|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
64e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/1 |
VERORDENING (EU) 2021/250 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 16 februari 2021
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad voor wat betreft de tijdelijke ontheffing van de regels voor slotgebruik op luchthavens in de Unie als gevolg van de COVID-19-crisis
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De COVID-19-crisis heeft geleid tot een sterke terugval van het luchtverkeer door een sterke daling van de vraag en rechtstreekse maatregelen van lidstaten en derde landen om de verspreiding van COVID-19 in te dammen. Luchtvaartmaatschappijen ondervinden al sinds 1 maart 2020 nadelige gevolgen, en waarschijnlijk zal dit ook de komende jaren voortduren. |
|
(2) |
Die omstandigheden vallen buiten de macht van de luchtvaartmaatschappijen en hebben geleid tot de vrijwillige of verplichte annulering van hun luchtdiensten. Met name vrijwillige annuleringen beschermen de financiële gezondheid van luchtvaartmaatschappijen en vermijden de negatieve gevolgen voor het milieu van lege of nagenoeg lege vluchten die enkel worden uitgevoerd om hun slots te behouden. |
|
(3) |
Cijfers gepubliceerd door Eurocontrol, de Netwerkbeheerder voor de luchtverkeersnetwerkfuncties van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, wijzen erop dat het luchtverkeer midden juni 2020 74 % lager lag dan in dezelfde periode van het voorgaande jaar. |
|
(4) |
Het valt, op basis van de bekende boekingen voor de toekomst, de prognoses van Eurocontrol en de epidemiologische vooruitzichten, onmogelijk te voorspellen hoelang de sterke terugval van de vraag ten gevolge van de COVID-19-crisis nog zal aanhouden. Volgens de meest recente prognoses van Eurocontrol zal het luchtverkeer in februari 2021 de helft bedragen van het niveau van februari 2020. Prognoses voor de periode na die datum zijn afhankelijk van een aantal onbekende factoren, zoals de beschikbaarheid van COVID-19-vaccins. In deze omstandigheden mogen luchtvaartmaatschappijen die hun slots niet gebruiken overeenkomstig het in Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad (3) vastgestelde benuttingspercentage, de voorrang bij de toekenning van de reeksen slots die zijn vastgelegd in artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, van die verordening niet automatisch verliezen. Deze verordening moet daartoe specifieke regels vaststellen. |
|
(5) |
In die regels moeten tegelijkertijd ook de mogelijke negatieve gevolgen voor de concurrentie tussen luchtvaartmaatschappijen aangepakt worden. Het is met name nodig ervoor te zorgen dat luchtvaartmaatschappijen die bereid zijn diensten te verlenen, gebruik mogen maken van onbenutte capaciteit en dat zij het vooruitzicht hebben op het behoud van dergelijke slots op lange termijn. Hierdoor worden de stimulansen voor luchtvaartmaatschappijen om gebruik te maken van luchthavencapaciteit behouden, wat op zijn beurt de consumenten ten goede zou komen. |
|
(6) |
Het is dan ook noodzakelijk om, overeenkomstig deze beginselen en gedurende een beperkte periode, vast te stellen onder welke voorwaarden luchtvaartmaatschappijen recht blijven hebben op reeksen slots uit hoofde van artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 95/93, en om verplichtingen vast te stellen voor de betrokken luchtvaartmaatschappijen om onbenutte capaciteit vrij te geven. |
|
(7) |
Tijdens de periode waarin de luchtvaart met de negatieve gevolgen van de COVID-19-crisis te kampen heeft, moet de definitie van de term “nieuwe gegadigde” worden uitgebreid, zodat meer luchtvaartmaatschappijen als nieuwe gegadigde gelden en aldus, indien zij dit wensen, hun activiteiten kunnen uitbreiden. De voorrechten voor luchtvaartmaatschappijen die onder deze definitie vallen, moeten evenwel worden voorbehouden aan echte nieuwe gegadigden, door luchtvaartmaatschappijen uit te sluiten die samen met hun moedermaatschappij of met hun eigen dochterondernemingen of dochterondernemingen van hun moedermaatschappij meer dan 10 % van het totale aantal slots dat op de betrokken dag op een bepaalde luchthaven is toegewezen, in handen heeft. |
|
(8) |
Tijdens de periode waarin de ontheffing van de regels inzake slotbenutting wordt toegepast, moet het systeem voor de toewijzing van slots rekening houden met de inspanningen van de luchtvaartmaatschappijen die vluchten hebben uitgevoerd met benutting van slots die deel uitmaken van een reeks waar een andere luchtvaartmaatschappij uit hoofde van artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 95/93 recht op heeft, maar die voor tijdelijke hertoewijzing ter beschikking zijn gesteld van de slotcoördinator. Luchtvaartmaatschappijen die minstens vijf slots van een reeks hebben geëxploiteerd, moeten dan ook voorrang krijgen bij de toewijzing van die reeks in de volgende overeenkomstige dienstregelingsperiode, op voorwaarde dat de luchtvaartmaatschappij die er uit hoofde van die artikelen recht op heeft, ze niet opvraagt. |
|
(9) |
Door het opleggen van specifieke COVID-19-gezondheidsmaatregelen in luchthavens kan de beschikbare capaciteit afnemen, waardoor het nodig kan zijn om specifieke COVID-19-coördinatieparameters vast te stellen. Om de correcte toepassing van dergelijke parameters mogelijk te maken, moet het de coördinatoren in dergelijke situaties toegestaan zijn om het tijdschema van de op grond van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 95/93 aan luchtvaartmaatschappijen toegewezen slots te wijzigen of om die slots te annuleren voor de dienstregelingsperiode waarin de specifieke COVID-19-gezondheidsmaatregelen van toepassing zijn. |
|
(10) |
Teneinde het gebruik van luchthavencapaciteit tijdens de dienstregelingsperiode van zomer 2021 te vergemakkelijken, moet het voor de luchtvaartmaatschappijen mogelijk zijn historische slots vóór het begin van de dienstregelingsperiode terug te geven aan de coördinator zodat ze op ad-hocbasis opnieuw toegewezen kunnen worden. Luchtvaartmaatschappijen die een volledige reeks slots vóór de in deze verordening ultieme datum teruggeven, moeten hun recht op dezelfde reeksen slots op die luchthaven voor de dienstregelingsperiode van de zomer 2022 behouden. In het licht van de andere maatregelen tot ontheffing van de slotbepalingen als bepaald in deze verordening moet het voor luchtvaartmaatschappijen met een aanzienlijk aantal slots op een luchthaven mogelijk zijn de helft van hun slots op deze wijze terug te geven. |
|
(11) |
Onverminderd de verplichting voor de lidstaten om zich te houden aan het Unierecht, in het bijzonder de regels bepaald in de Verdragen en in Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4), mogen de negatieve gevolgen van eventuele maatregelen die door de overheden van lidstaten of derde landen worden vastgesteld voor het beperken van de verspreiding van COVID-19 en die de mogelijkheid om te reizen op zeer korte termijn beperken, niet aan luchtvaartmaatschappijen worden toegeschreven en moeten deze negatieve gevolgen worden verzacht wanneer die maatregelen de kans of de mogelijkheid om te reizen, of de vraag op de desbetreffende routes, aanzienlijk beïnvloeden. Dit moet maatregelen omvatten die leiden tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de grens of het luchtruim of tot een gehele of gedeeltelijke sluiting of vermindering van capaciteit] van de luchthavens in kwestie, tot beperkingen van de bewegingen van vliegtuigbemanningen die de exploitatie van luchtdiensten aanzienlijk bemoeilijken of tot een aanzienlijke beperking van de mogelijkheid voor reizigers om met een luchtvaartmaatschappij op de desbetreffende route te reizen, met inbegrip van reisbeperkingen, verplaatsingsbeperkingen of quarantainemaatregelen in het land of de regio van bestemming of beperkingen van de beschikbaarheid van diensten die onontbeerlijk zijn ter ondersteuning van de exploitatie van een luchtdienst. Verzachte maatregelen moeten ervoor zorgen dat luchtvaartmaatschappijen niet worden gestraft voor het niet gebruiken van slots wanneer dit het gevolg is van beperkende maatregelen die nog niet waren bekendgemaakt op het ogenblik dat de slots werden toegewezen. Specifieke ontheffingen van de gevolgen van dergelijke maatregelen moeten van beperkte duur zijn en mogen in geen geval twee opeenvolgende dienstregelingsperioden overschrijden. |
|
(12) |
Tijdens perioden waarin de vraag aanzienlijk wordt beïnvloed door de gevolgen van de COVID-19-crisis moeten luchtvaartmaatschappijen, voor zover nodig, worden vrijgesteld van de eisen slots te gebruiken om het recht op die slots in de daaropvolgende overeenkomstige dienstregelingsperiode te behouden. Dit moet luchtvaartmaatschappijen in staat stellen de dienstverlening op te schroeven als de omstandigheden dat toelaten. Bij het vaststellen van het lagere minimumgebruikspercentage met het oog hierop moet rekening worden gehouden met het luchtverkeersniveau in 2021, vanaf het begin van 2021, namelijk 50 % van het niveau van 2019, de onzekerheid rond de COVID-19-crisis en het herstel van het consumentenvertrouwen en het verkeersniveau. |
|
(13) |
Teneinde in te spelen op de evoluerende gevolgen van de COVID-19-crisis en het gebrek aan duidelijkheid over de evolutie van het verkeersniveau op de middellange termijn en om, indien nodig en gerechtvaardigd, flexibel te kunnen reageren op de uitdagingen waarmee de luchtvaartsector wordt geconfronteerd als gevolg daarvan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de geldigheidsduur van de ontheffing van de regel inzake slotgebruik en de in een percentage uitgedrukte waarden van het minimumgebruik binnen een bepaald bereik. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (5). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(14) |
Om tijdig de nodige voorbereidingen te kunnen treffen, moeten de luchtvaartmaatschappijen en coördinatoren op de hoogte zijn van de voorwaarden die van toepassing zijn op het gebruik van slots in een bepaalde dienstregelingsperiode. De Commissie moet er derhalve naar streven de gedelegeerde handelingen zo spoedig mogelijk vast te stellen en in elk geval vóór de in artikel 10, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 95/93 vastgestelde uiterste termijn voor de teruggave van slots. |
|
(15) |
Luchthavens, dienstverleners op luchthavens en luchtvaartmaatschappijen moeten informatie hebben over de beschikbare capaciteit om een goede planning te kunnen opstellen. Luchtvaartmaatschappijen moeten de slots die zij niet voornemens zijn te gebruiken zo snel mogelijk, en uiterlijk drie weken vóór de geplande exploitatiedatum, ter beschikking van de coördinator stellen met het oog op eventuele hertoewijzing aan ander luchtvaartmaatschappijen. Indien luchtvaartmaatschappijen zich herhaaldelijk en opzettelijk niet houden aan dat vereiste, of enig ander vereiste van Verordening (EEG) nr. 95/93, moeten zij worden onderworpen aan passende sancties of gelijkwaardige maatregelen. |
|
(16) |
Als een coördinator ervan overtuigd is dat een luchtvaartmaatschappij haar activiteiten op een luchthaven heeft stopgezet, moet hij de slots van de desbetreffende luchtvaartmaatschappij onmiddellijk intrekken en in de pool opnemen, zodat ze kunnen worden toegewezen aan andere luchtvaartmaatschappijen. |
|
(17) |
Daar de doelstelling van deze verordening, te weten het vaststellen van specifieke regels en de tijdelijke ontheffing van de algemene slotbenuttingsregels om de gevolgen van de COVID-19-crisis voor het luchtverkeer te verzachten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(18) |
Gezien de urgentie die voortvloeit uit de uitzonderlijke omstandigheden in verband met de COVID-19-crisis, werd het nodig geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. |
|
(19) |
Opdat de maatregelen waarin deze verordening voorziet direct zouden kunnen worden toegepast, moet zij met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EEG) nr. 95/93 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
In artikel 7, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door: “1. Luchtvaartmaatschappijen die op een luchthaven met bemiddeling inzake de dienstregelingen of een gecoördineerde luchthaven diensten exploiteren of voornemens zijn dat te doen, verstrekken de bemiddelaar inzake de dienstregelingen respectievelijk de coördinator alle door hem gevraagde relevante informatie. Alle relevante informatie wordt verstrekt in de vorm en binnen de termijn die door de bemiddelaar inzake de dienstregelingen of de coördinator zijn opgegeven. Met name deelt een luchtvaartmaatschappij de coördinator op het tijdstip van het verzoek om toewijzing mee of zij wat de gevraagde slots betreft overeenkomstig artikel 2, onder b) of b bis), in aanmerking komt voor de status van nieuwe gegadigde.”. |
|
3) |
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In artikel 8 bis wordt lid 3 vervangen door:
|
|
5) |
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Artikel 10 bis wordt vervangen door: “Artikel 10 bis Toewijzing van slots in reactie op de COVID-19-crisis 1. Voor de toepassing van artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, beschouwen de coördinatoren slots die zijn toegewezen voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 maart 2021 als geëxploiteerd door de luchtvaartmaatschappij waaraan zij oorspronkelijk waren toegewezen. 2. Voor de toepassing van artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, beschouwen de coördinatoren slots die zijn toegewezen voor de periode van 23 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 ten aanzien van luchtdiensten tussen luchthavens in de Unie en luchthavens in hetzij de Volksrepubliek China, hetzij de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China als geëxploiteerd door de luchtvaartmaatschappij waaraan zij oorspronkelijk waren toegewezen. 3. Als een luchtvaartmaatschappij, voor slots die niet aan de coördinator ter beschikking zijn gesteld met het oog op hertoewijzing overeenkomstig artikel 10, lid 2 bis, gedurende de periode van 28 maart 2021 tot en met 30 oktober 2021 en met het oog op de toepassing van artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 2, tot tevredenheid van de coördinator aantoont dat zij de desbetreffende reeks slots, zoals door de coördinator goedgekeurd, voor minstens 50 % van de tijd heeft geëxploiteerd tijdens de dienstregelingsperiode waarvoor zij werd toegewezen, heeft de luchtvaartmaatschappij recht op dezelfde reeks slots voor de volgende overeenkomstige dienstregelingsperiode. Met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde periode bedragen de in artikel 10, lid 4, en artikel 14, lid 6, onder a), bedoelde percentages 50 %. 4. Met betrekking tot slots met een datum van 9 april 2020 tot en met 27 maart 2021 is lid 1 alleen van toepassing wanneer de luchtvaartmaatschappij de desbetreffende ongebruikte slots heeft teruggegeven aan de coördinator met het oog op hertoewijzing aan andere luchtvaartmaatschappijen. 5. Wanneer de Commissie op basis van cijfers gepubliceerd door Eurocontrol — de Netwerkbeheerder van de luchtverkeersnetdiensten van het gemeenschappelijke Europese luchtruim — vaststelt dat de terugval van het luchtverkeer in vergelijking met de overeenkomstige periode in 2019 aanhoudt en waarschijnlijk zal voortduren, en op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens tevens vaststelt dat deze situatie het gevolg is van de uitbraak van de COVID-19-crisis, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast om de in lid 3 van dit artikel vermelde termijn dienovereenkomstig te wijzigen. De Commissie is bevoegd om, indien strikt noodzakelijk om de evoluerende gevolgen van de COVID-19-crisis op het luchtverkeer aan te pakken, overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3 van dit artikel bedoelde percentages te wijzigen binnen een bereik van 30 % tot 70 %. Daarbij zal de Commissie rekening houden met wijzigingen die zich hebben voorgedaan sinds 20 februari 2021, op basis van de volgende elementen:
Gedelegeerde handelingen op grond van dit lid worden uiterlijk op 31 december voor de volgende zomerdienstregelingsperiode en uiterlijk op 31 juli voor de volgende winterdienstregelingsperiode vastgesteld. 6. Indien dit door langere gevolgen van de COVID-19-crisis voor de sector van het luchtvervoer in de Unie om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 12 ter vastgelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen. 7. Tijdens de in lid 3 bedoelde periode stellen luchtvaartmaatschappijen alle slots die zij niet voornemens zijn te gebruiken, uiterlijk drie weken voor de vluchtdatum, ter beschikking van de coördinator met het oog op hertoewijzing aan andere luchtvaartmaatschappijen.”. |
|
7) |
In artikel 12 bis wordt lid 2 vervangen door: “2. De in artikel 10 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend tot 21 februari 2022.”. |
|
8) |
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 februari 2021.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
D. M. SASSOLI
Voor de Raad
De voorzitster
A. P. ZACARIAS
(1) Opinie van 27 januari 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 11 februari 2021(nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 15 februari 2021.
(3) Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van “slots” op communautaire luchthavens (PB L 14 van 22.1.1993, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/9 |
VERORDENING (GBVB) 2021/251 VAN DE RAAD
van 18 februari 2021
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 314/2004 inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,
Gezien Besluit (GBVB) 2021/258 van de Raad van 18 februari 2021 tot wijziging van Besluit 2011/101/GBVB inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe (1),
Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad (2) geeft uitvoering aan verscheidene maatregelen waarin wordt voorzien bij Besluit 2011/101/GBVB van de Raad (3), waaronder de bevriezing van tegoeden en economische middelen van aangewezen personen en entiteiten in het licht van de situatie in Zimbabwe. |
|
(2) |
De Raad heeft op 18 februari 2021 Besluit (GBVB) 2021/258 vastgesteld tot schrapping van één persoon van, en tot wijziging van de vermeldingen voor twee personen op de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen in de bijlagen I en II bij Besluit 2011/101/GBVB. |
|
(3) |
Op 17 februari 2021 is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/253 van de Commissie (4) bijlage III bij Verordening (EG) nr. 314/2004 dienovereenkomstig gewijzigd. De schrapping van een persoon van de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen vereist ook de schrapping van de persoon uit bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 314/2004, waarin personen en entiteiten ten aanzien van wie uit hoofde van artikel 6, lid 4, van die verordening de beperkende maatregelen zijn geschorst, in een lijst zijn opgenomen. |
|
(4) |
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 314/2004 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 314/2004 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
A.P. ZACARIAS
(1) Zie blz. 51 van dit Publicatieblad.
(2) Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe (PB L 55 van 24.2.2004, blz. 1).
(3) Besluit 2011/101/GBVB van de Raad van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 42 van 16.2.2011, blz. 6).
(4) Zie blz. 15 van dit Publicatieblad.
BIJLAGE
In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 314/2004 wordt de volgende vermelding geschrapt:
|
“4. |
Shiri, Perence (ook bekend als Bigboy) Samson Chikerema”. |
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/252 VAN DE COMMISSIE
van 29 januari 2021
tot verlaging van het voor Portugal beschikbare vangstquotum voor ansjovis wegens overbevissing in het voorgaande jaar
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, leden 1, 2 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het vangstquotum voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in de gebieden 9 en 10 van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee) en de wateren van de Unie van gebied 34.1.1 van de Cecaf (Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan) (ANE/9/3411) voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/124 van de Raad (2). |
|
(2) |
Het vangstquotum voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in de ICES-gebieden 9 en 10 en de wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 (ANE/9/3411) voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021 is vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/123 van de Raad (3). |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet de Commissie, wanneer zij vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstquota heeft overschreden, de toekomstige vangstquota van die lidstaat verlagen. |
|
(4) |
In artikel 105, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is bepaald dat de vangstquota het volgende jaar of de volgende jaren moeten worden verlaagd door toepassing van bepaalde vermenigvuldigingsfactoren die in die leden zijn vastgesteld. |
|
(5) |
Portugal heeft zijn vangstquotum voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in de ICES-gebieden 9 en 10 en de wateren van de Unie van gebied 34.1.1 van de Cecaf (ANE/9/3411) voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 overschreden. |
|
(6) |
Derhalve moet het aan Portugal toegewezen vangstquotum voor het overbeviste bestand voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021 en in voorkomend geval ook voor de daaropvolgende jaren worden verlaagd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het aan Portugal toegewezen vangstquotum voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in de gebieden 9 en 10 van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee) en de wateren van de Unie van gebied 34.1.1 van de Cecaf (Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan) (ANE/9/3411) voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/123, wordt overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening verlaagd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 januari 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2019/124 van de Raad van 30 januari 2019 tot vaststelling, voor 2019, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 29 van 31.1.2019, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2020/123 van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 25 van 30.1.2020, blz. 1).
BIJLAGE
|
Lidstaat |
Soortcode |
Gebiedscode |
Soortnaam |
Gebiedsnaam |
Oorspronkelijk quotum voor de periode 1 juli 2019-30 juni 2020 (in kg) |
Toegestane aanlandingen voor de periode 1 juli 2019-30 juni 2020 (totale aangepaste hoeveelheid in kg) (1) |
Totale vangsten voor de periode 1 juli 2019-30 juni 2020 (hoeveelheid in kg) |
Benutting quotum in verhouding tot toegestane aanlandingen (%) |
Overbevissing in verhouding tot de toegestane aanlandingen (hoeveelheid in kg) |
Vermenigvuldigingsfactor (2) |
Nog uitstaande verlagingen uit voorgaande jaren (5) (hoeveelheid in kg) |
Op de periode 1 juli 2020-30 juni 2021 toe te passen verlagingen (hoeveelheid in kg) |
|
|
PT |
ANE |
9/3411 |
Ansjovis |
ICES-gebieden 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 |
5 343 000 |
3 779 330 |
3 858 005 |
102,08 |
78 675 |
/ |
/ |
/ |
78 675 |
(1) Quota die op grond van Verordening (EU) 2019/124 beschikbaar zijn voor de lidstaten, rekening houdend met het ruilen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22), het overdragen van quota van 2018 naar 2019 overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3) en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of het opnieuw toewijzen en verlagen van vangstmogelijkheden overeenkomstig de artikelen 37 en 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(2) Als vastgesteld in artikel 105, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Een verlaging gelijk aan de overbevissing * 1,00 is van toepassing in alle gevallen van overbevissing ter hoogte van maximaal 100 ton.
(3) Als vastgesteld in artikel 105, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en mits de overbevissing meer dan 10 % bedraagt.
(4) Met de letter “A” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingfactor van 1,5 is toegepast omdat de lidstaat zijn quotum in de afgelopen twee jaar herhaaldelijk heeft overschreden. Met de letter “C” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingsfactor van 1,5 is toegepast omdat het betrokken bestand onder een meerjarenplan valt.
(5) Resterende hoeveelheden van de voorgaande jaren.
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/15 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/253 VAN DE COMMISSIE
van 17 februari 2021
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe (1), en met name artikel 11, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit 2011/101/GBVB van de Raad (2) bepaalt op welke personen en entiteiten beperkende maatregelen van toepassing zijn, zoals bepaald in de artikelen 4 en 5 van dat besluit. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 314/2004 geeft uitvoering aan dat besluit voor zover maatregelen op het niveau van de Unie vereist zijn. In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 314/2004 worden de personen en entiteiten vermeld waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. |
|
(3) |
De Raad heeft op 18 februari 2021 Besluit (GBVB) 2021/258 (3) vastgesteld tot wijziging van de vermeldingen voor twee personen op de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen en tot schrapping van één persoon van deze lijst. |
|
(4) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 314/2004 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 314/2004 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 17 februari 2021.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie
(1) PB L 55 van 24.2.2004, blz. 1.
(2) Besluit 2011/101/GBVB van de Raad van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 42 van 16.2.2011, blz. 6).
(3) Besluit (GBVB) 2021/258 van de Raad van 18 februari 2021 tot wijziging van Besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (zie blz. 51 van dit Publicatieblad).
BIJLAGE
Bijlage III, afdeling I, bij Verordening (EG) nr. 314/2004 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De vermeldingen voor de onderstaande personen worden vervangen door:
|
|
2) |
De volgende vermelding wordt geschrapt:
|
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/17 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/254 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2021
tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/761 en (EU) 2020/1988 en de Verordeningen (EG) nr. 218/2007 en (EG) nr. 1518/2007 wat betreft de invoer van producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk en tot uitsluiting van die producten van de tariefcontingenten met lopende contingentperioden
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 187,
Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (2), en met name artikel 66, lid 4,
Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (3), en met name artikel 9, eerste alinea, onder a) tot en met d), en artikel 16, lid 1, eerste alinea, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761 van de Commissie (4) zijn regels vastgesteld voor het beheer van tariefcontingenten voor de invoer en uitvoer van landbouwproducten die worden beheerd door middel van een stelsel van invoer- en uitvoercertificaten, zijn een aantal handelingen waarbij deze contingenten zijn geopend, vervangen en ingetrokken en zijn specifieke voorschriften vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie (5) zijn uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de regels voor het beheer van invoertariefcontingenten die bestemd zijn om te worden gebruikt in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften (beginsel van “wie het eerst komt, het eerst maalt”). |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 218/2007 van de Commissie (6) betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor wijn. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 1518/2007 van de Commissie (7) betreft de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor vermout. |
|
(5) |
In de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna “de overeenkomst” genoemd) (8) is bepaald dat producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk niet in aanmerking komen voor invoer in de Unie in het kader van bestaande WTO-tariefcontingenten als omschreven in artikel GOODS.18 van de overeenkomst. Dat artikel verwijst naar de tariefcontingenten die tussen de Partijen worden toebedeeld overeenkomstig onderhandelingen in het kader van artikel XXVIII van de GATT die door de Unie zijn geïnitieerd in WTO-document G/SECRET/42/Add.2 (9) en door het VK in WTO-document G/SECRET/44 (10) en zoals bepaald in de respectieve interne wetgeving van elke Partij. Overeenkomstig dat artikel moet de oorsprongsstatus van de goederen worden vastgesteld aan de hand van de niet-preferentiële oorsprongsregels die in de Partij van invoer van toepassing zijn. |
|
(6) |
Onder “bestaande WTO-tariefcontingenten” wordt volgens artikel GOODS.18 van de overeenkomst verstaan de tariefcontingenten die WTO-concessies van de Unie zijn en zijn opgenomen in de EU-28-ontwerplijst van concessies en verbintenissen in het kader van de GATT 1994, bij de WTO ingediend in document G/MA/TAR/RS/506 (11), als gewijzigd bij de documenten G/MA/TAR/RS/506/Add.1 en G/MA/TAR/RS/506/Add.2 (12). |
|
(7) |
De Uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/761 en (EU) 2020/1988 en de Verordeningen (EG) nr. 218/2007 en (EG) nr. 1518/2007 moeten derhalve worden gewijzigd om te voldoen aan artikel GOODS.18 van de overeenkomst teneinde producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk uit te sluiten van de bestaande WTO-tariefcontingenten. |
|
(8) |
Aangezien de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/761 en (EU) 2020/1988 alleen van toepassing zijn op tariefcontingenten met contingentperioden die ingaan op 1 januari 2021, moet het Verenigd Koninkrijk ook worden uitgesloten voor de toepassing van dezelfde tariefcontingenten waarvan de contingentperioden vóór 1 januari 2021 zijn ingegaan (op 1 januari 2021 lopende contingentperioden) en in het kader waarvan invoer plaatsvindt met ingang van 1 januari 2021. Reeds afgegeven certificaten zijn niet nodig voor de invoer van producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk gezien de mogelijkheid om producten in het kader van de overeenkomst rechten- en contingentvrij in te voeren. Indien de certificaten vóór 1 januari 2021 zijn afgegeven, moeten de betrokken gestelde zekerheden op verzoek van de betrokken marktdeelnemers worden vrijgegeven. Met ingang van 1 januari 2021 mogen in het kader van deze tariefcontingenten geen certificaten worden afgegeven voor producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk. |
|
(9) |
Met het oog op conformiteit met artikel GOODS.18 van de overeenkomst moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en met ingang van 1 januari 2021 van toepassing zijn. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761
Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
In bijlage IV wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4320 vervangen door:
|
|
4) |
In bijlage VI wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4287 vervangen door:
|
|
5) |
In bijlage VII wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4286 vervangen door:
|
|
6) |
In bijlage VIII wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4003 vervangen door:
|
|
7) |
In bijlage IX wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4595 vervangen door:
|
|
8) |
In bijlage X wordt het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.4038 vervangen door:
|
|
9) |
In bijlage XI wordt het vak “Oorsprong” van de tabellen die verwijzen naar de tariefcontingenten met de volgnummers 09.4401 en 09.4402 vervangen door:
|
|
10) |
Bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het vak “Oorsprong” van de tabellen die verwijzen naar de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0138, 09.0132, 09.0135, 09.2903, 09.2905, 09.0071, 09.0072, 09.0073, 09.0074, 09.0075, 09.0076, 09.0089, 09.0070, 09.0043, 09.0083, 09.0139, 09.0056, 09.0057, 09.0041, 09.0039, 09.0058, 09.0094, 09.0059, 09.0060, 09.0061, 09.0062, 09.0063, 09.0040, 09.0025, 09.0027, 09.0033, 09.0092, 09.0093, 09.0035, 09.0144, 09.0161 (deeltariefcontingent van 09.0144), 09.0162 (deeltariefcontingent van 09.0144), 09.0145, 09.0163 (deeltariefcontingent van 09.0145), 09.0164 (deeltariefcontingent van 09.0145), 09.0113, 09.0114, 09.0115, 09.0147, 09.0148, 09.0149, 09.0150, 09.0151, 09.0152, 09.0153, 09.0159 (deeltariefcontingent van 09.0153), 09.0160 (deeltariefcontingent van 09.0153), 09.0118, 09.0119, 09.0120, 09.0121, 09.0122, 09.0123, 09.2178, 09.2179, 09.2016, 09.2181, 09.2019, 09.0154 en 09.0055 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.0128 wordt vervangen door:
|
|
3) |
Het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.0131 wordt vervangen door:
|
|
4) |
Het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.0142 wordt vervangen door:
|
|
5) |
Het vak “Oorsprong” van de tabellen die verwijzen naar de tariefcontingenten met de volgnummers 09.2171, 09.2175 en 09.2015 wordt vervangen door:
|
|
6) |
Het vak “Oorsprong” van de tabellen die verwijzen naar de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0156 en 09.0158 wordt vervangen door:
|
|
7) |
Het vak “Oorsprong” van de tabel die verwijst naar het tariefcontingent met volgnummer 09.0157 wordt vervangen door:
|
Artikel 3
Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 218/2007
Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 218/2007 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt a) worden de woorden “(erga omnes)” vervangen door de woorden “(alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk)”. |
|
2) |
In punt b) worden de woorden “(erga omnes)” vervangen door de woorden “(alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk)”. |
Artikel 4
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1518/2007
In artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1518/2007 worden de woorden “(erga omnes)” vervangen door de woorden “(alle derde landen behalve het Verenigd Koninkrijk)”.
Artikel 5
Tariefcontingenten met lopende contingentperioden
1. Met ingang van 1 januari 2021 worden in het kader van de in artikel 1 bedoelde tariefcontingenten waarvan de contingentperiode op 1 januari 2021 loopt, geen certificaten afgegeven voor producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk. Met ingang van dezelfde datum worden producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk niet meer toegelaten in het kader van de in artikel 2 bedoelde tariefcontingenten.
2. Als goederen uit het Verenigd Koninkrijk in de Unie worden ingevoerd op basis van certificaten waarop het Verenigd Koninkrijk als land van oorsprong is vermeld en die vóór 1 januari 2021 zijn afgegeven in het kader van de in artikel 1 bedoelde tariefcontingenten waarvan de contingentperiode op 1 januari 2021 loopt, en de lidstaten die goederen overeenkomstig de overeenkomst niet onder de regeling “in het vrije verkeer brengen” plaatsen, worden de respectieve zekerheden die daarvoor zijn gesteld, op verzoek van de betrokken marktdeelnemers vrijgegeven.
Artikel 6
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.
(3) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761 van de Commissie van 17 december 2019 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het systeem voor het beheer van tariefcontingenten met certificaten (PB L 185 van 12.6.2020, blz. 24).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1988 van de Commissie van 11 november 2020 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het beheer van invoertariefcontingenten volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt” (PB L 422 van 14.12.2020, blz. 4).
(6) Verordening (EG) nr. 218/2007 van de Commissie van 28 februari 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor wijn (PB L 62 van 1.3.2007, blz. 22).
(7) Verordening (EG) nr. 1518/2007 van de Commissie van 19 december 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor vermout (PB L 335 van 20.12.2007, blz. 14).
(8) PB L 444 van 31.12.2020, blz. 14.
(9) https://docs.wto.org
(10) https://docs.wto.org
(11) https://docs.wto.org
(12) https://docs.wto.org
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/23 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/255 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2021
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De COVID-19-pandemie blijft impact hebben op de internationale en Europese burgerluchtvaart, in die zin dat bezoeken ter plaatse voor de aanwijzing en heraanwijzing van luchtvaartmaatschappijen en vrachtvervoerders in derde landen overeenkomstig punt 6.8 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie (2) ernstig worden belemmerd om objectieve redenen die buiten de macht van die luchtvaartmaatschappijen of vrachtvervoerders vallen. |
|
(2) |
Daarom moet de toepasbaarheid van de alternatieve en snelle procedure voor de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering van door de COVID-19-pandemie getroffen exploitanten in de toeleveringsketen naar de Unie worden verlengd tot na de in punt 6.8.1.7 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 vastgestelde datum. |
|
(3) |
De Unie heeft in het kader van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Werelddouaneorganisatie (WDO) de ontwikkeling gestimuleerd van een internationaal beleidsconcept voor vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen (Pre-Loading Advance Cargo Information, PLACI), dat wordt gebruikt om een specifieke 7 + 1-gegevensverzameling (3) te beschrijven als gedefinieerd in het Safe Framework of Standards (Safe FoS) van de WDO. Gegevens van zendingen die door expediteurs, luchtvaartmaatschappijen, exploitanten van postdiensten, integratoren, erkende agenten of andere entiteiten zo spoedig mogelijk vóór het laden van vracht in een vliegtuig op het laatste vertrekpunt aan de regelgevende instanties moeten worden verstrekt, maken het mogelijk een extra beveiligingsniveau in te voeren dat bestaat uit een dreigings- en risicoanalyse vóór vertrek door de douane bij binnenkomst. |
|
(4) |
Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart moet daarom vóór het laden van goederen in een luchtvaartuig dat vanuit een derde land vertrekt en zo spoedig mogelijk na ontvangst van de minimale gegevensset van de summiere aangifte bij binnenbrengen als bedoeld in artikel 106, lid 2 en lid 2 bis, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (4), een eerste risicoanalyse worden uitgevoerd van goederen die door de lucht in het douanegebied van de Unie worden binnengebracht. De verplichting om een eerste risicoanalyse uit te voeren, moet van toepassing zijn vanaf 15 maart 2021. |
|
(5) |
In artikel 186 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (5) is een procedure voor risicoanalyse en controle vastgesteld die wordt uitgevoerd door het douanekantoor van eerste binnenkomst, en bij artikel 182 van die verordening is het invoercontrolesysteem (ICS2) ingesteld dat door de Commissie en de lidstaten in onderling overleg is ontworpen als de geharmoniseerde interface voor ondernemers van de EU voor indieningen, verzoeken om wijziging en ongeldigmaking, verwerking en opslag van de gegevens van summiere aangiften bij binnenbrengen en de uitwisseling van daarmee verband houdende informatie met de douaneautoriteiten. |
|
(6) |
Omdat op basis van de resultaten van de risicoanalyse bij vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen vanaf 15 maart 2021 kan worden vereist dat exploitanten in de toeleveringsketen naar de Unie specifieke risicobeperkende maatregelen voor de beveiliging van de luchtvaart treffen tijdens hun activiteiten in een derde land, moeten de uitvoeringsvoorschriften voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dringend dienovereenkomstig worden geïntegreerd. |
|
(7) |
Luchthavens in de Unie ondervinden bij de installatie van apparatuur voor explosievendetectiesystemen van norm 3 ernstige problemen door de COVID-19-pandemie. De Commissie en de lidstaten blijven zich sterk inzetten om de nieuwste technologie voor beveiligingsonderzoeken van ruimbagage in te voeren. Er is een nieuwe routekaart opgesteld waarin extra flexibiliteit is opgenomen om zich aan de huidige situatie te kunnen aanpassen, in overeenstemming met een prioriteitenregeling op basis van categorieën luchthavens, en om zichtbaarheid te geven aan de invoering van hogere detectienormen. |
|
(8) |
Uit de ervaring met de tenuitvoerlegging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie is gebleken dat er behoefte is aan kleine wijzigingen van de uitvoeringsvoorwaarden van bepaalde gemeenschappelijke basisnormen. De uitvoeringsvoorwaarden van sommige van die normen moeten worden aangepast om bepaalde specifieke luchtvaartbeveiligingsmaatregelen te verduidelijken, te harmoniseren, te vereenvoudigen en te versterken, de juridische duidelijkheid te verbeteren, de gemeenschappelijke interpretatie van de wetgeving te standaardiseren en de optimale toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van luchtvaartbeveiliging te waarborgen. |
|
(9) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 300/2008 bedoelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De punten 1 en 22 van de bijlage zijn echter van toepassing vanaf 15 maart 2021, punt 2 van de bijlage is van toepassing vanaf 1 maart 2022 en punt 14 is van toepassing vanaf 1 juli 2021.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie van 5 november 2015 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (PB L 299 van 14.11.2015, blz. 1).
(3) Naam en adres van de afzender, naam en adres van de geadresseerde, aantal colli, totaal brutogewicht, beschrijving van de lading en de house- of masterluchtvrachtbrief.
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
BIJLAGE
De bijlage wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende punt 6.0.4 wordt toegevoegd:
(*) Omdat IJsland geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, wordt IJsland voor de toepassing van punt 6.8.7 van deze bijlage als een derde land beschouwd.”." |
|
2) |
De volgende punten 6.1.4, 6.1.5 en 6.1.6 worden toegevoegd:
|
|
3) |
Punt 6.3.1.2, b), wordt vervangen door:
(*) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).”." |
|
4) |
Punt 6.3.1.4, derde alinea, wordt vervangen door: “Met uitzondering van de in punt 6.2 vastgestelde eisen voor beveiligingsonderzoeken wordt een onderzoek van de locatie van de erkende agent dat door de desbetreffende douaneautoriteit wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, beschouwd als een controle ter plaatse.”. |
|
5) |
Punt 6.3.1.5 wordt vervangen door:
(*) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).”." |
|
6) |
Punt 6.3.1.8 wordt vervangen door:
|
|
7) |
Punt 6.3.2.6, g), wordt vervangen door:
|
|
8) |
Aan punt 6.3.2.6 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Transfervracht of -post waarvoor de luchtvaartmaatschappij, of de erkende agent die namens haar optreedt, niet in de begeleidende documentatie kan bevestigen dat de krachtens dit punt of punt 6.3.2.7, naargelang het geval, vereiste informatie zal worden gecontroleerd alvorens aan boord van een luchtvaartuig te worden geladen voor de volgende vlucht.”; |
|
9) |
punt 6.4.1.2, c), wordt vervangen door:
|
|
10) |
Punt 6.4.1.4, derde alinea, wordt vervangen door: “Een onderzoek van de locatie van de bekende afzender, uitgevoerd door de desbetreffende douaneautoriteit overeenkomstig artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, wordt beschouwd als een controle ter plaatse.”. |
|
11) |
Punt 6.4.1.5 wordt vervangen door:
|
|
12) |
punt 6.4.1.7 wordt vervangen door:
|
|
13) |
punt 6.5.1 wordt vervangen door:
|
|
14) |
De volgende punten 6.6.1.3, 6.6.1.4 en 6.6.1.5 worden toegevoegd:
|
|
15) |
In punt 6.8.1.7 worden de inleidende zinnen vervangen door: “Tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2021 mag de bevoegde autoriteit afwijken van het in punt 6.8.2 vastgestelde proces en tijdelijk een luchtvaartmaatschappij aanwijzen als ACC3, in het geval een EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering niet kon plaatsvinden om objectieve redenen die verband houden met de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis en die buiten de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij vallen. Die aanwijzing vindt plaats onder de volgende voorwaarden:”. |
|
16) |
De punten 6.8.3.6 en 6.8.3.7 worden vervangen door:
|
|
17) |
Punt 6.8.3.9 wordt vervangen door:
|
|
18) |
In punt 6.8.4.11 worden de inleidende zinnen vervangen door: “Tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2021 mag de bevoegde autoriteit afwijken van het in punt 6.8.5 vastgestelde proces en tijdelijk een entiteit uit een derde land aanwijzen als RA3 of KC3, in het geval een EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering niet kon plaatsvinden om objectieve redenen die verband houden met de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis en die buiten de verantwoordelijkheid van de entiteit vallen. Die aanwijzing vindt plaats onder de volgende voorwaarden:”. |
|
19) |
Punt 6.8.4.12, d), wordt vervangen door:
|
|
20) |
De punten 6.8.5.5, 6.8.5.6 en 6.8.5.7 worden geschrapt. |
|
21) |
Punt 1 van punt 6.8.6.1 wordt vervangen door:
|
|
22) |
het volgende punt 6.8.7 wordt toegevoegd: “6.8.7. Vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen (Pre-Loading Advance Cargo Information (PLACI))
(*) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1)." (**) Luchtvaartmaatschappijen, exploitanten en entiteiten in IJsland passen de punten 6.7.3 en 6.7.4 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit C(2015) 8005 toe.”." |
|
23) |
Aan punt 11.6.3.6 wordt de volgende zin toegevoegd: “De bevoegde autoriteit stelt de relevante delen van de niet-openbare wetgeving en nationale programma’s die betrekking hebben op de te valideren concrete acties en gebieden, ter beschikking van de validateurs die zij goedkeurt.”. |
|
24) |
Punt 11.6.3.8 wordt vervangen door:
|
|
25) |
Het volgende punt 11.6.3.11 wordt toegevoegd:
|
|
26) |
Punt 11.6.4.1 wordt vervangen door:
|
|
27) |
Punt 11.6.5.6 wordt vervangen door:
|
|
28) |
Punt 12.0.2.1 wordt vervangen door:
|
|
29) |
Punt 12.0.2.3 wordt vervangen door:
|
|
30) |
Punt 12.0.5.3 wordt vervangen door:
|
|
31) |
Het volgende punt 12.3.1 wordt toegevoegd:
|
|
32) |
Punt 12.4.2 wordt vervangen door: “12.4.2. Normen voor EDS
|
(*) Omdat IJsland geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, wordt IJsland voor de toepassing van punt 6.8.7 van deze bijlage als een derde land beschouwd.”.
(*) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).”.
(*) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).”.
(*) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).
(**) Luchtvaartmaatschappijen, exploitanten en entiteiten in IJsland passen de punten 6.7.3 en 6.7.4 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit C(2015) 8005 toe.”.”
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/36 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/256 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2021
tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk in de lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit bepaalde pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Unie in verband met hoogpathogene aviaire influenza
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 8, inleidende zin, artikel 8, punt 1, eerste alinea, artikel 8, punt 4, en artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (2), en met name artikel 23, lid 1, artikel 24, lid 2, en artikel 25, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie (3) zijn de voorschriften vastgesteld inzake veterinaire certificering voor de invoer in en de doorvoer door de Unie, met inbegrip van de opslag tijdens de doorvoer, van pluimvee en pluimveeproducten (“de producten”). In die verordening is bepaald dat de producten alleen mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Unie uit de derde landen, gebieden, zones of compartimenten die zijn opgenomen in de kolommen 1 en 3 van de tabel in bijlage I, deel 1, bij die verordening. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 798/2008 zijn ook de voorwaarden vastgesteld waaronder een derde land, gebied, zone of compartiment als vrij van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) mag worden beschouwd. |
|
(3) |
Overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het terugtrekkingsakkoord), en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, zijn de Richtlijnen 2002/99/EG en 2009/158/EG en de daarop gebaseerde handelingen van de Commissie na het einde van de in het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland. |
|
(4) |
In de tabel in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 is het Verenigd Koninkrijk, met uitzondering van Noord-Ierland, daarom opgenomen als derde land waarvoor de invoer in en de doorvoer door de Unie van bepaalde pluimveeproducten vanuit bepaalde delen van het grondgebied zijn toegestaan, afhankelijk van de aanwezigheid van HPAI. De regionalisering van het Verenigd Koninkrijk is vastgesteld in bijlage I, deel 1, bij Verordening (EG) nr. 798/2008, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/169 van de Commissie (4). |
|
(5) |
Op 12 februari 2021 heeft het Verenigd Koninkrijk de aanwezigheid van HPAI van het subtype H5N1 op een pluimveebedrijf in Glenrothes in Schotland bevestigd. |
|
(6) |
De veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben een controlegebied met een straal van 10 km rond het getroffen bedrijf ingesteld en een ruimingsbeleid ingevoerd om de aanwezigheid van HPAI te beheersen en de verspreiding van die ziekte te beperken. Voorts hebben de veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk bevestigd dat zij de afgifte van veterinaire certificaten voor zendingen van voor uitvoer naar de Unie bestemde producten uit het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, met uitzondering van Noord-Ierland, onmiddellijk hebben opgeschort. |
|
(7) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie informatie verstrekt over de epidemiologische situatie op zijn grondgebied en de maatregelen die het heeft genomen ter voorkoming van de verdere verspreiding van HPAI, en de Commissie heeft deze informatie nu geëvalueerd. Op basis van die evaluatie moeten beperkingen worden ingesteld op het binnenbrengen in de Unie van producten uit het door HPAI getroffen gebied in Schotland, waarvoor de veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk wegens de huidige uitbraak beperkende maatregelen hebben ingesteld. |
|
(8) |
De gegevens voor het Verenigd Koninkrijk in de tabel in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 moeten daarom worden gewijzigd om rekening te houden met de huidige epidemiologische situatie in dat derde land. |
|
(9) |
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I, deel 1, bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.
(2) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.
(3) Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot vaststelling van een lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/169 van de Commissie van 11 februari 2021 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk in de lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit bepaalde pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Unie in verband met hoogpathogene aviaire influenza (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 18).
BIJLAGE
In bijlage I, deel 1, bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt de vermelding voor het Verenigd Koninkrijk vervangen door:
|
“GB - Verenigd Koninkrijk (*1) |
GB-0 |
Het hele land |
SPF |
|
|
|
|
|
|
|
|
EP, E |
|
|
|
|
|
|
|
|||
|
GB-1 |
Geheel het Verenigd Koninkrijk, met uitzondering van gebied GB-2 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N |
|
|
A |
|
|
|
|
WGM |
|
|
|
|
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N |
|
|
|
|
|
|||
|
GB-2 |
Gebied van het Verenigd Koninkrijk dat overeenkomt met: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
GB-2.1 |
North Yorkshire County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N54.30 en W1.47 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
6.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
6.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
6.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.2 |
North Yorkshire County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N54.29 en W1.45 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
8.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
8.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
8.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.3 |
Norfolk County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.49 en E0.95 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
10.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
10.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
10.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.4 |
Norfolk County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.72 en E0.15 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
11.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
11.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
11.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.5 |
Derbyshire County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.93 en W1.57 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
17.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
17.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
17.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.6 |
North Yorkshire County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N54.37 en W2.16 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
19.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
19.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
19.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.7 |
Orkney Islands: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N59.28 en W2.44 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.8 |
Dorset County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N51.06 en W2.27 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
20.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.9 |
Norfolk County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.52 en E0.96 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
23.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
23.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
23.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.10 |
Norfolk County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.52 en E0.95 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
28.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
28.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
28.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.11 |
Norfolk County: Het gebied binnen een straal van 10,4 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N52.53 en E0.66 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
7.2.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
7.2.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
7.2.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.12 |
Devon County: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N50.70 en W3.36 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
1.1.2021 |
31.1.2021 |
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
1.1.2021 |
31.1.2021 |
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
1.1.2021 |
31.1.2021 |
|
|
|
|||
|
GB-2.13 |
Omgeving van Amlwch, het eiland Anglesey, Wales: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N53.38 en W4.30 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
27.1.2021 |
|
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
27.1.2021 |
|
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
27.1.2021 |
|
|
|
|
|||
|
GB-2.14 |
Omgeving van Redcar, Redcar en Cleveland, Engeland: The area contained within a circle of a radius of 10km, centred on WGS84 dec, coordinates N54.57 and W1.07 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
8.2.2021 |
|
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
8.2.2021 |
|
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
8.2.2021 |
|
|
|
|
|||
|
GB-2.15 |
Glenrothes, Fife, Schotland: Het gebied binnen een straal van 10 km rond het punt met de WGS84 - decimale coördinaten N56.23 en W3.02 |
BPP, BPR, DOC, DOR, HEP, HER, SRP, SRA, LT20 |
|
N P2 |
12.2.2021 |
|
A |
|
|
|
|
WGM |
|
P2 |
12.2.2021 |
|
|
|
|
|||
|
POU, RAT |
|
N P2 |
12.2.2021 |
|
|
|
|
(*1) Overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, gelden vermeldingen van het Verenigd Koninkrijk in deze bijlage niet voor Noord-Ierland.”.
BESLUITEN
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/41 |
BESLUIT (GBVB) 2021/257 VAN DE RAAD
van 18 februari 2021
ter ondersteuning van het Actieplan van Oslo voor de uitvoering van het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, en artikel 31, lid 1,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Unie moet ernaar streven dat op alle terreinen van de internationale betrekkingen een hechte samenwerking tot stand komt, om onder meer de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken, in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. |
|
(2) |
De Europese Raad heeft op 12 december 2003 een Europese veiligheidsstrategie aangenomen, waarin mondiale uitdagingen en dreigingen worden beschreven en wordt gepleit voor een op regels gebaseerde internationale orde met effectief multilateralisme en goed functionerende internationale instellingen. |
|
(3) |
Het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (het “Verdrag”) is op 1 maart 1999 in werking getreden. Het is het enige alomvattende internationale instrument dat een alomvattend antwoord geeft om voorgoed te voorkomen dat antipersoneelmijnen nog leed veroorzaken en slachtoffers maken, onder meer door het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie, de handel en de overdracht van die wapens te verbieden en te zorgen voor hun vernietiging, alsook door slachtofferhulp. Sinds 1 juni 2013 zijn alle lidstaten partij bij het Verdrag. |
|
(4) |
De Raad heeft op 23 juni 2008 Gemeenschappelijk Optreden 2008/487/GBVB (1) ter ondersteuning van de universalisering en uitvoering van het Verdrag vastgesteld. |
|
(5) |
De staten die partij zijn bij het Verdrag hebben op 3 december 2009 tijdens de tweede toetsingsconferentie van het Verdrag het Actieplan van Cartagena 2010-2014 betreffende de universalisering en uitvoering van alle aspecten van het Verdrag aangenomen. Op de tiende bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het Verdrag in 2010, hebben de staten die partij zijn bij het Verdrag tevens de Richtlijn van de staten die partij zijn bij het Verdrag ten behoeve van de ondersteunende eenheid voor de uitvoering van het Verdrag (Implementation Support Unit, of “ISU”) aangenomen, waarin zij overeengekomen zijn dat de ISU hun advies en technische ondersteuning moet verstrekken bij de universalisering en uitvoering van het Verdrag, de communicatie tussen hen moet verbeteren, alsook de communicatie en het delen van informatie over het Verdrag moet bevorderen, zowel ten aanzien van staten die geen partij zijn bij het Verdrag als ten aanzien van het grote publiek. De staten die partij zijn bij het Verdrag hebben op de 14e bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het Verdrag in 2015 een besluit aangenomen ter versterking van de financiële governance en de transparantie binnen de ISU, met daarin de voorwaarden die gelden voor activiteiten of projecten van de ISU die niet in de jaarlijkse begroting van de eenheid zijn opgevoerd, ook als dat op verzoek is van staten die partij zijn bij het Verdrag of van staten die geen partij zijn bij het Verdrag. |
|
(6) |
De Raad heeft op 13 november 2012 Besluit 2012/700/GBVB (2) ter ondersteuning van de uitvoering van het Actieplan van Cartagena voor de periode 2010-2014 aangenomen. |
|
(7) |
Op 27 juni 2014, tijdens de derde toetsingsconferentie van het Verdrag, hebben de staten die partij zijn bij het Verdrag, het Actieplan van Maputo voor de periode 2014-2019 aangenomen, waarmee werd beoogd aanzienlijke en duurzame vooruitgang met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag te boeken in de periode 2014-2019, en hebben zij in een gezamenlijke verklaring kenbaar gemaakt dat zij ernaar streven uiterlijk in 2025 de doelstellingen van het Verdrag zo veel mogelijk te hebben bereikt. |
|
(8) |
In zijn conclusies van 16 en 17 juni 2014 over de derde toetsingsconferentie van het Verdrag heeft de Raad eraan herinnerd dat de Unie zich eensgezind inzet voor de doelstellingen van het Verdrag en dat de Unie en haar lidstaten van oudsher hun steun verlenen voor het opruimen van mijnen en de vernietiging van voorraden antipersoneelmijnen, alsmede voor bijstand aan slachtoffers van antipersoneelmijnen. In die conclusies wordt herhaald dat de Unie de staten die partij zijn bij het Verdrag onverminderd steunt bij de volledige en daadwerkelijke uitvoering van het Verdrag, en dat zij zich inzet om de universalisering van het Verdrag te bevorderen, om middelen voor de financiering van ontmijning beschikbaar te stellen en om aan slachtoffers van antipersoneelmijnen, hun families en hun gemeenschappen concrete en duurzame bijstand te verlenen. |
|
(9) |
Op 4 augustus 2017 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2017/1428 (3) ter ondersteuning van de uitvoering van het Actieplan van Maputo voor de periode 2014-2019 vastgesteld. |
|
(10) |
Op 25 juni 2019 heeft de Raad conclusies aangenomen over een EU-standpunt inzake aanscherping van het verbod op antipersoneelmijnen met het oog op de vierde toetsingsconferentie van het Verdrag in Oslo van 25 tot en met 29 november 2019. De Raad was van oordeel dat het Verdrag twintig jaar na de inwerkingtreding ervan een succesverhaal van ontwapeningsdiplomatie is geworden en een voorbeeld is van hetgeen waarvoor de Unie staat: een op regels gebaseerde internationale orde, die geworteld is in de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht. Desalniettemin onderkende de Raad dat de doelstellingen van het Verdrag nog niet volledig zijn verwezenlijkt. |
|
(11) |
Tijdens de vierde toetsingsconferentie van het Verdrag, in 2019 in Oslo, hebben de staten die partij zijn bij het Verdrag, het Actieplan van Oslo voor de periode 2020-2024 aangenomen. In het Actieplan van Oslo voor de periode 2020-2024 staat nauwkeurig beschreven welke acties de staten die partij zijn bij het Verdrag in de periode 2020-2024 moeten ondernemen om de uitvoering van het Verdrag te ondersteunen, daarbij voortbouwend op wat met het vorige actieplan is bereikt. In het kader van haar mandaat ondersteunt de ISU de staten die partij zijn bij het Verdrag bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag en van hun toezeggingen in het kader van het Actieplan van Oslo voor de periode 2020-2024, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Om bij te dragen aan de menselijke veiligheid door ondersteuning van de uitvoering van het Actieplan van Oslo voor de periode 2020-2024 (“het Actieplan van Oslo”), dat door de staten die partij zijn bij het Verdrag is aangenomen tijdens de vierde toetsingsconferentie van het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (“het Verdrag”), streeft de Unie, in het kader van de Europese veiligheidsstrategie en overeenkomstig de toepasselijke besluiten van de internationale gemeenschap, de volgende doelstellingen na:
|
a) |
ondersteunen van de inspanningen van de staten die partij zijn bij het Verdrag om uitvoering te geven aan aspecten inzake onderzoek en opruiming en inzake voorlichting over en beperking van de risico’s van mijnen van het Actieplan van Oslo; |
|
b) |
ondersteunen van de inspanningen van de staten die partij zijn bij het Verdrag om uitvoering te geven aan aspecten inzake slachtofferhulp van het Actieplan van Oslo; |
|
c) |
bevorderen van de universalisering van het Verdrag en bevorderen van normen tegen het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen, en over de vernietiging ervan; |
|
d) |
ondersteunen van de inspanningen van de staten die partij zijn bij het Verdrag die antipersoneelmijnen voor toegelaten doeleinden aanhouden, om hun rapportagevermogen te vergroten, om ervoor te zorgen dat het aantal dergelijke aangehouden mijnen het strikt noodzakelijke minimumaantal niet overschrijdt, en om alternatieven voor op scherp gestelde antipersoneelmijnen ten behoeve van training en onderzoek te verkennen; |
|
e) |
blijk geven van de niet-aflatende inzet van de Unie en haar lidstaten voor het Verdrag, alsook van hun vaste wil om samen te werken met en bijstand te verlenen aan de staten die partij zijn bij het Verdrag die ondersteuning nodig hebben om hun toezeggingen in het kader van het Verdrag gestand te doen, en aldus de voortrekkersrol versterken die de Unie speelt bij het nastreven van het doel van het Verdrag, namelijk voorgoed voorkomen dat antipersoneelmijnen nog leed veroorzaken en slachtoffers maken. |
2. De in lid 1 genoemde doelstellingen worden op zodanige wijze nagestreefd dat ze de met het Verdrag gegroeide traditie van partnerschap en samenwerking tussen staten, niet-gouvernementele organisaties en andere organisaties, waaronder vertegenwoordigers van door mijnen getroffen gemeenschappen, versterken. Alle acties waarborgen een inclusieve benadering op elk niveau.
3. Ter verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen ondersteunt de Unie de volgende projecten:
|
a) |
steun voor de uitvoering van artikel 5 van het Verdrag, voor internationale samenwerking en bijstand, en voor transparantie en uitwisseling van informatie; |
|
b) |
steun voor de uitvoering van slachtofferhulp, voor internationale samenwerking en bijstand, en voor transparantie en uitwisseling van informatie; |
|
c) |
steun voor universaliseringsinspanningen en voor het bevorderen van de normen van het Verdrag; |
|
d) |
steun voor alternatieven voor het gebruik van op scherp gestelde antipersoneelmijnen ten behoeve van training en voor meer samenwerking en bijstand; |
|
e) |
blijk geven van de inzet van de Unie en haar lidstaten en hun zichtbaarheid garanderen, met name via jaarlijkse briefings om bekendheid te geven aan de in dit besluit bedoelde activiteiten en de resultaten daarvan en via de organisatie van een slotevenement, waarbij zal worden gewezen op de bijdrage van de Unie tot de uitvoering van het Verdrag. |
4. Een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken, is in de bijlage opgenomen.
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (“de hoge vertegenwoordiger”) is belast met de uitvoering van dit besluit.
2. De technische uitvoering van de in artikel 1, lid 3, bedoelde projecten wordt toevertrouwd aan de ISU, die wordt vertegenwoordigd door het Internationaal centrum voor humanitaire mijnopruiming van Genève (GICHD).
3. De ISU voert de in artikel 1, lid 3, bedoelde projecten uit onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger. De hoge vertegenwoordiger treft daartoe de nodige regelingen met het GICHD.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 3, bedoelde projecten is 2 658 139 EUR.
2. Voor de uitgaven die worden gefinancierd door het in lid 1 bedoelde bedrag, gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de uitgaven die worden gefinancierd door het in lid 1 bedoelde bedrag. Daartoe sluit zij een financieringsovereenkomst met het GICHD, waarin wordt bepaald dat de ISU zorg draagt voor de identiteit en de zichtbaarheid van de bijdrage van de Unie in een mate die overeenstemt met de omvang ervan.
4. De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.
5. De ISU voert de in artikel 1, lid 3, bedoelde projecten uit overeenkomstig het besluit ter versterking van de financiële governance en transparantie binnen de ISU, dat in 2015 genomen is tijdens de 14e vergadering van de staten die partij zijn bij het Verdrag. De ISU verstrekt naast het cijfermateriaal ook beschrijvende en kwartaalrapporten, alsook een logisch kader en activiteitenmatrix als bedoeld in de bijlage.
Artikel 4
De hoge vertegenwoordiger brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van geregelde rapporten van de ISU. Die rapporten vormen de basis voor de evaluatie door de Raad. De Commissie verstrekt informatie over de financiële aspecten van de uitvoering van dit besluit.
Artikel 5
1. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
2. Dit besluit verstrijkt 48 maanden na de datum van de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst of zes maanden na de datum waarop het is vastgesteld, indien er binnen die termijn geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
A.P. ZACARIAS
(1) Gemeenschappelijk Optreden 2008/487/GBVB van de Raad van 23 juni 2008 ter ondersteuning van de universalisering en uitvoering van het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens, in het kader van de Europese veiligheidsstrategie (PB L 165 van 26.6.2008, blz. 41).
(2) Zie Besluit 2012/700/GBVB van de Raad van 13 november 2012 in het kader van de Europese veiligheidsstrategie, ter ondersteuning van de uitvoering van het Actieplan van Cartagena voor de periode 2010-2014 dat is aangenomen door de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens van 1997 (PB L 314 van 14.11.2012, blz. 40).
(3) Besluit (GBVB) 2017/1428 van de Raad van 4 augustus 2017 ter ondersteuning van de uitvoering van het Actieplan van Maputo voor de uitvoering van het Verdrag van 1997 inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (PB L 204 van 5.8.2017, blz. 101).
BIJLAGE
PROJECT TER ONDERSTEUNING VAN HET ACTIEPLAN VAN OSLO VOOR DE UITVOERING VAN HET VERDRAG VAN 1997 INZAKE HET VERBOD VAN HET GEBRUIK, DE AANLEG VAN VOORRADEN, DE PRODUCTIE EN DE OVERDRACHT VAN ANTIPERSONEELMIJNEN EN INZAKE DE VERNIETIGING VAN DEZE WAPENS
Achtergrond
Bijdragen tot een grotere menselijke veiligheid, zoals beoogd door de Europese veiligheidsstrategie, door de aanvaarding van de normen en de uitvoering van het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens (het “Verdrag”) te bevorderen. Het door de Unie gesteunde project verleent steun aan de inspanningen van de staten die partij zijn bij het Verdrag om diverse aspecten uit te voeren van het Actieplan van Oslo voor de periode 2020-2024 (“het OAP”), zoals aangenomen tijdens de vierde toetsingsconferentie van het Verdrag in november 2019.
Het voorgestelde project bouwt voort op Gemeenschappelijk Optreden 2008/487/GBVB en Besluiten 2012/700/GBVB en (GBVB) 2017/1428 van de Raad, en levert een bijdrage aan de voorbereiding van de vijfde toetsingsconferentie van het Verdrag in 2024.
Project 1: steun voor de uitvoering van mijnruiming (artikel 5 van het Verdrag), voor internationale samenwerking en bijstand (artikel 6 van het Verdrag) en voor transparantie en uitwisseling van informatie (artikel 7 van het Verdrag)
1.1. Doelstellingen
|
— |
Verhogen van de capaciteit om verontreiniging door antipersoneelmijnen te melden en aan te pakken, met inbegrip van, in voorkomend geval, geïmproviseerde mijnen. |
|
— |
Leveren van contextspecifieke voorlichting over risico’s betreffende mijnen en over de inspanningen om de risico’s in verband met die mijnen te verminderen. |
|
— |
Creëren van duurzame nationale capaciteiten om voorheen onbekende bemijnde gebieden aan te pakken. |
|
— |
Intensiveren van de regelmatige dialoog met belanghebbenden. |
|
— |
Verkennen van de mogelijkheden voor samenwerking (internationaal, regionaal, trilateraal en zuid-zuid) om resterende uitdagingen aan te pakken. |
|
— |
Verbeteren van de verslaglegging in overeenstemming met het OAP en de bijbehorende indicatoren. |
1.2. Beschrijving
Met inbreng van het Comité ter uitvoering van artikel 5 inzake de selectie van begunstigde landen/regio’s zullen maximaal vijf nationale/regionale evenementen worden georganiseerd in Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Midden- en Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA), de Hoorn van Afrika en Afrika ten zuiden van de Sahara.
De nationale of regionale dialogen met belanghebbenden zullen tot doel hebben de samenwerking en bijstand bij de uitvoering van OAP-acties in verband met de artikelen 5, 6 en 7 van het Verdrag verder te verbeteren. In sommige gevallen zal in die dialogen bijzondere nadruk worden gelegd op het melden van geïmproviseerde antipersoneelmijnen. Prioriteit voor nationale dialogen zal worden gegeven aan staten met naderende deadlines voor mijnruiming die steun nodig hebben. Daarnaast kunnen dialogen worden gehouden in landen die de mijnruiming (artikel 5 van het Verdrag) bijna voltooid hebben of die dit onlangs hebben gedaan in overeenstemming met OAP-actie 26.
Voortbouwend op successen uit het verleden zullen de evenementen op het ontwerp-, beheer- en uitvoeringsniveau rekening houden met en geïnformeerd worden over de verschillende behoeften en gezichtspunten van vrouwen, meisjes, jongens en mannen in door mijnen getroffen gemeenschappen en van partners bij de mijnruiming.
De dialogen worden georganiseerd en mede gefaciliteerd door de ondersteunende eenheid voor de uitvoering (ISU) en de begunstigde staat die partij is bij het Verdrag, samen met de relevante intergouvernementele organisaties die meewerken aan het evenement of als medeorganisator van het evenement optreden.
In de geest van samenwerking waarop het Verdrag stoelt, worden de relevante entiteiten van de Unie en de lidstaten, het Comité ter uitvoering van artikel 5 en het Comité ter verbetering van samenwerking en bijstand, de vertegenwoordigers van donoren, de agentschappen van Verenigde Naties (VN), de internationale en nationale mijnruimingsorganisaties, de Internationale Campagne voor een verbod op landmijnen (ICBL) en andere belanghebbenden daarbij betrokken. Indien dat tot sponsoring leidt, wordt een dergelijke betrokkenheid afhankelijk gesteld van de voorwaarden die in het memorandum begrotingseffecten moeten worden uitgewerkt.
De door de ISU gesteunde follow-upmaatregelen kunnen worden genomen naar aanleiding van aanbevelingen die voortvloeien uit de dialogen of uit de opmerkingen van het desbetreffende comité en/of het desbetreffende besluit van de staten die partij zijn bij het Verdrag (bv. besluiten over verlengingsverzoeken). Indien begunstigde staten die partij zijn bij het Verdrag betrokken zijn bij coalities of partnerschappen met de Unie of haar lidstaten, werkt de ISU, in overeenstemming met de gevestigde praktijk, samen met alle partijen.
1.3. Resultaten
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten verwerven meer inzicht in de wijze waarop de uitvoering van het OAP kan worden gewaarborgd, door inclusief overleg met leden van getroffen gemeenschappen. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten worden zich bewust van de noodzaak om zo spoedig mogelijk en ruim voor de voltooiing van de mijnruimingsactie, nationale capaciteit op te bouwen om na die voltooiing nieuwe of voorheen onbekende bemijnde gebieden aan te pakken. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten bouwen capaciteit op om de OAP-verslaglegging in het kader van de richtlijnen voor verslaglegging te verbeteren. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten leren over de beschikbare samenwerking en bijstand ter ondersteuning van hun uitvoeringsinspanningen, alsook over de maatregelen die zij kunnen nemen om dergelijke samenwerking en bijstand aan te moedigen, onder meer door de oprichting van nationale platforms voor mijnruiming. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten leren over uitdagingen en lacunes met betrekking tot de uitvoering van hun OAP-toezeggingen en evalueren met name waar zij staan met betrekking tot de OAP-indicatoren. |
|
— |
Op basis van de dialogen overwegen vertegenwoordigers van de staten de herziening, actualisering of ontwikkeling van nationale mijnruimingsstrategieën of -plannen. |
|
— |
Er wordt rekening gehouden met de verschillende gezichtspunten van vrouwen, meisjes, jongens en mannen en met de behoeften van de overlevenden van mijnontploffingen en de getroffen gemeenschappen, en er wordt voor gezorgd dat zij zinvol kunnen participeren. |
1.4. Begunstigden
|
— |
Vrouwen, meisjes, jongens en mannen wier leven wordt beïnvloed door de aanwezigheid of vermoedelijke aanwezigheid van antipersoneelmijnen in staten die partij zijn bij het Verdrag en die bezig zijn met de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van het Verdrag of die onlangs aan die verplichtingen hebben voldaan. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten die zich bezighouden met kwesties in verband met de uitvoering van het Verdrag, en met name aspecten die verband houden met mijnruiming, en voorlichting over en beperking van de risico’s van mijnen. |
Project 2: steun voor de uitvoering van slachtofferhulp, voor internationale samenwerking en bijstand (artikel 6 van het Verdrag) en voor transparantie en uitwisseling van informatie (artikel 7 van het Verdrag)
2.1. Doelstellingen
De staten die partij zijn bij het Verdrag bieden slachtofferhulp als onderdeel van een bredere benadering van de rechten van personen met een handicap en van ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de uiteenlopende behoeften van mannen en vrouwen die mijnontploffingen hebben overleefd, met inbegrip van de behoeften van overlevenden van mijnontploffingen in landelijke en afgelegen gebieden.
2.2. Beschrijving
Door het OAP aan te nemen, bevestigden de staten die partij zijn bij het Verdrag opnieuw hun verbintenis om “te zorgen voor een volledige, gelijke en reële participatie van de slachtoffers van mijnen aan de samenleving, op basis van de eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, inclusie en non-discriminatie”.
Dankzij financiële steun in het kader van Besluit (GBVB) 2017/1428, en als vervolg op de wereldwijde conferentie waarnaar in Besluit 2012/700/GBVB wordt verwezen, kwamen vaklui op het gebied van slachtofferhulp en van de rechten van personen met een handicap uit zowel staten die partij zijn bij het Verdrag als staten die geen partij zijn bij het Verdrag bijeen met een aanzienlijk aantal overlevenden op een mondiale conferentie, om verder partnerschappen te ontwikkelen met de wereld van de rechten van personen met een handicap op nationaal en internationaal niveau.
Dit werd verwezenlijkt dankzij de deelname van desbetreffende nationale ministeries en de uitgebreide expertise van de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor gehandicapten- en toegankelijkheidsproblematiek, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) en deskundige organisaties die lid zijn van de ICBL, zoals Humanity and Inclusion (HI).
Voortbouwend op die verwezenlijking zal dit project een derde wereldwijde conferentie ondersteunen, met ervaren verstrekkers van slachtofferhulp, met de speciale VN-gezant voor gehandicapten- en toegankelijkheidsproblematiek en met een lid van het Comité van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), om de uitvoering van het OAP te evalueren en bij te dragen tot een nieuw actieplan dat in 2024 door de internationale gemeenschap moet worden aangenomen. Die conferentie moet ten minste een jaar vóór de vijfde toetsingsconferentie plaatsvinden en er wordt gerekend op de deelname en inbreng van de voorgedragen voorzitter van de toetsingsconferentie.
Met inbreng van het Comité voor slachtofferhulp inzake de selectie van begunstigde landen/regio’s breidt het project zijn steun aan staten die partij zijn bij het Verdrag uit via nationale en/of regionale dialogen met belanghebbenden tijdens maximaal vijf evenementen in Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Midden- en Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA), de Hoorn van Afrika en Afrika ten zuiden van de Sahara. Die dialogen zullen erop gericht zijn de staten die partij zijn bij het Verdrag te ondersteunen bij het versterken van hun multisectorale inspanningen om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de slachtofferhulp in overeenstemming is met de desbetreffende bepalingen van het CRPD. De dialogen moeten erop gericht zijn de inclusie en effectieve deelname van slachtoffers van mijnen en hun representatieve organisaties te versterken en te waarborgen in discussies over het mobiliseren en veiligstellen van middelen en het waarborgen van diensten vanuit een op rechten gebaseerd perspectief. Om die banden verder aan te halen en een samenhangend plan voor de opbouw en ontwikkeling van nationale capaciteiten te handhaven, zal het project ook waar nodig, maar in elk geval ten minste drie, bijeenkomsten van deskundigen voor slachtofferhulp organiseren voorafgaand aan de vergaderingen van de staten die partij zijn bij het Verdrag.
Voortbouwend op successen uit het verleden zullen de evenementen door middel van een inclusief proces op het ontwerp-, beheer- en uitvoeringsniveau rekening houden met en geïnformeerd worden over de verschillende behoeften en gezichtspunten van vrouwen, meisjes, jongens en mannen die de ontploffing van antipersoneelmijnen hebben overleefd, van door mijnen getroffen gemeenschappen en van de beweging voor de rechten van mensen met een handicap, inclusief overlevenden van mijnontploffingen in landelijke en afgelegen gebieden. Dit zal een meerwaarde betekenen voor de inspanningen die op nationaal niveau worden geleverd.
De dialogen worden gezamenlijk georganiseerd en mede gefaciliteerd door de ISU en de begunstigde staat die partij is bij het Verdrag en, waar passend, met de regionale intergouvernementele organisatie die de dialoog steunt. In de geest van samenwerking waarop het Verdrag stoelt, worden de relevante entiteiten van de Unie en de lidstaten, het Comité voor slachtofferhulp en het Comité ter verbetering van samenwerking en bijstand, de vertegenwoordigers van donoren, de VN-agentschappen waaronder de WHO en het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de internationale en nationale mijnruimingsorganisaties, het ICRC en andere belanghebbenden zoals de ICBL en organisaties die lid zijn, zoals HI, hierbij betrokken. Indien dat tot sponsoring leidt, wordt een dergelijke betrokkenheid afhankelijk gesteld van de voorwaarden die in het memorandum begrotingseffecten moeten worden uitgewerkt.
De door de ISU gesteunde follow-upmaatregelen kunnen worden genomen naar aanleiding van aanbevelingen die voortvloeien uit de dialogen of de opmerkingen van het desbetreffende comité en/of uit de desbetreffende conclusies van de nationale/regionale dialogen. Dit omvat onder meer de sponsoring van relevante vaklui op het gebied van slachtofferhulp en/of vertegenwoordigers van organisaties voor overlevenden van mijnontploffingen om deel te nemen aan technische uitwisselingsbezoeken of om formele of informele Verdragsbijeenkomsten bij te wonen. Indien begunstigde staten die partij zijn bij het Verdrag betrokken zijn bij “coalities” of partnerschappen met de Unie of haar lidstaten, werkt de ISU, in overeenstemming met de gevestigde praktijk, samen met alle partijen.
2.3. Resultaten
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten krijgen meer inzicht in de beste manier om een multisectorale respons te waarborgen ter nakoming van hun verplichtingen inzake slachtofferhulp, en integreren slachtofferhulp in bredere nationale beleidslijnen, plannen en rechtskaders. |
|
— |
De staten verkrijgen inzicht in de behoefte aan een relevante overheidsinstantie om toezicht te houden op de integratie van slachtofferhulp in bredere kaders, en in de behoefte aan een actieplan op basis van specifieke, meetbare, realistische en tijdgebonden doelstellingen om de slachtoffers van mijnen te ondersteunen. |
|
— |
Staten zorgen voor meer inclusie in hun slachtofferhulp, met name door de inclusie van organisaties van overlevenden van mijnontploffingen of organisaties ter bescherming van de rechten van mensen met een handicap, of door hen meer te betrekken bij de nationale planning en deel te laten uitmaken van delegaties naar aanleiding van de activiteiten van het project. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten leren over uitdagingen en lacunes met betrekking tot de uitvoering van hun OAP-toezeggingen en evalueren met name waar zij staan met betrekking tot de OAP-indicatoren. |
|
— |
Op basis van de dialogen overwegen vertegenwoordigers van de staten de herziening, actualisering of ontwikkeling van hun nationale strategieën betreffende personen met een handicap. |
|
— |
Overlevenden van mijnontploffingen en organisaties ter bescherming van de rechten van mensen met een handicap ontwikkelen meer capaciteit en/of krijgen meer bevoegdheden naar aanleiding van de activiteiten van het project. |
|
— |
Vertegenwoordigers van de staten bouwen capaciteit op om de OAP-verslaglegging in het kader van de richtlijnen voor verslaglegging te verbeteren. |
|
— |
Staten en organisaties die slachtoffers vertegenwoordigen, versterken hun partnerschappen met relevante humanitaire, vredesopbouw-, ontwikkelings- en mensenrechtengemeenschappen, rekening houdend met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. |
2.4. Begunstigden
|
— |
Vrouwen, meisjes, jongens en mannen die gewond zijn geraakt door antipersoneelmijnen en andere ontplofbare oorlogsresten, en andere slachtoffers van mijnontploffingen, onder meer in landelijke en afgelegen gebieden. |
|
— |
Deskundigen op het gebied van slachtofferhulp die zich bezighouden met vraagstukken inzake slachtofferhulp. |
|
— |
Vaklui op het gebied van de rechten van personen met een handicap in staten met een aanzienlijk aantal overlevenden van mijnontploffingen. |
Project 3: steun voor de universaliseringsinspanningen en voor het bevorderen van de normen van het Verdrag
3.1. Doel
Staten die geen partij zijn bij het Verdrag zetten een stap dichter tot toetreding, waarbij de betrokken ambtenaren een uitgesproken affiniteit ontwikkelen voor het Verdrag en/of de internationale normen tegen antipersoneelmijnen.
3.2. Beschrijving
In de verklaring van Oslo over een wereld vrij van mijnen wordt gesteld dat de staten zich ertoe verbinden de in het Verdrag vastgestelde normen “te bevorderen en te verdedigen” en “alles in het werk te stellen voor de universele toepassing van het Verdrag” op basis van hun “verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal humanitair recht en het recht inzake de mensenrechten”.
Het OAP stelt twee acties vast om ervoor te zorgen dat het aantal leden van het Verdrag toeneemt en dat de normen van het Verdrag worden versterkt. OAP-acties 11 en 12 roepen de staten die partij zijn bij het Verdrag op “alle beschikbare mogelijkheden aan te wenden om de bekrachtiging van/toetreding tot het Verdrag door staten die geen partij zijn bij het Verdrag te bevorderen, onder meer door hun deelname aan de werkzaamheden van het Verdrag aan te moedigen” en “de universele naleving van de normen en doelstellingen van het Verdrag te blijven bevorderen”.
Daartoe, en met inbreng van de voorzitter van het Verdrag en, waar passend, de informele universaliseringsgroep, zal het project een reeks inspanningen leveren met het oog op de universele toepassing van het Verdrag. Het gaat onder meer om bezoeken op hoog niveau, technische vergaderingen en/of workshops, sponsoring van relevante ambtenaren uit de doelstaten om bijeenkomsten in het kader van het Verdrag bij te wonen, en bijeenkomsten op ambassadeursniveau in het hoofdkwartier, of een van de regionale hoofdkantoren, van de VN.
Ten minste vijf activiteiten worden uitgevoerd met steun van de verdragsgemeenschap, waaronder lidstaten van de Unie en delegaties van de Unie in doelstaten. Indien de Unie of haar lidstaten betrokken zijn bij landencoalities of partnerschappen in doelstaten, werkt de ISU, in overeenstemming met de gevestigde praktijk, samen met alle partijen.
Waar mogelijk wordt een politieke aanpak op hoog niveau gevolgd door technische workshops op basis van de input van deskundigen van staten die het voortouw nemen bij de universaliseringsinspanningen, de ICBL, het ICRC, de landenteams van de VN en/of relevante organisaties. Die workshops worden uitgevoerd op nationaal, subregionaal of regionaal niveau met de betrokken ministeries of instellingen van de doelstaten. Het project streeft ernaar relevante afgevaardigden van doelstaten te sponsoren om de vergaderingen in het kader van het Verdrag bij te wonen. Dit zorgt ervoor dat de staten die partij zijn bij het Verdrag de zaak samen met de doelstaten opvolgen en dat de bijeenkomsten in het kader van het Verdrag op de agenda van de doelstaten blijven. De ISU coördineert die sponsoring zoals toegestaan in het memorandum begrotingseffecten.
Daarnaast organiseert de ISU een technische follow-up-vergadering op nationaal, subregionaal of regionaal niveau met een staat die geen partij is bij het Verdrag en die voorheen een doelstaat was van een besluit van de Unie of van een Gemeenschappelijk Optreden van de Unie.
3.3. Resultaten
|
— |
Besluitvormers in staten die geen partij zijn bij het Verdrag vergaren meer kennis over het Verdrag en de normen ervan en/of over de steun die beschikbaar is voor toetreding. |
|
— |
Relevante overheidsambtenaren krijgen meer inzicht in de werkzaamheden van het Verdrag. |
|
— |
Staten die geen partij zijn bij het Verdrag geven openlijk uiting aan hun toenadering van of affiniteit met het Verdrag en de normen ervan (zoals het bijwonen van een formele of informele bijeenkomst in het kader van het Verdrag). |
|
— |
Als gevolg van de missies dringen de belanghebbenden op het gebied van nationale mijnbestrijding en/of universalisering opnieuw aan op de universele toepassing van het Verdrag. |
|
— |
De rol van de Unie bij de bevordering van het Verdrag en de bijbehorende normen wordt benadrukt bij de verdragsgemeenschap, bij de ambtenaren van de Unie en bij de staten die geen partij zijn bij het Verdrag. |
|
— |
Ten minste één doelstaat die geen partij is bij het Verdrag verstrekt vrijwillig een artikel 7-rapport. |
3.4. Begunstigden
|
— |
Staten die het Verdrag nog niet hebben geratificeerd, goedgekeurd of geaccepteerd, of nog niet tot het Verdrag zijn toegetreden. |
|
— |
Staten die partij zijn bij het Verdrag en internationale niet-gouvernementele organisaties die betrokken zijn bij de inspanningen om werk te maken van de universele toepassing van het Verdrag. |
|
— |
Vrouwen, meisjes, jongens en mannen in landen waar een verbod op landmijnen geldt. |
Project 4: steun voor alternatieven voor het gebruik van op scherp gestelde antipersoneelmijnen ten behoeve van opleiding (artikel 3 van het Verdrag) en voor meer samenwerking en bijstand (artikel 6 van het Verdrag)
4.1. Doel
Staten die antipersoneelmijnen voor toegestane doeleinden aanhouden, handelen in het kader van OAP-actie 16, onder meer door een verhoogde verslaglegging, en OAP-actie 17 door naar alternatieven te zoeken voor op scherp gestelde antipersoneelmijnen.
4.2. Beschrijving
Momenteel houden 66 staten die partij zijn bij het Verdrag meer dan 150 000 antipersoneelmijnen aan voor toegestane doeleinden uit hoofde van artikel 3 van het Verdrag. Hoewel uit de van de staten die partij zijn bij het Verdrag ontvangen informatie blijkt dat dit aantal daalt, hebben een handvol staten die partij zijn bij het Verdrag jarenlang geen jaarlijkse informatie over die aangehouden antipersoneelmijnen ingediend.
Ter ondersteuning van staten die partij zijn bij het Verdrag en die actie willen ondernemen in het kader van OAP-acties 16 en 17, ondersteunt het voorgestelde project, met inbreng van de voorzitter van het Verdrag, een nationaal of regionaal seminar met ten minste twee staten die om dergelijke bijstand verzoeken. Staten die partij zijn bij het Verdrag, met inbegrip van de lidstaten, en relevante organisaties kunnen ervaringen delen en routekaarten verstrekken om op scherp gestelde antipersoneelmijnen voor opleidingsdoeleinden te vervangen. Indien de Unie of haar lidstaten betrokken zijn bij landencoalities of partnerschappen met begunstigde staten die partij zijn bij het Verdrag, werkt de ISU, in overeenstemming met de gevestigde praktijk, samen met alle partijen.
Het project ondersteunt ook een technische workshop over alternatieven voor het gebruik van op scherp gestelde antipersoneelmijnen. Waar relevant en/of mogelijk worden lidstaten van de Unie en andere staten die partij zijn bij het Verdrag uitgenodigd om ervaringen uit te wisselen over alternatieven voor opleiding en onderzoek en/of vernietiging van aangehouden antipersoneelmijnen, om zo de samenwerking en bijstand tussen de leden van de verdragsgemeenschap verder te verbeteren. Daartoe worden bij het project het Comité voor samenwerking op het gebied van de naleving en het Comité ter verbetering van de samenwerking en bijstand betrokken.
4.3. Resultaten
|
— |
Staten die partij zijn bij het Verdrag brengen vaker verslag uit over artikel 3 van het Verdrag in jaarlijkse transparantieverslagen. |
|
— |
Staten die partij zijn bij het Verdrag die daartoe in staat zijn, werken samen met en verlenen bijstand aan staten die partij zijn bij het Verdrag die actie willen ondernemen met betrekking tot de toezeggingen uit hoofde van artikel 3 en in het kader van OAP-acties 16 en 17. |
|
— |
Staten die partij zijn bij het Verdrag die een groot aantal antipersoneelmijnen hebben aangehouden, beschikken over geactualiseerde kennis, waarbij ten minste één staat die partij is bij het Verdrag eerste stappen zet om voor opleidingsdoeleinden alternatieven te gebruiken. |
4.4. Begunstigden
|
— |
Staten die partij zijn bij het Verdrag met toezeggingen uit hoofde van artikel 3. |
|
— |
Overheidsambtenaren die verantwoordelijk zijn voor opleidingsprogramma’s voor mijnruiming. |
|
— |
Vrouwen, meisjes, jongens en mannen in staten die partij zijn bij het Verdrag waar aangehouden antipersoneelmijnen worden vernietigd. |
Project 5: blijk geven van de inzet van de Unie en van haar lidstaten en hun zichtbaarheid garanderen
5.1. Doel
De verdragsgemeenschap en de begunstigde staten die partij zijn bij het Verdrag krijgen inzicht in de bijdrage van de Unie en haar lidstaten aan de uitvoering van het Verdrag, terwijl ambtenaren van de Unie en van haar lidstaten inzicht krijgen in dit besluit en hoe het verband kan houden met hun werk.
5.2. Beschrijving
Overeenkomstig de vorige besluiten van de Raad en het vorige Gemeenschappelijk Optreden van de Raad vestigt de ISU de aandacht op de rol van de Unie en haar lidstaten in de verdragsgemeenschap en in de begunstigde staten en doelstaten. Daartoe, en in het kader van het communicatie- en zichtbaarheidsplan, houdt de ISU tijdens de uitvoeringsfase van het project geregeld briefings en organiseert ze een slotevenement, met name tijdens de vergaderingen in het kader van het Verdrag.
De ISU voert mediacampagnes en verzorgt publicaties om de verwezenlijkingen van het Verdrag bekend te maken. De ISU zorgt ervoor dat de rol van de Unie in die campagnes onder de aandacht wordt gebracht.
In overeenstemming met de eerdere gevestigde praktijk brengt de ISU over de uitvoering van het project maandelijkse inhoudelijke verslagen uit aan de Unie en driemaandelijkse verslagen aan de Unie en haar lidstaten.
5.3. Resultaten
|
— |
Ambtenaren van de Unie en van de lidstaten worden bekend met dit besluit, en weten hoe het verband kan houden met hun werk. |
|
— |
De inzet van de Unie en de lidstaten voor het Verdrag en voor mijnbestrijding in het algemeen wordt in de kijker gesteld ten behoeve van de staten die partij zijn bij het Verdrag, en van een mondiaal publiek dat belangstelling heeft voor de menselijke veiligheid. |
|
— |
De internationale gemeenschap wordt beter bekend met de doelstellingen van het Verdrag. |
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/51 |
BESLUIT (GBVB) 2021/258 VAN DE RAAD
van 18 februari 2021
tot wijziging van Besluit 2011/101/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 15 februari 2011 Besluit (GBVB) 2011/101/GBVB (1) betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe vastgesteld. |
|
(2) |
De Raad heeft Besluit 2011/101/GBVB geëvalueerd in het licht van de politieke situatie in Zimbabwe. |
|
(3) |
De beperkende maatregelen moeten worden verlengd tot en met 20 februari 2022. De Raad moet deze permanent evalueren in het licht van de ontwikkelingen op politiek en veiligheidsgebied in Zimbabwe. |
|
(4) |
De vermelding betreffende één overleden persoon moet worden geschrapt van de lijst van aangewezen personen en entiteiten in bijlage I bij Besluit 2011/101/GBVB. De beperkende maatregelen moeten worden verlengd voor drie personen en één entiteit in die bijlage, en de identificatiegegevens en de motivering voor twee personen in die bijlage moeten worden geactualiseerd. De opschorting van de beperkende maatregelen moet worden verlengd voor drie personen in bijlage II bij dat besluit en één overleden persoon moet worden geschrapt uit bijlage II bij dat besluit. |
|
(5) |
Besluit 2011/101/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Besluit 2011/101/GBVB wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 10 wordt vervangen door: “Artikel 10 1. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld. 2. Dit besluit is van toepassing tot en met 20 februari 2022. 3. De maatregelen in artikel 4, lid 1, en in artikel 5, leden 1 en 2, voor zover van toepassing op de personen in bijlage II, worden tot en met 20 februari 2022 opgeschort. 4. Dit besluit wordt voortdurend geëvalueerd en zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad oordeelt dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij dit besluit. |
|
3) |
Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
A.P. ZACARIAS
(1) Besluit 2011/101/GBVB van de Raad van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 42 van 16.2.2011, blz. 6).
BIJLAGE I
IN DE ARTIKELEN 4 EN 5 BEDOELDE PERSONEN EN ENTITEITEN
I. Personen
|
|
Naam (en eventuele aliassen) |
Identificatiegegevens |
Motivering |
|
2. |
MUGABE, Grace |
Geboren op 23.7.1965 Paspoort AD001159 ID 63-646650Q70 |
Voormalig secretaris van de ZANU-PF (Zimbabwaanse Afrikaanse Nationale Unie — Patriottisch Front) Women’s league, betrokken bij activiteiten die de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat ernstig ondermijnen. Nam in 2002 het landgoed Iron Mask Estate over; wordt ervan verdacht grote illegale winsten te maken met diamantontginning. |
|
5. |
CHIWENGA, Constantine |
Vicepresident Voormalig bevelhebber van de Zimbabwaanse Defensiemacht, generaal in ruste, geboren op 25.8.1956 Paspoort AD000263 ID 63-327568M80 |
Vicepresident en voormalig bevelhebber van de Zimbabwaanse Defensiemacht. Lid van het gezamenlijke operationele commando; medeplichtig aan het vormen of aansturen van repressief staatsbeleid. Zette het leger in om boerderijen over te nemen. Was tijdens de verkiezingen van 2008 de voornaamste aanstoker van het geweld tijdens de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. |
|
7. |
SIBANDA, Phillip Valerio (ook bekend als Valentine) |
Bevelhebber van de Zimbabwaanse Defensiemacht Voormalig bevelhebber van het Zimbabwaans nationaal leger, generaal, geboren op 25.8.1956 of 24.12.1954 ID 63-357671H26 |
Bevelhebber van de Zimbabwaanse Defensiemacht en voormalig bevelhebber van het Zimbabwaans nationaal leger. Hogere militaire functionaris die sterke banden heeft met de regering; medeplichtig aan het vormen of aansturen van oppressief staatsbeleid. |
II. Entiteiten
|
|
Naam |
Identificatiegegevens |
Motivering |
|
1. |
Zimbabwe Defence Industries |
10th floor, Trustee House, 55 Samora Machel Avenue, PO Box 6597, Harare, Zimbabwe. |
Heeft banden met het Ministerie van Defensie en de ZANU-PF-fractie in de regering. |
BIJLAGE II
In bijlage II bij Besluit 2011/101/GBVB wordt de vermelding betreffende de volgende persoon geschrapt:
|
“4. |
Shiri, Perence (ook bekend als Bigboy) Samson Chikerema”. |
|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/55 |
BESLUIT (EU, Euratom) 2021/259 VAN DE COMMISSIE
van 10 februari 2021
tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake industriële beveiliging met betrekking tot gerubriceerde subsidies
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 249,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106,
Gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (1),
Gezien Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (2),
Gezien Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (3),
Gezien Besluit (EU, Euratom) 2017/46 van de Commissie van 10 januari 2017 over de beveiliging van communicatie- en informatiesystemen binnen de Europese Commissie (4),
Na raadpleging van de deskundigengroep voor veiligheid van de Commissie, overeenkomstig artikel 41, lid 5, van Besluit (EU, Euratom) 2015/444,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In de artikelen 41, 42, 47 en 48 van Besluit (EU, Euratom) 2015/444 wordt bepaald dat er meer gedetailleerde bepalingen ter aanvulling en ondersteuning van hoofdstuk 6 van dat besluit moeten worden vastgesteld in uitvoeringsbepalingen inzake industriële beveiliging, die betrekking hebben op kwesties zoals de toekenning van gerubriceerde subsidieovereenkomsten, veiligheidsverklaringen voor een vestiging, veiligheidsverklaringen voor personeel, bezoeken, overdracht en vervoer van gerubriceerde informatie van de Europese Unie (“EUCl”). |
|
(2) |
In Besluit (EU, Euratom) 2015/444 wordt bepaald dat gerubriceerde subsidieovereenkomsten moeten worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de nationale veiligheidsautoriteiten, de aangewezen veiligheidsautoriteiten of andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. De lidstaten zijn overeengekomen ervoor te zorgen dat elke onder hun bevoegdheid vallende entiteit die gerubriceerde informatie afkomstig van de Commissie kan ontvangen of genereren, een gedegen veiligheidsonderzoek heeft ondergaan en een passende bescherming kan bieden die gelijkwaardig is aan de bescherming die door de veiligheidsvoorschriften van de Raad van de Europese Unie wordt geboden voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie welke een overeenkomstige rubricering draagt, zoals bepaald in de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (2011/C 202/05) (5). |
|
(3) |
De Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zijn overeengekomen te zorgen voor maximale consistentie bij de toepassing van beveiligingsvoorschriften betreffende de bescherming van EUCI, rekening houdend met hun specifieke institutionele en organisatorische behoeften, conform de verklaringen die zijn gehecht aan de notulen van de Raadszitting waarop Besluit 2013/488/EU van de Raad (6) betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie is aangenomen. |
|
(4) |
De uitvoeringsbepalingen van de Commissie inzake industriële beveiliging met betrekking tot gerubriceerde subsidies moeten bijgevolg ook een maximale consistentie waarborgen en rekening houden met de op 13 december 2016 door het beveiligingscomité van de Raad goedgekeurde richtsnoeren inzake industriële beveiliging. |
|
(5) |
Op 4 mei 2016 heeft de Commissie een besluit (7) vastgesteld waarbij het voor veiligheid bevoegde Commissielid wordt gemachtigd om namens de Commissie en onder haar verantwoordelijkheid de in artikel 60 van Besluit (EU, Euratom) 2015/444 bedoelde uitvoeringsbepalingen vast te stellen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. In dit besluit worden uitvoeringsbepalingen inzake industriële beveiliging met betrekking tot gerubriceerde subsidies vastgesteld zoals bedoeld in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en met name hoofdstuk 6 van dat besluit.
2. In dit besluit worden specifieke vereisten vastgesteld voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI) in de bekendmakingen van oproepen en bij de toekenning van subsidies en de uitvoering van gerubriceerde subsidieovereenkomsten die door de Europese Commissie worden gesloten.
3. Dit besluit is van toepassing op subsidies waarmee informatie met de volgende rubriceringsniveaus gemoeid is:
|
a) |
RESTREINT UE/EU RESTRICTED; |
|
b) |
CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL; |
|
c) |
SECRET UE/EU SECRET. |
4. Dit besluit is van toepassing onverminderd de specifieke regels die zijn vastgesteld in andere rechtshandelingen, zoals die betreffende het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie.
Artikel 2
Verantwoordelijkheden binnen de Commissie
1. In het kader van de in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad beschreven verantwoordelijkheden van de ordonnateur van de subsidieverlenende autoriteit, zorgt de betrokken ordonnateur ervoor dat de gerubriceerde subsidie voldoet aan Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.
2. Daartoe wint de betrokken ordonnateur in alle stadia het advies in van de veiligheidsautoriteit van de Commissie over kwesties in verband met de beveiligingselementen van een gerubriceerde subsidieovereenkomst, een gerubriceerd programma of een gerubriceerd project en stelt hij de lokale veiligheidsagent in kennis van de ondertekende gerubriceerde subsidieovereenkomsten. De beslissing over het rubriceringsniveau van specifieke onderwerpen berust bij de subsidieverlenende autoriteit en wordt genomen met inachtneming van de rubriceringsgids.
3. Wanneer de in artikel 5, lid 3, bedoelde programma- of projectbeveiligingsinstructies worden toegepast, kwijten de subsidieverlenende autoriteit en de veiligheidsautoriteit van de Commissie zich van de verantwoordelijkheden die hun in die instructies zijn toegewezen.
4. Bij de inachtneming van de vereisten van deze uitvoeringsbepalingen werkt de veiligheidsautoriteit van de Commissie nauw samen met de nationale veiligheidsautoriteiten en de aangewezen veiligheidsautoriteiten van de betrokken lidstaten, met name wat betreft de veiligheidsverklaringen voor een vestiging, de veiligheidsverklaringen voor personeel, de procedures voor bezoeken en de vervoerplannen.
5. Wanneer subsidies worden beheerd door uitvoerende agentschappen of andere financieringsorganen van de EU en de specifieke regels van andere in artikel 1, lid 4, bedoelde rechtshandelingen niet van toepassing zijn:
|
a) |
oefent de delegerende afdeling van de Commissie de rechten uit die gerelateerd zijn aan de bron van EUCI die in het kader van de subsidies wordt gegenereerd, indien de delegatieregelingen daarin voorzien; |
|
b) |
is de delegerende afdeling van de Commissie verantwoordelijk voor het bepalen van de rubriceringsgraad; |
|
c) |
worden verzoeken om informatie over veiligheidsverklaringen en kennisgevingen aan nationale veiligheidsautoriteiten en/of aangewezen veiligheidsautoriteiten verzonden via de veiligheidsautoriteit van de Commissie. |
HOOFDSTUK 2
BEHANDELING VAN OPROEPEN VOOR GERUBRICEERDE SUBSIDIES
Artikel 3
Basisbeginselen
1. Gerubriceerde delen van de subsidies worden alleen uitgevoerd door in een lidstaat geregistreerde begunstigden, of door in een derde land geregistreerde of door door een internationale organisatie opgerichte begunstigden wanneer dat derde land of die internationale organisatie een informatiebeveiligingsovereenkomst met de Europese Unie heeft gesloten of een administratieve regeling heeft getroffen met de Commissie (8).
2. Voorafgaand aan de oproep voor een gerubriceerde subsidie bepaalt de subsidieverlenende autoriteit het rubriceringsniveau van alle informatie die aan aanvragers kan worden verstrekt. De subsidieverlenende autoriteit bepaalt ook het maximale rubriceringsniveau van alle informatie die bij de uitvoering van de subsidieovereenkomst, het programma of het project wordt gebruikt of gegenereerd, of ten minste de verwachte omvang en het verwachte type van de op te stellen of te behandelen informatie, en de noodzaak van een gerubriceerd communicatie- en informatiesysteem.
3. De subsidieverlenende autoriteit zorgt ervoor dat er in de oproepen voor gerubriceerde subsidies informatie wordt verstrekt over de bijzondere beveiligingsverplichtingen in verband met gerubriceerde informatie. In de documentatie bij de oproep wordt toegelicht binnen welke termijn de begunstigden de veiligheidsverklaringen voor een vestiging moeten verkrijgen, voor zover dit vereist is. De bijlagen I en II bevatten voorbeelden van templates voor informatie over de voorwaarden van de oproep.
4. De subsidieverlenende autoriteit zorgt ervoor dat informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET pas aan de aanvragers wordt bekendgemaakt nadat zij een niet-openbaarmakingsovereenkomst hebben ondertekend, waarin aanvragers ertoe worden verplicht EUCI te behandelen en te beschermen conform Besluit (EU, Euratom) 2015/444, de uitvoeringsbepalingen daarvan en de toepasselijke nationale voorschriften.
5. Wanneer er informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED aan aanvragers wordt verstrekt, worden de in artikel 5, lid 7, van dat besluit vermelde minimumvereisten opgenomen in de oproep of in de niet-openbaarmakingsregelingen die in de fase van het voorstel worden gesloten.
6. Alle aanvragers en begunstigden die verplicht zijn om informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET in hun vestigingen te behandelen of op te slaan, hetzij in de fase van het voorstel, hetzij tijdens de uitvoering van de gerubriceerde subsidieovereenkomst zelf, zijn in het bezit van een veiligheidsverklaring voor een vestiging van het vereiste niveau, behalve in de in lid 9 genoemde gevallen. Hieronder worden de drie scenario’s geschetst die zich kunnen voordoen in de fase van het voorstel voor een gerubriceerde subsidie waarbij EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET gemoeid is:
|
a) |
geen toegang tot EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET in de fase van het voorstel: wanneer de oproep een subsidie betreft waarbij EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET gemoeid is, maar waarbij de aanvrager niet verplicht is deze informatie in de fase van het voorstel te behandelen, wordt een aanvrager die niet in het bezit is van een veiligheidsverklaring voor een vestiging van het vereiste niveau, niet van de aanvraagprocedure uitgesloten op grond van het feit dat hij niet in het bezit is van een dergelijke veiligheidsverklaring; |
|
b) |
toegang tot EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET in de bedrijfsruimten van de subsidieverlenende autoriteit in de fase van het voorstel: toegang wordt verleend aan het personeel van de aanvrager dat in het bezit is van een veiligheidsverklaring voor personeel van het vereiste niveau en dat een “noodzaak tot kennisname” heeft; |
|
c) |
behandeling of opslag van EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET in de bedrijfsruimten van de aanvrager in de fase van het voorstel: wanneer aanvragers ingevolge de oproep in hun bedrijfsruimten EUCI moeten behandelen of opslaan, is de aanvrager in het bezit van een veiligheidsverklaring voor een vestiging van het vereiste niveau. In dergelijke omstandigheden krijgt de subsidieverlenende autoriteit, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie, van de desbetreffende nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit de garantie dat er aan de aanvrager een passende veiligheidsverklaring voor een vestiging is verleend en zulks vóór de verstrekking van EUCI-materiaal aan de aanvrager. Toegang wordt verleend aan het personeel van de aanvrager dat in het bezit is van een veiligheidsverklaring voor personeel van het vereiste niveau en dat een “noodzaak tot kennisname” heeft. |
7. Een veiligheidsverklaring voor een vestiging of een veiligheidsverklaring voor personeel is in beginsel niet vereist voor toegang tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, noch in de fase van het voorstel, noch voor de uitvoering van subsidieovereenkomst. Wanneer de lidstaten op grond van hun nationale wet- en regelgeving een veiligheidsverklaring voor een vestiging of een veiligheidsverklaring voor personeel verlangen voor subsidieovereenkomsten of subcontracten op het niveau RESTREINT UE/EU RESTRICTED (zie bijlage IV), leggen die nationale voorschriften geen aanvullende verplichtingen op aan andere lidstaten, of sluiten die voorschriften aanvragers, begunstigden of subcontractanten van lidstaten waar er geen dergelijke voorschriften inzake een veiligheidsverklaring voor een vestiging of een veiligheidsverklaring voor personeel bestaan voor toegang tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, niet uit van de desbetreffende subsidieovereenkomsten/subcontracten of van mededinging op dat gebied. Deze subsidieovereenkomsten worden in de lidstaten uitgevoerd overeenkomstig hun nationale wet- en regelgeving.
8. Indien er een veiligheidsverklaring voor een vestiging is vereist voor de behandeling van een oproep en voor de uitvoering van een gerubriceerde subsidieovereenkomst, dient de subsidieverlenende autoriteit, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie, een verzoek in bij de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de begunstigde, waarbij gebruik wordt gemaakt van een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging of een ander soortgelijk elektronisch formulier. Bijlage III, aanhangsel D, bevat een voorbeeld van een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging (9). De reactie op een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging wordt, voor zover mogelijk, binnen tien werkdagen na de datum van het verzoek verstrekt.
9. Wanneer overheidsinstellingen van de lidstaten of instellingen onder toezicht van de overheid deelnemen aan gerubriceerde subsidies waarvoor veiligheidsverklaringen voor een vestiging vereist zijn, en wanneer er voor deze instellingen geen veiligheidsverklaringen voor een vestiging zijn afgegeven op grond van de nationale wetgeving, gaat de subsidieverlenende autoriteit, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie, bij de betrokken nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit na of deze instellingen in staat zijn om EUCI op het vereiste niveau te behandelen.
10. Indien er een veiligheidsverklaring voor personeel is vereist voor de uitvoering van een gerubriceerde subsidieovereenkomst en wanneer er volgens de nationale voorschriften een veiligheidsverklaring voor een vestiging noodzakelijk is voordat er een veiligheidsverklaring voor personeel wordt toegekend, gaat de subsidieverlenende autoriteit, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie en met behulp van een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging, bij de betrokken nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de begunstigde na of de begunstigde in het bezit is van een veiligheidsverklaring voor een vestiging dan wel of de procedure voor de toekenning daarvan aan de gang is. In dat geval geeft de Commissie geen verzoeken om veiligheidsverklaringen voor personeel af met behulp van het informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor personeel.
Artikel 4
Uitbesteding bij gerubriceerde subsidies
1. De voorwaarden waaronder begunstigden actietaken waarbij EUCI gemoeid is, mogen uitbesteden worden in de oproep en in de subsidieovereenkomst vastgesteld. Deze voorwaarden omvatten het vereiste dat alle informatiebladen voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging via de veiligheidsautoriteit van de Commissie worden ingediend. Voor uitbesteding is de voorafgaande schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit vereist. In voorkomend geval is de uitbesteding in overeenstemming met het basisbesluit tot vaststelling van het programma.
2. Gerubriceerde delen van de subsidies worden alleen uitbesteed aan in een lidstaat geregistreerde entiteiten, of door in een derde land geregistreerde of door door een internationale organisatie opgerichte entiteiten wanneer dat derde land of die internationale organisatie een informatiebeveiligingsovereenkomst met de Europese Unie heeft gesloten of een administratieve regeling heeft getroffen met de Commissie (10).
HOOFDSTUK 3
BEHANDELING VAN GERUBRICEERDE SUBSIDIES
Artikel 5
Basisbeginselen
1. Bij de toekenning van een gerubriceerde subsidie zorgt de subsidieverlenende autoriteit er samen met de veiligheidsautoriteit van de Commissie voor dat de verplichtingen van de begunstigden met betrekking tot de bescherming van EUCI die bij de uitvoering van de subsidieovereenkomst wordt gebruikt of gegenereerd, een integrerend onderdeel vormen van de subsidieovereenkomst. De specifieke veiligheidsvereisten voor de subsidie hebben de vorm van een memorandum over de beveiligingsaspecten. Bijlage III bevat een voorbeeld van een template voor een memorandum over de beveiligingsaspecten.
2. Alvorens een gerubriceerde subsidie te ondertekenen, keurt de subsidieverlenende autoriteit een rubriceringsgids goed voor de taken die moeten worden uitgevoerd en de informatie die wordt gegenereerd bij de uitvoering van de subsidie, of, in voorkomend geval, op programma- of projectniveau. De rubriceringsgids is een onderdeel van het memorandum over de beveiligingsaspecten.
3. De specifieke veiligheidsvereisten voor het programma of het project hebben de vorm van beveiligingsinstructies voor een programma (of project). De beveiligingsinstructies voor een programma (of project) kunnen worden opgesteld aan de hand van de bepalingen van de in bijlage III opgenomen template voor het memorandum over de beveiligingsaspecten. Die beveiligingsinstructies worden ontwikkeld door de afdeling van de Commissie die het programma of het project beheert, in nauwe samenwerking met de veiligheidsautoriteit van de Commissie, en worden voor advies voorgelegd aan de deskundigengroep voor veiligheid van de Commissie. Wanneer een subsidieovereenkomst deel uitmaakt van een programma of een project met eigen beveiligingsinstructies voor een programma (of project), heeft het memorandum over de beveiligingsaspecten een vereenvoudigde vorm en bevat het een verwijzing naar de beveiligingsbepalingen van de beveiligingsinstructies van het programma of het project.
4. Behalve in de in artikel 3, lid 9, genoemde gevallen, wordt de gerubriceerde subsidieovereenkomst pas ondertekend nadat de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de aanvrager de veiligheidsverklaring voor een vestiging van de aanvrager heeft bevestigd of, indien de gerubriceerde subsidieovereenkomst aan een consortium wordt toegekend, totdat de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van ten minste één aanvrager, binnen het consortium, of indien nodig van meerdere aanvragers, de veiligheidsverklaring voor een vestiging van de aanvrager heeft bevestigd.
5. In beginsel, en tenzij anders bepaald in andere relevante voorschriften, wordt de subsidieverlenende autoriteit beschouwd als de bron van EUCI die bij de uitvoering van de subsidieovereenkomst wordt gegenereerd.
6. De subsidieverlenende autoriteit stelt, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie, de nationale veiligheidsautoriteiten en/of de aangewezen veiligheidsautoriteiten van alle begunstigden en subcontractanten in kennis van de ondertekening van gerubriceerde subsidieovereenkomsten of subcontracten en van de verlenging of vroegtijdige beëindiging van dergelijke subsidieovereenkomsten of subcontracten. Een lijst van de vereisten per land is opgenomen in bijlage IV.
7. Subsidieovereenkomsten waarbij informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED gemoeid is, bevatten een beveiligingsclausule die de bepalingen van bijlage III, aanhangsel E, bindend maakt voor de begunstigden. Deze subsidieovereenkomsten bevatten een memorandum over de beveiligingsaspecten, waarin minimaal de vereisten voor de behandeling van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED zijn opgenomen, met inbegrip van informatieborgingaspecten en specifieke vereisten waaraan door de begunstigden moet worden voldaan met betrekking tot de homologatie van hun communicatie- en informatiesystemen waarin informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld.
8. Wanneer de nationale wet- en regelgeving van de lidstaten dit vereist, zorgen de nationale veiligheidsautoriteiten of de aangewezen veiligheidsautoriteiten ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende begunstigden of subcontractanten de toepasselijke beveiligingsbepalingen voor de bescherming van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED in acht nemen en brengen zij controlebezoeken aan vestigingen van begunstigden of subcontractanten op hun grondgebied. Indien de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit niet aan een dergelijke verplichting is onderworpen, zorgt de subsidieverlenende autoriteit ervoor dat de begunstigden de voorgeschreven beveiligingsbepalingen van bijlage III, aanhangsel E, toepassen.
Artikel 6
Toegang tot EUCI voor personeel van begunstigden en subcontractanten
1. De subsidieverlenende autoriteit zorgt ervoor dat gerubriceerde subsidieovereenkomsten bepalingen bevatten die stipuleren dat het personeel van begunstigden of subcontractanten dat voor de uitvoering van de gerubriceerde subsidieovereenkomst of het gerubriceerde subcontract toegang nodig heeft tot EUCI, deze toegang alleen krijgt indien:
|
a) |
voor de betrokkene de noodzaak tot kennisname is vastgesteld; |
|
b) |
voor informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET door de respectieve nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit of een andere bevoegde veiligheidsautoriteit aan de betrokkene een veiligheidsverklaring van het vereiste niveau is afgegeven; |
|
c) |
de betrokkene is geïnstrueerd over de toepasselijke beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van EUCI en hij zijn verantwoordelijkheden in verband met de bescherming van dergelijke informatie heeft bevestigd. |
2. In voorkomend geval is de toegang tot EUCI ook in overeenstemming met het basisbesluit tot vaststelling van het programma en wordt er ook rekening gehouden met eventuele aanvullende markeringen die in de rubriceringsgids zijn gedefinieerd.
3. Indien een begunstigde of subcontractant een onderdaan van een niet-EU-land in dienst wil nemen voor een functie waarvoor toegang tot EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET is vereist, is het de verantwoordelijkheid van de begunstigde of subcontractant om de procedure voor het verkrijgen van een veiligheidsverklaring voor een dergelijke persoon in te leiden overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving die van toepassing is op de plaats waar de toegang tot de EUCI zal worden verleend.
Artikel 7
Toegang tot EUCI door deskundigen die deelnemen aan controles, evaluaties of audits
1. Wanneer externe personen (“deskundigen”) betrokken zijn bij controles, evaluaties of audits door de subsidieverlenende autoriteit of bij prestatie-evaluaties van de begunstigden welke toegang tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET vereisen, krijgen zij alleen een overeenkomst indien door de respectieve nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit of een andere bevoegde veiligheidsautoriteit aan hen een veiligheidsverklaring van het vereiste niveau is afgegeven. De subsidieverlenende autoriteit voert, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie, de verificaties uit en verzoekt de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit om, indien nodig, het doorlichtingsproces voor deskundigen op gang te brengen; zulks ten minste zes maanden vóór de aanvang van hun respectieve overeenkomsten.
2. Vóór de ondertekening van hun overeenkomsten, worden de deskundigen geïnstrueerd over de toepasselijke beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van EUCI en hebben zij hun verantwoordelijkheden in verband met de bescherming van dergelijke informatie erkend.
HOOFDSTUK 4
BEZOEKEN IN VERBAND MET GERUBRICEERDE SUBSIDIEOVEREENKOMSTEN
Artikel 8
Basisbeginselen
1. Wanneer de subsidieverlenende autoriteit, de deskundigen, de begunstigden of de subcontractanten in het kader van de uitvoering van een gerubriceerde subsidieovereenkomst in elkaars bedrijfsruimten toegang moeten hebben tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, worden er, in overleg met de nationale veiligheidsautoriteiten of de aangewezen veiligheidsautoriteiten of andere bevoegde veiligheidsautoriteiten, bezoeken georganiseerd.
2. Voor de in lid 1 bedoelde bezoeken gelden de volgende vereisten:
|
a) |
het bezoek heeft een officieel doel in verband met de gerubriceerde subsidie; |
|
b) |
elke bezoeker is in het bezit van een veiligheidsverklaring voor personeel van het vereiste niveau en de noodzaak tot kennisname staat vast, teneinde toegang te krijgen tot EUCI die wordt gebruikt of gegenereerd bij de uitvoering van de gerubriceerde subsidie. |
Artikel 9
Aanvragen voor bezoeken
1. Bezoeken van begunstigden of subcontractanten aan vestigingen van andere begunstigden of subcontractanten of aan bedrijfsruimten van de subsidieverlenende autoriteit die toegang behelzen tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, worden conform de volgende procedure geregeld:
|
a) |
de veiligheidsagent van de vestiging die de bezoeker stuurt, vult alle relevante onderdelen van het aanvraagformulier voor een bezoek in en dient de aanvraag in bij de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de vestiging. Een template van het aanvraagformulier voor een bezoek is opgenomen in bijlage III, aanhangsel C; |
|
b) |
de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de verzendende vestiging moet de veiligheidsverklaring voor personeel van de bezoeker bevestigen voordat de aanvraag voor een bezoek wordt ingediend bij de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de ontvangende vestiging (of de veiligheidsautoriteit van de Commissie in het geval van een bezoek aan de bedrijfsruimten van een subsidieverlenende autoriteit); |
|
c) |
de veiligheidsagent van de verzendende vestiging ontvangt vervolgens, via zijn nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit, het antwoord van de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de ontvangende vestiging (of de veiligheidsautoriteit van de Commissie), die de aanvraag voor een bezoek goedkeurt of afwijst; |
|
d) |
een aanvraag voor een bezoek wordt geacht te zijn goedgekeurd als er tot vijf werkdagen vóór de datum van het bezoek geen bezwaar wordt gemaakt. |
2. Bezoeken van ambtenaren van de subsidieverlenende autoriteit, deskundigen of auditors aan vestigingen van de begunstigden of subcontractanten die toegang behelzen tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, worden conform de volgende procedure geregeld:
|
a) |
de bezoeker vult alle relevante onderdelen van het aanvraagformulier voor een bezoek in en dient het in bij de veiligheidsautoriteit van de Commissie; |
|
b) |
de veiligheidsautoriteit van de Commissie bevestigt de veiligheidsverklaring voor personeel van de bezoeker voordat de aanvraag voor een bezoek wordt ingediend bij de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de ontvangende vestiging; |
|
c) |
de veiligheidsautoriteit van de Commissie ontvangt een antwoord van de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de ontvangende vestiging, die de aanvraag voor een bezoek goedkeurt of afwijst; |
|
d) |
een aanvraag voor een bezoek wordt geacht te zijn goedgekeurd als er tot vijf werkdagen vóór de datum van het bezoek geen bezwaar wordt gemaakt. |
3. Een aanvraag voor een bezoek kan betrekking hebben op een enkel bezoek of op herhaalde bezoeken. In het geval van herhaalde bezoeken kan de aanvraag voor een bezoek tot één jaar geldig zijn vanaf de gevraagde startdatum.
4. De geldigheidsduur van een aanvraag voor een bezoek overschrijdt niet de geldigheidsduur van de veiligheidsverklaring voor personeel van de bezoeker.
5. Als algemene regel geldt dat een aanvraag voor een bezoek ten minste 15 werkdagen vóór de datum van het bezoek wordt ingediend bij de bevoegde veiligheidsautoriteit van de ontvangende vestiging.
Artikel 10
Procedures voor bezoeken
1. Alvorens de bezoekers toegang te verlenen tot EUCI, zorgt de veiligheidsdienst van de ontvangende vestiging voor de inachtneming van alle met het bezoek verband houdende beveiligingsprocedures en -regels die door zijn nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit zijn vastgesteld.
2. Bezoekers bewijzen bij aankomst in de ontvangende vestiging hun identiteit door een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen. De identificatiegegevens stemmen overeen met de in de aanvraag voor een bezoek verstrekte gegevens.
3. De ontvangende vestiging zorgt ervoor dat er een register wordt bijgehouden van alle bezoekers, met daarin hun naam, de organisatie die zij vertegenwoordigen, de datum waarop de veiligheidsverklaring voor personeel verstrijkt, de datum van het bezoek en de namen van de bezochte personen. Dit register wordt gedurende een periode van ten minste vijf jaar bewaard, of langer indien de nationale regelgeving van het land van de ontvangende vestiging dit vereist.
Artikel 11
Rechtstreeks geregelde bezoeken
1. In het kader van specifieke projecten kunnen de desbetreffende nationale veiligheidsautoriteiten of aangewezen veiligheidsautoriteiten en de veiligheidsautoriteit van de Commissie in onderling overleg een procedure vaststellen op grond waarvan bezoeken in verband met een specifieke gerubriceerde subsidie rechtstreeks kunnen worden geregeld tussen de veiligheidsagent van de bezoeker en de veiligheidsagent van de te bezoeken vestiging. Een template van het daarvoor te gebruiken formulier is opgenomen in bijlage III, aanhangsel C. Een dergelijke uitzonderlijke procedure wordt beschreven in de beveiligingsinstructies voor een programma (of project) of in andere specifieke regelingen. In dergelijke gevallen zijn de procedures van artikel 9 en artikel 10, lid 1, niet van toepassing.
2. Bezoeken die toegang behelzen tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, worden rechtstreeks tussen de verzendende en de ontvangende entiteit geregeld, zonder dat de procedures van artikel 9 en artikel 10, lid 1, hoeven te worden gevolgd.
HOOFDSTUK 5
OVERDRACHT EN VERVOER VAN EUCI BIJ DE UITVOERING VAN GERUBRICEERDE SUBSIDIEOVEREENKOMSTEN
Artikel 12
Basisbeginselen
De subsidieverlenende autoriteit zorgt ervoor dat alle besluiten in verband met de overdracht en het vervoer van EUCI in overeenstemming zijn met Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, en met de voorwaarden van de gerubriceerde subsidieovereenkomst, met inbegrip van de toestemming van de bron ervan.
Artikel 13
Elektronische behandeling
1. De elektronische behandeling en overdracht van EUCI wordt uitgevoerd in overeenstemming met de hoofdstukken 5 en 6 van Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.
De communicatie- en informatiesystemen die eigendom zijn van een begunstigde en die worden gebruikt voor de behandeling van EUCI in het kader van de uitvoering van de subsidieovereenkomst, worden gehomologeerd door de bevoegde veiligheidshomologatieautoriteit. Elke elektronische overdracht van EUCI wordt beschermd door encryptieproducten die zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 36, lid 4, van Besluit (EU, Euratom) 2015/444. TEMPEST-beveiligingsmaatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 36, lid 6, van dat besluit.
2. De veiligheidshomologatie van het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde waarin EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld en van de eventuele koppeling daarvan, kan worden gedelegeerd aan de veiligheidsagent van een begunstigde indien de nationale wet- en regelgeving dit toestaat. Wanneer die taak wordt gedelegeerd, is de begunstigde verantwoordelijk voor de uitvoering van de minimale veiligheidsvoorschriften die in het memorandum over de beveiligingsaspecten zijn beschreven voor de behandeling van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED in zijn communicatie- en informatiesysteem. De desbetreffende nationale veiligheidsautoriteiten of aangewezen veiligheidsautoriteiten en veiligheidshomologatieautoriteiten blijven echter verantwoordelijk voor de bescherming van de door de begunstigde behandelde informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED en behouden het recht om de door de begunstigde genomen beveiligingsmaatregelen te controleren. Bovendien verstrekt de begunstigde de subsidieverlenende autoriteit en, indien dit is vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, de bevoegde nationale veiligheidshomologatieautoriteit een verklaring van overeenstemming, waarin wordt gecertificeerd dat het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde en de bijbehorende koppelingen zijn gehomologeerd voor de behandeling van EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED (11).
Artikel 14
Vervoer door commerciële koeriers
Bij het vervoer van EUCI door commerciële koeriers worden de relevante bepalingen van Besluit (EU, Euratom) 2019/1962 van de Commissie (12) houdende uitvoeringsbepalingen voor de omgang met RESTREINT UE/EU RESTRICTED-informatie en Besluit (EU, Euratom) 2019/1961 van de Commissie (13) houdende uitvoeringsbepalingen voor de omgang met CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL- en SECRET UE/EU SECRET-informatie in acht genomen.
Artikel 15
Vervoer in handbagage
1. Voor het vervoer van gerubriceerde informatie in handbagage gelden er strenge veiligheidsvereisten.
2. Personeel van de begunstigde mag informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED binnen de Unie vervoeren in handbagage, mits aan de volgende vereisten wordt voldaan:
|
a) |
de gebruikte envelop/verpakking is ondoorzichtig en daarop is geen vermelding aangebracht betreffende de rubricering van de inhoud ervan; |
|
b) |
de drager geeft de gerubriceerde informatie niet uit handen; |
|
c) |
de envelop of verpakking wordt onderweg niet geopend. |
3. Voor informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET wordt het vervoer in handbagage door personeel van de begunstigde binnen een lidstaat vooraf geregeld tussen de verzendende en de ontvangende entiteiten. De verzendende autoriteit of vestiging stelt de ontvangende autoriteit of vestiging in kennis van de gegevens van de zending, met inbegrip van de referentie, de rubricering, het verwachte tijdstip van aankomst en de naam van de koerier. Dit vervoer in handbagage is toegestaan, mits aan de volgende vereisten wordt voldaan:
|
a) |
de gerubriceerde informatie wordt vervoerd in een dubbele envelop/verpakking; |
|
b) |
de buitenste envelop/verpakking is beveiligd en daarop is geen vermelding aangebracht van de rubricering van de inhoud ervan, terwijl op de binnenste envelop het rubriceringsniveau is vermeld; |
|
c) |
de drager geeft de EUCI niet uit handen; |
|
d) |
de envelop of verpakking wordt onderweg niet geopend; |
|
e) |
de envelop/verpakking wordt vervoerd in een afsluitbare aktetas of een soortgelijk goedgekeurd opbergmiddel van een zodanige omvang en gewicht dat het te allen tijde in het persoonlijke bezit van de drager kan blijven en niet in een bagageruimte hoeft te worden gedeponeerd; |
|
f) |
de koerier is in het bezit van een door zijn bevoegde veiligheidsautoriteit afgegeven koerierspas op grond waarvan hij gemachtigd is de gespecificeerde gerubriceerde zending te vervoeren. |
4. Voor het vervoer in handbagage door personeel van de begunstigde van als CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET gerubriceerde informatie van de ene lidstaat naar de andere, gelden de volgende aanvullende voorschriften:
|
a) |
de koerier is verantwoordelijk voor de veilige bewaring van het vervoerde gerubriceerde materiaal totdat het aan de ontvanger wordt overhandigd; |
|
b) |
in het geval van een beveiligingsinbreuk kan de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van de verzender de autoriteiten van het land waar de inbreuk heeft plaatsgevonden, verzoeken een onderzoek in te stellen, verslag uit te brengen over hun bevindingen en, in voorkomend geval, juridische of andere maatregelen te nemen; |
|
c) |
de koerier is geïnstrueerd over alle veiligheidsverplichtingen die tijdens het vervoer in acht moeten worden genomen en heeft een passende bevestiging ondertekend; |
|
d) |
de instructies voor de koerier worden aan de koerierspas gehecht; |
|
e) |
de koerier heeft een beschrijving van de zending en van de route ontvangen; |
|
f) |
de documenten worden na afloop van de reis (reizen) teruggegeven aan de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit van afgifte of worden door de ontvanger bewaard voor controledoeleinden; |
|
g) |
indien de douane, de immigratiediensten of de grenspolitie de zending willen onderzoeken en inspecteren, mogen zij voldoende delen van de zending openen en controleren om vast te stellen dat deze geen ander materiaal bevat dan het gespecificeerde materiaal; |
|
h) |
er wordt bij de douaneautoriteiten op aangedrongen om het officiële karakter van de verzendingsdocumenten en van de vergunningsdocumenten die de koerier bij zich heeft, te eerbiedigen. |
Indien een zending door de douane wordt geopend, gebeurt dit uit het zicht van niet-gemachtigde personen en, indien mogelijk, in aanwezigheid van de koerier. De koerier verzoekt om herverpakking van de zending en vraagt de autoriteiten die de inspectie uitvoeren, de zending opnieuw te verzegelen en schriftelijk te bevestigen dat deze door hen is geopend.
5. Het vervoer in handbagage door personeel van de begunstigde van als RESTREINT UE/EU RESTRICTED, CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET gerubriceerde informatie naar een derde land of een internationale organisatie, is onderworpen aan de bepalingen van de informatiebeveiligingsovereenkomst of de administratieve regeling die is gesloten tussen, respectievelijk, de Unie of de Commissie en dat derde land of die internationale organisatie.
HOOFDSTUK 6
BEDRIJFSCONTINUÏTEITSPLANNING
Artikel 16
Rampenplannen en herstelmaatregelen
De subsidieverlenende autoriteit zorgt ervoor dat de gerubriceerde subsidieovereenkomst de begunstigden ertoe verplicht bedrijfsrampenplannen op te stellen teneinde EUCI die in het kader van de uitvoering van de gerubriceerde subsidie wordt behandeld, in noodsituaties te beschermen, en in het kader van de bedrijfscontinuïteitsplanning preventie- en herstelmaatregelen te ontwikkelen om de gevolgen van incidenten in verband met de behandeling en opslag van EUCI tot een minimum te beperken. De begunstigden bevestigen aan de subsidieverlenende autoriteit dat hun bedrijfsrampenplannen zijn ingesteld.
Artikel 17
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 10 februari 2021.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Johannes HAHN
Lid van de Commissie
(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41.
(3) PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53.
(4) PB L 6 van 11.1.2017, blz. 40.
(5) PB C 202 van 8.7.2011, blz. 13.
(6) Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).
(7) Besluit van de Commissie van 4 mei 2016 betreffende een machtiging inzake veiligheid (C(2016) 2797 final).
(8) De lijst van de door de Europese Unie gesloten overeenkomsten en de door de Europese Commissie getroffen administratieve regelingen, op grond waarvan gerubriceerde EU-informatie kan worden uitgewisseld met derde landen en internationale organisaties, is te vinden op de website van de Commissie.
(9) Andere formulieren kunnen qua ontwerp afwijken van het voorbeeld in deze uitvoeringsbepalingen.
(10) De lijst van de door de Europese Unie gesloten overeenkomsten en de door de Europese Commissie getroffen administratieve regelingen, op grond waarvan gerubriceerde EU-informatie kan worden uitgewisseld met derde landen en internationale organisaties, is te vinden op de website van de Commissie.
(11) De minimumvereisten voor communicatie- en informatiesystemen voor de behandeling van EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED zijn vastgesteld in bijlage III, aanhangsel E.
(12) Besluit (EU, Euratom) 2019/1962 van de Commissie van 17 oktober 2019 houdende uitvoeringsbepalingen voor de omgang met RESTREINT UE/EU RESTRICTED-informatie (PB L 311 van 2.12.2019, blz. 21).
(13) Besluit (EU, Euratom) 2019/1961 van de Commissie van 17 oktober 2019 houdende uitvoeringsbepalingen voor de omgang met CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL- en SECRET UE/EU SECRET-informatie (PB L 311 van 2.12.2019, blz. 1).
BIJLAGE I
STANDAARDINFORMATIE IN DE OPROEP
(aan te passen aan de gebruikte oproep)
Beveiliging
Projecten waarbij gerubriceerde EU-informatie gemoeid is, moeten aan een beveiligingscontrole worden onderworpen om financiering mogelijk te maken en kunnen worden onderworpen aan specifieke beveiligingsvoorschriften (nader omschreven in een memorandum over de beveiligingsaspecten, dat aan de subsidieovereenkomst is gehecht).
In deze voorschriften (die vallen onder Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (1) en/of nationale voorschriften) wordt bijvoorbeeld het volgende bepaald:
|
— |
projecten met informatie met rubricering TRES SECRET UE/EU TOP SECRET (of gelijkwaardig) kunnen NIET worden gefinancierd; |
|
— |
gerubriceerde informatie moet worden gemarkeerd overeenkomstig de toepasselijke beveiligingsinstructies in het memorandum over de beveiligingsaspecten; |
|
— |
informatie met rubriceringsniveaus CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of hoger (en RESTREINT UE/EU RESTRICTED indien de nationale voorschriften zulks vereisen) kan:
|
|
— |
aan het einde van de subsidie moet de gerubriceerde informatie worden teruggegeven of verder worden beschermd conform de toepasselijke voorschriften; |
|
— |
actietaken waarbij gerubriceerde EU-informatie (EUCI) gemoeid is, mogen alleen worden uitbesteed met voorafgaande schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit en alleen aan entiteiten die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of in een niet-EU-land met een informatiebeveiligingsovereenkomst met de EU (of een administratieve regeling met de Commissie); |
|
— |
voor de openbaarmaking van EUCI aan derden is de voorafgaande schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit vereist. |
Opgelet: Afhankelijk van het type activiteit is het mogelijk dat de veiligheidsmachtiging voor een vestiging moet worden verstrekt vóór de ondertekening van de subsidie. De subsidieverlenende autoriteit beoordeelt per geval of er behoefte is aan veiligheidsmachtigingen en stelt de datum voor de verstrekking ervan vast tijdens de voorbereiding van de subsidie. Opgelet: wij kunnen in geen geval een subsidieovereenkomst ondertekenen wanneer niet ten minste een van de begunstigden van een consortium over een veiligheidsmachtiging voor een vestiging beschikt.
Er kunnen aanvullende beveiligingsaanbevelingen aan de subsidieovereenkomst worden toegevoegd in de vorm van te leveren resultaten op het gebied van beveiliging (bv. oprichting van een beveiligingsadviesgroep, beperking van de mate van gedetailleerdheid, gebruik van nep-scenario’s, het uitsluiten van het gebruik van gerubriceerde informatie enz.).
De begunstigden moeten ervoor zorgen dat hun projecten niet onderworpen zijn aan nationale veiligheidsvereisten of veiligheidsvereisten van derde landen die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van de subsidie of die de toekenning van de subsidie in het gedrang kunnen brengen (bv. technologische beperkingen, nationale beveiligingsrubricering enz.). De subsidieverlenende autoriteit moet onmiddellijk in kennis worden gesteld van mogelijke beveiligingsproblemen.
[Aanvullende OPTIE voor kaderpartnerschapsovereenkomsten: Voor kaderpartnerschappen is het mogelijk dat zowel aanvragen voor kaderpartnerschappen als aanvragen voor subsidies aan een beveiligingscontrole moeten worden onderworpen.]
(1) Zie Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
BIJLAGE II
STANDAARDCLAUSULES IN DE SUBSIDIEOVEREENKOMST
(aan te passen aan de gebruikte subsidieovereenkomst)
13.2. Beveiliging — Gerubriceerde informatie
De partijen moeten gerubriceerde informatie (EU- of nationale informatie) behandelen overeenkomstig de toepasselijke EU- of nationale wetgeving inzake gerubriceerde informatie (met name Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (1) en de uitvoeringsbepalingen daarvan).
Specifieke veiligheidsvoorschriften zijn (in voorkomend geval) opgenomen in bijlage 5.
BIJLAGE 5
Beveiliging — Gerubriceerde EU-informatie
[OPTIE voor acties met gerubriceerde EU-informatie (standaard): Indien er bij de actie gerubriceerde EU-informatie wordt gebruikt of gecreëerd, moet die informatie, totdat zij wordt gederubriceerd, worden behandeld overeenkomstig de rubriceringsgids en het memorandum over de beveiligingsaspecten, zoals vastgesteld in bijlage 1, en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.
Resultaten die gerubriceerde EU-informatie bevatten, moeten worden ingediend volgens bijzondere procedures die met de subsidieverlenende autoriteit zijn overeengekomen.
Actietaken waarbij gerubriceerde EU-informatie gemoeid is, mogen alleen worden uitbesteed met voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit en alleen aan entiteiten die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of in een niet-EU-land met een informatiebeveiligingsovereenkomst met de EU (of een administratieve regeling met de Commissie).
Gerubriceerde EU-informatie mag niet aan derden (met inbegrip van deelnemers die betrokken zijn bij de uitvoering van de actie) openbaar worden gemaakt zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit.]
(1) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
BIJLAGE III
[Bijlage IV (bij de ………)]
MEMORANDUM OVER BEVEILIGINGSASPECTEN (1)
[Model]
Aanhangsel A
VEILIGHEIDSVEREISTEN
De subsidieverlenende autoriteit moet de onderstaande veiligheidsvereisten opnemen in het memorandum over de beveiligingsaspecten. Sommige clausules zijn mogelijk niet van toepassing op de subsidieovereenkomst. Deze staan tussen vierkante haken.
De lijst van clausules is niet uitputtend. Afhankelijk van de aard van de gerubriceerde subsidie kunnen er extra clausules worden toegevoegd.
ALGEMENE VOORWAARDEN [NB: van toepassing op alle gerubriceerde subsidieovereenkomsten]
|
1. |
Dit memorandum over de beveiligingsaspecten vormt een integrerend onderdeel van de gerubriceerde subsidieovereenkomst [of van het subcontract] en bevat een beschrijving van de specifieke veiligheidsvereisten voor de subsidieovereenkomst. De niet-inachtneming van deze vereisten kan voldoende reden zijn om de subsidieovereenkomst op te zeggen. |
|
2. |
Begunstigden van subsidies zijn onderworpen aan alle verplichtingen die zijn vastgesteld in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (2) (hierna “Commissiebesluit 2015/444” genoemd) en de uitvoeringsbepalingen daarvan (3). Indien de begunstigde van een subsidie een probleem ondervindt bij de toepassing van het toepasselijke rechtskader in een lidstaat, moet hij zich wenden tot de veiligheidsautoriteit van de Commissie en de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit. |
|
3. |
Gerubriceerde informatie die bij de uitvoering van de subsidieovereenkomst wordt gegenereerd, moet worden gemarkeerd als gerubriceerde EU-informatie (EUCI) met het passende rubriceringsniveau, zoals vastgesteld in de rubriceringsgids in aanhangsel B bij dit memorandum. Afwijkingen van het in de rubriceringsgids vastgestelde rubriceringsniveau zijn alleen toegestaan met schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit. |
|
4. |
De rechten die gerelateerd zijn aan de bron van alle EUCI die voor de uitvoering van de gerubriceerde subsidieovereenkomst wordt gecreëerd en behandeld, worden uitgeoefend door de Commissie als subsidieverlenende autoriteit. |
|
5. |
Zonder schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit mag de begunstigde of subcontractant informatie die of materiaal dat door de subsidieverlenende autoriteit is verstrekt of namens deze autoriteit is geproduceerd, niet gebruiken voor andere doeleinden dan die van de subsidieovereenkomst. |
|
6. |
Wanneer een veiligheidsverklaring voor een vestiging vereist is voor de uitvoering van een subsidieovereenkomst, moet de begunstigde de subsidieverlenende autoriteit verzoeken het verzoek om een veiligheidsverklaring voor een vestiging verder te behandelen. |
|
7. |
De begunstigde moet alle beveiligingsinbreuken in verband met EUCI onderzoeken en deze zo spoedig mogelijk aan de subsidieverlenende autoriteit melden. De begunstigde of subcontractant moet zijn nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit en, wanneer de nationale wet- en regelgeving dit toestaat, de veiligheidsautoriteit van de Commissie onmiddellijk alle gevallen melden waarvan bekend is of waarbij er reden is om te vermoeden dat op grond van de subsidieovereenkomst verstrekte of gegenereerde EUCI verloren is gegaan of aan niet-gemachtigde personen is openbaar gemaakt. |
|
8. |
Na afloop van de subsidieovereenkomst moet de begunstigde of subcontractant alle EUCI die in zijn bezit is, zo spoedig mogelijk aan de subsidieverlenende autoriteit terugbezorgen. Indien mogelijk kan de begunstigde of subcontractant EUCI vernietigen in plaats van deze terug te bezorgen. Dit moet gebeuren conform de nationale wet- en regelgeving van het land waar de begunstigde is gevestigd, met voorafgaande toestemming van de veiligheidsautoriteit van de Commissie en overeenkomstig de instructies van die veiligheidsautoriteit. EUCI moet op zodanige wijze worden vernietigd dat zij niet geheel of gedeeltelijk kan worden gereconstrueerd. |
|
9. |
Wanneer de begunstigde of subcontractant gemachtigd is om na de beëindiging of de sluiting van de subsidieovereenkomst EUCI bij zich te houden, moet de EUCI beschermd blijven conform Commissiebesluit 2015/444 en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen (4). |
|
10. |
Bij de elektronische behandeling, verwerking en overdracht van EUCI moeten de bepalingen van de hoofdstukken 5 en 6 van Commissiebesluit 2015/444 in acht worden genomen. In deze hoofdstukken is onder meer voorgeschreven dat de communicatie- en informatiesystemen die eigendom zijn van de begunstigde en die worden gebruikt voor de behandeling van EUCI in het kader van de subsidieovereenkomst, moeten worden gehomologeerd (5); dat elke elektronische overdracht van EUCI moet worden beschermd door encryptieproducten die zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 36, lid 4, van Commissiebesluit 2015/444 en dat er TEMPEST-beveiligingsmaatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 36, lid 6, van Commissiebesluit 2015/444. |
|
11. |
De begunstigde of subcontractant moet beschikken over bedrijfsrampenplannen teneinde EUCI die bij de uitvoering van de gerubriceerde subsidieovereenkomst wordt behandeld, in noodsituaties te beschermen, en moet preventie- en herstelmaatregelen ontwikkelen om de gevolgen van incidenten in verband met de behandeling en opslag van EUCI tot een minimum te beperken. De begunstigde of subcontractant moet de subsidieverlenende autoriteit in kennis stellen van zijn bedrijfsrampenplannen. |
SUBSIDIEOVEREENKOMSTEN WAARVOOR TOEGANG TOT INFORMATIE MET RUBRICERING RESTREINT UE/EU RESTRICTED IS VEREIST
|
12. |
In principe is een veiligheidsverklaring voor personeel niet vereist in het kader van de subsidieovereenkomst (6). Informatie of materiaal met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED mag echter alleen toegankelijk zijn voor personeel van de begunstigde dat deze informatie nodig heeft om de subsidieovereenkomst uit te voeren (het beginsel “noodzaak tot kennisname”) en dat door de veiligheidsagent van de begunstigde is geïnstrueerd over zijn verantwoordelijkheden en over de gevolgen van het compromitteren of schenden van de beveiliging van die informatie, en dat schriftelijk de gevolgen van het niet beschermen van EUCI heeft erkend. |
|
13. |
Behoudens in het geval van schriftelijke toestemming door de subsidieverlenende autoriteit, mag de begunstigde of subcontractant geen toegang tot informatie of materiaal met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED verlenen aan andere entiteiten of personen dan die van zijn personeel die een “noodzaak tot kennisname” hebben. |
|
14. |
De begunstigde of subcontractant moet de rubriceringsmarkeringen van gerubriceerde informatie die bij de uitvoering van een subsidieovereenkomst wordt gegenereerd of verstrekt, handhaven en mag deze informatie niet derubriceren zonder schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit. |
|
15. |
Informatie of materiaal met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED moet worden opgeslagen in afgesloten kantoormeubilair wanneer zij of het niet wordt gebruikt. Bij doorvoer moeten documenten in een ondoorzichtige envelop worden vervoerd. De documenten mogen niet uit handen worden gegeven door de drager en mogen onderweg niet worden geopend. |
|
16. |
De begunstigde of subcontractant mag documenten met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED aan de subsidieverlenende autoriteit toezenden via commerciële koeriersdiensten, postdiensten, vervoer in handbagage of elektronische middelen. Daartoe moet de begunstigde of subcontractant de beveiligingsinstructies voor het programma (of project) van de Commissie en/of de uitvoeringsbepalingen van de Commissie inzake industriële beveiliging met betrekking tot gerubriceerde subsidies (7) in acht nemen. |
|
17. |
Indien dit niet langer vereist is, moeten documenten met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED op zodanige wijze worden vernietigd dat zij niet geheel of gedeeltelijk kunnen worden gereconstrueerd. |
|
18. |
De veiligheidshomologatie van het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde waarin EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld en van de eventuele koppeling daarvan, kan worden gedelegeerd aan de veiligheidsagent van de begunstigde indien de nationale wet- en regelgeving dit toestaat. Wanneer de homologatie aldus wordt gedelegeerd, blijven de nationale veiligheidsautoriteiten, de aangewezen veiligheidsautoriteiten of de veiligheidshomologatieautoriteiten verantwoordelijk voor de bescherming van de door de begunstigde behandelde informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED en behouden zij het recht om de door de begunstigde genomen beveiligingsmaatregelen te controleren. Bovendien verstrekt de begunstigde de subsidieverlenende autoriteit en, indien dit is vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, de bevoegde nationale veiligheidshomologatieautoriteit een verklaring van overeenstemming, waarin wordt gecertificeerd dat het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde en de bijbehorende koppelingen zijn gehomologeerd voor de behandeling van EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED. |
BEHANDELING VAN INFORMATIE MET RUBRICERING RESTREINT UE/EU RESTRICTED IN COMMUNICATIE- EN INFORMATIESYSTEMEN
|
19. |
De minimumvereisten voor communicatie- en informatiesystemen waarin informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld, zijn vastgesteld in aanhangsel E bij dit memorandum over de beveiligingsaspecten. |
VOORWAARDEN WAARONDER DE BEGUNSTIGDE EEN BEROEP KAN DOEN OP SUBCONTRACTANTEN
|
20. |
De begunstigde moet de toestemming van de subsidieverlenende autoriteit verkrijgen voordat hij een deel van een gerubriceerde subsidieovereenkomst kan uitbesteden. |
|
21. |
Er mag geen subcontract worden gegund aan een entiteit die is geregistreerd in een niet-EU-land of aan een entiteit die deel uitmaakt van een internationale organisatie, indien dat niet-EU-land of die internationale organisatie geen informatiebeveiligingsovereenkomst met de EU heeft gesloten of geen administratieve regeling met de Commissie heeft getroffen. |
|
22. |
Wanneer de begunstigde een subcontract heeft toegewezen, zijn de beveiligingsbepalingen van de subsidieovereenkomst van overeenkomstige toepassing op de subcontractant(en) en zijn (hun) personeel. In een dergelijk geval is het de verantwoordelijkheid van de begunstigde om ervoor te zorgen dat alle subcontractanten deze beginselen toepassen in het kader van hun eigen uitbestedingsregelingen. Om een passend veiligheidstoezicht te waarborgen, worden de nationale veiligheidsautoriteiten en/of de aangewezen veiligheidsautoriteiten van de begunstigde en de subcontractant door de veiligheidsautoriteit van de Commissie in kennis gesteld van de toewijzing van alle gelieerde gerubriceerde subcontracten met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET. In voorkomend geval wordt aan de nationale veiligheidsautoriteiten en/of de aangewezen veiligheidsautoriteiten van de begunstigde en de subcontractant een kopie van de specifieke beveiligingsbepalingen van de subcontracten verstrekt. De nationale veiligheidsautoriteiten en de aangewezen veiligheidsautoriteiten die kennisgeving verlangen van de beveiligingsbepalingen van gerubriceerde subsidieovereenkomsten van het niveau RESTREINT UE/EU RESTRICTED staan vermeld in de bijlage bij de uitvoeringsbepalingen van de Commissie inzake industriële beveiliging met betrekking tot gerubriceerde subsidieovereenkomsten (8). |
|
23. |
De begunstigde mag geen EUCI vrijgeven aan een subcontractant zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de subsidieverlenende autoriteit. Indien er frequent of systematisch EUCI naar subcontractanten moet worden verstuurd, kan de subsidieverlenende autoriteit haar toestemming geven voor een bepaalde duur (bv. twaalf maanden) of voor de looptijd van het subcontract. |
BEZOEKEN
Indien de standaardprocedure voor een aanvraag voor een bezoek moet worden toegepast op bezoeken waarbij informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET gemoeid is, moet de subsidieverlenende autoriteit de punten 24, 25 en 26 opnemen en punt 27 schrappen. Indien bezoeken waarbij informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET gemoeid is, rechtstreeks tussen de verzendende en de ontvangende instelling worden geregeld, moet de subsidieverlenende autoriteit de punten 25 en 26 schrappen en alleen punt 27 opnemen.
|
24. |
Bezoeken die toegang of mogelijke toegang behelzen tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, worden rechtstreeks tussen de verzendende en de ontvangende instelling geregeld, zonder dat de in de punten 25, 26 en 27 hieronder beschreven procedure hoeft te worden gevolgd. |
|
[25. |
Voor bezoeken die toegang of mogelijke toegang behelzen tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, geldt de volgende procedure:
|
|
[26. |
Alvorens de bezoeker(s) toegang te geven tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, moet de ontvangende vestiging toestemming hebben gekregen van haar nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit.] |
|
[27. |
Bezoeken die toegang of mogelijke toegang behelzen tot informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of SECRET UE/EU SECRET, worden rechtstreeks tussen de verzendende en de ontvangende instelling geregeld (een voorbeeld van het formulier dat voor dit doel kan worden gebruikt, is opgenomen in aanhangsel C).] |
|
28. |
Bezoekers moeten bij aankomst in de ontvangende vestiging hun identiteit bewijzen door een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen. |
|
29. |
De ontvangende vestiging moet ervoor zorgen dat er een register wordt bijgehouden van alle bezoekers. Daarin moeten de namen van de bezoekers, de organisatie die zij vertegenwoordigen, de datum waarop de veiligheidsverklaring voor personeel verstrijkt (indien van toepassing), de datum van het bezoek en de naam (namen) van de bezochte persoon (personen) worden geregistreerd. Onverminderd de Europese gegevensbeschermingsregels, moeten deze gegevens worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar of, in voorkomend geval, zoals aangegeven in de nationale wet- en regelgeving. |
EVALUATIEBEZOEKEN
|
30. |
De veiligheidsautoriteit van de Commissie kan, in samenwerking met de bevoegde nationale veiligheidsautoriteiten of de bevoegde aangewezen veiligheidsautoriteiten, de vestigingen van begunstigden of subcontractanten bezoeken om na te gaan of aan de beveiligingsvereisten voor de behandeling van EUCI is voldaan. |
RUBRICERINGSGIDS
|
31. |
Een lijst van alle elementen van de subsidieovereenkomst die bij de uitvoering van de subsidieovereenkomst zijn of moeten worden gerubriceerd, de regels daarvoor en de specificaties van de toepasselijke rubriceringsgraden zijn opgenomen in de rubriceringsgids. De rubriceringsgids vormt een integrerend onderdeel van deze subsidieovereenkomst en is opgenomen in aanhangsel B bij deze bijlage. |
Aanhangsel B
RUBRICERINGSGIDS
[specifieke tekst aan te passen aan het voorwerp van de subsidieovereenkomst]
Aanhangsel C
AANVRAAG VOOR EEN BEZOEK (MODEL)
GEDETAILLEERDE INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE AANVRAAG VOOR EEN BEZOEK
(De aanvraag mag alleen in het Engels worden ingediend)
|
HEADING |
Vink de juiste vakken aan voor het type bezoek en de soort informatie, en geef aan hoeveel vestigingen er bezocht zullen worden en hoeveel bezoekers er zullen komen. |
||||||
|
In te vullen door de aanvragende nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit. |
||||||
|
Vermeld de volledige naam en het volledige postadres. Vermeld plaats, land en postcode, indien van toepassing. |
||||||
|
Vermeld de volledige naam en het volledige postadres. Vermeld plaats, land, postcode, telex- of faxnummer (indien van toepassing), telefoonnummer en e-mailadres. Geef de naam, het telefoonnummer, het faxnummer en het e-mailadres van uw belangrijkste contactpersoon of de persoon met wie u de afspraak voor het bezoek heeft gemaakt. Opmerkingen:
|
||||||
|
Vermeld de werkelijke datum of periode (datum tot en met datum) van het bezoek in de vorm van “dag-maand-jaar”. Vermeld, in voorkomend geval, een alternatieve datum of periode tussen haakjes. |
||||||
|
Geef aan of het bezoek is geïnitieerd door de aanvragende organisatie of vestiging of op uitnodiging van de te bezoeken vestiging. |
||||||
|
Vermeld de volledige naam van het project, het contract of de oproep en gebruik daarbij alleen de vaak gebruikte afkortingen. |
||||||
|
Geef een korte beschrijving van de reden(en) voor het bezoek. Gebruik geen onverklaarde afkortingen. Opmerkingen: In het geval van herhaalde bezoeken moet in deze rubriek “Herhaalde bezoeken” worden vermeld als de eerste woorden in het gegevenselement (bv. Herhaalde bezoeken voor de bespreking van _____) |
||||||
|
Status SECRET UE/EU SECRET (S-UE/EU-S) of CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL (C-UE/EU-C), naargelang het geval. |
||||||
|
Opmerking: Wanneer er meer dan twee bezoekers bij het bezoek betrokken zijn, moet bijlage 2 worden gebruikt. |
||||||
|
In deze rubriek moeten de naam, het telefoonnummer, het faxnummer en het e-mailadres van de veiligheidsagent van de aanvragende vestiging worden vermeld. |
||||||
|
Dit veld moet worden ingevuld door de certificeringsautoriteit. Opmerkingen voor de certificeringsautoriteit:
|
||||||
|
Dit veld moet worden ingevuld door de nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit. Opmerking voor de nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit:
|
Alle velden moeten worden ingevuld en het formulier moet worden ingediend via intergouvernementele kanalen (9).
|
REQUEST FOR VISIT (MODEL) TO: _______________________________________ |
|||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||
For an amendment, insert the NSA/DSA original RFV Reference No_____________ |
|
No of sites: _______ No of visitors: _____ |
|||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
Requester: To: |
NSA/DSA RFV Reference No________________ Date (dd/mm/yyyy): _____/_____/_____ |
||||||||||||||||||||||
NAME: POSTAL ADDRESS: EMAIL ADDRESS: |
|||||||||||||||||||||||
|
FAX NO: |
TELEPHONE NO: |
||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
NAME: TELEPHONE NO: EMAIL ADDRESS: SIGNATURE: |
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
NAME: ADDRESS: TELEPHONE NO: EMAIL ADDRESS: |
|
||||||||||||||||||||||
|
SIGNATURE: |
DATE (dd/mm/yyyy): _____/_____/_____ |
||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
NAME: ADDRESS: TELEPHONE NO: EMAIL ADDRESS: |
|
||||||||||||||||||||||
|
SIGNATURE: |
DATE (dd/mm/yyyy): _____/_____/_____ |
||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
<Ruimte voor verwijzing naar de toepasselijke wetgeving inzake persoonsgegevens en link naar verplichte informatie voor de betrokkene, bv. hoe artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming (10) ten uitvoer wordt gelegd.>
BIJLAGE 1 bij het AANVRAAGFORMULIER VOOR EEN BEZOEK
|
ORGANISATION(S) OR INDUSTRIAL FACILITY(IES) TO BE VISITED |
|
1. NAME: ADDRESS: TELEPHONE NO: FAX NO: NAME OF POINT OF CONTACT: EMAIL: TELEPHONE NO: NAME OF SECURITY OFFICER OR SECONDARY POINT OF CONTACT: EMAIL: TELEPHONE NO: |
|
2. NAME: ADDRESS: TELEPHONE NO: FAX NO: NAME OF POINT OF CONTACT: EMAIL: TELEPHONE NO: NAME OF SECURITY OFFICER OR SECONDARY POINT OF CONTACT: EMAIL: TELEPHONE NO: (Continue as required) |
<Ruimte voor verwijzing naar de toepasselijke wetgeving inzake persoonsgegevens en link naar verplichte informatie voor de betrokkene, bv. hoe artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming (11 12) ten uitvoer wordt gelegd.>
BIJLAGE 2 bij het AANVRAAGFORMULIER VOOR EEN BEZOEK
|
PARTICULARS OF VISITOR(S) |
|
1. SURNAME: FIRST NAMES (as per passport): DATE OF BIRTH (dd/mm/yyyy):____/____/____ PLACE OF BIRTH: NATIONALITY: SECURITY CLEARANCE LEVEL: PP/ID NUMBER: POSITION: COMPANY/ORGANISATION: |
|
2. SURNAME: FIRST NAMES (as per passport): DATE OF BIRTH (dd/mm/yyyy):____/____/____ PLACE OF BIRTH: NATIONALITY: SECURITY CLEARANCE LEVEL: PP/ID NUMBER: POSITION: COMPANY/ORGANISATION: (Continue as required) |
<Ruimte voor verwijzing naar de toepasselijke wetgeving inzake persoonsgegevens en link naar verplichte informatie voor de betrokkene, bv. hoe artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming (11 12) ten uitvoer wordt gelegd.>
Aanhangsel D
INFORMATIEBLAD VOOR DE VEILIGHEIDSVERKLARING VOOR EEN VESTIGING (MODEL)
1. INLEIDING
|
1.1. |
Bijgevoegd is een model van een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging met het oog op de snelle uitwisseling van informatie tussen de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit, andere bevoegde nationale veiligheidsautoriteiten en de veiligheidsautoriteit van de Commissie (die optreedt namens de subsidieverlenende autoriteiten) met betrekking tot de veiligheidsverklaring voor een vestiging van een vestiging die betrokken is bij de aanvraag en uitvoering van gerubriceerde subsidies of subcontracten. |
|
1.2. |
Het informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging is alleen geldig indien het is afgestempeld door de bevoegde nationale veiligheidsautoriteit, de bevoegde aangewezen veiligheidsautoriteit of een andere bevoegde autoriteit. |
|
1.3. |
Het informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging is onderverdeeld in een rubriek aanvraag en een rubriek antwoord en kan worden gebruikt voor de bovengenoemde doeleinden of voor andere doeleinden waarvoor voor een bepaalde vestiging de status ‘veiligheidsverklaring voor een vestiging’ vereist is. De reden voor de aanvraag moet door de aanvragende nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit worden vermeld in veld 7 van de rubriek aanvraag. |
|
1.4. |
De gegevens in het informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging zijn normaal gesproken niet gerubriceerd; wanneer er een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging tussen de respectieve nationale veiligheidsautoriteiten/aangewezen veiligheidsautoriteiten/Commissie moet worden verzonden, moet dit dus bij voorkeur langs elektronische weg gebeuren. |
|
1.5. |
De nationale veiligheidsautoriteiten/aangewezen veiligheidsautoriteiten moeten alles in het werk stellen om binnen tien werkdagen te reageren op een aanvraag voor een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging. |
|
1.6. |
Indien er gerubriceerde informatie moet worden overgedragen of een subsidie of subcontract moet worden gegund in het kader van deze garantie, moet de nationale veiligheidsautoriteit of aangewezen veiligheidsautoriteit van afgifte daarvan in kennis worden gesteld. |
Procedures en instructies voor het gebruik van het informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging
Deze gedetailleerde instructies zijn bedoeld voor de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit dan wel de subsidieverlenende autoriteit en de veiligheidsautoriteit van de Commissie die het informatieblad aanvult. De aanvraag moet bij voorkeur in hoofdletters worden getypt.
|
OPSCHRIFT |
De aanvrager voegt de volledige naam van de nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit en de landnaam in. |
||||||||
|
De aanvragende subsidieverlenende autoriteit selecteert het juiste vak voor het type aanvraag voor een informatieblad voor de veiligheidsverklaring voor een vestiging. Vermeld ook het niveau van de aangevraagde veiligheidsverklaring. De volgende afkortingen moeten worden gebruikt:
|
||||||||
|
De velden 1 tot en met 6 spreken voor zich. In veld 4 moet de gestandaardiseerde tweeletterige landcode worden gebruikt. Veld 5 is facultatief. |
||||||||
|
Vermeld de specifieke reden voor de aanvraag, de projectindicatoren en het nummer van de oproep of de subsidie. Specificeer de behoefte aan opslagcapaciteit, het rubriceringsniveau van CIS enz. Alle uiterste datums/vervaldatums/gunningsdatums die gevolgen kunnen hebben voor het invullen van een veiligheidsverklaring voor een vestiging, moeten worden vermeld. |
||||||||
|
Vermeld de naam van de feitelijke aanvrager (namens de nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit), en de datum van de aanvraag in het formaat (dd/mm/jjjj). |
||||||||
|
Velden 1-5: selecteer de desbetreffende vakken. Veld 2: indien een veiligheidsverklaring voor een vestiging in behandeling is, is het raadzaam om de aanvrager een indicatie te geven van de behandelingstijd (indien bekend). Veld 6:
|
||||||||
|
Kan worden gebruikt voor aanvullende informatie over de veiligheidsverklaring voor een vestiging, de vestiging of de bovenstaande items. |
||||||||
|
Vermeld de naam van de autoriteit van afgifte (namens de nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit), en de datum van het antwoord in het formaat (dd/mm/jjjj). |
INFORMATIEBLAD VOOR DE VEILIGHEIDSVERKLARING VOOR EEN VESTIGING (MODEL)
Alle velden moeten worden ingevuld en het formulier moet worden ingediend via intergouvernementele kanalen of via kanalen tussen overheidsinstanties en internationale organisaties.
|
AANVRAAG VOOR EEN GARANTIE BETREFFENDE EEN VEILIGHEIDSVERKLARING VOOR EEN VESTIGING AAN: ____________________________________ (nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit —- landnaam) |
|||||||||||||||
|
Vul, voor zover van toepassing, de onderstaande antwoordvakken in.
Bevestig de juistheid van de onderstaande gegevens over de vestiging en breng zo nodig correcties/aanvullingen aan. |
|||||||||||||||
|
Correcties/Aanvullingen: |
||||||||||||||
|
… |
… |
||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
… |
… |
||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
… |
… |
||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
… |
… |
||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
… |
… |
||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
Aanvragende nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit/subsidieverlenende autoriteit: Naam: … |
Datum: (dd/mm/jjjj) … |
||||||||||||||
|
ANTWOORD (binnen tien werkdagen) |
|||||||||||||||
|
Hierbij wordt gecertificeerd dat:
|
|||||||||||||||
|
Nationale veiligheidsautoriteit/aangewezen veiligheidsautoriteit van afgifte Naam:… |
Datum:(dd/mm/jjjj)… |
||||||||||||||
<Ruimte voor verwijzing naar de toepasselijke wetgeving inzake persoonsgegevens en link naar verplichte informatie voor de betrokkene, bv. hoe artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming (13) ten uitvoer wordt gelegd.>
Aanhangsel E
Minimumvereisten voor de bescherming van als RESTREINT UE/EU RESTRICTED gerubriceerde EUCI in elektronische vorm die wordt behandeld in het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde
Algemeen
|
1. |
De begunstigde moet ervoor zorgen dat de bescherming van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED voldoet aan de minimale veiligheidsvereisten van deze beveiligingsclausules en aan alle andere aanvullende vereisten die door de subsidieverlenende autoriteit of, in voorkomend geval, de nationale veiligheidsautoriteit of de aangewezen veiligheidsautoriteit worden aanbevolen. |
|
2. |
Het is de verantwoordelijkheid van de begunstigde om de in dit document vastgestelde veiligheidsvereisten ten uitvoer te leggen. |
|
3. |
In dit document wordt onder een communicatie- en informatiesysteem verstaan alle apparatuur die wordt gebruikt voor de behandeling, opslag en overdracht van EUCI, met inbegrip van werkstations, printers, kopieerapparaten, faxapparaten, servers, netwerkbeheersystemen, netwerk- en communicatiecontrollers, laptops, notebooks, tablets, smartphones en verwijderbare opslagapparatuur zoals USB-sticks, cd’s, SD-kaarten enz. |
|
4. |
Speciale apparatuur, zoals encryptieproducten, moet worden beschermd conform specifieke operationele beveiligingsprocedures. |
|
5. |
De begunstigde moet een structuur opzetten voor het beveiligingsbeheer van het communicatie- en informatiesysteem waarin informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld, en een veiligheidsagent aanstellen voor de betrokken vestiging. |
|
6. |
Het gebruik van IT-oplossingen (hardware, software of diensten) die privé-eigendom zijn van personeel van de begunstigde voor de opslag of verwerking van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, is niet toegestaan. |
|
7. |
De homologatie van het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde waarin informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld, moet worden goedgekeurd door de veiligheidshomologatieautoriteit van de betrokken lidstaat of worden gedelegeerd aan de veiligheidsagent van de begunstigde, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving. |
|
8. |
Alleen informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED die met goedgekeurde encryptieproducten is versleuteld, mag worden behandeld, opgeslagen of overgedragen (per draad of draadloos), net als alle andere niet-gerubriceerde informatie in het kader van de subsidieovereenkomst. Dergelijke encryptieproducten moeten door de EU of een lidstaat worden goedgekeurd. |
|
9. |
Externe vestigingen die betrokken zijn bij onderhouds-/reparatiewerkzaamheden, moeten contractueel verplicht zijn te voldoen aan de toepasselijke bepalingen inzake de behandeling van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, zoals in dit document is vastgesteld. |
|
10. |
Op verzoek van de subsidieverlenende autoriteit of de betrokken nationale veiligheidsautoriteit, de aangewezen veiligheidsautoriteit of de veiligheidshomologatieautoriteit moet de begunstigde aantonen dat hij de beveiligingsclausules van de subsidieovereenkomst in acht neemt. Indien er tevens wordt verzocht om een audit en een inspectie van de processen en vestigingen van de begunstigde teneinde de inachtneming van deze vereisten te controleren, moeten de begunstigden toestaan dat vertegenwoordigers van de subsidieverlenende autoriteit, de nationale veiligheidsautoriteit, de aangewezen veiligheidsautoriteit en/of de veiligheidshomologatieautoriteit of de betrokken veiligheidsautoriteit van de EU een dergelijke audit en inspectie uitvoeren. |
Fysieke beveiliging
|
11. |
Ruimten waarin communicatie- en informatiesystemen worden gebruikt om informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED weer te geven, op te slaan, te verwerken of over te dragen of ruimten waarin er zich servers, netwerkbeheersystemen, netwerk- en communicatiecontrollers voor dergelijke communicatie- en informatiesystemen bevinden, moeten worden afgebakend als afzonderlijke en gecontroleerde ruimten met een passend toegangscontrolesysteem. De toegang tot deze afzonderlijke en gecontroleerde ruimten moet worden beperkt tot personen met een specifieke machtiging. Onverminderd punt 8 moet de in punt 3 beschreven apparatuur in dergelijke afzonderlijke en gecontroleerde ruimten worden opgeslagen. |
|
12. |
Er moeten beveiligingsmechanismen en/of -procedures worden toegepast om de invoering of de aansluiting van verwijderbare digitale opslagdragers (zoals USB-sticks, apparaten voor massaopslag of CD-RW's) op onderdelen van het communicatie- en informatiesysteem te regelen. |
Toegang tot het communicatie- en informatiesysteem
|
13. |
Toegang tot het communicatie- en informatiesysteem van een begunstigde waarin EUCI wordt behandeld, wordt verleend op grond van een strikte “noodzaak tot kennisname” en middels een machtiging voor het personeel. |
|
14. |
Voor alle communicatie- en informatiesystemen moeten er bijgewerkte lijsten van gemachtigde gebruikers zijn. Alle gebruikers moeten aan het begin van elke verwerkingssessie worden geauthenticeerd. |
|
15. |
Wachtwoorden, die deel uitmaken van de meeste identificatie- en authenticatiebeveiligingsmaatregelen, moeten minstens negen tekens lang zijn en moeten numerieke en “speciale” tekens (indien dit mogelijk is in het systeem) bevatten, alsmede alfabetische tekens. Wachtwoorden moeten minstens om de 180 dagen worden gewijzigd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden gewijzigd indien zij gecompromitteerd zijn of aan een niet-gemachtigde persoon zijn bekendgemaakt, of indien het vermoeden bestaat dat dit is gebeurd. |
|
16. |
Voor alle communicatie- en informatiesystemen moeten er interne toegangscontroles zijn om te voorkomen dat niet-gemachtigde gebruikers toegang krijgen tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED of deze informatie kunnen wijzigen en dat niet-gemachtigde gebruikers het systeem en de beveiligingscontroles kunnen wijzigen. Gebruikers moeten automatisch worden uitgelogd uit het communicatie- en informatiesysteem wanneer hun terminals gedurende een vooraf bepaalde periode inactief zijn, of het communicatie- en informatiesysteem moet een met een wachtwoord beveiligde screensaver activeren na 15 minuten inactiviteit. |
|
17. |
Elke gebruiker van het communicatie- en informatiesysteem moet een unieke gebruikersaccount en -naam krijgen. Gebruikersaccounts moeten automatisch worden geblokkeerd na ten minste vijf opeenvolgende mislukte inlogpogingen. |
|
18. |
Alle gebruikers van het communicatie- en informatiesysteem moeten worden gewezen op hun verantwoordelijkheden en op de procedures die moeten worden gevolgd om informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED in het communicatie- en informatiesysteem te beschermen. Deze verantwoordelijkheden en te volgen procedures moeten schriftelijk worden vastgelegd en door de gebruikers schriftelijk worden bevestigd. |
|
19. |
Operationele beveiligingsprocedures moeten beschikbaar zijn voor de gebruikers en beheerders en moeten beschrijvingen van de beveiligingsfuncties en de bijbehorende lijst van taken, instructies en plannen bevatten. |
Logboeken, audits en respons op incidenten
|
20. |
Elke toegang tot het communicatie- en informatiesysteem moet worden geregistreerd. |
|
21. |
De volgende gebeurtenissen moeten worden geregistreerd:
|
|
22. |
Voor alle hierboven genoemde gebeurtenissen moet ten minste de volgende informatie worden gerapporteerd:
|
|
23. |
Logboeken moeten voor een veiligheidsagent een hulpmiddel zijn bij het onderzoek van mogelijke veiligheidsincidenten. Zij kunnen ook worden gebruikt ter ondersteuning van gerechtelijke onderzoeken in het geval van een veiligheidsincident. Alle veiligheidsregisters moeten regelmatig worden gecontroleerd om mogelijke veiligheidsincidenten te identificeren. Logboeken moeten worden beschermd tegen ongeoorloofde vernietiging of wijziging. |
|
24. |
De begunstigde moet beschikken over een vaste responsstrategie voor het afhandelen van veiligheidsincidenten. Gebruikers en beheerders moeten worden geïnstrueerd hoe zij op incidenten moeten reageren, hoe zij incidenten moeten melden en wat zij moeten doen in een noodsituatie. |
|
25. |
De compromittering of vermoedelijke compromittering van informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED moet aan de subsidieverlenende autoriteit worden gemeld. De melding moet een beschrijving bevatten van de betrokken informatie en een beschrijving van de omstandigheden van de compromittering of vermoedelijke compromittering. Alle gebruikers van het communicatie- en informatiesysteem moeten op de hoogte worden gebracht van de wijze waarop zij elk daadwerkelijk of vermoedelijk veiligheidsincident aan de veiligheidsagent kunnen melden. |
Netwerken en koppeling
|
26. |
Wanneer een communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde waarin informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED wordt behandeld, gekoppeld is aan een communicatie- en informatiesysteem dat niet is gehomologeerd, is er sprake van een aanzienlijke verhoging van de dreiging voor de beveiliging van het communicatie- en informatiesysteem en van de informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED die in dat systeem wordt behandeld. Dit omvat koppelingen via het internet en andere openbare of particuliere communicatie- en informatiesystemen, zoals andere communicatie- en informatiesystemen die eigendom zijn van de begunstigde of subcontractant. In dat geval moet de begunstigde een risicobeoordeling uitvoeren om te bepalen welke extra veiligheidsvereisten er in het kader van de veiligheidshomologatieprocedure moeten worden nageleefd. De begunstigde verstrekt de subsidieverlenende autoriteit en, indien dit is vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, de bevoegde veiligheidshomologatieautoriteit een verklaring van overeenstemming, waarin wordt gecertificeerd dat het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde en de bijbehorende koppelingen zijn gehomologeerd voor de behandeling van EUCI met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED. |
|
27. |
Toegang op afstand tot lokale netwerkdiensten vanuit andere systemen (bv. toegang op afstand tot e-mail en systeemondersteuning op afstand) is verboden, tenzij er bijzondere beveiligingsmaatregelen worden toegepast en worden goedgekeurd door de subsidieverlenende autoriteit en, indien dit is vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, door de bevoegde veiligheidshomologatieautoriteit. |
Configuratiebeheer
|
28. |
Er moet een gedetailleerde hard- en softwareconfiguratie, zoals weergegeven in de homologatie-/goedkeuringsdocumentatie (met inbegrip van systeem- en netwerkdiagrammen), beschikbaar zijn en deze moet regelmatig worden bijgewerkt. |
|
29. |
De veiligheidsagent van de begunstigde moet de hard- en softwareconfiguratie controleren om zich ervan te vergewissen dat er geen ongeautoriseerde hard- of software is geïnstalleerd. |
|
30. |
Wijzigingen in de configuratie van het communicatie- en informatiesysteem van de begunstigde moeten worden beoordeeld op hun gevolgen voor de veiligheid en moeten worden goedgekeurd door de veiligheidsagent en, indien dit is vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, door de veiligheidshomologatieautoriteit. |
|
31. |
Het systeem moet ten minste eenmaal per kwartaal worden gescand op kwetsbaarheden in de beveiliging. Software voor de opsporing van malware moet worden geïnstalleerd en up-to-date worden gehouden. Indien mogelijk moet er voor deze software een nationale of erkende internationale goedkeuring zijn of anders moet deze software in overeenstemming zijn met een algemeen aanvaarde industrienorm. |
|
32. |
De begunstigde moet een bedrijfscontinuïteitsplan ontwikkelen. Er moeten back-upprocedures worden vastgesteld voor de volgende aspecten:
|
Cleaning en vernietiging
|
33. |
Communicatie- en informatiesystemen of gegevensopslagdragers waarop op enig moment informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED is bewaard, moeten op de volgende wijze worden gecleand voordat ze worden afgevoerd:
|
|
34. |
Informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED moet worden gecleand op alle gegevensdragers voordat deze worden verstrekt aan entiteiten die niet gemachtigd zijn om toegang te krijgen tot informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED (bv. voor onderhoudswerkzaamheden). |
(1) Dit model van het memorandum over de beveiligingsaspecten is van toepassing wanneer de Commissie wordt beschouwd als de bron van de gerubriceerde informatie die voor de uitvoering van de subsidieovereenkomst wordt gecreëerd en behandeld. Wanneer de Commissie niet de bron is van de gerubriceerde informatie die voor de uitvoering van de subsidieovereenkomst wordt gecreëerd en behandeld en wanneer door de aan de subsidie deelnemende lidstaten een specifiek beveiligingskader is opgezet, kunnen er andere modellen van het memorandum over de beveiligingsaspecten van toepassing zijn.
(2) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
(3) De subsidieverlenende autoriteit moet de referenties invoegen zodra deze uitvoeringsbepalingen zijn aangenomen.
(4) De subsidieverlenende autoriteit moet de referenties invoegen zodra deze uitvoeringsbepalingen zijn aangenomen.
(5) De partij die de homologatie wil verkrijgen, moet de subsidieverlenende autoriteit, via de veiligheidsautoriteit van de Commissie en in coördinatie met de desbetreffende nationale veiligheidshomologatieautoriteit, een verklaring van overeenstemming verstrekken.
(6) Wanneer de begunstigden afkomstig zijn uit lidstaten die veiligheidsverklaringen voor personeel en/of veiligheidsverklaringen voor een vestiging vereisen voor subsidies met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED, vermeldt de subsidieverlenende autoriteit in het memorandum over de beveiligingsaspecten deze vereisten inzake veiligheidsverklaringen voor de betrokken begunstigden.
(7) De subsidieverlenende autoriteit moet de referenties invoegen zodra deze uitvoeringsbepalingen zijn aangenomen.
(8) De subsidieverlenende autoriteit moet de referenties invoegen zodra deze uitvoeringsbepalingen zijn aangenomen.
(9) Indien er is overeengekomen dat bezoeken die toegang of mogelijke toegang behelzen tot EUCI met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET rechtstreeks kunnen worden geregeld, kan het ingevulde formulier rechtstreeks bij de veiligheidsagent van de te bezoeken vestiging worden ingediend.
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(11) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(12) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(13) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
BIJLAGE IV
Veiligheidsverklaring voor een vestiging en veiligheidsverklaring voor personeel voor begunstigden of subcontractanten die te maken krijgen met informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED en nationale veiligheidsautoriteiten/aangewezen veiligheidsautoriteiten die kennisgeving verlangen van gerubriceerde subsidieovereenkomsten van het niveau RESTREINT UE/EU RESTRICTED (1)
|
Lidstaat |
Veiligheidsverklaring voor een vestiging |
Kennisgeving aan de nationale veiligheidsautoriteit en/of de aangewezen veiligheidsautoriteit van subsidieovereenkomsten of subcontracten waarbij informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED gemoeid is |
Veiligheidsverklaring voor personeel |
|||
|
JA |
NEEN |
JA |
NEEN |
JA |
NEEN |
|
|
België |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Bulgarije |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Tsjechië |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Denemarken |
X |
|
X |
|
X |
|
|
Duitsland |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Estland |
X |
|
X |
|
|
X |
|
Ierland |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Griekenland |
X |
|
|
X |
X |
|
|
Spanje |
|
X |
X |
|
|
X |
|
Frankrijk |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Kroatië |
|
X |
X |
|
|
X |
|
Italië |
|
X |
X |
|
|
X |
|
Cyprus |
|
X |
X |
|
|
X |
|
Letland |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Litouwen |
X |
|
X |
|
|
X |
|
Luxemburg |
X |
|
X |
|
X |
|
|
Hongarije |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Malta |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Nederland |
X (alleen voor defensiegerelateerde subsidieovereenkomsten en subcontracten) |
|
X (alleen voor defensiegerelateerde subsidieovereenkomsten en subcontracten) |
|
|
X |
|
Oostenrijk |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Polen |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Portugal |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Roemenië |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Slovenië |
X |
|
X |
|
|
X |
|
Slowakije |
X |
|
X |
|
|
X |
|
Finland |
|
X |
|
X |
|
X |
|
Zweden |
|
X |
|
X |
|
X |
(1) Deze nationale voorschriften inzake een veiligheidsverklaring voor een vestiging/veiligheidsverklaring voor personeel en inzake kennisgeving voor subsidieovereenkomsten waarbij informatie met rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED gemoeid is, mogen geen extra verplichtingen opleggen aan andere lidstaten of aan begunstigden en subcontractanten die onder hun bevoegdheid vallen.
NB: De kennisgeving van subsidieovereenkomsten waarbij informatie met rubricering CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL en SECRET UE/EU SECRET gemoeid is, is verplicht.
BIJLAGE V
LIJST VAN DIENSTEN VAN NATIONALE VEILIGHEIDSAUTORITEITEN/AANGEWEZEN VEILIGHEIDSAUTORITEITEN DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR DE PROCEDURES INZAKE INDUSTRIËLE BEVEILIGING
BELGIË
|
National Security Authority |
|
FPS Foreign Affairs |
|
Rue des Petits Carmes 15 |
|
1000 Brussels |
Tel. +32 25014542 (Secretariat)
Fax +32 25014596
E-mail: nvo-ans@diplobel.fed.be
BULGARIJE
|
1. |
Tel. +359 29835775 Fax +359 29873750 E-mail: dksi@government.bg |
|
2. |
Tel. +359 29227002 Fax +359 29885211 E-mail: office@iksbg.org |
|
3. |
Tel. +359 29813221 Fax +359 29862706 E-mail: office@dar.bg |
|
4. |
Tel. +359 29824971 Fax +359 29461339 E-mail: dato@dato.bg |
(De bovengenoemde bevoegde autoriteiten passen de doorlichtingsprocedures toe voor de afgifte van veiligheidsverklaringen voor een vestiging aan rechtspersonen die een gerubriceerd contract willen sluiten, en voor de afgifte van veiligheidsverklaringen voor personeel aan personen die een gerubriceerd contract uitvoeren ten behoeve van deze autoriteiten)
|
5. |
Tel. +359 28147109 Fax +359 29632188, +359 28147441 E-mail: dans@dans.bg |
(De bovengenoemde veiligheidsdienst past de doorlichtingsprocedures toe voor de afgifte van veiligheidsverklaringen voor een vestiging en veiligheidsverklaringen voor personeel aan alle andere rechtspersonen en personen in het land die een gerubriceerd contract of een gerubriceerde subsidieovereenkomst willen sluiten of een gerubriceerd contract of een gerubriceerde subsidieovereenkomst uitvoeren)
TSJECHIË
|
National Security Authority |
|
Industrial Security Department |
|
PO BOX 49 |
|
150 06 Praha 56 |
Tel. +420 257283129
E-mail: sbr@nbu.cz
DENEMARKEN
|
1. |
Tel. +45 33148888 Fax +45 33430190 |
|
2. |
Tel. +45 33325566 Fax +45 33931320 |
DUITSLAND
|
1. |
Tel. +49 228996154028 Fax +49 228996152676 E-mail: dsagermany-rs3@bmwi.bund.de (office email address) |
|
2. |
Tel. +49 228996152401 Fax +49 228996152603 E-mail: rs2-international@bmwi.bund.de (office email address) |
|
3. |
Tel. +49 2289995826052 Fax +49 228991095826052 E-mail: NDAEU@bsi.bund.de |
ESTLAND
|
National Security Authority Department |
|
Estonian Foreign Intelligence Service |
|
Rahumäe tee 4B |
|
11316 Tallinn |
Tel. +372 6939211
Fax +372 6935001
E-mail: nsa@fis.gov.ee
IERLAND
|
National Security Authority Ireland |
|
Department of Foreign Affairs and Trade |
|
76-78 Harcourt Street |
|
Dublin 2 |
|
D02 DX45 |
Tel. +353 14082724
E-mail: nsa@dfa.ie
GRIEKENLAND
|
Hellenic National Defence General Staff |
|
E’ Division (Security INTEL, CI BRANCH) |
|
E3 Directorate |
|
Industrial Security Office |
|
227-231 Mesogeion Avenue |
|
15561 Holargos, Athens |
Tel. +30 2106572022, +30 2106572178
Fax +30 2106527612
E-mail: daa.industrial@hndgs.mil.gr
SPANJE
|
Autoridad Nacional de Seguridad |
|
Oficina Nacional de Seguridad |
|
Calle Argentona 30 |
|
28023 Madrid |
Tel. +34 912832583, +34 912832752, +34 913725928
Fax +34 913725808
E-mail: nsa-sp@areatec.com
Voor informatie over gerubriceerde programma's: programas.ons@areatec.com
Voor aangelegenheden met betrekking tot veiligheidsverklaringen voor personeel: hps.ons@areatec.com
Voor vervoerplannen en internationale bezoeken: sp-ivtco@areatec.com
FRANKRIJK
|
National Security Authority (NSA) (voor beleid en tenuitvoerlegging op andere gebieden dan de defensie-industrie) |
|
Secrétariat général de la défense et de la sécurité nationale |
|
Sous-direction Protection du secret (SGDSN/PSD) |
|
51 boulevard de la Tour-Maubourg |
|
75700 Paris 07 SP |
Tel. +33 171758193
Fax +33 171758200
E-mail: ANSFrance@sgdsn.gouv.fr
|
Designated Security Authority (voor tenuitvoerlegging in de defensie-industrie) |
|
Direction Générale de l’Armement |
|
Service de la Sécurité de Défense et des systèmes d’Information (DGA/SSDI) |
|
60 boulevard du général Martial Valin |
|
CS 21623 |
|
75509 Paris CEDEX 15 |
Tel. +33 988670421
E_mail: voor formulieren en uitgaande aanvragen voor een bezoek: dga-ssdi.ai.fct@intradef.gouv.fr
voor inkomende aanvragen voor een bezoek: dga-ssdi.visit.fct@intradef.gouv.fr
KROATIË
|
Office of the National Security Council |
|
Croatian NSA |
|
Jurjevska 34 |
|
10000 Zagreb |
Tel. +385 14681222
Fax +385 14686049
E-mail: NSACroatia@uvns.hr
ITALIË
|
Presidenza del Consiglio dei Ministri |
|
D.I.S. — U.C.Se. |
|
Via di Santa Susanna 15 |
|
00187 Roma |
Tel. +39 0661174266
Fax +39 064885273
CΥΡRUS
|
ΥΠΟΥΡΓΕΙΟ ΑΜΥΝΑΣ |
|
Εθνική Αρχή Ασφάλειας (ΕΑΑ) |
|
Λεωφόρος Στροβόλου, 172-174 |
|
Στρόβολος, 2048, Λευκωσία |
Tel. +357 22807569, +357 22807764
Fax +357 22302351
E-mail: cynsa@mod.gov.cy
|
Ministry of Defence |
|
National Security Authority (NSA) |
|
172-174, Strovolos Avenue |
|
2048 Strovolos, Nicosia |
Tel. +357 22807569, +357 22807764
Fax +357 22302351
E-mail: cynsa@mod.gov.cy
LETLAND
|
National Security Authority |
|
Constitution Protection Bureau of the Republic of Latvia |
|
P.O. Box 286 |
|
Riga LV-1001 |
Tel. +371 67025418, +371 67025463
Fax +371 67025454
E-mail: ndi@sab.gov.lv, ndi@zd.gov.lv
LITOUWEN
|
Lietuvos Respublikos paslapčių apsaugos koordinavimo komisija |
|
(The Commission for Secrets Protection Coordination of the Republic of Lithuania) |
|
National Security Authority |
|
Pilaitės pr. 19 |
|
LT-06264 Vilnius |
Tel. +370 70666128
E-mail: nsa@vsd.lt
LUXEMBURG
|
Autorité Nationale de Sécurité |
|
207, route d’Esch |
|
L-1471 Luxemburg |
Tel. +352 24782210
E-mail: ans@me.etat.lu
HONGARIJE
|
National Security Authority of Hungary |
|
H-1399 Budapest P.O. Box 710/50 |
|
H-1024 Budapest, Szilágyi Erzsébet fasor 11/B |
Tel. +36 13911862
Fax +36 13911889
E-mail: nbf@nbf.hu
MALTA
|
Director of Standardisation |
|
Designated Security Authority for Industrial Security |
|
Standards & Metrology Institute |
|
Malta Competition and Consumer Affairs Authority |
|
Mizzi House |
|
National Road |
|
Blata I-Bajda HMR9010 |
Tel.+356 23952000
Fax +356 21242406
E-mail: certification@mccaa.org.mt
NEDERLAND
|
1. |
Tel. +31 703204400 Fax +31 703200733 E-mail: nsa-nl-industry@minbzk.nl |
|
2. |
Tel. +31 704419407 Fax +31 703459189 E-mail: indussec@mindef.nl |
OOSTENRIJK
|
1. |
Tel. +43 153115202594 E-mail: isk@bka.gv.at |
|
2. |
E-mail: abwa@bmlvs.gv.at |
POLEN
|
Internal Security Agency |
|
Department for the Protection of Classified Information |
|
Rakowiecka 2A |
|
00-993 Warsaw |
Tel. +48 225857944
Fax +48 225857443
E-mail: nsa@abw.gov.pl
PORTUGAL
|
Gabinete Nacional de Segurança |
|
Serviço de Segurança Industrial |
|
Rua da Junqueira nr. 69 |
|
1300-342 Lisbon |
Tel. +351 213031710
Fax +351 213031711
E-mail: sind@gns.gov.pt, franco@gns.gov.pt
ROEMENIË
|
Oficiul Registrului Național al Informațiilor Secrete de Stat — ORNISS |
|
Romanian NSA — ORNISS — National Registry Office for Classified Information |
|
4th Mures Street |
|
012275 Bucharest |
Tel. +40 212075115
Fax +40 212245830
E-mail: relatii.publice@orniss.ro, nsa.romania@nsa.ro
SLOVENIË
|
Urad Vlade RS za varovanje tajnih podatkov |
|
Gregorčičeva 27 |
|
1000 Ljubljana |
Tel. +386 14781390
Fax +386 14781399
E-mail: gp.uvtp@gov.si
SLOWAKIJE
|
Národný bezpečnostný úrad |
|
(National Security Authority) |
|
Security Clearance Department |
|
Budatínska 30 |
|
851 06 Bratislava |
Tel. +421 268691111
Fax +421 268691700
E-mail: podatelna@nbu.gov.sk
FINLAND
|
National Security Authority |
|
Ministry for Foreign Affairs |
|
P.O. Box 453 |
|
FI-00023 Government |
E-mail: NSA@formin.fi
ZWEDEN
|
1. |
Tel. +46 84051000 Fax +46 87231176 E-mail: ud-nsa@gov.se |
|
2. |
Tel. +46 87824000 Fax +46 87826900 E-mail: security@fmv.se |