ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 47

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
20 februari 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/228 van de Commissie van 19 februari 2020 tot verlening van een vergunning voor erytrosine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor honden en katten ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/229 van de Commissie van 19 februari 2020 tot verlening van een vergunning voor L‐tryptofaan als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten ( 1 )

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/230 van de Commissie van 19 februari 2020 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie

9

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 47/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/228 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2020

tot verlening van een vergunning voor erytrosine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor honden en katten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor het gebruik van erytrosine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor siervissen, dat is ingedeeld in de rubriek “andere kleurstoffen” van de groep “kleurstoffen met inbegrip van pigmenten”. Voor erythrosine is ook een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor honden en katten, dat in de rubriek “kleurstoffen die voor de kleuring van levensmiddelen zijn toegestaan op grond van de communautaire voorschriften” van de groep “kleurstoffen met inbegrip van pigmenten” is ingedeeld. Vervolgens is het toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in samenhang met artikel 7 van die verordening, is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van erytrosine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor siervissen en voor honden en katten. De aanvrager heeft verzocht om dat toevoegingsmiddel in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen” in te delen. Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 heeft de aanvrager ook een aanvraag ingediend voor een vergunning voor erytrosine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor een nieuwe toepassing bij reptielen, waarbij is verzocht om dat toevoegingsmiddel in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”. Recentelijk heeft de aanvrager de aanvraag voor siervissen en voor reptielen ingetrokken. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 16 november 2011 (3), 8 september 2015 (4) en 3 april 2019 (5) geconcludeerd dat erytrosine onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid heeft. Zij heeft tevens geconcludeerd dat aan erytrosine dermatologische reacties zoals fotosensitiviteit, erytrodermie en desquamatie worden toegeschreven en dat een blootstelling van de onderste luchtwegen wordt beschouwd als een gevaar voor de gebruiker van het toevoegingsmiddel. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie (6) is uit de fase I-milieurisicobeoordeling gebleken dat erytrosine, als een toevoegingsmiddel voor niet-voedselproducerende dieren, van verdere beoordeling is vrijgesteld aangezien de EFSA in bovengenoemd advies geen zorgwekkend wetenschappelijk bewijsmateriaal heeft aangetroffen en een aanzienlijk milieueffect derhalve onwaarschijnlijk is. De EFSA heeft voorts geconcludeerd dat de betrokken stof doeltreffend is voor het toevoegen van kleur aan diervoeders en voor het gunstig beïnvloeden van de kleur van siervissen. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium is ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van de stof blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat toevoegingsmiddel zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stof vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlening van een vergunning

Voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

1.   De in de bijlage gespecificeerde stof en de voormengsels die deze stof bevatten die vóór 11 september 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 11 maart 2020 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

2.   De voedermiddelen en mengvoeders die de in de bijlage beschreven stof bevatten en die vóór 11 maart 2022 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 11 maart 2020 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  EFSA Journal 2011;9(12):2447.

(4)  EFSA Journal 2015;13(9):4233.

(5)  EFSA Journal 2019;17(5):5699.

(6)  Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie van 25 april 2008 tot vaststelling van voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de opstelling en indiening van aanvragen en de beoordeling van en de verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Identificatie-nummer van het toevoegings-middel

Toevoegings-middel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimum-gehalte

Maximum-gehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunnings-periode

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: kleurstoffen. (i) stoffen die diervoeders kleur geven of daaraan kleur teruggeven

2a127

Erytrosine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Erytrosine beschreven als het natriumzout (hoofdbestanddeel).

Vaste vorm

Honden

Katten

-

-

-

-

16

13

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel worden de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling vermeld.

2.

De exploitanten van diervoederbedrijven moeten operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels om de mogelijke risico’s van het gebruik ervan aan te pakken. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalings-bescherming.

11.3.2030

Karakterisering van de werkzame stof als het natriumzout

Erytrosine bestaat in hoofdzaak uit het monohydraat van dinatrium-2-(2,4,5,7-tetrajood-3-oxido-6-oxo-9-xanthenyl)benzoaat en secundaire kleurstoffen, met daarnaast water, natriumchloride en/of natriumsulfaat als voornaamste kleurloze bestanddelen.

De calcium- en het kaliumzouten zijn ook toegestaan.

Chemische formule: C20H6I4Na2O5·H2O

CAS-nummer: 16423-68-0

Vaste vorm, geproduceerd door chemische synthese.

Zuiverheidscriteria

Totaal aan kleurstoffen, berekend als het watervrij natriumzout ≥ 87 % (gehalte)

Anorganische jodiden ≤ 0,1 % (berekend als natriumjodide)

In water onoplosbaar materiaal: ≤ 0,2 %

Secundaire kleurstoffen (behalve fluoresceïne) ≤ 4,0 %

Fluoresceïne ≤ 20 mg/kg

Andere organische verbindingen dan kleurstoffen:

trijoodresorcinol, ≤ 0,2 %

2-(2,4-dihydroxy-3,5-dijoodbenzoyl)benzoëzuur ≤ 0,2 %

Met ether extraheerbare bestanddelen uit een oplossing met pH van 7 tot en met 8 ≤ 0,2 %

Analysemethode  (1)

Voor de kwantificering van erytrosine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

spectrofotometrie bij 526 nm (Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie verwijst naar monografie nr. 1 (deel 4) van de FAO/JECFA)

Voor de kwantificering van erytrosine in diervoeders:

hogedrukvloeistofchromatografie gekoppeld aan tandemmassaspectrometrie (LC-MS/MS)


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


20.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 47/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/229 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2020

tot verlening van een vergunning voor L‐tryptofaan als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn aanvragen ingediend voor een vergunning voor L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80135, Escherichia coli KCCM 80152, Escherichia coli CGMCC 7.248 of Corynebacterium glutamicum KCCM 80176. De krachtens artikel 7, lid 3, van die verordening vereiste nadere gegevens en documenten zijn bij deze aanvragen verstrekt.

(3)

De aanvragen betreffen de verlening van een vergunning voor L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80135, Escherichia coli KCCM 80152, Escherichia coli CGMCC 7.248 of Corynebacterium glutamicum KCCM 80176 als toevoegingsmiddel voor diervoeding in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” voor alle diersoorten.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 22 januari 2019 (2), 2 april 2019 (3), 3 april 2019 (4) en 16 mei 2019 (5) geconcludeerd dat L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80135, Escherichia coli KCCM 80152, Escherichia coli CGMCC 7.248 of Corynebacterium glutamicum KCCM 80176 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de gezondheid van niet-herkauwers, voor de menselijke gezondheid of het milieu. Om veilig te zijn voor herkauwers, moet L‐tryptofaan tegen afbraak in de pens worden beschermd. De EFSA heeft gewezen op een risico bij inademing voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel door het endotoxinegehalte van L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80152 en Escherichia coli CGMCC 7.248. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. De EFSA heeft L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80135, Escherichia coli KCCM 80152, Escherichia coli CGMCC 7.248 of Corynebacterium glutamicum KCCM 80176 beschouwd als een doeltreffende bron van het essentiële aminozuur tryptofaan voor niet-herkauwers; om bij herkauwers volledig efficiënt te zijn, moet het toegevoegde L‐tryptofaan tegen afbraak in de pens worden beschermd. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van L‐tryptofaan geproduceerd door Escherichia coli KCCM 80135, Escherichia coli KCCM 80152, Escherichia coli CGMCC 7.248 of Corynebacterium glutamicum KCCM 80176 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van de stof, zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden toegestaan.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de in de bijlage beschreven stof, die behoort tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aminozuren, de zouten en de analogen daarvan”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   EFSA Journal 2019;17(2):5601.

(3)   EFSA Journal 2019;17(5):5694.

(4)   EFSA Journal 2019;17(5):5695.

(5)   EFSA Journal 2019;17(6):5729.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of ‐categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximum gehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aminozuren, de zouten en de analogen daarvan.

3c441

L-tryptofaan

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Poeder met een minimumgehalte aan L‐tryptofaan van 98 % (op basis van de droge stof).

Maximumgehalte van 10 mg/kg 1,1'‐ethylideen-bis-L‐tryptofaan (EBT).

Alle soorten

1.

L-tryptofaan mag als een uit een preparaat bestaand toevoegingsmiddel in de handel worden gebracht en worden gebruikt.

2.

De exploitanten van diervoederbedrijven moeten operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels om met de mogelijke risico’s bij inademing, contact met de huid of contact met de ogen om te gaan. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

3.

Het endotoxinegehalte van het toevoegingsmiddel en zijn stofvormingspotentieel waarborgen een blootstelling van maximaal 1 600 IE aan endotoxinen/m3 lucht (2).

4.

L‐tryptofaan mag via het drinkwater worden toegediend.

5.

Voor herkauwers moet L‐tryptofaan pensbestendig zijn.

6.

Op de etikettering van het toevoegingsmiddel moet het vochtgehalte worden vermeld.

7.

Op de etikettering van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moet het volgende worden vermeld:

“Bij de toevoeging van L‐tryptofaan, met name via het drinkwater, moet rekening worden gehouden met alle essentiële en voorwaardelijk essentiële aminozuren om onevenwichtigheden te voorkomen.”

11.3.2030

Karakterisering van de werkzame stof

L-tryptofaan geproduceerd door fermentatie met Escherichia coli KCCM 80135 of

Escherichia coli KCCM 80152 of

Escherichia coli CGMCC 7.248 of

Corynebacterium glutamicum KCCM 80176.

Chemische formule: C11H12N2O2

CAS-nr.: 73-22-3

Analysemethoden  (1)

Voor de identificatie van L‐tryptofaan in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

monografie van de Food Chemical Codex over L‐tryptofaan.

Voor de bepaling van tryptofaan in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in voormengsels:

hogedrukvloeistofchromatografie met fluorescentiedetectie (HPLC‐FLD) — EN ISO 13904

Voor de bepaling van tryptofaan in mengvoeders en voedermiddelen:

hogedrukvloeistofchromatografie met fluorescentiedetectie (HPLC‐FLD) — Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (bijlage III, punt G)

Voor de bepaling van tryptofaan in water:

hogeprestatievloeistofchromatografie met fluorescentiedetectie (HPLC‐FLD)


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports

(2)  Blootstelling berekend op basis van het endotoxinegehalte en het stofvormingspotentieel van het toevoegingsmiddel volgens de door de EFSA gebruikte methode (EFSA Journal 2017;15(3):4705); analysemethode: Europese farmacopee 2.6.14. (bacteriële endotoxinen).


20.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 47/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/230 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2020

tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5,

Na kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   VERZOEK

(1)

De Europese Commissie heeft een verzoek op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036 (“de basisverordening”) ontvangen om een onderzoek te openen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en om deze invoer aan registratie te onderwerpen.

B.   PRODUCT

(2)

Het product waarop de mogelijke ontwijking betrekking heeft, is mononatriumglutamaat (“MNG”). Het is momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2922 42 00 (Taric-code 2922420010) en is van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken product”). Op het betrokken product zijn antidumpingmaatregelen van toepassing.

(3)

Het product dat in verband met mogelijke ontwijking wordt onderzocht, is hetzelfde als het product dat in de vorige overweging is gedefinieerd, maar in mengsels of oplossingen die 50 % of meer mononatriumglutamaat in drooggewicht bevatten. Producten waarmee MNG kan worden gemengd, zijn bijvoorbeeld zouten, suikers, zetmeel, maltodextrinen en diverse kruiderijen. Het te onderzoeken product was ten tijde van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 van de Commissie (2) ingedeeld onder de GN-codes ex 2103 90 90, ex 2104 10 00, ex 2104 20 00, ex 3824 90 92, ex 3824 90 93 en ex 3824 90 96 (Taric-codes ex ex2103909010, ex ex2103909080, ex ex2104100010, ex ex2104100090, ex ex3824909299, ex ex3824909390 en ex ex3824909699. Er was geen specifieke Taric-code voor ex 2104 20 00) (“MNG-mengsels”).

C.   BESTAANDE MAATREGELEN

(4)

De thans geldende maatregelen die mogelijk worden ontweken, bestaan uit een definitief antidumpingrecht dat is ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 van 21 januari 2015 (“de bestaande maatregelen”).

D.   MOTIVERING

(5)

De indiener van het verzoek heeft voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van het betrokken product worden ontweken door lichte aanpassingen van het betrokken product.

(6)

Meer in het bijzonder laten uitvoerstatistieken (Comext en IHS Global) zien dat na de instelling van het definitieve antidumpingrecht op het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 een aanzienlijke verandering optrad in de structuur van het handelsverkeer met betrekking tot de uitvoer uit de Volksrepubliek China naar de Unie. Deze verandering lijkt geen andere voldoende gegronde reden of economische rechtvaardiging te hebben dan de instelling van het recht.

(7)

Bovendien lijkt het erop dat de verandering voortvloeit uit het feit dat het betrokken product in enigszins gewijzigde vorm wordt ingevoerd. Het betrokken product wordt gewijzigd door toevoeging van kleine hoeveelheden NaCl (keukenzout), waardoor het betrokken product enigszins wordt gewijzigd zonder dat de fundamentele kenmerken ervan veranderen. Uit het bewijsmateriaal blijkt dat er, afgezien van de instelling van het recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestaat voor dergelijke praktijken, processen of werkzaamheden.

(8)

Verder heeft de indiener van het verzoek voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de corrigerende werking van de thans voor het betrokken product geldende antidumpingmaatregelen wordt ondermijnd, zowel wat de hoeveelheden als wat de prijzen betreft. In plaats van het betrokken product blijken aanzienlijke hoeveelheden van het onderzochte product te worden ingevoerd. Bovendien is er voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de invoer van het onderzochte product plaatsvindt tegen prijzen die lager zijn dan de geen schade veroorzakende prijs die werd vastgesteld in het kader van het onderzoek dat tot de bestaande maatregelen heeft geleid.

(9)

Ten slotte heeft de indiener van het verzoek voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de prijzen van het onderzochte product dumpingprijzen zijn ten opzichte van de normale waarde die eerder is vastgesteld.

(10)

Mocht in de loop van het onderzoek blijken dat er, afgezien van de in overweging 7 beschreven praktijk, nog andere in artikel 13 van de basisverordening vermelde ontwijkingspraktijken worden toegepast, dan kan het onderzoek tot die praktijken worden uitgebreid.

E.   PROCEDURE

(11)

Gezien het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er voldoende bewijsmateriaal is om overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening een onderzoek te openen en overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening de invoer van de onderzochte producten te laten registreren.

(12)

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig acht, verzoekt de Commissie alle belanghebbenden zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen de in artikel 3, lid 2, van deze verordening vermelde termijn, contact met haar op te nemen. De in artikel 3, lid 2, van deze verordening vermelde termijn geldt voor alle belanghebbenden. Zo nodig kunnen ook inlichtingen worden ingewonnen bij de bedrijfstak van de Unie.

(13)

De autoriteiten van de Volksrepubliek China zullen van de opening van het onderzoek in kennis worden gesteld.

a)   Instructies voor schriftelijke opmerkingen en de verzending van ingevulde vragenlijsten en correspondentie

(14)

Informatie die aan de Commissie wordt verstrekt in het kader van handelsbeschermingsonderzoeken moet vrij zijn van auteursrechten. Alvorens aan de Commissie informatie en/of gegevens te verstrekken die onderworpen zijn aan het auteursrecht van derden, moeten belanghebbenden de houder van het auteursrecht specifiek verzoeken de Commissie uitdrukkelijk toestemming te verlenen om a) voor deze handelsbeschermingsprocedure gebruik te maken van de informatie en gegevens, en b) de informatie en/of gegevens te verstrekken aan belanghebbenden in dit onderzoek, in een vorm die hun de mogelijkheid biedt hun recht van verweer uit te oefenen.

(15)

Alle schriftelijke opmerkingen (met inbegrip van de in deze verordening gevraagde informatie), ingevulde vragenlijsten en correspondentie die door de belanghebbenden worden verstrekt en waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding “Limited” (3). Belanghebbenden die in de loop van dit onderzoek informatie indienen, wordt verzocht hun verzoek om vertrouwelijke behandeling met redenen te omkleden.

(16)

Belanghebbenden die informatie met de vermelding “Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding “For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte gegevens.

(17)

Als een belanghebbende die vertrouwelijke informatie verstrekt, geen geldige redenen voor de vertrouwelijke behandeling aanvoert of geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan indient met de vereiste vorm en inhoud, kan de Commissie deze informatie buiten beschouwing laten, tenzij aan de hand van geëigende bronnen aannemelijk wordt gemaakt dat de informatie juist is.

(18)

Belanghebbenden wordt verzocht alle opmerkingen en verzoeken, met inbegrip van gescande volmachten en certificaten, via het platform TRON.tdi (https://tron.trade.ec.europa.eu/tron/TDI) in te dienen.

Om toegang tot het platform TRON.tdi te krijgen, moeten belanghebbenden over een EU Login-account beschikken. Volledige instructies over het registreren voor en het gebruik van het platform TRON.tdi zijn beschikbaar op het adres https://webgate.ec.europa.eu/tron/resources/documents/gettingStarted.pdf

Door het platform TRON.tdi of e-mail te gebruiken, stemmen belanghebbenden in met de geldende voorschriften inzake elektronisch ingediende opmerkingen, die zijn vervat in het document “Correspondentie met de Europese Commissie in handelsbeschermingszaken” op de website van het directoraat-generaal Handel (http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/june/tradoc_152578.pdf).

Belanghebbenden moeten hun naam, adres, telefoonnummer en een geldig e-mailadres vermelden en ervoor zorgen dat het verstrekte e-mailadres een actief, officieel en zakelijk e-mailadres is dat elke dag wordt gecontroleerd. Zodra contactgegevens zijn verstrekt, verloopt de communicatie van de Commissie met belanghebbenden uitsluitend per e-mail, behalve indien zij er uitdrukkelijk om verzoeken alle documenten van de Commissie via een ander communicatiemiddel te ontvangen, of het document wegens de aard ervan per aangetekend schrijven moet worden verzonden. Voor nadere voorschriften en informatie over de correspondentie met de Commissie, met inbegrip van de beginselen die van toepassing zijn op per e-mail verzonden opmerkingen, moeten belanghebbenden de genoemde instructies over communicatie met belanghebbenden raadplegen.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer CHAR 04/039

1049 Brussel

BELGIË

TRON.tdi: https://tron.trade.ec.europa.eu/tron/TDI

E-mail: TRADE-R719@ec.europa.eu

b)   Schriftelijk en mondeling verstrekken van informatie

(19)

Alle belanghebbenden, met inbegrip van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en relevante verenigingen, wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en bewijsmateriaal te verstrekken, op voorwaarde dat deze opmerkingen binnen de in artikel 3, lid 2, vastgestelde termijn worden ingediend. Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom schriftelijk verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

c)   Vrijstelling van registratie bij invoer of vrijstelling van maatregelen

(20)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening kan de invoer van het onderzochte product van registratie of maatregelen worden vrijgesteld als de invoer niet met ontwijking van de maatregelen plaatsvindt.

(21)

Aangezien de mogelijke ontwijking buiten de Unie plaatsvindt, kan overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening vrijstelling worden verleend aan producenten van het onderzochte product in de Volksrepubliek China die kunnen aantonen dat zij niet betrokken zijn bij ontwijkingspraktijken zoals beschreven in artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening. Eventuele producenten die een vrijstelling wensen te krijgen, moeten zich binnen de in artikel 3, lid 1, van deze verordening vermelde termijn aanmelden. In het dossier voor inzage door belanghebbenden en op de website van DG Handel (https://trade.ec.europa.eu/tdi/case_details.cfm?id=2448) is een vragenlijst beschikbaar die binnen de in artikel 3, lid 2, van deze verordening vermelde termijn moet worden ingediend.

(22)

Een verlenging van de termijn voor het beantwoorden van de vragenlijsten en van andere termijnen als bedoeld in deze verordening alsmede van termijnen die de belanghebbenden specifiek zijn meegedeeld, is beperkt tot ten hoogste 3 extra dagen. Een dergelijke verlenging kan ten hoogste zeven dagen bedragen wanneer de verzoekende partij kan aantonen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

F.   REGISTRATIE

(23)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening moet de invoer van het onderzochte product worden geregistreerd zodat, indien bij het onderzoek blijkt dat er van ontwijking sprake is, een passend bedrag aan antidumpingrechten kan worden geheven vanaf de datum waarop de registratie van de invoer verplicht werd.

(24)

De uitbreiding van de maatregelen tot het enigszins gewijzigde product moet gepaard gaan met hetzelfde recht als dat wat in het kader van de bestaande maatregelen is vastgesteld. Indien kan worden aangetoond dat de ontwijking wordt verricht door medewerkende exporteurs met individuele marges, zijn die maatregelen van toepassing. Anders geldt het residuele recht.

G.   TERMIJNEN

(25)

Met het oog op een behoorlijk bestuur moeten termijnen worden vastgesteld waarbinnen:

belanghebbenden zich bij de Commissie kunnen aanmelden, hun standpunt schriftelijk kunnen uiteenzetten en hun antwoord op de vragenlijst kunnen toezenden en alle andere gegevens die zij voor het onderzoek nuttig achten;

belanghebbenden schriftelijk kunnen verzoeken door de Commissie te worden gehoord.

(26)

De aandacht wordt erop gevestigd dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurele rechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de in artikel 3 van deze verordening gestelde termijnen bij de Commissie kenbaar maakt.

H.   NIET-MEDEWERKING

(27)

Indien een belanghebbende binnen de vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken.

(28)

Wanneer blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, zullen deze overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening buiten beschouwing worden gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.

(29)

Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent waardoor de conclusies overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kan dit tot gevolg hebben dat de resultaten van het onderzoek voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.

I.   TIJDSCHEMA VOOR HET ONDERZOEK

(30)

Het onderzoek wordt overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening uiterlijk negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening afgesloten.

J.   VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

(31)

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (4).

(32)

Een privacyverklaring die alle particulieren op de hoogte brengt van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de handelsbeschermingsactiviteiten van de Commissie is beschikbaar op de website van DG Handel (http://ec.europa.eu/trade/policy/accessing-markets/trade-defence/).

K.   RAADADVISEUR-AUDITEUR

(33)

Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures wordt ingeschakeld. Deze behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en alle andere verzoeken betreffende het recht van verweer van belanghebbenden en van derden die tijdens de procedure kunnen worden ingediend.

(34)

De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting beleggen en bemiddelen tussen de belanghebbende(n) en de diensten van de Commissie om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.

(35)

Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord, moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. De raadadviseur-auditeur onderzoekt de redenen voor de verzoeken. Deze hoorzittingen mogen enkel plaatsvinden indien de kwesties niet tijdig zijn opgelost met de diensten van de Commissie.

(36)

Elk verzoek moet tijdig en snel worden ingediend, zodat het ordelijk verloop van de procedure niet in gevaar wordt gebracht. Daartoe moet een verzoek om inschakeling van de raadadviseur-auditeur zo spoedig mogelijk na de gebeurtenis die een dergelijke inschakeling rechtvaardigt door de belanghebbenden worden ingediend. In beginsel gelden de in punt 3 vastgestelde termijnen voor verzoeken om door de diensten van de Commissie te worden gehoord, mutatis mutandis voor verzoeken om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord. Wanneer een verzoek om een hoorzitting niet binnen de daarvoor geldende termijn wordt ingediend, onderzoekt de raadadviseur-auditeur ook de redenen voor het laattijdige verzoek, de aard van de aan de orde gestelde kwesties en de gevolgen van die kwesties voor het recht van verweer, rekening houdend met het belang van behoorlijk bestuur en de tijdige voltooiing van het onderzoek.

(37)

Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de webpagina’s van de raadadviseur-auditeur op de website van directoraat-generaal Handel (http://ec.europa.eu/trade/trade-policy-and-you/contacts/hearing-officer/),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036 wordt een onderzoek geopend om vast te stellen of bij de invoer in de Unie van mononatriumglutamaat in mengsels of oplossingen die 50 % of meer mononatriumglutamaat in drooggewicht bevatten, momenteel ingedeeld onder GN-codes ex 2103 90 90, ex 2104 10 00, ex 2104 20 00, ex 3824 99 92, ex 3824 99 93 en ex 3824 99 96 (Taric-codes 2103909011, 2103909081, 2104100011, 2104100081, 2104200011, 3824999298, 3824999389 en 3824999689), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 van de Commissie ingestelde maatregelen worden ontweken.

Artikel 2

1.   De douaneautoriteiten van de lidstaten nemen overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036 passende maatregelen om de invoer in de Unie van de in artikel 1 van deze verordening omschreven goederen te registreren.

2.   De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening beëindigd.

3.   De Commissie kan de douaneautoriteiten opdragen de registratie van de invoer in de Unie te beëindigen voor producten die zijn vervaardigd door exporteurs/producenten die vrijstelling van registratie hebben aangevraagd en van wie is vastgesteld dat zij aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoen.

Artikel 3

1.   Belanghebbenden moeten contact opnemen met de Commissie binnen 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

2.   Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten, tenzij anders bepaald, binnen 37 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening contact met de Commissie opnemen, hun standpunt schriftelijk uiteenzetten en de Commissie de antwoorden op de vragenlijst en eventuele andere gegevens doen toekomen.

3.   Binnen dezelfde termijn van 37 dagen kunnen belanghebbenden ook vragen om door de Commissie te worden gehoord. Een verzoek om te worden gehoord over het beginstadium van het onderzoek moet uiterlijk 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/83 van de Commissie van 21 januari 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 15 van 22.1.2015, blz. 31).

(3)  Een “Limited”-document wordt beschouwd als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van de basisverordening en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (antidumpingovereenkomst). Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(4)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).