|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
63e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/1 |
RERORDENING (EU) 2020/171 VAN DE COMMISSIE
van 6 februari 2020
tot wijziging van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name de artikelen 58 en 131,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De stoffen 1,2-benzeendicarbonzuur, dihexylester, vertakt en lineair, en dihexylftalaat, en de groep stoffen 1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkylesters; 1,2-benzeendicarbonzuur, gemengde decyl-, hexyl- en octyldiësters met ≥ 0,3 % dihexylftalaat voldoen aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting (categorie 1B) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2) en bijgevolg ook aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zoals bepaald in artikel 57, onder c), van die verordening. |
|
(2) |
De stof trixylylfosfaat voldoet aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting (categorie 1B) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 en bijgevolg ook aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zoals bepaald in artikel 57, onder c), van die verordening. |
|
(3) |
De stoffen natriumperboraat, perboorzuur, natriumzout, en natriumperoxometaboraat voldoen aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting (categorie 1B) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 en bijgevolg ook aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zoals bepaald in artikel 57, onder c), van die verordening. |
|
(4) |
De stoffen 5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-een-1-yl)-5-methyl-1,3-dioxaan [1], 5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-een-1-yl)-5-methyl-1,3-dioxaan [2] (omvat elke afzonderlijke stereo-isomeer van [1] en [2] en elke combinatie daarvan) zijn zeer persistent en zeer bioaccumulerend volgens de criteria van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en voldoen bijgevolg aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij die verordening zoals bepaald in artikel 57, onder e), van die verordening. |
|
(5) |
De stoffen 2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4,6-di-tert-pentylfenol (UV-328); 2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol (UV-327); 2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol (UV-350) en 2-benzotriazool-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol (UV-320) zijn persistent, bioaccumulerend en toxisch, en/of zeer persistent en zeer bioaccumulerend volgens de criteria van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en voldoen bijgevolg aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij die verordening zoals bepaald in artikel 57, onder d) en/of e), van die verordening. |
|
(6) |
Alle bovengenoemde stoffen zijn geïdentificeerd en opgenomen in de overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgestelde lijst van in aanmerking komende stoffen. Bovendien heeft het Europees Agentschap voor chemische stoffen (hierna “het Agentschap” genoemd) in zijn aanbevelingen van 10 november 2016 (3) en 5 februari 2018 (4) geadviseerd om die stoffen met voorrang op te nemen in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 overeenkomstig artikel 58, leden 3 en 4, van die verordening. Daarnaast heeft de Commissie reacties van belanghebbenden ontvangen op verzoeken om informatie over de mogelijke economische, sociale, gezondheids- en milieueffecten (kosten en baten) van opname van de door het Agentschap in zijn ontwerpaanbevelingen voorgestelde stoffen in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006. |
|
(7) |
Voor elk van de bij deze verordening in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgenomen stoffen moet op grond van artikel 58, lid 1, onder c), i), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 een datum worden vastgesteld vanaf wanneer het in de handel brengen en het gebruik van de stof verboden is, tenzij daarvoor een autorisatie is verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van het Agentschap om autorisatieaanvragen te verwerken. Voor elk van die stoffen bestaan geen redenen om de in artikel 58, lid 1, onder c), ii), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bedoelde datum eerder dan 18 maanden voor de in artikel 58, lid 1, onder c), i), van die verordening bedoelde datum vast te stellen. |
|
(8) |
Artikel 58, lid 1, onder e), in samenhang met artikel 58, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bepaalt dat vormen van gebruik of categorieën van gebruik van de autorisatieplicht kunnen worden vrijgesteld, mits de risico’s naar behoren worden beheerst op grond van de bestaande specifieke wetgeving van de Unie die minimumeisen aan het gebruik van de stof stelt in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu. In het licht van de momenteel beschikbare informatie is het niet passend vrijstellingen op grond van die bepalingen vast te stellen. |
|
(9) |
Aangezien er geen informatie beschikbaar is waaruit de noodzaak van een vrijstelling voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés blijkt, is het niet passend een dergelijke vrijstelling in overweging te nemen. |
|
(10) |
Aangezien de beschikbare informatie over de vormen van gebruik van de voorgestelde stoffen beperkt is, is het niet passend om in dit stadium krachtens artikel 58, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 herbeoordelingstermijnen vast te stellen. |
|
(11) |
De stoffen tetraloodtrioxidesulfaat; pentaloodtetraoxidesulfaat; oranje menie (loodtetraoxide) en loodmonoxide (loodoxide) voldoen aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting (categorie 1A) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 en bijgevolg ook aan de criteria voor opname in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zoals bepaald in artikel 57, onder c), van die verordening. Die stoffen zijn ook geïdentificeerd en opgenomen in de overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgestelde lijst van in aanmerking komende stoffen en het Agentschap heeft in zijn aanbeveling van 10 november 2016 geadviseerd om deze stof met voorrang op te nemen in bijlage XIV bij die verordening overeenkomstig artikel 58, leden 3 en 4, van die verordening. Het gebruik van lood en verbindingen daarvan valt onder Richtlijn 98/24/EG van de Raad (5) en tot op zekere hoogte ook onder Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) en de uitvoeringsmaatregelen daarvan tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken). Voorts zullen de huidige op Unieniveau bindende grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling en bindende biologische grenswaarde voor loodverbindingen van Richtlijn 98/24/EG worden herzien. Daarom, en met het oog op de eventuele vaststelling van strengere maatregelen op de werkplek, is het passend een besluit over de opname van deze stoffen in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 uit te stellen. Daarnaast zijn door de uitvoering van Richtlijn 2010/75/EU en de voorgangers daarvan de emissies van lood en loodverbindingen in het milieu afgenomen en blijven deze verder afnemen, zoals blijkt uit de verslaglegging in het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen (E-PRTR), en worden verdere reducties verwacht naargelang nieuwe BBT-conclusies worden vastgesteld en naargelang vergunningen worden bijgewerkt om die in aanmerking te nemen. |
|
(12) |
Alle vormen van gebruik van 1-methyl-2-pyrrolidon (NMP) zijn overeenkomstig bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 beperkt. NMP heeft intrinsieke eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van N,N-dimethylaceetamide (DMAC) en N,N-dimethylformamide (DMF), en de drie stoffen kennen soortgelijke industriële toepassingen en kunnen als onderling uitwisselbaar worden beschouwd, althans voor sommige toepassingen, ook al kunnen zij in het algemeen niet als “drop-in-alternatieven” worden beschouwd. Gezien de overeenkomsten tussen de drie stoffen moet, om een consistente regelgevende aanpak te waarborgen (7), het besluit over de opname van NMP in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 worden uitgesteld, zoals ook is gebeurd voor DMAC en DMF toen de Commissie de aanbevelingen van het Agentschap van respectievelijk 17 januari 2013 (8) en 6 februari 2014 (9) in overweging nam. |
|
(13) |
Om te vermijden dat voorwerpen of complexe producten die na de in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 vermelde verbodsdata niet meer worden geproduceerd, vroegtijdig in onbruik raken, moeten sommige van de in die bijlage opgenomen stoffen (afzonderlijk of in mengsels) beschikbaar zijn voor de productie, als voorwerpen of complexe producten, van vervangingsonderdelen voor de reparatie van dergelijke voorwerpen of complexe producten, wanneer die voorwerpen of complexe producten zonder die vervangingsonderdelen niet op de juiste manier kunnen functioneren, en eveneens wanneer sommige van de in bijlage XIV opgenomen stoffen (afzonderlijk of in mengsels) nodig zijn voor de reparatie van dergelijke voorwerpen of complexe producten. Om autorisatieaanvragen voor die vormen van gebruik te vergemakkelijken, moeten de bestaande overgangsregelingen worden verlengd, zodat uitvoeringsmaatregelen voor vereenvoudigde autorisatieaanvragen in dergelijke gevallen kunnen worden vastgesteld. Daarnaast moet de formulering van de noten bij de tabel van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 worden herzien om te zorgen voor consistentie in de terminologie met betrekking tot artikelen en complexe producten in het licht van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-106/14 (10). |
|
(14) |
Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(15) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 februari 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(3) https://echa.europa.eu/documents/10162/13640/7th_axiv_recommendation_november2016_en.pdf
(4) https://echa.europa.eu/documents/10162/13640/8th_axiv_recommendation_february2018_en.pdf
(5) Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11).
(6) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(7) https://echa.europa.eu/rmoa/-/dislist/details/0b0236e181ffe81a
(8) https://echa.europa.eu/documents/10162/13640/4th_a_xiv_recommendation_17jan2013_en.pdf
(9) https://echa.europa.eu/documents/10162/13640/5th_a_xiv_recommendation_06feb2014_en.pdf
(10) Arrest van het Hof van Justitie van 10 september 2015, Fédération des entreprises du commerce et de la distribution (FCD) en Fédération des magasins de bricolage et de l’aménagement de la maison (FMB), C-106/14, ECLI:EU:C:2015:576.
BIJLAGE
De tabel in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De volgende vermeldingen worden toegevoegd:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
Het teken “(*)” wordt ingevoegd na de datum die is vermeld in de kolom “uiterste aanvraagdatum” voor de volgende vermeldingen: 32-43. |
|
3) |
Het teken “(**)” wordt ingevoegd na de datum die is vermeld in de kolom “verbodsdatum” voor de volgende vermeldingen: 32-43. |
|
4) |
De noten bij de tabel worden vervangen door:
|
(1) Datum bedoeld in artikel 58, lid 1, onder c), ii).
(2) Datum bedoeld in artikel 58, lid 1, onder c), i).
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/6 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/172 VAN DE COMMISSIE
van 6 februari 2020
betreffende de verlenging van de vergunning voor 3-fytase geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 101.672) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen (gespeend), mestvarkens, zeugen, mestkippen, mestkalkoenen, legkippen, eenden en alle andere kleinere vogelsoorten, siervogels en de nieuwe vergunning voor kippen gehouden voor legdoeleinden of voor fokdoeleinden, kalkoenen gehouden voor fokdoeleinden of fokhennen en speenvarkens en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 243/2007, (EG) nr. 1142/2007, (EG) nr. 165/2008, (EG) nr. 505/2008 en (EU) nr. 327/2010 (vergunninghouder BASF SE)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 243/2007 van de Commissie (2) is een vergunning verleend voor een periode van tien jaar voor Aspergillus niger (CBS 101.672) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen (gespeend), mestvarkens en mestkippen, bij Verordening (EG) nr. 1142/2007 van de Commissie (3) voor legkippen en mestkalkoenen, bij Verordening (EG) nr. 165/2008 van de Commissie (4) voor eenden, bij Verordening (EG) nr. 505/2008 van de Commissie (5) voor zeugen, en bij Verordening (EU) nr. 327/2010 van de Commissie (6) voor kleine vogelsoorten, met uitzondering van eenden, en voor siervogels. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in samenhang met artikel 7 van die verordening, is door de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor de verlenging van de vergunning voor 3-fytase geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 101.672) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen (gespeend), mestvarkens, zeugen, mestkippen, legkippen, mestkalkoenen, eenden en andere kleine vogelsoorten en siervogels, en voor een nieuwe toepassing voor kippen gehouden voor legdoeleinden of voor fokdoeleinden, kalkoenen gehouden voor fokdoeleinden of fokhennen en speenvarkens, en de aanvrager heeft verzocht om dat toevoegingsmiddel in de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, en artikel 14, lid 2, van die verordening vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 26 februari 2019 (7) geconcludeerd dat de aanvrager gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat het toevoegingsmiddel voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid en het milieu heeft. Zij heeft ook geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel een inhallatieallergeen is en als een potentieel huidallergeen moet worden beschouwd. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de menselijke gezondheid te voorkomen, met name wat de gebruikers van de toevoegingsmiddelen voor diervoeders betreft. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel doeltreffend is voor de verbetering van de verteerbaarheid van diervoeders voor kippen gehouden voor legdoeleinden of voor fokdoeleinden, kalkoenen gehouden voor fokdoeleinden of fokhennen en speenvarkens. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium is ingediend. |
|
(5) |
Uit de beoordeling van 3-fytase geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 101.672) blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. De vergunning voor dat toevoegingsmiddel, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden verlengd. |
|
(6) |
Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor 3-fytase geproduceerd Aspergillus niger (CBS 101.672) als toevoegingsmiddel voor diervoeding onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, moeten de Verordeningen (EG) nr. 243/2007, (EG) nr. 1142/2007, (EG) nr. 165/2008, (EG) nr. 505/2008 en (EU) nr. 327/2010 worden ingetrokken. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verteringsbevorderaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend en verlengd.
Artikel 2
De Verordeningen (EG) nr. 243/2007, (EG) nr. 1142/2007, (EG) nr. 165/2008, (EG) nr. 505/2008 en (EU) nr. 327/2010 worden ingetrokken.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 februari 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Verordening (EG) nr. 243/2007 van de Commissie van 6 maart 2007 tot verlening van een vergunning voor 3-fytase (Natuphos) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 73 van 13.3.2007, blz. 4).
(3) Verordening (EG) nr. 1142/2007 van de Commissie van 1 oktober 2007 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van 3-fytase (Natuphos) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 256 van 2.10.2007, blz. 20).
(4) Verordening (EG) nr. 165/2008 van de Commissie van 22 februari 2008 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van 3-fytase (Natuphos) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 50 van 23.2.2008, blz. 8).
(5) Verordening (EG) nr. 505/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van 3-fytase (Natuphos) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 33).
(6) Verordening (EU) nr. 327/2010 van de Commissie van 21 april 2010 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van 3-fytase als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle kleine vogelsoorten, met uitzondering van eenden, en voor siervogels (vergunninghouder BASF SE) (PB L 100 van 22.4.2010, blz. 3).
(7) EFSA Journal 2019;17(3):5640.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunning-houder |
Toevoegings-middel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximum-leeftijd |
Minimum-gehalte |
Maximum-gehalte |
Andere bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||
|
Activiteitseenheid/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||
|
Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars |
|||||||||||||
|
4a1600 |
BASF SE |
3-fytase EC 3.1.3.8 |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel 3-fytase geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 101.672) met een minimale activiteit van: vaste vorm: 5 000 FTU (1)/g Vloeibare vorm: 5 000 FTU/ml Karakterisering van de werkzame stof 3-fytase geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 101.672) Analysemethode (2)Colorimetrische methode die anorganisch fosfaat meet dat vrijkomt uit een fytaatsubstraat door het enzym. |
Biggen (gespeende biggen en speen-varkens) Zeugen |
- |
500 FTU |
|
|
27.2.2030 |
||||
|
Mestvarkens |
- |
100 FTU |
|
||||||||||
|
Mestkippen Legkippen en op-fokhennen |
- |
375 FTU |
|
||||||||||
|
Legkippen Mestkalkoenen Kalkoenen gehouden voor fokdoeleinden en fokhennen Siervogels en alle kleine vogelsoorten, met uitzondering van eenden |
- |
250 FTU |
|
||||||||||
|
Eenden |
- |
300 FTU |
|
||||||||||
(1) (1) 1 FTU is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 5,5 en een temperatuur van 37 °C 1 micromol anorganisch fosfaat per minuut vrijmaakt uit natriumfytaat.
(2) (2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/9 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/173 VAN DE COMMISSIE
van 6 februari 2020
tot verlening van een vergunning voor briljantblauw FCF als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten en honden
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Voor briljantblauw FCF is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor honden en katten dat behoort tot de groep “kleurstoffen, met inbegrip van pigmenten” van de rubriek “kleurstoffen die voor de kleuring van levensmiddelen zijn toegestaan op grond van de communautaire voorschriften”. Vervolgens is het toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van briljantblauw FCF als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor honden en katten. De aanvrager heeft verzocht om het toevoegingsmiddel in te delen in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 19 juni 2013 (3) geconcludeerd dat briljantblauw FCF onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid heeft. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de stof voor de gebruiker van het toevoegingsmiddel als een gevaar bij inademing moet worden beschouwd en dat deze bij gebrek aan gegevens over de irriterende werking op de huid of de ogen als potentieel irriterend voor de huid en/of de ogen kan worden beschouwd. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de menselijke gezondheid te voorkomen, met name wat betreft de gebruikers van het toevoegingsmiddel. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie (4) is op basis van fase I van de milieurisicobeoordeling vastgesteld dat briljantblauw FCF, als additief voor niet-voedselproducerende dieren, van verdere beoordeling is vrijgesteld wegens de onwaarschijnlijkheid van een aanzienlijk milieueffect, aangezien de EFSA in haar bovengenoemd advies geen zorgwekkend wetenschappelijk bewijs heeft aangehaald. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het betrokken toevoegingsmiddel doeltreffend is voor het toevoegen van kleur aan diervoeders. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium is ingediend. |
|
(5) |
Uit de beoordeling van briljantblauw FCF blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat toevoegingsmiddel zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan. |
|
(6) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stof vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Vergunningverlening
Voor de in de bijlage beschreven stof, die behoort tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “kleurstoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. De in de bijlage omschreven stof en de voormengsels die deze stof bevatten en die vóór 27 augustus 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 27 februari 2020 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De voedermiddelen en mengvoeders die de in de bijlage beschreven stof bevatten die vóór 27 februari 2022 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 27 februari 2020 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 februari 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2013;11(7):3288.
(4) Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie van 25 april 2008 tot vaststelling van voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de opstelling en indiening van aanvragen en de beoordeling van en de verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 1).
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||
|
mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||
|
Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: kleurstoffen. i) stoffen die aan diervoeders kleur geven of daaraan kleur teruggeven |
||||||||||||||||||||
|
2a133 |
Briljantblauw FCF |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: briljantblauw FCF, beschreven als het natriumzout (hoofdbestanddeel). Vaste vorm (poeder) ------------------- Karakterisering van de werkzame stof als het natriumzout: Dinatrium-α-[4-(N-ethyl-3-sulfonatobenzylamino)fenyl]-α-[4-N-ethyl-3-sulfonatobenzylamino)cyclohexa-2,5-diënylideen]tolueen-2-sulfonaat Het calcium- en het kaliumzout zijn ook toegestaan. Chemische formule: C37H34N2Na2O9S3 Vaste vorm (poeder), geproduceerd door chemische synthese CAS-nummer: 3844-45-9 Zuiverheidscriteria Minimaal 85 % totaal aan kleurstoffen, berekend als het natriumzout (gehaltebepaling) In water onoplosbaar materiaal: ≤ 0,2 % Secundaire kleurstoffen: ≤ 6 % Andere organische verbindingen dan kleurstoffen:
Leukobase: ≤ 5 % Niet-gesulfoneerde primaire aromatische aminen: ≤ 0,01 % (berekend als aniline) Met ether extraheerbare bestanddelen: ≤ 0,2 % uit een oplossing met pH 7 ———————————————— Analysemethode (1) Voor de kwantificering van het totaal aan kleurstoffen van briljantblauw FCF in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spectrofotometrie bij 630 nm en titratie met titaanchloride zoals beschreven in:
Voor de kwantificering van briljantblauw FCF in diervoeders:
|
Katten |
— |
— |
278 |
|
27.2.2030 |
||||||||||||
|
Honden |
— |
— |
334 |
|||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de volgende webpagina van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports
BESLUITEN
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/13 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/174 VAN DE COMMISSIE
van 6 februari 2020
betreffende de goedkeuring van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor bepaalde personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen als innoverende technologie uit hoofde van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (1), en met name artikel 11, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 12 april 2019 hebben de fabrikanten Toyota Motor Europe NV/SA, Opel Automobile GmbH — PSA, FCA Italy S.p.A., Automobile Citroën, Automobile Peugeot, PSA Automobiles SA, Mitsubishi Electric Corporation, Audi AG, Ford Werke GmbH, Jaguar Land Rover Ltd, Hyunday Motor Europe Technical Center GmbH, Bayerische Motoren Werke AG, Renault SA, Honda Motor Europe Ltd, Volkswagen AG, Volkswagen Nutzfahrzeuge, Daimler AG, Denso Corporation en SEG Automotive Germany GmbH een gezamenlijke aanvraag ingediend (“de aanvraag”) voor de goedkeuring als innoverende technologie van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen met aandrijving door een verbrandingsmotor. |
|
(2) |
De aanvraag is beoordeeld overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/631, de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 725/2011 (2) en (EU) nr. 427/2014 (3) van de Commissie en de “Technical Guidelines for the preparation of applications for the approval of innovative technologies pursuant to Regulation (EC) No 443/2009 of the European Parliament and of the Council” (versie van juli 2018) (4). Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2019/631 ging de aanvraag vergezeld van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie. |
|
(3) |
De in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie waarbij mechanische energie met een bepaalde omzettingsrendement wordt omgezet in elektrische energie is bij de Uitvoeringsbesluiten 2013/341/EU (5), 2014/465/EU (6), (EU) 2015/158 (7), (EU) 2015/295 (8), (EU) 2015/2280 (9) en (EU) 2016/588 (10) van de Commissie reeds goedgekeurd voor personenauto’s en bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1876 van de Commissie (11) voor lichte bedrijfsvoertuigen (hierna gezamenlijk “eerdere uitvoeringsbesluiten tot goedkeuring” genoemd) als innoverende technologie die de CO2-emissies kan beperken op een manier die niet kan worden gemeten met de emissietest volgens de in Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (12) vastgestelde nieuwe Europese rijcyclus. |
|
(4) |
In de aanvraag wordt echter verwezen naar de nieuwe standaardtestprocedure, de wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP), die is vastgesteld bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (13), en er wordt aangetoond dat de WLTP-emissietest evenmin geschikt is om de CO2-besparingen als gevolg van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie te meten. |
|
(5) |
Op basis van de ervaring die is opgedaan bij de beoordeling van aanvragen betreffende technologieën die bijdragen tot een groter rendement van alternatoren, in het kader van de eerdere uitvoeringsbesluiten tot goedkeuring, alsook op basis van de bij de aanvraag gevoegde verslagen en andere informatie, is bevredigend en overtuigend aangetoond dat de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voldoet aan de in artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2019/631 vastgestelde criteria en aan de in artikel 9, lid 1, onder b), van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 725/2011 en (EU) nr. 427/2014 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen. |
|
(6) |
In de aanvraag wordt een methode beschreven voor het testen van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de technologie in alternatoren van 12 V in personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen. Naast de verwijzing naar de WLTP wijkt de methode af van de testmethode die in de eerdere uitvoeringsbesluiten tot goedkeuring is beschreven, met name wat de definitie van energieverbruik, de definitie van de gemiddelde snelheid en het gebruik van een inloopprocedure betreft. |
|
(7) |
Het is wenselijk de definities van energieverbruik en de gemiddelde snelheid aan te passen teneinde rekening te houden met de WLTP. Wat de toevoeging van een inloopprocedure voor de alternator aan de testmethode betreft, bevat de aanvraag echter onvoldoende nauwkeurige informatie over de wijze waarop dergelijke inloopprocedures moeten worden uitgevoerd en de inloopeffecten in aanmerking moeten worden genomen. In de bestaande testmethode, zoals uiteengezet in de eerdere uitvoeringsbesluiten tot goedkeuring, is bovendien al vastgelegd dat dergelijke effecten in voorkomend geval in aanmerking kunnen worden genomen door de eis dat het rendement van de alternator minstens vijf keer moet worden gemeten. Aangezien het rendement van alternatoren wordt bepaald op basis van het gemiddelde van de meetresultaten, kunnen de inloopeffecten, zowel positieve als negatieve, op passende wijze in aanmerking worden genomen bij de definitieve vaststelling van het rendement, zo nodig door het aantal metingen te verhogen. Tegen die achtergrond is het niet passend de testmethode aan te vullen met een aanvullende specifieke inloopprocedure, zoals in de aanvraag is voorgesteld. |
|
(8) |
Ook is het wenselijk het omzettingsrendement te handhaven op de niveaus die reeds bij de eerdere uitvoeringsbesluiten tot goedkeuring zijn goedgekeurd, aangezien er geen bewijzen zijn geleverd dat de alternatoren met een lagere omzettingsrendementsfactor voldoen aan de in artikel 2, lid 2, onder a), van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 725/2011 en (EU) nr. 427/2014 vastgestelde marktpenetratie-eis. |
|
(9) |
Gezien bovenstaande overwegingen moet de aangepaste testmethode als passend worden beschouwd voor het bepalen van de CO2-besparingen als gevolg van de betreffende innoverende technologie. |
|
(10) |
De fabrikanten moeten de mogelijkheid krijgen om bij een typegoedkeuringsinstantie een aanvraag in te dienen voor de certificering van CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de technologie in efficiënte alternatoren van 12 V die voldoet aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden. De fabrikanten moeten hiertoe bij de aanvraag voor certificering een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie voegen, waarin wordt bevestigd dat de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voldoet aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden en dat de besparingen zijn bepaald overeenkomstig de in dit besluit uiteengezette testmethode. |
|
(11) |
Met het oog op een bredere toepassing van efficiënte alternatoren van 12 V in nieuwe voertuigen moet een fabrikant ook de mogelijkheid krijgen om één enkele aanvraag in te dienen voor de certificering van de CO2-besparingen van meerdere efficiënte alternatoren van 12 V. Het is echter passend te waarborgen dat, wanneer van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, een mechanisme wordt toegepast waarmee alleen de toepassing van de efficiëntste alternatoren wordt gestimuleerd. |
|
(12) |
De typegoedkeuringsinstantie moet nauwkeurig nagaan of aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden voor het certificeren van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van een innoverende technologie is voldaan. De typegoedkeuringsinstantie die een certificering verleent, moet ervoor zorgen dat alle elementen die zij voor de certificering in aanmerking heeft genomen, in een testrapport zijn geregistreerd en dat dit testrapport samen met het verificatierapport wordt bewaard en dat deze informatie op verzoek aan de Commissie ter beschikking wordt gesteld. |
|
(13) |
Om de algemene eco-innovatiecode vast te stellen die overeenkomstig de bijlagen I, VIII en IX bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten moet worden vermeld, moet aan de innoverende technologie een individuele code worden toegekend. |
|
(14) |
Vanaf 2021 moet worden nagegaan of de fabrikanten hun specifieke CO2-emissiedoelstellingen behalen op basis van de overeenkomstig de WLTP vastgestelde CO2-emissies. De CO2-besparingen als gevolg van de innovatieve technologie die overeenkomstig dit besluit zijn gecertificeerd, mogen derhalve met ingang van het kalenderjaar 2021 in aanmerking worden genomen voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Innoverende technologie
De in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor de omzetting van mechanische energie in elektrische energie wordt goedgekeurd als innoverende technologie in de zin van artikel 11 van Verordening (EU) 2019/631, aangezien de in Verordening (EU) 2017/1151 beschreven standaardtestprocedure niet op de technologie van toepassing is, mits de innoverende technologie aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
de technologie is gemonteerd in door een verbrandingsmotor aangedreven personenauto’s (M1) en lichte bedrijfsvoertuigen (N1); |
|
b) |
de technologie wordt uitsluitend gebruikt voor het opladen van de voertuigaccu en voor de voeding van het elektrisch systeem van het voertuig terwijl de verbrandingsmotor draait; |
|
c) |
de technologie heeft een rendement, d.w.z. een omzettingsfactor voor de omzetting van mechanische energie in elektrische energie, van ten minste:
|
Artikel 2
Aanvraag voor certificering van CO2-besparingen
1. Een fabrikant kan op grond van dit besluit bij een typegoedkeuringsinstantie een aanvraag indienen tot certificering van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de overeenkomstig artikel 1 goedgekeurde technologie (“de technologie”) in een of meer efficiënte alternatoren van 12 V.
2. De fabrikant zorgt ervoor dat de aanvraag tot certificering vergezeld gaat van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie waarin wordt bevestigd dat aan de voorwaarden van artikel 1 is voldaan.
3. Indien de besparingen overeenkomstig artikel 3 zijn gecertificeerd, zorgt de fabrikant ervoor dat de gecertificeerde CO2-besparingen en de in artikel 4, lid 1, bedoelde eco-innovatiecode worden opgenomen in de conformiteitscertificaten van de desbetreffende voertuigen.
Artikel 3
Certificering van CO2-besparingen
1. De typegoedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de innoverende technologie volgens de in de bijlage beschreven methode worden vastgesteld.
2. Wanneer een fabrikant met betrekking tot één voertuigversie certificering aanvraagt van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de technologie in meer dan één efficiënte alternator van 12 V, bepaalt de typegoedkeuringsinstantie welke van de geteste efficiënte alternatoren van 12 V de laagste CO2-besparingen oplevert. Deze waarde wordt gebruikt voor de toepassing van lid 3.
3. De typegoedkeuringsinstantie registreert de gecertificeerde CO2-besparingen die zijn vastgesteld overeenkomstig lid 1 of lid 2, alsook de in artikel 4, lid 1, bedoelde eco-innovatiecode in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumentatie.
4. De typegoedkeuringsinstantie registreert alle elementen die zij voor de certificering in aanmerking heeft genomen, in een testrapport en bewaart dit testrapport samen met het in het in artikel 2, lid 2, bedoelde verificatierapport, en stelt deze informatie op verzoek aan de Commissie ter beschikking.
5. De typegoedkeuringsinstantie certificeert alleen CO2-besparingen als zij van oordeel is dat de in de efficiënte alternator(en) van 12 V gebruikte technologie voldoet aan de in artikel 1 vastgestelde voorwaarden en als de bereikte CO2-besparingen minstens 0,5 g CO2/km bedragen, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 voor personenauto’s of van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 voor lichte bedrijfsvoertuigen vastgestelde drempels.
Artikel 4
Eco-innovatiecode
1. Aan de bij dit besluit goedgekeurde innoverende technologie wordt eco-innovatiecode 29 toegewezen.
2. De gecertificeerde CO2-besparingen die onder verwijzing naar die eco-innovatiecode worden geregistreerd, kunnen met ingang van het kalenderjaar 2021 in aanmerking worden genomen voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies van fabrikanten.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 6 februari 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 194 van 26.7.2011, blz. 19).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 van de Commissie van 25 april 2014 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 125 van 26.4.2014, blz. 57).
(4) Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1) https://circabc.europa.eu/w/browse/f3927eae-29f8-4950-b3b3-d2e700598b52
(5) Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie van 27 juni 2013 betreffende de goedkeuring van de Valeo Efficient Generation Alternator als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 98).
(6) Uitvoeringsbesluit 2014/465/EU van de Commissie van 16 juli 2014 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator van DENSO als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie (PB L 210 van 17.7.2014, blz. 17).
(7) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/158 van de Commissie van 30 januari 2015 betreffende de goedkeuring van twee hoogrendementsalternatoren van Robert Bosch GmbH als innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 26 van 31.1.2015, blz. 31).
(8) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/295 van de Commissie van 24 februari 2015 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator MELCO GXi als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 53 van 25.2.2015, blz. 11).
(9) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2280 van de Commissie van 7 december 2015 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator van DENSO als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 322 van 8.12.2015, blz. 64).
(10) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/588 van de Commissie van 14 april 2016 betreffende de goedkeuring van efficiënte alternatoren van 12 V als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 101 van 16.4.2016, blz. 25).
(11) Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1876 van de Commissie van 29 november 2018 betreffende de goedkeuring van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor conventionele door een verbrandingsmotor aangedreven lichte bedrijfsvoertuigen als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 306 van 30.11.2018, blz. 53).
(12) Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).
(13) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
(14) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
BIJLAGE
Methode voor de bepaling van de CO2-besparingen van een efficiënte alternator van 12 V in personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen met aandrijving door een verbrandingsmotor [waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 1 onder verwijzing naar de wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen]
1. INLEIDING
Om te bepalen welke CO2-besparingen aan het gebruik van een efficiënte alternator van 12 V in een personenauto en licht bedrijfsvoertuig met aandrijving door een verbrandingsmotor kunnen worden toegeschreven, moet het volgende worden gespecificeerd:
|
1) |
de testomstandigheden; |
|
2) |
de testapparatuur; |
|
3) |
de procedure voor de bepaling van het totale rendement; |
|
4) |
de procedure voor de bepaling van de CO2-besparingen; |
|
5) |
de procedure voor de bepaling van de onzekerheid van de CO2-besparingen. |
2. SYMBOLEN, PARAMETERS EN EENHEDEN
Latijnse symbolen
|
|
- |
CO2-besparingen [g CO2/km] |
|
CO2 |
- |
Kooldioxide |
|
CF |
- |
Omrekeningsfactor (l/100 km) – (g - CO2/km) [gCO2/l] zoals gedefinieerd in tabel 3 |
|
h |
- |
Frequentie zoals gedefinieerd in tabel 1 |
|
I |
- |
Stroomsterkte waarbij de meting wordt verricht [A] |
|
m |
- |
Aantal metingen van het monster |
|
M |
- |
Koppel [Nm] |
|
n |
- |
Toerental [min-1] zoals gedefinieerd in tabel 1 |
|
P |
- |
Vermogen [W] |
|
sηEI |
- |
Standaardafwijking van het rendement van de eco-innoverende alternator [%] |
|
|
- |
Standaardafwijking van het gemiddelde rendement van de eco-innoverende alternator [%] |
|
|
- |
Standaardafwijking van de totale CO2-besparingen [g CO2/km] |
|
U |
- |
Testspanning waarbij de meting wordt verricht [V] |
|
v |
- |
Gemiddelde rijsnelheid van de wereldwijd geharmoniseerde testcyclus voor lichte voertuigen (WLTC) [km/h] |
|
VPe |
- |
Verbruik van effectief vermogen [l/kWh] zoals gedefinieerd in tabel 2 |
|
|
- |
Gevoeligheid van berekende CO2-besparingen gerelateerd aan het rendement van de eco-innoverende alternator |
Griekse symbolen
|
Δ |
- |
Verschil |
|
η |
- |
Rendement van de basisalternator [%] |
|
ηEI |
- |
Rendement van de efficiënte alternator [%] |
|
|
- |
Gemiddeld rendement van de eco-innoverende alternator op werkingspunt i [%] |
Indices
Index i verwijst naar het werkingspunt
Index j verwijst naar meting van het monster
|
EI |
- |
Eco-innoverend |
|
m |
- |
Mechanisch |
|
RW |
- |
Werkelijke rijomstandigheden |
|
TA |
- |
Typegoedkeuringsomstandigheden |
|
B |
- |
Basis |
3. TESTOMSTANDIGHEDEN
De testomstandigheden moeten voldoen aan de voorschriften van ISO 8854:2012 (1).
4. TESTAPPARATUUR
De testapparatuur moet voldoen aan de voorschriften van ISO 8854:2012 (1).
5. METINGEN EN BEPALING VAN HET RENDEMENT
Het rendement van de efficiënte alternator van 12 V wordt bepaald volgens ISO 8854:2012 (1), met uitzondering van de in dit punt beschreven elementen.
De metingen worden verricht op verschillende werkingspunten i, zoals bepaald in tabel 1. De stroomsterkte van de alternator wordt gedefinieerd als de helft van de nominale stroom voor alle werkingspunten. Voor alle snelheden moeten de spanning en uitgangsstroom van de alternator constant worden gehouden, en moet de spanning 14,3 V bedragen.
Tabel 1
|
Werkingspunt i |
Wachttijd [s] |
Toerental ni [min-1] |
Frequentie hi |
|
1 |
1 200 |
1 800 |
0,25 |
|
2 |
1 200 |
3 000 |
0,40 |
|
3 |
600 |
6 000 |
0,25 |
|
4 |
300 |
10 000 |
0,10 |
Het rendement wordt berekend volgens formule 1.
Formule 1
Alle rendementsmetingen worden ten minste vijf (5) keer achter elkaar uitgevoerd. Het gemiddelde van de metingen op elk werkingspunt (
Het rendement van de eco-innoverende alternator (ηEI) wordt berekend volgens formule 2.
Formule 2
De efficiënte alternator leidt tot besparingen van het mechanisch vermogen in werkelijke omstandigheden (ΔPmRW) en typegoedkeuringsomstandigheden (ΔPmTA) zoals gedefinieerd in formule 3.
ΔPm = ΔPmRW - ΔPmTA
Het bespaarde mechanisch vermogen in werkelijke rijomstandigheden (ΔPmRW) wordt berekend volgens formule 4 en het bespaarde mechanisch vermogen in typegoedkeuringsomstandigheden (ΔPmTA) wordt berekend volgens formule 5.
Formule 4
Formule 5
waarbij:
|
PRW |
: |
vereist vermogen in werkelijke omstandigheden [W], te weten 750 W. |
|
PTA |
: |
vereist vermogen in typegoedkeuringsomstandigheden [W], te weten 350 W. |
|
ηB |
: |
rendement van de basisalternator [%], te weten 67 %. |
6. BEREKENING VAN DE CO2-BESPARINGEN
Voor de berekening van de CO2-besparingen van de efficiënte alternator moet formule 6 worden gebruikt.
Formule 6
waarbij:
|
v |
: |
gemiddelde rijsnelheid van de WLTC [km/h], te weten 46,60 km/h. |
|
VPe |
: |
verbruik van effectief vermogen zoals gespecificeerd in onderstaande tabel 2. |
Tabel 2
Verbruik van effectief vermogen
|
Motortype |
Verbruik van effectief vermogen (VPe) [l/kWh] |
|
Benzine |
0,264 |
|
Benzine turbo |
0,280 |
|
Diesel |
0,220 |
CF: de factor zoals gespecificeerd in onderstaande tabel 3.
Tabel 3
Omrekeningsfactor voor brandstof
|
Brandstoftype |
Omrekeningsfactor (l/100 km) - (g CO2/km) (CF) [gCO2/l] |
|
Benzine |
2 330 |
|
Diesel |
2 640 |
7. BEREKENING VAN DE STATISTISCHE FOUT
Statistische fouten in de resultaten van de testmethode als gevolg van de metingen moeten worden gekwantificeerd. Voor elk werkingspunt wordt de standaardafwijking berekend volgens formule 7:
Formule 7
De standaardafwijking van de rendementswaarde van de efficiënte alternator (sηEI) wordt berekend volgens formule 8.
Formule 8
De standaardafwijking van het rendement van de alternator (sηEI) resulteert in een fout in de CO2-besparingen (
Formule 9
8. STATISTISCHE SIGNIFICANTIE
Voor elk type, elke variant en elke uitvoering van een voertuig dat met de efficiënte alternator is uitgerust, moet worden aangetoond dat de fout in de CO2-besparingen als berekend volgens formule 9 niet groter is dan het verschil tussen de totale CO2-besparingen en de te bereiken minimumbeperking voor besparingen zoals vermeld in artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 (zie formule 10).
Formule 10
waarbij:
|
MT |
: |
minimumbeperking [g CO2/km]. |
|
|
: |
totale CO2-besparingen [g CO2/km]. |
|
|
: |
standaardafwijking van de totale CO2-besparingen [g CO2/km]. |
|
|
: |
CO2-correctiecoëfficiënt vanwege het positieve massaverschil tussen de efficiënte alternator en de basisalternator.
|
Tabel 4
|
CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa |
|
| Benzine (
|
0,0277•Δm |
| Diesel (
|
0,0383•Δm |
In tabel 4 is Δm de extra massa vanwege de installatie van de efficiënte alternator. Die massa is gelijk aan het positieve verschil tussen de massa van de efficiënte alternator en de massa van de basisalternator. De massa van de basisalternator is 7 kg. Met betrekking tot de evaluatie van de extra massa moet de fabrikant geverifieerde documentatie aan de typegoedkeuringsinstantie verstrekken.
9. TEST- EN EVALUATIEVERSLAG
Het verslag moet het volgende bevatten:
|
— |
model en massa van de geteste alternatoren, |
|
— |
omschrijving van de testbank, |
|
— |
testresultaten (gemeten waarden), |
|
— |
berekende resultaten en bijbehorende formules. |
10. DE IN VOERTUIGEN TE MONTEREN EFFICIËNTE ALTERNATOR
De typegoedkeuringsinstantie certificeert de CO2-besparingen op basis van metingen van de efficiënte alternator en de basisalternator door middel van de in deze bijlage vastgelegde testmethode. Indien de CO2-emissiebesparingen minder zijn dan de minimumbeperking van artikel 9, lid 1, is artikel 11, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 725/2011 van toepassing.
(1) ISO 8854:2012 Wegvoertuigen — Wisselstroomdynamo’s met regelaars — Beproevingsmethoden en algemene eisen.
Referentienummer: ISO 8854:2012, gepubliceerd op 1 juni 2012.
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/23 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/175 VAN DE COMMISSIE
van 6 februari 2020
tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 betreffende beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in bepaalde lidstaten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 762)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 van de Commissie (3) is vastgesteld naar aanleiding van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in bedrijven waar pluimvee wordt gehouden in bepaalde lidstaten en de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden door die lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (4). |
|
(2) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 is bepaald dat de beschermings- en toezichtsgebieden die door de in de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit opgenomen lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG zijn ingesteld, ten minste de gebieden moeten omvatten die in de lijst van die bijlage zijn opgenomen. |
|
(3) |
Naar aanleiding van gevallen van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 bij pluimvee in Polen en Slowakije die in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2020/47 moesten worden weerspiegeld, is die bijlage onlangs bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/134 van de Commissie (5) gewijzigd. |
|
(4) |
Sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/134 is vastgesteld, heeft Polen de Commissie in kennis gesteld van bijkomende uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in bedrijven waar pluimvee wordt gehouden, in de districten Wolsztyn (powiat wolsztyński) en Racibórz (powiat raciborski), buiten de gebieden die momenteel in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 zijn opgenomen, en de bevoegde autoriteiten van die lidstaat hebben de overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG vereiste noodzakelijke maatregelen genomen, waaronder de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden rond die nieuwe uitbraken. |
|
(5) |
De Commissie heeft de door Polen overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG genomen maatregelen bestudeerd en heeft geconstateerd dat de grenzen van de door de bevoegde autoriteiten van Polen ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden op voldoende afstand liggen van de bedrijven waar de recente uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 zijn bevestigd. |
|
(6) |
Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moeten de door Polen overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG ingestelde nieuwe beschermings- en toezichtsgebieden snel in samenwerking met die lidstaat op het niveau van de Unie worden vastgesteld. Daarom moeten de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 opgenomen beschermings- en toezichtsgebieden voor Polen worden gewijzigd. |
|
(7) |
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 moet derhalve worden gewijzigd om de regionalisering op het niveau van de Unie bij te werken, de nieuwe, overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG door Polen ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden op te nemen en de duur van de daarin geldende beperkingen aan te geven. |
|
(8) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die bij dit besluit in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 worden aangebracht, zo spoedig mogelijk in werking treden. |
|
(10) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 6 februari 2020.
Voor de Commissie
Stella KYRIAKIDES
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 van de Commissie van 20 januari 2020 betreffende beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in bepaalde lidstaten (PB L 16 van 21.1.2020, blz. 31).
(4) Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/134 van de Commissie van 30 januari 2020 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 betreffende beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in bepaalde lidstaten (PB L 27 van 31.1.2020, blz. 27).
BIJLAGE
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/47 wordt vervangen door:
“BIJLAGE
DEEL A
In de artikelen 1 en 2 bedoelde beschermingsgebieden in de betrokken lidstaten:
Lidstaat: Tsjechië
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Region of Vysočina: |
|
|
Borovec (763446), Dolní Čepí (773514), Horní Čepí (773522), Kozlov u Lesoňovic (680257), Lískovec u Nedvědice (773557), Olešnička (763454), Štěpánov nad Svratkou (763462), Švařec (669601), Ujčov (773565), Vrtěžíř (763471) |
10.2.2020 |
Lidstaat: Hongarije
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Komárom-Esztergom megye: |
|
|
Ács és Bábolna települések közigazgatási területeinek a 47.687049 és a 17.989846, a 47.690195 és a 17.995825, valamint a 47.686220 és a 17.987319 GPS-koordináták által meghatározott pont körüli 3 km sugarú körön belül eső területei |
17.2.2020 |
|
Hajdú-Bihar megye: |
|
|
Kokad és Létavértes települések közigazgatási területeinek a 47.387114 és a 21.9118493 GPS-koordináták által meghatározott pont körüli 3 km sugarú körön belül eső területei |
8.2.2020 |
Lidstaat: Slowakije
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Nitra region: |
|
|
Municipalities: Zbehy, Čajakovce |
30.1.2020 |
|
Trnava region: |
|
|
Municipality: Cífer |
10.2.2020 |
|
Pezinok region: |
|
|
Municipality: Jablonec |
10.2.2020 |
|
Čadca region: |
|
|
Municipalities: Stará Bystrica, Radôstka |
18.2.2020 |
Lidstaat: Polen
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG |
||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiecie lubartowskim: |
|||||||||
|
W gminie Uścimów miejscowości: Stary Uścimów, Nowy Uścimów, Drozdówka, Głębokie, Maśluchy, Orzechów Kolonia; Nowy Orzechów, Stary Orzechów |
29.1.2020 |
||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiecie krasnostawskim: |
|||||||||
|
29.1.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||
|
Część gmin Ostrów Wielkopolski i Przygodzice odgraniczone: od północy od przejazdu kolejowego na ulicy Gorzyckiej w Ostrowie Wielkopolskim, dalej ulicą Gorzycką w kierunku zachodnim do kościoła w miejscowości Gorzyce Wielkie. W kierunku południowym mijając od wschodu wsie Radziwiłłów do miejscowości Gorzyce Małe. Następnie do drogi nr 445 i ciekiem wodnym przez las i niezamieszkałą część ulicy Kwiatowej w miejscowości Tarchały Wielkie. Następnie na wschód ulicą długą w miejscowości Topola Wielka do miejscowości Janków Przygodzki wzdłuż ulicy Długiej do skrzyżowania z ulicą Zębcowską. Na północ wzdłuż ulicy Zębcowskiej w Jankowie Przygodzkim do ulicy Staroprzygodzkiej w Ostrowie Wielkopolskim. Wzdłuż ulicy Staroprzygodzkiej do ulicy Siewnej, następnie na północny zachód ulicą Długą w miejscowości Ostrów Wielkopolski do ulicy Krętej, dalej wzdłuż ulicy Krętej i dalej ulicy Bocznej do przejazdu kolejowego na ulicy Gorzyckiej w miejscowości Ostrów Wielkopolski. |
26.1.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||
|
W gminie Ostrów Wielkopolski miejscowości: Słaborowice, Lewków, Szczury, Kwiatków, Kołątajew, Franklinów, Młynów, Będzieszyn, Michałków, Czekanów |
8.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||
|
8.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||
|
13.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim w powiecie wolsztyńskim: |
|||||||||
|
20.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie kolskim: |
|||||||||
|
5.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie szamotulskim |
|||||||||
|
W gminie Ostroróg miejscowości: Zapust, Wielonek, Klemensowo, Rudki Huby, Ostroróg |
15.2.2020 |
||||||||
|
W województwie wielkopolskim w powiecie wolsztyńskim: |
|||||||||
|
20.2.2020 |
||||||||
|
W województwie zachodniopomorskim w powiecie myśliborskim: |
|||||||||
|
8.2.2020 |
||||||||
|
W województwie dolnośląskim w powiatach legnickim i złotoryjskim: |
|||||||||
|
9.2.2020 |
||||||||
|
W województwie warmińsko – mazurskim w powiecie iławskim |
|||||||||
|
W gminie Zalewo: Rąbity, Międzychód, Zatyki, Surbajny, Koziny, Kupin, Rudnia |
20.2.2020 |
||||||||
|
W województwie śląskim w powiecie raciborskim: |
|||||||||
|
W gminie Kuźnia Raciborska, miejscowości: Ruda Kozielska, część miejscowości Rudy połozona na zachód od drogi nr 919 |
20.2.2020 |
||||||||
Lidstaat: Roemenië
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Județul Maramureș |
|
|
Oraș Seini Oraș Seini — localitatea Săbișa |
13.2.2020 |
|
Județul Satu Mare |
|
|
Comuna Pomi, localitatea Pomi |
13.2.2020 |
DEEL B
In de artikelen 1 en 3 bedoelde toezichtsgebieden in de betrokken lidstaten:
Lidstaat: Tsjechië
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Region of Vysočina: |
|
|
Blažejovice u Rozsoch (742414), Bolešín (781037), Bor u Nedvědice (747114), Bratrušín (617008), Brťoví (733407), Bukov na Moravě (615757), Bystřice nad Pernštejnem (616958), Býšovec (617211), Čtyři Dvory (733415), Dolní Rožínka (630098), Domanín u Bystřice nad Pernštejnem (630616), Domanínek (617075), Dvořiště u Bystřice nad Pernštejnem (616982), Hluboké u Dalečína (624471), Horní Rožínka (643980), Hrdá Ves (782483), Chlébské (748498), Chlum (651605), Jabloňov (781363), Josefov u Rožné (742881), Karasín (794970), Kobylnice nad Svratkou (669580), Korouhvice (651613), Koroužné (669598), Kovářová (773549), Lesoňovice (680265), Malé Tresné (741981), Milasín (615765), Moravecké Pavlovice (698571), Pivonice u Lesoňovic (680273), Prosetín u Bystřice nad Pernštejnem (733423), Rodkov (630110), Rovečné (741990), Rozsochy (742431), Rožná (742899), Sejřek (747131), Skorotice (748501), Smrček (617229), Střítež u Bukova (615773), Věchnov (777544), Velké Tresné (742007), Věstín (781045), Věstínek (781053), Věžná na Moravě (781380), Vír (782491), Vojetín u Rozsoch (742449), Zlatkov (742902), Ždánice u Bystřice nad Pernštejnem (794988) |
17.2.2020 |
|
Borovec (763446), Dolní Čepí (773514), Horní Čepí (773522), Kozlov u Lesoňovic (680257), Lískovec u Nedvědice (773557), Olešnička (763454), Štěpánov nad Svratkou (763462), Švařec (669601), Ujčov (773565), Vrtěžíř (763471) |
Van 11.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
|
Southern Moravian region: |
|
|
Bedřichov (601373), Běleč u Lomnice (601918), Brumov u Lomnice (613053), Crhov u Olešnice (617920), Černovice u Kunštátu (620602), Černvír (620661), Doubravník (631388), Hluboké u Kunštátu (639672), Hodonín u Kunštátu (640409), Klokočí u Olší (711128), Křeptov (601926), Křížovice (676675), Křtěnov u Olešnice (676691), Lhota u Olešnice (681202), Louka (687189), Maňová (719358), Nedvědice pod Pernštejnem (702307), Ochoz u Tišnova (709441), Olešnice na Moravě (710415) – část katastrálního území západně od komunikace č. 362 (ul. Rovečínská-Generála Čápka), Olší u Tišnova (711144), Osiky (713112), Pernštejn (702315), Rakové (711152), Rozseč nad Kunštátem (742317), Strhaře (756881), Synalov (761753), Tasovice (765112) |
17.2.2020 |
Lidstaat: Hongarije
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Komárom-Esztergom megye: |
|
|
Bana, Bábolna, Csém, Kisigmánd, Komárom, Mocsa, Nagyigmánd és Tárkány települések közigazgatási területének a 47.687049 és a 17.989846, a 47.690195 és a 17.995825, valamint a 47.686220 és a 17.987319 GPS-koordináták által meghatározott pont körüli 10 km sugarú köráltal határolt területen belül és a védőkörzeten kívül eső területei |
26.2.2020 |
|
Ács és Bábolna települések közigazgatási területeinek a 47.687049 és a 17.989846, a 47.690195 és a 17.995825, valamint a 47.686220 és a 17.987319 GPS-koordináták által meghatározott pont körüli 3 km sugarú körön belül eső területei |
Van 18.2.2020 tot en met 26.2.2020 |
|
Győr-Moson-Sopron megye: |
|
|
Bőny, Nagyszentjános és Rétalap települések közigazgatási területeinek a 47.687049 és a 17.989846 valamint 47.690195 és 17.995825 GPS-koordináták által meghatározott pont körüli 10 km sugarú körön belül eső területei |
26.2.2020 |
|
Hajdú-Bihar megye: |
|
|
Álmosd, Bagamér, Monostorpályi, Pocsaj, Újléta és Vámospércs és települések közigazgatási területeinek a 47.387114 és a 21.9118493 GPS-koordináták által meghatározott pont kürüli 10 km sugarú körön belül és a védőkörzeten kívül eső területei |
17.2.2020 |
|
Kokad és Létavértes települések közigazgatási területeinek a 47.387114 és a 21.9118493 GPS-koordináták által meghatározott pont kürüli 3 km sugarú körön belül eső területei |
Van 9.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
Lidstaat: Slowakije
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Nitra region: |
|
|
Municipalities in region Nitra: Čab, Nové Sady, Malé Zálužie, Kapince, Šurianky, Hruboňovo, Jelšovce, Ľudovítová, Výčapy-Opatovce, Podhorany, Lužianky, Lehota, Alekšince, Lukáčovce, Rišňovce Parts of town Nitra: Dražovce, Zobor, Chrenová, Kynek |
8.2.2020 |
|
Municipalities in region Nitra: City Komárno part of Nová Stráž, part of municipality Žitná na Ostrove |
26.2.2020 |
|
Municipalities: Zbehy, Čajakovce |
Van 31.1.2020 tot en met 8.2.2020 |
|
Topoľčany region: |
|
|
Municipality: Koniarovce |
8.2.2020 |
|
Trnava region: |
|
|
Municipality: Cífer |
Van 11.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
|
Municipalities: Trnava city, Hrnčiarovce nad Parnou, Zeleneč, Biely Kostol, Ružindol, Zvončín, Suchá nad Parnou, Borová, Voderady, Slovenská Nová Ves, Pavlice |
17.2.2020 |
|
Senec region: |
|
|
Municipalities: Blatné, Kaplná, Igram, Čataj |
17.2.2020 |
|
Pezinok region: |
|
|
Municipality: Jablonec |
Van 11.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
|
Municipalities: Báhoň, Štefanová, Budmerice, Vištuk, Šenkvice |
17.2.2020 |
|
Galanta region: |
|
|
Municipality: Veľký Grob |
19.2.2020 |
|
Čadca region: |
|
|
Municipalities: Stará Bystrica, Radôstka, Vychylovka |
Van 19.2.2020 tot en met 27.2.2020 |
|
Municipalities: Klubina, Zborov nad Bystricou, Krásno nad Kysucou, Nová Bystrica, Dunajov |
27.2.2020 |
|
Žilina region: |
|
|
Municipality: Lutiše, Horná Tižiná |
27.2.2020 |
|
Kysucké Nové Mesto region: |
|
|
Municipality: Lodno, part of municipalities: Kysucký Lieskovec, Horný Vadičov |
27.2.2020 |
Lidstaat: Polen
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG |
||||||||||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiatach: lubartowskim, łęczyńskim, parczewskim, włodawskim: |
|||||||||||||||||
|
7.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiecie lubartowskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Uścimów miejscowości: Stary Uścimów, Nowy Uścimów, Drozdówka, Głębokie, Maśluchy, Orzechów Kolonia, Nowy Orzechów, Stary Orzechów |
Van 30.1.2020 tot en met 7.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiatach: krasnostawskim, zamojskim |
|||||||||||||||||
|
7.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiecie krasnostawskim: |
|||||||||||||||||
|
Van 30.1.2020 tot en met 7.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubelskim, w powiatach: krasnostawskim, lubelskim, świdnickim |
|||||||||||||||||
|
7.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||||||||||
|
4.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||||||||||
|
17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
Część gmin Ostrów Wielkopolski i Przygodzice odgraniczone: od północy od przejazdu kolejowego na ulicy Gorzyckiej w Ostrowie Wielkopolskim, dalej ulicą Gorzycką w kierunku zachodnim do kościoła w miejscowości Gorzyce Wielkie. W kierunku południowym mijając od wschodu wieś Radziwiłłów do miejscowości Gorzyce Małe. Następnie do drogi nr 445 i ciekiem wodnym przez las i niezamieszkałą część ulicy Kwiatowej w miejscowości Tarchały Wielkie. Następnie na wschód ulicą długą w miejscowości Topola Wielka do miejscowości Janków Przygodzki wzdłuż ulicy Długiej do skrzyżowania z ulicą Zębcowską. Na północ wzdłuż ulicy Zębcowskiej w Jankowie Przygodzkim do ulicy Staroprzygodzkiej w Ostrowie Wielkopolskim. Wzdłuż ulicy Staroprzygodzkiej do ulicy Siewnej, następnie na północny zachód ulicą Długą w miejscowości Ostrów Wielkopolski do ulicy Krętej, dalej wzdłuż ulicy Krętej i dalej ulicy Bocznej do przejazdu kolejowego na ulicy Gorzyckiej w miejscowości Ostrów Wielkopolski. |
Van 26.1.2020 tot en met 4.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W gminie Ostrów Wielkopolski miejscowości: Słaborowice, Lewków, Szczury, Kwiatków, Kołątajew, Franklinów, Młynów, Będzieszyn, Michałków, Czekanów |
Van 9.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
Van 9.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie ostrowskim: |
|||||||||||||||||
|
Van 14.2.2020 tot en met 23.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiatach ostrowskim i krotoszyńskim: |
|||||||||||||||||
|
W powiecie ostrowskim:
W powiecie krotoszyńskim: W gminie Krotoszyn miejscowości: Baszyny, Ugrzele, Janów, Orpiszew, Świnków |
23.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie kolskim: |
|||||||||||||||||
|
Van 6.2.2020 tot en met 14.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie kolskim: |
|||||||||||||||||
|
14.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie szamotulskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Ostroróg miejscowości: Zapust, Wielonek, Klemensowo, Rudki Huby, Ostroróg |
Van 16.2.2020 tot en met 25.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie szamotulskim: |
|||||||||||||||||
|
25.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim, w powiecie międzychodzkim |
|||||||||||||||||
|
W gminie Chrzypsko Wielkie miejscowość Orle Wielkie |
25.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim w powiecie wolsztyńskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Wolsztyn miejscowości: Berzyna, Stary Widzim Piekiełko, Adamowo Piekiełko, Kębłowo Kolonia, część miejscowości Niałek Wielki położona na południe od drogi nr 32 |
Van 21.2.2020 tot en met 29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie wielkopolskim w powiatach wolsztyńskim i grodziskim: |
|||||||||||||||||
|
W powiecie wolsztyńskim:
W powiecie grodziskim: W gminie Rakoniewice miejscowości: Głodno, Cegielsko Adolfowo, Łąkie, część miejscowości Rostarzewo położona na zachód od ulic Topolowej i Ogrodowej |
29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubuskim w powiecie zielonogórskim |
|||||||||||||||||
|
W gminie Kargowa miejscowości: Obra Dolna, Nowy Jaromierz |
29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie łódzkim, w powiatach łęczyckim, poddębickim: |
|||||||||||||||||
|
14.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie zachodniopomorskim w powiecie myśliborskim: |
|||||||||||||||||
|
Van 9.2.2020 tot en met 17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie zachodniopomorskim w powiatach myśliborskim i gryfińskim: |
|||||||||||||||||
|
17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie lubuskim w powiecie gorzowskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Lubiszyn miejscowości: Mystki, Smoliny, Staw, Podlesie, Zacisze, Gajewo |
17.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie dolnośląskim w powiatach legnickim i złotoryjskim: |
|||||||||||||||||
|
Van 10.2.2020 tot en met 18.2.2020 |
||||||||||||||||
|
18.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie warmińsko – mazurskim w powiecie iławskim |
|||||||||||||||||
|
W gminie Zalewo miejscowości: Rąbity, Międzychód, Zatyki, Surbajny, Koziny, Kupin, Rudnia |
Van 21.2.2020 tot en met 29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie warmińsko – mazurskim w powiatach iławskim, ostródzkim: |
|||||||||||||||||
|
Powiat iławski: W gminie Zalewo miejscowości: Karpowo, Śliwa, Dajny, Barty, Pozorty, Girgajny, Mazanki, Janiki Wielkie, Janiki Małe, Jaśkowo, Wielowieś, Boreczno, Duba, Mozgowo, Huta Wielka, Skitławki, Urowo, Gubławki, Wieprz, Matyty, Polajny, Jerzwałd, Rucewo, Kiemiany, Dobrzyki, Witoszewo, Gajdy, Półwieś, Zalewo, Bajdy, Sadławki, Bądki, Bednarzówka, Brzeziniak, Jezierce, Bukowiec, Likszajny, Tarpno, Nowe Chmielówko Powiat ostródzki:
|
29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie pomorskim w powiecie sztumskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Stary Dzierzgoń od granicy województwa pomorskiego wzdłuż drogi łączącej miejscowości Bajdy-Przezmark do miejscowości Przezmark, następnie po drugiej stronie drogi wojewódzkiej 519 wzdłuż jeziora Motława Wielka do miejscowości Danielówka, dalej drogą leśną do jeziora Witoszewskiego w województwie warmińsko-mazurskim. |
29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie śląskim w powiecie raciborskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Kuźnia Raciborska, miejscowości: Ruda Kozielska, część miejscowości Rudy położona na zachód od drogi nr 919 |
Van 21.2.2020 tot en met 29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie śląskim w powiatach raciborskim, rybnickim, gliwickim, w powiecie miejskim Rybnik: |
|||||||||||||||||
|
W powiecie raciborskim:
W powiecie rybnickim:
W powiecie miejskim Rybnik dzielnice: Stodoły, Grabownia, Chwałęcice, Ochojec na zachód od drogi nr 78; W powiecie gliwickim:
|
29.2.2020 |
||||||||||||||||
|
W województwie opolskim w powiecie kędzierzyńsko-kozielskim: |
|||||||||||||||||
|
W gminie Bierawa miejscowości: Solarnia, Kotlarnia, Goszyce, Dziergowice |
29.2.2020 |
||||||||||||||||
Lidstaat: Roemenië
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG |
|
Județul Maramureș |
|
|
Oraș Seini Oraș Seini — localitatea Săbișa |
Van 14.2.2020 tot en met 22.2.2020 |
|
Comuna Cicârlău — Localitatea Cicârlău Comuna Cicârlău — Localitatea Bârgău Comuna Cicârlău — Localitatea Handalu Ilbei Comuna Cicârlău — Localitatea Ilba Oraș Seini — Localitatea Viile Apei Comuna Ardusat — Localitatea Ardusat |
22.2.2020 |
|
Județul Satu Mare |
|
|
Comuna Pomi, localitatea Pomi |
Van 14.2.2020 tot en met 22.2.2020 |
|
Comuna Orașu Nou — Localitatea Orașu Nou Vii Comuna Orașu Nou — Localitatea Racșa Vii Comuna Pomi — Localitatea Aciua Comuna Pomi — Localitatea Bicău Comuna Pomi — Localitatea Borlești Comuna Apa — Localitatea Apa Comuna Apa — Localitatea Someșeni Comuna Crucișor — Localitatea Crucișor Comuna Crucișor — Localitatea Iegheriște Comuna Valea Vinului — Localitatea Valea Vinului Comuna Valea Vinului — Localitatea Roșiori Comuna Medieșu Aurit — Localitatea Medieș Râturi Comuna Medieșu Aurit — Localitatea Medieș Vii Comuna Orașu Nou — Racșa |
22.2.2020 |
|
Județul Bihor |
|
|
Comuna Diosig — Localitatea Diosig |
17.2.2020 |
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/37 |
Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html
VN-Reglement nr. 126 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van als niet-oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen [2020/176]
Datum van inwerkingtreding: 9 november 2007
INHOUD
REGLEMENT
1. Toepassingsgebied
2. Definities
3. Goedkeuringsaanvraag
4. Merktekens
5. Goedkeuring
6. Voorschriften
7. Conformiteit van de productie
8. Sancties bij non-conformiteit van de productie
9. Wijzigingen van het type scheidingssysteem
10. Definitieve stopzetting van de productie
11. Gebruiksaanwijzingen
12. Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties
BIJLAGEN
1 Mededeling
2 Opstelling van goedkeuringsmerken
3 Testprocedure voor voorzieningen die bedoeld zijn om de inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermenAanhangsel 1 — Vertragingsbereik van de slede als functie van de tijd
Aanhangsel 2 — Positie van de testblokken van type 1 en type 2 ten opzichte van het testframe
Aanhangsel 3 — Positie van het vlak tot waar het scheidingssysteem zich maximaal mag verplaatsen
4 Voorbeeld van een apparaat om de sterkte van scheidingssystemen te testen
1. Toepassingsgebied
Dit reglement is van toepassing op als niet-oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde voorzieningen van voertuigen van categorie M1 (1), die bestemd zijn om inzittenden te beschermen tegen het gevaar van bagage die zich bij een frontale botsing tot in het zitgedeelte van het voertuig verplaatst.
2. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
2.1. “scheidingssysteem”: delen of voorzieningen die, als aanvulling op de rugleuningen, bedoeld zijn om de inzittenden tegen verplaatsing van bagage te beschermen;
2.2. “niet-oorspronkelijk uitrustingsstuk van een voertuig”: een scheidingssysteem dat door de voertuigfabrikant niet als standaarduitrusting of als optie wordt aangeboden voor de toepassing(en) die de fabrikant van het scheidingssysteem voorschrijft;
2.3. “goedkeuring van een scheidingssysteem”: de goedkeuring van een type scheidingssysteem met betrekking tot de sterkte, het ontwerp en de kenmerken van dat systeem;
2.4. “type scheidingssysteem”: een categorie scheidingssystemen die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals:
2.4.1. de structuur, vorm, afmetingen, materialen en massa van het scheidingssysteem; de bekleding en de kleur van het systeem mogen wel verschillen;
2.4.2. het type en de afmetingen van de verstel-, vergrendel- en bevestigingssystemen van het scheidingssysteem;
2.4.3. de specifieke voertuigtoepassingen die door de indiener van de goedkeuringsaanvraag worden voorgeschreven;
2.5. “stoel”: zie de punten 2.3 en 2.4 van Reglement nr. 17;
2.6. “verankering”: het systeem waarmee het scheidingssysteem aan de voertuigstructuur is bevestigd, inclusief de desbetreffende delen van de voertuigstructuur;
2.7. “verstelsysteem”: de voorziening waarmee het scheidingssysteem of de delen ervan in een door de aanvrager van de goedkeuring aanbevolen installatiestand kunnen worden geplaatst in de voorgeschreven voertuigen en posities in die voertuigen;
2.8. “vergrendelsysteem”: een voorziening waarmee het scheidingssysteem en de delen ervan in de gebruiksstand worden gehouden;
2.9. “hulpstructuren”: alle onderdelen van het voertuig, behalve de verankeringen, waarmee het scheidingssysteem aan het voorgeschreven voertuig is vastgemaakt.
3. GOEDKEURINGSAANVRAAG
3.1. De goedkeuringsaanvraag voor een type scheidingssysteem wordt door de houder van het handelsmerk of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger ingediend.
3.2. De aanvraag moet vergezeld gaan van:
3.2.1. een technische beschrijving van het scheidingssysteem, waarin de gebruikte materialen en stijve delen worden gespecificeerd, vergezeld van tekeningen van de samenstellende delen van het scheidingssysteem. Op deze tekeningen moet de plaats voor het goedkeuringsnummer en aanvullende symbolen ten opzichte van de cirkel met het goedkeuringsmerk zijn aangegeven.
In de beschrijving moeten de voertuigtypen vermeld zijn waarvoor het type scheidingssysteem geschikt is en de bevestigingsplaats(en) in de voertuigen;
3.2.2. een tekening van de beoogde installatie van het scheidingssysteem in het (de) voertuigtype(n) en de positie(s) waarin het systeem kan worden geïnstalleerd, met vermelding van de afmetingen voor de plaatsing van de testblokken, de verankeringspunten op de voertuigstructuur, de hulpstructuren, de stoelen en de bekledingspanelen overeenkomstig bijlage 3, punt 2;
3.2.3. drie monsters van het type scheidingssysteem, waarvan er een voor referentiedoeleinden wordt gebruikt;
3.2.4. monsters van de gebruikte materialen, in de hoeveelheden die worden gevraagd door de technische dienst die de goedkeuringstests uitvoert;
3.2.5. monsters van de stoelen, hulpstructuren en bekledingspanelen die vereist zijn voor de in bijlage 3, punten 2.4 en 2.6, voorgeschreven tests;
3.2.6. De technische dienst die de typegoedkeuringstests uitvoert, heeft het recht om extra monsters te vragen.
4. MERKTEKENS
Op de monsters van een type scheidingssysteem die overeenkomstig punt 3 voor goedkeuring ter beschikking worden gesteld, moet een duidelijk en onuitwisbaar merkteken met de naam van de fabrikant, zijn initialen of zijn handelsnaam of -merk zijn aangebracht.
5. GOEDKEURING
5.1. Als de monsters van een type scheidingssysteem die overeenkomstig punt 3 zijn ingediend, aan de voorschriften van punt 6 voldoen, wordt goedkeuring verleend.
5.2. Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 00 voor het reglement in zijn oorspronkelijke vorm) moeten de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander type scheidingssysteem toekennen.
5.3. Van de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring van een type scheidingssysteem krachtens dit reglement wordt aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement.
5.4. Op elk scheidingssysteem dat overeenstemt met een type waaraan krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht. Dit merk bestaat uit:
5.4.1. een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (2);
5.4.2. het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 5.4.1 voorgeschreven cirkel.
5.5. Het goedkeuringsmerk moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn.
5.6. Het goedkeuringsmerk wordt door de fabrikant op het scheidingssysteem aangebracht.
5.7. In bijlage 2 worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.
6. VOORSCHRIFTEN
6.1. Tests
De scheidingssystemen worden getest overeenkomstig de testprocedures van bijlage 3.
Scheidingssystemen die overeenkomstig punt 3.2.1 in meer dan een voertuig of in meer dan een voorgeschreven positie in een specifiek voertuig mogen worden gebruikt, moeten in alle voertuigen en in alle posities de in bijlage 3 voorgeschreven tests doorstaan.
6.2. Specificaties
6.2.1. Tijdens de tests overeenkomstig de voorschriften van punt 6.1 moeten scheidingssystemen aan voldoende grote krachten worden blootgesteld, zodat blijkt dat ze inzittenden bij een frontale botsing tegen de verplaatsing van bagage kunnen beschermen.
Aan dit voorschrift is voldaan als de voorwaartse verplaatsing van het testblok of de testblokken minder dan 300 mm bedraagt voorbij het in bijlage 3, aanhangsel 3, afgebeelde vlak Y-Y. Dit vlak staat loodrecht op de lengteas van het voertuig en loopt door de achterzijde van de rugleuningen van de overeenkomstig bijlage 3, punt 2.7, opgestelde stoelen die zich onmiddellijk vóór het scheidingssysteem bevinden, tenzij de fabrikant tot tevredenheid van de technische dienst die de goedkeuringstests uitvoert, kan aantonen dat een voorwaartse verplaatsing van meer dan 300 mm het gevaar voor ernstige verwondingen van de inzittenden bij een frontale botsing niet verhoogt.
Het scheidingssysteem mag niet afbreken op een bevestigingspunt. Na de test mogen geen scherpe randen of onbuigzame delen van het scheidingssysteem blootliggen waaraan de inzittenden van het voertuig zich kunnen verwonden.
6.2.2. Het geassembleerde scheidingssysteem mag geen gevaarlijke uitsteeksels of scherpe randen vertonen die het risico van ernstige verwondingen voor de inzittenden kunnen vergroten. Onbuigzame onderdelen van het scheidingssysteem of van de hulpstructuren die harder zijn dan 50 Shore A en waarmee de inzittenden tijdens een botsing in aanraking kunnen komen, moeten randen hebben die met een krommingsstraal van ten minste 3,2 mm zijn afgerond.
7. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de overeenkomst (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.2), met inachtneming van de volgende voorschriften:
7.1. elk krachtens dit reglement goedgekeurd scheidingssysteem moet zo worden vervaardigd dat het conform is met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van punt 6;
7.2. de bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk eenmaal per jaar plaats. De instantie kan ook steekproefsgewijze controles van in serie vervaardigde scheidingssystemen uitvoeren om na te gaan of de voorschriften van punt 6 zijn nageleefd.
8. SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
8.1. De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een scheidingssysteem kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 6 is voldaan of indien de scheidingssystemen de in punt 6 voorgeschreven tests niet hebben doorstaan.
8.2. Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.
9. Wijzigingen van het type scheidingssysteem
9.1. Elke wijziging van het type scheidingssysteem of de voertuigen en posities waarin dit type scheidingssysteem kan worden geïnstalleerd, moet worden gemeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het type scheidingssysteem heeft goedgekeurd. Die instantie kan dan:
9.1.1. oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat het scheidingssysteem in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of
9.1.2. oordelen dat het gezien de beperkte ingrijpendheid van de wijzigingen volstaat om de in punt 6 gespecificeerde resultaten te controleren aan de hand van door de fabrikant verstrekte technische informatie, of
9.1.3. de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend rapport verzoeken.
9.2. De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden volgens de procedure van punt 5.3 in kennis gesteld van de bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.
9.3. De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent aan die uitbreiding een volgnummer toe en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.
10. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE
Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurde voorziening volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.
11. GEBRUIKSAANWIJZINGEN
Elk scheidingssysteem moet vergezeld gaan van de volgende instructies in de taal (talen) van het land waar het systeem in de handel zal worden gebracht:
11.1. installatie-instructies waarin gespecificeerd is voor welke voertuigtypen het scheidingssysteem geschikt is, alsook de correcte methode(n) om het systeem in het voertuig te monteren;
11.2. gebruikersinstructies die de gebruiker in staat moeten stellen zo veel mogelijk voordeel uit het scheidingssysteem te halen. In deze instructies:
|
a) |
moet worden gewezen op het belang van het gebruik van het scheidingssysteem bij het vervoeren van bagage; |
|
b) |
moet de correcte afstelling en positie van het scheidingssysteem worden aangegeven; |
|
c) |
moet worden uiteengezet hoe de eventuele verstel- en/of vergrendelsystemen van het scheidingssysteem worden bediend; |
|
d) |
moeten aanbevelingen worden gedaan voor het plaatsen en vastzetten van de bagage in het bagagecompartiment van het (de) voertuigtype(n) waarvoor het scheidingssysteem bestemd is; |
|
e) |
moet worden benadrukt dat beschadigde scheidingssystemen moeten worden vervangen. |
12. Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties
De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.
(1) Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, punt 2.
(2) De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev. 6 — http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html
BIJLAGE 1
MEDEDELING
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
|
|
afgegeven door: |
Naam van de instantie: |
|
|
… |
|
|
|
… |
|
betreffende de (2): |
goedkeuring |
|
|
uitbreiding van de goedkeuring |
|
|
weigering van de goedkeuring |
|
|
intrekking van de goedkeuring |
|
|
definitieve stopzetting van de productie |
van een type scheidingssysteem krachtens Reglement nr. 126
|
Goedkeuring nr. … |
Uitbreiding nr. … |
1.
Handelsnaam of -merk van het scheidingssysteem: …
2.
Geschikt voor de volgende voertuigtypen: …
3.
Naam en adres van de fabrikant: …
4.
Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant, indien van toepassing: …
5.
Beschrijving van het scheidingssysteem: …
6.
Beschrijving van het verstel- en vergrendelsysteem van het scheidingssysteem en van de delen ervan: …
7.
Beschrijving van de positie(s) van het scheidingssysteem in het (de) voertuigtype(n): …
8.
Beschrijving van de verankeringspunten en –materialen die bij het scheidingssysteem worden geleverd: …
9.
Scheidingssysteem ter goedkeuring ingediend op: …
10.
Voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst: …
11.
Datum van het door die dienst afgegeven rapport: …
12.
Nummer van het door die dienst afgegeven rapport: …
13.
Opmerkingen: …
14.
Goedkeuring verleend/geweigerd/uitgebreid/ingetrokken (2)
15.
Reden(en) voor uitbreiding (indien van toepassing): …
16.
Plaats van het goedkeuringsmerk op het scheidingssysteem: …
17.
Plaats: …
18.
Datum: …
19.
Handtekening: …
20.
De volgende documenten, voorzien van bovengenoemd goedkeuringsnummer, worden als bijlage bij deze mededeling gevoegd:|
a) |
tekeningen, schema’s en plannen van het scheidingssysteem, de verankering ervan op het voertuig, de verstelsystemen van het scheidingssysteem en de delen ervan, en de vergrendelsystemen; |
|
b) |
foto’s van het scheidingssysteem, de verankeringen, de verstelsystemen en de delen ervan, en de vergrendelsystemen. |
(1) Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de desbetreffende goedkeuringsbepalingen van dit reglement).
(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.
BIJLAGE 2
OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN
(zie punt 5.4 van dit reglement)
a = min. 8 mm
Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een scheidingssysteem, geeft aan dat het type scheidingssysteem in kwestie wat de sterkte betreft in Nederland (E4) krachtens Reglement nr. 126 is goedgekeurd onder nummer 002439. De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat het reglement niet is gewijzigd.
Opmerking:
Het goedkeuringsnummer en aanvullende symbolen moeten dicht bij de cirkel worden aangebracht, boven, onder, links of rechts van de letter E. De cijfers van het goedkeuringsnummer moeten zich aan dezelfde kant van de letter E bevinden en in dezelfde richting wijzen. Het gebruik van Romeinse cijfers als goedkeuringsnummer moet worden vermeden om verwarring met andere symbolen te voorkomen.
BIJLAGE 3
TESTPROCEDURE VOOR VOORZIENINGEN DIE BEDOELD ZIJN OM DE INZITTENDEN TEGEN DE VERPLAATSING VAN BAGAGE TE BESCHERMEN
1. TESTBLOKKEN
Stijve blokken, waarvan het zwaartepunt zich in het geometrische middelpunt bevindt.
Type 1
|
Afmetingen |
: |
300 mm × 300 mm × 300 mm |
alle randen en hoeken zijn afgerond op 20 mm
|
Massa |
: |
18 kg |
Type 2
|
Afmetingen |
: |
500 mm × 350 mm × 125 mm |
alle randen en hoeken zijn afgerond op 20 mm
|
Massa |
: |
10 kg |
2. VOORBEREIDING VAN DE TESTS
2.1. Het scheidingssysteem moet op een stijf frame worden bevestigd; het gereedschap daarvoor moet door de fabrikant worden geleverd. Het stijve frame moet een stijf horizontaal vlak E omvatten (zie bijlage 4), dat het algemene niveau van de vloer van de bagageruimte van het voertuig vertegenwoordigt. De bevestigingspunten A, B, C en D staan in dezelfde configuratie als de verankeringspunten van het desbetreffende voertuig, zoals gespecificeerd in punt 3.2.2 van de goedkeuringsaanvraag, gemeten vanaf het referentievlak E.
Als de indiener van de goedkeuringsaanvraag verschillende installatieposities aanbeveelt, moet in overleg met de technische dienst de slechtst mogelijke positie worden gekozen.
Alle bevestigingsriemen, hulpstructuren, bevestigingselementen enz. moeten worden gemonteerd overeenkomstig de instructies van de indiener van de goedkeuringsaanvraag.
2.2. De vloer van de in punt 2.1 beschreven testopstelling moet een weergave zijn van de werkelijke vloer met betrekking tot de verankeringspunten A, B, C en D en de verhouding tussen de daadwerkelijke verankeringspunten van het voertuig en de effectieve laadvloer van de in punt 3.2.2 van dit reglement voorgestelde installatie evenaren.
2.3. Op het vlak E van het stijve frame worden twee testblokken van type 1 geplaatst.
2.3.1. Om de plaats van de testblokken in de lengterichting te bepalen, worden ze eerst zo geplaatst dat hun voorkant het scheidingssysteem raakt en hun onderkant op het horizontale vlak E van het stijve frame rust. Vervolgens worden ze, evenwijdig met het middenlangsvlak van het stijve frame, achterwaarts verplaatst over een horizontale afstand van 200 mm. In deze positie worden ze vastgemaakt zodat ze niet achterwaarts kunnen bewegen. Indien het in de in punt 3.2.2 van dit reglement beschreven voertuigconfiguratie niet mogelijk is de twee testblokken van type 1 over een afstand van 200 mm te verplaatsen, moeten ze zo ver mogelijk naar achteren worden verplaatst. De afstand tussen het middenlangsvlak van het stijve frame en de naar binnen gerichte kant van elk testblok bedraagt 25 mm, zodat de afstand tussen de twee blokken 50 mm bedraagt. Zie aanhangsel 2 van deze bijlage.
2.3.2. In punt 3.2.2 van dit reglement beschreven voertuigconfiguraties waarachter geen testblokken van type 1 kunnen worden geplaatst, worden zonder deze testblokken getest.
2.3.3. Het stijve frame wordt uitgerust met een vaste verhoogde testvloer waarvan het laadoppervlak zodanig is dat het zwaartepunt van een testblok van type 2 zich centraal tussen de bovenrand van de rugleuning vlak vóór het scheidingssysteem (zonder rekening te houden met de hoofdsteunen) en de onderrand van de dakbekleding vlak boven dit punt bevindt (X-X in bijlage 3, aanhangsel 2), zoals bepaald in punt 3.2.2 van dit reglement. Een testblok van type 2 wordt met zijn grootste oppervlak (500 × 350 mm) op de verhoogde testvloer geplaatst, in het midden van de lengteas van het stijve frame en met het oppervlak van 500 × 125 mm naar voren gericht en rakend aan het scheidingssysteem. Scheidingssystemen waarachter geen testblokken van type 2 kunnen worden geplaatst, worden zonder testblokken getest. Zie aanhangsel 2 van deze bijlage.
2.4. Als de bevestigingspunten van het scheidingssysteem zich op een hulpstructuur bevinden (bv. de achterkant van een stoel, de binnenbekleding van de zijwanden enz.), moeten deze hulpstructuren met de door de fabrikant gespecificeerde bevestigingsdelen aan het stijve frame zijn bevestigd.
2.5. Als het scheidingssysteem, wanneer het op de voorgeschreven wijze op het stijve testframe is gemonteerd, geen structuur heeft die zich op minder dan 400 mm van het stijve horizontale vlak E bevindt (bijlage 4), mag de test zonder de testblokken van type 1 worden uitgevoerd.
2.6. Als voertuigonderdelen zoals metalen koetswerkplaten, stoelen, bekledingspanelen enz. een invloed hebben op de voorwaartse verplaatsing van het scheidingssysteem, mogen deze onderdelen op verzoek van de fabrikant op het in punt 2.1 bedoelde stijve frame worden bevestigd, maar dan in een positie die zo dicht mogelijk de positie benadert waarin deze onderdelen ten opzichte van het scheidingssysteem in het voertuig zijn geïnstalleerd, zoals voorgeschreven in punt 3.2.2. Met uitzondering van in de lengterichting verstelbare stoelen, voor zover deze in het voertuig verstelbaar zijn (zoals de rugleuning van achterste stoelen), moeten deze onderdelen in de positie worden geplaatst waarin ze het minst invloed hebben op de voorwaartse verplaatsing van het scheidingssysteem.
2.7. Als de voorwaartse verplaatsing van het scheidingssysteem wordt beperkt door een in de lengterichting verstelbare stoelenrij, worden deze stoelen, wanneer zij op verzoek van de fabrikant op het in punt 2.1 voorgeschreven stijve frame zijn bevestigd, in een positie geplaatst die zich op minder dan 10 mm van hun laagste, meest naar achteren geplaatste positie bevindt; als de rugleuning van deze stoelen verstelbaar is, wordt deze in een hoek geplaatst die zo dicht mogelijk de hoek van 25° ten opzichte van de loodlijn benadert. Als de stoelen met hoofdsteunen zijn uitgerust, worden deze in de laagste stand geplaatst.
3. UITVOERING VAN DE TEST
Het testframe en de in de punten 2.1, 2.2, 2.3.1, 2.3.3., 2.4, 2.6 en 2.7 beschreven delen die erop bevestigd zijn, worden stevig bevestigd op een testslede die op zodanige wijze van haar oorspronkelijke snelheid tot stilstand wordt vertraagd dat de slede en het erop bevestigde frame een vertraging ondergaan die binnen het in bijlage 3, aanhangsel 1, grafisch voorgestelde gebied valt.
AANHANGSEL 1
VERTRAGINGSBEREIK VAN DE SLEDE ALS FUNCTIE VAN DE TIJD
(Frontale botsing)
AANHANGSEL 2
POSITIE VAN DE TESTBLOKKEN VAN TYPE 1 EN TYPE 2 TEN OPZICHTE VAN HET TESTFRAME
AANHANGSEL 3
POSITIE VAN HET VLAK TOT WAAR HET SCHEIDINGSSYSTEEM ZICH MAXIMAAL MAG VERPLAATSEN
BIJLAGE 4
VOORBEELD VAN EEN APPARAAT OM DE STERKTE VAN SCHEIDINGSSYSTEMEN TE TESTEN
Rectificaties
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/51 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad
( Publicatieblad van de Europese Unie L 317 van 23 november 2016 )
Bladzijde 71, artikel 111, punt 7:
in plaats van:
“7) In artikel 20 wordt voor punt a) het volgende punt ingevoegd:
|
“a) |
kosten voor visuele onderzoeken;”, |
lezen:
“7) In artikel 20 wordt voor punt a) het volgende punt ingevoegd:
|
“-a) |
kosten voor visuele onderzoeken;”. |
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/52 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2019/319 van de Commissie van 6 februari 2019 tot wijziging van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad en bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie wat betreft de gezondheidscertificering bij invoer in de Unie ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën
( Publicatieblad van de Europese Unie L 61 van 28 februari 2019 )
Bladzijde 75, bijlage II tot wijziging van bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011, punt 2) tot vervanging van de hoofstukken 4 (B) tot en met 4 (D), hoofdstuk 4 (C), deel II van het certificaat, eerste alinea:
in plaats van:
“Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat hij/zij Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1a), met name artikel 8, onder c) en d), en artikel 10, en Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (1b), met name bijlage XIV, hoofdstuk I, gelezen en begrepen heeft, en verklaart verder het volgende:”,
lezen:
“Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat hij/zij Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1a), met name artikel 8, onder c) en d), en artikel 10, en Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (1b), met name bijlage XIV, hoofdstuk II, gelezen en begrepen heeft, en verklaart verder het volgende:”.
|
7.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 35/53 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2019/1791 van de Commissie van 17 oktober 2019 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor 1-decanol, 2,4-D, ABE-IT 56, cyprodinil, dimethenamid, vetalcoholen, florpyrauxifen-benzyl, fludioxonil, fluopyram, mepiquat, pendimethalin, picolinafen, pyraflufen-ethyl, pyridaben, S-abscisinezuur en trifloxystrobin in of op bepaalde producten
( Publicatieblad van de Europese Unie L 277 van 29 oktober 2019 )
Bladzijde 1, titel van de verordening:
in plaats van:
“ tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor 1-decanol, 2,4-D, ABE-IT 56, cyprodinil, dimethenamid, vetalcoholen, florpyrauxifen-benzyl, fludioxonil, fluopyram, mepiquat, pendimethalin, picolinafen, pyraflufen-ethyl, pyridaben, S-abscisinezuur en trifloxystrobin in of op bepaalde producten ”,
lezen:
“ tot wijziging van de bijlagen II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor 1-decanol, 2,4-D, ABE-IT 56, cyprodinil, dimethenamid, vetalcoholen, florpyrauxifen-benzyl, fludioxonil, fluopyram, mepiquat, pendimethalin, picolinafen, pyraflufen-ethyl, pyridaben, S-abscisinezuur en trifloxystrobin in of op bepaalde producten ”.