|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
64e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1087 VAN DE COMMISSIE
van 7 april 2021
tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 19, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Andere dan onbemande luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur moeten voldoen aan de eisen inzake milieubescherming. Verordening (EU) 2018/1139 voorziet in deze eisen door te verwijzen naar specifieke bepalingen van het Verdrag van Chicago, waarin die eisen zijn opgenomen. |
|
(2) |
Op 11 maart 2020 heeft de ICAO-Raad, tijdens de vijfde vergadering van zijn 219e zitting, wijziging 13 van ICAO-bijlage 16, volume I “Geluidsemissies van luchtvaartuigen” van het Verdrag van Chicago, wijziging 10 van volume II “Emissies van luchtvaartuigmotoren” van het Verdrag van Chicago en wijziging 1 van volume III “CO2-emissies van vliegtuigen” van het Verdrag van Chicago aangenomen. Deze wijzigingen zijn op 1 januari 2021 in werking getreden en van toepassing geworden op alle lidstaten. |
|
(3) |
De verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago moeten derhalve worden geactualiseerd en Verordening (EU) 2018/1139 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op Advies nr. 03/2020 van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), overeenkomstig artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 9, lid 2 van Verordening (EU) 2018/1139 wordt de eerste alinea vervangen door:
“Wat betreft geluid en emissies voldoen deze luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur aan de eisen inzake milieubescherming als vervat in wijziging 13 van volume I, in wijziging 10 van volume II, en in wijziging 1 van volume III, alle als toepasselijk op 1 januari 2021, van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago.”.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 april 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/3 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1088 VAN DE COMMISSIE
van 7 april 2021
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de milieubeschermingseisen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 19, leden 1 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 7 april 2021 heeft de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1087 (2) tot actualisering van de verwijzingen naar het Verdrag van Chicago vastgesteld; deze verordening bevat de milieubeschermingseisen. |
|
(2) |
Andere dan onbemande luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur moeten met ingang van 1 januari 2021 voldoen aan die eisen inzake milieubescherming. |
|
(3) |
De verwijzingen naar de milieubeschermingseisen in Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (3) moeten worden geactualiseerd. |
|
(4) |
Verordening (EU) nr. 748/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op Advies nr. 03/2020 van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), overeenkomstig artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) nr. 748/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 9 wordt lid 4 vervangen door: “4. Bij wijze van uitzondering op lid 1 mag de productieorganisatie bij de bevoegde autoriteit een afwijking aanvragen van de milieubeschermingseisen die vermeld zijn in artikel 9, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) 2018/1139.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 april 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1087 van de Commissie van 7 april 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).
(3) Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).
BIJLAGE
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In 21.A.130, punt b), wordt punt 4 vervangen door:
|
|
2) |
In 21.A.145, punt b), worden de inleidende zin en punt 1 vervangen door:
|
|
3) |
In 21.A.147 wordt punt a) vervangen door:
|
|
4) |
In 21.A.801 wordt punt a) vervangen door:
|
|
5) |
Punt 21.B.85 wordt vervangen door: “21.B.85 Aanduiding van de toepasselijke milieubeschermingseisen voor een typecertificaat of beperkt typecertificaat
|
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/7 |
VERORDENING (EU) 2021/1089 VAN DE COMMISSIE
van 30 juni 2021
tot vaststelling van een sluiting van de visserij op zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 voor vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2021/92 van de Raad (2) zijn quota voor 2021 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit de door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 door vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in Frankrijk, het voor 2021 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moeten bepaalde visserijactiviteiten met betrekking tot dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het vangstquotum dat voor 2021 is toegewezen aan Frankrijk voor het in de bijlage vermelde bestand van zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
1. Met ingang van de in de bijlage opgenomen datum is het voor vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in Frankrijk, verboden te vissen op het in artikel 1 bedoelde bestand. Het is met name verboden naar vis te zoeken en vistuig te water te laten, uit te zetten of op te halen voor het bevissen van dat bestand.
2. Het blijft toegestaan vis en visserijproducten van vangsten uit dat bestand die vóór die datum door die vaartuigen zijn gevangen, over te laden, aan boord te houden, aan boord te verwerken, over te brengen, te kooien, vet te mesten en aan te landen.
3. Door die vaartuigen verrichte onbedoelde vangsten van soorten uit dat bestand worden overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) aan boord van de vissersvaartuigen gebracht en gehouden, geregistreerd, aangeland en in mindering gebracht op de quota.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 juni 2021.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2021/92 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 31 van 29.1.2021, blz. 31).
(3) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
BIJLAGE
|
Nr. |
08/TQ92 |
|
Lidstaat |
Frankrijk |
|
Bestand |
ANF/8C3411 |
|
Soort |
Zeeduivel (Lophiidae) |
|
Gebied |
8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 |
|
Datum van sluiting |
3.6.2021 |
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/10 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1090 VAN DE COMMISSIE
van 2 juli 2021
tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 71, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord. |
|
(2) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (2) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest die door de in bijlage I bij die verordening vermelde lidstaten (de “betrokken lidstaten”) gedurende een beperkte periode in de in die bijlage vermelde beperkingszones I, II en III moeten worden toegepast. |
|
(3) |
De in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III opgenomen gebieden zijn opgenomen op basis van de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie. Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 van de Commissie (3), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Polen en Slowakije. |
|
(4) |
Bij eventuele wijzigingen van beperkingszones I, II en III in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden uitgegaan van de epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de gebieden die door die ziekte zijn getroffen en de algemene epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de desbetreffende lidstaat, het risiconiveau ten aanzien van de verdere verspreiding van die ziekte, de wetenschappelijk gefundeerde beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van zones ten aanzien van Afrikaanse varkenspest en de met de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders overeengekomen richtsnoeren van de Unie, die openbaar beschikbaar zijn op de website van de Commissie (4). Bij dergelijke wijzigingen moet ook rekening worden gehouden met internationale normen, zoals de Gezondheidscode voor landdieren (5) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten verstrekte motiveringen voor de zonering. |
|
(5) |
Sinds de datum waarop Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 is vastgesteld, hebben zich nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens voorgedaan in Polen en Slowakije. |
|
(6) |
In juni 2021 zijn verscheidene uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in de districten Kępno (powiat kępiński), Wieruszów (powiat wieruszowski) en Łódź Oost (powiat łódzki wschodni) in Polen, in gebieden die momenteel niet in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 zijn opgenomen. Door deze nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten deze niet in die bijlage opgenomen gebieden van Polen die door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone III worden opgenomen. |
|
(7) |
Bovendien is in juni 2021 een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Mielec (powiat mielecki) in Polen, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Polen dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage worden opgenomen als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II, en moeten de huidige grenzen van de beperkingszones I en II ook opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met deze recente uitbraak. |
|
(8) |
Voorts is in juni 2021 een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Lučenec in Slowakije, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Slowakije dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage worden opgenomen als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II, en moeten de huidige grenzen van de beperkingszones I en II ook opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met deze recente uitbraak. |
|
(9) |
Naar aanleiding van die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in Polen en Slowakije, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat Afrikaanse varkenspest betreft, is de zonering in die lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605. |
|
(10) |
Om rekening te houden met recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moeten voor Polen en Slowakije nieuwe beperkingszones van voldoende omvang worden afgebakend en in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III worden opgenomen. Aangezien de situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de Unie zeer dynamisch is, is bij de afbakening van die nieuwe beperkingszones rekening gehouden met de situatie in de omliggende gebieden. |
|
(11) |
Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die door middel van deze uitvoeringsverordening worden aangebracht in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, zo spoedig mogelijk in werking treden. |
|
(12) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 van de Commissie van 18 juni 2021 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 219 van 21.6.2021, blz. 1).
(4) Werkdocument SANTE/7112/2015/Rev. 3 “Principles and criteria for geographically defining ASF regionalisation” (Beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van een regionalisering ten aanzien van Afrikaanse varkenspest); https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/asf_en
(5) Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, 28e editie, 2019. ISBN van volume I: 978-92-95108-85-1; ISBN van volume II: 978-92-95108-86-8; https://www.oie.int/standard-setting/terrestrial-code/access-online/
BIJLAGE
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door:
“BIJLAGE I
BEPERKINGSZONES
DEEL I
1. Duitsland
De volgende beperkingszones I in Duitsland:
|
Bundesland Brandenburg:
|
|
Bundesland Sachsen:
|
2. Estland
De volgende beperkingszones I in Estland:
|
— |
Hiiu maakond. |
3. Griekenland
De volgende beperkingszones I in Griekenland:
|
— |
in the regional unit of Drama:
|
|
— |
in the regional unit of Xanthi:
|
|
— |
in the regional unit of Rodopi:
|
|
— |
in the regional unit of Evros:
|
|
— |
in the regional unit of Serres:
|
4. Letland
De volgende beperkingszones I in Letland:
|
— |
Pāvilostas novada Vērgales pagasts, |
|
— |
Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, |
|
— |
Grobiņas novada Medzes, Grobiņas un Gaviezes pagasts. Grobiņas pilsēta, |
|
— |
Rucavas novada Rucavas pagasts, |
|
— |
Nīcas novads. |
5. Litouwen
De volgende beperkingszones I in Litouwen:
|
— |
Klaipėdos rajono savivaldybė: Agluonėnų, Dovilų, Gargždų, Priekulės, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos, |
|
— |
Palangos miesto savivaldybė. |
6. Hongarije
De volgende beperkingszones I in Hongarije:
|
— |
Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe, |
|
— |
Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403250, 403350, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404570, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950, |
|
— |
406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Győr-Moson-Sopron megye 100550, 100650, 100950, 101050, 101350, 101450, 101550, 101560 és 102150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251650, 251750, 251850, 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe. |
7. Polen
De volgende beperkingszones I in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie podlaskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
|
w województwie świętokrzyskim:
|
|
w województwie łódzkim:
|
|
w województwie pomorskim:
|
|
w województwie lubuskim:
|
|
w województwie dolnośląskim:
|
|
w województwie wielkopolskim:
|
|
w województwie opolskim:
|
|
w województwie zachodniopomorskim:
|
8. Slowakije
De volgende beperkingszones I in Slowakije:
|
— |
the whole district of Snina, |
|
— |
the whole district of Medzilaborce |
|
— |
the whole district of Stropkov |
|
— |
the whole district of Svidník, except municipalities included in part II, |
|
— |
the whole district of whole Kežmarok, |
|
— |
in the district of Veľký Krtíš, the municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká nad Ipľom, Hrušov, Kleňany, Sečianky, |
|
— |
in the district of Levice, the municipalities of Ipeľské Úľany, Plášťovce, Dolné Túrovce, Stredné Túrovce, Šahy, Tešmak, |
|
— |
the whole district of Krupina, except municipalities included in part II, |
|
— |
the whole district of Banska Bystrica, except municipalities included in part II, |
|
— |
In the district of Liptovsky Mikulas – municipalities of Pribylina, Jamník, Svatý Štefan, Konská, Jakubovany, Liptovský Ondrej, Beňadiková, Vavrišovo, Liptovská Kokava, Liptovský Peter, Dovalovo, Hybe, Liptovský Hrádok, Važec, Východná, Kráľova Lehota, Nižná Boca, Vyšná Boca, Malužiná, Liptovská Porúbka, Liptovský Ján, Uhorská Ves, Podtureň, Závažná Poruba, Liptovský Mikuláš, Pavčina Lehota, Demänovská Dolina, Gôtovany, Galovany, Svätý Kríž, Lazisko, Dúbrava, Malatíny, Liptovské Vlachy, Liptovské Kľačany, Partizánska Ľupča, Kráľovská Ľubeľa, Zemianska Ľubeľa, |
|
— |
In the district of Ružomberok, the municipalities of Liptovská Lužná, Liptovská Osada, Podsuchá, Ludrová, Štiavnička, Liptovská Štiavnica, Nižný Sliač, Liptovské Sliače, |
|
— |
the whole district of Banska Stiavnica, |
|
— |
the whole district of Žiar nad Hronom. |
DEEL II
1. Bulgarije
De volgende beperkingszones II in Bulgarije:
|
— |
the whole region of Haskovo, |
|
— |
the whole region of Yambol, |
|
— |
the whole region of Stara Zagora, |
|
— |
the whole region of Pernik, |
|
— |
the whole region of Kyustendil, |
|
— |
the whole region of Plovdiv, |
|
— |
the whole region of Pazardzhik, |
|
— |
the whole region of Smolyan, |
|
— |
the whole region of Dobrich, |
|
— |
the whole region of Sofia city, |
|
— |
the whole region of Sofia Province, |
|
— |
the whole region of Blagoevgrad, |
|
— |
the whole region of Razgrad, |
|
— |
the whole region of Kardzhali, |
|
— |
the whole region of Burgas excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Varna excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Silistra, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Ruse, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Veliko Tarnovo, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Pleven, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Targovishte, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Shumen, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Sliven, excluding the areas in Part III, |
|
— |
the whole region of Vidin, excluding the areas in Part III. |
2. Duitsland
De volgende beperkingszones II in Duitsland:
|
Bundesland Brandenburg:
|
|
Bundesland Sachsen:
|
3. Estland
De volgende beperkingszones II in Estland:
|
— |
Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond). |
4. Letland
De volgende beperkingszones II in Letland:
|
— |
Ādažu novads, |
|
— |
Aizputes novada Aizputes, Cīravas un Lažas pagasts, Kalvenes pagasta daļa uz rietumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz dienvidiem no autoceļa A9, uz rietumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz rietumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, Aizputes pilsēta, |
|
— |
Aglonas novads, |
|
— |
Aizkraukles novads, |
|
— |
Aknīstes novads, |
|
— |
Alojas novads, |
|
— |
Alsungas novads, |
|
— |
Alūksnes novads, |
|
— |
Amatas novads, |
|
— |
Apes novads, |
|
— |
Auces novads, |
|
— |
Babītes novads, |
|
— |
Baldones novads, |
|
— |
Baltinavas novads, |
|
— |
Balvu novads, |
|
— |
Bauskas novads, |
|
— |
Beverīnas novads, |
|
— |
Brocēnu novads, |
|
— |
Burtnieku novads, |
|
— |
Carnikavas novads, |
|
— |
Cēsu novads |
|
— |
Cesvaines novads, |
|
— |
Ciblas novads, |
|
— |
Dagdas novads, |
|
— |
Daugavpils novads, |
|
— |
Dobeles novads, |
|
— |
Dundagas novads, |
|
— |
Durbes novads, |
|
— |
Engures novads, |
|
— |
Ērgļu novads, |
|
— |
Garkalnes novads, |
|
— |
Grobiņas novada Bārtas pagasts, |
|
— |
Gulbenes novads, |
|
— |
Iecavas novads, |
|
— |
Ikšķiles novads, |
|
— |
Ilūkstes novads, |
|
— |
Inčukalna novads, |
|
— |
Jaunjelgavas novads, |
|
— |
Jaunpiebalgas novads, |
|
— |
Jaunpils novads, |
|
— |
Jēkabpils novads, |
|
— |
Jelgavas novads, |
|
— |
Kandavas novads, |
|
— |
Kārsavas novads, |
|
— |
Ķeguma novads, |
|
— |
Ķekavas novads, |
|
— |
Kocēnu novads, |
|
— |
Kokneses novads, |
|
— |
Krāslavas novads, |
|
— |
Krimuldas novads, |
|
— |
Krustpils novads, |
|
— |
Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1296, Padures, Rumbas, Rendas, Kabiles, Vārmes, Pelču, Ēdoles, Īvandes, Kurmāles, Turlavas, Gudenieku un Snēpeles pagasts, Kuldīgas pilsēta, |
|
— |
Lielvārdes novads, |
|
— |
Līgatnes novads, |
|
— |
Limbažu novads, |
|
— |
Līvānu novads, |
|
— |
Lubānas novads, |
|
— |
Ludzas novads, |
|
— |
Madonas novads, |
|
— |
Mālpils novads, |
|
— |
Mārupes novads, |
|
— |
Mazsalacas novads, |
|
— |
Mērsraga novads, |
|
— |
Naukšēnu novads, |
|
— |
Neretas novads, |
|
— |
Ogres novads, |
|
— |
Olaines novads, |
|
— |
Ozolnieku novads, |
|
— |
Pārgaujas novads, |
|
— |
Pāvilostas novada Sakas pagasts, Pāvilostas pilsēta, |
|
— |
Pļaviņu novads, |
|
— |
Preiļu novads, |
|
— |
Priekules novads, |
|
— |
Priekuļu novads, |
|
— |
Raunas novads, |
|
— |
republikas pilsēta Daugavpils, |
|
— |
republikas pilsēta Jelgava, |
|
— |
republikas pilsēta Jēkabpils, |
|
— |
republikas pilsēta Jūrmala, |
|
— |
republikas pilsēta Rēzekne, |
|
— |
republikas pilsēta Valmiera, |
|
— |
Rēzeknes novads, |
|
— |
Riebiņu novads, |
|
— |
Rojas novads, |
|
— |
Ropažu novads, |
|
— |
Rucavas novada Dunikas pagasts, |
|
— |
Rugāju novads, |
|
— |
Rundāles novads, |
|
— |
Rūjienas novads, |
|
— |
Salacgrīvas novads, |
|
— |
Salas novads, |
|
— |
Salaspils novads, |
|
— |
Saldus novads, |
|
— |
Saulkrastu novads, |
|
— |
Sējas novads, |
|
— |
Siguldas novads, |
|
— |
Skrīveru novads, |
|
— |
Skrundas novada Raņķu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes, |
|
— |
Smiltenes novads, |
|
— |
Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, |
|
— |
Strenču novads, |
|
— |
Talsu novads, |
|
— |
Tērvetes novads, |
|
— |
Tukuma novads, |
|
— |
Vaiņodes novada Vaiņodes pagasts un Embūtes pagasta daļa uz dienvidiem autoceļa P116, P106, |
|
— |
Valkas novads, |
|
— |
Varakļānu novads, |
|
— |
Vārkavas novads, |
|
— |
Vecpiebalgas novads, |
|
— |
Vecumnieku novads, |
|
— |
Ventspils novads, |
|
— |
Viesītes novads, |
|
— |
Viļakas novads, |
|
— |
Viļānu novads, |
|
— |
Zilupes novads. |
5. Litouwen
De volgende beperkingszones II in Litouwen:
|
— |
Alytaus miesto savivaldybė, |
|
— |
Alytaus rajono savivaldybė, |
|
— |
Anykščių rajono savivaldybė, |
|
— |
Akmenės rajono savivaldybė, |
|
— |
Birštono savivaldybė, |
|
— |
Biržų miesto savivaldybė, |
|
— |
Biržų rajono savivaldybė, |
|
— |
Druskininkų savivaldybė, |
|
— |
Elektrėnų savivaldybė, |
|
— |
Ignalinos rajono savivaldybė, |
|
— |
Jonavos rajono savivaldybė, |
|
— |
Joniškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Jurbarko rajono savivaldybė: Eržvilko, Girdžių, Jurbarko miesto, Jurbarkų, Raudonės, Šimkaičių, Skirsnemunės, Smalininkų, Veliuonos ir Viešvilės seniūnijos, |
|
— |
Kaišiadorių rajono savivaldybė, |
|
— |
Kalvarijos savivaldybė, |
|
— |
Kauno miesto savivaldybė, |
|
— |
Kauno rajono savivaldybė: Akademijos, Alšėnų, Batniavos, Ežerėlio, Domeikavos, Garliavos, Garliavos apylinkių, Karmėlavos, Kulautuvos, Lapių, Linksmakalnio, Neveronių, Raudondvario, Ringaudų, Rokų, Samylų, Taurakiemio, Vandžiogalos, Užliedžių, Vilkijos, ir Zapyškio seniūnijos, Babtų seniūnijos dalis į rytus nuo kelio A1, ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio Nr. 1907, |
|
— |
Kazlų rūdos savivaldybė, |
|
— |
Kelmės rajono savivaldybė, |
|
— |
Kėdainių rajono savivaldybė: Dotnuvos, Gudžiūnų, Kėdainių miesto, Krakių, Pelėdnagių, Surviliškio, Šėtos, Truskavos, Vilainių ir Josvainių seniūnijos dalis į šiaurę ir rytus nuo kelio Nr. 229 ir Nr. 2032, |
|
— |
Klaipėdos rajono savivaldybė: Judrėnų, Endriejavo ir Veiviržėnų seniūnijos, |
|
— |
Kupiškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Kretingos rajono savivaldybė, |
|
— |
Lazdijų rajono savivaldybė, |
|
— |
Marijampolės savivaldybė, |
|
— |
Mažeikių rajono savivaldybė, |
|
— |
Molėtų rajono savivaldybė, |
|
— |
Pagėgių savivaldybė, |
|
— |
Pakruojo rajono savivaldybė, |
|
— |
Panevėžio rajono savivaldybė, |
|
— |
Panevėžio miesto savivaldybė, |
|
— |
Pasvalio rajono savivaldybė, |
|
— |
Radviliškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Rietavo savivaldybė, |
|
— |
Prienų rajono savivaldybė, |
|
— |
Plungės rajono savivaldybė: Žlibinų, Stalgėnų, Nausodžio, Plungės miesto, Šateikių ir Kulių seniūnijos, |
|
— |
Raseinių rajono savivaldybė: Betygalos, Girkalnio, Kalnujų, Nemakščių, Pagojukų, Paliepių, Raseinių miesto, Raseinių, Šiluvos, Viduklės seniūnijos, |
|
— |
Rokiškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Skuodo rajono savivaldybės: Aleksandrijos, Ylakių, Lenkimų, Mosėdžio, Skuodo ir Skuodo miesto seniūnijos, |
|
— |
Šakių rajono savivaldybė, |
|
— |
Šalčininkų rajono savivaldybė, |
|
— |
Šiaulių miesto savivaldybė, |
|
— |
Šiaulių rajono savivaldybė, |
|
— |
Šilutės rajono savivaldybė, |
|
— |
Širvintų rajono savivaldybė, |
|
— |
Šilalės rajono savivaldybė, |
|
— |
Švenčionių rajono savivaldybė, |
|
— |
Tauragės rajono savivaldybė, |
|
— |
Telšių rajono savivaldybė, |
|
— |
Trakų rajono savivaldybė, |
|
— |
Ukmergės rajono savivaldybė, |
|
— |
Utenos rajono savivaldybė, |
|
— |
Varėnos rajono savivaldybė, |
|
— |
Vilniaus miesto savivaldybė, |
|
— |
Vilniaus rajono savivaldybė, |
|
— |
Vilkaviškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Visagino savivaldybė, |
|
— |
Zarasų rajono savivaldybė. |
6. Hongarije
De volgende beperkingszones II in Hongarije:
|
— |
Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe, |
|
— |
Fejér megye 403150, 403160, 403260, 404250, 404550, 404560, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe, |
|
— |
Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe, |
|
— |
Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Komárom-Esztergom megye: 250350, 250850, 250950, 251450, 251550, 251950, 252050, 252150, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe. |
7. Polen
De volgende beperkingszones II in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie podlaskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie lubelskim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
|
w województwie pomorskim:
|
|
w województwie świętokrzyskim:
|
|
w województwie lubuskim:
|
|
w województwie dolnośląskim:
|
|
w województwie wielkopolskim:
|
|
w województwie łódzkim:
|
|
w województwie zachodniopomorskim:
|
8. Slowakije
De volgende beperkingszones II in Slowakije:
|
— |
the whole district of Gelnica, |
|
— |
the whole district of Poprad |
|
— |
the whole district of Spišská Nová Ves, |
|
— |
the whole district of Levoča, |
|
— |
in the whole district of Michalovce, |
|
— |
the whole district of Košice-okolie, |
|
— |
the whole district of Rožnava, |
|
— |
the whole city of Košice, |
|
— |
the whole district of Sobrance, |
|
— |
the whole district of Vranov nad Topľou, |
|
— |
the whole district of Humenné, |
|
— |
the whole district of Prešov, |
|
— |
in the whole district of Sabinov, |
|
— |
in the district of Svidník, the whole municipalities of Dukovce, Želmanovce, Kuková, Kalnište, Lužany pri Ondave, Lúčka, Giraltovce, Kračúnovce, Železník, Kobylince, Mičakovce, |
|
— |
the whole district of Bardejov, |
|
— |
the whole district of Stará Ľubovňa, |
|
— |
the whole district of Revúca, |
|
— |
the whole district of Rimavská Sobota, |
|
— |
in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities not included in part I |
|
— |
the whole district of Lučenec, |
|
— |
the whole district of Poltár |
|
— |
the whole district of Zvolen, |
|
— |
the whole district of Detva, |
|
— |
in the district of Krupina the whole municipalities of Senohrad, Horné Mladonice, Dolné Mladonice, Čekovce, Lackov, |
|
— |
In the district of Banska Bystica, the whole municipalites of Kremnička, Malachov, Badín, Vlkanová, Hronsek, Horná Mičiná, Dolná Mičiná, Môlča Oravce, Čačín, Čerín, Bečov, Sebedín, Dúbravica, Hrochoť, Poniky, Strelníky, Povrazník, Ľubietová, Brusno, Banská Bystrica, |
|
— |
the whole district of Brezno. |
DEEL III
1. Bulgarije
De volgende beperkingszones III in Bulgarije:
|
— |
the whole region of Gabrovo, |
|
— |
the whole region of Lovech, |
|
— |
the whole region of Montana, |
|
— |
the Pleven region:
|
|
— |
the Ruse region:
|
|
— |
the Shumen region:
|
|
— |
the Silistra region:
|
|
— |
the Sliven region:
|
|
— |
the Targovishte region:
|
|
— |
the Vidin region,
|
|
— |
the Veliko Tarnovo region:
|
|
— |
the whole region of Vratza, |
|
— |
in Varna region:
|
|
— |
in Burgas region:
|
2. Italië
De volgende beperkingszones III in Italië:
|
— |
tutto il territorio della Sardegna. |
3. Letland
De volgende beperkingszones III in Letland:
|
— |
Aizputes novada Kalvenes pagasta daļa uz austrumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz ziemeļiem no autoceļa A9, uz austrumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz austrumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, |
|
— |
Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1296, |
|
— |
Skrundas novada Rudbāržu, Nīkrāces pagasts, Raņķu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasts (izņemot pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes), Skrundas pilsēta, |
|
— |
Vaiņodes novada Embūtes pagasta daļa uz ziemeļiem autoceļa P116, P106. |
4. Litouwen
De volgende beperkingszones III in Litouwen:
|
— |
Jurbarko rajono savivaldybė: Seredžiaus ir Juodaičių seniūnijos, |
|
— |
Kauno rajono savivaldybė: Čekiškės seniūnija, Babtų seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio A1ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į rytus nuo kelio Nr. 1907, |
|
— |
Kėdainių rajono savivaldybė: Pernaravos seniūnija ir Josvainių seniūnijos pietvakarinė dalis tarp kelio Nr. 229 ir Nr. 2032, |
|
— |
Plungės rajono savivaldybė: Alsėdžių, Babrungo, Paukštakių, Platelių ir Žemaičių Kalvarijos seniūnijos, |
|
— |
Raseinių rajono savivaldybė: Ariogalos ir Ariogalos miesto seniūnijos, |
|
— |
Skuodo rajono savivaldybės: Barstyčių, Notėnų ir Šačių seniūnijos. |
5. Polen
De volgende beperkingszones III in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie lubelskim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
|
w województwie lubuskim:
|
|
w województwie wielkopolskim:
|
|
w województwie świętokrzyskim:
|
|
w województwie łódzkim:
|
|
w województwie opolskim:
|
6. Roemenië
De volgende beperkingszones III in Roemenië:
|
— |
Zona orașului București, |
|
— |
Județul Constanța, |
|
— |
Județul Satu Mare, |
|
— |
Județul Tulcea, |
|
— |
Județul Bacău, |
|
— |
Județul Bihor, |
|
— |
Județul Bistrița Năsăud, |
|
— |
Județul Brăila, |
|
— |
Județul Buzău, |
|
— |
Județul Călărași, |
|
— |
Județul Dâmbovița, |
|
— |
Județul Galați, |
|
— |
Județul Giurgiu, |
|
— |
Județul Ialomița, |
|
— |
Județul Ilfov, |
|
— |
Județul Prahova, |
|
— |
Județul Sălaj, |
|
— |
Județul Suceava |
|
— |
Județul Vaslui, |
|
— |
Județul Vrancea, |
|
— |
Județul Teleorman, |
|
— |
Judeţul Mehedinţi, |
|
— |
Județul Gorj, |
|
— |
Județul Argeș, |
|
— |
Judeţul Olt, |
|
— |
Judeţul Dolj, |
|
— |
Județul Arad, |
|
— |
Județul Timiș, |
|
— |
Județul Covasna, |
|
— |
Județul Brașov, |
|
— |
Județul Botoșani, |
|
— |
Județul Vâlcea, |
|
— |
Județul Iași, |
|
— |
Județul Hunedoara, |
|
— |
Județul Alba, |
|
— |
Județul Sibiu, |
|
— |
Județul Caraș-Severin, |
|
— |
Județul Neamț, |
|
— |
Județul Harghita, |
|
— |
Județul Mureș, |
|
— |
Județul Cluj, |
|
— |
Județul Maramureş. |
7. Slowakije
De volgende beperkingszones III in Slowakije:
|
— |
In the district of Lučenec: Lučenec a jeho časti, Panické Dravce, Mikušovce, Pinciná, Holiša, Vidiná, Boľkovce, Trebeľovce, Halič, Stará Halič, Tomášovce, Trenč, Veľká nad Ipľom, Buzitka, Prša, Nitra nad Ipľom, Mašková, Lehôtka, Kalonda, Jelšovec, Ľuboreč, Fiľakovské Kováče, Lipovany, Mučín, Rapovce, Lupoč, Gregorova Vieska, Praha, |
|
— |
In the district of Poltár: Kalinovo, Veľká Ves, |
|
— |
the whole district of Trebišov”. |
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/47 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1091 VAN DE COMMISSIE
van 2 juli 2021
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (1), en met name artikel 16,
Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2), en met name artikel 13,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie (3) heeft de Commissie de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (4) ingestelde vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten verlengd. |
|
(2) |
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie bevat een schrijffout. Hoewel het totaal van de tariefcontingenten voor categorie 4 correct was, was de opsplitsing tussen de categorieën 4A en 4B en die tussen landenspecifieke en residuele tariefcontingenten niet correct. |
|
(3) |
De Commissie is van mening dat deze fout moet worden gecorrigeerd om een passende toewijzing van de tariefcontingenten mogelijk te maken, en wel met ingang van 1 juli 2021. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 respectievelijk artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het deel van tabel IV.1 met de titel “Omvang tariefcontingenten” met betrekking tot de productcategorieën 4A en 4B in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie wordt vervangen door de tabel in bijlage I.
Artikel 2
Het deel van tabel IV.2 met de titel “Omvang globale tariefcontingenten per kwartaal” met betrekking tot de productcategorieën 4A en 4B in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie wordt vervangen door de tabel in bijlage II.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 juli 2021.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16.
(2) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen (PB L 225I van 25.6.2021, blz. 1).
BIJLAGE I
|
“4.A |
Metallisch beklede bladen |
Taric-codes: 7210 41 00 20, 7210 41 00 30, 7210 49 00 20, 7210 49 00 30, 7210 61 00 20, 7210 61 00 30, 7210 69 00 20, 7210 69 00 30, 7212 30 00 20, 7212 30 00 30, 7212 50 61 20, 7212 50 61 30, 7212 50 69 20, 7212 50 69 30, 7225 92 00 20, 7225 92 00 30, 7225 99 00 11, 7225 99 00 22, 7225 99 00 23, 7225 99 00 41, 7225 99 00 45, 7225 99 00 91, 7225 99 00 92, 7225 99 00 93, 7226 99 30 10, 7226 99 30 30, 7226 99 70 11, 7226 99 70 13, 7226 99 70 91, 7226 99 70 93, 7226 99 70 94 |
Korea (Republiek) |
34 726,32 |
34 726,32 |
33 971,40 |
34 348,86 |
35 768,11 |
35 768,11 |
34 990,54 |
35 379,32 |
36 841,15 |
36 841,15 |
36 040,26 |
36 440,70 |
25 % |
09.8816 |
|
India |
49 638,36 |
49 638,36 |
48 559,27 |
49 098,82 |
51 127,51 |
51 127,51 |
50 016,05 |
50 571,78 |
52 661,34 |
52 661,34 |
51 516,53 |
52 088,93 |
25 % |
09.8817 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
32 719,56 |
32 719,56 |
32 008,27 |
32 363,92 |
33 701,15 |
33 701,15 |
32 968,52 |
33 334,83 |
34 712,19 |
34 712,19 |
33 957,57 |
34 334,88 |
25 % |
09.8979 |
|||
|
Andere landen |
439 629,02 |
439 629,02 |
430 071,87 |
434 850,45 |
452 817,89 |
452 817,89 |
442 974,02 |
447 895,96 |
466 402,42 |
466 402,42 |
456 263,24 |
461 332,84 |
25 % |
||||
|
4.B |
GN-codes: 7210 20 00 , 7210 30 00 , 7210 90 80 , 7212 20 00 , 7212 50 20 , 7212 50 30 , 7212 50 40 , 7212 50 90 , 7225 91 00 , 7226 99 10 Taric-codes: 7210 41 00 80, 7210 49 00 80, 7210 61 00 80, 7210 69 00 80, 7212 30 00 80, 7212 50 61 80, 7212 50 69 80, 7225 92 00 80, 7225 99 00 25, 7225 99 00 95, 7226 99 30 90, 7226 99 70 19, 7226 99 70 96 |
China |
118 662,79 |
118 662,79 |
116 083,16 |
117 372,98 |
122 222,67 |
122 222,67 |
119 565,66 |
120 894,17 |
125 889,35 |
125 889,35 |
123 152,63 |
124 520,99 |
25 % |
09.8821 |
|
|
Korea (Republiek) |
154 003,68 |
154 003,68 |
150 655,77 |
152 329,73 |
158 623,79 |
158 623,79 |
155 175,45 |
156 899,62 |
163 382,50 |
163 382,50 |
159 830,71 |
161 606,61 |
25 % |
09.8822 |
|||
|
India |
70 874,00 |
70 874,00 |
69 333,27 |
70 103,64 |
73 000,22 |
73 000,22 |
71 413,26 |
72 206,74 |
75 190,23 |
75 190,23 |
73 555,66 |
74 372,95 |
25 % |
09.8823 |
|||
|
Verenigd Koninkrijk |
32 719,56 |
32 719,56 |
32 008,27 |
32 363,92 |
33 701,15 |
33 701,15 |
32 968,52 |
33 334,83 |
34 712,19 |
34 712,19 |
33 957,57 |
34 334,88 |
25 % |
09.8980 |
|||
|
Andere landen |
99 301,05 |
99 301,05 |
97 142,33 |
98 221,69 |
102 280,08 |
102 280,08 |
100 056,60 |
101 168,34 |
105 348,48 |
105 348,48 |
103 058,30 |
104 203,39 |
25 % |
((5)) Van 1.7 t.e.m. 31.3: 09.8609
Van 1.4 t.e.m. 30.6: 09.8610
Van 1.4 t.e.m. 30.6: Voor India*, Korea (Republiek)* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8570 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5
((6)) Van 1.7 t.e.m. 31.3: 09.8611
Van 1.4 t.e.m. 30.6: 09.8612
Van 1.4 t.e.m. 30.6: Voor China*: 09.8581, voor Korea (Republiek)*: 09.8582, voor India*: 09.8583 en voor het Verenigd Koninkrijk*: 09.8584 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5”
BIJLAGE II
|
“4A |
Andere landen |
439 629,02 |
439 629,02 |
430 071,87 |
434 850,45 |
452 817,89 |
452 817,89 |
442 974,02 |
447 895,96 |
466 402,42 |
466 402,42 |
456 263,24 |
461 332,84 |
|
4B |
Andere landen |
99 301,05 |
99 301,05 |
97 142,33 |
98 221,69 |
102 280,08 |
102 280,08 |
100 056,60 |
101 168,34 |
105 348,48 |
105 348,48 |
103 058,30 |
104 203,39 ” |
BESLUITEN
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/51 |
BESLUIT (EU) 2021/1092 VAN DE RAAD
van 11 juni 2021
tot vaststelling van de criteria en de procedure voor de kennisgeving van verschillen met betrekking tot de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde internationale normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago is ondertekend en het internationale luchtvervoer regelt (het “Verdrag van Chicago”), is op 4 april 1947 in werking getreden. Bij dat verdrag is de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) opgericht. |
|
(2) |
De lidstaten van de Unie zijn verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Chicago en de verdragsluitende staten van de ICAO, terwijl de Unie de status van waarnemer heeft in bepaalde organen van de ICAO. |
|
(3) |
Op grond van artikel 54 van het Verdrag van Chicago kan de ICAO-raad internationale normen (“normen”) en aanbevolen werkwijzen voor de luchtvaart vaststellen en die aanwijzen als bijlagen bij het Verdrag van Chicago (“ICAO-bijlagen”), met name wat de veiligheid van de burgerluchtvaart betreft. |
|
(4) |
Op grond van artikel 90 van het Verdrag van Chicago moet een ICAO-bijlage of een amendement van een ICAO-bijlage in werking treden binnen drie maanden na de voorlegging ervan aan de verdragsluitende staten van de ICAO of na afloop van een langere termijn zoals de ICAO-Raad die kan voorschrijven, tenzij in de tussentijd een meerderheid van de verdragsluitende staten van de ICAO haar afkeuring kenbaar maakt. |
|
(5) |
Zodra normen aangenomen en van kracht zijn, zijn ze bindend voor alle verdragsluitende staten van de ICAO, met inbegrip van alle lidstaten van de Unie, overeenkomstig en binnen de grenzen van het Verdrag van Chicago. |
|
(6) |
Op grond van artikel 38 van het Verdrag van Chicago moet elke verdragsluitende staat van de ICAO die het onuitvoerbaar acht volledig te voldoen aan een norm, dan wel zijn voorschriften of werkwijzen geheel in overeenstemming te brengen met een norm nadat die is gewijzigd, of die het nodig acht om voorschriften of werkwijzen vast te stellen die in enig specifiek opzicht verschillen van die welke bij een norm zijn vastgesteld, de ICAO onmiddellijk in kennis stellen van de verschillen tussen zijn eigen voorschriften of werkwijzen en die welke bij de norm zijn vastgesteld. In geval van wijzigingen van normen moet een staat die niet de nodige wijzigingen aanbrengt in zijn eigen voorschriften of werkwijzen, hiervan mededeling doen aan de ICAO-raad binnen een termijn van zestig dagen na de goedkeuring van de wijziging van de norm of moet hij de maatregelen aangeven die hij voorstelt te nemen. |
|
(7) |
De interne regels van de ICAO, met name de door de ICAO voor de verdragsluitende staten van de ICAO vastgestelde termijnen voor het melden van verschillen met betrekking tot normen, en het aantal verschillen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart dat elk jaar moet worden gemeld, maken het moeilijk om tijdig voor elk te melden verschil het standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen in een besluit van de Raad op basis van artikel 218, lid 9, van het Verdrag. Bovendien hebben de door de ICAO-raad vastgestelde normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart grotendeels betrekking op aangelegenheden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Daarom is het efficiënt en passend om een kader vast te stellen voor de criteria en de procedure voor de kennisgeving van verschillen met betrekking tot normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, onverminderd de rechten en verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van Chicago. |
|
(8) |
Gezien het specifieke karakter van de luchtvaartveiligheidssector in vergelijking met andere sectoren die door de ICAO worden bestreken, met name het grote aantal normen dat in die sector door de ICAO-raad is vastgesteld en het aantal verschillen dat jaarlijks moet worden gemeld, heeft dit besluit enkel betrekking op het domein luchtvaartveiligheid om de processen te stroomlijnen en efficiënt met de talrijke kennisgevingen om te gaan. Op ICAO-niveau zijn de luchtvaartveiligheidsnormen voornamelijk opgenomen in de ICAO-bijlagen 1, 6, 8, 14, 18 en 19. Op het niveau van de Unie zijn de vereisten in die normen voornamelijk opgenomen in Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (1) en in de op basis van die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen, met name Verordeningen (EU) nr. 1178/2011 (2), (EU) nr. 748/2012 (3), (EU) nr. 965/2012 (4), (EU) nr. 139/2014 (5), (EU) nr. 452/2014 (6), (EU) nr. 1321/2014 (7) en (EU) 2015/640 (8) van de Commissie, en in Verordeningen (EG) nr. 2111/2005 (9) en (EU) nr. 376/2014 (10) van het Europees Parlement en de Raad. |
|
(9) |
Dit besluit moet bovendien beperkt blijven tot de standpunten die namens de Unie in de ICAO moeten worden ingenomen op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. |
|
(10) |
Verschillen ten opzichte van normen die door de ICAO-raad zijn vastgesteld, kunnen voortvloeien uit het Unierecht als gevolg van de vaststelling van een nieuwe of gewijzigde norm door die raad of als gevolg van een wijziging van het Unierecht. Met betrekking tot dergelijke verschillen moet het namens de Unie in te nemen standpunt gebaseerd zijn op een schriftelijk document dat de Commissie tijdig ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voorlegt. |
|
(11) |
Verschillen ten opzichte van normen die door de ICAO-raad op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart zijn vastgesteld, kunnen ook voortvloeien uit nationale maatregelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 in geval van dringende onvoorzienbare omstandigheden, wanneer die maatregelen afwijken van normen en derhalve vereisen dat de verschillen op grond van artikel 38 van het Verdrag van Chicago worden gemeld aan de ICAO. Het is daarom tevens passend om in dit besluit de procedure vast te stellen die moet worden gevolgd om dergelijke verschillen te definiëren. Die procedure moet afhangen van de reikwijdte en de duur van de nationale maatregelen die overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn vastgesteld, en moet de lidstaten in staat stellen onverwijld te voldoen aan hun internationale verplichtingen uit hoofde van artikel 38 van het Verdrag van Chicago. Die procedure moet de voorwaarden en de procedure van artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 onverlet laten. |
|
(12) |
De verschillen die aan de ICAO moeten worden gemeld, moeten met name gebaseerd zijn op de informatie die door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart wordt verstrekt, overeenkomstig artikel 90, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139, indien van toepassing. Verschillen moeten worden ingediend volgens het door de ICAO opgestelde kennisgevingsformulier inzake overeenstemming of verschillen (Form on Notification of Compliance With or Differences) of, indien de ICAO dat vraagt, via het systeem voor elektronische kennisgeving van verschillen. Wanneer het namens de Unie in te nemen standpunt op grond van dit besluit wordt vastgesteld in een schriftelijk document dat de Commissie ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voorlegt, moet in dat document, waar passend en per geval, worden aangegeven of aan de lidstaten flexibiliteit moet worden geboden bij de kennisgeving van de verschillen in kwestie. Bovendien moet de Commissie ernaar streven zo spoedig mogelijk met de opstelling van dit document te beginnen, zodat hiervoor — inclusief eventuele raadplegingen op deskundigenniveau — voldoende tijd is. |
|
(13) |
De tenuitvoerlegging van dit besluit mag niet leiden tot een schending van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Unierecht of hun internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Chicago, met name wat betreft de naleving van de termijn voor kennisgeving van verschillen aan de ICAO. |
|
(14) |
Dit besluit moet voor een beperkte periode van toepassing zijn, namelijk tot na de zitting van de ICAO-raad na de volgende Algemene Vergadering van de ICAO, om de Raad in staat te stellen de doeltreffendheid van dit besluit te beoordelen en op basis van een voorstel van de Commissie te besluiten of de toepassing ervan al dan niet verlengd moet worden en of het al dan niet anderszins gewijzigd moet worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) in te nemen standpunt met betrekking tot de kennisgeving van verschillen met betrekking tot de normen in de bijlagen 1, 6, 8, 14, 18 en 19 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (het “Verdrag van Chicago”) op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart, voor zover dergelijke normen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, wordt vastgesteld volgens de criteria en de procedure van de artikelen 2 en 3 van dit besluit.
Artikel 2
Indien het Unierecht afwijkt van de in artikel 1 van dit besluit bedoelde normen en de kennisgeving aan de ICAO van verschillen met betrekking tot die normen derhalve vereist is overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag van Chicago, legt de Commissie tijdig en ten minste twee maanden vóór een door de ICAO vastgestelde termijn voor kennisgeving van verschillen een schriftelijk document ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voor, dat met name gebaseerd is op, indien van toepassing, de door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) overeenkomstig artikel 90, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139 verstrekte informatie, waarin de gedetailleerde verschillen worden uiteengezet die aan de ICAO moeten worden gemeld.
Artikel 3
1. Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 nationale maatregelen vaststelt waarbij vrijstellingen worden verleend aan individuele natuurlijke personen of rechtspersonen of met een totale duur van niet meer dan acht maanden, en indien die nationale maatregelen afwijken van de in artikel 1 van dit besluit bedoelde normen en de kennisgeving van verschillen met die normen derhalve vereist is overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag van Chicago, stelt die lidstaat de Commissie onmiddellijk in kennis van elk gemeld verschil.
2. Wanneer de overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 verleende vrijstellingen algemeen van toepassing zijn en de totale duur ervan meer dan acht maanden bedraagt, legt de Commissie, uiterlijk twee weken nadat de betrokken lidstaat haar overeenkomstig artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 in kennis heeft gesteld van die vrijstellingen, een schriftelijk document ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voor, dat met name gebaseerd is op de informatie die het EASA overeenkomstig artikel 90, lid 4, van die verordening heeft verstrekt, en op de informatie die de lidstaten uit hoofde van artikel 71 van die verordening hebben verstrekt, waarin de gedetailleerde verschillen worden uiteengezet die aan de ICAO moeten worden gemeld.
Artikel 4
De tenuitvoerlegging van dit besluit mag niet leiden tot een schending van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Unierecht of van hun internationale verplichtingen uit hoofde van artikel 38 van het Verdrag van Chicago.
Artikel 5
Het namens de Unie in de ICAO in te nemen standpunt wordt verwoord door de lidstaten.
Artikel 6
Dit besluit is van toepassing tot en met 30 november 2022. Op voorstel van de Commissie kan de Raad de toepassing ervan verlengen of het besluit anderszins wijzigen.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 11 juni 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
J.P. MATOS FERNANDES
(1) Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).
(2) Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).
(3) Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).
(4) Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 139/2014 van de Commissie van 12 februari 2014 tot vaststelling van eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 44 van 14.2.2014, blz. 1).
(6) Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 12).
(7) Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).
(8) Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie van 23 april 2015 betreffende aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor een bepaald soort vluchtuitvoering en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 18).
(9) Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15).
(10) Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/55 |
BESLUIT (EU) 2021/1093 VAN DE RAAD
van 28 juni 2021
tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad en beperkingen van de rechten van betrokkenen in het kader van de uitoefening van de taken van de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, en tot intrekking van Besluit 2004/644/EG van de Raad
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 240, lid 3,
Gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (1), en met name artikel 45, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2018/1725 bevat beginselen en voorschriften die van toepassing zijn op alle instellingen en organen van de Unie en bepaalt dat in elke instelling of elk orgaan van de Unie een functionaris voor gegevensbescherming wordt aangewezen. |
|
(2) |
Artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1725 schrijft voor dat elke instelling of elk orgaan van de Unie uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming (de “uitvoeringsvoorschriften”) vaststelt. De uitvoeringsvoorschriften moeten met name betrekking hebben op de taken, verplichtingen en bevoegdheden van de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad en van het secretariaat-generaal van de Raad (“DPO”). |
|
(3) |
In de uitvoeringsvoorschriften moeten de procedures worden vastgesteld voor de uitoefening van de rechten van de betrokkenen en voor de naleving door alle betrokken actoren binnen de Raad en het secretariaat-generaal van de Raad (“SGR”) van de verplichtingen die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens. |
|
(4) |
Verordening (EU) 2018/1725 voorziet in duidelijke verantwoordelijkheden voor de verwerkingsverantwoordelijken, met name met betrekking tot de rechten van de betrokkenen. De uitvoeringsvoorschriften moeten ervoor zorgen dat de Raad en het SGR hun verantwoordelijkheden als verwerkingsverantwoordelijke op uniforme en transparante wijze vervullen. Er moeten voorschriften worden vastgesteld om te bepalen wie verantwoordelijk is voor een verwerking die namens de Raad of het SGR wordt uitgevoerd. In dat verband is het passend om de functie van een “gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke” in te voeren teneinde de verantwoordelijkheden van de entiteiten van het SGR nauwkeurig te onderscheiden, met name wat betreft individuele besluiten over de rechten van de betrokkenen. Bovendien is het passend de functie van een “operationeel verwerkingsverantwoordelijke” in te voeren, die onder de verantwoordelijkheid van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke wordt aangewezen om de praktische naleving te waarborgen en verzoeken van betrokkenen in verband met een verwerking te behandelen. Om de verantwoordelijkheden van het SGR voor elke verwerkingsactiviteit nauwkeurig aan te geven, moet de operationeel verwerkingsverantwoordelijke nauwkeurig worden vermeld in de in het register bijgehouden vastleggingen. De benoeming van een operationeel verwerkingsverantwoordelijke betekent niet dat er in de praktijk geen gebruik mag worden gemaakt van een contactpunt, bijvoorbeeld in de vorm van een functionele mailbox voor verzoeken van betrokkenen. |
|
(5) |
In bepaalde gevallen kunnen meerdere directoraten-generaal of diensten van het SGR gezamenlijk een verwerking uitvoeren om hun opdracht te vervullen. In dergelijke gevallen dienen zij ervoor te zorgen dat er interne regelingen zijn om op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 vast te stellen, met name wat betreft de rechten van de betrokkenen, kennisgeving aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en het bijhouden van vastleggingen. |
|
(6) |
Om de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken te vergemakkelijken, dient elk directoraat-generaal of andere dienst van het SGR een coördinator voor gegevensbescherming te benoemen. De coördinatoren voor gegevensbescherming dienen het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR bij te staan in alle aspecten van de bescherming van persoonsgegevens en nemen deel aan het netwerk van coördinatoren voor gegevensbescherming in het SGR om te zorgen voor een coherente uitvoering en interpretatie van Verordening (EU) 2018/1725. |
|
(7) |
Op grond van artikel 45, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2018/1725 zou de DPO aanvullende richtsnoeren kunnen aanreiken inzake de taak van de coördinator voor gegevensbescherming. |
|
(8) |
Artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 biedt elke instelling of elk orgaan van de Unie de mogelijkheid om de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35, van die verordening evenals het transparantiebeginsel van artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening te beperken voor zover de bepalingen van dat punt overeenstemmen met de rechten en verplichtingen waarin wordt voorzien door de artikelen 14 tot en met 17, 19 en 20 van die verordening. |
|
(9) |
In bepaalde gevallen kan het nodig zijn dat de DPO de rechten van betrokkenen beperkt om de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 vastgestelde toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken te verrichten, met inachtneming van de normen voor de bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van die verordening. Er moeten interne voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de DPO de rechten van betrokkenen kan beperken overeenkomstig artikel 25 van die Verordening (de “interne voorschriften”). |
|
(10) |
De interne voorschriften moeten gelden voor alle gegevensverwerkingsactiviteiten die de Raad en het SGR verrichten bij de uitoefening van de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO. De interne voorschriften moeten ook gelden voor de verwerkingen die deel uitmaken van de taken die verband houden met de onderzoeks- of auditfunctie van de DPO, zoals klachtenprocedures die door de DPO worden behandeld. De interne voorschriften moeten ook van toepassing zijn op het toezicht en de raadplegingen door de DPO wanneer de DPO buiten zijn administratieve onderzoeken en audits bijstand verleent aan en samenwerkt met de directoraten-generaal en diensten van het SGR. |
|
(11) |
De Raad en het SGR moeten wellicht beperkingen toepassen, welke zijn gebaseerd op de in artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde gronden, op gegevensverwerkingsactiviteiten die worden uitgevoerd in het kader van de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO wanneer dit nodig is ter bescherming van de taken van de DPO, daarmee verband houdende onderzoeken en procedures, de instrumenten en methoden van DPO-onderzoeken en -audits, alsmede de rechten van andere personen in verband met de taken van de DPO. |
|
(12) |
Om doeltreffende samenwerking te handhaven kan het nodig zijn dat de Raad en het SGR beperkingen stellen aan de rechten van de betrokkenen op bescherming van informatie die persoonsgegevens bevat die afkomstig zijn van andere directoraten-generaal en diensten van het SGR of andere instellingen of organen van de Unie. Daartoe moet de DPO die directoraten-generaal en diensten of andere instellingen of organen raadplegen over de relevante grondslag voor dergelijke beperkingen en de noodzaak en evenredigheid daarvan. |
|
(13) |
De DPO en, in voorkomend geval, de directoraten-generaal en diensten van het SGR moeten alle beperkingen op transparante wijze behandelen en elke toepassing van beperkingen vastleggen in het desbetreffende registratiesysteem. |
|
(14) |
Krachtens artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen de verwerkingsverantwoordelijken het verstrekken van informatie aan de betrokkene over de redenen voor de toepassing van een beperking uitstellen of achterwege laten indien het verstrekken van die informatie het doel van de beperking op eender welke wijze in het gedrang zou brengen. Met name wanneer een beperking van de in de artikelen 16 en 35 van die verordening verankerde rechten wordt toegepast, kan de kennisgeving daarvan het doel van de beperking in het gedrang brengen. Om ervoor te zorgen dat het recht van de betrokkene om te worden geïnformeerd in overeenstemming met die artikelen slechts wordt beperkt zolang de redenen voor het uitstel bestaan, dienen de DPO, de directoraten-generaal van het SGR of de dienst die de beperking toepast hun standpunt regelmatig opnieuw te beoordelen. |
|
(15) |
Indien andere rechten van betrokkenen worden beperkt, dient de DPO per geval te beoordelen of het meedelen van de beperking het doel ervan in het gedrang zou brengen. |
|
(16) |
De DPO moet, met het oog op de naleving van dit besluit, een onafhankelijke evaluatie verrichten van de wijze waarop andere directoraten-generaal of diensten van het SGR de op dit besluit gebaseerde beperkingen toepassen. |
|
(17) |
In een democratische samenleving moet elke beperking die op grond van dit besluit wordt toegepast, noodzakelijk en evenredig zijn. |
|
(18) |
De EDPS is geïnformeerd en geraadpleegd overeenkomstig artikel 41, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/1725 en heeft een advies (2) uitgebracht. |
|
(19) |
De uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EU) 2018/1725 doen geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (3), Besluit 2004/338/EG van de Raad, Euratom (4), en in het bijzonder bijlage II daarbij, Besluit 2013/488/EU van de Raad (5), en in het bijzonder afdeling VI van deel II van de bijlage daarbij, alsmede het besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 (6). |
|
(20) |
In Besluit 2004/644/EG van de Raad (7) zijn uitvoeringsvoorschriften vastgelegd met betrekking tot Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad. Verordening (EG) nr. 45/2001 is met ingang van 11 december 2019 ingetrokken door Verordening (EU) 2018/1725. Om te waarborgen dat slechts één stel uitvoeringsvoorschriften van toepassing is, dient Besluit 2004/644/EG te worden ingetrokken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
AFDELING 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderzoek en werkingssfeer
1. Bij dit besluit worden voorschriften en procedures vastgesteld voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door de Raad en het secretariaat-generaal van de Raad (SGR) en worden nadere uitvoeringsvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad (DPO).
2. Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld die de Raad en het SGR in verband met de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO in acht moeten nemen wanneer de DPO betrokkenen over de verwerking van hun persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 informeert.
3. Bij dit besluit worden de voorwaarden vastgesteld waarop de Raad en het SGR in verband met de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO de toepassing van de artikelen 4, 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen beperken overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van die verordening.
4. Dit besluit is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Raad en het SGR ten behoeve van of met betrekking tot de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken van de DPO.
Artikel 2
Verantwoordelijkheid voor de verwerking
Voor de toepassing van dit besluit worden de Raad en het SGR beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2018/1725.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
|
1) |
“functionaris voor gegevensbescherming” (DPO): de persoon die de secretaris-generaal van de Raad heeft aangewezen ingevolge artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725; |
|
2) |
“DPO-taken”: de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken; |
|
3) |
“personeel van het SGR”: alle ambtenaren van het SGR en iedere andere persoon die valt onder het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (8) (het “statuut”) of op contractuele basis voor het SGR werkt (namelijk stagiaires, consultants, contractanten, door de lidstaten gedetacheerde ambtenaren). |
|
4) |
“gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke”: het hoofd van het directoraat-generaal of een dienst van het SGR dat of die, alleen of samen met anderen, namens de Raad of het SGR het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt in het kader van de opdracht van dat directoraat-generaal of een dienst; |
|
5) |
“operationeel verwerkingsverantwoordelijke”: het personeelslid van het SGR uit het hoger of middenkader, dat door de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke is aangewezen om hem bij te staan bij het waarborgen van de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 voor de verwerkingen waarvoor hij verantwoordelijk is, en fungeert als eerste contactpunt voor betrokkenen; |
|
6) |
“coördinator voor gegevensbescherming”: het personeelslid van het SGR dat in elk directoraat-generaal of een andere dienst van het SGR in overleg met de DPO is aangewezen om dat directoraat-generaal of deze dienst bij te staan in alle aspecten van de bescherming van persoonsgegevens en bij gegevensbeschermingskwesties als vertegenwoordiger van dat directoraat-generaal of die andere dienst op te treden, in nauwe samenwerking met de DPO. |
AFDELING 2
DE FUNCTIONARIS VOOR GEGEVENSBESCHERMING
Artikel 4
Aanstelling en statuut van de DPO
1. De secretaris-generaal van de Raad wijst de DPO aan uit het personeel van het SGR en registreert hem bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS), overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725.
2. De DPO wordt aangewezen op grond van zijn professionele kwaliteiten en, in het bijzonder, zijn deskundigheid op het gebied van de wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming en zijn vermogen de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken te vervullen. De DPO heeft ook een gedegen kennis van het SGR, zijn structuur en zijn administratieve voorschriften en procedures. Voor de uitvoering van zijn taken wordt de DPO ontheven van alle andere taken binnen het SGR.
3. De DPO wordt aangewezen voor een periode vijf jaar en komt in aanmerking voor herbenoeming.
4. De DPO en zijn personeel ressorteren rechtstreeks onder de secretaris-generaal van de Raad en brengen rechtstreeks aan hem verslag uit.
5. Bij de uitvoering van zijn taken handelt de DPO onafhankelijk en ontvangt hij geen instructies van de secretaris-generaal van de Raad, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken of de operationeel verwerkingsverantwoordelijken of van enige andere persoon, met betrekking tot de interne toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1725 of zijn samenwerking met de EDPS.
6. De Raad en het SGR ondersteunen de DPO bij de vervulling van de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken door hem de daartoe en de voor het in stand houden van zijn deskundigheid benodigde middelen ter beschikking te stellen en hem toegang te verschaffen tot persoonsgegevens en verwerkingen.
7. De DPO wordt niet ontslagen of gestraft voor het uitvoeren van zijn taken. De DPO mag enkel worden ontslagen overeenkomstig artikel 44, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725. Om de instemming van de EDPS met een dergelijk ontslag op grond van dat artikel te verkrijgen, wordt de EDPS schriftelijk geraadpleegd. Een afschrift van die instemming wordt aan de DPO gezonden.
8. Het SGR, met name de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken, zorgen ervoor dat de DPO naar behoren en tijdig wordt betrokken bij alle aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.
Artikel 5
Taken en functies
1. De DPO voert alle taken uit waarin artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 voorziet. De DPO voert met name de volgende taken uit:
|
a) |
zorgen voor de toepassing en uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 door de Raad en het SGR en toezien op de naleving van die Verordening en het toepasselijke rechtskader inzake de bescherming van persoonsgegevens; |
|
b) |
de secretaris-generaal van de Raad, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken adviseren over aangelegenheden in verband met de toepassing van de bepalingen inzake gegevensbescherming; |
|
c) |
de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken adviseren en bijstaan bij het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van Verordening (EU) 2018/1725; |
|
d) |
erop toezien dat de verwerkingen geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van de betrokkenen; |
|
e) |
meer bekendheid geven aan het toepasselijke rechtskader inzake de bescherming van persoonsgegevens en bijdragen tot de totstandbrenging van een cultuur van bescherming van persoonsgegevens binnen het SGR. |
De DPO kan door de secretaris-generaal, de betrokken verwerkingsverantwoordelijken, het personeelscomité en elke natuurlijke persoon, zonder de officiële weg te volgen, over elke aangelegenheid betreffende de toepassing of uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 worden geraadpleegd.
2. De DPO houdt een register bij van de vastgelegde verwerkingen en maakt dit overeenkomstig artikel 12openbaar toegankelijk.
3. De DPO houdt ook een intern register bij van inbreuken in verband met persoonsgegevens in de zin van artikel 3, punt 16, van Verordening (EU) 2018/1725.
4. De DPO adviseert desgevraagd de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke over een verzoek met betrekking tot de beperking van de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36, alsmede artikel 4 van Verordening (EU) 2018/1725.
5. De DPO organiseert geregeld vergaderingen van coördinatoren voor gegevensbescherming en zit deze voor.
6. De DPO dient jaarlijks een verslag over zijn activiteiten in bij de secretaris-generaal van de Raad en stelt het ter beschikking van het personeel van het SGR.
7. De DPO werkt samen met de door de andere instellingen en organen van de Unie aangewezen functionarissen voor gegevensbescherming en woont geregeld vergaderingen bij die door de EDPS of de functionarissen voor gegevensbescherming van de andere instellingen en organen van de Unie worden bijeengeroepen om een goede samenwerking te bevorderen, met name door ervaringen en beste praktijken uit te wisselen.
8. De DPO wordt voor de verwerkingsactiviteiten die in het kader van zijn taken worden verricht, als gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke beschouwd.
Artikel 6
Bevoegdheden
Bij de uitoefening van taken en functies
|
a) |
heeft de DPO te allen tijde toegang tot de gegevens die het voorwerp van verwerking vormen en tot alle kantoren, gegevensverwerkingsapparatuur en gegevensdragers; |
|
b) |
kan de DPO de juridische dienst van de Raad om advies verzoeken; |
|
c) |
kan de DPO de bevoegde directoraten-generaal en diensten van het SGR om andere ondersteuning verzoeken; |
|
d) |
kan de DPO dossiers voor een passende follow-up toewijzen aan de betrokken directoraten-generaal en diensten van het SGR; |
|
e) |
kan de DPO, overeenkomstig de procedure van artikel 14, op verzoek of op eigen initiatief onderzoeken verrichten naar zaken en voorvallen die rechtstreeks verband houden met de taken van de DPO; |
|
f) |
kan de DPO de secretaris-generaal van de Raad bestuurlijke maatregelen voorstellen en algemene aanbevelingen doen betreffende de passende toepassing van Verordening (EU) 2018/1725; |
|
g) |
kan de DPO het SGR, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken aanbevelingen doen voor de praktische verbetering van de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725, en kan hij of zij:
|
|
h) |
kan de DPO, na voorafgaande toestemming van de ordonnateur en overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9), een beroep doen op externe deskundigen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie; |
|
i) |
wordt de DPO uitgenodigd voor de betrokken raden van bestuur en comités van het SGR wanneer kwesties in verband met de verwerking van persoonsgegevens worden besproken, en kan hij relevante punten voor de agenda van die raden en comités voorstellen; |
|
j) |
kan de DPO het feit dat een personeelslid van het SGR de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 niet nakomt onder de aandacht van het tot aanstelling bevoegd gezag van het SGR brengen en voorstellen dat er een administratief onderzoek wordt ingesteld met het oog op de mogelijke toepassing van de sancties die zijn vastgelegd in artikel 69 van die verordening; |
|
k) |
is de DPO, in overleg met de betrokken diensten van het SGR, verantwoordelijk voor initiële besluiten over verzoeken om toegang tot documenten die uit hoofde van Verordening (EG) 1049/2001 in het bezit zijn van zijn of haar bureau. |
AFDELING 3
RECHTEN EN PLICHTEN VAN DE ACTOREN OP HET GEBIED VAN GEGEVENSBESCHERMING
Artikel 7
Raadpleging en inkennisstelling van de DPO
1. De verwerkingsverantwoordelijken betrekken de DPO bij de planning en bespreking van een activiteit waarbij sprake is van verwerking van persoonsgegevens. De DPO wordt in kennis gesteld van elke verwerking en van elke belangrijke wijziging van een bestaande verwerking.
2. De DPO wordt in kennis gesteld van ontwerpen van interne nota’s en besluiten van het SGR die rechtstreeks verband houden met de interne toepassing van Verordening (EU) 2018/1725.
3. De DPO wordt in kennis gesteld van alle contacten met externe partijen met betrekking tot de interne toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 en van eventuele contacten met de EDPS, met name indien de EDPS wordt geraadpleegd of geïnformeerd op grond van de artikelen 40 en 41 van die verordening.
4. Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door een verwerker, wordt de DPO geraadpleegd over ontwerpregelingen tussen gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en over ontwerpcontractbepalingen inzake gegevensbescherming of andere rechtshandelingen.
Artikel 8
Gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken
1. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zien erop toe dat bij alle verwerkingen die onder hun toezicht plaatsvinden Verordening (EU) 2018/1725 wordt nageleefd.
2. In het bijzonder moeten de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken:
|
a) |
een operationeel verwerkingsverantwoordelijke aanwijzen om de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke te helpen de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 te waarborgen, met name ten aanzien van betrokkenen; |
|
b) |
de vastleggingen bijhouden van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden en ervoor zorgen dat het dossier en de bijbehorende privacyverklaring door de operationeel verwerkingsverantwoordelijke bij de DPO worden ingediend om in het in artikel 12 bedoelde register te worden opgenomen; |
|
c) |
toezien op de activiteiten van verwerkers en subverwerkers die namens hen persoonsgegevens verwerken en ervoor zorgen dat de verwerking wordt geregeld in een overeenkomst of een andere rechtshandeling overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1725. |
3. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat de DPO tijdig wordt betrokken bij alle kwesties in verband met persoonsgegevens en treffen passende regelingen om ervoor te zorgen dat de coördinator voor gegevensbescherming naar behoren wordt betrokken bij alle kwesties die verband houden met gegevensbescherming in hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR.
4. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat passende technische en organisatorische maatregelen worden genomen om aan te tonen dat de verwerkingsactiviteiten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725, en geven het personeel van het SGR passende instructies om zowel de vertrouwelijkheid van de verwerking als een beveiligingsniveau te waarborgen dat is afgestemd op de risico’s die de verwerking met zich meebrengt. Zij kunnen bij de selectie van deze maatregelen de DPO raadplegen.
5. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken brengen aan de DPO verslag uit over de behandeling van verzoeken van een betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, en staan de DPO en de EDPS bij in de vervulling van hun taken, in het bijzonder door in antwoord op hun verzoeken binnen 30 dagen informatie te verstrekken.
6. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zijn verantwoordelijk voor de toepassing van een beperking van de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36 van Verordening (EU) 2018/1725, alsmede van artikel 4 van die verordening, overeenkomstig de toepasselijke interne voorschriften. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken betrekken de DPO gedurende de gehele procedure bij de toepassing van een dergelijke beperking.
7. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat er interne regelingen met andere directoraten-generaal of diensten van het SGR van kracht zijn, indien de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke samen met die directoraten-generaal of diensten van het SGR verwerkingen verricht of als zij een deel van de verwerkingen van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke verrichten.
De in de eerste alinea bedoelde regelingen bepalen de respectieve verantwoordelijkheden van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en andere directoraten-generaal of diensten van het SGR voor de naleving van de desbetreffende gegevensbeschermingsverplichtingen. In die regelingen wordt met name vastgelegd welke gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de middelen en doelen van de verwerking bepaalt, alsook welke operationeel verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking verantwoordelijk is en, zo nodig, welke personen of entiteiten de operationeel verwerkingsverantwoordelijke ter zijde dienen te staan bij onder meer informatievoorziening in het geval van inbreuken in verband met gegevens of om rekening te houden met de rechten van betrokkenen.
Artikel 9
Operationeel verwerkingsverantwoordelijken
1. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken helpen de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke bij het waarborgen van de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 voor de verwerkingen waarvoor hij verantwoordelijk is, en fungeren als het eerste contactpunt voor betrokkenen.
2. In het bijzonder moeten de operationeel verwerkingsverantwoordelijken:
|
a) |
alle verzoeken van betrokkenen ontvangen en verwerken; |
|
b) |
in overleg met de coördinator voor gegevensbescherming de vastleggingen van de onder hun verantwoordelijkheid vallende verwerkingsactiviteiten en de bijbehorende privacyverklaring opstellen; |
|
c) |
ervoor zorgen dat overeenkomsten of andere rechtshandelingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door een verwerker in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725 en de DPO raadplegen over ontwerpovereenkomsten inzake gegevensbescherming; |
|
d) |
ervoor zorgen dat er documentatie beschikbaar is waaruit blijkt dat Verordening (EU) 2018/1725 wordt nageleefd. |
3. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken stellen de DPO zonder onnodige vertraging in kennis van inbreuken in verband met persoonsgegevens en verstrekken hem of haar alle nodige informatie om ervoor te zorgen dat de Raad voldoet aan de verplichtingen inzake inbreuken in verband met persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 34 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725.
4. In overleg met de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke en de DPO stellen de operationeel verwerkingsverantwoordelijken de EDPS in voorkomend geval in kennis van inbreuken in verband met persoonsgegevens. Waar passend, stellen zij de betrokkenen daarvan eveneens in kennis.
5. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat de coördinator voor gegevensbescherming op de hoogte wordt gehouden van alle aangelegenheden die verband houden met gegevensbescherming.
6. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken beoordelen het risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de verwerkingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, en voeren waar nodig een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken winnen bij het uitvoeren van deze effectbeoordelingen en over de noodzaak van voorafgaande raadpleging het advies van de DPO in overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van Verordening (EU) 2018/1725.
7. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken verrichten op verzoek van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke elke andere taak die binnen het toepassingsgebied van dit besluit valt.
Artikel 10
Coördinatoren voor gegevensbescherming
1. Elk directoraat-generaal of andere dienst van het SGR wijst in overleg met de DPO een of meer coördinatoren voor gegevensbescherming aan om de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken van zijn of haar directoraat-generaal of andere dienst van het SGR bij te staan in alle aspecten die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.
2. De coördinatoren voor gegevensbescherming worden gekozen op basis van hun kennis van en ervaring met de werking van het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR, geschiktheid voor de functie, competenties met betrekking tot gegevensbescherming, kennis van de beginselen van informatiesystemen, en communicatieve vaardigheden. Pas benoemde coördinatoren voor gegevensbescherming ronden binnen zes maanden na hun benoeming een opleiding af om de competenties te verwerven die nodig zijn voor hun rol. Een coördinator voor gegevensbescherming die minder dan twee jaar voor zijn of haar benoeming als contactpersoon in een ander directoraat-generaal of andere dienst van het SGR heeft gewerkt, is van die opleidingsverplichting vrijgesteld.
3. De functie van coördinator voor gegevensbescherming maakt deel uit van de functiebeschrijving van elk tot contactpersoon benoemd personeelslid van het SGR. In het jaarlijkse beoordelingsrapport worden hun verantwoordelijkheden en prestaties vermeld.
4. De coördinatoren voor gegevensbescherming worden naar behoren en tijdig betrokken bij alle kwesties die verband houden met gegevensbescherming in hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR en vervullen hun taken in nauwe samenwerking met de DPO.
5. De coördinatoren voor gegevensbescherming hebben het recht om van de verwerkingsverantwoordelijken en van het personeel de informatie te verkrijgen die passend en noodzakelijk is voor de vervulling van hun taken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR. Dit omvat niet de toegang tot persoonsgegevens die onder de verantwoordelijkheid van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke worden verwerkt. Coördinatoren voor gegevensbescherming hebben alleen toegang tot persoonsgegevens indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.
6. De coördinatoren voor gegevensbescherming brengen gegevensbeschermingsaangelegenheden onder de aandacht en helpen de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR hun verplichtingen na te komen, met name wat betreft:
|
a) |
de uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725; |
|
b) |
de identificatie van de operationeel verwerkingsverantwoordelijken en de voorbereiding van de vastleggingen van de verwerkingen en privacyverklaringen voordat deze worden ingediend bij de DPO; |
|
c) |
de samenstelling van een lijst van alle bestaande verwerkingen van het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR. |
7. De coördinatoren voor gegevensbescherming helpen de operationeel verwerkingsverantwoordelijken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR hun verplichtingen na te komen, met name wat betreft:
|
a) |
het opstellen van vastleggingen van verwerkingen en privacyverklaringen voordat deze bij de DPO worden ingediend; |
|
b) |
het documenteren van de verwerkingen; |
|
c) |
het verwerken van de verzoeken van de betrokkenen; |
|
d) |
het omgaan met inbreuken in verband met persoonsgegevens. |
Artikel 11
Het personeel van het SGR
Het personeel van het SGR draagt ertoe bij dat de toepassing en uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 wordt gewaarborgd. Het personeel van het SGR heeft geen toegang tot persoonsgegevens of verwerkt dergelijke gegevens op geen andere wijze dan op instructie van de gedelegeerd of operationeel verwerkingsverantwoordelijke, tenzij het recht van de Unie of van de lidstaat in een andere regeling voorziet.
AFDELING 4
ANDERE VERPLICHTINGEN EN PROCEDURES
Artikel 12
Register
1. De DPO houdt een register van de verwerkingen bij en zorgt ervoor dat dit register toegankelijk is via de website van de DPO op het intranet van het SGR en via de website van de Raad.
2. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO in kennis van elke verwerking en dient de vastleggingen van verwerkingen en de bijbehorende privacyverklaring in door middel van een formulier dat via het intranet van het SGR (onder “gegevensbescherming”) toegankelijk is. De melding aan de DPO geschiedt elektronisch. Na overleg met de DPO bevestigt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de vastlegging van de gegevens en de bijbehorende privacyverklaring en maakt deze in het register bekend.
3. De vastlegging bevat alle in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/1725 genoemde informatie. De door de DPO in het register ingevoerde informatie kan evenwel bij wijze van uitzondering worden beperkt, wanneer zulks nodig is om de beveiliging van een specifieke verwerking te garanderen. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO onverwijld in kennis van elke wijziging in dergelijke informatie.
Artikel 13
Inbreuken in verband met persoonsgegevens
1. Indien zich een inbreuk in verband met persoonsgegevens voordoet, vraagt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of operationeel verwerkingsverantwoordelijke de coördinator voor gegevensbescherming om hulp en stelt hij de DPO zonder onnodige vertraging in kennis van het incident en verstrekt de DPO hem of haar alle nodige informatie om ervoor te zorgen dat de Raad voldoet aan de verplichting inzake de melding en mededeling van inbreuken in verband met persoonsgegevens op grond van de artikelen 34 en 35 van de Verordening (EU) 2018/1725.
2. De DPO zet een intern register van inbreuken in verband met persoonsgegevens op en houdt dit bij. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en operationeel verwerkingsverantwoordelijken verstrekken de nodige informatie om het register aan te vullen.
3. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en operationeel verwerkingsverantwoordelijken stellen de kennisgeving aan de EDPS op in overleg met de DPO, tenzij het onwaarschijnlijk is dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Artikel 14
Onderzoeken
1. De DPO kan, op eigen initiatief of op verzoek van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker, van het personeelscomité of van elke natuurlijke persoon, onderzoek uitvoeren naar zaken en gebeurtenissen die verband houden met zijn taken, en verslag uitbrengen aan de persoon die om het onderzoek verzocht heeft, dan wel aan de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker.
2. Verzoeken om instelling van een onderzoek worden schriftelijk aan de DPO toegezonden. Ingeval het recht van verzoek om instelling van een onderzoek duidelijk misbruikt wordt, bijvoorbeeld wanneer dezelfde natuurlijke persoon recentelijk een identiek verzoek heeft gedaan, is de DPO niet verplicht de verzoeker te antwoorden.
3. Binnen 15 dagen na ontvangst van een verzoek tot instelling van een onderzoek zendt de DPO de persoon die het verzoek heeft ingediend een ontvangstbewijs toe en gaat de DPO na of het verzoek als vertrouwelijk moet worden behandeld.
4. De DPO verzoekt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke om een verslag op te stellen over de gegevensverwerkingsverrichting die het onderwerp vormt van het verzoek tot instelling van een onderzoek. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke doet zijn antwoord binnen 15 dagen aan de DPO toekomen. De DPO kan de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker of andere betrokken diensten van het SGR om aanvullende informatie verzoeken. Zo nodig, kan hij de juridische dienst van de Raad om advies verzoeken. De DPO ontvangt de verzochte informatie of het advies binnen 30 dagen.
5. De DPO brengt uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek tot instelling van een onderzoek verslag uit aan de persoon die het verzoek heeft ingediend. Deze termijn kan worden opgeschort tot de DPO alle noodzakelijke informatie heeft verkregen waarom hij heeft verzocht.
6. Niemand mag nadeel ondervinden van het feit dat hij een zaak die naar hij beweert Verordening (EU) 2018/1725 schendt, onder de aandacht van de DPO heeft gebracht.
Artikel 15
Algemene regels voor de uitoefening van rechten door betrokkenen
1. De rechten van betrokkenen als vastgelegd in de artikelen 14 tot en met 24 van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen uitsluitend door de betrokkene of zijn naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger worden uitgeoefend.
2. De betrokkene zendt verzoeken schriftelijk toe aan de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, met een afschrift aan de DPO. Zo nodig, helpt de DPO de betrokkene vast te stellen wie ter zake de operationeel verwerkingsverantwoordelijke is. Het verzoek kan in elektronische vorm worden ingediend en bevat:
|
a) |
achternaam, voornaam en contactgegevens van de betrokkene en datum van het verzoek; |
|
b) |
een vermelding van het recht dat men wenst uit te oefenen en, waar nodig, bewijsstukken met betrekking tot het verzoek; |
|
c) |
de categorie of categorieën van de persoonsgegevens in kwestie. |
3. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke zendt de betrokkene binnen vijf werkdagen na registratie van het verzoek een ontvangstbewijs toe. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke vraagt bij onduidelijke of onvolledige verzoeken om opheldering. Zolang alle nodige ophelderingen niet zijn verstrekt, gaan de toepasselijke termijnen uit hoofde van artikel 14, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2018/1725 niet in.
4. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke controleert de identiteit van de betrokkene overeenkomstig artikel 14, lid 6, van Verordening (EU) 2018/1725. Zolang de identiteitscontrole loopt, gaat de toepasselijke termijnen uit hoofde van artikel 14, leden 3 en 4, van die verordening, niet in.
5. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke willigt binnen de in artikel 14, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2018/1725 bepaalde termijnen het verzoek van de betrokkene in of deelt de redenen voor de gehele of gedeeltelijke weigering schriftelijk mee.
6. In geval van een uiterst complex verzoek, onregelmatigheden of kennelijk misbruik door de betrokkene bij de uitoefening van zijn rechten, indien de verwerking van een verzoek waarschijnlijk een risico voor de rechten en vrijheden van andere betrokkenen inhoudt of indien de verwerking door de betrokkene onrechtmatig wordt geacht, raadpleegt de operationeel verwerkingsverantwoordelijke de DPO.
Artikel 16
Klachten uit hoofde van artikel 90 van het Statuut
In het geval van een klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren (“klacht uit hoofde van artikel 90”) ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens raadpleegt het tot aanstelling bevoegde gezag de DPO. Onverminderd de ontvankelijkheid van de klacht uit hoofde van artikel 90 geeft het personeelslid van het SGR in deze klacht aan of tegelijkertijd een klacht bij de EDPS is ingediend. De DPO brengt zijn advies binnen 15 werkdagen na ontvangst van het verzoek van het tot aanstelling bevoegde gezag schriftelijk uit. Indien de DPO na het verstrijken van die termijn geen advies heeft verstrekt, is het niet langer noodzakelijk. Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gebonden door het advies van de DPO.
AFDELING 5
BEPERKINGEN VAN DE RECHTEN VAN BETROKKENEN IN DE CONTEXT VAN DE UITOEFENING VAN DE TAKEN VAN DE DPO
Artikel 17
Uitzonderingen en beperkingen
1. Bij de uitoefening van zijn taken ten aanzien van de rechten van betrokkenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 gaat de Raad of het SGR na of een van de in die verordening vastgestelde uitzonderingen van toepassing is.
2. Onverminderd de artikelen 18 tot en met 22 van dit besluit kan de Raad of het SGR, overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van Verordening(EU) 2018/1725, de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van die verordening, evenals de toepassing van het in artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening neergelegde transparantiebeginsel beperken voor zover de bepalingen ervan overeenkomen met de in de artikelen 14 tot en met 17, 19 en 20 van die verordening bedoelde rechten en verplichtingen, wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen de uitoefening van de taken van de DPO onder meer door de openbaarmaking van zijn onderzoeks- of auditinstrumenten en -methoden in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.
3. Onverminderd de artikelen 18 en 22 van dit besluit kan de Raad of het SGR de in lid 2 bedoelde rechten en verplichtingen beperken voor persoonsgegevens die de DPO van directoraten-generaal of diensten van het SGR of van andere instellingen of organen van de Unie heeft ontvangen. De Raad of het SGR kan daartoe overgaan wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen door die directoraten-generaal of diensten van het SGR of andere instellingen of organen zou kunnen worden beperkt op grond van andere in artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde handelingen of overeenkomstig hoofdstuk IX van die verordening of overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (10) of Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (11).
Voordat beperkingen worden toegepast onder de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden, raadpleegt de Raad of het SGR de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie, tenzij het duidelijk is dat in de toepassing van een beperking is voorzien door een van de in die alinea bedoelde handelingen.
4. Elke beperking van de rechten en verplichtingen als bedoeld in lid 2 is noodzakelijk en evenredig in het licht van de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.
Artikel 18
Informatieverstrekking aan betrokkenen
1. Het SGR publiceert op de website van de Raad mededelingen over gegevensbescherming om betrokkenen te informeren over de taken van de DPO waarbij hun persoonsgegevens worden verwerkt.
2. Het SGR informeert afzonderlijk, in een geëigende vorm, elke natuurlijke persoon die het in het kader van de taken van de DPO als betrokkene aanmerkt.
3. Indien het SGR de verstrekking van informatie aan de in lid 2 van dit artikel bedoelde betrokkenen geheel of gedeeltelijk beperkt, legt het SGR de redenen voor die beperking vast en registreert het die overeenkomstig artikel 21.
Artikel 19
Recht van inzage van betrokkenen, recht op wissing en recht op beperking van de verwerking
1. Indien de Raad of het SGR het recht van inzage in persoonsgegevens door betrokkenen, het recht op wissing of het recht op beperking van de verwerking als bedoeld in, onderscheidenlijk, de artikelen 17, 19 en 20 van Verordening (EU) 2018/1725 geheel of gedeeltelijk beperkt, stellen zij de betrokkene in hun antwoord op een verzoek om inzage, wissing of beperking van de verwerking in kennis van de toegepaste beperking en van de belangrijkste redenen daarvoor, alsmede van de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de EDPS of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2. Het verstrekken van de informatie over de redenen voor de in lid 1 bedoelde beperking kan uitgesteld, achterwege gelaten of geweigerd worden zolang die verstrekking het doel van de beperking zou ondermijnen. Zodra het verstrekken van de informatie dat doel niet ondermijnt, verstrekt de Raad deze informatie aan de betrokkene.
3. Overeenkomstig artikel 21 legt het SGR de redenen voor de beperking vast en registreert het deze.
Artikel 20
Mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene
Wanneer de Raad of het SGR de in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene beperkt, legt het SGR de redenen voor de beperking vast en registreert het die overeenkomstig artikel 21 van dit besluit.
Artikel 21
Vastlegging en registratie van beperkingen
1. Het SGR legt de redenen vast voor beperkingen op grond van dit besluit, met inbegrip van een evaluatie per geval van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking, met inachtneming van de desbetreffende elementen van artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725.
Daartoe wordt in de vastleggingen vermeld hoe de uitoefening van een van de in de artikelen 14 tot en met 17 en de artikelen 19, 20 en 35 van die verordening bedoelde rechten of van het in artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening vastgelegde transparantiebeginsel de activiteiten van de DPO uit hoofde van dit besluit of van krachtens artikel 17, leden 2 of 3, van dit besluit toegepaste beperkingen in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.
2. De vastleggingen en, indien van toepassing, de documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen, worden geregistreerd. Deze worden de EDPS op diens verzoek ter beschikking gesteld.
Artikel 22
Duur van de beperkingen
1. De in de artikelen 18, 19 en 20 bedoelde beperkingen blijven van toepassing zolang de redenen daarvoor blijven bestaan.
2. Wanneer de redenen voor een in de artikelen 18 en 20 bedoelde beperking niet langer van toepassing zijn, heft het SGR de beperking op en informeert het de betrokkene over de redenen voor de beperking. Tegelijkertijd informeert het SGR de betrokkene over de mogelijkheid om op elk moment een klacht bij de EDPS in te dienen of om hoger beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in te stellen.
3. Het SGR evalueert de toepassing van de in de artikelen 18 en 20 bedoelde beperkingen om de zes maanden nadat zij zijn vastgesteld, en in elk geval bij de voltooiing van de betrokken DPO-taak. Na de voltooiing monitort het SGR jaarlijks de noodzaak om eventuele beperkingen of uitstelperioden te handhaven.
Artikel 23
Evaluatie door de DPO
1. Indien andere directoraten-generaal of diensten van het SGR concluderen dat de rechten van een betrokkene op grond van dit besluit dienen te worden beperkt, informeren zij de DPO. Ook verschaffen zij de DPO inzage in de vastleggingen en eventuele documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen. De betrokkenheid van de DPO bij de toepassing van beperkingen wordt uitvoerig gedocumenteerd.
2. De DPO kan erom verzoeken dat de betrokken gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de toepassing van de beperkingen evalueert. De betrokken gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke informeert de DPO schriftelijk over het resultaat van de gevraagde evaluatie.
AFDELING 6
SLOTBEPALINGEN
Artikel 24
Intrekking
Besluit 2004/644/EG wordt ingetrokken.
Artikel 25
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
M. do C. ANTUNES
(1) PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39.
(2) Advies van 6 april 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(4) Besluit 2004/338/EG, Euratom van de Raad van 22 maart 2004 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 106 van 15.4.2004, blz. 22).
(5) Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).
(6) Besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 betreffende een code voor correct bestuurlijk gedrag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en zijn personeel in de contacten die zij om professionele redenen met het publiek hebben (PB C 189 van 5.7.2001, blz. 1).
(7) Besluit 2004/644/EG van de Raad van 13 september 2004 tot aanneming van uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 296 van 21.9.2004, blz. 16).
(8) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(9) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1
(10) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).
(11) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/69 |
BESLUIT (EU) 2021/1094 VAN DE RAAD
van 28 juni 2021
tot wijziging van Beschikking 2008/376/EG inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 2, tweede alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 5 oktober 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”) geratificeerd. De partijen die de Overeenkomst van Parijs hebben bekrachtigd, zijn ertoe opgeroepen de wereldwijde reactie op het gevaar van klimaatverandering te versterken en de stijging van de temperatuur op aarde ruim onder de 2 °C te houden. |
|
(2) |
In overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs heeft de Commissie op 11 december 2019 een mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de “Europese Green Deal” bekendgemaakt, waarmee zij zich ertoe verbindt de problemen in verband met klimaat en milieu op te lossen en de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. In de mededeling over de Green Deal, waarin een nieuwe groeistrategie wordt voorgesteld, wordt verwezen naar de noodzaak om schone innovatieve staaltechnologieën te ondersteunen die uiterlijk in 2030 tot een koolstofvrij staalproductieproces moeten leiden en om te onderzoeken of daarvoor gebruik kan worden gemaakt van een deel van de middelen uit de liquidatie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In de mededeling wordt ook gesteld dat alle acties en beleidsmaatregelen van de Unie op één doel moeten worden gericht: de Unie helpen om een succesvolle en rechtvaardige transitie naar een duurzame toekomst tot stand te brengen. In overeenstemming met het in de mededeling verankerde “berokken geen schade”-beginsel worden de doelstellingen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal momenteel herzien om te zorgen dat activiteiten die de winning, de verwerking en het onverminderde gebruik van kolen in stand houden, in dit kader niet langer voor ondersteuning in aanmerking komen. |
|
(3) |
De Unie zet zich in voor een ambitieus klimaatbeleid en heeft een regelgevingskader ingesteld om de broeikasgasemissiereductiedoelen voor 2030 te bereiken. Meer specifiek wordt bij Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (2) de wettelijke basis gelegd voor een betrouwbare, inclusieve, kostenefficiënte, transparante en voorspelbare governance van de energie-unie en de klimaatactie, waardoor wordt gegarandeerd dat de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie voor 2030 en voor de lange termijn worden gehaald overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs. |
|
(4) |
In haar mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het investeringsplan voor een duurzaam Europa en het Investeringsplan voor de Europese Green Deal heeft de Commissie haar voornemen aangekondigd een herziening van Beschikking 2008/376/EG van de Raad (3) voor te stellen, onder meer om de financiering van grote baanbrekende O&I-projecten op het gebied van schone staalproductie en onderzoeksactiviteiten in de kolensector overeenkomstig de beginselen van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie mogelijk te maken. |
|
(5) |
Daarbij wordt in het controle- en beoordelingsverslag voor het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (“het onderzoeksprogramma”) aanbevolen de in hoofdstuk II, afdelingen 3 en 4, van Beschikking 2008/376/EG genoemde onderzoeksdoelstellingen voor kolen en staal te wijzigen en baanbrekend onderzoek in de staalsector en emblematische projecten in de kolensector te ondersteunen. |
|
(6) |
Daarom moeten de doelstellingen van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal in overeenstemming worden gebracht met internationale overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs, en met de wetenschappelijke, technologische en politieke doelstellingen van de Unie ten aanzien van klimaatneutraliteit in 2050. |
|
(7) |
Medegeprogrammeerde partnerschappen zijn doeltreffend gebleken voor het bundelen van middelen rond een gemeenschappelijke Europese onderzoeksdoelstelling. Met het oog op het streven naar een klimaatneutrale economie in 2050 moet de mogelijkheid om via medegeprogrammeerde Europese partnerschappen, in samenspel met andere programma’s, steun te verlenen, worden vastgelegd. Een Europees partnerschap kan een ideaal instrument zijn voor de bundeling van middelen om onderzoek naar baanbrekende technologieën voor de beperking van de CO2-uitstoot in de staalsector te ondersteunen. |
|
(8) |
Beschikking 2008/376/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Beschikking 2008/376/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2 wordt de tweede alinea vervangen door: “Het onderzoeksprogramma biedt ondersteuning voor gezamenlijk onderzoek in de sectoren kolen en staal. Het onderzoeksprogramma biedt daarnaast ondersteuning voor baanbrekende technologieën die de staalproductieprojecten nagenoeg koolstofvrij moeten maken en voor onderzoeksprojecten naar een rechtvaardige transitie voor voormalige of sluitende kolenmijnen en bijbehorende infrastructuur, overeenkomstig het mechanisme voor een rechtvaardige transitie en in overeenstemming met artikel 4, lid 2, van Beschikking 2003/76/EG. Het onderzoeksprogramma is in overeenstemming met de politieke, wetenschappelijke en technologische doelstellingen van de Unie en vult de activiteiten aan die in de lidstaten en binnen het bestaande kaderprogramma van de Unie voor onderzoek en technologische ontwikkeling (“het kaderprogramma voor onderzoek”) worden uitgevoerd.”. |
|
2) |
Artikelen 4 tot en met 6 worden vervangen door: “Artikel 4 Ondersteuning van een rechtvaardige transitie voor de kolensector en de kolenregio’s 1. De onderzoeksprojecten ondersteunen de transitie naar een klimaatneutrale economie voor de Unie in 2050, met als doel de uitfasering van fossiele brandstoffen te ondersteunen, alternatieve activiteiten te ontwikkelen op voormalige mijnbouwterreinen en milieuschade veroorzaakt door voormalige of sluitende kolenmijnen en in hun omgeving te voorkomen of te herstellen. De projecten zijn met name toegespitst op:
2. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het versterken van het Europese leiderschap in de omgang met de transitie van voormalige kolenmijnen en bijbehorende infrastructuur aan de hand van technologische en niet-technologische oplossingen, waarbij de overdracht van technologie en niet-technologische oplossingen wordt ondersteund. In overeenstemming met die doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050 leveren onderzoeksactiviteiten met deze doelstellingen tastbare voordelen op voor het klimaat en het milieu. Artikel 5 Verbetering van gezondheid en veiligheid 1. In de projecten met betrekking tot de activiteiten waarnaar wordt verwezen in de artikelen 4 en 6 wordt rekening gehouden met vraagstukken inzake de veiligheid van voormalige en sluitende kolenmijnen gericht op een verbetering van de arbeidsomstandigheden en de gezondheid en veiligheid op het werk, en met milieugerelateerde vraagstukken die schadelijk zijn voor de gezondheid. 2. Onderzoeksprojecten zijn gericht op met mijnbouwactiviteiten verband houdende ziekten, met het oog op de verbetering van de gezondheid van de mensen in kolenregio’s in transitie. Onderzoeksprojecten zorgen ook voor beschermende maatregelen tijdens de sluiting van mijnen en in voormalige mijnen. Artikel 6 Minimalisering van de milieueffecten van kolenmijnen in transitie 1. In onderzoeksprojecten wordt ernaar gestreefd de effecten van voormalige en sluitende kolenmijnen op lucht, water en bodem te minimaliseren. Het onderzoek is gericht op het behoud en herstel van natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties en op minimalisering van de milieueffecten van voormalige en sluitende kolenmijnen. 2. De voorkeur wordt gegeven aan projecten die ten minste een van de volgende doelstellingen bevorderen:
|
|
3) |
Artikel 7 wordt geschrapt. |
|
4) |
De artikelen 8 tot en met 10 worden vervangen door: “Artikel 8 Nieuwe, duurzame en koolstofarme processen voor staalproductie en -afwerking Onderzoek en technologische ontwikkeling op dit gebied hebben de ontwikkeling, demonstratie en verbetering van nagenoeg koolstofvrije staalproductieprocessen tot doel om de kwaliteit van de producten en de productiviteit te verhogen. Een aanzienlijke vermindering van de emissies, het energieverbruik en andere milieueffecten, verkleining van de koolstofvoetafdruk alsmede de instandhouding van hulpbronnen, vormen een integraal deel van de activiteiten. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:
Artikel 9 Geavanceerde staalsoorten en staaltoepassingen Onderzoek en technologische ontwikkeling zijn gericht op het tegemoetkomen aan de behoeften van staalgebruikers om nieuwe nagenoeg koolstofvrije producten te ontwikkelen en nieuwe marktkansen te scheppen en tegelijkertijd de emissies en de milieueffecten terug te dringen. In het kader van de in artikel 8 bedoelde technologieën bestrijken onderzoeksprojecten een of meer van de volgende gebieden, met als doel nagenoeg koolstofvrije en duurzame staalproductieprocessen in de Unie te realiseren:
Artikel 10 Behoud van hulpbronnen, bescherming van het milieu en circulaire economie Bij zowel de productie als het gebruik van staal vormen het behoud van hulpbronnen, de bescherming van ecosystemen, de transitie naar een circulaire economie en veiligheidskwesties een integraal deel van de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:
|
|
5) |
In hoofdstuk II, afdeling 4, wordt het volgende artikel ingevoegd: “Artikel 10 bis Personeelsbeheer en arbeidsomstandigheden De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:
|
|
6) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 17 bis Europese partnerschappen 1. Een deel van het onderzoeksprogramma, met name onderzoek naar baanbrekende technologieën voor de vermindering van de CO2-uitstoot in de staalsector, kan worden uitgevoerd in de vorm van medegeprogrammeerde Europese partnerschappen die zijn vastgesteld in overeenstemming met de voorschriften van artikel 10 van en bijlage III bij Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (*1). 2. Voor de toepassing van dit artikel is een medegeprogrammeerd Europees partnerschap een initiatief dat wordt voorbereid met vroegtijdige betrokkenheid van de lidstaten, waarbij de Unie, samen met private of publieke partners, of beiden (zoals de industrie, universiteiten, onderzoeksorganisaties, organen met een openbaredienstverleningstaak op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van stichtingen en ngo’s) zich ertoe verbindt om de ontwikkeling en uitvoering van een programma van onderzoeksactiviteiten gezamenlijk te ondersteunen. Medegeprogrammeerde Europese partnerschappen worden opgezet op basis van memoranda van overeenstemming en/of contractuele regelingen tussen de Commissie en private of publieke partners, of beiden, waarin de doelstellingen van het partnerschap, de daarmee verband houdende door de partners aangegane verbintenissen in verband met financiële bijdragen of bijdragen in natura, of beiden, de belangrijkste prestatie- en impactindicatoren en de te verrichten prestaties worden gespecificeerd. Hieronder valt onder meer de vaststelling van aanvullende onderzoeksactiviteiten die door de partners en in het kader van het onderzoeksprogramma worden uitgevoerd. 3. In het kader van de medegeprogrammeerde Europese partnerschappen kan het onderzoeksprogramma financiering verstrekken aan activiteiten die op grond van deze afdeling subsidiabel zijn, in de in artikel 30 bedoelde vorm. Daarnaast kan zij financiering verstrekken in de vorm van prijzen. 4. De financiering voor de in deze afdeling vermelde activiteiten volgt op de gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen als bedoeld in artikel 25, leden 2 en 3. (*1) Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).”." |
|
7) |
Artikel 39 wordt vervangen door: “Artikel 39 Aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen Op de aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen, zoals bedoeld in artikel 18, artikel 28, lid 2, en artikel 38, is het bepaalde in artikel 237 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (*2) van toepassing. (*2) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).”." |
|
8) |
In artikel 41 wordt punt c) geschrapt. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
M. do C. ANTUNES
(1) Advies van 19 mei 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(3) Beschikking 2008/376/EG van de Raad van 29 april 2008 inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma (PB L 130 van 20.5.2008, blz. 7).
|
5.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 236/75 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1095 VAN DE COMMISSIE
van 2 juli 2021
tot vaststelling van de methode voor de toewijzing van de kosten in verband met de lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NextGenerationEU
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
Gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (1), en met name artikel 15, lid 4,
Gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (2), en met name artikel 5, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In het kader van de reactie op de COVID-19-crisis werd het herstelpakket NextGenerationEU (“NGEU”) goedgekeurd om herstelinitiatieven te financieren en tegelijkertijd de groene en de digitale transitie van de economie van de Europese Unie te vergemakkelijken. In dit verband zijn NGEU-programma’s programma’s die worden gefinancierd op grond van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (3), voor zover zij uitvoering geven aan de in artikel 1, lid 2, van die verordening bedoelde maatregelen. |
|
(2) |
Op grond van artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 is de Commissie gemachtigd om namens de Europese Unie middelen op kapitaalmarkten te lenen van maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018, waarvan maximaal 360 miljard EUR in prijzen van 2018 mag worden gebruikt voor het verstrekken van leningen en maximaal 390 miljard EUR in prijzen van 2018 voor uitgaven. |
|
(3) |
Op grond van artikel 5, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 komt de terugbetaling van de hoofdsom van de geleende voor uitgaven te gebruiken middelen en de daarmee samenhangende verschuldigde rente ten laste van de Uniebegroting. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) 2021/241 en artikel 220, lid 5, punt e), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (4) worden de kosten in verband met het lenen van middelen voor de leningen die op grond van Verordening (EU) 2021/241 worden verstrekt, door de begunstigde lidstaat gedragen. |
|
(5) |
Door de uitvoering van de gediversifieerde financieringsstrategie van de Commissie voor het verrichten van de leningstransacties in het kader van NGEU en de leningstransacties met het oog op schuldbeheer in het kader van NGEU wordt kapitaal niet langer per transactie aangetrokken. In dat model waren financieringskosten duidelijk identificeerbaar en verbonden met een specifieke leningstransactie en konden de daarmee samenhangende kosten worden overgedragen aan de begunstigde van de lening, samen met de opbrengst van de leningstransactie. Met de gediversifieerde financieringsstrategie van NGEU worden uitbetalingen in het kader van NGEU echter gefinancierd vanuit één enkele financieringspool, die uit financieringsinstrumenten op korte en op lange termijn bestaat, waaruit middelen worden opgenomen wanneer uitbetalingen aan begunstigden moeten worden gedaan. De gediversifieerde financieringsstrategie zorgt voor de gunstigste voorwaarden bij het lenen van aanzienlijke bedragen met verschillende looptijden. Bijgevolg is een aanpak op maat nodig om het berekenen en het toewijzen van de gedeelde kosten in verband met elke uitbetaling billijk, evenwichtig en transparant te laten verlopen. |
|
(6) |
Daartoe moet de Commissie een gemeenschappelijke en uniforme methode voor kosten toepassen, die van toepassing is op zowel de uitbetalingen in verband met leningen als die in verband met externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094. |
|
(7) |
Er moet een nieuwe methode voor de toewijzing van kosten worden gebruikt die ervoor zorgt dat er geen kruissubsidiëring van kosten plaatsvindt tussen de twee categorieën begunstigden. Kosten in verband met het lenen van middelen voor leningen moeten volledig worden doorberekend aan de lidstaten die op grond van Verordening (EU) 2021/241 leningen ontvangen. Kosten in verband met het lenen van middelen voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 worden volledig aan de begroting van de Unie doorberekend op basis van de werkelijk gemaakte kosten voor het ophalen en het uitbetalen van het respectieve deel van de opbrengst aan de verschillende begunstigden. De methode moet alle kosten dekken die de Commissie maakt voor de opname van leningen in het kader van NGEU, met inbegrip van alle administratieve kosten, en moet ervoor zorgen dat voor elke uitbetaling verschillende categorieën kosten worden berekend. |
|
(8) |
Bij deze methode voor berekening en toewijzing van kosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen drie categorieën kosten. Om te beginnen zijn er de financieringskosten, die voortvloeien uit renten en andere lasten die de Commissie moet betalen voor de verschillende instrumenten die worden uitgegeven om de betrokken uitbetalingen te financieren. Ten tweede zijn er de liquiditeitsbeheerskosten, namelijk kosten die voortvloeien uit het feit dat bedragen tijdelijk op liquiditeitsrekeningen worden aangehouden als reserves voor het verrichten van betalingen die er staan aan te komen. Ten derde zijn er de administratieve kosten van het opbouwen en het in stand houden van de technische en operationele capaciteit om een gediversifieerde financieringsstrategie uit te voeren. |
|
(9) |
De berekening van de financieringskosten die voortvloeien uit leningstransacties op lange termijn, moet worden afgeleid van de kosten die voortvloeien uit alle leningstransacties die zijn verricht tijdens de periode van zes maanden waarin, in de regel, de datum van de uitbetaling valt. De opdeling in tijdvakken van zes maanden wordt gerechtvaardigd doordat de aan de uitbetaling toegewezen financieringskosten nauw moeten samenhangen met de geldende markttarieven op het tijdstip waarop die uitbetaling plaatsvindt, en niet met financieringskosten die in een totaal andere tijdspanne zijn gemaakt. Op die manier worden de financieringsinstrumenten en de daarmee samenhangende kosten toegerekend aan de relevante tijdvakken. De exacte pool van financieringsinstrumenten wordt pas vastgesteld aan het einde van het tijdvak van zes maanden. Dat moet het mogelijk maken dezelfde financieringskosten toe te passen op alle gelijktijdige uitbetalingen die aan hetzelfde tijdvak worden toegerekend, en moet zorgen voor een billijke, evenwichtige en transparante aanpak tussen de lidstaten in het bijzonder. De lidstaten en de begroting van de Unie voor de externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 moeten hun respectieve deel betalen. Dit voorkomt de willekeur of het toeval die kenmerkend waren voor het traditionele back-to-backsysteem, waarbij de kosten voor een bepaalde begunstigde de voorwaarden waren die konden worden verkregen op de specifieke dag waarop de lening werd opgenomen. Met uitzondering van het eerste tijdvak, dat moet lopen van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021, moet ieder tijdvak een periode van zes maanden bestrijken en starten op 1 januari of 1 juli. De actieve periode van het laatste tijdvak moet eindigen op 31 december 2026; er zullen dus in totaal elf tijdvakken zijn. Zodra de volledige terugbetaling van de gefinancierde uitbetalingen is bereikt, wordt er niet meer met tijdvakken gewerkt. |
|
(10) |
Hoewel de aan begunstigden van een lening in rekening gebrachte renten stabiel zullen blijven, zullen de tarieven toch periodiek en marginaal worden herberekend wanneer vervallende instrumenten in de financieringspool moeten worden vervangen. De Commissie zal haar capaciteit ontwikkelen om derivaten zoals swaps te gebruiken om eventuele resterende renterisico’s te beheren en de lidstaten de mogelijkheid van vastrentende leningen aan te bieden. De kosten van deze vastrentende faciliteit moeten volledig en exclusief worden gedragen door de lidstaten die van deze mogelijkheid gebruikmaken. |
|
(11) |
Het bedrag van de uitbetalingen in een tijdvak moet gelijk zijn aan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan dat tijdvak zijn toegerekend. In de meeste gevallen zullen de uitbetalingen van de opbrengsten plaatsvinden in en worden toegerekend aan hetzelfde tijdvak als de uitgifte van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die zijn gebruikt om de opbrengsten te genereren. Onvoorziene vertragingen bij de uitbetalingen kunnen echter leiden tot situaties waarin de opbrengsten van de langetermijnfinanciering zijn gegenereerd maar niet kunnen worden uitbetaald zoals oorspronkelijk gepland. In dat geval kan de uitbetaling worden uitgesteld en plaatsvinden in het volgende tijdvak. Als de middelen voor deze specifieke financieringsbehoeften echter al zijn opgehaald en aan het vorige tijdvak zijn toegerekend, kunnen ze niet worden gebruikt voor andere behoeften in dit tijdvak. In deze omstandigheden moet het mogelijk zijn om de daarmee samenhangende uitbetalingen toe te rekenen aan het tijdvak waaraan de financieringsinstrumenten zijn toegerekend. Het moet ook mogelijk zijn om langetermijnfinancieringsinstrumenten van het volgende tijdvak toe te rekenen aan het vorige tijdvak ingeval het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten van dat tijdvak niet volstaat om het bedrag van de uitbetalingen te dekken. |
|
(12) |
De Commissie zal in het voorafgaande tijdvak ook moeten anticiperen op de uitbetalingsbehoeften aan het begin van het volgende tijdvak. Om aan dergelijke situaties tegemoet te komen en tegen gunstige voorwaarden over de nodige middelen te beschikken om uitbetalingen te verrichten die dicht bij de overgang tussen twee tijdvakken plaatsvinden, moet de Commissie langetermijnfinancieringsinstrumenten kunnen toerekenen aan het volgende tijdvak. |
|
(13) |
De kern van de gediversifieerde financieringsstrategie is het vermogen om liquiditeiten van de financieringsverrichtingen te beheren door toegang te hebben tot kortetermijnleningen en contanten aan te houden voor prudentiële doeleinden. Met dat liquiditeitsbeheer zal de Commissie in staat zijn aan alle betalingsbehoeften te voldoen en de uitgifte aan te passen aan de marktvoorwaarden. Dit vermogen leidt tot kosten van het aantrekken van opbrengsten door de uitgifte van kortlopende effecten en kosten van het tijdelijk aanhouden van bepaalde opbrengsten op een liquiditeitsrekening om te garanderen dat alle betalingen op verzoek kunnen worden verricht. Dit besluit moet de basis vormen om deze liquiditeitskosten te berekenen en in de loop van het betreffende jaar op billijke en evenwichtige basis toe te wijzen aan alle relevante begunstigden van opbrengsten. |
|
(14) |
Hogere uitbetalingsbehoeften dan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan het respectieve tijdvak zijn toegerekend, of rentebetalingen kunnen leiden tot een liquiditeitstekort in een tijdvak. Lagere uitbetalingsbehoeften dan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan het respectieve tijdvak zijn toegerekend of door NGEU ontvangen aflossingsbetalingen in verband met de uitstaande uitbetalingen die aan het tijdvak zijn toegerekend, kunnen leiden tot een liquiditeitsoverschot. Het compenseren van deze liquiditeitsoverschotten of -tekorten is een onvermijdelijke voorwaarde voor de uitvoering van de NGEU-financieringsstrategie. Deze kosten mogen niet ten laste komen van de respectieve tijdvakken, maar moeten worden geïsoleerd en beheerd als onderdeel van afzonderlijke liquiditeitsbeheerskosten. Er moet een mechanisme worden ingesteld om de kosten van liquiditeitstekorten of -overschotten te scheiden zodat zij in het bredere financieringsprogramma kunnen worden opgevangen als liquiditeitsbeheerskosten. De Commissie moet het liquiditeitsbeheerscompartiment gebruiken om positieve of negatieve kassaldi in de tijdvakken te nivelleren met het totale bedrag van de uitbetalingen. |
|
(15) |
Voor de uitvoering van de gediversifieerde financieringsstrategie moeten nieuwe capaciteiten worden verworven om de voordeligste toegang tot kapitaalmarkten te verkrijgen en ervoor te zorgen dat dergelijke infrastructuur op een continue en doeltreffende manier in stand wordt gehouden. Hieronder vallen ook kosten voor het aanhouden van liquiditeitsrekeningen, voor het verwerven van capaciteit voor het organiseren van de veilingen van EU-bills en -obligaties en voor het invoeren van nieuwe interne gegevensverwerkingscapaciteit. Dergelijke kosten, die rechtstreeks voortvloeien uit de uitvoering van lenings- en uitbetalingstransacties in het kader van NGEU, moeten worden behandeld als overheadkosten die uiteenvallen in kosten voor de opstart en kosten voor de instandhouding van de lenings- en betalingsinfrastructuur van NGEU. Deze kosten moeten deel uitmaken van de algemene beheerskosten. |
|
(16) |
In de algemene beheerskosten zitten alle administratieve kosten die rechtstreeks worden gemaakt voor de uitvoering van NGEU. Het gaat daarbij ofwel om opstartkosten, die verband houden met eenmalige kosten voor de opbouw van bepaalde operationele capaciteiten, ofwel om recurrente kosten, die onvermijdelijke en rechtstreeks aan NGEU-transacties toe te rekenen kosten zijn die zich in de loop van de tijd voordoen. |
|
(17) |
Terwijl de recurrente kosten het grootste deel moeten uitmaken van de reguliere jaarlijkse kosten die worden toegerekend aan de uitbetalingen die in een bepaald jaar plaatsvinden, moeten de opstartkosten worden toegerekend als eenmalige lasten. |
|
(18) |
Administratieve kosten die deel uitmaken van de algemene beheerskosten moeten worden beperkt tot een gesloten lijst van rechtstreeks met NGEU verband houdende kosten. De totale algemene beheerskosten vormen een zeer beperkt deel van de totale kosten van de NGEU-transacties. De Commissie zal passend overleg plegen, onder meer met deskundigen van de lidstaten, voordat zij de lijst met beheerskosten uitbreidt, mocht zulks in de toekomst nodig blijken. Eenzelfde overleg zal ook plaatsvinden voordat andere aspecten van deze methode worden gewijzigd die van invloed zijn op de door de begroting van de Unie of de lidstaten te dragen kosten. |
|
(19) |
Het factureringsproces achteraf moet zo worden opgezet dat de kosten worden teruggevorderd vanaf 2022 en tot het moment dat er geen kosten meer worden gegenereerd door lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU. |
|
(20) |
De Commissie moet voor elke uitbetaling een bevestigende verklaring uitgeven, zowel voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 als voor leningen aan lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 (“RRF-leningen”). |
|
(21) |
De leningen overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 moeten worden uitgevoerd tegen standaard financiële voorwaarden (looptijd en aflossingsschema) voor elke uitbetaling aan de lidstaten. Voor uitbetalingen voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 moet de bevestigende verklaring het belangrijkste ondersteunende element zijn dat deze financiële voorwaarden voor de EU-begroting bepaalt. In de bevestigende verklaring wordt de kostendeclaratie vastgelegd op basis van de financiële voorwaarden. Deze voorwaarden bevatten de datum van uitbetaling, het bedrag van de financiële steun en de datum van de betalingen van de financieringskosten van externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094. |
|
(22) |
Passende verwijzingen in de door de lidstaten ondertekende leningsovereenkomsten zullen verduidelijken dat de kosten van de uitbetalingen worden bepaald door toepassing van de in dit besluit uiteengezette methode. |
|
(23) |
De methode voor de toewijzing van de kosten bepaalt de berekeningsmethode voor de kosten van leningstransacties die worden gedragen door zowel de EU-begroting overeenkomstig artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 als door de lidstaten overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) 2021/241. Zo vormt zij een regeling voor het beheer van de transacties tot het opnemen en het verstrekken van leningen in de zin van artikel 5, lid 3, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 en artikel 15, lid 4, van Verordening (EU) 2021/241. |
|
(24) |
Om te zorgen voor eenvormige toewijzing van kosten in het kader van het NGEU-herstelpakket, moet dit besluit van toepassing zijn met ingang van 1 juni 2021. Aangezien dit besluit van toepassing moet zijn op leningstransacties en uitbetalingen in het kader van het NGEU-programma die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding ervan, moet dit besluit in werking treden op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. De toepassing van dit besluit op leningen in het kader van Verordening (EU) 2021/241 met lidstaten moet plaatsvinden bij de inwerkingtreding van de desbetreffende leningovereenkomsten, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
AFDELING 1
ONDERWERP, DEFINITIES EN ALGEMENE REGELS
Artikel 1
Onderwerp en beginselen
1. Dit besluit stelt één uniforme methode vast voor de toewijzing van financieringskosten, liquiditeitsbeheerskosten en algemene beheerskosten die voortvloeien uit lenings- en schuldbeheertransacties die worden uitgevoerd in het kader van uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2094 gefinancierde programma’s, voor zover zij uitvoering geven aan de in artikel 1, lid 2, van die verordening bedoelde maatregelen.
2. Bij de toepassing van de methode voor de toewijzing van kosten wordt uitgegaan van de beginselen van billijkheid en evenwichtige behandeling om ervoor te zorgen dat de kosten worden toegewezen op basis van het relatieve aandeel aan ontvangen steun.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
|
1) |
“financieringsinstrumenten”: obligaties, promessen, handelspapier, schatkistpapier of andere passende financiële transacties op korte en/of lange termijn die worden uitgegeven in het kader van de financieringsstrategie van de Commissie voor de uitvoering van lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU; |
|
2) |
“RRF-leningsovereenkomst”: een overeenkomst tussen de Commissie en een lidstaat overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2021/241; |
|
3) |
“uitbetaling”: een uitbetaling aan een lidstaat in het kader van een RRF-leningsovereenkomst overeenkomstig artikel 2, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2020/2094 of als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094; |
|
4) |
“renteperiode”: een periode van twaalf (12) maanden, of een andere periode die in de bevestigende verklaring kan worden gespecifieerd, die van start gaat op de datum van uitbetaling of op de datum van de voorgaande rentebetaling; |
|
5) |
“liquiditeitsbeheer”: het beheer van kasstromen in verband met financieringsinstrumenten en uitbetalingen; |
|
6) |
“leningstransacties in het kader van NGEU”: transacties op de markten, met name schulduitgiften, om een bedrag van maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018 te lenen, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053, met inbegrip van doorrolleningen; |
|
7) |
“schuldbeheertransacties in het kader van NGEU”: markttransacties met betrekking tot de schuld die voortvloeit uit de leningstransacties in het kader van NGEU om de structuur van de uitstaande schuld te optimaliseren en het renterisico, het liquiditeitsrisico en andere financiële risico’s te limiteren; |
|
8) |
“kortetermijnfinancieringsinstrument”: financiering door leningstransacties in het kader van NGEU met een looptijd van één jaar of korter; |
|
9) |
“langetermijnfinancieringsinstrument”: financiering door leningstransacties in het kader van NGEU met een looptijd van meer dan één jaar. |
AFDELING 2
TIJDVAKKEN EN KOSTENBEREKENING
Artikel 3
Tijdvakken
1. Een tijdvak is actief gedurende een periode van zes maanden beginnende op 1 januari of 1 juli. Het eerste tijdvak bestrijkt echter de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021. De actieve periode van het laatste tijdvak eindigt op 31 december 2026.
2. Het tijdvak wordt samengesteld door de uitbetalingen tijdens de actieve periode van dat tijdvak en de eraan toegerekende daarmee samenhangede financieringsinstrumenten. Een uitbetaling wordt toegerekend aan het tijdvak dat actief is op de datum van de uitbetaling.
In afwijking van de eerste alinea worden, indien het bedrag van de opbrengsten van aan het vorige tijdvak toegerekende langetermijnfinancieringsinstrumenten hoger is dan het bedrag van de uitbetalingen die overeenkomstig de eerste alinea aan dat vorige tijdvak zijn toegerekend, de uitbetalingen aan dat vorige tijdvak toegerekend totdat het totale bedrag van de uitbetalingen van dat vorige tijdvak hetzelfde is als het bedrag van de opbrengsten van het eraan toegerekende langetermijnfinancieringsinstrument.
3. Andere dan de in lid 4 bedoelde langetermijnfinancieringsinstrumenten worden toegerekend aan het tijdvak dat actief is op het moment van sluiting van de leningstransactie in het kader van NGEU die deze instrumenten genereert.
In afwijking van de eerste alinea:
|
a) |
kunnen financieringsinstrumenten die worden aangetrokken met het oog op de financiering van een uitbetaling in het volgende tijdvak, aan dat tijdvak worden toegerekend; |
|
b) |
worden, indien het bedrag van de uitbetalingen aan het einde van het actieve tijdvak hoger is dan het bedrag van de opbrengsten van de langetermijnfinancieringsinstrumenten, de uit de leningstransacties in het kader van NGEU gegenereerde langetermijnfinancieringsinstrumenten die na afloop van de actieve periode van het tijdvak zijn gesloten, aan dat tijdvak toegerekend totdat het bedrag van de opbrengsten van de langetermijnfinancieringsinstrumenten het bedrag bereikt van de uitbetalingen van dat tijdvak. |
4. Langetermijnfinancieringsinstrumenten die vervallende langetermijnfinancieringsinstrumenten vervangen, worden aan hetzelfde tijdvak toegerekend.
Artikel 4
Liquiditeitsbeheerscompartiment
1. Het liquiditeitsbeheerscompartiment loopt door totdat de in artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad bedoelde middelen volledig zijn terugbetaald.
2. Het liquiditeitsbeheerscompartiment bestaat uit kortetermijnfinancieringsinstrumenten.
Artikel 5
Kostenberekening
De financieringskosten, liquiditeitsbeheerskosten en algemene beheerskosten worden berekend overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
AFDELING 3
FACTURERING
Artikel 6
Bevestigende verklaring
1. Met betrekking tot elke uitbetaling geeft de Commissie een bevestigende verklaring uit waarin de voorwaarden van de kostendeclaratie worden vastgesteld.
2. Die bevestigende verklaring bepaalt de voorwaarden voor de betaling van de financieringskosten en van de aflossing van de hoofdsom met betrekking tot elke uitbetaling.
3. De in lid 1 bedoelde bevestigende verklaring vermeldt met name de volgende elementen:
|
a) |
het bedrag van de uitbetaling; |
|
b) |
de looptijd; |
|
c) |
het terugbetalingsschema; |
|
d) |
de toerekening van de uitbetaling aan een tijdvak; |
|
e) |
de renteperiode en de aangegeven betaaldatum van de financieringskosten. |
4. De bevestigende verklaring voor leningen bevat ook aanvullende elementen die in de RRF-leningsovereenkomsten zijn vermeld.
Artikel 7
Facturering van de financieringskosten
De Commissie stelt aan het einde van de in artikel 2, lid 4, bedoelde renteperiode een factuur met betrekking tot de financieringskosten op. Voor uitbetalingen als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 kunnen de facturen worden gegroepeerd per kwartaal van het kalenderjaar.
Artikel 8
Facturering van de liquiditeitsbeheerskosten
De Commissie stelt aan het begin van elk kalenderjaar een factuur op voor de liquiditeitsbeheerskosten die tijdens het vorige kalenderjaar zijn gemaakt.
Artikel 9
Facturering van de algemene beheerskosten
De Commissie stelt voor de algemene beheerskosten die tijdens het vorige kalenderjaar zijn gemaakt, een factuur op voor de lidstaten die RRF-leningen ontvangen.
AFDELING 4
SLOTBEPALINGEN
Artikel 10
Inwerkingtreding en toepassing
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Het is van toepassing met ingang van 1 juni 2021.
Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.
(2) PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.
(3) Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 23).
(4) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
BIJLAGE
1. Berekening van de financieringskosten
De financieringskosten (FK) worden stapsgewijs als volgt berekend:
|
|
Stap 1: Berekening van de dagelijkse totale kosten van een individueel financieringsinstrument in een tijdvak of liquiditeitsbeheerscompartiment De dagelijkse opgelopen kosten worden berekend:
Voor elk financieringsinstrument wordt de agio/disagio lineair gespreid over de levensduur van het instrument:
waarbij uitgifteprijs = all-in prijs (inclusief bankkosten) Voor elk financieringsinstrument worden de dagelijkse totale kosten berekend:
|
|
|
Stap 2: Berekening van de geaggregeerde dagelijkse totale financieringskosten Voor elk tijdvak (TV1-TV11) zijn de totale dagelijkse kosten voor het tijdvak vóór de nivellering van liquiditeitssaldi gelijk aan de som van alle dagelijkse totale kosten van elk aan het tijdvak toegerekende financieringsinstrument:
Voor het liquiditeitsbeheerscompartiment zijn de dagelijkse financieringskosten:
|
|
|
Stap 3: Berekening van het dagelijkse liquiditeitssaldo in de tijdvakken Het niveau van het dagelijkse liquiditeitssaldo in een tijdvak wordt op dagbasis als volgt berekend:
|
|
|
Stap 4: Berekening van de dagelijkse kosten van het aandeel financieringsinstrumenten als liquiditeitsoverschot van een tijdvak De dagelijkse financieringskosten met betrekking tot het aandeel financieringsinstrumenten van een positief resultaat van stap 3 (“liquiditeitsoverschot”) worden als volgt berekend:
|
|
|
Stap 5: Berekening van de financieringskosten van een tijdvak en de kosten van een liquiditeitsbeheerscompartiment in het geval van een tijdvak met een liquiditeitsoverschot Het liquiditeitsoverschot wordt overgedragen van het respectieve tijdvak naar het liquiditeitsbeheerscompartiment. De financieringskosten van dat tijdvak waaruit het liquiditeitsoverschot wordt overgedragen, worden als volgt berekend:
De kosten van het liquiditeitsbeheerscompartiment dat het liquiditeitsoverschot ontvangt, worden als volgt berekend:
|
|
|
Stap 6: Berekening van de financieringskosten van het tijdvak met een liquiditeitstekort Het negatief resultaat van stap 3 (“liquiditeitstekort”) in een tijdvak wordt genivelleerd met een overdracht van liquiditeit vanuit het liquiditeitsbeheerscompartiment tegen de dagelijkse financieringskosten ervan (stap 5).
De dagelijkse financieringskosten van de uitbetaling zijn de dagelijkse financieringskosten van het tijdvak na nivellering vermenigvuldigd met het relatieve aandeel van de uitbetaling in verhouding tot het tijdvak waaraan het wordt toegerekend.
|
2. Berekening liquiditeitsbeheerscompartiment
De liquiditeitsbeheerskosten (LBK) worden per kwartaal van het kalenderjaar als volgt berekend:
In afwijking van de eerste alinea worden de liquiditeitsbeheerskosten voor de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021 als volgt berekend:
De LBK per kwartaal worden als volgt aan elke uitbetaling toegerekend:
|
|
|
3. Berekening van de algemene beheerskosten
De algemene beheerskosten omvatten recurrente administratieve kosten en opstartkosten voor RRF-leningen.
3.1. Berekening van de recurrente administratieve kosten
De recurrente administratieve kosten omvatten alle kosten die de Commissie maakt bij de uitvoering van de lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU, bestaande uit:
|
a) |
juridische kosten, met inbegrip van honoraria voor juridische adviezen; |
|
b) |
recurrente kosten voor het houden van rekeningen; |
|
c) |
kosten voor externe controle; |
|
d) |
onderhoudskosten voor veilingplatforms; |
|
e) |
vergoedingen voor ratingbureaus; |
|
f) |
vergoedingen voor notering, heffingen, registratie, publicatie en afwikkeling; |
|
g) |
vergoedingen voor informatietechnologie; |
|
h) |
uitgaven voor marktonderzoek. |
Voor zover dergelijke kosten gemeenschappelijk zijn voor leningstransacties in het kader van NGEU die ten behoeve van andere programma’s voor financiële steun worden uitgevoerd, worden de in de berekening opgenomen kosten berekend als het pro rata-aandeel dat wordt toegekend aan lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU in het desbetreffende kalenderjaar. Dergelijke kosten zijn niet verschuldigd voor RRF-leningen voor het jaar 2021.
Recurrente administratieve kosten worden als volgt berekend:
|
|
|
De recurrente administratieve kosten worden als volgt toegewezen:
3.2. Berekening en toewijzing van opstartkosten
De opstartkosten omvatten alle kosten die de Commissie maakt bij het uitvoeren van lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU of voor technische bijstand met betrekking tot die transacties, met inbegrip van de kosten in verband met:
|
a) |
het opzetten van NGEU-rekeningen; |
|
b) |
het opzetten van een veilingplatform; |
|
c) |
het opzetten van een instrument voor beleggersbeheer; |
|
d) |
andere informatietechnologiekosten; |
|
e) |
marktonderzoek; |
|
f) |
consultancyvergoedingen. |
De opstartkosten per begunstigde van RRF-leningen worden in de volgende stappen berekend:
|
i) |
de opstartkosten voor RRF-leningen worden als volgt berekend:
|
|
ii) |
de opstartkosten voor RRF-leningen worden voor de jaren 2021, 2022 en 2023 toegewezen aan elke lidstaat die een RRF-leningsovereenkomst heeft ondertekend, in het jaar van ondertekening, als volgt:
|
|
iii) |
vanaf 1 januari 2024 worden niet-toegewezen opstartkosten als volgt berekend:
|
Ze worden als volΣgt toegewezen als aanvullende opstartkosten aan uitbetalingen aan lidstaten in het kader van de RRF-leningsovereenkomst:
3.3. Berekening van de algemene beheerskosten per begunstigde
4. Gebruikte afkortingen
|
OPGdagelijks |
opgelopen rentekosten per financieringsinstrument uitgesplitst naar dag |
|
ABKjaarlijks |
som van de algemene beheerskosten gedurende het kalenderjaar |
|
agio/disagiodagelijks |
agio of disagio op basis van de all-in uitgifteprijs uitgesplitst naar dag |
|
Begunstigde |
lidstaten die uitbetalingen voor RRF-leningen ontvangen en de begroting van de Unie die uitbetalingen ontvangt als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 |
|
FK van een individuele vordering in TV(x) |
financieringskosten van een vordering in tijdvak x |
|
FKdagelijks per instrument |
financieringskosten per dag per financieringsinstrument |
|
FKdagelijksLBCpost-nivellering |
financieringskosten per dag voor het LBC na de nivellering |
|
FKdagelijksCLBpre-nivellering |
financieringskosten per dag voor het LBC vóór de nivellering |
|
FKdagelijksTV(tekort)post-nivellering |
financieringskosten per dag na de nivellering voor de vakken met een initieel liquiditeitstekort |
|
FKdagelijksTV(overschot)post-nivellering |
financieringskosten per dag na de nivellering voor de vakken met een initieel liquiditeitsoverschot |
|
FKdagelijksTV(x)pre-nivellering |
financieringskosten per dag vóór de nivellering van vak x |
|
FKdagelijkseLiquiditeit overschot TV(overschot) |
financieringskosten per dag met betrekking tot het liquiditeitsoverschot in het tijdvak |
|
FKdagelijksLiquiditeitsoverdracht van LBC |
financieringskosten per dag met betrekking tot de liquiditeit die wordt overgedragen naar het LBC |
|
Coupon |
door de uitgevende instelling betaalde rente op de obligatie |
|
LiquiditeitTV(x) |
bedrag aan liquiditeit in tijdvak x |
|
LBC |
liquiditeitsbeheerscompartiment |
|
LBKkwartaal |
liquiditeitsbeheerskosten in een kwartaal |
|
notioneel |
nominaal bedrag |
|
RoI van aangehouden liquiditeitenkwartaal |
return on investment van aangehouden liquiditeiten in een kwartaal |
|
TV(x) |
totale som van vorderingen en liquiditeit van tijdvak x |