ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 149

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
12 mei 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/635 van de Commissie van 12 mei 2020 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Podpiwek kujawski (BGA))

1

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/636 van de Commissie van 8 mei 2020 tot wijziging van Beschikking 2008/477/EG wat betreft een actualisering van relevante technische voorwaarden voor de 2 500-2 690MHz-frequentieband (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 2831)  ( 1 )

3

 

*

Besluit (EU) 2020/637 van de Europese Centrale Bank van 27 april 2020 betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items (ECB/2020/24) (herschikking)

12

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.5.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 149/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/635 VAN DE COMMISSIE

van 12 mei 2020

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (“Podpiwek kujawski” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Polen tot registratie van de naam “Podpiwek kujawski” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam “Podpiwek kujawski” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam “Podpiwek kujawski” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.8 (Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 mei 2020.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Janusz WOJCIECHOWSKI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 431 van 23.12.2019, blz. 37.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


BESLUITEN

12.5.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 149/3


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/636 VAN DE COMMISSIE

van 8 mei 2020

tot wijziging van Beschikking 2008/477/EG wat betreft een actualisering van relevante technische voorwaarden voor de 2 500-2 690MHz-frequentieband

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 2831)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (1), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2008/477/EG van de Commissie (2) harmoniseert de technische voorwaarden voor het gebruik van de 2 500-2 690MHz-frequentieband (“2,6GHz-frequentieband”) voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten (ECS’s) kunnen verschaffen in de Unie, voornamelijk ten behoeve van draadlozebreedbanddiensten voor eindgebruikers.

(2)

Volgens artikel 6, lid 3, van Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) moeten de lidstaten ECS-aanbieders ondersteunen bij de regelmatige opwaardering van hun netwerken naar de meest recente en meest efficiënte technologie, zodat ze hun eigen spectrumdividenden kunnen creëren overeenkomstig de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit.

(3)

In de mededeling van de Commissie “Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt — Naar een Europese gigabitmaatschappij” (4) zijn nieuwe connectiviteitsdoelstellingen voor de Unie bepaald die moeten worden bereikt door netwerken met zeer hoge capaciteit op grote schaal uit te rollen en te benutten. In de mededeling van de Commissie “5G voor Europa: een actieplan” (5) is geconstateerd dat daartoe actie op het niveau van de Unie nodig is, onder meer de vaststelling en harmonisatie van 5G-spectrum op basis van het advies van de Beleidsgroep radiospectrum, zodat de doelstelling van ononderbroken 5G-dekking in alle stedelijke gebieden en langs belangrijke transportroutes over land in 2025 kan worden gehaald.

(4)

In zijn twee adviezen over het strategisch stappenplan voor 5G voor Europa (van 16 november 2016 (6) en 30 januari 2019 (7)) heeft de Beleidsgroep radiospectrum geconcludeerd dat erop moet worden toegezien dat de technische en regelgevingsvoorwaarden voor alle reeds geharmoniseerde frequentiebanden voor mobiele netwerken geschikt zijn voor het gebruik van 5G. De 2,6GHz-frequentieband is er daar een van, en wordt momenteel in de Unie voornamelijk gebruikt voor de vierde generatie draadlozebreedbandsystemen (d.w.z. Long Term Evolution, LTE).

(5)

Op 12 juli 2018 heeft de Commissie krachtens artikel 4, lid 2, van Beschikking nr. 676/2002/EG de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT) een mandaat verstrekt voor de evaluatie van de geharmoniseerde technische voorwaarden voor bepaalde geharmoniseerde frequentiebanden in de EU, met inbegrip van de 2,6GHz-frequentieband, en voor de ontwikkeling van zo min mogelijk beperkende, technische voorwaarden die geschikt zijn voor terrestrische draadloze systemen van de volgende generatie (5G).

(6)

Op 5 juli 2019 heeft de CEPT een verslag (CEPT-verslag 72) gepubliceerd waarin onder meer van de geharmoniseerde technische voorwaarden van de EU in de 2,6GHz-frequentieband op basis van het concept van een block edge mask (BEM) een evaluatie wordt gemaakt in het licht van de uitrol van terrestrische draadloze systemen van de volgende generatie (5G) in die band. Het verslag bevat met name geharmoniseerde technische voorwaarden voor zowel niet-actieve antennesystemen (non-AAS) als actieve antennesystemen (AAS), die worden gebruikt in systemen die draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie (wireless broadband electronic communications services, WBB ECS’s) kunnen verschaffen voor gesynchroniseerd en niet-gesynchroniseerd gebruik. Het voorziet tevens in de co-existentie van AAS- en non-AAS-WBB ECS en WBB ECS op basis van Frequency-Division Duplexing (FDD) en Time-Division Duplexing (TDD) binnen de band. Tevens wordt ingegaan op de co-existentie van WBB ECS binnen de band en andere diensten in de aangrenzende frequentiebanden.

(7)

In CEPT-verslag 72 wordt vastgesteld dat er buiten de 2 570-2 620MHz-subband sprake is van een zeer beperkt ongepaard gebruik (hetzij TDD, hetzij Supplemental Downlink, SDL), en wordt benadrukt dat voor een dergelijk gebruik verdere harmonisatie en gecoördineerde tijdschema’s op EU-niveau nodig zijn wegens het risico op interferentie aan de nationale grenzen. De flexibiliteit van ongepaard gebruik buiten die subband, zoals die door de geharmoniseerde kanaalindeling in de EU voor de 2,6GHz-frequentieband wordt geboden, moet worden vermeden om dat risico uit te sluiten. De lidstaten kunnen in de 2 570-2 620MHz-subband gesynchroniseerd, semigesynchroniseerd of niet-gesynchroniseerd TDD-netwerkgebruik kiezen en een efficiënt gebruik van het spectrum waarborgen, rekening houdend met de verslagen 296 (8) en 308 (9) van het Comité voor elektronische communicatie (ECC) over synchronisatie.

(8)

De conclusies van CEPT-verslag 72 moeten door de lidstaten onverwijld in de gehele Unie worden toegepast en uitgevoerd, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dat zal de beschikbaarheid en het gebruik van de 2,6GHz-frequentieband voor de uitrol van 5G bevorderen terwijl tegelijk de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit in acht worden genomen.

(9)

Met de “toewijzing en beschikbaarstelling” van de 2,6GHz-frequentieband in het kader van dit besluit worden de volgende stappen bedoeld: i) het nationale rechtskader voor frequentietoewijzing aanpassen om het beoogde gebruik van deze band onder de in dit besluit vastgestelde geharmoniseerde technische voorwaarden daarin op te nemen; ii) alle nodige maatregelen op touw zetten om co-existentie met het bestaande gebruik in deze band voor zover nodig te garanderen, en iii) de geschikte maatregelen op touw zetten, in voorkomend geval ondersteund door een raadpleging van belanghebbenden, om het gebruik van deze band mogelijk te maken overeenkomstig het toepasselijke rechtskader op het niveau van de Unie, met inbegrip van de geharmoniseerde technische voorwaarden van dit besluit.

(10)

Grensoverschrijdende overeenkomsten tussen de lidstaten onderling en met landen buiten de EU kunnen noodzakelijk zijn om te garanderen dat de lidstaten de bij dit besluit vastgestelde parameters invoeren en aldus schadelijke interferentie vermijden, en de efficiëntie van het spectrum en de convergentie in het gebruik van het spectrum verbeteren.

(11)

Beschikking 2008/477/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Radiospectrumcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2008/477/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.   De lidstaten zorgen voor de toewijzing en de beschikbaarstelling, op niet-exclusieve basis, van de 2 500-2 690MHz-frequentieband aan terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen, in overeenstemming met de in de bijlage bij dit besluit vastgestelde parameters.

2.   Lidstaten die op de datum waarop dit besluit van kracht wordt, buiten de 2 570-2 620MHz-subband Time Division Duplex of “downlink only” toepassen, kunnen krachtens artikel 4, lid 5, van Beschikking nr. 676/2002/EG om een overgangsperiode voor de uitvoering van dit besluit verzoeken.”.

2)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3

De lidstaten brengen uiterlijk op 30 april 2021 bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van dit besluit.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 mei 2020.

Voor de Commissie

Thierry BRETON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(2)  Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmonisering van de 2 500-2 690MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB L 163 van 24.6.2008, blz. 37).

(3)  Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7).

(4)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt — Naar een Europese gigabitmaatschappij (COM(2016) 587 final).

(5)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — 5G voor Europa: een actieplan (COM(2016) 588 final).

(6)  Document RSPG16-032 final van 9 november 2016, “Strategic roadmap towards 5G for Europe: opinion on spectrum-related aspects for next-generation wireless systems (5G)” (eerste 5G-advies van de Beleidsgroep radiospectrum).

(7)  Document RSPG19-007 final van 30 januari 2019, “Strategic spectrum roadmap towards 5G for Europe: opinion on 5G implementation challenges” (derde 5G-advies van de Beleidsgroep radiospectrum).

(8)  ECC-verslag 296 van 8 maart 2019, “National synchronization regulatory framework options in 3 400-3 800 MHz: a toolbox for coexistence of MFCNs in synchronised, unsynchronised and semi-synchronised operation in 3 400-3 800 MHz”.

(9)  ECC-verslag 308 van 6 maart 2020, “Analysis of the suitability and update of the regulatory technical conditions for 5G MFCN and AAS operation in the 2 500-2 690 MHz frequency band”.


BIJLAGE

“BIJLAGE

IN ARTIKEL 2 BEDOELDE PARAMETERS

A.   DEFINITIES

Actieve antennesystemen (AAS): een basisstation en een antennesysteem waarbij de amplitude en/of fase tussen antenneonderdelen voortdurend worden aangepast, zodat een antennepatroon wordt verkregen dat varieert als reactie op kortetermijnveranderingen in de radio-omgeving. Langetermijnbundelvorming, zoals een vaste elektrische downtilt, wordt hierdoor uitgesloten. In AAS-basisstations is het antennesysteem geïntegreerd als onderdeel van het basisstationsysteem of ‐product.

Niet-actieve antennesystemen (non-AAS): een basisstation en een antennesysteem dat voorziet in een of meer antenneaansluitingen die verbonden zijn aan een of meer afzonderlijk ontworpen passieve antenneonderdelen om radiogolven uit te stralen. De amplitude en de fase van de signalen naar de antenneonderdelen worden niet voortdurend aangepast als reactie op kortetermijnveranderingen in de radio-omgeving.

Gesynchroniseerd gebruik: het gebruik van twee of meer verschillende TDD-netwerken (Time Division Duplex) waarbij uplink- en downlink-transmissies niet tegelijk voorkomen, d.w.z. op een bepaald tijdstip verloopt de transmissie in alle netwerken ofwel downlink (DL) ofwel uplink (UL). Daartoe moeten alle DL- en UL-transmissies voor alle betrokken TDD-netwerken op elkaar worden afgestemd en moet het begin van het frame voor alle netwerken gesynchroniseerd worden.

Niet-gesynchroniseerd gebruik: het gebruik van twee of meer verschillende TDD-netwerken waarbij op een bepaald tijdstip de transmissie in minstens één netwerk downlink verloopt terwijl die in minstens één ander netwerk uplink verloopt. Dat kan het geval zijn als de TDD-netwerken niet alle DL- en UL-transmissies op elkaar afstemmen of niet gesynchroniseerd worden aan het begin van een frame.

Semigesynchroniseerd gebruik: het gebruik van twee of meer verschillende TDD-netwerken waarbij een deel van het frame overeenstemt met gesynchroniseerd gebruik en het resterende deel van het frame overeenstemt met niet-gesynchroniseerd gebruik. Daartoe moet een framestructuur voor alle betrokken TDD-netwerken worden vastgesteld, onder meer met slots waarin de UL-/DL-richting niet is gespecificeerd, en moet het begin van het frame voor alle netwerken worden gesynchroniseerd.

Equivalent isotropisch uitgestraald vermogen (equivalent isotropically radiated power, EIRP): het product van het aan de antenne geleverde vermogen en de antenneversterking in een bepaalde richting ten opzichte van een isotrope antenne (absolute of isotrope versterking).

Totaal uitgestraald vermogen (total radiated power, TRP): een maat voor de hoeveelheid vermogen die een samengestelde antenne uitstraalt. Dat komt overeen met de totale input van het geleide vermogen in het antennesysteem minus de eventuele verliezen. TRP is de integraal van het uitgezonden vermogen in verschillende richtingen in de volledige stralingssfeer, zoals aangegeven in de formule:

Image 1

waarbij P(θ,φ) het door een antennesysteem uitgestraald vermogen is in richting (θ,φ) zoals aangegeven door de formule:

Image 2

waarbij PTx het geleide vermogen (gemeten in watt) aangeeft dat in het systeem wordt ingevoerd en g(θ,φ) de richtingsindex van het systeem aangeeft voor de richting (θ, φ).

B.   ALGEMENE PARAMETERS

1)

De omvang van de toegewezen blokken is in veelvouden van 5,0 MHz.

2)

Binnen de 2 500-2 690MHz-frequentieband bedraagt de duplex spacing voor Frequency Division Duplex (FDD)-gebruik 120 MHz met een eindstationtransmissie (uplink) in het onderste gedeelte van de band beginnend bij 2 500 MHz en eindigend bij 2 570 MHz en een basisstationtransmissie (downlink) in het bovenste gedeelte van de band beginnend bij 2 620 MHz en eindigend bij 2 690 MHz.

3)

De 2 570-2 620MHz-subband wordt gebruikt voor Time Division Duplex of voor basisstationtransmissie (downlink-only). Beschermingsbanden aan de 2 570MHz- of de 2 620MHz-grens om de compatibiliteit van het frequentiegebruik te waarborgen, worden op nationaal niveau vastgesteld en bevinden zich binnen de 2 570-2 620MHz-subband.

C.   TECHNISCHE VOORWAARDEN VOOR BASISSTATIONS — BLOCK EDGE MASK

De volgende technische parameters voor basisstations, block edge mask (BEM) genoemd, zijn een wezenlijk onderdeel van de voorwaarden die nodig zijn om te zorgen voor co-existentie tussen aangrenzende netwerken wanneer er geen bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen exploitanten van die aangrenzende netwerken bestaan. Ook minder strikte technische parameters kunnen worden toegepast, indien alle betrokken exploitanten van dergelijke netwerken het daarmee eens zijn, op voorwaarde dat deze exploitanten blijven voldoen aan de technische voorwaarden die van toepassing zijn voor de bescherming van andere diensten, toepassingen of netwerken, en aan de verplichtingen die voortvloeien uit grensoverschrijdende coördinatie.

De BEM bestaat uit verschillende onderdelen zoals vermeld in tabel 1. De grenswaarde voor het in‐blockvermogen wordt toegepast op een blok dat aan een exploitant is toegewezen. De grenswaarde voor het basisvermogen, die bedoeld is om het spectrum van andere exploitanten binnen de 2,6GHz-frequentieband te beschermen, en de grenswaarde voor het vermogen in het overgangsgebied, die progressieve filtering van het vermogen van binnen in het blok tot aan de grenswaarde voor het basisvermogen mogelijk maakt, zijn onderdelen van het out-of-blockvermogen.

De grenswaarden voor het vermogen worden afzonderlijk gegeven voor non-AAS en AAS. Voor non-AAS zijn de vermogensgrenswaarden van toepassing op het gemiddelde EIRP. Voor AAS zijn de vermogensgrenswaarden van toepassing op het gemiddelde TRP (1). Het gemiddelde EIRP of het gemiddelde TRP wordt bepaald door het gemiddelde te nemen over een tijdinterval en over een meetfrequentiebandbreedte. In het tijdsdomein wordt het gemiddelde EIRP of het gemiddelde TRP gemiddeld over de actieve delen van de signaalpieken en correspondeert het met één bepaalde instelling van de vermogensregeling. In het frequentiedomein wordt het gemiddelde EIRP of het gemiddelde TRP bepaald over de in onderstaande tabellen 2 tot en met 8 weergegeven meetfrequentiebandbreedte (2). Doorgaans, en tenzij anders is aangegeven, corresponderen de BEM-vermogensgrenswaarden met het door het betrokken apparaat inclusief alle zendantennes uitgestraalde totale vermogen, behalve in het geval van basiseisen en overgangsbepalingen voor non-AAS-basisstations, die per antenne worden gespecificeerd.

De grenswaarde voor het bijkomend basisvermogen voor FDD AAS-basisstations is een grenswaarde voor out-of-blockvermogen die kan worden toegepast om het noodzakelijke coördinatiegebied met stations voor radioastronomiediensten (RAS) te beperken en de RAS te beschermen in de aangrenzende 2 690-2 700MHz-frequentieband in specifieke geografische gebieden.

Op nationaal niveau geldende maatregelen, zoals vermogensstroomdichtheidsgrenzen (pfd), ter bescherming van de verschillende soorten radars die boven 2 700 MHz werken, zouden van toepassing blijven, al kan het voor exploitanten complexer zijn om aan de pfd-grenswaarde te voldoen aangezien AAS-systemen niet met bijkomende externe filtering kunnen worden uitgerust.

Voor apparatuur die in deze band wordt gebruikt, kunnen ook andere dan de hieronder vermelde EIRP- of TRP- grenswaarden worden vastgesteld, mits passende beperkingstechnieken worden toegepast die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) en ten minste een gelijk niveau van bescherming bieden als de bescherming die door de wezenlijke voorschriften van die richtlijn wordt geboden.

Image 3

Toelichting bij de figuur

De toepasselijke BEM-grenswaarde is altijd die onmiddellijk boven het respectieve nummer (d.w.z. 1 tot en met 5)

Tabel 1

Definitie van BEM-onderdelen

BEM-onderdeel

Definitie

In-block

Verwijst naar een blok waarvoor de BEM wordt afgeleid.

Basisvermogen

Spectrum binnen 2 500-2 690 MHz dat wordt gebruikt voor WBB ECS, met uitzondering van het blok dat aan een exploitant is toegewezen en de bijbehorende overgangsgebieden.

Overgangsgebied

Spectrum van 0 tot 5,0 MHz onder en van 0 tot 5,0 MHz boven het aan de exploitant toegewezen blok. Overgangsgebieden zijn niet van toepassing op aan andere exploitanten toegewezen TDD-blokken, tenzij de netwerken gesynchroniseerd zijn. Overgangsgebieden zijn niet van toepassing onder 2 500 MHz of boven 2 690 MHz.

Bijkomend basisvermogen

Spectrum tussen 2 690 -2 700 MHz.

Voor co-existentie van geografisch aangrenzende netwerken door middel van eveneens aangrenzende frequentiebanden binnen de 2,6GHz-frequentieband kunnen specifieke maatregelen nodig zijn om radio-interferentie te beperken. In het geval van twee aangrenzende niet-gesynchroniseerde TDD-netwerken of van een aan een FDD-netwerk aangrenzend TDD-netwerk moet daarom doorgaans een frequentiescheiding van ten minste 5 MHz worden toegepast. Een dergelijke scheiding moet tot stand worden gebracht door een blok van 5 MHz ongebruikt te laten en als scheidingsband (guard block) te laten fungeren, of door een dergelijk 5MHz-blok te gebruiken onder beperktere BEM-parameters (beperkt spectrumblok). Bij gebruik van een 5MHz-guardblok zou een er hoger risico op interferentie bestaan.

Om co-existentie van aangrenzende FDD- en TDD-netwerken te verwezenlijken, moet het beperkte spectrumblok 2 570-2 575 MHz (tenzij in TDD uplink-only-gebruik in dit blok) worden ingevoerd voor alle aangrenzende configuraties van i) FDD‐AAS naar TDD-non-AAS en ii) FDD-non-AAS naar TDD‐AAS. Bovendien kan bij het frequentieblok 2 615-2 620 MHz, onmiddellijk aangrenzend aan de FDD-downlink, door de emissies van de FDD-downlink een hoger risico op interferentie bestaan.

De BEM voor een spectrumblok dat geen beperkt spectrumblok is, wordt berekend door de tabellen 2, 3 en 4 zo te combineren dat de grenswaarde voor elke frequentie wordt bepaald door de hogere waarde van de grenswaarde voor het basisvermogen en de grenswaarde voor het in‐blockvermogen.

De BEM voor een beperkt spectrumblok wordt berekend door de tabellen 3 en 5 zo te combineren dat de grenswaarde voor elke frequentie wordt bepaald door de hogere waarde van de grenswaarde voor het basisvermogen en de grenswaarde voor het in‐blockvermogen.

Voor basisstations met beperkingen voor plaatsing van antennes, d.w.z. waar antennes van basisstations binnen worden geplaatst of wanneer de antennehoogte onder een bepaalde hoogte is, kan een lidstaat voorts op nationaal niveau alternatieve BEM-vermogensgrenswaarden hanteren. De BEM voor een beperkt spectrumblok voor non-AAS kan in die gevallen in overeenstemming zijn met tabel 6, mits aan de geografische grenzen met andere lidstaten tabel 3 van toepassing is en tabel 5 in het gehele land geldig blijft. In afzonderlijke gevallen kunnen voor AAS met beperkingen voor plaatsing van antennes alternatieve nationale maatregelen ten opzichte van tabel 3 of tabel 5 nodig zijn.

Tabel 2

Grenswaarde voor het in‐blockvermogen voor non-AAS- en AAS-basisstations

BEM-onderdeel

EIRP-grenswaarde voor non-AAS

TRP-grenswaarde voor AAS

In-block

Niet verplicht.

Ingeval door een lidstaat een bovengrens wordt vastgesteld, mag een waarde tussen 61 dBm/5 MHz en 68 dBm/5 MHz per antenne worden toegepast.

Niet verplicht.

Ingeval door een lidstaat een bovengrens wordt vastgesteld, mag een waarde tussen 53 dBm/5 MHz en 60 dBm/5 MHz per cel  (*1) worden toegepast.


Tabel 3

Grenswaarde voor het basisvermogen voor non-AAS- en AAS-basisstations

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Maximale gemiddelde EIRP-grenswaarde voor non-AAS per antenne

Maximale gemiddelde TRP-grenswaarde voor AAS per cel  (*2)

Basisvermogen

FDD-downlink;

met het desbetreffende TDD-blok gesynchroniseerde TDD-blokken;

TDD-blokken gebruikt voor downlink-only  (*3);

bereik tussen 2 615-2 620 MHz.

+ 4 dBm/MHz

+ 5 dBm/MHz  (*4)

Frequenties in de 2 500-2 690MHz-frequentieband die niet onder de definitie van bovenstaande rij vallen.

– 45 dBm/MHz

– 52 dBm/MHz

Toelichting bij tabel 3

Zowel de EIRP- als de TRP-grenswaarden worden geïntegreerd over een bandbreedte van 1 MHz.

Tabel 4

Grenswaarde voor het vermogen in het overgangsgebied voor non-AAS- en AAS-basisstations

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Maximale gemiddelde EIRP-grenswaarde voor non-AAS per antenne

Maximale gemiddelde TRP-grenswaarde voor AAS per cel  (*5)

Overgangsgebied

–5,0 tot 0 MHz verschuiving van onderste block edge, of 0 tot +5,0 MHz verschuiving van bovenste block edge

+ 16 dBm/5 MHz  (*6)

+ 16 dBm/5 MHz (*6)


Tabel 5

Grenswaarde voor het in-blockvermogen voor non-AAS- en AAS-basisstations voor beperkt blok

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

EIRP-grenswaarde voor non-AAS per antenne

TRP-grenswaarde voor AAS per cel  (*7)

In-block

Spectrum voor beperkt blok

+ 25 dBm/5 MHz

+ 22 dBm/5 MHz  (*8)


Tabel 6

Vermogensgrenswaarden voor een beperkt blok voor non-AAS-basisstations met aanvullende beperkingen voor plaatsing van antennes

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Maximale gemiddelde EIRP-grenswaarde

Basisvermogen

Onderste rand van de frequentieband van 2 500 MHz tot –5,0 MHz verschuiving van onderste block edge, of +5,0 MHz verschuiving van bovenste block edge naar bovenste rand van de frequentieband van 2 690 MHz

– 22 dBm/MHz

Overgangsgebied

–5,0 tot 0 MHz verschuiving van onderste block edge, of 0 MHz tot +5,0 MHz verschuiving van bovenste block edge

– 6 dBm/5 MHz


Tabel 7

Grenswaarde voor het bijkomend basisvermogen voor FDD AAS-basisstations met betrekking tot radioastronomiedienst

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Geval

TRP-grenswaarde per cel

Bijkomend basisvermogen

2 690-2 700 MHz

A

+ 3 dBm/10 MHz

B

Niet van toepassing

Geval A:

Deze grenswaarde resulteert in een beperkt coördinatiegebied met betrekking tot RAS-stations.

Geval B:

Voor situaties waarin de betrokken lidstaat geen bijkomend basisvermogen nodig acht (bijv. wanneer er geen nabijgelegen RAS-station is of wanneer geen coördinatiegebied nodig is).

Toelichting bij tabel 7

Deze vermogensgrenswaarden kunnen worden toegepast om in specifieke geografische gebieden het coördinatiegebied met RAS in omvang te beperken. Naargelang van de omvang van het coördinatiegebied dat nodig is om een of meer RAS-stations te beschermen, kan ook grensoverschrijdende coördinatie nodig zijn. Mogelijk zijn er op nationaal niveau aanvullende maatregelen nodig om RAS-stations te beschermen.

D.   TECHNISCHE VOORWAARDEN VOOR EINDSTATIONS

Tabel 8

Grenswaarden voor het in‐blockvermogen voor eindstations

BEM-onderdeel

Maximale gemiddelde EIRP-grenswaarde (incl. Automatic Transmitter Power Control-bereik)

Maximale gemiddelde TRP-grenswaarde (incl. Automatic Transmitter Power Control-bereik)

In-block

+ 35 dBm/5 MHz

+ 31 dBm/5 MHz

Opmerking:

EIRP moet worden gebruikt voor vaste of geïnstalleerde eindstations en TRP voor mobiele of nomadische eindstations.


(1)  TRP is een maat voor de hoeveelheid vermogen die de antenne daadwerkelijk uitstraalt. EIRP en TRP zijn equivalent voor isotrope antennes.

(2)  De werkelijke meetbandbreedte van de meetapparatuur die wordt gebruikt om na te gaan of er wordt voldaan aan de eisen kan smaller zijn dan de meetbandbreedte in die tabellen.

(3)  Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62).

(*1)  In een basisstation met meerdere sectoren geldt de grenswaarde voor het uitgestraalde vermogen voor elk van de afzonderlijke sectoren.

(*2)  In een basisstation met meerdere sectoren geldt de grenswaarde voor het uitgestraalde vermogen voor elk van de afzonderlijke sectoren.

(*3)  De invoering van FDD AAS heeft geen gevolgen voor de voorwaarde voor non-AAS/AAS om downlink-only toe te passen.

(*4)  Bij toepassing ter bescherming van spectrum dat voor downlinktransmissies wordt gebruikt, is deze grenswaarde voor het basisvermogen gebaseerd op de aanname dat de emissies afkomstig zijn van een macrobasisstation. Draadloze toegangspunten met klein bereik (kleine cellen) kunnen echter worden ingezet op lagere hoogte en dus dichter bij eindstations, wat tot meer interferentie kan leiden indien de bovenstaande vermogensgrenswaarden worden gebruikt.

(*5)  In een basisstation met meerdere sectoren geldt de grenswaarde voor het uitgestraalde vermogen voor elk van de afzonderlijke sectoren.

(*6)  Deze grenswaarde is gebaseerd op de aanname dat de emissies afkomstig zijn van een macrobasisstation. Draadloze toegangspunten met een klein bereik (kleine cellen) kunnen echter worden ingezet op lagere hoogte en dus dichter bij eindstations, wat tot meer interferentie kan leiden indien deze vermogensgrenswaarde wordt gebruikt. Voor dergelijke gevallen kunnen de lidstaten op nationaal niveau een lagere grenswaarde vaststellen.

(*7)  In een basisstation met meerdere sectoren geldt de grenswaarde voor het uitgestraalde vermogen voor elk van de afzonderlijke sectoren.

(*8)  In sommige uitrolscenario’s is het mogelijk dat deze grenswaarde geen interferentievrij uplink-gebruik in aangrenzende kanalen garandeert, wat echter doorgaans door verlies van bereik in gebouwen en/of verschil in antennehoogte wordt beperkt. Op nationaal niveau kunnen tevens andere beperkingsmethoden worden vastgesteld.


12.5.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 149/12


BESLUIT (EU) 2020/637 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 27 april 2020

betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items (ECB/2020/24)

(herschikking)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 128, lid 1,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 12.1, artikel 16 en artikel 34.3,

Gezien Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (1), en met name artikel 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit ECB/2013/54 (2) is verscheidene malen aanzienlijk gewijzigd (3). Aangezien verdere wijzigingen moeten worden doorgevoerd, dient Richtsnoer ECB/2013/54 ter wille van de duidelijkheid te worden herschikt.

(2)

Gelet op de ervaring die de Europese Centrale Bank (ECB) heeft opgedaan met de toepassing van Besluit ECB/2013/54, moet het accreditatiesysteem worden vereenvoudigd door de voorlopige accreditatiebeoordelingsfase af te schaffen en een beoordelingsprocedure in één fase in te voeren.

(3)

De ECB hecht het grootste belang aan een ethische bedrijfsvoering door geaccrediteerde producenten en hun controlerende entiteiten, welke allen hun bedrijfsactiviteiten volgens de hoogste normen van beroepsethiek moeten verrichten. Ethische bedrijfsvoering moet dan ook deel uitmaken van de accreditatievereisten, naast de vereisten inzake beveiliging, kwaliteit, milieu en gezondheid en veiligheid.

(4)

Beveiligingsvereisten maken ook deel uit van de accreditatievereisten. Ter wille van de rechtszekerheid en duidelijkheid moeten de inspecties en de specifieke nationale veiligheidscontroles van de centrale banken met betrekking tot beveiligingsvereisten worden geïntegreerd in een afzonderlijk besluit en niet langer deel uitmaken van dit besluit.

(5)

Milieu-, gezondheids- en veiligheidsvereisten maken eveneens deel uit van de accreditatievereisten. Ter wille van de rechtszekerheid en duidelijkheid moet de aan geaccrediteerde drukkerijen opgelegde verplichting om de analyse van chemische stoffen en elementen van afgewerkte eurobankbiljetten uit te voeren en de resultaten aan de ECB te rapporteren, in een afzonderlijk besluit worden opgenomen en dient die niet langer deel uit te maken van dit besluit.

(6)

Besluit ECB/2013/54 moet derhalve worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen. Met het oog op een soepele overgang van de vroegere accreditatieprocedures naar de procedures in dit besluit moet een overgangsperiode van twaalf maanden worden gehanteerd. Met betrekking tot de nieuwe bepalingen inzake ethische bedrijfsvoering moet een overgangsperiode van dertig maanden worden ingesteld. Hierdoor kunnen geaccrediteerde producenten alle noodzakelijke maatregelen nemen om te voldoen aan de relevante accreditatievereisten en verplichtingen uit hoofde van dit besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1.

“prepresswerkzaamheden”: de omzetting van het basisontwerp van de eurobankbiljetten in lay-outs, kleurenscheiding, lijnwerk en drukplaten en de voorbereiding van lay-outs en prototypes voor in dat basisontwerp voorgestelde componenten;

2.

“producent”: een juridische entiteit die de mogelijkheid heeft om activiteiten in het kader van een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit uit te voeren, met uitzondering van juridische entiteiten die alleen betrokken zijn bij het vervoer of de vernietiging van beveiligde euro-items;

3.

“beveiligde euro-itemactiviteit”: de prepresswerkzaamheden, productie, verwerking, vernietiging, opslag, analyse, interne verplaatsing van beveiligde euro-items binnen de productielocatie of vervoer van beveiligde euro-items;

4.

“euro-itemactiviteit”: de productie van euro-items;

5.

“productielocatie”: gebouwen die door de producent worden gebruikt of kunnen worden gebruikt voor het verrichten van een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit;

6.

“beveiligd euro-item”: a) een afgewerkt eurobankbiljet; b) een gedeeltelijk gedrukt eurobankbiljet; c) afgewerkt eurobankbiljettenpapier; d) gedeeltelijk afgewerkt eurobankbiljettenpapier; e) een veiligheidsinkt voor de productie van eurobankbiljetten en eurobankbiljettenpapier; f) draad en folie voor de productie van eurobankbiljettenpapier; g) een veiligheidspigment; h) een veiligheidssensor; i) een eurobankbiljet ontwikkeld om in omloop zijnde of uit de omloop genomen eurobankbiljetten te vervangen; j) een component of daarmee verband houdende informatie, zoals specifiek door de ECB bepaald, waarvoor beveiligingsbescherming is vereist omdat verlies, diefstal of ongeoorloofde publicatie ervan de integriteit van eurobankbiljetten als betaalmiddel zou kunnen schaden;

7.

“euro-item”: a) een afgewerkt eurobankbiljet; b) een gedeeltelijk gedrukt eurobankbiljet; c) afgewerkt eurobankbiljettenpapier; d) gedeeltelijk afgewerkt eurobankbiljettenpapier; e) een inkt voor de productie van eurobankbiljetten of eurobankbiljettenpapier; f) draad en folie voor de productie van eurobankbiljettenpapier;

8.

“accreditatie”: de middels een ECB-besluit verleende toestemming aan de producent voor het uitvoeren van een beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit op een specifieke productielocatie;

9.

“geaccrediteerde producent”: een producent aan wie uit hoofde van dit besluit accreditatie is verleend;

10.

“nationale centrale bank” (NCB): de nationale centrale bank van een lidstaat die de euro als munt heeft;

11.

“verantwoordelijke nationale centrale bank (NCB)”: een NCB die een opdracht voor de productie van eurobankbiljetten heeft geplaatst;

12.

“accreditatievereiste”: alle vereisten inzake beveiliging, kwaliteit, milieu, gezondheid en veiligheid, ethische of vestigingsvereisten en andere verplichtingen, als bedoeld in dit besluit of in enig ander aanverwant juridisch instrument, de naleving waarvan de ECB van een producent vereist voor de uitvoering van een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit;

13.

“ECB-vertrouwelijke informatie”: alle accreditatievereisten, alle daarmee verband houdende gegevens, ongeacht het opslagmedium ervan, of alle informatie bestaande uit eigendomsrechten van technische en/of bedrijfsinformatie en die als “ECB-vertrouwelijk” is gerubriceerd;

14.

“accreditatieprocedure”: een procedure waarin de naleving van de in dit besluit vervatte accreditatievereisten door de producent wordt beoordeeld, die wordt gevolgd wanneer de producenten om accreditatie verzoeken en terwijl ze geaccrediteerd worden, en die kan leiden tot sancties, met inbegrip van financiële sancties, indien niet aan deze vereisten wordt voldaan;

15.

“ethisch vereiste”: een in artikel 4 van dit besluit vervatte verplichting;

16.

“locatievereiste”: een in artikel 3, lid 1, onder c), van dit besluit vervatte verplichting;

17.

“certificering”: een door een onafhankelijke certificeringsinstantie afgegeven document dat is geaccrediteerd door een nationale accreditatie-autoriteit, waarvan de certificeringen zijn erkend in de lidstaat waar de producent is gevestigd;

18.

“beheerssysteem”: een door een producent opgesteld kader van gedragslijnen, processen en procedures om te verzekeren dat de producent aan de accreditatievereisten voldoet;

19.

“maatregel”: een door een producent uitgevoerde handeling om aan de accreditatievereisten te voldoen;

20.

“ECB-bankbiljettenextranet”: een door de ECB opgezet en beheerd IT-systeem voor het verstrekken van informatie over de accreditatievereisten dat toegankelijk is voor geaccrediteerde producenten;

21.

“vernietiging”: een handeling of proces om een beveiligd euro-item ongeschikt te maken voor praktisch gebruik door vervalsers;

22.

“controlerende entiteit”: een van de administratieve, beheers- of toezichthoudende organen van de producent of een rechtspersoon in de zin van artikel 5, lid 4, van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad (4), die de producent vertegenwoordigen kan, besluiten kan nemen namens of zeggenschap kan uitoefenen over de producent;

23.

“criminele organisatie”: een criminele organisatie in de zin van artikel 1, punt 1, van Kaderbesluit 2008/841/JBZ;

24.

“actieve en passieve corruptie”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad (5);

25.

“fraude”: a) het gebruiken of overleggen van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten, met als gevolg dat middelen wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden, met hetzelfde gevolg het in strijd met een specifieke verplichting achterhouden van informatie en het misbruiken van middelen door ze voor andere doeleinden aan te wenden dan waarvoor ze oorspronkelijk zijn toegekend; b) wat de ontvangsten betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten met betrekking tot het gebruiken of overleggen van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten, met als gevolg dat middelen op wederrechtelijke wijze worden verminderd, met hetzelfde gevolg het in strijd met een specifieke verplichting achterhouden van informatie, met hetzelfde gevolg het misbruik maken van een rechtmatig verkregen voordeel;

26.

“terroristisch misdrijf”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad (6);

27.

“witwassen”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (7);

28.

“mensenhandel”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (8),

29.

“productie van inkt”: de bereiding van inkt die, door vermenging en het fijnmalen van grondstoffen en/of basisinkt, klaar zijn voor gebruik bij het drukken van eurobankbiljetten. Dit preparaat omvat niet de toevoeging van specifieke bestanddelen aan een inkt door printers of producenten van eurobankbiljetten, wanneer deze bestanddelen minder dan 12 % van het gewicht van de oorspronkelijke inkt uitmaken en enkel dienen om de uitharding van de inkt volgens een vooraf vastgestelde formule mogelijk te maken, de reologie of de schaduw van de inkt aan te passen of de droging te verbeteren.

30.

“identificatiecode voor juridische entiteiten” (legal entity identifier — LEI): een aan een juridische entiteit toegewezen alfanumerieke referentiecode overeenkomstig de ISO-17442-norm;

31.

“onafhankelijke auditor”: de relevante interne afdeling van een NCB of een erkende instantie die onafhankelijk is van de producent en bevoegd is om te beoordelen en te verklaren dat het bedrijfsnalevingsprogramma van een producent in overeenstemming is met de beginselen, regels en procedures inzake ethische bedrijfsvoering;

32.

“inspectie”: een procedure gericht op de beoordeling van de naleving door de producent van de accreditatievereisten, in de vorm van inspecties ter plaatse of off-site-inspecties, afgerond met een inspectieverslag met betrekking tot de uitkomst van deze beoordeling;

33.

“inspectie ter plaatse”: een door de ECB op een productielocatie uitgevoerde inspectie;

34.

“off-site-inspectie”: een door de ECB buiten de betrokken productielocatie uitgevoerde inspectie waarbij de bij een producent opgevraagde documentatie wordt beoordeeld;

35.

“werkdag”: elke dag, met uitzondering van zaterdag en zondag, evenals elke officiële ECB-feestdag, zoals gepubliceerd op de ECB-website;

36.

“ernstig geval van niet-naleving”:

a)

een geval van niet-naleving dat een onmiddellijke, ernstige en negatieve impact had, of kan hebben gehad, of heeft of kan hebben op de naleving door de geaccrediteerde producenten van de accreditatievereisten voor een euro-itemactiviteit of een beveiligde euro-itemactiviteit;

b)

meerdere gevallen van niet-naleving die op zichzelf niet als ernstig worden beschouwd, maar die door het gelijktijdig of herhaaldelijk voorkomen in een specifiek proces, in onmiddellijke, ernstige en negatieve impact hebben of hebben gehad.

Artikel 2

Accreditatiebeginselen

1.   Een producent mag alleen een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit op een productielocatie uitvoeren waarvoor de ECB overeenkomstig artikel 7 een accreditatie heeft verleend.

2.   Een geaccrediteerde producent mag alleen beveiligde euro-items of euro-items produceren of leveren indien hij daartoe door de ECB gemachtigd is of om een opdracht te verrichten die geplaatst is door:

a)

een andere geaccrediteerde producent die de beveiligde euro-items of de euro-items nodig heeft voor zijn eigen beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit;

b)

een verantwoordelijke NCB;

c)

onder voorbehoud van een besluit door de Raad van bestuur, een toekomstige NCB van het Eurosysteem;

d)

de ECB.

3.   Een geaccrediteerde producent kan een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit op een andere productielocatie uitvoeren, behoudens voorafgaande beoordeling door de ECB van de naleving door de geaccrediteerde producent van alle accreditatievereisten op de andere productielocatie en de toekenning door de ECB van een accreditatie aan de producent voor de aangevraagde beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit op de andere productielocatie.

4.   Bij de beoordeling van verzoeken om accreditatie van producenten of bij de beoordeling van de naleving door de producent van de accreditatievereisten neemt de ECB de beginselen van gelijke behandeling en transparantie in acht. In het bijzonder leidt de beoordeling van de ECB niet tot een preferentiële behandeling of tot een concurrentievoordeel voor een producent.

5.   De ECB stelt de geaccrediteerde producenten via het ECB-bankbiljettenextranet in kennis van alle actualiseringen van de accreditatievereisten met betrekking tot de beveiligde euro-itemactiviteiten of de euro-itemactiviteit waarvoor aan hen een accreditatie is verleend.

6.   Geaccrediteerde producenten behandelen ECB-vertrouwelijke informatie overeenkomstig de vertrouwelijkheidsregeling van de ECB, die beschikbaar is op het ECB-bankbiljettenextranet.

7.   De ECB mag alle informatie die zij van geaccrediteerde producenten heeft ontvangen, delen met de NCB’s.

8.   Alleen geaccrediteerde producenten komen in aanmerking voor deelname aan beveiligde euro-items of euro-items.

9.   Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de ECB dragen geaccrediteerde producenten hun accreditatie niet over aan of wijzen deze niet toe aan hun dochterondernemingen, een geassocieerde onderneming of een derde.

10.   Alle accreditatieprocedures worden in de Engelse taal uitgevoerd, tenzij uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot de procedure of het onderwerp van de opdracht het gebruik van een andere taal noodzaken.

11.   Producenten dragen de kosten en bijbehorende verliezen die verband houden met de toepassing van dit besluit.

Artikel 3

Accreditatievereisten

1.   Een geaccrediteerde producent voldoet aan alle van de volgende accreditatievereisten:

a)

de vereisten met betrekking tot de beveiliging, de kwaliteit, het milieu, de gezondheid en veiligheid, die in dit besluit of een ander juridisch instrument zijn vervat, de naleving waarvan de ECB van een producent vereist om beveiligde euroactiviteit of een euro-itemactiviteit te kunnen uitvoeren;

b)

de in artikel 4 neergelegde ethische vereisten;

c)

de volgende locatievereisten:

i)

indien de producent geen drukkerij is, bevindt de productielocatie zich in een lidstaat van de Unie of in een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), of

ii)

indien de producent een drukkerij is, bevindt de productielocatie zich in een lidstaat van de Unie;

d)

het bezit van een certificaat waarin staat dat op de desbetreffende productielocatie voor de betrokken beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit de beheersystemen voldoen aan de eisen van de volgende normen:

i)

de norm ISO 9001;

ii)

de norm ISO 14001;

iii)

de norm ISO 45001 of, tot en met 11 maart 2021, de “Occupational Health and Safety Assessment Series” (OHSAS) 18001, en daarna alleen de norm ISO 45001.

2.   Producenten mogen strengere eisen vaststellen en toepassen met betrekking tot de vereisten van lid 1, onder a) en b).

3.   Indien een producent voldoet aan de locatievereisten van lid 1, onder c, maar zijn activiteiten worden gecontroleerd door een buiten een lidstaat van de Unie of de EVA gevestigde juridische entiteit, houdt de ECB, wanneer zij overweegt het verzoek om accreditatie uit hoofde van artikel 6 te verwerpen of om de schriftelijke toestemming uit hoofde van artikel 9, lid 7, onder b), te verlenen om de integriteit van eurobankbiljetten te beschermen, naar behoren rekening met alle volgende elementen:

a)

een besluit of voorschrift van de Raad van de Europese Unie betreffende economische sancties op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat reeds van toepassing is of dat de Raad voornemens is vast te stellen;

b)

een verplichting voor de lidstaten en de daaruit voortvloeiende bepalingen of maatregelen of verplichtingen die in rechtstreeks toepasselijke rechtshandelingen van de Unie zijn neergelegd om economische sancties op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ten uitvoer te leggen;

c)

een internationale overeenkomst en alle daaruit voortvloeiende/afgeleide maatregelen of maatregelen of verplichtingen die zijn goedgekeurd door de wetgevende organen van de Unie of door alle lidstaten die de euro als munt hebben.

4.   De ECB kan, wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, vrijstelling verlenen van de vereisten van lid 1, onder c).

Artikel 4

Ethische vereisten

1.   Een geaccrediteerde producent of een van zijn controlerende entiteiten mag ten hoogste vijf jaar voorafgaand aan de datum van zijn verzoek om accreditatie niet bij onherroepelijk vonnis veroordeeld zijn voor het begaan van een of meer van de volgende feiten:

a)

deelname aan een criminele organisatie;

b)

actieve en passieve corruptie;

c)

fraude;

d)

terroristische misdrijven;

e)

witwassen;

f)

mensenhandel;

g)

enig andere onwettige activiteit de schadelijk is voor de financiële belangen van de Unie, de ECB of de NCB’s.

2.   Met het oog op accreditatie mag een geaccrediteerde producent of een van zijn controlerende entiteiten:

a)

niet in strijd handelen met de verplichting tot betaling van socialezekerheidsbijdragen of belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waarin hij is gevestigd of waarin de beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit worden verricht;

b)

niet in staat van faillissement verkeren of het voorwerp zijn van een insolventie- of liquidatieprocedure, activa hebben die door een curator of door de rechtbank worden beheerd, een regeling met schuldeisers hebben getroffen, bedrijfsactiviteiten hebben opgeschort of in een soortgelijke situatie verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van nationale wet- en regelgeving;

c)

geen ernstige fout hebben begaan in de bedrijfsuitoefening waardoor de integriteit in twijfel wordt getrokken;

d)

geen overeenkomsten met andere producenten sluiten met als doel de mededinging te vervalsen;

e)

niet het voorwerp zijn van een belangenconflict dat niet met minder vergaande maatregelen kan worden gecorrigeerd;

f)

geen werkzaamheden verrichten die de integriteit of de standing van eurobankbiljetten als betaalmiddel kunnen schaden.

3.   Een geaccrediteerde producent moet beschikken over een volledig uitgevoerd en operationeel bedrijfsnalevingsprogramma dat juiste en adequate normen bevat die moeten worden nageleefd om te voorkomen dat hij en zijn controlerende entiteit betrokken raken bij de in de leden 1 en 2 genoemde situaties of activiteiten. Het bedrijfsnalevingsprogramma neemt ten minste de beginselen, regels en procedures in acht die zijn beschreven in:

a)

artikel 10 van de regels van de Internationale Kamer van Koophandel inzake de bestrijding van corruptie (International Chamber of Commerce Rules on Combating Corruption) (9);

b)

het Banknote Ethics Initiative (10);

c)

de norm ISO 37001;

d)

andere gelijkwaardige programma’s.

DEEL II

ACCREDITATIEPROCEDURE

Artikel 5

Accreditatieverzoek

1.   Een producent die voor het uitoefenen van een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit op een specifieke productielocatie geaccrediteerd wenst te worden, dient bij de ECB een schriftelijk verzoek in om de accreditatieprocedure te initiëren. Dit geldt ook voor producenten die betrokken zijn bij de productie van inkt als omschreven in artikel 1, punt 29.

2.   Het schriftelijk verzoek om accreditatie omvat het volgende:

a)

een beschrijving van de beveiligde euro-itemactiviteit en de beveiligde euro-items of de euro-itemactiviteit en de euro-items;

b)

de naam van de producent en, indien van toepassing, de juridische entiteit die namens de producent en zijn LEI, indien beschikbaar, om accreditatie verzoekt;

c)

de exacte locatie en het adres van de productielocatie waar de producent voornemens is de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit uit te oefenen;

d)

een schriftelijke, door de wettelijke vertegenwoordigers van de producent ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de producent vertrouwelijk omgaat met zijn accreditatievereisten;

e)

een beschrijving van de bedrijfsvoering van de producent waarin de controlerende entiteiten en hun locatie zijn opgenomen;

f)

een schriftelijke, door de wettelijke vertegenwoordigers van de producent ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de producent voldoet aan alle voorschriften van de artikelen 3 en 4 van dit besluit en hij geen inbreuk pleegt op de in deze artikelen genoemde voorschriften;

g)

een schriftelijke, door een onafhankelijke auditor ondertekende verklaring waarin wordt bevestigd dat de producent voldoet aan de ethische vereisten van artikel 4;

h)

kopieën van de in artikel 3, lid 1, onder d), bedoelde certificaten;

i)

een beschrijving van de dochter- en geassocieerde ondernemingen van de producent die hij voornemens is te betrekken bij de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit;

j)

een beschrijving van de derden, met inbegrip van eventuele dochter- of geassocieerde ondernemingen van de producent, aan wie de producent voornemens is uit te besteden of die de producent wenst te betrekken bij de uitvoering van de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit;

k)

een samenvatting van de beweegredenen van de producent voor het verzoek om accreditatie en de potentiële voordelen voor het Eurosysteem indien de accreditatie zou worden verleend.

3.   Een geaccrediteerde producent die om accreditatie verzoekt voor andere beveiligde euro-itemactiviteiten of euro-itemactiviteiten, dient een schriftelijk verzoek in bij de ECB. De ECB informeert de geaccrediteerde producent over de in lid 2 vermelde specifieke documentatie die voor elk afzonderlijk geval wordt ingediend.

Artikel 6

Beoordeling van de naleving van de accreditatievereisten

1.   De ECB kan een verzoek om accreditatie afwijzen voordat de naleving van de accreditatievereisten door een producent overeenkomstig dit artikel wordt beoordeeld, indien de ECB vaststelt dat de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit waarvoor om accreditatie is verzocht, negatieve impact zou hebben op de integriteit en de toeleveringsketen van eurobankbiljetten.

2.   De ECB beoordeelt of een producent voldoet aan de vereisten van artikel 3, lid 1, onder b) tot en met d), en artikel 3, lid 3, in het licht van de overeenkomstig artikel 5 van dit besluit verstrekte documentatie.

3.   In uitzonderlijke gevallen kan de ECB een vrijstelling verlenen van de verplichting om aan de vereisten van artikel 4 te voldoen, indien zij vaststelt dat de niet-naleving door een producent geen significante impact heeft op de naleving van de accreditatievereisten door de producent of de integriteit van eurobankbiljetten of de reputatie van de ECB.

4.   Indien een producent voldoet aan de vereisten van artikel 3, lid 1, onder c) en d), en artikel 4, of aan de producent krachtens artikel 3, lid 4, een vrijstelling is verleend van de vereisten van artikel 3, lid 1, onder c), verstrekt de ECB de producent documentatie waarin de accreditatievereisten van artikel 3, lid 1, onder a), zijn opgenomen. De ECB verstrekt de producent ook vragenlijsten die de producent moet invullen, met vermelding van de wijze waarop aan de accreditatievereisten wordt voldaan. De vragenlijsten worden door de producent ingevuld en binnen een redelijke, door de ECB vastgestelde tijdlimiet ingediend. De producent geeft aan hoe de door hem genomen de maatregelen voldoen aan de relevante accreditatievereisten en maakt uitdrukkelijk melding van eventuele beperkingen die de naleving van de accreditatievereisten zou beletten, met name eventuele nationale wetgeving betreffende het gebruik van gespecialiseerde vernietigingsinstallaties indien het niet mogelijk is om deze faciliteiten op de productielocatie ter beschikking te stellen.

5.   In het kader van de beoordeling van de naleving door de producent van de relevante accreditatievereisten overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), controleert de ECB eerst of de producent voldoet aan alle beveiligingsvereisten die in een afzonderlijk besluit zijn vervat. Zodra de naleving door de producent van de accreditatievereisten is geverifieerd, gaat de ECB na of de producent voldoet aan de andere overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), vastgestelde accreditatievereisten. Alle beoordelingen kunnen de vorm aannemen van inspecties ter plaatse of off-site-inspecties overeenkomstig artikel 11.

6.   Indien nodig kan de ECB de producent verzoeken om binnen een door de ECB vastgestelde redelijke termijn de volgende documentatie en informatie in te dienen, te verduidelijken of vervolledigen:

a)

documentatie die overeenkomstig artikel 5 moet worden ingediend;

b)

documentatie die overeenkomstig lid 4 moet worden ingevuld;

c)

informatie die overeenkomstig lid 5 moet worden ingediend;

7.   De ECB verwerpt een verzoek om accreditatie dat onvolledig of onjuist is of dat niet binnen de termijn is ingediend naar aanleiding van het verzoek van de ECB uit hoofde van lid 6 om aanvullende informatie, verduidelijking of vervollediging. De ECB wijst tevens een verzoek om accreditatie af indien het verzoek en de te verstrekken documentatie volledig zijn, maar daaruit blijkt dat de producent niet aan de accreditatievereisten van de artikelen 3 en 4 voldoet.

Artikel 7

Accreditatieverlening

1.   De ECB kan aan een producent een accreditatie verlenen voor de gewenste beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit op een productielocatie indien die producent met succes heeft aangetoond dat hij voldoet aan de accreditatievereisten van de artikelen 3 en 4, of indien de ECB een vrijstelling overeenkomstig artikel 6, lid 3, verleent.

2.   De ECB verleent een accreditatie in de vorm van een besluit waarin de juridische entiteit, de productielocatie en beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit waarvoor de accreditatie is verleend, worden gespecificeerd.

3.   Na kennisgeving van de accreditatie informeert de geaccrediteerde producent de ECB tijdig vóór de aanvangsdatum van de betrokken beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit, zodat de ECB tijdens een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit de betrokken inspecties kan verrichten.

Artikel 8

ECB-accreditatieregister

1.   De ECB houdt een accreditatieregister bij, dat via het ECB-bankbiljettenextranet ter beschikking wordt gesteld aan de NCB’s en de toekomstige NCB’s van het Eurosysteem en aan geaccrediteerde producenten. Het accreditatieregister bevat alle volgende elementen:

a)

een lijst van alle producenten aan wie een accreditatie is verleend;

b)

voor elke geaccrediteerde producent:

i)

een vermelding van de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit of de activiteiten waarvoor een accreditatie is verleend;

ii)

de productielocatie voor de beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit of de activiteiten waarvoor een accreditatie is verleend;

iii)

informatie over de beveiligde euro-items of euro-items die op elke productielocatie zijn geproduceerd.

2.   De ECB actualiseert regelmatig het accreditatieregister met de accreditatiestatus van geaccrediteerde producenten, alsook met de informatie die door de geaccrediteerde producenten uit hoofde van dit besluit wordt verstrekt. Met het oog op de regelmatige bijwerking van het accreditatieregister kan de ECB bij de geaccrediteerde producenten, de NCB’s en toekomstige Eurosysteem-NCB’s nadere relevante informatie opvragen die zij noodzakelijk acht voor het behoud van de accuraatheid en juistheid van de informatie in het accreditatieregister.

3.   Indien de ECB overeenkomstig artikel 17 een opschortingsbesluit neemt nadat zij de geaccrediteerde producent van dit besluit in kennis heeft gesteld, registreert zij onverwijld de volgende informatie in het accreditatieregister:

a)

de reikwijdte en de duur van de opschorting;

b)

alle veranderingen die de status van de producent betreffen met betrekking tot:

i)

diens naam;

ii)

de getroffen productielocatie;

iii)

het beveiligde euro-item of het euro-item en de beveiligde euro-itemactiviteit of euro-itemactiviteit die zijn opgeschort in overeenstemming met de bevindingen van het opschortingsbesluit.

4.   Indien de ECB overeenkomstig artikel 18 een intrekkingsbesluit neemt nadat zij de geaccrediteerde producent van dit besluit in kennis heeft gesteld, verwijdert zij de volgende informatie onverwijld uit het accreditatieregister in overeenstemming met de bevindingen van het intrekkingsbesluit:

a)

de naam van de geaccrediteerde producent;

b)

de productielocatie;

c)

het beveiligde euro-item of de beveiligde euro-itemactiviteit;

d)

het euro-item of de euro-itemactiviteit.

5.   Een geaccrediteerde producent informeert de ECB indien de informatie die in het accreditatieregister over de geaccrediteerde producent is opgenomen, onvolledig of onjuist is. Indien de ECB vaststelt dat die informatie onvolledig of onjuist is, wijzigt de ECB het accreditatieregister.

Artikel 9

Verplichtingen van geaccrediteerde producenten om hun accreditatie te behouden

Een geaccrediteerde producent voldoet aan de volgende verplichtingen om zijn accreditatie voor de betrokken productielocatie te handhaven:

1)

de vertrouwelijkheid van de accreditatievereisten behouden en de vertrouwelijkheidsclassificatie van alle in ECB-bankbiljettenextranet verstrekte documenten respecteren;

2)

de ECB schriftelijk in kennis stellen van elke verlenging of wijziging van een van de in artikel 3, lid 1, onder d), bedoelde certificaten, waarbij telkens binnen drie maanden na de datum van de verlenging of wijziging een afschrift van het nieuwe of gewijzigde certificaat wordt verstrekt;

3)

de ECB onverwijld schriftelijk in kennis stellen van de intrekking van een van de certificaten met betrekking tot de accreditatievereisten van artikel 3, lid 1, onder d), of, indien van toepassing, van artikel 4, lid 3;

4)

jaarlijks, en binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar, een verklaring van een onafhankelijke auditor overleggen waarin de volgende elementen worden gecertificeerd:

a)

de implementatie en werking van een in artikel 4, lid 3, bedoeld bedrijfsnalevingsprogramma;

b)

de geaccrediteerde producent is niet betrokken geweest bij een van de in artikel 4, leden 1 en 2, genoemde omstandigheden;

5)

de ECB onverwijld schriftelijk in kennis stellen van het verstrijken van een ononderbroken periode van 36 maanden waarin de geaccrediteerde producent geen euro-itemactiviteiten heeft uitgevoerd, met uitzondering van de vernietiging, de opslag, de analyse of de interne verplaatsing van beveiligde euro-items binnen een productielocatie, of beveiligde euro-itemactiviteiten heeft uitgevoerd;

6)

aan de ECB schriftelijk verslag uitbrengen over eventuele bij de uitvoering van een beveiligde euro-itemactiviteit in overeenstemming met de beveiligingsvereisten geconstateerde discrepanties ten aanzien van de hoeveelheden beveiligde euro-items die zijn vastgesteld tijdens een beveiligde euro-itemactiviteit op de geaccrediteerde productielocatie;

7)

bij het voornemen om een of meer van de volgende activiteiten te verrichten, de ECB onmiddellijk van tevoren in kennis te stellen en om voorafgaande schriftelijke toestemming verzoeken:

a)

het wijzigen van elke maatregel op de betrokken productielocatie die op enigerlei wijze invloed heeft of kan hebben op de naleving van de relevante accreditatievereisten;

b)

het wijzigen van de eigendomsstructuur;

c)

het inleiden van een procedure voor de ontbinding van de geaccrediteerde producent of een gelijkaardige procedure;

d)

het reorganiseren van zijn onderneming of structuur op enigerlei wijze die de activiteit waarvoor accreditatie is verleend, kan beïnvloeden;

e)

het uitbesteden aan dan wel het betrekken van derden, waaronder de dochter- of geassocieerde ondernemingen van de geaccrediteerde producent, bij een beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit waarvoor de producent geaccrediteerd is, zulks ongeacht of de uitbesteding of de betrokkenheid van derden in de beveiligde euro-itemactiviteit of een euro-itemactiviteit op de betrokken productielocatie of op een andere locatie moet plaatsvinden;

8)

onverwijld de verantwoordelijke NCB's schriftelijk in kennis stellen indien een van de in punt 7, onder e), genoemde situaties zich voordoet;

9)

onverwijld de ECB schriftelijk in kennis te stellen van een van de volgende gebeurtenissen:

a)

de geaccrediteerde producent of een van zijn controlerende entiteiten is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde activiteiten;

b)

de geaccrediteerde producent of een van zijn controlerende entiteiten is betrokken bij een van de in artikel 4, lid 2, genoemde situaties;

10)

onverwijld de ECB schriftelijk in kennis te stellen wanneer zij voornemens is een kwalificatieproces op te starten, zoals door de ECB vastgelegd in de desbetreffende kwaliteitsvereisten, voor alle beveiligde euro-items of euro-items. De kennisgeving bevat informatie over de geplande begin- en einddatum van het kwalificatieproces;

11)

de vereiste procedures vast te stellen om te verzekeren dat de meest recente versies van alle relevante documenten waarover de geaccrediteerde producenten beschikken, via het ECB-bankbiljettenextranet naar behoren zijn verspreid op de erkende productielocatie.

Artikel 10

Voorafgaande schriftelijke toestemming van de ECB

1.   De ECB verleent binnen een redelijke termijn voorafgaande schriftelijke toestemming voor de in artikel 9, punt 7, genoemde activiteiten ingeval alle relevante accreditatievereisten en alle relevante verplichtingen door de verzoekende geaccrediteerde producent worden nageleefd.

2.   De ECB kan vooraf schriftelijke toestemming verlenen op voorwaarde dat de geaccrediteerde producent eventuele door de ECB aan de verzoekende geaccrediteerde producent opgelegde beperkingen of verplichtingen naleeft.

3.   De ECB kan de voorafgaande schriftelijke toestemming weigeren wanneer zij concludeert dat de geaccrediteerde producent niet in staat is aan de accreditatievereisten of -verplichtingen te voldoen indien de geaccrediteerde producent een van de in artikel 9, punt 7, genoemde werkzaamheden uitvoert.

Artikel 11

Inspecties

1.   De ECB stelt door middel van inspecties ter plaatse of off-site-inspecties vast of een geaccrediteerde producent voldoet aan de accreditatievereisten.

2.   De ECB voert inspecties ter plaatse uit met betrekking tot alle door de ECB opgevraagde documentatie die relevant is voor de beoordeling of de geaccrediteerde producent de relevante accreditatievereisten naleeft. Verzoeken om documentatie die de ECB aan een geaccrediteerde producent richt, vormen geen inspectie ter plaatse, tenzij in het verzoek uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van off-site-inspectie.

3.   De ECB kan aangekondigd of onaangekondigd inspecties ter plaatse verrichten.

4.   Tijdens een inspectie ter plaatse beoordeelt de ECB of een geaccrediteerde producent de relevante accreditatievereisten op de productielocatie naleeft.

5.   De ECB begint met aangekondigde inspecties ter plaatse op de met de geaccrediteerde producent overeengekomen datum. De geaccrediteerde producent verzekert dat de relevante beveiligde euro-itemactiviteit of de euro-itemactiviteit tijdens de inspectie wordt uitgevoerd op de productielocatie.

6.   De ECB besluit over de duur van de aangekondigde of onaangekondigde inspectie ter plaatse om te verzekeren dat voldoende informatie wordt verkregen teneinde te beoordelen of de geaccrediteerde producent alle accreditatievereisten naleeft. De ECB kan een permanente inspectie ter plaatse opschalen om de geaccrediteerde producent de gelegenheid te geven aan te tonen dat de relevante accreditatievereisten zijn nageleefd.

7.   De geaccrediteerde producent verleent de ECB toegang tot alle gebieden van de productielocatie en tot alle documenten die de ECB relevant acht voor de inspectie.

8.   Ten minste tien werkdagen vóór de datum waarop de inspectie ter plaatse zal beginnen, of indien anderszins bepaald door de ECB, zendt de geaccrediteerde producent alle voor de inspectie benodigde documentatie, zoals de ingevulde vragenlijst voor de inspectie, die beschikbaar is op het ECB-bankbiljettenextranet en enige andere documentatie die de ECB vóór de inspectie ter beschikking stelt aan bij de geaccrediteerde producent, terug aan de ECB.

Artikel 12

Gevallen van niet-naleving

1.   Elk van de volgende handelingen van een geaccrediteerde producent vormt een geval van niet-naleving:

a)

niet-naleving van de in artikel 3, lid 1, vermelde accreditatievereisten;

b)

met betrekking tot eerder vastgestelde gevallen van niet-naleving, niet-doorvoering van de met de ECB overeengekomen verbeteringen binnen de gestelde termijnen;

c)

niet-naleving aan de in artikel 9 opgenomen verplichtingen;

d)

weigering om de ECB onmiddellijke toegang te verlenen tot de productielocatie of tot alle documenten die de ECB noodzakelijk acht voor de inspectie;

e)

met een inbreuk op de beveiligingsvereisten door de geaccrediteerde producent verband houdende discrepantie in de vastleggingen van beveiligde euro-items;

f)

indiening van een bewezen valse of misleidende verklaring of een bewezen vervalst document bij de ECB en, indien van toepassing, bij een NCB, in het kader van een in dit besluit vermelde procedure;

g)

schending van de verplichting om de vertrouwelijkheidsclassificatie van alle met dit besluit verband houdende documenten te respecteren.

2.   De ECB stelt de geaccrediteerde producent in kennis van elk geval van niet-naleving van de in de artikelen 3 en 4 genoemde relevante accreditatievereisten, of van de in artikel 9 vervatte verplichtingen binnen een redelijke termijn nadat de ECB kennis heeft gekregen van het geval van niet-naleving.

3.   Een geaccrediteerde producent corrigeert elk geval van niet-naleving binnen een overeenkomstig artikel 13, lid 3, met de ECB overeengekomen termijn.

Artikel 13

Inspectieresultaat

1.   De ECB stuurt aan de geaccrediteerde producent een voorlopig inspectieverslag waarin melding wordt gemaakt van alle tijdens de inspectie vastgestelde gevallen van niet-naleving van de accreditatievereisten, binnen een van de volgende termijnen:

a)

dertig werkdagen na de datum waarop de inspectie ter plaatse is voltooid;

b)

veertig werkdagen nadat de ECB enige relevante documentatie in het kader van een off-site-inspectie heeft ontvangen, met name aangaande de in artikel 9 vastgelegde verplichtingen.

2.   De ECB kan in het voorlopige inspectieverslag aanbevelingen aan de geaccrediteerde producent opnemen. Deze aanbevelingen vormen suggesties voor het verbeteren van een maatregel die niettemin aan de accreditatievereisten voldoet.

3.   Binnen 15 werkdagen vanaf de ontvangst van het voorlopige inspectieverslag doet de geaccrediteerde producent de ECB schriftelijk zijn bevindingen toekomen met betrekking tot de tijdens de inspectie geconstateerde gevallen van niet-naleving en de krachtens lid 2 gedane aanbevelingen. De geaccrediteerde producent verstrekt details over de maatregelen die hij voornemens is uit te voeren met betrekking tot de gevallen van niet-naleving, met inbegrip van de voorgestelde termijnen voor de uitvoering van deze maatregelen. De ECB beoordeelt de voorstellen en legt termijnen op die evenredig zijn met de ernst van het geval van niet-naleving.

4.   De ECB verstrekt het inspectieverslag aan de geaccrediteerde producent binnen veertig werkdagen vanaf:

a)

de ontvangst door de ECB van de schriftelijke opmerkingen van de geaccrediteerde producent over het voorlopige inspectieverslag en alle andere relevante door de ECB opgevraagde informatie om haar beoordeling af te ronden;

b)

het verstrijken van de termijnen waarbinnen schriftelijke opmerkingen over het voorlopige inspectieverslag kunnen worden ingediend, indien dergelijke opmerkingen niet zijn ontvangen.

5.   De ECB neemt in het inspectieverslag de bevindingen van de inspectie, de relevante inspectiedocumentatie, de van de geaccrediteerde producent ontvangen opmerkingen, een beoordeling van de acties, maatregelen of verbeteringen die de geaccrediteerde producent voornemens is uit te voeren en de bijbehorende termijnen voor de uitvoering ervan op. Op basis van de inspectiebevindingen bevat het inspectieverslag een beoordeling of de erkende producent reeds voldoet aan de accreditatievereisten of dat hij de naleving van deze vereisten binnen de voorgestelde termijnen kan verzekeren en of de ECB een van de in de artikelen 16 tot en met 18 genoemde besluiten dient te nemen.

6.   Binnen 15 werkdagen vanaf de ontvangst van het in lid 4 bedoelde inspectieverslag kan de geaccrediteerde producent schriftelijke opmerkingen over de inhoud van het inspectieverslag bij de ECB indienen.

7.   De ECB houdt rekening met de van de geaccrediteerde producent ontvangen opmerkingen en voltooit de inspectie door de conclusies van het inspectieverslag op te volgen en de geaccrediteerde producent en, indien van toepassing, alle andere geaccrediteerde producenten daarvan in kennis te stellen.

8.   Overeenkomstig artikel 11, lid 1, kunnen vervolginspecties ter plaatse of off-site worden uitgevoerd om na te gaan of de in het inspectieverslag vermelde maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en voldoen aan de relevante accreditatievereisten.

9.   Indien er gevallen van niet-naleving van de accreditatievereisten zijn die een urgent ECB-besluit vereisen en die redelijkerwijze tot een opschortingsbesluit krachtens artikel 17 zouden kunnen leiden of tot een intrekkingsbesluit krachtens artikel 18, kan de ECB de in leden 1 tot en met 3 beschreven processen inkorten, in welk geval de producent ten hoogste vijf werkdagen heeft om opmerkingen over de betrokken ernstige gevallen van niet-naleving in te dienen. De ECB onderbouwt die urgentie.

10.   De ECB kan besluiten tot verlenging van de in dit artikel vastgestelde termijnen.

Artikel 14

Besluiten over de onmiddellijke stopzetting van een beveiligde euro-itemactiviteit

1.   Indien de ECB een ernstig geval van niet-naleving vaststelt dat zou kunnen leiden tot het verlies of de diefstal van beveiligde euro-items of tot de ongeoorloofde bekendmaking van informatie met betrekking tot beveiligde euro-items die de integriteit van eurobankbiljetten als betaalmiddel zou kunnen schaden, en indien geen onmiddellijke herstelmaatregelen worden genomen, kan de ECB van de geaccrediteerde producent verlangen dat hij de betrokken beveiligde euro-itemactiviteit met onmiddellijke ingang stopzet totdat het ernstige geval van niet-naleving is gecorrigeerd. In een dergelijk geval mag de geaccrediteerde producent de beveiligde euro-itemactiviteit niet hervatten zonder voorafgaande toestemming van de ECB.

2.   Een geaccrediteerde producent die met onmiddellijke ingang een beveiligde euro-itemactiviteit moet stopzetten, verstrekt de ECB informatie over alle andere geaccrediteerde producenten die, als klant of leverancier, indirect worden getroffen door het stopzetten van de beveiligde euro-itemactiviteit. De ECB kan van de geaccrediteerde producent ook verlangen dat hij de in artikel 18, lid 5, genoemde maatregelen neemt om te verzekeren dat hij niet over gespecificeerde beveiligde euro-items beschikt gedurende de periode waarin de beveiligde euro-itemactiviteit wordt stopgezet.

3.   De ECB informeert elke mogelijke in lid 2 genoemde getroffen geaccrediteerde producent indien een beveiligde euro-itemactiviteit wordt stopgezet uit hoofde van lid 1. In een dergelijk geval stelt de ECB deze geaccrediteerde producenten in kennis van een wijziging in de status van de geaccrediteerde producent wiens beveiligde euro-itemactiviteit krachtens lid 1 wordt stopgezet.

4.   Onverminderd de krachtens de artikelen 16 tot en met 18 genomen besluiten heft de ECB een stopzetting van een beveiligde euro-itemactiviteit zo snel mogelijk op indien bij een overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde inspectie wordt geconcludeerd dat alle in lid 1 bedoelde ernstige gevallen van niet-naleving zijn gecorrigeerd.

DEEL III

GEVOLGEN VAN NIET-NALEVING

Artikel 15

ECB-besluiten inzake niet-naleving

1.   In geval van niet-naleving door een geaccrediteerde producent kan de ECB de in de artikelen 16 tot en met 19 bedoelde besluiten nemen. Deze besluiten omvatten:

a)

het geval van niet-naleving en eventuele opmerkingen van de geaccrediteerde producent;

b)

de productielocatie, het beveiligde euro-item en/of euro-item en de beveiligde euro-itemactiviteit en/of euro-itemactiviteit waarop het besluit betrekking heeft;

c)

de datum waarop het besluit van kracht wordt, en, indien van toepassing, een of beide van de volgende gegevens:

i)

de datum waarop het besluit verstrijkt;

ii)

de omstandigheden waaronder het besluit verstrijkt;

d)

de termijn voor het corrigeren van de niet-naleving, indien van toepassing, en

e)

de redenen voor het besluit.

2.   Een besluit staat in verhouding tot de ernst van een betrokken geval van niet-naleving en houdt rekening met alle volgende elementen

a)

de staat van dienst van de geaccrediteerde producent met betrekking tot de voorvallen en de correcties van eventuele andere gevallen van niet-naleving;

b)

de door de geaccrediteerde producent verstrekte redenen met betrekking tot het geval van niet-naleving;

c)

een beschrijving van de wijze waarop de geaccrediteerde producent het betrokken geval van niet-naleving heeft gecorrigeerd of voornemens is te corrigeren.

3.   Bij het vaststellen van de termijnen verzekert de ECB dat deze in verhouding staan tot de ernst van een betrokken geval van niet-naleving.

4.   De ECB stelt de relevante geaccrediteerde producent schriftelijk in kennis van het door haar genomen besluit.

5.   De ECB kan de NCB’s en andere relevante geaccrediteerde producenten in kennis stellen van elk krachtens de artikelen 16 tot en met 19 genomen besluit, bijv. door middel van het accreditatieregister of schriftelijk. De door de ECB verstrekte informatie kan de identiteit van de geaccrediteerde producent, de soort en aard van de niet-naleving en, in voorkomend geval, de geldigheid van het besluit omvatten.

Artikel 16

Waarschuwingsbesluit

1.   De ECB kan met betrekking tot een geaccrediteerde producent een waarschuwingsbesluit nemen bij:

a)

een ernstig geval niet niet-naleving;

b)

een herhaaldelijke patroon van gevallen van niet-naleving;

c)

het uitblijven van een tijdige en effectieve correctie van een geval van niet-naleving.

2.   Een waarschuwingsbesluit vermeldt dat de artikelen 17 en 18 van toepassing zijn indien de niet-naleving niet binnen de vastgelegde termijn is gecorrigeerd.

3.   Indien de ECB vaststelt dat een waarschuwingsbesluit op zichzelf onvoldoende afschrikt gezien de ernst van het geconstateerde geval van niet-naleving, neemt de ECB een besluit krachtens artikel 17 of 18.

Artikel 17

Opschortingsbesluit met betrekking tot nieuwe orders

1.   Indien een geaccrediteerde producent een besluit over de onmiddellijke stopzetting van een beveiligde euro-itemactiviteit uit hoofde van artikel 14 niet naleeft, kan de ECB ten aanzien van die geaccrediteerde producent een opschortingsbesluit nemen. Het is de geaccrediteerde producent niet toegestaan om nieuwe opdrachten te aanvaarden totdat het opschortingsbesluit is ingetrokken.

2.   Indien een geaccrediteerde producent nalaat binnen de gestelde termijn een geval van niet-naleving zoals vermeld in een uit hoofde van artikel 16 genomen waarschuwingsbesluit te corrigeren, kan de ECB ten aanzien van die geaccrediteerde producent een opschortingsbesluit nemen. De geaccrediteerde producent mag elke lopende productieopdracht afronden, maar mag geen nieuwe opdrachten aanvaarden totdat het opschortingsbesluit is ingetrokken.

3.   Een opschortingsbesluit vermeldt dat artikel 18 van toepassing is ingeval de niet-naleving niet binnen de vastgelegde termijn is gecorrigeerd.

4.   Indien de ECB vaststelt dat een waarschuwingsbesluit op zichzelf onvoldoende afschrikt gezien de ernst van het geconstateerde geval van niet-naleving, neemt de ECB een besluit uit hoofde van artikel 18.

5.   Een opschortingsbesluit kan slechts worden opgeheven indien alle betrokken gevallen van niet-naleving, zoals vastgesteld tijdens een inspectie uit hoofde van artikel 11, zijn gecorrigeerd.

Artikel 18

Besluit tot intrekking van de accreditatie

1.   De ECB kan een intrekkingsbesluit nemen indien een geaccrediteerde producent een opschortingsbesluit uit hoofde van artikel 17 niet naleeft.

2.   De ECB neemt een intrekkingsbesluit bij:

a)

een verzoek van een geaccrediteerde producent om zijn beveiligde euro-itemactiviteit en/of de euro-itemactiviteit naar een nieuwe productielocatie over te brengen. In een dergelijk geval omvat de reikwijdte van intrekking de oude productielocatie van waaruit de betrokken activiteit wordt overgedragen;

b)

verandering van eigendom van de geaccrediteerde producent, voor zover een dergelijke verandering een betrokken entiteit bij de voorgenomen wijziging in de eigenaarsstructuur direct of indirect in staat stelt om toegang tot ECB-vertrouwelijke informatie met betrekking tot dit besluit, toepasselijke wetgeving of contractuele overeenkomsten met betrekking tot de ECB, een of meer NCB's of geaccrediteerde producenten te verkrijgen;

c)

een verzoek van een geaccrediteerde producent om zijn accreditatie in te trekken.

3.   De ECB kan een intrekkingsbesluit nemen wanneer zij van oordeel is dat een dergelijke intrekking noodzakelijk is, rekening houdend met alle volgende elementen:

a)

de ernst van een specifiek geval van niet-naleving;

b)

de omvang van het feitelijke of mogelijke verlies of de diefstal van beveiligde euro-items of euro-items;

c)

of er al dan niet sprake is geweest van financiële en reputatieschade als gevolg van de ongeoorloofde openbaarmaking van informatie over beveiligde euro-items;

d)

de adequaatheid van de respons van de geaccrediteerde producent, de capaciteit en het vermogen om het geval van niet-naleving te corrigeren;

e)

specifieke omstandigheden op de productielocatie die de integriteit van eurobankbiljetten als betaalmiddel zouden kunnen schaden.

4.   De ECB kan een intrekkingsbesluit nemen ten aanzien van een geaccrediteerde producent die voor een ononderbroken periode van 36 maanden geen beveiligde euro-items of euro-items heeft geproduceerd. Bij het nemen van een intrekkingsbesluit op deze basis houdt de ECB rekening met de specifieke omstandigheden van de geaccrediteerde producent.

5.   Indien het bezit van beveiligde euro-items door de geaccrediteerde producent de integriteit van eurobankbiljetten als betaalmiddel in gevaar zou kunnen brengen zodra het intrekkingsbesluit van kracht wordt, kan de ECB van de producent verlangen dat hij maatregelen neemt, zoals de vernietiging van gespecificeerde beveiligde euro-items of de levering van deze items aan de ECB of een NCB, om ervoor te zorgen dat de producent niet over dergelijke beveiligde euro-items beschikt zodra de intrekking van kracht wordt. De ECB kan inspecties ter plaatse verrichten om na te gaan of deze maatregelen daadwerkelijk ten uitvoer zijn gelegd.

6.   Een intrekkingsbesluit vermeldt de datum vanaf wanneer de producent opnieuw een accreditatie kan aanvragen. Deze datum zal worden bepaald op basis van de omstandigheden die tot de intrekking hebben geleid en zal ten minste op één jaar vanaf de datum waarop het intrekkingsbesluit van kracht werd, worden vastgesteld.

Artikel 19

Financiële sancties in geval van discrepanties met betrekking tot hoeveelheden eurobankbiljetten of eurobankbiljettenpapier

1.   Indien een discrepantie in de hoeveelheid gedeeltelijk gedrukte of afgewerkte eurobankbiljetten of in de hoeveelheid gedeeltelijk of geheel afgewerkt eurobankbiljettenpapier overeenkomstig artikel 9, punt 6, onder de aandacht van de ECB wordt gebracht of optreedt tijdens een beveiligde euro-itemactiviteit op een productielocatie van de geaccrediteerde producent, kan de ECB aan de geaccrediteerde producent in aanvulling op een eventueel besluit uit hoofde van de artikelen 16, 17 en 18 een financiële sanctie opleggen in elk van de volgende geverifieerde gevallen:

a)

de geaccrediteerde producent heeft nagelaten een dergelijke discrepantie vast te stellen;

b)

de geaccrediteerde producent heeft nagelaten een dergelijke discrepantie te melden overeenkomstig artikel 9, punt 6;

c)

de geaccrediteerde producent heeft de discrepantie gemeld overeenkomstig artikel 9, punt 6, maar vervolgens de oorzaak van de discrepantie niet vastgesteld en gerapporteerd aan de ECB binnen de bij het afzonderlijke besluit inzake beveiligingsvereisten vastgestelde termijn.

2.   Alvorens een besluit over een financiële sanctie te nemen, gaat de ECB na of de discrepantie in de hoeveelheid gedeeltelijk gedrukte of afgewerkte eurobankbiljetten, dan wel in de hoeveelheid gedeeltelijk of geheel afgewerkt eurobankbiljettenpapier is toe te schrijven aan een geval van niet-naleving van de veiligheidsvoorschriften die in een afzonderlijk besluit zijn vastgesteld.

3.   Bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen financiële sanctie met betrekking tot een geverifieerde discrepantie houdt de ECB rekening met de nominale waarde van:

a)

de gedeeltelijk gedrukte of afgewerkte eurobankbiljetten;

b)

de potentiële eurobankbiljetten die met behulp van het gedeeltelijk of geheel afgewerkte eurobankbiljettenpapier hadden kunnen worden gedrukt.

4.   De ECB kan een financiële sanctie opleggen die verschilt van de overeenkomstig lid 3 bepaalde nominale waarde of equivalente nominale waarde, rekening houdend met de ernst van de niet-naleving van de beveiligingsvereisten in elk specifiek geval.

5.   In geen geval kan de ECB een geldboete van meer dan 500 000 EUR opleggen.

6.   Bij het nemen van een besluit over financiële sancties volgt de ECB de procedures die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2532/98 en Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank (ECB/1999/4) (11).

Artikel 20

Delegatie en subdelegatie

1.   De Raad van bestuur delegeert de bevoegdheid tot het nemen van alle besluiten met betrekking tot de accreditatie van de producent krachtens artikel 6, leden 1, 3, en 7, artikel 7, artikel 10, artikel 14, leden 1 en 4, en de artikelen 16 tot en met 19 aan de directie.

2.   De Raad van bestuur kan de bevoegdheid tot het nemen van alle besluiten in verband met de accreditatie van de producent uit hoofde van artikel 6, leden 1, 3 en 7, en artikel 7, subdelegeren aan een van zijn leden.

3.   De directie kan de volgende bevoegdheden aan het operationeel niveau delegeren:

a)

het verlenen van de schriftelijke voorafgaande toestemming van de ECB overeenkomstig artikel 10, lid 1, in gevallen waarin een geaccrediteerde producent alle relevante accreditatievereisten uit hoofde van de artikelen 3 en 4 en alle relevante verplichtingen uit hoofde van artikel 9 heeft nageleefd;

b)

het nemen van besluiten in verband met een onmiddellijke stopzetting van de beveiligde euro-itemactiviteiten overeenkomstig artikel 14.

4.   De directie stelt de Raad van bestuur in kennis van de krachtens dit artikel bij delegatie of subdelegatie genomen besluiten.

Artikel 21

Herzieningsprocedure

1.   De ECB beoordeelt het door de geaccrediteerde producent in het kader van dit besluit gedane verzoek en de door de geaccrediteerde producent verstrekte informatie en stelt de producent schriftelijk in kennis van haar besluit om het verzoek om de geldigheid van de ontvangen informatie te aanvaarden of af te wijzen binnen vijftig werkdagen vanaf de ontvangst van:

a)

het verzoek om accreditatie, of

b)

aanvullende informatie of verduidelijking van de producent waar de ECB om heeft verzocht.

2.   Een producent kan bij de Raad van bestuur een verzoek indienen om een besluit van de ECB te herzien dat is vastgesteld krachtens:

a)

artikel 6, leden 1 en 7, en artikel 7;

b)

artikel 14 en de artikelen 16 tot en met 18.

De producent dient het verzoek om herziening in binnen dertig werkdagen na de kennisgeving van het in lid 1 genoemde besluit. De producent vermeldt de redenen van het verzoek en voegt alle ondersteunende informatie bij.

3.   De herziening heeft geen opschortende werking. Indien een producent uitdrukkelijk verzoekt dat de herziening een opschortende werking moet hebben en het verzoek met redenen omkleedt, kan de Raad van bestuur bij wijze van uitzondering de toepassing van het voor herziening voorgelegde besluit opschorten.

4.   De Raad van bestuur herziet het in lid 1 bedoelde besluit in het licht van het verzoek om herziening door de producent. Indien de Raad van bestuur van oordeel is dat het in lid 1 bedoelde besluit in strijd is met dit besluit, gelast hij ofwel de betrokken procedure te herhalen, ofwel een definitief besluit te nemen. Indien de Raad van bestuur van oordeel is dat het in de eerste alinea bedoelde besluit niet in strijd is met dit besluit, wordt het verzoek van de producent afgewezen. De producent wordt binnen zestig werkdagen na ontvangst van het verzoek om herziening schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van de herziening. De Raad van bestuur vermeldt in het besluit de redenen waarop dit is gebaseerd.

5.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een geschil tussen de ECB en een producent met betrekking tot dit besluit. In geval van een lopende herzieningsprocedure op grond van lid 2 wacht de producent het besluit van de Raad van bestuur over de herziening af alvorens de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie. De bij het Verdrag vastgestelde termijnen beginnen te lopen vanaf de ontvangst van het besluit tot herziening.

6.   In afwijking van de leden 1 tot en met 4 wordt de herzieningsprocedure voor besluiten tot oplegging van financiële sancties krachtens artikel 19 uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 2532/98 en Verordening (EG) nr. 2157/1999 (ECB/1999/4).

7.   Indien onderling overeengekomen, kunnen de ECB en de producent een geschil over de toepassing van dit besluit oplossen middels arbitrage. Alle geschillen tussen de ECB en een geaccrediteerde producent worden definitief beslecht overeenkomstig de arbitrageregels van de Internationale Kamer van Koophandel door een of meer arbiters die overeenkomstig die regels zijn aangesteld. De arbitrage geschiedt in de Engelse taal.

DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Intrekking

1.   Besluit ECB/2013/54 wordt ingetrokken met ingang van 18 mei 2021.

2.   Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar dit besluit en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 23

Overgangsbepalingen

1.   Besluit ECB/2013/54 blijft van kracht voor een periode van twaalf maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

2.   Geaccrediteerde producenten aan wie overeenkomstig Besluit ECB/2013/54 accreditatie of voorlopige accreditatie is verleend, worden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit geacht krachtens dit besluit te zijn erkend.

3.   Alle ingeleide of lopende procedures met betrekking tot uit hoofde van Besluit ECB/2013/54 verleende accreditaties worden overeenkomstig dit besluit afgerond, met name de ingeleide of lopende procedures met betrekking tot:

a)

initiële of vervolgbeveiligings- of kwaliteitsinspecties uit hoofde van artikel 11;

b)

beoordeling van de naleving van de erkenningseisen uit hoofde van artikel 6;

c)

accreditatieverlening uit hoofde van artikel 7;

d)

uitvaardiging van een besluit uit hoofde van de artikelen 16 tot en met 19;

e)

herziening van de acties of besluiten uit hoofde van de punten a) tot en met d).

Alle ingeleide of lopende procedures worden afgerond tot aan het verstrijken van de in lid 1 vastgelegde termijn.

Artikel 24

Inwerkingtreding

1.   Dit besluit treedt in werking op dag van kennisgeving aan de geadresseerden.

2.   Het besluit is van toepassing met ingang van 18 mei 2021.

3.   Artikel 4 en artikel 9, punt 4, zijn van toepassing met ingang van 16 november 2022.

Artikel 25

Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot producenten en geaccrediteerde producenten van beveiligde euro-items en euro-items.

Gedaan te Frankfurt am Main, 27 april 2020.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)  PB L 318, van 27.11.1998, blz. 4.

(2)  Besluit ECB/2013/54 van 20 december 2013 betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items en tot wijziging van Besluit ECB/2008/3 (PB L 57 van 27.2.2014, blz. 29).

(3)  Zie bijlage I.

(4)  Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42)

(5)  Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54).

(6)  Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6)

(7)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(8)  Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).

(9)  Beschikbaar op de website van de Internationale Kamer van Koophandel op www.iccwbo.org

(10)  Beschikbaar op de website van het Banknote Ethics Initiative op www.bnei.com.

(11)  Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank van 23 september 1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4) (PB L 264 van 12.10.1999, blz. 21)


BIJLAGE I

Ingetrokken besluit met een lijst van de opeenvolgende wijzigingen ervan

(waarnaar wordt verwezen in artikel 22)

Besluit ECB/2013/54 van 20 december 2013 betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items en tot wijziging van Besluit ECB/2008/3 (PB L 57 van 27.2.2014, blz. 29).

Besluit (EU) 2016/955 van de Europese Centrale Bank van 6 mei 2016 tot wijziging van Besluit ECB/2013/54 betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items en tot wijziging van Besluit ECB/2016/12 (PB L 159 van 16.6.2016, blz. 19).

Besluit (EU) 2016/1734 van de Europese Centrale Bank van woensdag 21 september 2016 tot wijziging van Besluit ECB/2013/54 betreffende accreditatieprocedures voor producenten van beveiligde euro-items en euro-items en tot wijziging van Besluit ECB/2016/25 (PB L 262 van 29.9.2016, blz. 30).


BIJLAGE II

Concordantietabel

Besluit ECB/2013/54

Dit besluit

DEEL I — ALGEMENE BEPALINGEN

DEEL I — ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, leden 3, 4, 7 en 11

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 18, lid 4

Artikel 2, lid 5, onder a)

Artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 5, onder b)

Artikel 3, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 6

Artikel 3, lid 4

Artikel 2, lid 7

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 9

Artikel 2, lid 11

Artikel 3, lid 1

Artikel 19, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 19, lid 2

Artikel 20, lid 3

Artikel 4

DEEL II — ACCREDITATIEPROCEDURE

DEEL II — ACCREDITATIEPROCEDURE

Artikel 4, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 4, lid 2, onder a)

Artikel 5, lid 2, onder a) en c)

Artikel 4, lid 2, onder b)

Artikel 5, lid 2, onder d), en artikel 9, punt 1

Artikel 4, lid 2, onder c)

Artikel 5, lid 2, onder f)

Artikel 4, lid 3

Artikel 5, lid 2, onder h), en artikel 3, lid 1, onder d)

Artikel 5, lid 2, onder b), e), g), i), j) en k)

Artikel 5, lid 3

Artikel 4, lid 4, en artikel 5, lid 3, eerste zin

Artikel 6, leden 2 en 6

Artikel 4, lid 5, en artikel 5, lid 3, tweede zin

Artikel 6, lid 7

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 4, eerste, tweede, derde en vierde zin

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 4, vierde zin

Artikel 6, leden 1, 3 en 5

Artikel 6, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 6, lid 2

Artikel 11, lid 1

Artikel 6, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9, punten 8, 9 10 en 11

DEEL III — CONTROLES EN SPECIFIEKE NCB-BEVEILIGINGSCONTROLES

DEEL III — GEVOLGEN VAN NIET-NALEVING

Artikel 9, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 9, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 9, lid 3, eerste zin

Artikel 11, lid 4

Artikel 9, lid 3, tweede zin

Artikel 9, lid 4, eerste en derde zin

Artikel 11, lid 3

Artikel 9, lid 4, tweede zin

Artikel 11, lid 5, eerste zin

Artikel 11, lid 5, tweede zin

Artikel 11, leden 6 en 7

Artikel 9, lid 5

Artikel 11, lid 8

Artikel 9, lid 6

Artikel 10, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 10, lid 3, aanhef en onder b) en c)

Artikel 13, lid 1

Artikel 10, lid 3, onder a)

Artikel 10, lid 3, tweede en derde zin

Artikel 13, lid 5

Artikel 10, lid 4

Artikel 13, leden 3 en 4

Artikel 10, lid 4, tweede zin

Artikel 13, lid 7

Artikel 10, lid 5, tweede zin

Artikel 13, lid 8

Artikel 10, lid 5, tweede zin

Artikel 13, lid 6

Artikel 10, lid 6

Artikel 13, lid 9

Artikel 10, lid 7

Artikel 13, lid 10

Artikel 11

DEEL IV — DOORLOPENDE VERPLICHTINGEN

DEEL IV — SLOTBEPALINGEN

Artikel 12, lid 1

Artikel 2, lid 6

Artikel 12, lid 2, eerste zin

Artikel 9, punt 2

Artikel 12, lid 2, tweede zin

Artikel 9, punt 3

Artikel 9, punt 4

Artikel 12, lid 3, onder a)

Artikel 9, lid 7, onder a)

Artikel 12, lid 3, onder b)

Artikel 9, lid 7, onder a)

Artikel 12, lid 3, onder c)

Artikel 9, lid 7, onder b)

Artikel 12, lid 3, onder d)

Artikel 9, lid 7, onder c)

Artikel 12, lid 3, onder e)

Artikel 9, lid 7, onder d)

Artikel 12, lid 3, onder f) en g), en artikel 12, lid 4, eerste zin

Artikel 9, lid 7, onder e), en artikel 9, punt 8

Artikel 12, lid 4, tweede en derde zin

Artikel 12, lid 5, eerste zin

Artikel 9, punt 7

Artikel 12, lid 5, aanhef van de tweede zin

Artikel 10, lid 3

Artikel 12, lid 5, onder a)

Artikel 10, lid 3

Artikel 12, lid 5, onder b), i), ii) en iii)

Artikel 3, lid 3

Artikel 12, lid 5, tweede alinea

 

Artikel 20, lid 3

Artikel 12, lid 5, derde alinea

Artikel 20, lid 3

Artikel 12, lid 6, aanhef

Artikel 9, punt 7, aanhef

Artikel 12, lid 6, onder a)

Artikel 9, lid 7, onder c)

Artikel 12, lid 6, onder b)

Artikel 9, lid 7, onder d)

Artikel 12, lid 6, onder c)

Artikel 12, lid 6, onder d)

Artikel 9, punt 5

Artikel 12, lid 7

Artikel 7, lid 3

Artikel 12, lid 8

Artikel 12, lid 9

Artikel 13

Artikel 2, lid 5

DEEL V — GEVOLGEN VAN NIET-NALEVING

Artikel 14 lid 1, onder a)

Artikel 12, lid 1, onder c)

Artikel 14, lid 1, onder b)

Artikel 12, lid 1, onder a) en b)

Artikel 14, lid 1, onder c)

Artikel 12, lid 1, onder d)

Artikel 14, lid 1, onder d)

Artikel 12, lid 1, onder f)

Artikel 14, lid 1, onder e)

Artikel 12, lid 1, onder g)

Artikel 12, lid 2, eerste zin

Artikel 12, lid 2

Artikel 14 lid 2, tweede zin

Artikel 12, lid 3

Artikel 14, lid 2, derde zin

Artikel 15, lid 3

Artikel 14, lid 3

Artikel 1, punt 36

Artikel 14, lid 4

Artikel 13, lid 2

Artikel 15, lid 1

Artikel 15, lid 1

Artikel 15, lid 2

Artikel 15, lid 2, aanhef en onder a)

Artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, en artikel 18, lid 3

Artikel 15, lid 2, onder b)

Artikel 10, lid 4

Artikel 15, lid 2, onder c)

Artikel 15, lid 3

Artikel 15, lid 5

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 15, lid 2, onder b)

Artikel 16, leden 3 en 4

Artikel 16, leden 2 en 3

Artikel 17, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 17, lid 2

Artikel 15, lid 2, onder b)

Artikel 17, lid 3

Artikel 17, lid 3

Artikel 17, leden 4 en 5

Artikel 17, leden 4 en 5

Artikel 18, lid 1, onder a)

Artikel 18, lid 1

Artikel 18, lid 1, onder b)

Artikel 18, lid 1, onder c)

Artikel 18, lid 2, onder b)

Artikel 18, lid 1, onder d)

Artikel 18, lid 2, onder a)

Artikel 18, lid 1, onder e)

Artikel 18, lid 2, onder c)

Artikel 18, lid 2, onder a) en b)

Artikel 18, lid 3, onder a), b) en c)

Artikel 18, lid 2, onder c)

Artikel 18, lid 3, onder d)

Artikel 18, lid 3, onder e)

Artikel 18, lid 4

Artikel 18, lid 3

Artikel 18, leden 4 en 5

Artikel 18, leden 5 en 6

Artikel 19

Artikel 14

Artikel 20, lid 1

Artikel 9, punt 6, en artikel 12, lid 1, onder e)

Artikel 20, lid 2

Artikel 19, lid 1

Artikel 20, lid 3, eerste, tweede en derde zin

Artikel 19, leden 2, 3 en 4

Artikel 20, lid 3, vierde zin

Artikel 19, lid 5

Artikel 20, lid 4, eerste zin

Artikel 19, lid 2

Artikel 20, lid 4, tweede zin

Artikel 19, lid 6

Artikel 20, lid 4, derde zin

Artikel 21

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 8

DEEL VI — WIJZIGING, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 22

Artikel 25

Artikel 23

Artikel 26

Artikel 24

Artikel 27

Artikel 25