ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 415

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
10 december 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2012 van de Commissie van 5 augustus 2020 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 tot vaststelling van een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee, wat de toepassingsperiode ervan betreft

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2013 van de Commissie van 21 augustus 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische maatregelen voor bepaalde demersale en pelagische visserijen in de Noordzee en de zuidwestelijke wateren

3

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 van de Commissie van 21 augustus 2020 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor de periode 2021-2023

10

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2015 van de Commissie van 21 augustus 2020 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de westelijke wateren voor de periode 2021‐2023

22

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2016 van de Commissie van 9 december 2020 tot wijziging van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk, Guernsey, Man en Jersey ( 1 )

39

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2017 van de Commissie van 9 december 2020 tot wijziging van deel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland ( 1 )

43

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2018 van de Commissie van 9 december 2020 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Mozzarella di Gioia del Colle (BOB))

46

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/2019 van de Commissie van 9 december 2020 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 8984)  ( 1 )

53

 

 

REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

 

*

Besluit van de Europese Ombudsman van 9 november 2020 betreffende interne regels voor de beperking van bepaalde rechten van betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens

81

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van de definitieve vaststelling (EU, Euratom) 2020/1776 van gewijzigde begroting nr. 7 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 ( PB L 401 van 30.11.2020 )

87

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2020/1633 van de Commissie van 27 oktober 2020 tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van azinfos-methyl, bentazon, dimethomorf, fludioxonil, flufenoxuron, oxadiazon, fosalone, pyraclostrobin, afweermiddel: tallolie en teflubenzuron in of op bepaalde producten ( PB L 367 van 5.11.2020 )

88

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1097 van de Commissie van 24 juli 2020 tot verlening van een vergunning voor luteïnerijke en luteïne/zeaxanthine-extracten van Tagetes erecta als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor mest- en legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en voor minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden ( PB L 241 van 27.7.2020 )

89

 

*

Rectificatie van Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit ( PB L 210 van 6.8.2008 )

90

 

*

Rectificatie van Besluit (EU) 2020/1814 van de Commissie van 28 juni 2019 betreffende steunmaatregel SA.33846 — (2015/C) (ex 2014/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Finland ten gunste van Helsingin Bussiliikenne Oy (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3152) ( PB L 404 van 2.12.2020 )

91

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2012 VAN DE COMMISSIE

van 5 augustus 2020

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 tot vaststelling van een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee, wat de toepassingsperiode ervan betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden. In de Middellandse Zee is de verplichting ook van toepassing op soorten waarvoor de in bijlage IX bij Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgenomen minimuminstandhoudingsreferentiegrootten gelden.

(2)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is de aanlandingsverplichting met ingang van 1 januari 2015 van toepassing op de kleine pelagische visserij.

(3)

Om onevenredig hoge kosten in verband met ongewenste vangsten te voorkomen, is het ingevolge Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 (3) van de Commissie toegestaan een klein percentage van de vangsten van soorten waarvoor minimuminstandhoudingsreferentiegrootten gelden, terug te gooien. De verordening voorziet in een gecombineerde de-minimisvrijstelling die geldt voor kleine pelagische visserijen die gebruikmaken van pelagische trawls en/of ringzegens en vissen op ansjovis, sardine, makrelen en horsmakrelen in geografische deelgebieden van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11.1, 11.2, en 12 (westelijke deel van de Middellandse Zee); 17 en 18 (Adriatische Zee); en 15, 16, 19, 20, 22, 23 en 25 (zuidoostelijk deel van de Middellandse Zee).

(4)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 is van toepassing tot en met 31 december 2020.

(5)

In mei 2020 hebben de Pescamed-groep op hoog niveau van lidstaten in het westelijke deel van de Middellandse Zee (Spanje, Frankrijk en Italië), de Adriatica-groep op hoog niveau in de Adriatische Zee (Kroatië, Italië en Slovenië) en de Sudestmed-groep op hoog niveau in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee (Griekenland, Italië, Cyprus en Malta), die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de kleine pelagische visserij in de Middellandse Zee, wetenschappelijke gegevens verstrekt en verzocht de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 vastgelegde de-minimisvrijstelling te verlengen.

(6)

In mei 2020 zijn de ingediende wetenschappelijke gegevens beoordeeld door een deskundigenwerkgroep van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), die van mening was dat voor de verlenging van de de-minimisvrijstelling aanvullend bewijs nodig was, met name betreffende de omvang van de teruggooi die in de betrokken visserijen wordt gerapporteerd.

(7)

In juni 2020 hebben de drie groepen op hoog niveau van de lidstaten als antwoord op de opmerkingen van de deskundigenwerkgroep van het WTECV aanvullende gegevens ingediend. In het licht van die aanvullende gegevens heeft het WTECV geconcludeerd (4) dat is voldaan aan de wetenschappelijke criteria voor de verlenging van de uit hoofde van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 verleende de-minimisvrijstelling.

(8)

De in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 vastgestelde de-minimisvrijstelling is van toepassing op verscheidene soorten die door kleinschalige vissersvaartuigen tegelijk en in sterk wisselende hoeveelheden worden gevangen en op veel verschillende, geografisch langs de kust gespreide aanlandingspunten worden aangeland, hetgeen een eenbestandsbenadering bemoeilijkt [?]. Die soorten zijn onderworpen aan de in bijlage IX bij Verordening (EU) 2019/1241 opgenomen minimuminstandhoudingsreferentiegrootten.

(9)

Er is betere informatie verstrekt over de onevenredig hoge kosten in verband met ongewenste vangsten en de niveaus van ongewenste vangsten. Het WTECV wijst er echter op dat de gegevensverzameling over teruggooi nog moet worden verbeterd. In deze context en om onevenredig hoge kosten in verband met ongewenste vangsten en een onderbreking van de betrokken visserijactiviteiten en de daarmee samenhangende economische activiteiten te voorkomen, acht de Commissie het passend de toepassingsperiode van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 vastgelegde de-minimisvrijstelling te verlengen.

(10)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Ter wille van de rechtszekerheid, en omdat Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 op 31 december 2020 verstrijkt, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 wordt de tweede alinea vervangen door het volgende:

“Zij is van toepassing tot en met 31 december 2023 ”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 augustus 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 van de Commissie van 23 oktober 2017 tot vaststelling van een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee (PB L 30 van 2.2.2018, blz. 1).

(4)  Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF) Evaluation of Joint Recommendations on the Landing Obligation and on the Technical Measures Regulation (STECF-20-04) [Evaluatie van de gezamenlijke aanbevelingen inzake de aanlandingsverplichting en de verordening technische maatregelen door het WTECV]. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2020, https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf/d71aef4f-7366-48cb-9cdb-afcf58565ee6


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/3


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2020

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische maatregelen voor bepaalde demersale en pelagische visserijen in de Noordzee en de zuidwestelijke wateren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (1), en met name artikel 2, lid 2, artikel 10, lid 4, en artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 14 augustus 2019 is een nieuwe Verordening (EU) 2019/1241 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen in werking getreden. Bijlage I bij die verordening bevat een lijst van verboden soorten, bijlage V specifieke bepalingen betreffende op regionaal niveau vastgestelde technische maatregelen voor de Noordzee en bijlage VII specifieke bepalingen betreffende op regionaal niveau vastgestelde technische maatregelen voor de zuidwestelijke wateren.

(2)

Krachtens artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 is de Commissie bevoegd om op grond van artikel 15 en overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen tot wijziging van die verordening vast te stellen door te bepalen dat de desbetreffende bepalingen van artikel 13 of de delen A of C van de bijlagen V tot en met X ook van toepassing zijn op de recreatievisserij.

(3)

Krachtens artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) 2019/1241 is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijst van verboden soorten in bijlage I te wijzigen.

(4)

Krachtens artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 29 van die verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de in de bijlagen bij Verordening (EU) 2019/1241 vermelde technische maatregelen te wijzigen, aan te vullen, in te trekken of daarvan af te wijken, ook bij de uitvoering van de aanlandingsverplichting.

(5)

Bijlage I bevat de lijst van verboden soorten. Bijlage V en bijlage VII bij Verordening (EU) 2019/1241 bevatten specifieke technische maatregelen voor respectievelijk de Noordzee en de zuidwestelijke wateren.

(6)

België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zweden hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in de Noordzee. Na raadpleging van de adviesraad voor de Noordzee en de adviesraad voor pelagische bestanden hebben die lidstaten op 4 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling voor een gedelegeerde handeling ingediend.

(7)

België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in de zuidwestelijke wateren. Na raadpleging van de adviesraad voor de zuidwestelijke wateren en de adviesraad voor pelagische bestanden hebben die lidstaten op 4 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling voor een gedelegeerde handeling ingediend.

(8)

Deze verordening beoogt de opneming in een enkele handeling van bestaande bepalingen betreffende technische maatregelen die in het verleden zijn vastgesteld in het kader van de teruggooiplannen voor de Noordzee en de zuidwestelijke wateren, en van nieuwe technische maatregelen.

(9)

Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie heeft het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) een positieve beoordeling gegeven van het door de regionale groepen verstrekte bewijsmateriaal ter ondersteuning van de in beide gezamenlijke aanbevelingen vervatte technische maatregelen (3).

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 2, lid 2, en de artikelen 10, 15 en 18 van Verordening (EU) 2019/1241. De lidstaten hebben bewijsmateriaal verstrekt om aan te tonen dat de voorstellen in overeenstemming zijn met artikel 15, leden 4 en 5, van Verordening (EU) 2019/1241.

(11)

De deskundigengroep visserij is op 28 juli 2020 geraadpleegd over de gezamenlijke aanbeveling. Het Europees Parlement heeft de vergadering bijgewoond als waarnemer.

(12)

In de gezamenlijke aanbeveling van de lidstaten met een belang in de Noordzee (GA Noordzee) werd voorgesteld kreeften met eitjes op te nemen in de lijst van soorten in bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1241, die niet mogen worden bevist, aan boord gehouden, overgeladen, aangeland, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden. Het WTECV heeft het door de lidstaten overgelegde bewijsmateriaal geanalyseerd en is tot de conclusie gekomen dat er overtuigend bewijs is om de invoering van die maatregel te steunen. Het WTECV merkte op dat in andere gebieden soortgelijke maatregelen zijn getroffen die op lange termijn economische voordelen hebben opgeleverd, door een toename van de aanlandingen van kreeft als gevolg van het herstel van de bestanden. De voorgestelde maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(13)

In de GA Noordzee werd voorgesteld de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor zeekreeft te verhogen in de Zweedse exclusieve economische zone (EEZ) van ICES-sector 3a. Het WTECV wees erop dat de maatregel, ondanks het ontbreken van specifiek bewijsmateriaal voor dit verzoek, een verhoging inhoudt van de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte. Door de maatregel zal het bestand met een lagere intensiteit worden geëxploiteerd, wat onmiskenbare voordelen oplevert voor de instandhouding ervan. De voorgestelde maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(14)

In de GA Noordzee werd ook voorgesteld de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor in de recreatievisserij gevangen zeebaars in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 te harmoniseren met de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van zeebaars voor de commerciële visserij, zoals opgenomen in artikel 10, lid 5, van Verordening (EU) 2020/123 van de Raad (4). In WTECV‐20‐04 merkte het WTECV op dat, aangezien de recreatievisserij de algemene visserijsterfte in de hand werkt, het een positieve beheersmaatregel is om de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor de commerciële visserij ook toe te passen op de recreatievisserij. De voorgestelde maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(15)

In de GA Noordzee werd verder voorgesteld een aantal aanvullende technische maatregelen die de Unie en Noorwegen in 2011 (5) en 2012 (6) overeengekomen zijn, voort te zetten. Sommige van die specifieke technische maatregelen zijn reeds opgenomen in bijlage V bij Verordening (EU) 2019/1241; andere zijn op grond van artikel 15, lid 5, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor de jaren 2019‐2021 opgenomen in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie (7). Die maatregelen zijn erop gericht de selectiviteit te vergroten en ongewenste vangsten voor onder de aanlandingsverplichting vallende visserijen of soorten te beperken, en moeten worden opgenomen in bijlage V bij Verordening (EU) 2019/1241. De maatregelen moeten derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(16)

In de GA Noordzee werd ook voorgesteld het bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 toegestane gebruik van SepNep-netten voort te zetten. Het WTECV concludeerde dat de overgelegde informatie gedetailleerd en geloofwaardig was, en de doeltreffendheid van het SepNep-net werd bewezen. Het net is de voorbije jaren door het WTECV onderzocht en de conclusie van het comité blijft geldig (8). Op basis van de verstrekte informatie concludeerde het WTECV ook dat het SepNep-net in overeenstemming is met artikel 15, lid 5, van Verordening (EU) 2019/1241 als een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening in het kader van de technische bepalingen die zijn vastgesteld voor gerichte visserij op langoustine, en niet zal leiden tot een verzwakking van de selectiviteitsnormen. De maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(17)

In de GA Noordzee werd ook een seizoensgebonden sluiting voor de commerciële visserij en de recreatievisserij op zeekreeft voorgesteld in de Zweedse exclusieve economische zone (EEZ) van ICES-sector 3a. Het WTECV heeft het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal geanalyseerd en opgemerkt dat, hoewel er geen specifieke ondersteunende informatie was verstrekt waardoor het potentiële voordeel kon worden gekwantificeerd, de maatregel tot een verlaging van de visserijsterfte zal leiden, wat in combinatie met de andere voorgestelde maatregelen waarschijnlijk positieve gevolgen zal hebben voor de kreeftenbestanden. De voorgestelde maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(18)

In de GA Noordzee werd voorgesteld om de kreeftenvisserij met ander vistuig dan korven te verbieden in de Zweedse exclusieve economische zone (EEZ) van ICES-sector 3a. Het WTECV concludeerde dat, hoewel er geen specifieke ondersteunende informatie was verstrekt waardoor het potentiële voordeel kon worden gekwantificeerd, een verbod op het gebruik van kieuwnetten voor de gerichte vangst van kreeften en langoesten in andere gebieden positieve gevolgen heeft gehad en dat de maatregel waarschijnlijk voordelig zal zijn voor de kreeftenbestanden. De maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(19)

In de gezamenlijke aanbeveling van de lidstaten met een belang in de zuidwestelijke wateren (GA zuidwestelijke wateren) werd voorgesteld de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van horsmakreel die wordt gevangen door de kleine, ambachtelijke xávega-visserij in ICES-sector 8c en ICES-deelgebied 9, zoals momenteel opgenomen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie (9), te handhaven. Het WTECV verwees naar zijn vorige beoordeling, waarin deze maatregel positief werd beoordeeld, en concludeerde (10) dat het historische exploitatiepatroon van het bestand waarschijnlijk niet door het voorstel zal worden gewijzigd als de in de gezamenlijke aanbeveling vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. Aangezien de voorwaarden van het verzoek niet zijn gewijzigd en het WTECV heeft vastgesteld dat het exploitatiepatroon gedurende ten minste twintig jaar stabiel is gebleven, moet deze maatregel in deze verordening worden opgenomen.

(20)

In de GA zuidwestelijke wateren werd voorgesteld de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor de volgende soorten die in het kader van de recreatievisserij in de zuidwestelijke wateren worden gevangen, te harmoniseren met de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor de commerciële visserij: schelvis, zwarte koolvis, witte koolvis, heek, schartong, tong, schol, wijting, leng, blauwe leng, makreel, haring, horsmakreel, ansjovis en sardine. In de gezamenlijke aanbeveling werden hogere minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor kabeljauw, rode zeebrasem en zeebaars voor de recreatievisserij voorgesteld. Het WTECV heeft het overgelegde bewijsmateriaal geanalyseerd en geconcludeerd (11) dat, aangezien de recreatievisserij de algemene visserijsterfte in de hand werkt, het een positieve beheersmaatregel is om de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor de commerciële visserij ook toe te passen op de recreatievisserij. De maatregel moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(21)

Om de exploitatiepatronen te optimaliseren, de selectiviteit van het vistuig te verhogen en ongewenste vangsten te beperken, is het derhalve aangewezen de door de lidstaten ingediende technische maatregelen vast te stellen.

(22)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Aangezien sommige technische maatregelen die in het kader van de teruggooiplannen zijn vastgesteld, eind 2020 aflopen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2019/1241 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan bijlage I wordt het volgende punt toegevoegd:

“q)

vrouwelijke zeekreeft met eitjes (Homarus gammarus) in de ICES-sectoren 3a, 4a en 4b.”.

2)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

de volgende rij wordt aan de tabel toegevoegd:

“Zeekreeft (Homarus gammarus)

90 mm (carapaxlengte) in de Zweedse exclusieve economische zone van ICES-sector 3a”

ii)

onder de tabel wordt het volgende punt ingevoegd:

“1.

De in dit deel gespecificeerde minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de Noordzee en zeekreeft (Homarus gammarus) in de Zweedse exclusieve economische zone van het Skagerrak en het Kattegat (ICES-sector 3a) zijn van toepassing op de recreatievisserij.”;

b)

aan deel B worden de volgende punten toegevoegd:

“1.3.

In afwijking van de specificaties in de tabel mag bij de visserij op Noordse garnaal in het Skagerrak (ICES-sector 3a) een visretentiesysteem worden gebruikt, mits er toereikende vangstmogelijkheden voor de bijvangst zijn en het retentiesysteem:

een bovenpaneel heeft met vierkante mazen met een maaswijdte van ten minste 120 mm;

ten minste 3 meter lang is, en

ten minste even breed is als het sorteerrooster.

1.4.

Het gebruik van een SepNep-net (**) als bedoeld in bijlage I bij deze verordening, wordt toegestaan als een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening voor de gerichte visserij op langoustine (Nephrops norvegicus).

(**)  SepNep-net: een ottertrawl die:

een maaswijdte tussen 80 en 99 +≥ 100 mm heeft;

meerdere kuilen heeft met een maaswijdte tussen minstens 80 en 120 mm, die zijn bevestigd aan een enkele tunnel, waarbij de bovenkuil een maaswijdte van minstens 120 mm heeft en is uitgerust met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 105 mm, en

ook kan zijn uitgerust met een optioneel selectierooster met een afstand van minstens 17 mm tussen de spijlen, mits dit zodanig is vervaardigd dat kleine langoustines kunnen ontsnappen.”;

"

c)

aan deel C wordt het volgende punt toegevoegd:

“7.

Maatregelen voor zeekreeft in ICES-sector 3a

7.1.

In de Zweedse exclusieve economische zone van ICES-sector 3a mag zeekreeft (Homarus gammarus) alleen met korven (FPO) worden bevist.

De korf moet ten minste twee cirkelvormige ontsnappingsopeningen hebben met een diameter van ten minste 60 mm, die zich in het onderste gedeelte van elk compartiment van de korf bevinden. Kreeften die incidenteel met ander vistuig worden gevangen, moeten ongedeerd worden gelaten en onmiddellijk in zee worden teruggezet.

7.2.

Het is verboden zeekreeft (Homarus gammarus) in de Zweedse exclusieve economische zone van ICES-sector 3a te bevissen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen:

a)

in de commerciële visserij, in de periode van 1 januari tot en met de eerste maandag na 20 september;

b)

in de recreatievisserij, in de periode van 1 december tot en met de eerste maandag na 20 september.

Zeekreeften die incidenteel gedurende die perioden worden gevangen, moeten ongedeerd worden gelaten en onmiddellijk in zee worden teruggezet.”.

3)

Deel A van bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

a)

in voetnoot 7 wordt de eerste zin vervangen door:

“De minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor horsmakreel (Trachurus spp.) die in ICES-sector 8c en ICES-deelgebied 9 wordt gevangen, bedraagt 12 cm voor 5 % van de respectieve quota van Spanje en Portugal in die gebieden. Binnen die limiet van 5 % mag 1 % van het quotum van Portugal een grootte hebben van minder dan 12 cm als het gevangen is in het kader van de traditionele, vanaf het strand uitgeoefende “xávega”-zegenvisserij in ICES-sector 9a.”;

b)

onder de tabel wordt het volgende punt ingevoegd:

“1.

De in dit deel gespecificeerde minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor schelvis (Melanogrammus aeglefinus), zwarte koolvis (Pollachius virens), witte koolvis (Pollachius pollachius), heek (Merluccius merluccius), schartong (Lepidorhombus spp.), tong (Solea spp.), schol (Pleuronectes platessa), wijting (Merlangius merlangus), leng (Molva molva), blauwe leng (Molva dipterygia), makreel (Scomber spp.), haring (Clupea harengus), horsmakreel (Trachurus spp.), ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) zijn van toepassing op de recreatievisserij in de zuidwestelijke wateren. In ICES-deelgebied 8 zijn voor de recreatievisserij evenwel de volgende minimuminstandhoudingsreferentiegrootten van toepassing op de volgende soorten:

Kabeljauw (Gadus morhua)

42 cm

Rode zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

40 cm

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

42 cm”

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf, blz. 165‐169 (Noordzee) en 219‐220 (zuidwestelijke wateren).

(4)  Verordening (EU) 2020/123 van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 25 van 30.1.2020, blz. 1).

(5)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen Noorwegen en de Europese Unie inzake de reglementering van de visserij in het Skagerrak en het Kattegat voor 2012.

(6)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen de Europese Unie en Noorwegen over maatregelen voor de uitvoering van een teruggooiverbod en controlemaatregelen in het Skagerrakgebied, 4 juli 2012.

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie van 1 oktober 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020‐2021 (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 34).

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 31).

(10)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1471816/STECF+16-10+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf, blz. 86‐87.

(11)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2660523/STECF+PLEN+20-01.pdf, blz. 154‐155.


BIJLAGE

Specificaties SepNep-net

Image 1

Bovenkuil (viskuil)

Minimale maaswijdte 120 mm (tussen knopen)

Maximaal 80 mazen in de rondte (inclusief naden)

Onderkuil (langoustinekuil)

Minimale maaswijdte 80 mm (tussen knopen)

Maximaal 110 mazen in de rondte (inclusief naden)

Scheidingspaneel

Alle zijden van het scheidingspaneel moeten aan het trawlnet worden bevestigd, zodat de vissen/langoustines alleen in het onderste compartiment van het trawlnet kunnen komen via de mazen van het paneel. Het paneel moet grote vissen naar de ingang van de bovenkuil leiden. De aanzet van het paneel moet worden bevestigd aan de onderzijde van het trawlnet.

Maximale maaswijdte 105 mm (tussen knopen)

Minimumlengte van het paneel 100 mazen

Achterzijde van het paneel maximaal 16 mazen breed

De voorzijde van het paneel mag niet breder zijn dan 88 % van de breedte van het trawlnet. Dat komt bijvoorbeeld overeen met 2 paneelmazen (105 mm) bij 3 trawlmazen (80 mm).

o

Voor een efficiënte werking van het paneel wordt dubbel geknoopt Dyneema aanbevolen.

o

Drijvers die aan de onderzijde van het paneel worden bevestigd, doen de aanzet stijgen, waardoor de langoustines beter worden gezeefd.

Sorteerrooster (optioneel)

Het rooster moet rondom worden bevestigd aan het netmateriaal van de kuil of de tunnel rond het rooster, waardoor de onderkuil alleen toegankelijk is via de bovenste opening van het rooster.

De minimale afstand tussen de spijlen bedraagt 17 mm.

Het rooster moet in een hoek van 40° tot 90° worden geplaatst; 45° wordt aanbevolen.

De ingang van de onderkuil moet zich in het bovenste gedeelte van het rooster bevinden.

De verticale ingang naar de onderkuil mag niet meer dan 35 % bedragen van de gezamenlijke lengte van de verticale spijlopeningen en de opening naar de onderkuil.

Een verzwaard touwengordijn (72 g/m, touwdiameter 6 mm) wordt bevestigd aan de bovenzijde van de tunnel van de onderkuil, ten minste 4 mazen vóór het onderste gedeelte van het rooster.

Het verzwaarde touwengordijn moet net door het onderste stukje van de spijlen van het rooster reiken.

Image 2


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/10


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2014 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2020

tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor de periode 2021-2023

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (1), en met name artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet in de vaststelling van meerjarenplannen met instandhoudingsmaatregelen voor de visserij op bepaalde bestanden in een bepaald geografisch gebied. In deze meerjarenplannen worden nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting vastgelegd en kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om die bepalingen verder uit te werken op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(3)

Bij Verordening (EU) 2018/973 is een meerjarenplan vastgesteld voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren. Krachtens artikel 11 van die verordening is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door nadere bepalingen vast te stellen inzake de aanlandingsverplichting voor alle bestanden van soorten in de Noordzee waarop de aanlandingsverplichting van toepassing is krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, zoals bepaald in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van die verordening op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(4)

Zoals omschreven in Verordening (EU) 2018/973, omvat de Noordzee de sectoren 2a, 3a en deelgebied 4 van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee).

(5)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie (3) zijn nadere bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021, op basis van een gezamenlijke aanbeveling van België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk (4), die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de visserij in de Noordzee.

(6)

Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee en de adviesraad voor pelagische bestanden hebben België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Zweden op 4 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend tot vaststelling van een teruggooiplan voor pelagische en demersale soorten in de Noordzee voor de periode 2021-2023. Op 23 juli 2020 hebben de lidstaten een herziene versie van de gezamenlijke aanbeveling ingediend.

(7)

De ter zake relevante wetenschappelijke instanties hebben wetenschappelijke bijdragen geleverd, die werden beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (5). De Commissie heeft de betrokken maatregelen op 28 juli 2020 gepresenteerd aan een deskundigengroep bestaande uit vertegenwoordigers van de 27 lidstaten, in een vergadering die door het Europees Parlement als waarnemer werd bijgewoond.

(8)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met de beoordeling door het WTECV en met het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting. De regionale groep van lidstaten heeft het merendeel van haar verzoeken om de-minimisvrijstellingen gebaseerd op een mogelijke stijging van de kosten als gevolg van de behandeling van ongewenste vangsten. De informatie die de lidstaten in dit verband hebben verstrekt, is verbeterd. Het WTECV merkt echter op dat het verbeteren van de gegevensverzameling in sommige gevallen nodig blijft en dat het verbeteren van de selectiviteit prioriteit zou moeten hebben om de hoeveelheid ongewenste vangsten te verminderen. Daarom zullen de vrijstellingen in dergelijke gevallen per geval worden verleend voor één of twee jaar. De lidstaten moeten aanvullende gegevens verstrekken afkomstig van lopende proeven en wetenschappelijke studies.

(9)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor vangsten van langoustines met korven in de ICES-sectoren 2a, 3a en in ICES-deelgebied 4, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en concludeerde (6) dat de vrijstelling gerechtvaardigd is. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(10)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van langoustines in ICES-deelgebied 4 en de ICES-sectoren 2a en 3a met bodemtrawls, waaronder sommige met een selectiviteitsvoorziening. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het nieuwe, door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (7) dat er aanvullende informatie was verstrekt voor de ottertrawlvisserij op Nephrops aan de oostkust, zoals het WTECV had verzocht (8). Het WTECV heeft in voorgaande jaren geconcludeerd dat de ondersteunende informatie robuust was en dat de in de context van de grotere vloten gebruikte valideringstechniek redelijk was (9). Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(11)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte (MCRS) met ottertrawls in ICES-sector 4c, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. De lidstaten hebben de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee verzocht de vrijstelling voort te zetten. Het bewijsmateriaal is in voorgaande jaren door het WTECV beoordeeld en toereikend bevonden (10). Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(12)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden in de visserij met korven en fuiken, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren geëvalueerd en concludeerde (11) dat de beschikbare gegevens erop wijzen dat de sterfte van teruggegooide vis waarschijnlijk laag is; de werkelijke vangsten in de visserij zijn echter verwaarloosbaar. De vrijstelling moet van toepassing blijven, aangezien de vangsten niet significant zijn en de omstandigheden niet zijn veranderd.

(13)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol in de visserij met kieuwnetten en schakelnetten in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (12) dat de informatie redelijk was en op aanzienlijk hoge overlevingskansen wees. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling in deze verordening worden behouden.

(14)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol in de visserij met Deense zegens in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (13) dat de gegevens van de studie over de overlevingspercentages betrouwbaar zijn. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(15)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol in de visserij op platvis of rondvis met trawls met een maaswijdte van ten minste 120 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. In de gezamenlijke aanbeveling werd ook verzocht om een nieuwe vrijstelling op grond van hoge overlevingskansen voor vangsten van schol met trawls met een maaswijdte van 100-119 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben aanvullend wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de hoge overlevingskansen van teruggegooide schol in die visserij aan te tonen. Het WTECV merkte op dat de ondersteunende studies zijn uitgevoerd met een maaswijdte van 90 mm; daarom is het onwaarschijnlijk dat de overlevingspercentages lager zijn met een maaswijdte van ten minste 100 mm. Aangezien het seizoen en de blootstelling aan de lucht belangrijke factoren zijn voor de overleving van schol en dat de overlevingspercentages na 60 minuten blootstelling aan de lucht lager kunnen zijn, moeten de vrijstellingen in deze verordening worden opgenomen en moeten ongewenste vangsten van schol onmiddellijk worden vrijgelaten.

(16)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstellingen voor:

de vangst van schol met trawls met een minimale maaswijdte van 90-99 mm uitgerust met seltra-panelen, bij gerichte vangsten van platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-sector 3a;

de vangst van schol met trawls met een minimale maaswijdte van 80-99 mm, bij gerichte vangsten van platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4.

(17)

De lidstaten verzochten deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal op basis van lopende studies. Het WTECV merkte op (14) dat verbeteringen in de definitie om de visserij op platvis en rondvis te onderscheiden van de visserij op Nephrops nodig blijven. De Commissie merkte op dat de lidstaten zich er in de gezamenlijke aanbeveling toe verbonden verdere werkzaamheden te verrichten in dit verband. Deze vrijstelling moet derhalve worden behouden.

(18)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van schol die kleiner zijn dan de MCRS, met boomkorren van 80-119 mm (BT2) in ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4:

voor vangsten van schol met vistuig dat is uitgerust met de “flip-up”-kabel of met het ontsnappingspaneel voor benthos (BRP) of voor vangsten door vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW;

voor vangsten van schol met vaartuigen van lidstaten ter uitvoering van de routekaart voor de volledig gedocumenteerde visserij;

voor vangsten van platvis met boomkorren (BT2) en door vaartuigen met een motorvermogen van niet meer dan 221 kW of een lengte over alles van minder dan 24 m, die zijn gebouwd om te vissen in de twaalfmijlszone, indien de gemiddelde trawlduur minder dan negentig minuten bedraagt.

(19)

De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuw bewijsmateriaal in. Het WTECV merkte op (15) dat er omvangrijke onderzoeksprojecten lopen die nuttige informatie over deze vrijstelling zouden moeten opleveren. Daarom moeten deze vrijstellingen worden behouden. De lidstaten moeten de relevante gegevens die afkomstig zijn van de lopende projecten zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 mei van elk jaar indienen. De Commissie merkt ook op dat de lidstaten zich er in de gezamenlijke aanbeveling toe hebben verbonden om uiterlijk op 1 mei 2021 bij het jaarverslag een tijdschema voor de voltooiing van de routekaart in te dienen.

(20)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van tarbot met TBB-tuig met een maaswijdte in de kuil van meer dan 80 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuwe wetenschappelijke informatie in. Het WTECV merkte op (16) dat het onduidelijk is of de verstrekte ramingen van de overleving op dit verzoek van toepassing zijn. De Commissie merkt op dat de lidstaten in de gezamenlijke aanbeveling hebben toegezegd verder onderzoek te verrichten om de overleving van teruggegooide tarbot te observeren en meer gedetailleerde informatie te verstrekken over de overlevingskansen in een nieuw wetenschappelijk project, dat loopt tot eind 2021. Daarom moet deze vrijstelling worden behouden tot en met 31 december 2022. De lidstaten moeten elk jaar uiterlijk op 1 mei een jaarverslag over de voortgang van de lopende werkzaamheden indienen.

(21)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor de vangst van roggen met alle soorten vistuig in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuwe wetenschappelijke informatie in. Het WTECV concludeerde (17) dat er aanzienlijke inspanningen zijn geleverd om de ontbrekende gegevens aan te vullen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de routekaart. Die vrijstelling moet derhalve worden behouden. Er zijn echter verbeteringen in de gegevensverzameling vereist. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende wetenschappelijke informatie verstrekken, met name voor grootoogroggen, waarvan is vastgesteld dat zij een lager overlevingspercentage hebben. De Commissie merkt op dat de lidstaten, op verzoek van het WTECV, in de gezamenlijke aanbeveling hebben toegezegd verslag uit te brengen over de overeengekomen routekaart, waaronder over grootoogroggen.

(22)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 van de Commissie (18) voorzag onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van makreel en haring in de ringzegenvisserijen na een positieve evaluatie door het WTECV (19). Uit deze studie bleek dat de overlevingspercentages afhangen van de tijd gedurende welke de vissen worden samengedrukt en van hun dichtheid in het net, die in deze visserijen doorgaans beperkt zijn. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling worden behouden. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten uiterlijk op 1 mei 2022 geactualiseerde gegevens over de visserij indienen.

(23)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte de-minimisvrijstellingen voor:

tong gevangen met schakel- en kieuwnetten in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4;

tong gevangen met bepaalde met een Vlaams paneel uitgeruste boomkorren in ICES-deelgebied 4;

gecombineerde vangsten van tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector 3a;

gecombineerde vangsten van tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector 3a;

wijting die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector 3a;

schol die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-deelgebied 4;

alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en die worden gevangen met bepaalde boomkorren in de ICES-sectoren 4b en 4c;

schol die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-deelgebied 4.

(24)

De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft dat bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (20) , (21) , (22) dat in de door de lidstaten ingediende documenten met gefundeerde argumenten wordt aangetoond dat verdere verbeteringen van de selectiviteit moeilijk te realiseren zijn of met onevenredige kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten gepaard gaan. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, is het passend de de-minimisvrijstellingen te behouden, rekening houdend met het percentage en de nodige wijzigingen als voorgesteld in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(25)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor wijting en kabeljauw gevangen met bodemtrawls in ICES-sector 4c. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft deze vrijstelling in voorgaande jaren geëvalueerd (23) en de vrijstelling werd verleend op grond van het feit dat het moeilijk was de selectiviteit te verbeteren. Gezien de huidige status van kabeljauw (24) merkte het WTECV in zijn verslag 20-04 echter op dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om het niveau van de ongewenste vangsten te verlagen. De vrijstelling moet daarom worden verleend voor een jaar en de lidstaten met een belang bij deze visserij moeten uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende informatie over de vangstsamenstelling indienen voor de beoordeling door het WTECV.

(26)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor wijting en kabeljauw onder de MCRS gevangen met bodemtrawls of zegens in de ICES-deelgebieden 4a en 4b. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en merkte op dat er een nieuwe studie loopt, maar dat verbeteringen van het verstrekte bewijsmateriaal nodig blijven. Gezien de huidige status van kabeljauw (25) merkte het WTECV in zijn verslag 20-04 op dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om het niveau van de ongewenste vangsten te verlagen. De vrijstelling moet derhalve voor twee jaar worden verleend en alleen voor wijting tegen een verminderd percentage.

(27)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor vangsten van wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte door vaartuigen die vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV merkte op (26) dat er bewijs van hogere kosten is. De lidstaten wezen op een potentieel verstikkingsrisico voor deze visserij, alsook op lopende studies over de toepassing van selectiviteitsmaatregelen die nuttige informatie over deze vrijstelling zouden moeten verschaffen. Het WTECV merkte echter op dat de verstrekte informatie beperkt is en alleen betrekking heeft op de Nederlandse vloot. De vrijstelling dient derhalve voor één jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2021 verder bewijsmateriaal over onevenredige kosten en verbeteringen van de selectiviteit indienen.

(28)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 bevatte een de-minimisvrijstelling voor makreel, horsmakreel, haring en wijting gevangen door trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die gebruikmaken van pelagische trawls in de ICES-sectoren 4b en 4c ten zuiden van 54 graden noorderbreedte. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (27) dat het redelijk is ervan uit te gaan dat het moeilijk zou zijn extra verbeteringen van de selectiviteit te realiseren en dat de kosten voor het sorteren van vangsten hoog zouden zijn gezien de aard van de betrokken visserijen. Het WTECV merkte echter op dat er beperkte nieuwe informatie is verstrekt en dat de lidstaten aanvullend kwantitatief bewijsmateriaal ter ondersteuning van de de-minimisvrijstelling moeten verstrekken. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie verstrekken voor beoordeling door het WTECV.

(29)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 is een de-minimisvrijstelling verleend voor een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting in de demersale visserij met trawls in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (28) dat het redelijk is ervan uit te gaan dat het moeilijk zou zijn extra verbeteringen van de selectiviteit te realiseren en dat de kosten voor het sorteren van vangsten hoog zouden zijn gezien de aard van de betrokken visserijen. Het WTECV merkte echter op dat verdere kwantitatieve gegevens nodig waren om de vrijstelling te ondersteunen. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 geactualiseerde wetenschappelijke gegevens en passende ondersteunende informatie verstrekken.

(30)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor leng gevangen met beuglijnen in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft de door de lidstaten ingediende informatie geëvalueerd en concludeerde (29) dat de gepresenteerde informatie weliswaar beperkt is, maar dat de argumenten met betrekking tot moeilijkheden bij het verbeteren van de selectiviteit geloofwaardig zijn. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken.

(31)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 zijn de-minimisvrijstellingen verleend voor vangsten van makreel en horsmakreel met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal onderzocht en concludeerde (30) dat er aanwijzingen zijn voor hogere kosten in verband met de behandeling en opslag van ongewenste vangsten, maar dat de verstrekte informatie beperkt was tot bepaalde gebieden en vloten. De vrijstelling moet derhalve voor twee jaar worden verleend en van toepassing zijn op die gebieden en vloten. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken.

(32)

De gezamenlijke aanbeveling bevatte een nieuwe de-minimisvrijstelling voor blauwe wijting in de industriële pelagische trawlvisserij. Het WTECV heeft het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (31) dat er beperkte informatie was ter ondersteuning van de stelling dat selectiviteit moeilijk te realiseren is en dat de behandeling van ongewenste vangsten met onevenredige kosten gepaard gaat. Het WTECV merkte echter op dat het, gezien de technische en sanitaire kenmerken van de betrokken fabriekstrawler, moeilijk zou zijn om aanvullende selectiviteitsverbeteringen te realiseren. De vrijstelling moet gedurende twee jaar worden verleend met het oog op de aanpassing aan andere zeegebieden en om de lidstaten voldoende tijd te geven om de door het WTECV geïdentificeerde discrepanties in de gegevens op te helderen. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie verstrekken.

(33)

Met het oog op betrouwbare ramingen van de teruggooiniveaus voor de vaststelling van de totale toegestane vangsten moeten de lidstaten, wanneer de de-minimisvrijstelling is gebaseerd op extrapolatie van situaties met weinig beschikbare gegevens en op gedeeltelijke vlootinformatie, nauwkeurige en controleerbare gegevens verstrekken voor de gehele onder deze vrijstelling vallende vloot.

(34)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en met Verordening (EU) 2018/973, en met name artikel 11, en kunnen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(35)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2018/973 wordt de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen betreffende de aanlandingsverplichting vast te stellen aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 5 augustus 2018. Het is dan ook passend om de gevolgen van de op overlevingskansen gebaseerde en de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting opnieuw te evalueren.

(36)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 moet worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen. De artikelen 11 en 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 voorzien echter in technische maatregelen om de selectiviteit van het vistuig te vergroten en ongewenste vangsten in het Skagerrak te verminderen, en om het gebruik van SepNep-netten toe te staan. Deze maatregelen moeten van toepassing blijven tot het einde van 2021, zoals aanvankelijk was bepaald in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238, of totdat een overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (32) vast te stellen gedelegeerde handeling in die technische maatregelen voorziet.

(37)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van toepassing worden met ingang van 1 januari 2021,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) is voor de periode 2021-2023 de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting overeenkomstig deze verordening van toepassing op demersale en pelagische visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

“selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat;

2.

“Vlaams paneel” het achterste trechtervormige netgedeelte van een boomkor, waarvan:

de achterkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd;

het bovenste en het onderste netgedeelte een maaswijdte van ten minste 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen;

de lengte in gestrekte toestand ten minste 3 meter bedraagt;

3.

“ontsnappingspaneel voor benthos”: een paneel uit netwerk met grotere mazen of vierkante mazen dat is bevestigd in het onderpaneel van een trawl, gewoonlijk een boomkor, om bentisch materiaal en zeebodemafval te lozen voordat het in de kuil terechtkomt;

4.

“SepNep”: een ottertrawl die:

een maaswijdte tussen 80 en 99 + ≥ 100 mm heeft;

meerdere kuilen heeft met een maaswijdte tussen minstens 80 en 120 mm, die zijn bevestigd aan een enkele tunnel, waarbij de bovenste kuil een maaswijdte van minstens 120 mm heeft en is uitgerust met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 105 mm, en

ook kan zijn uitgerust met een optioneel selectierooster met een afstand van minstens 17 mm tussen de staven, mits dit zodanig is vervaardigd dat kleine langoustines kunnen ontsnappen.

Artikel 3

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor langoustines

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor de volgende vangsten van langoustines (Nephrops norvegicus):

a)

vangsten met korven (FPO (33));

b)

vangsten met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met:

i)

een kuil van ten minste 80 mm, of

ii)

een kuil met een maaswijdte van ten minste 70 mm die is uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven.

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 4

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tong

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen is van toepassing op vangsten van tong (Solea solea) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met ottertrawls (OTB) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm in de Uniewateren van ICES-sector 4c, binnen zes zeemijl uit de kust maar buiten de bekende kraamgebieden.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is alleen van toepassing voor vaartuigen met een lengte van ten hoogste 10 meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW die vissen in wateren met een diepte van maximaal 30 meter tijdens een trek van niet langer dan negentig minuten.

3.   Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 5

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten met korven en fuiken van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en die worden gevangen met korven en fuiken (FPO, FYK) in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4.

2.   Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze vis onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor:

a)

schol (Pleuronectes platessa) die wordt gevangen met netten (GNS, GTR, GTN, GEN);

b)

schol die wordt gevangen met Deense zegens;

c)

schol die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB; PTB):

i)

met een minimale maaswijdte van 120 mm wanneer gericht wordt gevist op platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-sector 3a en deelgebied 4;

ii)

met een maaswijdte van 90-119 mm uitgerust met een seltra-paneel met een bovenpaneel met een maaswijdte van 140 mm (vierkante mazen), met een maaswijdte van 270 mm (ruitvormige mazen) of een maaswijdte van 300 mm (vierkante mazen), waarmee wordt gevist op platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-sector 3a;

iii)

met een maaswijdte van 80-119 mm, bij gerichte vangsten van platvis of rondvis in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4.

2.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de schol onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 7

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm (BT2), voor vangsten van schol:

a)

met vistuig dat is uitgerust met de “flip-up”-kabel of met het ontsnappingspaneel voor benthos (BRP) of voor vangsten door vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW, of

b)

met vaartuigen van lidstaten ter uitvoering van de routekaart voor de volledig gedocumenteerde visserij.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is ook van toepassing op vangsten van platvis met boomkorren (BT2) door vaartuigen met een motorvermogen van niet meer dan 221 kW of een lengte over alles van minder dan 24 m, die zijn gebouwd om te vissen in de twaalfmijlszone, indien de gemiddelde trawlduur minder dan negentig minuten bedraagt.

3.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in de leden 1 en 2 vastgestelde vrijstellingen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.

4.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig de leden 1 en 2 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 8

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tarbot

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 voor vangsten van tarbot (Scophthalmus maximus) met boomkorren met een kuil van ten minste 80 mm (TBB).

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.

3.   Bij de teruggooi van tarbot die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tarbot onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 9

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van roggen met alle soorten vistuig in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4).

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie, in het bijzonder voor grootoogroggen, in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.

3.   Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de roggen onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 10

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor makreel en haring in de ringzegenvisserijen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van makreel en haring in de ringzegenvisserijen in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4), indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vangst wordt vrijgelaten voordat de ringzegen tot een bepaald percentage (vastgesteld in de leden 2 en 3 hieronder) is gesloten (“het punt van ophaling”);

b)

de ringzegen is voorzien van zichtbare boeien die duidelijk de grens voor het punt van ophaling markeren;

c)

het vaartuig en de ringzegen zijn uitgerust met een elektronisch registratie- en documentatiesysteem om te documenteren wanneer, waar en in welke mate de ringzegen is ingezet voor alle visserijactiviteiten.

2.   Het punt van ophaling in de makreelvisserij is bij 80 % sluiting van de ringzegen en in de haringvisserij bij 90 % sluiting van de ringzegen.

3.   Indien de ingesloten school uit beide soorten bestaat, is het punt van ophaling bij 80 % sluiting van de ringzegen.

4.   Het is verboden vangsten makreel en haring vrij te laten na het punt van ophaling.

5.   De ingesloten school vissen wordt bemonsterd vóór de vrijlating om de soortensamenstelling, de groottesamenstelling en de hoeveelheid te ramen.

6.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 bewijsmateriaal in ter rechtvaardiging van de noodzaak om deze vrijstelling voort te zetten.

Artikel 11

De-minimisvrijstellingen voor pelagische en demersale visserijen

In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 4, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

1)

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a en 3a en ICES-deelgebied 4) vissen met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF):

een hoeveelheid tong onder en boven de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

2)

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 80-119 mm uitgerust met een Vlaams paneel:

een hoeveelheid tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

3)

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, Noordse garnaal, kabeljauw, zwarte koolvis en heek uitmaakt;

4)

in de visserij op Noordse garnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT) met een maaswijdte van ten minste 35 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven en met een vrije uitlaat voor de vis:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, schol, zwarte koolvis, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, indien deze bestaat, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, Noordse garnaal, heek, kever, grote zilvervis, haring en blauwe wijting uitmaakt;

5)

in de visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van 90-119 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel met een bovenpaneel met een maaswijdte van 140 mm (vierkante mazen), met een maaswijdte van 270 mm (ruitvormige mazen) of met een maaswijdte van 300 mm (vierkante mazen), of met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm:

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte tot ten hoogste 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong, schol en heek;

6)

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm uitgerust met een SepNep:

een hoeveelheid schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die ten hoogste 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van zwarte koolvis, schol, schelvis, wijting, kabeljauw, Noordse garnaal, tong en langoustines uitmaakt;

(7)

in de visserij op Noordzeegarnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met boomkorren:

een hoeveelheid van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die in 2021 en 2022 niet meer dan 6 % en in 2023 niet meer dan 5 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van alle soorten in die visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden;

8)

in de demersale visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen op leng met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm:

een hoeveelheid leng onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die visserij uitmaakt;

9)

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 4c vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2):

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2021. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2021;

10)

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4a en 4b vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2):

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van wijting uitmaakt;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

11)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm:

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van schol en tong uitmaakt;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2021. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2021;

12)

in pelagische visserijen op makreel, horsmakreel en haring in de ICES-sectoren 4b en 4c ten zuiden van 54 graden noorderbreedte door pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die gebruikmaken van pelagische trawls (OTM/PTM):

een gecombineerde hoeveelheid makreel, horsmakreel, haring en wijting die niet meer dan 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van makreel, horsmakreel, haring en wijting uitmaakt;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

13)

in de demersale gemengde visserij met trawls (OTB, OTM, OTT, PTB, PTM, SDN, SPR, SSC, TB, TBN) met een maaswijdte van meer dan 80 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4, en in de visserij op Noordse garnaal waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig met een sorteerrooster met een afstand van 19 mm tussen de staven of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening en van een visretentiesysteem met een maaswijdte van meer dan 35 mm in ICES-sector 3a en 32 mm in ICES-deelgebied 4:

een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting die niet meer bedraagt dan 1 % van de totale jaarlijkse vangsten in de gemengde demersale visserij en in de visserij op Noordse garnaal;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

14)

in de demersale visserij op heek door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 met beuglijnen (LLS) vissen:

een hoeveelheid leng (Molva molva) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die demersale visserij uitmaakt;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

15)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2):

een hoeveelheid horsmakreel (Trachurus spp.), die niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel in die visserij;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

16)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2):

een hoeveelheid makreel (Scomber scombrus), die niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van makreel in die visserij;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

17)

in de industriële pelagische trawlvisserij op blauwe wijting in ICES-deelgebied 4, waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis;

een hoeveelheid blauwe wijting (Micromesistius poutassou), die niet meer dan 5 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van blauwe wijting;

de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

Artikel 12

Intrekkings- en overgangsbepalingen

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

De artikelen 11 en 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 blijven evenwel van toepassing tot en met 31 december 2021 of, indien dat eerder is, totdat een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 vast te stellen gedelegeerde handeling van toepassing wordt.

Artikel 13

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 1 tot en met 11 zijn van toepassing van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie van 1 oktober 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021 (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 34).

(4)  Het Verenigd Koninkrijk is sinds 1 februari 2020 geen lidstaat meer.

(5)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf

(6)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(7)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf

(9)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(10)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(11)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1780485/STECF+PLEN+17-02.pdf

(12)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(13)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(14)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(15)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(16)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(17)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(18)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde kleine pelagische visserijen en visserijen voor industriële doeleinden in de Noordzee (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 35).

(19)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(20)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(21)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(22)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf

(23)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf/d7110d8a-c4da-498c-8b30-98d0b5c2fc22

(24)  http://ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2020/2020/cod.27.47d20.pdf

(25)  http://ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2020/2020/cod.27.47d20.pdf

(26)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(27)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(28)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(29)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(30)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(31)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(32)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

(33)  De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn vastgesteld in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan tien meter zijn de vistuigcodes waarvan in deze verordening gebruik wordt gemaakt, vastgesteld in de vistuigindeling van de FAO.


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/22


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2015 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2020

tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de westelijke wateren voor de periode 2021‐2023

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 van de Raad (1), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet in de vaststelling van meerjarenplannen met instandhoudingsmaatregelen voor de visserij op bepaalde bestanden in een bepaald geografisch gebied.

(3)

In dergelijke meerjarenplannen worden nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting vastgelegd en kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om die bepalingen verder uit te werken op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(4)

Bij Verordening (EU) 2019/472 is een meerjarenplan vastgesteld voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. Uit hoofde van artikel 13 van die verordening is de Commissie bevoegd om, op basis van gezamenlijke aanbevelingen van lidstaten, gedelegeerde handelingen vast te stellen om die verordening aan te vullen door overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nadere bepalingen vast te leggen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor alle bestanden van soorten in de westelijke wateren waarop de aanlandingsverplichting van toepassing is krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(5)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 van de Commissie (3) zijn nadere bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2020‐2021, op basis van een gezamenlijke aanbeveling van België, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk (4), die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de visserij in de noordwestelijke wateren.

(6)

Na overleg met de adviesraad voor de noordwestelijke wateren en de adviesraad voor pelagische bestanden hebben België, Spanje, Frankrijk, Ierland en Nederland op 5 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor bepaalde visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2021‐2023. De lidstaten hebben de gezamenlijke aanbeveling herzien op 29 juli 2020.

(7)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 van de Commissie (5) zijn nadere bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2020‐2021, op basis van een gezamenlijke aanbeveling van België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal, die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de visserij in de zuidwestelijke wateren.

(8)

Na overleg met de adviesraad voor de zuidwestelijke wateren en de adviesraad voor pelagische bestanden op 24 april 2020 hebben België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal op 5 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor bepaalde visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2021‐2023. De lidstaten hebben de gezamenlijke aanbeveling herzien op 16 juli 2020.

(9)

De ter zake relevante wetenschappelijke instanties hebben wetenschappelijke bijdragen geleverd, die werden beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (6). De Commissie heeft de betrokken maatregelen op 28 juli 2020 gepresenteerd aan een deskundigengroep bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, in een vergadering die door het Europees Parlement als waarnemer werd bijgewoond.

(10)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met de beoordeling door het WTECV en met het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting. In verschillende gevallen is nieuw bewijsmateriaal ingediend, maar het WTECV heeft geoordeeld dat er verbeteringen van de verstrekte informatie nodig zijn. In die gevallen is het passend vrijstellingen toe te kennen op tijdelijke basis. Door de visserijactiviteiten voort te zetten, zal de gegevensverzameling verbeteren en wordt tegemoetgekomen aan de overwegingen van het WTECV.

(11)

De regionale groepen van lidstaten hebben het merendeel van hun verzoeken om de-minimisvrijstellingen gebaseerd op een mogelijke stijging van de kosten als gevolg van de behandeling van ongewenste vangsten. De informatie die de lidstaten in dit verband hebben verstrekt, is verbeterd. Het WTECV merkt echter op dat het nodig blijft de gegevensverzameling te verbeteren en dat het verbeteren van de selectiviteit prioriteit zou moeten hebben om de hoeveelheid ongewenste vangsten te verminderen. Daarom moeten de vrijstellingen in dergelijke gevallen per geval worden verleend voor één of twee jaar. De lidstaten moeten aanvullende gegevens verstrekken afkomstig van lopende proeven en wetenschappelijke studies.

(12)

De volgende op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstellingen van de aanlandingsverplichting moeten van toepassing zijn op de noordwestelijke wateren.

(13)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor vangsten van langoustines met korven, vallen of kubben in de door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) begrensde deelgebieden 6 en 7. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en concludeerde (7) dat de vrijstelling gerechtvaardigd is. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(14)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustines gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte van 100 mm of meer en voor langoustines gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte van 70‐99 mm in combinatie met selectieve vistuigopties (TR1- en TR2-visserij) in ICES-deelgebied 7. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelde in voorgaande jaren het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal en concludeerde (8) dat het met een seltra-trawl verrichte overlevingsonderzoek voldoende gegevens opleverde, maar dat het totale effect op de extensieve visserij op langoustines met ander vistuig moeilijk te beoordelen blijft. Het WTECV merkte op dat, als ervan wordt uitgegaan dat voor alle vistuigen een relatief hoog overlevingspercentage geldt, het teruggooipercentage in deze visserij wellicht relatief laag is. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling derhalve worden behouden met specifieke bepalingen inzake vistuig in het beschermingsgebied in de Keltische Zee, en in de Ierse Zee.

(15)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustines die in ICES-sector 6a, binnen twaalf zeemijl uit de kust, worden gevangen met ottertrawls met een maaswijdte van 80‐110 mm in combinatie met selectieve vistuigopties. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (9) dat de overlevingsstudie robuust is en op een relatief hoog overlevingspercentage wijst. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(16)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte (“MCRS”) en met ottertrawls met een maaswijdte van 80‐99 mm wordt gevangen in ICES-sector 7d binnen zes zeemijl uit de kust, maar buiten de bekende kraamgebieden. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft in voorgaande jaren het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en concludeerde (10) dat het bewijsmateriaal toereikend was. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(17)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor roggen die in de ICES-deelgebieden 6 en 7 met om het even welk vistuig worden gevangen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het nieuwe bewijsmateriaal dat door de lidstaten is ingediend, geanalyseerd en concludeerde (11) dat de overleving varieert tussen soorten en visserijen. Het WTECV merkte op dat er projecten lopen die nuttige informatie over deze vrijstelling zouden moeten opleveren. Deze conclusie geldt voor grootoogroggen (Leucoraja naevus). Het WTECV merkte op dat het bewijsmateriaal op lagere overlevingspercentages voor grootoogroggen wees. De lidstaten moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende wetenschappelijke informatie indienen die van deze studies afkomstig is.

(18)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 is een vrijstelling op basis van overlevingskansen verleend voor schol gevangen in de ICES-sectoren 7a tot en met 7k door vaartuigen met een maximaal motorvermogen van 221 kW of een maximale lengte van 24 meter, die vissen met boomkorren binnen twaalf zeemijl uit de kust tijdens trekken van niet meer dan negentig minuten en door vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW die vissen met boomkorren die zijn uitgerust met een touwschot of een ontsnappingspaneel voor benthos. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het nieuwe bewijsmateriaal dat door de lidstaten is ingediend, geanalyseerd en concludeerde (12) dat de ramingen van de overlevingspercentages van de teruggooi variëren tussen visreizen en dat het bewijsmateriaal ontoereikend was voor de ICES-sectoren 7h, 7j, en 7k. In die omstandigheden moet de vrijstelling voor schol enkel in de ICES-sectoren 7a tot en met 7g worden behouden. De betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei van elk jaar bewijsmateriaal indienen. De Commissie merkt ook op dat de lidstaten zich er in de gezamenlijke aanbeveling toe hebben verbonden om uiterlijk op 1 mei 2021 bij het volgende jaarverslag een tijdschema voor de voltooiing van de overeengekomen routekaart in te dienen.

(19)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte vrijstellingen op basis van overlevingskansen voor schol die met schakelnetten of ottertrawls in de ICES-sectoren 7d tot en met 7g wordt gevangen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (13) dat de overlevingsstudie robuust is en op een relatief hoog overlevingspercentage wijst. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(20)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 voorzag in een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor schol die met Deense zegens in ICES-sector 7d wordt gevangen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV analyseerde in voorgaande jaren het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal en concludeerde (14) dat de gegevens van de studie over de overlevingspercentages betrouwbaar zijn en ramingen opleveren die op robuuste overlevingskansen voor die visserij wijzen. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(21)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor soorten die met korven, vallen en kubben in de noordwestelijke wateren (de ICES-deelgebieden 5, 6 en 7) worden gevangen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de hoge overlevingspercentages bij teruggooi voor in die visserij gevangen soorten aan te tonen. Het WTECV analyseerde het bewijsmateriaal in voorgaande jaren en concludeerde (15) dat de soorten die in het kader van de visserij met vallen en korven worden teruggegooid, veel kans blijken te hebben om te overleven. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet deze vrijstelling worden behouden.

(22)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 van de Commissie (16) voorzag onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van makreel en haring met ringzegens in ICES-deelgebied 6. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV evalueerde het ondersteunende bewijsmateriaal in voorgaande jaren en concludeerde (17) dat de overlevingspercentages afhangen van de tijd gedurende welke de vissen worden samengedrukt en van hun dichtheid in het net, die in deze visserijen doorgaans beperkt zijn. Aangenomen dat de resultaten van de overlevingsstudie representatief zijn voor de overlevingspercentages bij commerciële visserijactiviteiten, bedraagt het aandeel vrijgelaten makreel dat overleeft waarschijnlijk circa 70 %, zo concludeerde de WTECV. De dichtheden zouden ook lager zijn dan de dichtheid waarbij een stijging van de sterfte van haring is waargenomen. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet deze vrijstelling in deze verordening worden behouden.

(23)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van makreel en haring in de visserij met ringnetten op pelagische soorten waarvoor geen quota gelden in de ICES-sectoren 7e en 7f. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren verstrekte bewijsmateriaal onderzocht en concludeerde (18) dat de overlevingspercentages waarschijnlijk vergelijkbaar zijn met die van de ringzegenvisserij en dat het ondersteunende bewijsmateriaal vergelijkbaar was met het bewijsmateriaal ter rechtvaardiging van andere vrijstellingen in vorige teruggooiplannen. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling worden behouden.

(24)

De volgende op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstellingen van de aanlandingsverplichting moeten van toepassing zijn op de zuidwestelijke wateren.

(25)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een vrijstelling van de aanlandingsverplichting voor in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met bodemtrawls gevangen langoustines en voor met het ambachtelijke vistuig “voracera” in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft de vrijstelling voor langoustine in de voorgaande jaren geëvalueerd en concludeerde (19) dat het bewijsmateriaal robuust was. Voor zeebrasem heeft het WTECV in eerdere beoordelingen (20) geconcludeerd dat de studies redelijk solide wetenschappelijk bewijs vormden voor de overleving van zeebrasem. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moeten deze twee vrijstellingen worden behouden.

(26)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor roggen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met alle soorten vistuig worden gevangen. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (21) dat er aanzienlijke inspanningen werden geleverd om de ontbrekende gegevens aan te vullen en dat er nog verscheidene projecten lopen. Er zijn echter verbeteringen in de gegevensverzameling vereist. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullend wetenschappelijk bewijsmateriaal afkomstig van de lopende projecten indienen. De vrijstelling moet derhalve worden behouden.

(27)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 voorzag in een vrijstelling voor grootoogroggen die met schakelnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 en met bodemtrawls in ICES-deelgebied 8 worden gevangen. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal geanalyseerd en merkte op (22) dat er een aanzienlijke inspanning is geleverd om de ontbrekende gegevens aan te vullen en dat er een aanzienlijk aantal projecten loopt. Er zijn echter verbeteringen in de gegevensverzameling vereist. Aangezien de overlevingspercentages voor grootoogroggen in het verleden lager zijn gebleken dan voor andere roggen, moet de vrijstelling worden behouden tot en met 31 december 2022 voor grootoogroggen die met schakelnetten worden gevangen in de ICES-deelgebieden 8 en 9 en tot en met 31 december 2021 voor grootoogroggen die met bodemtrawls worden gevangen in ICES-deelgebied 8. De lidstaten moeten zo snel mogelijk aanvullende wetenschappelijke informatie afkomstig van de lopende projecten indienen.

(28)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 is een vrijstelling op basis van overlevingskansen verleend voor met het ambachtelijke vistuig “voracera” in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem en voor met haken en lijnen in de ICES-deelgebieden 8 en 10 en in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Er zijn echter verbeteringen in de gegevensverzameling vereist. Het WTECV merkte op (23) dat verscheidene wetenschappelijke projecten die voor de periode 2019‐2020 waren gepland, niet werden uitgevoerd wegens beperkingen in verband met het verkrijgen van materiaal. De vrijstelling kan worden verleend tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie ter ondersteuning van de vrijstelling indienen.

(29)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie (24) bevatte een vrijstelling op basis van hoge overlevingskansen voor vangsten van ansjovis, horsmakreel en makreel in ambachtelijke ringzegenvisserijen (PS), mits het net niet volledig wordt binnengehaald. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV merkte op (25) dat het bewijsmateriaal op hoge overlevingspercentages voor ansjovis, horsmakreel en makreel wees wanneer de tijd gedurende welke de vissen worden samengedrukt tijdens de ontsnappingsprocedure naar raming minder dan vijf minuten bedraagt, wat de geraamde samendrukkingstijd onder reële visserijomstandigheden is. Daarom moet de vrijstelling worden behouden.

(30)

De volgende de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting moeten van toepassing zijn op de noordwestelijke wateren.

(31)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft in voorgaande jaren het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal beoordeeld en concludeerde (26) dat de argumenten met betrekking tot onevenredige kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten redelijk waren. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, is het passend de de-minimisvrijstellingen te behouden voor:

wijting gevangen door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van 80 mm of meer (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB en TX), pelagische trawls (OTM en PTM) en boomkorren (BTT) met een maaswijdte van 80‐119 mm (BT2) gebruiken in de ICES-sectoren 7b tot en met 7k.

De in dit streepje vastgestelde vrijstelling moet van toepassing zijn tot en met december 2021 gezien de algemene opmerking van het WTECV over de algehele staat van instandhouding van wijting in de ICES-deelgebieden 7b tot en met 7k. De betrokken lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende informatie indienen over de vangstsamenstelling;

tong gevangen door vaartuigen die in de ICES-sectoren 7d tot en met 7g op die soort vissen met schakel- en kieuwnetten;

tong gevangen door vaartuigen die in de ICES-sectoren 7d tot en met 7h TBB-tuig met een maaswijdte van 80‐119 mm gebruiken waarvan de selectiviteit is verhoogd (Vlaams paneel).

(32)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 bevatte een de-minimisvrijstelling voor schelvis gevangen door vaartuigen die bodemtrawls met een maaswijdte van 80 mm of meer gebruiken in de ICES-sectoren 7b, 7c en 7e tot en met 7k. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV (27) heeft het nieuwe bewijsmateriaal dat door de lidstaten is verstrekt, geëvalueerd en concludeerde dat schelvis een verstikkingssoort met een hoog risico is in dit gebied. Het WTECV merkte echter ook op dat kabeljauw en wijting sterk uitgeput zijn in de Keltisch Zee en adviseerde om het niveau van de ongewenste vangsten van deze soorten te reduceren. De vrijstelling kan derhalve worden verleend voor bodemtrawls met een maaswijdte van 100 mm of meer, zegens, en met uitzondering van boomkorren en de gerichte visserij op langoustines; voor vaartuigen die op langoustines vissen met een maaswijdte van ten minste 80 mm voor de gerichte visserij op langoustine; en voor boomkorren met een maaswijdte van 80 mm of meer met een Vlaams paneel. Deze vrijstelling moet worden behouden tot en met 31 december 2022.

(33)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 is een de-minimisvrijstelling verleend voor de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in ICES-sector 7a met boomkorren op Noordzeegarnaal vissen. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft in voorgaande jaren het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal beoordeeld en concludeerde (28) dat de vrijstelling voor deze visserij goed gedocumenteerd is in de Noordzee en dat het waarschijnlijk is dat de visserij in de Noordzee representatief is voor de visserij in de Ierse Zee. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling worden behouden.

(34)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 is een de-minimisvrijstelling verleend voor evervis gevangen door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken in de ICES-sectoren 7b, 7c en 7f tot en met 7k. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft de door de lidstaten ingediende nieuwe gegevens onderzocht en concludeerde (29) dat er aanwijzingen zijn voor hogere kosten in verband met de behandeling en opslag van ongewenste vangsten in de betrokken visserijen. Het verbeteren van de selectiviteit moet echter de prioriteit zijn. De vrijstelling moet worden behouden tot en met 31 december 2022. De betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk in mei 2022, aanvullend bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken.

(35)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor vangsten van schartong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte door vaartuigen die vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80‐119 mm in ICES-deelgebied 7 en met bodemtrawls onder bepaalde omstandigheden. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft de nieuwe, door de lidstaten verstrekte gegevens geanalyseerd en concludeerde (30) dat er indicaties zijn voor extra kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten. De vrijstelling moet gedurende twee jaar worden behouden met extra specificaties om aanvullende gegevensverzameling mogelijk te maken. De betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk in mei 2021, aanvullend bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken.

(36)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor tong gevangen door vaartuigen die in de ICES-sectoren 7a, 7j en 7k boomkorren met een maaswijdte van 80‐119 mm gebruiken waarvan de selectiviteit is verhoogd (Vlaams paneel). De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het nieuwe bewijsmateriaal dat door de lidstaten is ingediend, geanalyseerd en concludeerde (31) dat er aanvullende technische specificaties betreffende het vistuig nodig waren. De vrijstelling moet voor twee jaar worden behouden, maar enkel voor ICES-sector 7a en de lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei 2022 het bewijsmateriaal ter ondersteuning van de vrijstelling indienen.

(37)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor grote zilvervis gevangen door vaartuigen die bodemtrawls met een maaswijdte van 100 mm of meer gebruiken in ICES-sector 5b en ICES-deelgebied 6. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het nieuwe bewijsmateriaal dat door de lidstaten is ingediend, geanalyseerd en concludeerde (32) dat er aanwijzingen zijn voor hogere kosten in verband met de behandeling en opslag van ongewenste vangsten. De vrijstelling moet voor twee jaar worden behouden en de lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullend bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze vrijstelling indienen.

(38)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 is een de-minimisvrijstelling verleend voor makreel en horsmakreel die in demersale gemengde visserijen wordt gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren gebruiken in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b tot en met 7k. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde dat er aanwijzingen zijn voor hogere kosten in verband met de behandeling van ongewenste vangsten, zoals in vorige evaluaties werd geconcludeerd. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling voor twee jaar worden behouden en moeten de lidstaten zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullend bewijsmateriaal ter ondersteuning van de vrijstelling indienen.

(39)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor vangsten van schelvis onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte door vaartuigen die vissen met bodemtrawls met een maaswijdte tot 119 mm in de visserij op langoustines in het gebied ten westen van Schotland in ICES-sector 6a. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en merkte op (33) dat de conclusies van het WTECV-verslag 19‐08 nog steeds geldig waren en dat de argumenten inzake onevenredige kosten redelijk lijken. Gezien het huidige niveau van ongewenste vangsten in deze visserij moet de vrijstelling worden behouden, maar enkel voor vaartuigen die gebruikmaken van het zeer selectieve vistuig.

(40)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 voorzag in de-minimisvrijstellingen voor de volgende pelagische visserijen:

blauwe wijting in de industriële pelagische trawlvisserij op die soort in de ICES-gebieden 5b, 6 en 7, waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis;

witte tonijn in de visserijen die in ICES-deelgebied 7 gericht op witte tonijn vissen met pelagische spantrawls;

makreel, horsmakreel, haring en wijting gevangen door pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die pelagische trawls gebruiken in ICES-sector 7d.

(41)

De lidstaten verzochten om de voortzetting van de de-minimisvrijstelling voor blauwe wijting (Micromesistius poutassou) in de industriële pelagische trawlvisserij op die soort in de ICES-sectoren 5b, 6 en 7, waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis. Deze vrijstelling is in voorgaande jaren (34) positief beoordeeld door het WTECV en werd verleend op basis van moeilijkheden om de selectiviteit te verbeteren. Aangezien de omstandigheden van de visserij niet zijn veranderd, moeten de vrijstellingen worden behouden. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2023 bewijsmateriaal inzake visserijpatronen verstrekken.

(42)

De lidstaten hebben verzocht de de-minimisvrijstelling voor witte tonijn (Thunnus alalunga) in de visserijen op witte tonijn met pelagische spantrawls (PTM) in ICES-deelgebied 7 voort te zetten. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal over de onevenredige kosten van de opslag en behandeling van ongewenste vangsten in voorgaande jaren geanalyseerd en concludeerde (35) dat het verzoek verband houdt met het verlies van verhandelbare vangsten. De lidstaten voerden de kosten van opslag en behandeling op zee en aan land aan. Aangezien de omstandigheden van de visserij niet zijn veranderd, moeten de vrijstellingen worden behouden. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2023 bewijsmateriaal inzake visserijpatronen verstrekken.

(43)

De lidstaten verzochten om de voortzetting van de de-minimisvrijstelling voor makreel, horsmakreel, haring en wijting gevangen door pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die pelagische trawls gebruiken in ICES-sector 7d. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (36) dat de vrijstelling op basis van onevenredige kosten door met redenen omklede kwalitatieve argumenten werd gestaafd. Aangezien de omstandigheden van de visserij niet zijn veranderd, moeten de vrijstellingen worden behouden. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2023 bewijsmateriaal inzake visserijpatronen verstrekken.

(44)

De volgende de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting moeten gelden voor de zuidwestelijke wateren.

(45)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor:

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen heek;

met trawls in de ICES-sectoren 8a en 8b gevangen tong;

met schakel- en kieuwnetten in de ICES-sectoren 8a en 8b gevangen tong;

met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen Beryx spp.

(46)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen heek. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het nieuwe, door de lidstaten in 2020 ingediende bewijsmateriaal onderzocht. Het WTECV concludeerde (37) dat de analyses inzake extra kosten als gevolg van de behandeling van ongewenste vangsten zijn toegespitst op de vloten die op heek vissen en dat uit de resultaten blijkt dat de tijd voor de behandeling en het sorteren van ongewenste vangsten zal toenemen. Het bewijsmateriaal is omvattend en volstaat ter ondersteuning van de vrijstelling, die moet worden behouden. De vrijstelling moet ook worden verleend voor heek en tong gevangen door vaartuigen die spannetten en ottertrawls (OTM, PTM) gebruiken.

(47)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor in de ICES-sectoren 8a en 8b met boomkorren en bodemtrawls gevangen tong en voor in de ICES-sectoren 8a en 8b met schakel- en kieuwnetten gevangen tong. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstellingen. Het WTECV heeft het door de lidstaten in de voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal onderzocht en concludeerde (38) dat de gezamenlijke aanbeveling met redenen omklede argumenten bevatte die aantoonden dat het moeilijk was de selectiviteit te verhogen en dat de kosten van de behandeling van ongewenste vangsten onevenredig waren. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moeten deze de-minimisvrijstellingen worden behouden. De vrijstelling moet ook worden verleend voor tong gevangen door vaartuigen die spannetten en ottertrawls (OTM, PTM) gebruiken.

(48)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen Beryx spp. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal beoordeeld en concludeerde (39) dat de verstrekte informatie gefundeerde argumenten bevatte voor de stelling dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren valt of de kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten onevenredig hoog uitvallen. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden.

(49)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor:

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen horsmakreel;

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 gevangen horsmakreel;

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen makreel;

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 gevangen makreel;

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schartong;

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schartong;

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen zeeduivel;

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen zeeduivel.

(50)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2033 bevatte een de-minimisvrijstelling voor:

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen ansjovis;

met trawls en zegens in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem;

met trawls en zegens in ICES-sector 9a gevangen tong.

(51)

De lidstaten verzochten deze vrijstellingen voort te zetten en ze te verlenen voor met pelagische trawls gevangen zeeduivel. De lidstaten hebben een gedetailleerde economische analyse inzake de onevenredige kosten van ongewenste vangsten verstrekt, die werd geëvalueerd door het WTECV (40). Het WTECV concludeerde dat de studie weliswaar gedetailleerd en uitgebreid is, maar dat het WTECV de methodologie ervan niet volledig kon evalueren tijdens de schriftelijke procedure. Gezien de door de lidstaten verstrekte informatie en het feit dat het WTECV de methodologie van de studie niet kon beoordelen, moeten die vrijstellingen in deze verordening worden opgenomen. De lidstaten moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende gegevens ter ondersteuning van de vrijstelling verstrekken.

(52)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 bevatte een de-minimisvrijstelling voor:

met trawls en zegens in ICES-deelgebied 8 gevangen wijting;

met kieuwnetten in ICES-deelgebied 8 gevangen wijting.

(53)

De lidstaten verzochten deze vrijstellingen voort te zetten voor met trawls en zegens in ICES-deelgebied 8 gevangen wijting, en ze te verlenen voor met pelagische trawls gevangen wijting. De lidstaten hebben nieuw bewijsmateriaal verstrekt. Het WTECV concludeerde (41) dat er aanwijzingen zijn dat het moeilijk is om de selectiviteit te verbeteren in gemengde demersale visserijen waarin wijting wordt gevangen zonder aanzienlijke verliezen van andere verhandelbare vangst en dat er nieuwe studies lopen. De vrijstelling dient voor twee jaar te worden verleend. De betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende wetenschappelijke informatie verstrekken die van de lopende studies afkomstig is.

(54)

De lidstaten verzochten de de-minimisvrijstelling voor met kieuwnetten in ICES-deelgebied 8 gevangen wijting voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (42) dat het moeilijk is de selectiviteit in de visserij met kieuwnetten te verbeteren. Er zijn echter verbeteringen nodig van de informatie die is verstrekt inzake onevenredige kosten. De vrijstelling moet voor twee jaar worden verleend en de betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende gegevens verstrekken.

(55)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 bevatte de-minimisvrijstellingen voor:

blauwe wijting in de industriële pelagische trawlvisserij in ICES-deelgebied 8;

witte tonijn die met trawls wordt gevangen in ICES-deelgebied 8;

ansjovis, makreel en horsmakreel die met pelagische trawls wordt gevangen in ICES-deelgebied 8;

horsmakreel en makreel die met ringzegens (PS) wordt gevangen in ICES-deelgebied 8.

(56)

De lidstaten hebben verzocht de vrijstellingen voort te zetten ten aanzien van de pelagische visserij. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 voorzag in deze vrijstellingen na een positieve beoordeling van het WTECV in voorgaande jaren (43) en de vrijstellingen werden verleend op basis van moeilijkheden bij het verbeteren van de selectiviteit voor blauwe wijting, horsmakreel en makreel, en op basis hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten in het geval van witte tonijn en ansjovis. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling worden behouden.

(57)

In het licht van de nieuwe gezamenlijke aanbevelingen is het passend Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 in te trekken en door een nieuwe verordening te vervangen.

(58)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van toepassing worden met ingang van 1 januari 2021,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de noordwestelijke wateren (ICES-deelgebieden 5 (met uitzondering van sector 5a en enkel Uniewateren van sector 5b, 6 en 7) en de zuidwestelijke wateren (ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 (wateren rond de Azoren), en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 (wateren rond Madeira en de Canarische Eilanden)) is de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting overeenkomstig de onderhavige verordening voor de periode 2021‐2023 van toepassing in de demersale en pelagische visserijen.

Artikel 2

Definities

1.    “Vlaams paneel”: het achterste trechtervormige netgedeelte van een boomkor, waarvan:

de achterkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd;

het bovenste en het onderste netgedeelte een maaswijdte van ten minste 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen, en

de lengte in gestrekte toestand minstens 3 meter bedraagt.

2.    “Seltra-paneel”: een selectiviteitsvoorziening die:

bestaat uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 270 mm (ruitvormige mazen) of ten minste 300 mm (vierkante mazen), geplaatst in een door vier panelen gevormde sorteerbox in het rechte deel van de kuil;

minstens 3 meter lang is;

is aangebracht op niet meer dan 4 meter van de pooklijn, en

de volledige breedte van de bovenkant van de sorteerbox van het trawlnet in beslag neemt (d.w.z. van naadlijn tot naadlijn).

3.   “Selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat.

4.   “Cefas-Netgrid”: een Netgrid-selectiviteitsvoorziening ontwikkeld door het centrum voor milieu-, visserij- en aquacultuurwetenschappen (Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science) voor vangsten van Nephrops in de Ierse Zee.

5.   “Flipflaptrawl”: een trawl die is uitgerust met een netrooster dat is ontwikkeld om de vangst van kabeljauw, schelvis en wijting in de visserij op langoustines te reduceren.

6.   “Touwschot”: een tuigaanpassing op demersale boomkorren om te helpen voorkomen dat stenen en keien de trawl binnenkomen en schade aan zowel het tuig als de vangsten veroorzaken.

7.   “Ontsnappingspaneel voor benthos”: een paneel uit netwerk met grotere mazen of vierkante mazen dat is bevestigd in het onderpaneel van een trawl, gewoonlijk een boomkor, om bentisch materiaal en zeebodemafval te lozen voordat het in de kuil terechtkomt.

8.   “Beschermingsgebied in de Keltische Zee”: de wateren binnen de ICES-sectoren 7f en 7g en het deel van 7j dat ten noorden van 50 °NB en ten oosten van 11 °WL ligt.

9.   “Voracera”: een lokaal ontworpen en gebouwde mechanisch aangedreven lijn met haken die wordt gebruikt door de ambachtelijke vloot die in het zuiden van Spanje in ICES-sector 9a op zeebrasem vist.

HOOFDSTUK II

VRIJSTELLINGEN OP BASIS VAN OVERLEVINGSKANSEN IN DE NOORDWESTELIJKE WATEREN

Artikel 3

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustine

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor:

a)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met korven, vallen of kubben (vistuigcodes (44): FPO en FIX en FYK), in de ICES-deelgebieden 6 en 7;

b)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met bodemtrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT en TX) met een maaswijdte van 100 mm of meer in ICES-deelgebied 7;

c)

langoustines (Nephrops norvegicus) in ICES-deelgebied 7 gevangen met bodemtrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT en TX) met een maaswijdte van 70‐99 mm in combinatie met opties voor zeer selectief vistuig, zoals vastgesteld in de leden 2 en 3;

d)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met ottertrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT en TX) met een maaswijdte van 80‐110 mm in ICES-sector 6a binnen twaalf zeemijl uit de kust.

2.   De vrijstelling uit hoofde van lid 1, onder c), is van toepassing op vaartuigen die in het beschermingsgebied in de Keltische Zee vissen, op voorwaarde dat zij een van de volgende soorten selectief vistuig gebruiken:

a)

een paneel met vierkante mazen van ten minste 300 mm;

b)

een paneel met vierkante mazen van ten minste 200 mm voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan twaalf meter;

c)

een seltra-paneel;

d)

een sorteerrooster met een maximumafstand tussen de staven van 35 mm zoals gedefinieerd in deel B van bijlage VI bij Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (45) of een gelijkwaardige Netgrid-selectiviteitsvoorziening;

e)

een kuil met mazen van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 100 mm;

f)

een dubbele kuil waarbij de bovenste kuil uit T90-mazen van ten minste 90 mm bestaat en uitgerust is met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 300 mm.

3.   De vrijstelling uit hoofde van lid 1, onder c), is van toepassing op vaartuigen die in ICES-sector 7a vissen, op voorwaarde dat zij een van de volgende soorten selectief vistuig gebruiken:

a)

een paneel met vierkante mazen van ten minste 300 mm;

b)

een paneel met vierkante mazen van ten minste 200 mm voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan twaalf meter;

c)

een seltra-paneel;

d)

een sorteerrooster met een maximumafstand tussen de staven van 35 mm zoals gedefinieerd in deel B van bijlage VI bij Verordening (EU) 2019/1241;

(e)

een Cefas-Netgrid;

(f)

een flipflaptrawl.

4.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 4

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt in ICES-sector 7d binnen zes zeemijl uit de kust maar buiten de bekende kraamgebieden, voor vangsten van tong (Solea solea) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met ottertrawls (vistuigcodes: OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX) met een maaswijdte in de kuil van 80‐99 mm, door vaartuigen:

a)

met een lengte van ten hoogste tien meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW, en

b)

die vissen in wateren met een diepte van dertig meter of minder tijdens trekken van niet meer dan negentig minuten.

2.   Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 5

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor roggen (Rajiformes) die worden gevangen met om het even welk vistuig in de noordwestelijke wateren (de ICES-deelgebieden 6 en 7).

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt die wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.

3.   De in lid 1 vastgestelde vrijstelling is ook van toepassing op grootoogroggen. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar, zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei, aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van die vrijstelling, met inbegrip van voorlopige informatie over vangsten van grootoogroggen, de teruggooi van grootoogroggen en de voortgang van het onderzoek naar de vitaliteit of overleving van grootoogroggen in de betrokken visserijen. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie elk jaar vóór 31 juli.

4.   Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de roggen onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor schol

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor:

a)

schol (Pleuronectes platessa) die in de ICES-sectoren 7d tot en met 7g wordt gevangen met schakelnetten (vistuigcodes: GTR, GTN, GEN, GN);

b)

schol (Pleuronectes platessa) die in de ICES-sectoren 7d tot en met 7g wordt gevangen met ottertrawls (vistuigcodes: OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT en TX);

c)

schol (Pleuronectes platessa) die in de ICES-sectoren 7a tot en met 7g wordt gevangen door vaartuigen met een maximaal motorvermogen van meer dan 221 kW die boomkorren (TBB) gebruiken die met een touwschot of een ontsnappingspaneel voor benthos zijn uitgerust;

d)

schol (Pleuronectes platessa) die in de ICES-sectoren 7a tot en met 7g wordt gevangen door boomkorvaartuigen (TBB) met een maximaal motorvermogen van 221 kW of een maximale lengte van 24 meter die zijn gebouwd om binnen twaalf zeemijl uit de kust te vissen tijdens trekken van gemiddeld niet meer dan negentig minuten;

e)

schol (Pleuronectes platessa) die in ICES-sector 7d wordt gevangen met Deense zegens (vistuigcode: SDN).

2.   Voor de onder c) en d) vastgestelde vrijstellingen dienen de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer elk jaar, zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei, aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van deze vrijstellingen, met inbegrip van voorlopige informatie over vangsten van schol, de teruggooi van schol en de voortgang van het onderzoek naar de vitaliteit of overleving in de betrokken visserijen. De lidstaten dienen uiterlijk op 1 mei 2021 een tijdschema voor de voltooiing van de overeengekomen routekaart in. Het WTECV beoordeelt deze informatie uiterlijk op 30 juni 2021.

3.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de schol onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 7

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor soorten gevangen met korven, vallen en kubben

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor soorten die worden gevangen met korven, vallen en kubben (vistuigcodes: FPO, FIX, FYK) in de ICES-deelgebieden 5 (met uitzondering van 5a en met inbegrip van enkel de Uniewateren van 5b), 6 en 7.

2.   Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de vis onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 8

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor pelagische soorten

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor vangsten van makreel en haring in de ringzegenvisserijen in ICES-deelgebied 6, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vangst wordt vrijgelaten voordat de ringzegen tot een bepaald percentage (vastgesteld in de leden 2 en 3 hieronder) is gesloten (“het punt van ophaling”);

b)

het ringzegentuig is voorzien van zichtbare boeien die duidelijk de grens voor het punt van ophaling markeren;

c)

het vaartuig en de ringzegen zijn uitgerust met een elektronisch systeem om te registreren en te documenteren wanneer, waar en in welke mate de ringzegen is ingezet voor alle visserijactiviteiten.

2.   Het punt van ophaling in de makreelvisserij is bij 80 % sluiting van de ringzegen en in de haringvisserij bij 90 % sluiting van de ringzegen.

3.   Indien de ingesloten school uit beide soorten bestaat, is het punt van ophaling bij 80 % sluiting van de ringzegen.

4.   Het is verboden vangsten makreel en haring vrij te laten na het punt van ophaling.

5.   De ingesloten school vissen wordt bemonsterd vóór de vrijlating om de soortensamenstelling, de groottesamenstelling en de hoeveelheid te ramen.

6.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen is van toepassing op vangsten van makreel en haring in de visserij met ringnetten op pelagische soorten waarvoor geen quota gelden in de ICES-sectoren 7e en 7f, voor zover mutatis mutandis is voldaan aan de voorschriften van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel en artikel 15 van deze verordening.

HOOFDSTUK III

VRIJSTELLINGEN OP BASIS VAN OVERLEVINGSKANSEN IN DE ZUIDWESTELIJKE WATEREN

Artikel 9

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustine

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor langoustines (Nephrops norvegicus) die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 worden gevangen met bodemtrawls (vistuigcodes: OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, TBB, OT, PT en TX).

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 10

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor roggen (Rajiformes) die met alle soorten vistuig worden gevangen in de ICES-deelgebieden 8 en 9.

2.   Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de roggen onmiddellijk vrijgelaten.

3.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het WTECV beoordeelt deze informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

4.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is van toepassing op grootoogroggen:

a)

die tot en met 31 december 2022 in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met schakelnetten worden gevangen. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van deze vrijstelling voor met schakelnetten gevangen grootoogroggen. Het WTECV beoordeelt deze informatie uiterlijk op 31 juli 2022;

b)

die tot en met 31 december 2021 in ICES-deelgebied 8 met bodemtrawls worden gevangen. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk, en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van deze vrijstelling voor met bodemtrawls gevangen grootoogroggen. Het WTECV beoordeelt deze informatie uiterlijk op 31 juli 2021.

Artikel 11

Op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor zeebrasem

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) die wordt gevangen in ICES-sector 9a met het ambachtelijke vistuig “voracera” en voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) die wordt gevangen met haken en lijnen (vistuigcodes: LHP, LHM, LLS, LLD) tot en met 31 december 2022 in de ICES-deelgebieden 8 en 10 en in ICES-sector 9a.

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling voor zeebrasem die in ICES-deelgebied 8 en in ICES-sector 9a wordt gevangen met haken en lijnen. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

3.   Bij de teruggooi van zeebrasem die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 12

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor ansjovis, horsmakreel en makreel

De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor vangsten van ansjovis (Engraulis encrasicolus), horsmakreel (Trachurus spp.) en makreel (Scomber scombrus) in ringzegenvisserijen (PS), op voorwaarde dat het net niet volledig wordt binnengehaald.

HOOFDSTUK IV

DE-MINIMISVRIJSTELLINGEN IN DE NOORDWESTELIJKE WATEREN

Artikel 13

De-minimisvrijstellingen in de noordwestelijke wateren

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden in de noordwestelijke wateren op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van die verordening worden teruggegooid, met inachtneming van de leden 2 tot en met 7:

a)

voor wijting (Merlangius merlangus), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van 80 mm of meer (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB en TX), pelagische trawls (OTM en PTM) en boomkorren (BT2) met een maaswijdte van 80‐119 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b tot en met 7k;

b)

voor tong (Solea solea), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN en GNF) op tong vissen in de ICES-sectoren 7d tot en met 7g;

c)

voor tong (Solea solea), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die met TBB-tuig met een maaswijdte van 80‐119 mm, uitgerust met een Vlaams paneel, op tong vissen in de ICES-sectoren 7d tot en met 7h;

d)

voor schelvis (Melanogrammus aeglefinus), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort gevangen:

i)

door vaartuigen met een maaswijdte van 100 mm of meer voor alle bodemtrawls, zegens (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB, TX) in 7b, 7c en 7e tot en met 7k met vangsten die voor niet meer dan 30 % uit langoustine bestaan en met uitzondering van boomkorren;

ii)

door vaartuigen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte van 80 mm of meer in 7b, 7c en 7e tot en met 7k met vangsten die voor meer dan 30 % uit langoustine bestaan;

iii)

door vaartuigen die boomkorren met een maaswijdte van 80 mm of meer gebruiken in 7b, 7c en 7e tot en met 7k in combinatie met een Vlaams paneel;

e)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in ICES-sector 7a op Noordzeegarnaal vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 31 mm of meer:

een gecombineerde hoeveelheid vissoorten kleiner dan de MCRS, die niet meer mag bedragen dan 0,85 % van de totale jaarlijkse scholvangsten en 0,15 % van de totale jaarlijkse wijtingvangsten in de demersale gemengde visserijen;

f)

voor evervis (Caproidae), tot maximaal 0,5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT en TX) gebruiken in de ICES-sectoren 7b, 7c en 7f tot en met 7k;

g)

voor schartong (Lepidorhombus spp.) onder de MCRS, tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die boomkorren (TBB) gebruiken met een maaswijdte van 80‐119 mm (BT2) in ICES-deelgebied 7; en die bodemtrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX) gebruiken in de volgende omstandigheden:

i)

in de ICES-sectoren 7f, 7g, het deel van 7h ten noorden van 49°30′ noorderbreedte en het deel van 7j ten noorden van 49°30′ noorderbreedte en ten oosten van 11° westerlengte, voor TR2-vaartuigen met vangsten die voor meer dan 55 % uit wijting of voor meer dan 55 % uit een combinatie van zeeduivel, heek en schartong bestaan;

ii)

in ICES-deelgebied 7, buiten het bovengenoemde gebied, voor TR2-vaartuigen;

h)

voor tong (Solea solea), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die in ICES-sector 7a boomkorren met een maaswijdte van 80‐119 mm (BT2) gebruiken waarvan de selectiviteit is verhoogd (Vlaams paneel);

i)

voor grote zilvervis (Argentina silus), gevangen door vaartuigen die bodemtrawls (OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX) met een maaswijdte van 100 mm of meer (TR1) gebruiken in ICES-sector 5b (EU-wateren) en deelgebied 6, tot 0,6 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort met alle vistuig in die gebieden;

j)

voor horsmakreel (Trachurus spp.), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soorten die in de demersale gemengde visserijen worden gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBB, TBN, TBS, TB en TX) gebruiken in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b tot en met 7k;

k)

voor makreel (Scomber scombrus), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soort die in de demersale gemengde visserijen worden gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBB, TBN, TBS, TB en TX) gebruiken in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b tot en met 7k;

l)

voor schelvis (Melanogrammus aeglefinus) die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls met een maaswijdte tot 119 mm (OTB, OTT, OT, TBN en TB) gebruiken in de visserij op langoustines (Nephrops norvegicus) in ICES-sector 6a ten westen van Schotland, op voorwaarde dat de vaartuigen de in artikel 3, lid 3, van deze verordening beschreven zeer selectieve vistuigopties gebruiken;

m)

voor blauwe wijting (Micromesistius poutassou), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten in de industriële pelagische trawlvisserij op die soort in de ICES-deelgebieden 5b, 6 en 7, waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis;

n)

voor witte tonijn (Thunnus alalunga) in de visserijen op die soort, tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten met pelagische spantrawls (PTM) in ICES-deelgebied 7;

o)

voor makreel (Scomber scombrus), horsmakreel (Trachurus spp.), haring (Clupea harengus) en wijting (Merlangius merlangus), tot maximaal 1 % van de totale jaarlijkse vangsten in de pelagische visserij met pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter, met pelagische trawls (OTM en PTM), op makreel, horsmakreel en haring in ICES-sector 7d.

2.   De in lid 1, onder a), vastgestelde de-minimisvrijstelling is van toepassing tot en met 31 december 2021. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende informatie over de vangstsamenstelling in. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2021.

3.   De in lid 1, onder g), vastgestelde de-minimisvrijstelling is van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie over de kosten van schartong onder de MCRS die op vaartuigen wordt opgeslagen, en vlootgegevens in. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

4.   De in lid 1, onder h), vastgestelde de-minimisvrijstelling is van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie over selectiviteit en het gebruik van de de-minimisvrijstelling in. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

5.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie over selectiviteit en onevenredige kosten ter ondersteuning van de onder f) en i) tot en met k) van lid 1 vastgestelde vrijstellingen in. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022.

6.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2023 aanvullende informatie over visserijpatronen in ter ondersteuning van de in onder m), n), en o) van lid 1 vastgestelde vrijstellingen. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2023.

7.   De onder d), f) en i) tot en met l) van lid 1 vastgestelde de-minimisvrijstellingen zijn van toepassing tot en met 31 december 2022.

HOOFDSTUK V

DE-MINIMISVRIJSTELLINGEN IN DE ZUIDWESTELIJKE WATEREN

Artikel 14

De-minimisvrijstellingen in de zuidwestelijke wateren

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden in de zuidwestelijke wateren op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

a)

voor heek (Merluccius merluccius), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die trawls en zegens gebruiken (vistuigcodes: OTM, PTM, OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SDN, SX, SV) in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

b)

voor tong (Solea solea), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die pelagische trawls, boomkorren en bodemtrawls gebruiken (vistuigcodes: OTM, PTM, OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT en TX) in de ICES-sectoren 8a en 8b;

c)

voor tong (Solea solea), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die schakelnetten en kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR en GEN) gebruiken in de ICES-sectoren 8a en 8b;

d)

voor Beryx spp., tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die haken en lijnen (vistuigcodes: LHP, LHM, LLS, LLD) gebruiken in ICES-deelgebied 10;

e)

voor horsmakreel (Trachurus spp.), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX, SV) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

f)

voor horsmakreel (Trachurus spp.), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel door vaartuigen die kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GND, GNC, GTR, GTN) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2, 34.2.0;

g)

voor makreel (Scomber scombrus), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX, SV) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

h)

voor makreel (Scomber scombrus), tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GND, GNC, GTR, GTN) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9 en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2, 34.2.0;

i)

voor schartong (Lepidorhombus spp.), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van schartong door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX, SV) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

j)

voor schartong (Lepidorhombus spp.), tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van schartong door vaartuigen die kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GND, GNC, GTR, GTN) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

k)

voor zeeduivel (Lophiidae), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van zeeduivel door vaartuigen die pelagische trawls, boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTM, PTM, OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX, SV) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

l)

voor zeeduivel (Lophiidae), tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van zeeduivel door vaartuigen die kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GND, GNC, GTR, GTN) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

m)

voor wijting (Merlangius merlangus), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die pelagische trawls, boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX, SV) gebruiken in ICES-deelgebied 8;

n)

voor wijting (Merlangius merlangus), tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die kieuwnetten (vistuigcodes: GNS, GND, GNC, GTR, GTN) gebruiken in ICES-deelgebied 8;

o)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, TBB, SDN, SX, SV) gebruiken in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

p)

voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, TBB, SDN, SX, SV) gebruiken in het tot de Golf van Cádiz behorende deel van ICES-sector 9a;

q)

voor tong (Solea spp.), tot maximaal 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van tong door vaartuigen die boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes: OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, TBB, SDN, SX, SV) gebruiken in het tot de Golf van Cádiz behorende deel van ICES-sector 9a;

r)

voor blauwe wijting (Micromesistius poutassou), tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten in de industriële pelagische trawlvisserij op blauwe wijting in ICES-deelgebied 8 met pelagische trawls (OTM) en pelagische spantrawls (PTM), waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis;

s)

voor witte tonijn (Thunnus alalunga) tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten in de visserij op witte tonijn met pelagische spantrawls (PTM) en pelagische trawls (OTM) in ICES-deelgebied 8;

t)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus), makreel (Scomber scombrus) en horsmakreel (Trachurus spp.) tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten in de pelagische trawlvisserij op ansjovis, makreel en horsmarkeel in ICES-deelgebied 8 met pelagische trawls;

u)

voor horsmakreel (Trachurus spp.) en makreel (Scomber scombrus) tot maximaal 4 % van de totale jaarlijkse vangsten en voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) tot maximaal 1 % van de totale jaarlijkse vangsten met ringzegens (PS) in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2, 34.2.0.

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1, onder e) tot en met q), vastgestelde vrijstellingen.

3.   De in lid 1, onder m) en n), vastgestelde de-minimisvrijstellingen zijn van toepassing tot en met 31 december 2022.

HOOFDSTUK VI

DOCUMENTATIE VAN VANGSTEN

Artikel 15

Documentatie van vangsten voor pelagische vloten

De hoeveelheden vis die worden vrijgelaten overeenkomstig de vrijstelling uit hoofde van artikel 8 en de resultaten van de krachtens artikel 8, lid 5, vereiste bemonstering, worden in het logboek vermeld.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Intrekking

De Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2019/2239 en (EU) 2019/2237 worden ingetrokken.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 83 van 25.3.2019, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2239 van de Commissie van 1 oktober 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2020‐2021 (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 47).

(4)  Het Verenigd Koninkrijk is sinds 1 februari 2020 geen lidstaat meer.

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2237 van de Commissie van 1 oktober 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2020‐2021 (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 26).

(6)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf

(7)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(9)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(10)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(11)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(12)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(13)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(14)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf

(15)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(16)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de noordwestelijke wateren (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 25).

(17)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(18)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf/d7110d8a-c4da-498c-8b30-98d0b5c2fc22

(19)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf

(20)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2124128/STECF+18-06+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf

(21)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(22)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(23)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(24)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 31).

(25)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(26)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(27)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(28)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf

(29)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(30)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(31)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(32)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(33)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(34)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(35)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(36)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(37)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(38)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(39)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(40)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(41)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(42)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf

(43)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf

(44)  De in de deze verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan tien meter wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.

(45)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2016 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2020

tot wijziging van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk, Guernsey, Man en Jersey

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (1), en met name artikel 13, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 576/2013 zijn de veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat. In artikel 13 van die verordening is met name bepaald dat de Commissie twee lijsten opstelt van gebieden en derde landen waaruit de in deel A van bijlage I bij die verordening vermelde gezelschapsdieren, namelijk honden, katten en fretten, voor niet-commerciële doeleinden naar een lidstaat mogen worden vervoerd.

(2)

De voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat verschillen naargelang van de situatie in het gebied of derde land van oorsprong. Rekening houdend met hun bijzondere situatie kunnen derde landen of gebieden op de lijst worden geplaatst overeenkomstig artikel 13, lid 1 of lid 2, van Verordening (EU) nr. 576/2013.

(3)

Deel 2 van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie (2) bevat de lijst van gebieden en derde landen als bedoeld in artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 576/2013.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk heeft, gezien het feit dat de overgangsperiode waarin is voorzien in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het terugtrekkingsakkoord) op 31 december 2020 afloopt, bij de Commissie een aanvraag ingediend om samen met de van de Kroon afhankelijke gebieden Guernsey, Man en Jersey te worden opgenomen in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013. De Commissie heeft die aanvraag beoordeeld en heeft geverifieerd dat, voor zover het de in deel A van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 576/2013 vermelde gezelschapsdieren betreft, het Verenigd Koninkrijk en de van de Kroon afhankelijke gebieden Guernsey, Man en Jersey voldoen aan de criteria van artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 576/2013 en bijgevolg moeten worden opgenomen in de lijst in deel 2 van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013, onverminderd de toepassing van het recht van de Unie op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland bij het terugtrekkingsakkoord in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol.

(5)

Deel 2 van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Aangezien de in het terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode op 31 december 2020 afloopt, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel 2 van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 109).


BIJLAGE

“DEEL 2

Lijst van gebieden en derde landen zoals bedoeld in artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 576/2013

ISO-code

Gebied of derde land

Opgenomen gebieden

AC

Ascension

 

AE

Verenigde Arabische Emiraten

 

AG

Antigua en Barbuda

 

AR

Argentinië

 

AU

Australië

 

AW

Aruba

 

BA

Bosnië en Herzegovina

 

BB

Barbados

 

BH

Bahrein

 

BM

Bermuda

 

BQ

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (de BES-eilanden)

 

BY

Belarus

 

CA

Canada

 

CL

Chili

 

CW

Curaçao

 

FJ

Fiji

 

FK

Falklandeilanden

 

GB

Groot-Britannië (*1)

 

GG

Guernsey

 

HK

Hongkong

 

IM

Man

 

JM

Jamaica

 

JP

Japan

 

JE

Jersey

 

KN

Saint Kitts en Nevis

 

KY

Kaaimaneilanden

 

LC

Saint Lucia

 

MS

Montserrat

 

MK

Noord-Macedonië

 

MU

Mauritius

 

MX

Mexico

 

MY

Maleisië

 

NC

Nieuw-Caledonië

 

NZ

Nieuw-Zeeland

 

PF

Frans-Polynesië

 

PM

Saint-Pierre en Miquelon

 

RU

Rusland

 

SG

Singapore

 

SH

Sint-Helena

 

SX

Sint-Maarten

 

TT

Trinidad en Tobago

 

TW

Taiwan

 

VS

Verenigde Staten van Amerika

AS — Amerikaans-Samoa

GU — Guam

MP — Noordelijke Marianen

PR — Puerto Rico

VI — Amerikaanse Maagdeneilanden

VC

Saint Vincent en de Grenadines

 

VG

Britse Maagdeneilanden

 

VU

Vanuatu

 

WF

Wallis en Futuna

 


(*1)  Overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, gelden vermeldingen van het Verenigd Koninkrijk in deze bijlage niet voor Noord-Ierland.”


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/43


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2017 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2020

tot wijziging van deel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 wat betreft de gegevens voor het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (1), en met name artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 van de Commissie (2) worden voorschriften vastgesteld voor de toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer naar het grondgebied of delen van het grondgebied van bepaalde lidstaten. Meer in het bijzonder stelt artikel 2 van die gedelegeerde verordening de regels vast voor de indeling van lidstaten, of delen daarvan, met betrekking tot infecties met Echinococcus multilocularis, en worden daarin de voorwaarden vastgesteld waaraan de lidstaten moeten voldoen om in aanmerking te blijven komen voor de toepassing van die preventieve gezondheidsmaatregelen.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 van de Commissie (3) bevat een lijst van de lidstaten of delen van het grondgebied van lidstaten die voldoen aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 vastgestelde voorschriften voor indeling met betrekking tot Echinococcus multilocularis. Zie deel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 voor de lijst van de lidstaten of delen van het grondgebied van de lidstaten die voldoen aan de in artikel 2, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 vastgestelde voorschriften voor indeling.

(3)

Overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het terugtrekkingsakkoord), en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, zijn Verordening (EU) nr. 576/2013 alsook de daarop gebaseerde handelingen van de Commissie na het einde van de overgangsperiode van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

(4)

Het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk is momenteel opgenomen in de lijst in deel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878. Bijgevolg moet deel 2 van die bijlage worden gewijzigd door de vermelding betreffende het Verenigd Koninkrijk te vervangen door een verwijzing naar het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland.

(5)

Aangezien de in het terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode op 31 december 2020 afloopt, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 van de Commissie van 21 november 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 (PB L 130 van 28.5.2018, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 van de Commissie van 18 juni 2018 tot vaststelling van een lijst van lidstaten of delen van het grondgebied van lidstaten die voldoen aan de voorschriften voor indeling overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 betreffende de toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden (PB L 155 van 19.6.2018, blz. 1).


BIJLAGE

“DEEL 2

Lijst van de lidstaten  (*1) of delen van het grondgebied van de lidstaten die voldoen aan de in artikel 2, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 neergelegde voorschriften voor indeling

 

Code

Gehele grondgebied/delen van het grondgebied

Finland

FI

Het gehele grondgebied

Ierland

IE

Het gehele grondgebied

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)

UK (NI)

Noord-Ierland


(*1)  Voor de toepassing van deze bijlage wordt, overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, bij verwijzingen naar de lidstaten ook het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland bedoeld.” ”


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/46


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2018 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2020

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Mozzarella di Gioia del Colle (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 3, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Italië tot registratie van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” als beschermde oorsprongsbenaming (BOB) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Op 19 december 2019 heeft de Commissie een aankondiging van bezwaar en het bijbehorende met redenen omklede bezwaarschrift van Duitsland ontvangen. Op 13 januari 2020 heeft de Commissie de aankondiging van bezwaar en het met redenen omklede bezwaarschrift van Duitsland doorgezonden aan Italië.

(3)

De Commissie heeft het door Duitsland toegestuurde bezwaar onderzocht en heeft geoordeeld dat het ontvankelijk was. Het woord “Mozzarella”, dat deel uitmaakt van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle”, is identiek aan de naam die in Duitsland wordt gebruikt voor een type kaas dat in Duitsland op commerciële schaal wordt geproduceerd en in de handel gebracht. De indiener van het bezwaar heeft aangevoerd dat de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” niet als beschermde oorsprongsbenaming op grond van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kan worden geregistreerd, omdat hij niet aan de vereisten van die verordening voldoet aangezien de naam “Mozzarella” wordt beschouwd als een soortnaam, die dus niet voor registratie in aanmerking komt. De indiener van het bezwaar is van mening dat de aanvraag tot registratie van “Mozzarella di Gioia del Colle” niet in overeenstemming is met de voorwaarde van artikel 5 en artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, aangezien de kwaliteit noch de kenmerken van de kaas hoofdzakelijk of uitsluitend zijn toe te schrijven aan de specifieke geografische omgeving met haar eigen door natuur en mens bepaalde factoren. De indiener van het bezwaar is ook van mening dat de registratie van de voorgestelde naam “Mozzarella di Gioia del Colle” schade zou toebrengen aan het bestaan van de identieke naam (“Mozzarella”), evenals aan het bestaan van producten die minstens vijf jaar legaal op de Duitse markt zijn, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag tot registratie van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” is bekendgemaakt. Voorts stelt de indiener van het bezwaar dat de aanvraag tot registratie in strijd is met de registratie van de naam “Mozzarella” als gegarandeerde traditionele specialiteit zonder reservering van de naam (Verordening (EG) nr. 2527/98).

(4)

Bij brief van 12 februari 2020 heeft de Commissie de betrokken partijen verzocht om overeenkomstig hun interne procedures op gepaste wijze overleg te plegen om tot een akkoord te komen.

(5)

Door een administratieve vergissing hebben de partijen de brief van de Commissie van 12 februari 2020 echter niet ontvangen. Duitsland heeft de uitnodiging om op gepaste wijze overleg te plegen om tot een akkoord te komen formeel ontvangen op 14 oktober 2020. Italië heeft die uitnodiging formeel ontvangen op 26 oktober 2020.

(6)

Hoewel de partijen reeds in maart 2020 met elkaar in contact stonden en een substantieel akkoord hadden bereikt over de registratie van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle”, hebben zij pas in november 2020 een formeel akkoord bereikt. Italië heeft het akkoord op 9 november 2020 aan de Commissie meegedeeld.

(7)

Italië en Duitsland hebben bevestigd dat de bescherming van de oorsprongsbenaming “Mozzarella di Gioia del Colle” enkel van toepassing mag zijn op de samengestelde naam “Mozzarella di Gioia del Colle” in zijn geheel en niet op de afzonderlijke naam “Mozzarella”. De aanvraag tot registratie van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” door Italië was niet gericht op het exclusieve gebruik van de term “Mozzarella”.

(8)

Voorts waren zij het erover eens dat het woord “Mozzarella” in het productdossier en in het enig document altijd moet worden gevolgd door de woorden “di Gioia del Colle”, om aan te geven dat de bescherming enkel slaat op die samengestelde naam. Het productdossier en het enig document zijn dienovereenkomstig aangepast.

(9)

Aangezien het akkoord tussen Italië en Duitsland in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 1151/2012 en de overige EU-wetgeving, moet met de inhoud ervan rekening worden gehouden.

(10)

Italië en Duitsland hebben ook voorgesteld om in deze verordening een voetnoot op te nemen waarin wordt toegelicht dat geen bescherming van de naam “Mozzarella” wordt gevraagd. Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moet de verklaring over de beschermingsstatus van een specifieke term echter rechtstreeks in het dispositief van deze verordening worden opgenomen.

(11)

Door de verduidelijking van de status van de term “Mozzarella” in een artikel van deze verordening vervalt de claim die is gebaseerd op de inconsistentie van deze aanvraag met de registratie van de term “Mozzarella” als gegarandeerde traditionele specialiteit.

(12)

Op 17 januari 2020 heeft de Commissie een aankondiging van bezwaar ontvangen van het Consortium for Common Food Names (CCFN) en de U.S. Dairy Export Council (USDEC). De Commissie heeft de aankondiging van bezwaar op 21 januari 2020 naar Italië doorgestuurd. Op 17 maart 2020, dus binnen de gestelde termijn, heeft de Commissie het met redenen omklede bezwaarschrift ontvangen.

(13)

De Commissie heeft het door het Consortium for Common Food Names (CCFN) en de U.S. Dairy Export Council (USDEC) toegestuurde bezwaar onderzocht en heeft geoordeeld dat het ontvankelijk was. De term “Mozzarella”, die deel uitmaakt van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle”, is identiek aan de term die wordt gebruikt voor een type kaas waarvoor een actieve Codex Alimentarius-norm bestaat (Codex Stan 262-2006). De indieners van het bezwaar hebben aangevoerd dat de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” niet als beschermde oorsprongsbenaming op grond van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kan worden geregistreerd, omdat de naam “Mozzarella” een soortnaam is en de aanvraag geen garantie bevat dat voor die term geen bescherming wordt gevraagd en dat deze soortnaam verder vrij kan worden gebruikt. Voorts hebben het CCFN en de USDEC hun bezorgdheid geuit over de procedure die op het niveau van de lidstaat is gevolgd in verband met de zogenaamde wijziging van de naam van het product, en waarbij volgens hen de voorwaarden van artikel 5 en artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 zijn geschonden.

(14)

Bij brief van 8 april 2020 heeft de Commissie de betrokken partijen verzocht om overeenkomstig hun interne procedures op gepaste wijze overleg te plegen om tot een akkoord te komen.

(15)

Italië en het Consortium for Common Food Names (CCFN) en de U.S. Dairy Export Council (USDEC) hebben bevestigd dat de oorsprongsbenaming “Mozzarella di Gioia del Colle” in zijn geheel moet worden beschermd en dat de afzonderlijke naam “Mozzarella” verder in de etikettering of bij de presentatie op het grondgebied van de Unie mag worden gebruikt mits de beginselen en regels die in de rechtsorde van de Unie gelden, worden nageleefd.

(16)

Het Consortium for Common Food Names (CCFN) en de U.S. Dairy Export Council (USDEC) hebben echter geen definitieve instemming verleend omdat Italië hun geen toegang tot de documenten van de nationale procedure had gegeven en zich er niet toe had verbonden het vrije gebruik van de naam “Mozzarella” te bevestigen ten aanzien van toekomstige verzoeken tot bescherming van de naam “Mozzarella di Gioia del Colle” buiten de EU.

(17)

Aangezien het gedeeltelijke akkoord tussen Italië en het Consortium for Common Food Names (CCFN) en de U.S. Dairy Export Council (USDEC) in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 1151/2012 en de overige EU-wetgeving, moet met de inhoud ervan rekening worden gehouden.

(18)

Voor het overige heeft de Commissie geverifieerd dat de op het niveau van de lidstaat gevolgde procedure betrekking had op de naam waarvoor de aanvraag is ingediend, en dat de naam in de handel en in het dagelijkse taalgebruik wordt gebruikt ter beschrijving van het specifieke product, in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

(19)

Mogelijke toekomstige aanvragen voor de beschermde oorsprongsbenaming “Mozzarella di Gioia del Colle” buiten de EU vallen buiten het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1151/2012.

(20)

De bescherming wordt niet gevraagd voor de term “Mozzarella” als zodanig.

(21)

Derhalve moet de oorsprongsbenaming “Mozzarella di Gioia del Colle” (BOB) in haar geheel worden beschermd en moet worden toegestaan dat de term “Mozzarella” verder op het grondgebied van de Unie wordt gebruikt, mits de beginselen en regels die in de rechtsorde van de Unie gelden, worden nageleefd. De geconsolideerde versie van het enig document moet ter informatie worden bekendgemaakt.

(22)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité inzake de kwaliteit van landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Mozzarella di Gioia del Colle” (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.3. (Kaas) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3). Het geconsolideerde enig document is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

De naam “Mozzarella” mag verder op het grondgebied van de Unie worden gebruikt mits de beginselen en regels die in de rechtsorde van de Unie gelden, worden nageleefd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 356 van 21.10.2019, blz. 10.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


BIJLAGE

“MOZZARELLA DI GIOIA DEL COLLE”

EU-nr.: PDO-IT-02384 — 29.12.2017

BOB (X) BGA ( )

1.   Naam/namen

“Mozzarella di Gioia del Colle”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.3. Kaas

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

“Mozzarella di Gioia del Colle” is een verse kaas van uitgerekte wrongel, gemaakt van uitsluitend volle koemelk en wei als startercultuur. De kaas wordt gekenmerkt door:

a)

de volgende chemische samenstelling (waarden voor verse kaas): lactose ≤ 0,6 %, melkzuur ≥ 0,20 %, vocht 58-65 %, vet 15-21 % op het brutogewicht;

b)

een smaak die doet denken aan licht zure melk, met een aangename nasmaak van gisting of zure wei (sterker bij vers bereide kaas) en een zuur melkachtig aroma, soms met een licht boteraccent;

c)

de afwezigheid van toegevoegde conserveermiddelen, additieven en technische hulpstoffen.

“Mozzarella di Gioia del Colle” heeft een glad of enigszins vezelig oppervlak. De kaas glanst, maar is niet slijmerig of vlokkig. Hij is wit van kleur, soms met een licht strokleurige zweem, al naargelang het seizoen. Bij het aansnijden moet de kaas elastisch van consistentie zijn en mag hij geen afwijkingen vertonen. Op het snijvlak moet een kleine hoeveelheid witte wei uit de kaas sijpelen.

Er zijn drie vormen van “Mozzarella di Gioia del Colle”: rond, geknoopt en gevlochten. Afhankelijk van de vorm en grootte varieert het gewicht per portie van 50 g tot 1 000 g. De kaas wordt verkocht in een conserverende vloeistof (water, eventueel met toegevoegd zout en licht aangezuurd).

3.3.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong) en grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

Deze kaas wordt uitsluitend met rauwe volle koemelk bereid, die afkomstig is van twee melkbeurten. De melk mag worden verhit of gepasteuriseerd.

De kaas wordt op traditionele wijze gemaakt met wei als startercultuur.

De melk die wordt gebruikt voor de bereiding van “Mozzarella di Gioia del Colle” is afkomstig van kuddes melkkoeien van de rassen bruna, frisona, pezzata rossa of jersey en kruisingen van deze rassen, waarbij gras en/of hooi van weilanden met een grote variëteit aan vegetatie ten minste 60 % van de totale droge stof van het voer uitmaken.

Het veevoeder — eventueel als aanvullend voer — mag ook krachtvoer, meel of vlokken op basis van graan (maïs, gerst, tarwe, haver) en peulvruchten (soja, tuinbonen, veldbonen, voedererwten) bevatten. Johannesbrood en bijproducten van de graanverwerking — zemelen en voermeel van zachte tarwe, voermeel van harde tarwe — kunnen eveneens worden gebruikt, mits deze niet meer dan 40 % van de droge stof uitmaken. Tot slot kunnen vitaminen- en mineralencomplexen aan het voer van de koeien worden toegevoegd.

Om geen afbreuk te doen aan de kwaliteitskenmerken van “Mozzarella di Gioia del Colle”, die voortkomen uit de verbondenheid van het product met de regio, moet ten minste 60 % van de producten waarmee de koeien worden gevoerd afkomstig zijn uit het gebied zoals beschreven in punt 4. Dit vereiste percentage wordt bereikt door gras en/of hooi te gebruiken dat afkomstig is van weilanden in het betreffende gebied. Dit is het onderdeel van het voer dat verteerbare vezels bevat, in ruime zin gedefinieerd als “voedergewas” (gras en/of hooi, grasland enz.), en dat de chemische en organoleptische eigenschappen van de melk voor een groot deel bepaalt.

Het geografische gebied is op grond van zijn geografische, bodem- en klimaatomstandigheden niet geschikt — en zal nooit geschikt zijn — voor de teelt van gewassen zoals maïs of oliehoudende zaden zoals soja voor de productie van eiwithoudende diervoeders. Omdat deze diervoeders niet kunnen worden vervangen door hoogwaardig voeder uit het gebied zelf, moet het gebruik van aanvullend krachtvoer en voeders van buiten het gebied worden toegestaan. Deze producten worden gemakkelijk afgebroken en lossen snel op in de pens (korrels met een grootte van minder dan 0,8 cm — d.w.z. deze leiden niet tot samentrekkingen van de pens) en zijn daarmee een bron van energie (met name door reservekoolhydraten zoals zetmeel) en direct beschikbaar eiwit voor het microbioom in de pens. Hun rol is echter beperkt tot de fysiologische functie van ondersteuning van het microbioom, en zij hebben daarom geen invloed op de eigenschappen van de melk of de “Mozzarella di Gioia del Colle”. De vereiste dat de koeien zo lang mogelijk in de wei moeten staan (150 dagen) en voor een belangrijk deel worden gevoerd met in het gebied geproduceerd veevoer zijn dus de factoren in het voedsel die de chemische en sensorische eigenschappen van de grondstof en het eindproduct mede bepalen. Dit zijn derhalve twee fundamentele elementen die de grondstof, het eindproduct en het gebied met elkaar verbinden.

3.4.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

Alle fasen in het productieproces — het fokken en melken van de koeien, het verzamelen en verwerken van de melk en de kaasbereiding zelf — vinden plaats in het in punt 4 beschreven geografische gebied.

3.5.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz. van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

“Mozzarella di Gioia del Colle” is een vers product dat snel bederft, en moet daarom worden verpakt op dezelfde locatie als waar het is bereid, in het in punt 4 beschreven geografische gebied.

“Mozzarella di Gioia del Colle” mag in verpakkingen van verschillend gewicht en/of in afzonderlijke porties in de handel worden gebracht. Het product wordt verkocht in een conserverende vloeistof (water, eventueel met toegevoegd zout en licht aangezuurd).

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering van het product waarnaar de geregistreerde naam verwijst

Het logo (afbeelding 1) en de productiedatum moeten op de verpakking waarin “Mozzarella di Gioia del Colle” op de markt wordt gebracht worden afgedrukt.

Het logo van afbeelding 1 moet goed zichtbaar op de bovenzijde van het etiket of de verpakking en op de zijkanten worden weergegeven. Het logo van afbeelding 1 moet op beide zijden van afzonderlijk verpakte porties worden weergegeven.

Image 3

Afbeelding 1: logo

4.   Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied

Het productiegebied omvat de gemeenten Acquaviva delle Fonti, Alberobello, Altamura, Casamassima, Cassano delle Murge, Castellana Grotte, Conversano, Gioia del Colle, Gravina in Puglia, Locorotondo, Monopoli, Noci, Putignano, Sammichele di Bari, Santeramo in Colle en Turi in de provincie Bari; Castellaneta, Crispiano, Laterza, Martina Franca, Massafra en Mottola in de provincie Taranto, en een deel van de gemeente Matera dat grenst aan de gemeenten Altamura, Santeramo in Colle en Laterza en wordt afgebakend door de hoofdwegen SS 99 en SS 7.

5.   Verband met het geografische gebied

Het geografische gebied waar deze kaas wordt geproduceerd omvat delen van de provincies Bari en Taranto op de Murge-hoogvlakte, waar zich vele melkveehouderijen bevinden (de “veehouderijen” uit de tijd van koning Frederik). In dit gebied, waar veehouderijen en kaasmakerijen vrij dicht bij elkaar liggen (vaak zelfs op hetzelfde terrein), wordt koemelk van oudsher gebruikt voor de productie van “Mozzarella di Gioia del Colle”: in een publicatie uit 1885 getiteld L’Italia agricola, giornale dedicato al miglioramento morale ed economico delle popolazioni rurali (“Agrarisch Italië, een tijdschrift gewijd aan de morele en economische verheffing van de plattelandsbevolking”) (Redaelli, Milaan) wordt al verwezen naar de “exquise mozzarella uit Apulië”. Behalve door bepaalde bijzondere geografische, bodem- en klimaatkenmerken onderscheidt het gebied zich door de aloude diepgewortelde traditie van kaasbereiding, die de tand des tijds heeft doorstaan en van generatie op generatie is doorgegeven. Beide aspecten hebben een belangrijke invloed op de eigenschappen van de melk en kaas en zijn de belangrijkste factoren die “Mozzarella di Gioia del Colle” met het gebied verbinden.

Met name de chemisch-fysische en voedingskenmerken van de melk zijn verbonden met het gebied via het voer dat de dieren krijgen en de bredere omgeving waarin zij worden gefokt. Zoals bekend hangt de samenstelling van melk doorgaans nauw samen met de zoötechnische context waarin de dieren worden gehouden en is het soort vluchtige stoffen erg belangrijk voor de samenstelling. Deze stoffen, die deels ontstaan door het metabolisme van het dier en deels door de omgeving, zijn bepalend voor de aromatische eigenschappen van de melk. De vluchtige stoffen uit de omgeving kunnen via de spijsvertering (herkauwen) of via de longen (inademing) in de melk terechtkomen. In het geografische gebied waar “Mozzarella di Gioia del Colle” BOB wordt geproduceerd, hebben de geografische, bodem- en klimatologische omstandigheden ertoe geleid dat er bepaalde van nature voorkomende en gekweekte plantenrassen voorkomen die bestand zijn tegen hete, droge weersomstandigheden die typisch zijn voor een steppeachtige omgeving. De van nature voorkomende vegetatie is grotendeels xerofiel en omvat aromatische grassen zoals Thymus striatus, Ferula communis en Foeniculum vulgare. Deze planten — en xerofiele vegetatie in het algemeen — zijn bijzonder rijk aan polyfenolen, terpenen, carbonylverbindingen en andere vluchtige stoffen die de smaak van de melk direct of indirect kunnen beïnvloeden. Deze invloed is direct wanneer ze ongewijzigd in de melk terechtkomen, en indirect wanneer ze als precursoren voor andere vluchtige metabolieten fungeren die de geur beïnvloeden. Doordat de dieren jaarrond in deze omgeving verblijven, is de kans groot dat zij worden blootgesteld aan deze vluchtige stoffen waardoor aromatische eigenschappen aan de melk worden doorgegeven, met name in bepaalde perioden van het jaar. Over het geheel genomen garanderen de verplichte weidegang en het feit dat de dieren voor een belangrijk deel worden gevoerd met in het gebied geproduceerd voer de kenmerkende voedings- en functionele eigenschappen van de melk, waaronder het lipideprofiel en het gehalte aan vluchtige stoffen. De lokale omgevingsfactoren en veeteeltmethoden spelen een belangrijke rol bij de opbouw van de microbiële flora van de melk. Al deze factoren samen hebben een grote invloed op de organoleptische eigenschappen van “Mozzarella di Gioia del Colle”.

Wat de invloed van de bereidingstechniek betreft: bij deze traditionele, historische methode mag alleen verse melk worden gebruikt en alleen lokale wei worden toegevoegd (de startercultuur). De wei die als starter aan de melk wordt toegevoegd, is ook een van de links met het lokale gebied, omdat dezelfde bereidingswijze al van oudsher wordt toegepast: men laat de wei van de vorige dag zuur worden, waardoor deze wordt verrijkt met de melkenzymen die karakteristiek zijn voor de zuivel. Deze factoren zorgen voor een sterke link met het gebied, omdat de microbiologische bestanddelen hierdoor ook eigen zijn aan het gebied. De micro-organismen spelen een belangrijke rol in de sensorische eigenschappen omdat ze zorgen voor de vorming van de “secundaire aroma’s” van het product. Het eigen microbiologische profiel van de wei die als startercultuur wordt gebruikt, wordt deels bepaald door de eigenschappen van de melk die hiervoor is gebruikt, maar met name door de bereidingswijze en de omgeving waarin deze zich ontwikkelt. De “mix van eigen micro-organismen” in de startercultuur vormt een afspiegeling van alle fasen in het productieproces en wordt elke dag aan de melk en daarmee aan het eindproduct doorgegeven, waardoor het verband met het gebied behouden blijft. De methoden die de kaasmaker gebruikt om de wei in het vat te behandelen, de rijping van de wrongel en de latere verwerking van het mengsel vormen alles bij elkaar nog een typische link met het gebied. In feite hebben alle verwerkingsparameters samen een invloed op het ecosysteem van micro-organismen, dat op zich al vrij uniek is, en bepalen zij hoe de gisting verloopt. De deskundigheid van de kaasmaker is essentieel, omdat hij ervoor zorgt dat de micro-organismen zich op een unieke en onnavolgbare wijze kunnen ontwikkelen en de “Mozzarella di Gioia del Colle” zijn kenmerkende sensorische eigenschappen geven. Wat smaak betreft, zorgt deze gisting voor enigszins zure tonen met een aangename nasmaak van gist, die sterker is bij vers bereide kaas. Het aroma dat ontstaat tijdens het kaasbereidingsproces vermengt zich met de aroma’s die door de melk worden afgegeven, d.w.z. die ontstaan bij het gistingsproces (“secundair aroma”), dat frisse tonen van melk, boter en zure wei oplevert, en door de grondstof (“primair aroma”) met zijn karakteristieke plantaardige en dierlijke tonen. Samenvattend bepalen de omstandigheden waaronder de koeien leven de primaire aroma’s, waarbij het lokaal geproduceerde voedergewas (vers of als hooi) een belangrijke rol speelt, en worden de secundaire aroma’s bepaald door de typische micro-organismen.

Naast de specifieke eigenschappen als gevolg van de manier waarop de dieren worden gehouden en de bereidingswijze van de kaas spelen ook de omgevings-, historische en culturele factoren een rol. Het landschap (Natura 2000), de lokale geologie (de Murge-hoogvlakte in Apulië, met kalksteen uit het Krijt, rotsachtige bodem en gereduceerde klei) en het klimaat zijn eveneens belangrijke factoren. In historisch en cultureel opzicht bestaat er een nauw verband tussen het product en het houderijsysteem in het gebied: kleine en middelgrote veehouderijen, vaak familiebedrijven en volgens lokale gebruiken georganiseerd, waar vee lange perioden in de wei staat. Tot slot blijkt uit vele bronnen dat mozzarella een rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Gioia del Colle, zoals uit een documentaire van het Istituto Luce in Gioia del Colle van 28 augustus 1950. Andere bronnen tonen aan dat in de eerste decennia van de twintigste eeuw “een boer genaamd Clemente Milano, die koeien van het ras Bruna Alpina hield in het gebied Gioia del Colle, als eerste de melk van zijn vee gebruikte voor de bereiding van het bijzondere verse zuivelproduct dat bekendstaat als mozzarella” (uit Gioia del Colle, oggi (“Gioia del Colle, vandaag”), uitgegeven door Giovanni Bozzo voor Japigia Editrice, Bari 1970). In een artikel uit 1922 van Giovanni Carano Donvito staat dat “….“Mozzarella di Gioia (del Colle)” zeer werd gewaardeerd, erg gewild was en goed geld opleverde op de markt in Rome en Napels, maar ook in Bari, Taranto, Lecce, Foggia en andere kleinere steden” (La riforma sociale (“Sociale hervorming”), F.S. Nitti, L. Roux, L. Einaudi — Roux e Viarengo, Turijn). Tot slot hebben er sinds de jaren zestig van de vorige eeuw aantoonbaar veel grote lokale evenementen plaatsgevonden die tot doel hadden de “Mozzarella di Gioia del Colle” meer naamsbekendheid te geven.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de onderhavige verordening)

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan worden geraadpleegd via de volgende link: http://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

ofwel

door de homepage van het Ministerie van Landbouw, Levensmiddelen en Bosbouw (www.politicheagricole.it) te openen en te klikken op “Prodotti DOP IGP” (rechtsboven op het scherm), vervolgens op “Prodotti DOP IPG STG” (aan de linkerkant van het scherm) en ten slotte op “Disciplinari di Produzione all’esame dell'UE”.


BESLUITEN

10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/53


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/2019 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2020

tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 8984)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (3), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie (4) zijn in bepaalde lidstaten, waar gevallen van Afrikaanse varkenspest in tamme of wilde varkens zijn bevestigd (“de betrokken lidstaten”), maatregelen op het gebied van de diergezondheid vastgesteld in verband met die ziekte. In de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit zijn bepaalde gebieden in de betrokken lidstaten afgebakend, die in de lijsten in de delen I tot en met IV van die bijlage zijn opgenomen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende risiconiveaus op basis van de epidemiologische situatie van die ziekte. De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU is verscheidene keren gewijzigd om rekening te houden met veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van Afrikaanse varkenspest in de Unie die in die bijlage moeten worden weerspiegeld. De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1780 van de Commissie (5), naar aanleiding van veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van die ziekte in Litouwen en Slowakije.

(2)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1780 is vastgesteld, hebben zich nieuwe gevallen van Afrikaanse varkenspest voorgedaan bij tamme varkens in Roemenië en bij wilde varkens in Polen.

(3)

In december 2020 zijn verschillende uitbraken van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij tamme varkens in het district Bistriţa-Năsăud in Roemenië, in een gebied dat momenteel is opgenomen in de lijst in deel II van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU. Door deze uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij tamme varkens moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moet dit in deel II van die bijlage opgenomen gebied van Roemenië dat door deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in de lijst in deel III in plaats van in deel II van die bijlage worden opgenomen.

(4)

In december 2020 is een geval van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij een wild varken in het district Iława (powiat iławski) in Polen, in een gebied dat momenteel is opgenomen in de lijst in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU. Door dit geval van Afrikaanse varkenspest bij een wild varken moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moet dit momenteel in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU opgenomen gebied van Polen dat door dit recente geval van Afrikaanse varkenspest is getroffen, nu in de lijst in deel II in plaats van in deel I van die bijlage worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van deel I opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met dit recente geval.

(5)

Daarnaast is in december 2020 een geval van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij een wild varken in het district Grójec (powiat grójecki) in Polen, in een gebied dat is opgenomen in de lijst in deel II van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU, in de onmiddellijke nabijheid van een gebied dat momenteel is opgenomen in deel I van die bijlage. Door dit nieuwe geval van Afrikaanse varkenspest bij een wild varken moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moet dit momenteel in de lijst in deel I van die bijlage opgenomen gebied van Polen dat door dit recente geval van Afrikaanse varkenspest is getroffen en dat in de onmiddellijke nabijheid van een in de lijst in deel II opgenomen gebied ligt, nu in de lijst in deel II in plaats van in deel I van die bijlage worden opgenomen, en moeten de huidige grenzen van deel I opnieuw worden bepaald en uitgebreid om rekening te houden met dit recente geval.

(6)

Naar aanleiding van deze recente uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij tamme varkens in Roemenië en de recente gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens in Polen, en rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie, is de regionalisering in die lidstaten opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Bovendien zijn de bestaande risicobeheersmaatregelen ook opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU.

(7)

Om rekening te houden met recente ontwikkelingen in de epidemiologische situatie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico’s, moet voor Roemenië een nieuw gebied met een hoog risico van voldoende omvang worden afgebakend en in de lijst in deel III van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen. Daarnaast moeten voor Polen nieuwe gebieden met een hoog risico van voldoende omvang worden afgebakend en in de lijsten in de delen I en II van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen.

(8)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die bij dit besluit in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden aangebracht, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(9)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 december 2020.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)   PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie van 9 oktober 2014 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU (PB L 295 van 11.10.2014, blz. 63).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1780 van de Commissie van 27 november 2020 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (PB L 399 van 30.11.2020, blz. 12).


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wordt vervangen door:

“BIJLAGE

DEEL I

1.   Estland

De volgende gebieden in Estland:

Hiiu maakond.

2.   Hongarije

De volgende gebieden in Hongarije:

Békés megye 950950, 950960, 950970, 951950, 952050, 952750, 952850, 952950, 953050, 953150, 953650, 953660, 953750, 953850, 953960, 954250, 954260, 954350, 954450, 954550, 954650, 954750, 954850, 954860, 954950, 955050, 955150, 955250, 955260, 955270, 955350, 955450, 955510, 955650, 955750, 955760, 955850, 955950, 956050, 956060, 956150 és 956160 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Bács-Kiskun megye 600150, 600850, 601550, 601650, 601660, 601750, 601850, 601950, 602050, 603250, 603750 és 603850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Budapest 1 kódszámú, vadgazdálkodási tevékenységre nem alkalmas területe,

Csongrád-Csanád megye 800150, 800160, 800250, 802220, 802260, 802310 és 802450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Fejér megye 400150, 400250, 400351, 400352, 400450, 400550, 401150, 401250, 401350, 402050, 402350, 402360, 402850, 402950, 403050, 403250, 403350, 403450, 403550, 403650, 403750, 403950, 403960, 403970, 404570, 404650, 404750, 404850, 404950, 404960, 405050, 405750, 405850, 405950, 406050, 406150, 406550, 406650 és 406750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750260, 750350, 750450, 750460, 754450, 754550, 754560, 754570, 754650, 754750, 754950, 755050, 755150, 755250, 755350 és 755450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye 250150, 250250, 250350, 250450, 250460, 250550, 250650, 250750, 250850, 250950, 251050, 251150, 251250, 251350, 251360, 251450, 251550, 251650, 251750, 251850, 252150 és 252250, kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 571550, 572150, 572250, 572350, 572550, 572650, 572750, 572850, 572950, 573150, 573250, 573260, 573350, 573360, 573450, 573850, 573950, 573960, 574050, 574150, 574350, 574360, 574550, 574650, 574750, 574850, 574860, 574950, 575050, 575150, 575250, 575350, 575550, 575650, 575750, 575850, 575950, 576050, 576150, 576250, 576350, 576450, 576650, 576750, 576850, 576950, 577050, 577150, 577350, 577450, 577650, 577850, 577950, 578050, 578150, 578250, 578350, 578360, 578450, 578550, 578560, 578650, 578850, 578950, 579050, 579150, 579250, 579350, 579450, 579460, 579550, 579650, 579750, 580250 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe.

3.   Letland

De volgende gebieden in Letland:

Pāvilostas novada Vērgales pagasts,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Grobiņas novads,

Rucavas novada Dunikas pagasts.

4.   Litouwen

De volgende gebieden in Litouwen:

Klaipėdos rajono savivaldybės: Agluonėnų, Priekulės, Veiviržėnų, Judrėnų, Endriejavo, Vėžaičių, Kretingalės ir Dauparų-Kvietinių seniūnijos,

Palangos miesto savivaldybė,

Plungės rajono savivaldybės: Nausodžio sen dalis nuo kelio 166 į pietryčius ir Kulių seniūnija.

5.   Polen

De volgende gebieden in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Wielbark i Rozogi w powiecie szczycieńskim,

gminy Janowiec Kościelny, Janowo i część gminy Kozłowo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Rączki — Kownatki — Gardyny w powiecie nidzickim,

powiat działdowski,

część gminy Dąbrówno położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 542 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Dąbrówno, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Dąbrówno przez miejscowości Zamkowy Młyn — Wądzyń do południowej granicy gminy w powiecie ostródzkim,

gminy Kisielice, Susz, miasto Iława i część gminy wiejskiej Iława położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 16 biegnącą od wschodniej granicy gminy do granicy miasta Iława, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od południowej granicy gminy miasta Iława przez miejscowość Katarzynki do południowej granicy gminy, w powiecie iławskim,

powiat nowomiejski.

w województwie podlaskim:

gminy Wysokie Mazowieckie z miastem Wysokie Mazowieckie, Czyżew i część gminy Kulesze Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię koleją w powiecie wysokomazowieckim,

gminy Miastkowo, Nowogród, Śniadowo i Zbójna w powiecie łomżyńskim,

gminy Szumowo, Zambrów z miastem Zambrów i część gminy Kołaki Kościelne położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

w województwie mazowieckim:

powiat ostrołęcki,

powiat miejski Ostrołęka,

gminy Bielsk, Brudzeń Duży, Drobin, Gąbin, Łąck, Nowy Duninów, Radzanowo, Słupno i Stara Biała w powiecie płockim,

powiat miejski Płock,

powiat sierpecki,

powiat żuromiński,

gminy Andrzejewo, Brok, Stary Lubotyń, Szulborze Wielkie, Wąsewo, Ostrów Mazowiecka z miastem Ostrów Mazowiecka, część gminy Małkinia Górna położona na północ od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

gminy Dzierzgowo, Lipowiec Kościelny, miasto Mława, Radzanów, Szreńsk, Szydłowo i Wieczfnia Kościelna, w powiecie mławskim,

powiat przasnyski,

powiat makowski,

gminy Gzy, Obryte, Zatory, Pułtusk i część gminy Winnica położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Bielany, Winnica i Pokrzywnica w powiecie pułtuskim,

gminy wyszkowski,

gminy Jadów, Strachówka i Tłuszcz w powiecie wołomińskim,

gminy Korytnica, Liw, Łochów, Miedzna, Sadowne, Stoczek i miasto Węgrów w powiecie węgrowskim,

gminy Kowala, Wierzbica, część gminy Wolanów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie radomskim,

powiat miejski Radom,

powiat szydłowiecki,

powiat gostyniński,

w województwie podkarpackim:

gminy Pruchnik, Rokietnica, Roźwienica, w powiecie jarosławskim,

gminy Fredropol, Krasiczyn, Krzywcza, Medyka, Orły, Żurawica, Przemyśl w powiecie przemyskim,

powiat miejski Przemyśl,

gminy Gać, Jawornik Polski, Kańczuga, część gminy wiejskiej Przeworsk położona na zachód od miasta Przeworsk i na zachód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na południe od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie przeworskim,

powiat łańcucki,

gminy Trzebownisko, Głogów Małopolski i część gminy Sokołów Małopolski położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gminy Dzikowiec, Kolbuszowa, Niwiska i Raniżów w powiecie kolbuszowskim,

gminy Borowa, Czermin, Gawłuszowice, Mielec z miastem Mielec, Padew Narodowa, Przecław, Tuszów Narodowy w powiecie mieleckim,

w województwie świętokrzyskim:

powiat opatowski,

powiat sandomierski,

gminy Bogoria, Łubnice, Oleśnica, Osiek, Połaniec, Rytwiany i Staszów w powiecie staszowskim,

gmina Skarżysko Kościelne w powiecie skarżyskim,

gmina Wąchock, część gminy Brody położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 oraz na południowy — zachód od linii wyznaczonej przez drogi: nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie, drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy oraz na północ od drogi nr 42 i część gminy Mirzec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno — wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

powiat ostrowiecki,

gminy Gowarczów, Końskie i Stąporków w powiecie koneckim,

w województwie łódzkim:

gminy Łyszkowice, Kocierzew Południowy, Kiernozia, Chąśno, Nieborów, część gminy wiejskiej Łowicz położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 biegnącej od granicy miasta Łowicz do zachodniej granicy gminy oraz część gminy wiejskiej Łowicz położona na wschód od granicy miasta Łowicz i na północ od granicy gminy Nieborów w powiecie łowickim,

gminyCielądz, Rawa Mazowiecka z miastem Rawa Mazowiecka w powiecie rawskim,

gminy Bolimów, Głuchów, Godzianów, Lipce Reymontowskie, Maków, Nowy Kawęczyn, Skierniewice, Słupia w powiecie skierniewickim,

powiat miejski Skierniewice,

gminy Białaczów, Mniszków, Paradyż, Sławno i Żarnów w powiecie opoczyńskim,

gminy Czerniewice, Inowłódz, Lubochnia, Rzeczyca, Tomaszów Mazowiecki z miastem Tomaszów Mazowiecki i Żelechlinek w powiecie tomaszowskim,

w województwie pomorskim:

gminy Ostaszewo, miasto Krynica Morska oraz część gminy Nowy Dwór Gdański położona na południowy — zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

gminy Lichnowy, Miłoradz, Nowy Staw, Malbork z miastem Malbork w powiecie malborskim,

gminy Mikołajki Pomorskie, Stary Targ i Sztum w powiecie sztumskim,

powiat gdański,

Miasto Gdańsk,

powiat tczewski,

powiat kwidzyński,

w województwie lubuskim:

gminy Przytoczna, Pszczew, Skwierzyna i część gminy Trzciel położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 w powiecie międzyrzeckim,

gminy Lubniewice i Krzeszyce w powiecie sulęcińskim,

gminy Bogdaniec, Deszczno, Lubiszyn i część gminy Witnica położona na północny — wschód od drogi biegnącej od zachodniej granicy gminy od miejscowości Krześnica, przez miejscowości Kamień Wielki — Mościce -Witnica — Kłopotowo do południowej granicy gminy w powiecie gorzowskim,

w województwie dolnośląskim:

gminy Bolesławiec z miastem Bolesławiec, Gromadka i Osiecznica w powiecie bolesławieckim,

gmina Węgliniec w powiecie zgorzeleckim,

gmina Chocianów i część gminy Przemków położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

gmina Jemielno, Niechlów i Góra w powiecie górowskim,

gmina Rudna i Lubin z miastem Lubin w powiecie lubińskim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Krzemieniewo, Rydzyna, część gminy Święciechowa położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 12w powiecie leszczyńskim,

część gminy Kwilcz położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 24, część gminy Międzychód położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 24 w powiecie międzychodzkim,

gminy Lwówek, Kuślin, Opalenica, część gminy Miedzichowo położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Nowy Tomyśl położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie nowotomyskim,

gminy Granowo, Grodzisk Wielkopolski i część gminy Kamieniec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 w powiecie grodziskim,

gmina Czempiń, miasto Kościan, część gminy wiejskiej Kościan położona na północny — zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 5 oraz na wschód od linii wyznaczonej przez kanał Obry, część gminy Krzywiń położona na wschód od linii wyznaczonej przez kanał Obry w powiecie kościańskim,

powiat miejski Poznań,

gminy Buk, Dopiewo, Komorniki, Tarnowo Podgórne, Stęszew, Swarzędz, Pobiedziska, Czerwonak, Mosina, miasto Luboń, miasto Puszczykowo i część gminy Kórnik położona na zachód od linii wyznaczonych przez drogi: nr S11 biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 434 i drogę nr 434 biegnącą od tego skrzyżowania do południowej granicy gminy, część gminy Rokietnica położona na południowy zachód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz oraz część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na południe od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie poznańskim,

gmina Kiszkowo i część gminy Kłecko położona na zachód od rzeki Mała Wełna w powiecie gnieźnieńskim,

gminy Lubasz, Czarnków z miastem Czarnków, część gminy Połajewo na położona na północ od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo — ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Wieleń położona na południe od linii kolejowej biegnącej od wschodniej granicy gminy przez miasto Wieleń i miejscowość Herburtowo do zachodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

gminy Duszniki, Kaźmierz, Pniewy, Ostroróg, Wronki, miasto Szamotuły i część gminy Szamotuły położona na zachód od zachodniej granicy miasta Szamotuły i na południe od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły, do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na zachód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na zachód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim,

gmina Budzyń w powiecie chodzieskim,

gminy Mieścisko, Skoki i Wągrowiec z miastem Wągrowiec w powiecie wągrowieckim,

gmina Dobrzyca i część gminy Gizałki położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 w powiecie pleszewskim,

gmina Zagórów w powiecie słupeckim,

gmina Pyzdry w powiecie wrzesińskim,

gminy Kotlin, Żerków i część gminy Jarocin położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr S11 i 15 w powiecie jarocińskim,

gmina Rozdrażew, część gminy Koźmin Wielkopolski położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 15, część gminy Krotoszyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 15 oraz na wschód od granic miasta Krotoszyn w powiecie krotoszyńskim,

gminy Nowe Skalmierzyce, Raszków, Ostrów Wielkopolski z miastem Ostrów Wielkopolski w powiecie ostrowskim,

powiat miejski Kalisz,

gminy Ceków — Kolonia, Godziesze Wielkie, Koźminek, Lisków, Mycielin, Opatówek, Szczytniki w powiecie kaliskim,

gmina Malanów i część gminy Tuliszków położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 72 w powiecie tureckim,

gminy Rychwał, Rzgów, część gminy Grodziec położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 443, część gminy Stare Miasto położona na południe od linii wyznaczonej przez autostradę nr A2 w powiecie konińskim,

w województwie zachodniopomorskim:

część gminy Boleszkowice położona na północny wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 i część gminy Dębno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Sarbinowo, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Sarbinowo przez miejscowość Krześnica do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim,

gmina Mieszkowice w powiecie gryfińskim.

6.   Slowakije

De volgende gebieden in Slowakije:

the whole district of Vranov nad Topľou, except municipalities included in part II,

the whole district of Humenné,

the whole district of Snina,

the whole district of Medzilaborce

the whole district of Stropkov

the whole district of Svidník, except municipalities included in part II,

the whole district of Bardejov, except municipalities included in part II,

the whole district of Sobrance, except municipalities included in part III,

in the district of Michalovce municipality Strážske,

in the district of Gelnica, the whole municipalities of Uhorná, Smolnícka Huta, Mníšek nad Hnilcom, Prakovce, Helcmanovce, Gelnica, Kojšov, Veľký Folkmár, Jaklovce, Žakarovce, Margecany, Henclová and Stará Voda,

in the whole district of Prešov, except municipalities included in part II,

in the whole district of Sabinov, except municipalities included in part II,

in the district Stará Ľubovňa, the whole municipalities of Šambron„ Hromoš, Vislanka, Ďurková, Plavnica, Plaveč, Ľubotín, Údol, Orlov, Starina, Legnava,

in the district of Rožňava, the whole municipalities of Brzotín, Gočaltovo, Honce, Jovice, Kružná, Kunová Teplica, Pača, Pašková, Pašková, Rakovnica,

Rozložná, Rožňavské Bystré, Rožňava, Rudná, Štítnik, Vidová, Čučma and Betliar,

in the district of Revúca, the whole municipalities of Držkovce, Chvalová, Gemerské Teplice, Gemerský Sad, Hucín, Jelšava, Leváre, Licince, Nadraž, Prihradzany, Sekerešovo, Šivetice, Kameňany, Višňové, Rybník and Sása, Turčok, Rákoš, Sirk, Hrlica, Ploské, Ratková,

in the district of Michalovce, the whole municipality of Strážske,

in the district of Rimavská Sobota, municipalities located south of the road No. 526 not included in Part II,

in the district of Lučenec, the whole municipalities of Trenč, Veľká nad Ipľom, Jelšovec, Panické Dravce, Lučenec, Kalonda, Rapovce, Trebeľovce, Mučín, Lipovany, Pleš, Fiľakovské Kováče, Ratka, Fiľakovo, Biskupice, Belina, Radzovce, Čakanovce, Šiatorská Bukovinka, Čamovce, Šurice, Halič, Mašková, Ľuboreč, Šíd and Prša,

in the district of Veľký Krtíš, the whole municipalities of Ipeľské Predmostie, Veľká Ves nad Ipľom, Sečianky, Kleňany, Hrušov, Vinica, Balog nad Ipľom, Dolinka, Kosihy nad Ipľom, Ďurkovce, Širákov, Kamenné Kosihy, Seľany, Veľká Čalomija, Malá Čalomija, Koláre, Trebušovce, Chrastince, Lesenice, Slovenské Ďarmoty, Opatovská Nová Ves, Bátorová, Nenince, Záhorce, Želovce, Sklabiná, Nová Ves, Obeckov, Vrbovka, Kiarov, Kováčovce, Zombor, Olováry, Čeláre, Glabušovce, Veľké Straciny, Malé Straciny, Malý Krtíš, Veľký Krtíš, Pôtor, Veľké Zlievce, Malé Zlievce, Bušince, Muľa, Ľuboriečka, Dolná Strehová, Vieska, Slovenské Kľačany, Horná Strehová, Chrťany and Závada.

7.   Griekenland

De volgende gebieden in Griekenland:

in the regional unit of Drama:

the community departments of Sidironero and Skaloti and the municipal departments of Livadero and Ksiropotamo (in Drama municipality),

the municipal department of Paranesti (in Paranesti municipality),

the municipal departments of Kokkinogeia, Mikropoli, Panorama, Pyrgoi (in Prosotsani municipality),

the municipal departments of Kato Nevrokopi, Chrysokefalo, Achladea, Vathytopos, Volakas, Granitis, Dasotos, Eksohi, Katafyto, Lefkogeia, Mikrokleisoura, Mikromilea, Ochyro, Pagoneri, Perithorio, Kato Vrontou and Potamoi (in Kato Nevrokopi municipality),

in the regional unit of Xanthi:

the municipal departments of Kimmerion, Stavroupoli, Gerakas, Dafnonas, Komnina, Kariofyto and Neochori (in Xanthi municipality),

the community departments of Satres, Thermes, Kotyli, and the municipal departments of Myki, Echinos and Oraio and (in Myki municipality),

the community department of Selero and the municipal department of Sounio (in Avdira municipality),

in the regional unit of Rodopi:

the municipal departments of Komotini, Anthochorio, Gratini, Thrylorio, Kalhas, Karydia, Kikidio, Kosmio, Pandrosos, Aigeiros, Kallisti, Meleti, Neo Sidirochori and Mega Doukato (in Komotini municipality),

the municipal departments of Ipio, Arriana, Darmeni, Archontika, Fillyra, Ano Drosini, Aratos and the Community Departments Kehros and Organi (in Arriana municipality),

the municipal departments of Iasmos, Sostis, Asomatoi, Polyanthos and Amvrosia and the community department of Amaxades (in Iasmos municipality),

the municipal department of Amaranta (in Maroneia Sapon municipality),

in the regional unit of Evros:

the municipal departments of Kyriaki, Mandra, Mavrokklisi, Mikro Dereio, Protokklisi, Roussa, Goniko, Geriko, Sidirochori, Megalo Derio, Sidiro, Giannouli, Agriani and Petrolofos (in Soufli municipality),

the municipal departments of Dikaia, Arzos, Elaia, Therapio, Komara, Marasia, Ormenio, Pentalofos, Petrota, Plati, Ptelea, Kyprinos, Zoni, Fulakio, Spilaio, Nea Vyssa, Kavili, Kastanies, Rizia, Sterna, Ampelakia, Valtos, Megali Doxipara, Neochori and Chandras (in Orestiada municipality),

the municipal departments of Asvestades, Ellinochori, Karoti, Koufovouno, Kiani, Mani, Sitochori, Alepochori, Asproneri, Metaxades, Vrysika, Doksa, Elafoxori, Ladi, Paliouri and Poimeniko (in Didymoteixo municipality),

in the regional unit of Serres:

the municipal departments of Kerkini, Livadia, Makrynitsa, Neochori, Platanakia, Petritsi, Akritochori, Vyroneia, Gonimo, Mandraki, Megalochori, Rodopoli, Ano Poroia, Katw Poroia, Sidirokastro, Vamvakophyto, Promahonas, Kamaroto, Strymonochori, Charopo, Kastanousi and Chortero and the community departments of Achladochori, Agkistro and Kapnophyto (in Sintiki municipality),

the municipal departments of Serres, Elaionas and Oinoussa and the community departments of Orini and Ano Vrontou (in Serres municipality),

the municipal departments of Dasochoriou, Irakleia, Valtero, Karperi, Koimisi, Lithotopos, Limnochori, Podismeno and Chrysochorafa (in Irakleia municipality).

8.   Duitsland

De volgende gebieden in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Alt Zauche-Wußwerk,

Gemeinde Byhleguhre-Byhlen,

Gemeinde Märkische Heide,

Gemeinde Neu Zauche,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Groß Liebitz, Guhlen, Mochow und Siegadel,

Gemeinde Spreewaldheide,

Gemeinde Straupitz mit der Gemarkung Straupitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Neuhardenberg,

Gemeinde Gusow-Platkow,

Gemeinde Lietzen,

Gemeinde Falkenhagen (Mark),

Gemeinde Zeschdorf,

Gemeinde Treplin,

Gemeinde Lebus mit den Gemarkungen Wüste-Kunersdorf, Wulkow bei Booßen, Schönfließ, Mallnow — westlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Fichtenhöhe mit den Gemarkungen Niederjesar, Alt Mahlisch, Carzig — westlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Lindendorf mit den Gemarkungen Neu Mahlisch, Libbenichen — westlich der Bahnstrecke RB 60 und Dolgelin — westlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Vierlinden mit den Gemarkungen Marxdorf, Neuentempel, Diedersdorf, Worin, Görlsdorf, Alt Rosenthal, Friedersdorf — westlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Müncheberg mit den Gemarkungen Trebnitz und Jahnsfelde,

Gemeinde Letschin mit den Gemarkungen Steintoch, Neu Rosenthal, Letschin, Kiehnwerder, Sietzing, Kienitz, Wilhelmsaue, Posedin, Solikante, Klein Neuendorf, Neubarnim, Ortwig, Groß Neuendorf, Ortwig Graben, Mehrin-Graben und Zelliner Loose,

Gemeinde Seelow mit den Gemarkungen Seelow — westlich der Bahnstrecke RB 60, Werbig — westlich der Bahnstrecke RB 60 und Langsow — westlich der Bahnstrecke RB 60,

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Storkow (Mark),

Gemeinde Wendisch Rietz,

Gemeinde Reichenwalde,

Gemeinde Diensdorf-Radlow,

Gemeinde Bad Saarow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf mit den Gemarkungen Buckow, Glienicke, Behrensdorf, Ahrensdorf, Herzberg, Görzig, Pfaffendorf, Sauen, Wilmersdorf (G), Neubrück, Drahendorf, Alt Golm,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Briescht, Kossenblatt, Werder, Görsdorf (B), Wiesendorf, Wulfersdorf, Falkenberg (T), Lindenberg,

Gemeinde Steinhöfel mit den Gemarkungen Dunnitz, Steinhöfel, Hasenfelde, Ahrensdorf, Heinersdorf, Tempelberg,

Gemeinde Langewahl,

Gemeinde Berkenbrück,

Gemeinde Briesen (Mark),

Gemeinde Jacobsdorf,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Jänschwalde,

Gemeinde Peitz,

Gemeinde Tauer,

Gemeinde Turnow-Preilack,

Gemeinde Drachhausen,

Gemeinde Schmogrow-Fehrow,

Gemeinde Drehnow,

Gemeinde Guben mit der Gemarkung Schlagsdorf,

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Grabko, Kerrkwitz, Groß Gastrose,

kreisfreie Stadt Frankfurt (Oder),

Bundesland Sachsen:

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Gablenz,

Gemeinde Bad Muskau,

Gemeinde Krauschwitz sofern nicht bereits Teil des Gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Weißkeißel sofern nicht bereits Teil des Gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Rietschen sofern nicht bereits Teil des Gefährdeten Gebietes,

Gemeinde Hähnichen,

Gemeinde Rothenburg/O. L.,

Gemeinde Neiße-Aue,

Gemeinde Görlitz nördlich der Bundesautobahn 4.

DEEL II

1.   Bulgarije

De volgende gebieden in Bulgarije:

the whole region of Haskovo,

the whole region of Yambol,

the whole region of Stara Zagora,

the whole region of Pernik,

the whole region of Kyustendil,

the whole region of Plovdiv,

the whole region of Pazardzhik,

the whole region of Smolyan,

the whole region of Burgas excluding the areas in Part III.

2.   Estland

De volgende gebieden in Estland:

Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond).

3.   Hongarije

De volgende gebieden in Hongarije:

Békés megye 950150, 950250, 950350, 950450, 950550, 950650, 950660, 950750, 950850, 950860, 951050, 951150, 951250, 951260, 951350, 951450, 951460, 951550, 951650, 951750, 952150, 952250, 952350, 952450, 952550, 952650, 953250, 953260, 953270, 953350, 953450, 953550, 953560, 953950, 954050, 954060, 954150, 956250, 956350, 956450, 956550, 956650 és 956750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Borsod-Abaúj-Zemplén megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Fejér megye 403150, 403160, 403260, 404250, 404550, 404560, 405450, 405550, 405650, 406450 és 407050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Hajdú-Bihar megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Heves megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe,

Jász-Nagykun-Szolnok megye 750250, 750550, 750650, 750750, 750850, 750970, 750980, 751050, 751150, 751160, 751250, 751260, 751350, 751360, 751450, 751460, 751470, 751550, 751650, 751750, 751850, 751950, 752150, 752250, 752350, 752450, 752460, 752550, 752560, 752650, 752750, 752850, 752950, 753060, 753070, 753150, 753250, 753310, 753450, 753550, 753650, 753660, 753750, 753850, 753950, 753960, 754050, 754150, 754250, 754360, 754370, 754850, 755550, 755650 és 755750 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Komárom-Esztergom megye: 251950, 252050, 252350, 252450, 252460, 252550, 252650, 252750, 252850, 252860, 252950, 252960, 253050, 253150, 253250, 253350, 253450 és 253550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Nógrád megye valamennyi vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Pest megye 570150, 570250, 570350, 570450, 570550, 570650, 570750, 570850, 570950, 571050, 571150, 571250, 571350, 571650, 571750, 571760, 571850, 571950, 572050, 573550, 573650, 574250, 577250, 580050 és 580150 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe,

Szabolcs-Szatmár-Bereg megye valamennyi vadgazdálkodási egységének teljes területe.

4.   Letland

De volgende gebieden in Letland:

Ādažu novads,

Aizputes novada Aizputes, Cīravas un Lažas pagasts, Kalvenes pagasta daļa uz rietumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz dienvidiem no autoceļa A9, uz rietumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz rietumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296, Aizputes pilsēta,

Aglonas novads,

Aizkraukles novads,

Aknīstes novads,

Alojas novads,

Alsungas novads,

Alūksnes novads,

Amatas novads,

Apes novads,

Auces novads,

Babītes novads,

Baldones novads,

Baltinavas novads,

Balvu novads,

Bauskas novads,

Beverīnas novads,

Brocēnu novads,

Burtnieku novads,

Carnikavas novads,

Cēsu novads,

Cesvaines novads,

Ciblas novads,

Dagdas novads,

Daugavpils novads,

Dobeles novads,

Dundagas novads,

Durbes novads,

Engures novads,

Ērgļu novads,

Garkalnes novads,

Gulbenes novads,

Iecavas novads,

Ikšķiles novads,

Ilūkstes novads,

Inčukalna novads,

Jaunjelgavas novads,

Jaunpiebalgas novads,

Jaunpils novads,

Jēkabpils novads,

Jelgavas novads,

Kandavas novads,

Kārsavas novads,

Ķeguma novads,

Ķekavas novads,

Kocēnu novads,

Kokneses novads,

Krāslavas novads,

Krimuldas novads,

Krustpils novads,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1296, Padures, Rumbas, Rendas, Kabiles, Vārmes, Pelču, Ēdoles, Īvandes, Kurmāles, Turlavas, Gudenieku un Snēpeles pagasts, Kuldīgas pilsēta,

Lielvārdes novads,

Līgatnes novads,

Limbažu novads,

Līvānu novads,

Lubānas novads,

Ludzas novads,

Madonas novads,

Mālpils novads,

Mārupes novads,

Mazsalacas novads,

Mērsraga novads,

Naukšēnu novads,

Neretas novads,

Ogres novads,

Olaines novads,

Ozolnieku novads,

Pārgaujas novads,

Pāvilostas novada Sakas pagasts, Pāvilostas pilsēta,

Pļaviņu novads,

Preiļu novads,

Priekules novads,

Priekuļu novads,

Raunas novads,

republikas pilsēta Daugavpils,

republikas pilsēta Jelgava,

republikas pilsēta Jēkabpils,

republikas pilsēta Jūrmala,

republikas pilsēta Rēzekne,

republikas pilsēta Valmiera,

Rēzeknes novads,

Riebiņu novads,

Rojas novads,

Ropažu novads,

Rugāju novads,

Rundāles novads,

Rūjienas novads,

Salacgrīvas novads,

Salas novads,

Salaspils novads,

Saldus novads,

Saulkrastu novads,

Sējas novads,

Siguldas novads,

Skrīveru novads,

Skrundas novada Raņķu pagasta daļa uz ziemeļiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes,

Smiltenes novads,

Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes,

Strenču novads,

Talsu novads,

Tērvetes novads,

Tukuma novads,

Vaiņodes novada Vaiņodes pagasts un Embūtes pagasta daļa uz dienvidiem autoceļa P116, P106,

Valkas novads,

Varakļānu novads,

Vārkavas novads,

Vecpiebalgas novads,

Vecumnieku novads,

Ventspils novads,

Viesītes novads,

Viļakas novads,

Viļānu novads,

Zilupes novads.

5.   Litouwen

De volgende gebieden in Litouwen:

Alytaus miesto savivaldybė,

Alytaus rajono savivaldybė,

Anykščių rajono savivaldybė,

Akmenės rajono savivaldybė,

Birštono savivaldybė,

Biržų miesto savivaldybė,

Biržų rajono savivaldybė,

Druskininkų savivaldybė,

Elektrėnų savivaldybė,

Ignalinos rajono savivaldybė,

Jonavos rajono savivaldybė,

Joniškio rajono savivaldybė,

Jurbarko rajono savivaldybė: Eržvilko, Girdžių, Jurbarko miesto, Jurbarkų, Raudonės, Šimkaičių, Skirsnemunės, Smalininkų, Veliuonos ir Viešvilės seniūnijos,

Kaišiadorių rajono savivaldybė,

Kalvarijos savivaldybė,

Kauno miesto savivaldybė,

Kauno rajono savivaldybė: Akademijos, Alšėnų, Batniavos, Ežerėlio, Domeikavos, Garliavos, Garliavos apylinkių, Karmėlavos, Kulautuvos, Lapių, Linksmakalnio, Neveronių, Raudondvario, Ringaudų, Rokų, Samylų, Taurakiemio, Vandžiogalos, Užliedžių, Vilkijos, ir Zapyškio seniūnijos, Babtų seniūnijos dalis į rytus nuo kelio A1, ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio Nr. 1907,

Kazlų rūdos savivaldybė,

Kelmės rajono savivaldybė,

Kėdainių rajono savivaldybė: Dotnuvos, Gudžiūnų, Kėdainių miesto, Krakių, Pelėdnagių, Surviliškio, Šėtos, Truskavos, Vilainių ir Josvainių seniūnijos dalis į šiaurę ir rytus nuo kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Kupiškio rajono savivaldybė,

Kretingos rajono savivaldybė,

Lazdijų rajono savivaldybė,

Marijampolės savivaldybė,

Mažeikių rajono savivaldybė,

Molėtų rajono savivaldybė,

Pagėgių savivaldybė,

Pakruojo rajono savivaldybė,

Panevėžio rajono savivaldybė,

Panevėžio miesto savivaldybė,

Pasvalio rajono savivaldybė,

Radviliškio rajono savivaldybė,

Rietavo savivaldybė,

Prienų rajono savivaldybė,

Plungės rajono savivaldybė: Žlibinų, Stalgėnų, Nausodžio sen dalis nuo kelio Nr. 166 į šiaurės vakarus, Plungės miesto ir Šateikių seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Betygalos, Girkalnio, Kalnujų, Nemakščių, Pagojukų, Paliepių, Raseinių miesto, Raseinių, Šiluvos, Viduklės seniūnijos,

Rokiškio rajono savivaldybė,

Skuodo rajono savivaldybės: Aleksandrijos, Ylakių, Lenkimų, Mosėdžio, Skuodo ir Skuodo miesto seniūnijos,

Šakių rajono savivaldybė,

Šalčininkų rajono savivaldybė,

Šiaulių miesto savivaldybė,

Šiaulių rajono savivaldybė,

Šilutės rajono savivaldybė,

Širvintų rajono savivaldybė,

Šilalės rajono savivaldybė,

Švenčionių rajono savivaldybė,

Tauragės rajono savivaldybė,

Telšių rajono savivaldybė,

Trakų rajono savivaldybė,

Ukmergės rajono savivaldybė,

Utenos rajono savivaldybė,

Varėnos rajono savivaldybė,

Vilniaus miesto savivaldybė,

Vilniaus rajono savivaldybė,

Vilkaviškio rajono savivaldybė,

Visagino savivaldybė,

Zarasų rajono savivaldybė.

6.   Polen

De volgende gebieden in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Kalinowo, Stare Juchy, Prostki oraz gmina wiejska Ełk w powiecie ełckim,

powiat elbląski,

powiat miejski Elbląg,

powiat gołdapski,

powiat piski,

gminy Górowo Iławeckie z miastem Górowo Iławeckie i Sępopol w powiecie bartoszyckim,

gminy Biskupiec, Kolno, część gminy Olsztynek położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr S51 biegnącą od wschodniej granicy gminy do miejscowości Ameryka oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą S51 do północnej granicy gminy, łączącej miejscowości Mańki — Mycyny — Ameryka w powiecie olsztyńskim,

gmina Grunwald, część gminy Małdyty położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7, część gminy Miłomłyn położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7, część gminy wiejskiej Ostróda położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7 oraz na południe od drogi nr 16, część miasta Ostróda położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7, część gminy Dąbrówno położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 542 biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Dąbrówno, a następnie na zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Dąbrówno przez miejscowości Zamkowy Młyn — Wądzyń do południowej granicy gminy w powiecie ostródzkim,

powiat giżycki,

powiat braniewski,

powiat kętrzyński,

gminy Lubomino i Orneta w powiecie lidzbarskim,

gmina Nidzica i część gminy Kozłowo położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Rączki — Kownatki — Gardyny w powiecie nidzickim,

gminy Dźwierzuty, Jedwabno, Pasym, Szczytno i miasto Szczytno i Świętajno w powiecie szczycieńskim,

powiat mrągowski,

gminy Lubawa, miasto Lubawa, Zalewo i część gminy wiejskiej Iława położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 16 biegnącą od wschodniej granicy gminy do granicy miasta Iława, a następnie na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od południowej granicy gminy miasta Iława przez miejscowość Katarzynki do południowej granicy gminy w powiecie iławskim,

powiat węgorzewski,

w województwie podlaskim:

powiat bielski,

powiat grajewski,

powiat moniecki,

powiat sejneński,

gminy Łomża, Piątnica, Jedwabne, Przytuły i Wizna w powiecie łomżyńskim,

powiat miejski Łomża,

powiat siemiatycki,

powiat hajnowski,

gminy Ciechanowiec, Klukowo, Szepietowo, Kobylin-Borzymy, Nowe Piekuty, Sokoły i część gminy Kulesze Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie wysokomazowieckim,

gmina Rutki i część gminy Kołaki Kościelne położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie zambrowskim,

powiat kolneński z miastem Kolno,

powiat białostocki,

gminy Filipów, Jeleniewo, Przerośl, Raczki, Rutka-Tartak, Suwałki, Szypliszki Wiżajny oraz część gminy Bakałarzewo położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę 653 biegnącej od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą 1122B oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1122B biegnącą od drogi 653 w kierunku południowym do skrzyżowania z drogą 1124B i następnie na północny — wschód od drogi nr 1124B biegnącej od skrzyżowania z drogą 1122B do granicy z gminą Raczki w powiecie suwalskim,

powiat miejski Suwałki,

powiat augustowski,

powiat sokólski,

powiat miejski Białystok,

w województwie mazowieckim:

powiat siedlecki,

powiat miejski Siedlce,

gminy Bielany, Ceranów, Jabłonna Lacka, Kosów Lacki, Repki, Sabnie, Sterdyń i gmina wiejska Sokołów Podlaski w powiecie sokołowskim,

gminy Grębków i Wierzbno w powiecie węgrowskim,

powiat łosicki,

powiat ciechanowski,

powiat sochaczewski,

gminy Policzna, Przyłęk, Tczów i Zwoleń w powiecie zwoleńskim,

powiat kozienicki,

gminy Chotcza i Solec nad Wisłą w powiecie lipskim,

gminy Gózd, Jastrzębia, Jedlnia Letnisko, Pionki z miastem Pionki, Skaryszew, Jedlińsk, Przytyk, Zakrzew, część gminy Iłża położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9, część gminy Wolanów położona na północ od drogi nr 12 w powiecie radomskim,

gminy Bodzanów, Bulkowo, Staroźreby, Słubice, Wyszogród i Mała Wieś w powiecie płockim,

powiat nowodworski,

powiat płoński,

gminy Pokrzywnica, Świercze i część gminy Winnica położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Bielany, Winnica i Pokrzywnica w powiecie pułtuskim,

gminy Dębówka, Klembów, Poświętne, Radzymin, Wołomin, miasto Kobyłka, miasto Marki, miasto Ząbki, miasto Zielonka w powiecie wołomińskim,

gminy Borowie, Garwolin z miastem Garwolin, Miastków Kościelny, Parysów, Pilawa, część gminy Wilga położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na północ od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na północ od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

gminy Boguty — Pianki, Zaręby Kościelne, Nur i część gminy Małkinia Górna położona na południe od rzeki Brok w powiecie ostrowskim,

gminy Stupsk, Wiśniewo i Strzegowo w powiecie mławskim,

powiat miński,

powiat otwocki,

powiat warszawski zachodni,

powiat legionowski,

powiat piaseczyński,

powiat pruszkowski,

powiat grójecki,

powiat grodziski,

powiat żyrardowski,

powiat białobrzeski,

powiat przysuski,

powiat miejski Warszawa,

w województwie lubelskim:

powiat bialski,

powiat miejski Biała Podlaska,

gminy Batorz, Godziszów, Janów Lubelski, Modliborzyce i Potok Wielki w powiecie janowskim,

gminy Janowiec, Kazimierz Dolny, Końskowola, Kurów, Markuszów, Nałęczów, Puławy z miastem Puławy, Wąwolnica i Żyrzyn w powiecie puławskim,

gminy Nowodwór, miasto Dęblin i część gminy Ryki położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową powiecie ryckim,

gminy Adamów, Krzywda, Stoczek Łukowski z miastem Stoczek Łukowski, Wola Mysłowska, Trzebieszów, Stanin, Wojcieszków, gmina wiejska Łuków i miasto Łuków w powiecie łukowskim,

powiat lubelski,

powiat miejski Lublin,

gminy Niedźwiada, Ostrów Lubelski, Serniki i Uścimów w powiecie lubartowskim,

powiat łęczyński,

powiat świdnicki,

gminy Fajsławice, Gorzków, Izbica, Krasnystaw z miastem Krasnystaw, Kraśniczyn, Łopiennik Górny, Siennica Różana i część gminy Żółkiewka położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

gminy Chełm, Ruda — Huta, Sawin, Rejowiec, Rejowiec Fabryczny z miastem Rejowiec Fabryczny, Siedliszcze, Wierzbica, część gminy Dorohusk położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Wojsławice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę 1839L, część gminy Leśniowice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę 1839L w powiecie chełmskim,

powiat miejski Chełm,

powiat kraśnicki,

powiat opolski,

powiat parczewski,

powiat włodawski,

powiat radzyński,

w województwie podkarpackim:

powiat stalowowolski,

gminy Oleszyce, Lubaczów z miastem Lubaczów, Wielkie Oczy w powiecie lubaczowskim,

część gminy Kamień położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19, część gminy Sokołów Małopolski położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 875 w powiecie rzeszowskim,

gminy Cmolas i Majdan Królewski w powiecie kolbuszowskim,

gminy Grodzisko Dolne, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na południe od miasta Leżajsk oraz na zachód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gmina Jarocin, część gminy Harasiuki położona na północ od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

powiat tarnobrzeski,

w województwie pomorskim:

gminy Dzierzgoń i Stary Dzierzgoń w powiecie sztumskim,

gmina Stare Pole w powiecie malborskim,

gminy Stegny, Sztutowo i część gminy Nowy Dwór Gdański położona na północny — wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 55 biegnącą od południowej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 7, następnie przez drogę nr 7 i S7 biegnącą do zachodniej granicy gminy w powiecie nowodworskim,

w województwie świętokrzyskim:

gmina Tarłów i część gminy Ożarów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 74 w powiecie opatowskim,

część gminy Brody położona na zachód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 i na północny — wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 0618T biegnącą od północnej granicy gminy do skrzyżowania w miejscowości Lipie oraz przez drogę biegnącą od miejscowości Lipie do wschodniej granicy gminy i część gminy Mirzec położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 744 biegnącą od południowej granicy gminy do miejscowości Tychów Stary a następnie przez drogę nr 0566T biegnącą od miejscowości Tychów Stary w kierunku północno — wschodnim do granicy gminy w powiecie starachowickim,

w województwie lubuskim:

powiat wschowski,

gmina Kostrzyn nad Odrą i część gminy Witnica położona na południowy zachód od drogi biegnącej od zachodniej granicy gminy od miejscowości Krześnica, przez miejscowości Kamień Wielki — Mościce -Witnica — Kłopotowo do południowej granicy gminy w powiecie gorzowskim,

gminy Gubin z miastem Gubin, Maszewo i część gminy Bytnica położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1157F w powiecie krośnieńskim,

powiat słubicki,

gminy Słońsk, Sulęcin i Torzym w powiecie sulęcińskim,

gminy Bledzew i Międzyrzecz w powiecie międzyrzeckim,

gminy Kolsko, część gminy Kożuchów położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 283 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 290 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 290 biegnącej od miasta Mirocin Dolny do zachodniej granicy gminy, część gminy Bytom Odrzański położona na północny zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 293 i 326, część gminy Nowe Miasteczko położona na zachód od linii wyznaczonych przez drogi 293 i 328, część gminy Siedlisko położona na północny zachód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od rzeki Odry przy południowe granicy gminy do drogi nr 326 łączącej się z drogą nr 325 biegnącą w kierunku miejscowości Różanówka do skrzyżowania z drogą nr 321 biegnącą od tego skrzyżowania w kierunku miejscowości Bielawy, a następnie przedłużoną przez drogę przeciwpożarową biegnącą od drogi nr 321 w miejscowości Bielawy do granicy gminy w powiecie nowosolskim,

gminy Nowogród Bobrzański, Trzebiechów część gminy Bojadła położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 278 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 282 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 282 biegnącej od miasta Bojadła do zachodniej granicy gminy i część gminy Sulechów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 w powiecie zielonogórskim,

powiat żarski,

gminy Brzeźnica, Iłowa, Małomice, Szprotawa, Wymiarki, Żagań, miasto Żagań, miasto Gozdnica, część gminy Niegosławice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 328 w powiecie żagańskim,

gminy Lubrza, Łagów i Świebodzin w powiecie świebodzińskim,

w województwie dolnośląskim:

gmina Pęcław, część gminy Kotla położona na północ od linii wyznaczonej przez rzekę Krzycki Rów, część gminy wiejskiej Głogów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 12, 319 oraz 329, część miasta Głogów położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie głogowskim,

gminy Grębocice i Polkowice w powiecie polkowickim,

w województwie wielkopolskim:

gminy Przemęt i Wolsztyn w powiecie wolsztyńskim,

gmina Wielichowo część gminy Kamieniec położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 308 i część gminy Rakoniewice położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

gminy Lipno, Osieczna, Wijewo, Włoszakowice i część gminy Święciechowa położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie leszczyńskim,

gmina Śmigiel, część gminy wiejskiej Kościan położona na południowy — wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 5 oraz na zachód od linii wyznaczonej przez kanał Obry, część gminy Krzywiń położona na zachód od linii wyznaczonej przez kanał Obry w powiecie kościańskim,

powiat miejski Leszno,

powiat obornicki,

część gminy Połajewo na położona na południe od drogi łączącej miejscowości Chraplewo, Tarnówko-Boruszyn, Krosin, Jakubowo, Połajewo — ul. Ryczywolska do północno-wschodniej granicy gminy w powiecie czarnkowsko-trzcianeckim,

gmina Suchy Las, część gminy wiejskiej Murowana Goślina położona na północ od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy miasta Murowana Goślina do północno-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Rokietnica położona na północ i na wschód od linii kolejowej biegnącej od północnej granicy gminy w miejscowości Krzyszkowo do południowej granicy gminy w miejscowości Kiekrz w powiecie poznańskim,

część gminy Szamotuły położona na wschód od wschodniej granicy miasta Szamotuły i na północ od linii kolejowej biegnącej od południowej granicy miasta Szamotuły do południowo-wschodniej granicy gminy oraz część gminy Obrzycko położona na wschód od drogi nr 185 łączącej miejscowości Gaj Mały, Słopanowo i Obrzycko do północnej granicy miasta Obrzycko, a następnie na wschód od drogi przebiegającej przez miejscowość Chraplewo w powiecie szamotulskim.

w województwie łódzkim:

gminy Drzewica, Opoczno i Poświętne w powiecie opoczyńskim,

gminy Biała Rawska, Regnów i Sadkowice w powiecie rawskim,

gmina Kowiesy w powiecie skierniewickim,

w województwie zachodniopomorskim:

część gminy Boleszkowice położona na południowy — zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 i część gminy Dębno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 31 biegnącą od zachodniej granicy gminy do miejscowości Sarbinowo, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od miejscowości Sarbinowo przez miejscowość Krześnica do wschodniej granicy gminy w powiecie myśliborskim.

7.   Slowakije

De volgende gebieden in Slowakije:

in the district of Gelnica, the whole municipality of Smolník,

In the district of Košice-okolie the municipalities of Opátka, Košická Belá, Malá Lodina, Veľká Lodina, Kysak, Sokoľ, Trebejov, Obišovce, Družstevná pri Hornáde, Kostoľany nad Hornádom, Budimír, Vajkovce, Chrastné, Čižatice, Kráľovce, Ploské, Nová Polhora, Boliarov, Kecerovce, Vtáčkovce, Herľany, Rankovce, Mudrovce, Kecerovský Lipovec, Opiná, Bunetice,

the whole city of Košice,

in the district of Michalovce, the whole municipalities of Tušice, Moravany, Pozdišovce, Michalovce, Zalužice, Lúčky, Závadka, Hnojné, Poruba pod Vihorlatom, Jovsa, Kusín, Klokočov, Kaluža, Vinné, Trnava pri Laborci, Oreské, Staré, Zbudza, Petrovce nad Laborcom, Lesné, Suché, Rakovec nad Ondavou, Nacina Ves, Voľa, and Pusté Čemerné,

in the district of Vranov nad Topľou, the whole municipalities of Zámutov, Rudlov, Jusková Voľa, Banské, Cabov, Davidov, Kamenná Poruba, Vechec, Čaklov, Soľ, Komárany, Čičava, Nižný Kručov, Vranov nad Topľou, Sačurov, Sečovská Polianka, Dlhé Klčovo, Nižný Hrušov, Poša, Nižný Hrabovec, Hencovce, Kučín, Majerovce, Sedliská, Kladzany and Tovarnianska Polianka,

in the district of Prešov, the whole municipalities of Tuhrina, Lúčina, Podhradík, Okružná, Ruská Nová Ves, Teriakovce, Ľubotice, Vyšná Šebastová, Lipníky, Chmeľov, Čelovce, Pušovce, Proč, Šarišská Trstená, Chmeľovec, Podhorany, Nemcovce, Lada, Kapušany, Fulianka, Prešov, Fintice, Tulčík, Demjata, Veľký Slivník, Záhradné, Malý Slivník, Mošurov, Terňa, Gregorovce, Medzany, Malý Šariš, Župčany, Svinia, Veľký Šariš, Geraltov, Trnkov, Šarišská Poruba, Lažany, Červenica,

in the district of Sabinov, the whole municipalities Ostrovany, Daletice, Jarovnice, Šarišské Michaľany, Ražňany, Uzovce, Hubošovce, Ratvaj, Bodovce, Šarišské Sokolovce, Sabinov, Jakubovany, Uzovský Šalgov, Uzovské Pekľany, Pečovská Nová Ves, Rožkovany, Jakubova Voľa, Drienica, Červená Voda, Jakovany, Červenica pri Sabinove, Ľutina, Olejníkov, Lipany, Lúčka, Hanigovce, Milpoš, Kamenica,

in the district of Svidník, the whole municipalities of Dukovce, Želmanovce, Kuková, Kalnište, Lužany pri Ondave, Lúčka, Giraltovce, Kračúnovce, Železník, Kobylince, Mičakovce,

in the district of Bardejov, the whole municipalities of Kríže, Hervartov, Richvald, Šiba, Kľušov, Hertník, Fričkovce, Bartošovce, Kobyly, Osikov, Vaniškovce, Janovce, Tročany, Abrahámovce, Raslavice, Buclovany, Lopúchov, Stuľany, Koprivnica, Kochanovce, Harhaj, Vyšný Kručov, Brezov, Lascov, Marhaň, Kučín, Kožany, Kurima, Nemcovce, Porúbka, Hankovce, Oľšavce, Nižná Voľa, Rešov, Vyšná Voľa, Poliakovce, Dubinné, Hrabovec, Komárov, Lukavica, Livov, Livovská Huta, Lukov, Malcov, Lenartov, Snakov, Hrabské, Gerlachov, Kružlov, Krivé, Bogliarka,

in the district of Stará Ľubovňa, the whole municipalities of Kyjov, Pusté Pole, Šarišské Jastrabie, Čirč, Ruská Voľa nad Popradom, Obručné,

in the district of Revúca, the whole municipalities of Gemer, Tornaľa, Žiar, Gemerská Ves, Levkuška, Otročok, Polina, Rašice, Licince, Leváre, Držkovce, Chvalová, Sekerešovo, Višňové,

in the district of Rimavská Sobota, the whole municipalities of Abovce, Barca, Bátka, Cakov, Chanava, Dulovo, Figa, Gemerské Michalovce, Hubovo, Ivanice, Kaloša, Kesovce, Kráľ, Lenartovce, Lenka, Neporadza, Orávka, Radnovce, Rakytník, Riečka, Rimavská Seč, Rumince, Stránska, Uzovská Panica, Valice, Vieska nad Blhom, Vlkyňa, Vyšné Valice, Včelince, Zádor, Číž, Štrkovec Tomášovce, Žíp, Španie Pole, Hostišovce, Budikovany, Teplý Vrch, Veľký Blh,

in the district of Prešov, the whole municipalities of Tuhrina and Lúčina.

8.   Duitsland

De volgende gebieden in Duitsland:

Bundesland Brandenburg:

Landkreis Oder-Spree:

Gemeinde Grunow-Dammendorf,

Gemeinde Mixdorf

Gemeinde Schlaubetal,

Gemeinde Neuzelle,

Gemeinde Neißemünde,

Gemeinde Lawitz,

Gemeinde Eisenhüttenstadt,

Gemeinde Vogelsang,

Gemeinde Ziltendorf,

Gemeinde Wiesenau,

Gemeinde Friedland,

Gemeinde Müllrose,

Gemeinde Groß Lindow,

Gemeinde Brieskow-Finkenheerd,

Gemeinde Ragow-Merz,

Gemeinde Beeskow,

Gemeinde Rietz-Neuendorf mit den Gemarkungen Groß Rietz und Birkholz,

Gemeinde Tauche mit den Gemarkungen Stremmen, Ranzig, Trebatsch, Sabrodt, Sawall, Mitwalde und Tauche,

Landkreis Dahme-Spreewald:

Gemeinde Jamlitz,

Gemeinde Lieberose,

Gemeinde Schwielochsee mit den Gemarkungen Goyatz, Jessern, Lamsfeld, Ressen, Speichrow und Zaue,

Landkreis Spree-Neiße:

Gemeinde Schenkendöbern mit den Gemarkungen Stakow, Reicherskreuz, Groß Drewitz, Sembten, Meuselwitz, Kreyne, Lübbinchen, Bärenklau, Schenkendöbern und Atterwasch,

Gemeinde Guben mit den Gemarkungen Bresinchen, Guben und Deulowitz,

Landkreis Märkisch-Oderland:

Gemeinde Zechin,

Gemeinde Bleyen-Genschmar,

Gemeinde Golzow,

Gemeinde Küstriner Vorland,

Gemeinde Alt Tucheband,

Gemeinde Reitwein,

Gemeinde Podelzig,

Gemeinde Letschin mit der Gemarkung Sophienthal,

Gemeinde Seelow — östlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Vierlinden — östlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Lindendorf — östlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Fichtenhöhe — östlich der Bahnstrecke RB 60,

Gemeinde Lebus mit den Gemarkungen Lebus und Mallnow — östlich der Bahnstrecke RB 60,

Bundesland Sachsen:

Landkreis Görlitz:

Gemeinde Krauschwitz östlich der B115,

Gemeinde Weißkeißel östlich der B115,

Gemeinde Rietschen östlich der B115 und nördlich der Südgrenze Truppenübungsplatz Oberlausitz.

DEEL III

1.   Bulgarije

De volgende gebieden in Bulgarije:

the whole region of Blagoevgrad,

the whole region of Dobrich,

the whole region of Gabrovo,

the whole region of Kardzhali,

the whole region of Lovech,

the whole region of Montana,

the whole region of Pleven,

the whole region of Razgrad,

the whole region of Ruse,

the whole region of Shumen,

the whole region of Silistra,

the whole region of Sliven,

the whole region of Sofia city,

the whole region of Sofia Province,

the whole region of Targovishte,

the whole region of Vidin,

the whole region of Varna,

the whole region of Veliko Tarnovo,

the whole region of Vratza,

in Burgas region:

the whole municipality of Burgas,

the whole municipality of Kameno,

the whole municipality of Malko Tarnovo,

the whole municipality of Primorsko,

the whole municipality of Sozopol,

the whole municipality of Sredets,

the whole municipality of Tsarevo,

the whole municipality of Sungurlare,

the whole municipality of Ruen,

the whole municipality of Aytos.

2.   Letland

De volgende gebieden in Letland:

Aizputes novada Kalvenes pagasta daļa uz austrumiem no ceļa pie Vārtājas upes līdz autoceļam A9, uz ziemeļiem no autoceļa A9, uz austrumiem no autoceļa V1200, Kazdangas pagasta daļa uz austrumiem no ceļa V1200, P115, P117, V1296,

Kuldīgas novada, Laidu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1296,

Skrundas novada Rudbāržu, Nīkrāces pagasts, Raņķu pagasta daļa uz dienvidiem no autoceļa V1272 līdz robežai ar Ventas upi, Skrundas pagasts (izņemot pagasta daļa no Skrundas uz ziemeļiem no autoceļa A9 un austrumiem no Ventas upes), Skrundas pilsēta,

Vaiņodes novada Embūtes pagasta daļa uz ziemeļiem autoceļa P116, P106.

3.   Litouwen

De volgende gebieden in Litouwen:

Jurbarko rajono savivaldybė: Seredžiaus ir Juodaičių seniūnijos,

Kauno rajono savivaldybė: Čekiškės seniūnija, Babtų seniūnijos dalis į vakarus nuo kelio A1ir Vilkijos apylinkių seniūnijos dalis į rytus nuo kelio Nr. 1907,

Kėdainių rajono savivaldybė: Pernaravos seniūnija ir Josvainių seniūnijos pietvakarinė dalis tarp kelio Nr. 229 ir Nr. 2032,

Plungės rajono savivaldybė: Alsėdžių, Babrungo, Paukštakių, Platelių ir Žemaičių Kalvarijos seniūnijos,

Raseinių rajono savivaldybė: Ariogalos ir Ariogalos miesto seniūnijos,

Skuodo rajono savivaldybės: Barstyčių, Notėnų ir Šačių seniūnijos.

4.   Polen

De volgende gebieden in Polen:

w województwie warmińsko-mazurskim:

gminy Bisztynek i Bartoszyce z miastem Bartoszyce w powiecie bartoszyckim,

gminy Kiwity i Lidzbark Warmiński z miastem Lidzbark Warmiński w powiecie lidzbarskim,

gminy Łukta, Morąg, Miłakowo, część gminy Małdyty położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7, część gminy Miłomłyn położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7, część gminy wiejskiej Ostróda położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr S7 oraz na północ od drogi nr 16, część miasta Ostróda położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr w powiecie ostródzkim,

powiat olecki,

gminy Barczewo, Gietrzwałd, Jeziorany, Jonkowo, Dywity, Dobre Miasto, Purda, Stawiguda, Świątki, część gminy Olsztynek położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr S51 biegnącą od wschodniej granicy gminy do miejscowości Ameryka oraz na wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od skrzyżowania z drogą S51 do północnej granicy gminy, łączącej miejscowości Mańki — Mycyny — Ameryka w powiecie olsztyńskim,

powiat miejski Olsztyn,

w województwie podlaskim:

część gminy Bakałarzewo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę 653 biegnącej od zachodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą 1122B oraz na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1122B biegnącą od drogi 653 w kierunku południowym do skrzyżowania z drogą 1124B i następnie na południowy- zachód od drogi nr 1124B biegnącej od skrzyżowania z drogą 1122B do granicy z gminą Raczki w powiecie suwalskim,

w województwie mazowieckim:

gminy Łaskarzew z miastem Łaskarzew, Maciejowice, Sobolew, Trojanów, Żelechów, część gminy Wilga położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Wilga biegnącą od wschodniej granicy gminy do ujścia do rzeki Wisły, część gminy Górzno położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę łączącą miejscowości Łąki i Górzno biegnącą od wschodniej granicy gminy, następnie od miejscowości Górzno na południe od drogi nr 1328W biegnącej do drogi nr 17, a następnie na południe od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od drogi nr 17 do zachodniej granicy gminy przez miejscowości Józefów i Kobyla Wola w powiecie garwolińskim,

część gminy Iłża położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 9 w powiecie radomskim,

gmina Kazanów w powiecie zwoleńskim,

gminy Ciepielów, Lipsko, Rzeczniów i Sienno w powiecie lipskim,

w województwie lubelskim:

powiat tomaszowski,

gminy Białopole, Dubienka, Kamień, Żmudź, część gminy Dorohusk położona na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową, część gminy Wojsławice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę 1839L, część gminy Leśniowice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę 1839L w powiecie chełmskim,

gmina Rudnik i część gminy Żółkiewka położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 842 w powiecie krasnostawskim,

powiat zamojski,

powiat miejski Zamość,

powiat biłgorajski,

powiat hrubieszowski,

gminy Dzwola i Chrzanów w powiecie janowskim,

gmina Serokomla w powiecie łukowskim,

gminy Abramów, Kamionka, Michów, Lubartów z miastem Lubartów, Firlej, Jeziorzany, Kock, Ostrówek w powiecie lubartowskim,

gminy Kłoczew, Stężyca, Ułęż i część gminy Ryki położona na północ od linii wyznaczonej przez linię kolejową w powiecie ryckim,

gmina Baranów w powiecie puławskim,

w województwie podkarpackim:

gminy Cieszanów, Horyniec — Zdrój, Narol i Stary Dzików w powiecie lubaczowskim,

gminy Kuryłówka, Nowa Sarzyna, miasto Leżajsk, część gminy wiejskiej Leżajsk położona na północ od miasta Leżajsk oraz część gminy wiejskiej Leżajsk położona na wschód od linii wyznaczonej przez rzekę San, w powiecie leżajskim,

gminy Krzeszów, Rudnik nad Sanem, część gminy Harasiuki położona na południe od linii wyznaczona przez drogę nr 1048 R, część gminy Ulanów położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Tanew, część gminy Nisko położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 oraz na południe od linii wyznaczonej przez linię kolejową biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 19, część gminy Jeżowe położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie niżańskim,

gminy Chłopice, Jarosław z miastem Jarosław, Laszki, Wiązownica, Pawłosiów, Radymno z miastem Radymno, w powiecie jarosławskim,

gmina Stubno w powiecie przemyskim,

część gminy Kamień położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 19 w powiecie rzeszowskim,

gminy Adamówka, Sieniawa, Tryńcza, miasto Przeworsk, część gminy wiejskiej Przeworsk położona na wschód od miasta Przeworsk i na wschód od linii wyznaczonej przez autostradę A4 biegnącą od granicy z gminą Tryńcza do granicy miasta Przeworsk, część gminy Zarzecze położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1594R biegnącą od północnej granicy gminy do miejscowości Zarzecze oraz na północ od linii wyznaczonej przez drogi nr 1617R oraz 1619R biegnącą do południowej granicy gminy w powiecie przeworskim,

w województwie lubuskim:

gminy Nowa Sól i miasto Nowa Sól, Otyń oraz część gminy Kożuchów położona na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 283 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 290 i na północ od linii wyznaczonej przez drogę nr 290 biegnącej od miasta Mirocin Dolny do zachodniej granicy gminy, część gminy Bytom Odrzański położona na południowy wschód od linii wyznaczonej przez drogi nr 293 i 326, część gminy Nowe Miasteczko położona na wschód od linii wyznaczonych przez drogi 293 i 328, część gminy Siedlisko położona na południowy wschód od linii wyznaczonej przez drogę biegnącą od rzeki Odry przy południowe granicy gminy do drogi nr 326 łączącej się z drogą nr 325 biegnącą w kierunku miejscowości Różanówka do skrzyżowania z drogą nr 321 biegnącą od tego skrzyżowania w kierunku miejscowości Bielawy, a następnie przedłużoną przez drogę przeciwpożarową biegnącą od drogi nr 321 w miejscowości Bielawy do granicy gminy w powiecie nowosolskim,

gminy Babimost, Czerwieńsk, Kargowa, Świdnica, Zabór, część gminy Bojadła położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 278 biegnącą od wschodniej granicy gminy do skrzyżowania z drogą nr 282 i na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 282 biegnącej od miasta Bojadła do zachodniej granicy gminy i część gminy Sulechów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr S3 w powiecie zielonogórskim,

część gminy Niegosławice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 328 w powiecie żagańskim,

powiat miejski Zielona Góra,

gminy Skąpe, Szczaniec i Zbąszynek w powiecie świebodzińskim,

gminy Bobrowice, Dąbie, Krosno Odrzańskie i część gminy Bytnica położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 1157F w powiecie krośnieńskim,

część gminy Trzciel położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 92 w powiecie międzyrzeckim,

w województwie wielkopolskim:

gmina Zbąszyń, część gminy Miedzichowo położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 92, część gminy Nowy Tomyśl położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie nowotomyskim,

gmina Siedlec w powiecie wolsztyńskim,

część gminy Rakoniewice położona na wschód od linii wyznaczonej przez drogę nr 305 w powiecie grodziskim,

gminy Chocz, Czermin, Gołuchów, Pleszew i część gminy Gizałki położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 w powiecie pleszewskim,

część gminy Grodziec położona na południe od linii wyznaczonej przez drogę nr 443 w powiecie konińskim,

gminy Blizanów, Stawiszyn, Żelazków w powiecie kaliskim,

w województwie dolnośląskim:

gminy Jerzmanowa, Żukowice, część gminy Kotla położona na południe od linii wyznaczonej przez rzekę Krzycki Rów, część gminy wiejskiej Głogów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogi nr 12, 319 oraz 329, część miasta Głogów położona na zachód od linii wyznaczonej przez drogę nr 12 w powiecie głogowskim,

gminy Gaworzyce, Radwanice i część gminy Przemków położona na północ od linii wyznaczonej prze drogę nr 12 w powiecie polkowickim,

w województwie świętokrzyskim:

część gminy Brody położona na wschód od linii kolejowej biegnącej od miejscowości Marcule i od północnej granicy gminy przez miejscowości Klepacze i Karczma Kunowska do południowej granicy gminy w powiecie starachowickim.

5.   Roemenië

De volgende gebieden in Roemenië:

Zona orașului București,

Județul Constanța,

Județul Satu Mare,

Județul Tulcea,

Județul Bacău,

Județul Bihor,

Județul Bistrița Năsăud,

Județul Brăila,

Județul Buzău,

Județul Călărași,

Județul Dâmbovița,

Județul Galați,

Județul Giurgiu,

Județul Ialomița,

Județul Ilfov,

Județul Prahova,

Județul Sălaj,

Județul Suceava

Județul Vaslui,

Județul Vrancea,

Județul Teleorman,

Judeţul Mehedinţi,

Județul Gorj,

Județul Argeș,

Judeţul Olt,

Judeţul Dolj,

Județul Arad,

Județul Timiș,

Județul Covasna,

Județul Brașov,

Județul Botoșani,

Județul Vâlcea,

Județul Iași,

Județul Hunedoara,

Județul Alba,

Județul Sibiu,

Județul Caraș-Severin,

Județul Neamț,

Județul Harghita,

Județul Mureș,

Județul Cluj,

Județul Maramureş.

6.   Slowakije

the whole district of Trebišov,

in the district of Michalovce, the whole municipalities of the district not included in Part I and Part II,

Region Sobrance — municipalities Lekárovce, Pinkovce, Záhor, Bežovce,

the whole district of Košice — okolie, except municipalities included in part II,

In the district Rožnava, the municipalities of Bôrka, Lúčka, Jablonov nad Turňou, Drnava, Kováčová, Hrhov, Ardovo, Bohúňovo, Bretka, Čoltovo, Dlhá Ves, Gemerská Hôrka, Gemerská Panica, Kečovo, Meliata, Plešivec, Silica, Silická Brezová, Slavec, Hrušov, Krásnohorská Dlhá Lúka, Krásnohorské podhradie, Lipovník, Silická Jablonica, Brzotín, Jovice, Kružná, Pača, Rožňava, Rudná, Vidová and Čučma,

in the district of Gelnica, the whole municipality of Smolník and Úhorná.

DEEL IV

Italië

De volgende gebieden in Italië:

tutto il territorio della Sardegna.

”.

REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/81


BESLUIT VAN DE EUROPESE OMBUDSMAN

van 9 november 2020

betreffende interne regels voor de beperking van bepaalde rechten van betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens

DE EUROPESE OMBUDSMAN,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (1), en met name artikel 25,

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Ombudsman is bevoegd om administratieve onderzoeken, inleidende tuchtprocedures en tucht- en schorsingsprocedures uit te voeren overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (2) (“het Statuut”), en overeenkomstig het besluit van de Europese Ombudsman van 4 november 2004 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen betreffende het voeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures. Indien noodzakelijk, worden zaken ook gemeld bij OLAF.

(2)

De personeelsleden van de Europese Ombudsman zijn verplicht om mogelijk illegale activiteiten te melden, met inbegrip van fraude en corruptie, die de belangen van de Unie schaden. De personeelsleden zijn ook verplicht om gedrag te melden dat verband houdt met de uitvoering van de taken van het ambt, die een ernstig plichtsverzuim van de ambtenaren van de Unie kunnen opleveren. Dit is vastgelegd in het besluit van de Europese Ombudsman van 20 februari 2015 tot vaststelling van interne regels voor klokkenluiders.

(3)

De Europese Ombudsman heeft beleidsmaatregelen ingevoerd voor het voorkomen en op doeltreffende wijze afhandelen van daadwerkelijke of mogelijke gevallen van psychische of seksuele intimidatie, zoals voorzien in zijn besluit van 18 december 2017. In het besluit wordt een informele procedure vastgelegd, waarbij het vermeende slachtoffer van intimidatie contact kan opnemen met de “contactpersonen voor ethische kwesties” en/of het bemiddelingscomité van de Europese Ombudsman.

(4)

De Europese Ombudsman kan ook onderzoek uitvoeren naar mogelijke schendingen van veiligheidsvoorschriften voor vertrouwelijke informatie van de Europese Unie.

(5)

De Europese Ombudsman is onderworpen aan zowel interne als externe audits betreffende zijn activiteiten.

(6)

In het kader van dergelijke administratieve onderzoeken, audits en onderzoeken werkt de Europese Ombudsman samen met andere instellingen, organen en instanties van de Unie.

(7)

De Europese Ombudsman kan op verzoek of op eigen initiatief samenwerken met nationale autoriteiten en internationale organisaties van derde landen.

(8)

De Europese Ombudsman kan op verzoek of op eigen initiatief ook samenwerken met de overheidsinstanties van de EU-lidstaten.

(9)

De Europese Ombudsman voert onderzoeken uit naar vermeende gevallen van wanbeheer in de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak. De Europese Ombudsman zou in dit verband wellicht de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens in documenten die zijn verkregen van de partijen en tijdens de onderzoeken moeten bewaren. De Europese Ombudsman moet ook de rechten en vrijheden van de klagers en andere betrokkenen kunnen beschermen.

(10)

Ter uitvoering van zijn taken verzamelt en verwerkt de Europese Ombudsman informatie en verscheidene categorieën persoonsgegevens, waaronder identificatiegegevens van natuurlijke personen, contactinformatie, informatie over beroep en taken, informatie over gedragingen en prestaties in functie en in de persoonlijke levenssfeer, en financiële gegevens. De Europese Ombudsman treedt op als verwerkingsverantwoordelijke.

(11)

Krachtens Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Ombudsman derhalve verplicht de betrokkenen informatie over deze verwerkingsactiviteiten te verstrekken en hun rechten als betrokkene te eerbiedigen.

(12)

De Europese Ombudsman kan worden verplicht deze rechten te verzoenen met de doelstellingen van administratieve onderzoeken, audits, onderzoeken en gerechtelijke procedures. Het zou ook nodig kunnen zijn om de rechten van de betrokkene in evenwicht te brengen met de fundamentele rechten en vrijheden van andere betrokkenen. Hiertoe voorziet artikel 25 van de verordening onder strikte voorwaarden in de mogelijkheid voor de Europese Ombudsman om de toepassing te beperken van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36 van de verordening, alsook artikel 4, voor zover de bepalingen daarvan overeenkomen met de rechten en verplichtingen in de artikelen 14 tot en met 20. Tenzij in een op grond van de Verdragen vastgestelde rechtshandeling beperkingen zijn opgelegd, is het noodzakelijk interne regels vast te stellen volgens welke de Europese Ombudsman die rechten mag beperken.

(13)

De Europese Ombudsman kan bijvoorbeeld de informatie die het aan een betrokkene verstrekt, beperken in verband met de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens tijdens de inleidende fase van een administratief onderzoek of tijdens het onderzoek zelf, voorafgaand aan een eventueel ontslag van een zaak of in de fase voorafgaand aan de tuchtprocedure. In bepaalde omstandigheden kan het verstrekken van dergelijke informatie de Europese Ombudsman ernstig belemmeren om een doeltreffend onderzoek te verrichten, wanneer er bijvoorbeeld een risico bestaat dat de betrokkene bewijsmateriaal vernietigt of mogelijke getuigen beïnvloedt voordat zij worden gehoord. De Europese Ombudsman moet ook de rechten en vrijheden van getuigen en andere betrokkenen kunnen beschermen.

(14)

Het kan noodzakelijk zijn, een getuige of een klokkenluider die heeft gevraagd om anonimiteit, te beschermen. In dat geval kan de Europese Ombudsman besluiten een beperking op te leggen voor de toegang tot de identiteit, verklaringen en andere persoonsgegevens van die betrokkenen, teneinde hun rechten en vrijheden te beschermen.

(15)

Het kan noodzakelijk zijn de vertrouwelijkheid te beschermen van een personeelslid dat de contactpersonen voor ethische kwesties en/of het bemiddelingscomité van de Europese Ombudsman heeft benaderd in verband met een intimidatieprocedure. In dat geval zou de Europese Ombudsman moeten kunnen besluiten een beperking op te leggen voor de toegang tot de identiteit, verklaringen en andere persoonsgegevens van het vermeende slachtoffer, de vermeende dader en andere betrokkenen, teneinde hun rechten en vrijheden te beschermen.

(16)

Het kan, bijvoorbeeld, noodzakelijk zijn voor de Europese Ombudsman om de informatie over de verwerking van persoonsgegevens die wordt verstrekt aan een betrokkene die in een klacht of in onderzoeksdocumenten wordt genoemd te beperken tijdens het onderzoek van het vermeende wanbeheer in een instelling, orgaan of instantie van de EU. Het verstrekken van dergelijke informatie kan de Europese Ombudsman ernstig belemmeren om een doeltreffend onderzoek te verrichten, wanneer er bijvoorbeeld een risico bestaat dat de betrokkene het onderzoek in gevaar brengt. De Europese Ombudsman moet ook de rechten en vrijheden van de klager en andere betrokkenen kunnen beschermen.

(17)

De Europese Ombudsman mag enkel beperkingen opleggen wanneer deze de essentie van de grondrechten en fundamentele vrijheden eerbiedigen, strikt noodzakelijk zijn en een evenredige maatregel vormen in een democratische samenleving. De Europese Ombudsman dient de redenen voor deze beperkingen te rechtvaardigen.

(18)

Overeenkomstig het verantwoordingsbeginsel dient de Europese Ombudsman een register bij te houden van de toepassing van de beperkingen.

(19)

Bij de verwerking van administratieve persoonsgegevens die met andere organisaties in het kader van zijn taken worden uitgewisseld, dienen de Europese Ombudsman en die organisaties overleg te plegen over mogelijke redenen voor het opleggen van beperkingen en de noodzaak en evenredigheid van deze beperkingen, tenzij dit de activiteiten van de Europese Ombudsman in gevaar zou brengen.

(20)

Artikel 25, lid 6, van de verordening verplicht de verwerkingsverantwoordelijke ertoe betrokkenen in kennis te stellen van de voornaamste redenen voor de toepassing van de beperking en van hun recht om een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS).

(21)

Ingevolge artikel 25, lid 8, van de verordening heeft de Europese Ombudsman het recht om het verstrekken van informatie over de redenen voor de toepassing van een beperking aan de betrokkene op te schorten, achterwege te laten of te weigeren, indien dit het effect van de beperking op enigerlei wijze teniet zou doen. De Europese Ombudsman dient per geval te beoordelen of een mededeling van de beperking het effect ervan tenietdoet.

(22)

De Europese Ombudsman dient de beperking op te heffen zodra de beperkingsvoorwaarden niet langer van toepassing zijn, en deze voorwaarden regelmatig te beoordelen.

(23)

Teneinde de maximale bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen te waarborgen en in overeenstemming met artikel 44, lid 1, van de verordening, dient de functionaris voor gegevensbescherming tijdig te worden geraadpleegd over enigerlei beperkingen die kunnen worden toegepast en dient hij/zij te controleren of deze in overeenstemming zijn met dit besluit.

(24)

Artikel 16, lid 5, en artikel 17, lid 4, van de verordening voorzien in uitzonderingen op het recht van de betrokkene op informatie en het recht van toegang. Indien deze uitzonderingen gelden, hoeft de Europese Ombudsman geen beperking in het kader van dit besluit toe te passen,

BESLUIT:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In dit besluit worden de regels vastgelegd inzake de voorwaarden waaronder de Europese Ombudsman de toepassing kan beperken van de artikelen 4, 14 tot en met 22, 35 en 36 overeenkomstig artikel 25 van de verordening.

2.   Het bureau van de Europese Ombudsman wordt, als de verwerkingsverantwoordelijke, vertegenwoordigd door de Europese Ombudsman.

Artikel 2

Beperkingen

1.   De Europese Ombudsman kan de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36 en van artikel 4 daarvan beperken voor zover deze bepalingen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen waarin de artikelen 14 tot en met 20 voorzien:

a)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder b), c), f), g) en h), van de verordening, bij het verrichten van administratieve onderzoeken, inleidende tuchtprocedures, tucht- of schorsingsprocedures uit hoofde van artikel 86 van en bijlage IX bij het Statuut en het besluit van de Europese Ombudsman van 4 november 2004 betreffende het voeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures, en bij het melden van zaken aan OLAF;

b)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder h), van de verordening bij het waarborgen dat de personeelsleden van de Europese Ombudsman de feiten vertrouwelijk kunnen rapporteren wanneer zij van mening zijn dat er sprake is van ernstige onregelmatigheden, zoals bepaald in het besluit van de Europese Ombudsman van 20 februari 2015 tot vaststelling van interne regels voor klokkenluiders;

c)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder h), van de verordening bij het waarborgen dat personeelsleden van de Europese Ombudsman een rapport kunnen indienen bij de contactpersonen voor ethische kwesties en/of het bemiddelingscomité in het kader van een intimidatieprocedure, zoals gedefinieerd in het besluit van de Europese Ombudsman over een beleid voor het voorkomen van en beschermen tegen intimidatie in het bureau van de Europese Ombudsman;

d)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van de verordening, bij het verrichten van interne audits in verband met activiteiten of afdelingen van de Europese Ombudsman;

e)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder c), d), g) en h), van de verordening, bij het verlenen of ontvangen van bijstand aan of van andere instellingen, organen en instanties van de Unie of bij het samenwerken met hen in het kader van de onder a) tot en met d) van dit lid bedoelde activiteiten en uit hoofde van relevante overeenkomsten inzake het dienstverleningsniveau, memoranda van overeenstemming en samenwerkingsovereenkomsten;

f)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van de verordening, bij het verlenen aan of het ontvangen van bijstand van nationale autoriteiten en internationale organisaties van derde landen of bij het samenwerken met deze autoriteiten en organisaties, op hun verzoek of op eigen initiatief;

g)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van de verordening, bij het verlenen aan of het ontvangen van bijstand van de overheidsinstanties van de EU-lidstaten en bij het samenwerken met hen, op hun verzoek of op eigen initiatief;

h)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder e), van de verordening, bij het verwerken van persoonsgegevens in door partijen of interveniënten in het kader van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie verkregen documenten;

i)

overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder h), van de verordening bij de uitvoering van onderzoeken naar vermeende gevallen van wanbeheer in de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, in overeenstemming met artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het statuut en de uitvoeringsbepalingen van de Europese Ombudsman.

2.   Iedere beperking moet de essentie van grondrechten en fundamentele vrijheden eerbiedigen en een noodzakelijke en evenredige maatregel vormen in een democratische samenleving.

3.   Voordat er beperkingen kunnen worden opgelegd, wordt iedere zaak onderzocht op de noodzakelijkheid en evenredigheid van een dergelijke maatregel. Er worden enkel beperkingen opgelegd die strikt noodzakelijk zijn om hun doel te bereiken.

4.   Omwille van zijn verantwoordingsplicht stelt de Europese Ombudsman een verslag op waarin de redenen voor de toegepaste beperkingen worden beschreven, welke van de in lid 1 genoemde gronden van toepassing zijn, alsook het resultaat van de noodzakelijkheids- en evenredigheidstest. Deze aantekeningen maken deel uit van een register, dat op verzoek ter beschikking wordt gesteld aan de EDPS. De Europese Ombudsman stelt periodieke verslagen op over de toepassing van artikel 25 van de verordening.

5.   Bij de verwerking van persoonsgegevens die van andere organisaties in het kader van zijn taken worden ontvangen, dient de Europese Ombudsman deze organisaties te raadplegen over potentiële redenen voor het opleggen van beperkingen en de noodzakelijkheid en evenredigheid van de betrokken beperkingen, tenzij dit de activiteiten van de Europese Ombudsman in gevaar zouden brengen.

Artikel 3

Risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen

1.   De beoordeling van de risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen om beperkingen op te leggen en van de duur van de toepassing van deze beperkingen wordt geregistreerd in het register van de verwerkingsactiviteiten die door de Europese Ombudsman op grond van artikel 31 van de verordening wordt onderhouden. Zij worden ook opgenomen in eventuele effectbeoordelingen van de gegevensbescherming met betrekking tot die beperkingen die krachtens artikel 39 van de verordening worden uitgevoerd.

2.   Telkens wanneer de Europese Ombudsman de noodzaak en de evenredigheid van een beperking beoordeelt, houdt hij rekening met de potentiële risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkene.

Artikel 4

Waarborgen en bewaartermijnen

1.   De Europese Ombudsman voert waarborgen in om misbruik of onrechtmatige toegang tot, of onrechtmatige doorgifte van persoonsgegevens waarvoor beperkingen gelden of kunnen worden toegepast, te voorkomen. Deze waarborgen omvatten technische en organisatorische maatregelen en worden voor zover noodzakelijk uitvoerig vastgelegd in interne besluiten, procedures en uitvoeringsvoorschriften van de Europese Ombudsman. De waarborgen omvatten:

a)

een duidelijke definitie van rollen, verantwoordelijkheden en procedurele stappen;

b)

indien toepasselijk, een veilige elektronische omgeving die onwettige en accidentele toegang tot of overdracht van elektronische gegevens aan onbevoegden verhindert;

c)

indien toepasselijk, een veilige opslag en verwerking van fysieke documenten;

d)

een passende monitoring van de beperkingen en een periodieke toetsing van de toepassing.

De onder d) bedoelde evaluaties worden ten minste om de zes maanden uitgevoerd.

2.   De beperkingen worden opgeheven zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen niet meer van toepassing zijn.

3.   De persoonsgegevens worden bewaard overeenkomstig de van toepassing zijnde regels voor bewaring van de Europese Ombudsman, die moeten worden gedefinieerd in de overeenkomstig artikel 31 van de verordening bijgehouden gegevens over gegevensbescherming. Na afloop van de bewaartermijn worden de persoonsgegevens gewist, geanonimiseerd of overgebracht naar archieven overeenkomstig artikel 13 van de verordening.

Artikel 5

Betrokkenheid door de functionaris voor gegevensbescherming

1.   De functionaris voor gegevensbescherming (“DPO”) van de Europese Ombudsman wordt onverwijld in kennis gesteld wanneer de rechten van de betrokkene overeenkomstig dit besluit worden beperkt. Hij of zij krijgt toegang tot de bijbehorende registers en tot alle documenten die betrekking hebben op de feitelijke of juridische context.

2.   De DPO van de Europese Ombudsman kan vragen de toepassing van de beperking te herzien. De Europese Ombudsman brengt zijn DPO schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de herziening.

3.   De Europese Ombudsman documenteert de betrokkenheid van de DPO bij de toepassing van de beperkingen, met inbegrip van de informatie die met hem of haar wordt gedeeld.

Artikel 6

Informatie aan betrokkenen over beperkingen van hun rechten

1.   De Europese Ombudsman neemt in de berichten over gegevensbescherming die op zijn website worden gepubliceerd, algemene informatie voor de betrokkenen op die verband houdt met mogelijke beperkingen van de rechten van de betrokkenen uit hoofde van artikel 2, lid 1. De informatie heeft betrekking op de rechten die kunnen worden beperkt, de redenen waarvoor beperkingen kunnen worden toegepast en op de potentiële duur ervan.

2.   De Europese Ombudsman informeert de betrokkenen individueel, schriftelijk en onverwijld over bestaande of toekomstige beperkingen van hun rechten. De Europese Ombudsman stelt de betrokkene in kennis van de voornaamste redenen waarop de toepassing van de beperking is gebaseerd, van zijn recht om de DPO te raadplegen teneinde de beperking te betwisten, en van zijn/haar rechten om een klacht in te dienen bij de EDPS.

3.   De Europese Ombudsman kan het verstrekken van informatie over de redenen voor een beperking en het recht om een klacht bij de EDPS in te dienen opschorten, achterwege laten of weigeren, zolang dit het effect van de beperking teniet zou doen. De vraag of dit gerechtvaardigd is vindt per individueel geval plaats. Zodra dit het effect van de beperking niet langer teniet zou doen, verstrekt de Europese Ombudsman de betrokkene de informatie.

Artikel 7

Mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene

1.   Wanneer de Europese Ombudsman verplicht is een inbreuk in verband met persoonsgegevens uit hoofde van artikel 35, lid 1, van de verordening mee te delen, kan de Europese Ombudsman deze mededeling in uitzonderlijke omstandigheden geheel of gedeeltelijk beperken. De redenen voor de beperking, de rechtsgrond ervoor uit hoofde van artikel 2 en een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid ervan worden in een nota gedocumenteerd. De nota wordt aan de EDPS meegedeeld op het tijdstip van de kennisgeving van de inbreuk in verband met persoonsgegevens.

2.   Wanneer de redenen voor de beperking niet langer van toepassing zijn, deelt de Europese Ombudsman de inbreuk in verband met persoonsgegevens mee aan de betrokkene en stelt hij hem of haar in kennis van de voornaamste redenen voor de beperking en van zijn recht om een klacht in te dienen bij de EDPS.

Artikel 8

Vertrouwelijkheid van elektronische communicatie

1.   In uitzonderlijke omstandigheden kan de Europese Ombudsman het in artikel 36 van de verordening bedoelde recht op vertrouwelijkheid van elektronische communicatie beperken. Dergelijke beperkingen voldoen aan Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

2.   Indien de Europese Ombudsman het recht op vertrouwelijkheid van elektronische communicatie beperkt, stelt hij de betrokkene in zijn antwoord op diens verzoek in kennis van de voornaamste redenen waarop de toepassing van de beperking berust, en van zijn of haar recht een klacht in te dienen bij de EDPS.

3.   De Europese Ombudsman kan het verstrekken van informatie over de redenen voor de beperking en het recht om een klacht bij de EDPS in te dienen opschorten, achterwege laten of weigeren, zolang dit het effect van de beperking teniet zou doen. De vraag of dit gerechtvaardigd is vindt per individueel geval plaats. Zodra dit het effect van de beperking niet langer teniet zou doen, verstrekt de Europese Ombudsman de betrokkene de informatie.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 9 november 2020.

Voor de Europese Ombudsman

Emily O’REILLY


(1)   PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39.

(2)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).


Rectificaties

10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/87


Rectificatie van de definitieve vaststelling (EU, Euratom) 2020/1776 van gewijzigde begroting nr. 7 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020

( Publicatieblad van de Europese Unie L 401 van 30 november 2020 )

Bladzijde 21, rij 1 4 “EIGEN MIDDELEN OP BASIS VAN HET BRUTO NATIONAAL INKOMEN OP GROND VAN ARTIKEL 2, LID 1, ONDER C), VAN BESLUIT 2014/335/EU, EURATOM”:

In de kolom “Begroting 2020”:

in plaats van:

“ 115 905 134 859 ”,

lezen:

“ 115 555 134 859 ”.

In de kolom “Nieuw bedrag”:

in plaats van:

“ 121 438 277 059 ”,

lezen:

“ 121 088 277 059 ”.


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/88


Rectificatie van Verordening (EU) 2020/1633 van de Commissie van 27 oktober 2020 tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van azinfos-methyl, bentazon, dimethomorf, fludioxonil, flufenoxuron, oxadiazon, fosalone, pyraclostrobin, afweermiddel: tallolie en teflubenzuron in of op bepaalde producten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 367 van 5 november 2020 )

Bladzijde 4, artikel 3:

in plaats van:

“Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 21 mei 2020.”,

lezen:

“Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 25 mei 2021.”.


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/89


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1097 van de Commissie van 24 juli 2020 tot verlening van een vergunning voor luteïnerijke en luteïne/zeaxanthine-extracten van Tagetes erecta als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor mest- en legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en voor minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden

( Publicatieblad van de Europese Unie L 241 van 27 juli 2020 )

Bladzijde 25, bijlage, rij 2a161b, vierde kolom “Diersoort of -categorie”, cel 2:

in plaats van:

“Legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden”,

lezen:

“Legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor legdoeleinden.”.

Bladzijde 26, bijlage, rij 2a161bi, vierde kolom “Diersoort of -categorie”, cel 2:

in plaats van:

“Legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden.”,

lezen:

“Legpluimvee (met uitzondering van kalkoenen) en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor legdoeleinden.”.


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/90


Rectificatie van Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit

( Publicatieblad van de Europese Unie L 210 van 6 augustus 2008 )

In het gehele besluit en in de bijlage:

in plaats van:

“Verenigde Staten”,

lezen:

“US”.


10.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 415/91


Rectificatie van Besluit (EU) 2020/1814 van de Commissie van 28 juni 2019 betreffende steunmaatregel SA.33846 — (2015/C) (ex 2014/NN) (ex 2011/CP) ten uitvoer gelegd door Finland ten gunste van Helsingin Bussiliikenne Oy

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3152)

( Publicatieblad van de Europese Unie L 404 van 2 december 2020 )

Bladzijde 12, tabel 2 wordt als volgt gelezen:

Tabel 2

Kerncijfers van STA (in 000 EUR)

 

1999

2000

2001

2002

2003

2004

Netto-omzet

29 460

32 187

34 069

29 921

29 511

25 674

Exploitatiewinst

– 777

– 624

–1 139

–2 334

–2 892

–2 546

Resultaat vóór kredieten en belastingen

–1 109

–1 085

–1 638

–2 366

–3 220

–2 833

Bron: Jaarrekening van STA.”