|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/1 |
Informatie over de inwerkingtreding van de Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (*1) betreffende de totstandbrenging van een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte (ECAA)
De in 2006 te Luxemburg en Brussel ondertekende Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo betreffende de totstandbrenging van een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte (ECAA) is overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de overeenkomst op 1 december 2017 in werking getreden, nadat de laatste kennisgeving gedaan was op 25 oktober 2017.
(*1) Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
VERORDENINGEN
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/2 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/49 VAN DE COMMISSIE
van 4 januari 2019
tot verlening van een vergunning voor natriumseleniet, gecoate korrels natriumseleniet en zink-L-selenomethionine als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor het gebruik van natriumseleniet als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. Vervolgens is die stof overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in samenhang met artikel 7 van die verordening, is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van natriumseleniet als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. In het kader van de herbeoordeling is ook een aanvraag ingediend voor gecoate korrels natriumseleniet. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor zink-L-selenomethionine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. |
|
(5) |
De aanvragers hebben verzocht om natriumseleniet, gecoate korrels natriumseleniet en zink-L-selenomethionine in de categorie „nutritionele toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij die aanvragen waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd. |
|
(6) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 20 oktober 2015 (3), 28 januari 2016 (4), 8 maart 2016 (5) en 20 februari 2018 (6) geconcludeerd dat natriumseleniet, gecoate korrels natriumseleniet en zink-L-selenomethionine onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu hebben. Wat de voor andere organische verbindingen van seleen vastgestelde beperking van de toevoeging van organisch seleen betreft, heeft de EFSA geconcludeerd dat die beperking ook op zink-L-selenomethionine van toepassing moet zijn. Voorts heeft de EFSA geconcludeerd dat natriumseleniet, gecoate korrels natriumseleniet en zink-L-selenomethionine beschouwd mogen worden als doeltreffende bronnen van seleen voor alle diersoorten. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook de verslagen over de analysemethode voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd die door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium zijn ingediend. |
|
(7) |
Uit de beoordeling van natriumseleniet, gecoate korrels natriumseleniet en zink-L-selenomethionine blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. |
|
(8) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de stof natriumseleniet vereisen, moet in een overgangsperiode worden voorzien waarin de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden om aan de nieuwe vergunningsvoorwaarden te voldoen. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van een vergunning
Voor de in de bijlage gespecificeerde stoffen, die behoren tot de categorie „nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verbindingen van sporenelementen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. Natriumseleniet en voormengsels die die stof bevatten die vóór 3 augustus 2019 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 3 februari 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. Voedermiddelen en mengvoeders die natriumseleniet bevatten en vóór 3 februari 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 3 februari 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, als zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. Voedermiddelen en mengvoeders die natriumseleniet bevatten en vóór 3 februari 2021 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 3 februari 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, als zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 januari 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2015;13(11):4271.
(4) EFSA Journal 2016;14(2):4398.
(5) EFSA Journal 2016;14(3):4442.
(6) EFSA Journal 2018;16(3):5197.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Andere bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||||||||||||||
|
Seleen in mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verbindingen van sporenelementen |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3b801 |
|
Natriumseleniet |
Karakterisering van het toevoegingsmiddel Natriumseleniet in poedervorm, met een minimumgehalte van 45 % seleen Karakterisering van de werkzame stof Natriumseleniet Chemische formule: Na2SeO3 CAS-nummer 10102-18-8 Einecs-nummer 233-267-9 Analysemethode (1) Voor de karakterisering van natriumseleniet:
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid natrium in natriumseleniet:
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid seleen in voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders:
|
Alle soorten |
— |
|
0,50 (totaal) |
|
3 februari 2029 |
||||||||||||||||||||||||||||
|
3b802 |
|
Gecoate korrels natriumseleniet |
Karakterisering van het toevoegingsmiddel Preparaat van gecoate korrels natriumseleniet met
Deeltjes < 50 μm: minder dan 5 % Karakterisering van de werkzame stof Natriumseleniet Chemische formule: Na2SeO3 CAS-nummer 10102-18-8 Einecs-nummer 233-267-9 Analysemethode (1) Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid seleen in het toevoegingsmiddel voor diervoeding (preparaat van gecoate korrels):
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid natrium in het toevoegingsmiddel voor diervoeding (preparaat van gecoate korrels):
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid seleen in voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders:
|
Alle soorten |
— |
|
0,50 (totaal) |
|
3 februari 2029 |
||||||||||||||||||||||||||||
|
3b818 |
— |
Zink-L-selenomethionine |
Karakterisering van het toevoegingsmiddel Vast preparaat van zink-L-selenomethionine met een seleengehalte van 1 tot 2 g/kg Karakterisering van de werkzame stof Organisch seleen in de vorm van zink-L-selenomethionine Chemische formule: C5H10ClNO2SeZn Kristallijn poeder met
Analysemethode (1) Voor het bepalen van selenomethionine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor het bepalen van de totale hoeveelheid seleen in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor het bepalen van de totale hoeveelheid seleen in voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders:
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid zink in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
|
Alle soorten |
— |
|
0,50 (totaal) |
|
3 februari 2029 |
||||||||||||||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reportsa
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/8 |
VERORDENING (EU) 2019/50 VAN DE COMMISSIE
van 11 januari 2019
tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van chlorantraniliprole, clomazone, cyclaniliprool, fenazaquin, fenpicoxamid, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat, uienolie, thiacloprid en valifenalaat in of op bepaalde producten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 5, lid 1, artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 1, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor clomazone, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat en thiacloprid zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Voor chlorantraniliprole, fenazaquin en valifenalaat zijn MRL's vastgesteld in bijlage III, deel A, bij die verordening. Voor cyclaniliprool, fenpicoxamid en uienolie zijn geen specifieke MRL's vastgesteld en die stoffen zijn evenmin opgenomen in bijlage IV bij die verordening, waardoor de standaardwaarde van 0,01 mg/kg als bepaald in artikel 18, lid 1, onder b), van die verordening van toepassing is. |
|
(2) |
Op 4 juli 2009 heeft de Commissie van de Codex Alimentarius een Codex-grenswaarde (CXL) vastgesteld voor lambda-cyhalothrin in rogge (2). |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt, indien er internationale normen bestaan of op korte termijn tot stand zullen komen, hiermee bij de ontwikkeling en aanpassing van de levensmiddelenwetgeving rekening gehouden, tenzij die normen of de betrokken gedeelten ervan een ondoeltreffend of ongeschikt middel zouden zijn om de legitieme doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving te verwezenlijken, er wetenschappelijke gronden zijn om deze buiten beschouwing te laten of bedoelde normen tot een ander beschermingsniveau zouden leiden dan het niveau dat in de Unie passend wordt geacht. Overeenkomstig artikel 13, onder e), van die verordening zal de Unie bovendien de overeenstemming tussen internationale technische normen en levensmiddelenwetgeving bevorderen, waarbij zij erop toeziet dat aan het in de Unie vastgestelde hoge beschermingsniveau geen afbreuk wordt gedaan. |
|
(4) |
De CXL voor lambda-cyhalothrin in rogge is veilig voor de consumenten in de Unie (4) en moet daarom als MRL in Verordening (EG) nr. 396/2005 worden opgenomen. |
|
(5) |
In het kader van een procedure voor de verlening van een vergunning voor het gebruik op kamille en grote weegbree van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof clomazone bevat, is overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een aanvraag tot wijziging van de bestaande MRL's ingediend. |
|
(6) |
Wat fluoxastrobin betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor knoflook, koolzaad, lijnzaad, papaverzaad/maanzaad, mosterdzaad en huttentutzaad. Wat mepiquat betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor koolzaad, lijnzaad, papaverzaad/maanzaad, mosterdzaad, huttentutzaad, zonnebloemzaad, lever (van varkens, schapen en geiten), nier (van varkens), melk en eieren. Wat thiacloprid betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor bernagiezaad en radijzen. Wat valifenalaat betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor tomaten, aubergines, sla, uien, sjalotten en knoflook. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn aanvragen ingediend voor chlorantraniliprole en fenazaquin, die in de Verenigde Staten op hop respectievelijk amandelen worden gebruikt. De aanvragers voeren aan dat het toegestane gebruik van die stoffen op dergelijke gewassen in de Verenigde Staten leidt tot residugehalten die de MRL's in Verordening (EG) nr. 396/2005 overschrijden en dat hogere MRL's nodig zijn om handelsbelemmeringen voor de invoer van die gewassen te vermijden. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn die aanvragen door de betrokken lidstaten geëvalueerd en zijn de evaluatieverslagen bij de Commissie ingediend. |
|
(9) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft de aanvragen en de evaluatieverslagen beoordeeld, waarbij zij bijzondere aandacht heeft besteed aan de risico's voor de consument en in voorkomend geval voor dieren, en zij heeft met redenen omklede adviezen over de voorgestelde MRL's uitgebracht (5). Zij heeft die adviezen naar de aanvragers, de Commissie en de lidstaten gezonden en openbaar gemaakt. |
|
(10) |
Wat fluoxastrobin op knoflook betreft, heeft de EFSA een aanvraag tot vaststelling van een MRL voor uien beoordeeld, en een met redenen omkleed advies over het voorgestelde MRL uitgebracht (6). Overeenkomstig de bestaande richtsnoeren van de EU inzake de extrapolatie van MRL's is het passend om het MRL voor uien ook voor knoflook vast te stellen. |
|
(11) |
Wat alle andere toepassingen betreft, heeft de EFSA geconcludeerd dat aan alle eisen met betrekking tot de gegevens was voldaan en dat de door de aanvragers gevraagde wijzigingen van de MRL's op grond van een consumentenblootstellingsbeoordeling voor 27 specifieke Europese consumentengroepen uit het oogpunt van de consumentenveiligheid aanvaardbaar waren. Zij heeft rekening gehouden met de meest recente informatie over de toxicologische eigenschappen van de stoffen. Noch uit de gegevens over de levenslange blootstelling aan deze stoffen via de consumptie van alle levensmiddelen die deze stoffen kunnen bevatten, noch uit de gegevens over de blootstelling op korte termijn door hoge consumptie van de desbetreffende producten is gebleken dat er een risico bestaat dat de aanvaardbare dagelijkse inname of de acute referentiedosis wordt overschreden. |
|
(12) |
Voor mepiquat zijn bij Verordening (EU) 2016/1003 (7) van de Commissie tot en met 31 december 2018 tijdelijke MRL's vastgesteld voor gekweekte paddenstoelen teneinde een kruisbesmetting van onbehandelde gekweekte paddenstoelen met stro dat rechtmatig is behandeld met Mepiquat aan te pakken. De lidstaten en de Autoriteit hebben recente monitoringgegevens ingediend waaruit blijkt dat residuen van mepiquat nog steeds voorkomen boven de desbetreffende bepaalbaarheidsgrens. Het is daarom passend de geldigheidsduur van het huidige MRL, dat op 0,09 mg/kg is vastgesteld, te verlengen. Het MRL wordt later opnieuw beoordeeld; daarbij wordt rekening gehouden met de informatie die binnen vier jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(13) |
Wat lambda-cyhalothrin betreft, zijn bij Verordening (EU) 2018/960 van de Commissie (8) verscheidene MRL's gewijzigd. Bij die verordening wordt het MRL voor rogge ongeacht de bestaande CXL voor rogge met ingang van 26 januari 2019 verlaagd tot de bepaalbaarheidsgrens. Ter wille van de rechtszekerheid moet het MRL zoals bepaald in deze verordening vanaf dezelfde datum van toepassing zijn. |
|
(14) |
In het kader van de goedkeuring van de werkzame stof fenpicoxamid werd een aanvraag voor een MRL opgenomen in het beknopte dossier overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder g), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (9). Deze aanvraag is in overeenstemming met artikel 11, lid 2, van die verordening door de betrokken lidstaat beoordeeld. De EFSA heeft de aanvraag beoordeeld en een conclusie over de intercollegiale toetsing van de risicobeoordeling van de werkzame stof als pesticide uitgebracht, waarin zij heeft aanbevolen MRL's vast te stellen rekening houdend met het representatieve gebruik op rogge en tarwe overeenkomstig de goede landbouwpraktijken in de Unie en met een aanvraag voor invoertolerantie voor bananen uit Panama (10). |
|
(15) |
Uienolie is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1295 van de Commissie (11) goedgekeurd als basisstof. Naar verwachting leiden de voorwaarden voor het gebruik van die stof niet tot de aanwezigheid van residuen in levensmiddelen of diervoeders die een risico voor de consument kunnen vormen. Daarom moet die stof worden opgenomen in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(16) |
De werkzame stof cyclaniliprool is niet goedgekeurd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/357 van de Commissie (12). Aangezien in Verordening (EG) nr. 396/2005 geen MRL's zijn vastgesteld, is het passend de stof op te nemen in bijlage V bij die verordening. |
|
(17) |
Op grond van de met redenen omklede adviezen en de conclusie van de EFSA en rekening houdend met de ter zake relevante factoren voldoen de wijzigingen van de MRL's aan de vereisten van artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(18) |
Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(19) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019. Wat het MRL voor lambda-cyhalothrin in rogge betreft, is zij evenwel van toepassing met ingang van 26 januari 2019.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 januari 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(2) http://www.fao.org/fao-who-codexalimentarius/sh-proxy/en/?lnk=1&url=https%253A%252F%252Fworkspace.fao.org%252Fsites%252Fcodex%252FMeetings%252FCX-718-41%252Fal32_24e.pdf.
Gezamenlijk FAO/WHO-voedselnormenprogramma, Commissie van de Codex Alimentarius. Aanhangsels III en IV. Tweeëndertigste zitting. Rome, Italië, 29 juni-4 juli 2009.
(3) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(4) Herziening van de herbeoordeling van de bestaande maximumgehalten aan residuen voor de werkzame stof lambda-cyhalothrin. EFSA Journal 2015;13(12):4324.
(5) Wetenschappelijke verslagen van de EFSA, online beschikbaar op:
http://www.efsa.europa.eu:
|
|
Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for clomazone in chamomiles and plantains. EFSA Journal 2018;16(6):5316. |
|
|
Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for fluoxastrobin in oilseeds. EFSA Journal 2018;16(7):5381. |
|
|
Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for mepiquat in various oilseeds and animal commodities. EFSA Journal 2018;16(7):5380. |
|
|
Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for thiacloprid in corn gromwell seeds and radish. EFSA Journal 2018;16(6):5313. |
|
|
Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for valifenalate in various crops. EFSA Journal 2018;16(6):5289. |
|
|
Reasoned opinion on the setting of an import tolerance for chlorantraniliprole in hops. EFSA Journal 2018;16(6):5312. |
|
|
Reasoned opinion on the setting of an import tolerance for fenazaquin in almonds. EFSA Journal 2018;16(7):5330. |
(6) Reasoned opinion on the review of the existing maximum residue levels (MRLs) for fluoxastrobin according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2012;10(12):3012.
(7) Verordening (EU) 2016/1003 van de Commissie van 17 juni 2016 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten van abamectine, acequinocyl, acetamiprid, benzovindiflupyr, bromoxynil, fludioxonil, fluopicolide, fosetyl, mepiquat, proquinazid, propamocarb, prohexadion en tebuconazool in of op bepaalde producten (PB L 167 van 24.6.2016, blz. 46).
(8) Verordening (EU) 2018/960 van de Commissie van 5 juli 2018 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor lambda-cyhalothrin in of op bepaalde producten (PB L 169 van 6.7.2018, blz. 27).
(9) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
(10) Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fenpicoxamid (XDE-777). EFSA Journal 2018;16(1):5146.
(11) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1295 van de Commissie van 26 september 2018 tot goedkeuring van de basisstof uienolie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 243 van 27.9.2018, blz. 7).
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/357 van de Commissie van 28 februari 2017 tot niet-goedkeuring van de werkzame stof cyclaniliprool overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 54 van 1.3.2017, blz. 4).
BIJLAGE
De bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden als volgt gewijzigd:
|
1. |
Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2. |
In bijlage III, deel A, worden de kolommen voor chlorantraniliprole, fenazaquin en valifenalaat vervangen door: „Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)
|
|
3. |
In bijlage IV wordt de volgende vermelding in alfabetische volgorde ingevoegd: „uienolie”. |
|
4. |
In bijlage V wordt de volgende kolom voor cyclaniliprool toegevoegd: „Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)
|
(*1) Bepaalbaarheidsgrens
(1) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*2) Bepaalbaarheidsgrens
(2) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*3) Bepaalbaarheidsgrens
(3) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.”
(*4) Bepaalbaarheidsgrens
(4) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.”
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/60 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/51 VAN DE COMMISSIE
van 11 januari 2019
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96 (1), en met name artikel 11, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 bevat een lijst van overheidsinstellingen, -ondernemingen en -agentschappen, natuurlijke personen en rechtspersonen, organen en entiteiten van de voormalige regering van Irak waarvan de tegoeden en economische middelen die zich op 22 mei 2003 buiten Irak bevonden, overeenkomstig die verordening dienen te worden bevroren. |
|
(2) |
Op 8 januari 2019 heeft het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten drie vermeldingen te schrappen van de lijst van personen of entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. |
|
(3) |
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 januari 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE
In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1210/2003 worden de volgende vermeldingen geschrapt:
|
„42. |
GENERAL ESTABLISHMENT FOR DESIGNS AND RESEARCH. Adres: P.O. Box 6061, Aamiriya, 7 Nisan, Aamiriya, Irak.” |
|
„126. |
STATE ENTERPRISE FOR ALUMINUM SEMI PRODUCTS. Adres: P.O. Box 38, Nasiriyah, Irak.” |
|
„130. |
STATE ENTERPRISE FOR CABLES AND WIRES (alias STATE CABLES AND WIRES ENTERPRISE). Adres: P.O. Box 44, Nassiriyah, Irak.”. |
BESLUITEN
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/62 |
BESLUIT (EU) 2019/52 VAN DE RAAD
van 20 december 2018
houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tot wijziging van het bestaande tariefcontingent voor vlees van pluimvee en bereidingen daarvan en tot wijziging van de bestaande tariefregeling voor andere delen van pluimvee, zoals vastgesteld in bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, leden 3 en 4,
Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (1) („de associatieovereenkomst”) is op 21 maart en 27 juni 2014 in Brussel ondertekend. Het werd vanaf 1 januari 2016 voorlopig toegepast en is op 1 september 2017 in werking getreden. |
|
(2) |
Een nieuw type deelstuk van pluimvee onder tariefposten GN-code 0207 13 70 („andere delen, vers of gekoeld”) en GN-code 0207 14 70 („andere delen, bevroren”) is sinds medio 2016 vanuit Oekraïne in de Unie ingevoerd. Die invoer is in de eerste zes maanden van 2018 sterk toegenomen tot 25 000 ton. Uit hoofde van de associatieovereenkomst kan die invoer de markt van de Unie tegen nulrecht binnenkomen zonder kwantitatieve beperkingen. |
|
(3) |
Het nieuwe type deelstuk van pluimvee bestaat uit een traditionele borstkap met daaraan de opperarmbenen van de vleugels bevestigd, en kan na minimale transformatie in de Unie als borst van pluimvee in de Unie in de handel worden gebracht. De onbeperkte invoer van die delen dreigt bijgevolg de voorwaarden waaronder traditionele delen van borsten van pluimvee uit hoofde van de associatieovereenkomst in de Unie mogen worden ingevoerd, met name de kwantitatieve beperkingen in de vorm van een tariefcontingent, te ondermijnen. |
|
(4) |
Derhalve moeten onderhandelingen worden geopend met het oog op de sluiting van een overeenkomst tot wijziging van de associatieovereenkomst wat betreft de omvang van het tariefcontingent voor vlees van pluimvee en bereidingen daarvan, en het opnieuw instellen van het meestbegunstigingsrecht voor invoer uit Oekraïne die dat tariefcontingent overstijgen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Commissie wordt gemachtigd om namens de Unie te onderhandelen over een wijziging van de tarieflijst van de Unie wat betreft de twee tariefposten GN 0207 13 70 („andere delen, vers of gekoeld”) en GN 0207 14 70 („andere delen, bevroren”) van bijlage I-A bij hoofdstuk 1, en van het tariefcontingent voor vlees van pluimvee en bereidingen daarvan in het aanhangsel van bijlage I-A bij de associatieovereenkomst.
Artikel 2
De onderhandelingen worden gevoerd op basis van de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad die zijn opgenomen in het addendum bij dit besluit.
Artikel 3
De onderhandelingen worden gevoerd in overleg met het Comité handelspolitiek, als bepaald in artikel 207, lid 3, derde alinea van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel, 20 december 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
E. KÖSTINGER
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/64 |
BESLUIT (EU) 2019/53 VAN DE RAAD
van 20 december 2018
betreffende het namens de Europese Unie op de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Rotterdam in te nemen standpunt over nalevingsprocedures
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, en artikel 207, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel („het verdrag”) is namens de Unie bij Besluit 2006/730/EG van de Raad (1) gesloten en trad op 24 februari 2004 in werking. |
|
(2) |
Op grond van artikel 22 van het verdrag kan de Conferentie van de partijen aanvullende bijlagen bij het verdrag vaststellen die betrekking hebben op aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijke, technische of administratieve aard. |
|
(3) |
Tijdens de 9e gewone bijeenkomst van de Conferentie van de partijen, die plaatsvindt van 29 april tot en met 10 mei 2019, nemen de partijen de goedkeuring van een aanvullende procedurele bijlage in overweging ter invoering van een niet-nalevingsmechanisme zoals vereist krachtens artikel 17 van het verdrag. |
|
(4) |
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie op de Conferentie van de partijen moet worden ingenomen, aangezien de aanvullende procedurele bijlage bindend zal zijn voor de Unie. |
|
(5) |
De Unie bevestigt opnieuw dat het van cruciaal belang is om een betere uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten en -normen te bevorderen en er zich op internationaal niveau voor te engageren. |
|
(6) |
Aangezien het verdrag deels onder de bevoegdheid van de Unie en deels onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, moeten de Commissie en de lidstaten bij de goedkeuring van een nalevingsmechanisme nauw met elkaar samenwerken, met het oog op eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Europese Unie, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in te nemen standpunt in de komende Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Rotterdam bestaat erin het aan dit besluit gehechte ontwerp van handeling inzake naleving te steunen.
In het licht van ontwikkelingen tijdens de komende Conferentie van de partijen kunnen kleine wijzigingen van het aan dit besluit gehechte ontwerp van handeling inzake naleving door vertegenwoordigers van de Unie worden goedgekeurd, in overleg met de lidstaten, tijdens coördinatievergaderingen ter plaatse, zonder nader besluit van de Raad.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 20 december 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
E. KÖSTINGER
(1) Besluit 2006/730/EG van de Raad van 25 september 2006 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (PB L 299 van 28.10.2006, blz. 23).
BIJLAGE
Ontwerpbesluit RC-9/[ ]: Procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam
Indiening door …
Besluit om bijlage VII bij het verdrag vast te stellen, waarin procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam zijn bepaald, zoals vervat in de bijlage bij het onderhavige besluit.
Aanhangsel
Bijlage VII: Procedures en mechanismen inzake naleving van het Verdrag van Rotterdam
|
1. |
Hierbij wordt een nalevingscomité (hierna „het comité” genoemd) opgericht. |
Leden
|
2. |
Het comité telt 15 leden. Leden worden voorgedragen door de partijen en verkozen door de Conferentie van de partijen op basis van gelijkwaardige geografische vertegenwoordiging van de vijf regionale groepen van de Verenigde Naties. |
|
3. |
De leden beschikken over expertise en specifieke kwalificaties in de door het verdrag bestreken onderwerpen. Zij nemen op objectieve wijze en in het belang van het verdrag zitting. |
Verkiezing van leden
|
4. |
Tijdens de eerste bijeenkomst van de Conferentie van de partijen na de inwerkingtreding van deze bijlage worden acht leden van het comité voor één ambtstermijn en zeven leden voor twee ambtstermijnen verkozen. Tijdens elke gewone bijeenkomst van de Conferentie van de partijen daarna worden nieuwe leden verkozen voor twee volledige termijnen om de leden van wie de ambtstermijn geheel of bijna is vervuld, te vervangen. Leden vervullen niet meer dan twee opeenvolgende ambtstermijnen. In het kader van deze bijlage betekent „ambtstermijn” de periode die aanvangt aan het einde van een gewone bijeenkomst van de Conferentie van de partijen en eindigt aan het einde van de volgende gewone bijeenkomst van de Conferentie van de partijen. |
|
5. |
Indien een lid van het comité ontslag neemt of anderszins niet in staat is om zijn of haar ambtstermijn te voltooien of zijn of haar taken uit te voeren, benoemt de partij die dat lid benoemde een plaatsvervanger die zitting neemt voor de rest van de ambtstermijn. |
Voorzitterschap
|
6. |
Het comité kiest zelf zijn voorzitter. Een ondervoorzitter en een rapporteur worden bij toerbeurt verkozen door het comité overeenkomstig regel 30 van het reglement van orde van de Conferentie van de partijen. |
Bijeenkomsten
|
7. |
Het comité komt bijeen zoals nodig en indien mogelijk in samenhang met de bijeenkomsten van de Conferentie van de partijen of andere organen van het verdrag. |
|
8. |
Onverminderd lid 9 staan de bijeenkomsten van het comité open voor de partijen en het publiek tenzij het comité anders beslist.
Indien het comité indieningen krachtens lid 12 of 13 behandelt, staan de bijeenkomsten van het comité open voor de partijen maar niet voor het publiek, tenzij de partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld anders overeenkomt. De partijen en waarnemers waarvoor de bijeenkomst open staat hebben niet het recht om deel te nemen aan de bijeenkomst, tenzij het comité en de partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, anders overeenkomen. |
|
9. |
Indien een indiening wordt aangevoerd met betrekking tot de mogelijke niet-naleving van een partij, wordt deze partij uitgenodigd om deel te nemen aan de behandeling van de indiening door het comité. Die partij mag evenwel niet deelnemen aan de opstelling en vaststelling van een aanbeveling of besluit van het comité. |
|
10. |
Het comité stelt alles in het werk om bij consensus overeenkomst te bereiken over alle inhoudelijke aangelegenheden. Indien dit niet mogelijk is, weerspiegelt het verslag de standpunten van alle leden van het comité. Indien alle inspanningen om een consensus te bereiken zijn uitgeput en er geen overeenstemming is bereikt, wordt als laatste redmiddel een eventueel besluit worden genomen door een viervijfdemeerderheid van de aanwezige en stemmende leden of door acht leden indien dat meer is. Het quorum wordt gevormd door tien leden van het comité. |
|
11. |
Ieder lid van het comité vermijdt met betrekking tot elke kwestie die door het comité wordt behandeld, rechtstreekse of onrechtstreekse belangenverstrengeling. Indien een lid zelf geconfronteerd wordt met rechtstreekse of onrechtstreekse belangenverstrengeling of een burger is van een partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, brengt dat lid de kwestie onder de aandacht van het comité vóór de behandeling van de zaak. Het betrokken lid neemt niet deel aan de opstelling en vaststelling van een aanbeveling van het comité met betrekking tot die aangelegenheid. |
|
12. |
Indieningen geschieden schriftelijk, via het secretariaat indien de punten a) en b) van toepassing zijn, door:
|
|
13. |
Teneinde mogelijke moeilijkheden waarmee de partijen worden geconfronteerd bij het naleven van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 1, artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 10 van het verdrag, te beoordelen, stelt het comité, na ontvangst van informatie van het secretariaat die is verstrekt door dergelijke partijen uit hoofde van die bepalingen, de partij schriftelijk in kennis van het punt van zorg. Indien de zaak niet is opgelost binnen 90 dagen middels overleg via het secretariaat met de betrokken partij en het comité de zaak verder behandelt, gebeurt dit in overeenstemming met de leden 16 tot en met 24. |
|
14. |
Het secretariaat stuurt krachtens lid 12, onder a), gedane indieningen binnen twee weken na ontvangst van dergelijke indieningen aan de leden van het comité ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het comité. |
|
15. |
Het secretariaat stuurt binnen twee weken na ontvangst van eventuele indieningen die zijn gedaan krachtens lid 12, onder b), of tot nakoming van lid 13, een kopie aan de partij waarvan de naleving van het verdrag in vraag wordt gesteld en aan de leden van het comité ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het comité. |
|
16. |
Partijen waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, kunnen in elke fase van de in het onderhavige besluit beschreven procedure antwoorden of opmerkingen indienen. |
|
17. |
Onverminderd lid 16 moet aanvullende informatie die door een partij waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, als antwoord op een indiening wordt verstrekt, binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de indiening door die partij aan het secretariaat worden gestuurd, tenzij de omstandigheden van een specifieke zaak een langere periode vereisen. Dergelijke informatie wordt onmiddellijk aan de leden van het comité overgemaakt ter behandeling tijdens de volgende bijeenkomst van het comité. Indien een indiening is gedaan uit hoofde van lid 12, onder b), wordt de informatie door het secretariaat ook gestuurd aan de partij die de indiening deed. |
|
18. |
Het comité kan besluiten niet verder te gaan met indieningen die het beschouwt als zijnde:
|
Facilitering
|
19. |
Het comité behandelt alle indieningen die zijn gedaan krachtens lid 12, onder b), of tot nakoming van lid 13 teneinde de feiten en onderliggende oorzaken van het punt van zorg vast te stellen en bij te dragen tot de oplossing ervan, rekening houdend met artikel 16 van het verdrag. Daartoe kan het comité een partij het volgende verstrekken:
|
Mogelijke maatregelen voor de aanpak van nalevingskwesties
|
20. |
Indien het comité na de in lid 19 beschreven faciliteringsprocedure te hebben ondernomen en rekening houdend met de oorzaak, de soort, de ernst en de frequentie van nalevingsmoeilijkheden, met inbegrip van de financiële en technische capaciteiten van de partijen waarvan het nalevingsgedrag in vraag wordt gesteld, het noodzakelijk acht verdere maatregelen voor te stellen om de nalevingsproblemen van een partij aan te pakken, kan het comité de Conferentie van de partijen, rekening houdend met zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 18, lid 5, onder c), van het verdrag, aanbevelen om de volgende maatregelen, die in overeenstemming met het internationaal recht moeten worden genomen, in overweging te nemen om naleving te bereiken:
|
Behandeling van informatie
|
21. |
|
|
22. |
Teneinde systemische kwesties van algemene naleving te onderzoeken overeenkomstig lid 25, kan het comité:
|
|
23. |
Onverminderd artikel 14 van het verdrag beschermen het comité, elke partij en iedere persoon die betrokken zijn bij de beraadslagingen van het comité, het vertrouwelijke karakter van in vertrouwen ontvangen informatie. |
Toezicht
|
24. |
Het nalevingscomité houdt toezicht op de gevolgen van krachtens lid 19 of 20 ondernomen acties. |
Algemene nalevingskwesties
|
25. |
Het nalevingscomité kan systemische kwesties van algemene naleving die van belang zijn voor alle partijen onderzoeken indien:
|
Verslagen aan de Conferentie van de partijen
|
26. |
Het comité brengt aan elke gewone bijeenkomst van de Conferentie van de partijen verslag uit over:
|
Andere ondersteunende organen
|
27. |
Indien de activiteiten van het comité aangaande specifieke kwesties overlappen met de verantwoordelijkheden van een ander lichaam van het Verdrag van Rotterdam, kan de Conferentie van de partijen het comité opdragen met dat lichaam overleg te plegen. |
Informatie-uitwisseling met andere relevante multilaterale milieuovereenkomsten
|
28. |
Indien relevant, kan het comité op verzoek van de Conferentie van de partijen of rechtstreeks specifieke informatie aanvragen bij nalevingscomités die zich onder auspiciën van andere relevante multilaterale milieuovereenkomsten bezighouden met gevaarlijke substanties en afvalstoffen en over deze activiteiten verslag uitbrengen aan de Conferentie van de partijen. |
Evaluatie van het nalevingsmechanisme
|
29. |
De Conferentie van de partijen evalueert regelmatig de tenuitvoerlegging van de in deze bijlage uiteengezette procedures en mechanismen. |
Verband met de beslechting van geschillen
|
30. |
Deze procedures en mechanismen doen geen afbreuk aan artikel 20 van het verdrag. |
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/71 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/54 VAN DE COMMISSIE
van 9 januari 2019
betreffende de geldigheid van een bepaalde bindende tariefinlichting
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 142)
(Slechts de tekst in de Poolse taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 34, lid 11, en artikel 37, lid 2, onder a),
Na raadpleging van het Comité douanewetboek,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De in de bijlage genoemde beschikking betreffende een bindende tariefinlichting (BTI) bevat een tariefindeling die in strijd is met de gecombineerde nomenclatuur (GN) in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2). Deze BTI is met name in strijd met de algemene regels voor de interpretatie van de GN en de tekst van GN-code 2833 11 00, gelezen in samenhang met aantekening 1 op hoofdstuk 25 van de GN en de tekst van GN-code 2530 90 00. |
|
(2) |
In aantekening 1 op hoofdstuk 25 van de GN is bepaald dat onder de posten van dat hoofdstuk uitsluitend producten vallen in ruwe staat en producten die met een beperkt aantal mechanische of fysische werkwijzen (met uitzondering van kristallisatie) zijn behandeld. Producten die gebrand of geroost zijn of zijn verkregen door vermenging, dan wel een bewerking hebben ondergaan die uitgaat boven de in de verschillende posten aangegeven bewerkingen, zijn echter van dit hoofdstuk uitgezonderd. |
|
(3) |
Het product dat door de in de bijlage genoemde BTI wordt gedekt is wat betreft de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan identiek aan het product dat in GS-indelingsadvies 2530.90/2 van de WDO is beschreven als een strooibaar wit poeder bevattende meer dan 99,2 gewichtspercenten watervrij dinatriumsulfaat, alleen verkregen door mechanische verzameling van thenardiet (watervrij dinatriumsulfaat). Thenardiet wordt van nature in de openlucht gevormd op het oppervlak van mirabiliet (dinatriumsulfaat-decahydraat) dat door de lage temperatuur in de winter is gekristalliseerd uit een natuurlijk zoutmeer. Voordat het werd verpakt, is het product door een zeef met een opening van 0,65 mm gezeefd. In dat GS-indelingsadvies van de WDO is het product onder onderverdeling 2530 90 van het geharmoniseerd systeem ingedeeld. Deze onderverdeling komt overeen met onderverdeling 2530 90 00 van de gecombineerde nomenclatuur. |
|
(4) |
Dat product (mechanisch verzameld) is in ruwe staat. Uit de tekst van aantekening 1 op hoofdstuk 25 blijkt dat alleen een door de mens teweeggebrachte kristallisatie is uitgesloten. In het geval van het product in kwestie, vindt kristallisatie op natuurlijke wijze plaats, zonder menselijke tussenkomst. Het overpompen van het natuurlijke zoutmeer van het ene naar het andere meer (waar de daadwerkelijke kristallisatie optreedt) kan niet worden beschouwd als een bewerking van een grondstof in de zin van aantekening 1 op hoofdstuk 25, omdat het slechts om een vervoersproces gaat. De tariefindeling van het product overeenkomstig de in de bijlage genoemde BTI is daarom niet in overeenstemming met GN-code 2530 90 00, met name in het licht van GS-indelingsadvies 2530.90/2 van de WDO. |
|
(5) |
De Unie is krachtens Besluit 87/369/EEG van de Raad (3) verdragsluitende partij bij het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (bekend als het geharmoniseerd systeem of GS), dat is opgesteld door de Internationale Douaneraad (bekend als de Werelddouaneorganisatie of WDO). Het Comité voor het geharmoniseerd systeem van de WDO keurt de GS-indelingsadviezen van de WDO goed, die in beginsel als richtsnoeren voor tariefmaatregelen van de Unie fungeren. |
|
(6) |
Het Comité voor het geharmoniseerd systeem keurde tijdens zijn 58e zitting in oktober 2016 een indelingsadvies goed op grond waarvan een product dat identiek is aan het product waarvoor de in de bijlage genoemde BTI werd verstrekt, onder GS-onderverdeling 2530.90 (GS-indelingsadvies 2530.90/2 van de WDO) werd ingedeeld. |
|
(7) |
Omwille van een uniforme interpretatie en toepassing van het geharmoniseerde systeem op internationaal niveau en gelet op het feit dat het besluit in overeenstemming is met de tekst van GS-onderverdeling 2530.90, dient de Unie dit indelingsadvies van het Comité voor het geharmoniseerd systeem van de WDO toe te passen. |
|
(8) |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 34, lid 7, onder a), iii), van Verordening (EU) nr. 952/2013 betreffende door de douaneautoriteiten van de lidstaten genomen beschikkingen inzake bindende inlichtingen over de indeling van goederen in de douanenomenclatuur (mededeling 2017/C 128/01) (4) vermeldt onder meer GS-indelingsadvies 2530.90/2 van de WDO. Daarom zijn douaneautoriteiten verplicht beschikkingen inzake bindende inlichtingen in te trekken als zij niet langer verenigbaar zijn met de interpretatie van de douanenomenclatuur als gevolg van (onder meer) de door de Internationale Douaneraad goedgekeurde indelingsadviezen. |
|
(9) |
Om een juiste en uniforme tariefindeling van goederen te garanderen, moet de in de bijlage genoemde BTI worden ingetrokken. De douaneautoriteit die deze inlichting heeft afgegeven, moet haar daarom zo spoedig mogelijk intrekken na de kennisgeving van dit besluit en de Commissie daarvan in kennis stellen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De in kolom 1 van de tabel in de bijlage genoemde bindende tariefinlichting, die door de in kolom 2 genoemde douaneautoriteit is afgegeven voor de in kolom 3 genoemde tariefindeling, wordt overeenkomstig lid 2 ingetrokken.
2. De in kolom 2 van de tabel in de bijlage genoemde douaneautoriteit trekt de in kolom 1 van die tabel genoemde bindende tariefinlichting zo spoedig mogelijk in en stelt de houder daarvan zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen tien dagen na kennisgeving van dit besluit, in kennis.
3. Wanneer de douaneautoriteit een bindende tariefinlichting intrekt en de kennisgeving doet overeenkomstig lid 2, stelt ze de Commissie hiervan in kennis.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Republiek Polen.
Gedaan te Brussel, 9 januari 2019.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Stephen QUEST
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Belastingen en Douane-Unie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
(3) Besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 inzake de sluiting van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, alsmede van het daarbij behorende protocol van wijziging (PB L 198 van 20.7.1987, blz. 1).
BIJLAGE
|
Bindende tariefinlichting — referentienummer |
Douaneautoriteit |
Tariefindeling |
||||
|
1 |
2 |
3 |
||||
|
PL PL-WIT-2016-00758 |
|
2833 11 00 |
|
14.1.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 10/74 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/55 VAN DE COMMISSIE
van 10 januari 2019
houdende rectificatie van de Bulgaarse en de Franse taalversie van Beschikking 2004/558/EG tot uitvoering van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad voor wat betreft aanvullende garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen ten aanzien van infectieuze boviene rinotracheïtis en de goedkeuring van de door sommige lidstaten ingediende uitroeiingsprogramma's
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 8)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Bulgaarse en de Franse taalversie van Beschikking 2004/558/EG van de Commissie (2) bevatten in artikel 3, lid 1, onder b), een fout. De Bulgaarse en de Franse taalversie verwijzen naar bloedmonsters van fok- en gebruiksrunderen die minder dan 21 dagen na aankomst in de isolatie-inrichting moeten worden genomen, terwijl de correcte garantie voor te nemen bloedmonsters ten minste 21 dagen na aankomst in de isolatie-inrichting is. |
|
(2) |
De Bulgaarse en de Franse taalversie van Beschikking 2004/558/EG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd. Deze fout betreft niet de overige taalversies. |
|
(3) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
(heeft geen betrekking op het Nederlands)
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 10 januari 2019.
Voor de Commissie
Günther OETTINGER
Lid van de Commissie
(1) PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977.
(2) Beschikking 2004/558/EG van de Commissie van 15 juli 2004 tot uitvoering van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad voor wat betreft aanvullende garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen ten aanzien van infectieuze boviene rinotracheïtis en de goedkeuring van de door sommige lidstaten ingediende uitroeiingsprogramma's (PB L 249 van 23.7.2004, blz. 20).