|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
61e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/1 |
BESLUIT (EU) 2018/1549 VAN DE RAAD
van 11 oktober 2018
inzake de ondertekening, namens de Unie, van de Regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 5, VWEU,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad (1) werd het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht opgericht (het „Agentschap”). |
|
(2) |
Verordening (EU) nr. 1077/2011 bepaalt dat regelingen betreffende onder meer de aard en de omvang van, alsook de nadere regels voor de deelname van de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van de financiële bijdragen, het personeel en het stemrecht, worden getroffen uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van de associatieovereenkomsten. |
|
(3) |
Op 24 juli 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen met het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein te openen over een regeling inzake de deelname van deze landen aan het Agentschap. De onderhandelingen werden op 15 juni 2018 succesvol afgerond met de parafering van de Regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (de „regeling”). |
|
(4) |
De tekst van de regeling die uit de onderhandelingen is voortgekomen, bevat de specifieke bepalingen die nodig zijn om de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen, in staat te stellen concreet deel te nemen aan de werkzaamheden van het Agentschap. |
|
(5) |
Zoals wordt toegelicht in overweging 33 van Verordening (EU) nr. 1077/2011, neemt het Verenigd Koninkrijk deel aan de aanneming en toepassing van die verordening en is deze bindend voor dat land. Ierland heeft na de vaststelling van die verordening verzocht om deelname aan Verordening (EU) nr. 1077/2011 overeenkomstig Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland dienen dan ook uitvoering te geven aan artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 door deel te nemen aan dit besluit. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland nemen daarom deel aan dit besluit. |
|
(6) |
Zoals wordt toegelicht in overweging 32 van Verordening (EU) nr. 1077/2011, neemt Denemarken niet deel aan die verordening en is deze niet bindend voor dat land. Denemarken neemt dan ook niet deel aan dit besluit. Aangezien dit besluit, voor zover het betrekking heeft op het bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2) en bij Besluit 2007/533/JBZ van de Raad (3) ingestelde Schengeninformatiesysteem (SIS II), het bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad (4) ingestelde Visuminformatiesysteem (VIS) en het bij Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad (5) ingestelde inreis-uitreissysteem (EES), voortbouwt op het Schengenacquis, dient Denemarken overeenkomstig artikel 4 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad dit besluit heeft vastgesteld te beslissen of het dit instrument in zijn nationaal recht zal omzetten. Overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (6), moet Denemarken de Commissie ervan in kennis stellen of het de inhoud van dit besluit zal toepassen, voor zover dit betrekking heeft op Eurodac en DubliNet, |
|
(7) |
De regeling dient namens de Unie te worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De ondertekening namens de Unie van de regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van die landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht wordt hierbij goedgekeurd, onder voorbehoud van de sluiting van de bedoelde regeling (7).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd om de persoon (personen) aan te wijzen die is (zijn) gemachtigd om de regeling namens de Unie te ondertekenen.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 11 oktober 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
J. MOSER
(1) Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 286 van 1.11.2011, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4).
(3) Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).
(4) Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5).
(5) Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz. 20).
(6) PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.
(7) De tekst van de regeling wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.
VERORDENINGEN
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1550 VAN DE COMMISSIE
van 16 oktober 2018
betreffende de verlenging van de vergunning voor benzoëzuur als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen en mestvarkens en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1730/2006 en (EG) nr. 1138/2007 (vergunninghouder DSM Nutritional Products Ltd)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. |
|
(2) |
Benzoëzuur is voor een periode van tien jaar bij Verordening (EG) nr. 1730/2006 van de Commissie (2) toegestaan als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen en bij Verordening (EG) nr. 1138/2007 van de Commissie (3) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestvarkens. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is door de houder van die vergunningen een aanvraag ingediend voor de verlenging van de vergunning voor benzoëzuur als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen en mestvarkens, waarbij is verzocht dat toevoegingsmiddel in te delen in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”. De krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij die aanvragen gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 28 november 2017 (4) geconcludeerd dat de aanvrager gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat het toevoegingsmiddel voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. Uit de beoordeling van benzoëzuur blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. De vergunning voor dat toevoegingsmiddel, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden verlengd. |
|
(5) |
Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor benzoëzuur als toevoegingsmiddel voor diervoeding onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, moeten de Verordeningen (EG) nr. 1730/2006 en (EG) nr. 1138/2007 worden ingetrokken. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De vergunning voor het in de bijlage beschreven toevoegingsmiddel, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingsmiddelen”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.
Artikel 2
De Verordeningen (EG) nr. 1730/2006 en (EG) nr. 1138/2007 worden ingetrokken.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 oktober 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Verordening (EG) nr. 1730/2006 van de Commissie van 23 november 2006 tot verlening van een vergunning voor benzoëzuur (VevoVitall) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 325 van 24.11.2006, blz. 9).
(3) Verordening (EG) nr. 1138/2007 van de Commissie van 1 oktober 2007 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van benzoëzuur (VevoVitall) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 256 van 2.10.2007, blz. 8).
(4) EFSA Journal 2017;15(12):5093.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Andere bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verbetering van zoötechnische parameters: gewichtstoename of voederconversie) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4d210 |
DSM Nutritional Products Ltd. |
Benzoëzuur |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel benzoëzuur (≥ 99,9 %) Karakterisering van de werkzame stof
Maximumgehalte voor onzuiverheden:
Analysemethode (1) Voor de kwantificering van benzoëzuur in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van benzoëzuur in voormengsels en diervoeders:
Samenstelling van het toevoegingsmiddel benzoëzuur (≥ 99,9 %) Karakterisering van de werkzame stof
Maximumgehalte voor onzuiverheden:
Analysemethode (1) Voor de kwantificering van benzoëzuur in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van benzoëzuur in voormengsels en diervoeders:
|
Biggen (gespeend) |
— |
5 000 |
|
5 november 2028 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verlaging van de pH van de urine) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4d210 |
DSM Nutritional Products Ltd. |
Benzoëzuur |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel benzoëzuur (≥ 99,9 %) Karakterisering van de werkzame stof
Maximumgehalte voor onzuiverheden:
Analysemethode (1) Voor de kwantificering van benzoëzuur in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van benzoëzuur in voormengsels en diervoeders:
|
Mestvarkens |
5 000 |
10 000 |
|
5 november 2028 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1551 VAN DE COMMISSIE
van 16 oktober 2018
tot ongeldigverklaring van de facturen die door twee producenten-exporteurs zijn afgegeven onder schending van de verbintenis die is ingetrokken bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1570
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”),
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de antidumpingbasisverordening”), en met name artikel 8,
Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (2) („de antisubsidiebasisverordening”), en met name artikel 13,
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (3), en met name artikel 3,
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367 van de Commissie van 1 maart 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad en tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036 (4) („de NOVM-antidumpingverordening”),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (5), en met name artikel 2,
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366 van de Commissie van 1 maart 2017 tot instelling van definitieve compenserende rechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in de zin van artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad en tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek in de zin van artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1037 (6) („de NOVM-antisubsidieverordening”),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1570 van de Commissie van 15 september 2017 tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2017/366 en (EU) 2017/367 tot instelling van definitieve compenserende en antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2013/707/EU tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast (7) („de intrekkingsverordening”),
Gezien de berichten 2018/C 310/06 en 2018/C 310/07 (8) („de berichten van het vervallen”),
Met kennisgeving aan de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
A. VERBINTENIS EN ANDERE MAATREGELEN
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op modules en cellen van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (de „VRC”) („het betrokken product”) die in de Unie worden ingevoerd. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 heeft de Raad eveneens een definitief compenserend recht ingesteld op de invoer in de Unie van het betrokken product. |
|
(2) |
De Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten („de CCCME”, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products) heeft namens een groep van producenten-exporteurs een prijsverbintenis bij de Commissie ingediend. Bij Besluit 2013/423/EU (9) heeft de Commissie deze prijsverbintenis met betrekking tot het voorlopige antidumpingrecht aanvaard. Naar aanleiding van de kennisgeving van een gewijzigde versie van de door een groep producenten-exporteurs en de CCCME aangeboden prijsverbintenis heeft de Commissie bij Uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van (10) de aanvaarding van de gewijzigde prijsverbintenis bevestigd voor de periode waarin de definitieve antidumpingmaatregelen en definitieve compenserende maatregelen worden toegepast („de prijsverbintenis”). De verbintenis werd aanvaard voor de volgende producenten-exporteurs, onder meer:
|
|
(3) |
Tevens heeft de Commissie een besluit ter verduidelijking van de uitvoering van de verbintenis (11) aangenomen, alsmede 15 verordeningen tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor diverse producenten-exporteurs (12). |
|
(4) |
Bij de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/185 (13) en (EU) 2016/184 (14) heeft de Commissie de definitieve compenserende en antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de VRC, uitgebreid tot fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) verzonden uit Maleisië en Taiwan, met uitzondering van een aantal werkelijke producenten. |
|
(5) |
Bij de NOVM-antidumpingverordening heeft de Commissie het definitieve antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en met beëindiging van het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, leden 2 en 3, van de antidumpingbasisverordening, verlengd. |
|
(6) |
Bij de NOVM-antisubsidieverordening heeft de Commissie een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en met beëindiging van het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 18, lid 2, en artikel 19, lid 3, van de antisubsidiebasisverordening, verlengd (de NOVM-antidumpingverordening en de NOVM-antisubsidieverordening worden hierna gezamenlijk de „NOVM-verordeningen” genoemd). |
|
(7) |
Bij de intrekkingsverordening heeft de Commissie de verbintenis ingetrokken. |
|
(8) |
Bij de berichten van het vervallen heeft de Commissie meegedeeld dat het antidumpingrecht en het compenserend recht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de VRC op 3 september 2018 zijn vervallen. |
B. BEPALINGEN VAN DE VERBINTENIS
|
(9) |
Volgens de bepalingen van de verbintenis hebben de producenten-exporteurs er onder meer mee ingestemd het betrokken product niet onder een bepaalde minimuminvoerprijs („de MIP”) aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie te verkopen. De MIP werd onderworpen aan een driemaandelijkse aanpassingsmechanisme onder verwijzing naar de internationale prijzen op de spotmarkt van modules, met inbegrip van Chinese prijzen, zoals gerapporteerd door de Bloomberg-databank. |
|
(10) |
De producenten-exporteurs hebben er ook mee ingestemd om het betrokken product alleen via directe verkoop te verkopen. Voor de toepassing van de verbintenis werd een directe verkoop gedefinieerd als een verkoop hetzij aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie, hetzij via een in de verbintenis vermelde verbonden partij in de Unie. Indirecte verkopen in de Unie door niet in de verbintenis vermelde ondernemingen vormden een schending van de verbintenis. |
|
(11) |
In de verbintenis werd in een niet-uitputtende lijst ook verduidelijkt wat een schending van de verbintenis vormde. In het bijzonder omvatte die lijst het afgeven van verbintenisfacturen voor zonnepanelen geproduceerd door een niet aan de desbetreffende verbintenis onderworpen onderneming met het oog in aanmerking te komen voor de vrijstelling van antidumpingrechten en compenserende rechten („het omleiden van uitvoer via andere ondernemingen”). |
|
(12) |
De verbintenis verplichtte de producenten-exporteurs ook om de Commissie elk kwartaal gedetailleerde informatie te verstrekken over hun uitvoer naar en wederverkoop in de Unie („de driemaandelijkse verslagen”). Dit impliceerde dat de gegevens in die driemaandelijkse verslagen volledig en correct moesten zijn en dat de gemelde transacties volledig in overeenstemming waren met de bepalingen van de verbintenis. Het melden van wederverkoop in de Unie was een bijzondere verplichting wanneer het betrokken product via een verbonden importeur aan de eerste onafhankelijke afnemer werd verkocht. Enkel op basis van die verslagen kon de Commissie controleren of de wederverkoopprijs van de verbonden importeur aan de eerste onafhankelijke afnemer in overeenstemming was met de MIP. |
|
(13) |
De producenten-exporteurs waren aansprakelijk voor schendingen begaan door al hun verbonden partijen, ongeacht of die partijen in de verbintenis waren vermeld. |
|
(14) |
De producenten-exporteurs hadden zich er eveneens toe verplicht om met de Commissie overleg te plegen over eventuele technische of andersoortige problemen of vragen die zich tijdens de uitvoering van de verbintenis zouden kunnen voordoen. |
C. INTREKKING VAN DE VERBINTENIS
|
(15) |
Aanvankelijk werd de verbintenis van meer dan 120 ondernemingen/groepen van ondernemingen aanvaard. Ondertussen heeft de Commissie de aanvaarding van de verbintenis voor 19 ondernemingen ingetrokken. Van 17 van deze ondernemingen werd geconstateerd dat zij de verbintenis hadden geschonden, terwijl de andere 2 ondernemingen een bedrijfsmodel hanteerden dat het onmogelijk maakte om op de naleving van de verbintenis door deze ondernemingen toe te zien. Daarnaast hebben 16 andere Chinese ondernemingen hun verbintenis vrijwillig opgezegd. |
|
(16) |
Bij de intrekkingsverordening trok de Commissie de verbintenis in en stelde zij een variabel recht in de vorm van een minimuminvoerprijs („variabel recht in de vorm van een MIP”) in, dat in de plaats kwam van de verbintenis. Het variabele recht in de vorm van een MIP betekent dat alle daarvoor in aanmerking komende invoer waarvan de aangegeven waarde even hoog is als of hoger is dan de MIP niet wordt onderworpen aan rechten en dat douaneautoriteiten onmiddellijk rechten heffen indien het product wordt ingevoerd tegen een prijs onder de MIP. |
|
(17) |
Aangezien het variabele recht in de vorm van een MIP in de plaats kwam van de verbintenis, achtte de Commissie het passend, overeenkomstig de bevindingen in de overwegingen 50 tot en met 53 van de intrekkingsverordening, dat het variabele recht in de vorm van een MIP uitsluitend van toepassing zou zijn op die ondernemingen die de verbintenis in het verleden niet hadden geschonden, ongeacht of een dergelijke inbreuk reeds was geconstateerd, of dat uit toekomstige onderzoeken van de Commissie zou blijken dat een dergelijke inbreuk had plaatsgevonden. Derhalve zou voor alle producenten-exporteurs die de verbintenis schonden terwijl zij nog van kracht was, de niet op een bepaald bedrag vastgestelde ad-valoremrechten van toepassing moeten zijn. |
|
(18) |
Ten tijde van de inwerkingtreding van de intrekkingsverordening op 1 oktober 2017, zette de Commissie haar onderzoek inzake de naleving van de verbintenis voort, en achtte zij het passend nieuwe onderzoeken te openen voor goederen die in het vrije verkeer werden gebracht terwijl de verbintenis nog van kracht was. In het kader van die onderzoeken ontstaat er een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer: a) wanneer ten aanzien van ingevoerde goederen die worden gefactureerd door ondernemingen waarvoor de verbintenis geldt, wordt vastgesteld dat aan een of meer voorwaarden van de verbintenis niet is voldaan, of b) wanneer de Commissie bij een verordening of besluit vaststelt dat de verbintenis is geschonden en daarbij naar specifieke transacties verwijst en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart. |
D. TOEZICHT OP DE PRODUCENTEN-EXPORTEURS
|
(19) |
Op grond van artikel 8, lid 9, en artikel 14, lid 7, van de antidumpingbasisverordening alsmede artikel 13, lid 9, en artikel 24, lid 7, van de antisubsidiebasisverordening heeft de Commissie bewijsmateriaal ontvangen van de douaneautoriteiten van twee lidstaten inzake naleving door Sinski PV en Koly Energy van de verbintenis. Daarnaast heeft de Commissie openbaar beschikbare informatie met betrekking tot de bedrijfsstructuur van Koly Energy beoordeeld. |
|
(20) |
In de in de overwegingen 21 tot en met 24 vermelde bevindingen wordt ingegaan op de beweringen van de douaneautoriteiten dat Sinski PV en Koly Energy de verbintenis zouden hebben geschonden terwijl deze nog van kracht was. |
E. GRONDEN VOOR ONGELDIGVERKLARING VAN VERBINTENISFACTUREN
a) Sinski PV
|
(21) |
Uit het van de douaneautoriteiten ontvangen bewijsmateriaal komt naar voren dat Sinski PV aan ten minste één afnemer in de Unie systematisch onder de MIP zonnepanelen heeft verkocht, waarmee de verbintenis is geschonden zoals beschreven in overweging 9. |
|
(22) |
Uit nader bewijsmateriaal blijkt tevens dat Sinski PV in het kader van betrekkingen met drie andere ondernemingen verbintenisfacturen heeft afgegeven voor producten op het gebied van zonne-energie („solar products”), die waren geproduceerd door ondernemingen die niet aan de desbetreffende verbintenis waren onderworpen, op grond van bestellingen van een afnemer van Sinski PV in de Unie. Deze praktijk (omleiding van uitvoer via andere ondernemingen) vormt een inbreuk die specifiek in de verbintenis is opgenomen zoals beschreven in overweging 11. |
b) Koly Energy
|
(23) |
Op basis van het van de douaneautoriteiten ontvangen bewijsmateriaal dat werd bevestigd door openbaar beschikbare bronnen, geldt dat Koly Energy zonnepanelen heeft verkocht aan een beweerdelijk niet-verbonden importeur in de Unie waarvoor zij verbintenisfacturen heeft afgegeven. De transacties met deze importeur beliepen qua waarde meer dan 50 % van de waarde van de totale verkoop van Koly Energy naar de Unie. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, was de bij deze transacties betrokken importeur verbonden met Koly Energy in de zin van artikel 127, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (15) („uitvoeringsvoorschriften voor het douanewetboek van de Unie”). Koly Energy heeft nooit melding gemaakt van een verbonden importeur in de Unie. Aangezien deze importeur niet als verbonden partij in de verbintenis is vermeld, heeft Koly Energy de bepalingen van de verbintenis zoals beschreven in overweging 10 geschonden. |
|
(24) |
Verbonden importeurs hebben soortgelijke rapportageverplichtingen als hun Chinese moederondernemingen om de Commissie in staat te stellen te beoordelen of de netto verkoopprijs aan de eerste niet-verbonden afnemer in de Unie gelijk is aan of hoger dan de MIP. De Commissie werd van geen enkele wederverkoop door de verbonden importeur in kennis gesteld. Bijgevolg heeft Koly Energy tevens de bepalingen van de verbintenis zoals beschreven in de overwegingen 12 en 13 geschonden. |
F. DESBETREFFENDE VERBINTENISFACTUREN
|
(25) |
De verkooptransacties van Sinski PV onder de MIP aan de in kaart gebrachte afnemer en/of waarbij uitvoer werd omgeleid via andere ondernemingen hingen samen met de volgende verbintenisfacturen:
|
|
(26) |
De indirecte verkooptransacties van Koly Energy hingen samen met de volgende verbintenisfacturen:
|
G. SCHRIFTELIJKE OPMERKINGEN EN HOORZITTINGEN
|
(27) |
De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de bevindingen, met name van het voornemen om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren. Zij werden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 8, lid 9, van de antidumpingbasisverordening en artikel 13, lid 9, van de antisubsidiebasisverordening. |
|
(28) |
Eén importeur en één Chinese producent-exporteur hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt. |
|
(29) |
De opmerkingen van de belanghebbenden zijn door de Commissie onderzocht en worden hieronder behandeld. |
|
(30) |
Koly Energy en de importeur in de Unie waarmee zij zou zijn verbonden betwistten dat zij gelieerde ondernemingen zijn en ontkenden deel uit te maken van een gemeenschappelijke holding. |
|
(31) |
Koly Energy voerde aan dat zij voor 100 % in handen is van twee Chinese personen die noch een belang in de importeur in de Unie noch in enige holding hebben. Voorts onderhield zij naar eigen zeggen een nauwe zakelijke relatie met de holding, aangezien die de grootste afnemer van Koly Energy is. Zij betwistte echter dat er sprake was van banden tussen haar en de importeur en dat zij onder zeggenschap van die holding stond. |
|
(32) |
De Commissie was van oordeel dat, aangezien er geen bewijs van het tegendeel is, het feit dat Koly Energy als verkoper in het kader van een koop- en leveringsovereenkomst voor zonnemodules wordt vertegenwoordigd door een commercieel manager van de holding waartoe ook de importeur behoort, jegens derden een erkenning inhield van het feit dat Koly Energy, de importeur en die holding met elkaar gelieerd zijn in de zin van artikel 127, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 („uitvoeringsvoorschriften voor het douanewetboek van de Unie”). Deze conclusie werd verder kracht bijgezet door het feit dat één en dezelfde overeenkomst zowel door Koly Energy als door de importeur namens de verkoper (Koly Energy) was ondertekend. Voorts werd deze zienswijze bevestigd door de vermelding van een e-mailadres van de holding als contactadres van Koly Energy (de verkoper) voor communicatiedoeleinden met betrekking tot deze overeenkomst. Bovendien bevatte die overeenkomst een clausule waarin de naam en het postadres van de importeur als contactpersoon van de verkoper (Koly Energy) werden vermeld. Hoewel Koly Energy aanvoerde dat deze overeenkomst zonder haar toestemming was ondertekend en dat zij zich daarom het recht voorbehield de importeur aansprakelijk te stellen, werd de Commissie geen bewijsmateriaal in die zin verstrekt. Op grond van andere kruisverbanden tussen Koly Energy, de importeur en de holding die naar voren kwamen uit andere openbare documenten en bronnen zoals websites en een contract voor de uitgifte van kortlopende obligaties, heeft de Commissie geconcludeerd dat Koly Energy en de importeur in de Unie verbonden partijen waren. Het argument werd daarom afgewezen. |
|
(33) |
Koly Energy voerde tevens aan dat de importeur in de Unie unilateraal en zonder toestemming gebruikmaakte van haar logo, handelsmerk en domeinnaam. De Commissie was van oordeel dat, aangezien er geen bewijs van het tegendeel is, uit het openbare en grootschalige gebruik van de tekens van de onderneming Koly Energy (handelsmerk, logo, e-mailadres) door de importeur in het kader van zijn gebruikelijke zakelijke activiteiten kon worden opgemaakt dat de twee ondernemingen gelieerd zijn in het kader van een gemeenschappelijke holding betreft. Deze conclusie werd verder kracht bijgezet door het feit dat Koly Energy op haar website gebruikmaakte van het logo van de holding, en de logo's van Koly Energy en de holding op een in 2016 gehouden internationale grondstoffenbeurs naast elkaar waren afgebeeld. Het argument werd daarom van de hand gewezen. |
|
(34) |
De importeur van Koly Energy in de Unie diende na het verstrijken van de verlengde termijn voor het indienen van opmerkingen niet-onderbouwde opmerkingen in en verstrekte geen bewijsmateriaal betreffende haar eigendomsstructuur. |
H. SCHENDING VAN DE VERBINTENIS EN INSTELLING VAN DEFINITIEVE RECHTEN
|
(35) |
De Commissie heeft overeenkomstig artikel 8, lid 9, van de antidumpingbasisverordening, artikel 13, lid 9, van de antisubsidiebasisverordening en de bepalingen van de verbintenis geconcludeerd dat Sinski PV en Koly Energy de verbintenis terwijl deze nog steeds gold, hebben geschonden. |
|
(36) |
Derhalve worden de in de overwegingen 25 en 26 genoemde facturen van Sinski PV en Koly Energy in overeenstemming met artikel 3, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013, artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367, artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366, die golden op het ogenblik van de aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer, ongeldig verklaard. De op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer ontstane douaneschuld moet overeenkomstig artikel 105, leden 3 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (16) door de nationale douaneautoriteiten worden teruggevorderd wanneer deze verordening in werking treedt. De nationale douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de inning van de rechten zullen daarvan in kennis worden gesteld. |
|
(37) |
De Commissie herinnert er ook aan dat de douaneautoriteiten van de lidstaten, indien zij beschikken over aanwijzingen dat de op een verbintenisfactuur vermelde prijs niet overeenstemt met de werkelijk betaalde prijs, moeten onderzoeken of de verplichting om alle eventuele rabatten in de verbintenisfacturen op te nemen is geschonden, respectievelijk de MIP niet is nageleefd. Indien de douaneautoriteiten van de lidstaten concluderen dat er sprake is van een dergelijke schending, respectievelijk de MIP niet is nageleefd, moeten zij als gevolg daarvan de rechten innen. Om de werkzaamheden van de douaneautoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken, zoals voorgeschreven in artikel 4, lid 3, van het Verdrag, moet de Commissie in dergelijke situaties de vertrouwelijke tekst en andere informatie van de verbintenis delen, zij het uitsluitend met het oog op nationale procedures, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De in de bijlage vermelde verbintenisfacturen worden ongeldig verklaard.
2. De compenserende en antidumpingrechten verschuldigd op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer ingevolge artikel 3, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013, artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367, artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013, en artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366 worden geïnd.
Artikel 2
1. Indien de douaneautoriteiten van de lidstaten beschikken over aanwijzingen dat de prijs zoals vermeld op een verbintenisfactuur overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013, artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367, artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 en artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366, afgegeven door Jiangsu Sinski PV, Co. Ltd of Zheijang Koly Energy Co. Ltd vóór de inwerkingtreding van deze verordening, niet overeenstemt met de betaalde prijs en dat die ondernemingen de verbintenis derhalve mogelijk hebben geschonden, kunnen de douaneautoriteiten, indien dit met het oog op nationale procedures noodzakelijk is, de Commissie verzoeken hun een afschrift van de verbintenis en andere informatie te verstrekken, teneinde de toepasselijke minimuminvoerprijs op de dag van afgifte van de verbintenisfactuur te kunnen controleren.
2. Indien uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde controle blijkt dat er kortingen en rabatten niet in de handelsfactuur zijn opgenomen, worden de overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013, artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367, artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 en artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366 als gevolg daarvan verschuldigde rechten geïnd.
3. De in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie mag uitsluitend worden gebruikt met het oog op de daadwerkelijke handhaving van de overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013, artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/367, artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 en artikel 2, lid 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/366 verschuldigde rechten. In dit verband mogen de douaneautoriteiten van de lidstaten de debiteur van die rechten deze informatie uitsluitend met het oog op de vrijwaring van zijn recht van verweer verstrekken. Dergelijke informatie mag onder geen beding aan derden worden bekendgemaakt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 oktober 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2321 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 338 van 19.12.2017, blz. 1) en Verordening (EU) 2018/82 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 143 van 7.6.2018, blz. 1).
(2) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2321.
(3) PB L 325 van 5.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 56 van 3.3.2017, blz. 131.
(5) PB L 325 van 5.12.2013, blz. 66.
(6) PB L 56 van 3.3.2017, blz. 1.
(7) PB L 238 van 16.9.2017, blz. 22.
(8) PB C 310 van 3.9.2018, blz. 4-5.
(9) PB L 209 van 3.8.2013, blz. 26.
(10) PB L 325 van 5.12.2013, blz. 214.
(11) PB L 270 van 11.9.2014, blz. 6.
(12) Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/866 (PB L 139 van 5.6.2015, blz. 30), (EU) 2015/1403 (PB L 218 van 19.8.2015, blz. 1), (EU) 2015/2018 (PB L 295 van 12.11.2015, blz. 23), (EU) 2016/115 (PB L 23 van 29.1.2016, blz. 47), (EU) 2016/1045 (PB L 170 van 29.6.2016, blz. 5), (EU) 2016/1382 (PB L 222 van 17.8.2016, blz. 10), (EU) 2016/1402 (PB L 228 van 23.8.2016, blz. 16), (EU) 2016/1998 (PB L 308 van 16.11.2016, blz. 8), (EU) 2016/2146 (PB L 333 van 8.12.2016, blz. 4.), (EU) 2017/454 (PB L 71 van 16.3.2017, blz. 5), (EU) 2017/941 (PB L 142 van 2.6.2017, blz. 43), (EU) 2017/1408 (PB L 201 van 2.8.2017, blz. 3), (EU) 2017/1497 (PB L 218 van 24.8.2017, blz. 10), (EU) 2017/1524 (PB L 230 van 6.9.2017, blz. 11), (EU) 2017/1589 (PB L 241 van 20.9.2017, blz. 21) van de Commissie tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor diverse producenten-exporteurs.
(13) PB L 37 van 12.2.2016, blz. 76.
(14) PB L 37 van 12.2.2016, blz. 56.
BIJLAGE
Lijst van door Jiangsu Sinski PV, Co. Ltd afgegeven verbintenisfacturen die ongeldig worden verklaard:
|
Nummer van de handelsfactuur die onder een verbintenis vallende goederen vergezelt |
Datum |
|
SPVF15014 |
24.7.2015 |
|
SPVF15015 |
28.7.2015 |
|
SPVF15020 |
26.8.2015 |
|
SPVF15021 |
28.8.2015 |
|
SPVF15022 |
1.9.2015 |
|
SPVF15034 |
4.11.2015 |
|
SPVF15039 |
4.12.2015 |
|
SPVF15040 |
8.12.2015 |
|
SPVF15042 |
11.12.2015 |
|
SPVF15043 |
17.12.2015 |
|
SPVF15044 |
17.12.2015 |
|
SPVF15046 |
25.12.2015 |
|
SPVF15047 |
25.12.2015 |
|
SPVF15048 |
25.12.2015 |
|
SPVF15049 |
28.12.2015 |
|
SPVF15050 |
28.12.2015 |
|
SPVF15051 |
30.12.2015 |
|
SPVF15052 |
30.12.2015 |
|
SPVF16001 |
7.1.2016 |
|
SPVF16002 |
7.1.2016 |
|
SL-SS20170323-1 |
1.4.2017 |
|
SPVF16019 |
23.3.2016 |
|
SPVF16020 |
6.4.2016 |
|
SPVF16021 |
10.4.2016 |
|
SPVF16022 |
30.4.2016 |
Lijst van door Zheijang Koly Energy Co. Ltd afgegeven verbintenisfacturen die ongeldig worden verklaard:
|
Nummer van de handelsfactuur die onder een verbintenis vallende goederen vergezelt |
Datum |
|
KL150328 |
28.3.2015 |
|
KL150424 |
24.4.2015 |
|
KL150428001 |
28.4.2015 |
|
KL150428002 |
28.4.2015 |
|
KL150516 |
16.5.2015 |
|
KL150608 |
8.6.2015 |
|
KL150616 |
16.6.2015 |
|
KL150706 |
6.7.2015 |
|
KL150708002 |
8.7.2015 |
|
KL150816 |
16.8.2015 |
|
KL150827 |
27.8.2015 |
|
KL150920 |
20.9.2015 |
|
KL151018 |
18.10.2015 |
|
KL151108 |
8.11.2015 |
|
KL151113 |
13.11.2015 |
|
KL151125 |
25.11.2015 |
|
KL151230 |
30.12.2015 |
|
KL160123 |
23.1.2016 |
|
KL160511 |
11.5.2016 |
|
KL160517 |
17.5.2016 |
|
KL160523 |
23.5.2016 |
|
KL160610 |
10.6.2016 |
|
KL160714 |
14.7.2016 |
|
KL160726 |
26.7.2016 |
|
KL160816 |
16.8.2016 |
|
KL160825 |
25.8.2016 |
|
KL160922 |
22.9.2016 |
|
KL161013 |
13.10.2016 |
|
KL161027001 |
27.10.2016 |
|
KL161027002 |
27.10.2016 |
|
KL161030 |
30.10.2016 |
|
KL161106 |
6.11.2016 |
|
KL161108002 |
8.11.2016 |
|
KL161114 |
14.11.2016 |
|
KL161125 |
25.11.2016 |
|
KL161209 |
9.12.2016 |
|
KL161210 |
10.12.2016 |
|
KL161212 |
12.12.2016 |
|
KL161215 |
15.12.2016 |
|
KL161230001 |
30.12.2016 |
|
KL161230002 |
31.12.2016 |
|
KL170109001 |
9.1.2017 |
|
KL170109002 |
13.1.2017 |
|
KL170115 |
15.1.2017 |
|
KL170116001 |
16.1.2017 |
|
KL170116002 |
18.1.2017 |
|
KL170120 |
20.1.2017 |
|
KL170121001 |
21.1.2017 |
|
KL170121002 |
21.1.2017 |
|
KL170323001 |
23.3.2017 |
|
KL170323002 |
25.3.2017 |
|
KL170408 |
8.4.2017 |
|
KL170412 |
12.4.2017 |
|
KL170510 |
10.5.2017 |
|
KL170511 |
11.5.2017 |
|
KL170518002 |
18.5.2017 |
|
KL170614002 |
14.6.2017 |
|
KL170621 |
21.6.2017 |
|
KL170712 |
12.7.2017 |
|
KL170731001 |
31.7.2017 |
|
KL170812 |
12.8.2017 |
|
KL170814 |
14.8.2017 |
|
KL170822002 |
22.8.2017 |
|
KL170918001 |
18.9.2017 |
|
KL170918002 |
18.9.2017 |
|
KL170919 |
19.9.2017 |
|
KL170930002 |
30.9.2017 |
BESLUITEN
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/20 |
BESLUIT (EU) 2018/1552 VAN DE RAAD
van 28 september 2018
betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de Samenwerkingsraad die is ingesteld bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 37,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 207 en 209, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds (1) („de overeenkomst”), is ondertekend op 22 april 1996 en op 1 juli 1999 in werking getreden. |
|
(2) |
Uit hoofde van artikel 81 van de overeenkomst kan de bij de overeenkomst opgerichte Samenwerkingsraad passende aanbevelingen doen om de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken. |
|
(3) |
De Samenwerkingsraad zal de aanbeveling inzake de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan via een schriftelijke procedure goedkeuren. |
|
(4) |
Het in de Samenwerkingsraad namens de Unie in te nemen standpunt met betrekking tot de goedkeuring van de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan dient te worden vastgesteld, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in te nemen standpunt in de Samenwerkingsraad die is ingesteld bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, inzake de vaststelling van de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan, wordt gebaseerd op de ontwerp-aanbeveling van de Samenwerkingsraad die aan dit besluit is gehecht.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 28 september 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
M. SCHRAMBÖCK
ONTWERP
AANBEVELING Nr. 1/2018 VAN DE SAMENWERKINGSRAAD EU-AZERBEIDZJAN
van …
betreffende de prioriteiten van het partnerschap eu-Azerbeidzjan
DE SAMENWERKINGSRAAD EU-AZERBEIDZJAN,
Gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, (1) en met name artikel 81,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds („de overeenkomst”), is op 22 april 1996 ondertekend en op 1 juli 1999 in werking getreden. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 81 van deze overeenkomst kan de Samenwerkingsraad passende aanbevelingen doen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 98 van de overeenkomst dienen de partijen bij de overeenkomst alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen en zien zij erop toe dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden bereikt. |
|
(4) |
Bij de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid is voorgesteld een nieuwe fase van de samenwerking tussen de partners in te gaan om het gevoel van betrokkenheid van beide partijen te vergroten. |
|
(5) |
De Europese Unie en Azerbeidzjan hebben besloten hun partnerschap te consolideren door een aantal prioriteiten voor de periode 2018-2020 vast te stellen, om de veerkracht en stabiliteit van Azerbeidzjan te ondersteunen en te bevorderen. |
|
(6) |
De partijen bij de overeenkomst hebben aldus overeenstemming bereikt over de tekst van de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan, die de uitvoering van de overeenkomst zullen ondersteunen en de nadruk leggen op samenwerking inzake gedeelde belangen die in gezamenlijk overleg zijn geïdentificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
Artikel 1
De Samenwerkingsraad beveelt aan dat de partijen bij de overeenkomst de prioriteiten van het partnerschap EU-Azerbeidzjan uitvoeren, zoals uiteengezet in de bijlage (+).
Artikel 2
Deze aanbeveling wordt van kracht op de dag waarop zij wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel,
Voor de Samenwerkingsraad
De Europese Unie
De Republiek Azerbeidzjan
(1) PB EU L 246 van 17.9.1999, blz. 3.
|
+ |
ST 11898/18. |
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/22 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/1553 VAN DE COMMISSIE
van 15 oktober 2018
betreffende de voorwaarden voor de erkenning van elektronische fytosanitaire certificaten die zijn afgegeven door de nationale organisaties ter bescherming van planten van derde landen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 5370)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 13, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Richtlijn 2000/29/EG is bepaald dat in de lijst van bijlage V, deel B, bij die richtlijn opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die uit een derde land afkomstig zijn en die in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, vanaf het moment van binnenkomst in de Unie vergezeld moeten gaan van het origineel van het vereiste officiële fytosanitair certificaat. De bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) bevat het model van het vereiste fytosanitair certificaat. |
|
(2) |
Richtlijn 2000/29/EG bepaalt dat elektronische fytosanitaire certificaten kunnen worden erkend indien aan specifieke, door de Commissie vastgestelde, voorwaarden is voldaan. |
|
(3) |
Het Traces-systeem, dat overeenkomstig Richtlijn 90/425/EEG van de Raad (2) is ingesteld bij Beschikking 2004/292/EG van de Commissie (3), is het online-instrument van de Commissie voor de certificering van sanitaire en fytosanitaire vereisten voor de handel binnen de Unie in dieren, sperma en embryo's, levensmiddelen, diervoeders en planten, en voor de invoer in de Unie van dieren, sperma en embryo's, levensmiddelen, diervoeders en planten. Traces maakt het mogelijk het hele certificeringsproces langs elektronische weg uit te voeren en bevordert de uitwisseling van informatie tussen de betrokken handelspartners en controleautoriteiten. |
|
(4) |
In het Traces-systeem kunnen kopieën van papieren fytosanitaire certificaten die zijn afgegeven door de nationale organisaties ter bescherming van planten van derde landen worden geüpload. De nationale certificeringssystemen van de lidstaten kunnen vergelijkbare functionaliteiten hebben. |
|
(5) |
Het Centrum van de Verenigde Naties voor de bevordering van handel en elektronisch zakendoen (UN/Cefact) heeft technische normen ontwikkeld voor de vereenvoudiging van transactieprocessen om bij te dragen tot de groei van de wereldwijde handel. Deze normen zijn van belang voor de invoering van papierloze handelsfaciliteiten en geven een beschrijving van de gegevensformaten voor de uitwisseling van informatie. XML („eXtensible Markup Language”) is een algemeen aanvaard gestandaardiseerd berichtformaat voor het indelen en beschrijven van gegevens in documenten, zoals fytosanitaire certificaten. |
|
(6) |
Naleving van de UN/Cefact-normen en het gebruik van het XML-formaat moeten derhalve de eerste vereisten vormen voor de erkenning van elektronische fytosanitaire certificaten in de Unie. |
|
(7) |
Bij Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn regels vastgesteld voor vertrouwensdiensten en is voorzien in een rechtskader voor elektronische handtekeningen, elektronische zegels, elektronische tijdstempels, elektronische documenten, diensten voor elektronisch aangetekende bezorging en certificatendiensten voor websiteauthenticatie, die nodig zijn om een bepaalde mate van vertrouwen in elektronische identificatiemiddelen te bieden. |
|
(8) |
Bij Verordening (EU) nr. 910/2014 zijn de noodzakelijke beveiligingsvereisten vastgesteld waaraan door middel van verschillende technologieën moet kunnen worden voldaan. In het bijzonder bevat die verordening de vereisten voor gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde elektronische handtekeningen en zegels leveren en voor niet-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die geavanceerde elektronische handtekeningen en zegels leveren. Beide categorieën aanbieders zijn in staat de ondertekenaar of de aanmaker van het zegel ondubbelzinnig te identificeren. |
|
(9) |
Teneinde een adequaat niveau van veiligheid van elektronische identificatiemiddelen en elektronische certificeringen in stand te houden, het certificeringsproces te digitaliseren in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 over de strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (5), en de normen tussen de verschillende lidstaten te harmoniseren, is het dienstig dat de voorwaarden voor de erkenning van elektronische fytosanitaire certificaten voldoen aan de bij Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde normen, en met name aan de normen voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen, zegels en tijdstempels en voor geavanceerde elektronische handtekeningen en stempels. |
|
(10) |
Om echter een geleidelijke tenuitvoerlegging van dit besluit mogelijk te maken en om elke verstoring van het handelsverkeer te vermijden, is het dienstig gedurende een beperkte periode elektronische fytosanitaire certificaten te erkennen die voldoen aan de bij Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde criteria voor elektronische handtekeningen en zegels. |
|
(11) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Bij dit besluit worden de voorwaarden vastgesteld voor de erkenning van elektronische fytosanitaire certificaten die zijn afgegeven door de nationale organisaties ter bescherming van planten van derde landen.
Artikel 2
Voorwaarden voor de erkenning van elektronische fytosanitaire certificaten die zijn afgegeven door de nationale organisaties ter bescherming van planten van derde landen
1. Een fytosanitair certificaat dat de informatie bevat zoals opgenomen in het model van het fytosanitair certificaat in de bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) wordt als een elektronische fytosanitair certificaat erkend, op voorwaarde dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
het is door de nationale organisatie ter bescherming van planten van een derde land afgegeven in een van de volgende systemen:
|
|
b) |
het is gebaseerd op de UN/Cefact-norm en maakt gebruik van het XML-formaat; |
|
c) |
het is door de gemachtigde ambtenaar ondertekend met een geavanceerde of een gekwalificeerde elektronische handtekening zoals respectievelijk omschreven in artikel 3, punten 11 en 12, van Verordening (EU) nr. 910/2014; |
|
d) |
het is voorzien van het geavanceerde of het gekwalificeerde elektronische zegel, zoals respectievelijk omschreven in artikel 3, punten 26 en 27, van Verordening (EU) nr. 910/2014, van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten, of van de geavanceerde of de gekwalificeerde elektronische handtekening van de wettelijke vertegenwoordiger van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten; |
|
e) |
het maakt gebruik van een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel zoals omschreven in artikel 3, punt 34, van Verordening (EU) nr. 910/2014. |
2. Wanneer het elektronische fytosanitair certificaat overeenkomstig lid 1, onder a), iii), wordt afgegeven, ontwerpen de lidstaten en de Commissie hun ontvangende systeem op zodanige wijze dat het de uitwisseling van gegevens bevestigt door middel van het geavanceerde of het gekwalificeerde elektronische zegel van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten, of de geavanceerde of de gekwalificeerde elektronische handtekening van de wettelijke vertegenwoordiger van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten. In dat geval is de in lid 1, onder c), bedoelde voorwaarde niet van toepassing.
3. In afwijking van de voorschriften van lid 1, onder c) en d), wordt, gedurende een periode van twaalf maanden die eindigt op 15 oktober 2019, een fytosanitair certificaat als een elektronisch fytosanitair certificaat erkend indien het door de gemachtigde ambtenaar is ondertekend door middel van een elektronische handtekening zoals omschreven in artikel 3, punt 10, van Verordening (EU) nr. 910/2014 en indien het is voorzien van het elektronische zegel, zoals omschreven in artikel 3, punt 25, van Verordening (EU) nr. 910/2014, van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten of van de elektronische handtekening van de wettelijke vertegenwoordiger van de afgevende nationale organisatie ter bescherming van planten.
Artikel 3
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 15 oktober 2018.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.
(2) Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29).
(3) Beschikking 2004/292/EG van de Commissie van 30 maart 2004 betreffende de toepassing van het Traces-systeem en tot wijziging van Beschikking 92/486/EEG (PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63).
(4) Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(5) COM(2015) 192 final.
Rectificaties
|
17.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 260/25 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad
( Publicatieblad van de Europese Unie L 150 van 14 juni 2018 )
Bladzijde 54, artikel 54, lid 2, eerste zin:
in plaats van:
„De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 2, lid 6, artikel 9, lid 11, artikel 10, lid 5, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 2, artikel 24, lid 6, artikel 30, lid 7, artikel 32, lid 4, artikel 33, lid 6, artikel 34, lid 8, artikel 35, lid 9, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 8, artikel 40, lid 11, artikel 44, lid 2, artikel 46, lid 7, artikel 48, lid 4, artikel 53, leden 2, 3 en 4, artikel 57, lid 3 en artikel 58, lid 2, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.”,
lezen:
„De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 2, lid 6, artikel 9, lid 11, artikel 10, lid 5, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 2, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 2, artikel 24, lid 6, artikel 30, lid 7, artikel 32, lid 4, artikel 33, lid 6, artikel 34, lid 8, artikel 35, lid 9, artikel 36, lid 3, artikel 38, lid 8, artikel 40, lid 11, artikel 44, lid 2, artikel 46, lid 7, artikel 48, lid 4, artikel 53, leden 2, 3 en 4, artikel 57, lid 3 en artikel 58, lid 2, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 17 juni 2018.”.