|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/807 VAN DE COMMISSIE
van 13 maart 2019
tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het bepalen van de grondstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, en de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (1), en met name artikel 26, lid 2, vierde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om het probleem van indirecte veranderingen in landgebruik ("ILUC") aan te pakken, vereist Richtlijn (EU) 2018/2001 dat de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt waarin de criteria worden vastgelegd voor het bepalen van de grondstoffen met een hoog ILUC-risico waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, en voor de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico. Bij deze bepalingen dient het verslag te worden gevoegd over de stand van zaken omtrent in de hele wereld plaatsvindende uitbreidingen als gevolg van de productie van relevante voedsel- en voedergewassen ("verslag over uitbreiding door grondstofproductie"), dat op die datum is voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad. |
|
(2) |
Er kan sprake zijn van ILUC wanneer grond die vroeger bestemd was voor de productie van levensmiddelen en diervoeders, voortaan wordt gebruikt voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. In dat geval moet nog altijd worden voldaan aan de vraag naar levensmiddelen en diervoeders, hetgeen ertoe kan leiden dat ook gebieden met grote koolstofvoorraden, zoals bossen, waterrijke gebieden en veengebieden, als landbouwgrond worden gebruikt, met extra broeikasgasemissies tot gevolg. |
|
(3) |
In de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria van Richtlijn 2009/28/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijn (EU) 2018/2001 is geen rekening gehouden met ILUC-emissies. |
|
(4) |
In Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt niet alleen erkend dat er ILUC-emissies bestaan, maar ook dat, ondanks de onzekerheid bij de berekening ervan, de omvang van broeikasgasemissies die verband houden met ILUC broeikasgasemissiereducties door gebruik van afzonderlijke biobrandstoffen, als gedefinieerd in die richtlijn, en van vloeibare biomassa gedeeltelijk of geheel teniet kan doen. Daarom is er bij deze richtlijn een algemene limiet ingevoerd voor de hoeveelheid dergelijke brandstoffen die worden geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, die kunnen worden meegeteld voor het behalen van de in Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers. Deze limiet bestaat uit een bijdrage van maximaal 7 % van dergelijke brandstoffen aan het eindverbruik van energie in het spoor- en wegvervoer in elke lidstaat. |
|
(5) |
In Richtlijn (EU) 2018/2001 wordt de beperking betreffende in het vervoer verbruikte, uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en biomassabrandstoffen gehandhaafd; tevens wordt deze beperking versterkt door de invoering van specifieke nationale limieten voor de totale bijdrage van deze brandstoffen aan het behalen van het EU-streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030. Die limieten worden bepaald aan de hand van het nationale aandeel voor 2020 van dergelijke brandstoffen aan het eindverbruik van energie in het spoor- en wegvervoer in elke lidstaat, waarbij een verhoging van één procentpunt mogelijk is, tot een maximum van 7 %. |
|
(6) |
Richtlijn (EU) 2018/2001 voorziet ook in een specifieke limiet voor uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een hoog ILUC-risico waarbij een belangrijke uitbreiding van het grondstofproductiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, in het verbruik ervan in elke lidstaat in 2019. Vanaf 31 december 2023 moet de bijdrage ervan geleidelijk afnemen en uiterlijk in 2030 bij 0 % liggen. |
|
(7) |
Hoewel alom wordt erkend dat er risico's voortvloeien uit ILUC in verband met het gebruik van voedsel- en voedergewassen voor de productie van brandstoffen, blijkt uit wetenschappelijke literatuur dat het niveau van ILUC-emissies afhankelijk is van verschillende factoren, waaronder de soort grondstof die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare brandstoffen, het niveau van de extra vraag naar grondstoffen als gevolg van het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen, evenals de mate waarin land met grote koolstofvoorraden wereldwijd wordt beschermd. |
|
(8) |
Tevens blijkt uit wetenschappelijke literatuur dat de gevolgen van ILUC voor het potentieel van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wat betreft het verwezenlijken van broeikasgasemissiereducties zeer duidelijk zijn voor oliegewassen. Hernieuwbare brandstoffen die met dergelijke grondstoffen worden geproduceerd, worden daarom algemeen beschouwd als brandstoffen met een hoger ILUC-risico. Dit komt tot uiting in bijlage VIII, deel A van Richtlijn 2009/28/EG en van Richtlijn (EU) 2018/2001. In het verslag over uitbreidingen in verband met grondstoffen, waarin rekening wordt gehouden met de meest recente wetenschappelijke gegevens over de in de hele wereld plaatsvindende uitbreiding van het productiegebied voor voedsel- en voedergewassen naar land met grote koolstofvoorraden, wordt bevestigd dat deze gewassen ook verantwoordelijk zijn voor de overgrote meerderheid van de waargenomen in de hele wereld plaatsvindende uitbreidingen van het productiegebied voor voedsel- en voedergewassen naar land met een grote koolstofvoorraad. |
|
(9) |
In het verslag over uitbreidingen in verband met grondstoffen wordt ook benadrukt dat het effect van de uitbreiding van het productiegebied voor oliegewassen naar land met een grote koolstofvoorraad op het potentieel van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wat betreft het verwezenlijken van broeikasgasemissiereducties afhankelijk is van verschillende factoren. Daartoe behoren de absolute en relatieve omvang van de landuitbreiding vanaf een specifiek referentiejaar ten opzichte van het totale productiegebied van het desbetreffende gewas, het aandeel van deze uitbreiding naar land met een grote koolstofvoorraad alsmede het soort gebied met een grote koolstofvoorraad; deze factoren spelen een cruciale rol bij het bepalen van het belang van een dergelijke uitbreiding voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2018/2001. Met deze factoren, alsmede met de specifieke productiviteitsfactoren voor elke groep gewassen, moet derhalve rekening worden gehouden bij de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een hoog ILUC-risico waarbij een belangrijke uitbreiding van het grondstofproductiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt. |
|
(10) |
Rekening houdend met alle bovenstaande overwegingen, met inbegrip van alle relevante wetenschappelijke informatie en studies, het verschil tussen de verschillende grondstoffen, het mondiale karakter van de verschillende grondstoffenmarkten en de manier waarop deze werken, het daarmee samenhangende risico van onbedoelde of contraproductieve handelsverleggingseffecten, de relatieve beschikbaarheid van volledige gegevens en de periodieke en veelvuldige evaluatie van die gegevens, alsmede de relevante internationale verplichtingen van de Europese Unie, wordt er in deze fase van het regelgevingsproces vanuit gegaan dat de meest geschikte, objectieve en evenwichtige methode is gebaseerd op de algehele wereldwijde positie ten aanzien van elke specifieke grondstof, en niet een benadering waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bepaalde landen. Dit is de beste haalbare regelgevingsbenadering, waarbij rekening wordt gehouden met de concurrerende maar complementaire doelstellingen die met deze verordening worden nagestreefd. Een dergelijke benadering wordt verder op passende wijze in evenwicht gebracht door de mogelijkheid van certificering met een laag ILUC-risico. |
|
(11) |
Overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001 zijn de lidstaten verplicht de in deze verordening vastgestelde criteria toe te passen voor het bepalen van grondstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt. Dat moeten zij doen op basis van de informatie die is opgenomen in een bijlage die is te herzien in overeenstemming met deze verordening. De Commissie moet het verslag over uitbreidingen in verband met grondstoffen regelmatig herzien, zodat rekening wordt gehouden met de veranderende omstandigheden en de meest recente wetenschappelijke gegevens. De bijlage moet in voorkomend geval worden gewijzigd. |
|
(12) |
Onder bepaalde omstandigheden kan het ILUC-effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat het ILUC-risico hoog is, worden voorkomen, en de teelt van de betrokken grondstoffen kan zelfs gunstig blijken te zijn voor de betrokken productiegebieden. In dergelijke gevallen moeten criteria worden vastgesteld om de identificatie en certificering als biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico mogelijk te maken. Gecertificeerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico moeten worden vrijgesteld van de limiet en de geleidelijke vermindering die zijn vastgesteld voor uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een hoog ILUC-risico, op voorwaarde dat zij voldoen aan de in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde duurzaamheids- broeikasgasemissiereductiecriteria. |
|
(13) |
Biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen moeten alleen als beschikkend over een laag ILUC-risico worden beschouwd indien de voor de productie daarvan gebruikte grondstoffen worden geteeld als gevolg van de toepassing van naar behoren controleerbare maatregelen ter verhoging van de productiviteit boven de stijgingen die zouden worden bereikt bij een "business-as-usual"-scenario. Bovendien moeten deze maatregelen zorgen voor duurzaamheid van grondstoffen, rekening houdend met alle vereisten van Richtlijn 2009/28/EG of Richtlijn (EU) 2018/2001 met betrekking tot streefcijfers voor hernieuwbare energie. |
|
(14) |
Als verdere garantie voor de positieve effecten van certificering met een laag ILUC-risico mag met de aanvullende grondstoffen die worden gebruikt voor brandstoffen met een laag ILUC-risico alleen rekening worden gehouden indien de desbetreffende maatregelen onder een beperkte categorie vallen. In het bijzonder moet alleen rekening worden gehouden met maatregelen die financieel aantrekkelijk zijn omdat zij het mogelijk maken te profiteren van het financiële voordeel dat uit een dergelijke certificering voortvloeit, naar analogie van de financiële additionaliteitscriteria die in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling van het Protocol van Kyoto worden toegepast. |
|
(15) |
Voorts is het passend het criterium van financiële additionaliteit niet toe te passen op de aanvullende grondstoffen die op uit de productie genomen land of ernstig aangetast land of door onafhankelijke kleine landbouwers worden geteeld. Dit zou in feite neerkomen op een onredelijke administratieve last in het licht van het aanzienlijke potentieel voor productiviteitsverbeteringen en de belemmeringen voor de financiering van de noodzakelijke investeringen. Daarom moeten maatregelen die worden genomen op uit de productie genomen of ernstig aangetast land of die door onafhankelijke kleine landbouwers worden genomen, worden vrijgesteld van de verplichting tot naleving van de financiële additionaliteitscriteria, zonder afbreuk te doen aan de eis om aanvullende grondstoffen te produceren en te voldoen aan de duurzaamheidscriteria. In het licht van de statistische werkzaamheden die in verschillende analyses, waaronder het dataportret betreffende kleine landbouwers van de FAO, zijn uitgevoerd, moeten bedrijven van minder dan twee hectare in deze context als klein worden beschouwd. |
|
(16) |
Alleen feitelijke productiviteitsstijgingen in bestaande of nieuwe projecten die het gevolg zijn van maatregelen waarmee wordt gestreefd naar extra opbrengsten, moeten in overweging worden genomen. De certificeringsperiode moet daarom tot een redelijke tijd en draagwijdte worden beperkt. Zodoende kunnen de desbetreffende investeringen volledig worden afgeschreven en kunnen er robuuste procedures worden ingevoerd waarmee toezicht wordt gehouden op de doeltreffendheid van de certificering. |
|
(17) |
Om te zorgen voor een soepel certificeringsproces voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico, moeten marktdeelnemers kunnen vertrouwen op robuuste en betrouwbare certificeringsregels. Bij deze regels moet rekening worden gehouden met de rol van vrijwillige nationale of internationale systemen in overeenstemming met de herschikte tekst van artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001. waarin de robuustheid van de controle wordt versterkt ten opzichte van de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2009/28/EG. Naast de overeenkomstig artikel 30, lid 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001 door de Commissie erkende nationale systemen, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico door middel van vrijwillige systemen worden gecertificeerd, op soortgelijke wijze als deze systemen mogen worden toegepast om te certificeren dat wordt voldaan aan de duurzaamheidscriteria van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001. |
|
(18) |
Teneinde te waarborgen dat de door marktdeelnemers verstrekte informatie transparant, nauwkeurig, betrouwbaar is en bestand is tegen fraude, moeten er overkoepelende regels worden ingevoerd inzake de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik, waardoor er een passende norm wordt geboden voor onafhankelijke audits van de beweringen van marktdeelnemers,. Dergelijke regels, met inbegrip van die inzake groepscertificering, kunnen nader worden gespecificeerd en geharmoniseerd door vaststelling van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 30, lid 8, van Richtlijn (EU) 2018/2001, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
In deze verordening worden de criteria vastgesteld voor het bepalen van de grondstoffen met een hoog ILUC-risico waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, en voor het certificeren van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag ILUC-risico.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) "oliegewassen": voedsel- en voedergewassen zoals koolzaad, palmen, sojabonen zonnebloemen, anders dan zetmeelrijke gewassen en suikergewassen die gewoonlijk worden gebruikt als grondstof voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen;
2) "niet-gebruikte grond": gebieden die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar voor aanvang van de teelt van de grondstoffen die worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen, niet werden gebruikt voor de teelt van voedsel- en voedergewassen, andere energiegewassen of een aanzienlijke hoeveelheid voeder voor graasdieren;
3) "uit de productie genomen grond": niet-gebruikte grond die in het verleden werd gebruikt voor de teelt van voedsel- en voedergewassen, maar waar de teelt van voedsel- en voedergewassen is stopgezet als gevolg van biofysische of sociaal-economische beperkingen;
4) "ernstig aangetast land": gronden als gedefinieerd in deel C, punt 9, van bijlage V bij Richtlijn (EU) 2018/2001;
5) "additionaliteitsmaatregel": elke verbetering van landbouwpraktijken die op duurzame wijze leidt tot een toename van de opbrengst van voedsel- en voedergewassen op grond die al wordt gebruikt voor de teelt van voedsel- en voedergewassen, en elke actie die de teelt van voedsel- en voedergewassen op niet-gebruikte grond, waaronder uit de productie genomen grond, mogelijk maakt voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen;
6) "aanvullende grondstoffen": de aanvullende hoeveelheid van een voedsel- en voedergewas die op een duidelijk afgebakend gebied is geproduceerd vergeleken met de dynamische opbrengstbasis en die het rechtstreekse resultaat is van de toepassing van een additionaliteitsmaatregel;
7) "dynamische opbrengstbasis": de gemiddelde opbrengst van het afgebakende gebied waar een additionaliteitsmaatregel is genomen, berekend over de periode van drie jaar die onmiddellijk voorafging aan het jaar van toepassing van die maatregel, rekening houdend met de gemiddelde toename van de opbrengst die gedurende de voorafgaande tien jaar voor die grondstof is waargenomen en met de opbrengstcurves gedurende de levensduur in het geval van blijvende teelten, exclusief opbrengstschommelingen;
8) "grond met grote koolstofvoorraden": waterrijke gebieden, waaronder veengebieden, en permanent beboste gebieden in de zin van artikel 29, lid 4, onder a), b) en c), van Richtlijn (EU) 2018/2001;
9) "kleine landbouwers": landbouwers die onafhankelijk een landbouwactiviteit verrichten op een bedrijf met een landbouwareaal van minder dan twee hectare waarvan zij eigenaar zijn of waarvoor zij eigendomsrechten dan wel een gelijkwaardige titel hebben op basis waarvan zij zeggenschap over grond hebben, en die geen personeelslid van een onderneming zijn, met uitzondering van een coöperatie waarvan zij samen met andere kleine landbouwers lid zijn, mits een dergelijke coöperatie niet onder zeggenschap van een derde staat;
10) "blijvende teelten": niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland en blijvend weiland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren.
Artikel 3
Criteria voor het bepalen van de grondstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt
Voor het bepalen van de grondstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik waarbij een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met grote koolstofvoorraden waar te nemen valt, zijn de volgende cumulatieve criteria van toepassing:
|
a) |
de gemiddelde jaarlijkse uitbreiding van het algehele productiegebied van de grondstoffen sinds 2008 is groter dan 1 % en heeft betrekking op meer dan 100 000 hectare; |
|
b) |
het aandeel van deze uitbreiding naar grond met grote koolstofvoorraden is groter dan 10 %, overeenkomstig de volgende formule:
waarbij xhcs = aandeel van uitbreiding naar grond met grote koolstofvoorraden; xf = aandeel van uitbreiding naar in artikel 29, lid 4, oder b) en c), van Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde grond; xp = aandeel van uitbreiding naar in artikel 29, lid 4, oder a), van Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde grond, met inbegrip van veengebied; PF = productiviteitsfactor. PF is gelijk aan 1,7 voor maïs, 2,5 voor palmolie, 3,2 voor suikerbiet, 2,2 voor suikerriet en 1 voor alle andere gewassen. |
De toepassing van de criteria onder a) en b) is gebaseerd op de in de bijlage opgenomen informatie, als geëvalueerd overeenkomstig artikel 7.
Artikel 4
Algemene criteria voor de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik
1. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen alleen worden gecertificeerd als biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik indien aan de volgende criteria wordt voldaan:
|
a) |
de biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen voldoen aan de in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria; |
|
b) |
de biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen zijn geproduceerd uit aanvullende grondstoffen die zijn verkregen door middel van additionaliteitsmaatregelen die voldoen aan de in artikel 5 vastgestelde specifieke criteria; |
|
c) |
het bewijsmateriaal dat nodig is om de aanvullende grondstoffen te identificeren en de beweringen met betrekking tot de productie van aanvullende grondstoffen te staven, wordt door de betrokken marktdeelnemers naar behoren verzameld en grondig gedocumenteerd. |
2. Het in lid 1, onder c), bedoelde bewijsmateriaal bevat ten minste informatie over de additionaliteitsmaatregelen die zijn genomen om aanvullende grondstoffen te produceren, de afgebakende gebieden waar deze maatregelen zijn toegepast en de gemiddelde opbrengst van de grond waar deze maatregelen zijn toegepast in de periode van drie jaar die onmiddellijk voorafging aan het jaar waarin de additionaliteitsmaatregel is toegepast.
Artikel 5
Additionaliteitsmaatregelen
1. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen alleen worden gecertificeerd als brandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik indien:
|
a) |
de additionaliteitsmaatregelen om de aanvullende grondstoffen te produceren aan ten minsten één van de volgende voorwaarden voldoen:
|
|
b) |
de additionaliteitsmaatregelen worden niet meer dan tien jaar vóór de certificering van de biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen als brandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik genomen. |
Artikel 6
Audit- en controlevoorschriften voor de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik
1. Voor de certificering van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik gaan marktdeelnemers als volgt te werk:
|
a) |
zij verstrekken betrouwbare informatie ter staving van hun beweringen dat naar behoren aan alle vereisten van de artikelen 4 en 5 is voldaan; |
|
b) |
zij zorgen voor een passende norm voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie en voor een passend niveau van transparantie dat de behoefte aan publieke toetsing van de auditbenadering weerspiegelt; en |
|
c) |
zij verstrekken bewijsmateriaal dat aantoont dat er audits worden uitgevoerd. |
2. Tijdens de audits wordt nagegaan of de door de marktdeelnemers verstrekte informatie nauwkeurig en betrouwbaar is en bestand is tegen fraude.
3. Om aan te tonen dat een levering moet worden beschouwd als biobrandstof, vloeibare biomassa of biomassabrandstof met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik, gebruiken marktdeelnemers het in artikel 30, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde massabalanssysteem. Om aan te tonen dat de in de artikelen 4 tot en met 6 vastgestelde criteria worden nageleefd, kunnen vrijwillige systemen overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001 worden gebruikt.
Artikel 7
Toezicht en evaluatie
De Commissie evalueert uiterlijk op 30 juni 2021 alle relevante aspecten van het verslag over uitbreiding in verband met grondstoffen, in het bijzonder de gegevens over de uitbreiding in verband met grondstoffen, alsmede het bewijsmateriaal met betrekking tot de factoren die de bepaling inzake kleine landbouwers in artikel 5, lid 1, rechtvaardigen, en wijzigt deze verordening zo nodig. Het herziene verslag wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad en vormt de basis voor de toepassing van de in artikel 3 vastgestelde criteria.
De Commissie evalueert de in het verslag opgenomen gegevens vervolgens in het licht van de veranderende omstandigheden en het meest recente wetenschappelijke bewijsmateriaal.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 maart 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.
(2) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).
(3) Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1).
BIJLAGE
|
|
Gemiddelde jaarlijkse uitbreiding van productiegebied sinds 2008 (kha) |
Gemiddelde jaarlijkse uitbreiding van productiegebied sinds 2008 (%) |
Aandeel uitbreiding naar in artikel 29, lid 4, onder b) en c), van Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde grond |
Aandeel uitbreiding naar in artikel 29, lid 4, onder a), van Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde grond |
|
Granen |
|
|
|
|
|
Tarwe |
– 263,4 |
– 0,1 % |
1 % |
— |
|
Maïs |
4 027,5 |
2,3 % |
4 % |
— |
|
Suikergewassen |
|
|
|
|
|
Suikerriet |
299,8 |
1,2 % |
5 % |
— |
|
Suikerbiet |
39,1 |
0,9 % |
0,1 % |
— |
|
Oliegewassen |
|
|
|
|
|
Koolzaad |
301,9 |
1,0 % |
1 % |
— |
|
Palmolie |
702,5 |
4,0 % |
45 % |
23 % |
|
Sojabonen |
3 183,5 |
3,0 % |
8 % |
— |
|
Zonnebloemen |
127,3 |
0,5 % |
1 % |
— |
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/808 VAN DE COMMISSIE
van 20 mei 2019
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96 (1), en met name artikel 11, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 bevat een lijst van overheidsinstellingen, -ondernemingen en -agentschappen, natuurlijke personen, rechtspersonen, organen en entiteiten van de voormalige regering van Irak, waarvan de tegoeden en economische middelen die zich op 22 mei 2003 buiten Irak bevonden, overeenkomstig die verordening worden bevroren. |
|
(2) |
Op 14 mei 2019 heeft het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten vier vermeldingen te schrappen van de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. |
|
(3) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 mei 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE
In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad worden de volgende vermeldingen geschrapt:
|
"25. |
DIRECTORATE GENERAL OF BAGDAD ELECTRICITY DISTRIBUTION. Adres: P.O. Box 24042, Al-Jumhuriya Street, Building 66, Bagdad, Irak." |
|
"54. |
IDRISI CENTRE FOR ENGINEERING CONSULTANCY (ICEC). Adres: Museum Square, Karkh, P.O. Box 14077, Bagdad, Irak." |
|
"90. |
NATIONAL CENTRE FOR ENGINEERING AND ARCHITECTURAL CONSULTANCY. Adres: Rashid Street, P.O. Box 11387, Bagdad, Irak." |
|
"135. |
STATE ENTERPRISE FOR FERTILIZER INDUSTRIES. Adres: P.O. Box 74, Basra, Irak." |
BESLUITEN
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/10 |
BESLUIT (EU) 2019/809 VAN DE RAAD
van 13 mei 2019
tot benoeming van een plaatsvervanger van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien de voordracht van de Spaanse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 18 juli 2016 is de heer Roger ALBINYANA i SAIGÍ bij Besluit (EU) 2016/1203 van de Raad (4) als plaatsvervanger vervangen door de heer Amadeu ALTAFAJ i TARDIO. Op 8 oktober 2018 is de heer Amadeu ALTAFAJ i TARDIO bij Besluit (EU) 2018/1502 van de Raad (5) als plaatsvervanger vervangen door mevrouw Natàlia MAS GUIX. |
|
(2) |
In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van mevrouw Natàlia MAS GUIX, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot plaatsvervanger van het Comité van de Regio's benoemd:
|
— |
mevrouw Mireia BORRELL PORTA, Directora General de Relaciones Exteriores, Generalitat de Catalunya. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
F. MOGHERINI
(1) Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).
(2) Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).
(3) Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).
(4) Besluit (EU) 2016/1203 van de Raad van 18 juli 2016 houdende benoeming van een lid en een plaatsvervanger van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje (PB L 198 van 23.7.2016, blz. 44).
(5) Besluit (EU) 2018/1502 van 8 oktober 2018 tot benoeming van een lid en een plaatsvervanger van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Spanje (PB L 254 van 10.10.2018, blz. 7).
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/11 |
BESLUIT (EU) 2019/810 VAN DE RAAD
van 13 mei 2019
tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Zweden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien de voordracht van de Zweedse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 20 juli 2015, is mevrouw Monalisa NORMANN bij Besluit (EU) 2015/1203 van de Raad (4) als lid vervangen door de heer Joakim LARSSON. Op 30 november 2017 is de heer Joakim LARSSON bij Besluit (EU) 2017/2237 van de Raad (5) als lid vervangen door mevrouw Agneta GRANSTRÖM. |
|
(2) |
In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van mevrouw Agneta GRANSTRÖM, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:
|
— |
mevrouw Märta STENEVI, Malmö kommun. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
F. MOGHERINI
(1) Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).
(2) Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).
(3) Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).
(4) Besluit (EU) 2015/1203 van de Raad van 20 juli 2015 houdende benoeming van drie Zweedse leden en zes Zweedse plaatsvervangers van het Comité van de Regio's (PB L 195 van 23.7.2015, blz. 44).
(5) Besluit (EU) 2017/2237 van de Raad van 30 november 2017 tot benoeming van twee leden, voorgedragen door het Koninkrijk Zweden, van het Comité van de Regio's (PB L 320 van 6.12.2017, blz. 10).
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/12 |
BESLUIT (EU) 2019/811 VAN DE RAAD
van 13 mei 2019
tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 16 oktober 2018 is de heer Luciano D'ALFONSO bij Besluit (EU) 2018/1574 van de Raad (4) als lid vervangen door de heer Giovanni LOLLI. |
|
(2) |
In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Giovanni LOLLI, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:
|
— |
de heer Marco MARSILIO, Presidente della Regione Abruzzo. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
F. MOGHERINI
(1) Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).
(2) Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).
(3) Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).
(4) Besluit (EU) 2018/1574 van de Raad van 16 oktober 2018 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek (PB L 262 van 19.10.2018, blz. 60).
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/13 |
BESLUIT (EU) 2019/812 VAN DE RAAD
van 14 mei 2019
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) en de Vergadering van de partijen bij de overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IATTC
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Besluit 2006/539/EG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het Verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica (het Verdrag van Antigua) (2) gesloten, waarbij de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) is opgericht. |
|
(2) |
De IATTC is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied. De IATTC stelt instandhoudings- en beheersmaatregelen vast om de instandhouding op lange termijn en het duurzame gebruik van de onder dat verdrag vallende visbestanden te waarborgen. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden. |
|
(3) |
Bij Besluit 2005/938/EG van de Raad (3) heeft de Unie haar goedkeuring gehecht aan de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen (AIDCP) (4), waarbij de Vergadering van de partijen bij de AIDCP is opgericht. In artikel XIV van het Verdrag van Antigua is bepaald dat de IATTC een wezenlijke rol heeft bij de coördinatie van de uitvoering van de AIDCP en bij de uitvoering van de in het kader van de AIDCP vastgestelde maatregelen. Het secretariaat van de AIDCP wordt verzorgd door de IATTC. |
|
(4) |
De Vergadering van de partijen bij de AIDCP is het lichaam dat bij de AIDCP is opgericht om ervoor te zorgen dat de incidentele dolfijnsterfte in de tonijnvisserij met de ringzegen in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied geleidelijk wordt gereduceerd tot een niveau dat nul benadert. De Vergadering van de partijen bij de AIDCP neemt besluiten aan ter waarborging van de langetermijnduurzaamheid van de biologische rijkdommen van de zee die gevolgen ondervinden van de tonijnvisserij met de ringzegen in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden. |
|
(5) |
In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie maatregelen inzake beheer en instandhouding moet nemen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, steun moet verlenen aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied. |
|
(6) |
Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora. |
|
(7) |
In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan. |
|
(8) |
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de IATTC en de besluiten van de Vergadering van de partijen bij de AIDCP bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (6) en (EG) nr. 1224/2009 (7) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (8). |
|
(9) |
Het standpunt dat namens de Unie in de vergaderingen van de IATTC moet worden ingenomen, is momenteel vastgesteld bij het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IATTC. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023. |
|
(10) |
In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke of andere relevante informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) en de Vergadering van de partijen bij de overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen (AIDCP) is opgenomen in bijlage I.
Artikel 2
De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.
Artikel 3
Uiterlijk tegen de jaarvergadering van de IATTC in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.
Artikel 4
Het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
P. DAEA
(1) Besluit 2006/539/EG van de Raad van 22 mei 2006 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het Verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 22).
(2) PB L 224 van 16.8.2006, blz. 24.
(3) Besluit 2005/938/EG van de Raad van 8 december 2005 betreffende de goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen (PB L 348 van 30.12.2005, blz. 26).
(4) PB L 348 van 30.12.2005, blz. 28.
(5) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(6) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(8) Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).
BIJLAGE I
Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) en de Vergadering van de partijen bij de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen (AIDCP)
1. BEGINSELEN
In het kader van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP moet de Unie:
|
a) |
handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten; |
|
b) |
werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van IATTC- en AIDCP-maatregelen en erop toezien dat de in de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met respectievelijk het Verdrag van Antigua en de AIDCP; |
|
c) |
erop toezien dat de in de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009; |
|
d) |
aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied; |
|
e) |
streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie; |
|
f) |
erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen; |
|
g) |
zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1); |
|
h) |
ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het IATTC-verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen; |
|
i) |
zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de IATTC en de AIDCP ondersteunen en versterken en die, zo nodig, hun governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten; |
|
j) |
ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend; |
|
k) |
coördinatie en samenwerking met andere tonijn-ROVB's stimuleren met betrekking tot kwesties van gemeenschappelijk belang, met name via de reactivatie van het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's en de uitbreiding ervan naar alle ROVB's. |
2. RICHTSNOEREN
De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de IATTC en de AIDCP de volgende maatregelen vaststellen:
|
a) |
instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de IATTC worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden; |
|
b) |
maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen; |
|
c) |
maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen; |
|
d) |
monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied, met inbegrip van de vaststelling van havenstaatmaatregelen en de versterking van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS), met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de IATTC vastgestelde maatregelen; |
|
e) |
maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het onder het Verdrag van Antigua vallende gebied in overeenstemming met de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen; |
|
f) |
maatregelen om het gebruik van visaantrekkende voorzieningen (FAD's) te beheren, met name om de gegevensverzameling te verbeteren, het gebruik van de FAD's nauwkeurig te kwantificeren, te volgen en te monitoren, de impact ervan op kwetsbare tonijnbestanden te verkleinen, en de mogelijke impact ervan op doelsoorten en niet-doelsoorten en op het ecosysteem te verminderen; |
|
g) |
maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken, en om en de bijdrage aan zwerfvuil op zee te verminderen; |
|
h) |
maatregelen ter versterking van het systeem van nalevingscontrole van de organisatie en ter waarborging van een doeltreffende follow-up van de maatregelen die door de vlaggenstaten worden genomen om niet-nalevingskwesties aan te pakken; |
|
i) |
maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten; |
|
j) |
waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied; |
|
k) |
aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de organen en werkgroepen van de IATTC en van de Vergadering van de partijen bij de AIDCP; |
|
l) |
de geleidelijke vermindering van de incidentele dolfijnsterfte bij de tonijnvisserij met ringzegens tot op een niveau dat nul benadert, en regelmatige beoordelingen van de dolfijnpopulatie; |
|
m) |
aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); |
|
n) |
maatregelen ter waarborging van de efficiëntie van de organisatie, met inbegrip van de verrichting van regelmatige beoordelingen van de prestaties van de organisatie. |
(1) Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.
(2) Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.
(3) JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.
BIJLAGE II
Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn en de Vergadering van de partijen bij de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen
Vóór elke vergadering van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP worden, wanneer die lichamen besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dienen vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.
Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de IATTC en de Vergadering van de partijen bij de AIDCP, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.
Indien tijdens een vergadering van de IATTC of de Vergadering van de partijen bij de AIDCP, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/19 |
BESLUIT (EU) 2019/813 VAN DE RAAD
van 17 mei 2019
inzake het namens de Europese Unie in de Internationale Graanraad in te nemen standpunt met betrekking tot de verlenging van het Graanhandelsverdrag 1995
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Graanhandelsverdrag 1995 ("het verdrag") is door de Unie bij Besluit 96/88/EG van de Raad (1) gesloten en is op 1 juli 1995 in werking getreden. Het verdrag werd gesloten voor een periode van drie jaar. |
|
(2) |
Op grond van artikel 33 van het verdrag kan de Internationale Graanraad het verdrag verlengen met opeenvolgende termijnen die bij iedere gelegenheid twee jaar niet overschrijden. Het verdrag is daarna regelmatig verlengd, telkens voor een periode van twee jaar. Op 5 juni 2017 is het verdrag bij besluit van de Internationale Graanraad voor het laatst verlengd (2) tot en met 30 juni 2019. |
|
(3) |
De Internationale Graanraad wil tijdens zijn 49e zitting op 10 juni 2019 besluiten tot verlenging van het verdrag met nog eens maximaal twee jaar vanaf 1 juli 2019. |
|
(4) |
Het is wenselijk het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de 49e zitting van de Internationale Graanraad, aangezien een verlenging van het verdrag in het belang van de Unie is, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de 49e zitting van de Internationale Graanraad, is dat gestemd wordt voor verlenging van het Graanhandelsverdrag 1995 met nog eens maximaal twee jaar vanaf 1 juli 2019.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 17 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
E.O. TEODOROVICI
(1) Besluit 96/88/EG van de Raad van 19 december 1995 betreffende de goedkeuring, door de Europese Gemeenschap, van het Graanhandelsverdrag en het Voedselhulpverdrag, die samen de Internationale Graanovereenkomst 1995 vormen (PB L 21 van 27.1.1996, blz. 47).
(2) Informatie met betrekking tot de verlenging van het Graanhandelsverdrag (1995) (PB L 12 van 17.1.2018, blz. 1).
|
21.5.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/20 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/814 VAN DE RAAD
van 17 mei 2019
waarbij Italië wordt gemachtigd om in bepaalde geografische gebieden een verlaagd belastingtarief toe te passen op gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden in overeenstemming met artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (1), en met name artikel 19, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2003/96/EG werd Italië gemachtigd om in bepaalde bijzonder benadeelde geografische gebieden een verlaagd accijnstarief toe te passen op gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden. De laatste machtiging werd verleend tot en met 31 december 2018 bij Uitvoeringsbesluit 2014/695/EU van de Raad (2). |
|
(2) |
Bij brief van 31 oktober 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten verzocht om in bepaalde bijzonder benadeelde geografische gebieden een verlaagd belastingtarief te mogen toepassen op gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden, in voortzetting van de praktijk die krachtens Besluit 2014/695/EU van de Raad in een aantal gebieden werd toegepast, vóór het verstrijken van dat besluit. De Italiaanse autoriteiten hebben om de machtiging verzocht voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2024. De Italiaanse autoriteiten hebben aanvullende informatie en nadere toelichtingen verstrekt op 14 december 2018. |
|
(3) |
Het Italiaanse grondgebied wordt gekenmerkt door zeer uiteenlopende klimatologische en geografische omstandigheden. Rekening houdende met de specifieke kenmerken van zijn grondgebied heeft Italië een verlaagd tarief voor gasolie en lpg vastgesteld om de onevenredig hoge stookkosten van de bewoners van bepaalde geografische gebieden ten dele te compenseren. |
|
(4) |
De belastingdifferentiatie is gebaseerd op objectieve criteria en moet zorgen voor meer gelijkheid tussen de bewoners van de betrokken gebieden en de rest van Italië, door het verlagen van hun onevenredig hoge stookkosten die te wijten zijn aan strenge klimatologische omstandigheden of een moeilijke brandstofbevoorrading in vergelijking met de rest van het Italiaanse grondgebied. |
|
(5) |
Het verlaagde belastingtarief is van toepassing in geografische gebieden die aan een van de volgende criteria voldoen: a) zeer strenge klimatologische omstandigheden op het Italiaanse grondgebied, namelijk gemeenten die onder zone F vallen zoals omschreven in presidentieel besluit nr. 412 van 26 augustus 1993 (3); b) strenge klimatologische omstandigheden in combinatie met een moeilijke brandstofbevoorrading, namelijk gemeenten die onder zone E vallen zoals omschreven in presidentieel besluit nr. 412 van 26 augustus 1993; en c) afgelegen ligging in combinatie met moeilijke en dure brandstofbevoorrading, namelijk Sardinië en de kleine eilanden. Het verlaagde belastingtarief mag slechts worden toegepast tot het aardgasnet in de betrokken gemeenten is voltooid. |
|
(6) |
De gevraagde maatregel is door de Commissie aan een evaluatie onderworpen waaruit is gebleken dat hij de mededinging niet verstoort noch de werking van de interne markt belemmert, en hij wordt niet onverenigbaar geacht met het beleid van de Unie op het gebied van milieu, energie en vervoer. Het verlaagde belastingtarief voor zowel gasolie als lpg zou hoger blijven dan de in Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde EU-minimumbelastingniveaus en zou de extra stookkosten in de betrokken geografische gebieden slechts ten dele compenseren. |
|
(7) |
Italië moet daarom op grond van artikel 19, lid 2, van Richtlijn 2003/96/EG worden gemachtigd om in bepaalde geografische gebieden tot en met 31 december 2024 een verlaagd belastingtarief voor gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden toe te passen. Volgens die bepaling moet iedere krachtens dat artikel verleende machtiging in de tijd strikt beperkt zijn. |
|
(8) |
Om de betrokken geografische gebieden voldoende zekerheid te bieden, dient de machtiging te worden verleend voor een periode van zes jaar. Om evenwel toekomstige algemene ontwikkelingen van het bestaande juridische kader niet te ondergraven, is het passend te bepalen dat dit besluit, mocht de Raad op basis van artikel 113 van het Verdrag een gewijzigde algemene regeling voor de belasting van energieproducten invoeren waaraan deze machtiging niet zou zijn aangepast, moet vervallen op de datum waarop de regelgeving met betrekking tot die gewijzigde regeling van toepassing wordt. |
|
(9) |
Om ervoor te zorgen dat de maatregel zonder onderbreking zou worden toegepast ten aanzien van de machtiging om een verlaagd accijnstarief toe te passen die is verleend bij Besluit 2014/695/EU, dat op 31 december 2018 is verstreken, zou het passend zijn om het onderhavige besluit te laten gelden vanaf 1 januari 2019. |
|
(10) |
Dit besluit laat de toepassing van Unieregels betreffende staatssteun onverlet, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Italië wordt gemachtigd om in de volgende benadeelde geografische gebieden een verlaagd belastingtarief toe te passen op gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden:
|
a) |
gemeenten die vallen onder klimaatzone F zoals omschreven in presidentieel besluit nr. 412 van 26 augustus 1993; |
|
b) |
gemeenten die vallen onder klimaatzone E zoals omschreven in presidentieel besluit nr. 412 van 26 augustus 1993; |
|
c) |
gemeenten op Sardinië en de kleine eilanden, dat wil zeggen alle Italiaanse eilanden behalve Sicilië. |
2. Teneinde overcompensatie te vermijden, mag de verlaging niet hoger zijn dan de extra stookkosten in de betrokken gebieden. In het specifieke geval van de gebieden die onder lid 1, onder c), vallen, doet de belastingverlaging bijgevolg de prijs niet dalen onder het prijsniveau van diezelfde brandstoffen op het Italiaanse vasteland.
3. Het verlaagde tarief moet in overeenstemming zijn met de vereisten van Richtlijn 2003/96/EG en met name de in artikel 9 van die richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus.
Artikel 2
De in artikel 1, lid 1, onder b) en c), genoemde geografische gebieden komen slechts in aanmerking voor zover het aardgasnet in de betrokken gemeenten niet beschikbaar is.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2024.
Mocht de Raad evenwel op basis van artikel 113 van het Verdrag een gewijzigde algemene regeling voor de belasting van energieproducten invoeren waaraan de in artikel 1 van dit besluit verleende machtiging niet zou zijn aangepast, dan vervalt dit besluit op de datum waarop de regelgeving met betrekking tot die gewijzigde regeling van toepassing wordt.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 17 mei 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
E.O. TEODOROVICI
(1) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.
(2) Uitvoeringsbesluit 2014/695/EU van de Raad van 29 september 2014 waarbij Italië wordt gemachtigd om in bepaalde geografische gebieden een verlaagd belastingtarief toe te passen op gasolie en lpg voor verwarmingsdoeleinden in overeenstemming met artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG (PB L 291 van 7.10.2014, blz. 16)
(3) Presidentieel besluit nr. 412 van 26 augustus 1993 deelt het Italiaanse grondgebied in zes klimaatzones (A tot en met F) in. De indeling is gebaseerd op de eenheid "graden per dag"; hierbij wordt rekening gehouden met het aantal dagen per jaar waarop de buitentemperatuur verschilt van de optimale temperatuur van 20 °C en er dus verwarming nodig is.