|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/401 van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 389/2013 tot instelling van een EU-register ( 1 ) |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/404 van de Commissie van 12 maart 2019 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 1833) ( 1 ) |
|
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
|
|
III Andere handelingen |
|
|
|
|
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/1 |
BESLUIT (EU) 2019/400 VAN DE RAAD
van 22 januari 2019
inzake de ondertekening, namens de Unie, van de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Servië inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Servië uitvoert
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c), in samenhang met artikel 218, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad (1) is bepaald dat in gevallen waarin de inzet wordt beoogd van Europese grens- en kustwachtteams in een derde land bij acties waarbij de teamleden uitvoerende bevoegdheden hebben, of waarin andere acties in derde landen het vereisen, de Unie een statusovereenkomst moet sluiten met het betreffende derde land. Een dergelijke statusovereenkomst moet betrekking hebben op alle aspecten die noodzakelijk zijn om de acties uit te voeren. |
|
(2) |
Op 21 februari 2017 heeft de Raad de Commissie machtiging verleend om met de Republiek Servië onderhandelingen te starten over een statusovereenkomst inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Servië uitvoert. |
|
(3) |
De onderhandelingen over een statusovereenkomst zijn op 7 april 2017 van start gegaan en zijn op 20 september 2018 met succes afgerond door de parafering van de Statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Servië inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Servië uitvoert (hierna de „overeenkomst” genoemd). |
|
(4) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (2); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is noch bindend voor, noch van toepassing op dit land. |
|
(5) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (3); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is noch bindend voor, noch van toepassing op dit land. |
|
(6) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is het besluit noch bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien dit besluit voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen zes maanden nadat de Raad dit besluit heeft vastgesteld, of het dit besluit in zijn nationale wetgeving zal omzetten. |
|
(7) |
De overeenkomst moet derhalve worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip, en de aangehechte verklaringen moeten worden goedgekeurd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Er wordt machtiging verleend tot de ondertekening, namens de Unie, van de Statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Servië inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Servië uitvoert, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (4).
Artikel 2
De aan dit besluit gehechte verklaringen worden namens de Unie goedgekeurd.
Artikel 3
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 22 januari 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
E.O. TEODOROVICI
(1) Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
(2) Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(3) Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(4) De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.
BIJLAGE
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE ARTIKEL 2, ONDER b)
De partijen nemen er nota van dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap de Republiek Servië op andere wijze dan door de inzet van Europese grens- en kustwachtteams met uitvoerende bevoegdheden zal ondersteunen bij het efficiënte toezicht op haar grens met elk land dat geen lidstaat van de Europese Unie is.
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE STATUS EN DE AFBAKENING VAN DE GRONDGEBIEDEN
De status en de afbakening op grond van het internationale recht van het grondgebied van Servië en de lidstaten van de Europese Unie worden op geen enkele wijze beïnvloed door deze overeenkomst of door enige andere handeling ter uitvoering van deze overeenkomst, door of namens de partijen, met inbegrip van de opstelling van operationele plannen of de deelname aan grensoverschrijdende operaties.
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE IJSLAND, NOORWEGEN, ZWITSERLAND EN LIECHTENSTEIN
De partijen nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, met name uit hoofde van de overeenkomsten van 18 mei 1999 en 26 oktober 2004 inzake de wijze waarop deze landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.
Het is daarom wenselijk dat de autoriteiten van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein enerzijds, en de Republiek Servië anderzijds, onverwijld bilaterale overeenkomsten sluiten inzake de uitvoering van acties door het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Servië, die vergelijkbaar zijn met de onderhavige overeenkomst.
VERORDENINGEN
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/4 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/401 VAN DE COMMISSIE
van 19 december 2018
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 389/2013 tot instelling van een EU-register
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name artikel 19, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het registersysteem garandeert een nauwkeurige boekhouding van de transacties in het kader van het EU-systeem voor de handel in emissierechten (EU-ETS), ingesteld bij Richtlijn 2003/87/EG, het Protocol van Kyoto en Beschikking nr. 406/2009/EG. |
|
(2) |
Voor zover en voor zolang het nodig is om de ecologische integriteit van het EU-ETS te beschermen, mogen luchtvaartexploitanten en andere exploitanten in het EU-ETS geen emissierechten gebruiken die zijn verleend door een lidstaat die de Europese Raad ingevolge artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) in kennis heeft gesteld van zijn voornemen zich uit de Unie terug te trekken. In het licht van de onderhandelingen overeenkomstig artikel 50 VEU en krachtens artikel 12, lid 3 bis, van Richtlijn 2003/87/EG moet de Commissie regelmatig beoordelen of het gebruik van emissierechten door een lidstaat ten aanzien waarvan verplichtingen voor luchtvaartexploitanten en andere exploitanten vervallen, is toegestaan, in het bijzonder in situaties waarin het recht van de Unie nog van toepassing is in die lidstaat of waarin, voordat de Verdragen niet langer van toepassing zijn, voldoende is gewaarborgd dat de inlevering van de emissierechten op een juridisch afdwingbare wijze plaatsvindt. |
|
(3) |
De ontwerpovereenkomst inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie („het terugtrekkingsakkoord”), zoals overeengekomen op het niveau van de onderhandelaars op 14 november 2018, voorziet in een overgangsperiode en zorgt ervoor dat Britse exploitanten hun verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG nakomen met betrekking tot hun in 2019 en 2020 uitgestoten emissies. In geval van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord is het niet langer noodzakelijk het gebruik van door die lidstaat in die jaren verleende emissierechten te beperken. |
|
(4) |
Vanaf de dag volgend op de dag waarop de akten van bekrachtiging van beide partijen bij het terugtrekkingsakkoord zijn ingediend bij de secretaris-generaal van de Raad, moeten emissierechten daarom niet langer worden gemarkeerd. |
|
(5) |
Er moeten passende technische maatregelen worden genomen om te waarborgen dat deze verordening doeltreffend is vanaf de datum waarop zij van toepassing wordt, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 41, lid 4, van Verordening (EU) nr. 389/2013 wordt de volgende alinea toegevoegd:
„4. Vanaf de dag volgend op de dag waarop beide akten van bekrachtiging van het terugtrekkingsakkoord zijn ingediend, worden emissierechten die voor 2019 en 2020 zijn gecreëerd, niet door een landcode geïdentificeerd indien de naleving van Richtlijn 2003/87/EG voor emissies die in die jaren worden uitgestoten, wordt vereist op grond van een akkoord over de voorwaarden voor de terugtrekking van die lidstaat uit de Europese Unie.”.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 december 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/6 |
VERORDENING (EU) 2019/402 VAN DE COMMISSIE
van 13 maart 2019
houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard 19 betreft
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 (2) van de Commissie werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd. |
|
(2) |
Op 7 februari 2018 is de International Accounting Standards Board (IASB) in het kader van zijn periodieke verbeteringsproces dat erop gericht is de standaarden te stroomlijnen en te verduidelijken, overgegaan tot de publicatie van Wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling (wijzigingen in IAS 19). Met de wijzigingen wordt beoogd te verduidelijken dat een entiteit, nadat een wijziging, inperking of afwikkeling van een toegezegdpensioenregeling plaatsvindt, de bijgewerkte veronderstellingen uit de herwaardering van haar nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) moet toepassen voor de verdere duur van de verslagperiode. |
|
(3) |
Na het overleg met de European Financial Reporting Advisory Group concludeert de Commissie dat de wijzigingen in International Accounting Standard (IAS) 19 Personeelsbeloningen beantwoorden aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vastgestelde goedkeuringscriteria. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt International Accounting Standard (IAS) 19 Personeelsbeloningen gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Elke onderneming past de in artikel 1 bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2019 van start gaat.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 maart 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).
BIJLAGE
Wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling
(Wijzigingen in IAS 19)
Wijzigingen in IAS 19 Personeelsbeloningen
De alinea's 101A, 122A, 123A en 179 worden toegevoegd en de alinea's 57, 99, 120, 123, 125, 126 en 156 worden gewijzigd. Vóór alinea 122A wordt een kopje toegevoegd.
VERGOEDINGEN NA UITDIENSTTREDING: TOEGEZEGDPENSIOENREGELINGEN
…
Opname en waardering
…
|
57. |
Bij de administratieve verwerking van toegezegdpensioenregelingen moet een entiteit de volgende stappen nemen:
…
… |
Pensioenkosten van verstreken diensttijd en winsten en verliezen bij afwikkeling
|
99. |
Wanneer zij de pensioenkosten van verstreken diensttijd of een winst of verlies bij afwikkeling bepaalt, moet een entiteit de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) herwaarderen door gebruik te maken van de actuele reële waarde van de fondsbeleggingen en huidige actuariële veronderstellingen (met inbegrip van de actuele marktrente en andere op dat moment geldende marktprijzen) die het volgende weerspiegelen:
… |
|
101A |
Wanneer er zich een wijziging, inperking of afwikkeling van een regeling voordoet, moet een entiteit alle pensioenkosten van verstreken diensttijd of een winst of verlies bij afwikkeling opnemen en waarderen in overeenstemming met de alinea's 99, 100 en 101 en de alinea's 102 tot en met 112. Een entiteit mag daarbij geen rekening houden met de gevolgen van het actiefplafond. Vervolgens moet een entiteit de gevolgen van het actiefplafond na de wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling bepalen en enigerlei wijziging in die gevolgen overeenkomstig alinea 57(d) opnemen.
… |
Componenten van de kosten uit hoofde van toegezegde pensioenrechten
|
120. |
Een entiteit moet de componenten van de kosten uit hoofde van toegezegde pensioenrechten als volgt opnemen, tenzij een andere IFRS voorschrijft of toestaat dat zij in de kosten van een actief worden opgenomen:
… |
Aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten
|
122A |
Een entiteit moet de aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten bepalen door gebruik te maken van actuariële veronderstellingen die bij de aanvang van de jaarlijkse verslagperiode zijn vastgesteld. Indien een entiteit de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99 herwaardeert, moet zij de aan het dienstjaar toegerekende pensioenkosten voor het resterende deel van de jaarlijkse verslagperiode na de wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling echter bepalen door gebruik te maken van de actuariële veronderstellingen die zijn gehanteerd om de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99(b) te herwaarderen. |
Nettorente op de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief)
|
123. |
Een entiteit moet de nettorente op de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) berekenen door de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) te vermenigvuldigen met de in alinea 83 gespecificeerde disconteringsvoet. |
|
123A |
Voor de berekening van de nettorente overeenkomstig alinea 123 moet een entiteit gebruikmaken van de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) en de disconteringsvoet die bij de aanvang van de jaarlijkse verslagperiode zijn bepaald. Indien een entiteit de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99 herwaardeert, moet zij de nettorente voor het resterende deel van de jaarlijkse verslagperiode na de wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling echter bepalen door gebruik te maken van:
Bij de toepassing van alinea 123A moet de entiteit ook rekening houden met eventuele wijzigingen in de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) tijdens die periode als gevolg van betalingen van bijdragen of vergoedingen. … |
|
125. |
Rentebaten op fondsbeleggingen zijn een component van het rendement op fondsbeleggingen en worden berekend door de reële waarde van de fondsbeleggingen te vermenigvuldigen met de in alinea 123A gespecificeerde disconteringsvoet. Een entiteit moet de reële waarde van fondsbeleggingen bepalen bij de aanvang van de jaarlijkse verslagperiode. Indien een entiteit de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99 herwaardeert, moet zij de rentebaten voor het resterende deel van de jaarlijkse verslagperiode na de wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling echter bepalen door gebruik te maken van de fondsbeleggingen die zijn gehanteerd om de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99(b) te herwaarderen. Bij de toepassing van alinea 125 moet de entiteit ook rekening houden met eventuele wijzigingen in de fondsbeleggingen tijdens die periode als gevolg van betalingen van bijdragen of vergoedingen. Het verschil tussen de rentebaten op fondsbeleggingen en het rendement op fondsbeleggingen wordt opgenomen in de herwaardering van de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief). |
|
126. |
De rente op de gevolgen van het actiefplafond maakt deel uit van de totale verandering in de gevolgen van het actiefplafond en wordt berekend door de gevolgen van het actiefplafond te vermenigvuldigen met de in alinea 123A gespecificeerde disconteringsvoet. Een entiteit moet de gevolgen van het actiefplafond bepalen bij de aanvang van de jaarlijkse verslagperiode. Indien een entiteit de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief) overeenkomstig alinea 99 herwaardeert, moet zij de rente op de gevolgen van het actiefplafond voor het resterende deel van de jaarlijkse verslagperiode na de wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling echter bepalen door rekening te houden met eventuele veranderingen in de gevolgen van het actiefplafond die overeenkomstig alinea 101A zijn bepaald. Het verschil tussen de rente op de gevolgen van het actiefplafond en de totale verandering in de gevolgen van het actiefplafond wordt opgenomen in de herwaardering van de nettoverplichting uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (actief).
… |
ANDERE LANGETERMIJNPERSONEELSBELONINGEN
…
Opname en waardering
…
|
156. |
Voor andere langetermijnpersoneelsbeloningen moet een entiteit het nettototaal van de volgende bedragen in winst of verlies opnemen, tenzij een andere IFRS toestaat of voorschrijft dat ze in de kostprijs van een actief worden opgenomen:
… |
OVERGANG EN INGANGSDATUM
…
|
179. |
De alinea's 101A, 122A en 123A zijn toegevoegd en de alinea's 57, 99, 120, 123, 125, 126 en 156 zijn gewijzigd door Wijziging, inperking of afwikkeling van de regeling (Wijzigingen in IAS 19), uitgegeven in februari 2018. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op wijzigingen, inperkingen of afwikkelingen van regelingen die plaatsvinden op of na het begin van de eerste jaarlijkse verslagperiode die op of na 1 januari 2019 aanvangt. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij dit feit vermelden. |
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/11 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/403 VAN DE COMMISSIE
van 13 maart 2019
tot verlening van toelating van de Unie voor de biocidefamilie „Deosan Activate BPF based on Iodine”
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 44, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 7 juli 2015 is door Diversey Europe Operations B.V. overeenkomstig artikel 43, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 een aanvraag ingediend voor de toelating van een biocidefamilie met als naam „Deosan Activate BPF based on Iodine” („de productfamilie”), behorende tot productsoort 3 als omschreven in bijlage V bij die verordening. De bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk heeft ermee ingestemd de aanvraag te beoordelen overeenkomstig artikel 43, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012. De aanvraag is in het biocidenregister geregistreerd onder zaaknummer BC-JN018376-30. |
|
(2) |
De biocidefamilie bevat jood als werkzame stof; die stof is opgenomen in de Unielijst van goedgekeurde werkzame stoffen als bedoeld in artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012. Rekening houdend met de intrinsieke eigenschappen van de werkzame stof en de wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen als vastgesteld in haar Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 (2), zal de Commissie overwegen of het nodig is om de goedkeuring van jood, met inbegrip van polyvinylpyrrolidonjood, overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 528/2012 te herzien. Afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek zal de Commissie vervolgens nagaan of de toelatingen van de Unie voor producten die de werkzame stof bevatten overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. 528/2012 moeten worden herzien. |
|
(3) |
Op 20 december 2017 heeft de beoordelende bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 44, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 het beoordelingsrapport en de conclusies van haar beoordeling bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen („het agentschap”) ingediend. |
|
(4) |
Op 6 juli 2018 heeft het agentschap bij de Commissie een advies (3) ingediend dat overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide voor de productfamilie en het definitieve beoordelingsrapport betreffende de productfamilie bevat. In het advies wordt geconcludeerd dat de productfamilie valt onder de definitie van „biocidefamilie” als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder s), van Verordening (EU) nr. 528/2012, dat de productfamilie in aanmerking komt voor een toelating van de Unie overeenkomstig artikel 42, lid 1, van die verordening, en dat de productfamilie, onder voorbehoud van overeenstemming met de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide, voldoet aan de in artikel 19, leden 1 en 6, van die verordening gestelde voorwaarden. |
|
(5) |
Op 17 september 2018 heeft het agentschap, in overeenstemming met artikel 44, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012, de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide in alle officiële talen van de Unie aan de Commissie doen toekomen. |
|
(6) |
De Commissie sluit zich aan bij het advies van het agentschap en acht het daarom passend om voor de biocidefamilie een toelating van de Unie te verlenen. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Aan Diversey Europe Operations B.V. wordt voor de biocidefamilie „Deosan Activate BPF based on Iodine” een toelating van de Unie verleend met toelatingsnummer EU-0019228-0000.
De toelating van de Unie is geldig van 3 april 2019 tot en met 31 maart 2029.
De toelating van de Unie geldt onder voorbehoud van overeenstemming met de samenvatting van de productkenmerken van het biocide als bedoeld in de bijlage.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 maart 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 301 van 17.11.2017, blz. 1).
(3) Advies van het ECHA van 6 juli 2018 over de toelating van de Unie voor „Deosan Activate BPF based on Iodine” (ECHA/BPC/207/2018).
BIJLAGE
Samenvatting van de productkenmerken van een biocide familie
Deosan Activate BPF based on Iodine
PT 03 — Dierhygiëne (Desinfecteermiddelen)
Toelatingsnummer: EU-0019228-0000
Referentienummer van de asset in R4BP 3: EU-0019228-0000
DEEL I
EERSTE INFORMATIENIVEAU
1. ADMINISTRATIEVE INFORMATIE
1.1. Familienaam
|
Naam |
Deosan Activate BPF based on Iodine |
1.2. Productsoort(en)
|
Productsoort(en) |
PT 03 — Dierhygiëne |
1.3. Toelatingshouder
|
Naam en adres van de toelatingshouder |
Naam |
Diversey Europe Operations B.V. |
|
Adres |
Maarssenbroeksedijk 2, 3542DN Utrecht, Nederland |
|
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0000 |
|
|
Referentienummer van de asset in R4BP 3 |
EU-0019228-0000 |
|
|
Toelatingsdatum |
3 april 2019 |
|
|
Vervaldatum |
31 maart 2029 |
|
1.4. Fabrikant(en) van de biociden
|
Naam van de fabrikant |
Diversey Europe Operations B.V. |
|
Adres van de fabrikant |
Maarssenbroeksedijk 2, 3542 DN Utrecht Nederland |
|
Productielocatie |
Strada Statale 235, 26010 Bagnolo Cremasco (CR) Italië Avenida Conde Duque 5, 7 y 9 Poligono Industrial La Postura, 28343 Valdemoro (Madrid) Spanje Rembrandtlaan 414, 7545 ZW Enschede Nederland Cotes Park Industrial Estate, DE55 4PA Somercotes Alfreton Verenigd Koninkrijk Morschheimer Strasse 12, 67292 Kirchheimbolanden Duitsland |
1.5. Fabrikant(en) van de werkzame stof(fen)
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
ACF Minera S.A. |
|
Adres van de fabrikant |
San Martin No 499, 1100000 Iquique Chili |
|
Productielocatie |
Lagunas mine, 118 0000 Pozo Almonte Chili |
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
Sociedad Quimica y Minera (SQM) S.A. |
|
Adres van de fabrikant |
Los Militares 4290, Piso 4, Las Condes, 8320000 Santiago Chili |
|
Productielocatie |
Nueva Victoria plant, 5090000 Pedro de Valdivia plant Chili |
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
Cosayach Nitratos S.A. |
|
Adres van de fabrikant |
Hnos Amunátegui 178, 8320000 Santiago Chili |
|
Productielocatie |
S.C.M. Cosayach Cala Cala, 118 0000 Pozo Almonte Chili |
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
Nihon Tennen Gas Development Co., Ltd. |
|
Adres van de fabrikant |
Chiba Plant, 2508 Minami-Hinata, Shirako-Machi, Chosei-Gun, 299-4205 Chiba Japan |
|
Productielocatie |
Chiba Plant, 2508 Minami-Hinata, Shirako-Machi, Chosei-Gun, 299-4205 Chiba Japan |
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
ISE Chemicals Corporation |
|
Adres van de fabrikant |
3-1, Kyobashi 1-Chome, 104-0031 Tokyo Japan |
|
Productielocatie |
Shirasto Plant (3695 Kitaimaizumi, Oamishirasato City, 299-3201 Chiba Japan |
|
Werkzame stof |
Jood |
|
Naam van de fabrikant |
Atacama Minerals SCM |
|
Adres van de fabrikant |
Coronel Pereira No 72 Of. 701, Las Condes, 8320000 Santiago Chili |
|
Productielocatie |
Atacama Minerals SCM, Aguas Blancas Facility, 3580000 Antofagasta Chili |
2. SAMENSTELLING EN FORMULERING VAN DE BIOCIDEFAMILIE
2.1. Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de familie
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
|
Min. |
Max. |
|||||
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
1,6 |
2.2. Soort(en) formulering
|
Formulering(en) |
AL — Vloeistof voor toepassing zonder verdunning SL — Met water mengbaar concentraat GW — Wateroplosbare gel |
DEEL II
TWEEDE INFORMATIENIVEAU — META-SPC('S)
META-SPC 1
1. ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 1
1.1. Identificatiecode van de meta-SPC 1
|
Identificatiecode |
Meta SPC 1 — Deosan Activate BPF — Concentraat |
1.2. Achtervoegsel van het toelatingsnummer
|
Nummer |
1-1 |
1.3. Productsoort(en)
|
Productsoort(en) |
PT 03 — Dierhygiëne |
2. SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 1
2.1. Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 1
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
|
Min. |
Max. |
|||||
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
1,35 |
1,6 |
2.2. Soort(en) formulering van de meta-SPC 1
|
Formulering(en) |
SL — Met water mengbaar concentraat |
3. GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 1
|
Gevarencategorie |
Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen. |
|
Veiligheidsaanbevelingen |
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden. Buiten het bereik van kinderen houden. Voorkom lozing in het milieu. verpakking afvoeren naar afvoeren volgens de nationale voorschriften. Inhoud naar afvoeren volgens de nationale voorschriften |
4. TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 1
4.1. Omschrijving van het gebruik
Tabel 1. Gebruik # 1 — Desinfectie vóór het melken, Handmatig dippen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Direct aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.1.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden..
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.1.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.1.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.1.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.1.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.2. Omschrijving van het gebruik
Tabel 2. Gebruik # 2 — Desinfectie vóór het melken, Handmatig schuimen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkveen. Direct aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van schuimen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m). — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.2.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van schuimen.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken.
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer.
4.2.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.2.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3. Omschrijving van het gebruik
Tabel 3. Gebruik # 3 — Desinfectie vóór het melken, Handmatig sprayen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee vóór het melken. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.3.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.3.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.3.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4. Omschrijving van het gebruik
Tabel 4. Gebruik # 4 — Desinfectie na het melken, Handmatig dippen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m). — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.4.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen.
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken (5 toepassingen in totaal)
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.4.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.4.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5. Omschrijving van het gebruik
Tabel 5. Gebruik # 5 — Desinfectie na het melken, handmatig schuimen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van schuimen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.5.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtsreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van schuimen.
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken.
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer.
4.5.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.5.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6. Omschrijving van het gebruik
Tabel 6. Gebruik # 6 — Desinfectie na het melken, handmatig sprayen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.6.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van sprayen.
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.6.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.6.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7. Omschrijving van het gebruik
Tabel 7. Gebruik # 7 — Desinfectie na het melken, Automatisch sprayen (concentraat).
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Automatisch sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van automatisch sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 5 keer per dag per dier aanbrengen na het melken. Niet toepassen in combinatie met desinfectie vóór het melken. Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.7.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Direct aanbrengen op spenen na het melken door middel van automatisch sprayen.
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
5 keer per dag per dier aanbrengen na het melken. Niet toepassen in combinatie met desinfectie vóór het melken.
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.7.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8. Omschrijving van het gebruik
Tabel 8. Gebruik # 8 — Desinfectie na het melken, Half-Automatisch dippen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Half-automatisch dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.8.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen.
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.8.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing.
4.8.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9. Omschrijving van het gebruik
Tabel 9. Gebruik # 9 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig dippen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.9.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee.
Direct aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.9.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10. Omschrijving van het gebruik
Tabel 10. Gebruik # 10 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig schuimen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van schuimen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.10.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van schuimen
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer.
4.10.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
See section 5 — General Directions for Use
4.10.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11. Omschrijving van het gebruik
Tabel 11. Gebruik # 11 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig sprayen (concentraat)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.11.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Voor producten met 1.5 % Jood: Verdun 1 deel product met 4 delen water om een 0,3 % Jood gebruiksconcentratie te verkrijgen. Voor producten met een andere concentratie dient deze verdunningsstap aangepast te worden.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van sprayen.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.11.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
Draag beschermend schoeisel (EN 13822) wanneer product wordt toegepast.
Draag een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034).
4.11.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
5. ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (1) VAN DE META-SPC 1
5.1. Gebruiksvoorschrift
Breng het product op > 20 °C voor gebruik.
|
|
Vóór het melken:
|
|
|
Na het melken:
|
5.2. Risicobeperkende maatregelen
Dit product kan in combinatie worden gebruikt voor het ontsmetten vóór en na het melken (tot in totaal 5 keer per dier per dag). Het product mag echter niet worden gebruikt in combinatie met een ander op jodium gebaseerd product.
Gebruik van een doseerpomp bij overbrengen van product in de toepassingsapparatuur wordt aanbevolen.
5.3. Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen
Inademing: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de huid: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de ogen: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Inslikken: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik
Na inademing: Frisse lucht toedienen; bij symptomen arts raadplegen.
Na aanraking met de huid: Was de huid met lauw, zacht stromend water.
Na aanraking met de ogen: Oogleden open houden en ogen spoelen met veel lauw water, gedurende minstens 15 minuten.
Na inslikken: Mond spoelen en overvloedig water drinken. Onmiddellijk arts raadplegen.
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden
Stabiliteit en Reactiviteit
|
|
Reactiviteit: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Chemische stabiliteit: Stabiel onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Mogelijke gevaarlijke reacties: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities |
|
|
Te vermijden omstandigheden: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Gevaarlijke ontledingsproducten: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
Milieuvoorzorgsmaatregelen:
|
|
Indammen om grote hoeveelheden gemorste vloeistof te verzamelen |
|
|
Gemorst product indammen en/of absorberen met inert materiaal, vervolgens in geschikte container deponeren. |
|
|
Het wegstromen naar afvoerbuizen, rioolbuizen of waterwegen voorkomen. |
|
|
Verzamelen in gesloten en geschikte containers voor verwijdering |
|
|
Gemorst product niet terugplaatsen in originele container. |
5.4. Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Lege containers moeten driemaal worden gespoeld voordat deze worden afgevoerd.
Papieren doeken, waarmee spenen zijn afgedroogd en product mee is verwijderd, moeten meegegeven worden als normaal/huishoudelijk afval.
Loos onverdund product niet op het riool.
5.5. Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Bewaar alleen in orginele en gesloten container.
Beschermen tegen bevriezing
Bewaren bij een temperatuur tot 40 °C
24 maanden houdbaar
6. OVERIGE INFORMATIE
Geen
7. DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 1
7.1. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate Pre AG106 Deosan Activate Pre |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0001 1-1 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
1,5 |
7.2. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate Pre/Post Conc. AG218 Deosan Activate Pre/Post Conc. Deosan Hitech concentrate Deosan Activate Pre/Post Plus Conc. AG218 Deosan Activate Pre/Post Plus Conc. Iodine Concentrate |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0002 1-1 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
1,5 |
META-SPC 2
1. ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 2
1.1. Identificatiecode van de meta-SPC 2
|
Identificatiecode |
Meta SPC 2 — Deosan Activate BPF — Gebruiksklare oplossing |
1.2. Achtervoegsel van het toelatingsnummer
|
Nummer |
1-2 |
1.3. Productsoort(en)
|
Productsoort(en) |
PT 03 — Dierhygiëne |
2. SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 2
2.1. Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 2
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
|
Min. |
Max. |
|||||
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
0,32 |
2.2. Soort(en) formulering van de meta-SPC 2
|
Formulering(en) |
AL — Vloeistof voor toepassing zonder verdunning |
3. GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 2
|
Gevarencategorie |
Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen. |
|
Veiligheidsaanbevelingen |
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden. Buiten het bereik van kinderen houden. Voorkom lozing in het milieu. Inhoud naar afvoeren volgens de nationale voorschriften. verpakking afvoeren naar afvoeren volgens de nationale voorschriften. |
4. TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 2
4.1. Omschrijving van het gebruik
Tabel 12. Gebruik # 1 — Desinfectie vóór het melken, handmatig dippen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.1.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.1.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2. Omschrijving van het gebruik
Tabel 13. Gebruik # 2 — Desinfectie vóór het melken, handmatig schuimen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.2.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer.
4.2.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3. Omschrijving van het gebruik
Tabel 14. Gebruik # 3 — Desinfectie vóór het melken, handmatig sprayen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.3.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Direct aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van sprayen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.3.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.3.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4. Omschrijving van het gebruik
Tabel 15. Gebruik # 4 — Desinfectie na het melken, handmatig dippen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.4.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen..
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.4.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5. Omschrijving van het gebruik
Tabel 16. Gebruik # 5 — Desinfectie na het melken, handmatig schuimen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van schuimen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Ready to use formulation containing 0,3 % w/w Iodine. Do not dilute before use. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.5.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Direct aanbrengen op spenen na het melken door middel van schuimen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer
4.5.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.5.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6. Omschrijving van het gebruik
Tabel 17. Gebruik # 6 — Desinfectie na het melken, handmatig sprayen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.6.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van sprayen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.6.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.6.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.6.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7. Omschrijving van het gebruik
Tabel 18. Gebruik # 7 — Desinfectie na het melken, Automatisch sprayen (niet te combineren met vóór melk desinfectie (gebruiksklare oplossing))
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Automatisch sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van automatisch sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 5 keer per dag per dier aanbrengen na het melken. Niet toepassen in combinatie met desinfectie vóór het melken. Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.7.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van automatisch sprayen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
5 keer per dag per dier aanbrengen na het melken. Niet toepassen in combinatie met desinfectie vóór het melken.
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.7.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.7.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8. Omschrijving van het gebruik
Tabel 19. Gebruik # 8 — Desinfectie na het melken, half-automatisch dippen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Half-automatisch dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.8.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.8.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.8.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9. Omschrijving van het gebruik
Tabel 20. Gebruik # 9 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig dippen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.9.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.9.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicalien-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van de product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.9.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.9.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10. Omschrijving van het gebruik
Tabel 21. Gebruik # 10 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig schuimen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig schuimen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van schuimen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.10.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van schuimen.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 5 ml product per dier per keer.
4.10.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicalien-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie)
4.10.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.10.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11. Omschrijving van het gebruik
Tabel 22. Gebruik # 11 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig sprayen (gebruiksklare oplossing)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig sprayen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van sprayen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.11.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van sprayen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 15 ml product per dier per keer.
4.11.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
Draag beschermend schoeisel (EN 13822) wanneer product wordt toegepast.
Draag een beschermende overall (ten minste type 6, EN 13034).
4.11.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.11.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
5. ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (2) VAN DE META-SPC 2
5.1. Gebruiksvoorschrift
Breng het product op > 20 °C voor gebruik.
|
|
Vóór het melken:
|
|
|
Na het melken:
|
5.2. Risicobeperkende maatregelen
Dit product kan in combinatie worden gebruikt voor het ontsmetten vóór en na het melken (tot in totaal 5 keer per dier per dag). Het product mag echter niet worden gebruikt in combinatie met een ander op jodium gebaseerd product.
Gebruik van een doseerpomp bij overbrengen van product in de toepassingsapparatuur wordt aanbevolen.
5.3. Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen
Inademing: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de huid: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de ogen: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Inslikken: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik
Na inademing: Frisse lucht toedienen; bij symptomen arts raadplegen.
Na aanraking met de huid: Was de huid met lauw, zacht stromend water.
Na aanraking met de ogen: Oogleden open houden en ogen spoelen met veel lauw water, gedurende minstens 15 minuten.
Na inslikken: Mond spoelen en overvloedig water drinken. Onmiddellijk arts raadplegen.
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden
Stabiliteit en Reactiviteit
|
|
Reactiviteit: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Chemische stabiliteit: Stabiel onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Mogelijke gevaarlijke reacties: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities |
|
|
Te vermijden omstandigheden: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Gevaarlijke ontledingsproducten: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
Milieuvoorzorgsmaatregelen:
|
|
Indammen om grote hoeveelheden gemorste vloeistof te verzamelen |
|
|
Gemorst product indammen en/of absorberen met inert materiaal, vervolgens in geschikte container deponeren. |
|
|
Het wegstromen naar afvoerbuizen, rioolbuizen of waterwegen voorkomen. |
|
|
Verzamelen in gesloten en geschikte containers voor verwijdering |
|
|
Gemorst product niet terugplaatsen in originele container. |
5.4. Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Lege containers moeten driemaal worden gespoeld voordat deze worden afgevoerd.
Papieren doeken, waarmee spenen zijn afgedroogd en product mee is verwijderd, moeten meegegeven worden als normaal/huishoudelijk afval.
Loos onverdund product niet op het riool.
5.5. Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Bewaar alleen in orginele en gesloten container.
Beschermen tegen bevriezing
Bewaren bij een temperatuur tot 30 °C
24 maanden houdbaar
6. OVERIGE INFORMATIE
Geen
7. DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 2
7.1. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate Pre RTU AG108 Deosan Activate Pre RTU |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0003 1-2 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
7.2. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate Pre/Post AG217 Deosan Activate Pre/Post Iodine Plus Pre & Post Deosan D4T Super AG211 Agros Iodo Agros Iodo Multi Poviclyn liquido |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0004 1-2 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
7.3. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate PVP Plus AG215 Deosan Activate PVP Plus Agros Iodo-Prev POS-Ordenha Deosan Hitech 2 AG214 Iodine Teat Dip Solution |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0005 1-2 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
META-SPC 3
1. ADMINISTRATIEVE INFORMATIE VAN DE META-SPC 3
1.1. Identificatiecode van de meta-SPC 3
|
Identificatiecode |
Meta SPC 3 — Deosan Activate BPF — RTU gel |
1.2. Achtervoegsel van het toelatingsnummer
|
Nummer |
1-3 |
1.3. Productsoort(en)
|
Productsoort(en) |
PT 03 — Dierhygiëne |
2. SAMENSTELLING VAN DE META-SPC 3
2.1. Kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de samenstelling van de meta-SPC 3
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
|
Min. |
Max. |
|||||
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
0,32 |
2.2. Soort(en) formulering van de meta-SPC 3
|
Formulering(en) |
GW — Wateroplosbare gel |
3. GEVARENAANDUIDINGEN EN VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN VAN DE META-SPC 3
|
Gevarencategorie |
Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen. |
|
Veiligheidsaanbevelingen |
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden. Buiten het bereik van kinderen houden. Voorkom lozing in het milieu. Inhoud naar afvoeren volgens de nationale voorschriften. verpakking afvoeren naar afvoeren volgens de nationale voorschriften. |
4. TOEGESTANE VORM(EN) VAN GEBRUIK VAN DE META-SPC 3
4.1. Omschrijving van het gebruik
Tabel 23. Gebruik # 1 — Desinfectie vóór het melken, Handmatig dippen (gebruiksklare gel)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Spenen desinfectant, direct aan te brengen voor zogende dieren vóór het melken. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.1.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór het melken door middel van dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen vóór het melken.
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer
4.1.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.1.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2. Omschrijving van het gebruik
Tabel 24. Gebruik # 2 — Desinfectie na het melken, Handmatig dippen (gebruiksklare gel)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.2.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Direct aanbrengen op spenen na het melken door middel van dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
2-3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.2.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.2.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3. Omschrijving van het gebruik
Tabel 25. Gebruik # 3 — Desinfectie na het melken, half-automatisch dippen (gebruiksklare gel)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Semi-automatic dipping Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.3.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen na het melken door middel van half-automatisch dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer per dag per dier aanbrengen na het melken
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.3.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.3.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4. Omschrijving van het gebruik
Tabel 26. Gebruik # 4 — Desinfectie vóór en na het melken, handmatig dippem (gebruiksklare gel)
|
Productsoort |
PT 03 — Dierhygiëne |
|
Indien van toepassing, een precieze beschrijving van het toegelaten gebruik |
— |
|
Doelorganisme(n) (met inbegrip van ontwikkelingsstadium) |
Bacterien Gist |
|
Toepassingsgebied |
Binnen |
|
Toepassingsmethode(n) |
Handmatig dippen Desinfectiemiddel voor spenen van melkvee. Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen. |
|
Dosering(en) en frequentie |
Gebruiksconcentratie van Jood is 3 000 mg/Kg (0,3 % m/m) — Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik. 3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer) Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer. |
|
Categorie/categorieën gebruikers |
Professioneel |
|
Verpakkingsgrootte en verpakkingsmateriaal |
1, 5 & 20 liter HDPE of f-HDPE verpakking 200 liter HDPE of f-HDPE ton 950 liter HDPE of f-HPDE IBC |
4.4.1. Gebruik-specifieke gebruiksinstructies
Rechtstreeks aanbrengen op spenen vóór en na het melken door middel van dippen.
Gebruiksklare formulering met 0,3 % m/m Jood. Niet verdunnen voor gebruik.
3 keer vóór het melken en 3 keer na het melken per dag per dier aanbrengen (in totaal maximaal 5 keer)
Gebruik maximaal 10 ml product per dier per keer.
4.4.2. Gebruik-specifieke risicobeperkende maatregelen
Draag beschermende chemicaliën-bestendige handschoenen gedurende het gebruik van het product (handschoenmateriaal dient gespecificeerd te zijn door de toelatinghouder in de product informatie).
4.4.3. Waar specifiek voor het gebruik, de bijzonderheden betreffende mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO-instructies en noodmaatregelen om het milieu te beschermen
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.4. Waar specifiek voor het gebruik, instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
4.4.5. Waar specifiek voor het gebruik, voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Zie Sectie 5 — Algemene gebruiksaanwijzing
5. ALGEMENE GEBRUIKSAANWIJZING (3) VAN DE META-SPC 3
5.1. Gebruiksvoorschrift
Breng het product op > 20 °C voor gebruik.
|
|
Vóór het melken:
|
|
|
Na het melken:
|
5.2. Risicobeperkende maatregelen
Dit product kan in combinatie worden gebruikt voor het ontsmetten vóór en na het melken (tot in totaal 5 keer per dier per dag). Het product mag echter niet worden gebruikt in combinatie met een ander op jodium gebaseerd product.
Gebruik van een doseerpomp bij overbrengen van product in de toepassingsapparatuur wordt aanbevolen.
5.3. Bijzonderheden van mogelijke directe of indirecte effecten, EHBO instructies en noodmaatregelen om mens, dier en milieu te beschermen
Inademing: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de huid: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Aanraking met de ogen: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik.
Inslikken: Geen bekende effecten of symptomen bij normaal gebruik
Na inademing: Frisse lucht toedienen; bij symptomen arts raadplegen.
Na aanraking met de huid: Was de huid met lauw, zacht stromend water.
Na aanraking met de ogen: Oogleden open houden en ogen spoelen met veel lauw water, gedurende minstens 15 minuten.
Na inslikken: Mond spoelen en overvloedig water drinken. Onmiddellijk arts raadplegen.
Bij het inwinnen van medisch advies, de verpakking of het etiket ter beschikking houden
Stabiliteit en Reactiviteit
|
|
Reactiviteit: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Chemische stabiliteit: Stabiel onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Mogelijke gevaarlijke reacties: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities |
|
|
Te vermijden omstandigheden: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
|
|
Gevaarlijke ontledingsproducten: Geen gevaarlijke reacties bekend onder normale opslag- en gebruiks-condities. |
Milieuvoorzorgsmaatregelen:
|
|
Indammen om grote hoeveelheden gemorste vloeistof te verzamelen |
|
|
Gemorst product indammen en/of absorberen met inert materiaal, vervolgens in geschikte container deponeren. |
|
|
Het wegstromen naar afvoerbuizen, rioolbuizen of waterwegen voorkomen. |
|
|
Verzamelen in gesloten en geschikte containers voor verwijdering |
|
|
Gemorst product niet terugplaatsen in originele container. |
5.4. Instructies voor de veilige verwijdering van het product en zijn verpakking
Lege containers moeten driemaal worden gespoeld voordat deze worden afgevoerd.
Papieren doeken, waarmee spenen zijn afgedroogd en product mee is verwijderd, moeten meegegeven worden als normaal/huishoudelijk afval.
Loos onverdund product niet op het riool.
5.5. Voorwaarden voor opslag en de houdbaarheid van het product onder normale opslagomstandigheden
Bewaar alleen in orginele en gesloten container.
Beschermen tegen bevriezing
Bewaren bij een temperatuur tot 30 °C
18 maanden houdbaar
6. OVERIGE INFORMATIE
Geen
7. DERDE INFORMATIENIVEAU: INDIVIDUELE BIOCIDEN IN DE META-SPC 3
7.1. Handelsnaam (-namen), toelatingsnummer en specifieke samenstelling van elke individuele biocide
|
Handelsnaam |
Deosan Activate Barrier AG216 Agros Iodo Pós Povisyl espeso |
||||
|
Toelatingsnummer |
EU-0019228-0006 1-3 |
||||
|
Triviale naam |
IUPAC-naam |
Functie |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Gehalte (%) |
|
Jood |
|
Werkzame stof |
7553-56-2 |
231-442-4 |
0,3 |
(1) De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 1.
(2) De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 2.
(3) De gebruiksaanwijzing, de risicobeperkende maatregelen en de andere aanwijzingen voor het gebruik in dit deel gelden voor elk toegelaten gebruik in de meta-SPC 3.
BESLUITEN
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/50 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/404 VAN DE COMMISSIE
van 12 maart 2019
tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 1833)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (3), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie (4) zijn in bepaalde lidstaten, waar gevallen van Afrikaanse varkenspest in tamme of wilde varkens zijn bevestigd („de betrokken lidstaten”), maatregelen op het gebied van de diergezondheid vastgesteld in verband met die ziekte. In de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit zijn bepaalde gebieden in de betrokken lidstaten afgebakend, die in de lijsten in de delen I tot en met IV van die bijlage zijn opgenomen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende risiconiveaus op basis van de epidemiologische situatie van die ziekte. De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU is verscheidene keren gewijzigd om rekening te houden met veranderingen in de epidemiologische situatie ten aanzien van Afrikaanse varkenspest in de Unie die in die bijlage moeten worden weerspiegeld. De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU is laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/315 van de Commissie (5), naar aanleiding van gevallen van Afrikaanse varkenspest in België, Bulgarije en Roemenië. |
|
(2) |
Het risico van verspreiding van Afrikaanse varkenspest bij wilde dieren hangt samen met de natuurlijke trage verspreiding van die ziekte bij wilde varkens en met menselijke activiteiten, zoals is gebleken uit de recente epidemiologische ontwikkeling van de ziekte in de Unie en zoals is gedocumenteerd door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in het op 14 juli 2015 gepubliceerde wetenschappelijk advies van het Panel voor diergezondheid en dierenwelzijn, het op 23 maart 2017 gepubliceerde wetenschappelijk verslag van de EFSA over het epidemiologisch onderzoek naar Afrikaanse varkenspest in de Baltische staten en Polen, het op 8 november 2017 gepubliceerde wetenschappelijk verslag van de EFSA over het epidemiologisch onderzoek naar Afrikaanse varkenspest in de Baltische staten en Polen, en het op 29 november 2018 gepubliceerde wetenschappelijk verslag van de EFSA over het epidemiologisch onderzoek naar Afrikaanse varkenspest in de Europese Unie (6). |
|
(3) |
Bij Richtlijn 2002/60/EG van de Raad (7) zijn de in de Unie te treffen minimummaatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest vastgesteld. Zo voorziet met name artikel 9 van Richtlijn 2002/60/EG in de instelling van een beschermings- en een toezichtsgebied indien in een bedrijf bij varkens Afrikaanse varkenspest officieel wordt bevestigd en bevatten de artikelen 10 en 11 van die richtlijn de maatregelen die moeten worden genomen in de beschermings- en toezichtsgebieden om de verspreiding van die ziekte te voorkomen. Daarnaast voorziet artikel 15 van Richtlijn 2002/60/EG in maatregelen die moeten worden genomen na bevestiging van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens, met inbegrip van het onder officieel toezicht plaatsen van varkensbedrijven in het afgebakende besmette gebied. Uit recente ervaringen is gebleken dat de bij Richtlijn 2002/60/EG vastgestelde maatregelen, en met name de maatregelen voor het reinigen en ontsmetten van de besmette bedrijven en de maatregelen met betrekking tot de uitroeiing van de ziekte bij een populatie van wilde varkens, doeltreffend zijn om de verspreiding van die ziekte tegen te gaan. |
|
(4) |
Rekening houdend met de doeltreffendheid van de maatregelen die overeenkomstig Richtlijn 2002/60/EG in de lidstaten worden toegepast, en met name de maatregelen die zijn neergelegd in artikel 10, lid 4, onder b), artikel 10, lid 5, en artikel 15 van die richtlijn, en in overeenstemming met de risicobeperkende maatregelen ten aanzien van Afrikaanse varkenspest die zijn vermeld in de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), moeten bepaalde gebieden in de districten Alytaus, Kauno, Marijampolės, Šiaulių, Tauragės en Telšių in Litouwen die momenteel in de lijst in deel III van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU zijn opgenomen, nu in deel II van die bijlage worden opgenomen in het licht van het verstrijken van de periode van drie maanden na de datum van de definitieve reiniging en ontsmetting van de besmette bedrijven. Aangezien deel III van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU de gebieden bevat waar de epidemiologische situatie zeer dynamisch is en zich nog steeds ontwikkelt, moet bij het aanbrengen van wijzigingen aan de in dat deel opgenomen gebieden altijd bijzondere aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de omliggende gebieden. |
|
(5) |
Rekening houdend met de doeltreffendheid van de algemene maatregelen die overeenkomstig Richtlijn 2002/60/EG in Tsjechië worden toegepast, en met name de maatregelen die zijn neergelegd in artikel 15 van die richtlijn, en in overeenstemming met de risicobeperkende maatregelen ten aanzien van Afrikaanse varkenspest die zijn vermeld in de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), moeten bovendien alle gebieden in Tsjechië die momenteel in de lijst in de delen I en II van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU zijn opgenomen, nu uit de bijlage worden geschrapt in het licht van de gunstige epidemiologische situatie van de ziekte in die lidstaat. |
|
(6) |
In februari 2019 hebben zich in Hongarije en Polen bijkomende gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens voorgedaan die ook in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU moeten worden weerspiegeld. |
|
(7) |
In februari 2019 zijn enkele gevallen van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij wilde varkens in de districten Heves en Borsod-Abaúj-Zemplén in Hongarije, in de onmiddellijke nabijheid van gebieden die momenteel zijn opgenomen in de lijst in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU. Door deze gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moeten deze door Afrikaanse varkenspest getroffen gebieden in Hongarije nu in de lijst in deel II in plaats van in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen. |
|
(8) |
In februari 2019 hebben zich enkele gevallen van Afrikaanse varkenspest voorgedaan bij wilde varkens in het district Miński in Polen, in de onmiddellijke nabijheid van een gebied dat momenteel is opgenomen in de lijst in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU. Door deze gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moet dit door Afrikaanse varkenspest getroffen gebied in Polen in de lijst in deel II in plaats van in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen. |
|
(9) |
In februari 2019 is een geval van Afrikaanse varkenspest vastgesteld bij een wild varken in de regio Dobritsj in Bulgarije, in de onmiddellijke nabijheid van gebieden die momenteel zijn opgenomen in de lijst in deel I van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU. Door dit geval van Afrikaanse varkenspest bij een wild varken moet in die bijlage met een hoger risiconiveau rekening worden gehouden. Bijgevolg moet dit door Afrikaanse varkenspest getroffen gebied in Bulgarije in de lijst in deel II van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen. |
|
(10) |
Om rekening te houden met recente ontwikkelingen in de epidemiologische evolutie van Afrikaanse varkenspest in de Unie, en met het oog op de proactieve bestrijding van de met de verspreiding van die ziekte samenhangende risico's, moeten voor Litouwen, Hongarije, Polen en Bulgarije nieuwe gebieden met een hoog risico van voldoende omvang worden afgebakend en in de lijsten in de delen I, II en III van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU worden opgenomen. De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 12 maart 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.
(4) Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU van de Commissie van 9 oktober 2014 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU (PB L 295 van 11.10.2014, blz. 63).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/315 van de Commissie van 21 februari 2019 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (PB L 51 van 22.2.2019, blz. 53).
(6) EFSA Journal (2015);13(7):4163; EFSA Journal (2017);15(3):4732; EFSA Journal (2017);15(11):5068; EFSA Journal (2018);16(11):5494.
(7) Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).
BIJLAGE
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU wordt vervangen door:
„BIJLAGE
DEEL I
1. België
De volgende gebieden in België:
in de provincie Luxemburg:
|
— |
het gebied dat met de wijzers van de klok mee wordt afgebakend door: |
|
— |
de grens met Frankrijk, |
|
— |
Rue Mersinhat, |
|
— |
N818, |
|
— |
N83: Le Buisson des Cailles, |
|
— |
Rue des Sources, |
|
— |
Rue Antoine, |
|
— |
Rue de la Cure, |
|
— |
Rue du Breux, |
|
— |
Rue Blondiau, |
|
— |
Nouvelle Chiyue, |
|
— |
Rue de Martué, |
|
— |
Rue du Chêne, |
|
— |
Rue des Aubépines, |
|
— |
N85: Rue des Iles, N894: Rue de Chiny, Rue de la Fontenelle, Rue du Millénaire, Rue de la Goulette, Pont saint Nicolas, Rue des Combattants tot de kruising met Rue de la Motte, Rue de la Motte, |
|
— |
Rue de Neufchâteau, |
|
— |
Rue des Bruyères tot de kruising met Rue de la Gaume (N801), |
|
— |
Rue de la Gaume tot de kruising met Rue de l'Accord, |
|
— |
Rue du Fet, |
|
— |
N40: Route d'Arlon, Burnaimont, Rue de Luxembourg, Rue Ranci, Rue de la Chapelle, |
|
— |
Rue du Tombois, |
|
— |
Rue Du Pierroy, |
|
— |
Rue Saint-Orban, |
|
— |
Rue Saint-Aubain, |
|
— |
Rue des Cottages, |
|
— |
Rue de Relune, |
|
— |
Rue de Rulune, |
|
— |
Route de l'Ermitage, |
|
— |
N87: Route de Habay, |
|
— |
Chemin des Ecoliers, |
|
— |
Le Routy, |
|
— |
Rue Burgknapp, |
|
— |
Rue de la Halte, |
|
— |
Rue du Centre, |
|
— |
Rue de l'Eglise, |
|
— |
Rue du Marquisat, |
|
— |
Rue de la Carrière, |
|
— |
Rue de la Lorraine, |
|
— |
Rue du Beynert, |
|
— |
Millewée, |
|
— |
Rue du Tram, |
|
— |
Millewée, |
|
— |
N4: Route de Bastogne, Avenue de Longwy, Route de Luxembourg, |
|
— |
de grens met het Groothertogdom Luxemburg, |
|
— |
de grens met Frankrijk, |
|
— |
de N87 tot de kruising met de N871 ter hoogte van Rouvroy, |
|
— |
de N871 tot de kruising met de N88, |
|
— |
de N88 tot de kruising met de N883 ter hoogte van Aubange, |
|
— |
de N883 tot de kruising met de N81 ter hoogte van Aubange, |
|
— |
de N81 tot de kruising met de E25-E411, |
|
— |
de E25-E411 tot de kruising met de N894, |
|
— |
de N894 tot de kruising met de N801, |
|
— |
de N801 tot de kruising met de N891, |
|
— |
de N83 tot de kruising met de N85, |
|
— |
de N85 tot de kruising met de grens met Frankrijk. |
2. Bulgarije
De volgende gebieden in Bulgarije:
|
in Varna the whole region excluding the villages covered in Part II |
|
in Silistra region:
|
|
in Dobrich region:
|
|
in Ruse region:
|
|
in Veliko Tarnovo region:
|
|
in Pleven region:
|
|
in Vratza region:
|
|
in Montana region:
|
|
in Vidin region:
|
3. Estland
De volgende gebieden in Estland:
|
— |
Hiiu maakond. |
4. Hongarije
De volgende gebieden in Hongarije:
|
— |
Borsod-Abaúj-Zemplén megye 651100, 651300, 651400, 651500, 651610, 651700, 651801, 651802, 651803, 651900, 652000, 652200, 652300, 652601, 652602, 652603, 652700, 652900, 653000, 653100, 653200, 653300, 653401, 653403, 653500, 653600, 653700, 653800, 653900, 654000, 654201, 654202, 654301, 654302, 654400, 654501, 654502, 654600, 654700, 654800, 654900, 655000, 655100, 655200, 655300, 655500, 655600, 655700, 655800, 655901, 655902, 656000, 656100, 656200, 656300, 656400, 656600, 657300, 657400, 657500, 657600, 657700, 657800, 657900, 658000, 658201, 658202 és 658403 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Hajdú-Bihar megye 900750, 900850, 900860, 900930, 900950, 901050, 901150, 901250, 901260, 901270, 901350, 901450, 901551, 901560, 901570, 901580, 901590, 901650, 901660, 901750, 901950, 902050, 902150, 902250, 902350, 902450, 902850, 902860, 902950, 902960, 903050, 903150, 903250, 903350, 903360, 903370, 903450, 903550, 904450, 904460, 904550, 904650, 904750, 904760, 905450 és 905550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Heves megye 702550, 703350, 703360, 703450, 703550, 703610, 703750, 703850, 703950, 704050, 704150, 704250, 704350, 704450, 704550, 704650, 704750, 704850, 704950, 705050, és 705350 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Jász-Nagykun-Szolnok megye 750150, 750160, 750250, 750260, 750350, 750450, 750460, 750550, 750650, 750750, 750850, 750950, 751150, 752150 és 755550 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Nógrád megye 550710, 550810, 551450, 551460, 551550, 551650, 551710, 552010, 552150, 552250, 552350, 552360, 552450, 552460, 552520, 552550, 552610, 552620, 552710, 552850, 552860, 552950, 552960, 552970, 553050, 553110, 553250, 553260, 553350, 553650, 553750, 553850, 553910 és 554050 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Pest megye 571250, 571350, 571550, 571610, 571750, 571760, 572250, 572350, 572550, 572850, 572950, 573360, 573450, 580050 és 580450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Szabolcs-Szatmár-Bereg megye 851950, 852350, 852450, 852550, 852750, 853560, 853650, 853751, 853850, 853950, 853960, 854050, 854150, 854250, 854350, 855250, 855350, 855450, 855460, 855550, 855650, 855660, 855750, 855850, 855950, 855960, 856012, 856050, 856150, 856260, 857050, 857150, 857350 és 857450 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe. |
5. Letland
De volgende gebieden in Letland:
|
— |
Aizputes novada Aizputes, Cīravas, Lažas, Kazdangas pagasts un Aizputes pilsēta, |
|
— |
Alsungas novads, |
|
— |
Durbes novada Dunalkas un Tadaiķu pagasts, |
|
— |
Kuldīgas novada Gudenieku pagasts, |
|
— |
Pāvilostas novada Sakas pagasts un Pāvilostas pilsēta, |
|
— |
Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz rietumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, |
|
— |
Ventspils novada Jūrkalnes pagasts, |
|
— |
Grobiņas novada Bārtas un Gaviezes pagasts, |
|
— |
Rucavas novada Dunikas pagasts. |
6. Litouwen
De volgende gebieden in Litouwen:
|
— |
Jurbarko rajono savivaldybė: Smalininkų ir Viešvilės seniūnijos, |
|
— |
Kelmės rajono savivaldybė: Kelmės, Kelmės apylinkių, Kražių, Kukečių, Liolių, Pakražančio seniūnijos, Tytuvėnų seniūnijos dalis į vakarus ir šiaurę nuo kelio Nr. 157 ir į vakarus nuo kelio Nr. 2105 ir Tytuvėnų apylinkių seniūnijos dalis į šiaurę nuo kelio Nr. 157 ir į vakarus nuo kelio Nr. 2105, ir Vaiguvos seniūnijos, |
|
— |
Mažeikių rajono savivaldybė: Sedos ir Židikų seniūnijos, |
|
— |
Pagėgių savivaldybė, |
|
— |
Plungės rajono savivaldybė, |
|
— |
Raseinių rajono savivaldybė: Girkalnio ir Kalnujų seniūnijos dalis į šiaurę nuo kelio Nr A1, Nemakščių, Paliepių, Raseinių, Raseinių miesto ir Viduklės seniūnijos, |
|
— |
Rietavo savivaldybė, |
|
— |
Skuodo rajono savivaldybė, |
|
— |
Šilalės rajono savivaldybė, |
|
— |
Šilutės rajono savivaldybė: Juknaičių, Kintų, Šilutės ir Usėnų seniūnijos, |
|
— |
Tauragės rajono savivaldybė: Lauksargių, Skaudvilės, Tauragės, Mažonų, Tauragės miesto ir Žygaičių seniūnijos. |
7. Polen
De volgende gebieden in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie podlaskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie lubelskim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
|
w województwie świętokrzyskim:
|
8. Roemenië
De volgende gebieden in Roemenië:
|
— |
Județul Alba, |
|
— |
Restul județului Argeș care nu a fost inclus în partea III, |
|
— |
Județul Cluj, |
|
— |
Județul Harghita, |
|
— |
Județul Hunedoara, |
|
— |
Județul Iași, |
|
— |
Județul Neamț, |
|
— |
Județul Vâlcea, |
|
— |
Restul județului Mehedinți care nu a fost inclus în Partea III cu următoarele comune:
|
|
— |
Județul Gorj, |
|
— |
Județul Suceava, |
|
— |
Județul Mureș, |
|
— |
Județul Sibiu, |
|
— |
Județul Caraș-Severin. |
DEEL II
1. België
De volgende gebieden in België:
in de provincie Luxemburg:
|
— |
het gebied dat met de wijzers van de klok mee wordt afgebakend door: |
|
— |
de grens met Frankrijk ter hoogte van Florenville, |
|
— |
de N85 tot de kruising met de N83 ter hoogte van Florenville, |
|
— |
de N83 tot de kruising met de N891, |
|
— |
de N891 tot de kruising met de N801, |
|
— |
de N801 tot de kruising met de N894, |
|
— |
de N894 tot de kruising met de E25-E411, |
|
— |
de E25-E411 tot de kruising met de N81 ter hoogte van Weyler, |
|
— |
de N81 tot de kruising met de N883 ter hoogte van Aubange, |
|
— |
de N883 tot de kruising met de N88 ter hoogte van Aubange, |
|
— |
de N88 tot de kruising met de N871, |
|
— |
de N871 tot de kruising met de N87 ter hoogte van Rouvroy, |
|
— |
de N87 tot de kruising met de grens met Frankrijk. |
2. Bulgarije
De volgende gebieden in Bulgarije:
|
In Varna region
|
|
in Silistra region:
|
|
in Dobrich region:
|
3. Estland
De volgende gebieden in Estland:
|
— |
Eesti Vabariik (välja arvatud Hiiu maakond). |
4. Hongarije
De volgende gebieden in Hongarije:
|
— |
Heves megye 700150, 700250, 700260, 700350, 700450, 700460, 700550, 700650, 700750, 700850, 700860, 700950, 701050, 701111, 701150, 701250, 701350, 701550, 701560, 701650, 701750, 701850, 701950, 702050, 702150, 702250, 702260, 702350, 702450, 702750, 702850, 702950, 703050, 703150, 703250, 703370, 705150, 705250, 705450, 705510 és 705610 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Szabolcs-Szatmár-Bereg megye 850950, 851050, 851150, 851250, 851350, 851450, 851550, 851560, 851650, 851660, 851751, 851752, 852850, 852860, 852950, 852960, 853050, 853150, 853160, 853250, 853260, 853350, 853360, 853450, 853550, 854450, 854550, 854560, 854650, 854660, 854750, 854850, 854860, 854870, 854950, 855050, 855150, 856250, 856350, 856360, 856450, 856550, 856650, 856750, 856760, 856850, 856950, 857650, valamint 850150, 850250, 850260, 850350, 850450, 850550, 852050, 852150, 852250 és 857550, továbbá 850650, 850850, 851851 és 851852 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Nógrád megye 550110, 550120, 550130, 550210, 550310, 550320, 550450, 550460, 550510, 550610, 550950, 551010, 551150, 551160, 551250, 551350, 551360, 551810 és 551821 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Borsod-Abaúj-Zemplén megye 650100, 650200, 650300, 650400, 650500, 650600, 650700, 650800, 650900, 651000, 651200, 652100, 655400, 656701, 656702, 656800, 656900, 657010, 657100, 658100, 658310, 658401, 658402, 658404, 658500, 658600, 658700, 658801, 658802, 658901, 658902, 659000, 659100, 659210, 659220, 659300, 659400, 659500, 659601, 659602, 659701, 659800, 659901, 660000, 660100, 660200, 660400, 660501, 660502, 660600 és 660800, valamint 652400, 652500 és 652800 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe, |
|
— |
Hajdú-Bihar megye 900150, 900250, 900350, 900450, 900550, 900650, 900660, 900670 és 901850 kódszámú vadgazdálkodási egységeinek teljes területe. |
5. Letland
De volgende gebieden in Letland:
|
— |
Ādažu novads, |
|
— |
Aizputes novada Kalvenes pagasts, |
|
— |
Aglonas novads, |
|
— |
Aizkraukles novads, |
|
— |
Aknīstes novads, |
|
— |
Alojas novads, |
|
— |
Alūksnes novads, |
|
— |
Amatas novads, |
|
— |
Apes novads, |
|
— |
Auces novads, |
|
— |
Babītes novads, |
|
— |
Baldones novads, |
|
— |
Baltinavas novads, |
|
— |
Balvu novads, |
|
— |
Bauskas novads, |
|
— |
Beverīnas novads, |
|
— |
Brocēnu novada Blīdenes pagasts, Remtes pagasta daļa uz austrumiem no autoceļa 1154 un P109, |
|
— |
Burtnieku novads, |
|
— |
Carnikavas novads, |
|
— |
Cēsu novads, |
|
— |
Cesvaines novads, |
|
— |
Ciblas novads, |
|
— |
Dagdas novads, |
|
— |
Daugavpils novads, |
|
— |
Dobeles novads, |
|
— |
Dundagas novads, |
|
— |
Durbes novada Durbes un Vecpils pagasts, |
|
— |
Engures novads, |
|
— |
Ērgļu novads, |
|
— |
Garkalnes novads, |
|
— |
Gulbenes novads, |
|
— |
Iecavas novads, |
|
— |
Ikšķiles novads, |
|
— |
Ilūkstes novads, |
|
— |
Inčukalna novads, |
|
— |
Jaunjelgavas novads, |
|
— |
Jaunpiebalgas novads, |
|
— |
Jaunpils novads, |
|
— |
Jēkabpils novads, |
|
— |
Jelgavas novads, |
|
— |
Kandavas novads, |
|
— |
Kārsavas novads, |
|
— |
Ķeguma novads, |
|
— |
Ķekavas novads, |
|
— |
Kocēnu novads, |
|
— |
Kokneses novads, |
|
— |
Krāslavas novads, |
|
— |
Krimuldas novads, |
|
— |
Krustpils novads, |
|
— |
Kuldīgas novada Ēdoles, Īvandes, Padures, Rendas, Kabiles, Rumbas, Kurmāles, Pelču, Snēpeles, Turlavas, Laidu un Vārmes pagasts, Kuldīgas pilsēta, |
|
— |
Lielvārdes novads, |
|
— |
Līgatnes novads, |
|
— |
Limbažu novads, |
|
— |
Līvānu novads, |
|
— |
Lubānas novads, |
|
— |
Ludzas novads, |
|
— |
Madonas novads, |
|
— |
Mālpils novads, |
|
— |
Mārupes novads, |
|
— |
Mazsalacas novads, |
|
— |
Mērsraga novads, |
|
— |
Naukšēnu novads, |
|
— |
Neretas novads, |
|
— |
Ogres novads, |
|
— |
Olaines novads, |
|
— |
Ozolnieku novads, |
|
— |
Pārgaujas novads, |
|
— |
Pļaviņu novads, |
|
— |
Preiļu novads, |
|
— |
Priekules novads, |
|
— |
Priekuļu novads, |
|
— |
Raunas novads, |
|
— |
republikas pilsēta Daugavpils, |
|
— |
republikas pilsēta Jelgava, |
|
— |
republikas pilsēta Jēkabpils, |
|
— |
republikas pilsēta Jūrmala, |
|
— |
republikas pilsēta Rēzekne, |
|
— |
republikas pilsēta Valmiera, |
|
— |
Rēzeknes novads, |
|
— |
Riebiņu novads, |
|
— |
Rojas novads, |
|
— |
Ropažu novads, |
|
— |
Rugāju novads, |
|
— |
Rundāles novads, |
|
— |
Rūjienas novads, |
|
— |
Salacgrīvas novads, |
|
— |
Salas novads, |
|
— |
Salaspils novads, |
|
— |
Saldus novada Novadnieku, Kursīšu, Zvārdes, Pampāļu, Šķēdes, Nīgrandes, Zaņas, Ezeres, Rubas, Jaunauces un Vadakstes pagasts, |
|
— |
Saulkrastu novads, |
|
— |
Sējas novads, |
|
— |
Siguldas novads, |
|
— |
Skrīveru novads, |
|
— |
Skrundas novads, |
|
— |
Smiltenes novads, |
|
— |
Stopiņu novada daļa, kas atrodas uz austrumiem no autoceļa V36, P4 un P5, Acones ielas, Dauguļupes ielas un Dauguļupītes, |
|
— |
Strenču novads, |
|
— |
Talsu novads, |
|
— |
Tērvetes novads, |
|
— |
Tukuma novads, |
|
— |
Vaiņodes novads, |
|
— |
Valkas novads, |
|
— |
Varakļānu novads, |
|
— |
Vārkavas novads, |
|
— |
Vecpiebalgas novads, |
|
— |
Vecumnieku novads, |
|
— |
Ventspils novada Ances, Tārgales, Popes, Vārves, Užavas, Piltenes, Puzes, Ziru, Ugāles, Usmas un Zlēku pagasts, Piltenes pilsēta, |
|
— |
Viesītes novads, |
|
— |
Viļakas novads, |
|
— |
Viļānu novads, |
|
— |
Zilupes novads. |
6. Litouwen
De volgende gebieden in Litouwen:
|
— |
Alytaus miesto savivaldybė, |
|
— |
Alytaus rajono savivaldybė, |
|
— |
Anykščių rajono savivaldybė, |
|
— |
Akmenės rajono savivaldybė: Ventos ir Papilės seniūnijos, |
|
— |
Biržų miesto savivaldybė, |
|
— |
Biržų rajono savivaldybė, |
|
— |
Birštono savivaldybė, |
|
— |
Druskininkų savivaldybė, |
|
— |
Elektrėnų savivaldybė, |
|
— |
Ignalinos rajono savivaldybė, |
|
— |
Jonavos rajono savivaldybė, |
|
— |
Joniškio rajono savivaldybė: Kepalių, Kriukų, Saugėlaukio ir Satkūnų seniūnijos, |
|
— |
Jurbarko rajono savivaldybė, |
|
— |
Kaišiadorių miesto savivaldybė, |
|
— |
Kaišiadorių rajono savivaldybė, |
|
— |
Kalvarijos savivaldybė, |
|
— |
Kauno miesto savivaldybė, |
|
— |
Kauno rajono savivaldybė, |
|
— |
Kazlų Rūdos savivaldybė, |
|
— |
Kelmės rajono savivaldybė: Tytuvėnų seniūnijos dalis į rytus ir pietus nuo kelio Nr. 157 ir į rytus nuo kelio Nr. 2105 ir Tytuvėnų apylinkių seniūnijos dalis į pietus nuo kelio Nr. 157 ir į rytus nuo kelio Nr. 2105, Užvenčio ir Šaukėnų seniūnijos, |
|
— |
Kėdainių rajono savivaldybė, |
|
— |
Kupiškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Lazdijų rajono savivaldybė: Būdviečio, Kapčiamieščio, Krosnos, Kučiūnų ir Noragėlių seniūnijos, |
|
— |
Marijampolės savivaldybė, |
|
— |
Mažeikių rajono savivaldybė: Šerkšnėnų seniūnija, |
|
— |
Molėtų rajono savivaldybė, |
|
— |
Pakruojo rajono savivaldybė, |
|
— |
Panevėžio rajono savivaldybė, |
|
— |
Pasvalio rajono savivaldybė, |
|
— |
Radviliškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Prienų miesto savivaldybė, |
|
— |
Prienų rajono savivaldybė, |
|
— |
Raseinių rajono savivaldybė: Ariogalos, Betygalos, Pagojukų, Šiluvos, Kalnujų seniūnijos ir Girkalnio seniūnijos dalis į pietus nuo kelio Nr. A1, |
|
— |
Rokiškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Šakių rajono savivaldybė, |
|
— |
Šalčininkų rajono savivaldybė, |
|
— |
Šiaulių miesto savivaldybė, |
|
— |
Šiaulių rajono savivaldybė: Šiaulių kaimiškoji seniūnija, |
|
— |
Šilutės rajono savivaldybė: Rusnės seniūnija, |
|
— |
Širvintų rajono savivaldybė, |
|
— |
Švenčionių rajono savivaldybė, |
|
— |
Tauragės rajono savivaldybė: Batakių ir Gaurės seniūnijos, |
|
— |
Telšių rajono savivaldybė, |
|
— |
Trakų rajono savivaldybė, |
|
— |
Ukmergės rajono savivaldybė, |
|
— |
Utenos rajono savivaldybė, |
|
— |
Varėnos rajono savivaldybė, |
|
— |
Vilniaus miesto savivaldybė, |
|
— |
Vilniaus rajono savivaldybė, |
|
— |
Vilkaviškio rajono savivaldybė, |
|
— |
Visagino savivaldybė, |
|
— |
Zarasų rajono savivaldybė. |
7. Polen
De volgende gebieden in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie podlaskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie lubelskim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
8. Roemenië
De volgende gebieden in Roemenië:
|
— |
Restul județului Maramureș care nu a fost inclus în Partea III cu următoarele comune:
|
|
— |
Județul Bistrița-Năsăud. |
DEEL III
1. Letland
De volgende gebieden in Letland:
|
— |
Brocēnu novada Cieceres un Gaiķu pagasts, Remtes pagasta daļa uz rietumiem no autoceļa 1154 un P109, Brocēnu pilsēta, |
|
— |
Saldus novada Saldus, Zirņu, Lutriņu un Jaunlutriņu pagasts, Saldus pilsēta. |
2. Litouwen
De volgende gebieden in Litouwen:
|
— |
Akmenės rajono savivaldybė: Akmenės, Kruopių, Naujosios Akmenės kaimiškoji ir Naujosios Akmenės miesto seniūnijos, |
|
— |
Joniškio rajono savivaldybė: Gaižaičių, Gataučių, Joniškio, Rudiškių, Skaistgirio, Žagarės seniūnijos, |
|
— |
Lazdijų rajono savivaldybė: Lazdijų miesto, Lazdijų, Seirijų, Šeštokų, Šventežerio ir Veisiejų seniūnijos, |
|
— |
Mažeikių rajono savivaldybės: Laižuvos, Mažeikių apylinkės, Mažeikių, Reivyčių, Tirkšlių ir Viekšnių seniūnijos, |
|
— |
Šiaulių rajono savivaldybės: Bubių, Ginkūnų, Gruzdžių, Kairių, Kuršėnų kaimiškoji, Kuršėnų miesto, Kužių, Meškuičių, Raudėnų ir Šakynos seniūnijos. |
3. Polen
De volgende gebieden in Polen:
|
w województwie warmińsko-mazurskim:
|
|
w województwie mazowieckim:
|
|
w województwie lubelskim:
|
|
w województwie podkarpackim:
|
4. Roemenië
De volgende gebieden in Roemenië:
|
— |
Zona orașului București, |
|
— |
Județul Constanța, |
|
— |
Județul Satu Mare, |
|
— |
Județul Tulcea, |
|
— |
Județul Bacău, |
|
— |
Județul Bihor, |
|
— |
Județul Brăila, |
|
— |
Județul Buzău, |
|
— |
Județul Călărași, |
|
— |
Județul Dâmbovița, |
|
— |
Județul Galați, |
|
— |
Județul Giurgiu, |
|
— |
Județul Ialomița, |
|
— |
Județul Ilfov, |
|
— |
Județul Prahova, |
|
— |
Județul Sălaj, |
|
— |
Județul Vaslui, |
|
— |
Județul Vrancea, |
|
— |
Județul Teleorman, |
|
— |
Partea din județul Maramureș cu următoarele delimitări:
|
|
— |
Partea din județul Mehedinți cu următoarele comune:
|
|
— |
Partea din județu Arges cu următoarele comune:
|
|
— |
Județul Olt, |
|
— |
Județul Dolj, |
|
— |
Județul Arad, |
|
— |
Județul Timiș, |
|
— |
Județul Covasna, |
|
— |
Județul Brașov, |
|
— |
Județul Botoșani. |
DEEL IV
Italië
De volgende gebieden in Italië:
|
— |
tutto il territorio della Sardegna. |
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/81 |
Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:
http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html
Reglement nr. 120 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van verbrandingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de meting van het nettovermogen, het nettokoppel en het specifieke brandstofverbruik betreft [2019/405]
Bevat de volledige geldige tekst tot en met:
Wijzigingenreeks 02 — Datum van inwerkingtreding: 29 december 2018
INHOUD
REGLEMENT
|
1. |
Toepassingsgebied |
|
2. |
Definities |
|
3. |
Goedkeuringsaanvraag |
|
4. |
Goedkeuring |
|
5. |
Specificaties en tests |
|
6. |
Conformiteit van de productie |
|
7. |
Sancties bij non-conformiteit van de productie |
|
8. |
Wijziging en uitbreiding van de goedkeuring van een motortype of motorenfamilie |
|
9. |
Definitieve stopzetting van de productie |
|
10. |
Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties |
BIJLAGEN
|
1. |
Modellen voor het informatiedossier en het inlichtingenformulier |
|
2. |
Mededeling |
|
3. |
Opstelling van goedkeuringsmerken |
|
4. |
Methode om het nettovermogen van een verbrandingsmotor te meten |
|
5. |
Parameters voor de definitie van motortypen en motorenfamilies en de werkingsmodi ervan |
|
6. |
Controle van de conformiteit van de productie |
|
7. |
Technische kenmerken van de referentiebrandstoffen die zijn voorgeschreven voor de goedkeuringstests en om de conformiteit van de productie te verifiëren |
1. TOEPASSINGSGEBIED
1.1. Dit reglement is van toepassing op de weergave van de krommen van het vermogen, het koppel en het specifieke brandstofverbruik bij vollast als functie van het motortoerental zoals aangegeven door de fabrikant voor verbrandingsmotoren voor:
|
1.1.1. |
voertuigen van categorie T (1); |
|
1.1.2. |
niet voor de weg bestemde mobiele machines (1) met wisselende of constante snelheid. |
1.2. De verbrandingsmotoren behoren tot een van de volgende categorieën:
|
1.2.1. |
verbrandingsmotoren met heen- en weergaande zuigers (elektrische ontsteking of compressieontsteking), met uitzondering van vrijezuigermotoren; |
|
1.2.2. |
draaizuigermotoren (elektrische ontsteking of compressieontsteking). |
2. DEFINITIES
2.1. „goedkeuring van een motor”: de goedkeuring van een motortype wat zijn nettovermogen betreft, gemeten volgens de procedure van bijlage 4;
2.2. „goedkeuring van een motorenfamilie”: de goedkeuring van de leden van een motorenfamilie wat hun nettovermogen betreft, volgens de procedure van de punten 3 en 4 van dit reglement;
2.3. „motor met constant toerental”: een motor waarvan de typegoedkeuring beperkt is tot bedrijf met constant toerental, met uitzondering van motoren waarvan de reguleerfunctie voor een constant toerental is verwijderd of uitgeschakeld; hij kan voorzien zijn van een functie voor stationair draaien ten behoeve van het starten en uitzetten en van een regelaar die op verschillende toerentallen kan worden ingesteld wanneer de motor wordt uitgezet;
2.4. „bedrijf met constant toerental”: een motorbedrijf met een regelaar die de vraag van de operator automatisch regelt om het motortoerental te handhaven, zelfs onder variërende belasting;
2.5. „deNOx-systeem”: uitlaatgasnabehandelingssysteem dat de emissies van stikstofoxiden (NOx) moet verminderen (bv. passieve en actieve lean NOx-katalysatoren, NOx-adsorptiesystemen en systemen voor selectieve katalytische reductie (SCR-systemen));
2.6. „dual-fuelmotor”: een motor die is ontworpen om tegelijkertijd met vloeibare brandstof en een gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden;
2.7. „elektronisch gestuurde motor”: een motor waarbij zowel de dosering als de timing van de brandstofinspuiting elektronisch wordt geregeld;
2.8. „motorenfamilie”: een groep motoren van een fabrikant die door hun ontwerp voldoen aan de groepvormingscriteria van bijlage 5;
2.9. „motortype”: een categorie motoren waarvan de in bijlage 5 vastgestelde essentiële kenmerken niet verschillen;
2.10. „uitlaatgasrecirculatie” of „EGR”: een technische voorziening die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en de emissies vermindert door de door de verbrandingskamer(s) uitgestoten uitlaatgassen weer naar de motor te voeren om vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht te worden gemengd, met uitzondering van het gebruik van kleptiming om de hoeveelheid residueel uitlaatgas in de verbrandingskamer(s) dat vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht wordt gemengd, te vergroten;
2.11. „gasvormige brandstof”: brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden volledig gasvormig is (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);
2.12. „interne verbrandingsmotor” of „motor”: een energieomzetter, maar geen gasturbine, die is ontworpen om chemische energie (input) om te zetten in mechanische energie (output) middels een intern verbrandingsproces; omvat, indien deze zijn geïnstalleerd, het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van de motor en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of van voertuigen van categorie T of niet voor de weg bestemde mobiele machines, die nodig is om aan dit reglement te voldoen;
2.13. „λ-verschuivingsfactor” of „Sλ”: uitdrukking die de vereiste flexibiliteit van het motormanagementsysteem beschrijft bij een verandering van de verhouding λ (overmaat lucht) indien de motor op een gas met een andere samenstelling dan zuiver methaan loopt;
2.14. „vloeibare brandstof”: brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden in vloeibare vorm voorkomt (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);
2.15. „vloeibarebrandstofmodus”: de normale bedrijfsmodus van een dualfuelmotor waarin de motor voor geen enkele motorbedrijfsomstandigheid gasvormige brandstof gebruikt;
2.16. „fabrikant”: de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de typegoedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring voor motoren en voor de conformiteit van de productie van de motor, ongeacht of deze direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van de motor waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd;
2.17. „maximaal nettovermogen”: de hoogste waarde van het nettovermogen op de nominaalvermogenscurve bij vollast voor het motortype;
2.18. „toerental bij maximaal nettovermogen”: het motortoerental waarbij het door de fabrikant opgegeven maximale nettovermogen wordt verkregen;
2.19. „maximumkoppel”: de hoogste waarde van het nettokoppel, gemeten bij volle belasting van de motor;
2.20. „toerental voor het maximumkoppel”: motortoerental waarbij het door de fabrikant opgegeven maximumkoppel van de motor wordt verkregen;
2.21. „mechanisch gestuurde motor”: een motor waarbij de dosering en de timing van de brandstofinspuiting elektronisch worden geregeld;
2.22. „nettovermogen”: het vermogen dat onder atmosferische referentieomstandigheden op een testbank aan het uiteinde van de krukas wordt verkregen of het equivalent ervan bij het overeenkomstige toerental, met alle in tabel 1 van bijlage 4 genoemde hulpaggregaten en uitrustingsstukken;
2.23. „oudermotor”: een motor die op zodanige wijze uit een motorenfamilie is gekozen dat hij voldoet aan de voorschriften van bijlage 5;
2.24. „deeltjesnabehandelingssysteem”: een uitlaatgasnabehandelingssysteem ontworpen om de emissies van verontreinigende deeltjes te verminderen door mechanische of aerodynamische scheiding dan wel scheiding door diffusie of traagheid;
2.25. „nominaal nettovermogen”: het door de fabrikant opgegeven nettovermogen van de motor bij nominaal toerental;
2.26. „nominaal toerental”: het door de regelaar van een motor toegestane maximumtoerental bij vollast (*1) volgens opgave van de fabrikant of, als er geen regelaar is, het toerental waarbij van de motor het maximaal nettovermogen wordt verkregen volgens opgave van de fabrikant;
2.27. „reagens”: elk voor de doeltreffende werking van het uitlaatgasnabehandelingssysteem vereist en gebruikt verbruiksmedium of niet-terugwinbaar medium;
2.28. „referentievermogen”: het maximaal nettovermogen voor motoren met variabel toerental en het nominaal nettovermogen voor motoren met constant toerental;
2.29. „toerental bij referentievermogen”: het motortoerental waarbij het door de fabrikant opgegeven referentievermogen wordt verkregen;
2.30. „regeneratie”: een gebeurtenis waarbij de emissieniveaus veranderen terwijl de prestaties van het uitlaatgasnabehandelingssysteem door het ontwerp worden hersteld en die kan worden ingedeeld als continue regeneratie of niet-frequente (periodieke) regeneratie;
2.31. „manipulatie”: de inactivering, bijstelling of wijziging van het regelsysteem van de motor, inclusief software of andere logische besturingselementen van dat systeem, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de prestaties van de motor veranderen;
2.32. „motor met variabel toerental”: een motor die geen motor met constant toerental is;
2.33. „wobbe-index” of „W”: verhouding tussen de overeenkomstige calorische waarde van een gas (Hgas) per volume-eenheid en de vierkantswortel van de relatieve dichtheid (ρ) van het gas onder dezelfde referentieomstandigheden:
FOR-L_2019072NL.01008101.notes.0001.xml.jpg3. GOEDKEURINGSAANVRAAG
3.1. De goedkeuringsaanvraag voor een motortype of motorenfamilie wat de meting van het nettovermogen betreft wordt door de fabrikant of zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger ingediend.
3.2. De aanvrager legt aan de typegoedkeuringsinstantie een informatiedossier over dat de volgende elementen omvat:
|
a) |
een informatiedocument, met een lijst van referentiebrandstoffen en, wanneer de fabrikant zulks verlangt, andere gespecificeerde brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies als bedoeld in punt 5.2.3 en beschreven bijlage 7; |
|
b) |
alle relevante gegevens, tekeningen, foto's en andere informatie met betrekking tot het motortype of, waar van toepassing, de basismotor; |
|
c) |
alle aanvullende informatie waar door de typegoedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure voor de typegoedkeuring om wordt gevraagd. |
Een beschrijving van het motortype en, indien van toepassing, de kenmerken van de motorenfamilie zoals vermeld in bijlage 5.
3.3. Het informatiedossier kan worden verstrekt in papieren vorm of in een elektronisch formaat dat aanvaard is door de technische dienst en de goedkeuringsinstantie.
3.3.1. Aanvragen op papier worden opgemaakt in drievoud. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details op bladen of in een bundel van A4-formaat weergegeven. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.
3.4. De fabrikanten stellen de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de typegoedkeuringstests van punt 5 een motor ter beschikking die de in bijlage 5 beschreven kenmerken van het motortype, of in het geval van een motorenfamilie, van de basismotor bezit.
3.5. Indien in het geval van een aanvraag voor typegoedkeuring van een motorenfamilie de technische dienst van mening is dat de geselecteerde basismotor waarop de ingediende aanvraag betrekking heeft niet ten volle de in bijlage 5 beschreven motorenfamilie vertegenwoordigt, stellen de fabrikanten een andere en, zo nodig, een extra basismotor die volgens de technische dienst de motorenfamilie vertegenwoordigt ter beschikking.
4. GOEDKEURING
4.1. Als het vermogen van de voor de goedkeuring overeenkomstig dit reglement verstrekte motor aan de voorschriften van punt 5 voldoet, wordt voor dat motortype of die motorenfamilie goedkeuring verleend.
4.2. Aan elk goedgekeurd motortype of elke goedgekeurde motorenfamilie wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (02 voor het reglement in zijn huidige vorm) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander motortype of een andere motorenfamilie toekennen.
4.3. Van de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring van een motortype of motorenfamilie krachtens dit reglement wordt aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2.
4.4. Op elke motor die conform is met een motortype of motorenfamilie waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een voorgeschreven opschrift aangebracht. Dit opschrift bestaat uit:
|
4.4.1. |
een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (2); |
|
4.4.2. |
het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 voorgeschreven cirkel. Wanneer het voorgeschreven opschrift niet zichtbaar is zonder dat er onderdelen worden verwijderd, brengt de voertuigfabrikant op het voertuig van categorie T of de niet voor de weg bestemde mobiele machine een duidelijk zichtbaar duplicaat aan dat door de fabrikant is geleverd. |
4.5. Als de motor conform is met een type dat of een familie die op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval worden de reglement- en goedkeuringsnummers en de aanvullende symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring krachtens dit reglement is verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool geplaatst.
4.6. Het voorgeschreven opschrift wordt dicht bij of op het door de fabrikant van het goedgekeurde type bevestigde gegevensplaatje aangebracht.
4.7. In bijlage 3 worden voorbeelden gegeven van de opstelling van goedkeuringsmerken.
4.8. Op elke motor die conform is met een motortype of motorenfamilie waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, wordt naast het goedkeuringsmerk ook het volgende vermeld:
|
a) |
het handelsmerk of de handelsnaam van de motorfabrikant en het adres waar hij bereikt kan worden; |
|
b) |
de aanwijzing door de fabrikant van het motortype of de motorenfamilie, indien het motortype tot een familie behoort; |
|
c) |
het unieke identificatienummer. |
5. SPECIFICATIES EN TESTS
5.1. Algemeen
De onderdelen die het vermogen van de motor kunnen beïnvloeden, worden zo ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de motor, ondanks de trillingen waaraan hij bij normaal gebruik kan worden blootgesteld, voldoet aan de bepalingen van dit reglement.
5.1.1. Daartoe mag het nettovermogen van de motor, dat is gemeten volgens de testomstandigheden en gedetailleerde testprocedures van bijlage 4 met de in punt 5.2.3 bedoelde brandstof(fen) en gecorrigeerd volgens de vermogenscorrectiefactors van bijlage 4, punt 5, niet meer afwijken van de door de fabrikant opgegeven vermogenskrommen dan de in punt 5.3 vastgestelde toleranties.
5.2. Beschrijving van de tests voor verbrandingsmotoren
5.2.1. De nettovermogenstest wordt:
|
a) |
bij mechanisch gestuurde elektrische-ontstekingsmotoren op volgas en bij mechanisch gestuurde compressieontstekingsmotoren met het maximumdebiet van de inspuitpomp uitgevoerd, of |
|
b) |
bij elektronisch gestuurde motoren op brandstofinstellingen uitgevoerd die vereist zijn om het door de fabrikant gespecificeerd vermogen te produceren. |
De motor wordt uitgerust zoals beschreven in tabel 1 van bijlage 4.
5.2.2. De metingen worden verricht bij een aantal toerentallen dat voldoende is om de krommen van het vermogen, het koppel en het specifieke brandstofverbruik tussen het door de fabrikant aanbevolen laagste en hoogste toerental correct te bepalen. In dit bereik moeten de toerentallen vallen waarbij de motor het nominaal vermogen, het maximumvermogen en het maximumkoppel levert.
5.2.3. Het testen van een motortype of motorenfamilie wordt uitgevoerd door gebruik te maken van de volgende in bijlage 7 beschreven referentiebrandstoffen of brandstofcombinaties, naargelang het geval:
|
a) |
diesel; |
|
b) |
benzine; |
|
c) |
benzine/oliemengsel voor tweetakt-SI-motoren; |
|
d) |
aardgas/biomethaan; |
|
e) |
vloeibaar petroleumgas (LPG); |
|
f) |
ethanol. |
Het motortype of de motorenfamilie voldoet voorts ook aan de voorschriften van punt 5.1.1 met betrekking tot andere specifieke brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies die door de fabrikant worden opgenomen in de aanvraag voor typegoedkeuring, en voor zover zulks is vermeld in bijlage 1.
5.2.3.1. De gebruikte brandstof wordt in het testrapport vermeld.
5.2.4. De metingen worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.
5.2.5. Het testrapport bevat de resultaten en alle berekeningen die noodzakelijk zijn om het in aanhangsel A.1 van bijlage 2 vermelde nettovermogen te bepalen, alsmede de in bijlage 1 aangegeven kenmerken van de motor.
5.3. Interpretatie van de resultaten
5.3.1. Nettovermogen
Het door de fabrikant opgegeven nettovermogen van het motortype (of de oudermotor) mag op geen enkel meetpunt meer dan de in de onderstaande tabel vermelde waarden afwijken van de gecorrigeerde waarden die de technische dienst heeft gemeten op de motor die voor de tests ter beschikking is gesteld.
|
Motortype |
Referentievermogen [%] |
Andere meetpunten op de kromme [%] |
Tolerantie voor het toerental [%] |
|
Algemeen |
± 2 |
± 4 |
± 1,5 |
|
Benzinemotoren met elektrische ontsteking en met regulateur |
± 4 |
± 6 |
± 4 |
|
Benzinemotoren met elektrische ontsteking zonder regulateur |
± 4 |
± 10 |
± 4 |
5.3.2. Toerental bij het referentievermogen
Het door de fabrikant opgegeven toerental bij het referentievermogen mag niet meer dan 100 min-1 afwijken van de waarde die de technische dienst heeft gemeten op de motor die voor de tests ter beschikking is gesteld. Voor benzinemotoren met elektrische ontsteking mag het door de fabrikant opgegeven toerental bij het referentievermogen niet meer dan 150 min-1 bij motoren met regulateur en 350 min-1 of 4 % bij motoren zonder regulateur (de laagste waarde is van toepassing) afwijken van de waarde die de technische dienst heeft gemeten op de motor die voor de tests ter beschikking is gesteld.
5.3.3. Brandstofverbruik
Het door de fabrikant opgegeven specifieke brandstofverbruik van het motortype (of de oudermotor) mag op geen enkel meetpunt meer dan ± 8 % afwijken van de waarden die de technische dienst voor dezelfde punten heeft gemeten op de motor die voor de tests ter beschikking is gesteld.
5.3.4. Motorenfamilie
Als de oudermotor aan de voorwaarden van de punten 5.3.1 en 5.3.2 voldoet, worden alle krommen die voor de leden van de motorenfamilie zijn opgegeven, automatisch aanvaard.
5.4. Motortypen en motorenfamilies worden ontworpen en uitgerust met motorbeheersingsstrategieën op een wijze die manipulatie zo veel mogelijk voorkomt.
6. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 1 van de overeenkomst (E/ECE/TRANS/505/Rev.3), met inachtneming van de volgende voorschriften:
|
6.1. |
krachtens dit reglement goedgekeurde motoren worden zo gebouwd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type; |
|
6.2. |
de minimumvoorschriften in bijlage 6 voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren, moeten worden nageleefd. |
7. SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
7.1. De krachtens dit reglement voor een motortype of motorenfamilie verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 6.1 is voldaan of indien een motor of motorenfamilie waarop het goedkeuringsmerk is aangebracht, niet conform is met het goedgekeurde type.
7.2. Indien een partij bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.
8. WIJZIGING EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING VAN EEN MOTORTYPE OF MOTORENFAMILIE
8.1. Elke wijziging van een motortype of motorenfamilie met betrekking tot de kenmerken in bijlage 1 wordt meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die dat motortype of die motorenfamilie heeft goedgekeurd. De typegoedkeuringsinstantie kan dan:
|
8.1.1. |
oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat de motor in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of |
|
8.1.2. |
de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken. |
8.2. De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden meegedeeld volgens de procedure van punt 4.3.
8.3. De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, moet aan die uitbreiding een volgnummer toekennen en de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.
9. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE
Indien de houder van een goedkeuring de productie van een motortype of motorenfamilie waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra die instantie de kennisgeving heeft ontvangen, moet zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.
10. NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES
De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn en/of van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring moeten worden toegezonden.
(1) Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, punt 2. — www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html
(*1) Opmerking van het secretariaat: voor de toepassing van dit reglement wordt onder „toerental” verstaan het toerental van de motor.
(2) De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde Resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, bijlage 3 — www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html
BIJLAGE 1
MODELLEN VOOR HET INFORMATIEDOSSIER EN HET INLICHTINGENFORMULIER
1. INFORMATIEDOSSIER
Het informatiedossier zoals bedoeld in punt 3 van dit reglement bevat het volgende:
|
1.1. |
een inhoudsopgave; |
|
1.2. |
een verklaring van de fabrikant en ondersteunende gegevens waaruit blijkt dat de gemonteerde motorbeheersingsstrategieën op een wijze zijn ontworpen die manipulatie zo veel mogelijk voorkomt, zoals bedoeld in punt 5.4;
|
|
1.3. |
een beschrijving van de algemene kwaliteitsborgingssystemen voor de conformiteit van de productie overeenkomstig punt 6; |
|
1.4. |
het ingevulde inlichtingenformulier zoals beschreven in punt 2 van deze bijlage.
|
|
1.5. |
alle relevante gegevens, tekeningen, foto's en andere in het inlichtingenformulier verplicht op te nemen informatie. |
2. INLICHTINGENFORMULIER
Het inlichtingenformulier is voorzien van een door de aanvrager verstrekt referentienummer.
2.1. Elk inlichtingenformulier bevat:
|
2.1.1. |
de algemene informatie zoals beschreven in deel A van aanhangsel A.1; |
|
2.1.2. |
de in deel B van aanhangsel A.1 beschreven informatie ter identificatie van de gemeenschappelijke ontwerpparameters van alle motortypen binnen een motorenfamilie bestemd voor typegoedkeuring of van toepassing op het motortype bestemd voor typegoedkeuring indien dat niet in een motorenfamilie is opgenomen; |
|
2.1.3. |
de informatie zoals beschreven in deel C van aanhangsel A.1. |
2.2. Toelichting bij het opstellen van het inlichtingenformulier
|
2.2.1. |
De in de punten 2.1.2 en 2.1.3 bedoelde informatie mag met instemming van de goedkeuringsinstantie in een ander formaat worden verstrekt. |
|
2.2.2. |
Gereserveerd |
|
2.2.3. |
In de lijst worden enkel de punten van deze bijlage opgenomen die relevant zijn voor de specifieke motorenfamilie, de specifieke motortypen binnen de motorenfamilie of het specifieke motortype; voor de lijst wordt in alle gevallen het voorgestelde nummeringssysteem gebruikt. |
|
2.2.4. |
Wanneer verschillende opties door een schuine streep worden gescheiden, worden de ongebruikte opties doorgehaald of worden enkel de gebruikte opties weergegeven. |
|
2.2.5. |
Wanneer dezelfde waarde voor of beschrijving van een bepaald motorkenmerk op verschillende of alle leden van een motorenfamilie van toepassing is, mogen de overeenkomstige cellen worden samengevoegd. |
|
2.2.6. |
Wanneer een afbeelding, diagram of nadere informatie nodig is, mag naar een aanhangsel worden verwezen. |
|
2.2.7. |
Wanneer het „type” onderdeel wordt gevraagd, wordt een eenduidige identificatie van dat onderdeel gegeven; dit kan door middel van een lijst van kenmerken, de naam van de fabrikant en het nummer van een onderdeel of tekening, een tekening, of een combinatie van voornoemde elementen of op een andere manier waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt. |
2.3. Aanwijzing van het motortype en aanwijzing van de motorenfamilie
De fabrikant kent aan elk motortype en aan elke motorenfamilie een unieke alfanumerieke code toe.
2.3.1. In het geval van een motortype wordt de code aanwijzing van het motortype genoemd en vormt hij een duidelijke en ondubbelzinnige aanduiding van de motoren die een unieke combinatie van technische kenmerken hebben voor de items in deel C van aanhangsel A.1 die op het motortype van toepassing zijn.
2.3.2. In het geval van motortypen binnen een motorenfamilie wordt de gehele code familietype of FT genoemd en bestaat hij uit twee delen: het eerste deel wordt aanwijzing van de motorenfamilie genoemd en identificeert de motorenfamilie; het tweede deel is de aanwijzing van het motortype van elk specifiek motortype binnen de familie.
De aanwijzing van de motorenfamilie vormt een duidelijke en ondubbelzinnige aanduiding van de motoren die een unieke combinatie van technische kenmerken hebben voor de items in de delen B en C van aanhangsel A.1 die op de motorenfamilie van toepassing zijn.
Het FT vormt een duidelijke en ondubbelzinnige aanduiding van de motoren die een unieke combinatie van technische kenmerken hebben voor de items in deel C van aanhangsel A.1 die op het motortype binnen de motorenfamilie van toepassing zijn.
2.3.2.1. De fabrikant mag dezelfde aanwijzing van de motorenfamilie gebruiken om dezelfde motorenfamilie in twee of meer motorcategorieën te identificeren.
2.3.2.2. De fabrikant mag niet dezelfde aanwijzing van de motorenfamilie gebruiken om meer dan één motorenfamilie in dezelfde motorcategorie te identificeren.
2.3.2.3. Weergave van het FT
In het FT wordt een spatie gelaten tussen de aanwijzing van de motorenfamilie en de aanwijzing van het motortype, zoals in het volgende voorbeeld:
„159AF[spatie]0054”
2.3.3. Aantal tekens
Het aantal tekens mag niet meer bedragen dan:
|
a) |
15 voor de aanwijzing van de motorenfamilie; |
|
b) |
25 voor de aanwijzing van het motortype; |
|
c) |
40 voor het FT. |
2.3.4. Toegestane tekens
De aanwijzing van het motortype en de aanwijzing van de motorenfamilie bestaan uit Romeinse letters en/of Arabische cijfers.
2.3.4.1. Er mogen haakjes en streepjes worden gebruikt, maar deze mogen niet in de plaats komen van een letter of een cijfer.
2.3.4.2. Het gebruik van variabele tekens is toegestaan; variabele tekens worden met een „#” aangeduid indien het variabele teken op het moment van de kennisgeving niet bekend is.
2.3.4.2.1. De redenen voor het gebruik van variabele tekens worden uitgelegd aan de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie.
AANHANGSEL A.1
MODEL VOOR HET INLICHTINGENFORMULIER
Toelichting bij aanhangsel A.1: De onderstaande modellen zijn gebaseerd op bijlage 1, aanhangsel 3, bij wijzigingenreeks 05 van VN-Reglement nr. 96 en de overeenkomstige nummering is behouden om het gebruik ervan door fabrikanten en typegoedkeuringsinstanties te vergemakkelijken.
DEEL A
1. ALGEMENE INFORMATIE
1.1. Merk (handelsnaam (-namen) van de fabrikant): …
1.2. Handelsnaam (-namen) (indien van toepassing): …
1.3. Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …
1.4. Naam en adres van de gemachtigde vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing): …
1.5. Naam en adres van de fabriek(en) voor assemblage/vervaardiging: …
1.6. Aanwijzing van het motortype/aanwijzing van de motorenfamilie/FT (1): …
1.11. Referentievermogen is: nominaal nettovermogen/maximaal nettovermogen (1)
DEEL B
2. GEMEENSCHAPPELIJKE ONTWERPPARAMETERS VAN MOTORENFAMILIE (2)
2.1. Verbrandingscyclus (1): viertakt/tweetakt/draaizuiger/andere (specificeren) …
2.2. Ontstekingstype (1): compressieontsteking/elektrische ontsteking
2.3. Opstelling van de cilinders
2.3.1. Positie van de cilinders in het blok (1): één/V/in lijn/tegenover elkaar liggend/stervormig/andere (specificeren): …
2.3.2. Hartafstand van de boringen (mm): …
2.4. Type/ontwerp van de verbrandingskamer:
2.4.1. Open kamer/gedeelde kamer/andere (specificeren) (1)
2.4.2. Klep- en poortconfiguratie …
2.4.3. Aantal kleppen per cilinder: …
2.5. Bereik slagvolume per cilinder (cm3): …
2.6. Voornaamste koelmiddel (1): lucht/water/olie
2.7. Methode van luchtaanzuiging (1): natuurlijke aanzuiging/drukvulling/drukvulling met tussenkoeler
2.8. Brandstof
2.8.1. Brandstoftype (1): diesel (gasolie voor niet voor de weg bestemde mobiele machines)/ethanol voor brandstofspecifieke compressieontstekingsmotoren (ED95)/benzine (E10)/ethanol (E85)/(aardgas/biomethaan)/vloeibaar petroleumgas (lpg)
2.8.1.1. Brandstofsubtype (enkel aardgas en biomethaan) (1): universele brandstof — brandstof met een hoge verbrandingswaarde (H-gas) en brandstof met een lage verbrandingswaarde (L-gas)/beperkte brandstof — brandstof met een hoge verbrandingswaarde (H-gas)/beperkte brandstof — brandstof met een lage verbrandingswaarde (L-gas)/specifieke brandstof (lng)
2.8.2. Regeling brandstoftoevoer (1): enkel vloeibare brandstof/enkel gasvormige brandstof/dual fuel type 1A/dual fuel type 1B/dual fuel type 2A/dual fuel type 2B/dual fuel type 3B
2.8.3. Lijst van andere brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies die met de motor kunnen worden gebruikt, door de fabrikant gespecificeerd overeenkomstig punt 5.2.3 van dit reglement (referentie van erkende norm of specificatie vermelden): …
2.8.4. Smeermiddel toegevoegd aan brandstof (1): ja/nee
2.8.4.1. Specificatie: …
2.8.4.2. Verhouding brandstof/olie: …
2.8.5. Brandstoftoevoertype (1): pomp, (hogedruk)leiding en injector/in de leiding geplaatste pomp of verdelerpomp/unitinjector/common rail/carburateur/indirecte inspuiting/directe inspuiting/mengeenheid/andere (specificeren): …
2.9. Motorregelsystemen (1): mechanische/elektronische besturingsstrategie (3)
2.10. Diverse voorzieningen (1): ja/nee (Zo ja, geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.)
2.10.1. Uitlaatgasrecirculatie (EGR) (1): ja/nee (Zo ja, vul onderdeel 3.10.1 in en geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.)
2.10.2. Waterinspuiting (1): ja/nee (Zo ja, vul onderdeel 3.10.2 in en geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.)
2.10.3. Luchtinspuiting (1): ja/nee (Zo ja, vul onderdeel 3.10.3 in en geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.)
2.10.4. Overig (1): ja/nee (Zo ja, specificeer, vul onderdeel 3.10.4 in en geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.): …
2.11. Uitlaatgasnabehandelingssysteem (1): ja/nee (Zo ja, geef een schematische voorstelling van de plaats en schikking van de voorzieningen.)
2.11.1. Oxidatiekatalysator (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.2 in.)
2.11.2. DeNOx-systeem met selectieve NOx-reductie (toevoeging van reductiemiddel) (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.3 in.)
2.11.3. Overige deNOx-systemen (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.3 in.)
2.11.4. Driewegkatalysator die oxidatie en NOx-reductie combineert: (1) ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.3 in.)
2.11.5. Deeltjesnabehandelingssysteem met passieve regeneratie (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.4 in.)
2.11.5.1. Wall-flow/non-wall-flow (1)
2.11.6. Deeltjesnabehandelingssysteem met actieve regeneratie (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.4 in.)
2.11.6.1. Wall-flow/non-wall-flow (1)
2.11.7. Andere deeltjesnabehandelingssystemen (1): ja/nee
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.4 in.)
2.11.8. Andere nabehandelingsvoorzieningen (specificeren): …
(Zo ja, vul onderdeel 3.11.5 in.)
DEEL C
|
Nr. item |
Beschrijving van het item |
Basismotor/motortype |
Motortypen binnen de motorenfamilie (indien van toepassing) |
Toelichting (niet opgenomen in formulier) |
|||
|
type 2 |
type 3 |
type ... |
type n |
||||
|
3.1. |
Identificatie van de motor |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.1. |
Aanwijzing van het motortype: |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.2. |
Aanwijzing van het motortype vermeld in het motoropschrift: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.3. |
Plaats van het voorgeschreven opschrift: |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.4. |
Wijze van bevestiging van het voorgeschreven opschrift: |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.5. |
Tekeningen van de plaats van het motoridentificatienummer (volledig voorbeeld met afmetingen): |
|
|
|
|
|
|
|
3.2. |
Prestatieparameters |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.1. |
Opgegeven nomina(a)l(e) toerental(len) (rpm) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.1.1. |
Brandstofopbrengst per slag (mm3) voor dieselmotor, brandstofdebiet (g/h) voor andere motoren, bij nominaal nettovermogen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.1.2. |
Opgegeven nominaal nettovermogen (kW): |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.2. |
Toerental bij maximumvermogen (rpm): |
|
|
|
|
|
Indien verschillend van het nominale toerental. |
|
3.2.2.1. |
Brandstofopbrengst per slag (mm3) voor dieselmotor, brandstofdebiet (g/h) voor andere motoren, bij maximaal nettovermogen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.2.2. |
Maximaal nettovermogen (kW): |
|
|
|
|
|
Indien verschillend van het nominale toerental. |
|
3.2.3. |
Opgegeven toerental voor het maximumkoppel (rpm): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.3.1. |
Brandstofopbrengst per slag (mm3) voor dieselmotor, brandstofdebiet (g/h) voor andere motoren, bij toerental voor het maximumkoppel: |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.2. |
Opgegeven maximumkoppel (Nm): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.4. |
Opgegeven 100 %-testtoerental: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.5. |
Opgegeven intermediair testtoerental: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.6. |
Stationair toerental (rpm): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.7. |
Maximumtoerental in onbelaste toestand (rpm): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.2.8. |
Opgegeven minimumkoppel (Nm): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.3. |
Inloopprocedure |
|
|
|
|
|
Optioneel, naar keuze van de fabrikant. |
|
3.3.1. |
Inlooptijd: |
|
|
|
|
|
|
|
3.3.2. |
Inloopcyclus: |
|
|
|
|
|
|
|
3.4. |
Motortest |
|
|
|
|
|
|
|
3.4.1. |
Specifieke bevestiging nodig: ja/nee |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.4.1.1. |
Beschrijving, met inbegrip van foto's en/of tekeningen, van het systeem om de motor op de testbank te bevestigen, met inbegrip van de as voor krachtoverbrenging op de dynamometer: |
|
|
|
|
|
|
|
3.4.2. |
Uitlaatgasmengkamer toegestaan door fabrikant: ja/nee |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.4.2.1. |
Beschrijving, foto en/of tekening van uitlaatgasmengkamer: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.5. |
Smeersysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.5.1. |
Smeermiddeltemperatuur |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.5.1.1. |
minimum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.5.1.2. |
maximum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.6. |
Verbrandingscilinder |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.1. |
Boring (mm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.2. |
Slag (mm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.3. |
Aantal cilinders: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.4. |
Cilinderinhoud (totaal slagvolume) van de motor (cm3): |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.5. |
Slagvolume per cilinder als % van de basismotor: |
|
|
|
|
|
Indien motorenfamilie. |
|
3.6.6. |
Volumetrische compressieverhouding: |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven. |
|
3.6.7. |
Beschrijving van het verbrandingssysteem: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.8. |
Tekeningen van de verbrandingskamer en de zuigerkop: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.9. |
Minimumoppervlakte van de dwarsdoorsnede van de in- en uitlaatpoorten (mm2): |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.10. |
Kleptiming |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.10.1. |
Maximale lichthoogte en openings- en sluitingshoeken ten opzichte van het dode punt of equivalente gegevens: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.10.2. |
Referentie- en/of afstelbereik: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.10.3. |
Variabele-kleptimingsysteem: ja/nee |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing en waar: inlaat en/of uitlaat. |
|
3.6.10.3.1. |
Type: continu/(aan/uit) |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.10.3.2. |
Faseverschuivingshoek van de nokkenas: |
|
|
|
|
|
|
|
3.6.11. |
Poortconfiguratie |
|
|
|
|
|
Enkel tweetakt, indien van toepassing. |
|
3.6.11.1. |
Positie, grootte en aantal: |
|
|
|
|
|
|
|
3.7. |
Koelsysteem |
|
|
|
|
|
Vul het relevante onderdeel in. |
|
3.7.1. |
Vloeistofkoeling |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.1.1. |
Aard van de vloeistof: |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.1.2. |
Circulatiepompen: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.1.2.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.1.2.2. |
Aandrijvingsverhouding(en): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.7.1.3. |
Minimumtemperatuur koelvloeistof aan de uitlaat (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.1.4. |
Maximumtemperatuur koelvloeistof aan de uitlaat (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.2. |
Luchtkoeling |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.2.1. |
Ventilator: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.2.1.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.2.1.2. |
Aandrijvingsverhouding(en): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.7.2.2. |
Maximumtemperatuur op het referentiepunt (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.7.2.2.1. |
Plaats referentiepunt: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8. |
Aanzuiging |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.1. |
Maximaal toelaatbare inlaatonderdruk bij 100 %-toerental van de motor en vollast (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.1.1. |
Met schoon luchtfilter: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.1.2. |
Met vuil luchtfilter: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.1.3. |
Plaats van meting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.2. |
Drukvulling(en): ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.2.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.2.2. |
Beschrijving en schematische voorstelling van het systeem (bv. maximumdruk, afvoerklep, VGT, biturbo enz.): |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.3. |
Vulluchtkoeler: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.3.1. |
Type: lucht-lucht/lucht-water/ander (specificeren) |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.3.2. |
Maximale uitlaattemperatuur vulluchtkoeler bij 100 %-toerental en vollast (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.3.3. |
Maximaal toelaatbare drukval over de vulluchtkoeler bij 100 %-toerental van de motor en vollast (kPa): |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.4. |
Gasklep inlaat: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.5. |
Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.5.1. |
Zo ja, beschrijving en tekeningen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.5.2. |
Zo nee, naleving van punt 5.7 van dit reglement. ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.6. |
Inlaatroute |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.8.6.1. |
Beschrijving van inlaatroute (met tekeningen, foto's en/of onderdeelnummers): |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.7. |
Luchtfilter |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.8.7.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.8.8. |
Luchtinlaatdemper |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.8.8.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.9. |
Uitlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.1. |
Beschrijving van het uitlaatsysteem (met tekeningen, foto's en/of onderdeelnummers indien nodig): |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.9.2. |
Maximale uitlaattemperatuur (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.3. |
Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij 100 %-toerental van de motor en vollast (kPa): |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.3.1. |
Plaats van meting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.4. |
Uitlaattegendruk bij het door de fabrikant gespecificeerde belastingniveau voor nabehandeling met variabele restrictie aan het begin van de test (kPa): |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.4.1. |
Plaats en toerental/belastingomstandigheden: |
|
|
|
|
|
|
|
3.9.5. |
Gasklep uitlaat: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.10. |
Diverse systemen: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.1. |
Uitlaatgasrecirculatie (EGR) |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.1.1. |
Eigenschappen: gekoeld/ongekoeld, hoge druk/lage druk/andere (specificeren) |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.2. |
Waterinspuiting |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.2.1. |
Werkingsprincipe: |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.3. |
Luchtinspuiting |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.3.1. |
Werkingsprincipe: |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.4. |
Overig |
|
|
|
|
|
|
|
3.10.4.1. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
|
3.11. |
Uitlaatgasnabehandelingssysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1. |
Locatie |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1.1. |
Plaats(en) en maximum-/minimumafstand(en) van de motor tot de eerste nabehandelingsvoorziening: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1.2. |
Maximale temperatuurval van de uitlaat- of turbineopening tot de eerste nabehandelingsvoorziening (°C), indien vermeld: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1.2.1. |
Testomstandigheden voor meting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1.3. |
Minimumtemperatuur bij inlaat tot eerste nabehandelingsvoorziening (°C), indien vermeld: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.1.3.1. |
Testomstandigheden voor meting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2. |
Oxidatiekatalysator |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.1. |
Aantal katalysatoren en katalysatorelementen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.2. |
Afmetingen en volume van de katalysator(en): |
|
|
|
|
|
Of tekening |
|
3.11.2.3. |
Totale hoeveelheid edelmetalen (g): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.4. |
Relatieve concentratie van elke verbinding (%): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.5. |
Onderlaag (structuur en materiaal): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.6. |
Celdichtheid: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.2.7. |
Type katalysatorhuis: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3. |
Katalytisch uitlaatgasnabehandelingssysteem voor NOx of driewegkatalysator |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.2. |
Aantal katalysatoren en katalysatorelementen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.3. |
Soort katalytische werking: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.4. |
Afmetingen en volume van de katalysator(en): |
|
|
|
|
|
Of tekening |
|
3.11.3.5. |
Totale hoeveelheid edelmetalen (g): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.6. |
Relatieve concentratie van elke verbinding (%): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.7. |
Onderlaag (structuur en materiaal): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.8. |
Celdichtheid: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.9. |
Type katalysatorhuis: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.10. |
Regeneratiemethode: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.11.3.10.1. |
Niet-frequente regeneratie: ja/nee: |
|
|
|
|
|
Zo ja, vul onderdeel 3.11.6 in. |
|
3.11.3.11. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.12. |
Verbruiksreagens: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.12.1. |
Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.12.2. |
Laagste concentratie van het in het reagens aanwezige werkzame ingrediënt waarbij het waarschuwingssysteem niet wordt geactiveerd (CDmin) (vol. %): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.12.3. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.12.4. |
Internationale norm: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.11.3.13. |
NOx-sensor(en): ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.13.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.13.2. |
Plaats(en): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.14. |
Zuurstofsensor(en): ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.14.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.3.14.2. |
Plaats(en): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4. |
Deeltjesnabehandelingssysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.1. |
Filtratietype: wall-flow/non-wall-flow/ander (specificeren) |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.2. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.3. |
Afmetingen en inhoud van het deeltjesnabehandelingssysteem: |
|
|
|
|
|
Of tekening |
|
3.11.4.4. |
Plaats(en) en maximum- en minimumafstand(en) van de motor: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.5. |
Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.5.1. |
Niet-frequente regeneratie: ja/nee |
|
|
|
|
|
Zo ja, vul onderdeel 3.11.6 in. |
|
3.11.4.5.2. |
Minimale uitlaatgastemperatuur om de regeneratieprocedure in gang te zetten (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.6. |
Katalytische coating: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.6.1. |
Soort katalytische werking: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.7. |
Brandstofadditief met katalytische werking (FBC): ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.8. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.9. |
Normaal bedrijfsdrukbereik (kPa): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.10. |
Opslagcapaciteit roet/as (g): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.11. |
Zuurstofsensor(en): ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.11.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.4.11.2. |
Plaats(en): |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.5. |
Andere nabehandelingsvoorzieningen |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.5.1. |
Beschrijving en werking: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.6. |
Niet-frequente regeneratie |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.6.1. |
Aantal cycli met regeneratie: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.6.2. |
Aantal cycli zonder regeneratie: |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.7. |
Andere voorzieningen of kenmerken |
|
|
|
|
|
|
|
3.11.7.1. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
|
3.12. |
Brandstoftoevoer voor CI-motoren op vloeibare brandstof of, indien van toepassing, dualfuelmotoren |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.1. |
Brandstofpomp |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.1.1. |
Druk (kPa) of karakteristiek schema: |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2. |
Inspuitsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.1. |
Pomp |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.1.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.1.2. |
Nominaal pomptoerental (rpm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.1.3. |
Mm3 per slag of cyclus bij volledige inspuiting en het nominale pomptoerental: |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven. |
|
3.12.2.1.4. |
Pomptoerental bij het hoogste koppel (rpm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.1.5. |
Mm3 per slag of cyclus bij volledige inspuiting en het pomptoerental bij het hoogste koppel: |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven. |
|
3.12.2.1.6. |
Karakteristiek schema: |
|
|
|
|
|
Als alternatief voor de punten 3.12.2.1.1. tot en met 3.12.2.1.5. |
|
3.12.2.1.7. |
Gebruikte methode: op een motor/op een testbank |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.2. |
Inspuittiming |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.2.1. |
Inspuitingtimingscurve: |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven, indien van toepassing. |
|
3.12.2.2.2. |
Vast ontstekingstijdstip: |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven. |
|
3.12.2.3. |
Inspuitleidingen |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.3.1. |
Lengte(n) (mm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.3.2. |
Binnendiameter (mm): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.4. |
Common rail: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.2.4.1. |
Type: |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.3. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.3.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.3.2. |
Openingsdruk (kPa): |
|
|
|
|
|
Tolerantie aangeven. |
|
3.12.4. |
ECU: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.4.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.4.2. |
Softwarekalibratienummer(s): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.4.3. |
Communicatienorm(en) voor toegang tot datastream-informatie: ISO 27145 met ISO 15765-4 (op basis van CAN)/ISO 27145 met ISO 13400 (op basis van TCP/IP)/SAE J1939-73 |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.5. |
Regulateur |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.5.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.5.2. |
Uitschakelingspunt bij vollast: |
|
|
|
|
|
Bereik specificeren, indien van toepassing. |
|
3.12.5.3. |
Maximumtoerental in onbelaste toestand: |
|
|
|
|
|
Bereik specificeren, indien van toepassing. |
|
3.12.5.4. |
Stationair toerental: |
|
|
|
|
|
Bereik specificeren, indien van toepassing. |
|
3.12.6. |
Koudstartsysteem: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.6.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.6.2. |
Beschrijving: |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.7. |
Brandstoftemperatuur bij de inlaat van de brandstofinspuitpomp |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.7.1. |
Minimum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.12.7.2. |
Maximum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.13. |
Brandstoftoevoer voor elektrische-ontstekingsmotor op vloeibare brandstof |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.1. |
Carburator |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.1.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.2. |
Indirecte brandstofinspuiting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.2.1. |
Monopoint/multipoint |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.2.2. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.3. |
Directe inspuiting: |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.3.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.4. |
Brandstoftemperatuur op plaats gespecificeerd door fabrikant |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.4.1. |
Plaats: |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.4.2. |
Minimum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.13.4.3. |
Maximum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14. |
Brandstoftoevoer voor motoren op gasvormige brandstof of, indien van toepassing, dualfuelmotoren (in geval van systeemvarianten gelijkwaardige informatie verstrekken) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.1. |
Brandstof: lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/lng/brandstofspecifiek lng |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2. |
Drukregelaar(s)/verdamper(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2.1. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2.2. |
Aantal drukreduceerfasen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2.3. |
Minimale en maximale druk in de eindfase (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2.4. |
Aantal hoofdafstelpunten: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.2.5. |
Aantal afstelpunten stationair: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.3. |
Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuiting |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.3.1. |
Mengverhoudingregeling |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.3.1.1. |
Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.4. |
Mengeenheid |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.4.1. |
Aantal: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.4.2. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.4.3. |
Plaats: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.4.4. |
Afstelmogelijkheden: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5. |
Inspuiting in het inlaatspruitstuk: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.1. |
Inspuiting: monopoint/multipoint |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.2. |
Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.3. |
Inspuitapparatuur |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.3.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.3.2. |
Afstelmogelijkheden: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.4. |
Voedingspomp |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.14.5.4.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.5. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.5.5.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6. |
Directe inspuiting |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.1. |
Inspuitpomp/drukregelaar |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.1.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.1.2. |
Inspuittiming (specificeren): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.2. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.2.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.6.2.2. |
Openingsdruk of karakteristiek diagram: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.7. |
Elektronische regeleenheid (ECU) |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.7.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.7.2. |
Afstelmogelijkheden: |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.7.3. |
Softwarekalibratienummer(s): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.8. |
Goedkeuringen van motoren voor diverse brandstofsamenstellingen |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.8.1. |
Voorziening voor automatische aanpassing: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.8.2. |
Kalibratie voor een specifieke gassamenstelling: aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/lng/brandstofspecifiek lng |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.8.3. |
Omzetting voor een specifieke gassamenstelling: aardgas-HT/aardgas-LT/aardgas-HLT |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.9. |
Brandstoftemperatuur bij de eindtrap van de drukregelaar |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.9.1. |
Minimum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.14.9.2. |
Maximum (°C): |
|
|
|
|
|
|
|
3.15. |
Ontstekingssysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.1. |
Bobine(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.1.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.1.2. |
Aantal: |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.2. |
Bougie(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.2.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.2.2. |
Elektrodenafstand: |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.3. |
Magneetontsteking |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.3.1. |
Type(n): |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.4. |
Regeling ontstekingstijdstip: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.4.1. |
Statische vervroeging ten opzichte van het bovenste dode punt (krukhoek in graden): |
|
|
|
|
|
|
|
3.15.4.2. |
Vervroegingscurve of -diagram: |
|
|
|
|
|
Indien van toepassing. |
|
3.15.4.3. |
Elektronische regeling: ja/nee |
|
|
|
|
|
|
Toelichting bij aanhangsel A.1:
(Nootmarkeringen, noten en toelichtingen hoeven niet in het inlichtingenformulier te worden vermeld)
Bij een combinatie van een katalysator en een deeltjesfilter moeten beide relevante punten worden ingevuld.
(1) Haal de ongebruikte opties door of geef enkel de gebruikte optie(s) weer.
(2) Zoals gedefinieerd in bijlage 5.
(3) Zie onderdeel 2.3.13 in bijlage 5 (definitie motorenfamilie).
AANHANGSEL A.1
TESTRAPPORT
A.1.1. ALGEMENE VEREISTEN
Voor elke voor de typegoedkeuring vereiste test wordt een testrapport opgesteld. Voor elke bijkomende (bv. een tweede toerental op een motor met constant toerental) of aanvullende test (bv. een andere brandstof) moet een bijkomend of aanvullend testrapport worden opgesteld.
A.1.2. TOELICHTING BIJ HET OPSTELLEN VAN EEN TESTRAPPORT
A.1.2.1. Een testrapport bevat ten minste de informatie zoals bedoeld in aanhangsel A.1.3.
A.1.2.2. Niettegenstaande punt A.1.2.1 moeten enkel de onderdelen en subonderdelen in het testrapport worden opgenomen die relevant zijn voor de specifieke test en de/het specifieke geteste motorenfamilie, motortypen binnen een motorenfamilie of motortype.
A.1.2.3. Het testrapport mag meer informatie bevatten dan vereist in punt A.1.2.1, maar moet in elk geval aan het voorgestelde nummeringssysteem voldoen.
A.1.2.4. Wanneer verschillende opties door een schuine streep worden gescheiden, worden de ongebruikte opties doorgehaald of worden enkel de gebruikte opties weergegeven.
A.1.2.5. Wanneer het „type” onderdeel wordt gevraagd, wordt een eenduidige identificatie van dat onderdeel gegeven; dit kan door middel van een lijst van kenmerken, de naam van de fabrikant en het nummer van een onderdeel of tekening, een tekening, of een combinatie van voornoemde elementen of op een andere manier waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt.
A.1.2.6. Het testrapport mag worden verstrekt op papier of in een elektronisch formaat dat door de fabrikant, de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie is overeengekomen.
A.1.3 MODEL VOOR HET TESTRAPPORT
Testrapport voor motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines
1. ALGEMENE INFORMATIE
1.1. Merk(en) (handelsnaam (-namen) van de fabrikant): …
1.2. Handelsnaam (-namen) (indien van toepassing): …
1.3. Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …
1.4. Naam van de technische dienst: …
1.5. Adres van de technische dienst: …
1.6. Plaats van de test: …
1.7. Datum van de test: …
1.8. Nummer testrapport: …
1.9. Referentienummer inlichtingenformulier (indien beschikbaar): …
1.10. Type testrapport: eerste test/bijkomende test/aanvullende test
1.10.1. Beschrijving van het doel van de test: …
2. ALGEMENE INFORMATIE OVER DE MOTOR (TESTMOTOR)
2.1. Aanwijzing van het motortype/aanwijzing van de motorenfamilie/FT: …
2.2. Motoridentificatienummer: …
3. CHECKLIST DOCUMENTATIE EN INFORMATIE (ENKEL EERSTE TEST)
3.6. Documentatiereferentie verklaring inzake maatregelen tegen manipulatie, voor motortypen en motorenfamilies waarvoor een elektronische regeleenheid wordt gebruikt als onderdeel van het motorregelsysteem: …
3.7. Documentatiereferentie verklaring inzake en demonstratie van maatregelen tegen manipulatie en instelbare parameters, voor motortypen en motorenfamilies waarvoor mechanische voorzieningen worden gebruikt als onderdeel van het motorregelsysteem: …
4. REFERENTIEBRANDSTOF(FEN) GEBRUIKT VOOR TEST (RELEVANT(E) PUNT(EN) INVULLEN)
4.1. Vloeibare brandstof voor motoren met elektrische ontsteking
4.1.1. Merk: …
4.1.2. Type: …
4.1.3. Octaangetal, RON: …
4.1.4. Octaangetal, MON: …
4.1.5. Ethanolgehalte (%): …
4.1.6. Dichtheid bij 15 °C (kg/m3): …
4.2. Vloeibare brandstof voor motoren met compressieontsteking
4.2.1. Merk: …
4.2.2. Type: …
4.2.3. Cetaangetal: …
4.2.4. FAME-gehalte (%): …
4.2.5. Dichtheid bij 15 °C (kg/m3): …
4.3. Gasvormige brandstof — lpg
4.3.1. Merk: …
4.3.2. Type: …
4.3.3. Type referentiebrandstof: brandstof A/brandstof B
4.3.4. Octaangetal, MON: …
4.4. Gasvormige brandstof — methaan/biomethaan
4.4.1. Type referentiebrandstof: GR/G23/G25/G20
4.4.2. Bron referentiegas: specifieke referentiebrandstof/leidinggas met additief
4.4.3. Voor specifieke referentiebrandstof
4.4.3.1. Merk: …
4.4.3.2. Type: …
4.4.4. Voor leidinggas met additief
4.4.4.1. Additie(f)(ven): kooldioxide/ethaan/methaan/stikstof/propaan
4.4.4.2. Waarde Sλ voor het resulterende brandstofmengsel: …
4.4.4.3. Het methaangetal (MN) voor het resulterende brandstofmengsel: …
4.5. Dualfuelmotor (naast de relevante onderdelen hierboven)
4.5.1. Gasenergieverhouding tijdens testcyclus: …
5. SMEERMIDDEL
5.1. Merk(en): …
5.2. Type(n): …
5.3. SAE-viscositeit: …
5.4. Smeermiddel en brandstof zijn vermengd: ja/nee
5.4.1. Percentage olie in mengsel: …
6. GEDETAILLEERDE MEETRESULTATEN (*1)
|
Motortoerental, min-1 |
|
|
|
|
Gemeten koppel, Nm |
|
|
|
|
Gemeten vermogen, kW |
|
|
|
|
Gemeten brandstofstroom, g/h |
|
|
|
|
Luchtdruk, kPa |
|
|
|
|
Waterdampdruk, kPa |
|
|
|
|
Temperatuur van de inlaatlucht, K |
|
|
|
|
Toe te voegen vermogen voor de niet in tabel 1 genoemde uitrustingsstukken en hulpaggregaten, kW |
Nr. 1 Nr. 2 Nr. 3 |
|
|
|
Totaal, kW |
|
|
|
|
Vermogenscorrectiefactor |
|
|
|
|
Gecorrigeerd vermogen, kW |
|
|
|
|
Gecorrigeerd koppel, Nm |
|
|
|
|
Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik g/(kWh) (2) |
|
|
|
|
Temperatuur van de koelvloeistof aan de uitlaat, K |
|
|
|
|
Temperatuur van het smeermiddel op het meetpunt, K |
|
|
|
|
Luchttemperatuur voorbij de druklader, K (1) |
|
|
|
|
Brandstoftemperatuur aan de inlaat van de inspuitpomp, K |
|
|
|
|
Luchttemperatuur voorbij de vulluchtkoeler, K (1) |
|
|
|
|
Druk voorbij de drukvullingsvoorziening, kPa |
|
|
|
|
Druk voorbij de vulluchtkoeler, kPa |
|
|
|
|
Inlaatonderdruk, Pa |
|
|
|
|
Uitlaattegendruk, Pa |
|
|
|
|
Brandstoftoevoer, mm3/slag of cyclus (1) |
|
|
|
(*1) De kenmerkende krommen van het nettovermogen en het nettokoppel moeten als functie van het motortoerental worden weergegeven.
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(2) Berekend met het nettovermogen voor compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren, in het laatste geval vermenigvuldigd met de vermogenscorrectiefactor.
BIJLAGE 3
OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN
MODEL A
(zie punt 4.4 van dit reglement)
a = min. 8 mm.
Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een motor, geeft aan dat het motortype in kwestie in Nederland (E4) wat de meting van het nettovermogen betreft krachtens Reglement nr. 120 is goedgekeurd onder nummer 021628. Het goedkeuringsnummer geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 120 zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 02.
MODEL B
(zie punt 4.5 van dit reglement)
a = min. 8 mm.
Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een motor, geeft aan dat het motortype in kwestie in Nederland (E4) is goedgekeurd krachtens de Reglementen nrs. 120 en 96 (1). De eerste twee cijfers van de goedkeuringsnummers geven aan dat, op de datum waarop deze goedkeuringen zijn verleend, Reglement nr. 120 was gewijzigd bij wijzigingenreeks 02 en Reglement nr. 96 al wijzigingenreeks 05 bevatte.
(1) Het tweede nummer dient alleen ter illustratie.
BIJLAGE 4
METHODE OM HET NETTOVERMOGEN VAN EEN VERBRANDINGSMOTOR TE METEN
1. Deze bepalingen zijn van toepassing op de methode voor het bepalen van de vermogenskromme bij vollast van een verbrandingsmotor bij wisselende snelheid als functie van het motortoerental, en van het nominale toerental en het nominale nettovermogen van een verbrandingsmotor bij constante snelheid.
2. Testomstandigheden
2.1. De motor moet volgens de aanbevelingen van de fabrikant zijn ingereden.
2.2. Als de meting van het vermogen alleen kan worden uitgevoerd op een motor waarop een versnellingsbak is gemonteerd, moet rekening worden gehouden met de efficiëntie van die versnellingsbak.
2.3. Hulpaggregaten en uitrustingsstukken
2.3.1. Te monteren hulpaggregaten en uitrustingsstukken
Tijdens de test worden de hulpaggregaten die nodig zijn voor de beoogde toepassing van de motor (zie tabel 1) op de testbank geïnstalleerd, zo veel mogelijk in dezelfde positie als bij de beoogde toepassing.
2.3.2. Te verwijderen hulpaggregaten en uitrustingsstukken
Bepaalde hulpapparatuur die per definitie verband houdt met de werking van de machine en die op de motor mag worden gemonteerd, moet voor de test worden verwijderd. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
|
a) |
een luchtcompressor voor de remmen; |
|
b) |
een compressor van de stuurbekrachtiging; |
|
c) |
een compressor van de ophanging; |
|
d) |
een aircosysteem. |
Indien hulpapparatuur niet kan worden verwijderd, kan het vermogen dat de apparatuur in onbelaste toestand absorbeert, worden vastgesteld en bij het gemeten motorvermogen worden opgeteld (zie voetnoot h bij tabel 1). Als deze waarde meer dan 3 % van het maximumvermogen bij het testtoerental bedraagt, mag zij door de testinstantie worden geverifieerd.
Tabel 1
Uitrustingsstukken en hulpaggregaten die voor de test ter bepaling van het motorvermogen moeten zijn geïnstalleerd
|
Aantal |
Uitrustingsstukken en hulpaggregaten |
Gemonteerd voor de emissietest |
||||||||
|
1 |
Inlaatsysteem |
|
||||||||
|
Inlaatspruitstuk |
Ja |
|||||||||
|
Emissiebeheersingssysteem van het motorcarter |
Ja |
|||||||||
|
Luchtstroommeter |
Ja |
|||||||||
|
Luchtfilter |
Ja (1) |
|||||||||
|
Inlaatgeluiddemper |
Ja (1) |
|||||||||
|
2 |
Uitlaatsysteem |
|
||||||||
|
Uitlaatgasnabehandeling |
Ja |
|||||||||
|
Uitlaatspruitstuk |
Ja |
|||||||||
|
Verbindingsleidingen |
Ja (2) |
|||||||||
|
Geluiddemper |
Ja (2) |
|||||||||
|
Uitlaatpijp |
Ja (2) |
|||||||||
|
Uitlaatrem |
Nee (3) |
|||||||||
|
Drukvullingsvoorziening: |
Ja |
|||||||||
|
3 |
Brandstofpomp |
Ja (4) |
||||||||
|
4 |
Carburatie-uitrusting |
|
||||||||
|
Carburator |
Ja |
|||||||||
|
Elektronisch regelsysteem, luchtstroommeter enz. |
Ja |
|||||||||
|
Uitrusting voor gasmotoren |
|
|||||||||
|
Drukverlager |
Ja |
|||||||||
|
Verdamper |
Ja |
|||||||||
|
Menger |
Ja |
|||||||||
|
5 |
Brandstofinspuiting (benzine en diesel) |
|
||||||||
|
Voorfilter |
Ja |
|||||||||
|
Filter |
Ja |
|||||||||
|
Pomp |
Ja |
|||||||||
|
Hogedrukleiding |
Ja |
|||||||||
|
Verstuiver |
Ja |
|||||||||
|
Elektronisch regelsysteem, sensoren enz. |
Ja |
|||||||||
|
Regulateur/regelsysteem |
Ja |
|||||||||
|
Automatische vollastaanslag van de regelstang naargelang de atmosferische omstandigheden |
Ja |
|||||||||
|
6 |
Vloeistofkoeling |
|
||||||||
|
Radiator |
Nee |
|||||||||
|
Ventilator |
Nee |
|||||||||
|
Ventilatorhuis |
Nee |
|||||||||
|
Waterpomp |
Ja (5) |
|||||||||
|
Thermostaat |
Ja (6) |
|||||||||
|
7 |
Luchtkoeling |
|
||||||||
|
Huis |
Nee (7) |
|||||||||
|
Ventilator of aanjager |
Nee (7) |
|||||||||
|
Temperatuurregeling |
Nee |
|||||||||
|
8 |
Drukvulling |
|
||||||||
|
Direct door de motor en/of door de uitlaatgassen aangedreven compressor |
Ja |
|||||||||
|
Vulluchtkoeler |
||||||||||
|
Pomp of ventilator van de koelinrichting (aangedreven door de motor) |
Nee (7) |
|||||||||
|
Koelmiddelstroomregeling |
Ja |
|||||||||
|
9 |
Hulpventilator voor de testbank |
Ja, indien nodig |
||||||||
|
10 |
Voorziening tegen luchtverontreiniging |
Ja |
||||||||
|
11 |
Startuitrusting |
Ja of testbankuitrusting (9) |
||||||||
|
12 |
Smeeroliepomp |
Ja |
||||||||
|
13 |
Bepaalde hulpapparatuur die per definitie verband houdt met de werking van de niet voor de weg bestemde mobiele machine en die op de motor mag worden gemonteerd, moet voor de test worden verwijderd. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
|
Nee |
2.4. Afstelling
De wijze van afstelling bij de test ter bepaling van het nettovermogen is aangegeven in tabel 2.
Tabel 2
Afstelling
|
Afgesteld overeenkomstig de productiespecificaties van de fabrikant en gebruikt zonder verdere wijziging voor de desbetreffende toepassing. |
||
|
|||
|
|||
|
|||
|
|||
|
3. Te registreren gegevens
3.1. De te verzamelen gegevens zijn in aanhangsel A.1 van bijlage 2 vermeld. De prestatiegegevens moeten worden verkregen onder constante bedrijfsomstandigheden, waarbij de luchttoevoer naar de motor toereikend moet zijn. In de verbrandingskamers mag aanslag voorkomen, maar slechts in beperkte mate. De testomstandigheden, zoals de temperatuur van de inlaatlucht, moeten zo veel mogelijk overeenstemmen met de referentieomstandigheden (zie punt 5.2) om de grootte van de correctiefactor te beperken.
3.2. De temperatuur van de inlaatlucht van de motor moet worden gemeten in de inlaatleidingen. De inlaatonderdruk moet op hetzelfde punt worden gemeten. De thermometer of het thermokoppel moet tegen brandstofneerslag en stralingswarmte zijn afgeschermd en direct in de luchtstroom zijn geplaatst. Om een representatieve gemiddelde inlaattemperatuur te verkrijgen, moeten op een voldoende aantal plaatsen metingen worden verricht.
3.3. De inlaatonderdruk moet voorbij de inlaatleidingen, het luchtfilter, de inlaatgeluidsdemper of de snelheidsbegrenzer (indien gemonteerd) worden gemeten.
3.4. De absolute druk aan de ingang van de motor, voorbij de compressor en de warmtewisselaar (indien gemonteerd), wordt gemeten in het inlaatspruitstuk en op elk ander punt waar de druk moet worden gemeten om de correctiefactoren te berekenen.
3.5. De uitlaattegendruk wordt gemeten op een punt dat minstens drie leidingdiameters voorbij de uitlaatflens(-flenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) ligt en ook voorbij de turbo('s) (indien gemonteerd). De exacte plaats moet worden gespecificeerd.
3.6. Er mogen geen gegevens worden verzameld alvorens het koppel, het toerental en de temperaturen gedurende ten minste 1 minuut vrijwel constant zijn gebleven.
3.7. Tijdens een test of aflezing mag het toerental niet meer dan ± 1 % of ± 10 min-1 afwijken van het gekozen toerental, waarbij de grootste waarde moet worden genomen.
3.8. De waargenomen waarden voor rembelasting, brandstofverbruik en temperatuur van de inlaatlucht worden gelijktijdig gemeten en moeten het gemiddelde vormen van twee constante opeenvolgende waarden die, wat de rembelasting betreft, niet meer dan 2 % verschillen.
3.9. De temperatuur van het koelmiddel aan de uitlaat van de motor moet op de door de fabrikant voorgeschreven waarde worden gehouden.
Indien de fabrikant geen temperatuur voorschrijft, bedraagt deze 353 K ± 5 K. Bij luchtgekoelde motoren moet de temperatuur op een door de fabrikant aangegeven punt worden gehouden, binnen +0/-20 K van de maximumwaarde die door de fabrikant onder de referentieomstandigheden is voorgeschreven.
3.10. Bij compressieontstekingsmotoren wordt de brandstoftemperatuur gemeten aan de inlaat van de brandstofinspuitpomp en tussen 306 en 316 K (33 en 43 °C) gehouden. Bij elektrische-ontstekingsmotoren wordt de brandstoftemperatuur zo dicht mogelijk bij de inlaat van de carburator of bij de serie verstuivers gemeten en tussen 293 en 303 K (20 en 30 °C) gehouden.
3.11. De temperatuur van het smeermiddel, gemeten in de oliepomp of aan de uitlaat van de oliekoeler, indien gemonteerd, moet binnen de door de motorfabrikant aangegeven grenswaarden blijven.
3.12. Om de temperaturen binnen de in de punten 3.9, 3.10 en 3.11 gestelde grenswaarden te handhaven, mag eventueel gebruik worden gemaakt van een hulpregelsysteem.
4. Nauwkeurigheid van de metingen
4.1. Koppel: ± 1 % van het gemeten koppel. Het systeem voor het meten van het koppel moet zo zijn gekalibreerd dat rekening wordt gehouden met wrijvingsverliezen. In de onderste helft van het meetbereik van de dynamometerbank mag de nauwkeurigheid ± 2 % van het gemeten koppel bedragen.
4.2. Toerental: 0,5 % van het gemeten toerental.
4.3. Brandstofverbruik: ± 1 % van het gemeten verbruik.
4.4. Brandstoftemperatuur: ± 2 K.
4.5. Temperatuur van de inlaatlucht van de motor: ± 2 K.
4.6. Luchtdruk: ± 100 Pa.
4.7. Onderdruk in de inlaat: ± 50 Pa.
4.8. Uitlaattegendruk: ± 200 Pa.
5. Vermogenscorrectiefactoren
5.1. Definitie
De vermogenscorrectiefactor is de coëfficiënt om het motorvermogen onder de in punt 5.2 aangegeven atmosferische referentieomstandigheden te bepalen volgens de formule:
Po = α P
waarin:
|
Po |
het gecorrigeerde vermogen is (m.a.w. het vermogen onder atmosferische referentieomstandigheden) |
|
α |
de correctiefactor is (αa of αd) |
|
P |
het gemeten vermogen is (testvermogen) |
5.2. Atmosferische referentieomstandigheden
5.2.1. Temperatuur (To): 298 K (25 °C)
5.2.2. Droge druk (Pso): 99 kPa
De droge druk is gebaseerd op een totale druk van 100 kPa en een waterdampdruk van 1 kPa.
5.3. Atmosferische testomstandigheden
De atmosferische omstandigheden tijdens de test moeten als volgt zijn:
5.3.1. Temperatuur (T)
|
Voor elektrische-ontstekingsmotoren |
: |
288 K ≤ T ≤ 308 K |
|
Voor compressieontstekingsmotoren |
: |
283 K ≤ T ≤ 313 K |
5.3.2. Druk (ps)
90 kPa < ps < 110 kPa
5.4. Vaststelling van de correctiefactoren αa en αd (1)
5.4.1. Bij elektrische-ontstekingsmotoren met natuurlijke aanzuiging of met drukvulling
De correctiefactor αa wordt berekend met de volgende formule:
waarin:
|
ps |
de totale droge atmosferische druk in kilopascal (kPa) is, d.w.z. de totale luchtdruk verminderd met de waterdampdruk; |
|
T |
de absolute temperatuur in kelvin (K) is van de door de motor aangezogen lucht. |
Voorwaarden waaraan in het laboratorium moet zijn voldaan
De test is alleen geldig als de correctiefactor zo is dat:
0,93 < αa < 1,07
Als deze grenswaarden worden overschreden, wordt de verkregen gecorrigeerde waarde verstrekt en worden de testomstandigheden (temperatuur en druk) nauwkeurig in het testrapport vermeld.
5.4.2. Compressieontstekingsmotoren — factor αd
De vermogenscorrectiefactor (αd) voor compressieontstekingsmotoren bij constant brandstoftoevoerdebiet wordt verkregen met de formule:
αd = (fa)fm
waarin:
|
fa |
de atmosferische factor is |
|
fm |
de karakteristieke parameter voor elk type motor en afstelling is |
5.4.2.1. Atmosferische factor fa
Deze factor weerspiegelt de effecten van de omgevingsomstandigheden (druk, temperatuur en vochtigheid) op de door de motor aangezogen lucht. De formule voor het berekenen van de atmosferische factor verschilt naargelang het motortype.
5.4.2.1.1. Motoren met natuurlijke aanzuiging en mechanisch aangedreven drukvulling
5.4.2.1.2. Turbomotoren met of zonder koeling van de inlaatlucht
5.4.2.2. Motorfactor fm
|
fm |
is een functie van qc (gecorrigeerd brandstofdebiet) en wordt als volgt berekend: |
|
fm = |
0,036 qc — 1,14 |
en
|
qc |
= |
q/r |
waarin:
|
q |
het brandstofdebiet in milligrammen per cyclus en per liter totaal verplaatst volume is (mg/(l × cyclus)) |
|
r |
de drukverhouding tussen de inlaat en de uitlaat van de compressor is; bij turbocompressoren is r de totale compressieverhouding (r = 1 bij motoren met natuurlijke aanzuiging) |
Deze formule geldt voor een waarde qc tussen 37,2 mg/(l × cyclus) en 65 mg/(l × cyclus).
Als qc lager is dan 37,2 mg/(l × cyclus), zal worden uitgegaan van een constante waarde van fm gelijk aan 0,2 (fm = 0,2).
Als qc hoger is dan 65 mg/(l × cyclus), zal worden uitgegaan van een constante waarde van fm gelijk aan 1,2 (fm = 1,2) (zie de figuur):
Bepaling van motorfactor fm
5.4.2.3. Voorwaarden waaraan in het laboratorium moet zijn voldaan
De test is alleen geldig als de correctiefactor αa zo is dat
0,93 ≤ αa ≤ 1,07
Als deze grenswaarden worden overschreden, wordt de verkregen gecorrigeerde waarde verstrekt en worden de testomstandigheden (temperatuur en druk) nauwkeurig in het testrapport vermeld.
(1) Het volledige inlaatsysteem voor de beoogde toepassing moet worden gemonteerd:
|
a) |
indien het gevaar bestaat dat het motorvermogen merkbaar wordt beïnvloed; |
|
b) |
bij elektrische-ontstekingsmotoren met natuurlijke aanzuiging. |
In de andere gevallen mag van een gelijkwaardig systeem gebruik worden gemaakt en moet worden gecontroleerd of de inlaatdruk niet meer dan 100 Pa afwijkt van de door de fabrikant opgegeven grenswaarde voor een schoon luchtfilter.
(2) Het volledige uitlaatsysteem voor de beoogde toepassing moet zijn gemonteerd:
|
a) |
indien het gevaar bestaat dat het motorvermogen merkbaar wordt beïnvloed; |
|
b) |
bij elektrische-ontstekingsmotoren met natuurlijke aanzuiging. |
In de andere gevallen mag van een gelijkwaardig systeem gebruik worden gemaakt en moet worden gecontroleerd of de gemeten druk niet meer dan 1 000 Pa afwijkt van de door de fabrikant opgegeven grenswaarde.
(3) Indien een uitlaatrem in de motor is geïntegreerd, moet de gasklep in de volledig open stand worden geblokkeerd.
(4) De brandstoftoevoerdruk mag eventueel worden aangepast om de bij de specifieke motortoepassing heersende druk te reproduceren (met name wanneer een „brandstofterugvoersysteem” wordt gebruikt).
(5) De circulatie van de koelvloeistof mag alleen door de waterpomp van de motor worden bewerkstelligd. De koeling van de vloeistof mag via een extern circuit plaatsvinden op voorwaarde dat het drukverlies van dat circuit en de druk aan de inlaat van de pomp vrijwel gelijk blijven aan die van het motorkoelsysteem.
(6) De thermostaat mag in de volledig open stand worden geblokkeerd.
(7) Als de motor voor de test is voorzien van een ventilator of aanjager, moet het door deze voorzieningen geabsorbeerde vermogen bij de resultaten worden opgeteld, behalve als ze integrerend deel uitmaken van de motor (bv. als de ventilatoren van luchtgekoelde motoren rechtstreeks op de krukas zijn gemonteerd). Het vermogen van de ventilator of aanjager moet bij de voor de test gebruikte toerentallen door berekening op basis van de standaardkenmerken of aan de hand van praktijktests worden vastgesteld.
(8) Vulluchtgekoelde motoren moeten met vulluchtkoeling worden getest, ongeacht of het vloeistof- of luchtkoeling is, maar als de fabrikant het verkiest, mag een testbanksysteem de luchtkoeler vervangen. In beide gevallen moet de meting van het vermogen bij elk toerental met dezelfde maximale drukval en minimale temperatuursval van de motorlucht over de vulluchtkoeler op het testbanksysteem worden verricht als die welke door de fabrikant zijn opgegeven.
(9) Het vermogen voor elektrische of andere startsystemen moet door de testbank worden geleverd.
(1) De tests mogen worden verricht in testruimten met klimaatregeling waarbij de atmosferische omstandigheden kunnen worden gecontroleerd.
Bij motoren met automatische luchttemperatuurregeling wordt de test met volledig gesloten temperatuurregeling uitgevoerd, voor zover deze voorziening zodanig functioneert dat bij volle belasting bij 25 °C geen verwarmde lucht wordt toegevoerd. Als de voorziening bij 25 °C nog functioneert, wordt de test bij normale werking uitgevoerd en wordt nul als exponent van de temperatuurterm in de correctiefactor genomen (geen temperatuurcorrectie).
BIJLAGE 5
PARAMETERS VOOR DE DEFINITIE VAN MOTORTYPEN EN MOTORENFAMILIES EN DE WERKINGSMODI ERVAN
1. MOTORTYPE
De technische kenmerken van een motortype zijn die welke zijn bepaald in het inlichtingenformulier van dat motortype dat overeenkomstig het model in bijlage 1 is opgesteld.
1.1. Bedrijfsmodus (soort toerental)
Een motortype kan als een motor met constant toerental of als een motor met variabel toerental, zoals gedefinieerd in punt 2.3 respectievelijk punt 2.32, een typegoedkeuring krijgen.
2. CRITERIA VOOR DE MOTORENFAMILIE
2.1. Algemeen
Een motorenfamilie wordt gekenmerkt door ontwerpparameters. Deze zijn voor alle motoren binnen de motorenfamilie dezelfde. De motorfabrikant kan zelf beslissen welke motoren tot een bepaalde motorenfamilie behoren zolang hij de hiervoor in punt 2.3 van deze bijlage opgesomde criteria in acht neemt. De motorenfamilie moet door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
2.2. Motorcategorieën, werkingsmodus (soort toerental) en vermogensbereik.
2.2.1. Een motorenfamilie bestaat uitsluitend uit motortypen met hetzelfde soort toerental.
2.3. Parameters die de motorenfamilie bepalen
2.3.1. Verbrandingscyclus:
|
a) |
tweetaktcyclus; |
|
b) |
viertaktcyclus; |
|
c) |
draaizuigermotor; |
|
d) |
andere. |
2.3.2. Opstelling van de cilinders
2.3.2.1. Positie van de cilinders in het blok:
|
a) |
enkel; |
|
b) |
V; |
|
c) |
in lijn; |
|
d) |
tegenover elkaar liggend; |
|
e) |
stervormig; |
|
f) |
overige (F, W enz.). |
2.3.2.2. Relatieve positie van de cilinders
Motoren met hetzelfde blok mogen tot dezelfde motorenfamilie behoren mits de hart-op-hartafmetingen van de boringen dezelfde zijn.
2.3.3. Voornaamste koelmiddel:
|
a) |
lucht; |
|
b) |
water; |
|
c) |
olie. |
2.3.4. Slagvolume per cilinder
2.3.4.1. Motor met een slagvolume per cilinder ≥ 750 cm3
Motoren met een slagvolume per cilinder ≥ 750 cm3 kunnen alleen tot dezelfde motorenfamilie behoren als het grootste verschil tussen hun slagvolumes per cilinder niet groter is dan 15 % van het grootste slagvolume per cilinder binnen de motorenfamilie.
2.3.4.2. Motor met een slagvolume per cilinder < 750 cm3
Motoren met een slagvolume per cilinder ≥ 750 cm3 kunnen alleen tot dezelfde motorenfamilie behoren als het grootste verschil tussen hun slagvolumes per cilinder niet groter is dan 30 % van het grootste slagvolume per cilinder binnen de motorenfamilie.
2.3.5. Methode van luchtaanzuiging:
|
a) |
natuurlijke aanzuiging; |
|
b) |
drukvulling; |
|
c) |
drukvulling met tussenkoeler. |
2.3.6. Brandstoftype
|
a) |
diesel (gasolie voor niet voor de weg bestemde machines); |
|
b) |
ethanol voor brandstofspecifieke compressieontstekingsmotoren (ED95); |
|
c) |
benzine (E10); |
|
d) |
ethanol (E85); |
|
e) |
aardgas/biomethaan:
|
|
f) |
vloeibaar petroleumgas (lpg). |
2.3.7. Regeling brandstoftoevoer:
|
a) |
enkel vloeibare brandstof; |
|
b) |
enkel gasvormige brandstof; |
|
c) |
dualfueltype 1A; |
|
d) |
dualfueltype 1B; |
|
e) |
dualfueltype 2A; |
|
f) |
dualfueltype 2B; |
|
g) |
dualfueltype 3B. |
2.3.8. Type/ontwerp van de verbrandingskamer:
|
a) |
open kamer; |
|
b) |
gedeelde kamer; |
|
c) |
andere typen. |
2.3.9. Ontstekingstype:
|
a) |
elektrische ontsteking; |
|
b) |
compressieontsteking. |
2.3.10. Klep- en poorteigenschappen:
|
a) |
configuratie; |
|
b) |
aantal kleppen per cilinder. |
2.3.11. Brandstoftoevoertype
|
a) |
pomp, (hogedruk)leiding en injector; |
|
b) |
in de leiding geplaatste pomp of verdelerpomp; |
|
c) |
afzonderlijke injector; |
|
d) |
common rail; |
|
e) |
carburator; |
|
f) |
indirecte inspuiting; |
|
g) |
directe inspuiting; |
|
h) |
mengeenheid; |
|
i) |
overige. |
2.3.12. Diverse voorzieningen:
|
a) |
uitlaatgasrecirculatie (EGR); |
|
b) |
waterinspuiting; |
|
c) |
luchtinspuiting; |
|
d) |
overige. |
2.3.13. Elektronische regelstrategie
Het al dan niet aanwezig zijn van een elektronische regeleenheid op de motor wordt als een van de basisparameters van een motorenfamilie beschouwd.
Motoren met elektronische regulering van het toerental hoeven niet per se tot een andere motorenfamilie te behoren dan die met mechanische regulering. Tussen elektronisch en mechanisch geregelde motoren moet alleen een onderscheid worden gemaakt wat de brandstofinspuitingskenmerken betreft, zoals timing, druk, debiet, vorm enz.
2.3.14. Uitlaatgasnabehandelingssystemen
De functie en combinatie van de volgende voorzieningen worden beschouwd als criteria om te bepalen of een motor tot een bepaalde motorenfamilie behoort:
|
a) |
oxidatiekatalysator; |
|
b) |
deNOx-systeem met selectieve NOx-reductie (toevoeging van reductiemiddel); |
|
c) |
andere deNOx-systemen; |
|
d) |
deeltjesnabehandelingssysteem met passieve regeneratie:
|
|
e) |
deeltjesnabehandelingssysteem met actieve regeneratie:
|
|
f) |
andere deeltjesnabehandelingssystemen; |
|
g) |
andere voorzieningen. |
2.3.15. Dualfuelmotoren
Alle motortypen binnen een dualfuelmotorfamilie moeten tot hetzelfde type dualfuelmotoren zoals gedefinieerd in bijlage 7, punt 2, bij wijzigingenreeks 05 van VN-Reglement nr. 96 behoren en op dezelfde brandstoftypen lopen of, in voorkomend geval, op brandstoffen die overeenkomstig dit reglement geacht worden tot dezelfde groep te behoren.
3. KEUZE VAN DE BASISMOTOR
3.1. Algemeen
3.1.1. Nadat een motorenfamilie door de typegoedkeuringsinstantie is goedgekeurd, wordt de basismotor van de motorenfamilie geselecteerd op basis van het hoofdcriterium van de hoogste brandstofopbrengst per slag per cilinder bij het opgegeven toerental voor het maximumkoppel. Indien twee of meer motoren aan dit hoofdcriterium voldoen, wordt de basismotor geselecteerd aan de hand van een tweede criterium, namelijk de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het nominaal toerental.
BIJLAGE 6
CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
1. ALGEMEEN
Deze voorschriften stemmen overeen met de tests die volgens punt 6.2 van dit reglement moeten worden uitgevoerd om de conformiteit van de productie te controleren.
2. TESTPROCEDURES
De in bijlage 4 beschreven testmethoden en meetinstrumenten moeten worden gebruikt.
3. MONSTERNEMING
3.1. Bij een motortype
Eén motor moet worden gekozen. Als deze motor na de in punt 4 beschreven test niet aan de voorschriften van dit reglement voldoet, worden twee extra motoren getest.
3.2. Bij een motorenfamilie
Voor de goedkeuring van een motorenfamilie wordt de test ter controle van de conformiteit van de productie uitgevoerd op één lid van de familie, met uitzondering van de oudermotor. Als de motor niet aan de conformiteitscontroletest voldoet, worden twee extra motoren van hetzelfde type getest.
4. MEETCRITERIA
4.1. Nettovermogen en specifiek brandstofverbruik van verbrandingsmotoren
De metingen worden verricht bij een aantal toerentallen dat voldoende is om de krommen van het vermogen, het koppel en het specifieke brandstofverbruik tussen het door de fabrikant aanbevolen laagste en hoogste toerental correct te bepalen.
De gecorrigeerde gemeten waarden voor de geteste motor mogen niet meer verschillen dan de waarden in onderstaande tabel en dan ± 10 % voor het specifieke brandstofverbruik.
|
Motortype |
Referentievermogen (koppel) [%] |
Andere meetpunten op de kromme [%] |
Tolerantie voor het toerental [%] |
|
Algemeen |
± 5 |
± 10 |
± 5 |
|
Benzinemotoren met elektrische ontsteking en met regulateur |
± 8 |
± 12 |
± 8 |
|
Benzinemotoren met elektrische ontsteking zonder regulateur |
± 8 |
± 20 |
± 8 |
5. BEOORDELING VAN DE RESULTATEN
Indien de cijfers voor het nettovermogen en het brandstofverbruik van de tweede en/of derde in punt 3 genoemde motor niet aan de voorschriften van punt 4 voldoen, wordt de productie geacht niet te voldoen aan de voorschriften van dit reglement en gelden de bepalingen van punt 7 van dit reglement.
BIJLAGE 7
TECHNISCHE KENMERKEN VAN DE REFERENTIEBRANDSTOFFEN DIE ZIJN VOORGESCHREVEN VOOR DE GOEDKEURINGSTESTS EN OM DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE TE VERIFIËREN
1. TECHNISCHE GEGEVENS VAN BRANDSTOFFEN VOOR HET TESTEN VAN COMPRESSIEONTSTEKINGSMOTOREN
1.1. Type: diesel (gasolie voor niet voor de weg bestemde machines)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (1) |
Testmethode |
|
|
minimaal |
maximaal |
|||
|
Cetaangetal (2) |
|
45 |
56,0 |
EN-ISO 5165 |
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m3 |
833 |
865 |
EN-ISO 3675 |
|
Distillatie: |
|
|
|
|
|
50 vol.-% |
°C |
245 |
— |
EN-ISO 3405 |
|
95 vol.-% |
°C |
345 |
350 |
EN-ISO 3405 |
|
Eindkookpunt |
°C |
— |
370 |
EN-ISO 3405 |
|
Vlampunt |
°C |
55 |
— |
EN 22719 |
|
Verstoppingspunt van het filter bij lage temperatuur |
°C |
— |
– 5 |
EN 116 |
|
Viscositeit bij 40 °C |
mm2/s |
2,3 |
3.3 |
EN-ISO 3104 |
|
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen |
massa % |
2,0 |
6,0 |
IP 391 |
|
Zwavelgehalte (3) |
mg/kg |
— |
10 |
ASTM D 5453 |
|
Kopercorrosie |
|
— |
klasse 1 |
EN-ISO 2160 |
|
Conradson-koolstofresidu (10 %-destillatieresidu) |
massa % |
— |
0,2 |
EN-ISO 10370 |
|
Asgehalte |
massa % |
— |
0,01 |
EN-ISO 6245 |
|
Totale verontreiniging |
mg/kg |
— |
24 |
EN 12662 |
|
Watergehalte |
massa % |
— |
0,02 |
EN-ISO 12937 |
|
Neutralisatiegetal (sterk zuur) |
mg KOH/g |
— |
0,10 |
ASTM D 974 |
|
Oxidatiebestendigheid (3) |
mg/ml |
— |
0,025 |
EN-ISO 12205 |
|
Smeercapaciteit (diameter slijtvlak volgens HFRR, bij 60 °C) |
μm |
— |
400 |
CEC F-06-A-96 |
|
Oxidatiebestendigheid bij 110 °C (3) |
H |
20,0 |
— |
EN 15751 |
|
Vetzuurmethylester |
vol % |
— |
7,0 |
EN 14078 |
1.2. Type: Ethanol voor brandstofspecifieke compressieontstekingsmotoren (ED95) (4)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (5) |
Testmethode (6) |
|
|
Minimum |
Maximum |
|||
|
Totaal alcohol (ethanol inclusief gehalte aan hogere verzadigde alcoholen) |
% m/m |
92,4 |
|
EN 15721 |
|
Overige hogere verzadigde monoalcoholen (C3-C5) |
% m/m |
|
2,0 |
EN 15721 |
|
Methanol |
% m/m |
|
0,3 |
EN 15721 |
|
Dichtheid 15 °C |
kg/m3 |
793,0 |
815,0 |
EN ISO 12185 |
|
Zuurgraad, berekend als azijnzuur |
% m/m |
|
0,0025 |
EN 15491 |
|
Uiterlijk |
|
Helder en klaar |
|
|
|
Vlampunt |
°C |
10 |
|
EN 3679 |
|
Droog residu |
mg/kg |
|
15 |
EN 15691 |
|
Watergehalte |
% m/m |
|
6,5 |
EN 15489 (7) EN-ISO 12937 EN 15692 |
|
Aldehyden, berekend als acetaldehyde |
% m/m |
|
0,0050 |
ISO 1388-4 |
|
Esters berekend als ethylacetaat |
% m/m |
|
0,1 |
ASTM D1617 |
|
Zwavelgehalte |
mg/kg |
|
10,0 |
EN 15485 EN 15486 |
|
Sulfaten |
mg/kg |
|
4,0 |
EN 15492 |
|
Deeltjesverontreiniging |
mg/kg |
|
24 |
EN 12662 |
|
Fosfor |
mg/l |
|
0,20 |
EN 15487 |
|
Anorganische chloride |
mg/kg |
|
1,0 |
EN 15484 of EN 15492 |
|
koper |
mg/kg |
|
0,100 |
EN 15488 |
|
Elektrische geleidbaarheid |
μS/cm |
|
2,50 |
DIN 51627-4 of prEN 15938 |
2. TECHNISCHE GEGEVENS VAN BRANDSTOFFEN VOOR HET TESTEN VAN MOTOREN MET ELEKTRISCHE ONTSTEKING
2.1. Type: Benzine (E10)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (8) |
Testmethode (9) |
|||
|
Minimum |
Maximum |
|
||||
|
Researchoctaangetal, RON |
|
91,0 |
98,0 |
EN ISO 5164:2005 (10) |
||
|
Motoroctaangetal, MON |
|
83,0 |
89,0 |
EN ISO 5163:2005 (10) |
||
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m3 |
743 |
756 |
EN ISO 3675 EN ISO 12185 |
||
|
Dampspanning |
kPa |
45,0 |
60,0 |
pr EN ISO 13016-1 (DVPE) |
||
|
Watergehalte |
|
|
max. 5 % v/v Uitzicht bij – 7 °C: helder en glanzend |
EN 12937 |
||
|
Distillatie: |
|
|
|
|
||
|
% v/v |
18,0 |
46,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
% v/v |
46,0 |
62,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
% v/v |
75,0 |
94,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
°C |
170 |
210 |
EN-ISO 3405 |
||
|
Residu |
% v/v |
— |
2,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
Koolwaterstoffenanalyse: |
|
|
|
|
||
|
% v/v |
3,0 |
18,0 |
EN 14517 EN 15553 |
||
|
% v/v |
19,5 |
35,0 |
EN 14517 EN 15553 |
||
|
% v/v |
— |
1,0 |
EN 12177 EN 238, EN 14517 |
||
|
% v/v |
Verslag |
EN 14517 EN 15553 |
|||
|
Koolstof-waterstofverhouding |
|
Verslag |
|
|||
|
Koolstof-zuurstofverhouding |
|
Verslag |
|
|||
|
Inductieperiode (11) |
minuten |
480 |
|
EN-ISO 7536 |
||
|
Zuurstofgehalte (12) |
% m/m |
3,3 (15) |
3,7 |
EN 1601 EN 13132 EN 14517 |
||
|
Aanwezige gom |
mg/ml |
— |
0,04 |
EN-ISO 6246 |
||
|
Zwavelgehalte (13) |
mg/kg |
— |
10 |
EN ISO 20846 EN ISO 20884 |
||
|
Kopercorrosie (3 h bij 50 °C) |
graad |
— |
klasse 1 |
EN-ISO 2160 |
||
|
Loodgehalte |
mg/l |
— |
5 |
EN 237 |
||
|
Zwavelgehalte (14) |
mg/l |
— |
1,3 |
ASTM D 3231 |
||
|
Ethanol (11) |
% v/v |
9,0 (15) |
10,2 (15) |
EN 22854 |
||
2.2. Type: Ethanol (E85)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (16) |
Testmethode |
|
|
Minimum |
Maximum |
|||
|
Researchoctaangetal, RON |
|
95,0 |
— |
EN ISO 5164 |
|
Motoroctaangetal, MON |
|
85,0 |
— |
EN ISO 5163 |
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m3 |
Verslag |
ISO 3675 |
|
|
Dampspanning |
kPa |
40,0 |
60,0 |
pr EN ISO 13016-1 (DVPE) |
|
Zwavelgehalte (17) |
mg/kg |
— |
10 |
EN 15485 of EN 15486 |
|
Oxidatiebestendigheid |
Notulen |
360 |
|
EN ISO 7536 |
|
Hoeveelheid aanwezige gom (met solvent gewassen) |
mg/100 ml |
— |
5 |
EN-ISO 6246 |
|
Uiterlijk Te bepalen bij omgevingstemperatuur of 15 °C (de hoogste temperatuur is van toepassing) |
|
klaar en helder, zichtbaar vrij van zwevende of bezonken verontreinigende stoffen |
Visuele inspectie |
|
|
Ethanol en hogere alcoholen (18) |
% v/v |
83 |
85 |
EN 1601 EN 13132 EN 14517 E DIN 51627-3 |
|
Hogere alcoholen (C3-C8) |
% v/v |
— |
2,0 |
E DIN 51627-3 |
|
Methanol |
% v/v |
|
1,00 |
E DIN 51627-3 |
|
Benzine (19) |
% v/v |
Rest |
EN 228 |
|
|
Fosfor |
mg/l |
0,20 (20) |
EN 15487 |
|
|
Watergehalte |
% v/v |
|
0,300 |
EN 15489 of EN 15692 |
|
Gehalte anorganische chloriden |
mg/l |
|
1 |
EN 15492 |
|
pHe |
|
6,5 |
9,0 |
EN 15490 |
|
Koperstripcorrosie (3 h bij 50 °C) |
Classificatie |
klasse 1 |
|
EN ISO 2160 |
|
Zuurgraad (als azijnzuur CH3COOH) |
% m/m (mg/l) |
— |
0,0050 (40) |
EN 15491 |
|
Elektrische geleidbaarheid |
μS/cm |
1,5 |
DIN 51627-4 of prEN 15938 |
|
|
Koolstof-waterstofverhouding |
|
Verslag |
|
|
|
Koolstof-zuurstofverhouding |
|
Verslag |
|
|
3. TECHNISCHE GEGEVENS VAN GASVORMIGE BRANDSTOFFEN VOOR SINGLE- EN DUALFUELMOTOREN
3.1. Type: LPG
|
Parameter |
Eenheid |
Brandstof A |
Brandstof B |
Testmethode |
|
Samenstelling: |
|
|
|
EN 27941 |
|
C3-gehalte |
% v/v |
30 ± 2 |
85 ± 2 |
|
|
C4-gehalte |
% v/v |
Rest (21) |
Rest (21) |
|
|
< C3, > C4 |
% v/v |
maximaal 2 |
maximaal 2 |
|
|
Alkenen |
% v/v |
maximaal 12 |
maximaal 15 |
|
|
Verdampingsresidu |
mg/kg |
maximaal 50 |
maximaal 50 |
EN 15470 |
|
Water bij 0 °C |
|
vrij |
vrij |
EN 15469 |
|
Totaal zwavelgehalte inclusief reukstof |
mg/kg |
maximaal 10 |
maximaal 10 |
EN 24260, ASTM D 3246, ASTM 6667 |
|
Waterstofsulfide |
|
geen |
geen |
EN ISO 8819 |
|
Koperstripcorrosie (1 h bij 40 °C) |
Classificatie |
klasse 1 |
klasse 1 |
ISO 6251 (22) |
|
Geur |
|
karakteristiek |
karakteristiek |
|
|
Motoroctaangetal (23) |
|
minimaal 89,0 |
minimaal 89,0 |
EN 589 bijlage B |
3.2. Type: Aardgas/biomethaan
3.2.1. Specificatie voor referentiebrandstoffen die met vaste eigenschappen worden geleverd (bv. in een gesloten houder)
In plaats van de in dit punt vermelde referentiebrandstoffen mogen de equivalente brandstoffen in punt 3.2.2 worden gebruikt.
|
Kenmerken |
Eenheid |
Basis |
Grenswaarden |
Testmethode |
|
|
minimaal |
maximaal |
||||
|
Referentiebrandstof GR |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
|
87 |
84 |
89 |
|
|
Ethaan |
|
13 |
11 |
15 |
|
|
Rest (24) |
mol. % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (25) |
— |
|
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G23 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
|
92,5 |
91,5 |
93,5 |
|
|
Rest (26) |
mol. % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol. % |
7,5 |
6,5 |
8,5 |
|
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (27) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G25 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
mol. % |
86 |
84 |
88 |
|
|
Rest (28) |
mol. % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol. % |
14 |
12 |
16 |
|
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (29) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G20 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
mol. % |
100 |
99 |
100 |
ISO 6974 |
|
Rest (30) |
mol. % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol. % |
|
|
|
ISO 6974 |
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (31) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Wobbe-index (netto) |
MJ/m3 (32) |
48,2 |
47,2 |
49,2 |
|
3.2.2. Specificatie voor via een pijpleiding geleverde referentiebrandstof met toevoeging van andere gassen, waarvan de gaskenmerken door meting ter plaatse worden bepaald
In plaats van de in dit punt vermelde referentiebrandstoffen mogen de equivalente brandstoffen in punt 3.2.1 worden gebruikt.
3.2.2.1. De basis van elk pijpleidingreferentiegas (GR, G20, …) wordt gevormd door gas uit een nutsgasdistributienet, dat zo nodig met een additief van een of meer van de volgende in de handel beschikbare gassen (het gebruik van kalibratiegas is daartoe niet vereist) wordt gemengd om aan de in tabel A.7-1 gespecificeerde lambdaverschuivingsfactor (Sλ) te voldoen:
|
a) |
koolstofdioxide; |
|
b) |
ethaan; |
|
c) |
methaan; |
|
d) |
stikstof; |
|
e) |
propaan. |
3.2.2.2. De Sλ-waarde van het resulterende mengsel van leidinggas en additieve gassen moet binnen het in tabel A.7-1 gespecificeerde bereik voor de gespecificeerde referentiebrandstof liggen.
Tabel A.7-1
Voorgeschreven Sλ-bereik voor elke referentiebrandstof
|
Referentiebrandstof |
Minimale Sλ |
Maximale Sλ |
|
GR (33) |
0,87 |
0,95 |
|
G20 |
0,97 |
1,03 |
|
G23 |
1,05 |
1,10 |
|
G25 |
1,12 |
1,20 |
3.2.2.3. In het motortestrapport voor elke uitgevoerde test wordt het volgende opgenomen:
|
a) |
het (de) uit de lijst in punt 3.2.2.1 gekozen additieve gas(sen); |
|
b) |
de Sλ-waarde voor het resulterende brandstofmengsel; |
|
c) |
het methaangetal (MN) voor het resulterende brandstofmengsel. |
3.2.2.4. Er moet worden voldaan aan de voorschriften van de aanhangsels A.1 en A.2 ten aanzien van de bepaling van de kenmerken van het leidinggas en de additieve gassen, de bepaling van de waarde van Sλ en MN voor het resulterende gasmengsel en de verificatie dat het mengsel tijdens de test wordt gehandhaafd.
(1) De in de specificaties vermelde waarden zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is ISO 4259 „Petroleum products — Determination and application of precision data in relation to methods of test” toegepast en bij het vaststellen van een minimumwaarde is een minimumverschil van 2R boven nul in aanmerking genomen; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde bedraagt het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid).
Ondanks deze maatregel, die om technische redenen noodzakelijk is, moet de brandstoffabrikant streven naar een nulwaarde als de voorgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en naar de gemiddelde waarde als maximum- en minimumgrenswaarden worden vermeld. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de specificatie, moet ISO 4259 worden toegepast.
(2) Het cetaanbereik komt niet overeen met het voorschrift van een minimumbereik van 4R. Bij geschillen tussen brandstofleverancier en brandstofgebruiker kan ISO 4259 evenwel worden toegepast om die geschillen op te lossen mits er bij voorkeur niet één meting, maar herhaalde metingen worden verricht in voldoende aantal om de vereiste nauwkeurigheid te bereiken.
(3) Ook al wordt de oxidatiestabiliteit onder controle gehouden, toch zal de houdbaarheid waarschijnlijk beperkt zijn. De leverancier moet om advies worden gevraagd over de omstandigheden en de duur van de opslag.
(4) Aan de ethanolbrandstof mogen additieven, zoals cetaanverbeteraar zoals gespecificeerd door de fabrikant van de motor, worden toegevoegd mits er geen negatieve bijwerkingen bekend zijn. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, bedraagt de maximumhoeveelheid 10 % m/m.
(5) De in de specificaties vermelde waarden zijn „werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Aardolieproducten — Bepaling en toepassing van gegevens over de precisie van beproevingsmethoden, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde bedraagt het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Ondanks deze maatregel, die om technische redenen noodzakelijk is, moet de brandstoffabrikant streven naar een nulwaarde als de voorgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en naar de gemiddelde waarde als maximum- en minimumgrenswaarden worden vermeld. Wanneer moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificaties voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(6) Voor bovenstaande eigenschappen zullen equivalente EN/ISO-methoden worden toegepast zodra deze zijn bekendgemaakt.
(7) Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet EN 15489 worden toegepast.
(8) De in de specificaties vermelde waarden zijn „werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Aardolieproducten — Bepaling en toepassing van gegevens over de precisie van beproevingsmethoden, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde bedraagt het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Ondanks deze maatregel, die om technische redenen noodzakelijk is, moet de brandstoffabrikant streven naar een nulwaarde als de voorgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en naar de gemiddelde waarde als maximum- en minimumgrenswaarden worden vermeld. Wanneer moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificaties voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(9) Voor bovenstaande eigenschappen zullen equivalente EN/ISO-methoden worden toegepast zodra deze zijn bekendgemaakt.
(10) Voor de berekening van het eindresultaat moet overeenkomstig EN 228:2008 een correctiefactor van 0,2 voor MON en RON worden afgetrokken.
(11) De brandstof mag oxidatieremmers en metaaldeactivatoren bevatten die gewoonlijk worden gebruikt om raffinaderijbenzine te stabiliseren, maar detergente/dispersieve additieven en oplosolie mogen niet worden gebruikt.
(12) Ethanol die aan de specificatie van EN 15376 voldoet, is de enige zuurstofhoudende verbinding die opzettelijk aan de referentiebrandstof moet worden toegevoegd.
(13) Het reële zwavelgehalte van de voor de test van type I gebruikte brandstof moet worden gerapporteerd.
(14) Fosfor-, ijzer-, mangaan- of loodhoudende verbindingen mogen niet opzettelijk aan deze referentiebrandstof worden toegevoegd.
(15) Bij motoren van categorie SMB mogen het ethanolgehalte en het overeenkomstige zuurstofgehalte naar keuze van de fabrikant nul bedragen. In dat geval worden alle tests voor de motorenfamilie, of het motortype als er geen motorenfamilie is, uitgevoerd met benzine met een ethanolgehalte van nul.
(16) De in de specificaties vermelde waarden zijn „werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Aardolieproducten — Bepaling en toepassing van gegevens over de precisie van beproevingsmethoden, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde bedraagt het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Ondanks deze maatregel, die om technische redenen noodzakelijk is, moet de brandstoffabrikant streven naar een nulwaarde als de voorgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en naar de gemiddelde waarde als maximum- en minimumgrenswaarden worden vermeld. Wanneer moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificaties voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(17) Het reële zwavelgehalte van de voor de emissietests gebruikte brandstof moet worden gerapporteerd.
(18) Ethanol die aan de specificatie van EN 15376 voldoet, is de enige zuurstofhoudende verbinding die opzettelijk aan deze referentiebrandstof moet worden toegevoegd.
(19) Het gehalte aan loodvrije benzine kan worden bepaald als 100 min de som van het percentage water, alcoholen, MTBE en ETBE.
(20) Fosfor-, ijzer-, mangaan- of loodhoudende verbindingen mogen niet opzettelijk aan deze referentiebrandstof worden toegevoegd.
(21) Hierbij geldt: rest = 100 — C3 — <C3 — >C4
(22) Indien het monster corrosieremmers of andere chemische stoffen bevat die de corrosiviteit van het monster op de koperstrip verminderen, kan de aanwezigheid van corrosieve stoffen met deze methode niet altijd nauwkeurig worden bepaald. Het is dan ook verboden dergelijke stoffen toe te voegen met als enig doel de test te beïnvloeden.
(23) Op verzoek van de fabrikant kan een hoger MON worden gebruikt om de typegoedkeuringstests uit te voeren.
(24) Inerte gassen +C2+.
(25) Waarde te bepalen onder standaardomstandigheden (293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa).
(26) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(27) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(28) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(29) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(30) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(31) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(32) Waarde te bepalen bij 273,2 K (0 °C) en 101,3 kPa.
(33) De motor moet niet worden getest met een gasmengsel met een methaangetal (MN) van minder dan 70. Indien het voorgeschreven Sλ-bereik voor GR resulteert in een MN van minder dan 70, mag de Sλ-waarde voor GR zo nodig worden aangepast totdat een MN-waarde van ten minste 70 wordt bereikt.
AANHANGSEL A.1
AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN VOOR DE UITVOERING VAN MOTORTESTS MET GASVORMIGE REFERENTIEBRANDSTOFFEN DIE LEIDINGGAS EN ADDITIEVE ANDERE GASSEN BEVATTEN
A.1.1. METHODE VOOR GASANALYSE EN GASSTROOMMETING
A.1.1.1. Voor de doeleinden van dit aanhangsel wordt de samenstelling van het gas indien nodig bepaald door middel van gaschromatografie volgens EN ISO 6974 of met een alternatieve techniek die ten minste eenzelfde niveau van nauwkeurigheid en herhaalbaarheid waarborgt.
A.1.1.2. Voor de doeleinden van dit aanhangsel wordt de gasstroom indien nodig gemeten met een op massa gebaseerde stroommeter.
A.1.2. ANALYSE EN DEBIET VAN INKOMEND NUTSGAS
A.1.2.1. De samenstelling van het nutsgas wordt vóór het additiefmengsysteem geanalyseerd.
A.1.2.2. Het debiet van het nutsgas dat het additiefmengsysteem instroomt, wordt gemeten.
A.1.3. ANALYSE EN DEBIET VAN ADDITIEVEN
A.1.3.1. Wanneer voor een additief een geldig analysecertificaat beschikbaar is (bv. afgegeven door de gasleverancier), mag de samenstelling van het mengsel daaraan worden ontleend. In dat geval mag de samenstelling van het additief ter plaatse worden geanalyseerd, maar is dit niet vereist.
A.1.3.2. Indien voor een additief geen geldig analysecertificaat beschikbaar is, moet de samenstelling ervan worden geanalyseerd.
A.1.3.3. Het debiet van elk additief dat het additiefmengsysteem instroomt, wordt gemeten.
A.1.4. ANALYSE VAN HET GASMENGSEL
A.1.4.1. Ter aanvulling of in plaats van de in de punten A.1.2.1 en A.1.3.1 voorgeschreven analyses, mag ook de samenstelling worden geanalyseerd van het gas dat uit het additiefmengsysteem naar de motor wordt gevoerd, maar dit is niet verplicht.
A.1.5. BEREKENING VAN Sλ EN MN VAN HET GASMENGSEL
A.1.5.1. De resultaten van de gasanalyses overeenkomstig punt A.1.2.1, A.1.3.1 of A.1.3.2, en in voorkomend geval punt A.1.4.1, worden in combinatie met de overeenkomstig de punten A.1.2.2 en A.1.3.3 gemeten gasmassadebieten gebruikt voor de MN-berekening volgens EN 16726:2015. Dezelfde gegevensreeks wordt gebruikt voor de berekening van Sλ volgens de in aanhangsel 2 beschreven procedure.
A.1.6. REGELING EN VERIFICATIE VAN HET GASMENGSEL TIJDENS DE TEST
A.1.6.1 Tijdens de test wordt het gasmengsel geregeld en geverifieerd met een beheersingssysteem met open of gesloten circuit.
A.1.6.2 Mengregelsysteem met open circuit
A.1.6.2.1 In dit geval worden de in de punten A.1.1, A.1.2, A.1.3 en A.1.4 beschreven gasanalyses, stroommetingen en berekeningen voorafgaand aan de emissietest uitgevoerd.
A.1.6.2.2 De verhouding tussen het nutsgas en het additief of de additieven wordt zodanig geregeld dat Sλ binnen het in tabel A.7-1 vermelde toegestane bereik voor de betrokken referentiebrandstof ligt.
A.1.6.2.3 Nadat de relatieve verhoudingen zijn ingesteld, worden zij gedurende de motortest gehandhaafd. De afzonderlijke debieten mogen worden bijgesteld om de relatieve verhoudingen te handhaven.
A.1.6.2.4 Na voltooiing van de motortest worden de in de punten A.1.2, A.1.3, A.1.4 en A.1.5 beschreven analyses van de gassamenstelling, stroommetingen en berekeningen herhaald. Een test is alleen geldig als de waarde van Sλ binnen het in tabel A.7-1 vermelde bereik voor de betrokken referentiebrandstof blijft liggen.
A.1.6.3 Mengregelsysteem met gesloten circuit
A.1.6.3.1 In dit geval worden de in de punten A.1.2, A.1.3, A.1.4 en A.1.5 beschreven analyses van de gassamenstelling, stroommetingen en berekeningen met tussenpozen tijdens de emissietest uitgevoerd. Bij de keuze van de intervallen wordt rekening gehouden met de frequentiecapaciteit van de gaschromatograaf en het bijbehorende rekensysteem.
A.1.6.3.2 De resultaten van de periodieke metingen en berekeningen worden gebruikt om de relatieve verhoudingen van het nutsgas en de additieven bij te stellen om ervoor te zorgen dat de Sλ-waarde binnen het in tabel A.7-1 vermelde bereik voor de betrokken referentiebrandstof blijft liggen. De frequentie van de bijstelling mag niet hoger zijn dan de meetfrequentie.
A.1.6.3.3 Een test is alleen geldig als de Sλ-waarde op ten minste 90 % van de meetpunten binnen het in tabel A.7-1 vermelde bereik voor de betrokken referentiebrandstof ligt.
AANHANGSEL A.2
BEREKENING VAN DE λ-VERSCHUIVINGSFACTOR (Sλ)
A.2.1. BEREKENING
De λ-verschuivingsfactor (Sλ) (1) wordt berekend met vergelijking (A.7-1):
|
|
(A.7-1) |
waarin:
|
Sλ |
= |
λ-verschuivingsfactor |
|
% inert gas |
= |
vol. % van de inerte gassen in de brandstof (d.w.z. N2, CO2, He enz.); |
|
|
= |
vol. % van de oorspronkelijke zuurstof in de brandstof; |
|
n en m |
= |
gemiddelde CnHm van de koolwaterstoffen in de brandstof, d.w.z.: |
|
|
(A.7-2) |
|
|
(A.7-3) |
waarin:
|
CH4 % |
= |
vol. % methaan in de brandstof; |
|
C2 % |
= |
vol. % van alle C2-koolwaterstoffen (bv. C2H6, C2H4 enz.) in de brandstof; |
|
C3 % |
= |
vol. % van alle C3-koolwaterstoffen (bv. C3H8, C3H6 enz.) in de brandstof; |
|
C4 % |
= |
vol. % van alle C4-koolwaterstoffen (bv. C4H10, C4H8 enz.) in de brandstof; |
|
C5 % |
= |
vol. % van alle C5-koolwaterstoffen (bv. C5H12, C5H10 enz.) in de brandstof; |
|
diluent |
= |
vol. % van de verdunningsgassen in de brandstof (d.w.z. O2*, N2, CO2, He, enz). |
A.2.2. VOORBEELDEN VAN DE BEREKENING VAN DE λ-VERSCHUIVINGSFACTOR Sλ:
Voorbeeld 1: G25: CH4 = 86 %, N2 = 14 % (vol. %)
Voorbeeld 2: GR: CH4 = 87 %, C2H6 = 13 % (vol. %)
Voorbeeld 3: CH4 = 8 %, C2H6 = 4,5 %, C3H8 = 2,3 %, C6H14 = 0,2 %, O2 = 0,6 %, N2 = 4 %
In plaats van met bovenstaande vergelijking, mag Sλ op de hieronder aangegeven wijze worden berekend op basis van de verhouding tussen het stoichiometrische luchtverbruik van zuiver methaan en dat van het naar de motor gevoerde brandstofmengsel.
De lambdaverschuivingsfactor Sλ geeft het zuurstofverbruik van een brandstofmengsel weer ten opzichte van dat van zuiver methaan. Het zuurstofverbruik is de hoeveelheid zuurstof die nodig is om in een stoichiometrische samenstelling van reactiepartners methaan te oxideren naar producten van volledige verbranding (d.w.z. koolstofdioxide en water).
De reactie bij verbranding van zuiver methaan is beschreven in vergelijking (A.7-4):
|
1 × CH 4 + 2 × O 2 → 1 × CO 2 + 2 × H 2 O |
(A.7-4) |
In dit geval bedraagt de verhouding tussen de moleculen in de stoichiometrische samenstelling van reactiepartners precies 2:
waarin:
|
nO 2 |
= |
aantal zuurstofmoleculen |
|
nCH 4 |
= |
aantal methaanmoleculen |
Voor het zuurstofverbruik van zuiver methaan geldt dus:
nO 2 = 2 · nCH 4 met een referentiewaarde van [nCH4 ] = 1kmol
De waarde van Sλ mag worden bepaald als het quotiënt van de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en methaan en de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en het naar de motor gevoerde brandstofmengsel, zoals weergegeven in vergelijking (A.7-5):
|
|
(A.7-5) |
waarin:
|
nblend |
= |
aantal moleculen van het brandstofmengsel |
|
(nO 2) blend |
= |
verhouding tussen de moleculen in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en het naar de motor gevoerde brandstofmengsel |
Aangezien lucht 21 % zuurstof bevat, wordt het stoichiometrische luchtverbruik Lst van een brandstof berekend met vergelijking (A.7-6):
|
|
(A.7-6) |
waarin:
|
Lst,fuel |
= |
stoichiometrisch luchtverbruik van de brandstof |
|
nO 2, fuel |
= |
stoichiometrisch zuurstofverbruik van de brandstof |
Dientengevolge mag de waarde van Sλ ook worden bepaald als het quotiënt van de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van lucht en methaan en de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van lucht en het naar de motor gevoerde brandstofmengsel, d.w.z. het quotiënt van het stoichiometrische luchtverbruik van methaan en dat van het naar de motor gevoerde brandstofmengsel, zoals weergegeven in vergelijking (A.7-7):
|
|
(A.7-7) |
Bijgevolg mag elke berekening waarin het stoichiometrische luchtverbruik wordt gespecificeerd, worden gebruikt om de lambdaverschuivingsfactor uit te drukken.
(1) Stoichiometrische lucht-brandstofverhouding van brandstoffen voor automobielen — SAE J1829, juni 1987. John B. Heywood, Internal Combustion Engine Fundamentals, McGraw-Hill, 1988, hoofdstuk 3.4 „Combustion stoichiometry” (blz. 68-72).
III Andere handelingen
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/137 |
GEDELEGEERD BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
Nr. 90/18/COL
van 11 oktober 2018
tot wijziging van de lijst van punt 39 van deel 1.2 van hoofdstuk I van bijlage I bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waarin een lijst is vastgesteld van de grensinspectieposten in IJsland en Noorwegen die zijn erkend voor de veterinaire controles van levende dieren en dierlijke producten uit derde landen, en tot intrekking van Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 111/15/COL [2019/406]
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,
Gezien punt 5, onder b), van de inleiding van hoofdstuk I van bijlage I bij de EER-overeenkomst,
Gezien de in punt 4 van deel 1.1 van hoofdstuk I van bijlage I bij de EER-overeenkomst bedoelde handeling (Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1)), zoals gewijzigd en aangepast aan de EER-overeenkomst bij de sectorale aanpassingen vermeld in bijlage I bij die overeenkomst, en met name artikel 6, lid 2, daarvan,
Gezien de in punt 111 van deel 1.2 van hoofdstuk I van bijlage I bij de EER-overeenkomst bedoelde handeling (Beschikking 2001/812/EG van de Commissie van 21 november 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van grensinspectieposten belast met veterinaire controles van producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (2)), zoals gewijzigd, en met name artikel 3, lid 5, daarvan,
Zoals aangepast aan de EER-overeenkomst bij punt 4, onder d), van Protocol 1 bij de EER-overeenkomst en artikel 1, lid 2, en artikel 3 van Protocol nr. 1 bij de Toezichtovereenkomst,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij brief van 27 april 2018 (document nr. 911402, IS-ref. Mast 18041079) heeft de IJslandse Voedsel- en Veterinaire Autoriteit (MAST) de Autoriteit in kennis gesteld van de dreigende sluiting van de grensinspectiepost Ísafjörður (IS ISA 1). Bijgevolg heeft MAST verzocht om schrapping van die grensinspectiepost uit de lijsten van grensinspectieposten in IJsland en Noorwegen die zijn erkend voor veterinaire controles van levende dieren en dierlijke producten uit derde landen.
Overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG zal de Autoriteit een lijst van erkende grensinspectieposten opstellen en bekendmaken, die vervolgens kan worden gewijzigd of aangevuld rekening houdend met de wijzigingen in de nationale lijsten. De huidige lijst van erkende grensinspectieposten is door de Autoriteit aangenomen bij Besluit nr. 111/15/COL op 31 maart 2015.
Het is derhalve de plicht van de Autoriteit de lijst van grensinspectieposten in IJsland en Noorwegen te wijzigen en een nieuwe lijst bekend te maken om de wijziging betreffende de grensinspectiepost Ísafjörður weer te geven.
De Autoriteit heeft bij Besluit nr. 066/18/COL (document nr. 915087) de zaak verwezen naar het Comité Veterinaire en fytosanitaire aangelegenheden van de EVA, dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA bijstaat. Het Comité heeft de voorgestelde wijziging van de lijst goedgekeurd. Bijgevolg zijn de ontwerpmaatregelen in overeenstemming met het advies van het Comité.
Ingevolge punt 6 van Besluit nr. 494/13/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 11 december 2013 is het voor veterinaire en fytosanitaire aangelegenheden bevoegde lid van het College gemachtigd om ontwerpmaatregelen vast te stellen tot wijziging van de lijst van grensinspectieposten in een EVA-staat die zijn erkend voor de veterinaire controles van levende dieren en dierlijke producten uit derde landen, indien de ontwerpmaatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité Veterinaire en fytosanitaire aangelegenheden van de EVA,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
|
1. |
De grensinspectiepost Ísafjörður (IS ISA 1) is geschrapt uit de lijst van punt 39 van deel 1.2 van hoofdstuk I van bijlage I bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waarin de grensinspectieposten in IJsland en Noorwegen zijn opgenomen die zijn erkend voor de veterinaire controles van levende dieren en dierlijke producten uit derde landen. |
|
2. |
De veterinaire controles van levende dieren en dierlijke producten uit derde landen die in IJsland en Noorwegen worden binnengebracht, worden door de bevoegde nationale autoriteiten verricht in de erkende grensinspectieposten die in de lijst in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen. |
|
3. |
Besluit nr. 111/15/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 31 maart 2015 wordt hierbij ingetrokken. |
|
4. |
Dit besluit treedt in werking op de dag van de ondertekening ervan. |
|
5. |
Dit besluit is gericht tot IJsland en Noorwegen. |
|
6. |
Dit besluit is authentiek in de Engelse taal. |
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA krachtens delegatiebesluit nr. 494/13/COL,
Högni S. KRISTJÁNSSON
Verantwoordelijk lid van het College
Voor Carsten ZATSCHLER
Medeondertekening als directeur Juridische en Administratieve Aangelegenheden
BIJLAGE
LIJST VAN ERKENDE GRENSINSPECTIEPOSTEN
Land: IJsland
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
Akureyri |
IS AKU1 |
P |
|
HC-T(1)(2)(3), NHC(16) |
|
|
Hafnarfjörður |
IS HAF 1 |
P |
|
HC(1)(2)(3), NHC-NT(2)(6)(16) |
|
|
Keflavík Airport |
IS KEF 4 |
A |
|
HC(2), NHC(2) |
O(15) |
|
Reykjavík Eimskip |
IS REY 1a |
P |
|
HC(2), NHC(2) |
|
|
Reykjavík Samskip |
IS REY 1b |
P |
|
HC-T(FR)(1)(2)(3), HC-NT(1)(2)(3), NHC-NT(2)(6)(16) |
|
|
Þorlákshöfn |
IS THH1 |
P |
|
HC-T(FR)(1)(2)(3), HC-NT(6), NHC-NT(6) |
|
Land: Noorwegen
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Borg |
NO BRG 1 |
P |
|
HC (2), NHC(2) |
E(7) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Båtsfjord |
NO BJF 1 |
P |
|
HC-T(FR)(1)(2)(3), HC-NT(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Egersund |
NO EGE 1 |
P |
|
HC-NT(6), NHC-NT(6)(16) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hammerfest |
NO HFT 1 |
P |
Rypefjord |
HC-T(FR)(1)(2)(3), HC-NT(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Honningsvåg |
NO HVG 1 |
P |
Honningsvåg |
HC-T(FR)(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Kirkenes |
NO KKN 1 |
P |
|
HC-T(FR)(1)(2)(3), HC-NT(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Kristiansund |
NO KSU 1 |
P |
Kristiansund |
HC-T(FR)(1)(2)(3), NHC-T(FR)(2)(3), HC-NT(6), NHC-NT(6) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Larvik |
NO LAR 1 |
P |
|
HC(2) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Måløy |
NO MAY 1 |
P |
Gotteberg |
HC-T(FR)(1)(2)(3), NHC-T(FR)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Oslo |
NO OSL 1 |
P |
|
HC(2), NHC(2) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Oslo |
NO OSL 4 |
A |
|
HC(2), NHC(2) |
U,E,O |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Sortland |
NO SLX 1 |
P |
Sortland |
HC-T(FR)(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Storskog |
NO STS 3 |
R |
|
HC, NHC |
U,E,O |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Tromsø |
NO TOS 1 |
P |
Bukta |
HC-T(FR)(1)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Solstrand |
HC-T(FR)(1)(2)(3) |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Ålesund |
NO AES 1 |
P |
Breivika |
HC-T(FR)(1)(2)(3), NHC-T(FR)(2)(3) |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Skutvik |
HC-T(1)(2)(3), HC-NT(6), NHC-T(FR)(2)(3), NHC-NT(6) |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Rectificaties
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/141 |
Rectificatie van Richtlijn (EU) 2015/1480 van de Commissie van 28 augustus 2015 tot wijziging van diverse bijlagen bij de Richtlijnen 2004/107/EG en 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels betreffende de referentiemethoden, de validatie van gegevens en de locatie van de bemonsteringspunten voor de beoordeling van de luchtkwaliteit
Bladzijde 10, bijlage II, punt 3), onder a), in de wijzigingen in bijlage VI, deel A, bij Richtlijn 2008/50/EG:
in plaats van:
„3. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van lood — ongewijzigd”,
lezen:
„3. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van lood
De referentiemethode voor het bemonsteren van lood is die welke beschreven staat in deel A, punt 4, van deze bijlage. De referentiemethode voor het meten van lood is die welke beschreven staat in EN 14902:2005 „Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter”.”.
Bladzijde 11, bijlage II, punt 3), onder a), in de wijzigingen in bijlage VI, deel A, bij Richtlijn 2008/50/EG:
in plaats van:
„6. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van benzeen — ongewijzigd”,
lezen:
„6. Referentiemethode voor het bemonsteren en meten van benzeen
De referentiemethode voor het meten van benzeen is die welke beschreven staat in EN 14662:2005, delen 1, 2 en 3 „Ambient air quality — Standard method for measurement of benzene concentrations”.”.
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/141 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2018/2025 van de Raad van 17 december 2018 tot vaststelling, voor 2019 en 2020, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen
( Publicatieblad van de Europese Unie L 325 van 20 december 2018 )
Bladzijde 17, tabel „Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)”:
in plaats van:
„Gebied: Wateren van de Unie en internationale wateren van 9 (1) (SBR/9-)”,
lezen:
„Gebied: Wateren van de Unie en internationale wateren van 9 (1) (SBR/09-)”.
|
14.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 72/142 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2018/644 van het Europees Parlement en de Raad van 18 april 2018 betreffende grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten
( Publicatieblad van de Europese Unie L 112 van 2 mei 2018 )
Bladzijde 26, artikel 6, lid 3, onder b):
in plaats van:
|
„b) |
overeenkomstig het toepasselijke recht vastgestelde gevallen van misbruik van een dominante machtspositie.”, |
lezen:
|
„b) |
overeenkomstig het toepasselijke recht vastgestelde gevallen van misbruik van een dominante marktpositie.”. |