.”.

(6)

Aan artikel 57, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Abi-beheerders nemen duurzaamheidsrisico’s in aanmerking wanneer zij de in de eerste alinea vastgestelde vereisten in acht nemen.”.

(7)

Aan artikel 60, lid 2, wordt het volgende punt i) toegevoegd:

“i)

verantwoordelijk is voor de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de in de punten a) tot en met h) genoemde activiteiten.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4).

(3)  COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  SWD(2018) 264 final.

(6)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 231/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van vrijstellingen, algemene voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening, bewaarders, hefboomfinanciering, transparantie en toezicht (PB L 83 van 22.3.2013, blz. 1).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/14


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1256 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 wat betreft de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de governance van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name artikel 50, lid 1, en artikel 135, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs afgesloten (2). In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal (3) gekomen. Die Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar in 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Dit vereist ook dat duidelijke signalen worden gegeven om beleggers te sturen, gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” (4) gekomen, waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De effectbeoordeling op basis waarvan nadien wetgevingsinitiatieven zijn genomen, is in mei 2018 gepubliceerd (5). Deze liet zien dat er duidelijkheid moet komen over duurzaamheidsfactoren die verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in het kader van hun verplichtingen ten aanzien van verzekeringnemers in aanmerking moeten nemen. Daarom moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet alleen alle relevante financiële risico’s doorlopend inschatten, maar ook alle desbetreffende duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (6) die, wanneer deze zich voordoen, een werkelijk of mogelijk wezenlijk negatief effect op de waarde van de belegging kunnen veroorzaken. In Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie (7) is niet uitdrukkelijk sprake van duurzaamheidsrisico’s. Daarom, en om ervoor te zorgen dat het governancesysteem correct wordt geëffectueerd en nageleefd, moet worden verduidelijkt dat duurzaamheidsrisico’s tot uiting moeten komen in het governancesysteem van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en bij de inschatting van de algehele solvabiliteitsbehoeften van die ondernemingen.

(4)

Verzekeringsondernemingen die de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren rapporteren in overeenstemming met Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad, moeten dus ook hun processen, systemen en interne controles ten aanzien die rapportage aanpassen.

(5)

Gezien de ambities van de Commissie om ervoor te zorgen dat klimaat- en milieurisico’s worden beheerd en geïntegreerd in het financiële bestel en gezien het belang van beloningsbeleid om ervoor te zorgen dat personeelsleden van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door het risicobeheersysteem geïdentificeerde risico’s doeltreffend beheren, moet het beloningsbeleid van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen informatie bevatten over de vraag hoe in dat beleid de integratie van duurzaamheidsrisico’s in het risicomanagementsysteem in aanmerking wordt genomen.

(6)

Het in artikel 132 van Richtlijn 2009/138/EG vastgestelde “prudent person”-beginsel vereist dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen alleen mogen beleggen in activa waarvan zij de risico’s goed kunnen onderkennen, meten, bewaken, beheren, beheersen en rapporteren. Om ervoor te zorgen dat klimaat- en milieurisico’s doeltreffend door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden beheerd, moeten bij de toepassing van het “prudent person”-beginsel ook duurzaamheidsrisico’s in aanmerking worden genomen en moeten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in hun beleggingsproces de duurzaamheidsvoorkeuren van hun cliënten tot uiting brengen zoals die in het productgoedkeuringsproces in aanmerking zijn genomen.

(7)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De toezichthoudende autoriteiten en verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe vereisten uit deze verordening aan te passen. Daarom moet de toepassing ervan worden uitgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

In artikel 1 worden de volgende punten 55 quater tot en met 55 sexies ingevoegd:

“55 quater.

“duurzaamheidsrisico”: een gebeurtenis of omstandigheid op ecologisch, sociaal of governancegebied die, indien deze zich voordoet, een werkelijk of mogelijk negatief effect op de waarde van de belegging of op de waarde van verplichting kan veroorzaken;

55 quinquies.

“duurzaamheidsfactoren”: duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

55 sexies.

“duurzaamheidsvoorkeuren”: de keuze van een cliënt of potentiële cliënt ten aanzien van de vraag of, en zo ja in welke mate, één of meer van de volgende financiële instrumenten in haar of zijn beleggingsstrategie moet worden geïntegreerd:

a)

een financieel instrument waarvoor de cliënt of potentiële cliënt bepaalt dat een minimumpercentage daarvan moet worden belegd in ecologisch duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (*2);

b)

een financieel instrument waarvoor de cliënt of potentiële cliënt bepaalt dat een minimumpercentage daarvan moet worden belegd in duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088;

c)

een financieel instrument dat rekening houdt met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren waarbij de cliënt of potentiële cliënt kwalitatieve of kwantitatieve elementen bepaalt waaruit blijkt dat daarmee wordt rekening gehouden;

(*1)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1)."

(*2)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).”."

(2)

Artikel 260 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1, onder a), punt i), wordt vervangen door:

“i)

door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te nemen maatregelen om het risico op verlies of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen door ondeugdelijke aannamen voor de prijsstelling en de voorzieningen als gevolg van interne of externe factoren, met inbegrip van duurzaamheidsrisico’s, in te schatten en te beheren;”;

(b)

aan lid 1, onder c), wordt het volgende punt vi) toegevoegd:

“vi)

door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat duurzaamheidsrisico’s in verband met de beleggingsportefeuille correct worden geïdentificeerd, ingeschat en beheerd.”;

(c)

het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis.   De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen integreren duurzaamheidsrisico’s in hun in lid 1, onder a) en c), genoemde gedragslijnen en, in voorkomend geval, in gedragslijnen voor de overige in lid 1 genoemde gebieden.”.

(3)

Artikel 269 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1, onder e), wordt vervangen door:

“e)

zij onderkent en beoordeelt opdoemende risico’s en duurzaamheidsrisico’s.”;

(b)

het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis.   Opdoemende risico’s en duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in lid 1, onder e), en geïdentificeerd door de risicomanagementfunctie maken deel uit van de in artikel 262, lid 1, onder a), bedoelde risico’s.”.

(4)

In artikel 272, lid 6, wordt punt b) vervangen door:

“b)

het effect van inflatie, juridisch risico, duurzaamheidsrisico’s, verandering in de samenstelling van de portefeuille van de onderneming, en van bij specifieke homogene risicogroepen toegepaste systemen die de door verzekeringnemers betaalde premies opwaarts of neerwaarts aanpassen naargelang van hun schadeverleden (bonus-malussystemen), dan wel daarmee vergelijkbare systemen;”.

(5)

Aan artikel 275 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

“4.   Het beloningsbeleid omvat informatie over de vraag hoe in dat beleid de integratie van duurzaamheidsrisico’s in het risicomanagementsysteem in aanmerking wordt genomen.”.

(6)

Aan hoofdstuk IX van titel I wordt de volgende afdeling 6 toegevoegd:

AFDELING 6

Beleggingen

Artikel 275 bis

Integratie van duurzaamheidsrisico’s in het “prudent person”-beginsel

1.   Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit beleggingen voortvloeiende risico’s onderkennen, meten, bewaken, beheren, beheersen, rapporteren en inschatten, als bedoeld in artikel 132, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2009/138/EG, houden zij terdege rekening met duurzaamheidsrisico’s.

2.   Voor de toepassing van lid 1 houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening met het potentiële langetermijneffect van hun beleggingsstrategie en -beslissingen op duurzaamheidsfactoren en, in voorkomend geval, zijn die strategie en die beslissingen van een verzekeringsonderneming een afspiegeling van de duurzaamheidsvoorkeuren van haar cliënten, rekening houdende met met het productgoedkeuringsproces als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358 van de Commissie (*3).

(*3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358 van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot vereisten inzake producttoezicht en -governance voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs (PB L 341 van 20.12.2017, blz. 1).”."

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 augustus 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De Europese Green Deal, COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  SWD(2018) 264 final.

(6)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/18


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1257 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2017/2358 en Verordening (EU) 2017/2359 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren, -risico’s en -voorkeuren in de vereisten inzake producttoezicht en -governance voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs en in de regels inzake bedrijfsvoering en beleggingsadvies voor verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (1), en met name artikel 25, lid 2, artikel 28, lid 4, en artikel 30, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs (2) afgesloten. In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal (3) gekomen. De Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Om die doelstelling te verwezenlijken, moeten beleggers duidelijke signalen krijgen wat betreft hun beleggingen, om gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” gekomen (4), waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen.

(4)

Een correcte uitvoering van het Actieplan stimuleert de vraag van beleggers naar duurzame beleggingen. Daarom moet worden verduidelijkt dat duurzaamheidsfactoren en duurzaamheidsvoorkeuren in aanmerking dienen te worden genomen binnen de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358 van de Commissie (5) uiteengezette vereisten inzake productgovernance.

(5)

Verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen die verzekeringsproducten ontwikkelen, moeten bij het productgoedkeuringsproces van elk verzekeringsproduct en bij de overige regelingen inzake productgovernance en -toezicht duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen voor elk verzekeringsproduct dat is bedoeld om te worden gedistribueerd aan klanten die naar producten met een duurzaamheidsprofiel op zoek zijn.

(6)

Aangezien de doelmarkt voldoende fijnmazig moet worden afgebakend, kan niet worden volstaan met een algemene verklaring dat een verzekeringsproduct een duurzaamheidsprofiel heeft. De verzekeringsonderneming of de verzekeringstussenpersoon die het verzekeringsproduct ontwikkelt, moet integendeel nader aangeven bij welke groep klanten met specifieke duurzaamheidsdoelstellingen het de bedoeling is dat het verzekeringsproduct wordt gedistribueerd.

(7)

Om ervoor te zorgen dat verzekeringsproducten met duurzaamheidsfactoren ook voor klanten die geen duurzaamheidsvoorkeur hebben, gemakkelijk beschikbaar blijven, hoeft van verzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen die verzekeringsproducten ontwikkelen, niet te worden verlangd dat zij groepen klanten afbakenen voor wie het verzekeringsproduct niet verenigbaar is met hun behoeften, kenmerken en doelstellingen.

(8)

De duurzaamheidsfactoren van een verzekeringsproduct moeten transparant worden gepresenteerd zodat verzekeringsdistributeurs de betrokken informatie aan hun klanten of potentiële klanten kunnen verschaffen.

(9)

De effectbeoordeling op basis waarvan nadien wetgevingsinitiatieven zijn genomen, is in mei 2018 gepubliceerd (6) en liet zien dat er duidelijkheid moet komen over duurzaamheidsfactoren die verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, in het kader van hun verplichtingen ten aanzien van hun klanten en potentiële klanten in aanmerking moeten nemen.

(10)

Om een hoog niveau van beleggersbescherming aan te houden, moeten verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, bij het bepalen van de soorten belangenconflicten die de belangen van een klant of potentiële klant kunnen schaden, ook die soorten belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan doordat de duurzaamheidsvoorkeuren van een klant worden opgenomen. Bij bestaande klanten voor wie een geschiktheidsbeoordeling al is uitgevoerd, moeten verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen de mogelijkheid krijgen om de individuele duurzaamheidsvoorkeuren van de klant in kaart te brengen bij de volgende regelmatige bijwerking van de bestaande geschiktheidsbeoordeling.

(11)

Verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die advies verlenen over verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, moeten hun klanten of potentiële klanten verzekeringsgebaseerde producten kunnen aanbevelen en moeten dus vragen kunnen stellen om individuele duurzaamheidsvoorkeuren van een klant in kaart te kunnen brengen. Overeenkomstig de verplichting om distributieactiviteiten in overeenstemming met het beste belang van klanten uit te voeren, moeten aanbevelingen aan klanten of potentiële klanten zowel de financiële doelstellingen als duurzaamheidsvoorkeuren tot uiting brengen die door deze klanten zijn geformuleerd. Daarom moet worden verduidelijkt dat de integratie van duurzaamheidsfactoren in het adviesproces niet mag leiden tot prakijken van mis-selling of tot de foutieve voorstelling dat verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten duurzaamheidsvoorkeuren vervullen wanneer dat niet het geval is. Om dergelijke praktijken of foutieve voorstellingen te vermijden, moeten verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die advies verlenen over verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, allereerst andere beleggingsdoelstellingen en individuele omstandigheden van een klant of potentiële klant nagaan voordat zij naar haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren vragen.

(12)

Tot dusver zijn verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten ontwikkeld met een uitlopend ambitieniveau wat betreft duurzaamheid. Om klanten of potentiële klanten inzicht te kunnen geven in die verschillende mate van duurzaamheid en om weloverwogen beleggingsbeslissingen in termen van duurzaamheid te kunnen nemen, moeten verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, het verschil uitleggen tussen, enerzijds, verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten die — geheel of ten dele — duurzame beleggingen nastreven in economische activiteiten die kwalificeren als ecologisch duurzaam in de zin van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (7), duurzame investeringen in de zin van artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (8) en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten die rekening houden met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren en in aanmerking kunnen komen om te worden aanbevolen als beantwoordend aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren van klanten, en, anderzijds, andere verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten zonder die specifieke kenmerken die niet in aanmerking mogen komen om te worden aanbevolen aan de klanten of potentiële klanten die individuele duurzaamheidsvoorkeuren hebben.

(13)

De zorg moet worden weggenomen over “greenwashing”, met name de praktijk om een oneerlijk concurrentievoordeel te verkrijgen door een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct als milieuvriendelijk of duurzaam aan te bevelen, terwijl dat verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct niet aan elementaire milieu- of andere duurzaamheidsnormen voldoet. Om mis-selling en greenwashing te voorkomen, mogen verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, geen verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten aanbevelen als zouden deze aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren voldoen wanneer die producten niet aan die voorkeuren voldoen. Verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, moeten hun klanten of potentiële klanten uitleggen waarom zij dat niet doen en moeten die redenen documenteren.

(14)

Duidelijk moet worden gemaakt dat verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten die niet voor individuele duurzaamheidsvoorkeuren in aanmerking komen, nog steeds door verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, kunnen worden aanbevolen, maar niet als zouden deze aan individuele duurzaamheidsvoorkeuren voldoen. Om verdere aanbevelingen aan klanten of potentiële klanten te kunnen doen, moet de klant, wanneer verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten aan haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren voldoen, informatie over haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren kunnen aanpassen. Om mis-selling en greenwashing te voorkomen, moeten verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten distribueren, de beslissing van de klant, samen met de verklaring van de klant voor die aanpassing, documenteren.

(15)

De bepalingen van deze verordening houden nauw verband onderling en met die van Verordening (EU) 2019/2088, omdat daarmee een omvattend stelsel van rapportage van duurzaamheidsaspecten tot stand wordt gebracht. Om een coherente uitlegging en toepassing van deze bepalingen mogelijk te maken en om ervoor zorgen dat marktdeelnemers en bevoegde autoriteiten, maar ook beleggers daarvan een goed begrip en daartoe gemakkelijke toegang krijgen, is het wenselijk deze in één enkele rechtshandeling op te nemen.

(16)

De Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2017/2358 en (EU) 2017/2359 van de Commissie (9) moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

De bevoegde autoriteiten, verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen moeten voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe vereisten uit deze verordening aan te passen. Daarom moet de toepassing ervan worden uitgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 4, lid 3, onder a), wordt punt i) vervangen door:

“i)

het neemt de doelstellingen, belangen en kenmerken van klanten in aanmerking, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen;”.

2.

De artikelen 5 en 6 worden vervangen door:

“Artikel 5

De doelmarkt

1.   Met het productgoedkeuringsproces wordt voor elk verzekeringsproduct de doelmarkt en de groep verenigbare klanten afgebakend. De doelmarkt wordt voldoende fijnmazig afgebakend, rekening houdende met de kenmerken, het risicoprofiel, de complexiteit en de aard van het verzekeringsproduct, alsmede de duurzaamheidsfactoren ervan zoals omschreven in artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*1).

2.   Ontwikkelaars kunnen, met name waar het gaat om verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, groepen klanten afbakenen voor wie het verzekeringsproduct in de regel niet verenigbaar is met hun behoeften, kenmerken en doelstellingen, behalve wanneer verzekeringsproducten rekening houden met de in lid 1 bedoelde duurzaamheidsfactoren.

3.   Ontwikkelaars ontwerpen en brengen alleen verzekeringsproducten op de markt die verenigbaar zijn met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de tot de doelmarkt behorende klanten. Bij het beoordelen van de vraag of een verzekeringsproduct met een doelmarkt verenigbaar is, houden ontwikkelaars rekening met de mate waarin voor de tot die doelmarkt behorende klanten informatie beschikbaar is en met hun financiële geletterdheid.

4.   Ontwikkelaars zorgen ervoor dat het personeel dat betrokken is bij het ontwerp en de ontwikkeling van verzekeringsproducten over de nodige vaardigheden, kennis en deskundigheid beschikt om het verkochte product en de belangen, doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, en kenmerken van de tot de doelmarkt behorende klanten te kunnen begrijpen.

Artikel 6

Producttests

1.   Ontwikkelaars voeren passende tests uit voor hun verzekeringsproducten, met inbegrip van, voor zover relevant, scenarioanalyses, voordat ze dat product op de markt brengen of het significant wijzigen, of ingeval de doelmarkt ingrijpend is veranderd. Bij dat testen van producten wordt nagegaan of het verzekeringsproduct gedurende zijn hele levensduur voldoet aan de vastgestelde behoeften, doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, en kenmerken van de tot de doelmarkt behorende klanten. Ontwikkelaars testen hun verzekeringsproducten kwalitatief en, afhankelijk van het type en de aard van het verzekeringsproduct en het daaraan verbonden risico van schade voor klanten, kwantitatief.

2.   Ontwikkelaars brengen verzekeringsproducten niet op de markt indien uit de resultaten van de producttests blijkt dat de producten niet zijn afgestemd op de vastgestelde belangen, doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, en kenmerken van de doelmarkt.

(*1)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

3.

In artikel 7 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Ontwikkelaars monitoren door hen op de markt gebrachte producten voortdurend en evalueren deze op regelmatige basis, om gebeurtenissen op te sporen die wezenlijke invloed kunnen hebben op de belangrijkste kenmerken, de risicodekking of de garanties van die producten. Zij beoordelen of de verzekeringsproducten blijven beantwoorden aan de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de afgebakende doelmarkt en of die producten worden gedistribueerd op de doelmarkt dan wel klanten buiten de doelmarkt bereiken.”.

4.

In artikel 8 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Aan de hand van de in lid 2 genoemde informatie zijn verzekeringsdistributeurs in staat om:

a)

de verzekeringsproducten te begrijpen;

b)

inzicht te krijgen in de voor de verzekeringsproducten afgebakende doelmarkt;

c)

klanten te identificeren voor wie het verzekeringsproduct niet verenigbaar is met hun behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen;

d)

voor de betrokken verzekeringsproducten distributieactiviteiten uit te voeren in overeenstemming met het beste belang van hun klanten, zoals verlangd in artikel 17, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/97.”.

5.

In artikel 10 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De regelingen voor productdistributie:

a)

zijn gericht op het voorkomen en limiteren van nadelige gevolgen voor de klant;

b)

ondersteunen een correct beheer van belangenconflicten;

c)

zorgen ervoor dat de doelstellingen, belangen en kenmerken van klanten, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, terdege in aanmerking worden genomen.”.

6.

Artikel 11 wordt vervangen door:

“Artikel 11

Informatieverschaffing aan de ontwikkelaar

Verzekeringsdistributeurs die tot de bevinding komen dat een verzekeringsproduct niet in overeenstemming is met de belangen, doelstellingen en kenmerken, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de daarvoor afgebakende doelmarkt of die kennis krijgen van andere productgerelateerde omstandigheden die ongunstig kunnen uitwerken voor de klant, stellen de ontwikkelaar onverwijld daarvan in kennis en passen, waar nodig, hun distributiestrategie voor dat verzekeringsproduct aan.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2359

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2359 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan artikel 2 worden de volgende punten 4 en 5 toegevoegd:

“4.

“duurzaamheidsvoorkeuren”: de keuze van een klant of potentiële klant ten aanzien van de vraag of, en zo ja, in welke mate een of meer van de volgende financiële producten in haar of zijn beleggingsstrategie moet worden geïntegreerd:

a)

een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct waarvoor de klant of potentiële klant bepaalt dat een minimumpercentage moet worden belegd in ecologisch duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (*2);

b)

een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct waarvoor de klant of potentiële klant bepaalt dat een minimumpercentage moet worden belegd in duurzame beleggingen in de zin van artikel 2, punt 17, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*3);

c)

een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct dat rekening houdt met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren waarbij de klant of potentiële klant de kwantitatieve of kwalitatieve elementen bepaalt waaruit moet blijken dat met die effecten rekening wordt gehouden;

5.

“duurzaamheidsfactoren”: duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088.

(*2)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13)."

(*3)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

2.

In artikel 3 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Met het oog op het identificeren, overeenkomstig artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/97, van de soorten belangenconflicten die zich voordoen in de loop van het uitvoeren van verzekeringsdistributieactiviteiten in verband met verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten en die een risico meebrengen van schade aan de belangen van een klant, met inbegrip van haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren, beoordelen verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen of zijzelf, een relevante persoon of een persoon die direct of indirect met hen is verbonden door een zeggenschapsband, bij het resultaat van de verzekeringsdistributieactiviteiten een belang hebben dat aan het volgende criteria voldoet:

a)

het onderscheidt zich van het belang van de klant of potentiële klant bij het resultaat van de verzekeringsdistributieactiviteiten;

b)

het heeft het potentieel om het resultaat van de distributieactiviteiten ten koste van de klant te beïnvloeden.

Verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen gaan op dezelfde manier te werk voor de identificatie van belangenconflicten tussen een klant en een andere klant.”.

3.

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

de transactie voldoet aan de beleggingsdoelstellingen van de betrokken klant of potentiële klant, met inbegrip van de risicotolerantie en duurzaamheidsvoorkeuren van die persoon;”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   De informatie over de beleggingsdoelstellingen van de klant of potentiële klant bevat, voor zover van toepassing, gegevens over de duur van de periode waarvoor de klant of potentiële klant de belegging wil aanhouden, haar of zijn voorkeur wat betreft het nemen van bepaalde risico’s, het risicoprofiel, de bedoeling van de belegging en, daarnaast, haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren. Het niveau van verzamelde informatie is aangepast aan het specifieke type product of dienst dat in aanmerking wordt genomen.”;

c)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   Bij het verstrekken van advies over een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/97, doet een verzekeringstussenpersoon of verzekeringsonderneming geen aanbeveling indien geen van de producten geschikt is voor de klant of potentiële klant.

Een verzekeringstussenpersoon of verzekeringsonderneming beveelt geen verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten aan als zouden deze aan de duurzaamheidsvoorkeuren van een klant of potentiële klant voldoen indien die verzekeringsgebaseerde producten niet aan die voorkeuren voldoen. De verzekeringstussenpersoon of verzekeringsonderneming legt de klant of potentiële klanten uit waarom zij dat niet doen en documenteren die redenen.

Wanneer geen verzekeringsgebaseerde product aan de duurzaamheidsvoorkeuren van de klant of potentiële klant voldoet, en de klant besluit haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren aan te passen, documenteert de verzekeringstussenpersoon of de verzekeringsonderneming de beslissing van de klant, samen met de redenen voor die beslissing.”.

4.

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder b), punt i), wordt vervangen door:

“i)

de beleggingsdoelstellingen van de klant, met inbegrip van de risicotolerantie van die persoon, en de vraag of de beleggingsdoelstellingen van de klant worden behaald door haar of zijn duurzaamheidsvoorkeuren in aanmerking te nemen;”;

b)

aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De vereisten om aan de duurzaamheidsvoorkeuren van klanten of potentiële klanten te voldoen, laten, in voorkomend geval, de in de eerste alinea bepaalde voorwaarden onverlet.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 augustus 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(3)  COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2358 van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot vereisten inzake producttoezicht en -governance voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs (PB L 341 van 20.12.2017, blz. 1).

(6)  SWD(2018) 264 final.

(7)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(8)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(9)  GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/2359 VAN DE COMMISSIE van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PB L 341 van 20.12.2017, blz. 8).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1258 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen “(Őrségi tökmagolaj” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Hongarije tot registratie van de naam “Őrségi tökmagolaj” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Őrségi tökmagolaj” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Őrségi tökmagolaj” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.5 (Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 103 van 25.3.2021, blz. 18.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/26


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1259 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Tuzséri alma” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Hongarije tot registratie van de naam “Tuzséri alma” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Tuzséri alma” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Tuzséri alma” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 102 van 24.3.2021, blz. 21.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1260 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Pera Mantovana” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Italië tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding “Pera Mantovana”, die is geregistreerd bij Verordening (EG) nr. 134/98 van de Commissie (2).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Pera Mantovana” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 134/98 van de Commissie van 20 januari 1998 tot aanvulling van de bijlage van Verordening (EG) nr. 1107/96 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2081/92 (PB L 15 van 21.1.1998, blz. 6).

(3)   PB C 93 van 19.3.2021, blz. 39.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1261 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Olio di Roma” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Italië tot registratie van de naam “Olio di Roma” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Olio di Roma” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Olio di Roma” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.5 (Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 112 van 30.3.2021, blz. 12.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1262 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Iaşi” (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft de door Roemenië overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 doorgestuurde aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde oorsprongsbenaming “Iaşi” onderzocht.

(2)

Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(3)

Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend overeenkomstig artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(4)

De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Iaşi” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB C 93 van 19.3.2021, blz. 68.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1263 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot verlening van de in artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde bescherming aan de naam (“Muškat momjanski/Moscato di Momiano” (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 97, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de door Kroatië doorgestuurde aanvraag tot registratie van de naam “Muškat momjanski/Moscato di Momiano” onderzocht en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (2).

(2)

Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend overeenkomstig artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(3)

De naam “Muškat momjanski/Moscato di Momiano” moet overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden beschermd en moet worden ingeschreven in het in artikel 104 van die verordening bedoelde register.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Muškat momjanski/Moscato di Momiano” (BOB) wordt beschermd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB C 36 van 2.2.2021, blz. 22.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1264 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Coteaux du Libron” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/33 van de Commissie van 17 oktober 2018 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft aanvragen tot bescherming van oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen in de wijnsector, de bezwaarprocedure, gebruiksbeperkingen, wijzigingen van productdossiers, de annulering van bescherming en de etikettering en presentatie (1), en met name artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft de door Frankrijk overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 doorgestuurde aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding “Coteaux du Libron” onderzocht. Die wijziging bestaat er onder meer in dat de naam “Coteaux du Libron” wordt gewijzigd in “Coteaux de Béziers”.

(2)

Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(3)

Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(4)

De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, in samenhang met artikel 15, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/33.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Coteaux du Libron” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 9 van 11.1.2019, blz. 2.

(2)   PB C 412 van 30.11.2020, blz. 18.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/32


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1265 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot registratie van een geografische aanduiding van een gedistilleerde drank op grond van artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad (“Bayerischer Bärwurz”)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/787 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 110/2008 (1), en met name artikel 30, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft de Commissie de aanvraag van Duitsland van 7 juni 2019 tot registratie van de geografische aanduiding “Bayerischer Bärwurz” onderzocht.

(2)

Verordening (EU) 2019/787, die Verordening (EG) nr. 110/2008 vervangt, is op 25 mei 2019 in werking getreden. Overeenkomstig artikel 49, lid 1, van die verordening is hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 110/2008, dat betrekking heeft op geografische aanduidingen, ingetrokken met ingang van 8 juni 2019.

(3)

Nadat de Commissie tot de conclusie was gekomen dat de aanvraag voldoet aan Verordening (EG) nr. 110/2008, heeft zij overeenkomstig artikel 50, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EU) 2019/787 de belangrijke specificaties uit het technisch dossier krachtens artikel 17, lid 6, van Verordening (EG) nr. 110/2008 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3).

(4)

Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Verordening (EU) 2019/787.

(5)

Derhalve moet de aanduiding “Bayerischer Bärwurz” als geografische aanduiding worden geregistreerd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De geografische aanduiding “Bayerischer Bärwurz” wordt geregistreerd. Overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Verordening (EU) 2019/787 verleent de onderhavige verordening de in artikel 21 van Verordening (EU) 2019/787 bedoelde bescherming aan de naam “Bayerischer Bärwurz”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 130 van 17.5.2019, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(3)   PB C 129 van 13.4.2021, blz. 26.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1266 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2021

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 599/2009 (2) een definitief antidumpingrecht variërend van 0 EUR tot 198 EUR per ton ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dat moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209820), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009120), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009920), ex 2710 19 41 (Taric-code 2710194120), 3824 90 91, ex 3824 90 97 (Taric-code 3824 90 97 87), van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna “de VS” of “het betrokken land” genoemd). Het antidumpingrecht dat bij die verordening werd ingesteld, wordt hierna aangeduid als “de oorspronkelijke maatregelen”. Het onderzoek dat leidde tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen wordt hierna “het oorspronkelijke onderzoek” genoemd.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 van de Raad (3) heeft de Raad naar aanleiding van de uitkomst van een antiontwijkingsonderzoek het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad was ingesteld, uitgebreid tot de invoer van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die worden geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville en Rothsay Biodiesel, Guelph, beide gevestigd in Ontario, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Raad het definitieve antidumpingrecht dat was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 (4) heeft de Europese Commissie de definitieve antidumpingmaatregelen op biodiesel van oorsprong uit de VS opnieuw ingesteld naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (“het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”).

(4)

Bovendien is bij Verordening (EU) 2015/1518, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/676 (5), het definitieve antidumpingrecht eveneens uitgebreid tot de invoer van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die zijn geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville, en Rothsay Biodiesel, Guelph, beide gevestigd in Ontario, Canada, alsook DSM Nutritional Products Canada Inc., Dartmouth, Nova Scotia, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Europese Commissie het definitieve antidumpingrecht eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(5)

De thans geldende antidumpingrechten zijn vaste bedragen die variëren tussen 0 EUR per ton en 198 EUR per ton op de invoer van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, 115,6 EUR per ton op de invoer van de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen en een vast bedrag van 172,2 EUR per ton op de invoer van alle andere ondernemingen.

(6)

Bovendien werd Verordening (EU) 2015/1518 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1598 van de Commissie (6) gewijzigd door ondernemingen die in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek geen biodiesel hebben uitgevoerd, toe te staan een nieuw onderzoek aan te vragen om na te gaan of zij kunnen worden onderworpen aan het recht dat is ingesteld ten aanzien van de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen.

(7)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1121 van de Commissie (7) is naar aanleiding van een verzoek om behandeling als nieuwe producent-exporteur Verordening (EU) 2015/1518 gewijzigd door de Amerikaanse onderneming Organic Technologies, Coshocton (Ohio), toe te voegen aan bijlage I, waardoor deze onderneming thans wordt onderworpen aan het gewogen gemiddelde recht van 115,6 EUR per ton dat van toepassing is op niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen.

1.2.   Verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

(8)

Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden vervallen (8), heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een verzoek om een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen.

(9)

Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 11 juni 2020 ingediend door de European Biodiesel Board (“EBB” of “de indiener van het verzoek”), namens producenten in de Unie die goed zijn voor meer dan 25 % van de totale productie van biodiesel in de Unie. De reden voor dit verzoek om een nieuw onderzoek was dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot herhaling van dumping en herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie.

1.3.   Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen

(10)

Daar de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité, tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijs was om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 14 september 2020 een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen geopend met betrekking tot de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (9) (“het bericht van opening”).

(11)

Op dezelfde datum heeft de Commissie een afzonderlijk nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS (10).

(12)

De regering van Canada maakte opmerkingen over deze opening en stelde dat, indien de maatregelen zouden worden gehandhaafd, de aan drie Canadese biodieselproducenten verleende vrijstelling moest worden gehandhaafd. In artikel 2 van de onderhavige verordening werd de vrijstelling gehandhaafd.

1.4.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(13)

Het onderzoek naar de voortzetting of herhaling van dumping heeft betrekking op de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 (“tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade heeft betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”).

1.5.   Terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU

(14)

Deze zaak is ingeleid op 14 september 2020, dus tijdens de tussen het Verenigd Koninkrijk (“VK”) en de EU overeengekomen overgangsperiode waarin het VK onderworpen bleef aan het Unierecht. Deze periode is op 31 december 2020 afgelopen. Bijgevolg komen ondernemingen en verenigingen uit het VK sinds 1 januari 2021 niet langer in aanmerking als belanghebbenden bij deze procedure.

(15)

In een nota bij het dossier (11) van 15 januari 2021 heeft de Commissie marktdeelnemers uit het VK die van mening waren dat zij niettemin nog steeds als belanghebbende in aanmerking komen, verzocht contact met haar op te nemen. BP OIL International Limited en Argent Energy verzochten om nog steeds als belanghebbenden te worden beschouwd en verkregen dit recht op basis van het overgelegde bewijsmateriaal. Beide ondernemingen hebben met name bewijs geleverd voor het bestaan van verbonden entiteiten binnen de respectieve groep die actief zijn op de markt van de Unie. Anderzijds is de Britse moedermaatschappij Valero Energy Limited vervangen door haar Ierse dochteronderneming Valero Energy Limited Ireland, aangezien de laatstgenoemde onderneming actief is op de markt van de Unie.

1.6.   Belanghebbenden

(16)

In het bericht van opening is de belanghebbenden verzocht contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten in de VS alsmede de Amerikaanse autoriteiten en de haar bekende betrokken importeurs, gebruikers, handelaren en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(17)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. De Commissie heeft geen verzoeken om een hoorzitting ontvangen.

1.7.   Steekproef

(18)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

1.7.1.   Steekproef van producenten in de Unie

(19)

Op 14 september 2020 heeft de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig punt 5.4 van het bericht van opening in kennis gesteld van de voorlopige steekproef van producenten in de Unie. Zij heeft de steekproef samengesteld op basis van de omvang van de productie en het verkoopvolume van het soortgelijke product in 2019 evenals de geografische locatie van de producenten van het soortgelijke product. Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden 17,5 % van de geschatte totale productievolumes van het soortgelijke product in de Unie en een goede geografische spreiding werd gewaarborgd. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen binnen de termijn van zeven dagen na de kennisgeving van de voorlopige steekproef van producenten in de Unie.

1.7.2.   Steekproef van importeurs

(20)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

(21)

Slechts één niet-verbonden importeur, Shell Trading Rotterdam BV, heeft de gevraagde informatie verstrekt en bijgevolg heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was.

1.7.3.   Steekproef van producenten-exporteurs

(22)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle haar bekende producenten-exporteurs in de VS verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de autoriteiten van het betrokken land verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek aan te wijzen en/of contact met hen op te nemen.

(23)

Bij de opening van het onderzoek werd een kopie van de vragenlijsten in het dossier voor inzage door belanghebbenden en op de website van DG Handel beschikbaar gesteld.

(24)

Drie producenten-exporteurs in de VS hebben zich gemeld en zich bereid verklaard met de Commissie mee te werken in het kader van het onderzoek. Gelet op het lage aantal heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. Daarom werd alle drie ondernemingen die zich kenbaar hebben gemaakt, verzocht een vragenlijst in te vullen en deze binnen de vastgestelde termijn bij de Commissie in te dienen.

1.8.   Gebrek aan medewerking uit het betrokken land

(25)

Op 15 oktober 2020 heeft een van deze drie ondernemingen de Commissie per e-mail meegedeeld dat zij geen verdere medewerking zou verlenen. Bovendien hebben de twee andere ondernemingen de gevraagde informatie ook niet binnen de vereiste termijn verstrekt door de vragenlijst in te vullen en terug te sturen.

(26)

Op 10 november 2020 heeft de Commissie aan alle drie de ondernemingen een brief gestuurd over het voornemen om artikel 18 van de basisverordening toe te passen en de bevindingen van het onderzoek op de beschikbare gegevens te baseren. Ook de autoriteiten van de VS werden van dit voornemen op de hoogte gesteld. De termijn voor het indienen van opmerkingen naar aanleiding van de brief was 17 november 2020. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

(27)

Aangezien geen van de drie producenten-exporteurs in de VS aan het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen meewerkte, werd besloten de bepalingen van artikel 18 van de basisverordening toe te passen en de bevindingen op de beschikbare gegevens te baseren.

1.9.   Vragenlijsten

(28)

Bij de opening van het onderzoek werd een kopie van de vragenlijsten in het dossier voor inzage door belanghebbenden en op de website van DG Handel beschikbaar gesteld.

(29)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en van een niet-verbonden importeur in de Unie.

1.10.   Controle

(30)

Gezien de uitbraak van COVID-19 en de inperkingsmaatregelen die door verschillende lidstaten en door verschillende derde landen zijn genomen, kon de Commissie geen controlebezoeken op grond van artikel 16 van de basisverordening verrichten. In plaats daarvan heeft de Commissie alle informatie die zij voor haar vaststellingen nodig achtte, op afstand getoetst in overeenstemming met haar mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (12). De Commissie heeft toetsingen op afstand verricht bij de volgende ondernemingen/partijen:

 

Producenten in de Unie

SAIPOL Bu Diester, Frankrijk

CAMPA Iberia S.A.U., Spanje

VERBIO Vereinigte BioEnergie AG, Duitsland

 

Importeurs

Shell Trading Rotterdam BV, Nederland

1.11.   Mededeling van feiten en overwegingen

(31)

Op 21 mei 2021 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen medegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de van kracht zijnde antidumpingrechten te handhaven. Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen ten aanzien van de mededeling van feiten en overwegingen.

(32)

De Commissie heeft de opmerkingen van belanghebbenden overwogen en, voor zover van toepassing, in aanmerking genomen. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(33)

Het betrokken product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek en het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, namelijk door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209829), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009129), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009929), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194329), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194629), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194729), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201129), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201629), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999212), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001029, 3826001059, 3826001099), ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009019) (“het betrokken product”).

(34)

Biodiesel is een hernieuwbare brandstof die wordt geproduceerd uit een breed scala aan grondstoffen, namelijk plantaardige oliën zoals raapzaadolie, sojaolie, palmolie, gebruikte frituuroliën (UFO), dierlijke vetten of biomassa.

(35)

Biodiesel wordt in de vervoersector gebruikt, voornamelijk gemengd met minerale diesel (d.w.z. aardolie/conventionele diesel) en zeer zelden in zuivere vorm (B100).

2.2.   Soortgelijk product

(36)

Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek en in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, heeft dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigd dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en [technische] basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt:

het betrokken product,

het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van de VS, en

het product dat in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en aldaar wordt verkocht.

(37)

Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

2.3.   Argumenten betreffende de productomschrijving

(38)

De Zweedse onderneming Preem AB en Valero Energy Ltd Ireland, brandstofproducenten en -leveranciers en als dusdanig gebruikers van het betrokken product, voerden aan dat biodiesel uit vetzuurmethylester (FAME) en biodiesel uit waterstofbehandelde plantaardige olie (HVO) twee verschillende soorten biodiesel zijn en dat HVO van de huidige productomschrijving moet worden uitgesloten. In de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen van 2009 (13) worden alle soorten biodiesel en biodieselmengsels beschouwd als biodieselbrandstoffen. FAME en HVO kunnen beide met diesel worden gemengd en ondanks enkele verschillen in fysieke kenmerken is het eindgebruik van het product hetzelfde en worden beide producten door de bedrijfstak van de Unie geproduceerd. Bovendien werd op basis van HVO’s geproduceerde dieselbrandstof in de klacht in het oorspronkelijke onderzoek expliciet omschreven als onderdeel van het betrokken product en heeft geen enkele belanghebbende die verklaring toen betwist. Derhalve werd het argument afgewezen.

3.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

(39)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen.

3.1.   Inleidende opmerkingen

(40)

Wegens het gebrek aan medewerking, zoals uiteengezet in de overwegingen 25 tot en met 27, was het niet mogelijk een analyse uit te voeren op basis van gecontroleerde gegevens die door producenten in de VS waren verstrekt.

(41)

Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening zijn de bevindingen met betrekking tot de waarschijnlijkheid van de voortzetting of herhaling van dumping dan ook gebaseerd op de beschikbare gegevens. Daarom heeft de Commissie de volgende informatiebronnen gebruikt: het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en de daaropvolgende opmerkingen van de indiener van het verzoek, Eurostat, de Global Trade Atlas (GTA) en de websites van de US Energy Information Administration (EIA) en het Amerikaanse ministerie van Landbouw (USDA).

3.2.   Voortzetting van dumping

(42)

Na de instelling van maatregelen in 2009 werd de invoer in de Unie van biodiesel uit de VS vanaf 2013 tot bijna nul herleid. Zo werd in het TNO (van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020) zo'n 156 ton uit de VS ingevoerd. Deze hoeveelheden vertegenwoordigen slechts 0,04 % van de totale uitvoer van de VS en nog minder van het verbruik in de Unie. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat deze geringe hoeveelheden geen toereikende basis vormen voor voortzetting van een dumpinganalyse. De Commissie heeft haar onderzoek dan ook toegespitst op de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping indien de maatregelen zouden komen te vervallen.

3.3.   Herhaling van dumping

(43)

De Commissie heeft onderzocht of herhaling van dumping waarschijnlijk zou zijn indien de maatregelen zouden komen te vervallen. In het bijzonder werden de volgende elementen geanalyseerd: de verhouding tussen de prijzen van het product indien het wordt geproduceerd en verkocht in de Unie of in de VS, de verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen in de VS, de verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijspeil in de Unie, de onbenutte capaciteit in de VS en ontwijkings- en absorptiepraktijken.

3.3.1.   Vergelijking tussen de prijzen van het product indien het wordt geproduceerd en verkocht in de Unie of in de VS

(44)

De diensten van de Commissie hebben voor de vaststelling van de binnenlandse verkoopprijs van biodiesel in de VS in het TNO gebruikgemaakt van twee informatiebronnen: i) informatie verstrekt door het Amerikaanse Ministerie van Landbouw (USDA) en ii) informatie in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen.

(45)

Voor het TNO duidde de door de USDA verstrekte informatie op een binnenlandse verkoopprijs af fabriek van 909,05 USD per ton. Op basis van de gemiddelde wisselkoers euro/dollar tijdens het TNO (1 EUR = 1,105 USD), komt dit bedrag overeen met een Amerikaanse binnenlandse verkoopprijs van 822,31 EUR per ton. Dit benadert sterk de gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, waarin werd verwezen naar een binnenlandse verkoopprijs van 918,06 USD (820 EUR) per ton. De Commissie achtte het passend de binnenlandse prijs van de VS als vastgesteld (822,31 EUR) te beschouwen voor haar analyse van herhaling.

(46)

Zoals blijkt uit onderstaande tabel bedroeg de gemiddelde prijs af fabriek van biodiesel die in het TNO door producenten in de Unie werd verkocht in de Unie 771 EUR per ton.

(47)

Om opnieuw de markt van de Unie te betreden, zouden de producenten in de VS moeten verkopen tegen een prijs van ongeveer 771 EUR per ton of minder. In hun uiteindelijke prijs moeten ook de kosten van vervoer over zee, verzekering en de bestaande douanerechten voor biodiesel (6,5 %) verrekend worden. Volgens de gegevens die tijdens het onderzoek zijn verkregen, zouden deze kosten neerkomen op ongeveer 92 EUR per ton. De Commissie baseerde dit bedrag op het bedrag van a) vervoer en vracht, zoals berekend door de indiener van het verzoek, en b) douanerechten (6,5 %) die van toepassing zijn op de prijs bij invoer van biodiesel uit de VS, zoals berekend door de Commissie na raadpleging van openbaar beschikbare informatie zoals de Global Trade Atlas (“GTA”), en heeft het tot 106 EUR afgerond om ook wat extra kosten na invoer te dekken.

(48)

Indien de producenten in de VS hun uitvoer naar de Unie tegen concurrerende prijzen hervatten, zouden zij dit hoogstwaarschijnlijk moeten doen tegen een prijs af fabriek van minder dan 665 EUR per ton, die lager zou zijn dan hun binnenlandse verkoopprijs in de VS en dus op dumping zou neerkomen.

3.3.2.   Vergelijking tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen in de VS

(49)

De Commissie heeft het prijspatroon van de uitvoer van biodiesel uit de VS naar derde landen tijdens het TNO verder geanalyseerd.

(50)

Zij heeft openbare informatie geraadpleegd, zoals de Global Trade Atlas (“GTA”) en de hoeveelheden en waarden van de uitvoer van biodiesel onder de GS-code 3826 00 voor het TNO geëxtraheerd. De uitvoer (in ton) naar alle landen (inclusief de EU) bedraagt 389 075 ton, waarvan 14 ton naar de Unie werd uitgevoerd.

(51)

Onderstaande tabel toont de gemiddelde verkoopprijs in USD per ton, gecorrigeerd tot af fabriek (door aftrek van 82,52 USD per ton voor de binnenlandse vracht zoals aangegeven in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen) voor de zes landen (buiten de EU) waarnaar de VS meer dan 0,1 % van hun totale uitvoer tijdens het TNO uitvoerden.

Tabel 1

Volume en prijzen van de uitvoer uit de VS tijdens het TNO

Landen van bestemming

Uitgevoerde hoeveelheden (ton)

Percentage van de uitvoer naar alle landen

Gemiddelde prijs af fabriek (USD) per ton

Gemiddelde prijs af fabriek (EUR) per ton

Gemiddelde binnenlandse prijs af fabriek in de VS (EUR) per ton (zie overweging 45)

Canada

354 442

91,1

805,33

728,48

822,31

China

12 363

3,2

316,49

286,29

822,31

Noorwegen

3 500

0,9

862,48

780,18

822,31

Peru

2 144

0,6

591,72

535,26

822,31

Mexico

1 204

0,3

661,23

598,13

822,31

Zuid-Korea

475

0,1

363,15

328,49

822,31

Bron: GTA.

(52)

Uit de tabel blijkt dat de producenten in de VS voor de zes landen van uitvoer verkopen tegen prijzen die onder hun binnenlandse verkoopprijzen liggen, variërend van 5 % tot 65 %. Uit de tabel blijkt een grote variatie in de uitvoerprijzen tussen de verschillende landen waarnaar de VS in het TNO het meest uitvoerden.

(53)

Ten slotte blijkt uit de tabel dat de hoogste gemiddelde uitvoerprijzen die zijn naar landen als Canada en Noorwegen, waaraan de VS 92 % van hun totale uitvoer verkopen. In het verzoek is in dit verband bepaald dat de duurdere “biodiesel die naar Canada wordt uitgevoerd, moet worden vervaardigd van specifieke soorten grondstoffen die beter bestand zijn tegen koude temperaturen, zoals koolzaad, of HVO, met uitstekende koude-eigenschappen” . Als gevolg hiervan worden de hogere gemiddelde prijzen bij uitvoer naar de twee betrokken landen verklaard door de hogere kostprijs van de grondstof (bv. koolzaad).

3.3.3.   Vergelijking tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijsniveau van de bedrijfstak van de Unie

(54)

De EU-markt is een aantrekkelijke markt voor de uitvoer van biodiesel uit de VS. Op basis van de in overweging 49 bedoelde GTA-databank werd vervolgens tijdens het TNO een eenvoudige gemiddelde uitvoerprijs naar alle bestemmingen berekend (cf. overweging 55), rekening houdend met de volgende elementen:

Wegens de grote variatie in de uitvoerprijzen van de VS (zie ook de tabel in overweging 51) heeft de Commissie alle landen die voor de VS een aandeel van minder dan 0,1 % van hun totale verkoopvolume in het TNO vertegenwoordigden, van deze berekening uitgesloten. In totaal waren er zes landen (buiten de EU) met een aandeel van meer dan 0,1 % van de totale uitvoer van de VS, zoals aangegeven in de tabel in overweging 51.

Zoals ook blijkt uit dezelfde tabel, zijn de hoogste gemiddelde uitvoerprijzen die naar landen als Canada en Noorwegen, waaraan de VS 92 % van hun totale uitvoer verkopen. Zoals toegelicht in overweging 53, zijn deze hogere uitvoerprijzen toe te schrijven aan de hogere kostprijs van de grondstof (bv. koolzaad).

De uitvoer van biodiesel naar de EU zal vanwege de uiteenlopende klimatologische omstandigheden in de EU voornamelijk een mix van verschillende soorten biodiesel zijn. In Noord-Europa zal vooral biodiesel worden gebruikt die beter bestand is tegen koude temperaturen.

Bijgevolg geeft de berekening van een eenvoudige gemiddelde uitvoerprijs in het kader van de huidige beoordeling een getrouwe weergave van de gemiddelde prijs die op de markt van de Unie zou worden waargenomen en wordt voorkomen dat onevenredig veel gewicht wordt toegekend aan de uitvoer naar Canada en Noorwegen, gezien de mix van biodieselsoorten die waarschijnlijk zouden worden uitgevoerd naar de Unie, waar de klimaatomstandigheden tussen de lidstaten sterk uiteenlopen.

(55)

Rekening houdend met alle bovenstaande elementen heeft de Commissie een eenvoudige gemiddelde uitvoerprijs berekend van 682 USD per ton (617 EUR). Deze gemiddelde uitvoerprijs van 617 EUR is een fob-prijs waarbij de kosten van vervoer over zee en verzekering moeten worden opgeteld om tot een cif-prijs te komen. Deze kosten werden in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen geraamd op zo’n 52 USD per ton (47 EUR).

(56)

De Commissie is van mening dat 47 EUR per ton een redelijke indicatie is voor de extra kosten van vervoer over zee naar andere bestemmingen en de daaraan verbonden verzekeringen. De gemiddelde prijs bij uitvoer uit de VS naar derde landen werd aldus vastgesteld op 617 EUR (fob-prijs), wat betekent dat het bestaande douanerecht (6,5 %) (in totaal afgerond op 104 EUR per ton om ook wat extra kosten na invoer te dekken) van de VS naar de EU (in totaal ongeveer 721 EUR per ton) ver onder de prijs af fabriek van de bedrijfstak van de Unie van 771 EUR per ton zou liggen.

(57)

Hieruit blijkt dat de producenten-exporteurs uit de VS tegen een prijs van minder dan 771 EUR per ton zouden kunnen verkopen om tot de markt van de Unie te kunnen doordringen, en dat dit voor hen een prikkel zou zijn om een deel van de huidige uitvoer naar derde landen te verleggen naar de markt van de Unie, aangezien deze aantrekkelijker is dan de markten van sommige andere derde landen.

3.3.4.   Reservecapaciteit

(58)

Wegens het gebrek aan medewerking van de producenten in de VS heeft de Commissie de productiecapaciteit van de VS vastgesteld op basis van de beschikbare informatie op de website van de US Energy Information Administration (EIA).

(59)

Biodieselproducenten in de VS moeten hun bestaande en geplande productiecapaciteit en tevens hun productie, input, voorraden en verkoop van biodiesel aan deze instantie doorgeven (respectievelijk jaarlijks en maandelijks).

Op basis van de gegevens van het EIA bedroeg de capaciteit van de biodieselproducenten in de VS tijdens het TNO 8 412 000 ton.

(60)

De werkelijke productie van biodiesel in de VS tijdens het TNO bedroeg 5 718 000 ton (bron: EIA), hetgeen neerkomt op een bezettingsgraad van 68 % en een reservecapaciteit van 32 %, oftewel 2 694 000 ton. Deze aanzienlijke reservecapaciteit van de producenten in de VS is een stimulans om de productie te verhogen en biodiesel tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie te verkopen en zal daarom waarschijnlijk worden gebruikt om de markt van de Unie te bevoorraden indien de maatregelen komen te vervallen. De Amerikaanse producenten kunnen hun productie inderdaad gemakkelijk verhogen en naar de EU uitvoeren, met als economische voordelen een stijging van de bezettingsgraad en een vermindering van de productiekosten per eenheid. Als de reservecapaciteit van de VS in de Unie op de markt zou worden gebracht, zouden de gevolgen aanzienlijk zijn, want deze hoeveelheid komt overeen met bijna 18 % van het verbruik in de Unie tijdens het TNO.

(61)

Tijdens het TNO lag de productie van biodiesel in de VS (5 718 000 ton) onder het verbruik (5 934 000 ton). Als gevolg daarvan voerde de VS meer biodiesel in dan uit. Tijdens het TNO bedroeg de totale invoer 629 000 ton en de totale uitvoer 428 000 ton. Als de beschikbare productiecapaciteit tijdens de beoordelingsperiode niet werd gebruikt om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag, is het onwaarschijnlijk dat dezelfde beschikbare productiecapaciteit in de toekomst wel voor dit doel zou worden ingezet. De in het TNO gerapporteerde productiecapaciteit in de VS (8 412 000 ton, zie vorige overweging) lag aanzienlijk hoger dan het binnenlandse verbruik. Dit betekent dat, als exportmarkten worden opengesteld, de producenten in de VS waarschijnlijk hun reservecapaciteit zullen gebruiken voor uitvoer in plaats van voor binnenlands verbruik.

(62)

Het is onwaarschijnlijk dat de reservecapaciteit zou worden gebruikt om de uitvoer naar andere derde landen buiten de EU te verhogen. De markten van grote derde landen (Brazilië, Indonesië, Argentinië, China, Thailand) zijn zelfvoorzienend wat de binnenlandse productie van biodiesel betreft, en de VS hebben ondanks hun reservecapaciteit tot dusver niet veel naar die landen uitgevoerd. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst zal veranderen.

(63)

Het is derhalve waarschijnlijk dat de producenten in de VS een aanzienlijk deel van de reservecapaciteit zouden gebruiken voor extra verkoop aan de EU, een zeer aantrekkelijke markt, aangezien deze de grootste ter wereld is met talrijke stimulansen voor het verbruik van biodiesel.

3.3.5.   Ontwijkings- en absorptiepraktijken

(64)

Zoals vermeld in overweging 1, is gebleken dat de in 2009 ingestelde antidumpingmaatregelen werden ontweken door middel van verzending via Canada en wijziging van de samenstelling van het mengsel. Het bestaan van dergelijke praktijken toont aan dat sommige producenten in de VS er belang bij hebben om de markt van de Unie te betreden, zelfs na de instelling van maatregelen, en wordt daarom beschouwd als een indicatie van de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie voor biodieselproducenten in de VS.

3.3.6.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping

(65)

De Unie is een zeer aantrekkelijke markt, omdat het wereldwijd de grootste markt is en het gebruik van biodiesel er zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau aanzienlijk wordt gestimuleerd. Het is dus aantrekkelijk voor Amerikaanse producenten om hun volledige reservecapaciteit te activeren en daarnaast ook hun uitvoer naar andere, minder winstgevende derde landen gedeeltelijk te verleggen naar de markt van de Unie.

(66)

Op basis van de tabel in overweging 51 heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten in de VS over het geheel genomen aan derde landen verkopen tegen prijzen die onder hun binnenlandse prijzen liggen.

(67)

Gezien de grote reservecapaciteit van de Amerikaanse industrie, in combinatie met de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie qua omvang en verkoopprijzen, met name in verhouding tot de prijzen bij uitvoer uit de VS naar derde landen, en de gegevens over eerdere ontwijkingspraktijken, is de Commissie in dit verband tot de conclusie gekomen dat er waarschijnlijk opnieuw sprake zou zijn van invoer met dumping uit de VS indien de maatregelen zouden komen te vervallen.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(68)

Volgens de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens werd het soortgelijke product in de beoordelingsperiode door 49 producenten in de Unie vervaardigd. Zij vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(69)

De totale productie in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vastgesteld op ongeveer 14 miljoen ton. De Commissie heeft het cijfer vastgesteld op basis van door de bedrijfstak van de Unie verstrekte informatie. Zoals vermeld in overweging 19 werd een steekproef samengesteld van drie producenten in de Unie die meer dan 17,5 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vertegenwoordigden.

4.2.   Verbruik in de Unie

(70)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van informatie van de bedrijfstak en invoergegevens van Comext.

(71)

Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Verbruik in de Unie (ton)  (14)

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Totaal verbruik in de Unie (ton)

13 843 702

15 444 700

15 762 282

16 955 685

Index

100

112

114

122

Bron: Gegevens van de bedrijfstak van de Unie, Comext.

(72)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek is het verbruik van biodiesel in de Unie, berekend als de som van de invoer van biodiesel in de Unie en de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de EU-markt, met 22 % gestegen, namelijk van 13,8 miljoen ton in 2017 tot 16,9 miljoen ton.

4.3.   Invoer uit het betrokken land

4.3.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(73)

De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van de door Eurostat (Comext-databank) verstrekte informatie. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens over de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie en handelsgegevens van Comext.

(74)

De invoer uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Omvang van de invoer (ton), marktaandeel en prijzen  (15)

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Volume van de invoer uit het betrokken land (ton)

176

2 339

139

156

Index

100

1 329

79

89

Marktaandeel (%)

0

0

0

0

 

 

 

 

 

Gemiddelde prijs in EUR/ton

1 243

972

1 269

1 812

Index

100

78

102

146

Bron: Comext, verkoopgegevens van de bedrijfstak van de EU voor de berekening van het marktaandeel.

(75)

Sinds de instelling van de maatregelen in 2009 is de invoer uit de VS vrijwel tot nul herleid en bedroeg deze in het TNO slechts 156 ton (tegenover meer dan 1 137 000 ton tijdens het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek).

4.3.2.   Prijzen van de ingevoerde producten uit het betrokken land en prijsonderbieding

(76)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek is er vrijwel geen biodiesel uit de VS in de Unie ingevoerd die als betrouwbare basis voor de berekening van de prijsonderbieding kon worden gebruikt.

(77)

Als alternatief heeft de Commissie de prijsonderbieding tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld door vergelijking van:

1.

de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie die in rekening werden gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek (771 EUR/ton), en

2.

de gemiddelde uitvoerprijs van producenten in de VS naar derde landen, naar behoren gecorrigeerd voor vervoerskosten naar de Unie en douanerechten in de EU (721 EUR/ton — cf. overweging 56).

(78)

Het resultaat van de vergelijking was een prijsonderbieding van 6,4 %.

4.4.   Invoer uit andere derde landen dan de VS

(79)

Tijdens het TNO bedroeg de invoer uit derde landen 3 750 000 ton of ongeveer 22 % van het totale verbruik in de Unie. De belangrijkste bronnen van invoer van biodiesel, met uitzondering van de VS, waren Argentinië (24 % van de EU-invoer), Maleisië (18 %), Singapore (13 %) en Indonesië (5 %).

(80)

De (geaggregeerde) hoeveelheden invoer evenals het marktaandeel en de prijsontwikkelingen voor de invoer van citroenzuur uit andere derde landen ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 4

Invoer uit derde landen  (16)

Land

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Argentinië

Omvang (ton)

355 782

1 467 325

873 325

905 781

 

Index

100

412

245

255

 

Marktaandeel (%)

3

10

6

5

 

Gemiddelde prijs

EUR/ton

635

620

707

728

 

Index

100

98

111

115

Maleisië

Omvang (ton)

335 769

388 615

731 679

679 860

 

Index

100

116

218

202

 

Marktaandeel (%)

2

3

5

4

 

Gemiddelde prijs EUR/ton

EUR/ton

952

813

669

730

 

Index

100

85

70

77

Indonesië

Omvang (ton)

24 984

777 992

743 456

195 858

 

Index

100

3 114

2 976

784

 

Marktaandeel (%)

0

5

5

1

 

Gemiddelde prijs

EUR/ton

803

671

636

665

 

Index

100

84

79

83

Andere derde landen

Omvang (ton)

822 027

820 093

1 450 938

1 983 471

 

Index

100

100

177

241

 

Marktaandeel (%)

6

5

9

12

 

Gemiddelde prijs

EUR/ton

662

723

829

874

 

Index

100

109

125

132

Totaal van alle derde landen, behalve de VS

Omvang (ton)

1 538 562

3 454 050

3 799 448

3 765 041

 

Index

100

224

247

245

 

Marktaandeel (%)

11

22

24

22

 

Gemiddelde prijs

EUR/ton

721

678

732

802

 

Index

100

94

102

111

Bron: Comext, verkoopgegevens van de bedrijfstak van de EU voor de berekening van het marktaandeel.

(81)

De rechten op invoer uit Argentinië en Indonesië — twee belangrijke biodieselexporterende landen — werden in 2018 afgeschaft. de invoer uit derde landen nam in 2018 toe en bleef in 2019 en in het TNO ongeveer 3,8 miljoen ton. In totaal steeg de invoer uit derde landen, met uitzondering van de VS, tijdens de beoordelingsperiode met 145 %. Bovendien steeg hun marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode van 11 % tot 22 %.

(82)

Wat de prijzen betreft, verschilt de situatie van land tot land.

(83)

Met betrekking tot Argentinië, de belangrijkste bron van invoer, heeft de Commissie in februari 2019 definitieve antisubsidiemaatregelen ingesteld op de invoer van biodiesel uit dat land en tegelijkertijd een besluit vastgesteld tot aanvaarding van verbintenissen inzake duurzame prijzen (bekend als verbintenissen) van acht Argentijnse producenten en de Argentijnse kamer van biobrandstof (CARBIO). Dit leidde tot een aanzienlijke stijging van de prijzen in 2019 (met 14 % ten opzichte van 2018) en het TNO (met 17 % ten opzichte van 2018).

(84)

Wat Indonesië betreft, heeft de Europese Commissie in 2019 compenserende rechten ingesteld op de invoer van gesubsidieerde biodiesel uit dat land. Dit leidde tot een aanzienlijke daling van de invoer uit Indonesië in 2020.

(85)

Voor Indonesië en Maleisië vertoonden de prijzen een dalende trend. Tegelijkertijd namen zij voor de andere derde landen aanzienlijk toe. In totaal stegen de gemiddelde verkoopprijzen van de invoer uit andere derde landen dan de VS tijdens de beoordelingsperiode met 11 %. Deze trend spoort met de trend die is waargenomen voor de invoer uit de betrokken landen in tabel 3. De prijsontwikkeling verschilt echter van die van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie in tabel 8. De prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie daalden, in overeenstemming met de daling van de productiekosten. Dit heeft tot gevolg dat het prijsverschil tussen exporteurs uit derde landen en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie is afgenomen, waardoor het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie is toegenomen.

4.5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.5.1.   Algemene opmerkingen

(86)

De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een beoordeling van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren.

(87)

Zoals in de overwegingen 18 en 19 vermeld, is voor de beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie gebruikgemaakt van een steekproef.

(88)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. Zij evalueerde de macro-economische indicatoren op basis van door de bedrijfstak van de EU verstrekte gegevens en andere sectorspecifieke macro-economische gegevens, zoals die van de FAO en de OESO. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(89)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping.

(90)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.5.2.   Macro-economische indicatoren (17)

4.5.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(91)

De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 5

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Productievolume (ton)

12 639 715

13 166 083

13 931 438

13 984 220

Index

100

104

110

111

Productiecapaciteit (ton)

16 047 231

16 707 893

16 862 595

17 529 047

Index

100

104

105

109

Bezettingsgraad (%)

79

79

83

80

Index

100

100

105

101

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(92)

De productie in de Unie steeg van 12,6 miljoen ton in 2017 tot 14,0 miljoen ton tijdens het TNO, wat neerkomt op een stijging met 11 % tijdens de beoordelingsperiode. In een situatie waarin het verbruik met 22 % toenam tijdens de beoordelingsperiode reageerde de bedrijfstak van de Unie positief door zijn productie te verhogen.

(93)

Tegelijkertijd steeg de productiecapaciteit in de beoordelingsperiode met 9 % tot 17,5 miljoen ton in het TNO. De bedrijfstak van de Unie ontwikkelt zijn capaciteit om in te spelen op een toenemende vraag. Volgens een rapport (18) heeft deze capaciteitsuitbreiding voornamelijk betrekking op de productie van met waterstof behandelde plantaardige oliën (HVO).

(94)

Als gevolg van de gelijktijdige stijging van de productie en de productiecapaciteit bleef de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode stabiel, namelijk ongeveer 80 %.

4.5.2.2.   Verkoop en marktaandeel

(95)

De verkoophoeveelheden en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Verkoophoeveelheid op de markt van de Unie (ton)

12 305 049

11 988 560

11 962 754

13 190 560

Index

100

97

97

107

Marktaandeel (%)

89

78

76

78

Index

100

87

85

88

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(96)

De bedrijfstak van de Unie heeft zijn verkoop op de markt van de Unie verhoogd van 12,3 miljoen ton in 2017 tot 13,2 miljoen ton in het TNO (+ 7 %).

(97)

Aangezien het verbruik in de Unie met 22 % is gestegen als gevolg van de geringere stijging van het werkelijke verkoopvolume, daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van ongeveer 89 % in 2017 tot 78 % in het TNO. Deze daling van het marktaandeel houdt verband met de toename van de invoer uit derde landen, met name vanaf 2018 (overweging 80).

4.5.2.3.   Groei

(98)

Een aantal indicatoren (productie, productiecapaciteit, verkoop, werkgelegenheid) wijzen op een positieve groei van de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode. Deze groei is echter gematigd in vergelijking met de ontwikkeling van het verbruik van biodiesel in dezelfde periode. In feite daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de referentieperiode.

4.5.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(99)

De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt:

Tabel 7

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Aantal werknemers

2 643

3 126

3 527

3 909

Index

100

118

133

148

Productiviteit (ton/werknemer)

4 782

4 211

3 950

3 577

Index

100

88

83

75

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(100)

In de beoordelingsperiode nam de werkgelegenheid toe van 2 643 tot 3 909, een stijging van 48 %.

(101)

Aangezien de productie in mindere mate steeg (+ 11 %), kwam dit tot uiting in een daling van de productiviteit (- 25 %).

4.5.2.5.   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(102)

Zoals uiteengezet in overweging 42 was het niet mogelijk om dumping tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vast te stellen. Daarom concentreerde het onderzoek zich op de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping indien de antidumpingmaatregelen zouden vervallen.

(103)

In het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen vertoonde de bedrijfstak van de Unie tekenen van herstel van de gevolgen van eerdere dumping. Tijdens de beoordelingsperiode van het onderhavige onderzoek zette het herstelproces zich voort, zoals blijkt uit de gunstige ontwikkeling van de belangrijkste schade-indicatoren voor de bedrijfstak van de Unie.

4.5.3.   Micro-economische indicatoren (19)

4.5.3.1.   Prijzen en factoren die prijzen beïnvloeden

(104)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Verkoopprijzen in de Unie

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie op de totale markt (EUR/ton)

834

801

771

771

Index

100

96

92

92

Gemiddelde prijs van plantaardige oliën (Index)

100

86

81

86

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

828

778

760

755

Index

100

94

92

91

Bron: In de steekproef opgenomen ondernemingen, FAO (prijsindex van plantaardige olie).

(105)

Tijdens de beoordelingsperiode daalden de productiekosten met 9 % (van 828 EUR/ton tot 755 EUR/ton). Dit is deels toe te schrijven aan de daling van de prijs van plantaardige oliën, die in de loop van de periode daalde. Hoewel niet alle biobrandstoffen bestaan uit plantaardige oliën, is de prijs van plantaardige oliën een goede maatstaf voor de prijs van de belangrijkste input voor de productie van biodiesel.

(106)

De gemiddelde verkoopprijs daalde met 8 %, van 834 EUR/ton in 2017 tot 771 EUR/ton tijdens het TNO. Dit kan verband houden met de daling van de productiekosten.

4.5.3.2.   Loonkosten

(107)

De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

63 785

70 533

72 306

72 533

Index

100

111

113

114

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(108)

De gemiddelde loonkosten in de in de steekproef opgenomen ondernemingen stegen in het TNO met 14 %. Het effect van deze variatie is vrij klein, aangezien de arbeidskosten slechts ongeveer 3 % van de totale productiekosten uitmaken.

4.5.3.3.   Voorraden

(109)

De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Voorraden

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Eindvoorraden (ton)

99 868

126 345

124 567

114 216

Index

100

127

125

114

Eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie

0,8

1,0

0,9

0,8

Index

100

121

113

103

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(110)

Het voorraadniveau bleef stabiel rond 1 % van de productie. Dit is een zeer lage ratio die erop wijst dat de bedrijfstak in staat is om op aanvraag te werken en de inventaris te beperken. Dit is ook noodzakelijk om aantasting van biodiesel te voorkomen.

4.5.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(111)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 11

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2017

2018

2019

Tijdvak nieuw onderzoek

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van omzet)

0,96

2,13

1,78

2,84

Index

100

223

186

297

Kasstroom (EUR)

45 139 254

10 723 312

54 431 877

58 021 678

Index

100

24

121

129

Investeringen (EUR)

40 430 425

20 634 073

34 169 705

17 028 015

Index

100

51

85

42

Rendement van investeringen (%)

22

29

25

44

Index

100

128

112

198

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(112)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid bleef laag. In de beoordelingsperiode is er echter sprake van een licht positieve trend, waarbij de winstgevendheid van 1 % naar 3 % is gestegen. Dit hield verband met de dalende productiekosten voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen (- 9 %). Achter dit gemiddelde schuilt echter een grote verscheidenheid tussen de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, waarbij sommige ondernemingen helemaal geen winst maken.

(113)

De netto kasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom heeft zich positief ontwikkeld tot het einde van de beoordelingsperiode (in 2019 en de eerste helft van 2020), maar in 2018 is de kasstroom sterk gedaald. De daling in 2018 is voornamelijk toe te schrijven aan de specifieke situatie van een van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, die een speciaal bedrijfsmodel heeft. Voor de andere twee in de steekproef opgenomen ondernemingen was de trend relatief stabiel.

(114)

De investeringen in de in de steekproef opgenomen ondernemingen vertonen in de beoordelingsperiode geen duidelijke trend. Investeringen bij een van de in de steekproef opgenomen ondernemingen of het ontbreken daarvan kunnen het investeringsniveau van jaar tot jaar doen stijgen en dalen. De investeringen vertegenwoordigden in de beoordelingsperiode ongeveer 1-2 % van de omzet, wat beperkt is.

(115)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode positief en bleef hoog in het TNO. Dit hoge rendement van investeringen houdt echter vooral verband met de lage nettoboekwaarde van de investeringen, en niet zozeer met hoge winst.

4.6.   Conclusie inzake schade

(116)

In de beoordelingsperiode is de omvang van de invoer uit derde landen, gezien de vrijwel onbestaande invoer uit de VS, aanzienlijk gestegen (met 145 %), maar ook het prijsniveau is gestegen (met 11 %). Tegelijkertijd daalden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie (met 8 %), in overeenstemming met een daling van de productiekosten (met 9 %). Bijgevolg nam het prijsverschil tussen exporteurs uit derde landen en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie af, waardoor het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie werd vergroot.

(117)

Over het geheel genomen wijzen de schade-indicatoren op een positieve trend tijdens de beoordelingsperiode, met name wat de productie (+ 11 %), de productiecapaciteit (+ 9 %) en de verkoop (+ 7 %) betreft, en tonen zij aan dat de bedrijfstak van de Unie zich langzaam herstelt van eerdere schade. Uit de analyse van de schade-indicatoren blijkt dat de bedrijfstak van de Unie momenteel geen aanmerkelijke schade lijdt. Sommige indicatoren, met name een lage winstgevendheid (≤ 3 %), wijzen er echter op dat de economische situatie nog steeds fragiel is.

(118)

Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

5.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE

(119)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van schade veroorzaakt door de invoer met dumping uit de VS waarschijnlijk was, mochten de maatregelen komen te vervallen.

(120)

In dit verband heeft de Commissie de productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VS, de waarschijnlijke prijsniveaus van de invoer uit de VS zonder antidumpingmaatregelen en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie, met inbegrip van prijsonderbieding zonder antidumpingmaatregelen, onderzocht.

5.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VS

(121)

Zoals beschreven in punt 3.3.4, zijn de hoeveelheden die door biodieselproducenten in de VS kunnen worden uitgevoerd aanzienlijk in vergelijking met de omvang van de markt van de Unie. De reservecapaciteit vertegenwoordigt namelijk 18 % van het verbruik in de Unie tijdens het TNO. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de beschikbare reservecapaciteit aanzienlijk is.

5.2.   Waarschijnlijke prijzen van de invoer uit de VS indien er geen antidumpingmaatregelen bestaan

(122)

Zoals beschreven in punt 3.3.2, voerden de producenten in de VS, op basis van het huidige prijsbeleid op de uitvoermarkten van derde landen, naar hun belangrijkste derde markten uit tegen prijzen die lager waren dan de binnenlandse prijzen in de VS. Bovendien onderbieden die prijzen, zoals vermeld in de overwegingen 77 en 78, gemiddeld ook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie met 6,4 %. Rekening houdend met het prijsniveau van de uitvoer uit de VS naar andere derde markten, is uitvoer naar de Unie derhalve mogelijk veel aantrekkelijker voor exporteurs in de VS. Zoals aangegeven in punt 3.3.6, is de Unie bovendien een zeer aantrekkelijke markt, omdat het wereldwijd de grootste markt is en het gebruik van biodiesel er zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau aanzienlijk wordt gestimuleerd.

5.3.   Waarschijnlijk effect op de bedrijfstak van de Unie

(123)

Als de maatregelen zouden komen te vervallen, zouden aanzienlijke hoeveelheden met dumping uit de VS ingevoerde biodiesel derhalve een zeer sterke neerwaartse druk uitoefenen op de prijzen in de Unie en een aanzienlijk effect hebben op de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat de productie en het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie zouden afnemen en dat de kleine winsten die momenteel door de bedrijfstak worden behaald, verliezen zouden worden.

(124)

De Commissie heeft de mogelijke gevolgen van de invoer verder onderzocht door twee mogelijke scenario’s te modelleren voor het geval de maatregelen zouden komen te vervallen, namelijk 1) een sterke stijging van de invoer uit de VS en 2) een daling van de prijzen in de EU als gevolg van de toegenomen concurrentie, onder overigens gelijke omstandigheden.

(125)

In het eerste scenario heeft de Commissie twee mogelijke niveaus van de invoer uit de VS gemodelleerd. De eerste optie hield in dat de invoer uit de VS zijn historische omvang zou bereiken (in het oorspronkelijke onderzoektijdvak (20)), namelijk 1,1 miljoen ton. Als gevolg van de toename van de invoer uit de VS en de daaruit voortvloeiende daling van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie zou de winstgevendheid van de bedrijfstak van de EU met 0,14 procentpunt dalen, d.w.z. van + 2,84 % tot + 2,70 %. Bij de tweede optie werd rekening gehouden met de zeer aanzienlijke toename van de omvang van de EU-markt, van 6,6 miljoen ton tijdens het oorspronkelijke OT tot 17 miljoen ton in het TNO (+ 158 %). In dat verband heeft de Commissie een toename van de invoer gemodelleerd die overeenkomt met hetzelfde marktaandeel voor de VS van 17,2 % als in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek. Het resultaat was dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie met 0,41 procentpunt zou dalen van + 2,84 % naar + 2,43 %. In beide gevallen kan het effect van een sterke stijging van de invoer uit de VS tegen constante prijzen als vrij bescheiden worden aangemerkt. Dit houdt verband met het hoge aandeel van de variabele kosten in de biodieselindustrie.

(126)

In het tweede scenario bleek het effect van een prijsdaling potentieel zeer schadelijk te zijn. Indien de prijzen in de Unie dalen tot het niveau van de prijzen bij uitvoer uit de VS naar derde landen (721 EUR/ton), zou de winst dalen van + 2,84 % tot — 3,88 %. In het geval van een daling van de prijzen in de Unie met 10 %, dat wil zeggen van 771 EUR/ton tot 694 EUR/ton, zou de winst worden verlaagd van + 2,84 % tot — 7,94 %. In ieder geval zou een prijsdaling van meer dan — 2,9 % de winst van de bedrijfstak van de Unie tot nul herleiden.

(127)

Indien maatregelen werkelijk zouden komen te vervallen, is het zeer waarschijnlijk dat een combinatie van de twee bovenstaande scenario’s zich op de markt zou voordoen. Met name kan worden verwacht dat aanzienlijke hoeveelheden biodiesel van oorsprong uit de VS de markt van de Unie zullen binnenkomen tegen lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie. Als gevolg daarvan zouden het marktaandeel alsook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie afnemen. Dit zou leiden tot aanzienlijke verliezen voor de bedrijfstak van de Unie.

5.4.   Conclusie over de waarschijnlijkheid van herhaling van schade

(128)

Op basis hiervan, en rekening houdend met de huidige kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie, heeft de Commissie geconcludeerd dat het uitblijven van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit de VS tegen schadeveroorzakende prijzen en waarschijnlijk opnieuw tot aanmerkelijke schade zou leiden.

6.   BELANG VAN DE UNIE

(129)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, derde zin, van de basisverordening werd bijzondere aandacht besteed aan de noodzaak de bedrijfstak te beschermen tegen de negatieve gevolgen van schade veroorzakende dumping.

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(130)

Als de bestaande maatregelen zouden komen te vervallen, zal de bedrijfstak van de Unie ongetwijfeld te maken krijgen met een toegenomen oneerlijke concurrentie van de biodieselproducenten in de VS, die hoogstwaarschijnlijk een abrupt einde zou maken aan het huidige herstel van de bedrijfstak van de Unie.

(131)

De Commissie is op basis hiervan tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn.

6.2.   Belang van niet-verbonden importeurs

(132)

Geen enkele importeur verzette zich tegen de verlenging van de maatregelen.

(133)

Shell Trading Rotterdam voerde aan dat de maatregelen, doordat zij het aanbod op de markt van de Unie beperken, tot hogere prijzen leiden, en wees op de beschikbaarheid van biodiesel uit andere markten.

(134)

De maatregelen lijken geen noemenswaardige gevolgen voor de importeurs te hebben, aangezien er alternatieve bevoorradingsbronnen beschikbaar zijn. Dit blijkt uit het aanzienlijke marktaandeel van de invoer uit derde landen.

(135)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen niet schadelijk zou zijn voor de belangen van de importeurs.

6.3.   Belang van de gebruikers

(136)

De deelname van gebruikers aan het onderzoek was beperkt.

(137)

Twee gebruikers, Preem, het grootste brandstofbedrijf in Zweden, en Valero Energy Ltd Ireland voerden aan dat de verlenging van de maatregelen een directe belemmering zal vormen voor de groene ontwikkeling van de vervoerssector in Europa. Preem en Valero Energy Ltd Ireland hebben specifiek verzocht HVO van de huidige productomschrijving uit te sluiten omdat zij in de komende jaren een tekort aan HVO verwachten. Valero Energy Ltd Ireland verwees specifiek naar de EU-streefcijfers voor hernieuwbare energie voor vervoer voor 2030 en voerde aan dat deze doelstellingen niet zouden worden gehaald gezien de huidige EU-productie.

(138)

De Commissie merkte op dat de producenten in de Unie over voldoende capaciteit beschikken om aan de huidige vraag te voldoen en zelfs reservecapaciteit hebben om, indien nodig, aan toekomstige stijgingen in de vraag en de uitvoer te voldoen. Bovendien was het nog te vroeg, met name gezien de recente uitbreidingen van de capaciteit van de EU, om met vertrouwen te kunnen beoordelen of er zich in 2030 waarschijnlijk tekorten zullen voordoen. Dit gezegd zijnde, kan de Commissie over vijf jaar beter in staat zijn de situatie te beoordelen indien zij dan wordt verzocht een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen uit te voeren. Bijgevolg werd dit argument afgewezen.

(139)

Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande maatregelen negatieve gevolgen hebben gehad voor de gebruikers van biodiesel in de Unie, en er is met name geen bewijs dat de bestaande maatregelen een negatief effect hadden op hun winstgevendheid.

(140)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen niet schadelijk zou zijn voor de belangen van de gebruikers.

6.4.   Conclusie inzake belang van de Unie

(141)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS niet te handhaven.

7.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(142)

Uit de door de Commissie getrokken conclusies met betrekking tot de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade kan worden afgeleid dat, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS, ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 van de Commissie, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/676 van de Commissie, voor een aanvullende periode van vijf jaar moeten worden gehandhaafd.

(143)

Zoals vermeld in overweging 1 zijn de thans geldende antidumpingrechten ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(144)

De antidumpingrechten die zullen worden gehandhaafd, zullen eveneens worden uitgebreid tot de invoer van biodiesel verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(145)

De producenten-exporteurs uit Canada die waren vrijgesteld van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 uitgebreide maatregelen, zullen ook van de bij deze verordening ingestelde maatregelen worden vrijgesteld.

(146)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité.

(147)

Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (21) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209829), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009129), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009929), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194329), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194629), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194729), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201129), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201629), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999212), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001029, 3826001059, 3826001099) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009019).

2.   Het definitieve antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten is een vast bedrag als volgt:

Onderneming

Antidumpingrecht, EUR/ton, netto

Aanvullende Taric-code

Archer Daniels Midland Company, Decatur

68,6

A933

Cargill Inc., Wayzata

0

A934

Green Earth Fuels of Houston LLC, Houston

70,6

A935

Imperium Renewables Inc., Seattle

76,5

A936

Peter Cremer North America LP, Cincinnati

198,0

A937

World Energy Alternatives LLC, Boston

82,7

A939

In bijlage I vermelde ondernemingen

115,6

Zie bijlage I

Alle andere ondernemingen

172,2

A999

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

3.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle andere ondernemingen” geldt.

4.   Wanneer een onderneming uit de Verenigde Staten van Amerika de Commissie voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat:

a)

zij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika in het onderzoektijdvak (van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008) niet heeft uitgevoerd,

b)

zij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en

c)

zij de betrokken goederen daadwerkelijk heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren na het verstrijken van het onderzoektijdvak,

kan de Commissie bijlage I wijzigen teneinde voor deze onderneming het recht vast te stellen dat van toepassing is op niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten, namelijk 115,6 EUR per ton.

Artikel 2

1.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle andere ondernemingen”, zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer in de Unie van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, vanuit Canada verzonden, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209821), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009121), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009921), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194321), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194621), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194721), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201121), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201621), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999210), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001020, 3826001050, 3826001089) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009011), met uitzondering van die welke door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd:

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Canada

BIOX Corporation, Oakville, Ontario, Canada

B107

Canada

DSM Nutritional Products Canada Inc., Dartmouth, Nova Scotia, Canada

C114

Canada

Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada

B108

Het uit te breiden recht is het recht dat in artikel 1, lid 2, is vastgesteld voor “alle andere ondernemingen”, te weten een definitief antidumpingrecht van 172,2 EUR per nettoton.

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   Vrijstellingen die aan de in lid 1 genoemde ondernemingen zijn verleend of die overeenkomstig artikel 4, lid 2, door de Commissie zijn verleend, worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het compenserende recht toegepast dat op grond van lid 1 geldt.

Artikel 3

1.   Het definitieve antidumpingrecht zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer in de Unie van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als "biodiesel", in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209830), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009130), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009930), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194330), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194630), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194730), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201130), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201630), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999220) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009030).

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   De individuele rechten voor de in artikel 1, lid 2, genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage III. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle andere ondernemingen” geldt.

Artikel 4

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht moeten schriftelijk in een van de officiële talen van de Europese Unie worden ingediend en ondertekend zijn door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat G

Wetstraat 170, Kamer CHAR 04/034

1049 Brussel

BELGIË

E-mail: TRADE-TDI-INFORMATION@ec.europa.eu

2.   Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 kan de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de invoer van producten van ondernemingen die de bij artikel 1 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken, bij besluit vrijstellen van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht.

Artikel 5

Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs met het oog op de vaststelling van de douanewaarde derhalve overeenkomstig artikel 131, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (22) verhoudingsgewijs is verminderd, wordt het in de artikelen 1, 2 en 3 vastgelegde bedrag van het antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad van 7 juli 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 179 van 10.7.2009, blz. 26).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 van de Raad van 5 mei 2011 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld tot biodiesel in mengsels bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de vanuit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122 van 11.5.2011, blz. 12).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 van de Commissie van 14 september 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 69).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/676 van de Commissie van 29 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 116 van 30.4.2016, blz. 31).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1598 van de Commissie van 22 september 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 245 van 23.9.2017, blz. 1).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1121 van de Commissie van 10 augustus 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 204 van 13.8.2018, blz. 33).

(8)  Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 18 van 20.1.2020, blz. 20).

(9)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB C 303 van 14.9.2020, blz. 18).

(10)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB C 303 van 14.9.2020, blz. 7).

(11)  TRON-document: t21.000417.

(12)  Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).

(13)  Verordening (EG) nr. 193/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67 van 12.3.2009, blz. 22).

(14)  Het verbruik is gebaseerd op gegevens van de EU-27, exclusief gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk.

(15)  Het invoervolume is gebaseerd op gegevens van de EU-27, exclusief gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk.

(16)  De invoer uit derde landen is gebaseerd op gegevens van de EU-27, met uitzondering van gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk als lidstaat, maar met inbegrip van gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk als derde land.

(17)  De macro-economische gegevens waren gebaseerd op de EU-27, met uitzondering van gegevens uit het VK.

(18)  USDA, Biofuels Annual Report (GAIN-verslag), 29 juni 2020.

(19)  De micro-economische indicatoren zijn gebaseerd op gegevens van de EU-28, inclusief het Verenigd Koninkrijk. Gezien het geringe volume dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verkopen in het Verenigd Koninkrijk (ongeveer 1,1 % van de gemiddelde EU-verkopen van die producenten in het TNO), lijkt de impact van de transacties die het Verenigd Koninkrijk betreffen, minimaal te zijn voor de bevindingen inzake schade, zodat de conclusies inzake aanmerkelijke schade bij gebruik van de gegevens van de EU-27 niet zouden zijn gewijzigd.

(20)  van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008.

(21)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(22)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE I

Naam van de onderneming

Plaats

Aanvullende Taric-code

AG Processing Inc.

Omaha

A942

Alabama Clean Fuels Coalition Inc.

Birmingham

A940

American Made Fuels, Inc.

Canton

A940

Arkansas SoyEnergy Group

DeWitt

A940

Arlington Energy, LLC

Mansfield

A940

Athens Biodiesel, LLC

Athens

A940

Beacon Energy

Cleburne

A940

Biodiesel of Texas, Inc.

Denton

A940

BioDiesel One Ltd.

Southington

A940

Buffalo Biodiesel, Inc

Tonawanda

A940

BullDog BioDiesel

Ellenwood

A940

Carbon Neutral Solutions, LLC

Mauldin

A940

Central Iowa Energy LLC

Newton

A940

Chesapeake Custom Chemical Corp.

Ridgeway

A940

Community Fuels

Stockton

A940

Delta BioFuels Inc.

Natchez

A940

Diamond Biofuels

Mazon

A940

Direct Fuels

Euless

A940

Eagle Creek Fuel Services, LLC

Baltimore

A940

Earl Fisher Bio Fuels

Chester

A940

East Fork Biodiesel LLC

Algona

A940

ECO Solutions, LLC

Chatsworth

A940

Ecogy Biofuels LLC

Tulsa

A940

ED&F Man Biofuels Inc.

New Orleans

A940

Freedom Biofuels Inc.

Madison

A940

Fuel & Lube, LLC

Richmond

A940

Fuel Bio

Elizabeth

A940

FUMPA Bio Fuels

Redwood Falls

A940

Galveston Bay Biodiesel LP (BioSelect Fuels)

Houston

A940

Geo Green Fuels LLC

Houston

A940

Georgia Biofuels Corp.

Loganville

A940

Green River Biodiesel, Inc.

Moundville

A940

Griffin Industries Inc.

Cold Spring

A940

High Plains Bioenergy

Guymon

A940

Huish Detergents Inc.

Salt Lake City

A940

Incobrasa Industries Ltd.

Gilman

A940

Independence Renewable Energy Corp.

Perdue Hill

A940

Indiana Flex Fuels

LaPorte

A940

Innovation Fuels Inc.

Newark

A940

Iowa Renewable Energy LLC

Washington

A940

Johann Haltermann Ltd.

Houston

A940

Lake Erie Biofuels LLC

Erie

A940

Leland Organic Corporation

Leland

A940

Louis Dreyfus Agricultural Industries LLC

Claypool

A940

Louis Dreyfus Claypool Holdings LLC

Claypool

A940

Memphis Biofuels, LLC

Memphis

A942

Middle Georgia Biofuels

East Dublin

A940

Middletown Biofuels LLC

Blairsville

A940

Musket Corporation

Oklahoma City

A940

New Fuel Company

Dallas

A940

North Mississippi Biodiesel

New Albany

A940

Northern Biodiesel, Inc.

Ontario

A940

Northwest Missouri Biofuels, LLC

St. Joseph

A940

Nova Biofuels Clinton County LLC

Clinton

A940

Nova Biosource

Senaca

A940

Organic Fuels Ltd.

Houston

A940

Organic Technologies

Coshocton

C482

Owensboro Grain Company LLC

Owensboro

A940

Paseo Cargill Energy, LLC

Kansas City

A940

Peach State Labs Inc.

Rome

A940

Perihelion Global, Inc.

Opp

A940

Philadelphia Fry-O-Diesel Inc.

Philadelphia

A940

Pinnacle Biofuels, Inc.

Crossett

A940

PK Biodiesel

Woodstock

A940

Pleasant Valley Biofuels, LLC

American Falls

A940

RBF Port Neches LLC

Houston

A940

Red Birch Energy, Inc.

Bassett

A940

Red River Biodiesel Ltd.

New Boston

A940

REG Ralston LLC

Ralston

A940

Renewable Energy Products, LLC

Santa Fe Springs

A940

Riksch BioFuels LLC

Crawfordsville

A940

Safe Renewable Corp.

Conroe

A940

Sanimax Energy Inc.

DeForest

A940

Scott Petroleum

Itta Bena

A942

Seminole Biodiesel

Bainbridge

A940

Soy Solutions

Milford

A940

SoyMor Biodiesel LLC

Albert Lea

A940

Sunshine BioFuels, LLC

Camilla

A940

TPA Inc.

Warren

A940

Trafigura AG

Stamford

A940

U.S. Biofuels Inc.

Rome

A940

United Oil Company

Pittsburgh

A940

Valco Bioenergy

Harlingen

A940

Vanguard Synfuels, LLC

Pollock

A940

Vinmar Overseas, Ltd

Houston

A938

Vitol Inc.

Houston

A940

Walsh Bio Diesel, LLC

Mauston

A940

Western Dubque Biodiesel LLC

Farley

A940

Western Iowa Energy LLC

Wall Lake

A940

Western Petroleum Company

Eden Prairie

A940


BIJLAGE II

De in artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 2, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring bevatten met de volgende gegevens, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft:

de naam en functie van de medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft,

de volgende verklaring:

“Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming] [aanvullende Taric-code] in [betrokken land(en)]. Ik verklaar dat de gegevens in deze factuur juist en volledig zijn.”.


BIJLAGE III

De in artikel 3, lid 2, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

de naam en functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

de volgende verklaring:

“Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming] [aanvullende Taric-code] in de Verenigde Staten van Amerika. Ik verklaar dat de gegevens in deze factuur juist en volledig zijn.”.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/62


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1267 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2021

tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 18, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 598/2009 (2) , een definitief compenserend recht variërend van 211,2 EUR tot 237 EUR per nettoton ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dat moment vallende onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209820), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009120), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009920), ex 2710 19 41 (Taric-code 2710194120), 3824 90 91, ex 3824 90 97 (Taric-code 3824 90 97 87), van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna “de VS” of “het betrokken land” genoemd). Het compenserende recht dat bij deze verordening werd ingesteld, wordt hierna aangeduid als “de oorspronkelijke maatregelen”. Het onderzoek dat leidde tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen wordt hierna “het oorspronkelijke onderzoek” genoemd.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 443/2011 (3) heeft de Raad naar aanleiding van de uitkomst van een antiontwijkingsonderzoek het definitieve compenserend recht dat bij Verordening (EG) nr. 598/2009 van de Raad was ingesteld, uitgebreid tot de invoer van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die worden geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville en Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Raad het definitieve compenserend recht dat was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 598/2009 van de Raad eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 (4) heeft de Europese Commissie de definitieve compenserende maatregelen op biodiesel van oorsprong uit de VS opnieuw ingesteld naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (“het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”).

(4)

Bovendien is bij Verordening (EU) 2015/1519, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/675 (5), het definitieve compenserende recht eveneens uitgebreid tot de invoer van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die zijn geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville, en Rothsay Biodiesel, Guelph, beide gevestigd in Ontario, Canada, alsook door de onderneming DSM Nutritional Products Canada Inc., Dartmouth, Nova Scotia, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Europese Commissie het definitieve compenserende recht eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(5)

De thans geldende compenserende rechten zijn vaste bedragen variërend van 211,2 EUR tot 237 EUR per ton netto op de invoer van de producenten-exporteurs.

1.2.   Verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

(6)

Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden vervallen (6), heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (“de basisverordening”) ontvangen.

(7)

Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 11 juni 2020 ingediend door de European Biodiesel Board (“EBB” of “de indiener van het verzoek”), namens producenten in de Unie die goed zijn voor meer dan 25 % van de totale productie van biodiesel in de Unie. Het verzoek om een nieuw onderzoek werd ingediend omdat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van de binnenkomst van gesubsidieerde biodiesel in de Unie en tot herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie.

2.   OPENING VAN EEN NIEUW ONDERZOEK IN VERBAND MET HET VERVALLEN VAN MAATREGELEN

(8)

Nadat de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (7) ingestelde comité, vaststelde dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 14 september 2020 op grond van artikel 18, lid 1, van de basisverordening een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen met betrekking tot de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS geopend. Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (8) (“het bericht van opening”).

(9)

Op dezelfde dag, 14 september 2020, heeft de Commissie tezelfdertijd een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS.

(10)

De regering van Canada maakte opmerkingen over deze opening en stelde dat, indien de maatregelen zouden worden gehandhaafd, de aan drie Canadese biodieselproducenten verleende vrijstelling moest worden gehandhaafd. De Commissie heeft in artikel 2 van de onderhavige verordening de vrijstelling gehandhaafd.

2.1.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(11)

Het onderzoek naar de voortzetting of herhaling van subsidiëring had betrekking op de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 (“tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”).

2.2.   Terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU

(12)

Deze zaak is ingeleid op 14 september 2020, dus tijdens de tussen het Verenigd Koninkrijk (“VK”) en de EU overeengekomen overgangsperiode waarin het VK onderworpen bleef aan het Unierecht. Deze periode is op 31 december 2020 afgelopen. Bijgevolg komen ondernemingen en verenigingen uit het VK sinds 1 januari 2021 niet langer in aanmerking als belanghebbenden bij deze procedure.

(13)

In een nota bij het dossier (9) van 15 januari 2021 heeft de Commissie marktdeelnemers uit het VK die van mening waren dat zij nog steeds als belanghebbende in aanmerking kwamen, verzocht contact met haar op te nemen. BP OIL International Limited en Argent Energy verzochten om nog steeds als belanghebbenden te worden beschouwd en verkregen dit recht op basis van het overgelegde bewijsmateriaal. Beide ondernemingen hebben met name bewijs geleverd voor het bestaan van verbonden entiteiten binnen de respectieve groep die actief zijn op de markt van de Unie. Anderzijds is de Britse moedermaatschappij Valero Energy Limited vervangen door haar Ierse dochteronderneming Valero Energy Limited Ireland, aangezien de laatstgenoemde onderneming actief is op de markt van de Unie.

2.3.   Belanghebbenden

(14)

In het bericht van opening is de belanghebbenden verzocht contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten in de VS alsmede de Amerikaanse autoriteiten en de haar bekende betrokken importeurs, gebruikers, handelaren en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(15)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

2.4.   Steekproef

(16)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef zou samenstellen overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

 

    Steekproef van producenten in de Unie

(17)

Op 14 september 2020 heeft de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig punt 5.3 van het bericht van opening in kennis gesteld van de voorlopige steekproef van producenten in de Unie. Zij heeft de steekproef samengesteld op basis van de omvang van de productie en het verkoopvolume van het soortgelijke product in 2019 evenals de geografische locatie van de producenten van het soortgelijke product. Deze steekproef bestond uit drie producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden 17,5 % van de geschatte totale productievolumes van het soortgelijke product in de Unie en een goede geografische spreiding werd gewaarborgd. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen binnen de termijn van zeven dagen na de kennisgeving van de voorlopige steekproef van producenten in de Unie.

 

    Steekproef van importeurs

(18)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

(19)

Slechts één niet-verbonden importeur, Shell Trading Rotterdam BV, heeft de gevraagde informatie verstrekt, en bijgevolg heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was.

 

    Steekproef van producenten-exporteurs

(20)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de VS verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de autoriteiten van het land van uitvoer verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, aan te wijzen en/of contact met hen op te nemen.

(21)

Drie producenten-exporteurs in de VS hebben zich gemeld en zich bereid verklaard met de Commissie mee te werken in het kader van de onderzoeken. Gezien het geringe aantal besloot de Commissie dat een steekproef niet noodzakelijk was en werden alle drie de ondernemingen verzocht de vragenlijst te beantwoorden.

2.5.   Medewerking uit het betrokken land

(22)

Op 15 oktober 2020 heeft een van de oorspronkelijk medewerkende ondernemingen de Commissie per e-mail ervan in kennis gesteld dat zij geen verdere medewerking zou verlenen. Bovendien hebben de twee andere ondernemingen de gevraagde informatie ook niet binnen de vereiste termijn verstrekt door de vragenlijst in te vullen en terug te sturen.

(23)

Op 10 november 2020 heeft de Commissie aan alle drie de ondernemingen een brief gestuurd over haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen en de bevindingen van het onderzoek op de beschikbare gegevens te baseren. Ook de autoriteiten van de VS werden van dit voornemen op de hoogte gesteld. De termijn voor het indienen van opmerkingen naar aanleiding van de brief was 17 november 2020. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

(24)

Bovendien heeft de Commissie bij de opening van het onderzoek bij verbale nota van 14 september 2020 de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verzocht de antisubsidievragenlijst voor de regering van de Verenigde Staten van Amerika in te vullen en terug te sturen. Zij heeft binnen de gestelde termijn geen antwoord ontvangen.

(25)

Op 10 november 2020 heeft de Commissie aan de autoriteiten van de VS een verbale nota gestuurd over haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen en de bevindingen van het onderzoek op de beschikbare gegevens te baseren gezien het gebrek aan medewerking.

(26)

De termijn voor het indienen van opmerkingen naar aanleiding van de verbale nota was 17 november 2020. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

(27)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat noch een producent-exporteur noch de regering van de VS heeft meegewerkt aan het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Als gevolg hiervan besloot de Commissie de bepalingen van artikel 28 van de basisverordening toe te passen en haar conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, te trekken op basis van de beschikbare gegevens.

2.6.   Vragenlijsten

(28)

Bij de opening van het onderzoek werd een kopie van de vragenlijsten in het dossier voor inzage door belanghebbenden en op de website van DG Handel beschikbaar gesteld.

(29)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en van een niet-verbonden importeur in de Unie.

2.7.   Controle

(30)

Gezien de uitbraak van COVID-19 en de inperkingsmaatregelen die door verschillende lidstaten en door verschillende derde landen zijn genomen, kon de Commissie geen controlebezoeken op grond van artikel 26 van de basisverordening verrichten. In plaats daarvan heeft de Commissie alle informatie die zij voor haar vaststellingen nodig achtte, op afstand getoetst in overeenstemming met haar mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (10). De Commissie heeft toetsingen op afstand verricht bij de volgende ondernemingen/partijen:

 

Producenten in de Unie

SAIPOL Bu Diester, Frankrijk

CAMPA Iberia S.A.U., Spanje

VERBIO Vereinigte BioEnergie AG, Duitsland

 

Importeurs

Shell Trading Rotterdam BV, Nederland

2.8.   Mededeling van feiten en overwegingen

(31)

Op 21 mei 2021 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen medegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de van kracht zijnde compenserende rechten te handhaven. Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen ten aanzien van de mededeling van feiten en overwegingen.

(32)

De Commissie heeft de opmerkingen van belanghebbenden overwogen en, voor zover van toepassing, in aanmerking genomen. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord.

3.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

3.1.   Betrokken product

(33)

Het betrokken product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek en het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, namelijk door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209829), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009129), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009929), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194329), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194629), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194729), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201129), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201629), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999212), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001029, 3826001059, 3826001099), ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009019) (“het betrokken product”).

(34)

Biodiesel is een hernieuwbare brandstof die wordt geproduceerd uit een breed scala aan grondstoffen, namelijk plantaardige oliën zoals raapzaadolie, sojaolie, palmolie, gebruikte frituuroliën (UFO), dierlijke vetten of biomassa.

(35)

Biodiesel wordt in de vervoersector gebruikt, voornamelijk gemengd met minerale diesel (d.w.z. aardolie/conventionele diesel) en zeer zelden in zuivere vorm (B100).

3.2.   Soortgelijk product

(36)

Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek en in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, heeft dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigd dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en [technische] basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt:

het betrokken product;

het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van de VS, alsmede

het product dat in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en aldaar wordt verkocht.

(37)

Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening.

3.3.   Argumenten betreffende de productomschrijving

(38)

De Zweedse onderneming Preem AB en Valero Energy Ltd Ireland, brandstofproducenten en -leveranciers en als dusdanig gebruikers van het betrokken product, voerden aan dat biodiesel uit vetzuurmethylester (FAME) en biodiesel uit waterstofbehandelde plantaardige olie (HVO) twee verschillende soorten biodiesel zijn en dat HVO van de huidige productomschrijving moet worden uitgesloten. In de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen van 2009 (11) werden alle soorten biodiesel en biodieselmengsels beschouwd als biodieselbrandstoffen. FAME en HVO kunnen beide met diesel worden gemengd en ondanks enkele verschillen in fysieke kenmerken is het eindgebruik van het product hetzelfde en worden beide producten door de bedrijfstak van de Unie geproduceerd. Bovendien werd op basis van HVO’s geproduceerde dieselbrandstof in de klacht in het oorspronkelijke onderzoek expliciet omschreven als onderdeel van het betrokken product en heeft geen enkele belanghebbende die verklaring toen betwist. Derhalve werd het argument afgewezen.

4.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SUBSIDIËRING

4.1.   Inleidende opmerkingen

(39)

Overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van subsidiëring van het betrokken product van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en voortzetting of herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie bij het vervallen van de bestaande maatregelen waarschijnlijk zijn. Door het gebrek aan medewerking van de producenten-exporteurs en van de autoriteiten van de VS, zoals beschreven in de overwegingen 22 tot en met 27, was het niet mogelijk een analyse uit te voeren op basis van door de producenten-exporteurs en de autoriteiten van de VS verstrekte, gecontroleerde gegevens.

(40)

Overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening zijn de bevindingen met betrekking tot de waarschijnlijkheid van de voortzetting of herhaling van subsidiëring dan ook gebaseerd op de beschikbare gegevens. De Commissie heeft de volgende informatiebronnen gebruikt: het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en de daaropvolgende opmerkingen van de indiener van het verzoek, Eurostat, de Global Trade Atlas (GTA) en de websites van de US Energy Information Administration (EIA) en het Amerikaanse ministerie van Landbouw (USDA).

(41)

De Commissie heeft met name de volgende federale en staatssubsidieregelingen onderzocht, die in het verzoek om een nieuw onderzoek werden geïdentificeerd en die de Commissie als nog steeds actief heeft aangemerkt.

(42)

Anderzijds heeft de Commissie, vanwege het gebrek aan medewerking van de autoriteiten van de VS en de producenten-exporteurs in de VS en gezien de conclusies met betrekking tot de voortzetting van subsidiëring op basis van de bovengenoemde regelingen, de volgende federale subsidieregelingen en subsidieregelingen van staten niet verder geanalyseerd.

4.2.   Subsidiëring — federale regelingen

4.2.1.   Biodiesel mixture credit (belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) en biodiesel credit (belastingfaciliteit voor biodiesel)

4.2.1.1.   Rechtsgrondslag

(43)

De regeling inzake belastingfaciliteiten voor mengers, detailhandelaren en eindgebruikers van biodiesel is gebaseerd op titel 26, afdeling 40A, punt b), van de US Code (U.S.C.). Hierin wordt voorzien in de volgende faciliteiten voor biodieselbrandstof:

1)

Biodiesel Mixture Credit (belastingfaciliteit voor biodieselmengsels);

2)

Biodiesel Credit (de belastingfaciliteit voor biodiesel);

3)

Small Agri-biodiesel Producer Credit (belastingfaciliteit voor kleine agri-biodieselproducenten).

(44)

De Biodiesel Mixture Credit maakt sinds 2005 deel uit van de Amerikaanse federale wetgeving (12). Overeenkomstig afdeling 202, punt a), van de US Energy Improvement and Extension Act (wet ter verbetering en uitbreiding van maatregelen op energiegebied) van 2008 zou deze belastingfaciliteit op 31 december 2009 aflopen (13). Deze subsidieregeling liep echter nooit echt af, maar is tot nu toe herhaaldelijk met terugwerkende kracht opnieuw ingevoerd. Het Amerikaanse Congres heeft laatstelijk op 20 december 2019 middels de Further Consolidated Appropriations Act de regeling opnieuw ingevoerd voor een periode van twee jaar, vanaf 31 december 2017, en deze met drie jaar verlengd, dus tot en met 31 december 2022 (14). Deze verlenging met vijf jaar is de langste verlenging sinds de invoering van deze subsidieregeling.

(45)

Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de indiener van het verzoek de Commissie ervan in kennis gesteld dat op 25 mei 2021 zowel in de Amerikaanse Senaat als in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden een wet is ingediend met het oog op een verdere verlenging van de Biodiesel Mixture Credit (belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) met nog eens drie jaar, d.w.z. tot en met 31 december 2025.

(46)

Net als de Biodiesel Mixture Credit maakt de Biodiesel Credit sinds 2005 deel uit van de federale wetgeving van de VS (15). Overeenkomstig afdeling 202, punt a), van de US Energy Improvement and Extension Act (wet ter verbetering en uitbreiding van maatregelen op energiegebied) van 2008 zou deze belastingfaciliteit op 31 december 2009 aflopen (16). Ook deze subsidieregeling liep echter nooit af en is tot nu toe herhaaldelijk met terugwerkende kracht opnieuw ingevoerd. Het Amerikaanse Congres heeft laatstelijk op 20 december 2019 middels de Further Consolidated Appropriations Act de regeling opnieuw ingevoerd voor een periode van twee jaar, vanaf 31 december 2017, en deze met drie jaar verlengd, dus tot en met 31 december 2022 (17).

(47)

De Small Agri-biodiesel Producer Income Tax Credit geldt alleen voor kleine agribiodieselproducenten. Deze regeling wordt onderzocht in de overwegingen 63 tot en met 70.

4.2.1.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(48)

Om voor de in overweging 43, punt 1, genoemde Biodiesel Mixture Credit in aanmerking te komen, moet een onderneming biodieselbrandstof en dieselbrandstof vermengen tot een product dat als brandstof of voor gebruik als brandstof wordt verkocht.

(49)

Degene die het belastingvoordeel aanvraagt, moet een certificaat van de producent of importeur van biodiesel overleggen aan de hand waarvan het product kan worden geïdentificeerd en waarop het percentage biodiesel en agri-biodiesel (18) in het product is aangegeven. Het voordeel bestaat in een accijnsverlaging of, indien het door een onderneming te betalen bedrag aan accijnzen geringer is dan het totale accijnsvoordeel, in een restitutie van vennootschapsbelasting voor het resterende bedrag. De restitutie van vennootschapsbelasting wordt van de door de onderneming te betalen vennootschapsbelasting afgetrokken of wordt direct uitbetaald. Er wordt gesproken van een restitueerbaar belastingvoordeel omdat het resterende bedrag direct in geld aan de belastingbetaler kan worden uitbetaald wanneer het voordeel groter is dan de door de betrokkene verschuldigde belasting.

(50)

De in overweging 43, punt 2, genoemde Biodiesel Credit bestaat in een niet-restitueerbare korting op de vennootschapsbelasting voor detailhandelaren of eindgebruikers van onvermengde (zuivere) biodiesel. Alleen zij die zuivere biodiesel in de brandstoftank van een voertuig brengen of als brandstof gebruiken, komen voor dit voordeel in aanmerking. Ook biodieselproducenten die hun eigen biodiesel produceren, kunnen van deze faciliteit gebruikmaken. Daartoe moeten zij optreden als detailhandelaar (die de biodiesel in de brandstoftank van de eindgebruiker vult) of als eindgebruiker (die bijvoorbeeld de biodiesel in de brandstoftank van zijn eigen voertuigen vult).

4.2.1.3.   Praktische uitvoering

(51)

Biodiesel die met dieselbrandstof is vermengd, komt in aanmerking voor een accijns- of inkomensbelastingfaciliteit. Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek bedroeg het voordeel 1 USD per gallon voor alle soorten biodiesel, waaronder bijvoorbeeld agri-biodiesel en biodiesel op basis van biomassa.

(52)

Het uiteindelijke belastingvoordeel voor brandstofmengsels wordt bepaald door het percentage biodiesel. Als minimumvoorwaarde geldt, en dit is ook de meest voorkomende verhouding, dat aan 99,9 % biodiesel 0,1 % minerale diesel is toegevoegd (in de VS wordt dit mengsel aangeduid met B99), waardoor een maximaal belastingvoordeel kan worden behaald. Het aandeel biodiesel in een mengsel bepaalt de hoogte van de korting (bijvoorbeeld: 100 gallon B99 bevat 99,9 gallon biodiesel en levert dus een fiscaal voordeel van 99,90 USD op). De omzetting van zuivere biodiesel (B100) in een gemengd product (B99) is een eenvoudig proces. Aan zuivere biodiesel wordt 0,1 % minerale diesel toegevoegd, waarbij het betrokken product geen belangrijke verandering ondergaat. Het mengen op zich geeft aanleiding tot het belastingvoordeel.

(53)

Biodieselproducenten kunnen aanspraak maken op de regeling wanneer zij zelf als menger optreden. Zij moeten dan de zuivere biodiesel vermengen met dieselbrandstof. Voor het toekennen van het belastingvoordeel maakt het geen verschil of de gemengde biodiesel bestemd is voor de binnenlandse verkoop of voor uitvoer.

(54)

Ook ondernemingen die geen zuivere biodiesel produceren maar deze inkopen om te mengen, kunnen aanspraak maken op het belastingvoordeel. Zij moeten dan wel een certificaat van de producent of de importeur van biodiesel verkrijgen (en in voorkomend geval ook van eventuele tussenhandelaren), waarin de producent verklaart geen aanspraak op de faciliteit te hebben gemaakt (19).

(55)

Dit voordeel kan de vorm hebben van een korting op de verschuldigde accijnzen of op de verschuldigde vennootschapsbelasting, of van een rechtstreekse betaling in geld. Het bedrag blijft hetzelfde, namelijk 1 USD per gallon, ongeacht of het voordeel wordt uitgekeerd in de vorm van een korting op de accijnzen, een korting op de vennootschapsbelasting, een rechtstreekse betaling in geld aan de belastingplichtige, of een combinatie hiervan.

(56)

Overeenkomstig de U.S.C. wordt de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels alleen toegekend wanneer de onderneming die de biodiesel en minerale diesel mengt (de menger) een certificaat van de biodieselproducent (“Certificate for Biodiesel” — “biodieselcertificaat”) kan overleggen waarop deze onder meer verklaart om welke hoeveelheid biodiesel het gaat en of de betrokken biodiesel agri-biodiesel dan wel andere biodiesel is.

(57)

Wat de Biodiesel Credit betreft, kan de detailhandelaar (of een biodieselproducent die optreedt als detailhandelaar) of eindgebruiker van ongemengde biodiesel — net als bij het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen — aanspraak maken op 1,00 USD per gallon voor alle soorten onvermengde (pure) biodiesel die in de brandstoftank van een voertuig worden gebracht of als brandstof worden gebruikt. Dit betekent dat het bedrag van het voordeel van de door een onderneming verschuldigde vennootschapsbelasting wordt afgetrokken. Het voordeel is niet restitueerbaar omdat, wanneer het voordeel groter is dan de door de onderneming verschuldigde belasting, het resterende bedrag niet direct in geld aan de onderneming kan worden uitbetaald.

(58)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regelingen en op basis van de beschikbare gegevens (20) (aangezien er geen medewerking was, zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS hiervan hebben geprofiteerd.

4.2.1.4.   Conclusie

(59)

De Biodiesel Mixture Credit en de Biodiesel Credit moeten als fiscale stimuleringsmaatregelen worden beschouwd, ongeacht of zij in de vorm van een rechtstreekse betaling in geld worden toegekend (alleen mogelijk bij de Biodiesel Mixture Credit) of met verschuldigde belastingen worden verrekend (van toepassing op beide belastingfaciliteiten).

(60)

Deze regelingen werden door de Commissie, in lijn met haar bevindingen in het oorspronkelijke onderzoek, beschouwd als subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i) en ii), van de basisverordening, daar zij voorzien in een financiële bijdrage door de overheid van de VS in de vorm van rechtstreekse schenkingen (betalingen in geld, alleen mogelijk bij de Biodiesel Mixture Credit) en gederfde inkomsten (verrekening met verschuldigde belasting) (van toepassing op beide belastingfaciliteiten). De regelingen verlenen een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(61)

De regelingen gelden alleen voor ondernemingen in de biodieselindustrie en worden derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

(62)

Ten slotte was de Commissie van oordeel dat de Biodiesel Mixture Credit, doordat deze voor alle soorten biodiesel voorziet in een subsidie van 1 USD per gallon, de Amerikaanse producenten-exporteurs van biodiesel een aanzienlijk bedrag aan subsidies heeft opgeleverd en tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek verreweg de belangrijkste regeling is gebleven. Een dergelijke subsidie van 1 USD per gallon zou ongeveer 302 EUR per ton bedragen.

4.2.2.   Small Agri-biodiesel Producer Income Tax Credit

4.2.2.1.   Rechtsgrondslag

(63)

Titel 26, U.S.C., afdeling 40A voorziet ook in een Small Agri-biodiesel Producer Income Tax Credit, zoals de Biodiesel Mixture Credit en de Biodiesel Credit.

(64)

Bovendien maakt de Small Agri-biodiesel Producer Income Tax Credit, vergelijkbaar met de Biodiesel Mixture Credit en de Biodiesel Credit, zoals uiteengezet in de overwegingen 44 en 46, sinds 2005 deel uit van de federale wetgeving van de VS (21). Overeenkomstig afdeling 202, punt a), van de US Energy Improvement and Extension Act (wet ter verbetering en uitbreiding van maatregelen op energiegebied) van 2008 zou deze belastingfaciliteit op 31 december 2009 aflopen (22). Deze subsidieregeling liep echter nooit af, maar is herhaaldelijk met terugwerkende kracht opnieuw ingevoerd. Het Amerikaanse Congres heeft laatstelijk op 20 december 2019 middels de Further Consolidated Appropriations Act de regeling opnieuw ingevoerd voor een periode van twee jaar, vanaf 31 december 2017, en deze met drie jaar verlengd, dus tot en met 31 december 2022.

4.2.2.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(65)

Deze regeling geldt alleen voor kleine producenten van zuivere agri-biodiesel. Mengers en handelaren die biodiesel kopen maar deze niet produceren, komen niet voor deze faciliteit in aanmerking. Een kleine producent is een producent waarvan de productiecapaciteit voor agri-biodiesel niet meer dan 60 miljoen gallon per jaar bedraagt.

(66)

Kleine producenten komen in aanmerking voor een niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting van 0,10 USD per gallon geproduceerde agri-biodiesel. Dit voordeel is beperkt tot 15 miljoen gallon per belastingjaar per producent. De producent kan alleen op het voordeel aanspraak maken indien de agri-biodiesel als brandstof wordt gebruikt, of als hij wordt gebruikt in een mengsel van biodiesel en diesel dat als brandstof wordt gebruikt of voor gebruik als brandstof wordt verkocht. Kleine producenten kunnen deze regeling dus combineren met de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels en in totaal 1,10 USD per gallon ontvangen. Grote producenten daarentegen komen alleen in aanmerking voor de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels.

4.2.2.3.   Praktische uitvoering

(67)

De aanvragen voor de niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting worden jaarlijks bij de aangifte voor de vennootschapsbelasting ingediend. De korting voor elke gallon biodiesel die door de aanvrager in het betrokken belastingjaar is geproduceerd, tot een maximum van 15 miljoen gallon, wordt verrekend met het door hem verschuldigde bedrag aan vennootschapsbelasting. Als de door de aanvrager verschuldigde belasting minder bedraagt dan de aangevraagde heffingskorting, kan het resterende bedrag worden overgeboekt naar volgende belastingjaren.

(68)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (23) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.2.2.4.   Conclusie

(69)

Deze regeling werd door de Commissie, in lijn met haar bevindingen in het oorspronkelijke onderzoek, beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de overheid van de VS in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(70)

De regeling geldt alleen voor biodieselproducenten en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.2.3.   USDA Bioenergy Programme for Advanced Biofuel

4.2.3.1.   Rechtsgrondslag

(71)

Het Bioenergy Programme for Advanced Biofuel (BPAB) van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw (USDA) is gebaseerd op titel IX, afdeling 9005, van de Farm Security and Rural Investment Act van 2002 (de Farm Bill van 2002) en is momenteel onder titel 7, afdeling 8105, in het wetboek van de VS opgenomen.

(72)

Het programma zou aflopen in 2012, maar is in 2013 (24) en 2014 (25) verlengd. In dit verband is het programma bij de Agriculture Act van 2014 met nog eens vijf jaar verlengd tot eind 2018. Meer recentelijk werd dit subsidieprogramma bij de Agricultural Improvement Act van 20 december 2018 met nog eens vijf jaar, dus tot eind 2023, verlengd (26).

4.2.3.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(73)

Dit programma verstrekt rechtstreekse schenkingen aan producenten van geavanceerde biobrandstoffen, in het algemeen gedefinieerd als "brandstoffen afgeleid van biomassa anders dan maïszetmeel”. Diesel op basis van biomassa (27) valt onder deze definitie. Niet meer dan vijf procent van de middelen van het programma kunnen worden verstrekt aan in aanmerking komende producenten met een raffinagecapaciteit van meer dan 150 miljoen gallon aan geavanceerde biobrandstof per jaar. Mengers komen niet in aanmerking voor het programma.

4.2.3.3.   Praktische uitvoering (28)

(74)

Wanneer de deelnemers zich voor het programma hebben aangemeld, ontvangen zij rechtstreekse uitkeringen van de overheid. Producenten moeten zich eerst bij de autoriteit registreren en een overeenkomst ondertekenen. De producenten moeten voor elk kwartaal van het boekjaar een betalingsaanvraag indienen om een uitkering te ontvangen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen in dat kwartaal. Er worden zowel uitkeringen verstrekt voor de werkelijke productie als voor de toename van de productie. De uitkeringen voor de werkelijke productie worden per kwartaal berekend over de hoeveelheid geavanceerde biobrandstof die in dat kwartaal is geproduceerd.

(75)

De uitkeringen voor de toename van de productie worden verstrekt op basis van de hoeveelheid subsidiabele geavanceerde biobrandstof die in een boekjaar is geproduceerd, voor zover deze de in de voorafgaande boekjaren (sinds 2009) geproduceerde hoeveelheid oversteeg.

(76)

De financiering wordt verdeeld over alle producenten die zich kenbaar maken op basis van de waarde in BTU (29) van hun productie. De financiering wordt op basis van de BTU-waarde evenredig over alle producenten verdeeld.

(77)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (30) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.2.3.4.   Conclusie

(78)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de regering van de VS in de vorm van een rechtstreekse schenking. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(79)

De regeling geldt alleen voor biodieselproducenten en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.2.4.   Credit for Production of Cellulosic Biofuel (belastingfaciliteit voor de productie van biobrandstof uit cellulose)

4.2.4.1.   Rechtsgrondslag

(80)

Het programma bestaat sinds 1 januari 2009, is ingesteld bij de Food, Conservation and Energy Act van 2008 en wordt beheerd door de Internal Revenue Service. Het is gecodificeerd in titel 26, afdeling 40 (b) (6), van het wetboek van de VS.

(81)

Deze subsidie zou oorspronkelijk op 31 december 2012 aflopen. Zij is echter meermaals verlengd, laatstelijk tot en met 1 januari 2021 bij de Further Consolidated Appropriations Act van 20 december 2019.

4.2.4.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(82)

Deze regeling voorziet in een niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting van 1,01 USD per gallon biobrandstof van de tweede generatie, als deze wordt gebruikt als brandstof of voor gebruik als brandstof wordt verkocht. De regeling is bedoeld voor producenten, waaronder producenten van biobrandstof uit lignocellulose of hemicellulose dat op hernieuwbare of terugkerende basis beschikbaar is en van brandstoffen op basis van algen.

4.2.4.3.   Praktische uitvoering

(83)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (31) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

(84)

Bovendien wordt verwacht dat de cellulosebiobrandstoffen in de toekomst een aanzienlijk deel van de productie in de VS zullen uitmaken, zoals blijkt uit de verschillende lopende projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van cellulosedieselcapaciteiten (32).

4.2.4.4.   Conclusie

(85)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de regering van de VS in de vorm van een rechtstreekse schenking. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(86)

De regeling is uitsluitend bedoeld voor ondernemingen die biobrandstof produceren die wordt gewonnen uit lignocellulose of hemicellulose dat op hernieuwbare of terugkerende basis beschikbaar is, alsook brandstoffen op basis van algen. Zij wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.2.5.   USDA Biorefinery, Renewable Chemical and Biobased Product Manufacturing Assistance Programme (steunprogramma voor bioraffinaderijen, hernieuwbare chemische stoffen en het vervaardigen van biogebaseerde producten van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw)

4.2.5.1.   Rechtsgrondslag

(87)

Het USDA Biorefinery, Renewable Chemical and Biobased Product Manufacturing Assistance Programme is opgezet krachtens titel 7, afdeling 8103 (Biorefinery assistance) van het wetboek van de VS en wordt beheerd door het ministerie van Landbouw van de VS (USDA).

(88)

Hetzelfde programma werd in het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen “Advanced biofuels loan guarantees” (leninggaranties voor geavanceerde biobrandstoffen) genoemd, maar werd tijdens het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet geanalyseerd.

(89)

Het programma was in het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht op basis van het verzoek om een nieuw onderzoek.

4.2.5.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(90)

Dit programma voorziet in leninggaranties tot 250 miljoen USD voor de ontwikkeling van nieuwe en opkomende technologieën voor geavanceerde biobrandstoffen (met inbegrip van biodiesel), hernieuwbare chemische stoffen en biogebaseerde producten. In grote lijnen komen twee soorten projecten in aanmerking voor het programma: bioraffinaderijen en biogebaseerde productiefaciliteiten. Geavanceerde biobrandstoffen worden gedefinieerd als brandstoffen die uit hernieuwbare biomassa worden gewonnen, met uitzondering van maispitmeel. Het project moet in een Amerikaanse staat gevestigd zijn.

(91)

In aanmerking komen onder meer, maar niet uitsluitend, particulieren, deelstaat- of lokale overheden, landbouwcoöperaties, nationale laboratoria, instellingen voor hoger onderwijs en elektriciteitscoöperaties op het platteland.

(92)

Het totale bedrag van een federale participatie (leninggarantie plus andere federale financiering) mag niet meer bedragen dan 80 procent van de totale subsidiabele projectkosten. De leningnemer en andere bij het project betrokken opdrachtgevers moeten een aanzienlijke bijdrage in contanten leveren.

4.2.5.3.   Praktische uitvoering

(93)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (33) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.2.5.4.   Conclusie

(94)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening, daar zij voorziet in een financiële bijdrage door de staat Kansas in de vorm van een fiscale stimuleringsmaatregel. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(95)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen in de sector van de geavanceerde biobrandstoffen en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.3.   Subsidiëring — staatsregelingen

4.3.1.   Iowa Biodiesel Producer Tax Refund

4.3.1.1.   Rechtsgrondslag

(96)

De rechtsgrondslag van deze regeling, die wordt uitgevoerd door het Ministerie van Financiën van de staat Iowa, is afdeling 423.4(9) van het wetboek van Iowa.

(97)

De regeling zou op 1 januari 2015 aflopen, maar werd in 2014 voor het eerst verlengd tot 1 januari 2018 door de 85e Algemene Vergadering van de staat Iowa. In 2016 heeft de 86e Algemene Vergadering van de staat Iowa deze regeling bij besluit van 24 mei 2016 (hoofdstuk 1106) met nog eens negen jaar verlengd, namelijk tot en met 1 januari 2025.

4.3.1.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(98)

De producent moet een producent van biodiesel zijn en overeenkomstig 40 C.F.R. §79.4 geregistreerd zijn bij het Amerikaanse Agentschap voor milieubescherming (EPA, Environmental Protection Agency). Overeenkomstig afdeling 214A.2 van de grondwet van Iowa moet de biodiesel bestemd zijn voor gebruik in brandstofmengsels met biodiesel. De biodiesel moet in Iowa zijn geproduceerd.

4.3.1.3.   Praktische uitvoering

(99)

Biodieselproducenten die in aanmerking komen, moeten een verzoek om terugbetaling indienen en daarbij gegevens verstrekken over het aantal gallon biodiesel dat in het desbetreffende kwartaal is geproduceerd. Het Ministerie van Financiën beoordeelt het verzoek om terugbetaling en betaalt, indien dit wordt goedgekeurd, elke in aanmerking komende biodieselproducent terug.

(100)

De verzoeken om terugbetaling worden in april, juli, oktober en januari van elk jaar ingediend, en de terugbetalingscheques worden afgegeven in mei, augustus en november en februari van elk jaar.

(101)

Het programma voorziet in een terugbetaling van 0,02 USD per gallon in Iowa geproduceerde biodiesel. De terugbetaling is beperkt tot de eerste 25 miljoen gallon die op elke faciliteit is geproduceerd.

(102)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (34) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 28), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.3.1.4.   Conclusie

(103)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de staat Iowa in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(104)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die biodiesel en andere soorten brandstof produceren en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.3.2.   Kentucky Biodiesel Production Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Kentucky voor biodieselproductie)

4.3.2.1.   Rechtsgrondslag

(105)

De rechtsgrondslag van deze regeling die door het ministerie van Financiën van Kentucky wordt toegepast, is de Kentucky Revised Statues (KRS) uit hoofde van de afdelingen 141.422 tot en met 141.425.

(106)

De regeling werd ingesteld bij de Kentucky ACTS van 2005, hoofdstuk 168, afdeling 137, en werd van kracht op 18 maart 2005. Zij is gewijzigd in 2006 en 2007. Zij valt momenteel onder de versie van 2019 van de KRS, zoals vermeld in de vorige overweging.

4.3.2.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(107)

Alle producenten van biodiesel, mengers van biodiesel en producenten van hernieuwbare diesel die fysiek in Kentucky gevestigd zijn, komen in aanmerking voor deze belastingfaciliteit.

4.3.2.3.   Praktische uitvoering

(108)

Een in aanmerking komende aanvrager moet uiterlijk op de 15e dag van de eerste maand na het einde van het voorafgaande kalenderjaar bij het ministerie van Financiën een belastingkrediet indienen voor in Kentucky geproduceerde of gemengde gallons biodiesel (of voor de geproduceerde hernieuwbare diesel).

(109)

Als een aanvrager aanspraak maakt op de faciliteit, moet hij het door het ministerie afgegeven kortingscertificaat als bijlage voegen bij de belastingaangifte waarmee het belastingkrediet wordt aangevraagd (35).

(110)

De korting bedraagt één dollar (1 USD) per gallon biodiesel die door een biodieselproducent wordt geproduceerd, één dollar (1 USD) per gallon biodiesel die door een biodieselmenger bij het mengen wordt gebruikt en één dollar (1 USD) per gallon hernieuwbare diesel (d.w.z. diesel uit biomassa) die door een producent van hernieuwbare diesel wordt geproduceerd, tenzij het totale bedrag aan goedgekeurde kortingen voor alle producenten en mengers van biodiesel of producenten van hernieuwbare diesel hoger is dan het jaarlijkse plafond van 10 miljoen USD.

(111)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (36) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.3.2.4.   Conclusie

(112)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de staat Kentucky in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(113)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die biodiesel en andere soorten brandstof produceren en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.3.3.   Texas Fuel Ethanol and Biodiesel Production Incentive Programme (stimuleringsprogramma voor de productie van brandstoffen op basis van ethanol en biodieselproductie)

4.3.3.1.   Rechtsgrondslag

(114)

De rechtsgrondslag van deze regeling, die wordt beheerd door het Texas Economic Development and Tourism Office, is hoofdstuk 16 van de Texan Agriculture Code, getiteld “Fuel Ethanol, Renewable Methane, Biodiesel, And Renewable Diesel Production Incentive Program”.

(115)

Sinds 2011 is hoofdstuk 16 van de Texan Agriculture Code niet gewijzigd. Deze regeling is dus nog steeds van kracht.

4.3.3.2.   Criteria om voor de regeling in aanmerking te komen

(116)

In het kader van deze regeling kent de Texaanse overheid subsidies toe aan in aanmerking komende ondernemingen die in Texas ethanol, hernieuwbaar methaan, biodiesel of hernieuwbare diesel produceren.

(117)

Om in aanmerking te komen, moeten deze ondernemingen geregistreerd zijn bij het Texas Economic Development and Tourism Office.

4.3.3.3.   Praktische uitvoering

(118)

Geregistreerde producenten die een vergoeding hebben betaald van 32 cent voor elke gallon brandstofethanol of MMBtu van hernieuwbaar methaan en 1,6 cent voor elke gallon biodiesel die wordt geproduceerd, hebben recht op een subsidie van 20 cent per gallon brandstofethanol of MMBtu van hernieuwbaar methaan en 10 cent voor elke gallon biodiesel die in een geregistreerde installatie wordt geproduceerd (tot een jaarlijks maximum van 18 miljoen gallons per installatie) tot de 10e verjaardag van de dag waarop de productie in de installatie van start ging (37).

(119)

Aangezien biodieselproducenten in aanmerking komen voor deze regeling en op basis van de beschikbare feiten (38) (aangezien er geen medewerking werd verleend zoals aangegeven in overweging 27), heeft de Commissie geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VS er baat bij hadden door de beschikbare gegevens toe te passen overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

4.3.3.4.   Conclusie

(120)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, punt a), i), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de staat Texas in de vorm van rechtstreekse schenkingen. De regeling verleent de ondernemingen die de steun ontvangen een voordeel op grond van artikel 3, lid 2, van de basisverordening.

(121)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die biodiesel en andere soorten brandstof produceren en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

4.4.   Waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring

4.4.1.   Waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring uit hoofde van de drie federale regelingen

(122)

Net als in het oorspronkelijke onderzoek en in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bleef de belangrijkste regeling de Biodiesel Mixture Credit. Deze regeling werd op 20 december 2019 door het Congres van de VS opnieuw ingevoerd bij de Further Consolidated Appropriations Act (zie in dit verband overweging 44) en was in het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht. De regeling verstrijkt ten vroegste op 1 januari 2023.

(123)

Net als de Biodiesel Mixture Credit zijn de Biodiesel Credit en de Small Agri-biodiesel Producer Income Tax Credit ook opnieuw ingevoerd bij de Further Consolidated Appropriations Act van het Amerikaanse Congres van 20 december 2019 tot en met 31 december 2022 (zie in dit verband respectievelijk de overwegingen 46 en 64).

(124)

De drie federale regelingen (Biodiesel Mixture Credit, Biodiesel Credit en Small Agri-biodiesel Producer Credit) zijn ingesteld bij de American Jobs Creation Act van 2004 (39) (wet op het scheppen van werkgelegenheid) en werden op 1 januari 2005 voor het eerst van kracht. Bovendien zijn zij allen tot op heden met terugwerkende kracht herhaaldelijk opnieuw ingevoerd.

(125)

Zoals bovendien uiteengezet in overweging 72, zou het USDA bioenergy programme for advanced biofuels in 2012 aflopen, maar werd het in 2013 en vervolgens in 2014 verlengd. De Agriculture Act van 2014 heeft het programma met nog eens vijf jaar verlengd tot eind 2018. Meer recentelijk werd dit subsidieprogramma bij de Agricultural Improvement Act van 20 december 2018 met nog eens vijf jaar, dus tot eind 2023, verlengd.

(126)

Bovendien zou de Credit for Production of Cellulosic Biofuel, zoals beschreven in overweging 81, in 2012 aflopen. Die belastingfaciliteit werd verscheidene malen verlengd en ten slotte op 20 december 2019 door het Congres van de VS opnieuw ingesteld bij de Further Consolidated Appropriations Act”, tot en met 1 januari 2021 (40).

(127)

Het USDA Biorefinery, renewable chemical and biobased product manufacturing assistance programme werd voorheen Advanced biofuels loan guarantees genoemd. In de loop van zijn bestaan was dat programma voortdurend beschikbaar voor biodieselproducenten in de VS. Het was nog steeds van kracht in het tijdvak van het nieuwe onderzoek en werd sinds de eerste inwerkingtreding ervan gekenmerkt door voortdurende herinvoering. Alle hierboven geanalyseerde subsidieregelingen, op grond waarvan subsidies werden verleend, waren tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht. Op basis van de beschikbare gegevens (41) bedraagt de subsidie van de Biodiesel Mixture Credit alleen al 300 USD per ton met dieselbrandstof vermengde biodiesel. Bijgevolg heeft de Commissie, gezien de omvang van het subsidiebedrag dat alleen al in het kader van deze subsidieregeling van de Biodiesel Mixture Credit werd toegekend en de vele andere voor biodieselproducenten in de VS beschikbare subsidieregelingen, geconcludeerd dat de subsidiëring van de biodieselbedrijfstak in de VS is voortgezet met meer dan de minimis-subsidiebedragen.

4.4.2.   Waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring uit hoofde van andere regelingen

(128)

Alle hierboven geanalyseerde subsidieregelingen, op grond waarvan subsidies werden verleend, waren tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek van kracht.

(129)

Een aantal andere kleinschalige staatssubsidieregelingen, zoals vermeld in overweging 41, zijn momenteel nog van kracht en er zijn geen aanwijzingen dat deze regelingen in de nabije toekomst zullen aflopen.

4.4.3.   Conclusie over de voortzetting van subsidiëring

(130)

Gezien bovenstaande bevindingen, en gezien het gebrek aan medewerking van de autoriteiten van de VS en de producenten-exporteurs in de VS, heeft de Commissie geconcludeerd dat de biodieselproducenten in de VS zijn blijven profiteren van alle in de bovenstaande overwegingen beschreven federale en staatsregelingen, met meer dan de minimis-subsidiebedragen.

4.5.   Waarschijnlijkheid van herhaling van de invoer met subsidiëring in aanzienlijke hoeveelheden

(131)

Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van subsidiëring, is de Commissie nagegaan hoe waarschijnlijk voortzetting van de invoer met subsidiëring uit het betrokken land is indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. Na de instelling van maatregelen in 2009 daalde de invoer van biodiesel uit de VS in de Unie vanaf 2013 tot bijna nul. Zo werd in het TNO (van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020) ongeveer 156 ton uit de VS ingevoerd. Deze hoeveelheden vertegenwoordigen slechts 0,04 % van de totale uitvoer van de VS en nog minder van het verbruik in de Unie. De Commissie heeft onderzocht of het waarschijnlijk was dat de invoer met subsidiëring in aanzienlijke hoeveelheden zou worden hervat indien de maatregel zou komen te vervallen. In het bijzonder werden de volgende elementen geanalyseerd: de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in de VS, de beschikbaarheid van andere markten en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

4.5.1.   Bestaande reservecapaciteit bij producenten-exporteurs in de VS

(132)

De Commissie heeft onderzocht of de uitvoer met subsidiëring uit de VS naar de Unie in aanzienlijke hoeveelheden plaats zou vinden als de maatregelen zouden komen te vervallen. Door het gebrek aan medewerking van de producenten-exporteurs en van de regering van de VS, zoals beschreven in overweging 27, was het niet mogelijk een analyse uit te voeren op basis van door producenten in de VS en de autoriteiten van de VS verstrekte, gecontroleerde gegevens. Daarom heeft de Commissie de volgende informatiebronnen gebruikt: Eurostat, het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, latere opmerkingen van de indiener van het verzoek en de websites van de US Energy Information Administration (EIA) en het Amerikaanse ministerie van Landbouw (USDA).

(133)

Op basis van de gegevens van het EIA bedroeg de capaciteit van de biodieselproducenten in de VS tijdens het TNO 8 412 000 ton.

(134)

De werkelijke productie van biodiesel in de VS tijdens het TNO bedroeg 5 718 000 ton (bron: EIA), hetgeen neerkomt op een bezettingsgraad van 68 % en een reservecapaciteit van 32 %, oftewel ongeveer 2 694 000 ton. Deze aanzienlijke reservecapaciteit van de producenten in de VS is een stimulans om de productie te verhogen en biodiesel tegen gesubsidieerde prijzen op de markt van de Unie te verkopen en zal daarom waarschijnlijk worden gebruikt om de markt van de Unie te bevoorraden indien de maatregelen komen te vervallen. De Amerikaanse producenten kunnen hun productie inderdaad gemakkelijk verhogen en naar de EU uitvoeren, met als economische voordelen een stijging van de bezettingsgraad en een vermindering van de productiekosten per eenheid. Als de reservecapaciteit van de VS in de Unie op de markt zou worden gebracht, zouden de gevolgen aanzienlijk zijn, want deze hoeveelheid komt overeen met bijna 18 % van het verbruik in de Unie tijdens het TNO.

(135)

Tijdens het TNO lag de productie van biodiesel in de VS (5 718 000 ton) bovendien onder het verbruik (5 934 000 ton). Als gevolg daarvan voerde de VS meer biodiesel in dan uit. Tijdens het TNO bedroeg de totale invoer 629 000 ton en de uitvoer 428 000 ton. Als de beschikbare productiecapaciteit tijdens de beoordelingsperiode niet werd gebruikt om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag, is het onwaarschijnlijk dat dezelfde beschikbare productiecapaciteit in de toekomst wel voor dit doel zou worden ingezet. De in het TNO gerapporteerde productiecapaciteit in de VS (8 412 000 ton, zie vorige overweging) was aanzienlijk hoger dan het binnenlandse verbruik. Dit betekent dat, als exportmarkten worden opengesteld, de producenten in de VS waarschijnlijk hun reservecapaciteit zullen gebruiken voor uitvoer in plaats van voor binnenlands verbruik.

4.5.2.   Beschikbaarheid van andere markten

(136)

Het is onwaarschijnlijk dat de reservecapaciteit zou worden gebruikt om de uitvoer naar andere derde landen buiten de EU te verhogen. De grote markten van derde landen (Brazilië, Indonesië, Argentinië, China, Thailand) zijn zelfvoorzienend wat de binnenlandse productie van biodiesel betreft, en de VS hebben ondanks hun reservecapaciteit tot dusver niet veel naar die landen uitgevoerd. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst zal veranderen.

4.5.3.   Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie

(137)

Om de prijs bij uitvoer naar derde landen vast te stellen, heeft de Commissie haar bevindingen gebaseerd op openbaar toegankelijke informatie, namelijk de Global Trade Atlas (“GTA”). Zij heeft de hoeveelheden en de waarde van de uitvoer van biodiesel onder GS-code 3826 00 voor het TNO geëxtraheerd. De uitvoer (in ton) naar alle landen (inclusief de EU) bedraagt 389 075 ton, waarvan onbeduidende hoeveelheden naar de Unie werden uitgevoerd.

(138)

Zoals blijkt uit tabel 1 hieronder bedroeg de gemiddelde prijs af fabriek van biodiesel die in het TNO door producenten in de Unie in de Unie werd verkocht, bedroeg 771 EUR per ton.

(139)

Tabel 1 toont de gemiddelde verkoopprijs in US-dollar per ton, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek (door aftrek van 82,52 USD per ton voor de binnenlandse vracht zoals aangegeven in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen) voor de zes landen (buiten de EU) waarnaar de VS meer dan 0,1 % van hun totale uitvoer tijdens het TNO uitvoerden.

Tabel 1

Volume en prijzen van de uitvoer uit de VS tijdens het TNO

Landen van bestemming

Uitgevoerde hoeveelheden (ton)

Percentage van de uitvoer naar alle landen

Gemiddelde prijs af fabriek (USD) per ton

Gemiddelde prijs af fabriek (EUR) per ton

Canada

354 442

91,1

805,33

728,48

China

12 363

3,2

316,49

286,29

Noorwegen

3 500

0,9

862,48

780,18

Peru

2 144

0,6

591,72

535,26

Mexico

1 204

0,3

661,23

598,13

Zuid-Korea

475

0,1

363,15

328,49

Bron: GTA.

(140)

Uit tabel 1 blijkt een grote variatie in de uitvoerprijzen tussen de verschillende landen waarnaar de VS in het TNO het meest uitvoerden.

(141)

Uit tabel 1 blijkt ook dat de hoogste gemiddelde uitvoerprijzen de prijzen zijn van de uitvoer naar landen als Canada en Noorwegen waaraan de VS 92 % van hun totale uitvoer verkopen. In het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen is in dit verband bepaald dat de duurdere “biodiesel die naar Canada wordt uitgevoerd, moet worden vervaardigd van specifieke soorten grondstoffen die beter bestand zijn tegen koude temperaturen, zoals koolzaad, of HVO, met uitstekende koude-eigenschappen”. Als gevolg hiervan worden de hogere gemiddelde prijzen bij uitvoer naar de twee betrokken landen verklaard door de hogere kostprijs van de grondstof (bv. koolzaad).

(142)

Op basis van de GTA berekende de Commissie vervolgens een gemiddelde uitvoerprijs naar alle bestemmingen in het TNO, rekening houdend met de volgende elementen:

Wegens de grote variatie in de uitvoerprijzen van de VS (zie ook tabel 1 in overweging 139) heeft de Commissie alle landen die voor de VS een aandeel van minder dan 0,1 % van het totale verkoopvolume dat zij in het TNO uitvoerden vertegenwoordigden, van deze berekening uitgesloten. In totaal waren er zes landen (buiten de EU) met een aandeel van meer dan 0,1 % van de totale uitvoer van de VS, zoals aangegeven in tabel 1.

Zoals ook blijkt uit tabel 1, zijn de hoogste gemiddelde uitvoerprijzen de gemiddelde prijzen van de uitvoer naar landen als Canada en Noorwegen, waaraan de VS 92 % van hun totale uitvoer verkopen. Deze hogere uitvoerprijzen zijn toe te schrijven aan de hogere kostprijs van de grondstof (bv. koolzaad).

De uitvoer van biodiesel naar de EU bestaat voornamelijk uit een mix van verschillende soorten biodiesel, vanwege de uiteenlopende klimatologische omstandigheden in de EU, waarbij de in Noord-Europa te gebruiken biodiesel voornamelijk beter bestand is tegen koude temperaturen.

Bijgevolg vormt de berekening van een eenvoudige gemiddelde uitvoerprijs in het kader van de huidige beoordeling een getrouwe weergave van de gemiddelde prijs die op de markt van de Unie zou worden waargenomen en wordt voorkomen dat onevenredig veel gewicht wordt toegekend aan de uitvoer naar Canada en Noorwegen, gezien de mix van biodieselsoorten die waarschijnlijk zouden worden uitgevoerd naar de Unie, waar de klimaatomstandigheden sterk uiteenlopen tussen de lidstaten.

(143)

Rekening houdend met alle bovenstaande elementen heeft de Commissie een eenvoudige gemiddelde uitvoerprijs berekend van 682 USD per ton (617 EUR). Deze gemiddelde uitvoerprijs van 617 EUR is een fob-prijs waarbij de kosten van vervoer over zee en verzekering moeten worden opgeteld om tot een cif-prijs te komen. Deze kosten bedroegen ongeveer 52 USD per ton (47 EUR per ton) indien de bestemming volgens het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen de Unie zou zijn.

(144)

De Commissie was van mening dat de 47 EUR per ton een redelijke indicatie is voor de extra kosten van vervoer over zee naar andere bestemmingen en de daaraan verbonden verzekering. De gemiddelde prijs bij uitvoer uit de VS naar derde landen werd aldus vastgesteld op 617 EUR (fob-prijs), wat betekent dat het bestaande douanerecht (6,5 %) (in totaal afgerond op 104 EUR per ton om ook enkele extra kosten na invoer te dekken) van de VS naar de EU (in totaal ongeveer 721 EUR per ton) ver onder de prijs af fabriek van de bedrijfstak van de Unie van 771 EUR per ton zou liggen.

(145)

Hieruit blijkt dat de producenten-exporteurs uit de VS tegen een prijs van minder dan 771 EUR per ton zouden kunnen verkopen om tot de markt van de Unie te kunnen doordringen, en dat dit voor hen een prikkel zou zijn om een deel van de huidige uitvoer naar derde landen te verleggen naar de markt van de Unie, aangezien de prijzen daarop aantrekkelijker zijn dan op de markten van sommige andere derde landen.

4.6.   Ontwijkings- en absorptiepraktijken

(146)

Zoals vermeld in overweging 1, is gebleken dat de in 2009 ingestelde antisubsidiemaatregelen werden ontweken door middel van verzending via Canada en wijziging van de samenstelling van het mengsel. Het bestaan van dergelijke praktijken toont aan dat sommige producenten in de VS er belang bij hebben om de markt van de Unie te betreden, zelfs na de instelling van maatregelen, en wordt daarom beschouwd als een indicatie van de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie voor biodieselproducenten in de VS.

4.7.   Conclusie

(147)

In het licht van bovenstaande overwegingen heeft de Commissie geconcludeerd dat de subsidiëring werd voortgezet. Gezien de aanzienlijke reservecapaciteit van de biodieselindustrie van de VS en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie in termen van omvang en verkoopprijs, met name wat betreft het prijsniveau van de uitvoer uit de VS naar derde landen, heeft de Commissie geconcludeerd dat de biodieselproducenten in de VS waarschijnlijk de uitvoer van biodiesel naar de markt van de Unie tegen gesubsidieerde prijzen in grote hoeveelheden zullen hervatten indien de maatregelen komen te vervallen.

5.   SCHADE

5.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(148)

Volgens de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens werd het soortgelijke product in de beoordelingsperiode door 49 producenten in de Unie vervaardigd. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

(149)

De totale productie in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vastgesteld op ongeveer 14 miljoen ton. De Commissie heeft het cijfer vastgesteld op basis van door de bedrijfstak van de Unie verstrekte informatie. Zoals vermeld in overweging 17 werd een steekproef samengesteld van drie producenten in de Unie die meer dan 17,5 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vertegenwoordigen.

5.2.   Verbruik in de Unie

(150)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van informatie van de bedrijfstak en invoergegevens van Comext.

(151)

Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Verbruik in de Unie (ton)  (42)

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Totaal verbruik in de Unie (ton)

13 843 702

15 444 700

15 762 282

16 955 685

Index

100

112

114

122

Bron: Gegevens van de bedrijfstak van de Unie, Comext.

(152)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek is het verbruik van biodiesel in de Unie, berekend als de som van de invoer van biodiesel in de Unie en de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de EU-markt, met 22 % gestegen, namelijk van 13,8 miljoen ton in 2017 tot 16,9 miljoen ton.

5.3.   Invoer van het betrokken product uit de VS

5.3.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(153)

De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van de door Eurostat verstrekte informatie (Comext-databank). Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens over de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie en handelsgegevens van Comext.

(154)

De invoer uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Omvang van de invoer (ton), marktaandeel en prijzen  (43)

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Omvang van invoer uit het betrokken land (ton)

176

2 339

139

156

Index

100

1 329

79

89

Marktaandeel

0 %

0 %

0 %

0 %

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 243

972

1 269

1 812

Index

100

78

102

146

Bron: Comext, verkoopgegevens van de bedrijfstak van de EU voor de berekening van het marktaandeel.

(155)

Sinds de instelling van de maatregelen in 2009 is de invoer uit de VS vrijwel stilgevallen en bedroeg deze in het TNO slechts 156 ton (tegenover meer dan 1 137 000 ton tijdens het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek). Gezien de verwaarloosbare invoerhoeveelheden konden de gemiddelde prijzen niet als representatief worden beschouwd.

5.3.2.   Prijzen en prijsonderbieding

(156)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vrijwel geen biodiesel uit de VS in de Unie ingevoerd die als betrouwbare basis voor de berekening van de prijsonderbieding kon worden gebruikt.

(157)

Als alternatief heeft de Commissie de prijsonderbieding tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld door vergelijking van:

1)

de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie die in rekening werden gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek (771 EUR/ton), alsmede

2)

de gemiddelde prijs van de uitvoer van producenten in de VS naar derde landen, naar behoren gecorrigeerd voor vervoerskosten naar de Unie en douanerechten van de EU (721 EUR/ton — zie overweging 144).

(158)

Het resultaat van de vergelijking was een prijsonderbieding van 6,4 %.

5.3.3.   Invoer uit andere derde landen

(159)

Tijdens het TNO bedroeg de invoer uit derde landen 3 750 000 ton of ongeveer 22 % van het totale verbruik in de Unie. De belangrijkste bronnen van invoer van biodiesel, met uitzondering van de VS, waren Argentinië (24 % van de EU-invoer), Maleisië (18 %), Singapore (13 %) en Indonesië (5 %).

(160)

De geaggregeerde hoeveelheden invoer evenals het marktaandeel en de prijsontwikkelingen voor de invoer van biodiesel uit andere derde landen ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 4

Invoer uit derde landen  (44)

Land

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Argentinië

Omvang (ton)

355 782

1 467 325

873 325

905 781

 

Index

100

412

245

255

Marktaandeel

3 %

10 %

6 %

5 %

Gemiddelde prijs

EUR/ton

635

620

707

728

Index

100

98

111

115

Maleisië

Omvang (ton)

335 769

388 615

731 679

679 860

 

Index

100

116

218

202

Marktaandeel

2 %

3 %

5 %

4 %

Gemiddelde prijs

EUR/ton

952

813

669

730

Index

100

85

70

77

Indonesië

Omvang (ton)

24 984

777 992

743 456

195 858

 

Index

100

3 114

2 976

784

Marktaandeel

0 %

5 %

5 %

1 %

Gemiddelde prijs

EUR/ton

803

671

636

665

Index

100

84

79

83

Andere derde landen

Omvang (ton)

822 027

820 093

1 450 938

1 983 471

 

Index

100

100

177

241

Marktaandeel

6 %

5 %

9 %

12 %

Gemiddelde prijs

EUR/ton

662

723

829

874

Index

100

109

125

132

Totaal van alle derde landen, behalve de VS

Omvang (ton)

1 538 562

3 454 050

3 799 448

3 765 041

 

Index

100

224

247

245

Marktaandeel

11 %

22 %

24 %

22 %

Gemiddelde prijs

EUR/ton

721

678

732

802

Index

100

94

102

111

Bron: Comext, verkoopgegevens van de bedrijfstak van de EU voor de berekening van het marktaandeel.

(161)

De rechten op invoer uit Argentinië en Indonesië — twee belangrijke biodieselexporterende landen — werden in 2018 afgeschaft. Bijgevolg geldt dat de invoer uit derde landen in 2018 toenam en in 2019 en in het TNO op een niveau van ongeveer 3,8 miljoen ton bleef. In totaal steeg de invoer uit derde landen met uitzondering van de VS tijdens de beoordelingsperiode met 145 %. Bovendien steeg hun marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode van 11 % tot 22 %.

(162)

Wat de prijzen betreft, verschilt de situatie van land tot land.

(163)

Met betrekking tot Argentinië, de belangrijkste bron van invoer, heeft de Commissie in februari 2019 definitieve antisubsidiemaatregelen ingesteld op de invoer van biodiesel uit dit land en tegelijkertijd een besluit vastgesteld tot aanvaarding van verbintenissen inzake duurzame prijzen van acht Argentijnse producenten en de Argentijnse kamer van biobrandstof (CARBIO). Dit leidde tot een aanzienlijke stijging van de prijzen in 2019 (met 14 % ten opzichte van 2018) en het TNO (met 17 % ten opzichte van 2018).

(164)

Voor Indonesië en Maleisië vertoonden de prijzen een dalende trend. Tegelijkertijd namen zij voor de andere derde landen aanzienlijk toe. In totaal stegen de gemiddelde verkoopprijzen van de invoer uit andere derde landen dan de VS tijdens de beoordelingsperiode met 11 %. Deze trend spoort met de trend die is waargenomen voor de invoer uit de betrokken landen in tabel 3. De prijsontwikkeling verschilt echter van die van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie in tabel 8. De prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie daalden, in overeenstemming met de daling van de productiekosten. Dit heeft tot gevolg dat het prijsverschil tussen exporteurs uit derde landen en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie is afgenomen, waardoor het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie is toegenomen.

5.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

5.4.1.   Algemene opmerkingen

(165)

De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een beoordeling van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren.

(166)

Zoals in overweging 17 vermeld, is voor de beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie gebruikgemaakt van een steekproef.

(167)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. Zij evalueerde de macro-economische indicatoren op basis van door de bedrijfstak van de EU verstrekte gegevens en andere sectorspecifieke macro-economische gegevens, zoals die van de FAO en de OESO. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(168)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de subsidiemarge en herstel van subsidiëring in het verleden.

(169)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

5.4.2.   Macro-economische indicatoren (45)

5.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(170)

De totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad van de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Productievolume (ton)

12 639 715

13 166 083

13 931 438

13 984 220

Index

100

104

110

111

Productievolume (ton)

16 047 231

16 707 893

16 862 595

17 529 047

Index

100

104

105

109

Bezettingsgraad

79 %

79 %

83 %

80 %

Index

100

100

105

101

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(171)

De productie in de Unie steeg van 12,6 miljoen ton in 2017 tot 14,0 miljoen ton tijdens het TNO, wat neerkomt op een stijging met 11 % tijdens de beoordelingsperiode. In een situatie waarin het verbruik met 22 % toenam tijdens de beoordelingsperiode reageerde de bedrijfstak van de Unie positief door zijn productie te verhogen.

(172)

Tegelijkertijd steeg de productiecapaciteit in de beoordelingsperiode met 9 % tot 17,5 miljoen ton in het TNO. De bedrijfstak van de Unie ontwikkelt zijn capaciteit om in te spelen op een toenemende vraag. Volgens een verslag (46) heeft deze capaciteitsuitbreiding voornamelijk betrekking op de productie van met waterstof behandelde plantaardige oliën (HVO).

(173)

Als gevolg van de gelijktijdige stijging van de productie en de productiecapaciteit bleef de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode stabiel, namelijk ongeveer 80 %.

5.4.2.2.   Verkoop en marktaandeel

(174)

De verkoophoeveelheden en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Verkoophoeveelheid op de markt van de Unie (ton)

12 305 049

11 988 560

11 962 754

13 190 560

Index

100

97

97

107

Marktaandeel

89 %

78 %

76 %

78 %

Index

100

87

85

88

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(175)

De bedrijfstak van de Unie heeft zijn verkoop op de markt van de Unie verhoogd van 12,3 miljoen ton in 2017 tot 13,2 miljoen ton in het TNO (+ 7 %).

(176)

Aangezien het verbruik in de Unie met 22 % is gestegen en het werkelijke verkoopvolume minder hard steeg, daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van ongeveer 89 % in 2017 tot 78 % tijdens het TNO. Deze daling van het marktaandeel houdt verband met de toename van de invoer uit derde landen, met name vanaf 2018 (cf. overweging 161).

5.4.2.3.   Groei

(177)

Een aantal indicatoren (productie, productiecapaciteit, verkoop, werkgelegenheid) wijzen op een positieve groei van de bedrijfstak van de Unie tijdens de referentieperiode. Deze groei is echter gematigd in vergelijking met de ontwikkeling van het verbruik van biodiesel in dezelfde periode. In feite daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de referentieperiode.

5.4.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(178)

De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt:

Tabel 7

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Aantal werknemers

2 643

3 126

3 527

3 909

Index

100

118

133

148

Productiviteit (ton/werknemer)

4 782

4 211

3 950

3 577

Index

100

88

83

75

Bron: door de indiener van het verzoek en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verstrekte informatie.

(179)

In de beoordelingsperiode nam de werkgelegenheid toe van 2 643 tot 3 909, een stijging van 48 %.

(180)

Doordat de productie in mindere mate steeg (+11 %), daalde de productiviteit (–25 %).

5.4.2.5.   Omvang van de subsidiëring en herstel van subsidiëring

(181)

Zoals uiteengezet in overweging 155 is de invoer van biodiesel vrijwel stilgevallen na de instelling van compenserende maatregelen en was er in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vrijwel geen invoer met subsidiëring uit de VS. De omvang van de subsidiëring kon derhalve niet worden beoordeeld aan de hand van feitelijke gegevens en werd ingeschat als nog steeds aanzienlijk boven de minimis. Het onderzoek was dan ook gericht op de waarschijnlijkheid van herhaling van subsidiëring indien de compenserende maatregelen zouden worden ingetrokken.

(182)

In het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen vertoonde de bedrijfstak van de Unie tekenen van herstel van de gevolgen van eerdere subsidiëring. Tijdens de beoordelingsperiode van het onderhavige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen zette het herstelproces zich voort, zoals blijkt uit de gunstige ontwikkeling van de belangrijkste schade-indicatoren voor de bedrijfstak van de Unie.

5.4.3.   Micro-economische indicatoren (47)

5.4.3.1.   Prijzen en factoren die prijzen beïnvloeden

(183)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Verkoopprijzen in de Unie

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie op de totale markt (EUR/ton)

834

801

771

771

Index

100

96

92

92

Gemiddelde prijs van plantaardige oliën (index)

100

86

81

86

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

828

778

760

755

Index

100

94

92

91

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen, FAO (prijsindex van plantaardige olie).

(184)

Tijdens de beoordelingsperiode daalden de productiekosten met 9 % (van 828 EUR/ton tot 755 EUR/ton). Dit is deels toe te schrijven aan de daling van de prijs van plantaardige oliën, die in de loop van de periode daalde. Hoewel niet alle biobrandstoffen bestaan uit plantaardige oliën, is de prijs van plantaardige oliën een goede maatstaf voor de prijs van de belangrijkste input voor de productie van biodiesel.

(185)

De gemiddelde verkoopprijs daalde met 8 %, van 834 EUR/ton in 2017 tot 771 EUR/ton tijdens het TNO. Dit kan verband houden met de geobserveerde daling van de productiekosten (zie de overwegingen 183 en 184).

5.4.3.2.   Loonkosten

(186)

De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

63 785

70 533

72 306

72 533

Index

100

111

113

114

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(187)

De gemiddelde loonkosten in de in de steekproef opgenomen ondernemingen stegen in het TNO met 14 %. Het effect van deze variatie is vrij klein, aangezien de arbeidskosten slechts ongeveer 3 % van de totale productiekosten uitmaken.

5.4.3.3.   Voorraden

(188)

De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Voorraden

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Eindvoorraden (ton)

99 868

126 345

124 567

114 216

Index

100

127

125

114

Eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie

0,8 %

1,0 %

0,9 %

0,8 %

Index

100

121

113

103

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(189)

Het voorraadniveau bleef stabiel rond 1 % van de productie. Dit is een zeer lage ratio die erop wijst dat de bedrijfstak in staat is om op aanvraag en “just in time” te werken, en de inventaris te beperken. Dit is ook noodzakelijk om aantasting van biodiesel te voorkomen.

5.4.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(190)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 11

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2017

2018

2019

Tijdvak van het nieuw onderzoek

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van omzet)

0,96 %

2,13 %

1,78 %

2,84 %

Index

100

223

186

297

Kasstroom (EUR)

45 139 254

10 723 312

54 431 877

58 021 678

Index

100

24

121

129

Investeringen (EUR)

40 430 425

20 634 073

34 169 705

17 028 015

Index

100

51

85

42

Rendement van investeringen

22 %

29 %

25 %

44 %

Index

100

128

112

198

Bron: in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(191)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid bleef laag. In de beoordelingsperiode is er echter sprake van een licht positieve trend, waarbij de winstgevendheid van 1 % naar 3 % is gestegen. Dit hield verband met de dalende productiekosten voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen (–9 %). Achter dit gemiddelde schuilt echter een grote verscheidenheid tussen de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, waarbij sommige ondernemingen helemaal geen winst maken.

(192)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom heeft zich positief ontwikkeld tot het einde van de beoordelingsperiode (in 2019 en de eerste helft van 2020), maar in 2018 is de kasstroom sterk gedaald. De daling in 2018 wordt voornamelijk beïnvloed door de specifieke situatie van slechts één van de in de steekproef opgenomen ondernemingen met een speciaal bedrijfsmodel, terwijl de trend voor de andere twee in de steekproef opgenomen ondernemingen vrij stabiel was.

(193)

De investeringen in de in de steekproef opgenomen ondernemingen vertonen in de beoordelingsperiode geen duidelijke trend. Investeringen bij een van de in de steekproef opgenomen ondernemingen of het ontbreken daarvan kunnen het investeringsniveau van jaar tot jaar doen stijgen en dalen. De investeringen vertegenwoordigden in de beoordelingsperiode ongeveer 1-2 % van de omzet, wat beperkt is.

(194)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode positief en bleef hoog in het TNO. Dit hoge rendement van investeringen houdt echter vooral verband met de lage nettoboekwaarde van de investeringen, en niet zozeer met hoge winst.

5.4.4.   Conclusie inzake schade

(195)

In de beoordelingsperiode is de omvang van de invoer uit derde landen, gezien de vrijwel onbestaande invoer uit de VS, aanzienlijk gestegen (met 145 %), maar ook het prijsniveau is gestegen (met 11 %). Tegelijkertijd daalden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie (met 8 %), in overeenstemming met een daling van de productiekosten (met 9 %). Bijgevolg nam het prijsverschil tussen exporteurs uit derde landen en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie af, waardoor het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie werd vergroot.

(196)

Over het geheel genomen wijzen de schade-indicatoren op een positieve trend tijdens de beoordelingsperiode, met name wat de productie (+11 %), de productiecapaciteit (+9 %) en de verkoop (+7 %) betreft, en tonen zij aan dat de bedrijfstak van de Unie zich langzaam herstelt van eerdere schade. Uit de analyse van de schade-indicatoren blijkt dat de bedrijfstak van de Unie momenteel geen aanmerkelijke schade lijdt. Sommige indicatoren, met name een lage winstgevendheid (≤ 3 %), wijzen er echter op dat de economische situatie nog steeds fragiel is.

(197)

Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 4, van de basisverordening.

6.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE

(198)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van schade als oorspronkelijk veroorzaakt door de gesubsidieerde invoer uit de VS waarschijnlijk was, mochten de maatregelen komen te vervallen.

(199)

In dit verband heeft de Commissie de productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VS, de waarschijnlijke prijsniveaus van de invoer uit de VS zonder compenserende maatregelen en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie, met inbegrip van prijsonderbieding zonder compenserende maatregelen, onderzocht.

6.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VS

(200)

Zoals beschreven in punt 4.5.1, zijn de hoeveelheden die door biodieselproducenten in de VS kunnen worden uitgevoerd aanzienlijk in vergelijking met de omvang van de markt van de Unie. De reservecapaciteit vertegenwoordigt namelijk 18 % van het verbruik in de Unie tijdens het TNO. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de beschikbare reservecapaciteit aanzienlijk is.

6.2.   Het waarschijnlijke prijspeil van de invoer uit de VS bij afwezigheid van compenserende maatregelen

(201)

Zoals beschreven in punt 4.5.3, voerden de producenten in de VS, op basis van het huidige prijsbeleid op de uitvoermarkten van derde landen, naar hun belangrijkste derde markten uit tegen prijzen die lager waren dan de binnenlandse prijzen in de VS. Bovendien onderbieden die prijzen, zoals vermeld in de overwegingen 157 en 158, gemiddeld ook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie met 6,4 %. Rekening houdend met het prijsniveau van de uitvoer uit de VS naar andere derde markten, is uitvoer naar de Unie derhalve mogelijk veel aantrekkelijker voor de exporteurs in de VS. Zoals aangegeven in punt 4.5.3, is de Unie een zeer aantrekkelijke markt, omdat het wereldwijd de grootste markt is en het gebruik van biodiesel er zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau aanzienlijk wordt gestimuleerd.

6.3.   Waarschijnlijk effect op de bedrijfstak van de Unie

(202)

Als de maatregelen zouden komen te vervallen, zouden aanzienlijke hoeveelheden gesubsidieerde biodiesel uit de VS derhalve een zeer sterke neerwaartse druk uitoefenen op de prijzen in de Unie en een aanzienlijk effect hebben op de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat de productie en het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie zouden afnemen en dat de kleine winsten die momenteel door de bedrijfstak worden behaald, verliezen zouden worden.

(203)

De Commissie heeft de mogelijke gevolgen van de invoer verder onderzocht door twee mogelijke scenario’s te modelleren voor het geval de maatregelen zouden komen te vervallen, namelijk 1) een sterke stijging van de invoer uit de VS en 2) een daling van de prijzen in de EU als gevolg van de toegenomen concurrentie, onder overigens gelijke omstandigheden.

(204)

In het eerste scenario heeft de Commissie twee mogelijke niveaus van de invoer uit de VS gemodelleerd. De eerste optie hield in dat de invoer uit de VS zijn historische omvang zou bereiken (in het oorspronkelijke onderzoektijdvak (48)), namelijk 1,1 miljoen ton. Als gevolg van de toename van de invoer uit de VS en de daaruit voortvloeiende daling van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie zou de winstgevendheid van de bedrijfstak van de EU met 0,14 procentpunt dalen, d.w.z. van +2,84 % tot +2,70 %. Bij de tweede optie werd rekening gehouden met de zeer aanzienlijke toename van de omvang van de EU-markt, van 6,6 miljoen ton tijdens het oorspronkelijke OT tot 17 miljoen ton in het TNO (+158 %). In dat verband heeft de Commissie een toename van de invoer gemodelleerd die overeenkomt met hetzelfde marktaandeel voor de VS van 17,2 % als in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek. Het resultaat was dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie met 0,41 procentpunt zou dalen van +2,84 % naar +2,43 %. In beide gevallen kan het effect van een sterke stijging van de invoer uit de VS tegen constante prijzen als vrij bescheiden worden aangemerkt. Dit houdt verband met het hoge aandeel van de variabele kosten in de biodieselindustrie.

(205)

In het tweede scenario bleek het effect van een prijsdaling potentieel zeer schadelijk te zijn. Indien de prijzen in de Unie dalen tot het niveau van de prijzen bij uitvoer uit de VS naar derde landen (721 EUR/ton), zou de winst dalen van +2,84 % tot –3,88 %. In het geval van een daling van de prijzen in de Unie met 10 %, dat wil zeggen van 771 EUR/ton tot 694 EUR/ton, zou de winst worden verlaagd van +2,84 % tot –7,94 %. In ieder geval zou een prijsdaling van meer dan –2,9 % de winst van de bedrijfstak van de Unie tot nul herleiden.

(206)

Indien maatregelen werkelijk zouden komen te vervallen, is het zeer waarschijnlijk dat een combinatie van de twee bovenstaande scenario’s zich op de markt zou voordoen. Met name kan worden verwacht dat aanzienlijke hoeveelheden biodiesel van oorsprong uit de VS de markt van de Unie zullen binnenkomen tegen lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie. Als gevolg daarvan zouden het marktaandeel alsook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie afnemen. Dit zou leiden tot aanzienlijke verliezen voor de bedrijfstak van de Unie.

6.4.   Conclusie over de waarschijnlijkheid van herhaling van schade

(207)

Op basis hiervan, en rekening houdend met de huidige kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie, heeft de Commissie geconcludeerd dat het uitblijven van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met subsidiëring uit de VS tegen schadeveroorzakende prijzen en waarschijnlijk opnieuw tot aanmerkelijke schade zou leiden.

7.   BELANG VAN DE UNIE

(208)

Overeenkomstig artikel 31 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande compenserende maatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers.

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(209)

Als de bestaande maatregelen zouden komen te vervallen, zal de bedrijfstak van de Unie ongetwijfeld te maken krijgen met een toegenomen oneerlijke concurrentie van de biodieselproducenten in de VS, die hoogstwaarschijnlijk een abrupt einde zou maken aan het huidige herstel van de bedrijfstak van de Unie.

(210)

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn.

7.2.   Belang van niet-verbonden importeurs

(211)

Geen enkele importeur verzette zich tegen de verlenging van de maatregelen.

(212)

Shell Trading Rotterdam voerde aan dat de maatregelen, doordat zij het aanbod op de markt van de Unie beperken, tot hogere prijzen leiden, en wees op de beschikbaarheid van biodiesel uit andere markten.

(213)

De maatregelen lijken geen noemenswaardige gevolgen voor de importeurs te hebben, aangezien er alternatieve bevoorradingsbronnen beschikbaar zijn. Dit blijkt uit het aanzienlijke marktaandeel van de invoer uit derde landen.

(214)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen niet schadelijk zou zijn voor de belangen van de importeurs.

7.3.   Belang van de gebruikers

(215)

De deelname van gebruikers aan het onderzoek was beperkt.

(216)

Twee gebruikers, Preem, het grootste brandstofbedrijf in Zweden, en Valero Energy Ltd Ireland voerden aan dat de verlenging van de maatregelen een directe belemmering zal vormen voor de groene ontwikkeling van de vervoerssector in Europa. Preem en Valero Energy Ltd Ireland hebben specifiek verzocht HVO van de huidige productomschrijving uit te sluiten omdat zij in de komende jaren een tekort aan HVO verwachten. Valero Energy Ltd Ireland verwees specifiek naar de EU-streefcijfers voor hernieuwbare energie voor vervoer voor 2030 en voerde aan dat deze doelstellingen niet zouden worden gehaald gezien de huidige EU-productie.

(217)

De Commissie merkte op dat de producenten in de Unie over voldoende capaciteit beschikken om aan de huidige vraag te voldoen en zelfs reservecapaciteit hebben om, indien nodig, aan toekomstige stijgingen in de vraag en de uitvoer te voldoen. Bovendien was het nog te vroeg, met name gezien de recente uitbreidingen van de capaciteit van de EU, om met vertrouwen te kunnen beoordelen of er zich in 2030 waarschijnlijk tekorten zullen voordoen. Dit gezegd zijnde, kan de Commissie over vijf jaar beter in staat zijn de situatie te beoordelen indien zij dan wordt verzocht een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen uit te voeren. Bijgevolg werd dit argument afgewezen.

(218)

Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande maatregelen negatieve gevolgen hebben gehad voor de gebruikers van biodiesel in de Unie, en er is met name geen bewijs dat de bestaande maatregelen een negatief effect hadden op hun winstgevendheid.

(219)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de maatregelen niet schadelijk zou zijn voor de belangen van de gebruikers.

7.4.   Conclusie inzake belang van de Unie

(220)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS niet te handhaven.

8.   COMPENSERENDE MAATREGELEN

(221)

Uit de conclusies die zijn getrokken met betrekking tot de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring en schade kan worden afgeleid dat, overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening, de compenserende rechten die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS, ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 van de Commissie, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/675 van de Commissie (49), voor een aanvullende periode van vijf jaar moeten worden gehandhaafd.

(222)

Zoals vermeld in overweging 2 zijn de thans geldende compenserende rechten ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(223)

De compenserende rechten die zullen worden gehandhaafd, zullen eveneens worden uitgebreid tot de invoer van biodiesel verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS.

(224)

De producenten-exporteurs in Canada die waren vrijgesteld van de maatregelen, zoals uitgebreid bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 van de Commissie en gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/675 van de Commissie, moeten eveneens worden vrijgesteld van de bij deze verordening ingestelde maatregelen.

(225)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 (50) ingestelde comité.

(226)

Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (51) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209829), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009129), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009929), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194329), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194629), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194729), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201129), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201629), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999212), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001029, 3826001059, 3826001099) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009019).

2.   Het definitieve compenserende recht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten van onderstaande ondernemingen is als volgt:

Onderneming

Compenserend recht, EUR/ton, netto

Aanvullende Taric-code

Archer Daniels Midland Company, Decatur

237,0

A933

Cargill Inc., Wayzata

213,8

A934

Green Earth Fuels of Houston LLC, Houston

213,4

A935

Imperium Renewables Inc., Seattle

216,8

A936

Peter Cremer North America LP, Cincinnati

211,2

A937

Vinmar Overseas Limited, Houston

211,2

A938

World Energy Alternatives LLC, Boston

211,2

A939

In bijlage I vermelde ondernemingen

219,4

Zie bijlage I

Alle andere ondernemingen

237,0

A999

Het compenserende recht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

3.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle andere ondernemingen” geldt.

Artikel 2

1.   Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op “alle andere ondernemingen”, zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, vanuit Canada verzonden, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209821), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009121), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009921), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194321), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194621), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194721), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201121), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201621), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999210), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001020, 3826001050, 3826001089) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009011), met uitzondering van die welke door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd:

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Canada

BIOX Corporation, Oakville, Ontario, Canada

B107

Canada

DSM Nutritional Products Canada Inc., Dartmouth, Nova Scotia, Canada

C114

Canada

Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada

B108

Het uit te breiden recht is het recht dat in artikel 1, lid 2, is vastgesteld voor “alle andere ondernemingen”, te weten een definitief compenserend recht van 237 EUR per nettoton.

Het compenserende recht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   Vrijstellingen die aan de in lid 1 genoemde ondernemingen zijn verleend of die overeenkomstig artikel 4, lid 2, door de Commissie zijn verleend, worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het compenserende recht toegepast dat op grond van lid 1 geldt.

Artikel 3

1.   Het definitieve compenserende recht zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als "biodiesel", in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209830), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009130), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009930), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194330), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194630), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194730), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201130), ex 2710 20 16 (Taric-code 2710201630), ex 3824 99 92 (Taric-code 3824999220) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009030).

Het compenserende recht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   De individuele rechten voor de in artikel 1, lid 2, genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage III. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat krachtens artikel 1, lid 2, voor “alle andere ondernemingen” geldt.

Artikel 4

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht moeten schriftelijk in een van de officiële talen van de Europese Unie worden ingediend en ondertekend zijn door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat G

Wetstraat 170, Kamer CHAR 04/034

1049 Brussel

BELGIË

E-mail: TRADE-TDI-INFORMATION@ec.europa.eu

2.   Overeenkomstig artikel 23, lid 6, van Verordening (EU) 2016/1037 kan de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de invoer van producten van ondernemingen die de bij artikel 1 ingestelde compenserende maatregelen niet ontwijken, bij besluit vrijstellen van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht.

Artikel 5

Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs met het oog op de vaststelling van de douanewaarde derhalve overeenkomstig artikel 131, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (52) derhalve verhoudingsgewijs is verminderd, wordt het in de artikelen 1, 2 en 3 vastgelegde bedrag van het compenserend recht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55.

(2)  Verordening (EG) nr. 598/2009 van de Raad van 7 juli 2009 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 179 van 10.7.2009, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 443/2011 van de Raad van 5 mei 2011 tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij Verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot uit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve compenserende recht dat bij Verordening (EG) nr. 598/2009 is ingesteld tot biodiesel in een mengsel bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de uit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122 van 11.5.2011, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 van de Commissie van 14 september 2015 tot instelling van definitieve compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 99).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/675 van de Commissie van 29 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 tot instelling van definitieve compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad (PB L 116 van 30.4.2016, blz. 27).

(6)  Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antisubsidiemaatregelen (PB C 18 van 20.1.2020, blz. 19).

(7)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).

(8)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB C 303 van 14.9.2020, blz. 7).

(9)  TRON-document: t21.000417.

(10)  Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).

(11)  Verordening (EG) nr. 193/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67 van 12.3.2009, blz. 22).

(12)  In 2005 ingevoerd op grond van de American Jobs Creation Act van 2004, §302 (P.L. 108-357), verlengd middels de Energy Policy Act van 2005, §1344 (P.L. 109-58).

(13)  Zie afdeling 202, punt a), van de Energy Improvement and Extension Act van 2008 (P.L. 110-343, sector B).

(14)  P.L. 116-94, 20 december 2019, Further Consolidated Appropriations Act, 2020, afdeling 121.

(15)  In 2005 ingevoerd op grond van de American Jobs Creation Act van 2004, §302 (P.L. 108-357), verlengd middels de Energy Policy Act van 2005, §1344 (P.L. 109-58).

(16)  Zie afdeling 202, punt a), van de Energy Improvement and Extension Act van 2008 (P.L. 110-343, sector B).

(17)  P.L. 116-94, 20 december 2019, Further Consolidated Appropriations Act, 2020, afdeling 121.

(18)  Overeenkomstig de wetgeving van de VS wordt onder de term “agri-biodiesel” verstaan: biodiesel die uitsluitend is verkregen uit plantaardige oliën van eerste persing, met inbegrip van esters van maïs, sojabonen, zonnebloemzaad, katoenzaad, koolzaad, crambe (zeekool), raapzaad, saffloer, vlaszaad, rijstzemelen, mosterdzaad en camelina (vlashuttentut), en uit dierlijke vetten. (titel 26, afdeling 40A, punt d), nr. 2, van het wetboek van de VS).

(19)  https://www.law.cornell.edu/uscode/text/26/40A

(20)  Zie de punten 3.1.1.1 en 3.1.1.2 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(21)  Energy Policy Act van 2005, §1345 (P.L. 109-58); gewijzigd bij de Energy Improvement and Extension Act van 2008 (P.L. 110-343, sector B), §202-203; verlengd bij de Tax Relief, Unemployment Insurance Reauthorization, and Job Creation Act van 2010 (P.L. 111-312), §701.

(22)  Zie afdeling 202, punt a), van de Energy Improvement and Extension Act van 2008 (P.L. 110-343, sector B).

(23)  Zie punt 3.1.1.3 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(24)  American Taxpayer Relief Act van 2 januari 2013 (P.L. 112-240, §701(f)(4)).

(25)  Agricultural Act van 7 februari 2014 (P.L. 113-79, §9005(2)).

(26)  Agriculture Improvement Act van 2018 (P.L. 115-334), §9005(2)(B)).

(27)  Zie Code of Federal Regulations (CFR), titel 7, deel 428.102, van het wetboek van de VS, “Definities” van de uitvoeringsverordeningen: “aan diesel gelijkwaardige brandstof, afgeleid van hernieuwbare biomassa, met inbegrip van plantaardige olie en dierlijk vet”. De productie van biodiesel kan eventueel ook vallen onder de definitie “biobrandstof afgeleid van afvalstoffen, met inbegrip van oogstresten, ander vegetatief afvalmateriaal, dierlijk afval, voedingsafval en tuinafval”.

(28)  https://www.rd.usda.gov/sites/default/files/fact-sheet/508_RD_FS_RBS_AdvancedBioFuel.pdf

(29)  De British thermal unit (BTU of Btu — Britse thermische eenheid) is een eenheid van energie die gelijk is aan ongeveer 1055 joule.

(30)  Zie punt 3.1.1.4 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(31)  Zie punt 3.2.1 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(32)  Verzoek om een nieuw onderzoek, versie open voor belanghebbenden, ingediend op 11 juni 2020 door de European Biodiesel Board (EBB of “de indiener van het verzoek”) namens producenten in de Unie die meer dan 25 % van de totale productie van biodiesel in de Unie voor hun rekening nemen, overweging 102, blz. 21.

(33)  Zie punt 3.2.2 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(34)  Zie punt 3.1.2.1 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(35)  https://revenue.ky.gov/Business/Pages/Biodiesel-Tax-Credit.aspx

(36)  Zie punt 3.1.2.2 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(37)  Hoofdstuk 16 van de Texan Agriculture Code, afdeling 16.006, punt b).

(38)  Zie punt 3.1.2.3 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(39)  Verlengd middels de Energy Policy Act van 2005, §1344 (P.L. 109-58) en gewijzigd bij de Energy Improvement and Extension Act van 2008 (P.L. 110-343, sector B), §202-203.

(40)  Further Consolidated Appropriations Act van 20 december 2019 (P.L. 116-94).

(41)  Zie overweging 50 van punt 3.1.1.1 van het verzoek om een nieuw onderzoek.

(42)  Het verbruik is gebaseerd op gegevens van de EU-27, exclusief gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk.

(43)  Het invoervolume is gebaseerd op gegevens van de EU-27, exclusief gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk.

(44)  De invoer uit derde landen is gebaseerd op gegevens van de EU-27, met uitzondering van gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk als lidstaat, maar met inbegrip van gegevens met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk als derde land.

(45)  De macro-economische gegevens waren gebaseerd op gegevens van de EU-27, exclusief gegevens uit het Verenigd Koninkrijk.

(46)  USDA, Biofuels Annual Report (GAIN-verslag), 29 juni 2020.

(47)  De micro-economische indicatoren zijn gebaseerd op gegevens van de EU-28, inclusief het Verenigd Koninkrijk. Gezien het geringe volume dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verkopen in het Verenigd Koninkrijk (ongeveer 1,1 % van de gemiddelde EU-verkopen van die producenten in het TNO), lijkt de impact van de transacties die het Verenigd Koninkrijk betreffen, minimaal te zijn voor de bevindingen inzake schade, zodat de conclusies inzake aanmerkelijke schade bij gebruik van de gegevens van de EU-27 niet zouden zijn gewijzigd.

(48)   1 april 2007 tot en met 31 maart 2008.

(49)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/675 van de Commissie van 29 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 tot instelling van definitieve compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad (PB L 116 van 30.4.2016, blz. 27).

(50)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).

(51)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(52)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE I

Naam van de onderneming

Plaats

Aanvullende Taric-code

AC & S Inc.

Nitro

A941

Alabama Clean Fuels Coalition Inc.

Birmingham

A940

American Made Fuels, Inc.

Canton

A940

Arkansas SoyEnergy Group

DeWitt

A940

Arlington Energy, LLC

Mansfield

A940

Athens Biodiesel, LLC

Athens

A940

Beacon Energy

Cleburne

A940

Biodiesel of Texas, Inc.

Denton

A940

BioDiesel One Ltd.

Southington

A940

BioPur Inc.

Bethlehem

A941

Buffalo Biodiesel, Inc

Tonawanda

A940

BullDog BioDiesel

Ellenwood

A940

Carbon Neutral Solutions, LLC

Mauldin

A940

Central Iowa Energy LLC

Newton

A940

Chesapeake Custom Chemical Corp.

Ridgeway

A940

Community Fuels

Stockton

A940

Delta BioFuels Inc.

Natchez

A940

Diamond Biofuels

Mazon

A940

Direct Fuels

Euless

A940

Eagle Creek Fuel Services, LLC

Baltimore

A940

Earl Fisher Bio Fuels

Chester

A940

East Fork Biodiesel LLC

Algona

A940

ECO Solutions, LLC

Chatsworth

A940

Ecogy Biofuels LLC

Tulsa

A940

ED&F Man Biofuels Inc.

New Orleans

A940

Freedom Biofuels Inc.

Madison

A940

Freedom Fuels LLC

Mason City

A941

Fuel & Lube, LLC

Richmond

A940

Fuel Bio

Elizabeth

A940

FUMPA Bio Fuels

Redwood Falls

A940

Galveston Bay Biodiesel LP (BioSelect Fuels)

Houston

A940

GeoGreen Fuels LLC

Houston

A940

Georgia Biofuels Corp.

Loganville

A940

Green River Biodiesel, Inc.

Moundville

A940

Griffin Industries Inc.

Cold Spring

A940

High Plains Bioenergy

Guymon

A940

Huish Detergents Inc.

Salt Lake City

A940

Incobrasa Industries Ltd.

Gilman

A940

Independence Renewable Energy Corp.

Perdue Hill

A940

Indiana Flex Fuels

LaPorte

A940

Innovation Fuels Inc.

Newark

A940

Integrity Biofuels

Morristown

A941

Iowa Renewable Energy LLC

Washington

A940

Johann Haltermann Ltd.

Houston

A940

Lake Erie Biofuels LLC

Erie

A940

Leland Organic Corporation

Leland

A940

Louis Dreyfus Agricultural Industries LLC

Claypool

A940

Louis Dreyfus Claypool Holdings LLC

Claypool

A940

Middle Georgia Biofuels

East Dublin

A940

Middletown Biofuels LLC

Blairsville

A940

Musket Corporation

Oklahoma City

A940

Natural Biodiesel Plant LLC

Hayti

A941

New Fuel Company

Dallas

A940

North Mississippi Biodiesel

New Albany

A940

Northern Biodiesel, Inc.

Ontario

A940

Northwest Missouri Biofuels, LLC

St. Joseph

A940

Nova Biofuels Clinton County LLC

Clinton

A940

Nova Biosource

Senaca

A940

Organic Fuels Ltd.

Houston

A940

Owensboro Grain Company LLC

Owensboro

A940

Paseo Cargill Energy, LLC

Kansas City

A940

Peach State Labs Inc.

Rome

A940

Perihelion Global, Inc.

Opp

A940

Philadelphia Fry-O-Diesel Inc.

Philadelphia

A940

Piedmont Biofuels Industrial LLC

Pittsboro

A941

Pinnacle Biofuels, Inc.

Crossett

A940

PK Biodiesel

Woodstock

A940

Pleasant Valley Biofuels, LLC

American Falls

A940

Prairie Pride

Deerfield

A941

RBF Port Neches LLC

Houston

A940

Red Birch Energy, Inc.

Bassett

A940

Red River Biodiesel Ltd.

New Boston

A940

REG Ralston LLC

Ralston

A940

Renewable Energy Products, LLC

Santa Fe Springs

A940

Riksch BioFuels LLC

Crawfordsville

A940

Safe Renewable Corp.

Conroe

A940

Sanimax Energy Inc.

DeForest

A940

Seminole Biodiesel

Bainbridge

A940

Southeast BioDiesel LLC

Charlotte

A941

Soy Solutions

Milford

A940

SoyMor Biodiesel LLC

Albert Lea

A940

Stepan Company

Northfield

A941

Sunshine BioFuels, LLC

Camilla

A940

TPA Inc.

Warren

A940

Trafigura AG

Stamford

A940

U.S. Biofuels Inc.

Rome

A940

United Oil Company

Pittsburgh

A940

Valco Bioenergy

Harlingen

A940

Vanguard Synfuels, LLC

Pollock

A940

Vitol Inc.

Houston

A940

Walsh Bio Diesel, LLC

Mauston

A940

Western Dubque Biodiesel LLC

Farley

A940

Western Iowa Energy LLC

Wall Lake

A940

Western Petroleum Company

Eden Prairie

A940

Yokaya Biofuels Inc.

Ukiah

A941


BIJLAGE II

De in artikel 1, lid 3, of artikel 2, lid 2, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring bevatten met de volgende gegevens, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft:

de naam en de functie van de medewerker van de entiteit die de handelsfactuur heeft opgesteld;

de volgende verklaring: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming (aanvullende Taric-code)] in [betrokken land(en)]. Ik verklaar dat de gegevens in deze factuur juist en volledig zijn.”.


BIJLAGE III

De in artikel 3, lid 2, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

de naam en de functie van de medewerker van de entiteit die de handelsfactuur heeft opgesteld;

de volgende verklaring: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming] [aanvullende Taric-code] in de Verenigde Staten van Amerika. Ik verklaar dat de gegevens in deze factuur juist en volledig zijn.”.


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/99


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1268 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2021

tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 71, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (2) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest die door de in bijlage I bij die verordening vermelde lidstaten (de “betrokken lidstaten”) gedurende een beperkte periode in de in die bijlage vermelde beperkingszones I, II en III moeten worden toegepast.

(3)

De in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III opgenomen gebieden zijn opgenomen op basis van de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie. Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1205 van de Commissie (3), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Duitsland en Polen.

(4)

Bij eventuele wijzigingen van de beperkingszones I, II en III in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden uitgegaan van de epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de gebieden die door die ziekte zijn getroffen en de algemene epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de desbetreffende lidstaat, het risiconiveau ten aanzien van de verdere verspreiding van die ziekte, de wetenschappelijk gefundeerde beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van zones ten aanzien van Afrikaanse varkenspest en de met de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders overeengekomen richtsnoeren van de Unie, die openbaar beschikbaar zijn op de website van de Commissie (4). Bij dergelijke wijzigingen moet ook rekening worden gehouden met internationale normen, zoals de Gezondheidscode voor landdieren (5) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten verstrekte motiveringen voor de zonering.

(5)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1205 is vastgesteld, hebben zich nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest voorgedaan bij gehouden en in het wild levende varkens in Polen en bij in het wild levende varkens in Duitsland en Slowakije.

(6)

In juli 2021 zijn verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in de districten Żuromin (powiat żuromiński) en Mława (powiat mławski) in Polen, in gebieden die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone I zijn opgenomen. Door deze uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten die momenteel als beperkingszone I in die bijlage opgenomen gebieden van Polen die door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone I worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van andere beperkingszones I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met deze recente uitbraak.

(7)

Bovendien is in juli 2021 een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Nowe Miasto Lubawskie (powiat nowomiejski) in Polen, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Polen dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van beperkingszone I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met die recente uitbraak.

(8)

Voorts zijn in juli 2021 verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij in het wild levende varkens in de districten Gorzów (powiat gorzowski) en Leszno (powiat leszczyński) in Polen, in gebieden die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone I zijn opgenomen. Door die nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten die momenteel als beperkingszone I in die bijlage opgenomen gebieden van Polen die door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone II in plaats van als beperkingszone I worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van andere beperkingszones I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met deze recente uitbraken.

(9)

In juli 2021 zijn bovendien verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij in het wild levende varkens in de regio Banskobystrický in Slowakije, in gebieden die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II zijn opgenomen, in de onmiddellijke nabijheid van gebieden die momenteel als beperkingszone I zijn opgenomen. Door die nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten deze momenteel als beperkingszone I in die bijlage opgenomen gebieden van Slowakije, die in de onmiddellijke nabijheid van als beperkingszone II opgenomen gebieden liggen die door die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone II in plaats van als beperkingszone I worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van andere beperkingszones I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met die recente uitbraken.

(10)

In juli 2021 zijn verder verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij in het wild levende varkens in de Duitse deelstaat Brandenburg, in gebieden die momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone III zijn opgenomen, in de onmiddellijke nabijheid van gebieden die momenteel als beperkingszone I zijn opgenomen. Door die nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten deze momenteel als beperkingszone I in die bijlage opgenomen gebieden van Duitsland, die in de onmiddellijke nabijheid van als beperkingszone III opgenomen gebieden liggen die door die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone II in plaats van als beperkingszone I worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van andere beperkingszones I ook opnieuw worden bepaald om rekening te houden met die recente uitbraken.

(11)

Naar aanleiding van die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden en in het wild levende varkens in Polen en in het wild levende varkens in Duitsland en Slowakije, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat Afrikaanse varkenspest betreft, is de zonering in die drie lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605.

(12)

Om rekening te houden met recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moeten voor Duitsland, Polen en Slowakije nieuwe beperkingszones van voldoende omvang worden afgebakend en in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III worden opgenomen. Aangezien de situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de Unie zeer dynamisch is, is bij de afbakening van die nieuwe beperkingszones rekening gehouden met de situatie in de omliggende gebieden.

(13)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die door middel van deze uitvoeringsverordening worden aangebracht in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1205 van de Commissie van 20 juli 2021 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 261 van 22.7.2021, blz. 8).

(4)  Werkdocument SANTE/7112/2015/Rev. 3 “Principles and criteria for geographically defining ASF regionalisation” (Beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van een regionalisering ten aanzien van Afrikaanse varkenspest). https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/asf_en

(5)  Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, 28e editie, 2019. ISBN van volume I: 978-92-95108-85-1; ISBN van volume II: 978-92-95108-86-8. https://www.oie.int/standard-setting/terrestrial-code/access-online/


BIJLAGE

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

BEPERKINGSZONES

DEEL I

1.   Duitsland

De volgende beperkingszones I in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Alt Zauche-Wußwerk,

Gemeinde Byhleguhre-Byhlen,

Gemeinde Märkische Heide, mit den Gemarkungen Alt Schadow, Neu Schadow, Pretschen, Plattkow, Wittmannsdorf, Schuhlen-Wiese, Bückchen, Kuschkow, Gröditsch, Groß Leuthen, Leibchel, Glietz, Groß Leine, Dollgen, Krugau, Dürrenhofe, Biebersdorf und Klein Leine,

Gemeinde Neu Zauche,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Groß Liebitz, Guhlen, Mochow und Siegadel,

Gemeinde Spreewaldheide,

Gemeinde Straupitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Lietzen westlich der L 37,

Gemeinde Falkenhagen (Mark) westlich der L 37,

Gemeinde Zeschdorf westlich der L 37,

Gemeinde Lindendorf mit der Gemarkung Dolgelin – westlich der L 37,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Müncheberg, Eggersdorf bei Müncheberg und Hoppegarten bei Müncheberg,

Gemeinde Bliesdorf mit den Gemarkungen Kunersdorf - westlich der B167 und Bliesdorf - westlich der B167,

Gemeinde Märkische Höhe mit den Gemarkungen Reichenberg und Batzlow,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Haselberg, Frankenfelde, Schulzendorf, Lüdersdorf, Biesdorf, Rathsdorf - westlich der B 167 und Wriezen - westlich der B167,

Gemeinde Buckow (Märkische Schweiz),

Gemeinde Strausberg mit den Gemarkungen Hohenstein und Ruhlsdorf,

Gemeine Garzau-Garzin,

Gemeinde Waldsieversdorf,

Gemeinde Rehfelde mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Reichenow-Mögelin,

Gemeinde Prötzel mit den Gemarkungen Harnekop, Sternebeck und Prötzel östlich der B 168 und der L35,

Gemeinde Oberbarnim,

Gemeinde Bad Freienwalde mit den Gemarkungen Altglietzen – westlich des Feldweges zur „Stille Oder“, Altranft – westlich der B 167 und westlich der „Alte Oder“, Bad Freienwalde, Bralitz, Hohensaaten, Schiffmühle – westlich von „Herrenwiese“, Hohenwutzen – nördlich des „Laufgraben“, Neuenhagen und Sonnenburg,

Landkreis Barnim:

Gemeinde Oderberg,

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Storkow (Mark),

Gemeinde Spreenhagen mit den Gemarkungen Braunsdorf, Markgrafpieske, Lebbin und Spreenhagen,

Gemarkung Grünheide (Mark) mit den Gemarkungen Kagel, Kienbaum und Hagelsberg,

Gemeinde Fürstenwalde,

Gemeinde Rauen,

Gemeinde Wendisch Rietz bis zur östlichen Uferzone des Scharmützelsees und von der südlichen Spitze des Scharmützelsees südlich der B 246,

Gemeinde Reichenwalde,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Petersdorf und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow westlich der östlichen Uferzone des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze westlich der L35,

Gemeinde Tauche mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Steinhöfel,

Gemeinde Langewahl nördlich der A12,

Gemeinde Berkenbrück nördlich der A12,

Gemeinde Briesen (Mark) mit den Gemarkungen Wilmersdorf, Falkenberg, Madlitz Forst,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Jänschwalde,

Gemeinde Peitz,

Gemeinde Tauer,

Gemeinde Turnow-Preilack,

Gemeinde Drachhausen,

Gemeinde Schmogrow-Fehrow,

Gemeinde Drehnow,

Gemeinde Guben mit der Gemarkung Schlagsdorf,

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Grabko, Kerkwitz, Groß Gastrose,

Gemeinde Teichland,

Gemeinde Dissen-Striesow,

Gemeinde Heinersbrück,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Forst mit den Gemarkungen Briesníg, Weißagk, Bohrau, Naundorf, Mulknitz,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen, Graustein, Sellessen, Spremberg, Bühlow und die Gemarkungen Groß Buckow, Klein Buckow östlich des Tagebaues Welzow-Süd,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kathlow, Haasow, Roggosen, Koppatz, Neuhausen, Frauendorf, Groß Oßnig, Groß Döbern und Klein Döbern,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen:

Gemeinde Burkau östlich des Verlaufes S 94 und B 98,

Gemeinde Crostwitz,

Gemeinde Cunewalde,

Gemeinde Demitz-Thumitz,

Gemeinde Doberschau-Gaußig,

Gemeinde Elsterheide,

Gemeinde Göda,

Gemeinde Großpostwitz/O.L.,

Gemeinde Hochkirch, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Königswartha, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Kubschütz, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Lohsa sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Nebelschütz östlich des Verlaufes der S 94 in südliche Richtung bis Brücke Prietitzer Straße, Prietitzer Straße nordöstlich bis Lindenstraße, östlich der Lindenstraße bis Abzweig Nr. 25, in westliche Richtung zurück bis S 94, von dort östlich des Verlaufs der S 94 bis zur südlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Neschwitz, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Neukirch/Lausitz,

Gemeinde Obergurig,

Gemeinde Oßling,

Gemeinde Panschwitz-Kuckau östlich der S 94,

Gemeinde Puschwitz,

Gemeinde Räckelwitz,

Gemeinde Radibor sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Ralbitz-Rosenthal,

Gemeinde Rammenau östlich der B 98,

Gemeinde Schmölln-Putzkau östlich des Verlaufes der B 98 bis Abzweig S 156, östlich des Verlaufs der S 156 bis Kreisgrenze,

Gemeinde Sohland a. d. Spree,

Gemeinde Spreetal, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Bautzen, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Bernsdorf südlich der Landesgrenze Brandenburg-Sachsen und östlich entlang des Verlaufs der Bahnlinie DB6194 "Hosena - Kamenz (Sachs)” bis Bahnabzweig im Süden des Ortsteils Strassgräbchen der Stadt Bernsdorf bis zum Bahnübergang S 94, ab Bahnübergang östlich des Verlaufs der S 94 bis zur südlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Bischhofswerda östlich der B 98,

Gemeinde Stadt Elstra östlich der S 94,

Gemeinde Stadt Hoyerswerda, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Kamenz östlich der S 94,

Gemeinde Stadt Lauta,

Gemeinde Stadt Schirgiswalde-Kirschau,

Gemeinde Stadt Wilthen,

Gemeinde Stadt Wittichenau, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Steinigtwolmsdorf.

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Beiersdorf,

Gemeinde Bertsdorf-Hörnitz,

Gemeinde Dürrhennersdorf,

Gemeinde Großschönau,

Gemeinde Großschweidnitz,

Gemeinde Hainewalde,

Gemeinde Kurort Jonsdorf,

Gemeinde Kottmar,

Gemeinde Lawalde,

Gemeinde Leutersdorf,

Gemeinde Mittelherwigsdorf,

Gemeinde Oderwitz,

Gemeinde Olbersdorf,

Gemeinde Oppach,

Gemeinde Oybin,

Gemeinde Rosenbach, sofern nicht Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Schönau-Berzdorf a. d. Eigen, sofern nicht Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Schönbach,

Gemeinde Stadt Bernstadt a. d. Eigen, sofern nicht Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Ebersbach-Neugersdorf,

Gemeinde Stadt Herrnhut,

Gemeinde Stadt Löbau, sofern nicht Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Neusalza-Spremberg,

Gemeinde Stadt Ostritz, sofern nicht Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Stadt Seifhennersdorf,

Gemeinde Stadt Zittau.

2.   Estland

De volgende beperkingszones I in Estland:

Hiiu maakond.

3.   Griekenland

De volgende beperkingszones I in Griekenland:

in the regional unit of Drama:

the community departments of Sidironero and Skaloti and the municipal departments of Livadero and Ksiropotamo (in Drama municipality),

the municipal department of Paranesti (in Paranesti municipality),

the municipal departments of Kokkinogeia, Mikropoli, Panorama, Pyrgoi (in Prosotsani municipality),

the municipal departments of Kato Nevrokopi, Chrysokefalo, Achladea, Vathytopos, Volakas, Granitis, Dasotos, Eksohi, Katafyto, Lefkogeia, Mikrokleisoura, Mikromilea, Ochyro, Pagoneri, Perithorio, Kato Vrontou and Potamoi (in Kato Nevrokopi municipality),

in the regional unit of Xanthi:

the municipal departments of Kimmerion, Stavroupoli, Gerakas, Dafnonas, Komnina, Kariofyto and Neochori (in Xanthi municipality),

the community departments of Satres, Thermes, Kotyli, and the municipal departments of Myki, Echinos and Oraio and (in Myki municipality),

the community department of Selero and the municipal department of Sounio (in Avdira municipality),

in the regional unit of Rodopi:

the municipal departments of Komotini, Anthochorio, Gratini, Thrylorio, Kalhas, Karydia, Kikidio, Kosmio, Pandrosos, Aigeiros, Kallisti, Meleti, Neo Sidirochori and Mega Doukato (in Komotini municipality),

the municipal departments of Ipio, Arriana, Darmeni, Archontika, Fillyra, Ano Drosini, Aratos and the Community Departments Kehros and Organi (in Arriana municipality),

the municipal departments of Iasmos, Sostis, Asomatoi, Polyanthos and Amvrosia and the community department of Amaxades (in Iasmos municipality),

the municipal department of Amaranta (in Maroneia Sapon municipality),

in the regional unit of Evros:

the municipal departments of Kyriaki, Mandra, Mavrokklisi, Mikro Dereio, Protokklisi, Roussa, Goniko, Geriko, Sidirochori, Megalo Derio, Sidiro, Giannouli, Agriani and Petrolofos (in Soufli municipality),

the municipal departments of Dikaia, Arzos, Elaia, Therapio, Komara, Marasia, Ormenio, Pentalofos, Petrota, Plati, Ptelea, Kyprinos, Zoni, Fulakio, Spilaio, Nea Vyssa, Kavili, Kastanies, Rizia, Sterna, Ampelakia, Valtos, Megali Doxipara, Neochori and Chandras (in Orestiada municipality),

the municipal departments of Asvestades, Ellinochori, Karoti, Koufovouno, Kiani, Mani, Sitochori, Alepochori, Asproneri, Metaxades, Vrysika, Doksa, Elafoxori, Ladi, Paliouri and Poimeniko (in Didymoteixo municipality),

in the regional unit of Serres:

the municipal departments of Kerkini, Livadia, Makrynitsa, Neochori, Platanakia, Petritsi, Akritochori, Vyroneia, Gonimo, Mandraki, Megalochori, Rodopoli, Ano Poroia, Katw Poroia, Sidirokastro, Vamvakophyto, Promahonas, Kamaroto, Strymonochori, Charopo, Kastanousi and Chortero and the community departments of Achladochori, Agkistro and Kapnophyto (in Sintiki municipality),

the municipal departments of Serres, Elaionas and Oinoussa and the community departments of Orini and Ano Vrontou (in Serres municipality),

the municipal departments of Dasochoriou, Irakleia, Valtero, Karperi, Koimisi, Lithotopos, Limnochori, Podismeno and Chrysochorafa (in Irakleia municipality).

4.   Letland

De volgende beperkingszones I in Letland:

Pāvilostas novada Vērgales pagasts,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Grobiņas novada Medzes, Grobiņas un Gaviezes pagasts. Grobiņas pilsēta,

Rucavas novada Rucavas pagasts,

Nīcas novads.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones I in Litouwen:

Klaipėdos rajono savivaldybė: Agluonėnų, Dovilų, Gargždų, Priekulės, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos,

Palangos miesto savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones I in Hongarije:

Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe,

Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403250, 403350, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404570, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950,

406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Győr-Moson-Sopron megye 100550, 100650, 100950, 101050, 101350, 101450, 101550, 101560 és 102150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251650, 251750, 251850, 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575150, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones I in Polen:

w województwie kujawsko - pomorskim:

powiat rypiński,

powiat brodnicki,

powiat grudziądzki,

powiat miejski Grudziądz,

powiat wąbrzeski,

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Wielbark i Rozogi w powiecie szczycieńskim,

w województwie podlaskim:

gminy Wysokie Mazowieckie z miastem Wysokie Mazowieckie, Czyżew i część gminy Kulesze Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię koleją w powiecie wysokomazowieckim,

gminy Miastkowo, Nowogród, Śniadowo i Zbójna w powiecie łomżyńskim,

gminy Szumowo, Zambrów z miastem Zambrów i część gminy Kołaki Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Grabowo, Kolno i miasto Kolno, Turośl w powiecie kolneńskim,

w województwie mazowieckim:

powiat ostrołęcki,

powiat miejski Ostrołęka,

gminy Bielsk, Brudzeń Duży, Bulkowo, Drobin, Gąbin, Łąck, Nowy Duninów, Radzanowo, Słupno, Staroźreby i Stara Biała w powiecie płockim,

powiat miejski Płock,

powiat ciechanowski,

gminy Baboszewo, Dzierzążnia, Joniec, Nowe Miasto, Płońsk i miasto Płońsk, Raciąż i miasto Raciąż, Sochocin w powiecie płońskim,

powiat sierpecki,

gmina Siemiątkowo w powiecie żuromińskim,

gminy Andrzejewo, Brok, Stary Lubotyń, Szulborze Wielkie, Wąsewo, Ostrów Mazowiecka z miastem Ostrów Mazowiecka, część gminy Małkinia Górna położona na północ od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

gminy Radzanów, Strzegowo, Stupsk w powiecie mławskim,

powiat przasnyski,

powiat makowski,

powiat pułtuski,

powiat wyszkowski,

powiat węgrowski,

gminy Dąbrówka, Jadów, Klembów, Poświętne, Radzymin, Strachówka Wołomin i Tłuszcz w powiecie wołomińskim,

gminy Mokobody i Suchożebry w powiecie siedleckim,

gminy Dobre, Jakubów, Kałuszyn, Stanisławów w powiecie mińskim,

gminy Bielany i gmina wiejska Sokołów Podlaski w powiecie sokołowskim,

gminy Kowala, Wierzbica, część gminy Wolanów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie radomskim,

powiat miejski Radom,

gminy Jastrząb, Mirów, Orońsko w powiecie szydłowieckim,

powiat gostyniński,

w województwie podkarpackim:

powiat jasielski,

powiat strzyżowski,

część powiatu ropczycko – sędziszowskiego niewymieniona w części II załącznika I,

gminy Pruchnik, Rokietnica, Roźwienica, w powiecie jarosławskim,

gminy Fredropol, Krasiczyn, Krzywcza, Medyka, Orły, Żurawica, Przemyśl w powiecie przemyskim,

powiat miejski Przemyśl,

gminy Gać, Jawornik Polski, Kańczuga, część gminy Zarzecze położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

powiat łańcucki,

gminy Trzebownisko, Głogów Małopolski, część gminy Świlcza położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 94 i część gminy Sokołów Małopolski położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gminy Dzikowiec, Kolbuszowa i Raniżów w powiecie kolbuszowskim,

gminy Brzostek, Jodłowa, miasto Dębica, część gminy wiejskiej Dębica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

w województwie świętokrzyskim:

powiat buski,

powiat kazimierski,

część powiatu opatowskiego nie wymieniona w części II załącznika I,

powiat sandomierski,

gminy Bogoria, Łubnice, Oleśnica, Osiek, Połaniec, Rytwiany i Staszów w powiecie staszowskim,

gminy Bliżyn, Skarżysko – Kamienna, Suchedniów i Skarżysko Kościelne w powiecie skarżyskim,

gmina Wąchock, część gminy Brody położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 oraz na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie, drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy oraz na północ od drogi nr 42 i część gminy Mirzec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno - wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

powiat ostrowiecki,

gminy Fałków, Ruda Maleniecka, Radoszyce, Smyków, część gminy Końskie położona na zachód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na południe od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Mniów i Zagnańsk w powiecie kieleckim,

w województwie łódzkim:

gminy Łyszkowice, Kocierzew Południowy, Kiernozia, Chąśno, Nieborów, część gminy wiejskiej Łowicz położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 biegnącej od granicy miasta Łowicz do zachodniej granicy gminy oraz część gminy wiejskiej Łowicz położona na wschód od granicy miasta Łowicz i na północ od granicy gminy Nieborów w powiecie łowickim,

gminy Cielądz, Rawa Mazowiecka z miastem Rawa Mazowiecka w powiecie rawskim,

gminy Bolimów, Głuchów, Godzianów, Lipce Reymontowskie, Maków, Nowy Kawęczyn, Skierniewice, Słupia w powiecie skierniewickim,

powiat miejski Skierniewice,

gminy Mniszków, Paradyż, Sławno i Żarnów w powiecie opoczyńskim,

powiat tomaszowski,

powiat brzeziński,

powiat łaski,

powiat miejski Łódź,

gminy Andrespol, Koluszki, Nowosolna w powiecie łódzkim wschodnim,

gminy Dobroń, Ksawerów, Lutomiersk, miasto Konstantynów Łódzki, miasto Pabianice, część gminy wiejskiej Pabianice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dłutów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 485 w powiecie pabianickim,

gmina Wieruszów, część gminy Sokolniki położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 4715E, część gminy Galewice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Przybyłów – Ostrówek – Dąbrówka – Zmyślona w powiecie wieruszowskim, gminy Aleksandrów Łódzki, Stryków, miasto Zgierz w powiecie zgierskim,

gminy Bełchatów z miastem Bełchatów, Drużbice, Kluki, Rusiec, Szczerców, Zelów w powiecie bełchatowskim,

gminy Osjaków, Konopnica, Pątnów, Wierzchlas, część gminy Mokrsko położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Krzyworzeka – Mokrsko - Zmyślona – Komorniki – Orzechowiec – Poręby, część gminy Wieluń położona na wschód od zachodniej granicy miejscowości Wieluń oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wieluń – Turów – Chotów biegnącą do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostrówek położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę Pyszna w powiecie wieluńskim,

część powiatu sieradzkiego nie wymieniona w części III załącznika I,

powiat zduńskowolski,

gminy Aleksandrów, Sulejów, Wola Krzysztoporska, Wolbórz, część gminy Moszczenica położona na wschód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Moszczenica – Osiedle, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Moszczenica – Osiedle – Kosów do skrzyżowania z drogą nr 12 i dalej na wschód od drogi nr 12 biegnącej od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Grabica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 473 biegnącej od zachodniej granicy gminy do miejscowości Wola Kamocka, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 473 i łączącą miejscowości Wola Kamocka – Papieże Kolonia – Papieże do wschodniej granicy gminy w powiecie piotrkowskim,

powiat miejski Piotrków Trybunalski,

w województwie pomorskim:

gminy Ostaszewo, miasto Krynica Morska oraz część gminy Nowy Dwór Gdański położona na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

gminy Lichnowy, Miłoradz, Nowy Staw, Malbork z miastem Malbork w powiecie malborskim,

gminy Mikołajki Pomorskie, Stary Targ i Sztum w powiecie sztumskim,

powiat gdański,

Miasto Gdańsk,

powiat tczewski,

powiat kwidzyński,

w województwie lubuskim:

część powiatu gorzowskiego nie wymieniona w części II załącznika I,

gmina Dobiegniew w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

w województwie dolnośląskim:

powiat oleśnicki,

powiat wrocławski,

powiat średzki,

powiat legnicki,

powiat lubański,

powiat wołowski,

powiat milicki,

powiat miejski Wrocław,

powiat miejski Legnica,

powiat lubański,

powiat złotoryjski,

powiat lwówecki,

gmina Chocianów w powiecie polkowickim,

gminy Ścinawa i Lubin z miastem Lubin w powiecie lubińskim,

część powiatu trzebnickiego niewymieniona w części III załącznika I,

w województwie wielkopolskim:

powiat krotoszyński,

gminy Borek Wielkopolski, Gostyń, Pępowo, Piaski, Pogorzela, w powiecie gostyńskim,

gmina Osieczna, część gminy Lipno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5, część gminy Święciechowa położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie leszczyńskim,

powiat miejski Leszno,

gminy Granowo, Grodzisk Wielkopolski i część gminy Kamieniec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gminy Czempiń, Kościan i miasto Kościan, Krzywiń, część gminy Śmigiel położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie kościańskim,

powiat miejski Poznań,

gminy Buk, Dopiewo, Komorniki, Tarnowo Podgórne, Stęszew, Swarzędz, Pobiedziska, Czerwonak, Mosina, miasto Luboń, miasto Puszczykowo i część gminy Kórnik położona na zachód od linii wyznaczonych przez drogi: nr S11 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 434 i drogę nr 434 biegnącą od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Rokietnica położona na południowy zachód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz oraz część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na południe od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gmina Kiszkowo i część gminy Kłecko położona na zachód od rzeki Mała Wełna w powiecie gnieźnieńskim,

powiat czarnkowsko-trzcianecki,

gmina Kaźmierz część gminy Duszniki położona na południowy – wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostroróg położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, miasto Szamotuły i część gminy Szamotuły położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica - Ostroróg do linii wyznaczonej przez wschodnią granicę miasta Szamotuły i na południe od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły, do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na zachód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na zachód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

gminy Jutrosin, Pakosław w powiecie rawickim,

gmina Budzyń w powiecie chodzieskim,

gminy Mieścisko, Skoki i Wągrowiec z miastem Wągrowiec w powiecie wągrowieckim,

powiat pleszewski,

gmina Zagórów w powiecie słupeckim,

gmina Pyzdry w powiecie wrzesińskim,

gminy Kotlin, Żerków i część gminy Jarocin położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr S11 i 15 w powiecie jarocińskim,

powiat ostrowski,

powiat miejski Kalisz,

gminy Blizanów, Brzeziny, Żelazków, Godziesze Wielkie, Koźminek, Lisków, Opatówek, Szczytniki, część gminy Stawiszyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków- Kolonia położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

gminy Brudzew, Dobra, Kawęczyn, Przykona, Władysławów, Turek z miastem Turek część gminy Tuliszków położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

gminy Rzgów, Grodziec, Krzymów, Stare Miasto, część gminy Rychwał położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

część gminy Kępno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie kępińskim,

powiat ostrzeszowski,

w województwie opolskim:

gminy Domaszowice, Wilków i część gminy Namysłów położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Głucha w powiecie namysłowskim,

gminy Wołczyn, Kluczbork, część gminy Byczyna położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 11 w powiecie kluczborskim,

część gminy Gorzów Śląski położona na południe od północnej granicy miasta Gorzów Śląski oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 45, część gminy Praszka położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 45 w miejscowości Praszka oraz na południe od drogi łączącej miejscowości Praszka – Kowale Kolonia - Kiczmachów, część gminy Rudniki położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 42 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 43 i na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 43 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 42 w powiecie oleskim,

w województwie zachodniopomorskim:

gminy Nowogródek Pomorski, Barlinek, część gminy Dębno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na północ od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na północ od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Trzcińsko – Zdrój, Widuchowa, część gminy Chojna położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 26 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Chojna, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od skrzyżowana z drogą nr 26 do południowej granicy gminy, w powiecie gryfińskim,

gminy Bierzwnik, Krzęcin, Pełczyce w powiecie choszczeńskim,

w województwie małopolskim:

powiat brzeski,

powiat gorlicki,

powiat proszowicki,

powiat nowosądecki,

powiat miejski Nowy Sącz,

część powiatu dąbrowskiego niewymieniona w części III załącznika I,

część powiatu tarnowskiego niewymieniona w części III załącznika I.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones I in Slowakije:

the whole district of Snina,

the whole district of Medzilaborce,

the whole district of Stropkov,

the whole district of Svidník, except municipalities included in part II,

in the district of Veľký Krtíš, the municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká nad Ipľom, Hrušov, Kleňany, Sečianky,

in the district of Levice, the municipalities of Ipeľské Úľany, Plášťovce, Dolné Túrovce, Stredné Túrovce, Šahy, Tešmak,

the whole district of Krupina, except municipalities included in part II,

the whole district of Banska Bystrica, except municipalities included in part II,

in the district of Liptovsky Mikulas – municipalities of Pribylina, Jamník, Svatý Štefan, Konská, Jakubovany, Liptovský Ondrej, Beňadiková, Vavrišovo, Liptovská Kokava, Liptovský Peter, Dovalovo, Hybe, Liptovský Hrádok, Liptovský Ján, Uhorská Ves, Podtureň, Závažná Poruba, Liptovský Mikuláš, Pavčina Lehota, Demänovská Dolina, Gôtovany, Galovany, Svätý Kríž, Lazisko, Dúbrava, Malatíny, Liptovské Vlachy, Liptovské Kľačany, Partizánska Ľupča, Kráľovská Ľubeľa, Zemianska Ľubeľa, Východná – a part of municipality north from the highway D1,

in the district of Ružomberok, the municipalities of Liptovská Lužná, Liptovská Osada, Podsuchá, Ludrová, Štiavnička, Liptovská Štiavnica, Nižný Sliač, Liptovské Sliače,

the whole district of Banska Stiavnica,

the whole district of Žiar nad Hronom.

DEEL II

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones II in Bulgarije:

the whole region of Haskovo,

the whole region of Yambol,

the whole region of Stara Zagora,

the whole region of Pernik,

the whole region of Kyustendil,

the whole region of Plovdiv,

the whole region of Pazardzhik,

the whole region of Smolyan,

the whole region of Dobrich,

the whole region of Sofia city,

the whole region of Sofia Province,

the whole region of Blagoevgrad,

the whole region of Razgrad,

the whole region of Kardzhali,

the whole region of Burgas excluding the areas in Part III,

the whole region of Varna excluding the areas in Part III,

the whole region of Silistra, excluding the areas in Part III,

the whole region of Ruse, excluding the areas in Part III,

the whole region of Veliko Tarnovo, excluding the areas in Part III,

the whole region of Pleven, excluding the areas in Part III,

the whole region of Targovishte, excluding the areas in Part III,

the whole region of Shumen, excluding the areas in Part III,

the whole region of Sliven, excluding the areas in Part III,

the whole region of Vidin, excluding the areas in Part III.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones II in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Grunow-Dammendorf,

Gemeinde Mixdorf

Gemeinde Schlaubetal,

Gemeinde Neuzelle,

Gemeinde Neißemünde,

Gemeinde Lawitz,

Gemeinde Eisenhüttenstadt,

Gemeinde Vogelsang,

Gemeinde Ziltendorf,

Gemeinde Wiesenau,

Gemeinde Friedland,

Gemeinde Siehdichum,

Gemeinde Müllrose,

Gemeinde Briesen mit den Gemarkungen Biegen, Alt Madlitz, Briesen, Neubrück-Forst und Kersdorf,

Gemeinde Jacobsdorf

Gemeinde Groß Lindow,

Gemeinde Brieskow-Finkenheerd,

Gemeinde Ragow-Merz,

Gemeinde Beeskow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Stremmen, Ranzig, Trebatsch, Sabrodt, Sawall, Mitweide, Lindenberg, Falkenberg (T), Görsdorf (B), Wulfersdorf, Giesensdorf, Briescht, Kossenblatt und Tauche,

Gemeinde Langewahl südlich der A12,

Gemeinde Berkenbrück südlich der A12,

Gemeinde Diensdorf-Radlow,

Gemeinde Wendisch Rietz östlich des Scharmützelsees und nördlich der B 246,

Gemeinde Bad Saarow mit der Gemarkung Neu Golm und der Gemarkung Bad Saarow-Pieskow östlich des Scharmützelsees und ab nördlicher Spitze östlich der L35,

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Jamlitz,

Gemeinde Lieberose,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Goyatz, Jessern, Lamsfeld, Ressen, Speichrow und Zaue,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Stakow, Reicherskreuz, Groß Drewitz, Sembten, Lauschütz, Krayne, Lübbinchen, Grano, Pinnow, Bärenklau, Schenkendöbern und Atterwasch,

Gemeinde Guben mit den Gemarkungen Bresinchen, Guben und Deulowitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Bleyen-Genschmar mit der Gemarkung Bleyen,

Gemeinde Neuhardenberg mit den Gemarkungen Wulkow bei Trebnitz Altfriedland bis östlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Neuhardenberg/Neufriedland, dem Feldweg folgend bis „Grubscher Graben“, Neuhardenberg östlicher Teil bis Gemarkungsgrenze Quappendorf entlang dem „Quappendorfer Kanal“ bis Gemarkungsgrenze Altfriedland,

Gemeinde Golzow,

Gemeinde Küstriner Vorland,

Gemeinde Alt Tucheband,

Gemeinde Reitwein,

Gemeinde Podelzig,

Gemeinde Gusow-Platkow mit den Gemarkungen BlankeHeide, Gusow bis nördlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Langsow, den „Zielgraben“ folgend über „Tergelgraben“ bis „Alte Oder“, Platkow bis östlicher Teil, begrenzt durch „Alte Oder“,

Gemeinde Seelow mit den Gemarkungen Seelow, Werbig, Langsow bis nördlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Buschdorf der „Buschdorfer Str.“/L37 folgend bis Feldweg, diesem folgend über Gehöft „Buschdorf 6“ über Acker bis Entwässerungsgraben, diesem südlich folgend bis „Feldweg“, diesem folgend Richtung „Eichwaldgraben“ bis Gemarkungsgrenze Gusow,

Gemeinde Vierlinden,

Gemeinde Lindendorf mit den Gemarkungen Sachsendorf, Libbenichen, Neu Mahlisch und Dolgelin – östlich der L 37,

Gemeinde Fichtenhöhe,

Gemeinde Lietzen östlich der L 37,

Gemeinde Falkenhagen (Mark) östlich der L 37,

Gemeinde Zeschdorf östlich der L 37,

Gemeinde Treplin,

Gemeinde Lebus,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Jahnsfelde, Trebnitz, Obersdorf, Münchehofe und Hermersdorf,

Gemeinde Märkische Höhe mit der Gemarkung Ringenwalde,

Gemeinde Bliesdorf mit der Gemarkung Metzdorf,

Gemeinde Bad Freienwalde mit den Gemarkungen Altglietzen – östlich des Feldweges zur „Stille Oder“, Altranft – östlich der B 167 und östlich der „Alte Oder“, Hohenwutzen – südlich des „Laufgraben“ und Schiffmühle – östlich von „Herrenwiese“,

Gemeinde Bliesdorf mit den Gemarkungen Bliesdorf – östlich der B167 bis östlicher Teil, begrenzt aus Richtung Gemarkungsgrenze Neutrebbin südlich der Bahnlinie bis Straße „Sophienhof“ dieser westlich folgend bis „Ruesterchegraben“, weiter entlang Feldweg an den Windrädern Richtung „Herrnhof“, weiter entlang „Letschiner Hauptgraben“ nord-östlich bis Gemarkungsgrenze Alttrebbin, Metzdorf - östlich der B 167 und Kunersdorf – östlich der B 167,

Gemeinde Oderaue,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Altwriezen – östlicher Teil begrenzt durch Feldweg von Straße Altwriezen in Richtung „Wallgraben“, Jäckelsbruch, Neugaul, Neuküstrinchen, Rathsdorf – östlich der B 167 und Wriezen – östlich der B 167,

kreisfreie Stadt Frankfurt (Oder),

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen:

Gemeinde Großdubrau,

Gemeinde Hochkirch nördlich der B 6,

Gemeinde Königswartha östlich der B 96,

Gemeinde Kubschütz nördlich der B 6,

Gemeinde Lohsa östlich der B 96,

Gemeinde Malschwitz,

Gemeinde Neschwitz östlich der B 96,

Gemeinde Radibor östlich der B 96,

Gemeinde Spreetal östlich der B 97,

Gemeinde Stadt Bautzen östlich des Verlaufs der B 96 bis Abzweig S 156 und nördlich des Verlaufs S 156 bis Abzweig B 6 und nördlich des Verlaufs der B 6 bis zur östlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Hoyerswerda südlich des Verlaufs der B 97 bis Abzweig B 96 und östlich des Verlaufs der B 96 bis zur südlichen Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Weißenberg,

Gemeinde Stadt Wittichenau östlich der B 96.

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Boxberg/O.L.,

Gemeinde Gablenz,

Gemeinde Groß Düben, sofern nicht bereits Teil des Beobachtungsgebietes,

Gemeinde Hähnichen,

Gemeinde Hohendubrau,

Gemeinde Horka,

Gemeinde Kodersdorf,

Gemeinde Königshain,

Gemeinde Krauschwitz i.d. O.L.,

Gemeinde Kreba-Neudorf,

Gemeinde Markersdorf,

Gemeinde Mücka,

Gemeinde Neißeaue,

Gemeinde Quitzdorf am See,

Gemeinde Rietschen,

Gemeinde Rosenbach nördlich der S 129,

Gemeinde Schleife,

Gemeinde Schönau-Berzdorf a. d. Eigen nördlich der S 129,

Gemeinde Schöpstal,

Gemeinde Stadt Bad Muskau, sofern nicht bereits Teil des Beobachtungsgebietes,

Gemeinde Stadt Bernstadt a. d. Eigen nördlich der S 129,

Gemeinde Stadt Görlitz,

Gemeinde Stadt Löbau nördlich der B 6 von der Kreisgrenze Bautzen bis zum Abzweig der S 129, auf der S 129 bis Gemeindegrenze,

Gemeinde Stadt Niesky,

Gemeinde Stadt Ostritz nördlich der S 129 und K 8616,

Gemeinde Stadt Reichenbach/O.L.,

Gemeinde Stadt Rothenburg/O.L.,

Gemeinde Stadt Weißwasser/O.L.

Gemeinde Trebendorf,

Gemeinde Vierkirchen,

Gemeinde Waldhufen,

Gemeinde Weißkeißel.

3.   Estland

De volgende beperkingszones II in Estland:

Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond).

4.   Letland

De volgende beperkingszones II in Letland:

Ādažu novads,

Aizputes novada Aizputes, Cīravas un Lažas pagasts, Kalvenes pagasta daļa uz rietumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz dienvidiem no autoceļa A9, uz rietumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz rietumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, Aizputes pilsēta,

Aglonas novads,

Aizkraukles novads,

Aknīstes novads,

Alojas novads,

Alsungas novads,

Alūksnes novads,

Amatas novads,

Apes novads,

Auces novads,

Babītes novads,

Baldones novads,

Baltinavas novads,

Balvu novads,

Bauskas novads,

Beverīnas novads,

Brocēnu novads,

Burtnieku novads,

Carnikavas novads,

Cēsu novads

Cesvaines novads,

Ciblas novads,

Dagdas novads,

Daugavpils novads,

Dobeles novads,

Dundagas novads,

Durbes novads,

Engures novads,

Ērgļu novads,

Garkalnes novads,

Grobiņas novada Bārtas pagasts,

Gulbenes novads,

Iecavas novads,

Ikšķiles novads,

Ilūkstes novads,

Inčukalna novads,

Jaunjelgavas novads,

Jaunpiebalgas novads,

Jaunpils novads,

Jēkabpils novads,

Jelgavas novads,

Kandavas novads,

Kārsavas novads,

Ķeguma novads,

Ķekavas novads,

Kocēnu novads,

Kokneses novads,

Krāslavas novads,

Krimuldas novads,

Krustpils novads,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1296, Padures, Rumbas, Rendas, Kabiles, Vārmes, Pelču, Ēdoles, Īvandes, Kurmāles, Turlavas, Gudenieku un Snēpeles pagasts, Kuldīgas pilsēta,

Lielvārdes novads,

Līgatnes novads,

Limbažu novads,

Līvānu novads,

Lubānas novads,

Ludzas novads,

Madonas novads,

Mālpils novads,

Mārupes novads,

Mazsalacas novads,

Mērsraga novads,

Naukšēnu novads,

Neretas novads,

Ogres novads,

Olaines novads,

Ozolnieku novads,

Pārgaujas novads,

Pāvilostas novada Sakas pagasts, Pāvilostas pilsēta,

Pļaviņu novads,

Preiļu novads,

Priekules novads,

Priekuļu novads,

Raunas novads,

republikas pilsēta Daugavpils,

republikas pilsēta Jelgava,

republikas pilsēta Jēkabpils,

republikas pilsēta Jūrmala,

republikas pilsēta Rēzekne,

republikas pilsēta Valmiera,

Rēzeknes novads,

Riebiņu novads,

Rojas novads,

Ropažu novads,

Rucavas novada Dunikas pagasts,

Rugāju novads,

Rundāles novads,

Rūjienas novads,

Salacgrīvas novads,

Salas novads,

Salaspils novads,

Saldus novads,

Saulkrastu novads,

Sējas novads,

Siguldas novads,

Skrīveru novads,

Skrundas novada Raņķu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes,

Smiltenes novads,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Strenču novads,

Talsu novads,

Tērvetes novads,

Tukuma novads,

Vaiņodes novada Vaiņodes pagasts un Embūtes pagasta daļa uz dienvidiem autoceļa P116, P106,

Valkas novads,

Varakļānu novads,

Vārkavas novads,

Vecpiebalgas novads,

Vecumnieku novads,

Ventspils novads,

Viesītes novads,

Viļakas novads,

Viļānu novads,

Zilupes novads.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones II in Litouwen:

Alytaus miesto savivaldybė,

Alytaus rajono savivaldybė,

Anykščių rajono savivaldybė,

Akmenės rajono savivaldybė,

Birštono savivaldybė,

Biržų miesto savivaldybė,

Biržų rajono savivaldybė,

Druskininkų savivaldybė,

Elektrėnų savivaldybė,

Ignalinos rajono savivaldybė,

Jonavos rajono savivaldybė,

Joniškio rajono savivaldybė,

Jurbarko rajono savivaldybė: Eržvilko, Girdžių, Jurbarko miesto, Jurbarkų, Raudonės, Šimkaičių, Skirsnemunės, Smalininkų, Veliuonos ir Viešvilės seniūnijos,

Kaišiadorių rajono savivaldybė,

Kalvarijos savivaldybė,

Kauno miesto savivaldybė,

Kauno rajono savivaldybė: Akademijos, Alšėnų, Batniavos, Ežerėlio, Domeikavos, Garliavos, Garliavos apylinkių, Karmėlavos, Kulautuvos, Lapių, Linksmakalnio, Neveronių, Raudondvario, Ringaudų, Rokų, Samylų, Taurakiemio, Vandžiogalos, Užliedžių, Vilkijos, ir Zapyškio seniūnijos, Babtų seniūnijos dalis į rytus nuo kelio A1, ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio Nr. 1907,

Kazlų rūdos savivaldybė,

Kelmės rajono savivaldybė,

Kėdainių rajono savivaldybė: Dotnuvos, Gudžiūnų, Kėdainių miesto, Krakių, Pelėdnagių, Surviliškio, Šėtos, Truskavos, Vilainių ir Josvainių seniūnijos dalis į šiaurę ir rytus nuo kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Klaipėdos rajono savivaldybė: Judrėnų, Endriejavo ir Veiviržėnų seniūnijos,

Kupiškio rajono savivaldybė,

Kretingos rajono savivaldybė,

Lazdijų rajono savivaldybė,

Marijampolės savivaldybė,

Mažeikių rajono savivaldybė,

Molėtų rajono savivaldybė,

Pagėgių savivaldybė,

Pakruojo rajono savivaldybė,

Panevėžio rajono savivaldybė,

Panevėžio miesto savivaldybė,

Pasvalio rajono savivaldybė,

Radviliškio rajono savivaldybė,

Rietavo savivaldybė,

Prienų rajono savivaldybė,

Plungės rajono savivaldybė: Žlibinų, Stalgėnų, Nausodžio, Plungės miesto, Šateikių ir Kulių seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Betygalos, Girkalnio, Kalnujų, Nemakščių, Pagojukų, Paliepių, Raseinių miesto, Raseinių, Šiluvos, Viduklės seniūnijos,

Rokiškio rajono savivaldybė,

Skuodo rajono savivaldybės: Aleksandrijos, Ylakių, Lenkimų, Mosėdžio, Skuodo ir Skuodo miesto seniūnijos,

Šakių rajono savivaldybė,

Šalčininkų rajono savivaldybė,

Šiaulių miesto savivaldybė,

Šiaulių rajono savivaldybė,

Šilutės rajono savivaldybė,

Širvintų rajono savivaldybė,

Šilalės rajono savivaldybė,

Švenčionių rajono savivaldybė,

Tauragės rajono savivaldybė,

Telšių rajono savivaldybė,

Trakų rajono savivaldybė,

Ukmergės rajono savivaldybė,

Utenos rajono savivaldybė,

Varėnos rajono savivaldybė,

Vilniaus miesto savivaldybė,

Vilniaus rajono savivaldybė,

Vilkaviškio rajono savivaldybė,

Visagino savivaldybė,

Zarasų rajono savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones II in Hongarije:

Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Fejér megye 403150, 403160, 403260, 404250, 404550, 404560, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye: 250350, 250850, 250950, 251450, 251550, 251950, 252050, 252150, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones II in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kalinowo, Stare Juchy, Prostki oraz gmina wiejska Ełk w powiecie ełckim,

powiat elbląski,

powiat miejski Elbląg,

powiat gołdapski,

powiat piski,

powiat bartoszycki,

powiat olecki,

powiat giżycki,

powiat braniewski,

powiat kętrzyński,

gminy Lubomino i Orneta w powiecie lidzbarskim,

gminy Jedwabno, Szczytno i miasto Szczytno i Świętajno w powiecie szczycieńskim,

powiat mrągowski,

powiat węgorzewski,

gminy Jeziorany, Kolno, część gminy Biskupiec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 57 w powiecie olsztyńskim,

część powiatu ostródzkiego nie wymieniona w części III załącznika I,

w województwie podlaskim:

powiat bielski,

powiat grajewski,

powiat moniecki,

powiat sejneński,

gminy Łomża, Piątnica, Jedwabne, Przytuły i Wizna w powiecie łomżyńskim,

powiat miejski Łomża,

część powiatu siemiatyckiego nie wymieniona w części III załącznika I,

powiat hajnowski,

gminy Ciechanowiec, Klukowo, Szepietowo, Kobylin-Borzymy, Nowe Piekuty, Sokoły i część gminy Kulesze Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gmina Rutki i część gminy Kołaki Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Mały Płock i Stawiski w powiecie kolneńskim,

powiat białostocki,

powiat suwalski,

powiat miejski Suwałki,

powiat augustowski,

powiat sokólski,

powiat miejski Białystok,

w województwie mazowieckim:

gminy Domanice, Korczew, Kotuń, Mordy, Paprotnia, Przesmyki, Siedlce, Skórzec, Wiśniew, Wodynie, Zbuczyn w powiecie siedleckim,

powiat miejski Siedlce,

gminy Ceranów, Jabłonna Lacka, Kosów Lacki, Repki, Sabnie, Sterdyń w powiecie sokołowskim,

powiat łosicki,

powiat sochaczewski,

gminy Policzna, Przyłęk, Tczów i Zwoleń w powiecie zwoleńskim,

powiat kozienicki,

gminy Chotcza i Solec nad Wisłą w powiecie lipskim,

gminy Gózd, Jastrzębia, Jedlnia Letnisko, Pionki z miastem Pionki, Skaryszew, Jedlińsk, Przytyk, Zakrzew, część gminy Iłża położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9, część gminy Wolanów położona na północ od drogi nr 12 w powiecie radomskim,

gminy Bodzanów, Słubice, Wyszogród i Mała Wieś w powiecie płockim,

powiat nowodworski,

gminy Czerwińsk nad Wisłą, Naruszewo, Załuski w powiecie płońskim,

gminy: miasto Kobyłka, miasto Marki, miasto Ząbki, miasto Zielonka w powiecie wołomińskim,

gminy Borowie, Garwolin z miastem Garwolin, Miastków Kościelny, Parysów, Pilawa, część gminy Wilga położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na północ od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

gminy Boguty – Pianki, Zaręby Kościelne, Nur i część gminy Małkinia Górna położona na południe od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

gminy Chlewiska i Szydłowiec w powiecie szydłowieckim,

gminy Cegłów, Dębe Wielkie, Halinów, Latowicz, Mińsk Mazowiecki i miasto Mińsk Mazowiecki, Mrozy, Siennica, miasto Sulejówek w powiecie mińskim,

powiat otwocki,

powiat warszawski zachodni,

powiat legionowski,

powiat piaseczyński,

powiat pruszkowski,

powiat grójecki,

powiat grodziski,

powiat żyrardowski,

powiat białobrzeski,

powiat przysuski,

powiat miejski Warszawa,

w województwie lubelskim:

powiat bialski,

powiat miejski Biała Podlaska,

gminy Batorz, Godziszów, Janów Lubelski, Modliborzyce i Potok Wielki w powiecie janowskim,

gminy Janowiec, Kazimierz Dolny, Końskowola, Kurów, Markuszów, Nałęczów, Puławy z miastem Puławy, Wąwolnica i Żyrzyn w powiecie puławskim,

gminy Nowodwór, miasto Dęblin i część gminy Ryki położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową powiecie ryckim,

gminy Adamów, Krzywda, Stoczek Łukowski z miastem Stoczek Łukowski, Wola Mysłowska, Trzebieszów, Stanin, Wojcieszków, gmina wiejska Łuków i miasto Łuków w powiecie łukowskim,

powiat lubelski,

powiat miejski Lublin,

gminy Niedźwiada, Ostrówek, Ostrów Lubelski, Serniki, Uścimów i Lubartów z miastem Lubartów w powiecie lubartowskim,

powiat łęczyński,

powiat świdnicki,

gminy Fajsławice, Gorzków, Izbica, Krasnystaw z miastem Krasnystaw, Kraśniczyn, Łopiennik Górny, Siennica Różana i część gminy Żółkiewka położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

gminy Chełm, Ruda – Huta, Sawin, Rejowiec, Rejowiec Fabryczny z miastem Rejowiec Fabryczny, Siedliszcze, Wierzbica, Żmudź, Dorohusk, Dubienka, Kamień, Leśniowice, Wojsławice w powiecie chełmskim,

powiat miejski Chełm,

powiat kraśnicki,

powiat opolski,

powiat parczewski,

powiat włodawski,

powiat radzyński,

powiat miejski Zamość,

gminy Sitno, Skierbieszów, Stary Zamość, Zamość w powiecie zamojskim,

w województwie podkarpackim:

powiat stalowowolski,

gminy Oleszyce, Lubaczów z miastem Lubaczów, Wielkie Oczy w powiecie lubaczowskim,

część gminy Kamień położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19, część gminy Sokołów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gminy Cmolas, Majdan Królewski i Niwiska powiecie kolbuszowskim,

część gminy Ostrów położona na północ od drogi linii wyznaczonej przez drogę nr A4 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 986, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 986 biegnącą od tego skrzyżowania do miejscowości Osieka i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Osieka_- Blizna w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

gminy Grodzisko Dolne, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na południe od miasta Leżajsk oraz na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gmina Jarocin, część gminy Harasiuki położona na północ od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

powiat tarnobrzeski,

część gminy wiejskiej Przeworsk położona na zachód od miasta Przeworsk i na zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy oraz na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

część gminy wiejskiej Dębica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

w województwie pomorskim:

gminy Dzierzgoń i Stary Dzierzgoń w powiecie sztumskim,

gmina Stare Pole w powiecie malborskim,

gminy Stegny, Sztutowo i część gminy Nowy Dwór Gdański położona na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

w województwie świętokrzyskim:

gmina Tarłów i część gminy Ożarów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 74 w powiecie opatowskim,

część gminy Brody położona na zachód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 i na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie oraz przez drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno – wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

gmina Gowarczów, część gminy Końskie położona na wschód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na północ od linii kolejowej w powiecie koneckim,

w województwie lubuskim:

gminy Deszczno, Kłodawa, Kostrzyn nad Odrą, Santok i część gminy Witnica położona na południowy zachód od drogi biegnącej od zachodniej granicy gminy od miejscowości Krześnica, przez miejscowości Kamień Wielki - Mościce - Witnica - Kłopotowo do południowej granicy gminy, w powiecie gorzowskim,

powiat miejski Gorzów Wielkopolski,

gminy Drezdenko, Strzelce Krajeńskie, Stare Kurowo, Zwierzyn w powiecie strzelecko – drezdeneckim,

powiat żarski,

w województwie dolnośląskim:

powiat zgorzelecki,

gminy Grębocice, Polkowice, część gminy Przemków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

gmina Rudna w powiecie lubińskim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Przemęt i Wolsztyn w powiecie wolsztyńskim,

gmina Wielichowo część gminy Kamieniec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 i część gminy Rakoniewice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

gminy Wijewo, Włoszakowice, część gminy Lipno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 i część gminy Święciechowa położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie leszczyńskim,

część gminy Śmigiel położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie kościańskim,

powiat obornicki,

część gminy Połajewo na położona na południe od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo - ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

gmina Suchy Las, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na północ od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Rokietnica położona na północ i na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz w powiecie poznańskim,

część gminy Szamotuły położona na wschód od wschodniej granicy miasta Szamotuły i na północ od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na wschód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na wschód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

gmina Malanów, część gminy Tuliszków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

część gminy Rychwał położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogę nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

gmina Mycielin, część gminy Stawiszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków- Kolonia położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

w województwie łódzkim:

gminy Białaczów, Drzewica, Opoczno i Poświętne w powiecie opoczyńskim,

gminy Biała Rawska, Regnów i Sadkowice w powiecie rawskim,

gmina Kowiesy w powiecie skierniewickim,

w województwie zachodniopomorskim:

gmina Boleszkowice i część gminy Dębno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na południe od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na południe od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Cedynia, Mieszkowice, Moryń, część gminy Chojna położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 26 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Chojna, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od skrzyżowana z drogą nr 26 do południowej granicy gminy w powiecie gryfińskim.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones II in Slowakije:

the whole district of Gelnica,

the whole district of Poprad

the whole district of Spišská Nová Ves,

the whole district of Levoča,

the whole district of Kežmarok

in the whole district of Michalovce,

the whole district of Košice-okolie,

the whole district of Rožnava,

the whole city of Košice,

the whole district of Sobrance,

the whole district of Vranov nad Topľou,

the whole district of Humenné,

the whole district of Prešov,

in the whole district of Sabinov,

in the district of Svidník, the whole municipalities of Dukovce, Želmanovce, Kuková, Kalnište, Lužany pri Ondave, Lúčka, Giraltovce, Kračúnovce, Železník, Kobylince, Mičakovce,

the whole district of Bardejov,

the whole district of Stará Ľubovňa,

the whole district of Revúca,

the whole district of Rimavská Sobota,

in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities not included in part I,

the whole district of Lučenec,

the whole district of Poltár

the whole district of Zvolen,

the whole district of Detva,

in the district of Krupina the whole municipalities of Senohrad, Horné Mladonice, Dolné Mladonice, Čekovce, Lackov,

In the district of Banska Bystica, the whole municipalites of Kremnička, Malachov, Badín, Vlkanová, Hronsek, Horná Mičiná, Dolná Mičiná, Môlča Oravce, Čačín, Čerín, Bečov, Sebedín, Dúbravica, Hrochoť, Poniky, Strelníky, Povrazník, Ľubietová, Brusno, Banská Bystrica,

the whole district of Brezno,

in the district of Liptovsky Mikuláš, the municipalities of Važec, Malužiná, Kráľova lehota, Liptovská Porúbka, Nižná Boca, Vyšná Boca a Východná – a part of municipality south of the highway D1.

DEEL III

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones III in Bulgarije:

the whole region of Gabrovo,

the whole region of Lovech,

the whole region of Montana,

the Pleven region:

the whole municipality of Belene,

the whole municipality of Gulyantzi,

the whole municipality of Dolna Mitropolia,

the whole municipality of Dolni Dabnik,

the whole municipality of Iskar,

the whole municipality of Knezha,

the whole municipality of Nikopol,

the whole municipality of Pordim,

the whole municipality of Cherven bryag,

the Ruse region:

the whole municipality of Dve mogili,

the Shumen region:

the whole municipality of Veliki Preslav,

the whole municipality of Venetz,

the whole municipality of Varbitza,

the whole municipality of Kaolinovo,

the whole municipality of Novi pazar,

the whole municipality of Smyadovo,

the whole municipality of Hitrino,

the Silistra region:

the whole municipality of Alfatar,

the whole municipality of Glavinitsa,

the whole municipality of Dulovo

the whole municipality of Kaynardzha,

the whole municipality of Tutrakan,

the Sliven region:

the whole municipality of Kotel,

the whole municipality of Nova Zagora,

the whole municipality of Tvarditza,

the Targovishte region:

the whole municipality of Antonovo,

the whole municipality of Omurtag,

the whole municipality of Opaka,

the Vidin region,

the whole municipality of Belogradchik,

the whole municipality of Boynitza,

the whole municipality of Bregovo,

the whole municipality of Gramada,

the whole municipality of Dimovo,

the whole municipality of Kula,

the whole municipality of Makresh,

the whole municipality of Novo selo,

the whole municipality of Ruzhintzi,

the whole municipality of Chuprene,

the Veliko Tarnovo region:

the whole municipality of Veliko Tarnovo,

the whole municipality of Gorna Oryahovitza,

the whole municipality of Elena,

the whole municipality of Zlataritza,

the whole municipality of Lyaskovetz,

the whole municipality of Pavlikeni,

the whole municipality of Polski Trambesh,

the whole municipality of Strazhitza,

the whole municipality of Suhindol,

the whole region of Vratza,

in Varna region:

the whole municipality of Avren,

the whole municipality of Beloslav,

the whole municipality of Byala,

the whole municipality of Dolni Chiflik,

the whole municipality of Devnya,

the whole municipality of Dalgopol,

the whole municipality of Provadia,

the whole municipality of Suvorovo,

the whole municipality of Varna,

the whole municipality of Vetrino,

in Burgas region:

the whole municipality of Burgas,

the whole municipality of Kameno,

the whole municipality of Malko Tarnovo,

the whole municipality of Primorsko,

the whole municipality of Sozopol,

the whole municipality of Sredets,

the whole municipality of Tsarevo,

the whole municipality of Sungurlare,

the whole municipality of Ruen,

the whole municipality of Aytos.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones III in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Spree Neiße:

Gemeinde Forst (Lausitz) mit den Gemarkungen Forst (Lausitz), Klein Jamno, Groß Jamno, Groß Bademeusel und Klein Bademeusel,

Gemeinde Wiesengrund mit den Gemarkungen Gosda, Jethe, Gahry, Trebendorf und Mattendorf,

Gemeinde Neuhausen/ Spree mit den Gemarkungen Sergen, Komptendorf, Laubsdorf, Gablenz, Drieschnitz, Kahsel und Bagenz,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen Groß Luja, Türkendorf, Schönheide, Lieskau, Hornow und Wadelsdorf,

Gemeinde Neiße-Malxetal,

Gemeinde Döbern,

Gemeinde Tschernitz,

Gemeinde Felixsee,

Gemeinde Groß Schacksdorf-Simmersdorf,

Gemeinde Jämlitz-Klein Düben,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Bleyen-Genschmar mit der Gemarkung Genschmar,

Gemeinde Bliesdorf nur Bliesdorf östlicher Teil, begrenzt aus Richtung Gemarkungsgrenze Neutrebbin entlang der Bahnlinie bis Straße „Sophienhof“ dieser östlich folgend bis „Ruesterchengraben“, weiter entlang Feldweg an den Windrädern Richtung „Herrnhof“, weiter entlang „Letschiner Hauptgraben“ bis Gemarkungsgrenze Alttrebbin,

Gemeinde Letschin,

Gemeinde Gusow-Platkow mit den Gemarkungen Gusow nördlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Langsow, den „Zielgraben“ folgend über „Tergelgraben“ bis „Alte Oder“, Platkow östlicher Teil, begrenzt durch „Alte Oder“,

Gemeinde Neulewin mit den Gemarkungen Güstebieser Loose, Heinrichsdorf, Karlshof, Kerstenbruch, Neulewin, Neulietzegöricke und Rüsterwerder,

Gemeinde Neutrebbin mit den Gemarkungen Altbarnim, Altlewin, Alttrebbin, Neutrebbin und Wuschewier,

Gemeinde Seelow mit der Gemarkung nur Langsow nördlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Buschdorf der „Buschdorfer Str.“/L37 folgend bis Feldweg, diesem folgend über Gehöft „Buschdorf 6“ über Acker bis Entwässerungsgraben, diesem südlich folgend bis „Feldweg“, diesem folgend Richtung „Eichwaldgraben“ bis Gemarkungsgrenze Gusow,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Altwriezen östlicher Teil begrenzt durch Feldweg von Straße Altwriezen Richtung „Wallgraben“; Beauregard und Eichwerder,

Gemeinde Zechin,

Gemeinde Neuhardenberg mit den Gemarkungen Altfriedland östlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Neuhardenberg/Neufriedland, dem Feldweg folgend bis „Grubscher Graben“, Neuhardenberg östlicher Teil ab Gemarkungsgrenze Quappendorf entlang dem „Quappendorfer Kanal“ bis Gemarkungsgrenze Altfriedland und Quappendorf,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Groß Düben nördlich S126 und K8478,

Gemeinde Stadt Bad Muskau mit dem Gemeindeteil Kleine Mühle,

Gemeinde Stadt Bad Muskau mit dem Gemeindeteil Köbeln nördlich des Föhrenfließ.

3.   Italië

De volgende beperkingszones III in Italië:

tutto il territorio della Sardegna.

4.   Letland

De volgende beperkingszones III in Letland:

Aizputes novada Kalvenes pagasta daļa uz austrumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz ziemeļiem no autoceļa A9, uz austrumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz austrumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1296,

Skrundas novada Rudbāržu, Nīkrāces pagasts, Raņķu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasts (izņemot pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes), Skrundas pilsēta,

Vaiņodes novada Embūtes pagasta daļa uz ziemeļiem autoceļa P116, P106.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones III in Litouwen:

Jurbarko rajono savivaldybė: Seredžiaus ir Juodaičių seniūnijos,

Kauno rajono savivaldybė: Čekiškės seniūnija, Babtų seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio A1ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į rytus nuo kelio Nr. 1907,

Kėdainių rajono savivaldybė: Pernaravos seniūnija ir Josvainių seniūnijos pietvakarinė dalis tarp kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Plungės rajono savivaldybė: Alsėdžių, Babrungo, Paukštakių, Platelių ir Žemaičių Kalvarijos seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Ariogalos ir Ariogalos miesto seniūnijos,

Skuodo rajono savivaldybės: Barstyčių, Notėnų ir Šačių seniūnijos.

6.   Polen

De volgende beperkingszones III in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

powiat działdowski,

powiat nidzicki,

powiat iławski,

powiat nowomiejski,

gminy Dąbrówno, Grunwald i Ostróda z miastem Ostróda w powiecie ostródzkim,

część powiatu olsztyńskiego nie wymieniona w części II załącznika I,

gminy Kiwity i Lidzbark Warmiński z miastem Lidzbark Warmiński w powiecie lidzbarskim,

powiat miejski Olsztyn,

gminy Dźwierzuty, Pasym w powiecie szczycieńskim,

w województwie mazowieckim:

gminy Łaskarzew z miastem Łaskarzew, Maciejowice, Sobolew, Trojanów, Żelechów, część gminy Wilga położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na południe od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

część gminy Iłża położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 w powiecie radomskim,

gmina Kazanów w powiecie zwoleńskim,

gminy Ciepielów, Lipsko, Rzeczniów i Sienno w powiecie lipskim,

część powiatu żuromińskiego nie wymieniona w części I załącznika I,

część powiatu mławskiego nie wymieniona w części I załącznika I,

w województwie lubelskim:

powiat tomaszowski,

gmina Białopole w powiecie chełmskim,

gmina Rudnik i część gminy Żółkiewka położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

gminy Adamów, Grabowiec, Komarów – Osada, Krasnobród, Łabunie, Miączyn, Nielisz, Radecznica, Sułów, Szczebrzeszyn, Zwierzyniec w powiecie zamojskim,

powiat biłgorajski,

powiat hrubieszowski,

gminy Dzwola i Chrzanów w powiecie janowskim,

gmina Serokomla w powiecie łukowskim,

gminy Abramów, Kamionka, Michów, Firlej, Jeziorzany, Kock w powiecie lubartowskim,

gminy Kłoczew, Stężyca, Ułęż i część gminy Ryki położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie ryckim,

gmina Baranów w powiecie puławskim,

w województwie podkarpackim:

powiat mielecki,

gminy Czarna, Pilzno, Żyraków w powiecie dębickim,

gminy Cieszanów, Horyniec – Zdrój, Narol i Stary Dzików w powiecie lubaczowskim,

gminy Kuryłówka, Nowa Sarzyna, miasto Leżajsk, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na północ od miasta Leżajsk oraz część gminy wiejskiej Leżajsk położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gminy Krzeszów, Rudnik nad Sanem, część gminy Harasiuki położona na południe od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

gminy Chłopice, Jarosław z miastem Jarosław, Laszki, Wiązownica, Pawłosiów, Radymno z miastem Radymno, w powiecie jarosławskim,

gmina Stubno w powiecie przemyskim,

część gminy Kamień położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie rzeszowskim,

gminy Adamówka, Sieniawa, Tryńcza, miasto Przeworsk, część gminy wiejskiej Przeworsk położona na wschód od miasta Przeworsk i na wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie przeworskim,

w województwie lubuskim:

powiat słubicki,

powiat krośnieński,

powiat sulęciński,

powiat międzyrzecki,

powiat nowosolski,

powiat wschowski,

powiat świebodziński,

powiat zielonogórski

powiat żagański

powiat miejski Zielona Góra,

w województwie wielkopolskim:

gminy Krzemieniewo, Rydzyna w powiecie leszczyńskim,

gminy Krobia i Poniec w powiecie gostyńskim,

gminy Bojanowo, Miejska Górka, Rawicz w powiecie rawickim,

powiat nowotomyski,

gmina Siedlec w powiecie wolsztyńskim,

część gminy Rakoniewice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

powiat międzychodzki,

gmina Pniewy, część gminy Duszniki położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostroróg położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, część gminy Szamotuły położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica - Ostroróg w powiecie szamotulskim,

gminy Baranów, Bralin, Perzów, Łęka Opatowska, Rychtal, Trzcinica, część gminy Kępno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie kępińskim,

w województwie dolnośląskim:

powiat górowski,

gminy Prusice i Żmigród w powiecie trzebnickim,

powiat głogowski,

powiat bolesławiecki,

gminy Gaworzyce, Radwanice i część gminy Przemków położona na północ od linii wyznaczonej prze drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

w województwie świętokrzyskim:

część gminy Brody położona na wschód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy w powiecie starachowickim,

w województwie łódzkim:

gmina Czarnocin, część gminy Moszczenica położona na zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Moszczenica – Osiedle, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Moszczenica – Osiedle – Kosów do skrzyżowania z drogą nr 12 i dalej na zachód od drogi nr 12 biegnącej od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Grabica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 473 biegnącej od zachodniej granicy gminy do miejscowości Wola Kamocka, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 473 i łączącą miejscowości Wola Kamocka – Papieże Kolonia – Papieże do wschodniej granicy gminy w powiecie piotrkowskim,

gmina Brójce, Tuszyn, Rzgów w powiecie łódzkim wschodnim,

część gminy wiejskiej Pabianice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dłutów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 485 w powiecie pabianickim,

gminy Bolesławiec, Czastary, Lututów, Łubnice, część gminy Sokolniki położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 482, część gminy Galewice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Przybyłów – Ostrówek – Dąbrówka – Zmyślona w powiecie wieruszowskim,

gminy Biała, Czarnożyły, Skomlin, część gminy Mokrsko położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Krzyworzeka – Mokrsko - Zmyślona – Komorniki – Orzechowiec – Poręby, część gminy Wieluń położona na zachód od miejscowości Wieluń oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wieluń – Turów – Chotów biegnącą do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostrówek położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Pyszna w powiecie wieluńskim,

część gminy Złoczew położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 482 biegnącą od zachodniej granicy gminy w miejscowości Uników do miejscowości Złoczew, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 477 biegnącą od miejscowości Złoczew do południowej granicy gminy, część gminy Klonowa położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy, łączącą miejscowości Owieczki - Klonowa – Górka Klonowska - Przybyłów w powiecie sieradzkim,

w województwie opolskim:

część gminy Gorzów Śląski położona na północ od miasta Gorzów Śląski oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 4715E, część gminy Praszka położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 45 w miejscowości Praszka oraz na północ od drogi łączącej miejscowości Praszka - Kowale w powiecie oleskim,

część gminy Byczyna położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 11 w powiecie kluczborskim,

część gminy Namysłów położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę Głucha w powiecie namysłowskim,

w województwie podlaskim:

gmina Siemiatycze, część gminy Mielnik położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od północnej granicy gminy łączącą miejscowości Borysowszczyzna – Radziwiłówka – Mielnik, część gminy Nurzec- Stacja położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę 693 biegnącej od północnej granicy gminy do miejscowości Żerczyce, następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogi łączące miejscowości Żerczyce - Nurzec-Stacja – Borysowszczyzna do południowej granicy gminy, część gminy Milejczyce położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od zachodniej granicy gminy łączącą miejscowości Choroszczewo – Pokaniewo – Grabarka – Milejczyce do miejscowości Milejczyce, a następnie na zachód od drogi nr 693 biegnącej od miejscowości Milejczyce do południowej granicy gminy, część gminy Dziadkowice położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od zachodniej granicy gminy, łączącej miejscowości Zaręby – Dziadkowice – Malewice – Hornowo do wschodniej granicy gminy w powiecie siemiatyckim,

w województwie małopolskim:

gminy Dąbrowa Tarnowska, Radgoszcz, Szczucin w powiecie dąbrowskim,,

gminy Lisia Góra, Pleśna, Ryglice, Skrzyszów, Tarnów, Tuchów w powiecie tarnowskim,

powiat miejski Tarnów.

7.   Roemenië

De volgende beperkingszones III in Roemenië:

Zona orașului București,

Județul Constanța,

Județul Satu Mare,

Județul Tulcea,

Județul Bacău,

Județul Bihor,

Județul Bistrița Năsăud,

Județul Brăila,

Județul Buzău,

Județul Călărași,

Județul Dâmbovița,

Județul Galați,

Județul Giurgiu,

Județul Ialomița,

Județul Ilfov,

Județul Prahova,

Județul Sălaj,

Județul Suceava

Județul Vaslui,

Județul Vrancea,

Județul Teleorman,

Judeţul Mehedinţi,

Județul Gorj,

Județul Argeș,

Judeţul Olt,

Judeţul Dolj,

Județul Arad,

Județul Timiș,

Județul Covasna,

Județul Brașov,

Județul Botoșani,

Județul Vâlcea,

Județul Iași,

Județul Hunedoara,

Județul Alba,

Județul Sibiu,

Județul Caraș-Severin,

Județul Neamț,

Județul Harghita,

Județul Mureș,

Județul Cluj,

Județul Maramureş.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones III in Slowakije:

In the district of Lučenec: Lučenec a jeho časti, Panické Dravce, Mikušovce, Pinciná, Holiša, Vidiná, Boľkovce, Trebeľovce, Halič, Stará Halič, Tomášovce, Trenč, Veľká nad Ipľom, Buzitka (without settlement Dóra), Prša, Nitra nad Ipľom, Mašková, Lehôtka, Kalonda, Jelšovec, Ľuboreč, Fiľakovské Kováče, Lipovany, Mučín, Rapovce, Lupoč, Gregorova Vieska, Praha,

In the district of Poltár: Kalinovo, Veľká Ves,

the whole district of Trebišov

”.

RICHTLIJNEN

2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/137


GEDELEGEERDE RICHTLIJN (EU) 2021/1269 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 wat betreft de integratie van duurzaamheidsfactoren in de productgoveranceverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 16, lid 12, en artikel 24, lid 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de duurzameontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs (2) afgesloten. In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal (3) gekomen. De Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Om die doelstelling te verwezenlijken, moeten beleggers duidelijke signalen krijgen wat betreft hun beleggingen, om gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” (4) gekomen, waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen.

(4)

Een correcte uitvoering van het Actieplan stimuleert de vraag van beleggers naar duurzame beleggingen. Daarom moet worden verduidelijkt dat duurzaamheidsfactoren en -doelstellingen in aanmerking dienen te worden genomen binnen de in Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie (5) uiteengezette vereisten inzake productgovernance.

(5)

Beleggingsondernemingen die financiële instrumenten ontwikkelen en distribueren, moeten in het productgoedkeuringsproces van elk financieel instrument en in de overige regelingen inzake productgovernance en -toezicht duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen voor elk financieel instrument dat bedoeld is om te worden gedistribueerd aan cliënten die op zoek zijn naar financiële instrumenten met een duurzaamheidsprofiel.

(6)

Rekening houdende met het feit dat de doelmarkt voldoende fijnmazig moet worden afgebakend, kan niet worden volstaan met een algemene verklaring dat een financieel instrument een duurzaamheidsprofiel heeft. Integendeel, beleggingsondernemingen die financiële instrumenten ontwikkelen en distribueren, moeten nader aangeven bij welke groep cliënten met specifieke duurzaamheidsdoelstellingen het de bedoeling is dat financiële instrumenten worden gedistribueerd.

(7)

Om ervoor te zorgen dat financiële instrumenten met duurzaamheidsfactoren gemakkelijk beschikbaar blijven voor cliënten die geen duurzaamheidsvoorkeuren hebben, mag van beleggingsondernemingen niet worden verlangd dat zij groepen cliënten in kaart brengen met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het financiële instrument met duurzaamheidsfactoren niet overeenstemt.

(8)

De duurzaamheidsfactoren van een financieel instrument moeten transparant worden gepresenteerd zodat de distributeur de betrokken informatie aan zijn cliënten of potentiële cliënten kan verstrekken.

(9)

Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593

Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

“5.   Onder “duurzaamheidsfactoren” worden verstaan duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*1).

(*1)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

2)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:

“9.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de potentiële doelmarkt voor elk financieel instrument voldoende fijnmazig vast te stellen en het type of de typen cliënten te bepalen met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, het financiële instrument overeenstemt. In dit proces identificeert de onderneming de groep of groepen cliënten met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het financiële instrument niet overeenstemt, behalve indien financiële instrumenten duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen. Wanneer beleggingsondernemingen samenwerken bij het vervaardigen van een financieel instrument, moet slechts één doelmarkt worden aangewezen.”;

(b)

lid 11 wordt vervangen door:

“11.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen te bepalen of een financieel instrument voldoet aan de vastgestelde behoeften, kenmerken en doelstellingen van de doelmarkt, onder meer door een onderzoek van de volgende elementen:

(a)

het risico/rendementsprofiel van het financieel instrument stemt overeen met de doelmarkt;

(b)

de duurzaamheidsfactoren van het financieel instrument stemmen, in voorkomend geval, overeen met de doelmarkt;

(c)

het ontwerp van het financieel instrument wordt gedreven door kenmerken die aan de cliënt ten goede komen, en niet door een bedrijfsmodel dat voor zijn rendabiliteit gebaseerd is op slechte resultaten voor de cliënt.”;

(c)

aan lid 13 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“De duurzaamheidsfactoren van het financiële instrument worden transparant gepresenteerd en verschaffen distributeurs de nodig informatie om afdoende rekening te houden met duurzaamheidsdoelstellingen van de cliënt of potentiële cliënt.”;

(d)

lid 14 wordt vervangen door:

“14.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de financiële instrumenten die zij vervaardigen, regelmatig te evalueren, rekening houdende met gebeurtenissen die het potentiële risico voor de vastgestelde doelmarkt feitelijk kunnen beïnvloeden. De beleggingsondernemingen onderzoeken of het financieel instrument blijft overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de doelmarkt en of het op de doelmarkt wordt gedistribueerd of cliënten bereikt met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het financiële instrument niet overeenstemt.”.

3)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

“2.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen passende productgovernanceregelingen in te voeren om ervoor te zorgen dat de producten en de diensten die zij wensen aan te bieden of aan te bevelen, overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van een omschreven doelmarkt, en dat de voorgenomen distributiestrategie overeenstemt met de afgebakende doelmarkt. Beleggingsondernemingen omschrijven en beoordelen de omstandigheden en behoeften van de cliënten op wie zij zich willen richten, om ervoor te zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van cliënten ten gevolge van commerciële of financieringsprocessen. In dit proces identificeren de beleggingsondernemingen groepen cliënten met wier behoeften, kenmerken en doelstellingen het product of de dienst niet overeenstemt, behalve indien financiële instrumenten duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen.”;

(b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen de beleggingsinstrumenten die zij aanbieden of aanbevelen en de diensten die zij verlenen, regelmatig te evalueren, rekening houdende met elke gebeurtenis die het potentiële risico voor de afgebakend doelmarkt materieel kan beïnvloeden. Ondernemingen evalueren ten minste of de producten of diensten blijven overeenstemmen met de behoeften, kenmerken en doelstellingen, met inbegrip van duurzaamheidsdoelstellingen, van de omschreven doelmarkt, en of de voorgenomen distributiestrategie geschikt blijft. Ondernemingen onderzoeken de doelmarkt opnieuw en/of actualiseren de productgovernanceregelingen wanneer zij tot de bevinding komen dat zij de doelmarkt voor een specifieke producten of diensten onjuist hebben omschreven of deze niet langer voldoen aan de omstandigheden van de afgebakende doelmarkt, bijvoorbeeld wanneer het product ten gevolge van marktomstandigheden niet-liquide of zeer volatiel is geworden.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 augustus 2022 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 22 november 2022.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(3)  COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 500).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/141


GEDELEGEERDE RICHTLIJN (EU) 2021/1270 VAN DE COMMISSIE

van 21 april 2021

tot wijziging van Richtlijn 2010/43/EU wat betreft voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in aanmerking te nemen duurzaamheidsrisico’s en duurzaamheidsfactoren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (1), en met name artikel 12, lid 3, artikel 14, lid 2, en artikel 51, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De transitie naar een koolstofarme, duurzamere, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in lijn met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. In 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs afgesloten (2). In artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(2)

In het licht van die uitdaging is de Commissie in december 2019 met de Europese Green Deal gekomen (3). Die Green Deal is een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Om die doelstelling te verwezenlijken, moeten beleggers duidelijke signalen krijgen wat betreft hun beleggingen, om gestrande activa te vermijden en duurzame financiering op te halen.

(3)

In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan “Duurzame groei financieren” gekomen (4), waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor een duurzaam geldwezen uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De effectbeoordeling op basis waarvan nadien wetgevingsinitatieven zijn genomen, is in mei 2018 gepubliceerd (5). Deze liet zien dat er duidelijkheid moet komen over duurzaamheidsfactoren die beheermaatschappijen in het kader van hun verplichtingen ten aanzien van beleggers in aanmerking moeten nemen. Daarom moeten beheermaatschappijen niet alleen alle relevante financiële risico’s doorlopend beoordelen, maar ook alle desbetreffende duurzaamheidsrisico’s als bedoeld in Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (6) die, wanneer deze zich voordoen, een werkelijk of mogelijk wezenlijk negatief effect op de waarde van de belegging kunnen veroorzaken. In Richtlijn 2010/43/EU van de Commissie (7) is niet uitdrukkelijk sprake van duurzaamheidsrisico’s. Daarom, en om ervoor te zorgen dat interne procedures en organisatorische regelingen correct worden uitgevoerd en nageleefd, moet worden verduidelijkt dat in processen, systemen en interne controles van beheermaatschappijen duurzaamheidsrisico’s tot uiting moeten komen en dat technische capaciteit en kennis nodig is om die risico’s te kunnen analyseren.

(4)

Om een ongelijk speelveld te vermijden voor beheermaatschappijen en voor beleggingsmaatschappijen die geen beheermaatschappij hebben aangewezen, en om de daarmee samenhangende compartimentering, incoherentie en onvoorspelbaarheid in het functioneren van de interne markt te voorkomen, moeten de regels betreffende de integratie van duurzaamheidsrisico’s ook gelden voor beleggingsmaatschappijen, rekening houdende met het evenredigheidsbeginsel.

(5)

Om een hoog niveau van beleggersbescherming aan te houden, moeten beheermaatschappijen, bij het bepalen van de soorten belangenconflicten die de belangen van een icbe kunnen schaden, ook belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan als gevolg van de integratie van duurzaamheidsrisico’s in hun processen, systemen en interne controles. Bij die conflicten kan het onder meer gaan om conflicten die voortvloeien uit de beloning of persoonlijke transacties van betrokken personeelsleden, belangenconflicten die aanleiding kunnen geven tot greenwashing, mis-selling of foutieve voorstelling van beleggingsstrategieën, en belangenconflicten tussen verschillende icbe’s die door dezelfde beheermaatschappij worden beheerd.

(6)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2088 zijn beheer- of beleggingsmaatschappijen die de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking moeten nemen, of die deze belangrijkste ongunstige effecten vrijwillig in aanmerking nemen, verplicht openbaar te maken hoe die belangrijkste ongunstige effecten in hun due-diligencebeleid in aanmerking worden genomen. Ter wille van de consistentie tussen Verordening (EU) 2019/2088 en Richtlijn 2010/43/EU moet die verplichting tot uiting komen in Richtlijn 2010/43/EU.

(7)

Richtlijn 2010/43/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2010/43/EU

Richtlijn 2010/43/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 3 worden de volgende punten 11 en 12 toegevoegd:

“11.

“duurzaamheidsrisico”: duurzaamheidsrisico in de zin van artikel 2, punt 22, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

12.

“duurzaamheidsfactoren”: duurzaamheidsfactoren in de zin van artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/2088.

(*1)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

2)

Aan artikel 4, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten zorgen ervoor dat beheermaatschappijen duurzaamheidsrisico’s in aanmerking nemen wanneer zij de in de eerste alinea vastgestelde verplichtingen in acht nemen.”.

3)

Aan artikel 5 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

“5.   De lidstaten zorgen ervoor dat beheermaatschappijen voor de in leden 1, 2 en 3 genoemde doeleinden de nodige middelen en deskundigheid behouden ten behoeve van de doeltreffende integratie van duurzaamheidsrisico’s.”.

4)

Het volgende artikel 5 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 5 bis

Verplichting voor beleggingsmaatschappijen om duurzaamheidsrisico’s in het beheer van icbe’s te integreren

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsmaatschappijen duurzaamheidsrisico’s in het beheer van icbe’s integreren, rekening houdende met de aard, schaal en complexiteit van het bedrijf van de beleggingsmaatschappijen.”.

5)

Aan artikel 9, lid 2, wordt het volgende punt g) toegevoegd:

“g)

verantwoordelijk is voor de integratie van duurzaamheidsrisico’s in de in de punten a) tot en met f) genoemde activiteiten.”.

6)

Aan artikel 17 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

“3.   De lidstaten zorgen ervoor dat beheermaatschappijen, wanneer zij de soorten belangenconflicten bepalen die de belangen van een icbe kunnen schaden, ook de belangenconflicten opnemen die kunnen ontstaan als gevolg van de integratie van duurzaamheidsrisico’s in hun processen, systemen en interne controles.”.

7)

Aan artikel 23 worden de volgende leden 5 en 6 toegevoegd:

“5.   “De lidstaten verplichten beheermaatschappijen duurzaamheidsrisico’s in aanmerking te nemen wanneer zij de in de leden 1 tot en met 4 vastgestelde vereisten in acht nemen.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer beheermaatschappijen of, in voorkomend geval, beleggingsmaatschappijen de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen zoals beschreven in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2019/2088 of zoals vereist door artikel 4, lid 3 of 4, van diezelfde verordening, die beheermaatschappijen of beleggingsmaatschappijen dergelijke belangrijkste ongunstige effecten in aanmerking nemen wanneer zij de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel vastgestelde verplichtingen in acht nemen.”.

8)

In artikel 38, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het risicobeheerbeleid omvat procedures die noodzakelijk zijn om de beheermaatschappij in staat te stellen voor elke icbe die zij beheert, de blootstelling aan markt-, liquiditeits-, duurzaamheids- en tegenpartijrisico’s te beoordelen, alsook de blootstelling van de icbe aan alle andere risico’s, inclusief operationele risico’s, die van wezenlijk belang kunnen zijn voor elke icbe die zij beheert.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 juli 2022 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 augustus 2022.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32.

(2)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(3)  COM(2019) 640 final.

(4)  COM(2018) 97 final.

(5)  SWD(2018) 264 final.

(6)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2010/43/EU van de Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft organisatorische eisen, belangenconflicten, bedrijfsvoering, risicobeheer en inhoud van de overeenkomst tussen een bewaarder en een beheermaatschappij (PB L 176 van 10.7.2010, blz. 42).


BESLUITEN

2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/145


BESLUIT (EU, Euratom) 2021/1271 VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

van 26 juli 2021

tot benoeming van de directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (1), en met name artikel 6, lid 3,

Gezien de lijst van kandidaten die op 15 juli 2021 na een openbare sollicitatieoproep werd voorgesteld door een selectiecomité dat is samengesteld uit de secretarissen-generaal van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met het oog op de benoeming van de directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 6, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wordt een Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen opgericht.

(2)

Artikel 6, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalt dat de directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen voor een periode van vijf jaar, die niet verlengd kan worden, in onderlinge overeenstemming en na een openbare sollicitatieoproep door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt benoemd, op basis van voorstellen van een selectiecomité dat is samengesteld uit de secretarissen-generaal van die drie instellingen,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De heer Pascal SCHONARD wordt benoemd tot directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen voor de periode van 1 september 2021 tot en met 31 augustus 2026.

2.   De directeur wordt aangesteld als tijdelijk functionaris in rang AD 12, salaristrap 1.

3.   De benoeming is onder voorbehoud van de ondertekening, door de voorgedragen directeur, van de bij dit besluit gevoegde verklaring betreffende onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

J. PODGORŠEK

Voor de Commissie

De vicevoorzitter

M. ŠEFČOVIČ


(1)   PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.


BIJLAGE

VERKLARING BETREFFENDE ONAFHANKELIJKHEID EN DE AFWEZIGHEID VAN BELANGENCONFLICTEN

Ik, ondergetekende ………………………………, verklaar kennis te hebben genomen van artikel 6, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en dat ik mijn functie als directeur van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (“de Autoriteit”) geheel onafhankelijk en volledig in overeenstemming met de voorschriften van die verordening zal uitoefenen. Wanneer ik namens de Autoriteit optreed, vraag noch aanvaard ik instructies van instellingen of regeringen, of van andere organen of instanties. Ik onthoud mij van iedere handeling die onverenigbaar is met de aard van mijn taken.

Ik verklaar dat ik, voor zover mij bekend, niet in een belangenconflict verwikkeld ben. Er is sprake van een belangenconflict wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functie van directeur van de Autoriteit in het gedrang komt als gevolg van familiebanden, persoonlijke levensstijl, politieke, nationale, filosofische of religieuze affiniteiten, economische belangen of andere gedeelde belangen met een ontvanger van financiering op grond van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. Ik verklaar met name dat ik geen lid ben van het Europees Parlement, dat ik geen kiezersmandaat heb en dat ik geen werknemer of voormalig werknemer ben van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting.

Gedaan te […],

[DATUM + HANDTEKENING van de voorgedragen directeur]


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/148


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1272 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2021

houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, van door de Staat Vaticaanstad afgegeven COVID-19-certificaten met de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (1), en met name artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2021/953 wordt een kader vastgesteld voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (“digitaal EU-covidcertificaat”), teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. Voorts helpt de verordening de geleidelijke en gecoördineerde opheffing door de lidstaten te faciliteren van de ingestelde beperkingen van het vrije verkeer, in overeenstemming met het Unierecht, teneinde de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken.

(2)

Verordening (EU) 2021/953 staat toe dat door derde landen aan burgers van de Unie en hun familieleden afgegeven COVID-19-certificaten worden aanvaard indien de Commissie van oordeel is dat die COVID-19-certificaten zijn afgegeven overeenkomstig normen die als gelijkwaardig moeten worden beschouwd met die welke op grond van die verordening zijn vastgesteld. Voorts moeten de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad (2) de regels van Verordening (EU) 2021/953 toepassen op onderdanen van derde landen die niet binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen, maar die legaal op hun grondgebied verblijven of wonen en overeenkomstig het Unierecht het recht hebben naar andere lidstaten te reizen. Daarom moeten alle in dit besluit vastgestelde gelijkwaardigheidsbevindingen van toepassing zijn op door de Staat Vaticaanstad aan burgers van de Unie en hun familieleden afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten. Evenzo gelden dergelijke gelijkwaardigheidsbevindingen op grond van Verordening (EU) 2021/954 ook voor COVID-19-vaccinatiecertificaten die de Staat Vaticaanstad onder de in die verordening vastgestelde voorwaarden afgeeft aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen.

(3)

Naar aanleiding van een verzoek van de Staat Vaticaanstad heeft de Commissie op 29 juni 2021 technische tests uitgevoerd waaruit bleek dat de door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig zijn “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten interoperabel zijn met het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader, zodat de echtheid, geldigheid en integriteit ervan kunnen worden gecontroleerd. De Commissie heeft ook bevestigd dat de door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig het “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten de nodige gegevens bevatten.

(4)

Op 9 juli 2021 heeft de Staat Vaticaanstad de Commissie gedetailleerde informatie verstrekt over de afgifte van interoperabele COVID-19-vaccinatiecertificaten overeenkomstig het systeem “VA-EUDCC-GW”. De Staat Vaticaanstad heeft de Commissie meegedeeld dat hij van oordeel was dat zijn COVID-19-vaccinatiecertificaten worden afgegeven volgens een norm en via een technologisch systeem die interoperabel zijn met het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader en waarmee de echtheid, geldigheid en integriteit van de certificaten kunnen worden geverifieerd. In dit verband heeft de Staat Vaticaanstad de Commissie meegedeeld dat de door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig het “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten de in de bijlage bij Verordening (EU) 2021/953 bedoelde gegevens bevatten.

(5)

Daarnaast heeft de Staat Vaticaanstad de Commissie meegedeeld dat het interoperabele vaccinatiecertificaten voor het COVID-19-vaccin Comirnaty zal afgeven.

(6)

De Staat Vaticaanstad heeft de Commissie ook meegedeeld dat het vaccinatie-, test- en herstelcertificaten zal aanvaarden die door de lidstaten zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953. De Staat Vaticaanstad heeft de Commissie meegedeeld dat het een bewijs van vaccinatie voor vaccins met een EU-brede vergunning zal aanvaarden (na advies van het Europees Geneesmiddelenbureau), vaccins waarvoor de bevoegde autoriteit van een EU-lidstaat een tijdelijke vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, en vaccins die de WHO-procedure voor noodtoelating hebben doorlopen. De Staat Vaticaanstad heeft de Commissie voorts meegedeeld dat het testcertificaten op basis van NAAT (bv. RT-PCR) en snelle antigeentests die in de lijst van het Gezondheidsbeveiligingscomité zijn opgenomen, zal aanvaarden. De Staat Vaticaanstad heeft de Commissie ook meegedeeld dat het herstelcertificaten op basis van NAAT (bv. RT-PCR) zal aanvaarden.

(7)

Op 22 juli 2021 heeft de Staat Vaticaanstad de Commissie ook meegedeeld dat bij de verificatie van door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 afgegeven vaccinatie-, test- en herstelcertificaten de in de certificaten opgenomen persoonsgegevens alleen zullen worden verwerkt om de vaccinatie, het testresultaat of het herstel van de houder te verifiëren en te bevestigen en daarna niet zullen worden bewaard.

(8)

Bijgevolg is voldaan aan de nodige elementen om vast te stellen dat door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig het “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten als gelijkwaardig moeten worden beschouwd met die welke overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven.

(9)

Daarom moeten door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig het “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten worden aanvaard onder de in artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) 2021/953 bedoelde voorwaarden.

(10)

Opdat dit besluit operationeel kan worden, moet de Staat Vaticaanstad worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten.

(11)

Ter bescherming van de belangen van de Unie, met name op het gebied van volksgezondheid, kan de Commissie gebruikmaken van haar bevoegdheden om dit besluit op te schorten of te beëindigen indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2021/953.

(12)

Aangezien de Staat Vaticaanstad zo snel mogelijk moet worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten, moet dit besluit in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 14 van Verordening (EU) 2021/953,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Door de Staat Vaticaanstad overeenkomstig het “VA-EUDCC-GW”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten worden, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, behandeld als gelijkwaardig met die welke zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953.

Artikel 2

De Staat Vaticaanstad wordt aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 24).


2.8.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 277/151


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1273 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2021

houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, van door San Marino afgegeven COVID-19-certificaten met de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (1), en met name artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2021/953 wordt een kader vastgesteld voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (“digitaal EU-covidcertificaat”), teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. Voorts helpt de verordening de geleidelijke en gecoördineerde opheffing door de lidstaten te faciliteren van de ingestelde beperkingen van het vrije verkeer, in overeenstemming met het Unierecht, teneinde de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken.

(2)

Verordening (EU) 2021/953 staat toe dat door derde landen aan burgers van de Unie en hun familieleden afgegeven COVID-19-certificaten worden aanvaard indien de Commissie van oordeel is dat die COVID-19-certificaten zijn afgegeven overeenkomstig normen die als gelijkwaardig moeten worden beschouwd met die welke op grond van die verordening zijn vastgesteld. Voorts moeten de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad (2) de regels van Verordening (EU) 2021/953 toepassen op onderdanen van derde landen die niet binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen, maar die legaal op hun grondgebied verblijven of wonen en overeenkomstig het Unierecht het recht hebben naar andere lidstaten te reizen. Daarom moeten alle in dit besluit vastgestelde gelijkwaardigheidsbevindingen van toepassing zijn op door San Marino aan burgers van de Unie en hun familieleden afgegeven COVID-19-vaccinatiecertificaten. Evenzo gelden dergelijke gelijkwaardigheidsbevindingen op grond van Verordening (EU) 2021/954 ook voor COVID-19-certificaten die San Marino onder de in die verordening vastgestelde voorwaarden afgeeft aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen.

(3)

Naar aanleiding van een verzoek van San Marino heeft de Commissie op 30 juni 2021 technische tests uitgevoerd waaruit bleek dat de door San Marino overeenkomstig zijn “SMDCC”-systeem (San Marino Digital Covid Certificate) afgegeven COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten interoperabel zijn met het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader, zodat de echtheid, geldigheid en integriteit ervan kunnen worden gecontroleerd. De Commissie heeft ook bevestigd dat de door San Marino overeenkomstig het “SMDCC”-systeem afgegeven COVID-19-certificaten de nodige gegevens bevatten.

(4)

Op 14 juli 2021 heeft San Marino de Commissie informatie verstrekt over de afgifte van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten overeenkomstig het “SMDCC”-systeem. San Marino heeft de Commissie meegedeeld dat het van oordeel was dat zijn COVID-19-certificaten worden afgegeven volgens een norm en via een technologisch systeem die interoperabel zijn met het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader en waarmee de echtheid, geldigheid en integriteit van de certificaten kunnen worden geverifieerd. In dit verband heeft San Marino de Commissie meegedeeld dat de door San Marino overeenkomstig het “SMDCC”-systeem afgegeven COVID-19-certificaten de in de bijlage bij Verordening (EU) 2021/953 bedoelde gegevens bevatten.

(5)

Daarnaast heeft San Marino de Commissie meegedeeld dat het interoperabele vaccinatiecertificaten voor het COVID-19-vaccins zal afgeven. Momenteel gaat het onder meer om Comirnaty, Moderna, Vaxzevria, Janssen en Sputnik V.

(6)

Voorts heeft San Marino de Commissie meegedeeld dat het alleen interoperabele testcertificaten zal afgeven voor nucleïnezuuramplificatietests of voor snelle antigeentests die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke en bijgewerkte lijst van snelle COVID-19-antigeentests die door het bij artikel 17 van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Gezondheidsbeveiligingscomité is goedgekeurd op basis van de aanbeveling van de Raad van 21 januari 2021 (4).

(7)

San Marino heeft de Commissie ook meegedeeld dat het vaccinatie-, test- en herstelcertificaten zal aanvaarden die door de lidstaten zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953. San Marino heeft de Commissie meegedeeld dat het een bewijs van vaccinatie voor vaccins met een EU-brede vergunning zal aanvaarden (na advies van het Europees Geneesmiddelenbureau), vaccins waarvoor de bevoegde autoriteit van een EU-lidstaat een tijdelijke vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, en vaccins die de WHO-procedure voor noodtoelating hebben doorlopen. San Marino heeft de Commissie voorts meegedeeld dat het testcertificaten op basis van NAAT (bv. RT-PCR) en snelle antigeentests die in de lijst van het Gezondheidsbeveiligingscomité zijn opgenomen, zal aanvaarden. San Marino zal herstelcertificaten op basis van NAAT (bv. RT-PCR) aanvaarden.

(8)

Op 22 juli 2021 heeft San Marino de Commissie ook meegedeeld dat bij de verificatie van door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 afgegeven vaccinatie-, test- en herstelcertificaten de in de certificaten opgenomen persoonsgegevens alleen zullen worden verwerkt om de vaccinatie, het testresultaat of het herstel van de houder te verifiëren en te bevestigen en daarna niet zullen worden bewaard.

(9)

Bijgevolg is voldaan aan de nodige elementen om vast te stellen dat door San Marino overeenkomstig het “SMDCC”-systeem afgegeven COVID-19-certificaten als gelijkwaardig moeten worden beschouwd met die welke overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven.

(10)

Daarom moeten de door San Marino overeenkomstig het “SMDCC”-systeem afgegeven COVID-19-certificaten worden aanvaard onder de voorwaarden van artikel 5, lid 5, artikel 6, lid 5, en artikel 7, lid 8, van Verordening (EU) 2021/953.

(11)

Opdat dit besluit operationeel kan worden, moet San Marino worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten.

(12)

Ter bescherming van de belangen van de Unie, met name op het gebied van volksgezondheid, kan de Commissie gebruikmaken van haar bevoegdheden om dit besluit op te schorten of te beëindigen indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2021/953.

(13)

Aangezien San Marino zo snel mogelijk moet worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten, moet dit besluit in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(14)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 14 van Verordening (EU) 2021/953,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Door San Marino overeenkomstig het “SMDCC”-systeem afgegeven COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten worden, teneinde het recht van vrij verkeer binnen de Unie te faciliteren, behandeld als gelijkwaardig met die welke zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953.

Artikel 2

San Marino wordt aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-covidcertificaten.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2021.

Voor de Commissies

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2021/954 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) ten aanzien van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven of wonen tijdens de COVID-19-pandemie (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 24).

(3)  Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).

(4)  Aanbeveling van de Raad van 21 januari 2021 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het gebruik en de validering van snelle antigeentests en de wederzijdse erkenning van COVID-19-testresultaten in de EU (PB C 24 van 22.1.2021, blz. 1).