|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/162 VAN DE COMMISSIE
1 februari 2019
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96 (1), en met name artikel 11, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 bevat een lijst van overheidsinstellingen, -ondernemingen en -agentschappen, natuurlijke personen en rechtspersonen, organen en entiteiten van de voormalige regering van Irak, waarvan de tegoeden en economische middelen die zich op 22 mei 2003 buiten Irak bevonden, overeenkomstig die verordening dienen te worden bevroren. |
|
(2) |
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 bevat een lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, organen of entiteiten die banden hebben met het regime van de voormalige president Saddam Hussein, waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren en waarvoor een verbod geldt om tegoeden of economische middelen beschikbaar te stellen. |
|
(3) |
Op 29 januari 2019 heeft het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten acht vermeldingen te schrappen van de lijst van personen of entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. |
|
(4) |
De bijlagen III en IV van Verordening (EG) nr. 1210/2003 dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
Artikel 2
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1 februari 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE I
In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 worden de volgende vermeldingen geschrapt:
|
„45. |
GENERAL ESTABLISHMENT FOR HOSPITALITY AFFAIRS. Adres: P.O. Box 240, Hay Al-Wihda, Al-Wathik Square, Bagdad, Irak.” |
|
„50. |
GENERAL ESTABLISHMENT FOR TRAVEL AND TOURIST SERVICES. Adres: P.O. Box 10028, Karrada, No. 19, Hay Al-Wadha, Mahala (904), Bagdad, Irak.” |
|
„93. |
NATIONAL COMPUTER CENTRE. Adres: P.O. Box 3267, Saadoun Nafoora Square, Bagdad, Irak.” |
|
„121. |
STATE CONTRACTING BUILDINGS COMPANY (alias STATE COMPANY FOR BUILDING CONTRACTS). Adres: P.O. Box 19036, Al Nahda Area, Bagdad, Irak.” |
|
„149. |
STATE ENTERPRISE FOR RUBBER INDUSTRIES. Adres: P.O. Box 71, Diwaniya, Irak.” |
|
„175. |
STATE ORGANISATION FOR BUILDINGS (alias a) STATE ORGANISATION OF BUILDING, b) DESIGN AND STUDIES SECTION, c) GENERAL ESTABLISHMENT OF BUILDINGS FOR CENTRAL REGION, d) GENERAL ESTABLISHMENT OF BUILDINGS FOR NORTHERN REGION, e) GENERAL ESTABLISHMENT OF BUILDINGS FOR SOUTHERN REGION). Adressen: a) Museum Square, Karkh, Bagdad, Irak; b) Mosul, left side, near Al Hurya Bridge, P.O. Box 368, Bagdad, Irak; c) Karkh, Karadat Mariam, Bagdad, Irak; d) Maysan, Irak.” |
|
„189. |
STATE ORGANISATION FOR TOURISM. Adressen: a) P.O. Box 2387, Alwiyah, Saadoon St., Karrada Al Basra, Bagdad, Irak; b) Al-Masbah, near Al Fatih Square, Bagdad, Irak.”. |
BIJLAGE II
In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad wordt de volgende vermelding geschrapt:
|
„94. |
AL-HUDA STATE COMPANY FOR RELIGIOUS TOURISM (alias a) AL-HUDA FOR RELIGIOUS TOURISM COMPANY, b) AL-HODA STATE COMPANY FOR RELIGIOUS TOURISM, c) AL-HODA FOR RELIGIOUS TOURISM COMPANY). Adres: Irak.”. |
BESLUITEN
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/5 |
BESLUIT (EU, Euratom) 2019/163 VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN
van 1 februari 2019
tot benoeming van rechters bij het Gerecht
DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 254 en 255,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De ambtstermijn van drieëntwintig rechters van het Gerecht verstrijkt op 31 augustus 2019. Er zijn benoemingen nodig om deze vacatures voor de periode van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2025 te vervullen. |
|
(2) |
Stéphane GERVASONI, Mariyana KANCHEVA, Alexander KORNEZOV, Ulf ÖBERG, Inga REINE en Fredrik SCHALIN zijn voorgedragen voor een hernieuwing van hun ambtstermijn. |
|
(3) |
Krachtens artikel 48 van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad (1), bestaat het Gerecht bovendien per 1 september 2019 uit twee rechters per lidstaat. Artikel 2, onder c), van die verordening bepaalt de ambtstermijn van de negen extra rechters die vanaf 1 september 2019 benoemd worden op zodanige wijze dat het eind daarvan samenvalt met de gedeeltelijke vervangingen in het Gerecht die op 1 september 2022 en op 1 september 2025 zullen plaatsvinden. |
|
(4) |
Mirela STANCU en Laurent TRUCHOT zijn voorgedragen voor het ambt van extra rechter bij het Gerecht. |
|
(5) |
Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft advies uitgebracht over de geschiktheid van Stéphane GERVASONI, Mariyana KANCHEVA, Alexander KORNEZOV, Ulf ÖBERG, Inga REINE, Fredrik SCHALIN, Mirela STANCU en Laurent TRUCHOT voor de uitoefening van de functie van rechter bij het Gerecht, |
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Voor de periode van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2025 worden benoemd tot rechter bij het Gerecht:
|
— |
de heer Stéphane GERVASONI, |
|
— |
mevrouw Mariyana KANCHEVA, |
|
— |
de heer Alexander KORNEZOV, |
|
— |
de heer Ulf ÖBERG, |
|
— |
mevrouw Inga REINE, |
|
— |
de heer Fredrik SCHALIN, |
|
— |
de heer Laurent TRUCHOT. |
2. Mevrouw Mirela STANCU wordt voor de periode van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2022 benoemd tot rechter bij het Gerecht.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 1 februari 2019.
De voorzitter
L. ODOBESCU
(1) Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PB L 341 van 24.12.2015, blz. 14).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/7 |
BESLUIT (EU, Euratom) 2019/164 VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN
van 1 februari 2019
tot benoeming van twee rechters en een advocaat-generaal bij het Hof van Justitie
DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 253 en 255,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De ambtstermijn van veertien rechters en vijf advocaten-generaal bij het Hof van Justitie verstrijkt op 6 oktober 2018. Om de vacatures te vervullen waarin nog niet is voorzien, moeten benoemingen plaatsvinden. |
|
(2) |
De heer Christopher VAJDA is voorgedragen voor het ambt van rechter bij het Hof van Justitie. De heer Priit PIKAMÄE is voorgedragen voor het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Justitie. |
|
(3) |
Voor de ambtstermijn van de rechter die wordt voorgedragen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de heer Christopher VAJDA, geldt dat dit zal verstrijken op 6 oktober 2024 of op de datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie, indien dit vroeger is. De ambtstermijn van de advocaat-generaal verstrijkt op 6 oktober 2024. |
|
(4) |
Krachtens de artikelen 5 en 7 van het Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar aanleiding van het aftreden van de heer Allan ROSAS met ingang van 7 oktober 2019 dient ook een nieuwe rechter bij het Hof van Justitie te worden benoemd voor de resterende duur van de ambtsperiode van de heer Allan ROSAS, zijnde voor de periode tot en met 6 oktober 2021. |
|
(5) |
Voor deze vacature is de heer Niilo JÄÄSKINEN voorgedragen. |
|
(6) |
Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft advies uitgebracht over de geschiktheid van de bovengenoemde kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter en dat van advocaat-generaal bij het Hof van Justitie, |
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De heer Christopher VAJDA wordt benoemd tot rechter bij het Hof van Justitie voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 6 oktober 2024, of tot de datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie, indien dit vroeger is.
2. De heer Priit PIKAMÄE wordt benoemd tot advocaat-generaal bij het Hof van Justitie voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 6 oktober 2024.
3. De heer Niilo JÄÄSKINEN wordt benoemd tot rechter bij het Hof van Justitie voor de periode van 7 oktober 2019 tot en met 6 oktober 2021.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 1 februari 2019.
De voorzitter
L. ODOBESCU
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/9 |
BESLUIT (EU) 2019/165 VAN DE COMMISSIE
van 1 februari 2019
tot vaststelling van interne voorschriften betreffende de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de beperking van sommige van hun gegevensbeschermingsrechten door de Commissie in het kader van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 249, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie voert administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures op grond van artikel 86 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (1) en in overeenstemming met bijlage IX daarbij en Besluit C(2004)1588 van de Commissie (2). Deze taken zijn vooral de verantwoordelijkheid van het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken van de Commissie (IDOC), een directoraat dat verbonden is aan het directoraat-generaal Personele middelen en veiligheid. Een tuchtprocedure kan een onderzoek met zich brengen dat door de tuchtraad van de Commissie wordt gevoerd overeenkomstig artikel 17 van bijlage IX bij het Statuut. |
|
(2) |
In het kader van deze activiteiten verzamelen en verwerken de betrokken diensten van de Commissie relevante informatie. Die informatie omvat persoonsgegevens, met name identificatie-, contact- en gedragsgegevens. De betrokken diensten van de Commissie geven persoonsgegevens door aan andere diensten van de Commissie op basis van het „need-to-know”-criterium. |
|
(3) |
De persoonsgegevens worden opgeslagen in een beveiligde fysieke en elektronische omgeving om onrechtmatige toegang of doorgifte van gegevens aan personen die niet beantwoorden aan het „need-to-know”-criterium, te voorkomen. Na afloop van de verwerking worden de gegevens bewaard overeenkomstig de toepasselijke regels van de Commissie (3). |
|
(4) |
Bij de uitvoering van haar taken is de Commissie verplicht de in artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 16, lid 1, van het Verdrag verankerde rechten van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens te eerbiedigen, alsook de rechten als bedoeld in Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (4), die Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (5) heeft vervangen. Tezelfdertijd moet de Commissie voldoen aan strikte regels inzake vertrouwelijkheid en geheimhoudingsplicht, en moet zij de eerbiediging van de procedurele rechten van betrokkenen en getuigen waarborgen, met name het recht van betrokkenen op vermoeden van onschuld. |
|
(5) |
In bepaalde omstandigheden moeten de rechten van betrokkenen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 in overeenstemming worden gebracht met de vereisten van de administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures, alsook met de volledige eerbiediging van de grondrechten en fundamentele vrijheden van andere betrokkenen. Daartoe wordt de Commissie in artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van Verordening (EU) 2018/1725 de mogelijkheid verleend om de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35, alsmede het transparantiebeginsel van artikel 4, lid 1, onder a), te beperken voor zover de bepalingen daarvan overeenstemmen met de rechten en verplichtingen waarin wordt voorzien door de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35. |
|
(6) |
Dit kan met name het geval zijn bij het verstrekken van informatie over de verwerking van persoonsgegevens aan de betrokkene bij het begin van een administratief onderzoek. Het verstrekken van dergelijke informatie kan van invloed zijn op het vermogen van de Commissie om het administratief onderzoek te voeren, bijvoorbeeld omdat de betrokkene bewijs zou kunnen vernietigen voordat het door de Commissie is onderzocht of potentiële getuigen zou kunnen benaderen voordat zij zelf gehoord zijn. Ook bij het verlenen van toegang tot persoonsgegevens tijdens de fasen van de procedure waarin de betrokkene geen toegang heeft tot het dossier, zoals tijdens de voorlopige beoordeling of het administratief onderzoek, zou informatie kunnen worden onthuld die mogelijk afbreuk doet aan het voeren van het administratief onderzoek. In beide gevallen kan het noodzakelijk zijn de rechten van de betrokkene te beperken ter vrijwaring van een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt met de uitoefening van het openbaar gezag in een geval waarin een belangrijke doelstelling van algemeen belang van de Unie op het spel staat, namelijk waarborgen dat het personeel van de Commissie zijn wettelijke verplichtingen nakomt en zich ethisch correct gedraagt. |
|
(7) |
Het kan ook noodzakelijk zijn het recht van inzage in persoonsgegevens door de betrokkene te beperken wanneer een dergelijke toegang zou leiden tot onthulling van informatie over een getuige of een klokkenluider die heeft verzocht zijn identiteit niet openbaar te maken. In een dergelijk geval kan de Commissie besluiten de toegang tot de verklaring betreffende de betrokken persoon te beperken ter bescherming van de rechten en vrijheden van de getuige of klokkenluider. |
|
(8) |
Ter wille van de vertrouwelijkheid en de doeltreffendheid van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures, en met inachtneming van de in Verordening (EU) 2018/1725 vastgestelde normen voor de bescherming van persoonsgegevens moeten interne voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de Commissie de rechten van betrokkenen in overeenstemming met artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van Verordening (EU) 2018/1725 kan beperken. |
|
(9) |
De interne voorschriften moeten gelden voor alle verwerkingsactiviteiten die de Commissie verricht bij de uitoefening van haar taken, met inbegrip van verwerkingsactiviteiten verricht vóór de opening van een administratief onderzoek en tijdens de bijstand en de samenwerking die de Commissie buiten haar activiteiten aan nationale autoriteiten en internationale organisaties biedt. |
|
(10) |
Om aan de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 te voldoen, moet de Commissie alle personen op transparante en coherente wijze over haar activiteiten die de verwerking van hun persoonsgegevens omvatten, en over hun rechten informeren via op de website van de Commissie gepubliceerde privacyverklaringen. Voorts moet de Commissie personen van wie gegevens worden verwerkt in het kader van hun betrokkenheid bij een administratief onderzoek, een tuchtprocedure, een daaraan voorafgaande procedure of een schorsingsprocedure, persoonlijk en in een passend formaat in kennis stellen. |
|
(11) |
Bovendien kan het, om doeltreffende samenwerking te handhaven, voor de Commissie noodzakelijk zijn om de toepassing van rechten van betrokkenen te beperken teneinde verwerkingsactiviteiten van andere instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie, instanties van de lidstaten en derde landen, en internationale organisaties te beschermen. De Commissie moet hiertoe die instellingen, organen, bureaus, agentschappen, instanties en internationale organisaties raadplegen in verband met de relevante gronden voor die beperkingen en de noodzaak en evenredigheid daarvan, tenzij dit de activiteiten van de Commissie in het gedrang zou brengen. |
|
(12) |
Het kan ook zijn dat de Commissie de verstrekking van informatie aan betrokkenen en de toepassing van andere rechten van betrokkenen in verband met persoonsgegevens die zijn ontvangen van derde landen of internationale organisaties, moet beperken om aan haar verplichting tot samenwerking met deze landen of organisaties te voldoen en zo te beantwoorden aan een belangrijke doelstelling van algemeen openbaar belang van de Unie. In sommige omstandigheden kunnen het belang of de grondrechten van de betrokkenen evenwel prevaleren boven het belang van internationale samenwerking. |
|
(13) |
De Commissie moet alle beperkingen op transparante wijze behandelen en registreren in het desbetreffende registratiesysteem. |
|
(14) |
Overeenkomstig artikel 25, lid 8, van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen verwerkingsverantwoordelijken het verstrekken van informatie over de redenen van de toepassing van een beperking aan de betrokkene uitstellen, achterwege laten of weigeren indien dit op enigerlei wijze het doel van de beperking in het gedrang zou brengen. Dit geldt met name voor beperkingen van de in de artikelen 16 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde rechten. |
|
(15) |
De Commissie moet de opgelegde beperkingen regelmatig evalueren om te garanderen dat het recht van de betrokkene om te worden geïnformeerd overeenkomstig de artikelen 16 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 slechts wordt beperkt zolang dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn om het de Commissie mogelijk te maken haar administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures te voeren. |
|
(16) |
Worden andere rechten van betrokkenen beperkt, dan moet de verwerkingsverantwoordelijke per geval beoordelen of de mededeling van de beperking het doel ervan in het gedrang zou brengen. |
|
(17) |
De functionaris voor gegevensbescherming van de Europese Commissie moet een onafhankelijke evaluatie van de toepassing van beperkingen verrichten teneinde de inachtneming van dit besluit te garanderen. |
|
(18) |
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming heeft op 5 december 2018 een advies uitgebracht, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld die door de Commissie bij het voeren van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures moeten worden nageleefd om betrokkenen te informeren over de verwerking van hun gegevens overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725.
2. Voorts worden bij dit besluit de voorwaarden vastgesteld waarop de Commissie de toepassing van de artikelen 4, lid 1, onder a), 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725 kan beperken in overeenstemming met artikel 25, lid 1, onder c), g) en h), van die verordening.
3. Dit besluit is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie overeenkomstig artikel 86 van het Statuut en bijlage IX daarbij, alsook Besluit C(2004)1588.
4. Dit besluit is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie voor zover zij persoonsgegevens verwerkt voor doeleinden in verband met administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures.
5. De onder dit besluit vallende categorieën persoonsgegevens zijn onder meer identificatie-, contact- en gedragsgegevens.
Artikel 2
Toepasselijke uitzonderingen en beperkingen
1. Bij de uitoefening van haar taken met betrekking tot de rechten van betrokkenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 gaat de Commissie na of een van de in die verordening vastgestelde uitzonderingen van toepassing is.
2. Onverminderd de artikelen 3 tot en met 7 van dit besluit kan de Commissie de toepassing van de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) 2018/1725, evenals het in artikel 4, lid 1, onder a), van die verordening neergelegde transparantiebeginsel beperken voor zover de bepalingen ervan overeenkomen met de in de artikelen 14 tot en met 17, 19, 20 en 35 van die verordening bedoelde rechten en verplichtingen, wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen het doel van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.
3. Onverminderd de artikelen 3 tot en met 7 kan de Commissie in de volgende omstandigheden de rechten en verplichtingen als bedoeld in lid 2 van dit artikel beperken met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verkregen van andere instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie, bevoegde autoriteiten van de lidstaten of derde landen of internationale organisaties:
|
(a) |
wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen door andere instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie zou kunnen worden beperkt op grond van andere in artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde handelingen of overeenkomstig hoofdstuk IX van die verordening of overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (6) of Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (7); |
|
(b) |
wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen door bevoegde autoriteiten van de lidstaten zou kunnen worden beperkt op grond van in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (8) bedoelde handelingen of uit hoofde van nationale maatregelen tot omzetting van artikel 13, lid 3, artikel 15, lid 3, of artikel 16, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (9); |
|
(c) |
wanneer de uitoefening van die rechten en verplichtingen de samenwerking van de Commissie met derde landen of internationale organisaties bij het voeren van administratieve onderzoeken, tuchtprocedures, daaraan voorafgaande procedures en schorsingsprocedures in het gedrang kan brengen. |
Voordat beperkingen worden toegepast onder de in de punten a) en b) van de eerste alinea bedoelde omstandigheden raadpleegt de Commissie de betrokken instellingen, organen, agentschappen en bureaus van de Unie of bevoegde autoriteiten van de lidstaten, tenzij het voor de Commissie duidelijk is dat in de toepassing van een beperking is voorzien in een van de in die punten bedoelde handelingen of indien die raadpleging de activiteiten van de Commissie in het gedrang zou brengen.
Punt c) van de eerste alinea is niet van toepassing wanneer de belangen of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkenen prevaleren boven het belang van de Commissie om samen te werken met derde landen of internationale organisaties.
Artikel 3
Informatieverstrekking aan betrokkenen
1. De Commissie publiceert op haar website privacyverklaringen waarin alle betrokkenen worden geïnformeerd over haar activiteiten in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens.
2. De Commissie stelt de persoon die betrokken is bij een administratief onderzoek, een tuchtprocedure, een daaraan voorafgaande procedure of een schorsingsprocedure, evenals getuigen aan wie in verband met deze procedures werd verzocht informatie te verstrekken, persoonlijk en in een passend formaat in kennis van de verwerking van hun persoonsgegevens.
3. Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 2 van dit besluit de in lid 2 bedoelde informatieverstrekking — geheel of gedeeltelijk — beperkt, legt zij de redenen voor die beperking vast en registreert zij die overeenkomstig artikel 6.
Artikel 4
Recht van inzage van betrokkenen, recht op wissing en recht op beperking van de verwerking
1. Wanneer de Commissie het recht van inzage in persoonsgegevens door betrokkenen, het recht op wissing of het recht op beperking van de verwerking als bedoeld in, onderscheidenlijk, de artikelen 17, 19 en 20 van Verordening (EU) 2018/1725 geheel of gedeeltelijk beperkt, stelt zij de betrokkene in haar antwoord op het verzoek om inzage, wissing of beperking van de verwerking in kennis van de toegepaste beperking en van de belangrijkste redenen daarvoor, alsmede van de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2. De informatie over de redenen voor de in lid 1 bedoelde beperking kan worden uitgesteld, achterwege gelaten of geweigerd zolang de verstrekking daarvan het doel van de beperking zou ondermijnen.
3. De Commissie registreert de redenen voor de beperking overeenkomstig artikel 6 van dit besluit.
4. Wanneer het recht van inzage geheel of gedeeltelijk wordt beperkt, kan de betrokkene, in overeenstemming met artikel 25, leden 6, 7 en 8, van Verordening (EU) 2018/1725, haar of zijn recht van inzage uitoefenen via de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
Artikel 5
Mededeling van inbreuken in verband met persoonsgegevens aan betrokkenen
Wanneer de Commissie de in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene beperkt, legt zij de redenen voor de beperking vast en registreert zij die overeenkomstig artikel 6 van dit besluit.
Artikel 6
Registratie van beperkingen
1. De Commissie legt de redenen vast voor beperkingen op grond van dit besluit, met inbegrip van een evaluatie per geval van de noodzaak en de evenredigheid van de beperking.
Daartoe wordt aangegeven hoe de uitoefening van het recht het doel van het administratief onderzoek, de tuchtprocedure, de daaraan voorafgaande procedure of de schorsingsprocedure of van krachtens artikel 2, lid 2 of 3, toegepaste beperkingen in het gedrang zou brengen of afbreuk zou doen aan de rechten en vrijheden van andere betrokkenen.
2. Deze gegevens en de eventuele documenten met de onderliggende feitelijke en juridische elementen worden geregistreerd. Ze worden desgevraagd aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming beschikbaar gesteld.
Artikel 7
Duur van de beperkingen
1. De in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde beperkingen blijven van toepassing zolang de redenen daarvoor blijven bestaan.
2. Wanneer de redenen voor een in de artikelen 3 en 5 bedoelde beperking niet langer gelden, heft de Commissie de beperking op en stelt zij de betrokkene in kennis van de belangrijkste redenen voor de beperking. Tegelijkertijd stelt de Commissie de betrokkene in kennis van de mogelijkheid om te allen tijde een klacht in te dienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of om beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3. De Commissie evalueert de toepassing van de in de artikelen 3 en 5 bedoelde beperkingen om de zes maanden na de vaststelling ervan alsmede in elk geval bij de afsluiting van het administratief onderzoek, de tuchtprocedure, de daaraan voorafgaande procedure of de schorsingsprocedure. Daarna monitort de Commissie jaarlijks de noodzaak om eventuele uitstelperioden te handhaven.
Artikel 8
Evaluatie door de functionaris voor gegevensbescherming van de Europese Commissie
1. De functionaris voor gegevensbescherming van de Europese Commissie wordt onverwijld geïnformeerd wanneer rechten van betrokkenen overeenkomstig dit besluit worden beperkt. De Commissie verleent de functionaris voor gegevensbescherming desgevraagd inzage in de registreerde gegevens en eventuele documenten met onderliggende feitelijke en juridische elementen.
2. De functionaris voor gegevensbescherming kan om een evaluatie van de beperking verzoeken. De functionaris voor gegevensbescherming wordt schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomst van de gevraagde evaluatie.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 1 februari 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).
(2) Besluit C(2004)1588 van de Commissie houdende vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende het voeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures.
(3) Gemeenschappelijke lijst van te bewaren documenten van de Europese Commissie — SEC(2012)713
(4) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(5) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(6) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).
(7) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(8) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(9) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/14 |
BESLUIT (EU) 2019/166 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 25 januari 2019
betreffende de Raad voor marktinfrastructuur en tot intrekking van Besluit ECB/2012/6 betreffende de instelling van de TARGET2-Effectenraad (ECB/2019/3)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 12.3,
Gezien Richtsnoer ECB/2012/13 van 18 juli 2012 betreffende TARGET2-securities (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Eurosysteem biedt marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten op het gebied van afwikkeling in contanten, effectenafwikkeling en onderpandbeheer, omvattende TARGET-diensten die TARGET2-, T2S- en TIPS-diensten omvatten. |
|
(2) |
Op 16 maart 2016 heeft de Raad van bestuur de instelling van de „Raad voor marktinfrastructuur” (Market Infrastructure Board) goedgekeurd, het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor technische taken en taken van operationeel beheer op het gebied van marktinfrastructuur en platformen. |
|
(3) |
In het verleden heeft de Raad voor marktinfrastructuur in verschillende specifieke samenstellingen vergaderd naargelang van de verschillende marktinfrastructuren, platforms en projecten waarvoor zij verantwoordelijk is. Sinds de oprichting van de Raad voor marktinfrastructuur functioneert de T2S-raad, die oorspronkelijk is opgericht krachtens Besluit ECB/2012/6 (2), als een van dergelijke specifieke samenstellingen van de Raad voor marktinfrastructuur, zoals weergegeven in Besluit (EU) 2017/1403 van de Europese Centrale Bank (ECB/2017/20) (3). |
|
(4) |
De T2S-raad was niet alleen opgericht bij Besluit ECB/2012/6, maar is ook gebaseerd op een T2S-protocol dat is ondertekend door de centrale banken van het Eurosysteem. |
|
(5) |
Uit een evaluatie van de werking van de Raad voor marktinfrastructuur is gebleken dat er geen specifieke samenstellingen nodig zijn voor de efficiënte werking ervan. Besluit ECB/2012/6 dient daarom te worden ingetrokken en de samenstelling van de Raad voor marktinfrastructuur dient te worden herzien, zodat de Raad voor marktinfrastructuur wordt gestructureerd en functioneert overeenkomstig dit besluit. |
|
(6) |
De Raad voor marktinfrastructuur in haar herziene formaat ondersteunt de Raad van bestuur door te verzekeren dat de marktinfrastructuren, platformen, toepassingen en gerelateerde diensten van het Eurosysteem op het gebied van afwikkeling in contanten, effectenafwikkeling en onderpandbeheer in stand worden gehouden en nader worden ontwikkeld, en dat projecten in de bovenvermelde gebieden worden ontwikkeld, overeenkomstig de verdragsdoelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), de ESCB-bedrijfsbehoeften, technologische vooruitgang, alsook de van tijd tot tijd toepasselijke regelgevings- en oversightvereisten. |
|
(7) |
De rechtswerking van bijlage III bij dit besluit („Gedragscode”) is uiteraard afhankelijk van de ondertekening door de MIB-leden van de verklaringen in aanhangsels 1 en 2 bij bijlage III, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Alle verwijzingen naar de T2S-raad in Richtsnoer ECB/2012/13 en de Besluiten ECB/2011/20 (4) en ECB/2011/05 (5) worden gelezen als verwijzingen naar de Raad voor marktinfrastructuur. Alle in dit Besluit gebruikte termen hebben dezelfde betekenis als in de Richtsnoeren ECB/2012/27 (6) en ECB/2012/13.
Artikel 2
Raad voor marktinfrastructuur
1. Het mandaat van de Raad voor marktinfrastructuur (MIB), inclusief de doelstellingen, verantwoordelijkheden en taken zijn uiteengezet in bijlage I bij dit besluit.
2. Het Reglement van orde van de MIB, inclusief de samenstelling en de werkprocedures, worden uiteengezet in bijlage II bij dit besluit.
3. De Gedragscode voor de leden van de MIB, die is opgenomen in bijlage III bij dit besluit, werd goedgekeurd door de Raad van bestuur.
4. De procedures en vereisten voor de selectie, benoeming en vervanging van de niet-centrale bankleden van de MIB worden uiteengezet in bijlage IV bij dit besluit.
5. Uiteraard vestigt dit besluit geen vermoeden dat elk nieuw marktinfrastructuurproject dat onder de werkingssfeer van de definitie in dit Besluit van infrastructuurproject van het Eurosysteem valt, automatisch aan het MIB moet worden toevertrouwd. Alleen die projecten die door de Raad van Bestuur expliciet aan de MIB zijn toevertrouwd, moeten door het MIB worden beheerd.
Artikel 3
Intrekking
Besluit ECB/2012/6 wordt hierbij ingetrokken.
Artikel 4
Overgangsbepalingen
Met het oog op een vlotte en ordelijke overgang naar de MIB, opgericht overeenkomstig dit besluit, inclusief de benoeming van de leden ervan, wordt de ambtstermijn van de bestaande MIB-leden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verlengd met vier maanden.
Artikel 5
Slotbepalingen
Dit besluit treedt op de derde dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 25 januari 2019.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 215 van 11.8.2012, blz. 19.
(2) Besluit ECB/2012/6 van 29 maart 2012 houdende de instelling van de TARGET2-Effectenraad en tot intrekking van Besluit ECB/2009/6 (PB L 117 van 1.5.2012, blz. 13).
(3) Besluit (EU) 2017/1403 van de Europese Centrale Bank van 23 juni 2017 tot wijziging van Besluit ECB/2012/6 houdende de instelling van de TARGET2-Effectenraad (ECB/2017/20) (PB L 199 van 29.7.2017, blz. 24).
(4) Besluit ECB/2011/20 van woensdag 16 november 2011 tot vaststelling van gedetailleerde regels en procedures voor de tenuitvoerlegging van de geschiktheidscriteria voor centrale effectenbewaarinstellingen voor toegang tot TARGET2-securities-diensten (PB L 319 van 2.12.2011, blz. 117).
(5) Besluit ECB/2011/5 van 20 april 2011 inzake de selectie van netwerkdienstverleners voor TARGET2-Securities (PB L 134 van 21.5.2011, blz. 22).
(6) Richtsnoer ECB/2012/27 van 5 december 2012 betreffende een geautomatiseerd trans-Europees realtime-brutovereveningssysteem (TARGET2) (PB L 30 van 30.1.2013, blz. 1)
BIJLAGE I
RAAD VOOR MARKTINFRASTRUCTUUR
MANDAAT
INLEIDING
Het Eurosysteem biedt marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten op het gebied van afwikkeling in contanten, effectenafwikkeling en onderpandbeheer, omvattende TARGET-diensten die TARGET2-, T2S- en TIPS-diensten omvatten, alsook in de toekomst ECMS (de „Eurosysteeminfrastructuurdiensten”).
De Raad voor marktinfrastructuur (Market Infrastrucure Board- MIB) is het bestuursorgaan dat de Raad van bestuur (de „Raad van bestuur”) van de Europese Centrale Bank (ECB) ondersteunt, door te verzekeren dat de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem worden onderhouden en verder ontwikkeld, alsook dat projecten met betrekking tot de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem (de „Eurosysteeminfrastructuurprojecten” of „projecten”) worden beheerd, overeenkomstig de doelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), de zakelijke behoeften, de technologische vooruitgang, het juridisch kader dat van toepassing is op infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, alsmede voorschriften inzake regelgeving en oversight, volledig in naleving van de mandaten van de ESCB-comités die ingesteld werden overeenkomstig artikel 9 van het Reglement van orde van de ECB. De MIB rapporteert aan de besluitvormende organen van de ECB.
Dit besluit vestigt geen vermoeden dat elk nieuw marktinfrastructuurproject dat onder de werkingssfeer van de definitie in dit Besluit van infrastructuurproject van het Eurosysteem valt, automatisch aan het MIB moet worden toevertrouwd. Alleen die projecten die door de Raad van Bestuur expliciet aan de MIB zijn toevertrouwd, moeten door het MIB worden beheerd.
1. Rol van de Raad voor marktinfrastructuur
De Raad van bestuur vertrouwt hierbij de MIB de uitvoering van de in dit mandaat omschreven taken toe.
Onverminderd haar uiteindelijke beslissingsbevoegdheid, heeft de Raad van bestuur de MIB belast met de uitvoering van duidelijk omschreven taken, die verband houden met zowel de werking van Eurosysteem-infrastructuurdiensten als met infrastructuurprojecten van het Eurosysteem. De Raad van bestuur kan, onverminderd de bevoegdheid van de NCB's krachtens de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, aan de MIB andere duidelijk omschreven taken toewijzen, naast die welke zijn vastgelegd in lid 2, die anders vallen binnen de opdracht van de Raad van bestuur. In het licht van de uiteindelijke bevoegdheid van de Raad van bestuur inzake aangelegenheden van Eurosysteeminfrastructuren, kan de Raad van bestuur elk van zijn aan de MIB toevertrouwde en door die Raad uitgevoerde taken niettemin ook zelf uitvoeren.
2. Verantwoordelijkheden en taken van de Raad voor marktinfrastructuur
2.1. Voorbereiding van voorstellen voor besluiten door de Raad van bestuur inzake Eurosysteeminfrastructuurdiensten en -projecten
Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Directie om de vergaderingen van de Raad van bestuur voor te bereiden en om verantwoordelijk te zijn voor de lopende zaken van de ECB, bereidt de MIB voorstellen voor de Raad van bestuur voor om inzake de volgende aangelegenheden te beslissen, voor zover de Raad van bestuur de MIB een specifiek project/specifieke infrastructuur heeft toevertrouwd, en met volledige inachtneming van de mandaten van de ESCB-comités die zijn opgericht overeenkomstig artikel 9 van het Reglement van orde van de ECB:
|
a) |
de algemene strategie, inclusief de definitie van de werkingssfeer van diensten en beschrijvingen van diensten; |
|
b) |
problemen met projectbeheer; |
|
c) |
financiële aangelegenheden, waaronder:
|
|
d) |
de algehele planning; |
|
e) |
het wettelijke kader met de nationale centrale banken (NCB's) die diensten op het gebied van marktinfrastructuur aanbieden aan, of die Eurosysteeminfrastructuurprojecten uitvoeren met het Eurosysteem (de „verstrekkende NCB's”), en met klanten, alsmede alle contractuele overeenkomsten of voorwaarden die moeten worden ondertekend tussen het Eurosysteem en externe belanghebbenden; |
|
f) |
het risicobeheerskader; |
|
g) |
dienstverleningsovereenkomsten met desbetreffende partijen; |
|
h) |
machtiging voor en prioriteitstelling van wijzigingsverzoeken en tests/migratiestrategieën; |
|
i) |
strategieën voor netwerkconnectiviteit; |
|
j) |
de crisisbeheerstrategieën; |
|
k) |
cyber resilience en informatiebeveiligingsstrategieën en -kaders; |
|
l) |
aansprakelijkheid en overige vorderingen, en |
|
m) |
naleving door de deelnemers van de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem van de toepasselijke verkiesbaarheidscriteria. |
2.2. Beheeractiviteiten met betrekking tot infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem
2.2.1.
De MIB voert het algehele beheer van de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem uit, voor zover de Raad van bestuur de MIB een specifiek project/specifieke infrastructuur heeft toevertrouwd, en met volledige inachtneming van de mandaten van de ESCB-comités die zijn opgericht krachtens artikel 9 van de Reglement van orde van de ECB. In deze context:
|
a) |
verzekert de MIB dat de Eurosysteeminfrastructuurdiensten en projecten beantwoorden aan de marktbehoeften; |
|
b) |
effectueert en/of beheert de MIB de algemene strategie, inclusief de definitie van de reikwijdte van diensten en beschrijvingen van diensten; |
|
c) |
effectueert en/of beheert de MIB de governanceregelingen; |
|
d) |
effectueert en/of beheert de MIB de financiële regelingen en strategieën; |
|
e) |
beheert de MIB de relevante activiteiten van beheer van nieuwe versies of releases; |
|
f) |
beheert de MIB binnen de door de Raad van bestuur vastgestelde parameters de ontwikkeling, de werking en het onderhoud van simulatortools en beheert in overleg met het Comité voor marktinfrastructuur en betalingsverkeer van het Eurosysteem (MIPC) en andere relevante ESCB-comités, indien van toepassing, en mits een besluit van de Raad van bestuur haalbaarheidsstudies; |
|
g) |
coördineert de MIB changemanagementprocessen en prioriteert zij geautoriseerde verandering met betrekking tot nieuwe releases, stelt ze testscenario's vast voor acceptatietests van het Eurosysteem, coördineert zij tests met verschillende soorten belanghebbenden en coördineert zij gebruikerstestprocedures; |
|
h) |
beheert de MIB de gedetailleerde planning van infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem op basis van de algemene programmaberekeningen, zoals goedgekeurd door de Raad van bestuur; |
|
i) |
effectueert en/of beheert de MIB risicobeheerskaders binnen de door de Raad van bestuur vastgestelde parameters; |
|
j) |
effectueert en/of beheert de MIB relevante migratie strategieën binnen de door de Raad van bestuur vastgestelde parameters; |
|
k) |
effectueert en/of beheert de MIB de operationele kaders, met inbegrip van de beheerstrategie voor incidenten en crisissen, binnen de door de Raad van bestuur vastgestelde parameters; |
|
l) |
zorgt de MIB voor het behoorlijk functioneren van en voor behoorlijke kwaliteit van de Eurosysteeminfrastructuurdiensten; |
|
m) |
effectueert en/of beheert de MIB de strategieën voor netwerkconnectiviteit; |
|
n) |
effectueert en/of beheert de MIB de strategieën voor crisismanagement; |
|
o) |
effectueert en/of beheert de MIB cyber resilience en informatiebeveiligingsstrategieën en –kaders, en |
|
p) |
verzekert de MIB voldoening aan de regelgevings- en oversightvereisten. |
2.2.2.
De MIB keurt goed en/of initieert:
|
a) |
de betaling van tussentijdse betalingen aan de verstrekkende NCB's, overeenkomstig een overeengekomen, door de Raad van bestuur goedgekeurd betalingsschema, zodra de desbetreffende te leveren diensten zijn geaccepteerd door de MIB; |
|
b) |
de terugbetaling van de kosten die verbonden zijn aan aanvullende ondersteuning van de verstrekkende NCB's aan de centrale banken van het Eurosysteem, overeenkomstig de desbetreffende Niveau 2 - Niveau 3-overeenkomst en andere gerelateerde overeenkomsten; |
|
c) |
de betaling van tussentijdse betalingen aan de ECB, op basis van de door de ECB gemaakte kosten in verband met Eurosysteeminfrastructuurdiensten en –projecten, en |
|
d) |
de inning van vergoedingen van klanten, indien van toepassing, en de terugbetaling van deze vergoedingen aan centrale banken van het Eurosysteem. Voor zover vereist, verleent de ECB passende ondersteuning aan de MIB. |
2.2.3.
De MIB:
|
a) |
zorgt voor de betrokkenheid van de verstrekkende NCB's bij alle relevante aangelegenheden; |
|
b) |
voert de onderhandelingen over eventuele wijzigingen in de relevante niveau 2-niveau 3-overeenkomst en andere gerelateerde overeenkomsten tussen de verstrekkende NCB's en de centrale banken van het Eurosysteem en dient dergelijke wijzigingen ter goedkeuring in bij de Raad van bestuur; |
|
c) |
vestigt en handhaaft regelmatig contact met de verstrekkende NCB's teneinde alle informatie te verkrijgen die nodig is voor de uitvoering van zijn taken overeenkomstig dergelijke overeenkomsten; |
|
d) |
valideert voorstellen van de verstrekkende NCB's en keurt de te leveren producten goed die betrekking hebben op het technische en functionele ontwerp (ontwikkeld door de verstrekkende NCB's), en |
|
e) |
assisteert de Raad van bestuur bij het beheer van de relaties met de verstrekkers van netwerkconnectiviteitsdiensten, waarbij deze laatste deel uitmaken van de Infrastructuurdiensten van het Eurosysteem. |
2.2.4.
De MIB:
|
a) |
beheert, waar van toepassing, relaties met de ESCB-comités, met regelgevende en toezichthoudende autoriteiten, evenals met andere relevante overheidsinstanties in verband met de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem; |
|
b) |
werkt samen met klanten en centrale banken van het ESCB om hun migratie te vergemakkelijken, en bespreekt, coördineert en streeft naar mogelijke oplossingen om geschillen te beslechten binnen het toepasselijke wettelijke kader en binnen zijn mandaat, welke door de verantwoordelijke instanties moeten worden goedgekeurd; |
|
c) |
onderhandelt over ontwerpparticipatieovereenkomsten (samen met centrale banken van het Eurosysteem, indien van toepassing) met deelnemers van infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, en met niet-eurogebied centrale banken die participatieovereenkomsten hebben ondertekend, inclusief wijzigingen van deze overeenkomsten; |
|
d) |
coördineert met de andere bestuursorganen van de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem; |
|
e) |
indien relevant, benoemt de voorzitters van de technische groepen na overleg met de relevante bestuursorganen en ontvangt uiteindelijk rapporten van technische groepen; |
|
f) |
werkt samen met de aanbieders van netwerkconnectiviteitsdiensten, wanneer deze laatste deel uitmaken van de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem; |
|
g) |
definieert het technische communicatiebeleid met betrekking tot de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, en |
|
h) |
zorgt voor transparantie door de tijdige en consistente publicatie van relevante technische documentatie met betrekking tot de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem overeenkomstig de vertrouwelijkheidsverplichtingen die zijn uiteengezet in de Gedragscode. |
BIJLAGE II
RAAD VOOR MARKTINFRASTRUCTUUR
REGLEMENT VAN ORDE
HOOFDSTUK 1
Benoeming en lidmaatschap
INLEIDING
Het Eurosysteem biedt marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten op het gebied van afwikkeling in contanten, effectenafwikkeling en onderpandbeheer, omvattende TARGET-diensten die TARGET2-, T2S- en TIPS-diensten omvatten, alsook in de toekomst ECMS (de „Eurosysteeminfrastructuurdiensten”).
De Raad voor marktinfrastructuur (Market Infrastrucure Board — MIB) is het bestuursorgaan dat de Raad van bestuur (de „Raad van bestuur”) van de Europese Centrale Bank (ECB) ondersteunt, door te verzekeren dat de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem worden onderhouden en verder ontwikkeld, alsook dat projecten met betrekking tot de bestaande of nieuwe infrastructuurdiensten van het Eurosysteem (de „Eurosysteeminfrastructuurprojecten” of „projecten”) worden beheerd, overeenkomstig de doelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), de zakelijke behoeften, de technologische vooruitgang, het juridisch kader dat van toepassing is op infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, alsmede regelgevings- en oversightvereisten, volledig in naleving van de mandaten van de ESCB-comités die ingesteld werden overeenkomstig artikel 9 van het Reglement van orde van de ECB. De MIB rapporteert aan de besluitvormende organen van de ECB.
Dit besluit vestigt geen vermoeden dat elk nieuw marktinfrastructuurproject dat onder de werkingssfeer van de definitie in dit Besluit van infrastructuurproject van het Eurosysteem valt, automatisch aan het MIB moet worden toevertrouwd. Alleen die projecten die door de Raad van Bestuur expliciet aan de MIB zijn toevertrouwd, moeten door het MIB worden beheerd.
1. Aanwijzing en benoeming
De MIB-leden worden aangewezen door de Raad van bestuur op basis van een voorstel van de directie van de ECB („de Directie”).
Kandidaturen moeten worden voorgelegd aan de Directie door de gouverneur of president, zoals van toepassing, van de desbetreffende nationale centrale bank (NCB). In haar voorstel aan de Raad van Bestuur moet de directie de voorkeur geven aan kandidaten die rechtstreeks rapporteren aan het hoogste bestuursorgaan in hun centrale bank. De Directie zorgt ervoor dat in haar voorstel wordt voldaan aan de beginselen die zijn uiteengezet in deel 3 van deze bijlage II.
Kandidaturen van niet-centrale bankleden van de MIB worden verzameld door de Directie overeenkomstig de procedure voor de selectie van dergelijke leden van bijlage IV bij dit besluit.
2. Lidmaatschap en ambtstermijn — Deelname van waarnemers
Na hun benoeming moeten de MIB-leden onafhankelijk en in het belang van het Eurosysteem handelen. Zij mogen niet onderworpen worden aan instructies van openbare of particuliere instanties. MIB-leden rapporteren, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van MIB-leden, collectief en uitsluitend aan de besluitvormende organen van de ECB. De centrale bankleden van de MIB kunnen zo nodig op eigen initiatief en naar eigen goeddunken de mening van andere personeelsleden van hun centrale bank vragen, maar zij mogen geen instructies van hun centrale bank vragen of aanvaarden, of zich ertoe verbinden om een specifieke positie in te nemen tijdens de beraadslaging en stemming van de MIB.
De MIB heeft een voorzitter die senior manager is bij de ECB.
De MIB bestaat uit dertien (13) leden, als volgt:
|
a) |
Negen leden van Eurosysteem NCB's, inclusief één lid per NCB die marktinfrastructuurdiensten verstrekt aan het Eurosysteem of infrastructuurprojecten van het Eurosysteem uitvoert met het Eurosysteem (de „verstrekkende NCB”); |
|
b) |
Twee leden van niet-Eurosysteem NCB's die deelnemen aan infrastructuurdiensten van het Eurosysteem (bijv. die de T2S valutadeelnameovereenkomst hebben ondertekend of deelnemen aan TARGET2); |
|
c) |
Twee niet-centrale bankleden (zonder stemrechten), één met ervaring als hogere functionaris in de betalingssector, en een met ervaring als hogere functionaris in de effectensector. |
De voorzitter wordt ondersteund door een vicevoorzitter uit leden van de MIB die wordt benoemd door de Raad van bestuur. De exclusieve taak van de vicevoorzitter is voorzitter zijn van MIB-vergaderingen bij tijdelijke afwezigheid van de voorzitter tijdens een vergadering, in overeenstemming met de vooraf vastgestelde agenda voor de betrokken MIB-vergadering.
De ambtstermijn van MIB-leden bedraagt 36 maanden en kan worden verlengd. De Raad van bestuur kan tot een korter mandaat besluiten, onder meer wanneer leden ontslag nemen of met pensioen gaan voordat hun mandaat verloopt.
Om ervoor te zorgen dat alle NCB's (Eurosysteem en NCB's die deelnemen aan de relevante infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem) de mogelijkheid hebben om een vertegenwoordiger naar de MIB te sturen, moet er een rotatie plaatsvinden van leden van niet-verstrekkende NCB's, normaal gezien op het moment dat het oorspronkelijke mandaat van 36 maanden van de MIB-leden vervalt. Het is wel verstaan dat het bovenstaande rotatieplan niet zal resulteren in de uitsluiting van dezelfde niet-verstrekkende NCB gedurende meer dan twee rotatieperiodes.
Er moet een passend evenwicht worden bewaard tussen leden met ervaring in ervaring in projectbeheer, ervaring in Eurosysteemmarktinfrastructuuractiviteiten, en IT-ervaring.
De voorzitter nodigt waarnemers zonder stemrecht van desbetreffende ESCB-comités uit voor het bespreken van infrastructuurdiensten of -projecten van het Eurosysteem binnen hun competentiegebied. Van de MIB-leden wordt verwacht dat zijn ten minste 30 % van hun arbeidscapaciteit aan MIB-aangelegenheden besteden.
De MIB-leden zijn niet direct betrokken bij het oversight van Eurosysteeminfrastructuurdiensten of van entiteiten die deelnemen aan het hoger vermelde (bijv. centrale effectenbewaarinstellingen die afwikkelingstransacties uitbesteden aan T2S), voor zover die betrokkenheid tot belangenconflicten leidt, of kan leiden, met hun functies als leden van de MIB. Er moeten passende maatregelen worden genomen om dergelijke conflicten te onderkennen en te vermijden. Leden mogen geen deel uitmaken van het Interne Auditcomité (IAC) van het Eurosysteem, noch dagelijks betrokken zijn bij niveau 3-activiteiten.
HOOFDSTUK 2
Werkprocedures
1. Besluitvorming
In overeenstemming met beginselen van goed bestuur, nemen leden regelmatig deel aan vergaderingen van de MIB. Deelname geschiedt op strikt persoonlijke basis; leden kunnen niet worden vervangen.
Voor geldige beraadslagingen van de MIB moet een quorum van zeven leden met stemrechten aanwezig zijn. Indien het quorum niet wordt gehaald, kan de voorzitter een buitengewone vergadering bijeenroepen waarin besluiten kunnen worden genomen zonder inachtneming van het quorum.
Voor zover mogelijk worden besluiten van de MIB bij consensus genomen. Bij gebrek daaraan, en op verzoek van de voorzitter, kan de MIB beslissen bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De MIB gaat tot stemming over op verzoek van de voorzitter. De voorzitter start ook een stemprocedure op verzoek van minstens 3 MIB-leden met stemrecht. Een lid moet zich onthouden van stemming als het een belangenconflict heeft in de zin van de Gedragscode. Afwezige stemgerechtigde leden kunnen hun stemrecht met betrekking tot een specifieke stemprocedure delegeren aan een ander stemgerechtigd lid, met dien verstande dat geen enkel stemgerechtigd lid meer dan twee stemmen mag uitbrengen over een bepaald onderwerp.
Besluiten kunnen ook in een schriftelijke procedure worden genomen, tenzij drie of meer leden met stemrechten hiertegen bezwaar maken. Een schriftelijke procedure vereist: a) een voorafgaande kennisgeving van niet minder dan twee werkdagen (behalve in uitzonderlijke omstandigheden, als zodanig aangeduid door de voorzitter van de MIB, en b) een aantekening van een dergelijk besluit in de conclusies van de eerstvolgende vergadering van de MIB.
Niet-centrale bankleden van de MIB worden benoemd in een persoonlijke hoedanigheid. Ze hebben geen stemrechten en kunnen hun verantwoordelijkheden niet aan een ander MIB-lid of aan een derde delegeren.
2. Verloop van vergaderingen van de MIB
De MIB beslist over de data van zijn vergaderingen op basis van een voorstel van de voorzitter. De MIB dient regelmatig bijeen te komen op basis van een rooster dat tijdig voor het begin van elk jaar wordt opgesteld.
De voorzitter kan buitengewone vergaderingen van de MIB bijeenroepen, wanneer hij/zij zulks nodig acht. De voorzitter zal een buitengewone vergadering bijeenroepen indien een verzoek voor een dergelijke vergadering door ten minste drie leden wordt ingediend.
De MIB houdt zijn vergaderingen doorgaans in de gebouwen van de ECB.
Vergaderingen kunnen ook worden gehouden door middel van teleconferentie, tenzij drie of meer leden hiertegen bezwaar maken.
De MIB stelt voor elke vergadering een agenda vast.
De aanwezigheid op vergaderingen van de MIB is beperkt tot MIB-leden en overige door de voorzitter uitgenodigde personen.
3. Rapportage aan de besluitvormende organen van de ECB
De MIB rapporteert op regelmatige basis aan de besluitvormende organen van de ECB. In dit verband stelt de Raad voor zover nodig rapporten op voor de besluitvormende organen van de ECB.
4. Interne informatiestroom en transparantie
Niet-centrale bankleden van de MIB ontvangen, onder strikte geheimhoudingsvoorwaarden, alle documentatie over infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem die aan de Raad van bestuur worden voorgelegd.
NCB's van het Eurosysteem die niet vertegenwoordigd zijn in de MIB hebben automatische toegang tot alle MIB-documentatie, met inbegrip van de agenda's en notulen, tegelijkertijd met de MIB-leden en zij kunnen voorafgaand aan MIB-vergaderingen schriftelijke opmerkingen verstrekken, zodat hun standpunten naar behoren in aanmerking kunnen worden genomen door de MIB. Ze kunnen ook een verzoek richten tot de voorzitter om deel te nemen aan de MIB indien ze bij een onderwerp een bijzonder belang hebben. De voorzitter is verantwoordelijk voor het informeren van dergelijke Eurosysteem NCB's als wordt geoordeeld dat zij een bijzonder belang kunnen hebben en mogelijk ook enig punt aan de orde kunnen stellen dat door een dergelijke Eurosysteem NCB naar voren wordt gebracht bij de MIB.
Ter garantie dat het Comité voor marktinfrastructuur en betalingsverkeer (Market Infrastructure and Payments Committee — MIPC) van het Eurosysteem wordt op de hoogte gehouden van het werk van de MIB, zal er een regelmatig rapportagepunt zijn over MIB-onderwerpen op elke MIPC-agenda. Indien dat passend geacht wordt, kunnen gezamenlijke vergaderingen van de MIPC en de MIB worden gehouden.
De samenwerking tussen de MIB en de andere ESCB-comités zal plaatsvinden door middel van schriftelijk overleg.
De werkzaamheden van de MIB zijn onderworpen aan het toezicht van het IAC.
5. Externe stroom van informatie, transparantie en representatie
De voorzitter informeert elke relevante belanghebbende regelmatig over alle relevante kwesties met betrekking tot onder verantwoordelijkheid van de MIB vallende infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem. De voorzitter zorgt voor transparantie door de tijdige en consistente beschikbaarheid van relevante technische documentatie met betrekking tot de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem op de aan de MIB gewijde afdeling van de website van de ECB.
Leden moeten de voorzitter van tevoren informeren over het op zich nemen van enigerlei relevante en substantiële externe activiteiten/communicatie met betrekking tot de verantwoordelijkheden en taken van de MIB, zoals het spreken over Eurosysteeminfrastructuurdiensten en -projecten onder de verantwoordelijkheid van de MIB op conferenties of vergaderingen met relevante belanghebbenden, en moeten de MIB binnen vijf werkdagen na het evenement een schriftelijke samenvatting verstrekken. Een substantiële externe activiteit/communicatie moet in het belang zijn van het Eurosysteem en moet beleidsbeslissingen van de Raad van bestuur respecteren.
6. Ondersteuning
De MIB zal organisatorische ondersteuning krijgen van de ECB, onder andere voor de voorbereiding van de MIB-vergaderingen, inclusief documentatie van de vergadering.
Als regel stuurt de ECB te bespreken documenten vijf werkdagen voorafgaande aan een vergadering aan de leden. Korte documenten kunnen echter één werkdag van tevoren worden toegestuurd. Documenten die minder dan twee werkdagen van tevoren zijn toegezonden, worden beschouwd als „ter tafel komende documenten” die niet kunnen leiden tot een besluit van de MIB, tenzij alle leden anders overeenkomen.
Na elke vergadering van de MIB, stelt de ECB ontwerpnotulen op waarin de onderwerpen worden vastgelegd waarover is beraadslaagd, en de resultaten van de discussie, alsook de overeengekomen opvolging. De ontwerpnotulen bevatten de tijdens de vergadering door individuele leden verwoorde standpunten indien zulks wordt verzocht. De ontwerpnotulen worden binnen vijf werkdagen na de vergadering aan de leden verspreid.
Na elke vergadering van de MIB stelt de ECB tevens een ontwerp op van een actielijst met de taken en uiterste termijnen die tijdens die vergadering werden toegewezen en overeengekomen, welke lijst binnen vijf werkdagen na de vergadering aan de leden wordt verspreid.
De ontwerpnotulen en actielijst worden op de eerstvolgende vergadering (of, indien nodig, eerder door middel van een schriftelijke procedure) ter goedkeuring aan de MIB voorgelegd en worden door de voorzitter ondertekend.
De MIB moet een controller benoemen en input van hem ontvangen; deze kan een van zijn leden zijn.
De MIB kan substructuren creëren in overeenstemming met de ECB. Een substructuur kan anders worden samengesteld dan de MIB-samenstelling en deze zou voor alle Eurosysteem-NCB's toegankelijk zijn, en indien relevant toegankelijk voor deelneming door niet-Eurosysteem NCB's.
7. Herziening van het mandaat
Het MIB-mandaat kan om de vijf jaar worden herzien in het licht van de ervaring die is opgedaan.
BIJLAGE III
RAAD VOOR MARKTINFRASTRUCTUUR
GEDRAGSCODE
INLEIDING
De Raad voor marktinfrastructuur (Market Infrastrucure Board — MIB) is samengesteld uit leden benoemd door de Raad van bestuur (de „Raad van Bestuur”) van de Europese Centrale Bank (ECB). Leden moeten uitsluitend handelen in het belang van het Eurosysteem en moeten voldoende tijd uittrekken voor hun actieve betrokkenheid bij het werk van de MIB.
De MIB is het bestuursorgaan dat de Raad van bestuur ondersteunt, door te verzekeren dat de infrastructuurdiensten van het Eurosysteem, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten op het gebied van afwikkeling in contanten, effectenafwikkeling en onderpandbeheer (de „infrastructuurdiensten van het Eurosysteem”) worden onderhouden en verder ontwikkeld, alsook dat projecten met betrekking tot de bestaande of nieuwe infrastructuurdiensten van het Eurosysteem („infrastructuurprojecten van het Eurosysteem” of „projecten”) worden beheerd, overeenkomstig de doelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), de zakelijke behoeften, de technologische vooruitgang, het juridisch kader dat van toepassing is op infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, alsmede voorschriften inzake regelgeving en oversight, volledig in naleving van de mandaten van de ESCB-comités die ingesteld werden overeenkomstig artikel 9 van het Reglement van orde van de ECB. De MIB rapporteert aan de besluitvormende organen van de ECB.
Voor de geïnformeerde en onafhankelijke besluitvorming van de Raad van bestuur is het essentieel dat het werk van de MIB niet wordt beïnvloed door omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een belangenconflict van zijn leden. Het is ook essentieel voor het behoud van de reputatie en geloofwaardigheid van het Eurosysteem en het ESCB en voor de juridische deugdelijkheid van de infrastructuurdiensten en -projecten van het Eurosysteem, dat de MIB-leden geleid worden door en ervoor gezorgd wordt dat ze geleid worden door het algemeen belang van het Eurosysteem. Leden moeten daarom a) situaties van feitelijke of schijnbare belangenconflicten vermijden; b) alleen handelen in het beste belang van het Eurosysteem bij hun contacten met overheden, centrale banken, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere externe belanghebbenden die betrokken zijn bij het ontwerp, de ontwikkeling en de werking van marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten die door het Eurosysteem worden aangeboden, en c) zorgen voor objectiviteit, neutraliteit en eerlijke concurrentie tussen leveranciers met een belang in marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten aangeboden door het Eurosysteem.
De in artikel 37.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-statuten”) voorziene beroepsgeheimverplichting geldt zowel voor ECB-personeel als voor personeel van nationale centrale banken (NCB's) die ESCB-taken uitvoeren, en bestrijkt, onder andere, vertrouwelijke informatie betreffende handelsgeheimen of informatie die een commerciële waarde heeft. Een soortgelijke verplichting geldt voor niet-centrale bankleden van de MIB. Niet-centrale bankleden moeten ook alle bijkomende gedragsregels naleven die in hun benoemingsbrief en in hun contract met de ECB kunnen zijn opgenomen.
Het is passend en in overeenstemming met een goede administratieve praktijk dat de arbeidsvoorwaarden die gelden voor de voorzitter van de MIB en de bepalingen toepasselijk op MIB-leden die personeelslid van een NCB zijn, voorzien in rechtsmiddelen bij schendingen van deze Gedragscode (hierna: de „Code”). Een soortgelijke bepaling geldt voor niet-centrale bankleden van de MIB, zoals omschreven in bijlage IV.
Deze Code doet geen afbreuk aan eventuele vereisten die voortvloeien uit andere ethische bepalingen zoals van toepassing kunnen zijn op de leden van de MIB in hun functie als personeelslid van de ECB of een NCB.
1. Definities
In dit richtsnoer wordt verstaan onder:
|
a) |
„voorzitter”: de persoon die door de Raad van bestuur is aangewezen om voorzitter te zijn van de MIB; |
|
b) |
„vicevoorzitter”: de persoon die de voorzitter ondersteunt en die wordt benoemd uit de MIB-leden door de Raad van bestuur. De exclusieve taak van de vicevoorzitter is voorzitter zijn van MIB-vergaderingen bij tijdelijke afwezigheid van de voorzitter tijdens een vergadering, in overeenstemming met de vooraf vastgestelde agenda voor de betrokken MIB-vergadering; |
|
c) |
„vertrouwelijke informatie”, onverminderd de geheimhoudingsplicht in artikel 37.1 van de ESCB-statuten of de classificatie van documenten volgens het vertrouwelijkheidsregime van de ECB dat aan elk lid van de MIB worden verstrekt: i) handelsgeheimen van het Eurosysteem of van derden en informatie die een commerciële waarde heeft, anders dan ten behoeve van het werk van de MIB; ii) informatie waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking de wezenlijke belangen van het Eurosysteem zou kunnen schaden, en iii) informatie die een redelijk persoon als vertrouwelijk zou beschouwen; „vertrouwelijke informatie” omvat niet informatie die: i) voor het publiek algemeen beschikbaar is of wordt, behalve via een schending van deze Code; of ii) onafhankelijk door een derde die geen toegang heeft tot vertrouwelijke informatie, wordt ontwikkeld, of iii) met inachtneming van paragraaf 3, bij wet moet worden openbaar gemaakt; |
|
d) |
„niet-centralebankenlid”: een lid van de MIB dat geen personeelslid is van de ECB of een NCB; |
|
e) |
„mandaat”: het in bijlage I uiteengezette mandaat; |
|
f) |
„lid”: een lid van de MIB, met inbegrip van de voorzitter; |
|
g) |
„leveranciers”: commerciële entiteiten en handelsorganisaties die goederen en/of diensten leveren en/of een belang hebben in het leveren van goederen en/of diensten in verband met marktinfrastructuren, platforms, toepassingen en gerelateerde diensten die worden aangeboden door het Eurosysteem. |
2. Vermijden van belangenconflicten
|
a) |
In verband met de levering van goederen en/of diensten die relevant zijn voor het mandaat van de MIB, wordt een belangenconflict geacht te ontstaan in de omstandigheden beschreven in artikel 0.2.1.2 van de ECB-personeelsverordeningen en -regelingen, en in het bijzonder wanneer een lid een professioneel belang of aandeel heeft in een leverancier, hetzij door eigendom, zeggenschap, investeringen, persoonlijke loyaliteit of anderszins, die feitelijk de onpartijdige en objectieve uitvoering van de taken van dat lid beïnvloedt of kan beïnvloeden. |
|
b) |
Leden handelen in het algemene belang van het Eurosysteem en streven de verantwoordelijkheden en taken van de MIB na. Zij vermijden situaties die aanleiding kunnen geven tot een belangenconflict. |
|
c) |
Indien een belangenconflict optreedt of waarschijnlijk zal optreden in verband met de taken van de MIB, maakt het betrokken lid een dergelijk feitelijk of potentieel belangenconflict bekend aan de nalevingsautoriteit van de centrale bank van dat lid (of, in het geval van een niet van een centrale bank afkomstig lid, aan het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB) door middel van het formulier in aanhangsel 2 en informeert hierover tegelijkertijd de voorzitter. Indien de nalevingsautoriteit (of, in het geval van een niet-centralebankenlid, het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB) concludeert dat er sprake is van een belangenconflict, doet deze een aanbeveling aan de gouverneur of president van de betrokken centrale bank (of, in het geval van een niet-centralebankenlid, aan de president van de ECB) betreffende het aangewezen beleid ten aanzien van het belangenconflict. |
|
d) |
Indien een lid tijdens een vergadering van de MIB redenen heeft te geloven dat de deelname van een ander lid aan de bespreking, stemming of schriftelijke procedure van de MIB aanleiding zou kunnen geven tot een belangenconflict, informeert dat lid onmiddellijk de voorzitter. |
|
e) |
De voorzitter nodigt het lid over wie bezorgdheden van een belangenconflict zijn gerezen ingevolge de leden c) en d) uit, om aan te geven of er sprake is van een daadwerkelijk of potentieel belangenconflict. De voorzitter informeert de nalevingsautoriteit van de betrokken centrale bank (of, in het geval van een niet-centralebankenlid, het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB) onverwijld over een dergelijk geval en, indien dit noodzakelijk wordt geacht, eveneens de Raad van bestuur. |
|
f) |
Indien de voorzitter het betrokken lid bedoeld in leden c), d) of e) is, informeert de voorzitter het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB. |
|
g) |
Leden moeten zich onmiddellijk ervan onthouden deel te nemen aan discussies, beraadslagingen of stemmingen over enige kwestie ten aanzien waarvan dat lid een belangenconflict heeft en zij mogen geen gerelateerde documentatie ontvangen. |
3. Correct gebruik van vertrouwelijke informatie
|
a) |
Leden gebruiken vertrouwelijke informatie uitsluitend ten behoeve van en in het belang van het Eurosysteem en in de uitoefening van de doelstellingen van de MIB, overeenkomstig het mandaat van de MIB. |
|
b) |
Leden mogen in geen geval buiten de perken van hun mandaat vertrouwelijke informatie bekendmaken aan derden en/of entiteiten binnen of buiten het Eurosysteem. Wat betreft de voorzitter van de MIB en NCB-personeelsleden, zij mogen alleen vertrouwelijke informatie bekendmaken aan personeelsleden van hun centrale bank voor zover kennis van deze informatie onontbeerlijk is ter verlening van advies opdat betreffende een specifieke aangelegenheid een mening kan worden gevormd. Vertrouwelijke informatie die gemarkeerd is als „alleen voor leden”, mag in beginsel niet door leden worden bekendgemaakt aan personeelsleden van hun centrale bank, tenzij door de MIB anders is overeengekomen. |
|
c) |
Leden moeten alle noodzakelijke maatregelen treffen om de niet-bedoelde openbaarmaking van of ongeoorloofde toegang tot vertrouwelijke informatie te voorkomen. |
|
d) |
Leden mogen geen vertrouwelijke informatie gebruiken voor eigen voordeel of ten behoeve van enige andere persoon in overeenstemming met artikel 4.1.3 van het Ethisch kader van de ECB en nationale maatregelen ter uitvoering van artikel 7, lid 2, van Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank (1). Zij mogen met name geen gebruikmaken van vertrouwelijke informatie bij een private financiële transactie of bij het aanbevelen of afraden van dergelijke transacties. |
|
e) |
Voor zover een lid door een rechtbank of regelgevende, toezichthoudende of andere bevoegde autoriteit die rechtsmacht heeft over dat lid, wordt bevolen vertrouwelijke informatie bekend te maken of beschikbaar te stellen, moet het desbetreffende lid:
|
Indien deze paragraaf de voorzitter aangaat, informeert hij/zij het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB.
4. Principes van communicatie met externe partijen
|
a) |
Met inachtneming van de vereisten betreffende vertrouwelijke informatie, streven leden in hun contacten met leveranciers of handelsorganisaties die leveranciers vertegenwoordigen, ernaar de handhaving van eerlijke mededinging te waarborgen en op een gecoördineerde en niet-discriminerende manier objectieve en relevante informatie te verstrekken aan alle leveranciers of vertegenwoordigers. Afhankelijk van de te verschaffen informatie, kan dit doel worden bereikt door hen te betrekken in een constructieve dialoog en met hen documentatie te delen in overleggroepen. |
|
b) |
Leden geven passende aandacht aan elke aan hen door leveranciers of handelsorganisaties die leveranciers vertegenwoordigen, gerichte schriftelijke communicatie. Leden behandelen dergelijke communicaties als vertrouwelijk, tenzij het tegengestelde expliciet door de potentiële leverancier of vertegenwoordiger wordt gesteld. |
|
c) |
Paragraaf 4, onder a) en b), moet niet aldus worden uitgelegd dat daardoor contacten worden belemmerd tussen de MIB en de leveranciers of handelsorganisaties die leveranciers vertegenwoordigen. |
5. Advies betreffende ethische kwesties
Indien een lid een vraag heeft betreffende de toepassing van de Code, dient dat lid om advies te vragen aan het Bureau voor Compliance en Governance van de ECB.
6. Sancties en slotbepalingen
|
a) |
Onverminderd de regels betreffende disciplinaire procedures in hun arbeidsvoorwaarden of onverminderd een van toepassing zijnde strafrechtelijke, disciplinaire, administratieve of contractuele boete, zal een lid dat deze Code schendt, onmiddellijk in aanmerking komen om uit de MIB te worden ontslagen en vervangen. |
|
b) |
Een lid blijft gebonden door de afdelingen 2 en 3, zelfs nadat dat lid zijn taken heeft gestaakt als MIB-lid. |
|
c) |
Een voormalig lid mag vertrouwelijke informatie niet gebruiken om een dienstbetrekking te verwerven bij een leverancier, dan wel als werknemer van een leverancier vertrouwelijke informatie die is verkregen ingevolge zijn/haar deelname in de MIB onthullen of gebruiken. |
|
d) |
In het eerste jaar na beëindiging van hun functie, moeten leden elk belangenconflict vermijden dat zou kunnen ontstaan uit een nieuwe beroepsactiviteit of benoeming. Ze moeten de voorzitter met name schriftelijk informeren wanneer ze van plan zijn een beroepsactiviteit te ontplooien of een benoeming te aanvaarden, en ze moeten advies van de MIB inwinnen alvorens zich te verplichten. De MIB moet, waar van toepassing, aangelegenheden doorverwijzen naar het Bureau voor Compliance en Governance. |
|
e) |
Indien een voormalig lid de vereisten van de leden c) en d) niet respecteert, kan de MIB de werkgever van dat voormalige lid informeren dat er sprake is van een feitelijk of potentieel belangenconflict tussen de nieuwe functie en de vroegere functie van dat voormalige lid. |
7. Geadresseerden en verspreiding
Deze code is gericht tot de leden. Een kopie wordt verspreid aan elk bestaand lid en aan nieuwe leden bij hun benoeming. Van leden wordt verlangd dat ze aanhangsel 1 en 2 ondertekenen alvorens deel te nemen aan vergaderingen van de MIB.
(1) Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 tot vaststelling van beginselen van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem en tot intrekking van Richtsnoer ECB/2002/6 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11) (PB L 135 van 2.6.2015, blz. 23).
Aanhangsel 1
VERKLARING VAN NALEVING VAN DE GEDRAGSCODE
Door deze Verklaring, aanvaard ik de bijgevoegde Gedragscode en erken ik mijn verplichtingen op grond ervan, in het bijzonder mijn verplichting om a) strikt vertrouwelijk te handelen en geen vertrouwelijke informatie te onthullen die door mij is verkregen, ook in overeenstemming met het vertrouwelijkheidsregime van de ECB; b) situaties te vermijden en bekend te maken die een belangenconflict zouden inhouden bij de uitvoering van mijn taken als lid van de Raad voor marktinfrastructuur („Market Infrastrucure Board” — „MIB”) in verband met de bevoegdheden van de MIB, en c) geen vertrouwelijke informatie te gebruiken voor eigen voordeel of ten behoeve van enige andere persoon; met name mag ik geen gebruikmaken van vertrouwelijke informatie bij een private financiële transactie of bij het aanbevelen of afraden van dergelijke transacties.
…
(Handtekening en datum)
…
(Volledige naam)
…
(Adres)
…
Aanhangsel 2
BELANGENVERKLARING (1)
…
(Volledige naam)
…
(Adres)
…
(Beroep)
De bevoegdheden van de Raad voor marktinfrastructuur (de „MIB”) worden direct of indirect (bijv. in verband met een familielid) beïnvloed door de volgende geldelijke en/of niet-geldelijke belangen, die een belangenconflict zouden kunnen betekenen in de zin van de Gedragscode (2):
Investering (bijv. direct of indirect in een commerciële entiteit, met inbegrip van dochterondernemingen of andere entiteiten die tot hetzelfde concern behoren, welke entiteit een belang heeft als een potentiële leverancier, tenzij aangehouden via belegging of pensioenfondsen of soortgelijk):
…
…
…
…
Positie (bijv. huidige of eerdere, betaald of onbetaald, bij een commerciële entiteit die een belang heeft als een potentiële leverancier):
…
…
…
…
…
Inkomsten of giften (bijv. huidige, eerdere of verwachte bezoldiging, met inbegrip van uitgestelde uitkeringen, in een later stadium uit te oefenen opties en overdrachten van pensioenrechten, of giften ontvangen van een commerciële entiteit die een belang heeft als een leverancier):
…
…
…
…
Overige:
…
…
…
…
…
Ik verklaar hierbij, op mijn woord van eer, dat de hier vermelde informatie naar mijn beste weten waar en volledig is.
…
(Handtekening en datum)
…
(Volledige naam)
(1) Indien een lid geen relevant belang heeft, dient dit te worden aangegeven door in de desbetreffende velden „geen” in te vullen.
(2) Een lid met een relevant belang dient alle relevante feiten en omstandigheden te beschrijven, indien nodig moet hij daarbij extra ruimte gebruiken.
BIJLAGE IV
PROCEDURES EN VEREISTEN VOOR DE SELECTIE, BENOEMING EN VERVANGING VAN DE NIET VAN EEN CENTRALE BANK AFKOMSTIGE LEDEN VAN DE RAAD VOOR MARKTINFRASTRUCTUUR
1. Oproep tot mededinging
|
1.1. |
De Europese Centrale Bank (ECB) zal een oproep tot mededinging bekendmaken voor de benoeming van deskundigen als niet van een centrale bank afkomstige leden van de MIB en voor de instelling van een reservelijst. De oproep tot mededinging zal worden uitgevoerd overeenkomstig Besluit (EU) 2016/245 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/2) (1). Ze zal echter afwijken van artikel 22 van Besluit (EU) 2016/245 (ECB/2016/2). De oproep tot mededinging moet in overeenstemming zijn met de belangrijkste beginselen van openbare aanbesteding en correcte en transparante mededinging verzekeren. |
|
1.2. |
In de oproep tot mededinging wordt onder meer wat volgt uiteengezet: a) de rol van de MIB; b) de rol van niet van een centrale bank afkomstige leden binnen de MIB; c) de selectiecriteria; d) de relevante financiële aspecten, en e) de sollicitatieprocedure, met inbegrip van de uiterste termijn voor de ontvangst van sollicitaties. |
|
1.3. |
De oproep tot mededinging wordt tegelijkertijd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de ECB. In voorkomende gevallen kan de ECB gebruikmaken van aanvullende middelen om de oproep tot mededinging bekend te maken. In het geval van tegenstrijdigheden is de in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte versie beslissend. |
|
1.4. |
De uiterste termijn voor kandidaten om een sollicitatie in te dienen moet ten minste 35 kalenderdagen na bekendmaking van de oproep tot mededinging in het Publicatieblad van de Europese Unie liggen. |
2. Selectieprocedure
|
2.1. |
De Raad van Bestuur van de ECB (de „Raad van bestuur”) moet na voltooiing van de desbetreffende mededingingsprocedure de niet-centrale bankleden van de MIB aanstellen op basis van een voorstel van de Directie van de ECB (de „Directie”). |
|
2.2. |
De Directie evalueert de kandidaten overeenkomstig de selectiecriteria die zijn uiteengezet in deel 3 van deze bijlage IV. |
|
2.3. |
De voorzitter van de MIB, vertegenwoordigers van nationale centrale banken van het Eurosysteem, en personeel van de ECB kunnen de directie ondersteunen bij het voltooien van de beoordelingsformulieren van de kandidaten, welke beoordelingsformulieren een samenvatting bevatten van verdiensten en tekortkomingen van de kandidaat vergeleken met de selectiecriteria voor het mandaat en een aanbeveling voor benoeming overeenkomstig de geschiktheid van een kandidaat. |
|
2.4. |
Afwijkend van artikel 22, lid 6, van Besluit (EU) 2016/245 (ECB/2016/2), zullen twee kandidaten onmiddellijk worden benoemd en zal een reservelijst worden opgesteld voor potentiële kandidaten voor toekomstige vacatures. |
3. Selectiecriteria
De selectiecriteria zijn:
|
a) |
ervaring als hogere functionaris in de betalingssector of ervaring in de effectsector, hetzij als een dienstverlener of als een afnemer van diensten op dit gebied, alsook ervaring betreffende de bredere financiële sector van de Unie; |
|
b) |
ten minste 10 jaar ervaring in de omgang met belangrijke marktspelers op financiële markten van de Unie; |
|
c) |
relevante ervaring, bij voorkeur ervaring in projectbeheer, en |
|
d) |
het vermogen om effectief in het Engels te communiceren. |
4. Reservelijst
|
4.1. |
De ECB zal ernaar streven om altijd een reservelijst van kandidaten te behouden om de posities van niet-centrale bankleden van de MIB in te vullen. |
|
4.2. |
In geval van een vacature in de MIB voor een niet-centralebankenlid, kan de Directie een kandidaat van de reservelijst selecteren volgens zijn/haar rangorde en hem/haar aan de Raad van bestuur voorstellen als lid van de MIB voor een mandaat van 36 maanden of minder. Dat mandaat kan met een nieuwe termijn van niet langer dan 36 maanden worden verlengd, zodat de totale looptijd de maximaal toegestane duur voor niet-centrale bankleden van [zes] jaar niet overschrijdt. |
|
4.3. |
De reservelijst blijft na goedkeuring door de Raad van bestuur geldig voor een periode van 36 maanden. De Raad van bestuur kan de geldigheid van de reservelijst verlengen voor een bijkomende periode van 36 maanden als zij dat noodzakelijk acht. |
|
4.4. |
Afwijkend van artikel 22, lid 7, van Besluit (EU) 2016/245 (ECB/2016/2), staat de reservelijst niet open voor nieuwe sollicitanten. |
|
4.5. |
In afwijking van artikel 22, lid 8, van Besluit (EU) 2016/245 (ECB/2016/2), hebben kandidaten toegang tot hun gegevens en kunnen ze die bijwerken of corrigeren, maar ze kunnen hun informatie over hun voldoening aan de selectiecriteria niet bijwerken of corrigeren na de sluitingsdatum van de oproep tot mededinging. |
5. Benoeming
|
5.1. |
Niet-centrale bankleden van de MIB worden benoemd in hun persoonlijke hoedanigheid. Ze kunnen hun verantwoordelijkheden niet aan een ander lid of aan een derde delegeren. |
|
5.2. |
Alle benoemingen zijn afhankelijk van de ondertekening door de benoemde persoon van een benoemingscontract dat werd ondertekend door de voorzitter van de MIB, alsook een contract met de ECB betreffende toepasselijke vergoedingen en rechten van terugbetaling betreffende onkosten, en eveneens de in paragraaf 6.1 bedoelde verklaringen. |
|
5.3. |
De Raad van bestuur benoemt niet-centrale bankleden van de MIB als niet stemgerechtigde leden van de MIB voor een termijn van niet langer dan 36 maanden, hernieuwbaar voor een nieuwe termijn van 36 maanden, zodat de totale looptijd de maximaal toegestane duur voor niet-centrale bankleden van zes jaar niet overschrijdt. |
6. Verklaringen
|
6.1. |
Niet-centrale bankleden van de MIB verbinden zich ertoe de MIB-Gedragscode na te leven. Dienovereenkomstig wordt van hen verlangd dat zij de „Verklaring van naleving van de Gedragscode” in aanhangsel 1 van bijlage III ondertekenen en de „Verklaring van belang” in aanhangsel 2 van bijlage III invullen en ondertekenen. |
|
6.2. |
Van niet-centrale bankleden van de MIB wordt tevens verlangd dat ze de in de oproep tot mededinging bepaalde verklaringen ondertekenen. |
7. Beëindiging en vervanging
|
7.1. |
De Raad van bestuur kan het mandaat van een niet-centralebankenlid van de MIB beëindigen, indien, wat betreft dit niet-centralebankenlid één van wat volgt zich voordoet: een belangenconflict, plichtsverzuim, onvermogen om zijn/haar taken te vervullen, schending van de Gedragscode en/of ernstig wangedrag. |
|
7.2. |
Het mandaat van een niet van een niet-centralebankenlid wordt als beëindigd beschouwd wanneer het niet-centralebankenlid ontslag neemt of zijn/haar mandaat verloopt zonder te worden vernieuwd. |
|
7.3. |
Indien een mandaat voor het einde van de periode van 36 maanden wordt beëindigd, zijn paragraaf 4.2 en 4.3 van toepassing. |
(1) Besluit (EU) 2016/245 van de Europese Centrale Bank van 9 februari 2016 tot vaststelling van de regels inzake aanbesteding (ECB/2016/2) (PB L 45 van 20.2.2016, blz. 15).
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
4.2.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 32/32 |
BESLUIT Nr. 1/2019 VAN HET OZA-EU COMITÉ DOUANESAMENWERKING
van 14 januari 2019
betreffende een afwijking van de oorsprongsregels in Protocol 1 bij de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in verband met de bijzondere situatie van Mauritius met betrekking tot gezouten snoekmakreel [2019/167]
HET COMITÉ DOUANESAMENWERKING,
Gezien de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika (hierna de „OZA-staten” genoemd), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, en met name artikel 41, lid 4, van Protocol 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1) (hierna „de tussentijdse EPO” genoemd) wordt sinds 14 mei 2012 voorlopig toegepast tussen de Unie en de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen en de Republiek Zimbabwe. |
|
(2) |
Bij Protocol 1 bij de tussentijdse EPO betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking zijn de oorsprongsregels vastgelegd voor de invoer van producten van oorsprong uit OZA-staten in de Unie. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Protocol 1 bij de tussentijdse EPO mag worden afgeweken van deze oorsprongsregels wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën in de OZA-staten dit rechtvaardigt. |
|
(4) |
Op 2 oktober 2017 heeft het OZA-EU Comité douanesamenwerking Besluit nr. 2/2017 van het OZA-EU Comité douanesamenwerking [2017/1924] (2) vastgesteld waarbij een afwijking wordt toegestaan van de oorsprongsregels met betrekking tot gezouten snoekmakreel bestemd voor invoer in de Unie tussen 2 oktober 2017 en 1 oktober 2018 overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Protocol 1 bij de tussentijdse EPO. Als gevolg van een vertraging bij het plaatsen van orders, was er echter sprake van een beperkt gebruik van de hoeveelheid waarvoor de afwijking wordt verleend. |
|
(5) |
Mauritius heeft om een nieuwe afwijking van de oorsprongsregels verzocht voor 100 ton gezouten snoekmakreel van GS-post 0305 69, bestemd voor invoer in de Unie tussen oktober 2018 en oktober 2019, overeenkomstig artikel 42 van Protocol 1 bij de tussentijdse EPO. Mauritius herhaalt in zijn verzoek dat er geen snoekmakreel van oorsprong uit de Unie of Mauritius beschikbaar is en dat snoekmakreel uit andere staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan („ACS-staten”) niet voldoet aan de vereisten inzake kwaliteit en regelmatige aanvoer. Daarom moet Mauritius niet van oorsprong zijnde grondstoffen blijven betrekken voor zijn verwerkende industrie. Mauritius verwacht het gevraagde contingent voor de periode 2018/2019 volledig te kunnen benutten. |
|
(6) |
De afwijking zou de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen ten goede komen en zorgen voor diversificatie van de sector eetbare zeevis en schaal- en schelpdieren van Mauritius, die voornamelijk op tonijnproducten is gebaseerd. Mauritius heeft aangegeven dat de waarde van de verwachte uitvoer in het kader van de afwijking 390 000 EUR bedraagt. In 2017 bedroeg de waarde van de invoer van visserijproducten van GS-hoofdstuk 3 van Mauritius in de Unie 21 217 843 EUR. De geringe hoeveelheden, neerkomend op een waarde van slechts 1,84 % van de waarde van deze invoer, en de beperkte periode van de gevraagde afwijking zijn niet van dien aard dat daardoor ernstige schade ontstaat voor een economische sector van de Unie of van een of meer lidstaten. |
|
(7) |
Het is daarom passend Mauritius voor de periode van één jaar een afwijking toe te staan voor 100 ton gezouten snoekmakreel, hetgeen de bestaande industrie in staat stelt haar uitvoer naar de Unie voort te zetten. |
|
(8) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (3) zijn regels vastgesteld voor het beheer van tariefcontingenten. Deze regels dienen van toepassing te zijn op het beheer van de hoeveelheid waarvoor bij dit besluit een afwijking wordt toegestaan. |
|
(9) |
Om efficiënt toezicht te kunnen uitoefenen op de wijze waarop de afwijking wordt toegepast, moeten de autoriteiten van Mauritius regelmatig verslag uitbrengen aan de Commissie over de afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van Protocol 1 bij de tussentijdse EPO en overeenkomstig artikel 42, lid 1, van dat Protocol wordt gezouten snoekmakreel van GS-post 0305 69 (GN-code 0305 69 80), vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde snoekmakreel (barracouta) van GS-post 0303 89, overeenkomstig de voorwaarden in de artikelen 2 tot en met 5 van dit besluit beschouwd als van oorsprong uit Mauritius.
Artikel 2
De in artikel 1 bedoelde afwijking geldt voor het in de bijlage bij dit besluit vermelde product en de daar vermelde hoeveelheid die voor de periode van één jaar vanaf de datum van vaststelling van dit besluit vanuit Mauritius voor het vrije verkeer in de Unie worden aangegeven.
Artikel 3
De in de bijlage vastgestelde hoeveelheid wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.
Artikel 4
De douaneautoriteiten van Mauritius verrichten kwantitatieve controles bij de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten.
Vóór het eind van de maand die volgt op elk kwartaal, sturen de douaneautoriteiten van Mauritius de Commissie via het secretariaat van het Comité douanesamenwerking een overzicht van de hoeveelheden waarvoor op grond van dit besluit certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn afgegeven, samen met de volgnummers van deze certificaten.
Artikel 5
In vak 7 van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die krachtens dit besluit worden afgegeven, wordt een van de volgende vermeldingen aangebracht:
„Derogation — Decision No 1/2019 of the ESA-EU Customs Cooperation Committee of 14 January 2019 ”;
„Dérogation — Décision no 1/2019 du Comité de Coopération Douanière AfOA-UE du 14 janvier 2019 ”.
Artikel 6
1. Mauritius en de Unie nemen ieder voor zich de nodige maatregelen om dit besluit uit te voeren.
2. Wanneer de Unie op basis van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat er sprake is geweest van onregelmatigheden of fraude of dat de verplichtingen van artikel 4 herhaaldelijk niet zijn nagekomen, kan de Unie om een tijdelijke schorsing van de in artikel 1 bedoelde afwijking verzoeken overeenkomstig de procedure van artikel 22, leden 5 en 6, van de tussentijdse EPO.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking op 14 januari 2019.
Gedaan te Brussel, 14 januari 2019.
B. SAMSON
Vertegenwoordiger OZA-staten
namens de OZA-staten
J.G. SANCHEZ
Europese Commissie
namens de Europese Unie
(1) PB L 111 van 24.4.2012, blz. 2.
(2) Besluit nr. 2/2017 van het OZA-EU Comité douanesamenwerking van 2 oktober 2017 betreffende een afwijking van de oorsprongsregels in Protocol 1 bij de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in verband met de bijzondere situatie van Mauritius met betrekking tot gezouten snoekmakreel [2017/1924] (PB L 271 van 20.10.2017, blz. 47).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
GN-code |
Taric-code |
Omschrijving |
Periode |
Nettogewicht (in ton) |
|
09.1611 |
ex 0305 69 80 |
25 |
snoekmakreel (barracouta), gezouten |
14.1.2019-13.1.2020 |
100 |