ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 236

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
5 juli 2021


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1087 van de Commissie van 7 april 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago ( 1 )

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1088 van de Commissie van 7 april 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de milieubeschermingseisen ( 1 )

3

 

*

Verordening (EU) 2021/1089 van de Commissie van 30 juni 2021 tot vaststelling van een sluiting van de visserij op zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 voor vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1090 van de Commissie van 2 juli 2021 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest ( 1 )

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1091 van de Commissie van 2 juli 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten

47

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2021/1092 van de Raad van 11 juni 2021 tot vaststelling van de criteria en de procedure voor de kennisgeving van verschillen met betrekking tot de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde internationale normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart

51

 

*

Besluit (EU) 2021/1093 van de Raad van 28 juni 2021 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad en beperkingen van de rechten van betrokkenen in het kader van de uitoefening van de taken van de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, en tot intrekking van Besluit 2004/644/EG van de Raad

55

 

*

Besluit (EU) 2021/1094 van de Raad van 28 juni 2021 tot wijziging van Beschikking 2008/376/EG inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma

69

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1095 van de Commissie van 2 juli 2021 tot vaststelling van de methode voor de toewijzing van de kosten in verband met de lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NextGenerationEU

75

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1087 VAN DE COMMISSIE

van 7 april 2021

tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 19, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Andere dan onbemande luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur moeten voldoen aan de eisen inzake milieubescherming. Verordening (EU) 2018/1139 voorziet in deze eisen door te verwijzen naar specifieke bepalingen van het Verdrag van Chicago, waarin die eisen zijn opgenomen.

(2)

Op 11 maart 2020 heeft de ICAO-Raad, tijdens de vijfde vergadering van zijn 219e zitting, wijziging 13 van ICAO-bijlage 16, volume I “Geluidsemissies van luchtvaartuigen” van het Verdrag van Chicago, wijziging 10 van volume II “Emissies van luchtvaartuigmotoren” van het Verdrag van Chicago en wijziging 1 van volume III “CO2-emissies van vliegtuigen” van het Verdrag van Chicago aangenomen. Deze wijzigingen zijn op 1 januari 2021 in werking getreden en van toepassing geworden op alle lidstaten.

(3)

De verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago moeten derhalve worden geactualiseerd en Verordening (EU) 2018/1139 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op Advies nr. 03/2020 van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), overeenkomstig artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 9, lid 2 van Verordening (EU) 2018/1139 wordt de eerste alinea vervangen door:

“Wat betreft geluid en emissies voldoen deze luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur aan de eisen inzake milieubescherming als vervat in wijziging 13 van volume I, in wijziging 10 van volume II, en in wijziging 1 van volume III, alle als toepasselijk op 1 januari 2021, van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/3


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/1088 VAN DE COMMISSIE

van 7 april 2021

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de milieubeschermingseisen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 19, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 april 2021 heeft de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1087 (2) tot actualisering van de verwijzingen naar het Verdrag van Chicago vastgesteld; deze verordening bevat de milieubeschermingseisen.

(2)

Andere dan onbemande luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur moeten met ingang van 1 januari 2021 voldoen aan die eisen inzake milieubescherming.

(3)

De verwijzingen naar de milieubeschermingseisen in Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (3) moeten worden geactualiseerd.

(4)

Verordening (EU) nr. 748/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op Advies nr. 03/2020 van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), overeenkomstig artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 748/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 9 wordt lid 4 vervangen door:

“4.   Bij wijze van uitzondering op lid 1 mag de productieorganisatie bij de bevoegde autoriteit een afwijking aanvragen van de milieubeschermingseisen die vermeld zijn in artikel 9, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) 2018/1139.”.

2)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1087 van de Commissie van 7 april 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de actualisering van de verwijzingen naar de bepalingen van het Verdrag van Chicago (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(3)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In 21.A.130, punt b), wordt punt 4 vervangen door:

“4.

en, in het geval van milieubeschermingseisen:

i)

een verklaring dat de voltooide motor voldoet aan de motoremissievereisten die van toepassing zijn op de datum waarop de motor is gebouwd, en

ii)

een verklaring dat het voltooide vliegtuig voldoet aan de CO2-emissievereisten die van toepassing zijn op de datum waarop het eerste luchtwaardigheidscertificaat voor het vliegtuig is afgegeven.”.

2)

In 21.A.145, punt b), worden de inleidende zin en punt 1 vervangen door:

“b)

met betrekking tot alle noodzakelijke luchtwaardigheids- en milieubeschermingsgegevens:

1.

dat de productieorganisatie dergelijke gegevens heeft ontvangen van het Agentschap en van de houder of aanvrager van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring, met inbegrip van alle vrijstellingen van de milieubeschermingseisen, teneinde te bepalen of voldaan is aan de toepasselijke ontwerpgegevens;”.

3)

In 21.A.147 wordt punt a) vervangen door:

“a)

Nadat een erkenning als productieorganisatie is afgegeven, moet elke wijziging in de erkende productieorganisatie die gevolgen heeft voor de conformiteit of voor of voor de luchtwaardigheids- en milieubeschermingskenmerken van het product, onderdeel of uitrustingsstuk, met name wijzigingen van het kwaliteitssysteem, worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit. De aanvraag voor een goedkeuring moet schriftelijk worden ingediend bij de bevoegde autoriteit en alvorens de wijziging toe te passen moet de organisatie aan de bevoegde autoriteit aantonen dat zij voldoet aan dit subdeel.”.

4)

In 21.A.801 wordt punt a) vervangen door:

“a)

De identificatie van producten moet de volgende informatie bevatten:

1.

de naam van de fabrikant;

2.

de benaming van het product;

3.

het serienummer van de fabrikant;

4.

het merkteken “EXEMPT” in het geval van een motor, wanneer de bevoegde autoriteit een vrijstelling van de milieubeschermingseisen heeft verleend;

5.

elke andere informatie die het Agentschap nodig acht.”.

5)

Punt 21.B.85 wordt vervangen door:

“21.B.85   Aanduiding van de toepasselijke milieubeschermingseisen voor een typecertificaat of beperkt typecertificaat

a)

Het Agentschap stelt de toepasselijke milieubeschermingseisen voor een typecertificaat of beperkt typecertificaat voor een luchtvaartuig of voor een typecertificaat voor een motor vast en deelt deze mee aan de aanvrager. De vaststelling en kennisgeving bevatten:

1.

de toepasselijke geluidseisen die zijn vastgesteld in:

i)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, hoofdstuk 1, en:

A)

voor subsonische straalvliegtuigen, in hoofdstukken 2, 3, 4 en 14;

B)

voor propellervliegtuigen, in hoofdstukken 3, 4, 5, 6, 10 en 14;

C)

voor helikopters, in hoofdstukken 8 en 11;

D)

voor supersonische vliegtuigen, in hoofdstuk 12, en

E)

voor luchtvaartuigen met kantelende rotor, in hoofdstuk 13.

ii)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I:

A)

aanhangsel 1 voor vliegtuigen waarop de hoofdstukken 2 en 12 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, van toepassing zijn;

B)

aanhangsel 2 voor vliegtuigen waarop de hoofdstukken 3, 4, 5, 8, 13 en 14 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, van toepassing zijn;

C)

aanhangsel 3 voor vliegtuigen waarop hoofdstuk 6 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, van toepassing is;

D)

aanhangsel 4 voor vliegtuigen waarop hoofdstuk 11 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, van toepassing is, en

E)

aanhangsel 6 voor vliegtuigen waarop hoofdstuk 10 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume I, deel II, van toepassing is;

2.

de toepasselijke emissievoorschriften voor de preventie van opzettelijke brandstofventilatie door luchtvaartuigen die zijn vastgesteld in bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume II, deel II, hoofdstukken 1 en 2;

3.

de toepasselijke voorschriften voor de rook-, gas- en deeltjesemissies van motoren, die zijn vastgesteld in;

i)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume II, deel III, hoofdstuk 1, en:

A)

voor rook- en gasemissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met subsonische snelheid, in hoofdstuk 2;

B)

voor rook- en gasemissies van turbojet- en turbofanmotoren die bestemd zijn voor aandrijving met supersonische snelheid, in hoofdstuk 3, en

C)

voor deeltjesemissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met subsonische snelheid, in hoofdstuk 4;

ii)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume II:

A)

aanhangsel 1 voor de meting van de referentiedrukverhouding;

B)

aanhangsel 2 voor de evaluatie van rookemissies;

C)

aanhangsel 3 voor instrumenten en meettechnieken voor gasvormige emissies:

D)

aanhangsel 4 voor specificaties voor brandstof die moet worden gebruikt bij het tests van de emissies van turbinemotoren van luchtvaartuigen;

E)

aanhangsel 5 voor instrumenten en meettechnieken voor gasvormige emissies van gasturbinemotoren met naverbranding;

F)

aanhangsel 6 voor de conformiteitsprocedure voor gas-, rook- en deeltjesemissies, en

G)

aanhangsel 7 voor instrumenten en meettechnieken voor niet-vluchtige deeltjes;

4.

de toepasselijke CO2-emissievereisten voor vliegtuigen die zijn vastgesteld in:

i)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume III, deel II, hoofdstuk 1, en:

A)

voor subsonische straalvliegtuigen, in hoofdstuk 2, en

B)

voor subsonische propellervliegtuigen, in hoofdstuk 2;

ii)

bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume III, aanhangsels 1 en 2, voor vliegtuigen waarop hoofdstuk 2 van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume III, deel II, van toepassing is;

5.

voor motoren, de toepasselijke eisen van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, volume II, deel IV, en aanhangsel 8 betreffende de beoordeling van niet-vluchtige deeltjes met het oog op inventarisatie en modellering.

b)

(voorbehouden).”.


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/7


VERORDENING (EU) 2021/1089 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2021

tot vaststelling van een sluiting van de visserij op zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 voor vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2021/92 van de Raad (2) zijn quota voor 2021 vastgesteld.

(2)

Uit de door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 door vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in Frankrijk, het voor 2021 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moeten bepaalde visserijactiviteiten met betrekking tot dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het vangstquotum dat voor 2021 is toegewezen aan Frankrijk voor het in de bijlage vermelde bestand van zeeduivel in de gebieden 8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

1.   Met ingang van de in de bijlage opgenomen datum is het voor vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in Frankrijk, verboden te vissen op het in artikel 1 bedoelde bestand. Het is met name verboden naar vis te zoeken en vistuig te water te laten, uit te zetten of op te halen voor het bevissen van dat bestand.

2.   Het blijft toegestaan vis en visserijproducten van vangsten uit dat bestand die vóór die datum door die vaartuigen zijn gevangen, over te laden, aan boord te houden, aan boord te verwerken, over te brengen, te kooien, vet te mesten en aan te landen.

3.   Door die vaartuigen verrichte onbedoelde vangsten van soorten uit dat bestand worden overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) aan boord van de vissersvaartuigen gebracht en gehouden, geregistreerd, aangeland en in mindering gebracht op de quota.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2021.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Virginijus SINKEVIČIUS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2021/92 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 31 van 29.1.2021, blz. 31).

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

08/TQ92

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

ANF/8C3411

Soort

Zeeduivel (Lophiidae)

Gebied

8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1

Datum van sluiting

3.6.2021


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1090 VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 2021

tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 71, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (2) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest die door de in bijlage I bij die verordening vermelde lidstaten (de “betrokken lidstaten”) gedurende een beperkte periode in de in die bijlage vermelde beperkingszones I, II en III moeten worden toegepast.

(3)

De in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III opgenomen gebieden zijn opgenomen op basis van de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie. Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 van de Commissie (3), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Polen en Slowakije.

(4)

Bij eventuele wijzigingen van beperkingszones I, II en III in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 moet worden uitgegaan van de epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de gebieden die door die ziekte zijn getroffen en de algemene epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de desbetreffende lidstaat, het risiconiveau ten aanzien van de verdere verspreiding van die ziekte, de wetenschappelijk gefundeerde beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van zones ten aanzien van Afrikaanse varkenspest en de met de lidstaten in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders overeengekomen richtsnoeren van de Unie, die openbaar beschikbaar zijn op de website van de Commissie (4). Bij dergelijke wijzigingen moet ook rekening worden gehouden met internationale normen, zoals de Gezondheidscode voor landdieren (5) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid en de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten verstrekte motiveringen voor de zonering.

(5)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 is vastgesteld, hebben zich nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens voorgedaan in Polen en Slowakije.

(6)

In juni 2021 zijn verscheidene uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in de districten Kępno (powiat kępiński), Wieruszów (powiat wieruszowski) en Łódź Oost (powiat łódzki wschodni) in Polen, in gebieden die momenteel niet in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 zijn opgenomen. Door deze nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moeten deze niet in die bijlage opgenomen gebieden van Polen die door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest zijn getroffen, nu in die bijlage als beperkingszone III worden opgenomen.

(7)

Bovendien is in juni 2021 een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Mielec (powiat mielecki) in Polen, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Polen dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage worden opgenomen als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II, en moeten de huidige grenzen van de beperkingszones I en II ook opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met deze recente uitbraak.

(8)

Voorts is in juni 2021 een uitbraak van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij gehouden varkens in het district Lučenec in Slowakije, in een gebied dat momenteel in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszone II is opgenomen. Door deze uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens verhoogt het risiconiveau, wat in die bijlage moet worden weerspiegeld. Bijgevolg moet dit momenteel als beperkingszone II in die bijlage opgenomen gebied van Slowakije dat door deze recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in die bijlage worden opgenomen als beperkingszone III in plaats van als beperkingszone II, en moeten de huidige grenzen van de beperkingszones I en II ook opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met deze recente uitbraak.

(9)

Naar aanleiding van die recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens in Polen en Slowakije, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat Afrikaanse varkenspest betreft, is de zonering in die lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605.

(10)

Om rekening te houden met recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moeten voor Polen en Slowakije nieuwe beperkingszones van voldoende omvang worden afgebakend en in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 als beperkingszones I, II en III worden opgenomen. Aangezien de situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest in de Unie zeer dynamisch is, is bij de afbakening van die nieuwe beperkingszones rekening gehouden met de situatie in de omliggende gebieden.

(11)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die door middel van deze uitvoeringsverordening worden aangebracht in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/994 van de Commissie van 18 juni 2021 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 219 van 21.6.2021, blz. 1).

(4)  Werkdocument SANTE/7112/2015/Rev. 3 “Principles and criteria for geographically defining ASF regionalisation” (Beginselen en criteria voor de geografische vaststelling van een regionalisering ten aanzien van Afrikaanse varkenspest); https://ec.europa.eu/food/animals/animal-diseases/control-measures/asf_en

(5)  Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, 28e editie, 2019. ISBN van volume I: 978-92-95108-85-1; ISBN van volume II: 978-92-95108-86-8; https://www.oie.int/standard-setting/terrestrial-code/access-online/


BIJLAGE

Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 wordt vervangen door:

“BIJLAGE I

BEPERKINGSZONES

DEEL I

1.   Duitsland

De volgende beperkingszones I in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Alt Zauche-Wußwerk,

Gemeinde Byhleguhre-Byhlen,

Gemeinde Märkische Heide, mit den Gemarkungen Alt Schadow, Neu Schadow, Pretschen, Plattkow, Wittmannsdorf, Schuhlen-Wiese, Bückchen, Kuschkow, Gröditsch, Groß Leuthen, Leibchel, Glietz, Groß Leine, Dollgen, Krugau, Dürrenhofe, Biebersdorf und Klein Leine,

Gemeinde Neu Zauche,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Groß Liebitz, Guhlen, Mochow und Siegadel,

Gemeinde Spreewaldheide,

Gemeinde Straupitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Lietzen westlich der L 37,

Gemeinde Falkenhagen (Mark) westlich der L 37,

Gemeinde Zeschdorf westlich der L 37,

Gemeinde Lindendorf mit der Gemarkung Dolgelin – westlich der L 37,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Müncheberg, Eggersdorf bei Müncheberg und Hoppegarten bei Müncheberg,

Gemeinde Neulewin,

Gemeinde Bliesdorf mit den Gemarkungen Kunersdorf und Bliesdorf,

Gemeinde Neutrebbin mit den Gemarkungen Neutrebbin und Alttrebbin westlich der L 34 und Altelewin westlich und nordöstlich der L 33,

Gemeinde Märkische Höhe mit den Gemarkungen Reichenberg und Batzlow,

Gemeinde Wriezen mit den Gemarkungen Haselberg, Frankenfelde, Schulzendorf, Lüdersdorf, Biesdorf, Rathsdorf, Wriezen, Altwriezen, Beauregard, Eichwerder und Jäckelsbruch,

Gemeinde Oderaue mit den Gemarkungen Neuranft, Neuküstrinchen, Neurüdnitz, Altwustrow, Neuwustrow und Zäckericker Loose, Altreetz, Altmädewitz und Neumädewitz,

Gemeinde Buckow (Märkische Schweiz),

Gemeinde Strausberg mit den Gemarkungen Hohenstein und Ruhlsdorf,

Gemeine Garzau-Garzin,

Gemeinde Waldsieversdorf,

Gemeinde Rehfelde mit der Gemarkung Werder,

Gemeinde Reichenow-Mögelin,

Gemeinde Prötzel mit den Gemarkungen Harnekop, Sternebeck und Prötzel östlich der B 168 und der L35,

Gemeinde Oberbarnim.

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Storkow (Mark),

Gemeinde Wendisch Rietz,

Gemeinde Reichenwalde,

Gemeinde Diensdorf-Radlow,

Gemeinde Bad Saarow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf mit den Gemarkungen Buckow, Glienicke, Behrensdorf, Ahrensdorf, Herzberg, Görzig, Pfaffendorf, Sauen, Wilmersdorf (G), Neubrück, Drahendorf, Alt Golm,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Briescht, Kossenblatt, Werder, Görsdorf (B), Giesendorf, Wulfersdorf, Falkenberg (T), Lindenberg,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Demnitz, Steinhöfel, Hasenfelde, Ahrensdorf, Heinersdorf, Tempelberg,

Gemeinde Langewahl,

Gemeinde Berkenbrück,

Gemeinde Briesen (Mark) mit den Gemarkungen Wilmersdorf, Falkenberg, Alt Madlitz, Madlitz Forst, Kersdorf, Briesen, Neubrück Forst,

Gemeinde Jacobsdorf mit den Gemarkungen Petersdorf und Jacobsdorf westlich der L 37,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Jänschwalde,

Gemeinde Peitz,

Gemeinde Tauer,

Gemeinde Turnow-Preilack,

Gemeinde Drachhausen,

Gemeinde Schmogrow-Fehrow,

Gemeinde Drehnow,

Gemeinde Guben mit der Gemarkung Schlagsdorf,

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Grabko, Kerkwitz, Groß Gastrose,

Gemeinde Teichland,

Gemeinde Dissen-Striesow,

Gemeinde Heinersbrück,

Gemeinde Briesen,

Gemeinde Forst mit den Gemarkungen Briesníg, Weißagk, Bohrau, Naundorf, Mulknitz, Klein Jamno, Forst (Lausitz) und Groß Jamno,

Gemeinde Wiesengrund,

Gemeinde Groß Schacksdorf-Simmersdorf mit der Gemarkung Simmersdorf,

Gemeinde Neiße-Malxetal mit den Gemarkungen Jocksdorf, Klein Kölzig und Groß Kölzig,

Gemeinde Tschernitz mit der Gemarkung Wolfshain,

Gemeinde Felixsee,

Gemeinde Spremberg mit den Gemarkungen Lieskau, Schönheide, Graustein, Türkendorf, Groß Luja, Wadelsdorf, Hornow, Sellessen, Spremberg, Bühlow,

Gemeinde Neuhausen/Spree mit den Gemarkungen Kathlow, Haasow, Sergen, Roggosen, Gablenz, Komptendorf, Laubsdorf, Koppatz, Neuhausen, Drieschnitz, Kahsel, Bagenz,

Stadt Cottbus mit den Gemarkungen Dissenchen, Döbbrick, Merzdorf, Saspow, Schmellwitz, Sielow, Willmersdorf.

Bundesland Sachsen:

Landkreis Bautzen

Gemeinde Großdubrau: Ortsteile Commerau, Göbeln, Jetscheba, Kauppa, Särchen, Spreewiese,

Gemeinde Hochkirch: Ortsteile Kohlwesa, Niethen, Rodewitz, Wawitz, Zschorna,

Gemeinde Königswartha: Ortsteil Oppitz,

Gemeinde Lohsa: Ortsteile Dreiweibern, Driewitz, Friedersdorf, Hermsdorf/Spree, Lippen, Litschen, Lohsa, Riegel, Tiegling, Weißkollm,

Gemeinde Malschwitz: Ortsteile Baruth, Brießnitz, Brösa, Buchwalde, Cannewitz, Dubrauke, Gleina, Guttau, Halbendorf/Spree, Kleinsaubernitz, Lieske, Lömischau, Neudorf/Spree, Preititz, Rackel, Ruhethal, Wartha,

Gemeinde Radibor: Ortsteile Droben, Lippitsch, Milkel, Teicha, Wessel,

Gemeinde Spreetal,

Gemeinde Weißenberg.

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Boxberg/O.L., sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Görlitz südlich der Bundesautobahn A4 mit den Ortsteilen Biesnitz, Deutsch Ossig, Historische Altstadt, Innenstadt, Klein Neundorf, Klingewalde, Königshufen, Kunnerwitz, Ludwigsdorf, Nikolaivorstadt, Rauschwalde, Schlauroth, Südstadt, Weinhübel,

Gemeinde Groß Düben, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Hohendubrau, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Kodersdorf, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Königshain,

Gemeinde Löbau: Ortsteile Altcunnewitz, Bellwitz, Dolgowitz, Glossen, Kittlitz, Kleinradmeritz, Krappe, Lautitz, Mauschwitz, Neucunnewitz, Neukittlitz, Oppeln, Rosenhain,

Gemeinde Markersdorf: Ortsteile Holtendorf, Markersdorf, Pfaffendorf,

Gemeinde Mücka, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Reichenbach/O.L.: Ortsteile Biesig, Borda, Dittmannsdorf, Feldhäuser, Goßwitz, Krobnitz, Lehnhäuser, Löbensmüh, Mengelsdorf, Meuselwitz, Oehlisch, Stadt Reichenbach/O.L., Reißaus, Schöps, Zoblitz,

Gemeinde Schleife, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Schöpstal, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Trebendorf, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Vierkirchen, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Waldhufen, sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Weißwasser/O.L., sofern nicht bereits Teil des gefährdeten Gebietes.

2.   Estland

De volgende beperkingszones I in Estland:

Hiiu maakond.

3.   Griekenland

De volgende beperkingszones I in Griekenland:

in the regional unit of Drama:

the community departments of Sidironero and Skaloti and the municipal departments of Livadero and Ksiropotamo (in Drama municipality),

the municipal department of Paranesti (in Paranesti municipality),

the municipal departments of Kokkinogeia, Mikropoli, Panorama, Pyrgoi (in Prosotsani municipality),

the municipal departments of Kato Nevrokopi, Chrysokefalo, Achladea, Vathytopos, Volakas, Granitis, Dasotos, Eksohi, Katafyto, Lefkogeia, Mikrokleisoura, Mikromilea, Ochyro, Pagoneri, Perithorio, Kato Vrontou and Potamoi (in Kato Nevrokopi municipality),

in the regional unit of Xanthi:

the municipal departments of Kimmerion, Stavroupoli, Gerakas, Dafnonas, Komnina, Kariofyto and Neochori (in Xanthi municipality),

the community departments of Satres, Thermes, Kotyli, and the municipal departments of Myki, Echinos and Oraio and (in Myki municipality),

the community department of Selero and the municipal department of Sounio (in Avdira municipality),

in the regional unit of Rodopi:

the municipal departments of Komotini, Anthochorio, Gratini, Thrylorio, Kalhas, Karydia, Kikidio, Kosmio, Pandrosos, Aigeiros, Kallisti, Meleti, Neo Sidirochori and Mega Doukato (in Komotini municipality),

the municipal departments of Ipio, Arriana, Darmeni, Archontika, Fillyra, Ano Drosini, Aratos and the Community Departments Kehros and Organi (in Arriana municipality),

the municipal departments of Iasmos, Sostis, Asomatoi, Polyanthos and Amvrosia and the community department of Amaxades (in Iasmos municipality),

the municipal department of Amaranta (in Maroneia Sapon municipality),

in the regional unit of Evros:

the municipal departments of Kyriaki, Mandra, Mavrokklisi, Mikro Dereio, Protokklisi, Roussa, Goniko, Geriko, Sidirochori, Megalo Derio, Sidiro, Giannouli, Agriani and Petrolofos (in Soufli municipality),

the municipal departments of Dikaia, Arzos, Elaia, Therapio, Komara, Marasia, Ormenio, Pentalofos, Petrota, Plati, Ptelea, Kyprinos, Zoni, Fulakio, Spilaio, Nea Vyssa, Kavili, Kastanies, Rizia, Sterna, Ampelakia, Valtos, Megali Doxipara, Neochori and Chandras (in Orestiada municipality),

the municipal departments of Asvestades, Ellinochori, Karoti, Koufovouno, Kiani, Mani, Sitochori, Alepochori, Asproneri, Metaxades, Vrysika, Doksa, Elafoxori, Ladi, Paliouri and Poimeniko (in Didymoteixo municipality),

in the regional unit of Serres:

the municipal departments of Kerkini, Livadia, Makrynitsa, Neochori, Platanakia, Petritsi, Akritochori, Vyroneia, Gonimo, Mandraki, Megalochori, Rodopoli, Ano Poroia, Katw Poroia, Sidirokastro, Vamvakophyto, Promahonas, Kamaroto, Strymonochori, Charopo, Kastanousi and Chortero and the community departments of Achladochori, Agkistro and Kapnophyto (in Sintiki municipality),

the municipal departments of Serres, Elaionas and Oinoussa and the community departments of Orini and Ano Vrontou (in Serres municipality),

the municipal departments of Dasochoriou, Irakleia, Valtero, Karperi, Koimisi, Lithotopos, Limnochori, Podismeno and Chrysochorafa (in Irakleia municipality).

4.   Letland

De volgende beperkingszones I in Letland:

Pāvilostas novada Vērgales pagasts,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Grobiņas novada Medzes, Grobiņas un Gaviezes pagasts. Grobiņas pilsēta,

Rucavas novada Rucavas pagasts,

Nīcas novads.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones I in Litouwen:

Klaipėdos rajono savivaldybė: Agluonėnų, Dovilų, Gargždų, Priekulės, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos,

Palangos miesto savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones I in Hongarije:

Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe,

Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403250, 403350, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404570, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950,

406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Győr-Moson-Sopron megye 100550, 100650, 100950, 101050, 101350, 101450, 101550, 101560 és 102150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251650, 251750, 251850, 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones I in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Wielbark i Rozogi w powiecie szczycieńskim,

gminy Janowiec Kościelny, Janowo i część gminy Kozłowo położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie nidzickim,

gminy Iłowo – Osada, Lidzbark, Płośnica, miasto Działdowo, część gminy Rybno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę kolejową, część gminy wiejskiej Działdowo położona na południe od linii wyznaczonej przez linie kolejowe biegnące od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie działdowskim,

gminy Kisielice, Susz i część gminy wiejskiej Iława położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 521 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Szymbark - Ząbrowo - Segnowy – Laseczno – Gulb, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Szymbark - Ząbrowo - Segnowy – Laseczno - Gulb biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie iławskim,

gminy Biskupiec, Kurzętnik, część gminy wiejskiej Nowe Miasto Lubawskie położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Lekarty, a następnie na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lekarty – Nowy Dwór Bratiański biegnącą do północnej granicy gminy miejskiej Nowe Miasto Lubawskie oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 538, część gminy Grodziczno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 538 w powiecie nowomiejskim.

w województwie podlaskim:

gminy Wysokie Mazowieckie z miastem Wysokie Mazowieckie, Czyżew i część gminy Kulesze Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię koleją w powiecie wysokomazowieckim,

gminy Miastkowo, Nowogród, Śniadowo i Zbójna w powiecie łomżyńskim,

gminy Szumowo, Zambrów z miastem Zambrów i część gminy Kołaki Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Grabowo, Kolno i miasto Kolno, Turośl w powiecie kolneńskim,

w województwie mazowieckim:

powiat ostrołęcki,

powiat miejski Ostrołęka,

gminy Bielsk, Brudzeń Duży, Bulkowo, Drobin, Gąbin, Łąck, Nowy Duninów, Radzanowo, Słupno, Staroźreby i Stara Biała w powiecie płockim,

powiat miejski Płock,

powiat ciechanowski,

gminy Baboszewo, Dzierzążnia, Joniec, Nowe Miasto, Płońsk i miasto Płońsk, Raciąż i miasto Raciąż, Sochocin w powiecie płońskim,

powiat sierpecki,

powiat żuromiński,

gminy Andrzejewo, Brok, Stary Lubotyń, Szulborze Wielkie, Wąsewo, Ostrów Mazowiecka z miastem Ostrów Mazowiecka, część gminy Małkinia Górna położona na północ od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

powiat mławski,

powiat przasnyski,

powiat makowski,

powiat pułtuski,

powiat wyszkowski,

powiat węgrowski,

gminy Dąbrówka, Jadów, Klembów, Poświętne, Radzymin, Strachówka Wołomin i Tłuszcz w powiecie wołomińskim,

gminy Mokobody i Suchożebry w powiecie siedleckim,

gminy Dobre, Jakubów, Kałuszyn, Stanisławów w powiecie mińskim,

gminy Bielany i gmina wiejska Sokołów Podlaski w powiecie sokołowskim,

gminy Kowala, Wierzbica, część gminy Wolanów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie radomskim,

powiat miejski Radom,

gminy Jastrząb, Mirów, Orońsko w powiecie szydłowieckim,

powiat gostyniński,

w województwie podkarpackim:

gminy Pruchnik, Rokietnica, Roźwienica, w powiecie jarosławskim,

gminy Fredropol, Krasiczyn, Krzywcza, Medyka, Orły, Żurawica, Przemyśl w powiecie przemyskim,

powiat miejski Przemyśl,

gminy Gać, Jawornik Polski, Kańczuga, część gminy Zarzecze położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

powiat łańcucki,

gminy Trzebownisko, Głogów Małopolski, część gminy Świlcza położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 94 i część gminy Sokołów Małopolski położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gmina Ropczyce, część gminy Ostrów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 986, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 986 biegnącą od tego skrzyżowania do miejscowości Osieka i dalej na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Osieka_- Blizna, część gminy Sędziszów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 94 w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

gminy Czarna, Pilzno, miasto Dębica, część gminy wiejskiej Dębica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4, część gminy Żyraków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

gminy Dzikowiec, Kolbuszowa i Raniżów w powiecie kolbuszowskim,

gminy Borowa, Gawłuszowice, Padew Narodowa, Tuszów Narodowy, część gminy Czermin położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Olszyny – Czermin – Piaski – Jasieniec do granicy gminy, część gminy Radomyśl Wielki położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 984 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Radomyśl Wielki, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Radomyśl Wielki – Zdziarzec – Pole biegnącą od drogi nr 984 do południowej granicy gminy, część gminy Wadowice Górne położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Kawęczyn – Wampierzów- Wadowice Górne w powiecie mieleckim,

w województwie świętokrzyskim:

powiat opatowski,

powiat sandomierski,

gminy Bogoria, Łubnice, Oleśnica, Osiek, Połaniec, Rytwiany i Staszów w powiecie staszowskim,

gminy Bliżyn, Skarżysko – Kamienna, Suchedniów i Skarżysko Kościelne w powiecie skarżyskim,

gmina Wąchock, część gminy Brody położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 oraz na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie, drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy oraz na północ od drogi nr 42 i część gminy Mirzec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno - wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

powiat ostrowiecki,

gminy Fałków, Ruda Maleniecka, Radoszyce, Smyków, część gminy Końskie położona na zachód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na południe od linii kolejowej w powiecie koneckim,

gminy Mniów i Zagnańsk w powiecie kieleckim,

w województwie łódzkim:

gminy Łyszkowice, Kocierzew Południowy, Kiernozia, Chąśno, Nieborów, część gminy wiejskiej Łowicz położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 biegnącej od granicy miasta Łowicz do zachodniej granicy gminy oraz część gminy wiejskiej Łowicz położona na wschód od granicy miasta Łowicz i na północ od granicy gminy Nieborów w powiecie łowickim,

gminy Cielądz, Rawa Mazowiecka z miastem Rawa Mazowiecka w powiecie rawskim,

gminy Bolimów, Głuchów, Godzianów, Lipce Reymontowskie, Maków, Nowy Kawęczyn, Skierniewice, Słupia w powiecie skierniewickim,

powiat miejski Skierniewice,

gminy Mniszków, Paradyż, Sławno i Żarnów w powiecie opoczyńskim,

powiat tomaszowski,

powiat brzeziński,

powiat łaski,

powiat miejski Łódź,

gminy Andrespol, Koluszki, Nowosolna w powiecie łódzkim wschodnim,

gminy Dobroń, Ksawerów, Lutomiersk, miasto Konstantynów Łódzki, miasto Pabianice, część gminy wiejskiej Pabianice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dłutów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 485 w powiecie pabianickim,

gminy Aleksandrów Łódzki, Stryków, miasto Zgierz w powiecie zgierskim,

gminy Bełchatów z miastem Bełchatów, Drużbice, Kluki, Rusiec, Szczerców, Zelów w powiecie bełchatowskim,

gminy Osjaków, Konopnica, Pątnów, Wierzchlas, część gminy Mokrsko położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Krzyworzeka – Mokrsko - Zmyślona – Komorniki – Orzechowiec – Poręby, część gminy Wieluń położona na wschód od zachodniej granicy miejscowości Wieluń oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wieluń – Turów – Chotów biegnącą do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostrówek położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę Pyszna w powiecie wieluńskim,

powiat sieradzki,

powiat zduńskowolski,

gminy Aleksandrów, Sulejów, Wola Krzysztoporska, Wolbórz, część gminy Moszczenica położona na wschód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Moszczenica – Osiedle, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Moszczenica – Osiedle – Kosów do skrzyżowania z drogą nr 12 i dalej na wschód od drogi nr 12 biegnącej od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Grabica położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 473 biegnącej od zachodniej granicy gminy do miejscowości Wola Kamocka, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 473 i łączącą miejscowości Wola Kamocka – Papieże Kolonia – Papieże do wschodniej granicy gminy w powiecie piotrkowskim,,

powiat miejski Piotrków Trybunalski,

w województwie pomorskim:

gminy Ostaszewo, miasto Krynica Morska oraz część gminy Nowy Dwór Gdański położona na południowy - zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

gminy Lichnowy, Miłoradz, Nowy Staw, Malbork z miastem Malbork w powiecie malborskim,

gminy Mikołajki Pomorskie, Stary Targ i Sztum w powiecie sztumskim,

powiat gdański,

Miasto Gdańsk,

powiat tczewski,

powiat kwidzyński,

w województwie lubuskim:

gminy Przytoczna, Pszczew, Skwierzyna i część gminy Trzciel położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 w powiecie międzyrzeckim,

gminy Lubniewice i Krzeszyce w powiecie sulęcińskim,

część gminy Krzeszyce położona na północ od linii wyznaczonej przez kanał Postomski i kanał Bema w powiecie sulęcińskim,

powiat miejski Gorzów Wielkopolski,

gminy Bogdaniec, Lubiszyn, Santok, część gminy Witnica położona na północny - wschód od drogi biegnącej od zachodniej granicy gminy od miejscowości Krześnica, przez miejscowości Kamień Wielki - Mościce -Witnica - Kłopotowo do południowej granicy gminy, część gminy Deszczno położona na północny – wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Deszczno – Maszewo – Białobłocie – Krasowiec – Płonica do zachodniej granicy gminy w powiecie gorzowskim,

w województwie dolnośląskim:

gmina Warta Bolesławiecka, miasto Bolesławiec, część gminy wiejskiej Bolesławiec położona na południe od linii wyznaczonej prze drogi nr A18 i 18, część gminy Osiecznica położona na południe od drogi nr 18 w powiecie bolesławieckim,

gmina Chojnów w powiecie legnickim,

gmina Zagrodno w powiecie złototoryjskim,

gmina Węgliniec w powiecie zgorzeleckim,

gmina Chocianów w powiecie polkowickim,

część gminy Góra położona na północny -zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od północnej granicy gminy, łączącą miejscowości Czernina – Kruszyniec – Góra do skrzyżowania z droga nr 324, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 324 biegnącą od tego skrzyżowania do zachodniej granicy gminy w powiecie górowskim,

gmina Prusice, część gminy Żmigród położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie trzebnickim,

gmina Wińsko w powiecie wołowskim,

gminy Ścinawa i Lubin z miastem Lubin w powiecie lubińskim,

gminy Dziadowa Kłoda, Międzybórz, Syców w powiecie oleśnickim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Krzemieniewo, Osieczna, Rydzyna, część gminy Lipno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5, część gminy Święciechowa położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie leszczyńskim,

powiat miejski Leszno,

gmina Międzychód, część gminy Sieraków położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od wschodniej granicy gminy do przecięcia z drogą nr 133 w miejscowości Sieraków, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od przecięcia drogi nr 133 z rzeką Warta i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez ulicę Poznańską, a następnie drogę łączącą miejscowości Jaroszewo – Sprzeczno biegnącą do południowej granicy gminy, część gminy Kwilcz położona na zachód linii wyznaczonej przez drogę nr 186 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 24, następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 24 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 186 do skrzyżowania z drogą w miejscowości Pólko, i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Pólko przez miejscowość Wituchowo do południowej granicy gminy w powiecie międzychodzkim,

gminy Lwówek, Kuślin, Opalenica, część gminy Miedzichowo położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Nowy Tomyśl położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie nowotomyskim,

gminy Granowo, Grodzisk Wielkopolski i część gminy Kamieniec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gminy Czempiń, Kościan i miasto Kościan, Krzywiń, część gminy Śmigiel położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie kościańskim,

powiat miejski Poznań,

gminy Buk, Dopiewo, Komorniki, Tarnowo Podgórne, Stęszew, Swarzędz, Pobiedziska, Czerwonak, Mosina, miasto Luboń, miasto Puszczykowo i część gminy Kórnik położona na zachód od linii wyznaczonych przez drogi: nr S11 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 434 i drogę nr 434 biegnącą od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Rokietnica położona na południowy zachód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz oraz część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na południe od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gmina Kiszkowo i część gminy Kłecko położona na zachód od rzeki Mała Wełna w powiecie gnieźnieńskim,

gminy Lubasz, Czarnków z miastem Czarnków, część gminy Połajewo na położona na północ od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo - ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Wieleń położona na południe od linii kolejowej biegnącej od wschodniej granicy gminy przez miasto Wieleń i miejscowość Herburtowo do zachodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

gmina Kaźmierz część gminy Duszniki położona na południowy – wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostroróg położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, miasto Szamotuły i część gminy Szamotuły położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica - Ostroróg do linii wyznaczonej przez wschodnią granicę miasta Szamotuły i na południe od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły, do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na zachód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na zachód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

część gminy Rawicz położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5, część gminy Bojanowo położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie rawickim,

gmina Budzyń w powiecie chodzieskim,

gminy Mieścisko, Skoki i Wągrowiec z miastem Wągrowiec w powiecie wągrowieckim,

powiat pleszewski,

gmina Zagórów w powiecie słupeckim,

gmina Pyzdry w powiecie wrzesińskim,

gminy Kotlin, Żerków i część gminy Jarocin położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr S11 i 15 w powiecie jarocińskim,

gmina Rozdrażew, część gminy Koźmin Wielkopolski położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 15, część gminy Krotoszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 15 oraz na wschód od granic miasta Krotoszyn w powiecie krotoszyńskim,

powiat ostrowski,,

powiat miejski Kalisz,

gminy Blizanów, Żelazków, Godziesze Wielkie, Koźminek, Lisków, Opatówek, Szczytniki, część gminy Stawiszyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków- Kolonia położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

gminy Brudzew, Dobra, Kawęczyn, Przykona, Władysławów, Turek z miastem Turek część gminy Tuliszków położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącej od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

gminy Rzgów, Grodziec, Krzymów, Stare Miasto, część gminy Rychwał położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

część gminy Kępno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie kępińskim,

powiat ostrzeszowski,

w województwie opolskim:

gminy Domaszowice, Wilków i część gminy Namysłów położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Głucha w powiecie namysłowskim,

gminy Wołczyn, Kluczbork, część gminy Byczyna położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 11 w powiecie kluczborskim,

część gminy Gorzów Śląski położona na południe od północnej granicy miasta Gorzów Śląski oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 45, część gminy Praszka położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 45 w miejscowości Praszka oraz na południe od drogi łączącej miejscowości Praszka – Kowale, część gminy Rudniki położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 42 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 43 i na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 43 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 42 w powiecie oleskim,

w województwie zachodniopomorskim:

część gminy Dębno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na północ od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na północ od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Trzcińsko – Zdrój, Widuchowa, część gminy Chojna położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 26 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Chojna, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od skrzyżowana z drogą nr 26 do południowej granicy gminy, w powiecie gryfińskim.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones I in Slowakije:

the whole district of Snina,

the whole district of Medzilaborce

the whole district of Stropkov

the whole district of Svidník, except municipalities included in part II,

the whole district of whole Kežmarok,

in the district of Veľký Krtíš, the municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká nad Ipľom, Hrušov, Kleňany, Sečianky,

in the district of Levice, the municipalities of Ipeľské Úľany, Plášťovce, Dolné Túrovce, Stredné Túrovce, Šahy, Tešmak,

the whole district of Krupina, except municipalities included in part II,

the whole district of Banska Bystrica, except municipalities included in part II,

In the district of Liptovsky Mikulas – municipalities of Pribylina, Jamník, Svatý Štefan, Konská, Jakubovany, Liptovský Ondrej, Beňadiková, Vavrišovo, Liptovská Kokava, Liptovský Peter, Dovalovo, Hybe, Liptovský Hrádok, Važec, Východná, Kráľova Lehota, Nižná Boca, Vyšná Boca, Malužiná, Liptovská Porúbka, Liptovský Ján, Uhorská Ves, Podtureň, Závažná Poruba, Liptovský Mikuláš, Pavčina Lehota, Demänovská Dolina, Gôtovany, Galovany, Svätý Kríž, Lazisko, Dúbrava, Malatíny, Liptovské Vlachy, Liptovské Kľačany, Partizánska Ľupča, Kráľovská Ľubeľa, Zemianska Ľubeľa,

In the district of Ružomberok, the municipalities of Liptovská Lužná, Liptovská Osada, Podsuchá, Ludrová, Štiavnička, Liptovská Štiavnica, Nižný Sliač, Liptovské Sliače,

the whole district of Banska Stiavnica,

the whole district of Žiar nad Hronom.

DEEL II

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones II in Bulgarije:

the whole region of Haskovo,

the whole region of Yambol,

the whole region of Stara Zagora,

the whole region of Pernik,

the whole region of Kyustendil,

the whole region of Plovdiv,

the whole region of Pazardzhik,

the whole region of Smolyan,

the whole region of Dobrich,

the whole region of Sofia city,

the whole region of Sofia Province,

the whole region of Blagoevgrad,

the whole region of Razgrad,

the whole region of Kardzhali,

the whole region of Burgas excluding the areas in Part III,

the whole region of Varna excluding the areas in Part III,

the whole region of Silistra, excluding the areas in Part III,

the whole region of Ruse, excluding the areas in Part III,

the whole region of Veliko Tarnovo, excluding the areas in Part III,

the whole region of Pleven, excluding the areas in Part III,

the whole region of Targovishte, excluding the areas in Part III,

the whole region of Shumen, excluding the areas in Part III,

the whole region of Sliven, excluding the areas in Part III,

the whole region of Vidin, excluding the areas in Part III.

2.   Duitsland

De volgende beperkingszones II in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Grunow-Dammendorf,

Gemeinde Mixdorf

Gemeinde Schlaubetal,

Gemeinde Neuzelle,

Gemeinde Neißemünde,

Gemeinde Lawitz,

Gemeinde Eisenhüttenstadt,

Gemeinde Vogelsang,

Gemeinde Ziltendorf,

Gemeinde Wiesenau,

Gemeinde Friedland,

Gemeinde Siehdichum

Gemeinde Müllrose,

Gemeinde Briesen mit der Gemarkung Biegen,

Gemeinde Jacobsdorf mit den Gemarkungen Pillgram, Sieversdorf, Jacobsdorf östlich der L 37 und Petersdorf östlich der L 37,

Gemeinde Groß Lindow,

Gemeinde Brieskow-Finkenheerd,

Gemeinde Ragow-Merz,

Gemeinde Beeskow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf mit den Gemarkungen Groß Rietz und Birkholz,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Stremmen, Ranzig, Trebatsch, Sabrodt, Sawall, Mitweide und Tauche,

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Jamlitz,

Gemeinde Lieberose,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Goyatz, Jessern, Lamsfeld, Ressen, Speichrow und Zaue,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Stakow, Reicherskreuz, Groß Drewitz, Sembten, Lauschütz, Krayne, Lübbinchen, Grano, Pinnow, Bärenklau, Schenkendöbern und Atterwasch,

Gemeinde Guben mit den Gemarkungen Bresinchen, Guben und Deulowitz,

Gemeinde Forst (Lausitz) mit den Gemarkungen Groß Bademeusel und Klein Bademeusel,

Gemeinde Groß Schacksdorf-Simmersdorf mit der Gemarkung Groß Schacksdorf,

Gemeinde Neiße-Malxetal mit den Gemarkungen Preschen und Jerischke,

Gemeinde Döbern,

Gemeinde Jämlitz-Klein Düben,

Gemeinde Tschernitz mit der Gemarkung Tschernitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Zechin,

Gemeinde Bleyen-Genschmar,

Gemeinde Neuhardenberg,

Gemeinde Golzow,

Gemeinde Küstriner Vorland,

Gemeinde Alt Tucheband,

Gemeinde Reitwein,

Gemeinde Podelzig,

Gemeinde Letschin,

Gemeinde Gusow-Platkow,

Gemeinde Seelow,

Gemeinde Vierlinden,

Gemeinde Lindendorf mit den Gemarkungen Sachsendorf, Libbenichen, Neu Mahlisch und Dolgelin – östlich der L37,

Gemeinde Fichtenhöhe,

Gemeinde Lietzen östlich der L 37,

Gemeinde Falkenhagen (Mark) östlich der L 37,

Gemeinde Zeschdorf östlich der L 37,

Gemeinde Treplin,

Gemeinde Lebus,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Jahnsfelde, Trebnitz, Obersdorf, Münchehofe und Hermersdorf,

Gemeinde Märkische Höhe mit der Gemarkung Ringenwalde,

Gemeinde Bliesdorf mit der Gemarkung Metzdorf,

Gemeinde Neutrebbin mit den Gemarkungen Wuschewier, Altbarnim, Neutrebbin, östlich der L 34, Alttrebbin östlich der L 34 und Altlewin östlich der L 34 und südwestlich der L 33,

kreisfreie Stadt Frankfurt (Oder),

Bundesland Sachsen:

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Bad Muskau,

Gemeinde Boxberg/O.L. östlich des Straßenverlaufes K8472 bis Kaschel – S121 – Jahmen –Dürrbacher Straße – K8472 – Eselsberg – S131 – Boxberg – K 8481,

Gemeinde Gablenz,

Gemeinde Görlitz nördlich der Bundesautobahn A4,

Gemeinde Groß Düben südlich des Straßenverlaufes S126 – Halbendorf – K8478,

Gemeinde Hähnichen,

Gemeinde Hohendubrau östlich des Straßenverlaufes der Verbindungsstraße Buchholz-Gebelzig – S55,

Gemeinde Horka

Gemeinde Kodersdorf nördlich der Bundesautobahn A4,

Gemeinde Krauschwitz i.d. O.L.,

Gemeinde Kreba-Neudorf,

Gemeinde Mücka östlich des Straßenverlaufes S55 - K8471 - Förstgen - K8472,

Gemeinde Neißeaue,

Gemeinde Niesky,

Gemeinde Quitzdorf am See,

Gemeinde Rietschen,

Gemeinde Rothenburg/ O.L.,

Gemeinde Schleife östlich des Straßenverlaufes S130 – S126,

Gemeinde Schöpstal nördlich der Bundesautobahn A4,

Gemeinde Trebendorf östlich der K8481,

Gemeinde Vierkirchen nördlich der Bundesautobahn A4 und östlich der Verbindungsstraße Buchholz-Gebelzig,

Gemeinde Waldhufen nördlich der Bundesautobahn A4,

Gemeinde Weißkeißel,

Gemeinde Weißwasser/O.L. östlich der K8481.

3.   Estland

De volgende beperkingszones II in Estland:

Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond).

4.   Letland

De volgende beperkingszones II in Letland:

Ādažu novads,

Aizputes novada Aizputes, Cīravas un Lažas pagasts, Kalvenes pagasta daļa uz rietumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz dienvidiem no autoceļa A9, uz rietumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz rietumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, Aizputes pilsēta,

Aglonas novads,

Aizkraukles novads,

Aknīstes novads,

Alojas novads,

Alsungas novads,

Alūksnes novads,

Amatas novads,

Apes novads,

Auces novads,

Babītes novads,

Baldones novads,

Baltinavas novads,

Balvu novads,

Bauskas novads,

Beverīnas novads,

Brocēnu novads,

Burtnieku novads,

Carnikavas novads,

Cēsu novads

Cesvaines novads,

Ciblas novads,

Dagdas novads,

Daugavpils novads,

Dobeles novads,

Dundagas novads,

Durbes novads,

Engures novads,

Ērgļu novads,

Garkalnes novads,

Grobiņas novada Bārtas pagasts,

Gulbenes novads,

Iecavas novads,

Ikšķiles novads,

Ilūkstes novads,

Inčukalna novads,

Jaunjelgavas novads,

Jaunpiebalgas novads,

Jaunpils novads,

Jēkabpils novads,

Jelgavas novads,

Kandavas novads,

Kārsavas novads,

Ķeguma novads,

Ķekavas novads,

Kocēnu novads,

Kokneses novads,

Krāslavas novads,

Krimuldas novads,

Krustpils novads,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1296, Padures, Rumbas, Rendas, Kabiles, Vārmes, Pelču, Ēdoles, Īvandes, Kurmāles, Turlavas, Gudenieku un Snēpeles pagasts, Kuldīgas pilsēta,

Lielvārdes novads,

Līgatnes novads,

Limbažu novads,

Līvānu novads,

Lubānas novads,

Ludzas novads,

Madonas novads,

Mālpils novads,

Mārupes novads,

Mazsalacas novads,

Mērsraga novads,

Naukšēnu novads,

Neretas novads,

Ogres novads,

Olaines novads,

Ozolnieku novads,

Pārgaujas novads,

Pāvilostas novada Sakas pagasts, Pāvilostas pilsēta,

Pļaviņu novads,

Preiļu novads,

Priekules novads,

Priekuļu novads,

Raunas novads,

republikas pilsēta Daugavpils,

republikas pilsēta Jelgava,

republikas pilsēta Jēkabpils,

republikas pilsēta Jūrmala,

republikas pilsēta Rēzekne,

republikas pilsēta Valmiera,

Rēzeknes novads,

Riebiņu novads,

Rojas novads,

Ropažu novads,

Rucavas novada Dunikas pagasts,

Rugāju novads,

Rundāles novads,

Rūjienas novads,

Salacgrīvas novads,

Salas novads,

Salaspils novads,

Saldus novads,

Saulkrastu novads,

Sējas novads,

Siguldas novads,

Skrīveru novads,

Skrundas novada Raņķu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes,

Smiltenes novads,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Strenču novads,

Talsu novads,

Tērvetes novads,

Tukuma novads,

Vaiņodes novada Vaiņodes pagasts un Embūtes pagasta daļa uz dienvidiem autoceļa P116, P106,

Valkas novads,

Varakļānu novads,

Vārkavas novads,

Vecpiebalgas novads,

Vecumnieku novads,

Ventspils novads,

Viesītes novads,

Viļakas novads,

Viļānu novads,

Zilupes novads.

5.   Litouwen

De volgende beperkingszones II in Litouwen:

Alytaus miesto savivaldybė,

Alytaus rajono savivaldybė,

Anykščių rajono savivaldybė,

Akmenės rajono savivaldybė,

Birštono savivaldybė,

Biržų miesto savivaldybė,

Biržų rajono savivaldybė,

Druskininkų savivaldybė,

Elektrėnų savivaldybė,

Ignalinos rajono savivaldybė,

Jonavos rajono savivaldybė,

Joniškio rajono savivaldybė,

Jurbarko rajono savivaldybė: Eržvilko, Girdžių, Jurbarko miesto, Jurbarkų, Raudonės, Šimkaičių, Skirsnemunės, Smalininkų, Veliuonos ir Viešvilės seniūnijos,

Kaišiadorių rajono savivaldybė,

Kalvarijos savivaldybė,

Kauno miesto savivaldybė,

Kauno rajono savivaldybė: Akademijos, Alšėnų, Batniavos, Ežerėlio, Domeikavos, Garliavos, Garliavos apylinkių, Karmėlavos, Kulautuvos, Lapių, Linksmakalnio, Neveronių, Raudondvario, Ringaudų, Rokų, Samylų, Taurakiemio, Vandžiogalos, Užliedžių, Vilkijos, ir Zapyškio seniūnijos, Babtų seniūnijos dalis į rytus nuo kelio A1, ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio Nr. 1907,

Kazlų rūdos savivaldybė,

Kelmės rajono savivaldybė,

Kėdainių rajono savivaldybė: Dotnuvos, Gudžiūnų, Kėdainių miesto, Krakių, Pelėdnagių, Surviliškio, Šėtos, Truskavos, Vilainių ir Josvainių seniūnijos dalis į šiaurę ir rytus nuo kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Klaipėdos rajono savivaldybė: Judrėnų, Endriejavo ir Veiviržėnų seniūnijos,

Kupiškio rajono savivaldybė,

Kretingos rajono savivaldybė,

Lazdijų rajono savivaldybė,

Marijampolės savivaldybė,

Mažeikių rajono savivaldybė,

Molėtų rajono savivaldybė,

Pagėgių savivaldybė,

Pakruojo rajono savivaldybė,

Panevėžio rajono savivaldybė,

Panevėžio miesto savivaldybė,

Pasvalio rajono savivaldybė,

Radviliškio rajono savivaldybė,

Rietavo savivaldybė,

Prienų rajono savivaldybė,

Plungės rajono savivaldybė: Žlibinų, Stalgėnų, Nausodžio, Plungės miesto, Šateikių ir Kulių seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Betygalos, Girkalnio, Kalnujų, Nemakščių, Pagojukų, Paliepių, Raseinių miesto, Raseinių, Šiluvos, Viduklės seniūnijos,

Rokiškio rajono savivaldybė,

Skuodo rajono savivaldybės: Aleksandrijos, Ylakių, Lenkimų, Mosėdžio, Skuodo ir Skuodo miesto seniūnijos,

Šakių rajono savivaldybė,

Šalčininkų rajono savivaldybė,

Šiaulių miesto savivaldybė,

Šiaulių rajono savivaldybė,

Šilutės rajono savivaldybė,

Širvintų rajono savivaldybė,

Šilalės rajono savivaldybė,

Švenčionių rajono savivaldybė,

Tauragės rajono savivaldybė,

Telšių rajono savivaldybė,

Trakų rajono savivaldybė,

Ukmergės rajono savivaldybė,

Utenos rajono savivaldybė,

Varėnos rajono savivaldybė,

Vilniaus miesto savivaldybė,

Vilniaus rajono savivaldybė,

Vilkaviškio rajono savivaldybė,

Visagino savivaldybė,

Zarasų rajono savivaldybė.

6.   Hongarije

De volgende beperkingszones II in Hongarije:

Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Fejér megye 403150, 403160, 403260, 404250, 404550, 404560, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye: 250350, 250850, 250950, 251450, 251550, 251950, 252050, 252150, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe.

7.   Polen

De volgende beperkingszones II in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kalinowo, Stare Juchy, Prostki oraz gmina wiejska Ełk w powiecie ełckim,

powiat elbląski,

powiat miejski Elbląg,

powiat gołdapski,

powiat piski,

powiat bartoszycki,

gminy Biskupiec, Jeziorany, Kolno, część gminy Olsztynek położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S51 biegnącą od wschodniej granicy gminy do miejscowości Ameryka oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą S51 do północnej granicy gminy, łączącej miejscowości Mańki – Mycyny – Ameryka w powiecie olsztyńskim,

powiat ostródzki,

powiat olecki,

powiat giżycki,

powiat braniewski,

powiat kętrzyński,

gminy Lubomino i Orneta w powiecie lidzbarskim,

gmina Nidzica i część gminy Kozłowo położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie nidzickim,

gminy Dźwierzuty, Jedwabno, Pasym, Szczytno i miasto Szczytno i Świętajno w powiecie szczycieńskim,

powiat mrągowski,

gminy Lubawa, miasto Lubawa, Zalewo, miasto Iława i część gminy wiejskiej Iława położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 521 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą łączącą miejscowości Szymbark - Ząbrowo - Segnowy – Laseczno – Gulb, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Szymbark - Ząbrowo - Segnowy – Laseczno - Gulb biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie iławskim,

część gminy wiejskiej Nowe Miasto Lubawskie położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Lekarty, a następnie na północny -wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Lekarty – Nowy Dwór Bratiański biegnącą do północnej granicy gminy miejskiej Nowe Miasto Lubawskie oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 538, część gminy Grodziczno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 538 w powiecie nowomiejskim,

powiat węgorzewski,

część gminy Rybno położona na północ od linii kolejowej, część gminy wiejskiej Działdowo położona na północ od linii wyznaczonej przez linie kolejowe biegnące od wschodniej do zachodniej granicy gminy w powiecie działdowskim,

w województwie podlaskim:

powiat bielski,

powiat grajewski,

powiat moniecki,

powiat sejneński,

gminy Łomża, Piątnica, Jedwabne, Przytuły i Wizna w powiecie łomżyńskim,

powiat miejski Łomża,

powiat siemiatycki,

powiat hajnowski,

gminy Ciechanowiec, Klukowo, Szepietowo, Kobylin-Borzymy, Nowe Piekuty, Sokoły i część gminy Kulesze Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gmina Rutki i część gminy Kołaki Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

gminy Mały Potok i Stawiski w powiecie kolneńskim,

powiat białostocki,

powiat suwalski,

powiat miejski Suwałki,

powiat augustowski,

powiat sokólski,

powiat miejski Białystok,

w województwie mazowieckim:

gminy Domanice, Korczew, Kotuń, Mordy, Paprotnia, Przesmyki, Siedlce, Skórzec, Wiśniew, Wodynie, Zbuczyn w powiecie siedleckim,

powiat miejski Siedlce,

gminy Ceranów, Jabłonna Lacka, Kosów Lacki, Repki, Sabnie, Sterdyń w powiecie sokołowskim,

powiat łosicki,

powiat sochaczewski,

gminy Policzna, Przyłęk, Tczów i Zwoleń w powiecie zwoleńskim,

powiat kozienicki,

gminy Chotcza i Solec nad Wisłą w powiecie lipskim,

gminy Gózd, Jastrzębia, Jedlnia Letnisko, Pionki z miastem Pionki, Skaryszew, Jedlińsk, Przytyk, Zakrzew, część gminy Iłża położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9, część gminy Wolanów położona na północ od drogi nr 12 w powiecie radomskim,

gminy Bodzanów, Słubice, Wyszogród i Mała Wieś w powiecie płockim,

powiat nowodworski,

gminy Czerwińsk nad Wisłą, Naruszewo, Załuski w powiecie płońskim,

gminy: miasto Kobyłka, miasto Marki, miasto Ząbki, miasto Zielonka w powiecie wołomińskim,

gminy Borowie, Garwolin z miastem Garwolin, Miastków Kościelny, Parysów, Pilawa, część gminy Wilga położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na północ od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą

od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

gminy Boguty – Pianki, Zaręby Kościelne, Nur i część gminy Małkinia Górna położona na południe od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

gminy Chlewiska i Szydłowiec w powiecie szydłowieckim,

gminy Cegłów, Dębe Wielkie, Halinów, Latowicz, Mińsk Mazowiecki i miasto Mińsk Mazowiecki, Mrozy, Siennica, miasto Sulejówek w powiecie mińskim,

powiat otwocki,

powiat warszawski zachodni,

powiat legionowski,

powiat piaseczyński,

powiat pruszkowski,

powiat grójecki,

powiat grodziski,

powiat żyrardowski,

powiat białobrzeski,

powiat przysuski,

powiat miejski Warszawa,

w województwie lubelskim:

powiat bialski,

powiat miejski Biała Podlaska,

gminy Batorz, Godziszów, Janów Lubelski, Modliborzyce i Potok Wielki w powiecie janowskim,

gminy Janowiec, Kazimierz Dolny, Końskowola, Kurów, Markuszów, Nałęczów, Puławy z miastem Puławy, Wąwolnica i Żyrzyn w powiecie puławskim,

gminy Nowodwór, miasto Dęblin i część gminy Ryki położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową powiecie ryckim,

gminy Adamów, Krzywda, Stoczek Łukowski z miastem Stoczek Łukowski, Wola Mysłowska, Trzebieszów, Stanin, Wojcieszków, gmina wiejska Łuków i miasto Łuków w powiecie łukowskim,

powiat lubelski,

powiat miejski Lublin,

gminy Niedźwiada, Ostrówek, Ostrów Lubelski, Serniki, Uścimów i Lubartów z miastem Lubartów w powiecie lubartowskim,

powiat łęczyński,

powiat świdnicki,

gminy Fajsławice, Gorzków, Izbica, Krasnystaw z miastem Krasnystaw, Kraśniczyn, Łopiennik Górny, Siennica Różana i część gminy Żółkiewka położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

gminy Chełm, Ruda – Huta, Sawin, Rejowiec, Rejowiec Fabryczny z miastem Rejowiec Fabryczny, Siedliszcze, Wierzbica, Żmudź, Dorohusk, Dubienka, Kamień, Leśniowice, Wojsławice w powiecie chełmskim,

powiat miejski Chełm,

powiat kraśnicki,

powiat opolski,

powiat parczewski,

powiat włodawski,

powiat radzyński,

powiat miejski Zamość,

gminy Sitno, Skierbieszów, Stary Zamość, Zamość w powiecie zamojskim

w województwie podkarpackim:

powiat stalowowolski,

gminy Oleszyce, Lubaczów z miastem Lubaczów, Wielkie Oczy w powiecie lubaczowskim,

część gminy Kamień położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19, część gminy Sokołów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gminy Cmolas, Majdan Królewski i Niwiska powiecie kolbuszowskim,

część gminy Ostrów położona na północ od drogi linii wyznaczonej przez drogę nr A4 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 986, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 986 biegnącą od tego skrzyżowania do miejscowości Osieka i dalej na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Osieka_- Blizna w powiecie ropczycko – sędziszowskim,

część gminy wiejskiej Dębica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

gminy część gminy Czermin położona na południowy – wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Olszyny – Czermin – Piaski – Jasieniec do granicy gminy część gminy Wadowice Górne położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Kawęczyn – Wampierzów- Wadowice Górne oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wychylówka – Borowina do skrzyżowania z drogami 1106 R oraz nr 984, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 984 biegnącą od miejscowości Borowina do południowej granicy gminy w powiecie mieleckim,

gminy Grodzisko Dolne, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na południe od miasta Leżajsk oraz na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gmina Jarocin, część gminy Harasiuki położona na północ od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

powiat tarnobrzeski,

część gminy wiejskiej Przeworsk położona na zachód od miasta Przeworsk i na zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy oraz na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Mleczka w powiecie przeworskim,

w województwie pomorskim:

gminy Dzierzgoń i Stary Dzierzgoń w powiecie sztumskim,

gmina Stare Pole w powiecie malborskim,

gminy Stegny, Sztutowo i część gminy Nowy Dwór Gdański położona na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

w województwie świętokrzyskim:

gmina Tarłów i część gminy Ożarów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 74 w powiecie opatowskim,

część gminy Brody położona na zachód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 i na północny - wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie oraz przez drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno – wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

gmina Gowarczów, część gminy Końskie położona na wschód od linii kolejowej, część gminy Stąporków położona na północ od linii kolejowej w powiecie koneckim,

w województwie lubuskim:

powiat wschowski,

gmina Kostrzyn nad Odrą i część gminy Witnica położona na południowy zachód od drogi biegnącej od zachodniej granicy gminy od miejscowości Krześnica, przez miejscowości Kamień Wielki - Mościce - Witnica - Kłopotowo do południowej granicy gminy, część gminy Deszczno położona na południowy – zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Deszczno – Maszewo – Białobłocie – Krasowiec – Płonica do zachodniej granicy gminy w powiecie gorzowskim,

gminy Gubin z miastem Gubin, Maszewo i część gminy Bytnica położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1157F w powiecie krośnieńskim,

powiat słubicki,

gminy Słońsk, Sulęcin, Lubniewice, część gminy Krzeszyce położona na południe od linii wyznaczonej przez kanał Postomski i kanał Bema w powiecie sulęcińskim i Torzym w powiecie sulęcińskim,

gminy Bledzew i Międzyrzecz w powiecie międzyrzeckim,

gminy Kolsko, część gminy Kożuchów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę 283 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 290 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 290 biegnącej od miasta Mirocin Dolny do zachodniej granicy gminy, część gminy Bytom Odrzański położona na północny zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 293 i 326, część gminy Nowe Miasteczko położona na zachód od linii wyznaczonych przez drogi 293 i 328, część gminy Siedlisko położona na północny zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od rzeki Odry przy południowe granicy gminy do drogi nr 326 łączącej się z drogą nr 325 biegnącą w kierunku miejscowości Różanówka do skrzyżowania z drogą nr 321 biegnącą od tego skrzyżowania w kierunku miejscowości Bielawy, a następnie przedłużoną przez drogę przeciwpożarową biegnącą od drogi nr 321 w miejscowości Bielawy do granicy gminy w powiecie nowosolskim,

gminy Nowogród Bobrzański, Trzebiechów, część gminy Bojadła położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 278 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 282 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 282 biegnącej od miasta Bojadła do zachodniej granicy gminy, część gminy Sulechów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Kępsko - Buków biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Buków, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Buków – Miłkowo biegnącą od miejscowości Buków do północnej granicy gminy w powiecie zielonogórskim,

powiat żarski,

gminy Brzeźnica, Iłowa, Małomice, Szprotawa, Wymiarki, Żagań, miasto Żagań, miasto Gozdnica, część gminy Niegosławice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 328 w powiecie żagańskim,

gmina Łagów, część gminy Lubrza położona na północ od linii wyznaczonej przez autostradę A2 i część gminy Świebodzin położona na północ od linii wyznaczonej przez autostradę A2w powiecie świebodzińskim,

w województwie dolnośląskim:

gmina Pęcław, część gminy Kotla położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Krzycki Rów, część gminy wiejskiej Głogów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 12, 319 oraz 329, część miasta Głogów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie głogowskim,

gminy Grębocice, Polkowice, część gminy Przemków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

gmina Gromadka, część gminy wiejskiej Bolesławiec położona na północ od linii wyznaczonej przez drogi nr A18 i 18, część gminy Osiecznica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 18 w powiecie bolesławickim,

gmina Rudna w powiecie lubińskim,

gminy Jemielno, Niechlów, Wąsosz, część gminy Góra położona na południowy - wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od północnej granicy gminy, łączącą miejscowości Czernina – Kruszyniec – Góra do skrzyżowania z droga nr 324, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 324 biegnącą od tego skrzyżowania do zachodniej granicy gminy w powiecie górowskim,

część gminy Żmigród położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie trzebnickim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Przemęt i Wolsztyn w powiecie wolsztyńskim,

gmina Wielichowo część gminy Kamieniec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 i część gminy Rakoniewice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

gminy Wijewo, Włoszakowice, część gminy Lipno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 i część gminy Święciechowa położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie leszczyńskim,

część gminy Śmigiel położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5, w powiecie kościańskim,

powiat obornicki,

część gminy Połajewo na położona na południe od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo - ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim

gmina Suchy Las, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na północ od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Rokietnica położona na północ i na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz w powiecie poznańskim,

część gminy Szamotuły położona na wschód od wschodniej granicy miasta Szamotuły i na północ od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na wschód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na wschód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

część gminy Rawicz położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5, część gminy Bojanowo położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S5 w powiecie rawickim,

gmina Malanów, część gminy Tuliszków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 biegnącej od wschodniej granicy gminy do miasta Turek, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 72 w mieście Turek do zachodniej granicy gminy w powiecie tureckim,

część gminy Rychwał położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Rychwał, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 biegnącą od skrzyżowania z drogę nr 25 w miejscowości Rychwał do wschodniej granicy gminy w powiecie konińskim,

gmina Mycielin, część gminy Stawiszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 25 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zbiersk, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Zbiersk – Łyczyn – Petryki biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 25 do południowej granicy gminy, część gminy Ceków- Kolonia położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Młynisko – Morawin - Janków w powiecie kaliskim,

w województwie łódzkim:

gminy Białaczów, Drzewica, Opoczno i Poświętne w powiecie opoczyńskim,

gminy Biała Rawska, Regnów i Sadkowice w powiecie rawskim,

gmina Kowiesy w powiecie skierniewickim,

w województwie zachodniopomorskim:

gmina Boleszkowice i część gminy Dębno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 126 biegnącą od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 23 w miejscowości Dębno, następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 23 do skrzyżowania z ul. Jana Pawła II w miejscowości Cychry, następnie na południe od ul. Jana Pawła II do skrzyżowania z ul. Ogrodową i dalej na południe od linii wyznaczonej przez ul. Ogrodową, której przedłużenie biegnie do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gminy Cedynia, Mieszkowice, Moryń, część gminy Chojna położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 26 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Chojna, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od skrzyżowana z drogą nr 26 do południowej granicy gminy w powiecie gryfińskim.

8.   Slowakije

De volgende beperkingszones II in Slowakije:

the whole district of Gelnica,

the whole district of Poprad

the whole district of Spišská Nová Ves,

the whole district of Levoča,

in the whole district of Michalovce,

the whole district of Košice-okolie,

the whole district of Rožnava,

the whole city of Košice,

the whole district of Sobrance,

the whole district of Vranov nad Topľou,

the whole district of Humenné,

the whole district of Prešov,

in the whole district of Sabinov,

in the district of Svidník, the whole municipalities of Dukovce, Želmanovce, Kuková, Kalnište, Lužany pri Ondave, Lúčka, Giraltovce, Kračúnovce, Železník, Kobylince, Mičakovce,

the whole district of Bardejov,

the whole district of Stará Ľubovňa,

the whole district of Revúca,

the whole district of Rimavská Sobota,

in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities not included in part I

the whole district of Lučenec,

the whole district of Poltár

the whole district of Zvolen,

the whole district of Detva,

in the district of Krupina the whole municipalities of Senohrad, Horné Mladonice, Dolné Mladonice, Čekovce, Lackov,

In the district of Banska Bystica, the whole municipalites of Kremnička, Malachov, Badín, Vlkanová, Hronsek, Horná Mičiná, Dolná Mičiná, Môlča Oravce, Čačín, Čerín, Bečov, Sebedín, Dúbravica, Hrochoť, Poniky, Strelníky, Povrazník, Ľubietová, Brusno, Banská Bystrica,

the whole district of Brezno.

DEEL III

1.   Bulgarije

De volgende beperkingszones III in Bulgarije:

the whole region of Gabrovo,

the whole region of Lovech,

the whole region of Montana,

the Pleven region:

the whole municipality of Belene

the whole municipality of Gulyantzi

the whole municipality of Dolna Mitropolia

the whole municipality of Dolni Dabnik

the whole municipality of Iskar

the whole municipality of Knezha

the whole municipality of Nikopol

the whole municipality of Pordim

the whole municipality of Cherven bryag,

the Ruse region:

the whole municipality of Dve mogili,

the Shumen region:

the whole municipality of Veliki Preslav,

the whole municipality of Venetz,

the whole municipality of Varbitza,

the whole municipality of Kaolinovo,

the whole municipality of Novi pazar,

the whole municipality of Smyadovo,

the whole municipality of Hitrino,

the Silistra region:

the whole municipality of Alfatar,

the whole municipality of Glavinitsa,

the whole municipality of Dulovo

the whole municipality of Kaynardzha,

the whole municipality of Tutrakan,

the Sliven region:

the whole municipality of Kotel,

the whole municipality of Nova Zagora,

the whole municipality of Tvarditza,

the Targovishte region:

the whole municipality of Antonovo,

the whole municipality of Omurtag,

the whole municipality of Opaka,

the Vidin region,

the whole municipality of Belogradchik,

the whole municipality of Boynitza,

the whole municipality of Bregovo,

the whole municipality of Gramada,

the whole municipality of Dimovo,

the whole municipality of Kula,

the whole municipality of Makresh,

the whole municipality of Novo selo,

the whole municipality of Ruzhintzi,

the whole municipality of Chuprene,

the Veliko Tarnovo region:

the whole municipality of Veliko Tarnovo,

the whole municipality of Gorna Oryahovitza,

the whole municipality of Elena,

the whole municipality of Zlataritza,

the whole municipality of Lyaskovetz,

the whole municipality of Pavlikeni,

the whole municipality of Polski Trambesh,

the whole municipality of Strazhitza,

the whole municipality of Suhindol,

the whole region of Vratza,

in Varna region:

the whole municipality of Avren,

the whole municipality of Beloslav,

the whole municipality of Byala,

the whole municipality of Dolni Chiflik,

the whole municipality of Devnya,

the whole municipality of Dalgopol,

the whole municipality of Provadia,

the whole municipality of Suvorovo,

the whole municipality of Varna,

the whole municipality of Vetrino,

in Burgas region:

the whole municipality of Burgas,

the whole municipality of Kameno,

the whole municipality of Malko Tarnovo,

the whole municipality of Primorsko,

the whole municipality of Sozopol,

the whole municipality of Sredets,

the whole municipality of Tsarevo,

the whole municipality of Sungurlare,

the whole municipality of Ruen,

the whole municipality of Aytos.

2.   Italië

De volgende beperkingszones III in Italië:

tutto il territorio della Sardegna.

3.   Letland

De volgende beperkingszones III in Letland:

Aizputes novada Kalvenes pagasta daļa uz austrumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz ziemeļiem no autoceļa A9, uz austrumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz austrumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1296,

Skrundas novada Rudbāržu, Nīkrāces pagasts, Raņķu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasts (izņemot pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes), Skrundas pilsēta,

Vaiņodes novada Embūtes pagasta daļa uz ziemeļiem autoceļa P116, P106.

4.   Litouwen

De volgende beperkingszones III in Litouwen:

Jurbarko rajono savivaldybė: Seredžiaus ir Juodaičių seniūnijos,

Kauno rajono savivaldybė: Čekiškės seniūnija, Babtų seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio A1ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į rytus nuo kelio Nr. 1907,

Kėdainių rajono savivaldybė: Pernaravos seniūnija ir Josvainių seniūnijos pietvakarinė dalis tarp kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Plungės rajono savivaldybė: Alsėdžių, Babrungo, Paukštakių, Platelių ir Žemaičių Kalvarijos seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Ariogalos ir Ariogalos miesto seniūnijos,

Skuodo rajono savivaldybės: Barstyčių, Notėnų ir Šačių seniūnijos.

5.   Polen

De volgende beperkingszones III in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kiwity i Lidzbark Warmiński z miastem Lidzbark Warmiński w powiecie lidzbarskim,

gminy Barczewo, Gietrzwałd, Jonkowo, Dywity, Dobre Miasto, Purda, Stawiguda, Świątki, część gminy Olsztynek położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S51 biegnącą od wschodniej granicy gminy do miejscowości Ameryka oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą S51 do północnej granicy gminy, łączącej miejscowości Mańki – Mycyny – Ameryka w powiecie olsztyńskim,

powiat miejski Olsztyn,

w województwie mazowieckim:

gminy Łaskarzew z miastem Łaskarzew, Maciejowice, Sobolew, Trojanów, Żelechów, część gminy Wilga położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na południe od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

część gminy Iłża położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 w powiecie radomskim,

gmina Kazanów w powiecie zwoleńskim,

gminy Ciepielów, Lipsko, Rzeczniów i Sienno w powiecie lipskim,

w województwie lubelskim:

powiat tomaszowski,

gmina Białopole w powiecie chełmskim,

gmina Rudnik i część gminy Żółkiewka położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

gminy Adamów, Grabowiec, Komarów – Osada, Krasnobród, Łabunie, Miączyn, Nielisz, Radecznica, Sułów, Szczebrzeszyn, Zwierzyniec w powiecie zamojskim,

powiat biłgorajski,

powiat hrubieszowski,

gminy Dzwola i Chrzanów w powiecie janowskim,

gmina Serokomla w powiecie łukowskim,

gminy Abramów, Kamionka, Michów, Firlej, Jeziorzany, Kock w powiecie lubartowskim,

gminy Kłoczew, Stężyca, Ułęż i część gminy Ryki położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie ryckim,

gmina Baranów w powiecie puławskim,

w województwie podkarpackim:

gminy Cieszanów, Horyniec – Zdrój, Narol i Stary Dzików w powiecie lubaczowskim,

gminy Kuryłówka, Nowa Sarzyna, miasto Leżajsk, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na północ od miasta Leżajsk oraz część gminy wiejskiej Leżajsk położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gminy Krzeszów, Rudnik nad Sanem, część gminy Harasiuki położona na południe od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

gminy Chłopice, Jarosław z miastem Jarosław, Laszki, Wiązownica, Pawłosiów, Radymno z miastem Radymno, w powiecie jarosławskim,

gmina Stubno w powiecie przemyskim,

część gminy Kamień położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie rzeszowskim,

gminy Adamówka, Sieniawa, Tryńcza, miasto Przeworsk, część gminy wiejskiej Przeworsk położona na wschód od miasta Przeworsk i na wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie przeworskim,

część gminy Żyraków położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr A4 w powiecie dębickim,

gminy Przecław, Mielec z miastem Mielec, część gminy Radomyśl Wielki położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 984 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Radomyśl Wielki, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Radomyśl Wielki – Zdziarzec – Pole biegnącą od drogi nr 984 do południowej granicy gminy, część gminy Wadowice Górne położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wychylówka – Borowina do skrzyżowania z drogami 1106 R oraz nr 984, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 984 biegnącą od miejscowości Borowina do południowej granicy gminy w powiecie mieleckim,

w województwie lubuskim:

gminy Nowa Sól i miasto Nowa Sól, Otyń oraz część gminy Kożuchów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 283 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 290 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 290 biegnącej od miasta Mirocin Dolny do zachodniej granicy gminy, część gminy Bytom Odrzański położona na południowy wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 293 i 326, część gminy Nowe Miasteczko położona na wschód od linii wyznaczonych przez drogi 293 i 328, część gminy Siedlisko położona na południowy wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od rzeki Odry przy południowe granicy gminy do drogi nr 326 łączącej się z drogą nr 325 biegnącą w kierunku miejscowości Różanówka do skrzyżowania z drogą nr 321 biegnącą od tego skrzyżowania w kierunku miejscowości Bielawy, a następnie przedłużoną przez drogę przeciwpożarową biegnącą od drogi nr 321 w miejscowości Bielawy do granicy gminy w powiecie nowosolskim,

gminy Babimost, Czerwieńsk, Kargowa, Świdnica, Zabór, część gminy Bojadła położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 278 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 282 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 282 biegnącej od miasta Bojadła do zachodniej granicy gminy i część gminy Sulechów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Kępsko - Buków biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Buków, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Buków – Miłkowo biegnącą od miejscowości Buków do północnej granicy gminy w powiecie zielonogórskim,

część gminy Niegosławice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 328 w powiecie żagańskim,

powiat miejski Zielona Góra,

gminy Skąpe, Szczaniec, Zbąszynek, część gminy Lubrza położona na południe od linii wyznaczonej przez autostradę A2 i część gminy Świebodzin położona na południe od linii wyznaczonej przez autostradę A2 w powiecie świebodzińskim,

gminy Bobrowice, Dąbie, Krosno Odrzańskie i część gminy Bytnica położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1157F w powiecie krośnieńskim,

część gminy Trzciel położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 w powiecie międzyrzeckim,

w województwie wielkopolskim:

gmina Zbąszyń, część gminy Miedzichowo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Nowy Tomyśl położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie nowotomyskim,

gmina Siedlec w powiecie wolsztyńskim,

część gminy Rakoniewice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

gmina Chrzypsko Wielkie, część gminy Sieraków położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od wschodniej granicy gminy do przecięcia z drogą nr 133 w miejscowości Sieraków, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od przecięcia drogi nr 133 z rzeką Warta i dalej na wschód od linii wyznaczonej przez ulicę Poznańską, a następnie drogę łączącą miejscowości Jaroszewo – Sprzeczno biegnącą do południowej granicy gminy, część gminy Kwilcz położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 24, następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 24 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 186 do skrzyżowania z drogą w miejscowości Pólko, i dalej na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Pólko przez miejscowość Wituchowo do południowej granicy gminy w powiecie międzychodzkim,

gmina Pniewy, część gminy Duszniki położona na północny – zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Duszniki, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez ul. Niewierską oraz drogę biegnącą przez miejscowość Niewierz do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostroróg położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 186 i 184 biegnące od granicy gminy do miejscowości Ostroróg, a następnie od miejscowości Ostroróg przez miejscowości Piaskowo – Rudki do południowej granicy gminy, część gminy Wronki położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wartę biegnącą od zachodniej granicy gminy do przecięcia z droga nr 182, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 182 oraz 184 biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 182 do południowej granicy gminy, część gminy Szamotuły położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 306 i drogę łączącą miejscowości Lipnica - Ostroróg w powiecie szamotulskim,

gminy Baranów, Bralin, Perzów, Łęka Opatowska, Rychtal, Trzcinica, część gminy Kępno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S8 w powiecie kępińskim,

część gminy Namysłów położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę Głucha w powiecie namysłowskim, w województwie dolnośląskim:

gminy Jerzmanowa, Żukowice, część gminy Kotla położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Krzycki Rów, część gminy wiejskiej Głogów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 12, 319 oraz 329, część miasta Głogów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie głogowskim,

gminy Gaworzyce, Radwanice i część gminy Przemków położona na północ od linii wyznaczonej prze drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

w województwie świętokrzyskim:

część gminy Brody położona na wschód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy w powiecie starachowickim,

w województwie łódzkim:

gmina Czarnocin, część gminy Moszczenica położona na zachód od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Moszczenica – Osiedle, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Moszczenica – Osiedle – Kosów do skrzyżowania z drogą nr 12 i dalej na zachód od drogi nr 12 biegnącej od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Grabica położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 473 biegnącej od zachodniej granicy gminy do miejscowości Wola Kamocka, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą nr 473 i łączącą miejscowości Wola Kamocka – Papieże Kolonia – Papieże do wschodniej granicy gminy w powiecie piotrkowskim,

gmina Brójce, Tuszyn, Rzgów w powiecie łódzkim wschodnim,

część gminy wiejskiej Pabianice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S8, część gminy Dłutów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 485 w powiecie pabianickim,

gminy Bolesławiec, Czastary, Lututów, Łubnice, część gminy Sokolniki położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 482, część gminy Galewice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Przybyłów – Ostrówek – Dąbrówka – Zmyślona w powiecie wieruszowskim,

gminy Biała, Czarnożyły, Skomlin, część gminy Mokrsko położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Krzyworzeka – Mokrsko - Zmyślona – Komorniki – Orzechowiec – Poręby, część gminy Wieluń położona na zachód od miejscowości Wieluń oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Wieluń – Turów – Chotów biegnącą do zachodniej granicy gminy, część gminy Ostrówek położona na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę Pyszna w powiecie wieluńskim,

część gminy Złoczew położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 482 biegnącą od zachodniej granicy gminy w miejscowości Uników do miejscowości Złoczew, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 477 biegnącą od miejscowości Złoczew do południowej granicy gminy, część gminy Klonowa położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od wschodniej granicy gminy, łączącą miejscowości Owieczki - Klonowa – Górka Klonowska - Przybyłów w powiecie sieradzkim,

w województwie opolskim:

część gminy Gorzów Śląski położona na północ od miasta Gorzów Śląski oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 45, część gminy Praszka położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 45 w miejscowości Praszka oraz na północ od drogi łączącej miejscowości Praszka - Kowale w powiecie oleskim,

część gminy Byczyna położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 11 w powiecie kluczborskim

6.   Roemenië

De volgende beperkingszones III in Roemenië:

Zona orașului București,

Județul Constanța,

Județul Satu Mare,

Județul Tulcea,

Județul Bacău,

Județul Bihor,

Județul Bistrița Năsăud,

Județul Brăila,

Județul Buzău,

Județul Călărași,

Județul Dâmbovița,

Județul Galați,

Județul Giurgiu,

Județul Ialomița,

Județul Ilfov,

Județul Prahova,

Județul Sălaj,

Județul Suceava

Județul Vaslui,

Județul Vrancea,

Județul Teleorman,

Judeţul Mehedinţi,

Județul Gorj,

Județul Argeș,

Judeţul Olt,

Judeţul Dolj,

Județul Arad,

Județul Timiș,

Județul Covasna,

Județul Brașov,

Județul Botoșani,

Județul Vâlcea,

Județul Iași,

Județul Hunedoara,

Județul Alba,

Județul Sibiu,

Județul Caraș-Severin,

Județul Neamț,

Județul Harghita,

Județul Mureș,

Județul Cluj,

Județul Maramureş.

7.   Slowakije

De volgende beperkingszones III in Slowakije:

In the district of Lučenec: Lučenec a jeho časti, Panické Dravce, Mikušovce, Pinciná, Holiša, Vidiná, Boľkovce, Trebeľovce, Halič, Stará Halič, Tomášovce, Trenč, Veľká nad Ipľom, Buzitka, Prša, Nitra nad Ipľom, Mašková, Lehôtka, Kalonda, Jelšovec, Ľuboreč, Fiľakovské Kováče, Lipovany, Mučín, Rapovce, Lupoč, Gregorova Vieska, Praha,

In the district of Poltár: Kalinovo, Veľká Ves,

the whole district of Trebišov”.


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/47


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1091 VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 2021

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (1), en met name artikel 16,

Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie (3) heeft de Commissie de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (4) ingestelde vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten verlengd.

(2)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie bevat een schrijffout. Hoewel het totaal van de tariefcontingenten voor categorie 4 correct was, was de opsplitsing tussen de categorieën 4A en 4B en die tussen landenspecifieke en residuele tariefcontingenten niet correct.

(3)

De Commissie is van mening dat deze fout moet worden gecorrigeerd om een passende toewijzing van de tariefcontingenten mogelijk te maken, en wel met ingang van 1 juli 2021.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 respectievelijk artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het deel van tabel IV.1 met de titel “Omvang tariefcontingenten” met betrekking tot de productcategorieën 4A en 4B in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie wordt vervangen door de tabel in bijlage I.

Artikel 2

Het deel van tabel IV.2 met de titel “Omvang globale tariefcontingenten per kwartaal” met betrekking tot de productcategorieën 4A en 4B in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie wordt vervangen door de tabel in bijlage II.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 juli 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16.

(2)   PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen (PB L 225I van 25.6.2021, blz. 1).

(4)   PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27.


BIJLAGE I

“4.A

Metallisch beklede bladen

Taric-codes: 7210 41 00 20, 7210 41 00 30, 7210 49 00 20, 7210 49 00 30, 7210 61 00 20, 7210 61 00 30, 7210 69 00 20, 7210 69 00 30, 7212 30 00 20, 7212 30 00 30, 7212 50 61 20, 7212 50 61 30, 7212 50 69 20, 7212 50 69 30, 7225 92 00 20, 7225 92 00 30, 7225 99 00 11, 7225 99 00 22, 7225 99 00 23, 7225 99 00 41, 7225 99 00 45, 7225 99 00 91, 7225 99 00 92, 7225 99 00 93, 7226 99 30 10, 7226 99 30 30, 7226 99 70 11, 7226 99 70 13, 7226 99 70 91, 7226 99 70 93, 7226 99 70 94

Korea (Republiek)

34 726,32

34 726,32

33 971,40

34 348,86

35 768,11

35 768,11

34 990,54

35 379,32

36 841,15

36 841,15

36 040,26

36 440,70

25 %

09.8816

India

49 638,36

49 638,36

48 559,27

49 098,82

51 127,51

51 127,51

50 016,05

50 571,78

52 661,34

52 661,34

51 516,53

52 088,93

25 %

09.8817

Verenigd Koninkrijk

32 719,56

32 719,56

32 008,27

32 363,92

33 701,15

33 701,15

32 968,52

33 334,83

34 712,19

34 712,19

33 957,57

34 334,88

25 %

09.8979

Andere landen

439 629,02

439 629,02

430 071,87

434 850,45

452 817,89

452 817,89

442 974,02

447 895,96

466 402,42

466 402,42

456 263,24

461 332,84

25 %

 ((5))

4.B

GN-codes: 7210 20 00 , 7210 30 00 , 7210 90 80 , 7212 20 00 , 7212 50 20 , 7212 50 30 , 7212 50 40 , 7212 50 90 , 7225 91 00 , 7226 99 10 Taric-codes: 7210 41 00 80, 7210 49 00 80, 7210 61 00 80, 7210 69 00 80, 7212 30 00 80, 7212 50 61 80, 7212 50 69 80, 7225 92 00 80, 7225 99 00 25, 7225 99 00 95, 7226 99 30 90, 7226 99 70 19, 7226 99 70 96

China

118 662,79

118 662,79

116 083,16

117 372,98

122 222,67

122 222,67

119 565,66

120 894,17

125 889,35

125 889,35

123 152,63

124 520,99

25 %

09.8821

Korea (Republiek)

154 003,68

154 003,68

150 655,77

152 329,73

158 623,79

158 623,79

155 175,45

156 899,62

163 382,50

163 382,50

159 830,71

161 606,61

25 %

09.8822

India

70 874,00

70 874,00

69 333,27

70 103,64

73 000,22

73 000,22

71 413,26

72 206,74

75 190,23

75 190,23

73 555,66

74 372,95

25 %

09.8823

Verenigd Koninkrijk

32 719,56

32 719,56

32 008,27

32 363,92

33 701,15

33 701,15

32 968,52

33 334,83

34 712,19

34 712,19

33 957,57

34 334,88

25 %

09.8980

Andere landen

99 301,05

99 301,05

97 142,33

98 221,69

102 280,08

102 280,08

100 056,60

101 168,34

105 348,48

105 348,48

103 058,30

104 203,39

25 %

 ((6))


((5))  Van 1.7 t.e.m. 31.3: 09.8609

Van 1.4 t.e.m. 30.6: 09.8610

Van 1.4 t.e.m. 30.6: Voor India*, Korea (Republiek)* en het Verenigd Koninkrijk*: 09.8570 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5

((6))  Van 1.7 t.e.m. 31.3: 09.8611

Van 1.4 t.e.m. 30.6: 09.8612

Van 1.4 t.e.m. 30.6: Voor China*: 09.8581, voor Korea (Republiek)*: 09.8582, voor India*: 09.8583 en voor het Verenigd Koninkrijk*: 09.8584 *In geval van uitputting van hun specifieke contingenten overeenkomstig artikel 1, lid 5”


BIJLAGE II

4A

Andere landen

439 629,02

439 629,02

430 071,87

434 850,45

452 817,89

452 817,89

442 974,02

447 895,96

466 402,42

466 402,42

456 263,24

461 332,84

4B

Andere landen

99 301,05

99 301,05

97 142,33

98 221,69

102 280,08

102 280,08

100 056,60

101 168,34

105 348,48

105 348,48

103 058,30

104 203,39 ”


BESLUITEN

5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/51


BESLUIT (EU) 2021/1092 VAN DE RAAD

van 11 juni 2021

tot vaststelling van de criteria en de procedure voor de kennisgeving van verschillen met betrekking tot de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde internationale normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago is ondertekend en het internationale luchtvervoer regelt (het “Verdrag van Chicago”), is op 4 april 1947 in werking getreden. Bij dat verdrag is de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) opgericht.

(2)

De lidstaten van de Unie zijn verdragsluitende partijen bij het Verdrag van Chicago en de verdragsluitende staten van de ICAO, terwijl de Unie de status van waarnemer heeft in bepaalde organen van de ICAO.

(3)

Op grond van artikel 54 van het Verdrag van Chicago kan de ICAO-raad internationale normen (“normen”) en aanbevolen werkwijzen voor de luchtvaart vaststellen en die aanwijzen als bijlagen bij het Verdrag van Chicago (“ICAO-bijlagen”), met name wat de veiligheid van de burgerluchtvaart betreft.

(4)

Op grond van artikel 90 van het Verdrag van Chicago moet een ICAO-bijlage of een amendement van een ICAO-bijlage in werking treden binnen drie maanden na de voorlegging ervan aan de verdragsluitende staten van de ICAO of na afloop van een langere termijn zoals de ICAO-Raad die kan voorschrijven, tenzij in de tussentijd een meerderheid van de verdragsluitende staten van de ICAO haar afkeuring kenbaar maakt.

(5)

Zodra normen aangenomen en van kracht zijn, zijn ze bindend voor alle verdragsluitende staten van de ICAO, met inbegrip van alle lidstaten van de Unie, overeenkomstig en binnen de grenzen van het Verdrag van Chicago.

(6)

Op grond van artikel 38 van het Verdrag van Chicago moet elke verdragsluitende staat van de ICAO die het onuitvoerbaar acht volledig te voldoen aan een norm, dan wel zijn voorschriften of werkwijzen geheel in overeenstemming te brengen met een norm nadat die is gewijzigd, of die het nodig acht om voorschriften of werkwijzen vast te stellen die in enig specifiek opzicht verschillen van die welke bij een norm zijn vastgesteld, de ICAO onmiddellijk in kennis stellen van de verschillen tussen zijn eigen voorschriften of werkwijzen en die welke bij de norm zijn vastgesteld. In geval van wijzigingen van normen moet een staat die niet de nodige wijzigingen aanbrengt in zijn eigen voorschriften of werkwijzen, hiervan mededeling doen aan de ICAO-raad binnen een termijn van zestig dagen na de goedkeuring van de wijziging van de norm of moet hij de maatregelen aangeven die hij voorstelt te nemen.

(7)

De interne regels van de ICAO, met name de door de ICAO voor de verdragsluitende staten van de ICAO vastgestelde termijnen voor het melden van verschillen met betrekking tot normen, en het aantal verschillen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart dat elk jaar moet worden gemeld, maken het moeilijk om tijdig voor elk te melden verschil het standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen in een besluit van de Raad op basis van artikel 218, lid 9, van het Verdrag. Bovendien hebben de door de ICAO-raad vastgestelde normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart grotendeels betrekking op aangelegenheden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Daarom is het efficiënt en passend om een kader vast te stellen voor de criteria en de procedure voor de kennisgeving van verschillen met betrekking tot normen op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, onverminderd de rechten en verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van Chicago.

(8)

Gezien het specifieke karakter van de luchtvaartveiligheidssector in vergelijking met andere sectoren die door de ICAO worden bestreken, met name het grote aantal normen dat in die sector door de ICAO-raad is vastgesteld en het aantal verschillen dat jaarlijks moet worden gemeld, heeft dit besluit enkel betrekking op het domein luchtvaartveiligheid om de processen te stroomlijnen en efficiënt met de talrijke kennisgevingen om te gaan. Op ICAO-niveau zijn de luchtvaartveiligheidsnormen voornamelijk opgenomen in de ICAO-bijlagen 1, 6, 8, 14, 18 en 19. Op het niveau van de Unie zijn de vereisten in die normen voornamelijk opgenomen in Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (1) en in de op basis van die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen, met name Verordeningen (EU) nr. 1178/2011 (2), (EU) nr. 748/2012 (3), (EU) nr. 965/2012 (4), (EU) nr. 139/2014 (5), (EU) nr. 452/2014 (6), (EU) nr. 1321/2014 (7) en (EU) 2015/640 (8) van de Commissie, en in Verordeningen (EG) nr. 2111/2005 (9) en (EU) nr. 376/2014 (10) van het Europees Parlement en de Raad.

(9)

Dit besluit moet bovendien beperkt blijven tot de standpunten die namens de Unie in de ICAO moeten worden ingenomen op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen.

(10)

Verschillen ten opzichte van normen die door de ICAO-raad zijn vastgesteld, kunnen voortvloeien uit het Unierecht als gevolg van de vaststelling van een nieuwe of gewijzigde norm door die raad of als gevolg van een wijziging van het Unierecht. Met betrekking tot dergelijke verschillen moet het namens de Unie in te nemen standpunt gebaseerd zijn op een schriftelijk document dat de Commissie tijdig ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voorlegt.

(11)

Verschillen ten opzichte van normen die door de ICAO-raad op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart zijn vastgesteld, kunnen ook voortvloeien uit nationale maatregelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 in geval van dringende onvoorzienbare omstandigheden, wanneer die maatregelen afwijken van normen en derhalve vereisen dat de verschillen op grond van artikel 38 van het Verdrag van Chicago worden gemeld aan de ICAO. Het is daarom tevens passend om in dit besluit de procedure vast te stellen die moet worden gevolgd om dergelijke verschillen te definiëren. Die procedure moet afhangen van de reikwijdte en de duur van de nationale maatregelen die overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn vastgesteld, en moet de lidstaten in staat stellen onverwijld te voldoen aan hun internationale verplichtingen uit hoofde van artikel 38 van het Verdrag van Chicago. Die procedure moet de voorwaarden en de procedure van artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 onverlet laten.

(12)

De verschillen die aan de ICAO moeten worden gemeld, moeten met name gebaseerd zijn op de informatie die door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart wordt verstrekt, overeenkomstig artikel 90, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139, indien van toepassing. Verschillen moeten worden ingediend volgens het door de ICAO opgestelde kennisgevingsformulier inzake overeenstemming of verschillen (Form on Notification of Compliance With or Differences) of, indien de ICAO dat vraagt, via het systeem voor elektronische kennisgeving van verschillen. Wanneer het namens de Unie in te nemen standpunt op grond van dit besluit wordt vastgesteld in een schriftelijk document dat de Commissie ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voorlegt, moet in dat document, waar passend en per geval, worden aangegeven of aan de lidstaten flexibiliteit moet worden geboden bij de kennisgeving van de verschillen in kwestie. Bovendien moet de Commissie ernaar streven zo spoedig mogelijk met de opstelling van dit document te beginnen, zodat hiervoor — inclusief eventuele raadplegingen op deskundigenniveau — voldoende tijd is.

(13)

De tenuitvoerlegging van dit besluit mag niet leiden tot een schending van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Unierecht of hun internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Chicago, met name wat betreft de naleving van de termijn voor kennisgeving van verschillen aan de ICAO.

(14)

Dit besluit moet voor een beperkte periode van toepassing zijn, namelijk tot na de zitting van de ICAO-raad na de volgende Algemene Vergadering van de ICAO, om de Raad in staat te stellen de doeltreffendheid van dit besluit te beoordelen en op basis van een voorstel van de Commissie te besluiten of de toepassing ervan al dan niet verlengd moet worden en of het al dan niet anderszins gewijzigd moet worden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) in te nemen standpunt met betrekking tot de kennisgeving van verschillen met betrekking tot de normen in de bijlagen 1, 6, 8, 14, 18 en 19 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (het “Verdrag van Chicago”) op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart, voor zover dergelijke normen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, wordt vastgesteld volgens de criteria en de procedure van de artikelen 2 en 3 van dit besluit.

Artikel 2

Indien het Unierecht afwijkt van de in artikel 1 van dit besluit bedoelde normen en de kennisgeving aan de ICAO van verschillen met betrekking tot die normen derhalve vereist is overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag van Chicago, legt de Commissie tijdig en ten minste twee maanden vóór een door de ICAO vastgestelde termijn voor kennisgeving van verschillen een schriftelijk document ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voor, dat met name gebaseerd is op, indien van toepassing, de door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) overeenkomstig artikel 90, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139 verstrekte informatie, waarin de gedetailleerde verschillen worden uiteengezet die aan de ICAO moeten worden gemeld.

Artikel 3

1.   Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 nationale maatregelen vaststelt waarbij vrijstellingen worden verleend aan individuele natuurlijke personen of rechtspersonen of met een totale duur van niet meer dan acht maanden, en indien die nationale maatregelen afwijken van de in artikel 1 van dit besluit bedoelde normen en de kennisgeving van verschillen met die normen derhalve vereist is overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag van Chicago, stelt die lidstaat de Commissie onmiddellijk in kennis van elk gemeld verschil.

2.   Wanneer de overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 verleende vrijstellingen algemeen van toepassing zijn en de totale duur ervan meer dan acht maanden bedraagt, legt de Commissie, uiterlijk twee weken nadat de betrokken lidstaat haar overeenkomstig artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 in kennis heeft gesteld van die vrijstellingen, een schriftelijk document ter bespreking en goedkeuring aan de Raad voor, dat met name gebaseerd is op de informatie die het EASA overeenkomstig artikel 90, lid 4, van die verordening heeft verstrekt, en op de informatie die de lidstaten uit hoofde van artikel 71 van die verordening hebben verstrekt, waarin de gedetailleerde verschillen worden uiteengezet die aan de ICAO moeten worden gemeld.

Artikel 4

De tenuitvoerlegging van dit besluit mag niet leiden tot een schending van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Unierecht of van hun internationale verplichtingen uit hoofde van artikel 38 van het Verdrag van Chicago.

Artikel 5

Het namens de Unie in de ICAO in te nemen standpunt wordt verwoord door de lidstaten.

Artikel 6

Dit besluit is van toepassing tot en met 30 november 2022. Op voorstel van de Commissie kan de Raad de toepassing ervan verlengen of het besluit anderszins wijzigen.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 11 juni 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

J.P. MATOS FERNANDES


(1)  Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 139/2014 van de Commissie van 12 februari 2014 tot vaststelling van eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 44 van 14.2.2014, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 12).

(7)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie van 23 april 2015 betreffende aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor een bepaald soort vluchtuitvoering en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 18).

(9)  Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15).

(10)  Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/55


BESLUIT (EU) 2021/1093 VAN DE RAAD

van 28 juni 2021

tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad en beperkingen van de rechten van betrokkenen in het kader van de uitoefening van de taken van de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad, en tot intrekking van Besluit 2004/644/EG van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 240, lid 3,

Gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (1), en met name artikel 45, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2018/1725 bevat beginselen en voorschriften die van toepassing zijn op alle instellingen en organen van de Unie en bepaalt dat in elke instelling of elk orgaan van de Unie een functionaris voor gegevensbescherming wordt aangewezen.

(2)

Artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1725 schrijft voor dat elke instelling of elk orgaan van de Unie uitvoeringsvoorschriften betreffende de functionaris voor gegevensbescherming (de “uitvoeringsvoorschriften”) vaststelt. De uitvoeringsvoorschriften moeten met name betrekking hebben op de taken, verplichtingen en bevoegdheden van de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad en van het secretariaat-generaal van de Raad (“DPO”).

(3)

In de uitvoeringsvoorschriften moeten de procedures worden vastgesteld voor de uitoefening van de rechten van de betrokkenen en voor de naleving door alle betrokken actoren binnen de Raad en het secretariaat-generaal van de Raad (“SGR”) van de verplichtingen die verband houden met de verwerking van persoonsgegevens.

(4)

Verordening (EU) 2018/1725 voorziet in duidelijke verantwoordelijkheden voor de verwerkingsverantwoordelijken, met name met betrekking tot de rechten van de betrokkenen. De uitvoeringsvoorschriften moeten ervoor zorgen dat de Raad en het SGR hun verantwoordelijkheden als verwerkingsverantwoordelijke op uniforme en transparante wijze vervullen. Er moeten voorschriften worden vastgesteld om te bepalen wie verantwoordelijk is voor een verwerking die namens de Raad of het SGR wordt uitgevoerd. In dat verband is het passend om de functie van een “gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke” in te voeren teneinde de verantwoordelijkheden van de entiteiten van het SGR nauwkeurig te onderscheiden, met name wat betreft individuele besluiten over de rechten van de betrokkenen. Bovendien is het passend de functie van een “operationeel verwerkingsverantwoordelijke” in te voeren, die onder de verantwoordelijkheid van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke wordt aangewezen om de praktische naleving te waarborgen en verzoeken van betrokkenen in verband met een verwerking te behandelen. Om de verantwoordelijkheden van het SGR voor elke verwerkingsactiviteit nauwkeurig aan te geven, moet de operationeel verwerkingsverantwoordelijke nauwkeurig worden vermeld in de in het register bijgehouden vastleggingen. De benoeming van een operationeel verwerkingsverantwoordelijke betekent niet dat er in de praktijk geen gebruik mag worden gemaakt van een contactpunt, bijvoorbeeld in de vorm van een functionele mailbox voor verzoeken van betrokkenen.

(5)

In bepaalde gevallen kunnen meerdere directoraten-generaal of diensten van het SGR gezamenlijk een verwerking uitvoeren om hun opdracht te vervullen. In dergelijke gevallen dienen zij ervoor te zorgen dat er interne regelingen zijn om op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 vast te stellen, met name wat betreft de rechten van de betrokkenen, kennisgeving aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) en het bijhouden van vastleggingen.

(6)

Om de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken te vergemakkelijken, dient elk directoraat-generaal of andere dienst van het SGR een coördinator voor gegevensbescherming te benoemen. De coördinatoren voor gegevensbescherming dienen het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR bij te staan in alle aspecten van de bescherming van persoonsgegevens en nemen deel aan het netwerk van coördinatoren voor gegevensbescherming in het SGR om te zorgen voor een coherente uitvoering en interpretatie van Verordening (EU) 2018/1725.

(7)

Op grond van artikel 45, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2018/1725 zou de DPO aanvullende richtsnoeren kunnen aanreiken inzake de taak van de coördinator voor gegevensbescherming.

(8)

Artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 biedt elke instelling of elk orgaan van de Unie de mogelijkheid om de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35, van die verordening evenals het transparantiebeginsel van artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening te beperken voor zover de bepalingen van dat punt overeenstemmen met de rechten en verplichtingen waarin wordt voorzien door de artikelen 14 tot en met 17, 19 en 20 van die verordening.

(9)

In bepaalde gevallen kan het nodig zijn dat de DPO de rechten van betrokkenen beperkt om de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 vastgestelde toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken te verrichten, met inachtneming van de normen voor de bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van die verordening. Er moeten interne voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de DPO de rechten van betrokkenen kan beperken overeenkomstig artikel 25 van die Verordening (de “interne voorschriften”).

(10)

De interne voorschriften moeten gelden voor alle gegevensverwerkingsactiviteiten die de Raad en het SGR verrichten bij de uitoefening van de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO. De interne voorschriften moeten ook gelden voor de verwerkingen die deel uitmaken van de taken die verband houden met de onderzoeks- of auditfunctie van de DPO, zoals klachtenprocedures die door de DPO worden behandeld. De interne voorschriften moeten ook van toepassing zijn op het toezicht en de raadplegingen door de DPO wanneer de DPO buiten zijn administratieve onderzoeken en audits bijstand verleent aan en samenwerkt met de directoraten-generaal en diensten van het SGR.

(11)

De Raad en het SGR moeten wellicht beperkingen toepassen, welke zijn gebaseerd op de in artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde gronden, op gegevensverwerkingsactiviteiten die worden uitgevoerd in het kader van de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO wanneer dit nodig is ter bescherming van de taken van de DPO, daarmee verband houdende onderzoeken en procedures, de instrumenten en methoden van DPO-onderzoeken en -audits, alsmede de rechten van andere personen in verband met de taken van de DPO.

(12)

Om doeltreffende samenwerking te handhaven kan het nodig zijn dat de Raad en het SGR beperkingen stellen aan de rechten van de betrokkenen op bescherming van informatie die persoonsgegevens bevat die afkomstig zijn van andere directoraten-generaal en diensten van het SGR of andere instellingen of organen van de Unie. Daartoe moet de DPO die directoraten-generaal en diensten of andere instellingen of organen raadplegen over de relevante grondslag voor dergelijke beperkingen en de noodzaak en evenredigheid daarvan.

(13)

De DPO en, in voorkomend geval, de directoraten-generaal en diensten van het SGR moeten alle beperkingen op transparante wijze behandelen en elke toepassing van beperkingen vastleggen in het desbetreffende registratiesysteem.

(14)

Krachtens artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen de verwerkingsverantwoordelijken het verstrekken van informatie aan de betrokkene over de redenen voor de toepassing van een beperking uitstellen of achterwege laten indien het verstrekken van die informatie het doel van de beperking op eender welke wijze in het gedrang zou brengen. Met name wanneer een beperking van de in de artikelen 16 en 35 van die verordening verankerde rechten wordt toegepast, kan de kennisgeving daarvan het doel van de beperking in het gedrang brengen. Om ervoor te zorgen dat het recht van de betrokkene om te worden geïnformeerd in overeenstemming met die artikelen slechts wordt beperkt zolang de redenen voor het uitstel bestaan, dienen de DPO, de directoraten-generaal van het SGR of de dienst die de beperking toepast hun standpunt regelmatig opnieuw te beoordelen.

(15)

Indien andere rechten van betrokkenen worden beperkt, dient de DPO per geval te beoordelen of het meedelen van de beperking het doel ervan in het gedrang zou brengen.

(16)

De DPO moet, met het oog op de naleving van dit besluit, een onafhankelijke evaluatie verrichten van de wijze waarop andere directoraten-generaal of diensten van het SGR de op dit besluit gebaseerde beperkingen toepassen.

(17)

In een democratische samenleving moet elke beperking die op grond van dit besluit wordt toegepast, noodzakelijk en evenredig zijn.

(18)

De EDPS is geïnformeerd en geraadpleegd overeenkomstig artikel 41, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/1725 en heeft een advies (2) uitgebracht.

(19)

De uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EU) 2018/1725 doen geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (3), Besluit 2004/338/EG van de Raad, Euratom (4), en in het bijzonder bijlage II daarbij, Besluit 2013/488/EU van de Raad (5), en in het bijzonder afdeling VI van deel II van de bijlage daarbij, alsmede het besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 (6).

(20)

In Besluit 2004/644/EG van de Raad (7) zijn uitvoeringsvoorschriften vastgelegd met betrekking tot Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad. Verordening (EG) nr. 45/2001 is met ingang van 11 december 2019 ingetrokken door Verordening (EU) 2018/1725. Om te waarborgen dat slechts één stel uitvoeringsvoorschriften van toepassing is, dient Besluit 2004/644/EG te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

AFDELING 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderzoek en werkingssfeer

1.   Bij dit besluit worden voorschriften en procedures vastgesteld voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door de Raad en het secretariaat-generaal van de Raad (SGR) en worden nadere uitvoeringsvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de functionaris voor gegevensbescherming van de Raad (DPO).

2.   Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld die de Raad en het SGR in verband met de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO in acht moeten nemen wanneer de DPO betrokkenen over de verwerking van hun persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 informeert.

3.   Bij dit besluit worden de voorwaarden vastgesteld waarop de Raad en het SGR in verband met de toezichts-, onderzoeks-, audit- of adviserende taken van de DPO de toepassing van de artikelen 4, 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen beperken overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van die verordening.

4.   Dit besluit is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Raad en het SGR ten behoeve van of met betrekking tot de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken van de DPO.

Artikel 2

Verantwoordelijkheid voor de verwerking

Voor de toepassing van dit besluit worden de Raad en het SGR beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2018/1725.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1)

“functionaris voor gegevensbescherming” (DPO): de persoon die de secretaris-generaal van de Raad heeft aangewezen ingevolge artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725;

2)

“DPO-taken”: de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken;

3)

“personeel van het SGR”: alle ambtenaren van het SGR en iedere andere persoon die valt onder het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (8) (het “statuut”) of op contractuele basis voor het SGR werkt (namelijk stagiaires, consultants, contractanten, door de lidstaten gedetacheerde ambtenaren).

4)

“gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke”: het hoofd van het directoraat-generaal of een dienst van het SGR dat of die, alleen of samen met anderen, namens de Raad of het SGR het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt in het kader van de opdracht van dat directoraat-generaal of een dienst;

5)

“operationeel verwerkingsverantwoordelijke”: het personeelslid van het SGR uit het hoger of middenkader, dat door de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke is aangewezen om hem bij te staan bij het waarborgen van de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 voor de verwerkingen waarvoor hij verantwoordelijk is, en fungeert als eerste contactpunt voor betrokkenen;

6)

“coördinator voor gegevensbescherming”: het personeelslid van het SGR dat in elk directoraat-generaal of een andere dienst van het SGR in overleg met de DPO is aangewezen om dat directoraat-generaal of deze dienst bij te staan in alle aspecten van de bescherming van persoonsgegevens en bij gegevensbeschermingskwesties als vertegenwoordiger van dat directoraat-generaal of die andere dienst op te treden, in nauwe samenwerking met de DPO.

AFDELING 2

DE FUNCTIONARIS VOOR GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 4

Aanstelling en statuut van de DPO

1.   De secretaris-generaal van de Raad wijst de DPO aan uit het personeel van het SGR en registreert hem bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS), overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725.

2.   De DPO wordt aangewezen op grond van zijn professionele kwaliteiten en, in het bijzonder, zijn deskundigheid op het gebied van de wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming en zijn vermogen de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken te vervullen. De DPO heeft ook een gedegen kennis van het SGR, zijn structuur en zijn administratieve voorschriften en procedures. Voor de uitvoering van zijn taken wordt de DPO ontheven van alle andere taken binnen het SGR.

3.   De DPO wordt aangewezen voor een periode vijf jaar en komt in aanmerking voor herbenoeming.

4.   De DPO en zijn personeel ressorteren rechtstreeks onder de secretaris-generaal van de Raad en brengen rechtstreeks aan hem verslag uit.

5.   Bij de uitvoering van zijn taken handelt de DPO onafhankelijk en ontvangt hij geen instructies van de secretaris-generaal van de Raad, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken of de operationeel verwerkingsverantwoordelijken of van enige andere persoon, met betrekking tot de interne toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1725 of zijn samenwerking met de EDPS.

6.   De Raad en het SGR ondersteunen de DPO bij de vervulling van de in artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde taken door hem de daartoe en de voor het in stand houden van zijn deskundigheid benodigde middelen ter beschikking te stellen en hem toegang te verschaffen tot persoonsgegevens en verwerkingen.

7.   De DPO wordt niet ontslagen of gestraft voor het uitvoeren van zijn taken. De DPO mag enkel worden ontslagen overeenkomstig artikel 44, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725. Om de instemming van de EDPS met een dergelijk ontslag op grond van dat artikel te verkrijgen, wordt de EDPS schriftelijk geraadpleegd. Een afschrift van die instemming wordt aan de DPO gezonden.

8.   Het SGR, met name de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken, zorgen ervoor dat de DPO naar behoren en tijdig wordt betrokken bij alle aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 5

Taken en functies

1.   De DPO voert alle taken uit waarin artikel 45 van Verordening (EU) 2018/1725 voorziet. De DPO voert met name de volgende taken uit:

a)

zorgen voor de toepassing en uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 door de Raad en het SGR en toezien op de naleving van die Verordening en het toepasselijke rechtskader inzake de bescherming van persoonsgegevens;

b)

de secretaris-generaal van de Raad, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken adviseren over aangelegenheden in verband met de toepassing van de bepalingen inzake gegevensbescherming;

c)

de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken adviseren en bijstaan bij het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van Verordening (EU) 2018/1725;

d)

erop toezien dat de verwerkingen geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van de betrokkenen;

e)

meer bekendheid geven aan het toepasselijke rechtskader inzake de bescherming van persoonsgegevens en bijdragen tot de totstandbrenging van een cultuur van bescherming van persoonsgegevens binnen het SGR.

De DPO kan door de secretaris-generaal, de betrokken verwerkingsverantwoordelijken, het personeelscomité en elke natuurlijke persoon, zonder de officiële weg te volgen, over elke aangelegenheid betreffende de toepassing of uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 worden geraadpleegd.

2.   De DPO houdt een register bij van de vastgelegde verwerkingen en maakt dit overeenkomstig artikel 12openbaar toegankelijk.

3.   De DPO houdt ook een intern register bij van inbreuken in verband met persoonsgegevens in de zin van artikel 3, punt 16, van Verordening (EU) 2018/1725.

4.   De DPO adviseert desgevraagd de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke over een verzoek met betrekking tot de beperking van de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36, alsmede artikel 4 van Verordening (EU) 2018/1725.

5.   De DPO organiseert geregeld vergaderingen van coördinatoren voor gegevensbescherming en zit deze voor.

6.   De DPO dient jaarlijks een verslag over zijn activiteiten in bij de secretaris-generaal van de Raad en stelt het ter beschikking van het personeel van het SGR.

7.   De DPO werkt samen met de door de andere instellingen en organen van de Unie aangewezen functionarissen voor gegevensbescherming en woont geregeld vergaderingen bij die door de EDPS of de functionarissen voor gegevensbescherming van de andere instellingen en organen van de Unie worden bijeengeroepen om een goede samenwerking te bevorderen, met name door ervaringen en beste praktijken uit te wisselen.

8.   De DPO wordt voor de verwerkingsactiviteiten die in het kader van zijn taken worden verricht, als gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke beschouwd.

Artikel 6

Bevoegdheden

Bij de uitoefening van taken en functies

a)

heeft de DPO te allen tijde toegang tot de gegevens die het voorwerp van verwerking vormen en tot alle kantoren, gegevensverwerkingsapparatuur en gegevensdragers;

b)

kan de DPO de juridische dienst van de Raad om advies verzoeken;

c)

kan de DPO de bevoegde directoraten-generaal en diensten van het SGR om andere ondersteuning verzoeken;

d)

kan de DPO dossiers voor een passende follow-up toewijzen aan de betrokken directoraten-generaal en diensten van het SGR;

e)

kan de DPO, overeenkomstig de procedure van artikel 14, op verzoek of op eigen initiatief onderzoeken verrichten naar zaken en voorvallen die rechtstreeks verband houden met de taken van de DPO;

f)

kan de DPO de secretaris-generaal van de Raad bestuurlijke maatregelen voorstellen en algemene aanbevelingen doen betreffende de passende toepassing van Verordening (EU) 2018/1725;

g)

kan de DPO het SGR, de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken aanbevelingen doen voor de praktische verbetering van de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725, en kan hij of zij:

i)

de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker oproepen om gehoor te geven aan het verzoek van een betrokkene die zijn rechten overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 wil uitoefenen;

ii)

waarschuwingen geven aan de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker indien een verwerking in strijd is met de bepalingen van Verordening (EU) 2018/1725 en hen verzoeken om waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met die verordening;

iii)

de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker oproepen om gegevensstromen naar een ontvanger in een lidstaat, naar een derde land of naar een internationale organisatie op te schorten;

iv)

de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verzoeken om binnen een bepaalde termijn aan de DPO verslag uit te brengen over de follow-up die aan de aanbeveling of het advies van de DPO is gegeven;

h)

kan de DPO, na voorafgaande toestemming van de ordonnateur en overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9), een beroep doen op externe deskundigen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;

i)

wordt de DPO uitgenodigd voor de betrokken raden van bestuur en comités van het SGR wanneer kwesties in verband met de verwerking van persoonsgegevens worden besproken, en kan hij relevante punten voor de agenda van die raden en comités voorstellen;

j)

kan de DPO het feit dat een personeelslid van het SGR de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 niet nakomt onder de aandacht van het tot aanstelling bevoegd gezag van het SGR brengen en voorstellen dat er een administratief onderzoek wordt ingesteld met het oog op de mogelijke toepassing van de sancties die zijn vastgelegd in artikel 69 van die verordening;

k)

is de DPO, in overleg met de betrokken diensten van het SGR, verantwoordelijk voor initiële besluiten over verzoeken om toegang tot documenten die uit hoofde van Verordening (EG) 1049/2001 in het bezit zijn van zijn of haar bureau.

AFDELING 3

RECHTEN EN PLICHTEN VAN DE ACTOREN OP HET GEBIED VAN GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 7

Raadpleging en inkennisstelling van de DPO

1.   De verwerkingsverantwoordelijken betrekken de DPO bij de planning en bespreking van een activiteit waarbij sprake is van verwerking van persoonsgegevens. De DPO wordt in kennis gesteld van elke verwerking en van elke belangrijke wijziging van een bestaande verwerking.

2.   De DPO wordt in kennis gesteld van ontwerpen van interne nota’s en besluiten van het SGR die rechtstreeks verband houden met de interne toepassing van Verordening (EU) 2018/1725.

3.   De DPO wordt in kennis gesteld van alle contacten met externe partijen met betrekking tot de interne toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 en van eventuele contacten met de EDPS, met name indien de EDPS wordt geraadpleegd of geïnformeerd op grond van de artikelen 40 en 41 van die verordening.

4.   Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt door een verwerker, wordt de DPO geraadpleegd over ontwerpregelingen tussen gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en over ontwerpcontractbepalingen inzake gegevensbescherming of andere rechtshandelingen.

Artikel 8

Gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken

1.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zien erop toe dat bij alle verwerkingen die onder hun toezicht plaatsvinden Verordening (EU) 2018/1725 wordt nageleefd.

2.   In het bijzonder moeten de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken:

a)

een operationeel verwerkingsverantwoordelijke aanwijzen om de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke te helpen de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 te waarborgen, met name ten aanzien van betrokkenen;

b)

de vastleggingen bijhouden van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden en ervoor zorgen dat het dossier en de bijbehorende privacyverklaring door de operationeel verwerkingsverantwoordelijke bij de DPO worden ingediend om in het in artikel 12 bedoelde register te worden opgenomen;

c)

toezien op de activiteiten van verwerkers en subverwerkers die namens hen persoonsgegevens verwerken en ervoor zorgen dat de verwerking wordt geregeld in een overeenkomst of een andere rechtshandeling overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1725.

3.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat de DPO tijdig wordt betrokken bij alle kwesties in verband met persoonsgegevens en treffen passende regelingen om ervoor te zorgen dat de coördinator voor gegevensbescherming naar behoren wordt betrokken bij alle kwesties die verband houden met gegevensbescherming in hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR.

4.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat passende technische en organisatorische maatregelen worden genomen om aan te tonen dat de verwerkingsactiviteiten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725, en geven het personeel van het SGR passende instructies om zowel de vertrouwelijkheid van de verwerking als een beveiligingsniveau te waarborgen dat is afgestemd op de risico’s die de verwerking met zich meebrengt. Zij kunnen bij de selectie van deze maatregelen de DPO raadplegen.

5.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken brengen aan de DPO verslag uit over de behandeling van verzoeken van een betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, en staan de DPO en de EDPS bij in de vervulling van hun taken, in het bijzonder door in antwoord op hun verzoeken binnen 30 dagen informatie te verstrekken.

6.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zijn verantwoordelijk voor de toepassing van een beperking van de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36 van Verordening (EU) 2018/1725, alsmede van artikel 4 van die verordening, overeenkomstig de toepasselijke interne voorschriften. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken betrekken de DPO gedurende de gehele procedure bij de toepassing van een dergelijke beperking.

7.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat er interne regelingen met andere directoraten-generaal of diensten van het SGR van kracht zijn, indien de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke samen met die directoraten-generaal of diensten van het SGR verwerkingen verricht of als zij een deel van de verwerkingen van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke verrichten.

De in de eerste alinea bedoelde regelingen bepalen de respectieve verantwoordelijkheden van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en andere directoraten-generaal of diensten van het SGR voor de naleving van de desbetreffende gegevensbeschermingsverplichtingen. In die regelingen wordt met name vastgelegd welke gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de middelen en doelen van de verwerking bepaalt, alsook welke operationeel verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking verantwoordelijk is en, zo nodig, welke personen of entiteiten de operationeel verwerkingsverantwoordelijke ter zijde dienen te staan bij onder meer informatievoorziening in het geval van inbreuken in verband met gegevens of om rekening te houden met de rechten van betrokkenen.

Artikel 9

Operationeel verwerkingsverantwoordelijken

1.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijken helpen de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke bij het waarborgen van de naleving van Verordening (EU) 2018/1725 voor de verwerkingen waarvoor hij verantwoordelijk is, en fungeren als het eerste contactpunt voor betrokkenen.

2.   In het bijzonder moeten de operationeel verwerkingsverantwoordelijken:

a)

alle verzoeken van betrokkenen ontvangen en verwerken;

b)

in overleg met de coördinator voor gegevensbescherming de vastleggingen van de onder hun verantwoordelijkheid vallende verwerkingsactiviteiten en de bijbehorende privacyverklaring opstellen;

c)

ervoor zorgen dat overeenkomsten of andere rechtshandelingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door een verwerker in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725 en de DPO raadplegen over ontwerpovereenkomsten inzake gegevensbescherming;

d)

ervoor zorgen dat er documentatie beschikbaar is waaruit blijkt dat Verordening (EU) 2018/1725 wordt nageleefd.

3.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijken stellen de DPO zonder onnodige vertraging in kennis van inbreuken in verband met persoonsgegevens en verstrekken hem of haar alle nodige informatie om ervoor te zorgen dat de Raad voldoet aan de verplichtingen inzake inbreuken in verband met persoonsgegevens uit hoofde van de artikelen 34 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725.

4.   In overleg met de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke en de DPO stellen de operationeel verwerkingsverantwoordelijken de EDPS in voorkomend geval in kennis van inbreuken in verband met persoonsgegevens. Waar passend, stellen zij de betrokkenen daarvan eveneens in kennis.

5.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijken zorgen ervoor dat de coördinator voor gegevensbescherming op de hoogte wordt gehouden van alle aangelegenheden die verband houden met gegevensbescherming.

6.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijken beoordelen het risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de verwerkingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, en voeren waar nodig een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit. De operationeel verwerkingsverantwoordelijken winnen bij het uitvoeren van deze effectbeoordelingen en over de noodzaak van voorafgaande raadpleging het advies van de DPO in overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van Verordening (EU) 2018/1725.

7.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijken verrichten op verzoek van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke elke andere taak die binnen het toepassingsgebied van dit besluit valt.

Artikel 10

Coördinatoren voor gegevensbescherming

1.   Elk directoraat-generaal of andere dienst van het SGR wijst in overleg met de DPO een of meer coördinatoren voor gegevensbescherming aan om de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke en de operationeel verwerkingsverantwoordelijken van zijn of haar directoraat-generaal of andere dienst van het SGR bij te staan in alle aspecten die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.

2.   De coördinatoren voor gegevensbescherming worden gekozen op basis van hun kennis van en ervaring met de werking van het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR, geschiktheid voor de functie, competenties met betrekking tot gegevensbescherming, kennis van de beginselen van informatiesystemen, en communicatieve vaardigheden. Pas benoemde coördinatoren voor gegevensbescherming ronden binnen zes maanden na hun benoeming een opleiding af om de competenties te verwerven die nodig zijn voor hun rol. Een coördinator voor gegevensbescherming die minder dan twee jaar voor zijn of haar benoeming als contactpersoon in een ander directoraat-generaal of andere dienst van het SGR heeft gewerkt, is van die opleidingsverplichting vrijgesteld.

3.   De functie van coördinator voor gegevensbescherming maakt deel uit van de functiebeschrijving van elk tot contactpersoon benoemd personeelslid van het SGR. In het jaarlijkse beoordelingsrapport worden hun verantwoordelijkheden en prestaties vermeld.

4.   De coördinatoren voor gegevensbescherming worden naar behoren en tijdig betrokken bij alle kwesties die verband houden met gegevensbescherming in hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR en vervullen hun taken in nauwe samenwerking met de DPO.

5.   De coördinatoren voor gegevensbescherming hebben het recht om van de verwerkingsverantwoordelijken en van het personeel de informatie te verkrijgen die passend en noodzakelijk is voor de vervulling van hun taken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR. Dit omvat niet de toegang tot persoonsgegevens die onder de verantwoordelijkheid van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke worden verwerkt. Coördinatoren voor gegevensbescherming hebben alleen toegang tot persoonsgegevens indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.

6.   De coördinatoren voor gegevensbescherming brengen gegevensbeschermingsaangelegenheden onder de aandacht en helpen de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR hun verplichtingen na te komen, met name wat betreft:

a)

de uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725;

b)

de identificatie van de operationeel verwerkingsverantwoordelijken en de voorbereiding van de vastleggingen van de verwerkingen en privacyverklaringen voordat deze worden ingediend bij de DPO;

c)

de samenstelling van een lijst van alle bestaande verwerkingen van het directoraat-generaal of de andere dienst van het SGR.

7.   De coördinatoren voor gegevensbescherming helpen de operationeel verwerkingsverantwoordelijken binnen hun directoraat-generaal of andere dienst van het SGR hun verplichtingen na te komen, met name wat betreft:

a)

het opstellen van vastleggingen van verwerkingen en privacyverklaringen voordat deze bij de DPO worden ingediend;

b)

het documenteren van de verwerkingen;

c)

het verwerken van de verzoeken van de betrokkenen;

d)

het omgaan met inbreuken in verband met persoonsgegevens.

Artikel 11

Het personeel van het SGR

Het personeel van het SGR draagt ertoe bij dat de toepassing en uitvoering van Verordening (EU) 2018/1725 wordt gewaarborgd. Het personeel van het SGR heeft geen toegang tot persoonsgegevens of verwerkt dergelijke gegevens op geen andere wijze dan op instructie van de gedelegeerd of operationeel verwerkingsverantwoordelijke, tenzij het recht van de Unie of van de lidstaat in een andere regeling voorziet.

AFDELING 4

ANDERE VERPLICHTINGEN EN PROCEDURES

Artikel 12

Register

1.   De DPO houdt een register van de verwerkingen bij en zorgt ervoor dat dit register toegankelijk is via de website van de DPO op het intranet van het SGR en via de website van de Raad.

2.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO in kennis van elke verwerking en dient de vastleggingen van verwerkingen en de bijbehorende privacyverklaring in door middel van een formulier dat via het intranet van het SGR (onder “gegevensbescherming”) toegankelijk is. De melding aan de DPO geschiedt elektronisch. Na overleg met de DPO bevestigt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de vastlegging van de gegevens en de bijbehorende privacyverklaring en maakt deze in het register bekend.

3.   De vastlegging bevat alle in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/1725 genoemde informatie. De door de DPO in het register ingevoerde informatie kan evenwel bij wijze van uitzondering worden beperkt, wanneer zulks nodig is om de beveiliging van een specifieke verwerking te garanderen. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO onverwijld in kennis van elke wijziging in dergelijke informatie.

Artikel 13

Inbreuken in verband met persoonsgegevens

1.   Indien zich een inbreuk in verband met persoonsgegevens voordoet, vraagt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke of operationeel verwerkingsverantwoordelijke de coördinator voor gegevensbescherming om hulp en stelt hij de DPO zonder onnodige vertraging in kennis van het incident en verstrekt de DPO hem of haar alle nodige informatie om ervoor te zorgen dat de Raad voldoet aan de verplichting inzake de melding en mededeling van inbreuken in verband met persoonsgegevens op grond van de artikelen 34 en 35 van de Verordening (EU) 2018/1725.

2.   De DPO zet een intern register van inbreuken in verband met persoonsgegevens op en houdt dit bij. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en operationeel verwerkingsverantwoordelijken verstrekken de nodige informatie om het register aan te vullen.

3.   De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijken en operationeel verwerkingsverantwoordelijken stellen de kennisgeving aan de EDPS op in overleg met de DPO, tenzij het onwaarschijnlijk is dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

Artikel 14

Onderzoeken

1.   De DPO kan, op eigen initiatief of op verzoek van de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker, van het personeelscomité of van elke natuurlijke persoon, onderzoek uitvoeren naar zaken en gebeurtenissen die verband houden met zijn taken, en verslag uitbrengen aan de persoon die om het onderzoek verzocht heeft, dan wel aan de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker.

2.   Verzoeken om instelling van een onderzoek worden schriftelijk aan de DPO toegezonden. Ingeval het recht van verzoek om instelling van een onderzoek duidelijk misbruikt wordt, bijvoorbeeld wanneer dezelfde natuurlijke persoon recentelijk een identiek verzoek heeft gedaan, is de DPO niet verplicht de verzoeker te antwoorden.

3.   Binnen 15 dagen na ontvangst van een verzoek tot instelling van een onderzoek zendt de DPO de persoon die het verzoek heeft ingediend een ontvangstbewijs toe en gaat de DPO na of het verzoek als vertrouwelijk moet worden behandeld.

4.   De DPO verzoekt de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke om een verslag op te stellen over de gegevensverwerkingsverrichting die het onderwerp vormt van het verzoek tot instelling van een onderzoek. De gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke doet zijn antwoord binnen 15 dagen aan de DPO toekomen. De DPO kan de gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke, de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker of andere betrokken diensten van het SGR om aanvullende informatie verzoeken. Zo nodig, kan hij de juridische dienst van de Raad om advies verzoeken. De DPO ontvangt de verzochte informatie of het advies binnen 30 dagen.

5.   De DPO brengt uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek tot instelling van een onderzoek verslag uit aan de persoon die het verzoek heeft ingediend. Deze termijn kan worden opgeschort tot de DPO alle noodzakelijke informatie heeft verkregen waarom hij heeft verzocht.

6.   Niemand mag nadeel ondervinden van het feit dat hij een zaak die naar hij beweert Verordening (EU) 2018/1725 schendt, onder de aandacht van de DPO heeft gebracht.

Artikel 15

Algemene regels voor de uitoefening van rechten door betrokkenen

1.   De rechten van betrokkenen als vastgelegd in de artikelen 14 tot en met 24 van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen uitsluitend door de betrokkene of zijn naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger worden uitgeoefend.

2.   De betrokkene zendt verzoeken schriftelijk toe aan de operationeel verwerkingsverantwoordelijke, met een afschrift aan de DPO. Zo nodig, helpt de DPO de betrokkene vast te stellen wie ter zake de operationeel verwerkingsverantwoordelijke is. Het verzoek kan in elektronische vorm worden ingediend en bevat:

a)

achternaam, voornaam en contactgegevens van de betrokkene en datum van het verzoek;

b)

een vermelding van het recht dat men wenst uit te oefenen en, waar nodig, bewijsstukken met betrekking tot het verzoek;

c)

de categorie of categorieën van de persoonsgegevens in kwestie.

3.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijke zendt de betrokkene binnen vijf werkdagen na registratie van het verzoek een ontvangstbewijs toe. De operationeel verwerkingsverantwoordelijke vraagt bij onduidelijke of onvolledige verzoeken om opheldering. Zolang alle nodige ophelderingen niet zijn verstrekt, gaan de toepasselijke termijnen uit hoofde van artikel 14, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2018/1725 niet in.

4.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijke controleert de identiteit van de betrokkene overeenkomstig artikel 14, lid 6, van Verordening (EU) 2018/1725. Zolang de identiteitscontrole loopt, gaat de toepasselijke termijnen uit hoofde van artikel 14, leden 3 en 4, van die verordening, niet in.

5.   De operationeel verwerkingsverantwoordelijke willigt binnen de in artikel 14, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2018/1725 bepaalde termijnen het verzoek van de betrokkene in of deelt de redenen voor de gehele of gedeeltelijke weigering schriftelijk mee.

6.   In geval van een uiterst complex verzoek, onregelmatigheden of kennelijk misbruik door de betrokkene bij de uitoefening van zijn rechten, indien de verwerking van een verzoek waarschijnlijk een risico voor de rechten en vrijheden van andere betrokkenen inhoudt of indien de verwerking door de betrokkene onrechtmatig wordt geacht, raadpleegt de operationeel verwerkingsverantwoordelijke de DPO.

Artikel 16

Klachten uit hoofde van artikel 90 van het Statuut

In het geval van een klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren (“klacht uit hoofde van artikel 90”) ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens raadpleegt het tot aanstelling bevoegde gezag de DPO. Onverminderd de ontvankelijkheid van de klacht uit hoofde van artikel 90 geeft het personeelslid van het SGR in deze klacht aan of tegelijkertijd een klacht bij de EDPS is ingediend. De DPO brengt zijn advies binnen 15 werkdagen na ontvangst van het verzoek van het tot aanstelling bevoegde gezag schriftelijk uit. Indien de DPO na het verstrijken van die termijn geen advies heeft verstrekt, is het niet langer noodzakelijk. Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gebonden door het advies van de DPO.

AFDELING 5

BEPERKINGEN VAN DE RECHTEN VAN BETROKKENEN IN DE CONTEXT VAN DE UITOEFENING VAN DE TAKEN VAN DE DPO

Artikel 17

Uitzonderingen en beperkingen

1.   Bij de uitoefening van zijn taken ten aanzien van de rechten van betrokkenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 gaat de Raad of het SGR na of een van de in die verordening vastgestelde uitzonderingen van toepassing is.

2.   Onverminderd de artikelen 18 tot en met 22 van dit besluit kan de Raad of het SGR, overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten c), g) en h), van Verordening(EU) 2018/1725, de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van die verordening, evenals de toepassing van het in artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening neergelegde transparantiebeginsel beperken voor zover de bepalingen ervan overeenkomen met de in de artikelen 14 tot en met 17, 19 en 20 van die verordening bedoelde rechten en verplichtingen, wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen de uitoefening van de taken van de DPO onder meer door de openbaarmaking van zijn onderzoeks- of auditinstrumenten en -methoden in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.

3.   Onverminderd de artikelen 18 en 22 van dit besluit kan de Raad of het SGR de in lid 2 bedoelde rechten en verplichtingen beperken voor persoonsgegevens die de DPO van directoraten-generaal of diensten van het SGR of van andere instellingen of organen van de Unie heeft ontvangen. De Raad of het SGR kan daartoe overgaan wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen door die directoraten-generaal of diensten van het SGR of andere instellingen of organen zou kunnen worden beperkt op grond van andere in artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde handelingen of overeenkomstig hoofdstuk IX van die verordening of overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (10) of Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (11).

Voordat beperkingen worden toegepast onder de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden, raadpleegt de Raad of het SGR de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie, tenzij het duidelijk is dat in de toepassing van een beperking is voorzien door een van de in die alinea bedoelde handelingen.

4.   Elke beperking van de rechten en verplichtingen als bedoeld in lid 2 is noodzakelijk en evenredig in het licht van de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.

Artikel 18

Informatieverstrekking aan betrokkenen

1.   Het SGR publiceert op de website van de Raad mededelingen over gegevensbescherming om betrokkenen te informeren over de taken van de DPO waarbij hun persoonsgegevens worden verwerkt.

2.   Het SGR informeert afzonderlijk, in een geëigende vorm, elke natuurlijke persoon die het in het kader van de taken van de DPO als betrokkene aanmerkt.

3.   Indien het SGR de verstrekking van informatie aan de in lid 2 van dit artikel bedoelde betrokkenen geheel of gedeeltelijk beperkt, legt het SGR de redenen voor die beperking vast en registreert het die overeenkomstig artikel 21.

Artikel 19

Recht van inzage van betrokkenen, recht op wissing en recht op beperking van de verwerking

1.   Indien de Raad of het SGR het recht van inzage in persoonsgegevens door betrokkenen, het recht op wissing of het recht op beperking van de verwerking als bedoeld in, onderscheidenlijk, de artikelen 17, 19 en 20 van Verordening (EU) 2018/1725 geheel of gedeeltelijk beperkt, stellen zij de betrokkene in hun antwoord op een verzoek om inzage, wissing of beperking van de verwerking in kennis van de toegepaste beperking en van de belangrijkste redenen daarvoor, alsmede van de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de EDPS of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.   Het verstrekken van de informatie over de redenen voor de in lid 1 bedoelde beperking kan uitgesteld, achterwege gelaten of geweigerd worden zolang die verstrekking het doel van de beperking zou ondermijnen. Zodra het verstrekken van de informatie dat doel niet ondermijnt, verstrekt de Raad deze informatie aan de betrokkene.

3.   Overeenkomstig artikel 21 legt het SGR de redenen voor de beperking vast en registreert het deze.

Artikel 20

Mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene

Wanneer de Raad of het SGR de in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene beperkt, legt het SGR de redenen voor de beperking vast en registreert het die overeenkomstig artikel 21 van dit besluit.

Artikel 21

Vastlegging en registratie van beperkingen

1.   Het SGR legt de redenen vast voor beperkingen op grond van dit besluit, met inbegrip van een evaluatie per geval van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking, met inachtneming van de desbetreffende elementen van artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725.

Daartoe wordt in de vastleggingen vermeld hoe de uitoefening van een van de in de artikelen 14 tot en met 17 en de artikelen 19, 20 en 35 van die verordening bedoelde rechten of van het in artikel 4, lid 1, punt a), van die verordening vastgelegde transparantiebeginsel de activiteiten van de DPO uit hoofde van dit besluit of van krachtens artikel 17, leden 2 of 3, van dit besluit toegepaste beperkingen in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.

2.   De vastleggingen en, indien van toepassing, de documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen, worden geregistreerd. Deze worden de EDPS op diens verzoek ter beschikking gesteld.

Artikel 22

Duur van de beperkingen

1.   De in de artikelen 18, 19 en 20 bedoelde beperkingen blijven van toepassing zolang de redenen daarvoor blijven bestaan.

2.   Wanneer de redenen voor een in de artikelen 18 en 20 bedoelde beperking niet langer van toepassing zijn, heft het SGR de beperking op en informeert het de betrokkene over de redenen voor de beperking. Tegelijkertijd informeert het SGR de betrokkene over de mogelijkheid om op elk moment een klacht bij de EDPS in te dienen of om hoger beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in te stellen.

3.   Het SGR evalueert de toepassing van de in de artikelen 18 en 20 bedoelde beperkingen om de zes maanden nadat zij zijn vastgesteld, en in elk geval bij de voltooiing van de betrokken DPO-taak. Na de voltooiing monitort het SGR jaarlijks de noodzaak om eventuele beperkingen of uitstelperioden te handhaven.

Artikel 23

Evaluatie door de DPO

1.   Indien andere directoraten-generaal of diensten van het SGR concluderen dat de rechten van een betrokkene op grond van dit besluit dienen te worden beperkt, informeren zij de DPO. Ook verschaffen zij de DPO inzage in de vastleggingen en eventuele documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen. De betrokkenheid van de DPO bij de toepassing van beperkingen wordt uitvoerig gedocumenteerd.

2.   De DPO kan erom verzoeken dat de betrokken gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke de toepassing van de beperkingen evalueert. De betrokken gedelegeerd verwerkingsverantwoordelijke informeert de DPO schriftelijk over het resultaat van de gevraagde evaluatie.

AFDELING 6

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Intrekking

Besluit 2004/644/EG wordt ingetrokken.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

M. do C. ANTUNES


(1)   PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39.

(2)  Advies van 6 april 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(4)  Besluit 2004/338/EG, Euratom van de Raad van 22 maart 2004 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB L 106 van 15.4.2004, blz. 22).

(5)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).

(6)  Besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 betreffende een code voor correct bestuurlijk gedrag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en zijn personeel in de contacten die zij om professionele redenen met het publiek hebben (PB C 189 van 5.7.2001, blz. 1).

(7)  Besluit 2004/644/EG van de Raad van 13 september 2004 tot aanneming van uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 296 van 21.9.2004, blz. 16).

(8)   PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1

(10)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).

(11)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/69


BESLUIT (EU) 2021/1094 VAN DE RAAD

van 28 juni 2021

tot wijziging van Beschikking 2008/376/EG inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 2, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 5 oktober 2016 heeft de Unie de Overeenkomst van Parijs die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”) geratificeerd. De partijen die de Overeenkomst van Parijs hebben bekrachtigd, zijn ertoe opgeroepen de wereldwijde reactie op het gevaar van klimaatverandering te versterken en de stijging van de temperatuur op aarde ruim onder de 2 °C te houden.

(2)

In overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs heeft de Commissie op 11 december 2019 een mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de “Europese Green Deal” bekendgemaakt, waarmee zij zich ertoe verbindt de problemen in verband met klimaat en milieu op te lossen en de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. In de mededeling over de Green Deal, waarin een nieuwe groeistrategie wordt voorgesteld, wordt verwezen naar de noodzaak om schone innovatieve staaltechnologieën te ondersteunen die uiterlijk in 2030 tot een koolstofvrij staalproductieproces moeten leiden en om te onderzoeken of daarvoor gebruik kan worden gemaakt van een deel van de middelen uit de liquidatie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In de mededeling wordt ook gesteld dat alle acties en beleidsmaatregelen van de Unie op één doel moeten worden gericht: de Unie helpen om een succesvolle en rechtvaardige transitie naar een duurzame toekomst tot stand te brengen. In overeenstemming met het in de mededeling verankerde “berokken geen schade”-beginsel worden de doelstellingen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal momenteel herzien om te zorgen dat activiteiten die de winning, de verwerking en het onverminderde gebruik van kolen in stand houden, in dit kader niet langer voor ondersteuning in aanmerking komen.

(3)

De Unie zet zich in voor een ambitieus klimaatbeleid en heeft een regelgevingskader ingesteld om de broeikasgasemissiereductiedoelen voor 2030 te bereiken. Meer specifiek wordt bij Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (2) de wettelijke basis gelegd voor een betrouwbare, inclusieve, kostenefficiënte, transparante en voorspelbare governance van de energie-unie en de klimaatactie, waardoor wordt gegarandeerd dat de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie voor 2030 en voor de lange termijn worden gehaald overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs.

(4)

In haar mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het investeringsplan voor een duurzaam Europa en het Investeringsplan voor de Europese Green Deal heeft de Commissie haar voornemen aangekondigd een herziening van Beschikking 2008/376/EG van de Raad (3) voor te stellen, onder meer om de financiering van grote baanbrekende O&I-projecten op het gebied van schone staalproductie en onderzoeksactiviteiten in de kolensector overeenkomstig de beginselen van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie mogelijk te maken.

(5)

Daarbij wordt in het controle- en beoordelingsverslag voor het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (“het onderzoeksprogramma”) aanbevolen de in hoofdstuk II, afdelingen 3 en 4, van Beschikking 2008/376/EG genoemde onderzoeksdoelstellingen voor kolen en staal te wijzigen en baanbrekend onderzoek in de staalsector en emblematische projecten in de kolensector te ondersteunen.

(6)

Daarom moeten de doelstellingen van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal in overeenstemming worden gebracht met internationale overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Parijs, en met de wetenschappelijke, technologische en politieke doelstellingen van de Unie ten aanzien van klimaatneutraliteit in 2050.

(7)

Medegeprogrammeerde partnerschappen zijn doeltreffend gebleken voor het bundelen van middelen rond een gemeenschappelijke Europese onderzoeksdoelstelling. Met het oog op het streven naar een klimaatneutrale economie in 2050 moet de mogelijkheid om via medegeprogrammeerde Europese partnerschappen, in samenspel met andere programma’s, steun te verlenen, worden vastgelegd. Een Europees partnerschap kan een ideaal instrument zijn voor de bundeling van middelen om onderzoek naar baanbrekende technologieën voor de beperking van de CO2-uitstoot in de staalsector te ondersteunen.

(8)

Beschikking 2008/376/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2008/376/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het onderzoeksprogramma biedt ondersteuning voor gezamenlijk onderzoek in de sectoren kolen en staal. Het onderzoeksprogramma biedt daarnaast ondersteuning voor baanbrekende technologieën die de staalproductieprojecten nagenoeg koolstofvrij moeten maken en voor onderzoeksprojecten naar een rechtvaardige transitie voor voormalige of sluitende kolenmijnen en bijbehorende infrastructuur, overeenkomstig het mechanisme voor een rechtvaardige transitie en in overeenstemming met artikel 4, lid 2, van Beschikking 2003/76/EG. Het onderzoeksprogramma is in overeenstemming met de politieke, wetenschappelijke en technologische doelstellingen van de Unie en vult de activiteiten aan die in de lidstaten en binnen het bestaande kaderprogramma van de Unie voor onderzoek en technologische ontwikkeling (“het kaderprogramma voor onderzoek”) worden uitgevoerd.”.

2)

Artikelen 4 tot en met 6 worden vervangen door:

“Artikel 4

Ondersteuning van een rechtvaardige transitie voor de kolensector en de kolenregio’s

1.   De onderzoeksprojecten ondersteunen de transitie naar een klimaatneutrale economie voor de Unie in 2050, met als doel de uitfasering van fossiele brandstoffen te ondersteunen, alternatieve activiteiten te ontwikkelen op voormalige mijnbouwterreinen en milieuschade veroorzaakt door voormalige of sluitende kolenmijnen en in hun omgeving te voorkomen of te herstellen. De projecten zijn met name toegespitst op:

a)

het ontwikkelen en testen van technologieën voor het afvangen, gebruiken en opslaan van kooldioxide;

b)

het inzetten van geothermische energie op locaties waar voorheen kolen werden gewonnen;

c)

niet-energetisch gebruik van en de productie van grondstoffen uit mijnbouwafval en residuen van voormalige of sluitende kolenmijnen, waarbij terdege ervoor moet worden gezorgd dat de effecten van deze activiteiten voor het klimaat, het milieu en de gezondheid inderdaad worden geminimaliseerd en minder ernstig zijn dan bij alternatieve oplossingen;

d)

de herbestemming van voormalige bruin- en steenkoolmijnen en de daaraan gerelateerde infrastructuur, met inbegrip van de elektriciteitsvoorziening, met het oog op de transitie naar een klimaatneutrale en milieuvriendelijke economie;

e)

de bevordering van de ontwikkeling van efficiënte om- en bijscholingsprogramma’s voor de door de uitfasering van de kolenindustrie getroffen werknemers, met inbegrip van onderzoek naar het opleiden en omscholen van werknemers die in de kolensector werkzaam zijn of zijn geweest.

2.   Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het versterken van het Europese leiderschap in de omgang met de transitie van voormalige kolenmijnen en bijbehorende infrastructuur aan de hand van technologische en niet-technologische oplossingen, waarbij de overdracht van technologie en niet-technologische oplossingen wordt ondersteund. In overeenstemming met die doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050 leveren onderzoeksactiviteiten met deze doelstellingen tastbare voordelen op voor het klimaat en het milieu.

Artikel 5

Verbetering van gezondheid en veiligheid

1.   In de projecten met betrekking tot de activiteiten waarnaar wordt verwezen in de artikelen 4 en 6 wordt rekening gehouden met vraagstukken inzake de veiligheid van voormalige en sluitende kolenmijnen gericht op een verbetering van de arbeidsomstandigheden en de gezondheid en veiligheid op het werk, en met milieugerelateerde vraagstukken die schadelijk zijn voor de gezondheid.

2.   Onderzoeksprojecten zijn gericht op met mijnbouwactiviteiten verband houdende ziekten, met het oog op de verbetering van de gezondheid van de mensen in kolenregio’s in transitie. Onderzoeksprojecten zorgen ook voor beschermende maatregelen tijdens de sluiting van mijnen en in voormalige mijnen.

Artikel 6

Minimalisering van de milieueffecten van kolenmijnen in transitie

1.   In onderzoeksprojecten wordt ernaar gestreefd de effecten van voormalige en sluitende kolenmijnen op lucht, water en bodem te minimaliseren. Het onderzoek is gericht op het behoud en herstel van natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties en op minimalisering van de milieueffecten van voormalige en sluitende kolenmijnen.

2.   De voorkeur wordt gegeven aan projecten die ten minste een van de volgende doelstellingen bevorderen:

a)

nieuwe en verbeterde technologieën ter voorkoming van milieuvervuiling, met inbegrip van het weglekken van methaan, bij voormalige en sluitende kolenmijnen en in hun omgeving (met inbegrip van lucht, land, bodem en water);

b)

afvanging, voorkoming en minimalisering van broeikasgasemissies, in het bijzonder methaan, uit kolenlagen in sluitende mijnen;

c)

beheer en hergebruik van afval van de mijnbouw, vliegas en ontzwavelingsproducten van voormalige en sluitende kolenmijnen, alsmede, in voorkomend geval, samen met andere vormen van afval;

d)

sanering van afvalhopen en industrieel gebruik van residuen van de productie en het gebruik van kolen in kolenregio’s in transitie;

e)

bescherming van het grondwater en zuivering van mijnafvalwater;

f)

herstel van het milieu bij voormalige of sluitende installaties die kolen gebruikten, en in hun omgeving, met name wat betreft water, land, bodem en biodiversiteit;

g)

bescherming van oppervlakte-infrastructuur tegen de gevolgen van bodemverzakking en grondverschuivingen op korte en lange termijn.”.

3)

Artikel 7 wordt geschrapt.

4)

De artikelen 8 tot en met 10 worden vervangen door:

“Artikel 8

Nieuwe, duurzame en koolstofarme processen voor staalproductie en -afwerking

Onderzoek en technologische ontwikkeling op dit gebied hebben de ontwikkeling, demonstratie en verbetering van nagenoeg koolstofvrije staalproductieprocessen tot doel om de kwaliteit van de producten en de productiviteit te verhogen. Een aanzienlijke vermindering van de emissies, het energieverbruik en andere milieueffecten, verkleining van de koolstofvoetafdruk alsmede de instandhouding van hulpbronnen, vormen een integraal deel van de activiteiten. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

nieuwe en verbeterde innovatieve, nagenoeg koolstofvrije ijzer- en staalproductieprocessen en -operaties, met bijzondere aandacht voor het rechtstreeks voorkomen van koolstof, of slim koolstofgebruik, of beiden;

b)

proces- en procesketenoptimalisering in de staalproductie (met inbegrip van de reductie en prereductie van ijzererts, ijzer- en staalproductie, processen gebaseerd op het smelten van gerecycled schroot, secundaire metallurgie, gieten, walsen, afwerking en coating) middels instrumentatie, detectie van de eigenschappen van intermediaire en eindproducten, modellering, besturing en automatisering, met inbegrip van digitalisering, de toepassing van “big data”, kunstmatige intelligentie en andere geavanceerde technologieën;

c)

integratie en procesefficiëntie van staalprocessen in nagenoeg koolstofvrije staalproductie;

d)

onderhoud en betrouwbaarheid van werktuigen voor de staalproductie;

e)

technieken voor het vergroten van de recyclebaarheid en meer recycling en hergebruik van staal en de ontwikkeling van een circulaire economie;

f)

technieken voor het vergroten van de energie-efficiëntie van de staalproductie door terugwinning van afvalwarmte, voorkoming van energieverliezen, hybride verwarmingstechnieken en oplossingen voor energiebeheer;

g)

innovatieve technologieën en oplossingen voor de ijzer- en staalproductieprocessen waarbij sectoroverschrijdende activiteiten en demonstratieprojecten met integratie van koolstofvrije energieproductie worden bevorderd of wordt bijgedragen tot een schone waterstofeconomie.

Artikel 9

Geavanceerde staalsoorten en staaltoepassingen

Onderzoek en technologische ontwikkeling zijn gericht op het tegemoetkomen aan de behoeften van staalgebruikers om nieuwe nagenoeg koolstofvrije producten te ontwikkelen en nieuwe marktkansen te scheppen en tegelijkertijd de emissies en de milieueffecten terug te dringen. In het kader van de in artikel 8 bedoelde technologieën bestrijken onderzoeksprojecten een of meer van de volgende gebieden, met als doel nagenoeg koolstofvrije en duurzame staalproductieprocessen in de Unie te realiseren:

a)

nieuwe geavanceerde staalsoorten;

b)

verbetering van de staaleigenschappen, zoals mechanische en fysische eigenschappen, geschiktheid voor verdere verwerking, geschiktheid voor verschillende toepassingen en verschillende arbeidsomstandigheden;

c)

verlenging van de levensduur, in het bijzonder door verbetering van de warmte- en corrosievastheid en de bestendigheid tegen mechanische en thermische vermoeiing of andere verslechterende effecten van staal en staalconstructies;

d)

voorspellende simulatiemodellen van microstructuren, mechanische eigenschappen en productieprocessen;

e)

technologieën met betrekking tot het vormen, lassen en verbinden van staal en andere materialen;

f)

normalisatie van test- en evaluatiemethoden;

g)

hoogwaardig staal voor toepassingen zoals mobiliteit, met inbegrip van duurzaamheid, methoden voor ecologisch ontwerp, retrofitting, lichtgewichtconstructies en/of oplossingen op het gebied van veiligheid.

Artikel 10

Behoud van hulpbronnen, bescherming van het milieu en circulaire economie

Bij zowel de productie als het gebruik van staal vormen het behoud van hulpbronnen, de bescherming van ecosystemen, de transitie naar een circulaire economie en veiligheidskwesties een integraal deel van de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

technieken voor de recycling van oud staal en bijproducten uit verschillende bronnen en de verbetering van de kwaliteit van staalschroot;

b)

behandeling van afval en terugwinning van waardevolle secundaire grondstoffen, waaronder slakken, binnen en buiten de staalfabriek;

c)

beheersing van milieuverontreiniging en bescherming van het milieu op, in en rond de werkplek en de staalfabriek (m.b.t. vaste, vloeibare of gasvormige emissies, waterbeheer, geluidsemissies, geurhinder, stof enz.);

d)

het ontwerpen van staalsoorten en geassembleerde constructies om de gemakkelijke terugwinning van staal voor recycling of hergebruik te bevorderen;

e)

het gebruik van procesgassen en de verwijdering van afgasemissies uit de staalproductie;

f)

toepassing van een levenscyclusanalyse en de levenscyclusbenadering betreffende de productie en het gebruik van staal.”.

5)

In hoofdstuk II, afdeling 4, wordt het volgende artikel ingevoegd:

“Artikel 10 bis

Personeelsbeheer en arbeidsomstandigheden

De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

ontwikkeling en overdracht van vaardigheden om gelijke tred te houden met nieuwe nagenoeg koolstofvrije staalproductieprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van digitalisering, en in overeenstemming met het beginsel van een leven lang leren;

b)

verbetering van de arbeidsomstandigheden, met inbegrip van aspecten ten aanzien van de gezondheid, veiligheid en ergonomie op en rond de werkplek.”.

6)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 17 bis

Europese partnerschappen

1.   Een deel van het onderzoeksprogramma, met name onderzoek naar baanbrekende technologieën voor de vermindering van de CO2-uitstoot in de staalsector, kan worden uitgevoerd in de vorm van medegeprogrammeerde Europese partnerschappen die zijn vastgesteld in overeenstemming met de voorschriften van artikel 10 van en bijlage III bij Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (*1).

2.   Voor de toepassing van dit artikel is een medegeprogrammeerd Europees partnerschap een initiatief dat wordt voorbereid met vroegtijdige betrokkenheid van de lidstaten, waarbij de Unie, samen met private of publieke partners, of beiden (zoals de industrie, universiteiten, onderzoeksorganisaties, organen met een openbaredienstverleningstaak op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van stichtingen en ngo’s) zich ertoe verbindt om de ontwikkeling en uitvoering van een programma van onderzoeksactiviteiten gezamenlijk te ondersteunen. Medegeprogrammeerde Europese partnerschappen worden opgezet op basis van memoranda van overeenstemming en/of contractuele regelingen tussen de Commissie en private of publieke partners, of beiden, waarin de doelstellingen van het partnerschap, de daarmee verband houdende door de partners aangegane verbintenissen in verband met financiële bijdragen of bijdragen in natura, of beiden, de belangrijkste prestatie- en impactindicatoren en de te verrichten prestaties worden gespecificeerd. Hieronder valt onder meer de vaststelling van aanvullende onderzoeksactiviteiten die door de partners en in het kader van het onderzoeksprogramma worden uitgevoerd.

3.   In het kader van de medegeprogrammeerde Europese partnerschappen kan het onderzoeksprogramma financiering verstrekken aan activiteiten die op grond van deze afdeling subsidiabel zijn, in de in artikel 30 bedoelde vorm. Daarnaast kan zij financiering verstrekken in de vorm van prijzen.

4.   De financiering voor de in deze afdeling vermelde activiteiten volgt op de gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen als bedoeld in artikel 25, leden 2 en 3.

(*1)  Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).”."

7)

Artikel 39 wordt vervangen door:

“Artikel 39

Aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen

Op de aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen, zoals bedoeld in artikel 18, artikel 28, lid 2, en artikel 38, is het bepaalde in artikel 237 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (*2) van toepassing.

(*2)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).”."

8)

In artikel 41 wordt punt c) geschrapt.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

M. do C. ANTUNES


(1)  Advies van 19 mei 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(3)  Beschikking 2008/376/EG van de Raad van 29 april 2008 inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma (PB L 130 van 20.5.2008, blz. 7).


5.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/75


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1095 VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 2021

tot vaststelling van de methode voor de toewijzing van de kosten in verband met de lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NextGenerationEU

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gezien Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (1), en met name artikel 15, lid 4,

Gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (2), en met name artikel 5, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de reactie op de COVID-19-crisis werd het herstelpakket NextGenerationEU (“NGEU”) goedgekeurd om herstelinitiatieven te financieren en tegelijkertijd de groene en de digitale transitie van de economie van de Europese Unie te vergemakkelijken. In dit verband zijn NGEU-programma’s programma’s die worden gefinancierd op grond van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (3), voor zover zij uitvoering geven aan de in artikel 1, lid 2, van die verordening bedoelde maatregelen.

(2)

Op grond van artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 is de Commissie gemachtigd om namens de Europese Unie middelen op kapitaalmarkten te lenen van maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018, waarvan maximaal 360 miljard EUR in prijzen van 2018 mag worden gebruikt voor het verstrekken van leningen en maximaal 390 miljard EUR in prijzen van 2018 voor uitgaven.

(3)

Op grond van artikel 5, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 komt de terugbetaling van de hoofdsom van de geleende voor uitgaven te gebruiken middelen en de daarmee samenhangende verschuldigde rente ten laste van de Uniebegroting.

(4)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) 2021/241 en artikel 220, lid 5, punt e), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (4) worden de kosten in verband met het lenen van middelen voor de leningen die op grond van Verordening (EU) 2021/241 worden verstrekt, door de begunstigde lidstaat gedragen.

(5)

Door de uitvoering van de gediversifieerde financieringsstrategie van de Commissie voor het verrichten van de leningstransacties in het kader van NGEU en de leningstransacties met het oog op schuldbeheer in het kader van NGEU wordt kapitaal niet langer per transactie aangetrokken. In dat model waren financieringskosten duidelijk identificeerbaar en verbonden met een specifieke leningstransactie en konden de daarmee samenhangende kosten worden overgedragen aan de begunstigde van de lening, samen met de opbrengst van de leningstransactie. Met de gediversifieerde financieringsstrategie van NGEU worden uitbetalingen in het kader van NGEU echter gefinancierd vanuit één enkele financieringspool, die uit financieringsinstrumenten op korte en op lange termijn bestaat, waaruit middelen worden opgenomen wanneer uitbetalingen aan begunstigden moeten worden gedaan. De gediversifieerde financieringsstrategie zorgt voor de gunstigste voorwaarden bij het lenen van aanzienlijke bedragen met verschillende looptijden. Bijgevolg is een aanpak op maat nodig om het berekenen en het toewijzen van de gedeelde kosten in verband met elke uitbetaling billijk, evenwichtig en transparant te laten verlopen.

(6)

Daartoe moet de Commissie een gemeenschappelijke en uniforme methode voor kosten toepassen, die van toepassing is op zowel de uitbetalingen in verband met leningen als die in verband met externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094.

(7)

Er moet een nieuwe methode voor de toewijzing van kosten worden gebruikt die ervoor zorgt dat er geen kruissubsidiëring van kosten plaatsvindt tussen de twee categorieën begunstigden. Kosten in verband met het lenen van middelen voor leningen moeten volledig worden doorberekend aan de lidstaten die op grond van Verordening (EU) 2021/241 leningen ontvangen. Kosten in verband met het lenen van middelen voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 worden volledig aan de begroting van de Unie doorberekend op basis van de werkelijk gemaakte kosten voor het ophalen en het uitbetalen van het respectieve deel van de opbrengst aan de verschillende begunstigden. De methode moet alle kosten dekken die de Commissie maakt voor de opname van leningen in het kader van NGEU, met inbegrip van alle administratieve kosten, en moet ervoor zorgen dat voor elke uitbetaling verschillende categorieën kosten worden berekend.

(8)

Bij deze methode voor berekening en toewijzing van kosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen drie categorieën kosten. Om te beginnen zijn er de financieringskosten, die voortvloeien uit renten en andere lasten die de Commissie moet betalen voor de verschillende instrumenten die worden uitgegeven om de betrokken uitbetalingen te financieren. Ten tweede zijn er de liquiditeitsbeheerskosten, namelijk kosten die voortvloeien uit het feit dat bedragen tijdelijk op liquiditeitsrekeningen worden aangehouden als reserves voor het verrichten van betalingen die er staan aan te komen. Ten derde zijn er de administratieve kosten van het opbouwen en het in stand houden van de technische en operationele capaciteit om een gediversifieerde financieringsstrategie uit te voeren.

(9)

De berekening van de financieringskosten die voortvloeien uit leningstransacties op lange termijn, moet worden afgeleid van de kosten die voortvloeien uit alle leningstransacties die zijn verricht tijdens de periode van zes maanden waarin, in de regel, de datum van de uitbetaling valt. De opdeling in tijdvakken van zes maanden wordt gerechtvaardigd doordat de aan de uitbetaling toegewezen financieringskosten nauw moeten samenhangen met de geldende markttarieven op het tijdstip waarop die uitbetaling plaatsvindt, en niet met financieringskosten die in een totaal andere tijdspanne zijn gemaakt. Op die manier worden de financieringsinstrumenten en de daarmee samenhangende kosten toegerekend aan de relevante tijdvakken. De exacte pool van financieringsinstrumenten wordt pas vastgesteld aan het einde van het tijdvak van zes maanden. Dat moet het mogelijk maken dezelfde financieringskosten toe te passen op alle gelijktijdige uitbetalingen die aan hetzelfde tijdvak worden toegerekend, en moet zorgen voor een billijke, evenwichtige en transparante aanpak tussen de lidstaten in het bijzonder. De lidstaten en de begroting van de Unie voor de externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 moeten hun respectieve deel betalen. Dit voorkomt de willekeur of het toeval die kenmerkend waren voor het traditionele back-to-backsysteem, waarbij de kosten voor een bepaalde begunstigde de voorwaarden waren die konden worden verkregen op de specifieke dag waarop de lening werd opgenomen. Met uitzondering van het eerste tijdvak, dat moet lopen van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021, moet ieder tijdvak een periode van zes maanden bestrijken en starten op 1 januari of 1 juli. De actieve periode van het laatste tijdvak moet eindigen op 31 december 2026; er zullen dus in totaal elf tijdvakken zijn. Zodra de volledige terugbetaling van de gefinancierde uitbetalingen is bereikt, wordt er niet meer met tijdvakken gewerkt.

(10)

Hoewel de aan begunstigden van een lening in rekening gebrachte renten stabiel zullen blijven, zullen de tarieven toch periodiek en marginaal worden herberekend wanneer vervallende instrumenten in de financieringspool moeten worden vervangen. De Commissie zal haar capaciteit ontwikkelen om derivaten zoals swaps te gebruiken om eventuele resterende renterisico’s te beheren en de lidstaten de mogelijkheid van vastrentende leningen aan te bieden. De kosten van deze vastrentende faciliteit moeten volledig en exclusief worden gedragen door de lidstaten die van deze mogelijkheid gebruikmaken.

(11)

Het bedrag van de uitbetalingen in een tijdvak moet gelijk zijn aan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan dat tijdvak zijn toegerekend. In de meeste gevallen zullen de uitbetalingen van de opbrengsten plaatsvinden in en worden toegerekend aan hetzelfde tijdvak als de uitgifte van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die zijn gebruikt om de opbrengsten te genereren. Onvoorziene vertragingen bij de uitbetalingen kunnen echter leiden tot situaties waarin de opbrengsten van de langetermijnfinanciering zijn gegenereerd maar niet kunnen worden uitbetaald zoals oorspronkelijk gepland. In dat geval kan de uitbetaling worden uitgesteld en plaatsvinden in het volgende tijdvak. Als de middelen voor deze specifieke financieringsbehoeften echter al zijn opgehaald en aan het vorige tijdvak zijn toegerekend, kunnen ze niet worden gebruikt voor andere behoeften in dit tijdvak. In deze omstandigheden moet het mogelijk zijn om de daarmee samenhangende uitbetalingen toe te rekenen aan het tijdvak waaraan de financieringsinstrumenten zijn toegerekend. Het moet ook mogelijk zijn om langetermijnfinancieringsinstrumenten van het volgende tijdvak toe te rekenen aan het vorige tijdvak ingeval het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten van dat tijdvak niet volstaat om het bedrag van de uitbetalingen te dekken.

(12)

De Commissie zal in het voorafgaande tijdvak ook moeten anticiperen op de uitbetalingsbehoeften aan het begin van het volgende tijdvak. Om aan dergelijke situaties tegemoet te komen en tegen gunstige voorwaarden over de nodige middelen te beschikken om uitbetalingen te verrichten die dicht bij de overgang tussen twee tijdvakken plaatsvinden, moet de Commissie langetermijnfinancieringsinstrumenten kunnen toerekenen aan het volgende tijdvak.

(13)

De kern van de gediversifieerde financieringsstrategie is het vermogen om liquiditeiten van de financieringsverrichtingen te beheren door toegang te hebben tot kortetermijnleningen en contanten aan te houden voor prudentiële doeleinden. Met dat liquiditeitsbeheer zal de Commissie in staat zijn aan alle betalingsbehoeften te voldoen en de uitgifte aan te passen aan de marktvoorwaarden. Dit vermogen leidt tot kosten van het aantrekken van opbrengsten door de uitgifte van kortlopende effecten en kosten van het tijdelijk aanhouden van bepaalde opbrengsten op een liquiditeitsrekening om te garanderen dat alle betalingen op verzoek kunnen worden verricht. Dit besluit moet de basis vormen om deze liquiditeitskosten te berekenen en in de loop van het betreffende jaar op billijke en evenwichtige basis toe te wijzen aan alle relevante begunstigden van opbrengsten.

(14)

Hogere uitbetalingsbehoeften dan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan het respectieve tijdvak zijn toegerekend, of rentebetalingen kunnen leiden tot een liquiditeitstekort in een tijdvak. Lagere uitbetalingsbehoeften dan het bedrag van de langetermijnfinancieringsinstrumenten die aan het respectieve tijdvak zijn toegerekend of door NGEU ontvangen aflossingsbetalingen in verband met de uitstaande uitbetalingen die aan het tijdvak zijn toegerekend, kunnen leiden tot een liquiditeitsoverschot. Het compenseren van deze liquiditeitsoverschotten of -tekorten is een onvermijdelijke voorwaarde voor de uitvoering van de NGEU-financieringsstrategie. Deze kosten mogen niet ten laste komen van de respectieve tijdvakken, maar moeten worden geïsoleerd en beheerd als onderdeel van afzonderlijke liquiditeitsbeheerskosten. Er moet een mechanisme worden ingesteld om de kosten van liquiditeitstekorten of -overschotten te scheiden zodat zij in het bredere financieringsprogramma kunnen worden opgevangen als liquiditeitsbeheerskosten. De Commissie moet het liquiditeitsbeheerscompartiment gebruiken om positieve of negatieve kassaldi in de tijdvakken te nivelleren met het totale bedrag van de uitbetalingen.

(15)

Voor de uitvoering van de gediversifieerde financieringsstrategie moeten nieuwe capaciteiten worden verworven om de voordeligste toegang tot kapitaalmarkten te verkrijgen en ervoor te zorgen dat dergelijke infrastructuur op een continue en doeltreffende manier in stand wordt gehouden. Hieronder vallen ook kosten voor het aanhouden van liquiditeitsrekeningen, voor het verwerven van capaciteit voor het organiseren van de veilingen van EU-bills en -obligaties en voor het invoeren van nieuwe interne gegevensverwerkingscapaciteit. Dergelijke kosten, die rechtstreeks voortvloeien uit de uitvoering van lenings- en uitbetalingstransacties in het kader van NGEU, moeten worden behandeld als overheadkosten die uiteenvallen in kosten voor de opstart en kosten voor de instandhouding van de lenings- en betalingsinfrastructuur van NGEU. Deze kosten moeten deel uitmaken van de algemene beheerskosten.

(16)

In de algemene beheerskosten zitten alle administratieve kosten die rechtstreeks worden gemaakt voor de uitvoering van NGEU. Het gaat daarbij ofwel om opstartkosten, die verband houden met eenmalige kosten voor de opbouw van bepaalde operationele capaciteiten, ofwel om recurrente kosten, die onvermijdelijke en rechtstreeks aan NGEU-transacties toe te rekenen kosten zijn die zich in de loop van de tijd voordoen.

(17)

Terwijl de recurrente kosten het grootste deel moeten uitmaken van de reguliere jaarlijkse kosten die worden toegerekend aan de uitbetalingen die in een bepaald jaar plaatsvinden, moeten de opstartkosten worden toegerekend als eenmalige lasten.

(18)

Administratieve kosten die deel uitmaken van de algemene beheerskosten moeten worden beperkt tot een gesloten lijst van rechtstreeks met NGEU verband houdende kosten. De totale algemene beheerskosten vormen een zeer beperkt deel van de totale kosten van de NGEU-transacties. De Commissie zal passend overleg plegen, onder meer met deskundigen van de lidstaten, voordat zij de lijst met beheerskosten uitbreidt, mocht zulks in de toekomst nodig blijken. Eenzelfde overleg zal ook plaatsvinden voordat andere aspecten van deze methode worden gewijzigd die van invloed zijn op de door de begroting van de Unie of de lidstaten te dragen kosten.

(19)

Het factureringsproces achteraf moet zo worden opgezet dat de kosten worden teruggevorderd vanaf 2022 en tot het moment dat er geen kosten meer worden gegenereerd door lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU.

(20)

De Commissie moet voor elke uitbetaling een bevestigende verklaring uitgeven, zowel voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 als voor leningen aan lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 (“RRF-leningen”).

(21)

De leningen overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 moeten worden uitgevoerd tegen standaard financiële voorwaarden (looptijd en aflossingsschema) voor elke uitbetaling aan de lidstaten. Voor uitbetalingen voor externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 moet de bevestigende verklaring het belangrijkste ondersteunende element zijn dat deze financiële voorwaarden voor de EU-begroting bepaalt. In de bevestigende verklaring wordt de kostendeclaratie vastgelegd op basis van de financiële voorwaarden. Deze voorwaarden bevatten de datum van uitbetaling, het bedrag van de financiële steun en de datum van de betalingen van de financieringskosten van externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094.

(22)

Passende verwijzingen in de door de lidstaten ondertekende leningsovereenkomsten zullen verduidelijken dat de kosten van de uitbetalingen worden bepaald door toepassing van de in dit besluit uiteengezette methode.

(23)

De methode voor de toewijzing van de kosten bepaalt de berekeningsmethode voor de kosten van leningstransacties die worden gedragen door zowel de EU-begroting overeenkomstig artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 als door de lidstaten overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) 2021/241. Zo vormt zij een regeling voor het beheer van de transacties tot het opnemen en het verstrekken van leningen in de zin van artikel 5, lid 3, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 en artikel 15, lid 4, van Verordening (EU) 2021/241.

(24)

Om te zorgen voor eenvormige toewijzing van kosten in het kader van het NGEU-herstelpakket, moet dit besluit van toepassing zijn met ingang van 1 juni 2021. Aangezien dit besluit van toepassing moet zijn op leningstransacties en uitbetalingen in het kader van het NGEU-programma die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding ervan, moet dit besluit in werking treden op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. De toepassing van dit besluit op leningen in het kader van Verordening (EU) 2021/241 met lidstaten moet plaatsvinden bij de inwerkingtreding van de desbetreffende leningovereenkomsten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

AFDELING 1

ONDERWERP, DEFINITIES EN ALGEMENE REGELS

Artikel 1

Onderwerp en beginselen

1.   Dit besluit stelt één uniforme methode vast voor de toewijzing van financieringskosten, liquiditeitsbeheerskosten en algemene beheerskosten die voortvloeien uit lenings- en schuldbeheertransacties die worden uitgevoerd in het kader van uit hoofde van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2094 gefinancierde programma’s, voor zover zij uitvoering geven aan de in artikel 1, lid 2, van die verordening bedoelde maatregelen.

2.   Bij de toepassing van de methode voor de toewijzing van kosten wordt uitgegaan van de beginselen van billijkheid en evenwichtige behandeling om ervoor te zorgen dat de kosten worden toegewezen op basis van het relatieve aandeel aan ontvangen steun.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1)

“financieringsinstrumenten”: obligaties, promessen, handelspapier, schatkistpapier of andere passende financiële transacties op korte en/of lange termijn die worden uitgegeven in het kader van de financieringsstrategie van de Commissie voor de uitvoering van lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU;

2)

“RRF-leningsovereenkomst”: een overeenkomst tussen de Commissie en een lidstaat overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2021/241;

3)

“uitbetaling”: een uitbetaling aan een lidstaat in het kader van een RRF-leningsovereenkomst overeenkomstig artikel 2, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2020/2094 of als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094;

4)

“renteperiode”: een periode van twaalf (12) maanden, of een andere periode die in de bevestigende verklaring kan worden gespecifieerd, die van start gaat op de datum van uitbetaling of op de datum van de voorgaande rentebetaling;

5)

“liquiditeitsbeheer”: het beheer van kasstromen in verband met financieringsinstrumenten en uitbetalingen;

6)

“leningstransacties in het kader van NGEU”: transacties op de markten, met name schulduitgiften, om een bedrag van maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018 te lenen, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053, met inbegrip van doorrolleningen;

7)

“schuldbeheertransacties in het kader van NGEU”: markttransacties met betrekking tot de schuld die voortvloeit uit de leningstransacties in het kader van NGEU om de structuur van de uitstaande schuld te optimaliseren en het renterisico, het liquiditeitsrisico en andere financiële risico’s te limiteren;

8)

“kortetermijnfinancieringsinstrument”: financiering door leningstransacties in het kader van NGEU met een looptijd van één jaar of korter;

9)

“langetermijnfinancieringsinstrument”: financiering door leningstransacties in het kader van NGEU met een looptijd van meer dan één jaar.

AFDELING 2

TIJDVAKKEN EN KOSTENBEREKENING

Artikel 3

Tijdvakken

1.   Een tijdvak is actief gedurende een periode van zes maanden beginnende op 1 januari of 1 juli. Het eerste tijdvak bestrijkt echter de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021. De actieve periode van het laatste tijdvak eindigt op 31 december 2026.

2.   Het tijdvak wordt samengesteld door de uitbetalingen tijdens de actieve periode van dat tijdvak en de eraan toegerekende daarmee samenhangede financieringsinstrumenten. Een uitbetaling wordt toegerekend aan het tijdvak dat actief is op de datum van de uitbetaling.

In afwijking van de eerste alinea worden, indien het bedrag van de opbrengsten van aan het vorige tijdvak toegerekende langetermijnfinancieringsinstrumenten hoger is dan het bedrag van de uitbetalingen die overeenkomstig de eerste alinea aan dat vorige tijdvak zijn toegerekend, de uitbetalingen aan dat vorige tijdvak toegerekend totdat het totale bedrag van de uitbetalingen van dat vorige tijdvak hetzelfde is als het bedrag van de opbrengsten van het eraan toegerekende langetermijnfinancieringsinstrument.

3.   Andere dan de in lid 4 bedoelde langetermijnfinancieringsinstrumenten worden toegerekend aan het tijdvak dat actief is op het moment van sluiting van de leningstransactie in het kader van NGEU die deze instrumenten genereert.

In afwijking van de eerste alinea:

a)

kunnen financieringsinstrumenten die worden aangetrokken met het oog op de financiering van een uitbetaling in het volgende tijdvak, aan dat tijdvak worden toegerekend;

b)

worden, indien het bedrag van de uitbetalingen aan het einde van het actieve tijdvak hoger is dan het bedrag van de opbrengsten van de langetermijnfinancieringsinstrumenten, de uit de leningstransacties in het kader van NGEU gegenereerde langetermijnfinancieringsinstrumenten die na afloop van de actieve periode van het tijdvak zijn gesloten, aan dat tijdvak toegerekend totdat het bedrag van de opbrengsten van de langetermijnfinancieringsinstrumenten het bedrag bereikt van de uitbetalingen van dat tijdvak.

4.   Langetermijnfinancieringsinstrumenten die vervallende langetermijnfinancieringsinstrumenten vervangen, worden aan hetzelfde tijdvak toegerekend.

Artikel 4

Liquiditeitsbeheerscompartiment

1.   Het liquiditeitsbeheerscompartiment loopt door totdat de in artikel 5, lid 1, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad bedoelde middelen volledig zijn terugbetaald.

2.   Het liquiditeitsbeheerscompartiment bestaat uit kortetermijnfinancieringsinstrumenten.

Artikel 5

Kostenberekening

De financieringskosten, liquiditeitsbeheerskosten en algemene beheerskosten worden berekend overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

AFDELING 3

FACTURERING

Artikel 6

Bevestigende verklaring

1.   Met betrekking tot elke uitbetaling geeft de Commissie een bevestigende verklaring uit waarin de voorwaarden van de kostendeclaratie worden vastgesteld.

2.   Die bevestigende verklaring bepaalt de voorwaarden voor de betaling van de financieringskosten en van de aflossing van de hoofdsom met betrekking tot elke uitbetaling.

3.   De in lid 1 bedoelde bevestigende verklaring vermeldt met name de volgende elementen:

a)

het bedrag van de uitbetaling;

b)

de looptijd;

c)

het terugbetalingsschema;

d)

de toerekening van de uitbetaling aan een tijdvak;

e)

de renteperiode en de aangegeven betaaldatum van de financieringskosten.

4.   De bevestigende verklaring voor leningen bevat ook aanvullende elementen die in de RRF-leningsovereenkomsten zijn vermeld.

Artikel 7

Facturering van de financieringskosten

De Commissie stelt aan het einde van de in artikel 2, lid 4, bedoelde renteperiode een factuur met betrekking tot de financieringskosten op. Voor uitbetalingen als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 kunnen de facturen worden gegroepeerd per kwartaal van het kalenderjaar.

Artikel 8

Facturering van de liquiditeitsbeheerskosten

De Commissie stelt aan het begin van elk kalenderjaar een factuur op voor de liquiditeitsbeheerskosten die tijdens het vorige kalenderjaar zijn gemaakt.

Artikel 9

Facturering van de algemene beheerskosten

De Commissie stelt voor de algemene beheerskosten die tijdens het vorige kalenderjaar zijn gemaakt, een factuur op voor de lidstaten die RRF-leningen ontvangen.

AFDELING 4

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 juni 2021.

Gedaan te Brussel, 2 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17.

(2)   PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 23).

(4)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).


BIJLAGE

1.   Berekening van de financieringskosten

De financieringskosten (FK) worden stapsgewijs als volgt berekend:

 

Stap 1: Berekening van de dagelijkse totale kosten van een individueel financieringsinstrument in een tijdvak of liquiditeitsbeheerscompartiment

De dagelijkse opgelopen kosten worden berekend:

 

Image 1

Voor elk financieringsinstrument wordt de agio/disagio lineair gespreid over de levensduur van het instrument:

 

Image 2

waarbij uitgifteprijs = all-in prijs (inclusief bankkosten)

Voor elk financieringsinstrument worden de dagelijkse totale kosten berekend:

 

Image 3

 

Stap 2: Berekening van de geaggregeerde dagelijkse totale financieringskosten

Voor elk tijdvak (TV1-TV11) zijn de totale dagelijkse kosten voor het tijdvak vóór de nivellering van liquiditeitssaldi gelijk aan de som van alle dagelijkse totale kosten van elk aan het tijdvak toegerekende financieringsinstrument:

 

Image 4

Voor het liquiditeitsbeheerscompartiment zijn de dagelijkse financieringskosten:

Image 5

 

Stap 3: Berekening van het dagelijkse liquiditeitssaldo in de tijdvakken

Het niveau van het dagelijkse liquiditeitssaldo in een tijdvak wordt op dagbasis als volgt berekend:

 

Image 6

 

Stap 4: Berekening van de dagelijkse kosten van het aandeel financieringsinstrumenten als liquiditeitsoverschot van een tijdvak

De dagelijkse financieringskosten met betrekking tot het aandeel financieringsinstrumenten van een positief resultaat van stap 3 (“liquiditeitsoverschot”) worden als volgt berekend:

 

Image 7

 

Stap 5: Berekening van de financieringskosten van een tijdvak en de kosten van een liquiditeitsbeheerscompartiment in het geval van een tijdvak met een liquiditeitsoverschot

Het liquiditeitsoverschot wordt overgedragen van het respectieve tijdvak naar het liquiditeitsbeheerscompartiment.

De financieringskosten van dat tijdvak waaruit het liquiditeitsoverschot wordt overgedragen, worden als volgt berekend:

 

Image 8

De kosten van het liquiditeitsbeheerscompartiment dat het liquiditeitsoverschot ontvangt, worden als volgt berekend:

Image 9

 

Stap 6: Berekening van de financieringskosten van het tijdvak met een liquiditeitstekort

Het negatief resultaat van stap 3 (“liquiditeitstekort”) in een tijdvak wordt genivelleerd met een overdracht van liquiditeit vanuit het liquiditeitsbeheerscompartiment tegen de dagelijkse financieringskosten ervan (stap 5).

Image 10

 

Stap 7: Berekening van de dagelijkse financieringskosten van een uitbetaling

De dagelijkse financieringskosten van de uitbetaling zijn de dagelijkse financieringskosten van het tijdvak na nivellering vermenigvuldigd met het relatieve aandeel van de uitbetaling in verhouding tot het tijdvak waaraan het wordt toegerekend.

Image 11

2.   Berekening liquiditeitsbeheerscompartiment

De liquiditeitsbeheerskosten (LBK) worden per kwartaal van het kalenderjaar als volgt berekend:

Image 12

In afwijking van de eerste alinea worden de liquiditeitsbeheerskosten voor de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021 als volgt berekend:

Image 13

De LBK per kwartaal worden als volgt aan elke uitbetaling toegerekend:

 

Image 14

3.   Berekening van de algemene beheerskosten

De algemene beheerskosten omvatten recurrente administratieve kosten en opstartkosten voor RRF-leningen.

3.1.   Berekening van de recurrente administratieve kosten

De recurrente administratieve kosten omvatten alle kosten die de Commissie maakt bij de uitvoering van de lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU, bestaande uit:

a)

juridische kosten, met inbegrip van honoraria voor juridische adviezen;

b)

recurrente kosten voor het houden van rekeningen;

c)

kosten voor externe controle;

d)

onderhoudskosten voor veilingplatforms;

e)

vergoedingen voor ratingbureaus;

f)

vergoedingen voor notering, heffingen, registratie, publicatie en afwikkeling;

g)

vergoedingen voor informatietechnologie;

h)

uitgaven voor marktonderzoek.

Voor zover dergelijke kosten gemeenschappelijk zijn voor leningstransacties in het kader van NGEU die ten behoeve van andere programma’s voor financiële steun worden uitgevoerd, worden de in de berekening opgenomen kosten berekend als het pro rata-aandeel dat wordt toegekend aan lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU in het desbetreffende kalenderjaar. Dergelijke kosten zijn niet verschuldigd voor RRF-leningen voor het jaar 2021.

Recurrente administratieve kosten worden als volgt berekend:

 

Image 15

De recurrente administratieve kosten worden als volgt toegewezen:

Image 16

3.2.   Berekening en toewijzing van opstartkosten

De opstartkosten omvatten alle kosten die de Commissie maakt bij het uitvoeren van lenings- en schuldbeheertransacties in het kader van NGEU of voor technische bijstand met betrekking tot die transacties, met inbegrip van de kosten in verband met:

a)

het opzetten van NGEU-rekeningen;

b)

het opzetten van een veilingplatform;

c)

het opzetten van een instrument voor beleggersbeheer;

d)

andere informatietechnologiekosten;

e)

marktonderzoek;

f)

consultancyvergoedingen.

De opstartkosten per begunstigde van RRF-leningen worden in de volgende stappen berekend:

i)

de opstartkosten voor RRF-leningen worden als volgt berekend:

 

Image 17

ii)

de opstartkosten voor RRF-leningen worden voor de jaren 2021, 2022 en 2023 toegewezen aan elke lidstaat die een RRF-leningsovereenkomst heeft ondertekend, in het jaar van ondertekening, als volgt:

 

Image 18

iii)

vanaf 1 januari 2024 worden niet-toegewezen opstartkosten als volgt berekend:

 

Image 19

Ze worden als volΣgt toegewezen als aanvullende opstartkosten aan uitbetalingen aan lidstaten in het kader van de RRF-leningsovereenkomst:

Image 20

3.3.   Berekening van de algemene beheerskosten per begunstigde

Image 21

4.   Gebruikte afkortingen

OPGdagelijks

opgelopen rentekosten per financieringsinstrument uitgesplitst naar dag

ABKjaarlijks

som van de algemene beheerskosten gedurende het kalenderjaar

agio/disagiodagelijks

agio of disagio op basis van de all-in uitgifteprijs uitgesplitst naar dag

Begunstigde

lidstaten die uitbetalingen voor RRF-leningen ontvangen en de begroting van de Unie die uitbetalingen ontvangt als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094

FK van een individuele vordering in TV(x)

financieringskosten van een vordering in tijdvak x

FKdagelijks per instrument

financieringskosten per dag per financieringsinstrument

FKdagelijksLBCpost-nivellering

financieringskosten per dag voor het LBC na de nivellering

FKdagelijksCLBpre-nivellering

financieringskosten per dag voor het LBC vóór de nivellering

FKdagelijksTV(tekort)post-nivellering

financieringskosten per dag na de nivellering voor de vakken met een initieel liquiditeitstekort

FKdagelijksTV(overschot)post-nivellering

financieringskosten per dag na de nivellering voor de vakken met een initieel liquiditeitsoverschot

FKdagelijksTV(x)pre-nivellering

financieringskosten per dag vóór de nivellering van vak x

FKdagelijkseLiquiditeit overschot TV(overschot)

financieringskosten per dag met betrekking tot het liquiditeitsoverschot in het tijdvak

FKdagelijksLiquiditeitsoverdracht van LBC

financieringskosten per dag met betrekking tot de liquiditeit die wordt overgedragen naar het LBC

Coupon

door de uitgevende instelling betaalde rente op de obligatie

LiquiditeitTV(x)

bedrag aan liquiditeit in tijdvak x

LBC

liquiditeitsbeheerscompartiment

LBKkwartaal

liquiditeitsbeheerskosten in een kwartaal

notioneel

nominaal bedrag

RoI van aangehouden liquiditeitenkwartaal

return on investment van aangehouden liquiditeiten in een kwartaal

TV(x)

totale som van vorderingen en liquiditeit van tijdvak x