ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 342

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
16 oktober 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1497 van de Commissie van 15 oktober 2020 tot verlening van een vergunning voor L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80184 en Escherichia coli KCCM 80096, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1498 van de Commissie van 15 oktober 2020 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof thiofanaat-methyl overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

5

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1499 van de Commissie van 28 juli 2020 betreffende de toepasselijkheid van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad op de productie van en de groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 5026)  ( 1 )

8

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1500 van de Commissie van 28 juli 2020 betreffende de toepasselijkheid van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van opdrachten geplaatst voor activiteiten die verband met de productie van en groothandel in elektriciteit in Litouwen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 5031)  ( 1 )

15

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1501 van de Commissie van 14 oktober 2020 betreffende de krachtens Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad uitgevoerde beoordeling van een door Duitsland verleende tijdelijke ontheffing van sommige bepalingen van Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 6891)  ( 1 )

23

 

*

Besluit (EU) 2020/1502 van de Commissie van 15 oktober 2020 tot vaststelling van interne voorschriften betreffende de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de beperking van bepaalde van hun rechten in het kader van de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie in het bij Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde samenwerkingsmechanisme

25

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1436 van de Raad van 12 oktober 2020 waarbij Duitsland overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd ( PB L 331 van 12.10.2020 )

31

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/330 van de Commissie van 5 maart 2018 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad ( PB L 63 van 6.3.2018 )

32

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1497 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2020

tot verlening van een vergunning voor L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(3)

De aanvragen betreffen de verlening van een vergunning voor L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten, in te delen in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen”.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 12 november 2019 (2) geconcludeerd dat L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu.

(5)

De EFSA heeft tevens geconcludeerd dat L-methionine, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096, voor alle diersoorten een doeltreffende bron van methionine is en dat het toevoegingsmiddel tegen afbraak in de pens moet worden beschermd om bij herkauwers even doeltreffend te zijn als bij niet-herkauwers.

(6)

Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding gecontroleerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(7)

Uit de beoordeling van dit toevoegingsmiddel blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dit toevoegingsmiddel, zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden toegestaan.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de in de bijlage beschreven stof, die behoort tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aminozuren, de zouten en de analogen daarvan”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  EFSA Journal 2019;17(12):5917.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aminozuren, de zouten en de analogen daarvan

3c305

-

L-methionine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Poeder met een minimumgehalte aan L-methionine van 98,5 % en een maximumvochtgehalte van 0,5 %.

------------------

Karakterisering van de werkzame stof

L-methionine geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum KCCM 80 184 en Escherichia coli KCCM 80 096

Chemische formule: C5H11NO2S

CAS-nummer: 63-68-3.

------------------

Analysemethoden  (1)

Voor de bepaling van L-methionine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

monografie van de Food Chemical Codex over L-methionine (identificatie), en

ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS/FLD) — EN ISO 17 180 (kwantificering).

Voor de bepaling van methionine in voormengsels:

ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en optische detectie (IEC-VIS/FLD) — EN ISO 17 180 en

ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en fotometrische detectie (IEC-VIS), Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (bijlage III, deel F).

Voor de bepaling van methionine in mengvoeders en voedermiddelen:

ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en fotometrische detectie (IEC-VIS), Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (bijlage III, deel F).

Voor de bepaling van methionine in water:

ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering en fotometrische detectie (IEC-VIS).

Alle soorten

-

-

-

1.

L-methionine mag als een uit een preparaat bestaand toevoegingsmiddel in de handel worden gebracht en worden gebruikt.

2.

L-methionine mag via het drinkwater worden toegediend.

3.

Op de etikettering van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moet het volgende worden vermeld:

“Bij de toevoeging van L-methionine, met name via het drinkwater, moet rekening worden gehouden met alle essentiële en voorwaardelijk essentiële aminozuren om onevenwichtigheden te voorkomen.”.

5.11.2030


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de volgende webpagina van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1498 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2020

tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof thiofanaat-methyl overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2005/53/EG van de Commissie (2) is thiofanaat-methyl in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3) opgenomen als werkzame stof.

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in de bijlage, deel A, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de in de bijlage, deel A, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 opgenomen werkzame stof thiofanaat-methyl vervalt op 31 oktober 2020.

(4)

Er is een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van thiofanaat-methyl ingediend overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (5) binnen de in dat artikel vastgestelde termijn.

(5)

De aanvrager heeft de overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 vereiste aanvullende dossiers ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig was.

(6)

De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een beoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit verslag op 1 november 2016 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend.

(7)

De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier toegankelijk gemaakt voor het publiek. De EFSA heeft het beoordelingsverslag over de verlenging tevens voor opmerkingen naar de aanvrager en de lidstaten gestuurd en heeft hierover een openbare raadpleging gehouden. De EFSA heeft de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd.

(8)

Op 17 januari 2018 heeft de EFSA de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld met betrekking tot de vraag of thiofanaat-methyl naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. In de conclusie werd op een aantal punten van zorg en lacunes in de gegevens gewezen.

(9)

Op 24 oktober 2018 heeft de Commissie het ontwerpverslag over de verlenging voor thiofanaat-methyl voorgelegd aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, dat het tijdens verschillende vergaderingen heeft besproken.

(10)

Bij brief van 10 juli 2020 heeft de aanvrager de Commissie in kennis gesteld van zijn besluit tot intrekking van de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van thiofanaat-methyl.

(11)

De goedkeuring van thiofanaat-methyl moet derhalve niet worden verlengd.

(12)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De lidstaten moeten voldoende tijd krijgen om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die thiofanaat-methyl bevatten, in te trekken.

(14)

Als de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die thiofanaat-methyl bevatten, moet die periode uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aflopen.

(15)

Deze verordening laat de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor de werkzame stof thiofanaat-methyl in te dienen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 onverlet.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Niet-verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof

De goedkeuring van de werkzame stof thiofanaat-methyl wordt niet verlengd.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

In de bijlage, deel A, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de vermelding over thiofanaat-methyl in rij 105 geschrapt.

Artikel 3

Overgangsbepalingen

De lidstaten trekken alle toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof thiofanaat-methyl bevatten uiterlijk op 19 april 2021 in.

Artikel 4

Respijtperiode

Een door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperiode moet uiterlijk op 19 oktober 2021 aflopen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2005/53/EG van de Commissie van 16 september 2005 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde chloorthalonil, chloortoluron, cypermethrin, daminozide en thiofanaat-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 241 van 17.9.2005, blz. 51).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).

(6)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2018. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance thiophanate-methyl, EFSA Journal 2018;16(1):5133. https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5133.


BESLUITEN

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/8


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1499 VAN DE COMMISSIE

van 28 juli 2020

betreffende de toepasselijkheid van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad op de productie van en de groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 5026)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (1), en met name artikel 35, lid 3,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   FEITEN

(1)

Op 3 december 2019 heeft Enel Green Power (“de verzoeker”) bij de Commissie een verzoek ingediend op grond van artikel 35, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU (“het verzoek”). Het verzoek voldoet aan artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1804 van de Commissie (2).

(2)

Het verzoek heeft betrekking op de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 2014/25/EU, die door de verzoeker in Italië worden verricht. In het verzoek worden deze diensten als volgt omschreven: zonne-energie, windenergie, energie van miniwaterkrachtinstallaties en geothermische energie. De verzoeker neemt biomassa en biogas niet op in zijn verzoek, aangezien hij stelt dat de praktijk van de Commissie om deze technologieën met stimuleringsmaatregelen te ondersteunen, moet leiden tot de conclusie dat de betrokken markten nog niet rechtstreeks aan concurrentie blootstaan.

(3)

Het verzoek ging niet vergezeld van een gemotiveerd standpunt van een onafhankelijke nationale autoriteit. Bijgevolg moet de Commissie in overeenstemming met bijlage IV, punt 1, bij Richtlijn 2014/25/EU binnen 105 werkdagen over het verzoek een uitvoeringshandeling vaststellen. De oorspronkelijke termijn werd opgeschort overeenkomstig bijlage IV, punt 2, bij Richtlijn 2014/25/EU. De tussen de aanvrager en de Commissie overeengekomen termijn voor de vaststelling van de uitvoeringshandeling verstrijkt op 31 juli 2020.

2.   RECHTSKADER

(4)

Richtlijn 2014/25/EU is van toepassing op de gunning van opdrachten voor de uitoefening van activiteiten die onder meer verband houden met de productie van en de groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de zin van Richtlijn 2014/25/EU, tenzij de activiteit op grond van artikel 34 van die richtlijn daarvan is vrijgesteld.

(5)

Overeenkomstig Richtlijn 2014/25/EU horen opdrachten voor een van de activiteiten waarop de richtlijn van toepassing is, niet onder die richtlijn te vallen wanneer de activiteit in de lidstaat waarin zij wordt uitgeoefend rechtstreeks aan concurrentie blootstaat op marktgebieden waarvoor de toegang niet beperkt is. De rechtstreekse blootstelling aan concurrentie wordt getoetst aan de hand van objectieve criteria, die betrekking kunnen hebben op de kenmerken van de desbetreffende producten of diensten, het voorhanden zijn van alternatieve producten of diensten die aan de vraag- of aanbodzijde substitueerbaar zijn, de prijzen en de werkelijke of potentiële aanwezigheid van meer dan één leverancier van deze producten of meer dan één aanbieder van deze diensten.

3.   BEOORDELING

3.1.   Niet-beperkte toegang tot de markt

(6)

De toegang tot een markt wordt geacht niet beperkt te zijn indien de betrokken lidstaat de desbetreffende wetgeving van de Unie tot openstelling van een bepaalde (deel)sector voor concurrentie ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast. Die wetgeving is vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2014/25/EU; voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gaat het om het Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

(7)

Voor zover bij de Commissie bekend, heeft Italië Richtlijn 2009/72/EG in nationaal recht omgezet door middel van wetsbesluit nr. 93/2011, later gewijzigd bij artikel 26 van wet nr. 115/2015 en artikel 33 van wet nr. 122/2016. Bijgevolg wordt de toegang tot de relevante markt overeenkomstig artikel 34, lid 3, van Richtlijn 2014/25/EU geacht niet beperkt te zijn.

3.2.   Rechtstreekse blootstelling aan concurrentie

(8)

De rechtstreekse blootstelling aan concurrentie moet worden beoordeeld aan de hand van diverse indicatoren, waarbij geen van deze indicatoren op zichzelf doorslaggevend is. Wat de markten betreft waarop dit besluit betrekking heeft, is het marktaandeel van de voornaamste spelers op een bepaalde markt een van de te hanteren criteria. Aangezien er voor de onderscheiden activiteiten waarop het verzoek betrekking heeft uiteenlopende omstandigheden gelden, moet bij het onderzoek naar de concurrentiesituatie met die uiteenlopende situaties op de relevante markten rekening worden gehouden.

(9)

Dit besluit laat de toepassing van de mededingingsregels en staatssteun en andere gebieden van het recht van de Unie onverlet. Met name zijn de criteria en methoden die worden gebruikt om rechtstreekse blootstelling aan concurrentie te beoordelen overeenkomstig artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU niet noodzakelijk identiek aan die welke worden gebruikt om een beoordeling te verrichten volgens artikel 101 of artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (4), zoals het Gerecht heeft bevestigd (5).

(10)

Het doel van dit besluit is vast te stellen of de activiteiten waarop het verzoek betrekking heeft, op markten waarvoor de toegang niet beperkt is in de zin van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU aan een mate van concurrentie blootstaan die ervoor zal zorgen dat, ook zonder de discipline die door de toepassing van de in Richtlijn 2014/25/EU vastgelegde nadere regels voor het plaatsen van opdrachten wordt opgelegd, de plaatsing van opdrachten voor de uitoefening van de activiteiten waarop het verzoek betrekking heeft op een transparante, niet-discriminerende wijze zal plaatsvinden op basis van criteria die afnemers in staat stellen uit te maken welke in het algemeen de economisch voordeligste oplossing is.

3.3.   Afbakening van de relevante markt(en)

(11)

In 2012 heeft de Commissie in Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU (6) bepaald dat de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen een afzonderlijke markt is.

(12)

In 2017 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/71 (7) met betrekking tot de Nederlandse elektriciteitsmarkt vastgesteld. Voor Nederland was de Commissie van oordeel dat het niet noodzakelijk was om afzonderlijke markten te definiëren voor energie op basis van de bron ervan. De belangrijkste redenen om wat Italië betreft van Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU af te wijken, waren de volgende: het feit dat hernieuwbare elektriciteit direct op de groothandelsmarkt werd verkocht en niet aan een niet-marktpartij (de transmissiesysteembeheerder in Duitsland en de Gestore dei Servizi Energetici in Italië), het ontbreken van prioritaire teruglevering van hernieuwbare elektriciteit, het feit dat het reguliere vergoedingstarief voor hernieuwbare elektriciteit werd vastgesteld in de vorm van een terugleverpremie (in tegenstelling tot een vast tarief zoals eerder het geval was in Duitsland en Italië) en het feit dat voor de subsidies een biedingsprocedure vooraf was georganiseerd waarbij verschillende technologieën concurreerden om een vooraf bepaald bedrag aan subsidies.

(13)

In dit verzoek is de verzoeker van mening dat in Italië voor de groothandel bestemde elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en die uit conventionele bronnen deel uitmaken van dezelfde markt.

(14)

In haar opmerkingen van 6 maart 2020 is de Italiaanse mededingingsautoriteit Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (hierna: “AGCM”) van mening dat het niet mogelijk is onderscheid te maken tussen een markt voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen enerzijds, en een markt voor de van de productie van energie uit conventionele bronnen anderzijds. De AGCM merkt op dat hernieuwbare en conventionele productie volledig uitwisselbaar zijn vanuit het oogpunt van het voldoen aan de elektriciteitsvraag en dat het aandeel hernieuwbare energie dat onder marktvoorwaarden wordt verkocht hoog is (meer dan 50 % van het totaal). In dit verband voert de AGCM aan dat de stimulansen voor productie uit hernieuwbare bronnen sinds 2012 aanzienlijk zijn verminderd en dat het niveau ervan in de loop der tijd daalde tot slechts een compensatie van de kosten van de elektriciteitsproducenten.

(15)

De Commissie merkt op dat de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië wordt ondersteund door een aantal regelingen met verschillende kenmerken.

(16)

De Commissie had de kenmerken van vier regelingen ter ondersteuning van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen geanalyseerd in Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU met betrekking tot Italië. Gezien de verschillende kenmerken van de regelingen die na dat besluit in Italië zijn ingevoerd om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te ondersteunen, wordt de markt, met het oog op de analyse in deze overwegingen, opgesplitst in de in Italië ingevoerde regelingen ter ondersteuning van productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, zoals geanalyseerd in Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU enerzijds, en de regelingen die na dat besluit in Italië zijn ingevoerd ter ondersteuning van productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen anderzijds.

(17)

In dit verband is het belangrijk te vermelden dat niet alle marktspelers op de betrokken markten aan de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten onderworpen zijn. Derhalve zouden de ondernemingen die niet aan die regels onderworpen zijn — wanneer zij actief zijn op die markten — normaliter concurrentiedruk kunnen uitoefenen op de marktspelers die wel aan die regels onderworpen zijn.

3.4.   Afbakening van de relevante geografische markt

(18)

In de elektriciteitssector wordt de nationale markt vaak gezien als de relevante geografische markt. Het relevante geografische gebied kan echter ook afhankelijk zijn van netwerkbeperkingen die bij de biedzoneconfiguratie in aanmerking zijn genomen.

(19)

In haar Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU was de Commissie van oordeel dat vanwege de aanwezigheid van netwerkproblemen, met het oog op de evaluatie van de in artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) neergelegde voorwaarden en onverlet de mededingingswetgeving, de relevante geografische markten voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen geacht werden de macro-zone Noord en de macro-zone Zuid te zijn.

(20)

Wat de geografische markt betreft, is de verzoeker van mening dat deze een nationale markt is.

(21)

In hun opmerkingen van 6 maart 2020 geven de Italiaanse autoriteiten aan dat het prijsverschil tussen de macro-zone Zuid en Sardinië bijna tot 0 is teruggebracht, en het prijsverschil tussen de macro-zone Zuid en de macro-zone Sicilië is verkleind. De AGCM onderstreept het deconcentratieproces dat op de Italiaanse markt van invloed was, zoals blijkt uit de gestage daling van de Herfindahl-Hirschman-index (HHI) op nationaal niveau (549 in 2018, 686 in 2017, 713 in 2016 en 884 in 2012). De HHI-berekening is door de verzoeker verstrekt in zijn opmerkingen van 19 september 2019. De AGCM wijst er echter op dat ten minste voor één macro-zone (Sicilië) de zoneprijs nog steeds permanent en significant verschilt van die van de rest van het land.

(22)

De Commissie is het ermee eens dat de ontwikkeling van de prijsverschillen in de afgelopen acht jaar een zeer significante convergentie tussen de macrozones heeft laten zien. Het voortbestaan van hogere prijzen voor de markt in de macro-zone Sicilië lijkt echter de afzondering van deze zone van de rest van de Italiaanse markt te rechtvaardigen.

(23)

Voor de beoordeling in het kader van dit besluit en onverminderd het mededingingsrecht en de regels inzake staatssteun neemt de Commissie twee relevante geografische markten in aanmerking: enerzijds de macrozones Noord, Zuid en Sardinië, en anderzijds de macrozone Sicilië.

3.5.   Marktanalyse

(24)

De Commissie had in haar Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU geconcludeerd dat alleen de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen kon worden vrijgesteld van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten. In het besluit werd gesteld dat de voorwaarde rechtstreeks bloot te staan aan mededinging, zoals neergelegd in artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG, als vervuld moest worden beschouwd wat de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen betreft, behalve in Sardinië en Sicilië. In het besluit werden de kenmerken van vier stimuleringsregelingen voor hernieuwbare energie geanalyseerd.

(25)

Het mechanisme van het Comitato Interministeriale Prezzi del 29 aprile 1992 (“CIP6”) bestaat uit een door de overheid vastgesteld teruglevertarief voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen of uit bronnen die “vergelijkbaar zijn met hernieuwbare energiebronnen”, met name elektriciteit geproduceerd in warmtekrachtcentrales. Dit mechanisme dekt de operationele kosten, alsook de kapitaal- en brandstofkosten, en omvat een stimuleringscomponent gedurende de eerste acht jaren van de levensduur van de installatie.

(26)

Het allesomvattende tarief (Tariffe Omnicomprensive — TO) geldt voor centrales met een geïnstalleerde capaciteit van minder dan 200 kW voor windmolenparken en minder dan 1 MW voor andere soorten hernieuwbare energiebronnen. Het systeem is gegarandeerd voor 15 jaar, is op vrijwillige basis en vormt een alternatief voor het systeem van groene certificaten. Het allesomvattend tarief omvat de prijs van de energie en een stimuleringscomponent.

(27)

Het mechanisme van groene certificaten (CV — Certificati Verdi) is gebaseerd op het opleggen van verplichte quota voor producenten en importeurs van uit conventionele bronnen geproduceerde elektriciteit, die jaarlijks een aantal groene certificaten moeten kunnen aanbieden. Die groene certificaten worden dan toegewezen aan installaties voor hernieuwbare energie afhankelijk van de bron van de geproduceerde energie en kunnen worden verhandeld op een afzonderlijke markt die losstaat van die voor energie. Producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen krijgen inkomsten uit de verkoop van de hernieuwbare energie en, als stimulans, uit de verkoop van groene certificaten. De waarde van de groene certificaten wordt bepaald op basis van de verhouding tussen de vraag (van de producenten in importeurs van elektriciteit uit conventionele bronnen) en het aanbod (van de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen). Systemen van groene certificaten gelden voor centrales van meer dan 1 MW (met uitzondering van fotovoltaïsche installaties) en voor windmolenparken van meer dan 200 kW.

(28)

De groene certificaten werden in januari 2016 gewijzigd en omgedoopt tot GRIN (Gestione Riconoscimento INcentivo). Deze regeling werkt via een driemaandelijkse premie die bovenop de elektriciteitsprijs aan de begunstigden van de regeling wordt betaald. De betaalde bedragen en de duur ervan in het kader van GRIN zijn precies gelijk aan wat de begunstigden zouden hebben ontvangen in het kader van de vroegere groene certificaten.

(29)

Het systeem van energierekeningen (CE — Conto Energia) biedt een stimulans voor de opwekking van elektriciteit met behulp van zonnepanelen en bestaat uit een terugleverpremie waarbij de producenten de marktprijs van de day-aheadmarkt krijgen, vermeerderd met een stimuleringscomponent. Dit stimuleringsstelsel is gegarandeerd voor twintig jaar.

(30)

Op basis van de kenmerken van deze regelingen en de specifieke kenmerken van de productie van en groothandel in opgewekte elektriciteit concludeerde de Commissie in Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU dat niet was voldaan aan de voorwaarde van rechtstreekse blootstelling aan concurrentie wat de productie van en de groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen betreft. Aangezien de voorwaarden voor deze regelingen grotendeels ongewijzigd zijn, ziet de Commissie geen reden om haar beoordeling te wijzigen.

(31)

Voor de regelingen die na Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU zijn ingevoerd, zijn de belangrijkste bij de Commissie aangemeld en bij Besluit C(2016) 2726 van de Commissie (9) en Besluit C(2019) 4498 van de Commissie (10) goedgekeurd op grond van de regels inzake staatssteun. Dit houdt in dat deze regelingen een in het licht van de gemaakte kosten passende vergoeding omvatten en dat de verleende steun de eengemaakte markt niet verstoort.

(32)

De bij ministerieel besluit van 23 juni 2016 ingestelde regeling stond open voor alle hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van fotovoltaïsche energie. De begunstigden werden ingedeeld in drie categorieën, afhankelijk van het vermogen van de centrale: nieuwe grote generatoren (d.w.z. met een geïnstalleerde capaciteit van meer dan 5 MW), nieuwe middelgrote generatoren (bv. met een geïnstalleerde capaciteit tussen 500 kW2 en 5 MW; deze categorie omvat ook de capaciteitsverhoging van generatoren van ongeacht welke grootte) en kleinere generatoren (d.w.z. met een geïnstalleerde capaciteit van maximaal 500 kW). De Commissie merkte op dat voor de in het kader van de regeling in aanmerking komende technologieën de totale genormaliseerde elektriciteitskosten (LCEO — levelized costs of energy) hoger zouden zijn dan de verwachte marktprijs voor elektriciteit en dat, zonder de steun en onder normale marktomstandigheden, de netto contante waarde (NCW) voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie negatief zou zijn.

(33)

De bij ministerieel besluit van 4 juli 2019 ingestelde regeling bestaat uit exploitatiesteun voor de productie van elektriciteit uit centrales die gebruikmaken van de volgende hernieuwbare technologieën: windenergie op het land, fotovaltaïsche energie, hydro-elektrische energie en rioolwaterzuiveringsgassen. Net als in Besluit C(2016) 2726 merkte de Commissie op dat de LCOE voor de in het kader van de regeling in aanmerking komende technologieën hoger zou zijn dan de verwachte marktprijs voor elektriciteit. Zonder de steun en onder normale marktomstandigheden zou de NCW voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie derhalve negatief zijn. De Commissie concludeerde dat de van de regelingen profiterende projecten zonder de steun niet financieel levensvatbaar zouden zijn.

(34)

Bij ministerieel besluit van 14 februari 2017 is een specifieke regeling ingevoerd voor kleine eilanden. Het gaat om 20 eilanden, waarvan er 14 tot de zone Sicilië behoren, die niet zijn aangesloten op het elektriciteitsnet van het vasteland. De eilanden hebben een oppervlakte van meer dan een vierkante kilometer, bevinden zich meer dan 1 km van het vasteland en hebben een ingezeten bevolking van ten minste 50. Voor elk eiland werden voor de energietransitie specifieke elektriciteits- en thermische doelstellingen vastgesteld voor 2030. Toegang wordt verleend voor nieuwbouw, verbetering en reactivering van elektriciteitscentrales van ten minste 0,5 kW die sinds 15 november 2018 in bedrijf zijn genomen, aangesloten zijn op het elektriciteitsnet van het eiland en worden aangedreven door lokaal beschikbare hernieuwbare bronnen. De begunstigden ontvangen een teruglevertarief voor de elektriciteit die aan het net wordt verkocht en een terugleverpremie voor de elektriciteit die op de locatie wordt geproduceerd en onmiddellijk wordt verbruikt.

(35)

Ritiro Dedicato (“RID”) is een mechanisme waarmee fabrikanten de elektriciteit die aan het net wordt geleverd, in de handel kunnen brengen. Het mechanisme bestaat in de verkoop van elektriciteit aan de GSE (Gestore dei Servizi Energetici) en vervangt alle andere contractuele verplichtingen met betrekking tot (onder meer) verzending en vervoer van energie. Centrales met een vermogen van minder dan 10 MW komen in aanmerking voor RID, evenals centrales die worden aangedreven door (zonne-, wind-, getijden-, golf-, of geothermische, hydraulische bronnen die beperkt zijn tot waterstroomcentrales of) andere hernieuwbare bronnen, ongeacht het vermogen van de centrale, mits zij eigendom zijn van een zelfproducent. RID is een alternatief voor de stimulansen die worden toegekend in het kader van de andere regelingen die zijn vastgesteld bij ministeriële besluiten van 5 juli 2012, 6 juli 2012, 23 juni 2016 en 4 juli 2019.

(36)

Scambio sul Posto (“SSP”) maakt een economische compensatie mogelijk van het verschil tussen de waarde van de aan het net geleverde elektriciteit en de waarde van de afgenomen en verbruikte elektriciteit in een andere periode dan die waarin de elektriciteit is geproduceerd. SSP is van toepassing op centrales die uiterlijk op 31 december 2014 in bedrijf zijn getreden indien zij worden aangedreven door hernieuwbare bronnen of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling met een maximumvermogen van ten hoogste 200 kW, of installaties met een capaciteit tot 500 kW indien zij uit hernieuwbare bronnen worden aangedreven en sinds 1 januari 2015 in gebruik zijn genomen. SSP is een alternatief voor stimulansen die worden toegekend in het kader van de andere regelingen die zijn vastgesteld bij ministeriële besluiten van 5 juli 2012, 6 juli 2012, 23 juni 2016 en 4 juli 2019.

(37)

De Commissie merkt op dat de bij ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 ingestelde regelingen een biedingsprocedure omvatten om voor de stimulansen in aanmerking te komen.

(38)

De Commissie merkt op dat de concurrentie om te profiteren van de regelingen die zijn vastgesteld bij ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 is toegenomen, met een groot aantal aanvragers en biedingen voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit. Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de centrale voor de opwekking van hernieuwbare energie die van de meer recente regelingen profiteert, in een concurrerende omgeving functioneert.

(39)

Met betrekking tot de drie andere regelingen, zijnde de regeling die is ingesteld bij ministerieel besluit van 14 februari 2017, RID en SSP, heeft de Commissie geen grond om te concluderen dat de begunstigden onder concurrentiedruk staan. Sommige kenmerken ervan, zoals een teruglevertarief of het feit dat de geproduceerde energie door de GSE wordt gekocht, zijn vergelijkbaar met die van andere regelingen die in het besluit van 2012 werden onderzocht.

4.   CONCLUSIE

(40)

Gezien de hierboven onderzochte elementen moet ten aanzien van aanbestedende instanties in verband met de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in op basis van de bij de ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 ingevoerde regelingen in Italië worden geacht te zijn voldaan aan de in artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarde dat zij rechtstreeks aan concurrentie blootstaan.

(41)

Voorts moet, aangezien aan de voorwaarde van onbeperkte toegang tot de markt wordt geacht te zijn voldaan, Richtlijn 2014/25/EU niet van toepassing zijn wanneer aanbestedende instanties op basis van de bij de ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 ingevoerde regelingen opdrachten gunnen voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië of wanneer zij prijsvragen voor de uitoefening van die activiteit op dat geografische gebied uitschrijven.

(42)

Gezien de hierboven onderzochte elementen moet ten aanzien van aanbestedende instanties in verband met de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op basis van de bij CIP6, CV/GRIN, CE, TO, ministerieel besluit van 14 februari 2017, RID en SPP ingevoerde regelingen in Italië worden geacht niet te zijn voldaan aan de in artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarde dat zij rechtstreeks aan concurrentie blootstaan. Bijgevolg moet Richtlijn 2014/25/EU van toepassing blijven wanneer aanbestedende instanties opdrachten gunnen om die activiteit in Italië te kunnen verrichten, of wanneer zij prijsvragen organiseren om dergelijke activiteiten in Italië te verrichten.

(43)

Gezien de hierboven onderzochte elementen moet ten aanzien van de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië, met uitzondering van Sicilië, worden geacht te zijn voldaan aan de in artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarde dat zij rechtstreeks aan concurrentie blootstaan.

(44)

Aangezien de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het kader van de regelingen van CIP6, CV/GRIN, CE, TO, het ministerieel besluit van 14 februari 2017, RID en SSP aan Richtlijn 2014/25/EU onderworpen moeten blijven, wordt eraan herinnerd dat overheidsopdrachten die betrekking hebben op verschillende activiteiten moeten worden behandeld overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn. Dit betekent dat er, wanneer een aanbestedende instantie een “gemengde” aanbesteding doet, dat wil zeggen een aanbesteding voor de uitvoering van zowel activiteiten die vrijgesteld zijn van de toepassing van Richtlijn 2014/25/EU als activiteiten die hiervan niet vrijgesteld zijn, moet worden gekeken naar de activiteiten waarvoor de opdracht hoofdzakelijk bedoeld is. In het geval van een dergelijke gemengde aanbesteding waarbij het doel hoofdzakelijk is activiteiten te ondersteunen die niet zijn vrijgesteld, moeten de bepalingen van Richtlijn 2014/25/EU worden toegepast. Indien het objectief gezien onmogelijk is om vast te stellen voor welke activiteit de opdracht hoofdzakelijk bedoeld is, moet de opdracht worden gegund conform de in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde regels.

(45)

Er zij aan herinnerd dat in artikel 16 van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (11) betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten is bepaald dat die richtlijn niet van toepassing is op door aanbestedende instanties gegunde concessies wanneer, voor de lidstaat waarin dergelijke concessies moeten worden uitgevoerd, overeenkomstig artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU is vastgesteld dat de activiteit rechtstreeks blootstaat aan concurrentie overeenkomstig artikel 34 van die richtlijn. Aangezien is geconcludeerd dat de activiteit die bestaat in de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het kader van de bij ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 in Italië ingevoerde regelingen rechtstreeks blootstaat aan concurrentie, zullen concessieovereenkomsten die bedoeld zijn om de uitvoering van die activiteiten in Italië (met uitzondering van Sicilië) mogelijk te maken, uitgesloten zijn van toepassing van Richtlijn 2014/23/EU.

(46)

Wanneer centrales geen steun meer ontvangen van CIP6, CV/GRIN, CE, TO, ministerieel besluit van 14 februari 2017, RID en SSP, moeten de bepalingen van Richtlijn 2014/25/EU niet langer op hen van toepassing te zijn, aangezien zij geacht worden aan concurrentie bloot te staan.

(47)

Dit besluit is gebaseerd op de juridische en feitelijke situatie in de periode april 2017 tot en met mei 2020 zoals deze blijkt uit de door de verzoeker en de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie en uit de openbaar beschikbare informatie, Het besluit kan worden herzien wanneer de juridische of feitelijke situatie zodanig verandert dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU van toepassing is,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2014/25/EU is niet van toepassing op opdrachten die door aanbestedende instanties worden gegund en die bedoeld zijn om de productie van en groothandel in uit conventionele hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit in het kader van de bij de ministeriële besluiten van 23 juni 2016 en 4 juli 2019 ingevoerde regelingen in Italië mogelijk te maken.

Artikel 2

Richtlijn 2014/25/EU blijft van toepassing op opdrachten die door aanbestedende instanties worden gegund om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Italië mogelijk te maken, waarvoor steun wordt verleend in het kader van een van de volgende steunregelingen:

a)

het Comitato Interministeriale Prezzi del 29 aprile 1992 (CIP6);

b)

Gestione Riconoscimento Incentivo (het mechanisme van groene certificaten);

c)

Conto Energia (het systeem van energierekeningen);

d)

Tariffe Omnicomprensive (het alomvattend tarief);

e)

het ministerieel besluit van 14 februari 2017;

f)

het mechanisme Ritiro Dedicato;

g)

Scambio sul Posto.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 28 juli 2020.

Voor de Commissie

Thierry BRETON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.

(2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1804 van de Commissie van 10 oktober 2016 betreffende de nadere regels voor de toepassing van de artikelen 34 en 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 275 van 12.10.2016, blz. 39).

(3)  Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(4)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de “EG-concentratieverordening”) (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(5)  Arrest van het Gerecht van 27 april 2016, Österreichische Post/Commissie, T‐463/14, ECLI:EU:T:2016:243, punt 28.

(6)  Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU van de Commissie van 26 september 2012 waarbij de productie van en groothandel in elektriciteit in macro-zone Noord en macro-zone Zuid in Italië worden vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, en houdende wijziging van Besluit 2010/403/EU van de Commissie (PB L 271 van 5.10.2012, blz. 4).

(7)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/71 van de Commissie van 12 december 2017 tot vrijstelling van de productie en groothandelslevering van elektriciteit in Nederland van de toepassing van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 12 van 17.1.2018, blz. 53).

(8)  Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1).

(9)  Besluit C(2016) 2726 van de Commissie van 28 april 2016 betreffende steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen.

(10)  Besluit C(2019) 4498 van de Commissie van 14 juni 2019 betreffende steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen 2019‐2021.

(11)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/15


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1500 VAN DE COMMISSIE

van 28 juli 2020

betreffende de toepasselijkheid van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van opdrachten geplaatst voor activiteiten die verband met de productie van en groothandel in elektriciteit in Litouwen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 5031)

(Slechts de tekst in de Litouwse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (1), en met name artikel 35, lid 3,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   FEITEN

(1)

Op 8 april 2019 heeft Lietuvos energija UAB (“de verzoeker”) bij de Commissie een verzoek ingediend op grond van artikel 35, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU (“het verzoek”).

(2)

Het verzoek betreft activiteiten in verband met de opwekking van en groothandel in elektriciteit die niet door de nationale autoriteit zijn gereguleerd (2). In zijn e-mail van 18 juni 2019 bevestigde de verzoeker dat de handel in balansvermogen, regelvermogen, de voorziening van reservecapaciteiten en de vervulling van openbaredienstverplichtingen niet in het verzoek worden behandeld.

(3)

Het verzoek ging niet vergezeld van een gemotiveerd standpunt van een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit, dat een diepgaande analyse bevat van de voorwaarde om artikel 34, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU op de betrokken activiteiten te kunnen toepassen, overeenkomstig de leden 2 en 3 van dat artikel. Bijgevolg moet de Commissie in overeenstemming met bijlage IV, punt 1, bij Richtlijn 2014/25/EU binnen 105 werkdagen over het verzoek een uitvoeringshandeling vaststellen. De oorspronkelijke termijn werd opgeschort overeenkomstig bijlage IV, punt 2, bij Richtlijn 2014/25/EU. De tussen de verzoeker en de Commissie overeengekomen termijn voor de vaststelling van de uitvoeringshandeling verstrijkt op 31 juli 2020.

(4)

Overeenkomstig artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU heeft de Commissie de Litouwse autoriteiten in kennis gesteld van het verzoek en op 14 mei 2019 en 24 mei 2019 tevens verzocht om aanvullende informatie. Op 18 en 23 september 2019 hebben de Litouwse autoriteiten hierop geantwoord. De Commissie heeft om verdere verduidelijking verzocht op 7 oktober 2019 en 30 januari en 17 maart 2020, en de Litouwse autoriteiten hebben daarop op 22 januari, 5 maart en 19 maart 2020 geantwoord. In het kader van de raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten hebben de Litouwse autoriteiten op 9 juli 2020 verdere informatie verstrekt.

(5)

De Commissie heeft de verzoeker op 3 mei, 27 mei en 14 juni 2019 om aanvullende informatie verzocht en de antwoorden daarop van de verzoeker op 17 mei, 12 juni en 18 juni 2019 ontvangen.

2.   RECHTSKADER

(6)

Richtlijn 2014/25/EU is van toepassing op de gunning van opdrachten voor de uitoefening van activiteiten die onder meer verband houden met de productie van en de groothandel in elektriciteit, tenzij de activiteit op grond van artikel 34 van die richtlijn daarvan is vrijgesteld. Richtlijn 2014/25/EU is niet van toepassing op bepaalde typen activiteiten indien deze niet als relevant in het kader van artikel 9, lid 2, van die richtlijn worden beschouwd.

(7)

Overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van Richtlijn 2014/25/EU horen opdrachten voor activiteiten waarop de richtlijn van toepassing is, op verzoek van een lidstaat of een aanbestedende instantie, niet onder die richtlijn te vallen. Die vrijstelling mag worden verleend wanneer de activiteit in de lidstaat waarin zij wordt uitgeoefend rechtstreeks aan concurrentie blootstaat op marktgebieden waarvoor de toegang niet beperkt is. De rechtstreekse blootstelling aan concurrentie wordt getoetst aan de hand van objectieve criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betrokken sector.

3.   BEOORDELING

3.1.   Niet-beperkte toegang tot de markt

(8)

De toegang tot een markt wordt geacht niet beperkt te zijn indien de betrokken lidstaat de desbetreffende wetgeving van de Unie tot openstelling van een bepaalde (deel)sector ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast. Deze wetgeving is vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2014/25/EU; voor de elektriciteitssector gaat het om het Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

(9)

Zoals de verzoeker heeft bevestigd en zoals blijkt uit de informatie waarover de Commissie beschikt, heeft Litouwen Richtlijn 2009/72/EG ten uitvoer gelegd (4) en past het deze ook toe. Bijgevolg wordt de toegang tot de relevante markt overeenkomstig artikel 34, lid 3, van Richtlijn 2014/25/EU geacht niet beperkt te zijn.

3.2.   Rechtstreekse blootstelling aan concurrentie

(10)

De rechtstreekse blootstelling aan concurrentie moet worden beoordeeld aan de hand van diverse indicatoren, waarbij geen van deze indicatoren op zichzelf doorslaggevend is. Wat de markten betreft waarop dit besluit betrekking heeft, is het marktaandeel van de voornaamste spelers op een bepaalde markt een van de te hanteren criteria. Gezien de kenmerken van de betrokken markten moet ook rekening worden gehouden met verdere criteria.

(11)

Dit besluit laat de toepassing van de mededingingsregels en staatssteun en andere gebieden van het recht van de Unie onverlet. Met name zijn de criteria en methoden die worden gebruikt om rechtstreekse blootstelling aan concurrentie te beoordelen overeenkomstig artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU niet noodzakelijk identiek aan die welke worden gebruikt om een beoordeling te verrichten volgens artikel 101 of 102 VWEU of Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (5), zoals bevestigd door het Gerecht (6).

(12)

Er zij aan herinnerd dat het doel van dit besluit is om vast te stellen of de activiteiten waarop het verzoek betrekking heeft, op markten waarvoor de toegang niet beperkt is in de zin van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU direct aan concurrentie blootstaan. Dit zal ervoor zorgen dat, zonder de discipline die door de toepassing van de in Richtlijn 2014/25/EU vastgelegde nadere regels voor het plaatsen van opdrachten wordt opgelegd, de plaatsing van opdrachten voor de uitoefening van de hier bedoelde activiteiten op een transparante, niet-discriminerende wijze zal plaatsvinden op basis van criteria die afnemers in staat stellen uit te maken welke in het algemeen de economisch voordeligste oplossing is.

3.2.1.   Afbakening van de productmarkt

(13)

Het verzoek heeft betrekking op de productie van en groothandel in elektriciteit.

(14)

In haar besluit in zaak COMP M.4110 E.ON — ENDESA (7), heeft de Commissie de volgende relevante productmarkten in de elektriciteitssector geïdentificeerd: productie en groothandel; transmissie; distributie, en kleinhandel. Hoewel sommige van deze markten nog verder kunnen worden opgedeeld, is het tot dusverre een gevestigde praktijk van de Commissie (8) geweest om het onderscheid te verwerpen tussen een elektriciteitsproductiemarkt en een groothandelsleveringsmarkt aangezien opwekking als zodanig slechts een eerste stap is in de waardeketen, terwijl de opgewekte elektriciteitsvolumes via de groothandelsmarkt worden verhandeld.

(15)

In 2012 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2012/218/EU (9) en Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU (10) met betrekking tot respectievelijk de Duitse en de Italiaanse elektriciteitsmarkten vastgesteld. Ten aanzien van Duitsland achtte de Commissie de productie van en handel in onder de wet betreffende hernieuwbare energiebronnen vallende elektriciteit geen onderdeel van de markt voor de opwekking en eerste verkoop van op conventionele wijze geproduceerde elektriciteit omdat uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit normaliter niet direct wordt verkocht op de groothandelsmarkt, maar eerst tegen een wettelijk vastgestelde vergoeding wordt gekocht door de transmissiesysteembeheerders. Ook ten aanzien van Italië beschouwde de Commissie de markt voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en die voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen als twee afzonderlijke markten omdat de verkoop van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen waarvoor het CIP6- (Comitato Interministeriale Prezzi del 29 aprile 1992) en het teruglevertariefmechanisme (FIT) geldt, doorgaans via de energiedienstbeheerder verloopt. De belangrijkste reden waarom de Commissie dit onderscheid maakte, was dat producenten van hernieuwbare elektriciteit hun productie aan een niet-marktpartij verkochten, namelijk de transmissiesysteembeheerder in Duitsland en de Gestore dei Servizi Energetici in Italië. Aanvullende overwegingen in deze twee eerdere zaken betroffen: prioriteire teruglevering van hernieuwbare elektriciteit en een regulier vergoedingstarief. De Commissie concludeerde dat de opwekking en eerste verkoop van duurzame elektriciteit in Duitsland en Italië bijgevolg niet aan marktwerking blootstond.

(16)

In 2017 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/71 (11) met betrekking tot de Nederlandse elektriciteitsmarkt vastgesteld. Voor Nederland was de Commissie van oordeel dat het niet noodzakelijk was om afzonderlijke markten te definiëren voor elektriciteit op basis van de bron ervan. De belangrijkste verschillen met de Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU en 2012/539/EU met betrekking tot Duitsland en Italië waren: het feit dat hernieuwbare elektriciteit direct op de groothandelsmarkt werd verkocht en niet aan een niet-marktpartij, het ontbreken van prioritaire teruglevering van hernieuwbare elektriciteit, het feit dat het reguliere vergoedingstarief voor hernieuwbare elektriciteit werd vastgesteld in de vorm van een terugleverpremie (in tegenstelling tot een vast tarief zoals eerder het geval was in de Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU en 2012/539/EU voor Duitsland en Italië) en het feit dat voor de subsidies een biedingsprocedure vooraf was georganiseerd waarbij verschillende technologieën concurreerden om een vooraf bepaald bedrag aan subsidies.

(17)

In het licht van de Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU, 2012/539/EU en (EU) 2018/71 is het noodzakelijk om te onderzoeken of in dit geval, op basis van dezelfde criteria, een onderscheid gemaakt moet worden tussen uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit en uit conventionele bronnen geproduceerde elektriciteit.

(18)

In het antwoord van 18 september 2019 op het verzoek om informatie van de Commissie van 14 mei 2019 meldden de Litouwse autoriteiten dat er momenteel drie steunregelingen bestaan voor uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit.

(19)

De eerste steunregeling is van toepassing op producenten die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en tussen 1 januari 2002 en 23 mei 2011 voor de regeling in aanmerking kwamen. De voornaamste elementen van de eerste regeling zijn: de verplichte aankoop van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen door een door het ministerie van Energie aangewezen onderneming of door het distributienetwerk; prioritaire teruglevering; vergoeding tegen een door de energieregulator bepaald vast tarief, vrijstelling van verantwoordelijkheden met betrekking tot netbalancering en compensatie van de producent voor de kosten van de aansluiting op het net. Afhankelijk van het vermogen van de centrale is de eerste regeling onderworpen aan een concurrerende procedure voor bouwvergunningen.

(20)

De geïnstalleerde capaciteit die in aanmerking kon komen voor de stimulans uit de eerste steunregeling was 237 MW, en de steunperiode liep tot het einde van 2020 of, indien de periode tussen de afgifte van de productievergunning en 2020 minder dan twaalf jaar bedroeg, tot twaalf jaar na de datum van afgifte van de productievergunning.

(21)

De tweede steunregeling is van toepassing op producenten die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en tussen 24 mei 2011 en 30 april 2019 voor de regeling in aanmerking kwamen. De voornaamste elementen van de tweede regeling zijn: de verplichte aankoop van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen door een door het ministerie van Energie aangewezen onderneming of door het distributienetwerk; prioritaire teruglevering; vergoeding tegen een vast tarief dat na een aanbesteding of door de energieregulator wordt bepaald; vrijstelling van verantwoordelijkheden met betrekking tot netbalancering en compensatie van de producent voor de kosten van de aansluiting op het net.

(22)

Afhankelijk van de capaciteit van de installatie wordt de toewijzing van het vaste tarief in het kader van de tweede steunregeling bepaald via een openbare aanbesteding.

(23)

De geïnstalleerde capaciteit die in aanmerking kon komen was 464 MW; de steunperiode loopt tot twaalf jaar na de datum van afgifte van de productievergunning en de betalingen zullen tot en met 2029 verricht blijven worden.

(24)

De derde steunregeling werd door de Commissie (12) goedgekeurd en trad in werking op 1 mei 2019. De voornaamste elementen van de derde regeling zijn: prioritaire teruglevering; vergoeding is gebaseerd op een premie die wordt vastgesteld via een aanbesteding (in geval van nul- of negatieve prijzen gedurende zes uur of langer worden geen vergoedingen verstrekt; indien de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit de bij de aanbesteding toegewezen hoeveelheid overschrijdt, wordt voor het overschot geen vergoeding verstrekt); vrijstelling van verantwoordelijkheden met betrekking tot netbalancering voor centrales met een capaciteit van minder dan 500 KW en voor proefprojecten.

(25)

Op premies gebaseerde steun uit de derde steunregeling wordt vastgesteld via een aanbesteding voor alle typen centrales ongeacht de omvang of gebruikte technologie ervan.

(26)

De stimulans in het kader van de derde steunregeling bedraagt ongeveer 2,9 TWh en de steunperiode bedraagt twaalf jaar met ingang van de datum waarop de productievergunning is afgegeven.

(27)

Volgens de verzoeker is de derde steunregeling voor uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit in Litouwen vergelijkbaar met de overeenkomstige maatregelen die in Nederland zijn vastgesteld. Dit zou derhalve het afbakenen van één productmarkt voor uit zowel conventionele als hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit rechtvaardigen. De Commissie merkt evenwel op dat de derde steunregeling pas zeer recent is ingevoerd.

(28)

Volgens de Litouwse autoriteiten moeten de productie en groothandel als één markt worden geïdentificeerd, ongeacht de bron van de elektriciteit. Indien evenwel twee markten zouden worden afgebakend, dan stellen de Litouwse autoriteiten de volgende afbakening voor: een markt voor elektriciteit uit conventionele bronnen en uit hernieuwbare bronnen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (13) die onder de eerste en de tweede steunregeling valt en een markt voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt.

(29)

In het kader van de derde steunregeling geproduceerde elektriciteit ontvangt op premies gebaseerde steun die wordt vastgesteld via een aanbesteding voor alle typen centrales ongeacht de omvang of gebruikte technologie ervan. De steunperiode per centrale bedraagt twaalf jaar. Begunstigden ontvangen een maximale premie, die wordt vastgesteld op het verschil tussen een maximumprijs (kosten van de meest kostenefficiënte technologie voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die in Litouwen beschikbaar is, te weten windenergie op het land) en een referentieprijs. In april 2019 concludeerde Commissie bij Besluit C(2019) 3122 (14) dat de financiële steun voor de regeling verenigbaar was met de interne markt uit hoofde van artikel 107, lid 3, onder c, VWEU.

(30)

De in het kader van de derde steunregeling geproduceerde elektriciteit ontvangt steun op basis van een premie die wordt bepaald via een openbare aanbesteding. Dit verschilt aanzienlijk van de vergoeding voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, waarvoor een wettelijk vastgestelde vergoeding wordt ontvangen die niet afhangt van de omstandigheden op de markt.

(31)

Rekening houdend met de hierboven aangegeven bijzonderheden van de Litouwse elektriciteitsmarkt wordt, met het oog op de beoordeling van de in artikel 34, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarden en onverlet de mededingingswetgeving en de regels inzake staatssteun, de relevante productmarkt hierbij gedefinieerd als de markt voor de productie en groothandel in elektriciteit uit zowel conventionele als hernieuwbare bronnen met uitzondering van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die onder de eerste en de tweede steunregeling valt.

(32)

In het kader van de eerste en de tweede steunregeling ontvangen elektriciteitsproducenten een vast tarief voor de elektriciteit die zij produceren dat niet afhangt van de omstandigheden op de markt.

(33)

Zij zijn vrijgesteld van verantwoordelijkheden met betrekking tot netbalancering. De netbalans wordt beheerd door de beheerder van het transmissie- of distributienetwerk, afhankelijk van het netwerk waarop de producent is aangesloten.

(34)

Zij ontvingen compensatie voor de kosten van de aansluiting van elektriciteitscentrales op het net. Toen de centrales van de producenten op het elektriciteitsnet werden aangesloten, kregen zij een deel van de door de beheerder van het net gemaakte aansluitingskosten vergoed.

(35)

Zij hebben recht op een verplichte aankoop van de geproduceerde elektriciteit. Producenten kunnen hun elektriciteit op de markt verhandelen, maar hebben, indien zij ervoor kiezen dat niet te doen, het recht om alle geproduceerde en aan het net geleverde elektriciteit te verkopen aan de aangewezen onderneming als de centrale op het transmissienetwerk is aangesloten, of aan een exploitant van het distributienetwerk die aan meer dan 100 000 gebruikers levert, als de centrale van de producent is aangesloten op het distributienetwerk.

(36)

Zij genieten prioritaire teruglevering. Dit wil zeggen dat de exploitant van het elektriciteitsnetwerk alle door de producent aangeboden elektriciteit moet aanvaarden, overdragen of distribueren — tegen transparante, niet-discriminerende tarieven — en dat de producent voorrang geniet ten opzichte van producenten van elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen.

(37)

Elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en tweede steunregelingen valt, vormt derhalve een afzonderlijke markt.

3.2.2.   Afbakening van de geografische markt

(38)

In 2012 trad Litouwen toe tot de elektriciteitsbeurs van Nord Pool, waardoor de Litouwse elektriciteitsproducenten moesten concurreren om hun elektriciteit aan leveranciers op de markt te verkopen. In 2013 was het elektriciteitssysteem van Litouwen reeds verbonden met de systemen van andere lidstaten, zoals Letland, en vanaf december 2015 ook met Zweden en Polen. Toch blijft Litouwen één biedzone.

(39)

Volgens de verzoeker heeft het verzoek betrekking op activiteiten op het grondgebied van Litouwen.

(40)

In haar Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU en (EU) 2018/71 met betrekking tot elektriciteitsmarkten nam de Commissie het standpunt in dat de omvang van de geografische markt overeenkwam met de nationale markt.

(41)

Bij gebrek aan aanwijzingen voor een andere omvang van de geografische markt gaat de Commissie er, met het oog op de beoordeling in het kader van dit besluit en onverminderd het mededingingsrecht en de regels inzake staatssteun, van uit dat de geografische omvang van markt voor de productie van en de groothandel in elektriciteit, wat zowel elektriciteit uit conventionele bronnen als elektriciteit uit hernieuwbare bronnen betreft (onder alle regelingen), het grondgebied van Litouwen bestrijkt.

3.2.3.   Marktanalyse

(42)

Het is belangrijk te vermelden dat niet alle marktspelers op de Litouwse markten voor de productie van en groothandel in elektriciteit aan de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten onderworpen zijn. De ondernemingen die niet aan die regels onderworpen zijn, zouden bijgevolg — wanneer zij actief zijn op die markten — normaliter concurrentiedruk kunnen uitoefenen op de marktspelers die wel aan die regels onderworpen zijn. Volgens de Litouwse autoriteiten zijn naast de verzoeker de volgende entiteiten, in de markten waar het verzoek betrekking op heeft, onderworpen aan regels voor plaatsen van overheidsopdrachten. UAB Vilniaus energija, AB Panevėžio energija, VšĮ Alantos technologijos ir verslo mokykla, AB Vilniaus šilumos tinklai, AB Klaipėdos energija en AB Šiaulių energija.

3.2.3.1.   De productie van en groothandel in uit conventionele bronnen en hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, met uitzondering van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die onder de eerste en tweede steunregelingen valt

(43)

In haar Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU en 2012/539/EU heeft de Commissie geoordeeld dat ten aanzien van de markt voor de productie en groothandel, het gecumuleerde marktaandeel van de drie grootste ondernemingen van belang is. Aangezien echter niet alle marktspelers aan de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten onderworpen zijn, betreft deze analyse de marktpositie van de individuele marktspelers die aan die regels onderworpen zijn en de concurrentiedruk die op hen wordt uitgeoefend. Ook andere concentratiemaatstaven kunnen relevant geacht worden.

(44)

Volgens het antwoord van de Litouwse autoriteiten van 5 maart 2020 op het verzoek om informatie van de Commissie van 30 januari 2020 is de verzoeker de grootste marktspeler op de Litouwse markt voor de opwekking van elektriciteit, en varieerde zijn marktaandeel in de periode 2015-2019 van 60,8 % (in 2018) tot 53,9 % (in 2019). De op een na grootste marktspeler is AB ACHEMA, met een marktaandeel dat in dezelfde periode is gegroeid van 10,3 % in 2015 tot 23 % in 2019. De op twee en drie na grootste marktspelers hebben beiden een marktaandeel van tussen de 5 % en 10 %. De Commissie merkt op dat naast de verzoeker, de andere voornaamste actieve marktspelers niet aan de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten onderworpen zijn. UAB Vilniaus Energija is wel aan de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten onderworpen, maar is sinds 2016 niet langer op de desbetreffende markt actief.

(45)

Volgens de nationale wetgeving bestaat de markt voor de groothandel in elektriciteit uit de handel op de elektriciteitsbeurs en via bilaterale overeenkomsten en uit de handel in balans- en regelvermogen.

(46)

Volgens tabel 14 van het antwoord van de verzoeker van 17 mei 2019 op het verzoek om informatie van de Commissie van 3 mei 2019, wordt meer dan 75 % van het totale volume aan elektriciteit dat in Litouwen wordt verhandeld, verhandeld op de elektriciteitsbeurs van Nord Pool. Nord Pool is de grootste Europese elektriciteitsbeurs. Nord Pool beheert energiehandel in heel Europa. Nord Pool biedt day-ahead- en intra-dayhandelen, clearing en afwikkeling en gegevens-, nalevings- en consultancydiensten. Nord Pool beheert energiemarkten in Noorwegen, Denemarken, Zweden, Finland, Estland, Letland, Litouwen, Duitsland, Nederland, België, Oostenrijk, Luxemburg, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In 2019 had Nord Pool een totale omzet van 494 TWh verhandelde energie, waaronder meer dan 90 % van het totale energieverbruik in de Noordse en Baltische markt.

(47)

De liquiditeit van de groothandelsmarkt is een relevante indicator voor de concurrentie, aangezien afdoende volumes aan zowel de aanbod- als de vraagzijde voor de relevante groothandelsproducten (bv. basisbelasting, piekbelasting, uurblokken voor verschillende tijdsbestekken) zorgen voor inkoop- en indekkingsmogelijkheden voor handelaren en leveranciers.

(48)

De mate van liquiditeit op de groothandelsmarkt van Nord Pool versterkt de conclusie dat aanbestedende instanties die op de Litouwse productie- en groothandelsmarkt actief zijn, aan concurrentie blootstaan.

(49)

De interconnectiecapaciteit is voldoende om aanzienlijke invoer of uitvoer in of uit Litouwen mogelijk te maken. Daarnaast maakt Litouwen deel uit van de elektriciteitsbeurs van Nord Pool, waar een aantal elektriciteitsproducenten uit de deelnemende landen (Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Estland, Letland en Litouwen) met elkaar concurreren. Een significant deel van de elektriciteitsinvoer van Litouwen komt uit Rusland en Belarus.

(50)

De toename van de interconnectiecapaciteit tussen Litouwen en andere landen heeft waarschijnlijk een gunstig effect gehad op de concurrentie op de Litouwse markt voor elektriciteitsopwekking.

(51)

Volgens het verzoek vertegenwoordigde de invoer van elektriciteit in Litouwen in 2018 80 % van de vraag. De netto-invoer steeg van 7208 TWh in 2015 tot 9632 TWh in 2018, terwijl de productie van elektriciteit in Litouwen daalde van 4598 TWh tot 3220 TWh. De verzoeker licht toe dat het totale geïnstalleerde vermogen in Litouwen voldoende zou zijn om aan de vraag te voldoen, maar dat ingevoerde elektriciteit goedkoper is dan de plaatselijk geproduceerde elektriciteit. Bijgevolg werden sommige van de centrales buiten werking gesteld en als reservecapaciteit behouden.

(52)

De omvang van invoer op de Litouwse markt leidt tot de conclusie dat de aanbestedende instanties die op de Litouwse markt voor de productie van elektriciteit uit conventionele en hernieuwbare bronnen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt, aan concurrentie blootstaan.

3.2.3.2.   Productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt

(53)

Op basis van de kenmerken van de steunregelingen merkt de Commissie op dat de eerste en de tweede steunregelingen overeenkomsten vertonen met de regelingen die in de Uitvoeringsbesluiten 2012/218/EU en 2012/539/EU met betrekking tot Italië en Duitsland werden geanalyseerd. In beide gevallen onderscheidde de Commissie bijzonder belangrijke specifieke kenmerken. Ten eerste heeft elektriciteit uit hernieuwbare bronnen recht op een prioritaire aansluiting op het net en geniet ze voorrang op conventionele elektriciteit voor teruglevering in het net, wat inhoudt dat de productie vrijwel onafhankelijk is van de vraag. Ten tweede zijn de productie en de teruglevering volledig onafhankelijk van de marktprijzen aangezien de producenten van energie uit hernieuwbare bronnen recht hebben op een wettelijk vastgestelde vergoeding.

(54)

Gezien de overeenkomsten tussen de kenmerken van de eerste en de tweede regeling in Litouwen met de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die in de besluiten van 2012 werd geanalyseerd, concludeert de Commissie dat die activiteiten niet aan concurrentie blootstaan.

4.   CONCLUSIES

(55)

Gezien de hierboven onderzochte elementen moet ten aanzien van de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen en uit hernieuwbare bronnen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt, in Litouwen, worden geacht te zijn voldaan aan de in artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarde dat zij rechtstreeks aan concurrentie blootstaan.

(56)

Voorts moet, aangezien aan de voorwaarde van onbeperkte toegang tot de markt wordt geacht te zijn voldaan, Richtlijn 2014/25/EU niet van toepassing zijn wanneer aanbestedende instanties opdrachten gunnen voor de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen en uit hernieuwbare bronnen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt, in Litouwen of wanneer zij prijsvragen voor de uitoefening van die activiteit op dat geografische gebied uitschrijven.

(57)

Gezien de hierboven onderzochte elementen moet ten aanzien van de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en tweede steunregeling valt in Litouwen worden geacht niet te zijn voldaan aan de in artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde voorwaarde dat zij rechtstreeks aan concurrentie blootstaan. Bijgevolg moet Richtlijn 2014/25/EU van toepassing blijven wanneer aanbestedende instanties opdrachten gunnen om die activiteit in Litouwen te kunnen verrichten, of wanneer zij prijsvragen organiseren om dergelijke activiteiten in dat geografische gebied te verrichten.

(58)

Aangezien de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en tweede steunregeling valt aan Richtlijn 2014/25/EU onderworpen moet blijven, wordt eraan herinnerd dat overheidsopdrachten die betrekking hebben op verschillende activiteiten moeten worden behandeld overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn. Dit betekent dat er, wanneer een aanbestedende instantie een “gemengde” aanbesteding doet, dat wil zeggen een aanbesteding voor de uitvoering van zowel activiteiten die vrijgesteld zijn van de toepassing van Richtlijn 2014/25/EU als activiteiten die hiervan niet vrijgesteld zijn, moet worden gekeken naar de activiteiten waarvoor de opdracht hoofdzakelijk bedoeld is. In het geval van een dergelijke gemengde aanbesteding waarbij het doel hoofdzakelijk is activiteiten te ondersteunen die niet zijn vrijgesteld, moeten de bepalingen van Richtlijn 2014/25/EU worden toegepast. Indien het objectief gezien onmogelijk is om vast te stellen voor welke activiteit de opdracht hoofdzakelijk bedoeld is, moet de opdracht worden gegund conform de in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2014/25/EU neergelegde regels.

(59)

Er zij aan herinnerd dat in artikel 16 van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (15) betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten is bepaald dat die richtlijn niet van toepassing is op door aanbestedende instanties gegunde concessies wanneer, voor de lidstaat waarin dergelijke concessies moeten worden uitgevoerd, overeenkomstig artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU is vastgesteld dat de activiteit rechtstreeks blootstaat aan concurrentie overeenkomstig artikel 34 van die richtlijn. Aangezien is geconcludeerd dat de activiteit die bestaat in de de productie van en groothandel in elektriciteit uit zowel conventionele als hernieuwbare bronnen met uitzondering van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die onder de eerste en de tweede steunregeling valt, rechtstreeks blootstaat aan concurrentie, zullen concessieovereenkomsten die bedoeld zijn om de uitvoering van die activiteiten in Litouwen mogelijk te maken, uitgesloten zijn van toepassing van Richtlijn 2014/23/EU.

(60)

Dit besluit is gebaseerd op de juridische en feitelijke situatie in de periode april 2019 tot en met mei 2020 zoals deze blijkt uit de door de verzoeker en de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie en uit de openbaar beschikbare informatie, Het besluit kan worden herzien wanneer de juridische of feitelijke situatie zodanig verandert dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU van toepassing is,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2014/25/EU is niet van toepassing op opdrachten die door aanbestedende instanties worden gegund om de productie van en groothandel in elektriciteit uit zowel conventionele als hernieuwbare bronnen met uitzondering van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die onder de eerste en de tweede steunregeling valt, in Litouwen mogelijk te maken.

Artikel 2

Richtlijn 2014/25/EU blijft van toepassing op opdrachten die door aanbestedende instanties worden gegund om de productie van en groothandel in elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die onder de eerste en de tweede steunregeling valt in Litouwen mogelijk te maken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Litouwen.

Gedaan te Brussel, 28 juli 2020.

Voor de Commissie

Thierry BRETON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.

(2)  Dergelijke activiteiten kunnen onder EU- of nationaal recht vallen dat vrije toegang tot de markt verleent, zie punt 3.1 van dit besluit.

(3)  Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(4)  Nationale omzettingswetgeving: Lietuvos Republikos Elektros Energetikos Įstatymas, 2000 m. liepos 20 d. Nr. VIII-1881.

(5)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de “EG-concentratieverordening”) (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(6)  Arrest van het Gerecht van 27 april 2016, Österreichische Post/Commissie, T-463/14, ECLI:EU:T:2016:243, punt 28.

(7)  Zaak COMP/M.4110 E.ON — ENDESA van 25.4.2006, punten 10 en 11, blz. 3.

(8)  Zaak COMP/M.3696 E.ON — MOL van 21.1.2005, punt 223, zaak COMP/M.5467 RWE — ESSENT van 23.6.2009, punt 23.

(9)  Uitvoeringsbesluit 2012/218/EU van 24 april 2012 betreffende de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen in Duitsland (PB L 114 van 26.4.2012, blz. 21).

(10)  Uitvoeringsbesluit 2012/539/EU van 26 september 2012 betreffende de productie van en groothandel in elektriciteit uit conventionele bronnen in macro-zone Noord en macro-zone Zuid in Italië (PB L 271 van 5.10.2012, blz. 4).

(11)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/71 van de Commissie van 12 december 2017 tot vrijstelling van de productie van en groothandel in elektriciteit in Nederland van de toepassing van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 12 van 17.1.2018, blz. 53).

(12)  Steunmaatregel SA. 50199 (2019/N) van 23 april 2019 betreffende steun van Litouwen aan elektriciteitscentrales die elektriciteit uit hernieuwbare bronnen produceren.

(13)    

(14)  Besluit C (2019) 3122 van de Commissie van … april 2020 betreffende steun van Litouwen aan elektriciteitscentrales die elektriciteit uit hernieuwbare bronnen produceren.

(15)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/23


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1501 VAN DE COMMISSIE

van 14 oktober 2020

betreffende de krachtens Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad uitgevoerde beoordeling van een door Duitsland verleende tijdelijke ontheffing van sommige bepalingen van Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 6891)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 71, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 februari 2020 heeft de bevoegde autoriteit Luftfahrt-Bundesamt (“LBA”) namens Duitsland de Commissie, het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (“het Agentschap” of “EASA”) en de andere lidstaten ervan in kennis gesteld dat zij Lufthansa Technik AG ontheffing had verleend van de naleving van punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie (2). Volgens dat punt moet een krachtens deel‐145 erkende organisatie garanderen dat alleen componenten die zich in goede staat bevinden en die zijn vrijgegeven middels EASA-formulier 1 of het equivalent daarvan, in luchtvaartuigen of een andere component worden geïnstalleerd en dat de component, het standaardonderdeel of het materiaal in kwestie is gespecificeerd in de toepasselijke onderhoudsgegevens.

(2)

De ontheffing werd door het LBA verleend in het kader van toekomstige STC-projecten (Supplemental Type Certificate, aanvullend typecertificaat), waardoor Lufthansa Technik AG in bepaalde gevallen niet hoeft te voldoen aan punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 voor bepaalde componenten die door Lufthansa Technik AG zullen worden geïnstalleerd en die als prototype zijn vervaardigd.

(3)

Het LBA verklaart dat in het verleden sommige prototypes van componenten die Lufthansa Technik AG in vliegtuigen had geïnstalleerd, vervolgens niet door hun fabrikant hadden kunnen worden gehercertificeerd als zijnde in overeenstemming met de ontwerpgegevens van de wijziging, zodra de wijziging was goedgekeurd met de afgifte van een STC. Het LBA verwijst naar gevallen waarin de fabrikant in de Verenigde Staten was gevestigd en hercertificering niet mogelijk was nadat de component de fabriek had verlaten, en naar gevallen waarin de fabrikant insolvent werd voordat de ontwerpgegevens werden goedgekeurd. Het LBA legt uit dat in die gevallen hercertificering van die componenten ofwel onmogelijk was, ofwel een administratieve last veroorzaakte die het opnieuw in gebruik nemen van vliegtuigen vertraagde, waardoor Lufthansa Technik AG niet in staat was bestellingen van klanten uit te voeren en er een financieel en economisch risico dreigde.

(4)

In de door het LBA verleende ontheffing wordt niet gespecificeerd voor welke producten of projecten Lufthansa Technik AG ontheffing heeft verkregen van de naleving van punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 en waarvoor het de installatie van niet-conforme componenten mag aanvaarden. Het LBA legt uit dat Lufthansa Technik AG een klein aantal STC-projecten verwacht waar dergelijke problemen zich kunnen voordoen en Lufthansa Technik AG mogelijk niet kan voldoen aan punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014. De ontheffing werd verleend om op die mogelijke problemen voorbereid te zijn en vertraging bij het opnieuw in gebruik nemen van gewijzigde luchtvaartuigen in de toekomst te voorkomen. De ontheffing geldt van 13 februari 2020 tot en met 31 december 2021, wat dus langer is dan acht opeenvolgende maanden.

(5)

Ter beperking van de niet-naleving van punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 is in de ontheffing bepaald dat Lufthansa Technik AG vliegtuigen met prototypes van componenten mag vrijgeven op basis van een alternatieve procedure waarbij de certificeringsstatus van elke component wordt vergeleken met de goedgekeurde ontwerpgegevens die zijn verkregen nadat het overeenkomstige STC-goedkeuringsproces was voltooid.

(6)

Na een beoordeling heeft het Agentschap op 16 juli 2020 een negatieve aanbeveling gedaan over de door het LBA verleende ontheffing.

(7)

De Commissie stemt in met de aanbeveling van het Agentschap.

(8)

Overeenkomstig artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 mag een lidstaat alleen een ontheffing toekennen aan onder die verordening vallende natuurlijke en rechtspersonen in geval van dringende en onvoorzienbare omstandigheden die gevolgen hebben voor die personen of hun dringende operationele behoeften en indien alle onder a) tot en met d) van dat artikel vermelde voorwaarden zijn vervuld.

(9)

Met betrekking tot “dringende en onvoorziene omstandigheden” of “dringende operationele behoeften” is de Commissie van mening dat de ontheffing niet gerechtvaardigd wordt door dringende en onvoorziene omstandigheden die Lufthansa Technik AG treffen of door dringende operationele behoeften van Lufthansa Technik AG zoals vereist bij artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139. De ontheffing is verleend om voorbereid te zijn op eventuele toekomstige problemen met de hercertificering van prototypen van componenten. Hoewel sommige van die kwesties inderdaad een onvoorzienbaar karakter kunnen hebben, zoals het faillissement van een leverancier, of kunnen leiden tot een operationele behoefte om een luchtvaartuig in dienst te stellen, hebben die problemen zich niet voorgedaan of op het punt gestaan zich voor te doen op het moment van de verlening van de ontheffing. In het bijzonder heeft Duitsland geen enkel bewijs verstrekt waaruit blijkt dat bepaalde fabrikanten Lufthansa Technik AG hebben meegedeeld dat zij voor bepaalde projecten niet in staat zullen zijn om componenten met de vereiste certificeringsverklaringen te leveren. Bijgevolg is de Commissie van mening dat in dit geval niet is voldaan aan de vereiste van dringende omstandigheden of behoeften.

(10)

Bovendien is de Commissie van mening dat de ontheffing niet voldoet aan de in artikel 71, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2018/1139 vastgestelde beperkingen van de omvang en de duur ervan. Hoewel de ontheffing alleen wordt verleend voor gevallen waarin hercertificering van een prototype van een component onmogelijk is, geldt de ontheffing daadwerkelijk voor elk STC-project dat tijdens de toepassingsperiode ervan wordt uitgevoerd en voor een onbeperkt aantal mogelijke componenten die ter ondersteuning van een dergelijk STC-project of dergelijke STC-projecten worden geïnstalleerd. Voorts merkt de Commissie op dat het LBA niet heeft aangetoond dat de duur van de ontheffing beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is. Hoewel de ontheffing op 31 december 2021 afloopt, heeft het LBA niet overtuigend gemotiveerd hoe die vervaldatum verband houdt met de omstandigheden of behoeften die deze ontheffing vereisen.

(11)

Bijgevolg voldoet de door het LBA verleende ontheffing niet aan de voorwaarden van artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ontheffing van de eisen van punt 145.A.42 van bijlage II (deel‐145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014, verleend door Duitsland en op 25 februari 2020 aangemeld bij de Commissie, het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart en de andere lidstaten, op grond waarvan Lufthansa Technik AG in bepaalde gevallen niet hoeft te voldoen aan punt 145.A.42 voor bepaalde componenten die door Lufthansa Technik AG zullen worden geïnstalleerd en die als prototype zijn vervaardigd, voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 14 oktober 2020.

Voor de Commissie

Adina VĂLEAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, ‐onderdelen en ‐uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/25


BESLUIT (EU) 2020/1502 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2020

tot vaststelling van interne voorschriften betreffende de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de beperking van bepaalde van hun rechten in het kader van de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie in het bij Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde samenwerkingsmechanisme

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 249, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad (1) is een mechanisme voor samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten inzake buitenlandse directe investeringen ingesteld. Dat mechanisme is gebaseerd op een uitwisseling van informatie die persoonsgegevens kan bevatten in de zin van artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (2). Het doel van het samenwerkingsmechanisme is elke lidstaat in staat te stellen te onderzoeken of een buitenlandse directe investering in een andere lidstaat waarschijnlijk gevolgen heeft voor zijn veiligheid of de openbare orde, en de Commissie in staat te stellen te onderzoeken of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in meer dan één lidstaat.

(2)

De door de Commissie verwerkte categorieën persoonsgegevens voor de screening van buitenlandse directe investeringen door de lidstaten en voor het waarborgen van de doeltreffendheid van het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme, omvatten identificatie- en contactgegevens, professionele gegevens en gegevens met betrekking tot buitenlandse directe investeringen.

(3)

Persoonsgegevens worden door de diensten van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor de screening bewaard zolang zij nodig zijn voor de screening van buitenlandse directe investeringen door de lidstaten en voor het waarborgen van de werking van het samenwerkingsmechanisme, en zullen worden opgeslagen in een beveiligde elektronische omgeving om onrechtmatige toegang of doorgifte van gegevens aan personen buiten de Commissie te voorkomen (3).

(4)

Bij de uitvoering van haar taken is de Commissie verplicht de rechten van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens zoals erkend in artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 16, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), evenals rechten waarin is voorzien in Verordening (EU) 2018/1725, te eerbiedigen. Tezelfdertijd moet de Commissie, in overeenstemming met artikel 10 van Verordening (EU) 2019/452, strikte regels van vertrouwelijkheid in acht nemen.

(5)

In bepaalde omstandigheden moeten de rechten van betrokkenen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 worden afgestemd op de nood aan doeltreffendheid van het samenwerkingsmechanisme, alsook op de volledige eerbiediging van de grondrechten en fundamentele vrijheden van andere betrokkenen. Daartoe wordt de Commissie in artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 de mogelijkheid verleend om de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725, alsmede het transparantiebeginsel van artikel 4, lid 1 daarvan, onder a), te beperken voor zover de bepalingen daarvan overeenstemmen met de rechten en verplichtingen waarin wordt voorzien door de artikelen 14 tot en met 17, 19 en 20 van die verordening.

(6)

De gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie vereist dat de Commissie haar taken in het kader van het samenwerkingsmechanisme doeltreffend en efficiënt uitvoert. Daartoe moeten, met inachtneming van de normen voor de bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725, interne voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de Commissie de rechten van betrokkenen kan beperken overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725.

(7)

Deze interne voorschriften moeten betrekking hebben op alle gegevensverwerkende handelingen die door de Commissie worden verricht bij de uitvoering van haar taken in het kader van het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme, vanaf het tijdstip waarop zij informatie over de betrokken buitenlandse directe investeringen ontvangt.

(8)

Om te voldoen aan de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725, moet de Commissie alle personen op transparante en coherente wijze informeren over haar activiteiten in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en over hun rechten via de op de website van de Commissie gepubliceerde privacyverklaringen. In voorkomend geval moet de Commissie in aanvullende waarborgen voorzien om ervoor te zorgen dat de betrokkenen persoonlijk en in een passend format worden geïnformeerd.

(9)

Onverminderd artikel 14, lid 5, en artikel 16, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1725 kan de Commissie op grond van artikel 25 van die verordening de verstrekking van informatie aan betrokkenen over de verwerking van hun persoonsgegevens en de toepassing van hun andere rechten beperken om de bevoegdheden van de Commissie te beschermen om analyses en procedures te verrichten met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452. In dit verband kan het noodzakelijk zijn dat de Commissie de toepassing van deze rechten en verplichtingen overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder a), c), d), g) en h), van die verordening beperkt. Dit kan nodig zijn wanneer het doel van de analyses en procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie, anders in gevaar zou komen.

(10)

Om een effectieve samenwerking te handhaven, kan het bovendien nodig zijn dat de Commissie de toepassing van de rechten van betrokkenen beperkt om verwerkingen van andere instellingen, organen en instanties van de Unie of van autoriteiten van de lidstaten te beschermen. De Commissie kan dit doen in een situatie waarin het doel van een dergelijke beperking door een andere instelling, orgaan of instantie van de Unie of van een autoriteit van een lidstaat in het gedrang zou komen indien de Commissie ten aanzien van dezelfde persoonsgegevens geen gelijkwaardige beperking zou toepassen. Met het oog hierop moet de Commissie die instellingen, organen en instanties en autoriteiten raadplegen over de relevante redenen voor het opleggen van beperkingen en over de noodzaak en de evenredigheid van de beperkingen.

(11)

De Commissie moet mogelijk het verstrekken van informatie aan betrokkenen en de toepassing van andere rechten van betrokkenen in verband met van de lidstaten of andere, anonieme of geïdentificeerde bronnen ontvangen persoonsgegevens, beperken wanneer dit nodig is om de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de defensie van de lidstaten, zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2018/1725, te waarborgen of om de interne veiligheid van de instellingen en organen van de Unie te waarborgen, zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder d), van die verordening. De interne veiligheid van de instellingen en organen van de Unie kan met name in het geding zijn in gevallen van buitenlandse directe investeringen die waarschijnlijk gevolgen hebben voor projecten of programma’s van Uniebelang om redenen van veiligheid of openbare orde.

(12)

Het is ook mogelijk dat de Commissie de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de toepassing van andere rechten van betrokkenen met betrekking tot persoonsgegevens die zijn ontvangen van de lidstaten, derde landen of internationale organisaties, moet beperken om met de lidstaten, die derde landen of organisaties samen te werken en zo een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang van de Unie zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2018/1725 veilig te stellen. In sommige omstandigheden kan het belang van de grondrechten van de betrokkenen evenwel prevaleren boven het belang van internationale samenwerking.

(13)

Wanneer dat nodig is voor een toezicht-, inspectie- of regelgevingsfunctie die verband houdt met de uitoefening van het mandaat van haar officiële autoriteit in het kader van de uitvoering van haar taken in het kader van het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme, kan de Commissie de informatieverstrekking aan betrokkenen en de toepassing van andere rechten, als bedoeld in artikel 25, lid 1, onder g), van Verordening (EU) 2018/1725, dienovereenkomstig beperken.

(14)

Bovendien kan het nodig zijn dat de Commissie de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de toepassing van andere rechten van betrokkenen in verband met persoonsgegevens die zijn ontvangen van anonieme of geïdentificeerde bronnen (zoals informanten) waarvan de rechten en vrijheden moeten worden beschermd, overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder h), van Verordening (EU) 2018/1725, beperkt.

(15)

De Commissie heeft daarom de in artikel 25, lid 1, onder a), c), d), g) en h), van Verordening (EU) 2018/1725 vermelde redenen aangemerkt als redenen voor beperkingen die nodig kunnen zijn voor de verwerking van gegevens in het kader van de analyses en procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme.

(16)

Elke beperking die op grond van dit besluit wordt toegepast, moet noodzakelijk en evenredig zijn in het licht van de risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen.

(17)

De Commissie moet alle beperkingen op transparante wijze behandelen en registreren in het desbetreffende registratiesysteem.

(18)

De Commissie verwerkt persoonsgegevens in het kader van Verordening (EU) 2019/452 samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De beoordeling en de procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme worden uitgevoerd door verschillende diensten, maar de primaire verantwoordelijkheid voor de coördinatie berust bij het directoraat-generaal Handel.

(19)

Overeenkomstig artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen verwerkingsverantwoordelijken het verstrekken van informatie over de redenen van de toepassing van een beperking aan de betrokkene uitstellen, achterwege laten of weigeren indien dit op enigerlei wijze de gevolgen van de beperking teniet zou doen. Dit geldt met name voor de in de artikelen 16 en 35 van die verordening bedoelde beperkingen.

(20)

De Commissie moet de opgelegde beperkingen regelmatig evalueren om ervoor te zorgen dat de rechten van de betrokkene om te worden geïnformeerd overeenkomstig de artikelen 16 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725, alleen worden beperkt zolang dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn om de Commissie in staat te stellen analyses en procedures met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme te verrichten.

(21)

Worden andere rechten van betrokkenen beperkt, dan moet de verwerkingsverantwoordelijke per geval beoordelen of de mededeling van de beperking het doel ervan in het gedrang zou brengen.

(22)

De functionaris voor gegevensbescherming van de Commissie moet een onafhankelijke evaluatie van de toepassing van beperkingen verrichten met het oog op de naleving van dit besluit.

(23)

Om de Commissie onmiddellijk in staat te stellen de toepassing van bepaalde rechten en verplichtingen overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 te beperken en de analyses en procedures in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen of het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme niet in gevaar te brengen, moet dit besluit in werking treden op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(24)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd en heeft op 29 juli 2020 advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Dit besluit stelt de regels vast die de Commissie moet volgen wanneer zij de betrokkenen in kennis stelt van de verwerking van hun persoonsgegevens overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 in het kader van het bij Verordening (EU) 2019/452 ingestelde samenwerkingsmechanisme.

Voorts worden in dit besluit de voorwaarden vastgesteld waarop de Commissie de toepassing van de artikelen 4, 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 kan beperken in overeenstemming met artikel 25, lid 1, onder a), c), d), g) en h), van die verordening, in het kader van dat samenwerkingsmechanisme.

2.   Dit besluit is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie ten behoeve van of in verband met de activiteiten die worden uitgevoerd om de taken van de Commissie uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452 te vervullen.

Artikel 2

Toepasselijke uitzonderingen en beperkingen

1.   Bij de uitoefening van haar taken met betrekking tot de rechten van betrokkenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 gaat de Commissie na of een van de in die verordening vastgestelde uitzonderingen van toepassing is.

2.   Wanneer de uitoefening van de rechten en verplichtingen waarin de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 met betrekking tot door de Commissie verwerkte persoonsgegevens voorzien, het doel van de analyses en procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452 in het gedrang zou brengen, onder meer door het onthullen van haar instrumenten en methoden, of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen, kan de Commissie, met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 7 van dit besluit, de toepassing beperken van:

a)

de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725, en

b)

het transparantiebeginsel van artikel 4, lid 1, onder a), van die verordening, voor zover de bepalingen ervan overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725.

3.   De Commissie kan de in lid 2 van dit artikel bedoelde rechten en verplichtingen met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 7 beperken:

a)

wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen met betrekking tot de van een ander(e) instelling, orgaan of instantie van de Unie verkregen persoonsgegevens kan worden beperkt door die/dat andere instelling, orgaan of instantie van de Unie op basis van in artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde rechtshandelingen, of overeenkomstig hoofdstuk IX van die verordening; of overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (4) of Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (5);

b)

wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen met betrekking tot de van een bevoegde autoriteit van een lidstaat verkregen persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten van die lidstaten zou kunnen worden beperkt op grond van in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (6) bedoelde handelingen of uit hoofde van nationale maatregelen tot omzetting van artikel 13, lid 3, artikel 15, lid 3, of artikel 16, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (7);

c)

wanneer de uitoefening van deze rechten en verplichtingen de samenwerking van de Commissie met derde landen of internationale organisaties met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen in gevaar zou brengen.

Voordat de Commissie beperkingen toepast in de omstandigheden als bedoeld in de eerste alinea, onder a) en b), raadpleegt zij de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, tenzij het voor de Commissie duidelijk is dat een van de in die punten genoemde handelingen voorziet in de toepassing van een beperking.

Punt c) van de eerste alinea is niet van toepassing wanneer de belangen of de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene zwaarder wegen dan het belang van de Commissie om met derde landen of internationale organisaties samen te werken.

4.   De leden 1, 2 en 3 doen geen afbreuk aan:

a)

de toepassing van andere besluiten van de Commissie tot vaststelling van interne voorschriften betreffende de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de beperking van bepaalde rechten uit hoofde van artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725;

b)

artikel 23 van het reglement van orde van de Commissie (8).

5.   Elke beperking van de rechten en verplichtingen als bedoeld in lid 2 is noodzakelijk en evenredig in het licht van de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.

Artikel 3

Informatieverstrekking aan betrokkenen

1.   De Commissie publiceert op haar website mededelingen over gegevensbescherming die alle betrokkenen in kennis stellen van haar activiteiten met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens ten behoeve van analyses en procedures met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452. Wanneer dit mogelijk is zonder de werking van het samenwerkingsmechanisme in gevaar te brengen, zorgt de Commissie ervoor dat de betrokkenen in een passend formaat individueel worden geïnformeerd.

2.   Wanneer de Commissie de verstrekking van informatie aan betrokkenen wier gegevens voor analyses en procedures met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452 worden verwerkt, geheel of gedeeltelijk beperkt, tekent zij de redenen voor de beperking op en registreert zij deze overeenkomstig artikel 6 van dit besluit.

Artikel 4

Recht van inzage van betrokkenen, recht op wissing en recht op beperking van de verwerking

1.   Wanneer de Commissie het recht van inzage van persoonsgegevens door betrokkenen, het recht op wissing of het recht op beperking van de verwerking als bedoeld in respectievelijk de artikelen 17, 19 en 20 van Verordening (EU) 2018/1725 geheel of gedeeltelijk beperkt, stelt zij de betrokkene in haar antwoord op het verzoek tot toegang, wissing of beperking van de verwerking in kennis van:

a)

de toegepaste beperking en de voornaamste redenen daarvoor, en

b)

de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.   De informatie over de redenen voor de in lid 1 bedoelde beperking kan worden uitgesteld, achterwege gelaten of geweigerd zolang de verstrekking daarvan het doel van de beperking zou ondermijnen.

3.   Overeenkomstig artikel 6 tekent de Commissie de redenen voor de beperking op en registreert zij deze.

4.   Wanneer het recht van inzage geheel of gedeeltelijk wordt beperkt, kan de betrokkene, in overeenstemming met artikel 25, leden 6, 7 en 8, van Verordening (EU) 2018/1725, zijn of haar recht van inzage uitoefenen via de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Artikel 5

Mededeling van inbreuken in verband met persoonsgegevens aan betrokkenen

Wanneer de Commissie de in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene beperkt, tekent zij de redenen voor de beperking op en registreert zij deze overeenkomstig artikel 6 van dit besluit.

Artikel 6

Optekening en registratie van beperkingen

1.   De Commissie tekent de redenen op voor beperkingen op grond van dit besluit, met inbegrip van een evaluatie van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking, met inachtneming van de desbetreffende elementen van artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725.

2.   In de aantekening wordt aangegeven hoe de uitoefening van een recht door de betrokkene het doel van de analyses en procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452 of het doel van de krachtens artikel 2, lid 2 of lid 3, van dit besluit toegepaste beperkingen in gevaar zou brengen, of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.

3.   De aantekening en, indien van toepassing, de documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen worden geregistreerd. Zij worden desgevraagd aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming verstrekt.

Artikel 7

Duur van de beperkingen

1.   De in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde beperkingen blijven van toepassing zolang de redenen daarvoor blijven bestaan.

2.   Wanneer de redenen voor een in artikel 3 of artikel 5 bedoelde beperking niet langer gelden, heft de Commissie de beperking op en stelt zij de betrokkene in kennis van de belangrijkste redenen voor de beperking.

Tegelijkertijd stelt de Commissie de betrokkene in kennis van de mogelijkheid om te allen tijde een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.   De Commissie evalueert de toepassing van de in de artikelen 3 en 5 bedoelde beperkingen één jaar na de vaststelling ervan en bij de afsluiting van de desbetreffende analyses en procedures van de Commissie met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen of het samenwerkingsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) 2019/452. Daarna monitort de Commissie de noodzaak om beperkingen te handhaven. De evaluatie omvat een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking, rekening houdend met de relevante elementen van artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725.

Artikel 8

Evaluatie door de functionaris voor gegevensbescherming van de Commissie

1.   De functionaris voor gegevensbescherming van de Commissie wordt onverwijld geïnformeerd wanneer rechten van betrokkenen overeenkomstig dit besluit worden beperkt. De Commissie verleent de functionaris voor gegevensbescherming desgevraagd inzage in het register en eventuele documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen.

2.   De functionaris voor gegevensbescherming kan om een evaluatie van de beperking verzoeken. De functionaris voor gegevensbescherming wordt in kennis gesteld van de uitkomst van de gevraagde evaluatie.

3.   De Commissie documenteert de betrokkenheid van de functionaris voor gegevensbescherming in elk geval waarin de toepassing van rechten en verplichtingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van dit besluit wordt beperkt.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PB L 79 I van 21.3.2019, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(3)  Het bewaren van dossiers in de Commissie wordt geregeld door de gemeenschappelijke lijst van te bewaren documenten van de Europese Commissie (gemeenschappelijke lijst van te bewaren documenten van de Europese Commissie, SEC(2019) 900). De bewaringstermijn wordt in de gegevensbeveiligingsregisters voor deze specifieke verwerking vastgesteld.

(4)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).

(5)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(7)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(8)  C(2000) 3614, PB L 308 van 8.12.2000, blz. 26.


Rectificaties

16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/31


Rectificatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1436 van de Raad van 12 oktober 2020 waarbij Duitsland overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op stroom die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen die op een ligplaats in een haven zijn afgemeerd

( Publicatieblad van de Europese Unie L 331 van 12 oktober 2020 )

In de inhoudsopgave, op bladzijde 30 in de titel en op bladzijde 31 in de slotformule:

in plaats van:

“ 12 oktober 2020 ”,

lezen:

“ 7 oktober 2020 ”.


16.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/32


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/330 van de Commissie van 5 maart 2018 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

( Publicatieblad van de Europese Unie L 63 van 6 maart 2018 )

Bladzijde 43, bijlage I, in de tabel “MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS IN DE VRC DIE TIJDENS HET OORSPRONKELIJKE ONDERZOEK NIET IN DE STEEKPROEF ZIJN OPGENOMEN”, zevende rij:

in plaats van:

“Jiangsu Wujin Stainless Steel Pipe Group, Co. Ltd, Beijing, (Aanvullende Taric-code B 242)”,

lezen:

“Jiangsu Wujin Stainless Steel Pipe Group, Co. Ltd, Changzhou, (Aanvullende Taric-code B 242)”.