|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
63e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1158 VAN DE COMMISSIE
van 5 augustus 2020
betreffende de voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b), ii),
Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (2), en met name artikel 54, lid 4, eerste alinea, onder b), en artikel 90, eerste alinea, onder a), c) en f),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 733/2008 van de Raad (3) waren maximale toleranties voor radioactiviteit in bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit derde landen vastgesteld. Daarnaast was in deze verordening bepaald dat de lidstaten moesten controleren of dergelijke producten voldeden aan de bij de verordening vastgestelde toleranties voor radioactiviteit voordat zij in het vrije verkeer werden gebracht. Die verordening is op 31 maart 2020 verstreken. Aangezien Aanbeveling 2003/274/Euratom van de Commissie (4) betrekking heeft op de bij die verordening van de Raad vastgestelde maximale toleranties voor radioactiviteit, moet zij in die zin worden gewijzigd dat zij verwijst naar de bij deze verordening vastgestelde maximale toleranties. |
|
(2) |
Ten gevolge van het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl op 26 april 1986 zijn aanzienlijke hoeveelheden radioactieve stoffen in de atmosfeer terechtgekomen, wat negatieve gevolgen had voor een groot aantal derde landen. Deze verontreiniging kan nog steeds een bedreiging voor de volksgezondheid en de diergezondheid in de Unie vormen en het is derhalve passend op het niveau van de Unie over maatregelen te beschikken om de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen van oorsprong uit of verzonden vanuit deze derde landen te waarborgen. |
|
(3) |
Artikel 53, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 voorziet in de mogelijkheid om bepaalde maatregelen van de Unie te nemen voor een levensmiddel of diervoeder dat is ingevoerd uit een derde land, wanneer blijkt dat dit waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mens, dier of milieu inhoudt en dat het risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de betrokken lidstaten getroffen maatregelen. In overeenstemming met de praktijk die is aangenomen na het ongeval in de kerncentrale van Fukushima, die begonnen is met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 van de Commissie (5), en die erin bestaat om dergelijke maatregelen te baseren op artikel 53, lid 1, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 178/2002, stelt de Commissie voor om op grond van die bepaling follow-up-maatregelen in te voeren. |
|
(4) |
In zijn adviezen van 15 november 2018 (6) en 13 juni 2019 (7) heeft de groep van deskundigen als bedoeld in artikel 31 van het Euratom-Verdrag bevestigd dat de momenteel geldende maximale toleranties voor radioactiviteit met betrekking tot radioactief cesium van 370 Bq/kg voor melk, melkproducten en “levensmiddelen voor zuigelingen” en 600 Bq/kg voor alle andere producten, een adequaat niveau van bescherming bieden. Aangezien de term “levensmiddelen voor zuigelingen” in de adviezen van de groep van deskundigen verwijst naar levensmiddelen voor kinderen tot drie jaar, moet de term “levensmiddelen voor zuigelingen en peuters” worden gebruikt overeenkomstig de definities voor zuigelingen en peuters als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8). De andere producten, waarvoor de maximale tolerantie van 600 Bq/kg geldt, zijn levensmiddelen, met inbegrip van minder belangrijke levensmiddelen, andere dan levensmiddelen voor zuigelingen en peuters, en diervoeders in de zin van artikel 1 van Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad (9). |
|
(5) |
Sommige producten van oorsprong uit derde landen die zijn getroffen door het ongeluk in Tsjernobyl zijn nog steeds met radioactief cesium besmet en overschrijden de bovengenoemde maximale toleranties. De voorbije jaren is vastgesteld dat de cesium‐137-besmetting ten gevolge van het ongeval in Tsjernobyl nog steeds hoog is voor een aantal producten die afkomstig zijn van soorten die in bossen en beboste gebieden leven en groeien. Dit houdt verband met de aanhoudende aanzienlijke niveaus van radioactief cesium in dit ecosysteem en de fysische halveringstijd van dertig jaar. |
|
(6) |
Aangezien de radionuclide cesium‐134, met een fysische halveringstijd van ongeveer twee jaar, sinds het ongeluk van Tsjernobyl volledig is vervallen, is het passend dat de maximale tolerantie alleen betrekking heeft op cesium‐137, aangezien vanuit analytisch oogpunt de analyse van cesium‐134 een extra belasting vormt. |
|
(7) |
In de afgelopen tien jaar zijn gevallen van niet-naleving van de maximale toleranties gemeld bij het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) in zendingen van uit een aantal derde landen ingevoerde paddenstoelen. In de afgelopen tien jaar zijn enkele gevallen van niet-naleving van de maximale toleranties bij het RASFF gemeld in zendingen veenbessen, blauwe bosbessen en andere vruchten en afgeleide producten van het geslacht Vaccinium, en is geen melding gemaakt van niet-naleving in het vlees van wild. |
|
(8) |
Hieruit volgt dat in levensmiddelen en diervoeders die uit bepaalde derde landen worden ingevoerd radioactieve besmetting kan voorkomen en dat deze derhalve waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu vormen waarvoor maatregelen op het niveau van de Unie moeten worden getroffen voordat die producten in de Unie in de handel worden gebracht. |
|
(9) |
Bij Verordening (EG) nr. 1635/2006 van de Commissie (10) zijn uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 733/2008 vastgesteld. Krachtens deze verordening moeten de lidstaten waarborgen dat de bevoegde autoriteiten van derde landen die zijn getroffen door het ongeluk in Tsjernobyl, voor bepaalde landbouwproducten uitvoercertificaten afgeven die aantonen dat de producten waarvoor zij zijn afgegeven, voldoen aan de in Verordening (EG) nr. 733/2008 vastgestelde maximale toleranties. De betrokken specifieke derde landen zijn opgesomd in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1635/2006. |
|
(10) |
Bij Verordening (EG) nr. 1609/2000 van de Commissie (11) is een lijst vastgesteld van producten waarop Verordening (EG) nr. 733/2008 van toepassing is. |
|
(11) |
Verordening (EU) 2017/625 integreert in één enkel wetgevingskader de regels die van toepassing zijn op officiële controles van dieren en goederen die de Unie binnenkomen om de naleving van de agro-voedselketenwetgeving van de Unie te controleren en regelt de verplichtingen tot het aanbieden van bepaalde categorieën goederen uit bepaalde derde landen aan grenscontroleposten voor officiële controles die moeten worden uitgevoerd voordat zij de Unie binnenkomen. |
|
(12) |
Om de uitvoering van officiële controles bij binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken, moet één model van officieel certificaat worden vastgesteld voor de binnenkomst in de Unie van levensmiddelen en diervoeders waarop bijzondere voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van toepassing zijn. |
|
(13) |
Er moeten officiële certificaten hetzij op papier hetzij in elektronische vorm worden afgegeven. Daarom moeten gemeenschappelijke voorschriften worden vastgesteld voor de afgifte van officiële certificaten in beide gevallen, naast de voorschriften van titel II, hoofdstuk VII, van Verordening (EU) 2017/625. In dit verband is in artikel 90, eerste alinea, onder f), van die verordening bepaald dat de Commissie regels kan vaststellen voor de afgifte van elektronische certificaten en voor het gebruik van elektronische handtekeningen, onder meer met betrekking tot officiële certificaten die overeenkomstig die verordening zijn afgegeven. Daarnaast moeten bepalingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628 van de Commissie (12) opgenomen eisen voor officiële certificaten die niet in het informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc) worden ingediend, ook van toepassing zijn op officiële certificaten die overeenkomstig deze verordening worden afgegeven. |
|
(14) |
Om verkeerd gebruik en misbruik te voorkomen, is het belangrijk om te specificeren in welke gevallen een vervangend officieel certificaat mag worden afgegeven en aan welke voorschriften dat certificaat moet voldoen. Dergelijke gevallen zijn vastgelegd in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628 met betrekking tot officiële certificaten die overeenkomstig die verordening zijn afgegeven. Met het oog op een coherente aanpak moet worden bepaald dat, in het geval van de afgifte van vervangende certificaten, officiële certificaten die overeenkomstig deze verordening worden afgegeven, moeten worden vervangen overeenkomstig de in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628 vastgestelde procedures voor de vervangende certificaten. |
|
(15) |
Vanwege de langdurige gevolgen van radioactieve besmetting is het passend om de lijst van derde landen die door het ongeluk in Tsjernobyl zijn getroffen, in dit stadium niet te wijzigen. Bulgarije en Roemenië, die inmiddels lidstaten zijn geworden, mogen daarom echter niet in die lijst worden vermeld. Liechtenstein en Noorwegen, die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER) en derhalve niet aan de desbetreffende controles zijn onderworpen, mogen evenmin in die lijst worden vermeld. Uiterlijk op 31 maart 2030 moet deze verordening met betrekking tot de lijst van getroffen derde landen worden herzien. Tegelijkertijd kan in een eerder stadium op landniveau een aanpassing van de maatregelen plaatsvinden, indien uit een meer gedetailleerde analyse blijkt dat het besmettingsniveau in een bepaald land lager is. |
|
(16) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/595 van de Commissie (13) toegevoegd aan de lijst van landen die onder Verordening (EG) nr. 733/2008 vallen, met ingang van de dag volgende op die waarop het recht van de Unie niet langer van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk. Verordening (EG) nr. 733/2008 werd later opgenomen in bijlage 2 bij het protocol inzake Ierland/Noord-Ierland bij het terugtrekkingsakkoord (14). Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord houdt deze verwijzing ook een verwijzing naar Verordening (EG) nr. 1635/2006 in. Hieruit volgt dat voor de toepassing van de Verordeningen (EG) nr. 1635/2006 en (EG) nr. 733/2008, in samenhang met Uitvoeringsverordening (EU) 2019/595, alsook van deze verordening, die deze handelingen vervangt, het Verenigd Koninkrijk wat Noord-Ierland betreft deze verordening moet toepassen alsof Noord-Ierland een lidstaat van de Unie was. Noord-Ierland mag daarom niet in bijlage I bij deze verordening worden opgenomen, maar de rest van het Verenigd Koninkrijk moet wel in die bijlage worden opgenomen. Aangezien deze verordening alleen van toepassing is op derde landen, is de toevoeging van het Verenigd Koninkrijk in de bijlage pas van toepassing vanaf de datum waarop het recht van de Unie krachtens het terugtrekkingsakkoord niet langer van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk. |
|
(17) |
Gezien de ervaring met de huidige controles en het geringe aantal gevallen dat de maximale toleranties overschrijdt, wordt het voldoende geacht om documentencontroles te vereisen voor alle zendingen paddenstoelen, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen, van wilde veenbessen, blauwe bosbessen en andere vruchten en afgeleide producten van het geslacht Vaccinium die vergezeld gaan van een officieel certificaat, aangevuld met overeenstemmingscontroles en materiële controles, met inbegrip van een laboratoriumanalyse op de aanwezigheid van radioactief cesium, van deze zendingen met een frequentie van 20 %. |
|
(18) |
Aangezien deze verordening de Verordeningen (EG) nr. 1609/2000 en (EG) nr. 1635/2006 vervangt, moeten die verordeningen worden ingetrokken. |
|
(19) |
Om een vlotte overgang naar de nieuwe maatregelen mogelijk te maken, is het passend te voorzien in een overgangsmaatregel voor zendingen die vergezeld gaan van certificaten die zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1635/2006, mits die certificaten vóór 1 september 2020 zijn afgegeven. |
|
(20) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op levensmiddelen, met inbegrip van minder belangrijke levensmiddelen, en diervoeders in de zin van artikel 1 van Verordening (Euratom) 2016/52, van oorsprong uit of verzonden vanuit de in bijlage I bij deze verordening opgenomen derde landen (“de producten”), bestemd om in de Unie in de handel te worden gebracht.
2. Deze verordening is niet van toepassing op de volgende categorieën zendingen van de producten, tenzij het brutogewicht meer dan 10 kg vers product of 2 kg droog product bedraagt:
|
a) |
zendingen die als handelsmonsters, als laboratoriummonsters of als demonstratiemateriaal voor tentoonstellingen worden verzonden en die niet bestemd zijn om in de handel te worden gebracht; |
|
b) |
zendingen die in de persoonlijke bagage van reizigers voor persoonlijke consumptie of persoonlijk gebruik worden vervoerd; |
|
c) |
niet-commerciële zendingen die aan natuurlijke personen worden verzonden en niet bestemd zijn om in de handel te worden gebracht; |
|
d) |
zendingen die bestemd zijn voor wetenschappelijke doeleinden. |
Bij twijfel over het beoogde gebruik van de producten als bedoeld onder b) en c), ligt de bewijslast respectievelijk bij de eigenaar van de persoonlijke bagage en bij de ontvanger van de zending.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1. |
“grenscontrolepost”: grenscontrolepost als gedefinieerd in artikel 3, punt 38, van Verordening (EU) 2017/625; |
|
2. |
“zending”: zending als gedefinieerd in artikel 3, punt 37, van Verordening (EU) 2017/625. |
Artikel 3
Voorwaarden voor binnenkomst in de Unie
1. De producten mogen alleen de Unie binnenkomen als zij aan deze verordening voldoen.
2. De producten moeten voldoen aan de volgende, gecumuleerde maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting met cesium‐137:
|
a) |
370 Bq/kg voor melk en melkproducten en voor levensmiddelen voor zuigelingen en peuters als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 609/2013; |
|
b) |
600 Bq/kg voor alle andere betrokken producten. |
3. Elke zending van in bijlage II vermelde producten, met verwijzing naar de desbetreffende code van de gecombineerde nomenclatuur, uit de in bijlage I vermelde derde landen, gaat vergezeld van een in artikel 4 bedoeld officieel certificaat. Elke zending wordt geïdentificeerd door middel van een identificatiecode die wordt vermeld op het officiële certificaat en op het gemeenschappelijk gezondheidsdocument van binnenkomst (GGB) als bedoeld in artikel 56 van Verordening (EU) 2017/625.
Artikel 4
Officieel certificaat
1. Het in artikel 3, lid 3, bedoelde officiële certificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong of het derde land van waaruit de zending is verzonden indien dit een ander land dan het land van oorsprong is, volgens het model in bijlage III.
2. Het officiële certificaat voldoet aan de volgende vereisten:
|
a) |
het is voorzien van de in artikel 3, lid 3, bedoelde identificatiecode van de zending waarop het betrekking heeft; |
|
b) |
het wordt afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft, de controle verlaat van de bevoegde autoriteit van het derde land die het certificaat afgeeft; |
|
c) |
het is geldig gedurende ten hoogste vier maanden na de dag van afgifte, maar in geen geval langer dan zes maanden na de datum van de resultaten van de laboratoriumanalyse als bedoeld in lid 6. |
3. Een officieel certificaat dat door de bevoegde autoriteit van het derde land dat het heeft afgegeven niet in het informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc) is ingediend, voldoet ook aan de vereisten voor modellen van niet in het Imsoc ingediende officiële certificaten, die zijn vastgelegd in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628.
4. De bevoegde autoriteiten mogen alleen een vervangend officieel certificaat afgeven overeenkomstig de voorschriften van artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628.
5. Het officiële certificaat wordt ingevuld op basis van de instructies in bijlage IV.
6. Het officiële certificaat bevestigt dat de producten voldoen aan de in artikel 3, lid 2, vastgestelde maximale toleranties. Het officiële certificaat gaat vergezeld van de resultaten van de bemonstering en de analyse die op die verzending zijn verricht door de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong, of van het land van waaruit de zending is verzonden indien dit een ander land dan het land van oorsprong is.
Artikel 5
Officiële controles bij binnenkomst in de Unie
1. Zendingen van in artikel 3, lid 3, bedoelde producten worden onderworpen aan officiële controles bij binnenkomst in de Unie via een grenscontrolepost en op controlepunten.
2. De bevoegde autoriteiten van de grenscontrolepost verrichten overeenstemmingscontroles en materiële controles van deze zendingen, met inbegrip van een laboratoriumanalyse op de aanwezigheid van cesium‐137, met een frequentie van 20 %.
Artikel 6
In het vrije verkeer brengen
De douaneautoriteiten verlenen alleen vrijgave voor het vrije verkeer van zendingen van de in artikel 3, lid 3, vermelde producten na overlegging van een naar behoren ingevuld GGB als bedoeld in artikel 57, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2017/625, waarin wordt bevestigd dat de zending aan de in artikel 1, lid 2, van die verordening bedoelde toepasselijke regels voldoet.
Artikel 7
Evaluatie
De Commissie evalueert deze verordening uiterlijk op 31 maart 2030.
Een gedetailleerde beoordeling van het besmettingsniveau in de in bijlage I vermelde derde landen geschiedt op basis van de beschikbare controleresultaten en op basis van de resultaten van deze beoordeling zullen, in voorkomend geval, de in bijlage I vermelde derde landen, de in bijlage II vermelde producten en de in artikel 5, lid 2, bedoelde maatregelen, vóór die datum dienovereenkomstig worden herzien.
Artikel 8
Intrekkingen
De Verordeningen (EG) nr. 1609/2000 en (EG) nr. 1635/2006 worden ingetrokken.
Artikel 9
Overgangsbepaling
Gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2020 mogen zendingen van in artikel 3, lid 3, bedoelde producten die vergezeld gaan van de desbetreffende certificaten die vóór 1 september 2020 zijn afgegeven overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1635/2006, de Unie binnenkomen.
Artikel 10
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 augustus 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(2) PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 733/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 1).
(4) Aanbeveling 2003/274/Euratom van de Commissie van 14 april 2003 inzake de bescherming en voorlichting van de bevolking ten aanzien van blootstelling door de aanhoudende besmetting met radioactief cesium van bepaalde uit het wild afkomstige levensmiddelen ten gevolge van het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PB L 99 van 17.4.2003, blz. 55).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 van de Commissie van 25 maart 2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima (PB L 80 van 26.3.2011, blz. 5).
(6) Advies van de groep van deskundigen als bedoeld in artikel 31 van het Euratom-Verdrag betreffende de verlenging van de meest recente post-Tsjernobylverordening — Verordening (EG) nr. 733/2008 van de Raad, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1048/2009 van de Raad (aangenomen op de vergadering van 15 november 2018), beschikbaar op:
https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/opinion_on_prolongation_of_post-chernobyl_regulations_15_november_2018.pdf
(7) Advies van de groep van deskundigen als bedoeld in artikel 31 van het Euratom-Verdrag betreffende een ontwerpvoorstel voor een uitvoeringsverordening tot vaststelling van voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen, minder belangrijke levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (aangenomen op de vergadering van 13 juni 2019), beschikbaar op: https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/opinion_on_implementing_regulation_on_post-chernobyl_measures_13_june_2019.pdf
(8) Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35).
(9) Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2).
(10) Verordening (EG) nr. 1635/2006 van de Commissie van 6 november 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PB L 306 van 7.11.2006, blz. 3).
(11) Verordening (EG) nr. 1609/2000 van de Commissie van 24 juli 2000 tot vaststelling van een lijst van producten die zijn uitgesloten van Verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PB L 185 van 25.7.2000, blz. 27).
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/628 van de Commissie van 8 april 2019 betreffende modellen van officiële certificaten voor bepaalde dieren en goederen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/759 wat deze modelcertificaten betreft (PB L 131 van 17.5.2019, blz. 101).
(13) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/595 van de Commissie van 11 april 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1635/2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 737/90 van de Raad, wegens de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie (PB L 103 van 12.4.2019, blz. 22).
(14) Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7).
BIJLAGE I
Lijst van derde landen als bedoeld in artikel 1, lid 1
Albanië
Belarus
Bosnië en Herzegovina
Kosovo (1)
Noord-Macedonië
Moldavië
Montenegro
Rusland
Servië
Zwitserland
Turkije
Oekraïne
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië met uitzondering van Noord-Ierland (2)
(1) Deze aanduiding laat de standpunten over de status onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN‐Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2) Van toepassing vanaf de dag na die waarop het Unierecht niet langer van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig het terugtrekkingsakkoord.
BIJLAGE II
Lijst van producten waarop de voorwaarden van artikel 3, lid 3, van toepassing zijn
|
GN‐code |
Beschrijving |
|
ex 0709 51 00 |
paddenstoelen van het geslacht Agaricus, vers of gekoeld, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0709 59 |
andere paddenstoelen, vers of gekoeld, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0710 80 61 |
paddenstoelen van het geslacht Agaricus (ongekookt of gestoomd of in water gekookt), bevroren, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0710 80 69 |
andere paddenstoelen (ongekookt of gestoomd of in water gekookt), bevroren, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0711 51 00 |
paddenstoelen van het geslacht Agaricus, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0711 59 00 |
andere paddenstoelen, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0712 31 00 |
paddenstoelen van het geslacht Agaricus, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0712 32 00 |
judasoren (Auricularia spp.), gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0712 33 00 |
trilzwammen (Tremella spp.), gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0712 39 00 |
andere paddenstoelen, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 2001 90 50 |
paddenstoelen, bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 2003 |
paddenstoelen en truffels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, met uitzondering van gekweekte paddenstoelen |
|
ex 0810 40 |
wilde veenbessen, wilde bosbessen en andere wilde vruchten van het geslacht Vaccinium, vers |
|
ex 0811 90 50 |
wilde vruchten van het geslacht Vaccinium myrtillus, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen |
|
ex 0811 90 70 |
wilde vruchten van het geslacht Vaccinium myrtilloides en Vaccinium angustifolium, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen |
|
ex 0812 90 40 |
wilde vruchten van het geslacht Vaccinium myrtillus, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie |
|
ex 2008 93 |
wilde veenbessen (Vaccinium macrocarpon, Vaccinium oxycoccos, Vaccinium vitis-idaea), op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen |
|
ex 2008 99 |
andere wilde vruchten van het geslacht Vaccinium, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen |
|
ex 2009 81 |
veenbessensappen van wilde vruchten (Vaccinium macrocarpon, Vaccinium oxycoccos, Vaccinium vitis-idaea), ongegist en zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen |
|
ex 2009 89 |
andere sappen van wilde vruchten van het geslacht Vaccinium, ongegist en zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen |
BIJLAGE III
MODEL VAN OFFICIEEL CERTIFICAAT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1158 VAN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE VOORWAARDEN VOOR DE INVOER VAN LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS VAN OORSPRONG UIT DERDE LANDEN INGEVOLGE HET ONGELUK IN DE KERNCENTRALE VAN TSJERNOBYL
BIJLAGE IV
AANWIJZINGEN VOOR HET INVULLEN VAN HET OFFICIEEL CERTIFICAAT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1158 VAN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE VOORWAARDEN VOOR DE INVOER VAN LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS VAN OORSPRONG UIT DERDE LANDEN INGEVOLGE HET ONGELUK IN DE KERNCENTRALE VAN TSJERNOBYL
Algemeen
Om een optie te selecteren? moet het overeenstemmende vak worden aangevinkt of met een kruisje (X) worden gemerkt.
De “ISO-code” is de internationale gestandaardiseerde tweeletterige code voor een land overeenkomstig de internationale norm ISO 3166 alpha‐2 (1).
In de vakken I.15, I.18 en I.20 mag slechts één optie worden geselecteerd.
Tenzij anders vermeld, zijn de vakken verplicht.
Indien de geadresseerde, de grenscontrolepost van binnenkomst of de gegevens over het vervoer (d.w.z. de vervoermiddelen en de datum) veranderen nadat het certificaat is afgegeven, moet de voor de zending verantwoordelijke exploitant de bevoegde autoriteit van de lidstaat van binnenkomst hiervan in kennis stellen. Een dergelijke verandering leidt niet tot een verzoek om een vervangend certificaat.
Indien het certificaat in het Imsoc is ingediend, geldt het volgende:
|
— |
de in deel I vermelde gegevens of vakken vormen de nomenclaturen voor de elektronische versie van het officiële certificaat; |
|
— |
de volgorde van de vakken in deel I van het model van officieel certificaat en de grootte en vorm van die vakken zijn indicatief; |
|
— |
wanneer een stempel vereist is, is het elektronische equivalent daarvan een elektronisch zegel. Dit zegel moet voldoen aan de regels voor de afgifte van elektronische certificaten als bedoeld in artikel 90, eerste alinea, onder f), van Verordening (EU) 2017/625. |
Deel I: Gegevens betreffende de zending
|
Land: |
De naam van het derde land dat het certificaat afgeeft. |
|
Vak I.1. |
Verzender/exporteur: de naam en het adres (straat, stad en regio, provincie of staat, naargelang het geval) van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de zending verzendt en die in het derde land moet zijn gevestigd. |
|
Vak I.2. |
Referentienummer certificaat: de unieke verplichte code die door de bevoegde autoriteit van het derde land wordt toegewezen overeenkomstig haar eigen classificatie. Dit vak is verplicht voor alle certificaten die niet in het Imsoc worden ingediend. |
|
Vak I.2.a. |
Referentienummer Imsoc: de unieke referentiecode die automatisch door het Imsoc wordt toegewezen als het certificaat in het Imsoc wordt geregistreerd. Dit vak moet niet worden ingevuld als het certificaat niet in het Imsoc wordt ingediend. |
|
Vak I.3. |
Centrale bevoegde autoriteit: de naam van de centrale autoriteit in het derde land die het certificaat afgeeft. |
|
Vak I.4. |
Lokale bevoegde autoriteit: de naam van de lokale autoriteit in het derde land die het certificaat afgeeft, indien van toepassing. |
|
Vak I.5. |
Geadresseerde/importeur: naam en adres van de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wie de zending bestemd is in de lidstaat. |
|
Vak I.6. |
Voor de zending verantwoordelijke exploitant: de naam en het adres van de persoon in de Europese Unie die verantwoordelijk is voor de zending wanneer die bij de grenscontrolepost wordt aangeboden en die als importeur of namens de importeur de nodige verklaringen indient bij de bevoegde autoriteiten. Dit vak is optioneel. |
|
Vak I.7. |
Land van oorsprong: de naam en de ISO‐code van het land waaruit de goederen afkomstig zijn dan wel waar zij zijn geteeld, geoogst of geproduceerd. |
|
Vak I.9. |
Land van bestemming: de naam en de ISO‐code van het land van bestemming in de Europese Unie van de producten. |
|
Vak I.11. |
Plaats van verzending: de naam en het adres van de bedrijven of inrichtingen waaruit de producten afkomstig zijn. Elke eenheid van een onderneming in de levensmiddelensector. Alleen de inrichting die de producten verzendt, moet worden genoemd. In het geval van handel waarbij meer dan één derde land is betrokken (driehoekshandel), is de plaats van verzending de laatste in een derde land gevestigde inrichting van de uitvoerketen waaruit de definitieve zending naar de Europese Unie wordt vervoerd. |
|
Vak I.12. |
Plaats van bestemming: deze informatie is optioneel. Voor het in de handel brengen: de plaats waar de producten naartoe worden gebracht voor de laatste lossing. Vermeld de naam, het adres en het erkenningsnummer van de bedrijven of inrichtingen van de plaats van bestemming, indien van toepassing. |
|
Vak I.14. |
Datum en tijdstip van vertrek: de datum waarop het vervoermiddel vertrekt (vliegtuig, vaartuig, treinwagon of wegvoertuig). |
|
Vak I.15. |
Vervoermiddel: vervoermiddel bij het verlaten van het land van verzending. Vervoerswijze: vliegtuig, vaartuig, treinwagon, wegvoertuig of ander. Onder “ander” worden vervoerswijzen verstaan die niet onder Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad (2) vallen. Identificatie van het vervoermiddel: voor vliegtuigen het vluchtnummer, voor vaartuigen de naam van het schip, voor treinwagons de code van de trein en het wagonnummer, voor wegvoertuigen het kentekennummer en indien van toepassing ook het nummer van de aanhanger. In het geval van een ferry moeten bovendien de identificatiegegevens van het wegvoertuig, het kentekennummer en indien van toepassing ook het nummer van de aanhanger, en de naam van de geplande ferry worden vermeld. |
|
Vak I.16. |
Grenscontrolepost van binnenkomst: vermeld de naam van de grenscontrolepost en de door het Imsoc toegewezen identificatiecode ervan. |
|
Vak I.17. |
Begeleidende documenten: Laboratoriumrapport: vermeld het referentienummer en de datum van afgifte van het rapport/de resultaten van de laboratoriumanalyse als bedoeld in artikel 4, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1158 van de Commissie (deze verordening). Overige: het type en het referentienummer van het document moeten worden vermeld wanneer een zending vergezeld gaat van andere documenten, zoals een handelsdocument (bv. het nummer van de luchtvrachtbrief, het nummer van het cognossement of het commercieel registratienummer van de trein of het wegvoertuig). |
|
Vak I.18. |
Vervoersomstandigheden: categorie van de vereiste temperatuur tijdens het vervoer van de producten (omgevingstemperatuur, gekoeld, ingevroren). Er mag slechts één categorie worden geselecteerd. |
|
Vak I.19. |
Containernummer/zegelnummer: de desbetreffende nummers, indien van toepassing. Het containernummer moet worden vermeld als de goederen in gesloten containers worden vervoerd. Alleen het nummer van het officiële zegel moet worden vermeld. Het gaat om een officieel zegel als een zegel op de container, vrachtwagen of treinwagon wordt aangebracht onder toezicht van de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft. |
|
Vak I.20. |
Goederen gecertificeerd voor: vermeld het beoogde gebruik voor producten als vermeld in het desbetreffende officiële certificaat van de Europese Unie. Menselijke consumptie: betreft alleen voor menselijke consumptie bestemde producten. |
|
Vak I.22. |
Voor de interne markt: voor alle zendingen die bestemd zijn om in de Europese Unie in de handel te worden gebracht. |
|
Vak I.23. |
Totaal aantal verpakkingen: het aantal verpakkingen. In het geval van bulkzendingen is dit vak facultatief. |
|
Vak I.24. |
Hoeveelheid: Totaal nettogewicht: dit wordt gedefinieerd als de massa van de goederen zelf zonder de onmiddellijke verpakkingen of andere verpakkingen. Totaal brutogewicht: het totale gewicht in kilogram. Dit wordt gedefinieerd als de totale massa van de producten inclusief de onmiddellijke verpakkingen en alle andere verpakkingen, maar exclusief de transportcontainers en andere transportmiddelen. |
|
Vak I.25. |
Omschrijving van de goederen: vermeld de desbetreffende code van het geharmoniseerd systeem (GS‐code) en de door de Werelddouaneorganisatie bepaalde titel zoals bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (3). Deze douanebeschrijving wordt in voorkomend geval aangevuld met alle informatie die nodig is voor de indeling van de producten. Vermeld de soort, de productsoorten, het aantal verpakkingen, de aard van de verpakking, het nummer van de partij, het nettogewicht en de eindverbruiker (d.w.z. producten worden voor de eindverbruiker verpakt). Soort: de wetenschappelijke benaming of zoals gedefinieerd overeenkomstig de wetgeving van de Europese Unie. Aard van de verpakking: vermeld de aard van de verpakking overeenkomstig de definitie in aanbeveling 21 (4) van UN/Cefact (Centrum van de Verenigde Naties voor de bevordering van handel en elektronisch zakendoen). |
Deel II: Certificering
Dit deel moet worden ingevuld door een certificerende ambtenaar die door de bevoegde autoriteit van het derde land gemachtigd is om het officiële certificaat te ondertekenen, zoals bepaald in artikel 88, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625.
|
Vak II. |
Informatie over de gezondheid: vul dit deel in overeenkomstig de specifieke gezondheidsvoorschriften van de Europese Unie voor de aard van de producten en zoals bepaald in de gelijkwaardigheidsovereenkomsten met bepaalde derde landen of in andere wetgeving van de Europese Unie, zoals die inzake certificering. Indien het officiële certificaat niet in het Imsoc wordt ingediend, moeten de niet-relevante vermeldingen worden doorgehaald en door de certificerende ambtenaar worden geparafeerd en van een stempel worden voorzien dan wel volledig uit het certificaat worden verwijderd. Indien het certificaat in het Imsoc wordt ingediend, moeten de niet-relevante verklaringen worden doorgehaald of volledig uit het certificaat worden verwijderd. |
|
Vak II.a. |
Referentienummer certificaat: dezelfde referentiecode als in vak I.2. |
|
Vak II.b. |
Referentienummer Imsoc: dezelfde referentiecode als in vak I.2.a. Alleen verplicht voor in het Imsoc afgegeven officiële certificaten. |
|
Certificerend ambtenaar: |
Ambtenaar van de bevoegde autoriteit van het derde land die door die autoriteiten gemachtigd is om officiële certificaten te ondertekenen: vermeld de naam in hoofdletters, hoedanigheid en titel, indien van toepassing, identificatienummer en origineel stempel van de bevoegde autoriteit en datum van ondertekening. |
(1) Lijst van namen van landen en code-elementen: http://www.iso.org/iso/country_codes/iso-3166-1_decoding_table.htm
(2) Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).
(3) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
(4) Recentste versie: revisie 9 bijlagen V en VI zoals gepubliceerd op: http://www.unece.org/tradewelcome/un-centre-for-trade-facilitation-and-e-business-uncefact/outputs/cefactrecommendationsrec-index/list-of-trade-facilitation-recommendations-n-21-to-24.ahtml
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/14 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1159 VAN DE COMMISSIE
van 5 augustus 2020
tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1321/2014 en (EU) 2015/640 voor wat de invoering van nieuwe aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften betreft
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), met name artikel 17, lid 1, onder h),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139 geeft het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (het “Agentschap”) certificeringsspecificaties (“CS”) af en werkt ze deze regelmatig bij. Een luchtvaartuig waarvan het ontwerp reeds is gecertificeerd, moet echter niet voldoen aan een bijgewerkte versie van een CS als het al in productie of gebruik is. Om de veiligheids- en milieueisen op het gebied van de luchtvaart op een hoog niveau te houden in de Unie, moet ervoor worden gezorgd dat dergelijke luchtvaartuigen voldoen aan aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften die niet in de oorspronkelijke CS waren opgenomen ten tijde van de certificering van het ontwerp. In Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie (2) zijn dergelijke aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften uiteengezet. Nu moeten nieuwe voorschriften voor verouderende luchtvaartuigen aan die verordening worden toegevoegd. |
|
(2) |
In 2007 heeft het Agentschap aanvaardbare wijzen van naleving (Acceptable Means of Compliance, AMC) 20-20 uitgegeven, met technische richtsnoeren voor de ontwikkeling van een programma voor blijvende structurele integriteit dat tot doel heeft te garanderen dat verouderende luchtvaartuigen gedurende hun volledige operationele levensduur veilig worden geëxploiteerd. Wegens het niet-bindende karakter van de AMC, is het mogelijk dat die richtsnoeren niet overal in de Unie consistent worden toegepast. Het is dan ook mogelijk dat er op dit ogenblik grote luchtvaartuigen worden geëxploiteerd die zijn ontworpen, aangepast of gerepareerd zonder effectief aandacht te besteden aan beoordelingen van schadetolerantie, wijdverspreide vermoeiingsschade en corrosiepreventie. Om catastrofale defecten ten gevolge van vermoeiingsschade, met inbegrip van wijdverbreide vermoeiing en corrosie, te voorkomen, moeten aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften voor verouderende luchtvaartuigen worden opgenomen in Verordening (EU) 2015/640. |
|
(3) |
Elk luchtvaartuig kan vanaf het ogenblik van de vervaardiging ervan als verouderend worden beschouwd. De veroudering van een luchtvaartuig hangt af van factoren als leeftijd, aantal vluchtcycli en aantal vlieguren. Individuele luchtvaartuigonderdelen verouderen op verschillende wijze; voorbeelden van verouderingsfactoren zijn vermoeidheid door herhaalde cycli, slijtage, verslechtering en corrosie. Als die factoren gedurende de levensduur van het luchtvaartuig niet goed worden beheerd, kunnen ze aanleiding geven tot aanzienlijke bezorgdheid over de veiligheid. Uit ervaring met de dienstverlening is gebleken dat de kennis over de structurele integriteit van verouderende luchtvaartuigen voortdurend moet worden geactualiseerd. Derhalve moeten nieuwe eisen worden opgenomen in Verordening (EU) 2015/640 om te zorgen voor actuele kennis over verouderingsfactoren op basis van real-time operationele ervaring en aan de hand van moderne analyse- en onderzoeksinstrumenten. |
|
(4) |
Die voorschriften inzake verouderende luchtvaartuigen moeten ervoor zorgen dat de houders van ontwerpgoedkeuringen de gegevens produceren en de procedures, instructies en handleidingen volgen die nodig zijn om structurele defecten ten gevolge van verouderingsfactoren, zoals corrosie en vermoeiing, te voorkomen, en dat ze deze ter beschikking stellen van de exploitanten. Daartoe moeten houders van een ontwerpgoedkeuring worden verplicht om een uitgebreid programma voor blijvende structurele integriteit op te stellen voor het luchtvaartuigtype en om de schadetolerantie van bestaande aanpassingen en reparatie-ontwerpen te beoordelen. Tegelijk moeten exploitanten worden verplicht om die gegevens op te nemen in hun onderhoudsprogramma en tegelijk de nadelige gevolgen van aanpassingen en reparaties voor elk casco en de bijbehorende onderhoudseisen aan te pakken. |
|
(5) |
Om te garanderen dat de op basis van die nieuwe voorschriften opgestelde gegevens, procedures, instructies en handleidingen ook worden gebruikt bij het onderhoud van grote vliegtuigen, moet in punt M.A.302 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 (3) worden verwezen naar de voorschriften die zijn ingevoerd in Deel-26 van bijlage I bij Verordening (EU) 2015/640. |
|
(6) |
Momenteel zijn honderden grote vliegtuigen met vracht- of bagagecompartimenten van klasse D geregistreerd in de lidstaten. Het risico op onbeheersbare branden in dit type compartimenten wordt hoog geacht, met name omdat het vervoer van lithiumbatterijen in vracht- of bagagecompartimenten de recente jaren is toegenomen; dergelijke batterijen kunnen thermisch instabiel worden en zo brand veroorzaken. |
|
(7) |
In september 2007 heeft het Bureau nieuwe ontwerpnormen ingevoerd waarbij vracht- en bagagecompartimenten van klasse D worden geschrapt uit de certificeringsspecificaties voor grote vliegtuigen. Die normen hadden tot doel het risico op letsel of dodelijke afloop in geval van een brand in het vracht- of bagagecompartiment tijdens de vlucht te beperken, maar ze zijn allen van toepassing op grote vliegtuigen die gecertificeerd zijn op basis van aanvragen na september 2007. Aangezien bepaalde grote vliegtuigen dus wellicht niet voldoen aan die normen en gelet op de aard en het risico van vluchtuitvoeringen met grote vliegtuigen, moeten die normen nu worden toegepast op alle door het Agentschap gecertificeerde grote vliegtuigen die in gebruik zijn. |
|
(8) |
De laatste decennia waren runway excursions wereldwijd een belangrijke oorzaak van ongevallen; ze vormen dan ook een aanzienlijk risico voor de veiligheid van de luchtvaart. In de jaarlijkse veiligheidsevaluatie van het EASA voor 2018 worden runway excursions genoemd als een van de twee grootste risicogebieden. In diezelfde periode en voor dezelfde populatie waren runway excursions goed voor 30 % van alle niet-dodelijke ongevallen. Het aantal runway excursions tijdens de landing is mee gestegen met de toename van het verkeer. Aangezien verwacht wordt dat het luchtverkeer wereldwijd, en ook in Europa, zal blijven groeien, mag worden aangenomen dat het aantal runway excursions verder zal toenemen indien geen maatregelen worden genomen. |
|
(9) |
In januari 2020 heeft het Agentschap nieuwe ontwerpnormen ingevoerd voor de installatie van systemen die de bemanning helpen bij het nemen van beslissingen tijdens de nadering en landing. Die normen hebben tot doel het risico op runway excursions tijdens de landing te beperken. Gelet op de aard en het risico van vluchtuitvoeringen met grote vliegtuigen, moeten die normen nu worden toegepast op alle door het Agentschap gecertificeerde grote vliegtuigen die in gebruik zijn. |
|
(10) |
Verordeningen (EU) nr. 1321/2014 en (EU) 2015/640 van de Commissie moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, In het licht van de huidige uitbraak van COVID-19 is voorzien in een overgangsperiode om extra lasten voor het bedrijfsleven tijdens deze crisis te vermijden en om de naleving van de bij deze verordening ingevoerde nieuwe regels en procedures te faciliteren. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op adviezen nr. 12/2016 (4) en nr. 04/2019 (5) die het Agentschap heeft uitgegeven overeenkomstig artikel 76, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2018/1139. |
|
(12) |
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 127, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139 bedoelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I (Deel-M) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Verordening (EU) 2015/640 wordt als volgt gewijzigd:
|
(1) |
Artikel 1 wordt vervangen door: “Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied 1. Bij deze verordening worden gemeenschappelijke aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties vastgesteld die verband houden met de permanente luchtwaardigheid en verbeteringen van de veiligheid van luchtvaartuigen. 2. Deze verordening is van toepassing op:
(*) Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).”." |
|
(2) |
In artikel 2 worden de volgende punten e) tot en met o) toegevoegd:
|
|
(3) |
Bijlage I (Deel-26) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
Artikel 3
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Ze is van toepassing vanaf 26 februari 2021, met uitzondering van punt 4), van bijlage II, dat van toepassing is vanaf 26 augustus 2020.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 augustus 2020
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2015/640 van de Commissie van 23 april 2015 betreffende aanvullende luchtwaardigheidsspecificaties voor een bepaald soort vluchtuitvoering en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 (PB L 106 van 24.4.2015, blz. 18).
(3) Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).
(4) Advies 12/2016: Ageing aircraft structures.
(5) Advies 04/2019: Reduction of runway excursions and Class D compartments
BIJLAGE I
Aan punt M.A.302, onder d), van bijlage I (Deel‐M) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 wordt het volgende punt 3 toegevoegd:
|
“3) |
de toepasselijke bepalingen van bijlage I (Deel‐26) bij Verordening (EU) 2015/640.”. |
BIJLAGE II
Bijlage I (Deel‐26) bij Verordening (EU) 2015/640 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De inhoudsopgave wordt vervangen door: “BIJLAGE I Deel‐26 AANVULLENDE LUCHTWAARDIGHEIDSSPECIFICATIES VOOR VLUCHTUITVOERINGEN INHOUDSOPGAVE SUBDEEL A — ALGEMENE BEPALINGEN
SUBDEEL B — GROTE VLIEGTUIGEN
SUBDEEL C — GROTE HELIKOPTERS
Aanhangsel I — Lijst van vliegtuigmodellen die niet onder sommige bepalingen van bijlage I (Deel‐26) vallen. |
|
2) |
punt 26.10 wordt vervangen door: “26.10 Bevoegde instantie
|
|
3) |
Punt 26.30 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Het volgende punt 26.157 wordt ingevoegd: “26.157 Ombouw van compartimenten van klasse D Exploitanten van grote vliegtuigen die voor commerciële luchtvervoersactiviteiten worden gebruikt en waarvan het type op of na 1 januari 1958 is gecertificeerd, zorgen ervoor dat:
|
|
5) |
Het volgende punt 26.205 wordt ingevoegd: “26.205 Systemen voor bewustmaking van en waarschuwing voor runway overrun
|
|
6) |
De volgende punten 26.300, 26.301, 26.302, 26.303, 26.304, 26.305, 26.306, 26.307, 26.308, 26.309, 26.330, 26.331, 26.332, 26.333, 26.334 en 26.370 worden ingevoegd: “26.300 Programma voor blijvende structurele integriteit van verouderende vliegtuigstructuren — algemene eisen
26.301 Nalevingsplan voor houders van (R)TC
26.302 Beoordeling van de vermoeiings- en schadetolerantie
26.303 Beperkte geldigheid
26.304 Programma voor de preventie en bestrijding van corrosie
26.305 Geldigheid van het programma voor blijvende structurele integriteit
26.306 Vermoeiingskritieke basisstructuur
26.307 Gegevens over schadetolerantie voor bestaande wijzigingen van vermoeiingskritieke structuren
26.308 Schadetolerantie voor bestaande reparaties aan vermoeiingskritieke structuren
26.309 Richtsnoeren voor de beoordeling van reparaties
26.330 Gegevens over schadetolerantie voor bestaande aanvullende typecertificaten (STC’s), andere bestaande belangrijke wijzigingen en bestaande reparaties die gevolgen hebben voor die typecertificaten of wijzigingen
26.331 Nalevingsplan voor houders van STC’s Een houder van een goedkeuring van een wijziging moet:
26.332 Identificatie van wijzigingen die gevolgen hebben voor vermoeiingskritieke structuren
26.333 Gegevens over schadetolerantie voor STC’s en reparaties van die STC’s die op of na 1 september 2003 zijn goedgekeurd
26.334 Gegevens over schadetolerantie voor STC’s en andere wijzigingen en reparaties van die wijzigingen die vóór 1 september 2003 zijn goedgekeurd
26.370 Taken in verband met blijvende luchtwaardigheid en onderhoudsprogramma van het luchtvaartuig
(*) Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1)." (**) Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, ‐onderdelen en ‐uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).”." |
|
7) |
Het volgende aanhangsel 1 wordt toegevoegd: “Aanhangsel 1 Lijst van vliegtuigmodellen die niet onder sommige bepalingen van bijlage I (Deel‐26) vallen Tabel A.1
|
(*) Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).
(**) Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, ‐onderdelen en ‐uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).”.”
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/29 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1160 VAN DE COMMISSIE
van 5 augustus 2020
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumsilicaat, bloedmeel, calciumcarbonaat, kooldioxide, extract van theeboom, vetdistillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, knoflookextract, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, kiezelgoer (diatomeeënaarde), plantaardige oliën/raapzaadolie, kaliumwaterstofcarbonaat, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, onvertakte vlinderferomonen, tebuconazool en ureum
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 17, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (2) zijn de werkzame stoffen opgenomen die worden geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/195 van de Commissie (3) zijn de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumsilicaat, bloedmeel, calciumcarbonaat, kooldioxide, extract van theeboom, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, knoflookextract, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, kiezelgoer (diatomeeënaarde), plantaardige oliën/raapzaadolie, kaliumwaterstofcarbonaat, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, onvertakte vlinderferomonen en ureum verlengd tot en met 31 augustus 2020, en bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie (4) is de goedkeuringsperiode voor de werkzame stof tebuconazool verlengd tot en met 31 augustus 2020. |
|
(3) |
De aanvragen voor de verlenging van de goedkeuring van die stoffen zijn ingediend in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (5). |
|
(4) |
Aangezien de beoordeling van al die stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen. Daarom moet de goedkeuringsperiode van die stoffen worden verlengd. |
|
(5) |
Wat gevallen betreft waarin een verordening moet worden vastgesteld waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof niet wordt verlengd omdat niet aan de criteria voor goedkeuring is voldaan, moet de vervaldatum worden vastgesteld op dezelfde datum als vóór deze verordening werd goedgekeurd of, indien dat later is, op de datum van inwerkingtreding van de verordening waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van de werkzame stof niet wordt verlengd. Indien een verordening wordt vastgesteld waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof wordt verlengd, is het passend de vroegst mogelijke toepassingsdatum vast te stellen onder de gegeven omstandigheden. |
|
(6) |
Aangezien de goedkeuringsperioden van de werkzame stoffen op 31 augustus 2020 verstrijken, moet deze verordening zo spoedig mogelijk in werking treden. |
|
(7) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 augustus 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/195 van de Commissie van 3 februari 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode van verscheidene werkzame stoffen die zijn opgenomen in deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 (verlengingsprogramma AIR IV) (PB L 31 van 4.2.2017, blz. 21).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie van 7 mei 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diuron, ethefon, etoxazool, famoxadone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, metalaxyl‐M, methiocarb, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos‐methyl, propamocarb, prothioconazool, S‐metolachloor en tebuconazool (PB L 120 van 8.5.2019, blz. 16).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
BIJLAGE
Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In rij 219 (aluminiumammoniumsulfaat), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
2) |
In rij 220 (aluminiumsilicaat), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
3) |
In rij 222 (bloedmeel), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
4) |
In rij 224 (calciumcarbonaat), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
5) |
In rij 225 (kooldioxide), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
6) |
In rij 228 (extract van theeboom), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
7) |
In rij 229 (vetdestillatieresiduen), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
8) |
In rij 230 (vetzuren C7 tot en met C20), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
9) |
In rij 231 (knoflookextract), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
10) |
In rij 232 (gibberellinezuur), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door "31 augustus 2021”. |
|
11) |
In rij 233 (gibberellinen), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
12) |
In rij 234 (gehydrolyseerde eiwitten), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
13) |
In rij 235 (ijzersulfaat), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
14) |
In rij 236 (kiezelgoer (diatomeeënaarde)), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
15) |
In rij 242 (plantaardige oliën/raapzaadolie), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
16) |
In rij 244 (kaliumwaterstofcarbonaat), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
17) |
In rij 247 (kwartszand), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
18) |
In rij 248 (visolie), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
19) |
In rij 249 (op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
20) |
In rij 255 (onvertakte vlinderferomonen), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
21) |
In rij 268 (tebuconazool), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
|
22) |
In rij 257 (ureum), zesde kolom (geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “31 augustus 2021”. |
BESLUITEN
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/32 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1161 VAN DE COMMISSIE
van 4 augustus 2020
tot vaststelling van een aandachtstoffenlijst van in de hele Unie te monitoren stoffen op het gebied van het waterbeleid overeenkomstig Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 5205)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 8 ter, lid 5, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 8 ter, lid 1, van Richtlijn 2008/105/EG wordt voorzien in de vaststelling van een aandachtstoffenlijst waarvoor in de hele Unie monitoringgegevens moeten worden vergaard ter ondersteuning van toekomstige prioritering overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (2). In deze eerste aandachtstoffenlijst moest melding worden gemaakt van de monitoringmatrices en van mogelijke analysemethoden voor elke stof die geen buitensporige kosten met zich brengen. |
|
(2) |
De stoffen op de aandachtstoffenlijst moeten worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatische milieu kunnen betekenen, maar waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn om het feitelijke risico vast te stellen. Zeer toxische stoffen die in veel lidstaten worden gebruikt en in het aquatisch milieu worden geloosd, maar niet of zelden worden gecontroleerd, moeten voor opname in de aandachtstoffenlijst in aanmerking worden genomen. Bij die selectie moet rekening worden gehouden met de in artikel 8 ter, lid 1, onder a) tot en met e), van Richtlijn 2008/105/EG gespecificeerde informatie, met bijzondere aandacht voor opkomende verontreinigende stoffen. |
|
(3) |
De monitoring van de stoffen op de aandachtstoffenlijst moet hoogwaardige gegevens over de concentraties ervan in het aquatische milieu opleveren, geschikt om de risicobeoordelingen die ten grondslag liggen aan de identificatie van prioritaire stoffen te ondersteunen in het kader van een aparte toetsing overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG. Stoffen waarvan bij die toetsing blijkt dat zij een ernstig risico vormen, moeten in aanmerking worden genomen voor opname in de lijst van prioritaire stoffen. In dat geval wordt ook een milieukwaliteitsnorm vastgesteld waaraan de lidstaten moeten voldoen. Het voorstel om een stof op te nemen in de lijst van prioritaire stoffen wordt onderworpen aan een effectbeoordeling. |
|
(4) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/495 van de Commissie (3) is een eerste aandachtstoffenlijst vastgesteld die tien stoffen of groepen stoffen bevat, samen met een indicatie van de monitoringmatrix, mogelijke analysemethoden die geen buitensporige kosten met zich brengen, en maximaal aanvaardbare detectiegrenzen van de methode. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 8 ter, lid 2, van Richtlijn 2008/105/EG moet de Commissie de aandachtstoffenlijst om de twee jaar actualiseren. Bij het actualiseren van die aandachtstoffenlijst moet de Commissie elke stof verwijderen waarvoor een risicobeoordeling als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG kan worden uitgevoerd zonder aanvullende monitoringgegevens. |
|
(6) |
De aandachtstoffenlijst werd in 2018 geactualiseerd overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/840 van de Commissie (4), waarbij vijf stoffen van de lijst werden verwijderd en er drie aan werden toegevoegd, waardoor de lijst acht stoffen of groepen stoffen bevatte. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 8 ter, lid 2, van Richtlijn 2008/105/EG mag de periode van continue monitoring van een in de aandachtstoffenlijst opgenomen stof niet langer dan vier jaar duren. De monitoringverplichting voor de vijf stoffen of groepen stoffen die sinds 2015 op de aandachtstoffenlijst waren opgenomen, te weten 17-α-ethinylestradiol (EE2), 17-β-estradiol (E2) en estron (E1), de groep van macrolideantibiotica, methiocarb en de groep van neonicotinoïden, is derhalve in 2019 vervallen. De verkregen monitoringgegevens zullen in aanmerking worden genomen in het kader van de prioritering als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG. |
|
(8) |
Op basis van de monitoringgegevens die sinds 2018 zijn verkregen voor de drie andere stoffen, te weten metaflumizon, amoxicilline en ciprofloxacine, heeft de Commissie vastgesteld dat onvoldoende hoogwaardige monitoringgegevens beschikbaar zijn en dat die stoffen derhalve op de aandachtstoffenlijst moeten blijven staan. |
|
(9) |
In de loop van 2019 heeft de Commissie gegevens vergaard over een reeks andere stoffen die in de aandachtstoffenlijst kunnen worden opgenomen. Zij heeft rekening gehouden met de in artikel 8 ter, lid 1, van Richtlijn 2008/105/EG bedoelde verschillende typen relevante informatie en heeft deskundigen uit de lidstaten en belanghebbenden geraadpleegd. Stoffen waarvan de toxiciteit wordt betwijfeld of waarvan de gevoeligheid, de betrouwbaarheid of de vergelijkbaarheid van de beschikbare monitoringmethoden niet voldoende zijn, mogen niet in de aandachtstoffenlijst worden opgenomen. Het sulfonamideantibioticum sulfamethoxazol en het diaminopyrimidineantibioticum trimethoprim, het antidepressivum venlafaxine en zijn metaboliet O-desmethylvenlafaxine, een groep van drie azoolhoudende farmaceutische producten (clotrimazol, fluconazol en miconazol) en zeven azoolhoudende bestrijdingsmiddelen (imazalil, ipconazool, metconazool, penconazool, prochloraz, tebuconazool en tetraconazool), en de fungiciden famoxadone en dimoxystrobine werden als geschikte kandidaten aangemerkt. Het opnemen van de verschillende farmaceutische producten is verenigbaar met de strategische aanpak van de Europese Unie van geneesmiddelen in het milieu (5) en het opnemen van de twee antibiotica is verenigbaar met het Europese “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (6), waarin het gebruik van de aandachtstoffenlijst om “de kennis van het voorkomen en de verspreiding van antimicrobiële stoffen in het milieu te verbeteren” wordt ondersteund. |
|
(10) |
Overeenkomstig artikel 8 ter, lid 1, van Richtlijn 2008/105/EG heeft de Commissie mogelijke analysemethoden voor de voorgestelde stoffen geïdentificeerd. De detectiegrens van de methode moet voor elke stof, met inbegrip van elke afzonderlijke stof in een groep, ten minste even laag zijn als de stofspecifieke voorspelde concentratie zonder effect voor elke stof in de betrokken matrix. |
|
(11) |
Sulfamethoxazol en trimethoprim worden gewoonlijk, maar niet altijd, samen gebruikt vanwege hun vermeende synergistische effecten; zij kunnen en moeten samen worden geanalyseerd, ook al zijn zij niet samen gegroepeerd in de lijst opgenomen. Venlafaxine en zijn metaboliet zijn gegroepeerd wegens de mogelijke additieve effecten ervan; zij kunnen en moeten samen worden geanalyseerd. De azoolhoudende stoffen worden gegroepeerd omdat ze hetzelfde werkingsmechanisme hebben en eveneens additieve effecten kunnen hebben, hoewel de emissies van die stoffen uit een reeks verschillende bronnen komt en waarschijnlijk in de loop der tijd zullen fluctueren; zij kunnen en moeten ook samen worden geanalyseerd. De twee fungiciden, waarvan de emissies waarschijnlijk ook zullen fluctueren, kunnen samen worden onderzocht, maar dat is niet noodzakelijk. |
|
(12) |
De in de aandachtstoffenlijst gespecificeerde analysemethoden brengen geen buitensporige kosten met zich mee. Indien nieuwe informatie voor specifieke stoffen in de toekomst tot een daling van de voorspelde concentratie zonder effect leidt, moet de maximaal aanvaardbare detectiegrens van de methode wellicht worden verlaagd, voor zover die stoffen op de lijst blijven staan. |
|
(13) |
Met het oog op de vergelijkbaarheid moeten alle stoffen in volledige watermonsters worden gemonitord. |
|
(14) |
Omwille van de juridische duidelijkheid moet de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/840 in zijn geheel worden vervangen. Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/840 moet derhalve worden ingetrokken. |
|
(15) |
De in dit besluit vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De aandachtstoffenlijst van in de hele Unie te monitoren stoffen bedoeld in artikel 8 ter van Richtlijn 2008/105/EG is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/840 wordt ingetrokken.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 4 augustus 2020.
Voor de Commissie
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84.
(2) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/495 van de Commissie van 20 maart 2015 tot vaststelling van een aandachtstoffenlijst van in de hele Unie te monitoren stoffen op het gebied van het waterbeleid overeenkomstig Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 78 van 24.3.2015, blz. 40).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/840 van de Commissie van 5 juni 2018 tot vaststelling van een aandachtstoffenlijst van in de hele Unie te monitoren stoffen op het gebied van het waterbeleid overeenkomstig Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/495 (PB L 141 van 7.6.2018, blz. 9).
(5) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De strategische aanpak van de Europese Unie van geneesmiddelen in het milieu (COM(2019) 128 final).
(6) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Een Europees “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017) 339 final).
BIJLAGE
Aandachtstoffenlijst van in de hele Unie te monitoren stoffen als bedoeld in artikel 8 ter van Richtlijn 2008/105/EG
|
Naam van de stof/groep van stoffen |
CAS-nummer (1) |
EU-nummer (2) |
Maximaal aanvaardbare detectiegrens van de methode (ng/l) |
|
|
Metaflumizon |
139968-49-3 |
604-167-6 |
LLE-LC-MS-MS of SPE-LC-MS-MS |
65 |
|
Amoxicilline |
26787-78-0 |
248-003-8 |
SPE-LC-MS-MS |
78 |
|
Ciprofloxacine |
85721-33-1 |
617-751-0 |
SPE-LC-MS-MS |
89 |
|
Sulfamethoxazol (5) |
723-46-6 |
211-963-3 |
SPE-LC-MS-MS |
100 |
|
Trimethoprim (5) |
738-70-5 |
212-006-2 |
SPE-LC-MS-MS |
100 |
|
Venlafaxine en O-desmethylvenlafaxine (6) |
93413-69-5 93413-62-8 |
618-944-2 700-516-2 |
SPE-LC-MS-MS |
6 |
|
Azoolverbindingen (7) |
|
|
SPE-LC-MS-MS |
|
|
Clotrimazol Fluconazol Imazalil Ipconazool Metconazool Miconazol Penconazool Prochloraz Tebuconazool Tetraconazool |
23593-75-1 86386-73-4 35554-44-0 125225-28-7 125116-23-6 22916-47-8 66246-88-6 67747-09-5 107534-96-3 112281-77-3 |
245-764-8 627-806-0 252-615-0 603-038-1 603-031-3 245-324-5 266-275-6 266-994-5 403-640-2 407-760-6 |
|
20 250 800 44 29 200 1 700 161 240 1 900 |
|
Dimoxystrobine |
149961-52-4 |
604-712-8 |
SPE-LC-MS-MS |
32 |
|
Famoxadone |
131807-57-3 |
603-520-1 |
SPE-LC-MS-MS |
8,5 |
(1) Chemical Abstracts Service.
(2) Europese Unienummer.
(3) Om de vergelijkbaarheid van de resultaten van verschillende lidstaten te garanderen moeten alle stoffen in volledige watermonsters worden gemonitord.
(4) Extractiemethoden:
|
|
LLE — liquid liquid extraction (vloeistof-vloeistofextractie) |
|
|
SPE — solid-phase extraction (vastefase-extractie) |
Analysemethoden:
|
|
LC-MS-MS — Liquid chromatography (tandem) triple quadrupole mass spectrometry (vloeistofchromatografie gekoppeld aan triple quadrupool (tandem-)massaspectrometrie). |
(5) Sulfamethoxazol en trimethoprim worden samen in dezelfde monsters geanalyseerd, maar als afzonderlijke concentraties gerapporteerd.
(6) Venlafaxine en O-desmethylvenlafaxine worden samen in dezelfde monsters geanalyseerd, maar als afzonderlijke concentraties gerapporteerd.
(7) De azoolverbindingen worden samen in dezelfde monsters geanalyseerd, maar als afzonderlijke concentraties gerapporteerd.
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/36 |
BESLUIT Nr. 1/2020 VAN HET GEMENGD COMITÉ EG-FAERÖER
van 27 juli 2020
tot wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds [2020/1162]
HET GEMENGD COMITÉ,
Gezien de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds (1), en met name artikel 34, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Protocol nr. 1 bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds (“de overeenkomst”) betreft de tariefbehandeling en de bepalingen welke van toepassing zijn op bepaalde soorten vis en visserijproducten die in de Europese Unie in het vrije verkeer zijn gebracht of die in de Faeröer zijn ingevoerd. De bijlage bij Protocol nr. 1 bepaalt aan welke preferentiële douanerechten en andere voorwaarden producten van oorsprong en herkomst uit de Faeröer bij de invoer in de Europese Unie onderworpen zijn. |
|
(2) |
De Faeröer hebben op grond van artikel 36 van de overeenkomst een verzoek ingediend om de GN-codes 0303 53 90 en 1604 13 90 toe te voegen aan de bijlage bij Protocol nr. 1. De Europese Unie is na onderzoek van de relevante markt van mening dat de producten waarop deze codes betrekking hebben, zonder kwantitatieve beperkingen vrij van rechten in de Europese Unie kunnen worden ingevoerd. |
|
(3) |
Protocol nr. 4 bij de overeenkomst betreft de bijzondere bepalingen welke van toepassing zijn op de invoer van bepaalde andere landbouwproducten dan die welke worden genoemd in Protocol nr. 1. |
|
(4) |
Bij artikel 1 van Protocol nr. 4 heeft de Europese Unie voor Faeröers visvoeder aanvankelijk tariefconcessies verleend voor een jaarlijks rechtenvrij tariefcontingent van 5 000 ton. Dit rechtenvrije tariefcontingent is gewijzigd bij Besluit nr. 2/98 van het Gemengd Comité EG/Denemarken-Faeröer (2), waarbij het per 1 januari 2000 is verhoogd tot 10 000 ton, en bij Besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité EG/Denemarken-Faeröer (3), waarbij het is verhoogd tot 20 000 ton mits visvoeder waarvoor de preferentiële invoerregeling geldt, geen toegevoegde gluten bevat. |
|
(5) |
De Faeröer hebben verzocht Protocol nr. 4 te wijzigen en het verbod op toegevoegde gluten in visvoeder dat een preferentiële behandeling geniet, te schrappen, aangezien gluten een essentiële grondstof voor de samenstelling van visvoeder is geworden. |
|
(6) |
Artikel 2 van Protocol nr. 4 bevat een lijst van goederen van oorsprong uit de Europese Unie die vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem, waarvoor de Faeröer bij invoer in de Faeröer geen vrijstelling van tarieven en rechten toekennen. |
|
(7) |
De Europese Unie heeft verzocht om de opening van een rechtenvrij tariefcontingent voor de GN-codes 0204, 0206 80 99, 0206 90 99, 0210 90 11, 0210 90 60 en ex 0210 90 90, die zijn vermeld in artikel 2 van Protocol nr. 4. De Faeröer menen dat voor de uitvoer van de producten waarop deze codes betrekking hebben van de Europese Unie een rechtenvrij tariefcontingent van 80 ton kan worden toegekend, na een overgangsperiode van drie jaar waarin dat rechtenvrije tariefcontingent 40 ton bedraagt. |
|
(8) |
De Protocollen nrs. 1 en 4 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Tabel I van de bijlage bij Protocol nr. 1 bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds, wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Tussen de GN-codes 0303 50 98 en 0303 60 11 wordt het volgende ingevoegd:
|
|
2) |
Tussen de GN-codes 1604 12 99 en 1604 19 wordt het volgende ingevoegd:
|
Artikel 2
Protocol nr. 4 bij de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt vervangen door: “Artikel 1 De Europese Unie stelt voor producten van oorsprong uit of afkomstig van de Faeröer de volgende tariefcontingenten in:
|
|
2) |
Het volgende artikel wordt toegevoegd: “Artikel 3 De Faeröer openen de volgende tariefcontingenten voor producten van oorsprong en van herkomst uit de Europese Unie:
|
|
3) |
Bijlage I wordt geschrapt. |
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Tórshavn, 27 juli 2020.
Voor het Gemengd Comité
De voorzitter
K. SANDERSON
(1) PB L 53 van 22.2.1997, blz. 2.
(2) Besluit nr. 2/98 van het Gemengd Comité EG/Denemarken-Faeröer van 31 augustus 1998 tot wijziging van Protocol 4 bij de overeenkomst (PB L 263 van 26.9.1998, blz. 37).
(3) Besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité EG/Denemarken-Faeröer van 8 oktober 2007 tot wijziging van Protocol nr. 4 bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de landsregering van de Faeröer, anderzijds (PB L 275 van 19.10.2007, blz. 32).
Rectificaties
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/39 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad
( Publicatieblad van de Europese Unie L 317 van 23 november 2016 )
Bladzijde 58, artikel 87, lid 3, onder c), i):
in plaats van:
|
“i) |
inspecties, monsterneming en tests door de bevoegde autoriteit ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een of meer EU-quarantaineorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, of ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een ZP-quarantaineorganisme in het betrokken beschermde gebied; of”, |
lezen:
|
“i) |
inspecties, monsterneming en tests door de bevoegde autoriteit ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een EU-quarantaineorganisme of van plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, of ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een ZP-quarantaineorganisme in het betrokken beschermde gebied; of”. |
|
6.8.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 257/40 |
Rectificatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1146 van de Commissie van 31 juli 2020 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 wat betreft geharmoniseerde normen voor bepaalde huishoudelijke toestellen, smeltpatronen, apparatuur in kabelnetwerken voor televisiesignalen, geluidssignalen en interactieve diensten, beveiligingsschakelaars, vlamboogdoven en booglassen, toestelverbindingsstopcontacten bestemd voor vaste aansluiting in vaste installaties, transformatoren, smoorspoelen, voedingseenheden en combinaties daarvan, laden via een geleidende verbinding van elektrische voertuigen, bevestigingsbandjes en beheer, stuurstroomkringen, schakelelementen, noodverlichting, elektronische circuits voor gebruik in verlichtingsarmaturen en ontladingslampen
( Publicatieblad van de Europese Unie L 250 van 3 augustus 2020 )
Bladzijde 124, artikelen 1 en 2:
in plaats van:
“Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1956”,
lezen:
“Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956”.