|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1876 VAN DE COMMISSIE
van 4 november 2019
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Roma” (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Italië overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming “Roma” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 (2) heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(3) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Roma” (BOB) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1877 VAN DE COMMISSIE
van 4 november 2019
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Valle d’Itria” (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Italië overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde geografische aanduiding “Valle d’Itria” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(3) |
De Commissie heeft geen bezwaren ontvangen op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Valle d’Itria” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/4 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1878 VAN DE COMMISSIE
van 4 november 2019
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding “Vigneti delle Dolomiti”/“Weinberg Dolomiten” (BGA)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Italië overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde geografische aanduiding “Vigneti delle Dolomiti”/“Weinberg Dolomiten” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(3) |
De Commissie heeft geen bezwaren ontvangen op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Vigneti delle Dolomiti”/“Weinberg Dolomiten” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/6 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1879 VAN DE COMMISSIE
van 4 november 2019
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding “Vallagarina” (BGA)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Italië overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde geografische aanduiding “Vallagarina” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 (2) heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(3) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Vallagarina” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/7 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1880 VAN DE COMMISSIE
van 4 november 2019
tot verlening van de in artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde bescherming aan de naam “Vera de Estenas” (BOB)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 97, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag van Spanje tot registratie van de naam “Vera de Estenas” onderzocht en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (2). |
|
(2) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend overeenkomstig artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(3) |
De naam “Vera de Estenas” moet overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden beschermd en moet worden ingeschreven in het in artikel 104 van die verordening bedoelde register. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam “Vera de Estenas” (BOB) wordt beschermd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1881 VAN DE COMMISSIE
van 8 november 2019
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 37/2010 teneinde de stof diflubenzuron in te delen wat de maximumwaarde voor residuen ervan betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 14 juncto artikel 17,
Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 470/2009 moet de maximumwaarde voor residuen (“MRL”) van farmacologisch werkzame stoffen die bestemd zijn om in de Unie te worden gebruikt in diergeneesmiddelen voor voedselproducerende dieren of in biociden die in de veehouderij worden gebruikt, in een verordening worden vastgesteld. |
|
(2) |
In tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie (2) zijn de farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van MRL’s in levensmiddelen van dierlijke oorsprong opgenomen. |
|
(3) |
Diflubenzuron is reeds in die tabel opgenomen als toegestane stof in spier en huid van zalmachtigen. |
|
(4) |
Op 7 mei 2014 heeft de Commissie het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 470/2009 verzocht een nieuw advies over diflubenzuron uit te brengen, rekening houdend met de mogelijk genotoxische werking van de metaboliet 4-chlooraniline van diflubenzuron, alsook met de resultaten van de recentere evaluaties van diflubenzuron als bestrijdingsmiddel, uitgevoerd door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) (3), en als biocide, gecoördineerd door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie (4). |
|
(5) |
In zijn advies van 7 mei 2015 heeft het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (CVMP) geconcludeerd dat de aanwezigheid van de genotoxische metaboliet in spierweefsel van vissen niet bevestigd is en heeft het comité een advies goedgekeurd waarin het heeft opgemerkt dat bijkomende gegevens over de vorming en depletie van 4-chlooraniline in spierweefsel van vissen nodig zijn om het eventuele risico voor de consument van blootstelling aan diflubenzuron volledig te bepalen. Uit openbaar toegankelijke verslagen over de farmacologie van diflubenzuron blijkt dat 4-chlooraniline is aangetroffen in schapen, varkens en kippen als een minder belangrijke metaboliet. Op basis van dat advies heeft het EMA aanbevolen de bestaande vermelding voor diflubenzuron in zalmachtigen in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie te wijzigen en een voorlopig MRL vast te stellen in afwachting van aanvullende residugegevens. |
|
(6) |
Na onderzoek van de aanbeveling van het EMA heeft de Commissie in maart 2017 verduidelijkt dat volgens Verordening (EG) nr. 470/2009 alleen een voorlopig MRL mag worden vastgesteld wanneer de wetenschappelijke gegevens onvolledig zijn en er geen redenen zijn om aan te nemen dat het voorgestelde residugehalte van de stof een gevaar vormt voor de gezondheid van de mens. In het geval van diflubenzuron is het mogelijk dat de genotoxische metaboliet 4-chlooraniline aanwezig is in behandelde vissen in gehalten die gevaarlijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid; bijgevolg is het volgens de Commissie niet passend een voorlopig MRL vast te stellen. De Commissie heeft ook gewezen op de conclusie van de EFSA van 2015 (5) over het gebruik van diflubenzuron in gewasbeschermingsmiddelen, waaruit blijkt dat de beschikbare gegevens ontoereikend waren om aan te tonen dat de representatieve gebruiksdoeleinden veilig waren voor de consument. Om die redenen heeft de Commissie het CVMP verzocht zijn advies van 7 mei 2015 te herzien. |
|
(7) |
Op 15 maart 2018 heeft het CVMP zijn herziene advies over de vaststelling van maximumwaarden voor residuen van diflubenzuron (6) uitgebracht. Op basis van dat advies heeft het EMA aanbevolen de bestaande vermelding voor diflubenzuron in zalmachtigen in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie te wijzigen zodat het MRL wordt verlaagd. De MRL-waarde wordt vastgesteld op 10 µg/kg om te waarborgen dat de blootstelling van de consument aan 4-chlooraniline op een aanvaardbaar niveau blijft. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 470/2009 moet het EMA overwegen MRL’s van een farmacologisch werkzame stof die voor een bepaald levensmiddel zijn vastgesteld, toe te passen op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde diersoort, of MRL’s van een farmacologisch werkzame stof die voor een of meer diersoorten zijn vastgesteld, toe te passen op andere diersoorten. |
|
(9) |
Het EMA heeft geoordeeld dat de extrapolatie van de vermelding voor diflubenzuron naar vinvissen op dit moment niet passend zou zijn omdat niet is bewezen dat de metaboliet 4-chlooraniline in geen enkele van de betrokken soorten in enige relevante hoeveelheid wordt gevormd. |
|
(10) |
Krachtens de adviezen van het CVMP en de aanbeveling van het EMA lijkt het noodzakelijk voor de bescherming van de gezondheid van de mens om het MRL voor diflubenzuron te verlagen van 1 000 μg/kg tot 10 μg/kg. |
|
(11) |
Verordening (EU) nr. 37/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(12) |
De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om eventuele maatregelen te nemen om aan het nieuwe MRL voor diflubenzuron te voldoen. |
|
(13) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 10 januari 2020.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 8 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.
(2) Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2012;10(9):2870. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of confirmatory data submitted for the active substance Diflubenzuron.
(4) Beoordelingsverslag over diflubenzuron, beschikbaar op http://dissemination.echa.europa.eu/Biocides/ActiveSubstances/0062-18/0062-18_Assessment_Report.pdf
(5) EFSA Journal 2015;13(12):4222.Peer review on the review of the approval of the active substance diflubenzuron regarding the metabolite PCA.
(6) EMA/CVMP/153976/2018 MRL summary opinion Diflubenzuron 16 March 2018.
BIJLAGE
In tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 worden de gegevens voor “Diflubenzuron” vervangen door:
|
Farmacologisch werkzame stof |
Indicatorresidu |
Diersoorten |
MRL’s |
Te onderzoeken weefsels |
Overige bepalingen (overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 470/2009) |
Therapeutische klassen |
|
”Diflubenzuron |
Diflubenzuron |
Zalmachtigen |
10 µg/kg |
Spier en huid in natuurlijke verhoudingen |
GEEN |
Antiparasitaire middelen/Geneesmiddelen tegen ectoparasieten” |
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1882 VAN DE COMMISSIE
van 8 november 2019
tot opening van inschrijvingsprocedures voor het steunbedrag voor de particuliere opslag van olijfolie
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 18, lid 2, en artikel 20, eerste alinea, onder m) en o),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De prijzen voor olijfolie van de eerste persing op de Spaanse, Griekse en Portugese markten zijn meerdere maanden aanhoudend laag gebleven en dicht bij de referentiedrempels die in artikel 1 bis, lid 1, onder g), van Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad (2) zijn vastgesteld. |
|
(2) |
De vooruitzichten op een goede oogst in de Unie, de uitbreiding van voorraden en de huidige onzekerheid in de buitenlandse handel doen een scheefgroei tussen vraag en aanbod ontstaan die dan weer de prijzen van olijfolie van de eerste persing onder druk zet en een ernstige verstoring op grote delen van de Uniemarkt veroorzaakt. |
|
(3) |
Spanje is de voornaamste olijfolieproducent in de Unie en tevens prijsleider in deze sector. De uitzonderlijk grote voorraden in Spanje dreigen dus de ernstige verstoring van de Uniemarkt voor olijfolie van de eerste persing langer te laten duren en te verergeren. |
|
(4) |
Om te zorgen voor meer evenwicht tussen vraag en aanbod en om die moeilijke marktomstandigheden te temperen, dient steun voor de particuliere opslag van olijfolie van de eerste persing te worden verleend. |
|
(5) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1238 van de Commissie (3) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie (4), waarin gemeenschappelijke regels voor de tenuitvoerlegging van een regeling voor particuliere opslag zijn vastgesteld, moeten van toepassing zijn op steun voor de particuliere opslag van olijfolie van de eerste persing. |
|
(6) |
Het steunbedrag moet worden vastgesteld door middel van een inschrijvingsprocedure om een flexibel operationeel systeem mogelijk te maken. Daartoe moet worden voorzien in meerdere deelperiodes voor de inschrijving. |
|
(7) |
Om verschillende marktdeelnemers in staat te stellen voor de maatregel in aanmerking te komen, moet iedere marktdeelnemer voor elke deelperiode maximaal één inschrijving per categorie olijfolie van de eerste persing indienen. |
|
(8) |
Wil particuliere opslag effectief zijn en een reëel effect op de markt hebben, dan moet de steun worden verleend voor olijfolie van de eerste persing in bulk. Aangezien het in de olijfsector gebruikelijk is om product in opslag te hebben, moeten ook inschrijvingen worden aanvaard voor olijfolie van de eerste persing die al is opgeslagen. |
|
(9) |
De hoeveelheden olijfolie van de eerste persing die voor steun voor particuliere opslag in aanmerking komen, mogen gedurende een minimale opslagperiode niet in de handel worden gebracht, om een reëel effect op het evenwicht tussen vraag en aanbod van het lopende jaar te hebben. De minimale opslagperiode moet op 180 dagen worden vastgesteld. |
|
(10) |
Om redenen van administratieve doelmatigheid en vereenvoudiging mogen de inschrijvingen alleen in aanmerking komen voor hoeveelheden van ten minste vijftig ton. |
|
(11) |
Om ongecontroleerde prijsdalingen te voorkomen, snel te reageren op de moeilijke marktomstandigheden en deze maatregel efficiënt te kunnen beheren, moet de onderhavige verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(12) |
Het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Een afzonderlijke inschrijvingsperiode wordt geopend voor steun ten behoeve van particuliere opslag voor elk van de categorieën olijfolie van de eerste persing in de zin van deel VIII, punt 1, van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, in overeenstemming met artikel 17, eerste alinea, onder b), van diezelfde verordening:
|
a) |
extra olijfolie van de eerste persing, |
|
b) |
olijfolie van de eerste persing, |
|
c) |
olijfolie voor verlichting. |
2. Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1238 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 zijn van toepassing.
Artikel 2
1. De inschrijvingen worden ingediend gedurende de volgende deelperioden, die telkens eindigen om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel):
|
a) |
van 21 november 2019 tot en met 26 november 2019; |
|
b) |
van 12 december 2019 tot en met 17 december 2019; |
|
c) |
van 22 januari 2020 tot en met 27 januari 2020; |
|
d) |
van 20 februari 2020 tot en met 25 februari 2020. |
Als de betrokken laatste dag van een deelperiode een officiële feestdag is, loopt de termijn de dag voordien om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) af.
2. Voor elke deelperiode dienen marktdeelnemers niet meer dan één inschrijving in voor elk van de in artikel 1, lid 1, genoemde producten.
3. De minimumhoeveelheid per inschrijving bedraagt vijftig ton.
4. De in artikel 40, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 bedoelde zekerheid bedraagt 50 EUR per ton.
5. De steun wordt verleend voor de in artikel 1, lid 1, genoemde producten in bulk.
6. Inschrijvingen mogen worden ingediend voor reeds opgeslagen producten.
7. Inschrijvingen mogen alleen worden ingediend in Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta, Portugal en Slovenië.
Artikel 3
Lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle ontvankelijke inschrijvingen uiterlijk om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de dag na die van de in artikel 2, lid 1, genoemde laatste dag van elke deelperiode voor de indiening van inschrijvingen.
Artikel 4
Contracten voor steun ten behoeve van particuliere opslag lopen over een opslagperiode van 180 dagen.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 8 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1238 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (PB L 206 van 30.7.2016, blz. 15).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71).
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/15 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1883 VAN DE COMMISSIE
van 8 november 2019
tot 307e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da’esh) en Al Qaida
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da’esh) en Al Qaida (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. |
|
(2) |
Op 5 november 2019 heeft het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten tot schrapping van één vermelding op de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. |
|
(3) |
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 8 november 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE
In Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt de volgende vermelding in de lijst “Natuurlijke personen” wordt geschrapt:
“Mourad Ben Ali Ben Al-Basheer Al-Trabelsi (ook bekend als a) Aboue Chiba Brahim; b) Arouri Taoufik; c) Ben Salah Adnan; d) Sassi Adel; e) Salam Kamel; f) Salah Adnan; g) Arouri Faisel; h) Bentaib Amour; i) Adnan Salah; j) Hasnaoui Mellit; k) Arouri Taoufik ben Taieb; l) Abouechiba Brahim; m) Farid Arouri; n) Ben Magid; o) Maci Ssassi; p) Salah ben Anan; q) Hasnaui Mellit; r) Abou Djarrah). Adres: Libya Street nr. 9, Manzil Tmim, Nabeul, Tunesië. Geboortedatum: a) 20.5.1969; b) 2.9.1966; c) 2.9.1964; d) 2.4.1966; e) 2.2.1963; f) 4.2.1965; g) 2.3.1965; h) 9.2.1965; i) 1.4.1966; j) 1972; k) 9.2.1964; l) 2.6.1964; m) 2.6.1966; n) 2.6.1972. Geboorteplaats: a) Manzil Tmim, Tunesië; b) Libië; c) Tunesië; d) Algerije; e) Marokko; f) Libanon. Nationaliteit: Tunesisch. Paspoortnummer: a) G827238 (Tunesisch paspoort afgegeven op 1.6.1996, vervallen op 31.5.2001), b) 05093588 (Nationaal identificatienummer). Overige informatie: naam van moeder is Mabrukah al-Yazidi. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 12.11.2003.”
BESLUITEN
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/17 |
BESLUIT (GBVB) 2019/1884 VAN DE RAAD
van 8 november 2019
tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/2382
2016/2382 tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 21 december 2016 Besluit (GBVB) 2016/2382 (1) vastgesteld. |
|
(2) |
Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 moet een nieuwe financiële referentie worden vastgesteld. |
|
(3) |
Besluit (GBVB) 2016/2382 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 16, lid 2, van Besluit (GBVB) 2016/2382 wordt vervangen door:
“2. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven van de EVDA gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 moet dekken, bedraagt 1 893 598 EUR.
Over het financiële referentiebedrag dat de uitgaven van de EVDA voor de volgende perioden moeten dekken, wordt door de Raad besloten.”.
Artikel 2
Datum van inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 8 november 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LINTILÄ
(1) Besluit (GBVB) 2016/2382 van de Raad van 21 december 2016 tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) en houdende intrekking van Besluit 2013/189/GBVB (PB L 352 van 23.12.2016, blz. 60).
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/18 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1885 VAN DE COMMISSIE
van 6 november 2019
tot vaststelling van voorschriften voor de berekening, de verificatie en de verslaglegging van gegevens over het storten van stedelijk afval overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikking 2000/738/EG van de Commissie
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 7874)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (1), en met name artikel 5 bis, lid 4, en artikel 15, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De lidstaten moeten de hoeveelheid gestort stedelijk afval rapporteren om aan te tonen dat de in Richtlijn 1999/31/EG vastgestelde streefcijfers zijn gehaald. De voorschriften voor de berekening van die streefcijfers moeten ervoor zorgen dat de door alle lidstaten verstrekte gegevens geldig en vergelijkbaar zijn. |
|
(2) |
Om ervoor te zorgen dat de berekening de werkelijke omvang van het storten weergeeft, moet de hoeveelheid als gestort gerapporteerd afval alle stedelijk afval dat op stortplaatsen is gestort als bedoeld in artikel 5 bis, lid 1, onder b) en c), van Richtlijn 1999/31/EG omvatten en mag er geen correctie voor het vochtgehalte worden toegepast. In bepaalde gevallen draagt behandeld stedelijk afval dat op stortplaatsen wordt aanvaard en gestort, zoals gestabiliseerd biologisch afbreekbaar stedelijk afval, bij tot de naleving van de voorschriften van bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 1999/31/EG betreffende maatregelen om de door de stortplaats veroorzaakte overlast en gevaren tot een minimum te beperken. Aangezien dergelijk stedelijk afval daadwerkelijk op de stortplaats wordt gestort, moet het worden opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval en niet bij terugwinningsactiviteiten worden meegeteld. |
|
(3) |
Aangezien de in Richtlijn 1999/31/EG vastgestelde streefcijfers voor het storten van stedelijk afval betrekking hebben op dezelfde afvalstroom als de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) vastgestelde streefcijfers voor de recycling van stedelijk afval, moeten de berekeningsvoorschriften voor als gestort gerapporteerd stedelijk afval consistent zijn met de in Richtlijn 2008/98/EG en in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1004 van de Commissie (3) vastgestelde berekeningsregels voor de recycling van stedelijk afval. Indien stedelijk afval overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4) van een lidstaat naar een andere lidstaat of een derde land wordt overgebracht met het oog op recycling of andere nuttige toepassingen, moet de hoeveelheid afval dat tijdens de voorbehandeling en voordat het stedelijk afval het recyclingproces binnenkomt, in het land van bestemming wordt verwijderd en dat vervolgens wordt gestort, daarom worden meegeteld in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval door de lidstaat waar het stedelijk afval werd ingezameld. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 5 bis, lid 1, onder c), van Richtlijn 1999/31/EG moet de hoeveelheid stedelijk afval dat verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort, als gestort worden gerapporteerd. Om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval geen fracties bevat van stedelijk afval die verbrandingsprocessen ondergaan maar niet daadwerkelijk worden gestort, moeten van stedelijk afval afkomstige materialen die vervolgens worden teruggewonnen uit het afval dat uit verbrandingsprocessen voortkomt, worden afgetrokken van de input van de verbrandingsprocessen. |
|
(5) |
Artikel 11 bis van Richtlijn 2008/98/EG bevat een specifiek voorschrift met betrekking tot de berekening van de hoeveelheid stedelijk afval dat is voorbereid voor hergebruik, waarbij alle afval dat wordt verwijderd als gevolg van controle-, schoonmaak- of reparatiehandelingen om hergebruik mogelijk te maken zonder verdere sortering of voorbehandeling, wordt uitgesloten. Wanneer dergelijk verwijderd afval vervolgens wordt gestort, moet het worden opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval om te voorkomen dat het noch als voorbereid voor hergebruik, noch als gestort wordt gerapporteerd, en om ervoor te zorgen dat de gegevens over stedelijk afval coherent zijn en de werkelijke omvang van het storten weergeven. |
|
(6) |
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1004 wordt tijdens de recycling van stedelijk bioafval verwijderd afval niet opgenomen in de recyclingpercentages voor stedelijk afval. Wanneer dergelijk verwijderd afval vervolgens wordt gestort, moet het worden opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval om te voorkomen dat het noch als gerecycleerd, noch als gestort wordt gerapporteerd, en om ervoor te zorgen dat de gegevens over stedelijk afval coherent zijn en de werkelijke omvang van het storten weergeven. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 5 bis, lid 1, onder d), van Richtlijn 1999/31/EG mag de hoeveelheid stedelijk afval dat tijdens recyclingshandelingen van stedelijk afval wordt geproduceerd en vervolgens wordt gestort, niet als gestort worden gerapporteerd. Om te zorgen voor samenhang met de in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1004 voor de recycling van stedelijk afval vastgestelde rekenpunten, moet worden bepaald dat tijdens recyclingshandelingen geproduceerd afval betrekking heeft op afval dat is geproduceerd tijdens herverwerking die na die rekenpunten plaatsvindt. |
|
(8) |
De lidstaten moeten gegevens verstrekken over de uitvoering van artikel 5, leden 2, 5 en 6, van Richtlijn 1999/31/EG in het door de Commissie vastgestelde model. Die gegevens moeten vergezeld gaan van een kwaliteitscontroleverslag. Het model moet waarborgen dat de gerapporteerde informatie een toereikende basis biedt om de verwezenlijking van de in artikel 5, leden 2, 5 en 6, van die richtlijn vastgestelde streefcijfers te verifiëren en te monitoren. |
|
(9) |
Met het oog op de verslaglegging over gegevens over het bereiken van de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 1999/31/EG voor het storten van biologisch afbreekbaar stedelijk afval vastgestelde streefcijfers, hebben de lidstaten gebruikgemaakt van het model dat is vastgesteld bij Beschikking 2000/738/EG van de Commissie (5). Aangezien de bepalingen van die beschikking met betrekking tot de indiening van verslagen over de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG achterhaald zijn, moet die beschikking worden ingetrokken. Met het oog op de continuïteit moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de termijn voor de verslaglegging over de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 1999/31/EG voor de referentiejaren 2016 en 2017. |
|
(10) |
De voorschriften voor de berekening, de verificatie en de verslaglegging van gegevens over de uitvoering van artikel 5, leden 5 en 6, van Richtlijn 1999/31/EG zijn nauw verbonden met de voorschriften tot vaststelling van de modellen voor de verslaglegging over die gegevens en over de gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, lid 2, van die richtlijn. Om de samenhang tussen deze voorschriften te waarborgen en de toegang ertoe te vergemakkelijken, moeten beide reeksen voorschriften in één besluit worden vastgesteld. |
|
(11) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definitie
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder “hoeveelheid”: de massa, uitgedrukt in ton.
Artikel 2
Berekening van als gestort gerapporteerd gerecycleerd stedelijk afval overeenkomstig artikel 5 bis van Richtlijn 1999/31/EG
1. De hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval omvat alle stedelijk afval als bedoeld in artikel 5 bis, lid 1, onder b) en c), van Richtlijn 1999/31/EG dat op stortplaatsen wordt gestort, ook wanneer het storten van behandeld stedelijk afval op stortplaatsen de naleving van bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 1999/31/EG waarborgt.
De hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval wordt niet gecorrigeerd door het vochtgehalte ervan in mindering te brengen.
2. Indien stedelijk afval naar een andere lidstaat wordt overgebracht of uit de Unie naar een derde land wordt uitgevoerd met het oog op recycling of andere nuttige toepassingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006, wordt, voor de toepassing van artikel 5 bis, lid 1, onder b), van Richtlijn 1999/31/EG, de hoeveelheid afval dat voortkomt uit verwerkingshandelingen die vóór recycling of andere nuttige toepassingen zijn uitgevoerd, en dat vervolgens wordt gestort of verbrandingsprocessen ondergaat om daarna in het land van bestemming te worden gestort, opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval door de lidstaat waar het stedelijk afval is ingezameld.
3. Voor de toepassing van artikel 5 bis, lid 1, onder c), van Richtlijn 1999/31/EG is de hoeveelheid stedelijk afval dat verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort, de hoeveelheid stedelijk afval dat binnenkomt in afvalverbrandingsinstallaties die overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG als D 10 zijn geclassificeerd, na aftrek van de uit stedelijk afval afkomstige materialen die vervolgens worden gewonnen uit afval dat voortkomt uit dergelijke verbrandingsprocessen.
Bij de berekening van de hoeveelheid af te trekken materialen wordt rekening gehouden met het aandeel van het stedelijk afval in alle afvalstoffen die de installatie binnenkomen en, in voorkomend geval, met de samenstelling van andere afvalstoffen dan stedelijk afval die de installatie binnenkomen.
4. Voor de toepassing van artikel 5 bis, lid 1, onder d), van Richtlijn 1999/31/EG geldt het volgende:
|
a) |
afval dat voortkomt uit controle-, schoonmaak- of reparatiehandelingen om stedelijk afval voor te bereiden voor hergebruik en dat vervolgens wordt gestort, wordt opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval. De lidstaten mogen delen of componenten van producten die worden verwijderd tijdens reparatiehandelingen met het oog op de voorbereiding van stedelijk afval voor hergebruik aftrekken van de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval; |
|
b) |
materialen die mechanisch worden verwijderd tijdens of na aerobe of anaerobe behandeling van stedelijk bioafval en die vervolgens worden gestort, worden opgenomen in de hoeveelheid als gestort gerapporteerd stedelijk afval; |
|
c) |
afval dat tijdens recyclingshandelingen van stedelijk afval wordt geproduceerd, is afval dat wordt geproduceerd tijdens recyclingshandelingen die stedelijk afval ondergaat na het in de artikelen 3 en 4 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1004 gedefinieerde rekenpunt. |
Artikel 3
Verslaglegging van gegevens
1. De lidstaten verstrekken de gegevens en dienen het kwaliteitscontroleverslag over de uitvoering van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 1999/31/EG in, en gebruiken daarvoor het model van bijlage I.
2. De lidstaten verstrekken de gegevens en dienen het kwaliteitscontroleverslag over de uitvoering van artikel 5, leden 5 en 6, van Richtlijn 1999/31/EG in, en gebruiken daarvoor het model van bijlage II.
3. De Commissie maakt de door de lidstaten verschafte gegevens bekend, tenzij een lidstaat met betrekking tot de informatie in de kwaliteitsverslagen een gemotiveerd verzoek om niet-bekendmaking van bepaalde gegevens indient.
Artikel 4
Intrekking
Beschikking 2000/738/EG wordt ingetrokken.
Artikel 5
Overgangsbepaling
De gegevens betreffende de uitvoering van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 1999/31/EG voor de referentiejaren 2016 en 2017 worden uiterlijk op 31 december 2019 aan de Commissie meegedeeld.
Artikel 6
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 6 november 2019.
Voor de Commissie
Karmenu VELLA
Lid van de Commissie
(1) PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.
(2) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1004 van de Commissie van 7 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften voor de berekening, de verificatie en de verslaglegging van gegevens over afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit C(2012) 2384 van de Commissie (PB L 163 van 20.6.2019, blz. 66).
(4) Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).
(5) Beschikking 2000/738/EG van de Commissie van 17 november 2000 inzake een vragenlijst voor de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 24).
BIJLAGE I
MODEL VOOR DE VERSLAGLEGGING OVER GEGEVENS BETREFFENDE HET STORTEN VAN BIOLOGISCH AFBREEKBAAR STEDELIJK AFVAL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 1
1. Model voor de verslaglegging over gegevens
|
Biologisch afbreekbaar stedelijk afval dat is geproduceerd in 1995, in het laatste jaar vóór 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn of in het jaar dat is vastgelegd in het respectieve toetredingsverdrag voor lidstaten die na de vaststelling van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad 1 tot de EU zijn toegetreden |
Biologisch afbreekbaar stedelijk afval dat in het referentiejaar op stortplaatsen is gestort |
|
|
Jaar |
(t) |
(t) |
|
|
|
|
2. Model voor het kwaliteitscontroleverslag dat de gegevens vergezelt
I. Algemene informatie
|
1. |
Lidstaat: |
|
2. |
Organisatie die de gegevens en de beschrijving indient: |
|
3. |
Contactpersoon/contactgegevens: |
|
4. |
Referentiejaar: |
|
5. |
Datum van indiening/versie: |
|
6. |
Link naar de bekendmaking van gegevens door de lidstaat (indien van toepassing): |
II. Informatie over het storten van biologisch afbreekbaar stedelijk afval
|
1. |
Beschrijving van de manier waarop de gegevensverzameling wordt georganiseerd, de gegevensbronnen en de gebruikte methode
|
|
2. |
Beschrijving van de soorten afval die op nationaal niveau als biologisch afbreekbaar stedelijk afval zijn ingedeeld
|
|
3. |
Beschrijving van de ramingen die worden gebruikt ter dekking van hiaten in de gegevens
|
|
4. |
Verklaring voor significante verschillen ten opzichte van de gegevens van het voorgaande referentiejaar
|
|
5. |
Beschrijving van de belangrijkste kwesties die van invloed zijn op de nauwkeurigheid van de gegevens
|
(1) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
BIJLAGE II
Model voor de verslaglegging over gegevens betreffende stedelijk afval als bedoeld in artikel 3, lid 2
1. Model voor de verslaglegging over gegevens
|
Productie van stedelijk afval (t) |
Storten 1 (t) |
Afvalverbranding 2 (t) |
Materiaalterugwinning van afvalstoffen afkomstig van afvalverbranding (t) |
|
|
|
|
|
Om te berekenen of de streefcijfers die zijn vastgesteld in artikel 5, leden 5 en 6, van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1) zijn behaald, wordt de som van het stedelijk afval dat wordt gestort en het stedelijk afval dat verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort na aftrek van de materialen die vervolgens zijn teruggewonnen uit afval dat voortkomt uit deze verbrandingsprocessen, gedeeld door de hoeveelheid geproduceerd stedelijk afval.
2. Model voor het kwaliteitscontroleverslag dat de gegevens vergezelt
I. Algemene informatie
|
1. |
Lidstaat: |
|
2. |
Organisatie die de gegevens en de beschrijving indient: |
|
3. |
Contactpersoon/contactgegevens: |
|
4. |
Referentiejaar: |
|
5. |
Datum van indiening/versie: |
|
6. |
Link naar de bekendmaking van gegevens door de lidstaat (indien van toepassing): |
II. Informatie over het storten van stedelijk afval
|
1. |
Beschrijving van de entiteiten die bij de gegevensverzameling betrokken zijn
|
|||||
|
2. |
Beschrijving van de gebruikte methoden |
|
2.1. |
Algemene beschrijving van de gegevensverzameling betreffende het storten van stedelijk afval, met inbegrip van de gegevensbronnen (administratieve gegevens; enquêtes; elektronisch register; gegevens van afvalverwerkers; gegevens van gemeenten)
|
|
2.2. |
Beschrijving van de methode die wordt gebruikt om afval dat voortkomt uit verwerkingshandelingen die vóór recycling of andere nuttige toepassingen zijn uitgevoerd en die vervolgens werden gestort, op te nemen
|
|
2.2.1. |
Beschrijving van de aanpak voor het waarborgen van de traceerbaarheid van stedelijk afval wanneer dit verwerkingshandelingen ondergaat, met inbegrip van het gebruik van codes met betrekking tot de productie van stedelijk afval (zoals die van hoofdstuk 20 van de lijst van afvalstoffen die is vastgesteld bij Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen, PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3) en codes met betrekking tot afvalstoffen afkomstig van afvalbehandeling (zoals die van hoofdstuk 19 van de bij die beschikking vastgestelde lijst van afvalstoffen)
|
|
2.3. |
Beschrijving van de methode voor het opnemen van afval dat voortkomt uit verwerkingshandelingen die vóór recycling of andere nuttige toepassingen zijn uitgevoerd en dat vervolgens in het land van bestemming wordt gestort
|
|
2.4. |
Beschrijving van de gegevensverzameling betreffende stedelijk afval dat verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort, met inbegrip van de methode die wordt gebruikt voor de berekening van materialen die afkomstig zijn van stedelijk afval dat is teruggewonnen uit afval dat voortkomt uit verbrandingsprocessen
|
|
2.5. |
Beschrijving van ramingen die worden gebruikt ter dekking van hiaten in de gegevens over gestort stedelijk afval
|
|
2.6. |
Verschillen ten opzichte van de gegevens van het voorgaande referentiejaar
Belangrijke methodologische verschillen, in voorkomend geval, tussen de manier waarop gegevens voor het huidige referentiejaar worden berekend (met name wat betreft herzieningen met terugwerkende kracht, de aard daarvan, en of een onderbreking in de reeks voor een bepaald jaar moet worden aangegeven)
Verklaring voor gevallen waarbij de tonnage van stedelijk afval dat wordt gestort of verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort, meer dan 10 % afwijkt van de gegevens die zijn ingediend voor het voorgaande referentiejaar
|
|
3. |
Nauwkeurigheid van de gegevens |
|
3.1. |
Beschrijving van de belangrijkste kwesties die van invloed zijn op de nauwkeurigheid van de gegevens over het storten van stedelijk afval
|
|
3.2. |
Beschrijving van het toepassingsgebied en de geldigheid van onderzoek om gegevens te verzamelen over het storten van stedelijk afval
|
|
4. |
Vertrouwelijkheid
Motivering voor de niet-bekendmaking van specifieke onderdelen van dit verslag wanneer daarom wordt verzocht
|
|
5. |
Belangrijkste nationale websites, referentiedocumenten en publicaties
|
(1) Deze kolom omvat niet het afval dat verbrandingsprocessen ondergaat om vervolgens te worden gestort.
(2) Verbrandingsprocessen zijn processen die worden uitgevoerd door installaties die worden ingedeeld onder D 10 in bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/26 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1886 VAN DE COMMISSIE
van 7 november 2019
tot wijziging van Besluit 2010/346/EU wat betreft de regionalisering van Roemenië voor de toepassing van de beschermende maatregelen in verband met infectieuze anemie bij paardachtigen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 7873)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 10, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Infectieuze anemie bij paardachtigen (equine infectious anaemia of EIA) is een virusziekte die alleen bij dieren van de familie Equidae optreedt. De incubatieperiode bedraagt doorgaans een tot drie weken, maar kan oplopen tot drie maanden. Besmette paardachtigen blijven hun leven lang infectieus en kunnen de infectie op andere paardachtigen overdragen. Infectie met EIA neigt ertoe subklinisch te worden als een van de acute klinische aanvallen tijdens de viremie niet tot de dood leidt, waardoor de waarschijnlijkheid van overdracht sterk verhoogd wordt. Lokale transmissie treedt op door overdracht van bloed van een besmette paardachtige via achtereenvolgende bloedmalen van bloedzuigende paardenvliegen, alsmede in utero op de foetus. Verspreiding van de ziekte over grote afstanden is doorgaans het gevolg van verplaatsingen van besmette dieren of sperma, eicellen en embryo’s daarvan, of van het gebruik van besmette naalden of infusie van bloedproducten die het virus bevatten. |
|
(2) |
Overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2009/156/EG van de Raad (2) is EIA een ziekte waarvoor een aangifteplicht bestaat. Bovendien is in Richtlijn 82/894/EEG van de Raad (3) bepaald dat het uitbreken van EIA aan de Commissie en de andere lidstaten moeten worden gemeld via het systeem voor melding van dierziekten (Animal Disease Notification System of ADNS). |
|
(3) |
In tegenstelling tot de diergezondheidssituatie in andere lidstaten is EIA in bepaalde delen van Roemenië endemisch en is het nationale uitroeiingsprogramma nog niet voltooid. Daarom zijn in Besluit 2010/346/EU van de Commissie (4) beschermende maatregelen in verband met infectieuze anemie bij paarden in Roemenië vastgesteld. |
|
(4) |
Tijdens de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders van juni 2019 hebben de bevoegde autoriteiten van Roemenië aan de andere lidstaten en de Commissie echter een verslag betreffende de stand van zaken overgelegd waaruit blijkt dat er over het algemeen vooruitgang is geboekt bij de uitroeiing van de ziekte en dat bepaalde delen van Roemenië al meer dan twaalf maanden vrij van de ziekte zijn of dat de prevalentie van de ziekte er binnen de in andere lidstaten regionaal vastgestelde grenzen is gebleven. Het is bijgevolg passend vast te stellen op welk deel van het grondgebied van Roemenië de in Besluit 2010/346/EU vastgestelde beschermende maatregelen van toepassing moeten zijn. |
|
(5) |
De bijlage bij Besluit 2010/346/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Besluit 2010/346/EU wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 7 november 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(2) Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1).
(3) Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58).
(4) Besluit 2010/346/EU van de Commissie van 18 juni 2010 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met infectieuze anemie bij paarden in Roemenië (PB L 155 van 22.6.2010, blz. 48).
BIJLAGE
“BIJLAGE
Gebieden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a):
|
Lidstaat |
Gebied |
Opmerking |
|
Roemenië |
Bihor |
|
|
|
Satu Mare |
|
|
|
Maramureş |
|
|
|
Bistriţa-Năsăud |
|
|
|
Sălaj |
|
|
|
Cluj |
|
|
|
Mureş |
|
|
|
Harghita |
|
|
|
Alba |
|
|
|
Sibiu |
|
|
|
Braşov |
|
|
|
Hunedoara |
|
|
|
Caraş-Severin |
|
|
|
Gorj |
|
|
|
Vâlcea |
|
|
|
Tulcea |
|
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/29 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1887 VAN DE COMMISSIE
van 7 november 2019
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wat betreft de beschikbaarheid en tijdigheid van informatie in de lijst van goedgekeurde inrichtingen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 7899)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (3), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie (4) zijn maatregelen op het gebied van de diergezondheid vastgesteld in verband met Afrikaanse varkenspest in de lidstaten of gebieden daarvan als vermeld in de bijlage (“de betrokken lidstaten”). Dat uitvoeringsbesluit voorziet in een verbod op de verzending van zendingen tamme varkens en producten van tamme varkens, alsook van zendingen wilde varkens en producten van wilde varkens uit de in de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit vermelde gebieden. Daarnaast bevat het uitvoeringsbesluit andere regels die tot doel hebben de verspreiding van Afrikaanse varkenspest te voorkomen, met inbegrip van de door de lidstaten te verstrekken informatie. De in Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU vastgestelde maatregelen op het gebied van de diergezondheid zijn parallel van toepassing met de in Richtlijn 2002/60/EG van de Raad (5) vastgestelde maatregelen en hebben tot doel de verspreiding van Afrikaanse varkenspest te bestrijden, met name op het niveau van de Unie. |
|
(2) |
Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU voorziet ook in afwijkingen van het verbod op de verzending van vers varkensvlees en van bepaalde varkensvleesbereidingen en varkensvleesproducten van of met dergelijk vlees uit de in de delen II, III of IV van de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit vermelde gebieden naar andere lidstaten en derde landen. |
|
(3) |
Bepaalde afwijkingen zijn alleen mogelijk als de varkens waarvan de desbetreffende producten afkomstig zijn, voldoen aan de eisen van artikel 11 van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU, de slachthuizen, uitsnijderijen en vleesverwerkingsinrichtingen voldoen aan de in artikel 12 van dat uitvoeringsbesluit vastgestelde voorwaarden voor goedkeuring en de desbetreffende producten worden geproduceerd en verwerkt in overeenstemming met de specifieke verwerkings- en certificeringseisen in artikel 13 van dat uitvoeringsbesluit. |
|
(4) |
Krachtens artikel 14 van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU moeten de lidstaten momenteel vanaf de datum van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU elke zes maanden de bijgewerkte lijst van de goedgekeurde inrichtingen als bedoeld in artikel 12 en alle relevante informatie over de toepassing van de artikelen 11, 12 en 13 van die handeling aan de Commissie en de andere lidstaten verstrekken. Om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de behoefte aan transparantie ten aanzien van andere lidstaten en derde landen en de informatie-uitwisseling te stroomlijnen, moeten de lidstaten de lijst van de goedgekeurde inrichtingen als bedoeld in artikel 12 en alle relevante informatie over de toepassing van de artikelen 11, 12 en 13 van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU regelmatig bijwerken. Daarnaast moeten de lidstaten deze informatie tijdig openbaar en gemakkelijk toegankelijk maken voor andere lidstaten en derde landen. Artikel 14 van dat uitvoeringsbesluit moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 14 van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wordt vervangen door:
“Artikel 14
Informatie betreffende de artikelen 11, 12 en 13
De lidstaten stellen een lijst op van overeenkomstig artikel 12 goedgekeurde inrichtingen (lijst van goedgekeurde inrichtingen), werken deze regelmatig bij en stellen deze ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en het grote publiek.
De lidstaten brengen de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk op de hoogte van:
|
a) |
elke wijziging van hun lijst van goedgekeurde inrichtingen; alsmede |
|
b) |
alle relevante informatie over de toepassing van de artikelen 11, 12 en 13.”. |
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 7 november 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.
(4) Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie van 9 oktober 2014 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU (PB L 295 van 11.10.2014, blz. 63).
(5) Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).
AANBEVELINGEN
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/31 |
AANBEVELING (EU) 2019/1888 VAN DE COMMISSIE
van 7 november 2019
betreffende de monitoring van de aanwezigheid van acrylamide in bepaalde levensmiddelen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/2158 van de Commissie (1) zijn specifieke verplichtingen ingevoerd voor exploitanten die bepaalde levensmiddelen produceren en op de markt brengen om een programma voor de eigen bemonstering en analyse van de acrylamidegehalten in de levensmiddelen op te stellen en specifieke risicobeperkende maatregelen te nemen met het oog op het bereiken van acrylamidegehalten die zo laag als redelijkerwijs mogelijk onder de bij die verordening vastgestelde referentieniveaus liggen. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) is de verplichting vastgesteld voor de bevoegde autoriteiten om officiële controles uit te voeren op de naleving van voorschriften die in het bijzonder zijn gericht op a) het voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen van rechtstreekse of door het milieu veroorzaakte risico’s voor mens en dier, en b) het zorgen voor eerlijke praktijken in de handel in levensmiddelen en diervoeders en het beschermen van de belangen van de consument, onder meer door de etikettering van diervoeders en levensmiddelen en andere vormen van consumentenvoorlichting. Officiële controles moeten ook worden uitgevoerd om na te gaan of wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2158. |
|
(3) |
Er wordt erkend dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de aanwezigheid van acrylamide in bepaalde levensmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2158, ondanks de verplichtingen die zijn vastgesteld in artikel 4 van die verordening en de resultaten van de uitgevoerde officiële controles. Er zijn tevens onvoldoende gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van acrylamide in levensmiddelen die niet onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2017/2158 vallen, maar die significante acrylamidegehalten kunnen bevatten en/of een rol kunnen spelen bij de blootstelling aan acrylamide via voeding. |
|
(4) |
Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen, is het derhalve passend dat de bevoegde autoriteiten en de exploitanten van levensmiddelenbedrijven binnen hun bevoegdheid, onverminderd de verplichtingen die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2017/2158 en op grond van Verordening (EG) nr. 882/2004, de aanwezigheid van acrylamide in die levensmiddelen bewaken met het oog op de vaststelling van mogelijke risicobeheersmaatregelen, die een aanvulling moeten vormen op de maatregelen die reeds bij Verordening (EU) 2017/2158 zijn vastgesteld. |
|
(5) |
Met het oog op het sturen van de bevoegde autoriteiten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven wat betreft de te monitoren levensmiddelen, wordt een niet-uitputtende lijst van levensmiddelencategorieën/levensmiddelen vastgesteld. |
|
(6) |
Met de vaststelling van Verordening (EU) 2017/2158 en deze aanbeveling worden de Aanbevelingen 2010/307/EU (3) en 2013/647/EU (4) van de Commissie achterhaald en zij moeten derhalve worden ingetrokken, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
1. |
Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 882/2004, moeten de bevoegde autoriteiten in de lidstaten de aanwezigheid van acrylamide en de gehalten ervan in levensmiddelen, met name in de in de bijlage vermelde levensmiddelen, regelmatig monitoren.
Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2158, moeten de exploitanten van levensmiddelenbedrijven de aanwezigheid van acrylamide en de gehalten ervan in levensmiddelen, met name in de in de bijlage vermelde levensmiddelen, regelmatig monitoren. |
|
2. |
De lidstaten en de exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) elk jaar uiterlijk op 1 oktober de gegevens verstrekken die zij in het voorgaande jaar via hun monitoringactiviteiten hebben verzameld en die dan worden samengevoegd in één databank, overeenkomstig de vereisten van de richtsnoeren van de EFSA betreffende de standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description, SSD) voor levensmiddelen en diervoeders en de aanvullende specifieke rapportagevereisten van de EFSA (5). |
|
3. |
Om ervoor te zorgen dat de monsters representatief zijn, moeten de lidstaten de bemonsteringsprocedures volgen die zijn vastgesteld in deel B van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie (6).
De bemonsteringsprocedure die de exploitant van het levensmiddelenbedrijf toepast, mag afwijken van Verordening (EG) nr. 333/2007, maar moet representatief blijven voor de partij. |
|
4. |
De lidstaten moeten de analyse van acrylamide uitvoeren overeenkomstig de criteria van Verordening (EG) nr. 333/2007.
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat de analyse van acrylamide wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften en criteria van bijlage III bij Verordening (EU) 2017/2158. |
|
5. |
De Aanbevelingen 2010/307/EU en 2013/647/EU worden ingetrokken. |
Gedaan te Brussel, 7 november 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) Verordening (EU) 2017/2158 van de Commissie van 20 november 2017 tot vaststelling van risicobeperkende maatregelen en referentieniveaus voor de reductie van de acrylamidegehalten in levensmiddelen (PB L 304 van 21.11.2017, blz. 24).
(2) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).
(3) Aanbeveling 2010/307/EU van de Commissie van 2 juni 2010 inzake de monitoring van het acrylamidegehalte in levensmiddelen (PB L 137 van 3.6.2010, blz. 4).
(4) Aanbeveling 2013/647/EU van de Commissie van 8 november 2013 inzake onderzoeken naar de acrylamidegehalten in levensmiddelen (PB L 301 van 12.11.2013, blz. 15).
(5) http://www.efsa.europa.eu/en/consultations/call/180307
(6) Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie van 28 maart 2007 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan lood, cadmium, kwik, anorganisch tin, 3-MCPD en benzo(a)pyreen in levensmiddelen (PB L 88 van 29.3.2007, blz. 29).
BIJLAGE
Niet-uitputtende lijst van levensmiddelen voor de monitoring van de aanwezigheid van acrylamide
Aardappelproducten
|
— |
Rösti |
|
— |
Kroketten, pommes duchesse, pommes noisettes, … |
|
— |
Aardappelstoofschotel (en groentestoofschotel) |
|
— |
Maaltijd op basis van aardappelen en vlees |
|
— |
Maaltijd op basis van aardappelen en kaas |
Bakkerijproducten
|
— |
Broodjes (hamburgerbroodjes, volkorenbroodjes, melkbroodjes, …) |
|
— |
Pitabroden, Mexicaanse tortilla’s |
|
— |
Croissants |
|
— |
Donuts |
|
— |
Speciaal brood (zoals pompernikkelbrood, ciabatta met olijven, uienbrood, …) |
|
— |
Pannenkoeken |
|
— |
Knapperige koekjes van dunne deegstrookjes, gefrituurd |
|
— |
Churros |
Graanproducten
|
— |
Rijstcrackers |
|
— |
Maiscrackers |
|
— |
Granensnacks (zoals geëxtrudeerde mais- en/of tarweproducten) |
|
— |
Geroosterde muesli met honing |
Andere
|
— |
Groentenchips/-frieten |
|
— |
Gebrande noten |
|
— |
Geroosterde oliehoudende zaden |
|
— |
Gedroogde vruchten |
|
— |
Geroosterde cacaobonen en afgeleide cacaoproducten |
|
— |
Gepekelde olijven |
|
— |
Koffiesurrogaten die niet op cichorei of granen zijn gebaseerd |
|
— |
Fudge, karamel, nougat, … |
REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING
|
11.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 290/34 |
BESLUIT VAN DE RAAD VAN BESTUUR VAN HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR OPLEIDING OP HET GEBIED VAN RECHTSHANDHAVING
van 5 augustus 2019
houdende interne voorschriften betreffende de beperking van bepaalde rechten van betrokkenen in verband met de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de werking van Cepol
DE RAAD VAN BESTUUR,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (1), en met name artikel 25,
Gezien Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad (2),
Gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) van 20 juni 2019 en de EDPS-richtsnoeren inzake artikel 25 van de nieuwe verordening en interne voorschriften (3),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Cepol voert zijn activiteiten uit overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2219. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 moet beperking van de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36, en artikel 4 van die verordening, voor zover de bepalingen daarvan overeenkomen met de rechten en verplichtingen waarin de artikelen 14 tot en met 22 voorzien, gebaseerd zijn op door het Agentschap vast te stellen interne voorschriften voor zover deze niet zijn gebaseerd op rechtshandelingen die op basis van de Verdragen zijn vastgesteld. |
|
(3) |
Deze interne voorschriften, met inbegrip van de bepalingen betreffende de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van een beperking, zijn niet van toepassing wanneer een op grond van de Verdragen vastgestelde rechtshandeling voorziet in een beperking van de rechten van de betrokkene. |
|
(4) |
Wanneer het Agentschap zijn verplichtingen met betrekking tot de rechten van de betrokkenen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 nakomt, gaat het na of een van de in die verordening vastgestelde vrijstellingen van toepassing is. |
|
(5) |
In het kader van zijn administratieve werking kan het Agentschap administratieve onderzoeken instellen, tuchtprocedures inleiden, voorbereidende activiteiten verrichten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die aan OLAF zijn gemeld, klokkenluiderszaken in behandeling nemen, (formele en informele) procedures in verband met intimidatie behandelen, interne en externe klachten behandelen, interne audits uitvoeren, onderzoeken uitvoeren door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 en interne (IT-)veiligheidsonderzoeken. Daarnaast behandelt het Agentschap verzoeken om toegang tot het medisch dossier van de personeelsleden. Het Agentschap verwerkt verschillende categorieën persoonsgegevens, inclusief harde gegevens (“objectieve” gegevens zoals identificatiegegevens, contactgegevens, professionele gegevens, administratieve gegevens, van specifieke bronnen ontvangen gegevens, elektronische communicatie- en verkeersgegevens) en/of zachte gegevens (“subjectieve” gegevens met betrekking tot de zaak, zoals redeneringen, gegevens over gedrag, beoordelingen, prestaties en gegevens die verband houden met het voorwerp van de procedure of activiteit). |
|
(6) |
Het Agentschap, vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur, treedt op als verantwoordelijke voor de gegevensverwerking, ongeacht verdere delegaties van deze rol van verwerkingsverantwoordelijke binnen het Agentschap, teneinde de operationele verantwoordelijkheden voor specifieke verwerkingen van persoonsgegevens weer te geven. |
|
(7) |
De persoonsgegevens worden veilig opgeslagen in een elektronische omgeving of op papier waarmee onrechtmatige toegang tot of doorgifte van gegevens aan personen die niet voldoen aan het “need-to-know”-criterium, wordt voorkomen. De medische dossiers worden opgeslagen door de externe dienstverlener waarop het Agentschap een beroep doet. De verwerkte persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk, en passend voor de doeleinden van de gegevensverwerking, gedurende de periode die in de kennisgevingen inzake gegevensbescherming, de privacyverklaringen of het register van het Agentschap is gespecificeerd. |
|
(8) |
De interne voorschriften moeten van toepassing zijn op alle verwerkingen die door het Agentschap worden verricht bij de uitvoering van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF zijn gemeld, klokkenluidersprocedures, (formele en informele) procedures voor gevallen van intimidatie, verwerking van interne en externe klachten, interne audits, het onderzoek door de functionaris voor gegevensbescherming in overeenstemming met artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 en (IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU), evenals voor de behandeling van verzoeken om toegang tot het eigen medisch dossier. |
|
(9) |
Ze moeten van toepassing zijn op verwerkingen die vóór inleiding van voornoemde procedures plaatsvonden, tijdens deze procedures, en tijdens het toezicht op de follow-up van de uitkomst van deze procedures. Ze moeten ook bijstand en samenwerking bestrijken die het Agentschap buiten zijn administratieve onderzoeken biedt aan nationale autoriteiten en internationale organisaties. |
|
(10) |
In de gevallen waarin deze interne voorschriften van toepassing zijn, moet het Agentschap motiveren waarom de beperkingen strikt noodzakelijk en evenredig zijn in een democratische samenleving en de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden eerbiedigen. |
|
(11) |
Binnen dit kader is het Agentschap gehouden de grondrechten van de betrokkenen tijdens voornoemde procedures zo veel mogelijk te respecteren, met name die welke betrekking hebben op het recht op informatieverstrekking, de toegang tot en rectificatie van gegevens, het recht op wissing, beperking van de verwerking, het recht op mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene of de vertrouwelijkheid van de communicatie zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 2018/1725. |
|
(12) |
Het Agentschap kan er echter toe worden verplicht de informatie aan de betrokkene en de rechten van andere betrokkenen te beperken, in het bijzonder om zijn eigen onderzoeken, de onderzoeken en procedures van andere overheidsinstanties en de rechten van andere personen die met zijn onderzoeken of andere procedures verband houden, te beschermen. |
|
(13) |
Het Agentschap kan aldus de informatie beperken met het oog op de bescherming van het onderzoek en de grondrechten en fundamentele vrijheden van andere betrokkenen. |
|
(14) |
Het Agentschap moet regelmatig controleren of de voorwaarden die de beperking rechtvaardigen nog van toepassing zijn en de beperking opheffen, als deze niet langer van toepassing zijn. |
|
(15) |
De verwerkingsverantwoordelijke dient de functionaris voor gegevensbescherming op het moment van de opschorting en tijdens de herzieningen op de hoogte te stellen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Dit besluit stelt voorschriften vast met betrekking tot de voorwaarden waaronder het Agentschap in het kader van zijn procedures als bedoeld in lid 2, de toepassing van de rechten die zijn neergelegd in de artikelen 14 tot en met 21, 35 en 36, en artikel 4 daarvan, kan beperken overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 2018/1725.
2. In het kader van de administratieve werking van het Agentschap is dit besluit van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het verrichten van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, voorbereidende activiteiten in verband met mogelijke onregelmatigheden die aan OLAF zijn gemeld, de verwerking van klokkenluiderszaken, (formele en informele) procedures in verband met intimidatie, de verwerking van interne en externe klachten, het uitvoeren van interne audits, onderzoeken uitgevoerd door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725, (IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU), evenals de behandeling van verzoeken om toegang tot het eigen medisch dossier.
3. De betreffende gegevenscategorieën zijn harde gegevens (“objectieve” gegevens zoals identificatiegegevens, contactgegevens, professionele gegevens, administratieve gegevens, van specifieke bronnen ontvangen gegevens elektronische communicatie- en verkeersgegevens) en/of zachte gegevens (“subjectieve” gegevens met betrekking tot de zaak zoals redeneringen, gegevens over gedrag, beoordelingen, prestaties en gegevens die verband houden met het voorwerp van de procedure of activiteit).
4. Wanneer het Agentschap zijn verplichtingen met betrekking tot de rechten van de betrokkenen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 nakomt, gaat het na of een van de in die verordening vastgestelde vrijstellingen van toepassing is.
5. Onder voorbehoud van de voorwaarden van dit besluit kunnen de beperkingen van toepassing zijn op de volgende rechten: verstrekken van informatie aan de betrokkenen, recht van toegang, rectificatie, wissing, beperking van de verwerking, mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene of vertrouwelijkheid van communicatie.
Artikel 2
Specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke en veiligheidsmaatregelen
1. De waarborgen die zijn ingebouwd om inbreuken, lekken of ongeoorloofde bekendmaking van gegevens te voorkomen, zijn de volgende:
|
a) |
de papieren documenten worden bewaard in beveiligde kasten en zijn uitsluitend toegankelijk voor bevoegd personeel; |
|
b) |
alle elektronische gegevens worden opgeslagen conform de beveiligingsnormen van het Agentschap, en in specifieke elektronische mappen die alleen toegankelijk zijn voor gemachtigde personeelsleden. Passende niveaus van toegang worden individueel toegekend; |
|
c) |
de IT-omgeving van het Agentschap is toegankelijk via een systeem met eenmalige aanmelding en is automatisch verbonden met de naam (ID) en het wachtwoord van de gebruiker. Het is strikt verboden om gebruikers te vervangen. E-registratiedossiers worden veilig opgeslagen teneinde de vertrouwelijkheid en privacy van de gegevens te waarborgen; |
|
d) |
De externe dienstverlener die de medische dossiers bewaart, is gebonden aan bijzondere contractbepalingen inzake vertrouwelijkheid en de verwerking van persoonsgegevens. |
|
e) |
alle personen die toegang hebben tot de gegevens zijn gebonden door geheimhoudingsplicht. |
2. De verantwoordelijke voor de verwerking is het Agentschap, vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur, die de functie van de verwerkingsverantwoordelijke kan delegeren. De betrokkenen worden door middel van de op de website van het Agentschap gepubliceerde en intern verspreide kennisgevingen of het register inzake gegevensbescherming in kennis gesteld van de gedelegeerde verantwoordelijke voor de verwerking.
3. De bewaringstermijn van de in artikel 1, lid 3, bedoelde persoonsgegevens is niet langer dan noodzakelijk, en passend voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt. Deze mag in geen geval langer zijn dan de bewaringstermijn die in de in artikel 5, lid 1, bedoelde mededelingen voor gegevensbescherming, privacyverklaringen of het register is vastgesteld.
4. Wanneer het Agentschap overweegt een beperking toe te passen wordt het risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkene afgewogen, in het bijzonder tegen het risico voor de rechten en vrijheden van andere betrokkenen en het risico dat de effecten van de onderzoeken of procedures van het Agentschap teniet worden gedaan, bijvoorbeeld door bewijsmateriaal te vernietigen. De risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkene betreffen in de eerste plaats, maar zijn niet beperkt tot, reputatierisico's en risico's voor het recht op verdediging en het recht om te worden gehoord.
Artikel 3
Beperkingen
1. Beperkingen mogen door het Agentschap alleen worden toegepast ter waarborging van:
|
a) |
de preventie, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van het beschermen tegen en het voorkomen van bedreigingen van de openbare veiligheid; |
|
b) |
de interne veiligheid van de instellingen en organen van de Unie, met inbegrip van hun elektronische-communicatienetwerken; |
|
c) |
de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures; |
|
d) |
de preventie, het onderzoek, de opsporing en vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; |
|
e) |
de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; |
|
f) |
de inning van civielrechtelijke vorderingen. |
2. Als specifieke toepassing van de in punt 1 beschreven doeleinden kan het Agentschap in de volgende gevallen beperkingen opleggen met betrekking tot persoonsgegevens die worden uitgewisseld met diensten van de Commissie of andere instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie, bevoegde autoriteiten van lidstaten of derde landen of internationale organisaties:
|
a) |
wanneer de uitoefening van deze rechten en verplichtingen door de diensten van de Commissie of andere instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie kan worden beperkt op basis van andere handelingen als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 of overeenkomstig hoofdstuk IX van die verordening of de oprichtingshandelingen van andere instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie; |
|
b) |
wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de uitoefening van deze rechten en verplichtingen kunnen beperken op basis van de in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (4) bedoelde handelingen, of op grond van nationale maatregelen ter omzetting van de artikelen 13, lid 3, 15, lid 3, of 16, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (5); |
|
c) |
wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen de samenwerking van het Agentschap met derde landen of internationale organisaties bij de uitvoering van zijn taken in gevaar kan brengen. |
|
d) |
Alvorens beperkingen te stellen in de omstandigheden als bedoeld in de eerste alinea, onder a) en b), raadpleegt het Agentschap de betrokken diensten van de Commissie, de instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, tenzij het voor Agentschap duidelijk is dat de toepassing van een beperking voorziet in een van de in die punten genoemde handelingen. |
3. Elke beperking is noodzakelijk en evenredig, rekening houdend met de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen en de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden in een democratische samenleving.
4. Indien de toepassing van een beperking wordt overwogen, moet op basis van de huidige voorschriften een noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets worden uitgevoerd. Het wordt per geval gedocumenteerd door middel van een interne beoordelingsnota met het oog op het afleggen van verantwoording.
5. De beperkingen worden opgeheven zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen niet meer van toepassing zijn. In het bijzonder wanneer wordt aangenomen dat de uitoefening van het beperkte recht het effect van de opgelegde beperking of de rechten of vrijheden van andere betrokkenen niet langer teniet doet.
Artikel 4
Evaluatie door de functionaris voor gegevensbescherming
1. Het Agentschap stelt de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap (“de DPO”) onverwijld op de hoogte van het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke de toepassing van de rechten van de betrokkenen beperkt, of de beperking verlengt in overeenstemming met dit besluit. De verwerkingsverantwoordelijke geeft de DPO toegang tot het registratiedossier met de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de beperking en legt in het registratiedossier de datum vast waarop de DPO is geïnformeerd.
2. De DPO kan de verwerkingsverantwoordelijke schriftelijk verzoeken de toepassing van de beperkingen te evalueren. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO schriftelijk in kennis van de uitkomst van de gevraagde herziening.
3. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de DPO in kennis van de opheffing van de beperking.
Artikel 5
Verstrekking van informatie aan de betrokkene
1. In naar behoren gemotiveerde gevallen en onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgelegd, kan de verwerkingsverantwoordelijke het recht op informatie beperken in het kader van de volgende verwerkingen:
|
a) |
de uitvoering van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; |
|
b) |
voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF werden gemeld; |
|
c) |
klokkenluidersprocedures; |
|
d) |
(formele en informele) procedures voor gevallen van intimidatie; |
|
e) |
interne en externe behandeling van klachten; |
|
f) |
interne audits; |
|
g) |
de door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 verrichte onderzoeken; |
|
h) |
(IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU). |
Het Agentschap neemt in de gegevensbeschermingsmededelingen, privacyverklaringen of het register in de zin van artikel 31 van Verordening (EU) 2018/1725, die op zijn website zijn gepubliceerd en/of intern zijn verspreid waarin betrokkenen worden geïnformeerd over hun rechten in het kader van een bepaalde procedure, informatie op over de mogelijke beperking van deze rechten. De informatie heeft betrekking op de rechten die kunnen worden beperkt, de redenen hiervoor en de mogelijke duur ervan.
2. Onverminderd het bepaalde in lid 3 stelt het Agentschap, indien dit evenredig is, alle betrokkenen bij de specifieke verwerking, onverwijld individueel in kennis van hun rechten met betrekking tot bestaande of toekomstige beperkingen, zonder onnodige vertraging en in schriftelijke vorm.
3. Indien het Agentschap de verstrekking van informatie aan de in lid 2 bedoelde betrokkenen geheel of gedeeltelijk beperkt, registreert het de redenen voor de beperking, de rechtsgrond overeenkomstig artikel 3 van dit besluit, met inbegrip van een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking.
Het registratiedossier en, in voorkomend geval, de documenten met de onderliggende feitelijke en juridische elementen worden geregistreerd. Ze worden op verzoek aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ter beschikking gesteld.
4. De in lid 3 bedoelde beperking blijft van toepassing zolang de redenen ter rechtvaardiging ervan van toepassing blijven.
Wanneer de redenen voor de beperking niet langer van toepassing zijn, verstrekt het Agentschap de betrokkene informatie over de voornaamste redenen waarop de toepassing van een beperking is gebaseerd. Tegelijkertijd stelt het Agentschap de betrokkene in kennis van het recht om te allen tijde een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het Agentschap evalueert de toepassing van de beperking om de zes maanden, na de vaststelling ervan en bij de afsluiting van het desbetreffende onderzoek, de desbetreffende procedure of het desbetreffende onderzoek. Daarna houdt de verwerkingsverantwoordelijke elke zes maanden toezicht op de noodzaak om een beperking te handhaven.
Artikel 6
Recht op toegang door de betrokkene
1. In naar behoren gemotiveerde gevallen en onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgelegd, kan de verwerkingsverantwoordelijke het recht op toegang waar nodig en redelijk in het kader van de volgende verwerkingsactiviteiten beperken:
|
a) |
de uitvoering van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; |
|
b) |
voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF werden gemeld; |
|
c) |
klokkenluidersprocedures; |
|
d) |
(formele en informele) procedures voor gevallen van intimidatie; |
|
e) |
interne en externe behandeling van klachten; |
|
f) |
interne audits; |
|
g) |
de door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 verrichte onderzoeken; |
|
h) |
(IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU); |
|
i) |
behandelingen van verzoeken om toegang tot het eigen medisch dossier. |
Wanneer betrokkenen overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1725 verzoeken om toegang tot hun persoonsgegevens die in het kader van een of meer specifieke gevallen of een specifieke behandeling worden verwerkt, beperkt het Agentschap zijn beoordeling van het verzoek tot die persoonsgegevens.
2. Indien het Agentschap het in artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde recht van toegang geheel of gedeeltelijk beperkt, onderneemt het de volgende stappen:
|
a) |
het stelt de betrokkene, in zijn antwoord op het verzoek, op de hoogte van de opgelegde beperking en de voornaamste redenen daarvoor, alsmede de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie; |
|
b) |
het vermeldt in een interne beoordeling de redenen voor de beperking, met inbegrip van een beoordeling van de noodzaak, de evenredigheid van de beperking en de duur ervan. |
Beperkingen die worden opgelegd met betrekking tot de toegang tot het eigen medisch dossier hebben uitsluitend betrekking op verzoeken om directe toegang in verband met persoonlijke medische gegevens van psychologische of psychiatrische aard, waarbij het waarschijnlijk is dat de toegang tot dergelijke gegevens een gevaar vormt voor de gezondheid van de betrokkene. Deze beperking moet evenredig zijn tot wat strikt noodzakelijk is om de betrokkene te beschermen. Toegang tot dergelijke informatie wordt verleend aan een arts naar keuze van de betrokkene.
De onder a) bedoelde informatieverstrekking kan worden uitgesteld, achterwege gelaten of geweigerd indien zij het effect van de beperking overeenkomstig artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 zou opheffen.
Het Agentschap evalueert de toepassing van de beperking om de zes maanden vanaf de vaststelling ervan en ook bij de afsluiting van het betrokken onderzoek. Daarna houdt de verwerkingsverantwoordelijke elke zes maanden toezicht op de noodzaak om een beperking te handhaven.
3. Het registratiedossier en, in voorkomend geval, de documenten met de onderliggende feitelijke en juridische elementen worden geregistreerd. Ze worden op verzoek aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ter beschikking gesteld.
Artikel 7
Recht op rectificatie, wissing en beperking van verwerking
1. In naar behoren gemotiveerde gevallen en onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgelegd, kan de verwerkingsverantwoordelijke het recht op rectificatie, wissing en beperking indien nodig en passend beperken in het kader van de volgende verwerkingen:
|
a) |
de uitvoering van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; |
|
b) |
voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF werden gemeld; |
|
c) |
klokkenluidersprocedures; |
|
d) |
(formele en informele) procedures voor gevallen van intimidatie; |
|
e) |
interne en externe behandeling van klachten; |
|
f) |
interne audits; |
|
g) |
de door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 verrichte onderzoeken; |
|
h) |
(IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU). |
2. Wanneer het Agentschap de toepassing van het recht op rectificatie, wissing en beperking van verwerking als bedoeld in de artikelen 18, 19, lid 1, en 20, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 geheel of gedeeltelijk beperkt, neemt het de in artikel 6, lid 2, van dit besluit genoemde maatregelen om het dossier te registreren overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die verordening.
Artikel 8
Mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene en vertrouwelijkheid van elektronische communicatie
1. In naar behoren gemotiveerde gevallen en onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgelegd, kan de verwerkingsverantwoordelijke het recht op mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens waar nodig en passend beperken in het kader van de volgende verwerkingen:
|
a) |
de uitvoering van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; |
|
b) |
voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF werden gemeld; |
|
c) |
klokkenluidersprocedures; |
|
d) |
interne en externe behandeling van klachten; |
|
e) |
interne audits; |
|
f) |
de door de functionaris voor gegevensbescherming overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 verrichte onderzoeken; |
|
g) |
(IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU). |
2. In naar behoren gemotiveerde gevallen en onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgelegd, kan de verwerkingsverantwoordelijke het recht op vertrouwelijkheid van elektronische communicatie waar nodig en passend beperken in het kader van de volgende verwerkingen:
|
a) |
de uitvoering van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures; |
|
b) |
voorbereidende activiteiten in verband met gevallen van mogelijke onregelmatigheden die bij OLAF werden gemeld; |
|
c) |
klokkenluidersprocedures; |
|
d) |
formele procedures voor gevallen van intimidatie; |
|
e) |
interne en externe behandeling van klachten; |
|
f) |
(IT-)veiligheidsonderzoeken die intern of met externe betrokkenheid worden behandeld (bijv. CERT-EU). |
3. Wanneer het Agentschap de mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens of de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van Verordening (EU) 2018/1725 beperkt, legt het de redenen voor die beperking vast en registreert het die overeenkomstig artikel 5, lid 3, van dit besluit. Artikel 5, lid 4, van dit besluit is van toepassing.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Tampere, op 5 augustus 2019
Voor de raad van bestuur
Kimmo HIMBERG
voorzitter van de raad van bestuur
(1) PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39
(2) PB L 319 van 4.12.2015, blz. 1.
(3) https://edps.europa.eu/sites/edp/files/publication/18-12-20_guidance_on_article_25_en.pdf
(4) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(5) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).