ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 343

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
16 oktober 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1484 van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek Cuba op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2020/1485 van de Raad van 12 oktober 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1486 van de Raad van 6 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

5

 

*

Besluit (EU) 2020/1487 van de Raad van 6 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

7

 

*

Besluit (EU) 2020/1488 van de Raad van 6 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden ( 1 )

9

 

*

Besluit (EU) 2020/1489 van de Raad van 6 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

10

 

*

Besluit (EU) 2020/1490 van de Raad van 12 oktober 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgericht bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, over de vaststelling van de procedures voor de beslechting van geschillen en de gedragscode voor scheidsrechters

12

 

*

Besluit (EU) 2020/1491 van de Raad van 12 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in het EPO-comité dat is opgericht bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in te nemen standpunt in verband met de vaststelling van de lijst van scheidsrechters

13

 

*

Besluit (EU) 2020/1492 van de Raad van 12 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de vaststelling van gemeenschappelijke operationele procedures ( 1 )

14

 

*

Besluit (EU) 2020/1493 van de Raad van 12 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de wijziging van de bijlagen I en II bij de overeenkomst en de vaststelling van koppelingstechnische normen ( 1 )

16

 

*

Besluit (EU) 2020/1494 van de Raad van 12 oktober 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Administratief Comité voor de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) ten aanzien van het voorstel tot bepaalde wijzigingen van die overeenkomst

18

 

*

Besluit (EU) 2020/1495 van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Douanecomité dat is opgericht bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, met betrekking tot een aanbeveling over de toepassing van artikel 27 van het Protocol betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking

20

 

*

Besluit (EU) 2020/1496 van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

22

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/1


BESLUIT (EU) 2020/1484 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2020

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek Cuba op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 15 juni 2018 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (“GATT”) 1994 te openen inzake de verdeling van de in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

(2)

De onderhandelingen met de Republiek Cuba zijn afgesloten en op 3 juli 2020 werd een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek Cuba op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (“de overeenkomst”) geparafeerd.

(3)

De overeenkomst moet worden ondertekend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek Cuba in verband met de onderhandelingen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (1).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  De tekst van de overeenkomst wordt tegelijkertijd met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.


VERORDENINGEN

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/3


VERORDENING (EU) 2020/1485 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad (1) zijn voor 2020 de vangstmogelijkheden vastgesteld voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

(2)

Het meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee (“het plan”) is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad (2). Krachtens die verordening moeten de vangstmogelijkheden voor de desbetreffende bestanden worden vastgesteld om een niveau van visserijsterfte te bereiken waarmee de maximale duurzame opbrengst (MDO) geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 kan worden gehaald.

(3)

Krachtens Verordening (EU) 2019/1022 moeten vangstmogelijkheden worden uitgedrukt als maximaal toegestane visserijinspanning en moeten zij worden bepaald overeenkomstig de in die verordening vastgestelde visserijinspanningsregeling. Elke lidstaat diende de uitgangswaarde voor elke visserijinspanningsgroep of elk geografisch deelgebied te hebben berekend als de gemiddelde visserijinspanning uitgedrukt in aantal visdagen tussen 1 januari 2015 en 31 december 2017, daarbij alleen rekening houdend met de vaartuigen die tijdens die periode actief waren. De lidstaten hebben hun inspanningsgegevens per vlootsegment en in visdagen aangegeven.

(4)

Tijdens de raming van de uitgangswaarde voor de visserijinspanningsvermindering constateerde Spanje een fout in de technische berekening voor het uitsplitsen van de visdagen tussen de kustvisserij en de diepzeevisserij in het geval van de visreizen van langer dan één dag.

(5)

Bijgevolg moet de berekening van Spanjes uitgangswaarde voor de maximaal toegestane visserijinspanning, uitgedrukt in visdagen, worden gewijzigd. Deze wijziging in de berekening heeft geen gevolgen voor het totale aantal visdagen van Spanje, noch voor andere lidstaten die het planuitvoeren. De wijziging is evenwel noodzakelijk om discrepanties te vermijden tussen de door Spanje gerapporteerde visserijinspanning en de visserijinspanning die in Verordening (EU) 2019/2236 is vastgesteld.

(6)

Verordening (EU) 2019/2236 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Verordening (EU) 2019/2236 is van toepassing met ingang van 1 januari 2020. Deze verordening moet met ingang van dezelfde datum van toepassing zijn. Een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien de vangstmogelijkheden voor betrokken visserijinspanningsgroep nog niet zijn opgebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) 2019/2236

In bijlage I bij Verordening (EU) 2019/2236 wordt deel a) vervangen door:

“a)

Zee van Alborán, Balearen, Noord-Spanje en Golfe du Lion (GDG’s 1-2-5-6-7)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG’s 1, 5, 6 en 7; heek in GDG’s 1-5-6-7; roze diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5 en 6; langoustine in GDG’s 5 en 6

< 12 m

2 260

0

0

EFF1/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

24 284

0

0

EFF1/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

45 563

5 144

0

EFF1/MED1_TR3

≥ 24 m

16 047

6 258

0

EFF1/MED1_TR4

Blauwrode diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5, 6 en 7

< 12 m

0

0

0

EFF2/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

1 139

0

0

EFF2/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

11 535

0

0

EFF2/MED1_TR3

≥ 24 m

9 260

0

0

EFF2/MED1_TR4”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14).

(2)  Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1).


BESLUITEN

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/5


BESLUIT (EU) 2020/1486 VAN DE RAAD

van 6 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (“de EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan Protocol 31 bij de EER-overeenkomst (“Protocol 31”) bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten in uit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde acties van de Unie met betrekking tot financiële diensten.

(5)

Protocol 31 dient dan ook te worden gewijzigd, teneinde voortzetting van die uitgebreide samenwerking na 31 december 2019 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt inzake de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, wordt gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Zie document ST 10127/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/7


BESLUIT (EU) 2020/1487 VAN DE RAAD

van 6 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan Protocol 31 bij de EER-overeenkomst (“Protocol 31”) bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst bij uit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde acties met betrekking tot de werking en ontwikkeling van de interne markt voor goederen en diensten voort te zetten.

(5)

Protocol 31 moet derhalve worden gewijzigd om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2020 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt inzake de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden wordt gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Zie document ST 10130/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/9


BESLUIT (EU) 2020/1488 VAN DE RAAD

van 6 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan Protocol 31 bij de EER-overeenkomst (hierna “Protocol 31” genoemd) bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten in uit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde EU-acties met betrekking tot het vennootschapsrecht.

(5)

Protocol 31 moet derhalve worden gewijzigd om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2020 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient te worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden wordt gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Zie document ST 10133/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/10


BESLUIT (EU) 2020/1489 VAN DE RAAD

van 6 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (2), en met name artikel 58, lid 2, onder b), artikel 110, lid 1, en artikel 181,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (3) (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan Protocol 31 bij de EER-overeenkomst (hierna “Protocol 31” genoemd) bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

De EVA-staten moeten blijven deelnemen aan de activiteiten van de Unie met betrekking tot begrotingsonderdeel 02 04 77 03 (Voorbereidende actie van de Unie inzake defensieonderzoek), dat in de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 is opgenomen.

(5)

Protocol 31 dient derhalve te worden gewijzigd om de voortzetting van die uitgebreide samenwerking vanaf 1 januari 2020 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden wordt gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER (4).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

(3)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(4)  Zie document ST 10136/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/12


BESLUIT (EU) 2020/1490 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgericht bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, over de vaststelling van de procedures voor de beslechting van geschillen en de gedragscode voor scheidsrechters

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (“de overeenkomst”) (1), is namens de Unie ondertekend op grond van Besluit 2009/156/EG van de Raad (2). De overeenkomst wordt sinds 3 september 2016 voorlopig toegepast.

(2)

Overeenkomstig artikel 59, lid 1, van de overeenkomst stelt het EPO-comité het reglement van orde en de gedragscode voor de procedures betreffende de beslechting van geschillen vast.

(3)

Het EPO-comité moet op zijn eerstkomende jaarlijkse vergadering een besluit aannemen tot vaststelling van de procedures voor de beslechting van geschillen en de hierbij aangehechte gedragscode voor scheidsrechters.

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het EPO-comité moet worden ingenomen ten aanzien van het beoogde besluit tot vaststelling van de procedures voor de beslechting van geschillen en de gedragscode voor scheidsrechters aangezien dat voor de Unie bindend zal zijn.

(5)

Het standpunt van de Unie in het EPO-comité moet derhalve worden gebaseerd op dat ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgericht bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het EPO-comité tot vaststelling van de procedures voor de beslechting van geschillen en de gedragscode voor scheidsrechters (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 59 van 3.3.2009, blz. 3.

(2)  Besluit 2009/156/EG van de Raad van 21 november 2008 tot ondertekening en voorlopige toepassing van de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 59 van 3.3.2009, blz. 1).

(3)  Zie document ST 10612/20 op: http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/13


BESLUIT (EU) 2020/1491 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in het EPO-comité dat is opgericht bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in te nemen standpunt in verband met de vaststelling van de lijst van scheidsrechters

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1) (“de overeenkomst”), is namens de Unie ondertekend krachtens Besluit 2009/156/EG van de Raad (2) en wordt sinds 3 september 2016 voorlopig toegepast.

(2)

Overeenkomstig artikel 64, lid 1, van de overeenkomst kan het EPO-comité een lijst opstellen van personen die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren (“lijst van scheidsrechters”).

(3)

Het EPO-comité stelt overeenkomstig artikel 64, lid 1, van de overeenkomst een besluit vast tot opstelling van de lijst van scheidsrechters.

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité, aangezien het besluit tot vaststelling van de lijst van scheidsrechters voor de Unie bindend zal zijn.

(5)

Het standpunt van de Unie in het EPO-comité moet derhalve worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het EPO-comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgerict bij de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het EPO-comité tot vaststelling van de lijst van personen die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 59 van 3.3.2009, blz. 3.

(2)  Besluit 2009/156/EG van de Raad van 21 november 2008 tot ondertekening en voorlopige toepassing van de Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 59 van 3.3.2009, blz. 1).

(3)  Zie document st 10614/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/14


BESLUIT (EU) 2020/1492 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de vaststelling van gemeenschappelijke operationele procedures

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (1) (“de overeenkomst”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2018/219 van de Raad (2) en is op 1 januari 2020 in werking getreden.

(2)

Op grond van de overeenkomst kan het bij de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité (“het Gemengd Comité”) een besluit vaststellen inzake door de Zwitserse registeradministrateur en de centrale administrateur van de Unie voor technische of andere kwesties ontwikkelde en voor de werking van de koppeling vereiste gemeenschappelijke operationele procedures, daarbij rekening houdend met de prioriteiten van de nationale wetgeving. De gemeenschappelijke operationele procedures zullen vervolgens van kracht worden wanneer zij bij besluit van het Gemengd Comité zijn vastgesteld.

(3)

Het Gemengd Comité zal de ontwikkelde gemeenschappelijke operationele procedures vaststellen op zijn derde vergadering, die in 2020 zal worden gehouden.

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité, aangezien de gemeenschappelijke operationele procedures voor de Unie bindend zullen zijn.

(5)

De vaststelling van de gemeenschappelijke operationele procedures vormt een belangrijk onderdeel van de uitvoering van de overeenkomst, aangezien daarbij de operationele procedures worden bepaald die voor de werking van de koppeling noodzakelijk zijn en die door beide partijen zullen moeten worden toegepast.

(6)

Het is passend voor het Gemengd Comité om op grond van de overeenkomst een werkgroep op te richten om het Gemengd Comité bij te staan in zijn functies uit hoofde van de overeenkomst met betrekking tot de ontwikkeling van technische richtsnoeren voor de correcte uitvoering van de overeenkomst, met inbegrip van richtsnoeren betreffende technische of andere kwesties die voor de werking van de koppeling vereist zijn, daarbij rekening houdend met de prioriteiten van de nationale wetgeving. De werkgroep moet ten minste de Zwitserse registeradministrateur en de centrale administrateur van de Unie omvatten.

(7)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité moet derhalve worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de derde vergadering van het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de vaststelling van gemeenschappelijke operationele procedures, alsook over de oprichting van een werkgroep overeenkomstig artikel 12, lid 5, van de overeenkomst, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité (3).

Kleine wijzigingen van het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in het Gemengd Comité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 322 van 7.12.2017, blz. 3.

(2)  Besluit (EU) 2018/219 van de Raad van 23 januari 2018 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (PB L 43 van 16.2.2018, blz. 1).

(3)  Zie document ST 10831/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/16


BESLUIT (EU) 2020/1493 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de wijziging van de bijlagen I en II bij de overeenkomst en de vaststelling van koppelingstechnische normen

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (1) (“de overeenkomst”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2018/219 van de Raad (2) en is op 1 januari 2020 in werking getreden.

(2)

Op grond van de overeenkomst kan het bij de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité (“het Gemengd Comité”) een besluit vaststellen inzake door de Zwitserse registeradministrateur en de centrale administrateur van de Unie op basis van de in beginselen in bijlage II bij de overeenkomst ontwikkelde koppelingstechnische normen, waarin de gedetailleerde eisen voor het tot stand brengen van een robuuste en veilige verbinding tussen het Zwitserse aanvullende transactielogboek (SSTL) en het EU-transactielogboek (EUTL) worden beschreven. De koppelingstechnische normen zullen vervolgens van kracht worden wanneer zij bij besluit van het Gemengd Comité zijn vastgesteld.

(3)

Bijlage I bij de overeenkomst moet worden gewijzigd overeenkomstig de overeenkomst om te zorgen voor de soepele administratieve overgang van vliegtuigexploitanten die voor het eerst na de inwerkingtreding van de overeenkomst aan Zwitserland worden toegewezen, door rekening te houden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de registerkoppeling.

(4)

Bijlage II moet worden gewijzigd om te voorzien in een grotere maar gelijkwaardige reeks technologieën voor het opzetten van de door de overeenkomst vereiste registerkoppeling.

(5)

Het Gemengd Comité zal de ontwikkelde koppelingstechnische normen vaststellen op zijn derde vergadering, die in 2020 zal worden gehouden.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité, aangezien de koppelingstechnische normen voor de Unie bindend zullen zijn.

(7)

De vaststelling van de koppelingstechnische normen vormt een belangrijk onderdeel van de uitvoering van de overeenkomst, waardoor de technische grondslagen van de koppeling kunnen worden vastgelegd en de basis wordt gelegd met betrekking tot eisen op het gebied van architectuur, dienstverlening en beveiliging.

(8)

Het is passend voor het Gemengd Comité om op grond van de overeenkomst een werkgroep op te richten om het Gemengd Comité bij te staan in zijn functies uit hoofde van de overeenkomst met betrekking tot de ontwikkeling van technische richtsnoeren om de correcte uitvoering van de overeenkomst te verzekeren, met inbegrip van richtsnoeren betreffende de totstandbrenging van een robuuste en veilige verbinding tussen het SSTL en het EUTL. De werkgroep moet ten minste de Zwitserse registeradministrateur en de centrale administrateur van de Unie omvatten.

(9)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité moet derhalve worden gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de derde vergadering van het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten, over de wijziging van de bijlagen I en II bij de overeenkomst, de vaststelling van koppelingstechnische normen en de oprichting van een werkgroep overeenkomstig artikel 12, lid 5, van de overeenkomst, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité (3).

Kleine wijzigingen van het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in het Gemengd Comité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)   PB L 322 van 7.12.2017, blz. 3.

(2)  Besluit (EU) 2018/219 van de Raad van 23 januari 2018 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (PB L 43 van 16.2.2018, blz. 1).

(3)  Zie document st 10836/20 op http://register.consilium/europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/18


BESLUIT (EU) 2020/1494 VAN DE RAAD

van 12 oktober 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Administratief Comité voor de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) ten aanzien van het voorstel tot bepaalde wijzigingen van die overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) van 14 november 1975 (“de TIR-Overeenkomst”) is namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij Verordening (EEG) nr. 2112/78 (1) van de Raad en is op 20 juni 1983 in de Gemeenschap in werking getreden (2).

(2)

Een geconsolideerde versie van de TIR-Overeenkomst werd gepubliceerd bij Besluit 2009/477/EG (3) van de Raad. Overeenkomstig artikel 1, tweede alinea, van dat besluit zal de Commissie toekomstige wijzigingen van de TIR-Overeenkomst bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie, met vermelding van de datum van inwerkingtreding ervan.

(3)

Het Administratief Comité dat is opgericht bij de TIR-Overeenkomst (“het Administratief Comité”) kan wijzigingen van de TIR-Overeenkomst vaststellen, overeenkomstig de artikelen 59 en 60 van de TIR-Overeenkomst.

(4)

Tijdens zijn 73e zitting op 15 oktober 2020 of een daaropvolgende zitting zal het Administratief Comité bepaalde wijzigingen van de TIR-Overeenkomst vaststellen.

(5)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Administratief Comité ten aanzien van de wijzigingen van de TIR-Overeenkomst, aangezien die wijzigingen bindend zullen zijn voor de Unie.

(6)

Om de modernisering van de TIR-regeling te bespoedigen, moeten de voor het TIR-Uitvoerend Orgaan bevoegde autoriteiten, die door het Administratief Comitézijn opgericht, een verplichte elektronische gegevenstransmissie invoeren voor de vergunningen en intrekkingen van dergelijke vergunningen van houders van het TIR-carnet, en een betrouwbare online internationale databank opzetten van douanekantoren die TIR-vervoer aanvaarden, door artikel 38 van de TIR-Overeenkomst en bijlage 9 bij de TIR-Overeenkomst te wijzigen en door een nieuwe toelichting op artikel 45 van de TIR-Overeenkomst op te stellen.

(7)

Om de TIR-Overeenkomst aantrekkelijker te maken voor zowel marktdeelnemers als douaneautoriteiten moeten de overeenkomstsluitende partijen de mogelijkheid krijgen om daartoe naar behoren gemachtigde personen ruimere faciliteiten te verlenen voor de toepassing van de TIR-Overeenkomst door een nieuwe toelichting op artikel 49 van de TIR-Overeenkomst op te stellen.

(8)

Om de TIR-Overeenkomst te verduidelijken, moet het gebruik van een voorgeschreven route binnen de douane-unies worden gespecificeerd door artikel 20 van de TIR-Overeenkomst te wijzigen en het aanbevolen maximumbedrag te verhogen dat kan worden geëist van de aansprakelijke organisaties voor TIR-carnets tabak en alcohol, middels een wijziging van de toelichting op artikel 8 van de TIR-Overeenkomst.

(9)

Het standpunt van de Unie in het Administratief Comité moet derhalve worden gebaseerd op de ontwerpwijzigingen van de TIR-Overeenkomst.

(10)

Het standpunt van de Unie moet door de Commissie tot uiting worden gebracht.

(11)

Wanneer een formele stemming plaatsvindt in het Administratief Comité moet het standpunt van de Unie tot uiting worden gebracht door de lidstaten van de Unie, gezamenlijk handelend in het belang van de Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt tijdens de 73e of een daaropvolgende zitting van het Administratief Comité dat is opgericht bij de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) van 14 november 1975 (“de TIR-Overeenkomst”) wordt gebaseerd op de ontwerpwijzigingen van de TIR-Overeenkomst (4).

Artikel 2

1.   De Commissie brengt het in artikel 1 bedoelde standpunt tot uitdrukking.

2.   De lidstaten van de Unie, gezamenlijk handelend in het belang van de Unie, brengen het standpunt van de Unie tot uitdrukking wanneer een formele stemming moet plaatsvinden in het Administratief Comité.

Artikel 3

Kleine technische wijzigingen van het in artikel 1 bedoelde standpunt kunnen worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie zonder nader besluit van de Raad.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 houdende sluiting van de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) gedateerd te Genève, op 14 november 1975 (PB L 252 van 14.9.1978, blz. 1).

(2)   PB L 31 van 2.2.1983, blz. 13.

(3)  Besluit 2009/477/EG van de Raad van 28 mei 2009 tot bekendmaking in geconsolideerde vorm van de tekst van de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) gedateerd op 14 november 1975, zoals sedertdien gewijzigd (PB L 165 van 26.6.2009, blz. 1).

(4)  Zie document ST 10759/2020 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/20


BESLUIT (EU) 2020/1495 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Douanecomité dat is opgericht bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, met betrekking tot een aanbeveling over de toepassing van artikel 27 van het Protocol betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in combinatie met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1) (“de overeenkomst”), wordt sinds 1 juli 2011 voorlopig toegepast en is op 13 december 2015 in werking getreden.

(2)

In artikel 27 van het protocol bij de overeenkomst betreffende de definitie van “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (“het protocol”) zijn de procedure voor de controle van de bewijzen van oorsprong en de taken en de verantwoordelijkheden van de douaneautoriteiten van de partijen van invoer en uitvoer vastgelegd.

(3)

Het krachtens artikel 15.2, lid 1, onder c), van de overeenkomst opgerichte Douanecomité is op grond van artikel 6.16, lid 5, van de overeenkomst bevoegd om aanbevelingen te formuleren die het noodzakelijk acht voor het bereiken van de gezamenlijke doelstellingen en de goede werking van de mechanismen die in het protocol zijn vastgelegd.

(4)

De Unie en de Republiek Korea hebben vastgesteld dat er behoefte is aan een gemeenschappelijke interpretatie van de belangrijkste kenmerken van de controleprocedure die is vastgelegd in artikel 27 van het protocol en van de verschillende stappen in die procedure. Een dergelijke gemeenschappelijke interpretatie moet in het belang zijn van de douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de naleving van de oorsprongsregels en voor het waarborgen van de gelijke behandeling van de marktdeelnemers die aan dergelijke controle worden onderworpen, op het grondgebied van beide partijen.

(5)

De Unie en de Republiek Korea achten het passend dat het Douanecomité een aanbeveling formuleert voor een gemeenschappelijke interpretatie en een goede uitvoering van de verificatieprocedure van artikel 27 van het protocol.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Douanecomité, aangezien die aanbeveling rechtsgevolgen zal hebben in de Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in het Douanecomité dat is opgericht uit hoofde van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, is gebaseerd op de ontwerpaanbeveling van dat Douanecomité (2).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(2)  Zie document ST 10586/20 op http://register.consilium.europa.eu


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/22


BESLUIT (EU) 2020/1496 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2020

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 15 juni 2018 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen in het kader van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (“GATT”) 1994 te openen inzake de verdeling van de in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

(2)

De onderhandelingen met het Koninkrijk Noorwegen zijn afgesloten en op 7 en 8 juli 2020 werd een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994, betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (“de overeenkomst”) geparafeerd.

(3)

De overeenkomst moet worden ondertekend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (1).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.