|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
61e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/985 VAN DE COMMISSIE
van 12 februari 2018
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en de motoren daarvan en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 28, lid 6, en artikel 53, lid 12,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Gelet op de Europese strategie voor schone en energiezuinige voertuigen (2) moeten de nadere technische voorschriften voor de typegoedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen wat betreft de milieuprestaties en de prestaties van de aandrijfeenheid van die voertuigen, erop gericht zijn de milieuprestaties van die voertuigen te verbeteren en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de automobielindustrie van de Unie te versterken. |
|
(2) |
De koolwaterstofemissies van landbouw- en bosbouwvoertuigen moeten aanzienlijk worden teruggebracht om de luchtkwaliteit te verbeteren en te voldoen aan de grenswaarden voor verontreiniging. Die doelstelling moet niet alleen worden verwezenlijkt door de uitlaat- en verdampingsemissies van koolwaterstoffen van die voertuigen te verminderen, maar ook door de niveaus van vluchtige deeltjes te helpen verlagen. |
|
(3) |
Gezien de toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (3) — betreffende motorcategorieën, uitlaatemissiegaswaarden, testcycli, emissieduurzaamheidsperioden, voorschriften voor uitlaatemissies, de monitoring van emissies van in gebruik zijnde motoren en het verrichten van metingen en tests, alsmede de overgangsbepalingen en de bepalingen die voorzien in vroegtijdige EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen van fase V-motoren — op de milieuprestaties van landbouw- en bosbouwvoertuigen, moeten de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op de overige aspecten van die goedkeuring nauwgezet op de bepalingen in Verordening (EU) 2016/1628 worden afgestemd. |
|
(4) |
Voor „fase V” betreffende de emissie van verontreinigende stoffen door motoren van landbouw- en bosbouwvoertuigen, die zal volgen op de emissiefase van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie (4), moeten ambitieuze emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes worden vastgesteld, terwijl tegelijkertijd moet worden aangesloten bij internationale normen om de emissies van deeltjes en van ozonprecursoren zoals stikstofoxiden en koolwaterstoffen terug te dringen. |
|
(5) |
Om te voorkomen dat er technische handelsbarrières tussen de lidstaten ontstaan, is een gestandaardiseerde methode voor de meting van het brandstofverbruik en de kooldioxide-emissies van landbouw- en bosbouwvoertuigen nodig. Om dezelfde reden moet ook worden gewaarborgd dat consumenten en gebruikers hierover objectief en nauwkeurig worden geïnformeerd. |
|
(6) |
Om te garanderen dat de nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die in de handel worden gebracht een hoog milieubeschermingsniveau bieden, moeten uitrustingsstukken en onderdelen die op landbouw- en bosbouwvoertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van systemen die essentieel zijn voor de bescherming van het milieu aanzienlijk kunnen verslechteren, onderworpen zijn aan controle door een goedkeuringsinstantie alvorens zij in de handel worden gebracht. Daartoe moeten technische voorschriften voor die onderdelen of uitrustingsstukken worden vastgesteld. |
|
(7) |
In verband met de vooruitgang van de techniek en de noodzaak een hoog milieubeschermingsniveau te bieden moeten technische voorschriften worden vastgesteld betreffende de invoering van fase V voor landbouw- en bosbouwvoertuigen, die in de plaats komt van de vorige motoremissiefasen die zijn vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96. De bij deze verordening vastgestelde technische voorschriften voor met name motorcategorieën, grenswaarden en uitvoeringsdata moeten worden afgestemd op de desbetreffende bepalingen in Verordening (EU) 2016/1628. |
|
(8) |
De Unie is bij Besluit 97/836/EG van de Raad (5) toegetreden tot de Overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene Overeenkomst van 1958”). De Commissie heeft in haar mededeling „CARS 2020: Actieplan voor een concurrerende en duurzame Europese automobielindustrie” (6) benadrukt dat de aanvaarding van internationale regelgeving in het kader van de VN/ECE-overeenkomst van 1958 de beste manier is om non-tarifaire handelsbelemmeringen op te heffen. Daarom moet bij de vaststelling van de voorschriften voor de EU-typegoedkeuring waar mogelijk worden verwezen naar de desbetreffende VN/ECE-reglementen. Verordening (EU) nr. 167/2013 biedt deze mogelijkheid. |
|
(9) |
Om dubbele technische voorschriften en administratieve en certificeringsvoorschriften te vermijden, moeten de VN/ECE-reglementen wat betreft de voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen, op gelijke voet worden gebruikt met de wetgeving van de Unie. De typegoedkeuring moet rechtstreeks op internationale normen worden gebaseerd, omdat daardoor de markttoegang in derde landen, en met name in de landen die partij zijn bij de Herziene Overeenkomst van 1958, kan verbeteren, waardoor het concurrentievermogen van de EU-industrie toeneemt. |
|
(10) |
Motoren die vóór de inwerkingtreding van deze verordening niet op het niveau van de Unie aan typegoedkeuring in verband met verontreinigende emissies onderworpen waren en voertuigen die met dergelijke motoren zijn uitgerust, moeten — mits zij aan de toepasselijke nationale voorschriften voldoen — in de handel gebracht kunnen worden tot de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie. |
|
(11) |
In de wetgeving van de Unie moeten geen technische voorschriften worden vastgesteld waaraan niet redelijkerwijs op tijd kan worden voldaan. De bedrijfstaak moet voldoende aanlooptijd hebben voor de toepassing van de motoremissiegrenswaarden van fase V op landbouw- en bosbouwvoertuigen. Daarom moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld die het mogelijk maken gedurende een beperkte tijdsduur EU-typegoedkeuringen en vrijstellingen te verlenen overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is voordat deze verordening in werking treedt. In het bijzonder moet worden toegestaan dat gedurende een beperkte tijdsduur de aan fase V voorafgaande motoremissiefasen parallel met die van fase V worden toegepast omdat voor bepaalde voertuigcategorieën, en met name voor smalspoortrekkers, de naleving van fase V vanaf de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de motoren technische moeilijkheden oplevert. |
|
(12) |
Om rekening te houden met belemmeringen voor toelevering en een „just-in-time”-productiestroom mogelijk te maken, alsook om onnodige kosten en administratieve lasten te voorkomen, moet het een motorfabrikant worden toegestaan om, met instemming van de voertuigfabrikant, een op een goedgekeurd type gebaseerde motor afzonderlijk van het uitlaatgasnabehandelingssysteem ervan te leveren. |
|
(13) |
De bepalingen betreffende de aan fase V voorafgaande motoremissiefasen zijn vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96. Die bepalingen, betreffende de typegoedkeuring en het in de handel brengen van trekkers, moeten slechts van toepassing zijn tot de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor de EU-typegoedkeuring van motoren, respectievelijk het in de handel brengen ervan, of langer overeenkomstig de overgangsbepalingen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 moet bijgevolg worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening wordt het volgende vastgesteld:
|
a) |
de nadere technische voorschriften voor de milieuprestaties, de prestaties van de aandrijfeenheid en de toegestane externe geluidsniveaus voor de goedkeuring van:
|
|
b) |
de testprocedures die nodig zijn om de naleving van de onder a) bedoelde voorschriften te beoordelen. |
Bij deze verordening worden tevens de nadere voorschriften betreffende de typegoedkeuringsprocedures en de conformiteit van de productie vastgesteld.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1. |
„motor”: een energieomzetter die is ontworpen om door middel van een intern verbrandingsproces chemische energie (input) om te zetten in mechanische energie (output), met uitzondering van gasturbines; het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van de motor en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig die nodig is om aan de hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2016/1628 te voldoen, zijn hierbij inbegrepen, indien zij zijn geïnstalleerd; |
|
2. |
„motortype”: een groep van motoren die onderling niet verschillen wat betreft de essentiële motorkenmerken; |
|
3. |
„motorfamilie”: een door de fabrikant bepaalde groep van motoren die vanwege hun ontwerp vergelijkbare eigenschappen bezitten wat betreft de uitlaatemissie en die aan de geldende emissiegrenswaarden voldoen; |
|
4. |
„oudermotor”: een motortype dat op zodanige wijze uit een motorfamilie is gekozen dat de emissie-eigenschappen representatief zijn voor die motorfamilie; |
|
5. |
„ruilmotor”: een motor die aan beide volgende criteria voldoet:
|
|
6. |
„nettovermogen”: het in kW uitgedrukte vermogen van de motor, verkregen op een testbank aan het uiteinde van de krukas, of het equivalent daarvan, gemeten overeenkomstig de in VN/ECE-Reglement nr. 120 (7) opgenomen methode voor het meten van het vermogen, waarbij een van de in artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1628 vastgestelde referentiebrandstoffen of brandstofcombinaties wordt gebruikt; |
|
7. |
„overgangsmotor” een motor met een productiedatum vóór de in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/1628 vastgestelde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren, die aan ten minste een van de volgende voorwaarden voldoet:
|
|
8. |
„uitlaatgasnabehandelingssysteem”: een katalysator, deeltjesfilter, deNOx-systeem, gecombineerd deNOx-deeltjesfilter of elke andere voorziening voor emissievermindering, met uitzondering van uitlaatgasrecirculatie (EGR) en turbocompressoren, die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem maar voorbij de uitlaatpoorten van de motor is gemonteerd; |
|
9. |
„externe voorziening voor geluidsreductie”: een onderdeel, systeem of technische eenheid die of dat een onderdeel van het uitlaat- en het geluiddempingssysteem vormt, met inbegrip van het uitlaatsysteem, het luchtinlaatsysteem, de geluiddemper of alle systemen, onderdelen en technische eenheden die van belang zijn voor de toegestane niveaus van de externe geluidsemissies van het landbouw- of bosbouwvoertuig, van een type waarvan het voertuig is voorzien bij de typegoedkeuring of uitbreiding van de typegoedkeuring; |
|
10. |
„SI-motor”: een motor die werkt volgens het principe van elektrische ontsteking; |
|
11. |
„rupsband”: een ononderbroken flexibele rubberachtige band die inwendig is versterkt om de trekkrachten mogelijk te maken; |
|
12. |
„rupsketting”: een ononderbroken metalen ketting die met het rupsaandrijfwiel koppelt en die bestaat uit verbindingen tussen dwarse metalen rupsbladen waarop eventueel een strook rubber is aangebracht om het wegoppervlak te beschermen; |
|
13. |
„in gebruik zijnde motor”: een motor die in een landbouw- of bosbouwvoertuig wordt gebruikt in de normale bedrijfspatronen, -omstandigheden en -belasting daarvan, en die tevens wordt gebruikt voor de uitvoering van de emissiemonitoringtests als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) 2016/1628; |
|
14. |
„maximaal nettovermogen”: de hoogste waarde van het nettovermogen op de nominaalvermogenscurve bij vollast voor het motortype; |
|
15. |
„productiedatum van de motor”: de datum, uitgedrukt in maand en jaar, waarop de motor, na het verlaten van de productielijn, de eindcontrole doorstaat en gereed is voor levering of opname in de voorraad; |
|
16. |
„productiedatum van het voertuig”: de maand en het jaar waarop een landbouw- of bosbouwvoertuig, na het verlaten van de productielijn, de eindcontrole doorstaat en die in het voorgeschreven opschrift van het voertuig zijn vermeld; |
|
17. |
„eindgebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon, met uitzondering van de fabrikant, de voertuigfabrikant, de importeur of de distributeur, die verantwoordelijk is voor het bedienen van de in een landbouw- of bosbouwvoertuig gemonteerde motor; |
|
18. |
„uitlaatgasrecirculatie” of „EGR”: een technische voorziening die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en de emissies vermindert door de door de verbrandingskamer(s) uitgestoten uitlaatgassen weer naar de motor te voeren om vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht te worden gemengd, met uitzondering van het gebruik van kleptiming om de hoeveelheid residueel uitlaatgas in de verbrandingskamer(s) dat vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht wordt gemengd, te vergroten; |
|
19. |
„manipulatie”: de inactivering, bijstelling of wijziging van het emissiebeheersingssysteem, inclusief software of andere logische besturingselementen van dat systeem, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van de motor slechter worden; |
|
20. |
„voorziening voor verontreinigingsbeheersing”: een onderdeel, systeem of technische eenheid die of dat een onderdeel van het uitlaatgasnabehandelingssysteem vormt; |
|
21. |
„voor het eerst in het verkeer brengen”:
|
HOOFDSTUK II
MATERIËLE VOORSCHRIFTEN
Artikel 3
Verontreinigende emissies
De fabrikant zorgt ervoor dat de landbouw- en bosbouwvoertuigen, evenals de daarin gemonteerde motoren, zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat zij voldoen aan de voorschriften voor motorcategorie NRE of NRS die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/1628 en in de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, met de in deel 1 van bijlage I bij deze verordening vastgestelde aanpassingen; er wordt tevens voldaan aan de specifieke voorschriften in deel 2 van bijlage I bij deze verordening.
Als alternatief mogen de landbouw- en bosbouwvoertuigen, evenals de daarin gemonteerde motoren, zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat zij voldoen aan de voorschriften voor motorcategorie ATS die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/1628 en in de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, met de in deel 1 van bijlage I bij deze verordening vastgestelde aanpassingen, indien die voertuigen zijn uitgerust met een SI-motor en aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
zij zijn uitgerust met een schrijlingse zitplaats en een stuurstang; |
|
b) |
zij zijn uitgerust met een stuurwiel en banken of kuipstoelen in een of meer rijen, en bereiken een maximumontwerpsnelheid van 25 km/h of meer. |
Er wordt tevens voldaan aan de specifieke voorschriften in deel 2 van bijlage I bij deze verordening.
Artikel 4
Externe geluidsniveaus
Om te voldoen aan artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013 zorgt de fabrikant ervoor dat de landbouw- en bosbouwvoertuigen en de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan die van invloed kunnen zijn op de externe geluidsniveaus van het voertuig, zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat voldaan wordt aan de voorschriften in bijlage II, en dat de externe geluidniveaus ervan dienovereenkomstig worden gemeten.
Artikel 5
Prestaties van de aandrijfeenheid
Met het oog op de beoordeling van de prestaties van de aandrijfeenheid van landbouw- en bosbouwvoertuigen meet de fabrikant het nettovermogen, het motorkoppel en het specifieke brandstofverbruik overeenkomstig punt 5 van VN/ECE-Reglement nr. 120, wijzigingenreeks 01. De vertegenwoordigers van de goedkeuringsinstantie of de technische dienst hoeven niet aanwezig te zijn bij deze metingen.
Een voertuig- of motorfabrikant kan, in plaats van de in de eerste alinea beschreven metingen te verrichten, ook aantonen dat hij aan de eerste alinea voldoet door een krachtens VN/ECE-Reglement nr. 120, wijzigingenreeks 01, verleende goedkeuring bij de goedkeuringsinstantie in te dienen.
HOOFDSTUK III
TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES
Artikel 6
EU-typegoedkeuring van een landbouw- of bosbouwvoertuig wat de emissies van verontreinigende stoffen betreft
1. Voor een landbouw- of bosbouwvoertuig wordt alleen EU-typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013 verleend als voldaan wordt aan de voorschriften betreffende emissies van verontreinigende stoffen die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/1628 en in de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, met de in deel 1 van bijlage I bij deze verordening vastgestelde aanpassingen; er wordt tevens voldaan aan de specifieke voorschriften in deel 2 van bijlage I bij deze verordening.
2. Een EU-typegoedkeuringsaanvraag voor een landbouw- of bosbouwvoertuig met een goedgekeurd motortype of een goedgekeurde motorfamilie moet, in aanvulling op de voorschriften in Verordening (EU) nr. 167/2013 en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 van de Commissie (8), vergezeld gaan van een kopie van het overeenkomstig de in artikel 11 van deze verordening bedoelde bepalingen afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat of goedkeuringscertificaat voor dat motortype of die motorfamilie en, in voorkomend geval, voor de in het landbouw- of bosbouwvoertuig geïnstalleerde systemen, onderdelen en technische eenheden.
3. Een EU-typegoedkeuringsaanvraag voor een landbouw- of bosbouwvoertuig zonder goedgekeurd motortype of goedgekeurde motorfamilie moet, in aanvulling op de voorschriften in Verordening (EU) nr. 167/2013 en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504, vergezeld gaan van een inlichtingenformulier voor EU-typegoedkeuring van een type systeem voor de installatie van een motor/motorfamilie (of een voertuigtype met betrekking daartoe) overeenkomstig aanhangsel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 en een inlichtingenformulier voor EU-typegoedkeuring van een motor/motorfamilie als onderdeel/technische eenheid overeenkomstig aanhangsel 3 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504.
Met het oog op een dergelijke aanvraag verstrekt de fabrikant aan de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de goedkeuringstest een motor van een landbouw- of bosbouwvoertuig waarvan de kenmerken overeenkomen met die van het motortype of, in voorkomend geval, de oudermotor.
Artikel 7
EU-typegoedkeuring van een motor of een motorfamilie wat de emissies van verontreinigende stoffen betreft
Voor een motortype of een motorfamilie wordt alleen EU-typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013 verleend als voldaan wordt aan de voorschriften betreffende emissies van verontreinigende stoffen die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/1628 en in de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, met de in deel 1 van bijlage I bij deze verordening vastgestelde aanpassingen; er wordt tevens voldaan aan de specifieke voorschriften in deel 2 van bijlage I bij deze verordening. De EU-typegoedkeuringsaanvraag gaat vergezeld van het informatiedossier overeenkomstig artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504.
Artikel 8
EU-typegoedkeuring van een landbouw- of bosbouwvoertuig wat de externe geluidsniveaus betreft
1. Voor een landbouw- of bosbouwvoertuig wordt alleen EU-typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013 verleend als voldaan wordt aan de voorschriften betreffende externe geluidsniveaus die zijn opgenomen in de leden 2 tot en met 5 en in bijlage II bij deze verordening.
2. Voor typegoedkeuringsdoeleinden meten de technische diensten het externe geluidsniveau van met luchtbanden uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen van categorie T en van met rupsbanden uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen van categorie C in beweging overeenkomstig de testvoorwaarden en -methoden die zijn opgenomen in punt 1.3.1 van bijlage II.
3. Voor typegoedkeuringsdoeleinden meten de technische diensten het externe geluidsniveau van met rupsbanden uitgeruste stilstaande landbouw- en bosbouwvoertuigen van de categorieën T en C overeenkomstig de testvoorwaarden en -methoden die zijn opgenomen in punt 1.3.2 van bijlage II. Zij leggen de resultaten daarvan vast overeenkomstig punt 1.3.2.4 van bijlage II.
4. Voor typegoedkeuringsdoeleinden meten de technische diensten het externe geluidsniveau van met rupskettingen uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen van categorie C overeenkomstig de testvoorwaarden en methoden voor de test in stilstand die zijn opgenomen in punt 1.3.2 van bijlage II.
5. Voor typegoedkeuringsdoeleinden meten de technische diensten het externe geluidsniveau van met rupskettingen uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen van categorie C in beweging overeenkomstig de testvoorwaarden en methoden voor de test die zijn opgenomen in punt 1.3.3 van bijlage II. Zij leggen de resultaten vast.
6. De typegoedkeuringsaanvraag gaat vergezeld van het informatiedossier overeenkomstig artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504.
Artikel 9
Uitbreiding van EU-typegoedkeuring
De EU-typegoedkeuring wat de voorschriften betreffende emissies van verontreinigende stoffen en het externe geluidsniveau betreft, kan door de typegoedkeuringsinstanties worden uitgebreid tot verschillende voertuigvarianten en -uitvoeringen en motortypen en -families, mits die voertuigvarianten en -uitvoeringen en motortypen en -families voldoen aan de in artikel 19, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013 vermelde voorschriften betreffende emissies van verontreinigende stoffen en het externe geluidsniveau.
Artikel 10
Latere wijzigingen die van invloed zijn op de milieuprestaties en de prestaties van de aandrijfeenheid
De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie onverwijld in kennis van elke wijziging van systemen, onderdelen en technische eenheden die van invloed kan zijn op de milieuprestaties en de prestaties van de aandrijfeenheid van de landbouw- en bosbouwvoertuigen van een goedgekeurd type die overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 167/2013 in de handel zijn gebracht.
De in de eerste alinea bedoelde kennisgeving bevat het volgende:
|
a) |
bewijs dat de in de eerste alinea bedoelde wijzigingen niet leiden tot een verslechtering van de milieuprestaties van een voertuig ten opzichte van de bij de typegoedkeuring aangetoonde milieuprestaties; |
|
b) |
een beschrijving van het motortype of de motorfamilie, met inbegrip van het uitlaatgasnabehandelingssysteem, overeenkomstig artikel 11 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (9) en bijlage IX bij die verordening; |
|
c) |
informatie overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504. |
HOOFDSTUK IV
GELIJKWAARDIGHEID
Artikel 11
Gelijkwaardigheid van alternatieve typegoedkeuringen
1. Op basis van Verordening (EU) 2016/1628 verleende EU-typegoedkeuringen voor motortypen of motorfamilies, en de bijbehorende voorgeschreven opschriften, worden erkend als gelijkwaardig aan typegoedkeuringen en goedkeuringsmerken die overeenkomstig deze verordening voor motoren zijn verleend.
2. Met het oog op de EU-typegoedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen krachtens deze verordening aanvaarden de nationale autoriteiten een overeenstemmingsverklaring die op basis van artikel 31 van Verordening (EU) 2016/1628 is afgegeven voor de motor waarmee die voertuigen zijn uitgerust.
3. Voor motoren verleende typegoedkeuringen, en de bijbehorende voorgeschreven opschriften, die conform zijn aan de in artikel 42, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1628 bedoelde VN/ECE-reglementen, alsook EU-typegoedkeuringen die worden verleend op basis van de in artikel 42, lid 3, van die verordening bedoelde handelingen van de Unie, worden erkend als gelijkwaardig aan de overeenkomstig deze verordening verleende EU-typegoedkeuringen en de krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 vereiste bijbehorende voorgeschreven opschriften, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorschriften van bijlage XIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (10).
HOOFDSTUK V
TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE VAN HET VOERTUIG
Artikel 12
Verplichting voor motorfabrikanten
Als de fabrikant van een landbouw- of bosbouwvoertuig niet de motorfabrikant is, stelt de motorfabrikant aan de voertuigfabrikant de informatie ter beschikking die nodig is om aan de verplichtingen van de artikelen 53 tot en met 56 van Verordening (EU) nr. 167/2013 en artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie (11) te voldoen.
HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN
Artikel 13
Overgangsbepalingen
1. Vanaf 21 juli 2018:
|
a) |
weigeren de goedkeuringsinstanties niet voor een nieuw motortype of een nieuwe motorfamilie EU-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen als dat motortype of die motorfamilie aan de artikelen 3, 5 en 7 voldoet; |
|
b) |
weigeren de goedkeuringsinstanties niet voor een nieuw voertuigtype EU-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen als dat voertuigtype aan de artikelen 3 tot en met 6 en artikel 8 voldoet; |
|
c) |
staan de lidstaten het in de handel brengen, de verkoop en het in het verkeer brengen toe van motoren die aan de artikelen 3, 5 en 7 of artikel 11 voldoen, alsook het in de handel brengen, de verkoop, de registratie en het in het verkeer brengen van landbouw- en bosbouwvoertuigen die aan de artikelen 3 tot en met 6 en artikel 8 voldoen. |
2. De goedkeuringsinstanties blijven tot de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor EU-typegoedkeuring van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening, overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96, in de versie die op 20 juli 2018 van toepassing is, EU-typegoedkeuringen en vrijstellingen voor typen landbouw- en bosbouwvoertuigen of motortypen en motorfamilies verlenen.
3. Met ingang van de verplichte toepassingsdata van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening, staan de lidstaten het in de handel brengen, de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen en het in de handel brengen, de verkoop of het in het verkeer brengen van motoren niet meer toe als daarvoor typegoedkeuring is verleend op basis van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96.
Tot die data mogen de lidstaten het in de handel brengen, de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen en het in de handel brengen, de verkoop of het in het verkeer brengen van motoren overeenkomstig de voorschriften in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 toestaan. De flexibele regeling van artikel 14 van die gedelegeerde verordening is alleen van toepassing op landbouw- en bosbouwvoertuigen met motoren die zijn goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften van de emissiegrenswaarden van de fase die onmiddellijk aan de toepasselijke fase voorafgaat.
4. Motoren die op 20 juli 2018 niet onderworpen waren aan typegoedkeuring in verband met verontreinigende emissies overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96, mogen tot de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening, op basis van de geldende nationale voorschriften in de handel gebracht, verkocht en in het verkeer gebracht blijven worden.
Landbouw- en bosbouwvoertuigen waarvoor overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013 typegoedkeuring is verleend en die met die motoren zijn uitgerust, mogen tot dezelfde data in de handel gebracht, verkocht, geregistreerd en in het verkeer gebracht blijven worden.
5. Overgangsmotoren mogen tot 24 maanden na de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening, in de handel gebracht, verkocht en in het verkeer gebracht blijven worden.
Met overgangsmotoren uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen mogen tot 24 maanden na de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening, in de handel gebracht, verkocht, geregistreerd en in het verkeer gebracht blijven worden, mits zij aan beide volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
de productiedatum ervan is niet meer dan 18 maanden na de verplichte toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/1628 voor het in de handel brengen van de betrokken motorcategorie, zoals vastgesteld in bijlage III bij die verordening; |
|
b) |
zij zijn voorzien van de opschriften die zijn voorgeschreven in deel 2, punt 2.1, van bijlage I bij deze verordening. |
Voor motoren van categorie NRE staan de lidstaten toe dat de in de eerste en tweede alinea bedoelde termijnen van 24 en 18 maanden met nog eens twaalf maanden worden verlengd voor voertuigfabrikanten met een totale jaarproductie van minder dan 100 eenheden van met een dergelijke motor uitgeruste landbouw- en bosbouwvoertuigen. Voor de berekening van die totale jaarproductie worden alle voertuigfabrikanten die onder zeggenschap van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon staan, als één voertuigfabrikant beschouwd.
6. Fabrikanten die overeenkomstig artikel 58, leden 10 en 11, van Verordening (EU) 2016/1628 ruilmotoren voor landbouw- en bosbouwvoertuigen in de handel brengen, zorgen ervoor dat die motoren voldoen aan de markeringsvoorschriften in punt 6 van bijlage XX bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 van de Commissie (12), artikel 32, lid 2, onder e), van Verordening (EU) 2016/1628 en de punten 1 en 5.4 van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504.
Artikel 14
Vrijstellingen
1. Een motorfabrikant mag, overeenkomstig bijlage X bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 en met instemming van de betrokken voertuigfabrikant, een motor afzonderlijk van het uitlaatgasnabehandelingssysteem aan die voertuigfabrikant leveren.
2. De lidstaten mogen toestaan dat motoren waarvoor geen EU-typegoedkeuring overeenkomstig de artikelen 3, 5 en 7 van deze verordening is verleend, overeenkomstig bijlage XI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 tijdelijk in de handel worden gebracht met het oog op praktijktests.
Artikel 15
Intrekking
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 wordt ingetrokken.
Artikel 16
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 februari 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.
(2) COM(2010) 186 definitief van 28.4.2010.
(3) Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie van 1 oktober 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 16 van 23.1.2015, blz. 1).
(5) Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene Overeenkomst van 1958”) (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).
(6) COM(2012) 636 final van 8 november 2012.
(7) Reglement nr. 120 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van verbrandingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de meting van het nettovermogen, het nettokoppel en het specifieke brandstofverbruik betreft [2015/1000] (PB L 166 van 30.6.2015, blz. 170).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 van de Commissie van 11 maart 2015 ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 85 van 28.3.2015, blz. 1).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
(10) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).
(11) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PB L 364 van 18.12.2014, blz. 1).
(12) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 van de Commissie van 8 december 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 42 van 17.2.2015, blz. 1).
BIJLAGE I
Voorschriften betreffende de EU-typegoedkeuring wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen
DEEL 1
Aanpassing betreffende de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1628
1. Voor de verlening van EU-typegoedkeuring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013 voor een landbouw- of bosbouwvoertuig of een motortype of motorfamilie als onderdeel wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen, wordt rekening gehouden met de volgende aanpassingen betreffende de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1628 die krachtens artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 167/2013 van toepassing zijn:
|
1.1. |
de verwijzingen naar „niet voor de weg bestemde mobiele machines” in Verordening (EU) 2016/1628 moeten worden gelezen als verwijzingen naar „landbouw- en bosbouwvoertuigen”; |
|
1.2. |
de verwijzingen naar „fabrikant van originele uitrusting” of „OEM” in Verordening (EU) 2016/1628 moeten worden gelezen als verwijzingen naar „voertuigfabrikant”; |
|
1.3. |
de in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/1628 vermelde toepassingsdata voor het in de handel brengen van motoren moeten worden gelezen als toepassingsdata voor het voor het eerst in het verkeer brengen van motoren en voertuigen; |
|
1.4. |
de in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/1628 vermelde data voor de EU-typegoedkeuring van motoren of, in voorkomend geval, de data voor de typegoedkeuring van een motortype of motorfamilie moeten worden gelezen als data voor de EU-typegoedkeuring van een voertuigtype of, in voorkomend geval, een motortype of motorfamilie. |
2. Motorfabrikanten gebruiken bij de definitie van de motortypen en motorfamilies, en de werkingsmodi ervan, de parameters in bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656.
DEEL 2
Specifieke voorschriften
1. In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 167/2013 en artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt de conformiteit van de productie van motoren gecontroleerd overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2016/1628 en artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654.
2. Opschriften
2.1. De motor wordt voorzien van de in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 voorgeschreven opschriften.
3. Monitoring van emissies van in gebruik zijnde motoren
3.1. Motorfabrikanten voldoen aan de voorschriften betreffende de monitoring van de emissies van in gebruik zijnde motoren in artikel 19 van Verordening (EU) 2016/1628 en in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie (1).
4. Montage van de motor in het voertuig
4.1. De motor moet na montage in een landbouw- of bosbouwvoertuig ten aanzien van de emissie van verontreinigende stoffen dezelfde prestaties hebben als bij de typegoedkeuring.
4.2. De motor wordt overeenkomstig de voorschriften in de in punt 4.3 bedoelde informatie en instructies die de motorfabrikant aan de voertuigfabrikant moet verstrekken, in een landbouw- of bosbouwvoertuig gemonteerd.
4.3. De motorfabrikant verstrekt de voertuigfabrikant alle informatie en instructies die nodig zijn om te waarborgen dat de motor na montage in het voertuig in overeenstemming is met het goedgekeurde motortype. De voertuigfabrikant wordt overeenkomstig artikel 43, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1628 en artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 duidelijk in kennis gesteld van die instructies.
5. De motorfabrikant stelt alle relevante informatie en benodigde instructies bedoeld voor de eindgebruiker, zoals bedoeld in artikel 43, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2016/1628 en artikel 18 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654, ter beschikking van de voertuigfabrikant.
6. Voorkoming van manipulatie
6.1. Motorfabrikanten passen de bepalingen betreffende nadere technische gegevens voor het voorkomen van manipulatie in bijlage X bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 toe.
(1) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 334).
BIJLAGE II
Voorschriften betreffende externe geluidsemissies
1. Toegestane externe geluidsniveaus
1.1. Het instrumentarium, met inbegrip van de microfoons, de kabels en het windscherm, moet voldoen aan de voorschriften voor een instrument van klasse 1 van IEC 61672-1:2013. De filters moeten voldoen aan de voorschriften voor een instrument van klasse 1 van IEC 61260:1995.
1.2. Meetomstandigheden
1.2.1. De meting geschiedt aan het landbouw- of bosbouwvoertuig bij de lege massa in rijklare toestand, op een voldoende stille open plaats (omgevingsgeluid en windgeluid ten minste 10 dB(A) lager dan het te meten externe geluidsniveau).
1.2.2. Deze plaats kan bijvoorbeeld een open ruimte zijn met een straal van 50 m, waarvan het middengedeelte met een straal van ten minste 20 m praktisch horizontaal is, met een bodem van beton, asfalt of een soortgelijk materiaal; de bodem mag niet bedekt zijn met losse sneeuw, hoog gras, mulle grond of as.
1.2.3. Het oppervlak van de rijbaan moet zodanig zijn dat de banden geen overmatig geluid produceren. Deze voorwaarde geldt alleen voor metingen van het externe geluid dat wordt geproduceerd door rijdende landbouw- of bosbouwvoertuigen.
1.2.4. De metingen geschiedt bij goede weersomstandigheden en zwakke wind. Behalve de persoon die de apparatuur afleest, mogen zich geen personen in de nabijheid van het landbouw- of bosbouwvoertuig of de microfoon bevinden, aangezien de aanwezigheid van toeschouwers nabij het landbouw- of bosbouwvoertuig of de microfoon de aanwijzing van het meetapparaat aanzienlijk kan beïnvloeden. Pieken in de aanwijzing die geen klaarblijkelijk verband houden met kenmerken van het algemene geluidsniveau worden bij de aflezing buiten beschouwing gelaten.
1.3. Meetmethode
1.3.1. Meting van het externe geluidsniveau van rijdende landbouw- of bosbouwvoertuigen
1.3.1.1. Aan weerszijden van het landbouw- of bosbouwvoertuig worden ten minste twee metingen verricht. Voor afstellingsdoeleinden mogen voorbereidende metingen worden verricht, maar deze worden buiten beschouwing gelaten.
1.3.1.2. De microfoon wordt op 1,2 m hoogte boven de grond geplaatst, op een afstand van 7,5 m van de trajectas CC van het landbouw- of bosbouwvoertuig, gemeten volgens de loodlijn PP′ op deze as (figuur 1).
1.3.1.3. Evenwijdig aan PP′ en op 10 m afstand hiervan respectievelijk vóór en achter deze lijn worden op de testbaan twee lijnen AA′ en BB′ getrokken. Het landbouw- of bosbouwvoertuig wordt met constante snelheid en op de wijze als hierna vermeld tot aan de lijn AA′ gereden. Op dat moment wordt de gasklep zo snel mogelijk volledig geopend en de gasklep blijft in deze stand totdat de achterzijde van het landbouw- of bosbouwvoertuig de lijn BB′ overschrijdt, waarna de gasklep zo snel mogelijk wordt gesloten. Als aan het landbouw- of bosbouwvoertuig een aanhangwagen is gekoppeld, wordt hiermee geen rekening gehouden bij het bepalen of de lijn BB′ wordt overschreden.
1.3.1.4. Als meetresultaat geldt het maximaal geregistreerde geluidsniveau.
Figuur 1
1.3.1.5. De constante snelheid waarmee tot aan de lijn AA′ wordt gereden, is gelijk aan drie vierde van de maximumontwerpsnelheid (vmax) zoals opgegeven door de fabrikant, die kan worden bereikt met de hoogste overbrengingsverhouding die voor rijden over de weg wordt gebruikt.
1.3.1.6. Interpretatie van resultaten
1.3.1.6.1. Teneinde rekening te houden met afwijkingen in de meetapparatuur wordt het resultaat van elke meting gevormd door de op het apparaat afgelezen waarde, verminderd met 1 dB(A).
1.3.1.6.2. De metingen worden als geldig beschouwd als het verschil in aflezing tussen twee opeenvolgende metingen aan dezelfde zijde van het landbouw- of bosbouwvoertuig niet meer dan 2 dB(A) bedraagt.
1.3.1.6.3. Het hoogste gemeten geluidsniveau geldt als testresultaat. Indien deze waarde ten minste 1 dB(A) meer bedraagt dan het maximaal toegestane geluidsniveau voor de betrokken categorie landbouw- of bosbouwvoertuigen, wordt overgegaan tot een nieuwe reeks van twee metingen. Drie van de vier aldus verkregen resultaten dienen binnen de voorgeschreven grenzen te liggen.
1.3.2. Meting van het externe geluid van stilstaande landbouw- of bosbouwvoertuigen
1.3.2.1. Plaats van de geluidsniveaumeter
Het meetpunt is het in figuur 2 aangegeven punt X, dat zich op 7 m van het dichtstbijzijnde oppervlak van het landbouw- of bosbouwvoertuig bevindt. De microfoon wordt 1,2 meter boven de grond geplaatst.
1.3.2.2. Aantal metingen: er worden ten minste twee metingen verricht.
1.3.2.3. Testomstandigheden voor landbouw- en bosbouwvoertuigen
1.3.2.3.1. Van een landbouw- of bosbouwvoertuig zonder snelheidsregulateur wordt de motor op een toerental gebracht gelijk aan drie vierde van dat waarbij de motor volgens opgave van de fabrikant van het landbouw- of bosbouwvoertuig zijn maximale nettovermogen ontwikkelt. Het aantal toeren per minuut wordt gemeten met behulp van een onafhankelijk instrument, bijvoorbeeld een rollentestbank en een snelheidsmeter. Als de motor voorzien is van een snelheidsregulateur die verhindert dat de motor het toerental overschrijdt waarbij de motor zijn maximale nettovermogen ontwikkelt, laat men hem draaien met het maximale toerental dat met de regulateur mogelijk is.
1.3.2.3.2. De motor wordt op de normale bedrijfstemperatuur gebracht voordat tot de metingen wordt overgegaan.
1.3.2.4. Interpretatie van resultaten
1.3.2.4.1. In het rapport worden alle aflezingen van het externe geluidsniveau vermeld. Het motortoerental wordt overeenkomstig artikel 8 geregistreerd. De belastingstoestand van het landbouw- of bosbouwvoertuig wordt eveneens geregistreerd.
1.3.2.4.2. De metingen worden als geldig beschouwd als het verschil in aflezing tussen twee opeenvolgende metingen aan dezelfde zijde van het landbouw- of bosbouwvoertuig niet meer dan 2 dB(A) bedraagt.
1.3.2.4.3. Als meetresultaat geldt de maximaal geregistreerde waarde.
1.3.3. Testbepalingen voor het externe geluid van rijdende voertuigen van categorie C met rupskettingen
Voor rijdende landbouw- en bosbouwvoertuigen van categorie C die met rupskettingen zijn uitgerust, wordt het geluid gemeten met voertuigen die bij de lege massa in rijklare toestand met een constante snelheid van 5 km/h (± 0,5 km/h) en bij het nominale toerental van de motor over een laag vochtig zand rijden, zoals gespecificeerd in punt 5.3.2 van ISO 6395:2008. De microfoon wordt overeenkomstig punt 1.3.1 geplaatst. De gemeten geluidswaarde wordt in het testrapport vermeld.
2. Uitlaatsysteem (geluiddemper)
2.1. Als het landbouw- of bosbouwvoertuig een voorziening voor vermindering van het uitlaatgeluid (geluiddemper) heeft, zijn de voorschriften van dit punt van toepassing. Als de aanzuigbuis van de motor is voorzien van een luchtfilter, die nodig is om te waarborgen dat het toegestane geluidsniveau niet wordt overschreden, wordt deze filter geacht deel uit te maken van de geluiddemper en gelden de voorschriften van dit punt 2 ook voor deze filter.
Het uiteinde van de uitlaat moet zodanig zijn geplaatst dat de uitlaatgassen niet in de cabine kunnen binnendringen.
Figuur 2
Posities bij meting aan stilstaande landbouw- of bosbouwvoertuigen
2.2. Het schema van het uitlaatsysteem wordt bij het typegoedkeuringscertificaat van het landbouw- of bosbouwvoertuig gevoegd.
2.3. De geluiddemper moet zijn voorzien van een duidelijk leesbare en onuitwisbare merk- en typeaanduiding.
2.4. De geluiddemper mag slechts voorzien zijn van geluiddempend materiaal van vezelige substantie indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
|
2.4.1. |
er mag geen geluiddempend materiaal van vezelige substantie worden aangewend in de delen van de geluiddemper waar gas door stroomt; |
|
2.4.2. |
met passende voorzieningen dient te worden verzekerd dat het geluiddempend materiaal van vezelige substantie gedurende de gehele tijd dat de geluiddemper wordt gebruikt, op zijn plaats blijft; |
|
2.4.3. |
het geluiddempend materiaal van vezelige substantie moet bestand zijn tegen een temperatuur die (in graden Celsius) ten minste 20 % hoger ligt dan de werkingstemperatuur die kan voorkomen op de plaats waar dat materiaal in de geluiddemper is gebruikt. |
|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/16 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/986 VAN DE COMMISSIE
van 3 april 2018
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wat de aanpassing van de administratieve bepalingen voor de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen aan de emissiegrenswaarden voor fase V betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 22, lid 4, artikel 25, leden 2, 3 en 6, artikel 27, lid 1, artikel 33, lid 2, en artikel 34, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 van de Commissie (2) zijn onder meer de modellen vastgesteld voor bepaalde documenten die in het kader van de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen moeten worden opgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) ingetrokken en worden nieuwe emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes (fase V) ingevoerd voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 167/2013 zullen de emissiegrenswaarden voor fase V in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628 ook van toepassing zijn op landbouw- en bosbouwvoertuigen. De toepassing van die grenswaarden wordt uitgesteld overeenkomstig het tijdschema zoals vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/1628. |
|
(4) |
Daarom is het noodzakelijk de in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 vastgestelde modellen te wijzigen om ze aan te passen en in overeenstemming te brengen met die in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (5). |
|
(5) |
Teneinde de administratieve voorschriften te verfijnen, moeten bijkomende kleine wijzigingen in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 worden aangebracht om de goedkeuring van elektrische/elektronische subeenheden als onderdeel mogelijk te maken en om meer omvattende informatie te verlangen met het oog op de typegoedkeuring van de transmissie en de remsystemen voor getrokken voertuigen. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 167/2013 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 12 bis wordt ingevoegd: „Artikel 12 bis Overgangsbepalingen met betrekking tot motoren Met betrekking tot motoren waarvoor typegoedkeuring is verleend vóór 1 januari 2018, of vóór 1 januari 2019 in het geval van motoren van de subcategorieën NRE-v-5 en NRE-c-5, blijven de volgende bepalingen van deze verordening, in de versie die van toepassing was op 6 augustus 2018, van toepassing:
|
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening; |
|
3) |
Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening; |
|
4) |
Bijlage III, aanhangsel 1, wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening; |
|
5) |
Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening; |
|
6) |
Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening; |
|
7) |
Bijlage VI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VI bij deze verordening. |
|
8) |
Bijlage VII, aanhangsel 1, wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening; |
|
9) |
Bijlage VIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VIII bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 van de Commissie van 11 maart 2015 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorschriften voor de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 85 van 28.3.2015, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53).
(4) Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In de lijst van de aanhangsels wordt de rij voor aanhangsel 10 vervangen door:
|
|
2) |
Deel A wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Deel B wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Aanhangsel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
In aanhangsel 4 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
8) |
In aanhangsel 5 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
9) |
In aanhangsel 6 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
10) |
In aanhangsel 7 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
11) |
In aanhangsel 8 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
12) |
In aanhangsel 9 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
13) |
Aanhangsel 10 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
14) |
In aanhangsel 11 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
15) |
In aanhangsel 12 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
16) |
In aanhangsel 13 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
17) |
In aanhangsel 14 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
18) |
Aanhangsel 15 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
19) |
Aanhangsel 16 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
20) |
In aanhangsel 17 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
21) |
In aanhangsel 18 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
22) |
In aanhangsel 19 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
23) |
In aanhangsel 20 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
24) |
In aanhangsel 21 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
25) |
In aanhangsel 22 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
26) |
In aanhangsel 23 wordt vermelding 2.2 vervangen door:
|
|
27) |
De tekst van de toelichting bij het inlichtingenformulier wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).”;
(*3) Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53).
(*4) Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).”;”
(*2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/985 van de Commissie van 12 februari 2018 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en de motoren daarvan en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie (PB L 182 van 18.7.2018, blz. 1).”;
(*5) Continuvariabele transmissie”.
(*6) Continuvariabele transmissie”.
BIJLAGE II
Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 2.1.1, in het model van addendum 1, worden de woorden „Aanvullende informatie over de motor (4):” en vermelding 2.5.2 geschrapt. |
|
2) |
In de toelichting bij bijlage II wordt noot (4) vervangen door:
|
BIJLAGE III
Bijlage III, aanhangsel 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Model 1 van deel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
Model 2 van deel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
De tekst van de toelichting bij aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
(1) Vermeld voor NRSC de in punt 9.1 (tabel 4) aangeduide cyclus; vermeld voor transiënte test de in punt 10.1 (tabel 8) aangeduide cyclus.
(2) Neem de in tabel 6 bij „Eindresultaat test met DF” vermelde resultaten over.
(3) Neem de in tabel 9 of, in voorkomend geval, in tabel 10, bij „Eindresultaat test met DF” vermelde resultaten over.
(4) Vermeld voor een motortype dat of een motorfamilie die volgens zowel de NRSC als een transiënte cyclus, niet voor wegverkeer, is getest, de in punt 10.3.4 opgegeven CO2-emissiewaarden van de warme cyclus van de NRTC of de in punt 10.4.4 opgegeven CO2-emissiewaarden van de LSI-NRTC. Vermeld voor een motor die enkel volgens de NRSC is getest de CO2-emissiewaarden die voor die cyclus zijn opgegeven in punt 9.3.3”
BIJLAGE IV
Bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 4.2.1.7 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Het volgende punt 2.1.1.10 wordt ingevoegd:
|
|
3) |
Het volgende punt 5.4 wordt toegevoegd: „5.4. Specifieke voorschriften voor het opschrift van motoren Onverminderd punt 5.2 moet het voorgeschreven opschrift op de motor in overeenstemming zijn met de bepalingen in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656, met de volgende uitzonderingen:
(*1) Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers en houdende wijziging van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1)." (*2) Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1)." (*3) Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).”." |
(*1) Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers en houdende wijziging van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1).
(*2) Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1).
(*3) Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).”.”
BIJLAGE V
Bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In aanhangsel 2 wordt, in de toelichting bij aanhangsel 2, noot (10) vervangen door:
|
|
2) |
In aanhangsel 3 worden in de lijst van regelgevingshandelingen waaraan het voertuigtype voldoet, de rijen 75, 76 en 77 vervangen door:
|
|
3) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE VI
Bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.2.3 wordt vervangen door:
|
|
2) |
In punt 4 wordt tabel 6-1 als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE VII
Bijlage VII, aanhangsel 1, bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 1 worden de woorden „Gemeten overeenkomstig bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie” vervangen door de woorden „Gemeten overeenkomstig bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/985 van de Commissie, laatstelijk gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) …/… van de Commissie (1) (3)”. |
|
2) |
Punt 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
De punten 2.1 en 2.2 worden vervangen door:
|
|
4) |
Het volgende punt 2.3 wordt ingevoegd: „2.3. CO2 (9)
|
|
5) |
De tekst van de toelichting bij aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE VIII
Bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/504 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 3.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Het volgende punt 3.5 wordt toegevoegd: „3.5. Testrapport voor motoren Testrapporten voor motoren worden opgesteld overeenkomstig het uniforme formaat van het testrapport in bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656.”. |
(*1) Richtlijn 2009/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdrukking van radiostoringen, veroorzaakt door landbouw- of bosbouwtrekkers (elektromagnetische compatibiliteit) (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 1).”.
|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/40 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/987 VAN DE COMMISSIE
van 27 april 2018
tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (1), en met name artikel 19, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie (2) zijn onder andere de procedures vastgesteld voor de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines. |
|
(2) |
Ingevolge tabel III-1 van bijlage III bij Verordening (EU) 2016/1628 wordt die verordening, wat de EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen betreft, een jaar later verplicht van toepassing op motoren van subcategorie NRE-v-5 dan op motoren van subcategorie NRE-v-6. |
|
(3) |
Daarom moet voor motoren van subcategorie NRE-v-5 met een laag vermogensbereik de voorgeschreven bedrijfsaccumulatieduur van in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines en in het kader van de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen worden getest, worden gereduceerd, zodat het voor fabrikanten gemakkelijker is om te voldoen aan de bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 vastgestelde uiterste data voor de indiening van de testresultaten bij de goedkeuringsinstanties. |
|
(4) |
Omwille van de duidelijkheid moet in aanhangsel 5 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 worden vermeld dat de fabrikant in de procedures voor de berekening van de uitstoot van verontreinigende gassen voor een motortype of voor de motortypen binnen een motorfamilie, de referentiearbeid en de referentie-CO2-massa moet gebruiken die gespecificeerd zijn in het addendum van het EU-typegoedkeuringscertificaat van het motortype, of de motorfamilie, overeenkomstig het model in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (3). |
|
(5) |
Om afrondingsfouten bij de berekening van de uitstoot van verontreinigende gassen te vermijden, moet worden verduidelijkt dat de toepasselijke uitlaatemissiegrenswaarden zijn vastgesteld in artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1628. |
|
(6) |
Om te waarborgen dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 interne samenhang vertoont en om die verordening aan te passen aan Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (4) moeten enkele meeteenheden worden gewijzigd. |
|
(7) |
Na de bekendmaking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 zijn fouten van verschillende aard ontdekt, waaronder onjuiste toewijzing van verantwoordelijkheden en fouten in enkele vergelijkingen; die fouten moeten worden rechtgezet. |
|
(8) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd: „Artikel 3 bis Overgangsbepalingen 1. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/987 (*1) van de Commissie, blijven de goedkeuringsinstanties tot en met 31 december 2018 ook EU-typegoedkeuringen voor motortypen of motorfamilies verlenen overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. 2. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/987 van de Commissie, staan de lidstaten tot en met 30 juni 2019 ook toe dat motoren in de handel worden gebracht die gebaseerd zijn op een motortype dat is goedgekeurd overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. (*1) Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/987 van de Commissie van 27 april 2018 tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 182 van 18.7.2018, blz. 40).”." |
|
2) |
De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
Artikel 2
Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655
De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 334).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).
BIJLAGE I
De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De punten 2.6.1.1 en 2.6.1.2 worden vervangen door:
|
|
2) |
Aan punt 2.6.1.3 wordt de volgende tabel 1 toegevoegd: „Tabel 1 % van EDP-waarden
|
|
3) |
Punt 2.6.2.1 wordt vervangen door:
|
|
4) |
Punt 3.1.1 wordt vervangen door:
|
|
5) |
In aanhangsel 3, punt 4.1, wordt de tabel vervangen door: „Tabel Toleranties
|
|
6) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).” ”
BIJLAGE II
De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 5.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
De punten 6.1 tot en met 6.4 worden vervangen door:
|
|
3) |
Punt 8 wordt vervangen door: „8. Berekeningen Voor de berekening van de emissies van verontreinigende gassen voor de monitoring tijdens het gebruik van in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde motoren met behulp van een PEMS volgen fabrikanten de in aanhangsel 5 beschreven procedures.”. |
|
4) |
In punt 10.1 wordt de eerste zin vervangen door: „Fabrikanten stellen voor elke geteste motor een testrapport op van de monitoring tijdens het gebruik van in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde motoren met behulp van een PEMS.”. |
|
5) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
6) |
In aanhangsel 8 wordt punt 2.8 vervangen door:
|
|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/46 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/988 VAN DE COMMISSIE
van 27 april 2018
tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (1), en met name artikel 18, lid 5, artikel 21, lid 3, artikel 23, lid 5, artikel 24, lid 12, en artikel 32, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (2) zijn onder andere de modellen vastgesteld voor bepaalde documenten die in het kader van de EU-typegoedkeuring van interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moeten worden opgesteld. Die modellen moeten worden gewijzigd en gerectificeerd om een aantal fouten en omissies recht te zetten en de modellen tevens te verduidelijken. |
|
(2) |
Omwille van de transparantie en volledigheid moet een motorfabrikant bij de indiening van een EU-typegoedkeuringsaanvraag in het informatiedossier een kopie opnemen van de demonstratieverslagen van specifieke tests. |
|
(3) |
Om de procedures voor de berekening van de uitstoot van verontreinigende gassen voor de monitoring van in gebruik zijnde motoren van niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie (3) te harmoniseren en te vergemakkelijken, moeten de voor die berekening gebruikte referentiearbeid en referentie-CO2-massa worden vermeld in het addendum van het model van het EU-typegoedkeuringscertificaat en in het uniforme formaat van het testrapport. |
|
(4) |
Om ervoor te zorgen dat in het hele wetgevingspakket met betrekking tot emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring van interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines dezelfde begrippen worden gebruikt en om de betekenis van de begrippen te verduidelijken, moeten de begrippen „individuele-cilinderinhoud” en „cilinderinhoud” in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 worden vervangen door „slagvolume per cilinder” en „totale cilinderinhoud van de motor”. |
|
(5) |
Ten slotte zijn er na de bekendmaking van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 kleine fouten van verschillende aard ontdekt, die moeten worden rechtgezet. In het bijzonder moeten bepaalde veranderingen worden aangebracht in bepalingen die tegenstrijdigheden of overbodige informatie bevatten en moeten bepaalde verwijzingen en nummers worden gerectificeerd. |
|
(6) |
In het bijzonder moeten de punten 10 tot en met 11.2 van het model voor het uniforme formaat van het testrapport worden gerectificeerd om de in Verordening (EU) 2016/1628 gebruikte begrippen correct weer te geven. |
|
(7) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 12 bis wordt ingevoegd: „Artikel 12 bis Overgangsbepalingen 1. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/988 van de Commissie (*1), blijven de goedkeuringsinstanties tot en met 31 december 2018 ook EU-typegoedkeuringen voor motortypen of motorfamilies verlenen overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. 2. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/988, staan de nationale instanties tot en met 30 juni 2019 ook toe dat motoren in de handel worden gebracht die gebaseerd zijn op een motortype dat is goedgekeurd overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. (*1) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/988 van de Commissie van 27 april 2018 tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 182 van 18.7.2018, blz. 46).” " |
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
|
3) |
Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening. |
Artikel 2
Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Bijlage I wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
|
2) |
In bijlage II worden de aanhangsels 1 en 2 gerectificeerd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening. |
|
3) |
In bijlage III, aanhangsel 1, tabel 1, negende rij, eerste kolom, wordt „Toepasselijke vrijstellingscode (EM) of overgangscode (TM) uit kolom 4 in tabel 1 van aanhangsel 2 van bijlage II” vervangen door „Toepasselijke vrijstellingscode (EM) of overgangscode (TR) uit kolom 4 in tabel 1 van aanhangsel 2 van bijlage II”. |
|
4) |
In bijlage IV wordt het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gerectificeerd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening. |
|
5) |
Bijlage V wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage VI bij deze verordening. |
|
6) |
Bijlage VI wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening. |
|
7) |
Bijlage IX wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage VIII bij deze verordening. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 334).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Deel A wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Aanhangsel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE II
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
In deel A wordt punt 1.3 vervangen door:
|
|
2) |
Deel B wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
3) |
Aanhangsel 3 wordt als volgt gerectificeerd:
|
BIJLAGE III
Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
In aanhangsel 1, onderdeel 2, wordt punt 3 vervangen door:
|
|
2) |
In aanhangsel 2 wordt tabel 1 als volgt gerectificeerd:
|
BIJLAGE IV
Bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan het addendum bij het typegoedkeuringscertificaat worden de volgende punten 11.3 tot en met 11.3.2 toegevoegd: „11.3. Referentiewaarden voor monitoring tijdens het gebruik (9)
|
|
2) |
Aan de toelichting bij bijlage IV wordt de volgende noot (9) toegevoegd:
|
BIJLAGE V
In bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat als volgt gerectificeerd:
|
1) |
De punten 2.11.8, 2.11.9 en 2.11.10 worden vervangen door:
|
|
2) |
In punt 3.6.4, tweede kolom („Beschrijving van het item”), wordt „Cilinderinhoud (cm3):” vervangen door „Totale cilinderinhoud van de motor (cm3):”. |
BIJLAGE VI
Bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
In punt 3.1, eerste alinea, wordt de aanhef vervangen door: „Voorbeeld van een EU-typegoedkeuringsnummer voor een NRSh-v-1b-motor die op benzine werkt, verleend door Nederland en drie keer uitgebreid:”. |
|
2) |
In punt 3.2, eerste alinea, wordt de aanhef vervangen door: „Voorbeeld van een EU-typegoedkeuringsnummer voor een dualfuelmotor NRE-c-3 type 1A die werkt op gasvormige brandstof van het type LN2 (een specifieke samenstelling van vloeibaar aardgas/vloeibaar biomethaan die een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van het gas G20 gespecificeerd in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt), verleend door Frankrijk en nog niet uitgebreid:”. |
|
3) |
In punt 3.3, eerste alinea, wordt de aanhef vervangen door: „Voorbeeld van een EU-typegoedkeuringsnummer voor een RLL-v-1-motor overeenkomstig de SPE-emissiegrenswaarden, werkend op dieselbrandstof, verleend door Oostenrijk en twee keer uitgebreid:”. |
BIJLAGE VII
Bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.6 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gerectificeerd:
|
BIJLAGE VIII
De punten 2.4.4 tot en met 2.4.4.3 van bijlage IX bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 worden vervangen door:
„2.4.4. Slagvolume per cilinder
2.4.4.1. Motor met een slagvolume per cilinder ≥ 750 cm3
Motoren met een slagvolume per cilinder ≥ 750 cm3 kunnen alleen tot dezelfde motorfamilie behoren als het grootste verschil tussen hun slagvolumes per cilinder niet groter is dan 15 % van het grootste slagvolume per cilinder binnen de motorfamilie.
2.4.4.2. Motor met een slagvolume per cilinder < 750 cm3
Motoren met een slagvolume per cilinder < 750 cm3 kunnen alleen tot dezelfde motorfamilie behoren als het grootste verschil tussen hun slagvolumes per cilinder niet groter is dan 30 % van het grootste slagvolume per cilinder binnen de motorfamilie.
2.4.4.3. Motor met een groter verschil in slagvolume per cilinder
Niettegenstaande de punten 2.4.4.1 en 2.4.4.2 kunnen motoren waarbij het grootste verschil tussen de slagvolumes per cilinder de in de punten 2.4.4.1 en 2.4.4.2 vermelde grenswaarden overschrijdt, worden geacht tot dezelfde motorfamilie behoren wanneer de goedkeuringsinstantie daar goedkeuring voor verleend. Deze goedkeuring moet worden gebaseerd op technische elementen (berekeningen, simulaties, experimentele resultaten enz.) die aantonen dat het overschrijden van de grenswaarde geen significant effect heeft op de uitlaatemissies.”.
|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/61 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/989 VAN DE COMMISSIE
van 18 mei 2018
tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (1), en met name artikel 25, lid 4, onder a) tot en met d), artikel 26, lid 6, artikel 42, lid 4, onder b), en artikel 43, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om het gebruik mogelijk te maken van bepaalde brandstoffen die in enkele lidstaten rechtmatig worden verhandeld, zonder extra lasten aan fabrikanten op te leggen, moet het toegestane gehalte aan vetzuurmethylesters (FAME) 8,0 % v/v bedragen in plaats van 7,0 % v/v. |
|
(2) |
Om te zorgen voor overeenstemming met artikel 7, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (2) moet worden toegestaan dat bij de indiening van een bestaand testrapport voor motoren van categorie RLL ter verkrijging van typegoedkeuring voor fase V overeenkomstig dat artikel dezelfde versie van testcyclus F wordt gebruikt voor het controleren van de conformiteit van de productie van motoren waarvoor op basis van die cyclus typegoedkeuring is verleend. |
|
(3) |
Om de testprocedures voor motoren zonder nabehandelingssysteem te verbeteren, moeten er specifieke voorschriften worden vastgesteld voor de bepaling van de verslechteringsfactoren voor deze motoren. |
|
(4) |
Om rekening te houden met alle mogelijke emissiebeheersingsstrategieën moeten de desbetreffende technische voorschriften niet alleen betrekking hebben op de aanvullende emissiebeheersingsstrategie, maar ook op de basisemissiebeheersingsstrategie. |
|
(5) |
De voorschriften voor de emissiebeheersingsstrategieën golden oorspronkelijk voor motoren die aan een transiënte cyclus werden onderworpen. Deze voorschriften zijn echter niet geschikt voor motoren die alleen aan de NRSC worden onderworpen en niet volgens een transiënte cyclus worden getest. De bestaande voorschriften voor de emissiebeheersingsstrategieën voor motoren die aan een transiënte cyclus worden onderworpen, moeten daarom aan die motoren worden aangepast door een onderscheid te maken tussen de voorwaarden betreffende de emissietest (alleen in statische toestand) en de overige bedrijfsomstandigheden (transiënt). |
|
(6) |
Om ervoor te zorgen dat bij de demonstratie op basis van willekeurige punten overeenkomstig punt 3 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (3) rekening wordt gehouden met de regeneratie van een nabehandelingssysteem, en om te verduidelijken dat voorafgaand aan de uitvoering van de emissietestcyclus een regeneratie van het motornabehandelingssysteem mag plaatsvinden, moeten de in punt 4 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 bedoelde testvoorschriften worden gewijzigd door er nieuwe specifieke bepalingen betreffende regeneratie in op te nemen. |
|
(7) |
Om de kans te verkleinen dat tijdens de test regeneratie plaatsvindt, moet de minimale bemonsteringstijd bij uitvoering van de NRSC met specifieke modi voor de demonstratie op basis van willekeurige punten overeenkomstig punt 3 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 worden beperkt tot drie minuten per punt. |
|
(8) |
Voor de volledigheid moet de fabrikant in het in deel A van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 beschreven informatiedossier een verslag opnemen van de demonstraties die uit hoofde van specifieke technische voorschriften en procedures van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 zijn uitgevoerd. |
|
(9) |
De verwijzing in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 naar de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1628 waarin wordt voorgeschreven dat in de resultaten van emissielaboratoriumtests rekening wordt gehouden met de verslechteringsfactoren, is onjuist en moet worden gerectificeerd. |
|
(10) |
Omwille van de samenhang van Verordening (EU) 2016/1628 en alle op basis van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen moeten bepaalde voorschriften betreffende families van motornabehandelingssystemen ook van toepassing zijn op motorfamilies of groepen van motorfamilies. |
|
(11) |
Er moeten bepaalde veranderingen worden aangebracht in bepalingen die tegenstrijdigheden of overbodige informatie bevatten en er moeten bepaalde verwijzingen worden gerectificeerd. |
|
(12) |
Na de bekendmaking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 zijn nadere fouten van verschillende aard, zoals onjuiste begrippen en nummers, ontdekt; die fouten moeten worden rechtgezet. |
|
(13) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 20 bis wordt ingevoegd: „Artikel 20 bis Overgangsbepalingen 1. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/989 van de Commissie, blijven de goedkeuringsinstanties tot en met 31 december 2018 ook EU-typegoedkeuringen voor motortypen of motorfamilies verlenen overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. 2. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/989 van de Commissie, staan de lidstaten tot en met 30 juni 2019 ook toe dat motoren in de handel worden gebracht die gebaseerd zijn op een motortype dat is goedgekeurd overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
|
3) |
Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
|
4) |
Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening. |
|
5) |
Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening; |
|
6) |
Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening. |
|
7) |
Bijlage VI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VI bij deze verordening. |
|
8) |
Bijlage VII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening. |
|
9) |
Bijlage VIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VIII bij deze verordening. |
|
10) |
Bijlage IX wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IX bij deze verordening. |
|
11) |
Bijlage XIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage X bij deze verordening. |
|
12) |
Bijlage XV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage XI bij deze verordening. |
Artikel 2
Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Artikel 4 wordt vervangen door: „Artikel 4 Methode voor het aanpassen van de resultaten van emissielaboratoriumtests om rekening te houden met de verslechteringsfactoren De resultaten van emissielaboratoriumtests worden overeenkomstig de in bijlage III bij deze verordening vastgestelde methode aangepast om rekening te houden met de verslechteringsfactoren, waaronder de factoren die verband houden met de meting van de deeltjesaantallen (PN) en met gasmotoren, zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/1628.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XII bij deze verordening. |
|
3) |
In bijlage II wordt punt 3.3.2 vervangen door:
|
|
4) |
Bijlage III wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XIII bij deze verordening. |
|
5) |
Bijlage IV wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XIV bij deze verordening. |
|
6) |
Bijlage V wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XV bij deze verordening. |
|
7) |
Bijlage VI wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVI bij deze verordening. |
|
8) |
Bijlage VII wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVII bij deze verordening. |
|
9) |
bijlage VIII wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVIII bij deze verordening. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 mei 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 1.2.2 wordt vervangen door:
(*1) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).”." |
|
2) |
Punt 1.2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Punt 2.4.1.4 wordt geschrapt. |
(*1) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).”.”
BIJLAGE II
Bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende punt 6.2.3.1 wordt ingevoegd:
|
|
2) |
In punt 6.2.4 wordt „, zoals bepaald overeenkomstig bijlage III” vervangen door „die zijn bepaald overeenkomstig bijlage III”. |
|
3) |
In punt 6.4 wordt de derde zin vervangen door: „Voor motoren op aardgas/biomethaan (NG) of vloeibaar petroleumgas (lpg), met inbegrip van dualfuelmotoren, worden de tests uitgevoerd met ten minste twee van de referentiebrandstoffen voor elke gasmotor, behalve in het geval van een gasmotor met een brandstofspecifieke typegoedkeuring, waarin slechts één referentiebrandstof vereist is, zoals beschreven is in aanhangsel 1 van bijlage I.”. |
BIJLAGE III
Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De punten 3.1.3 en 3.1.4 worden vervangen door:
|
|
2) |
Punt 3.2.1 wordt vervangen door: „3.2.1. Algemeen De voor een motorfamilie, groep van motorfamilies of familie van motornabehandelingssystemen geldende verslechteringsfactoren worden van de geselecteerde motoren afgeleid op basis van een bedrijfsaccumulatieschema waarbij de emissies van gassen en deeltjes tijdens elke testcyclus die op de motorcategorie van toepassing is, zoals vermeld in bijlage IV bij Verordening (EU) 2016/1628, periodiek worden gemeten. Bij transiënte testcycli, niet voor wegverkeer, voor motoren van categorie NRE (hierna „NRTC” genoemd), worden alleen de resultaten gebruikt van de met warme start uitgevoerde NRTC (hierna „warmstart-NRTC” genoemd).”. |
|
3) |
In punt 3.2.5.2 wordt de laatste alinea vervangen door: „Wanneer emissiewaarden worden gebruikt voor motorfamilies binnen dezelfde groep van motorfamilies of familie van motornabehandelingssystemen, maar met verschillende emissieduurzaamheidsperioden, worden de emissiewaarden aan het eindpunt van de emissieduurzaamheidsperiode voor elke periode opnieuw berekend door extrapolatie of interpolatie van de overeenkomstig punt 3.2.5.1 bepaalde regressievergelijking.”. |
|
4) |
In punt 3.2.6.1 wordt de laatste alinea geschrapt. |
|
5) |
Het volgende punt 3.2.6.1.1 wordt ingevoegd:
|
BIJLAGE IV
Bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De volgende punten 2.2.3.1 en 2.2.4 worden ingevoegd:
|
|
2) |
In punt 2.6 wordt de alinea onder de titel geschrapt. |
|
3) |
De volgende punten 2.6.1 en 2.6.2 worden ingevoegd:
|
|
4) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE V
Bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.1.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Het volgende punt 3.1 wordt ingevoegd:
|
|
3) |
Punt 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Het volgende punt 5 wordt toegevoegd: „5. Regeneratie Als tijdens of onmiddellijk voor de in punt 4 beschreven procedure een regeneratieproces plaatsvindt, kan de test na voltooiing van de procedure op verzoek van de fabrikant ongeldig worden verklaard, ongeacht de oorzaak van de regeneratie. In dit geval wordt de test herhaald. Er worden dezelfde koppel- en toerentalpunten gebruikt, hoewel de volgorde mag worden veranderd. Het wordt niet nodig geacht koppel- en toerentalpunten te herhalen waarvoor al een positief resultaat is behaald. Voor de herhaling van de test wordt de volgende procedure toegepast:
|
BIJLAGE VI
Bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 1 wordt vervangen door: „1. Inleiding In deze bijlage worden de methode voor het bepalen van de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes door de te testen motor en de specificaties van de meetapparatuur beschreven. Vanaf onderdeel 6 komt de nummering in deze bijlage overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 (*1) (GTR nr. 11) en VN/ECE-Reglement nr. 96, wijzigingenreeks 04 (*2), bijlage 4B. Enkele punten van GTR nr. 11 zijn echter in deze bijlage niet nodig of zijn aangepast aan de vooruitgang van de techniek. (*1) Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende de motoremissies van landbouw- en bosbouwtrekkers en van niet voor de weg bedoelde mobiele machines in het kader van het wereldregister dat op 18 november 2004 is gecreëerd uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen." (*2) Reglement nr. 96 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van compressieontstekingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de emissies van verontreinigende stoffen door de motor betreft.”." |
|
2) |
In punt 5.1 worden de tweede, de derde en de vierde alinea vervangen door: „Met de gemeten waarden van de door de motor uitgestoten verontreinigende gassen en deeltjes en CO2 worden de specifieke emissies in grammen per kilowattuur (g/kWh) bedoeld, of het aantal deeltjes per kilowattuur (#/kWh) voor PN. Gemeten worden de verontreinigende gassen en deeltjes waarvoor grenswaarden gelden ten aanzien van de subcategorie van de geteste motor, zoals vermeld in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628. De resultaten, met inbegrip van:
mogen de toepasselijke grenswaarden niet overschrijden. De CO2-waarden worden overeenkomstig artikel 43, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1628 voor alle motorsubcategorieën gemeten en gerapporteerd.”. |
|
3) |
Punt 5.2.5.1.1 wordt vervangen door: „5.2.5.1.1. Berekening van MTS Voor de berekening van het MTS wordt de procedure voor het bepalen van de transiënte motorkarakteristiek overeenkomstig punt 7.4 uitgevoerd. Het MTS wordt vervolgens bepaald aan de hand van de bepaalde waarden voor motortoerental versus vermogen. Het MTS wordt op een van de volgende manieren berekend:
|
|
4) |
Punt 5.2.5.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Punt 5.2.5.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
In punt 6.2 wordt de eerste alinea vervangen door: „Er wordt een vulluchtkoelsysteem gebruikt met een totale inlaatluchtcapaciteit die representatief is voor die bij in gebruik zijnde productiemotoren na montage. Elk laboratoriumsysteem voor vulluchtkoeling moet zodanig zijn ontworpen dat accumulatie van condensaat zo veel mogelijk wordt beperkt. Vóór de emissietests wordt elk geaccumuleerd condensaat afgevoerd en worden alle afvoergaten volledig gesloten. Tijdens de emissietest worden de afvoergaten gesloten gehouden. De koelmiddelcondities worden als volgt gehandhaafd:
|
|
7) |
Punt 6.3.4 wordt vervangen door: „6.3.4. Bepaling van het vermogen van de hulpapparatuur Indien van toepassing uit hoofde van de punten 6.3.2 en 6.3.3 worden de waarden van het vermogen van de hulpapparatuur en de wijze waarop deze zijn gemeten of berekend voor het gehele werkgebied van de toepasselijke testcycli door de motorfabrikant ingediend en door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd.”. |
|
8) |
Punt 6.6.2.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
In punt 6.6.2.4, derde alinea, wordt punt b) vervangen door:
|
|
10) |
Punt 7.3.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 7.3.1.1.5 wordt geschrapt. |
|
12) |
De punten 7.3.1.2 tot en met 7.3.1.5 worden vervangen door: „7.3.1.2. Afkoelen van de motor (NRTC) Er mag een natuurlijke of geforceerde afkoelingsprocedure worden toegepast. Bij geforceerde afkoeling worden naar goede ingenieursinzichten systemen opgezet om koellucht langs de motor te leiden, koelolie door het motorsmeersysteem te leiden, het koelmiddel door het motorkoelsysteem te koelen, en het uitlaatgasnabehandelingssysteem te koelen. Bij geforceerde afkoeling van het uitlaatgasnabehandelingssysteem mag koellucht pas worden gebruikt nadat het systeem tot onder de activeringstemperatuur van de katalysator is afgekoeld. Koelprocedures die tot niet-representatieve emissies leiden, zijn niet toegestaan. 7.3.1.3. Verificatie van HC-verontreiniging Als er enig vermoeden van een essentiële HC-verontreiniging van het uitlaatgasmeetsysteem bestaat, mag die verontreiniging met nulgas worden gecontroleerd en dan worden gecorrigeerd. Als de hoeveelheid verontreiniging van het meetsysteem en het achtergrond-HC-systeem moet worden gecontroleerd, moet dat binnen 8 uur voor het starten van elke testcyclus gebeuren. De waarden worden voor latere correctie geregistreerd. Vóór deze controle wordt op lekken gecontroleerd en wordt de FID-analysator gekalibreerd. 7.3.1.4. Voorbereiding van de meetapparatuur voor bemonstering Voordat de emissiebemonstering begint, worden de volgende stappen uitgevoerd:
7.3.1.5. Kalibratie van gasanalysatoren Voor de gasanalysatoren worden passende meetbereiken gekozen. Emissieanalysatoren met automatische of handmatige meetbereikschakeling zijn toegestaan. Tijdens een test volgens een transiënte testcyclus (NRTC of LSI-NRTC) of de RMC en tijdens een bemonsteringsperiode van een gasvormige emissie aan het einde van elke modus bij een test volgens de NRSC met specifieke modi wordt het meetbereik van de emissieanalysatoren niet omgeschakeld. Ook de output van analoge operationele versterkers van de analysator wordt tijdens een testcyclus niet veranderd. Alle continue analysatoren worden op nul gezet en geijkt met internationaal herleidbare gassen die voldoen aan de specificaties van punt 9.5.1. Vlamionisatiedetectoren (FID-analysatoren) worden geijkt op basis van een koolstofgetal van één (C1).”. |
|
13) |
Het volgende punt 7.3.1.6 wordt ingevoegd: „7.3.1.6. Voorconditionering en tarraweging van PM-filters Voor het voorconditioneren en tarrawegen van PM-filters worden de procedures van punt 8.2.3 gevolgd.”. |
|
14) |
Punt 7.4 wordt vervangen door: „7.4. Testcycli De EU-typegoedkeuringstest wordt uitgevoerd volgens de toepasselijke NRSC en, in voorkomend geval, NRTC of LSI-NRTC, als gespecificeerd in artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1628 en bijlage IV bij die verordening. De technische specificaties en karakteristieken van de NRSC, NRTC en LSI-NRTC zijn opgenomen in bijlage XVII bij deze verordening en de methode voor het bepalen van de koppel-, vermogens- en toerentalinstellingen van die testcycli is beschreven in onderdeel 5.2.”. |
|
15) |
Punt 7.5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
16) |
In punt 7.5.1.2 worden de punten a) en b) vervangen door:
|
|
17) |
Punt 7.8.1.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
In punt 7.8.2.4, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Bij het testen van motoren met een referentievermogen van meer dan 560 kW mogen de regressielijntoleranties van tabel 6.2 worden gebruikt en mogen overeenkomstig tabel 6.3 punten worden geschrapt.”. |
|
19) |
In punt 7.8.3.5 wordt tabel 6.3 vervangen door: „Tabel 6.3 Punten die uit de regressieanalyse mogen worden geschrapt
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
20) |
In punt 8.1.2 wordt tabel 6.4 als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Punt 8.1.7 wordt vervangen door: „8.1.7. Meten van de motorparameters en de omgevingsomstandigheden Er worden interne kwaliteitsprocedures toegepast die herleidbaar zijn naar erkende nationale of internationale standaarden. Zo niet gelden de volgende procedures.”. |
|
22) |
In punt 8.1.8.4.1, onder f), wordt de eerste alinea vervangen door: „De CFV of SSV mag ook voor de kalibratie uit zijn permanente positie worden verwijderd, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan wanneer zij in de CVS worden geïnstalleerd:”. |
|
23) |
In punt 8.1.8.5.1, onder a), wordt punt iv) vervangen door:
|
|
24) |
In punt 8.1.8.5.4 worden de eerste en tweede zin onder de titel vervangen door: „De lekcontrole aan vacuümzijde van het HC-bemonsteringssysteem mag worden uitgevoerd overeenkomstig punt g). Als deze procedure wordt gevolgd, mag de HC-verontreinigingsprocedure van punt 7.3.1.3 worden toegepast.”. |
|
25) |
Punt 8.1.8.5.8 wordt geschrapt. |
|
26) |
Punt 8.1.9.1.2 wordt vervangen door: „8.1.9.1.2. Meetprincipes H2O kan met de respons van een NDIR-analysator op CO2 interfereren. Als de NDIR-analysator gebruikmaakt van compensatiealgoritmen waarvoor metingen van andere gassen worden gebruikt om deze interferentie te verifiëren, moeten die metingen simultaan worden verricht om de compensatiealgoritmen tijdens de verificatie van de interferentie van de analysator te testen.”. |
|
27) |
In punt 8.1.9.1.4 wordt punt b) vervangen door:
|
|
28) |
Punt 8.1.9.2.4, onder b), wordt vervangen door:
|
|
29) |
Punt 8.1.10.1.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
30) |
In punt 8.1.10.2.4, onder a), wordt de tweede zin geschrapt. |
|
31) |
Punt 8.1.11.1.5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
32) |
In punt 8.1.11.3.4, onder g), wordt de aanhef vervangen door: „vermenigvuldig dit verschil met het quotiënt van de verwachte gemiddelde HC-concentratie en de tijdens de verificatie gemeten HC-concentratie. De analysator voldoet aan de interferentieverificatie van dit punt als het resultaat binnen ± 2 % van de bij de emissiegrenswaarde verwachte NOx-concentratie ligt, zoals beschreven in vergelijking (6-25):”. |
|
33) |
In punt 8.1.11.4.2 wordt „koelbad” vervangen door „monsterdroger”. |
|
34) |
Punt 8.1.12 wordt vervangen door: „8.1.12. Verificatie van de monsterdroger Als een vochtigheidssensor wordt gebruikt om het dauwpunt bij de uitlaat van de monsterdroger continu te meten, is deze controle niet noodzakelijk zolang ervoor wordt gezorgd dat de vochtigheid bij de uitlaat van de droger onder de bij de controle voor quenching, interferentie en compensatie toegepaste minimumwaarden ligt. Als, zoals toegestaan in punt 9.3.2.3.1, een monsterdroger wordt gebruikt om water uit het monstergas te verwijderen, moeten de prestaties bij thermische koelers bij de installatie en na een grote onderhoudsbeurt worden geverifieerd. Bij osmotische membraandrogers moeten de prestaties bij de installatie, na een grote onderhoudsbeurt en maximaal 35 dagen vóór de tests worden geverifieerd. Water kan de analysator beletten de relevante uitlaatgasbestanddelen naar behoren te meten en wordt daarom soms verwijderd voordat het monstergas de analysator bereikt. Zo kan water negatief interfereren met de NOx-respons van een CLD via demping door botsing (quenching) en kan het positief interfereren met een NDIR-analysator door een soortgelijke respons als CO te veroorzaken. De monsterdroger moet voldoen aan de specificaties van punt 9.3.2.3.1 voor het dauwpunt (T dew) en de absolute druk (p total) voorbij de osmotische membraandroger of de thermische koeler. Om de prestaties van de monsterdroger te bepalen, wordt de volgende verificatieprocedure toegepast of er worden goede ingenieursinzichten toegepast om een ander protocol te ontwikkelen:
|
|
35) |
De punten 8.1.12.1 tot en met 8.1.12.2.5 worden geschrapt. |
|
36) |
De volgende punten 8.1.13 tot en met 8.1.13.2.5 worden ingevoegd: „8.1.13. PM-metingen 8.1.13.1. Verificatie van de PM-balans en het weegproces 8.1.13.1.1. Reikwijdte en frequentie In dit onderdeel worden drie verificaties beschreven:
8.1.13.1.2. Onafhankelijke verificatie De fabrikant van de balans (of een door hem goedgekeurde vertegenwoordiger) moet de prestaties van de balans maximaal 370 dagen vóór de tests volgens interne auditprocedures verifiëren. 8.1.13.1.3. Op nul zetten en ijken De prestaties van de balans worden geverifieerd door ze met ten minste één kalibratiegewicht op nul te zetten en te ijken, waarbij alle voor die verificatie gebruikte gewichten aan de specificaties in punt 9.5.2 moeten voldoen. Er wordt een manuele of geautomatiseerde procedure toegepast:
8.1.13.1.4. Wegen van het referentiemonster Alle massa-aflezingen tijdens een weegsessie worden geverifieerd door de referentiemedia voor PM-monsters (bv. filters) vóór en na een weegsessie te wegen. Een weegsessie mag zo kort zijn als men wil, maar niet langer dan 80 uur, en mag massa-aflezingen zowel vóór als na de test omvatten. Opeenvolgende massabepalingen van elk referentiemedium voor PM-monsters moeten dezelfde waarde opleveren op ± 10 μg of ± 10 % van de verwachte totale PM-massa na, waarbij de grootste waarde van toepassing is. Als opeenvolgende wegingen van PM-monsterfilters niet aan dat criterium voldoen, worden alle afzonderlijke testfiltermassa-aflezingen tussen de opeenvolgende referentiefiltermassabepalingen in ongeldig verklaard. Deze filters mogen tijdens een andere weegsessie opnieuw worden gewogen. Als na de test een filter ongeldig wordt verklaard, is het testinterval ongeldig. De verificatie wordt als volgt uitgevoerd:
8.1.13.2. Correctie van een PM-monsterfilter voor de opwaartse kracht 8.1.13.2.1. Algemeen PM-monsterfilters moeten voor hun opwaartse kracht in de lucht worden gecorrigeerd. De correctie voor de opwaartse kracht is afhankelijk van de dichtheid van het monstermedium, de luchtdichtheid en de dichtheid van het kalibratiegewicht dat is gebruikt om de balans te kalibreren. Bij de correctie voor de opwaartse kracht wordt geen rekening gehouden met de opwaartse kracht van het deeltjesmateriaal zelf, omdat de PM-massa meestal maar 0,01 tot 0,10 % van het totale gewicht vertegenwoordigt. Een correctie voor deze kleine massafractie zou hooguit 0,010 % zijn. De voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden zijn de tarramassa's van de PM-monsters. Deze voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden van de weging van het filter vóór de test worden vervolgens van de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden van de weging van het overeenkomstige filter na de test afgetrokken om de massa van het tijdens de test uitgestoten deeltjesmateriaal te bepalen. 8.1.13.2.2. Dichtheid van het PM-monsterfilter Verschillende PM-monsterfilters hebben een verschillende dichtheid. De bekende dichtheid van het monstermedium wordt toegepast of bij een aantal gebruikelijke bemonsteringsmedia wordt een van de volgende dichtheden toegepast:
8.1.13.2.3. Luchtdichtheid Aangezien de omgeving van een PM-balans strikt op een omgevingstemperatuur van 295 ± 1 K (22 ± 1 °C) en een dauwpunt van 282,5 ± 1 K (9,5 ± 1 °C) moet worden geregeld, is de luchtdichtheid voornamelijk een functie van de luchtdruk. Daarom wordt een correctie voor de opwaartse kracht gespecificeerd die alleen afhankelijk is van de luchtdruk. 8.1.13.2.4. Dichtheid van het kalibratiegewicht De aangegeven dichtheid van het materiaal van het metalen kalibratiegewicht wordt toegepast. 8.1.13.2.5. Berekening van de correctie Het PM-monsterfilter wordt voor de opwaartse kracht gecorrigeerd met vergelijking (6-27):
waarbij:
met
waarin:
|
|
37) |
In punt 9.3.2.1.1 wordt de eerste zin vervangen door: „Wanneer overeenkomstig punt 9.3.1.1.1 een mengkamer wordt gebruikt, moet het inwendige volume van de mengkamer ten minste tien keer zo groot zijn als het slagvolume van één cilinder van de motor die wordt getest.”. |
|
38) |
In punt 9.3.2.2 wordt punt b) vervangen door:
|
|
39) |
In punt 9.3.2.3.1.1 wordt de laatste alinea vervangen door: „Bij de hoogste verwachte waterdampconcentratie Hm moet de waterverwijderingstechniek de vochtigheid op ≤ 5 g water/kg droge lucht (of ongeveer 0,8 vol.-% H2O) houden, wat gelijk is aan 100 % relatieve vochtigheid bij 277,1 K (3,9 °C) en 101,3 kPa. Deze specificatie van de vochtigheid komt overeen met ongeveer 25 % relatieve vochtigheid bij 298 K (25 °C) en 101,3 kPa. Dit kan worden aangetoond door:
|
|
40) |
In punt 9.3.3.4.3 wordt de tweede zin vervangen door: „De monstertemperatuur wordt geregeld op 320 ± 5 K (47 ± 5 °C), gemeten op gelijk welk punt binnen 200 mm vóór of 200 mm voorbij de PM-filtermedia.”. |
|
41) |
In punt 9.3.4.4, onder b), wordt de laatste zin vervangen door: „Deze waarde wordt gebruikt om overeenkomstig punt 8.1.13.2 de correctie van het PM-monsterfilter voor de opwaartse kracht te berekenen.”. |
|
42) |
In punt 9.4.1.2 wordt de laatste zin vervangen door: „Wanneer voor een bepaalde meting meer dan een instrument wordt gespecificeerd, duidt de goedkeuringsinstantie op verzoek een ervan aan als referentie-instrument voor het aantonen dat een alternatieve procedure gelijkwaardig is met de gespecificeerde procedure.”. |
|
43) |
In punt 9.4.1.3 wordt de eerste zin vervangen door: „Voor alle in dit punt beschreven meetinstrumenten geldt dat, met voorafgaande toestemming van de goedkeuringsinstantie, voor de berekening van testresultaten voor één test gegevens van meerdere instrumenten mogen worden gebruikt.”. |
|
44) |
In punt 9.4.5.3.2 wordt de eerste zin vervangen door: „Om een partiëlestroomverdunningssysteem zo te regelen dat een evenredig monster van het ruwe uitlaatgas wordt genomen, moet de responstijd van de stroommeter sneller zijn dan aangegeven in tabel 6.8.”. |
|
45) |
In punt 9.4.6 wordt de laatste zin vervangen door: „Het NDIR-systeem moet voldoen aan de kalibratie- en verificatievoorschriften in punt 8.1.9.1 of 8.1.9.2, naargelang het geval.”. |
|
46) |
In punt 9.4.12 wordt de alinea onder de titel vervangen door: „Er mag overeenkomstig aanhangsel 4 een fouriertransformatie-infraroodanalysator (FTIR), een niet-dispersieve ultravioletanalysator (NDUV) of een laser-infraroodanalysator worden gebruik.”. |
|
47) |
Punt 9.5.1.1, onder a), wordt als volgt gewijzigd:
|
|
48) |
In punt 9.5.1.1, onder c), wordt punt i) vervangen door:
|
|
49) |
In punt 9.5.1.2 wordt punt b) vervangen door:
|
|
50) |
In punt 9.5.1.3 wordt de tweede alinea onder de titel geschrapt. |
|
51) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
52) |
In aanhangsel 3, punt 3, tweede alinea, wordt de eerste zin vervangen door: „Het door de elektronische regeleenheid uitgezonden koppel wordt zonder correctie aanvaard als op elk meetpunt het quotiënt van de koppelwaarde van de dynamometer en de koppelwaarde van de elektronische regeleenheid niet minder dan 0,93 bedraagt (d.w.z. een maximaal verschil van 7 %).”. |
|
53) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
54) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende de motoremissies van landbouw- en bosbouwtrekkers en van niet voor de weg bedoelde mobiele machines in het kader van het wereldregister dat op 18 november 2004 is gecreëerd uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen.
(*2) Reglement nr. 96 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van compressieontstekingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de emissies van verontreinigende stoffen door de motor betreft.”.”
BIJLAGE VII
Bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.1 wordt vervangen door: „2.1. Meting van gasvormige emissies in ruw uitlaatgas”. |
|
2) |
In punt 2.1.1 wordt vergelijking (7-1) vervangen door:
|
|
3) |
In punt 2.1.3 wordt vergelijking (7-4) vervangen door:
|
|
4) |
In punt 2.1.5.2 wordt vergelijking (7-13) vervangen door:
|
|
5) |
In punt 2.1.6.4 wordt in de legenda van vergelijking (7-21) de rij betreffende „wC ” vervangen door:
|
|
6) |
In punt 2.3.3 worden in de legenda van vergelijking (7-34) de rijen betreffende „Mda,w” en „Mr,w” vervangen door:
|
|
7) |
Punt 2.3.1 wordt vervangen door: „2.3.1. Transiënte testcycli (NRTC en LSI-NRTC) en RMC De deeltjesmassa wordt berekend na de correctie van de deeltjesmonstermassa voor de opwaartse kracht overeenkomstig punt 8.1.13.2.5 van bijlage VI.”. |
|
8) |
In punt 2.3.1.1.2 wordt vergelijking (7-46) vervangen door:
|
|
9) |
Punt 2.4.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
10) |
In punt 2.4.1.2 wordt de legenda van vergelijking (7-64) als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 2.4.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
12) |
In punt 3.3.4 wordt de eerste alinea vervangen door: „Voor HC-meting wordt x THC[THC-FID] aan de hand van de concentratie van de initiële THC-verontreiniging x THC[THC-FID]init uit punt 7.3.1.3 van bijlage VI berekend met vergelijking (7-83):”. |
|
13) |
In punt 3.3.5 wordt de laatste zin vervangen door: „Op basis van eerdere tests met soortgelijke motoren of van tests met soortgelijke apparatuur en instrumenten kan wellicht al een bepaalde debietgewogen gemiddelde concentratie van een emissie bij de emissiegrenswaarde worden verwacht.”. |
|
14) |
Punt 3.5 wordt vervangen door: „3.5. Meting van gasvormige emissies in ruw uitlaatgas”. |
|
15) |
In punt 3.5.3, onder c), wordt vergelijking (7-113) vervangen door:
|
|
16) |
Punt 3.6.1 wordt vervangen door: „3.6.1. Emissiemassaberekening en achtergrondcorrectie De massa van gasvormige emissies m gas [g/test] wordt als volgt als functie van de molaire debieten van de emissies berekend:
|
|
17) |
In punt 3.6.3 wordt punt b) als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
Punt 3.8.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
19) |
In punt 3.8.1.2 wordt de legenda van vergelijking (7-131) als volgt gewijzigd:
|
|
20) |
Punt 3.8.2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Punt 3.8.2.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
22) |
In punt 3.9.3, onder a), wordt vergelijking (7-140) vervangen door:
|
|
23) |
Aan aanhangsel 3, punt 5, worden de volgende tabellen 7.9 en 7.10 toegevoegd: „Tabel 7-9 Kritieke F-waarden, Fcrit90, versus N-1 en Nref-1 met een betrouwbaarheid van 90 %
Tabel 7-10 Kritieke F-waarden, Fcrit95, versus N-1 en Nref-1 met een betrouwbaarheid van 95 %
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
24) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE VIII
Bijlage VIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 4.2.2.2, laatste alinea, wordt de volgende zin toegevoegd: „In het in deel A van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 beschreven informatiedossier wordt een beschrijving opgenomen van de verbinding en de methode voor het uitlezen van deze gegevens.”; |
|
2) |
In punt 4.5.1 wordt punt b) vervangen door:
|
|
3) |
Punt 6.4.1 wordt vervangen door:
|
|
4) |
Het volgende punt 6.8 wordt ingevoegd: „6.8. Documentatie van de demonstratie De demonstratie uit hoofde van de punten 6.1 tot en met 6.7.1 wordt vastgelegd in een demonstratieverslag. Dat verslag:
|
|
5) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE IX
In aanhangsel 2, punt 2, van bijlage IX bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt de aanhef voor vergelijking (9-5) vervangen door:
„De waarde van Sλ mag worden bepaald als het quotiënt van de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en methaan en de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en het naar de motor gevoerde brandstofmengsel, zoals weergegeven in vergelijking (9-5):”.
BIJLAGE X
In bijlage XIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt punt 1 als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 1) wordt de aanhef vervangen door:
(*1) Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).”." |
|
2) |
In punt 2) wordt de aanhef vervangen door:
(*2) Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren (PB L 171 van 24.6.2013, blz. 1.”." |
(*1) Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).”.
(*2) Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren (PB L 171 van 24.6.2013, blz. 1.”.”
BIJLAGE XI
In punt 3, 15), van bijlage XV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt punt a) vervangen door:
|
„a) |
als de motor in de Unie op diesel of gasolie voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moet werken: een verklaring dat een brandstof moet worden gebruikt met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg (20 mg/kg op het laatste punt van distributie), een cetaangetal van minimaal 45 en een FAME-gehalte van maximaal 8 % v/v;”. |
BIJLAGE XII
Bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.4.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
De punten 2.5.2 en 2.5.2.1 worden vervangen door: „2.5.2. Brandstofspecifieke dualfuelmotoren op vloeibaar aardgas (LNG) 2.5.2.1. Bij een dualfuelmotorfamilie wordt, wanneer de motoren voor een specifieke LNG-samenstelling worden gekalibreerd, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage IX gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt, de basismotor alleen getest met het referentiegas G20 of met de gelijkwaardige brandstof die een mengsel is van leidinggas en andere gassen, zoals gespecificeerd in aanhangsel 1 van bijlage IX.”. |
BIJLAGE XIII
Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 3.1.2 wordt vervangen door:
|
|
2) |
In punt 3.4.1.3 wordt de tweede zin vervangen door: „De goedkeuringsinstantie weigert geen goedkeuring voor onderhoudsvoorschriften die redelijk en technisch noodzakelijk zijn, waaronder onder meer de in punt 3.4.1.4 bedoelde verrichtingen.”. |
BIJLAGE XIV
Bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.3.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
3) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gerectificeerd:
|
BIJLAGE XV
Punt 1 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
De tweede en de derde alinea worden vervangen door: „Deze bijlage bevat de technische voorschriften in verband met het gebied van de toepasselijke NRSC waarin de toegestane overschrijding van de emissiegrenswaarden van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628 beheerst wordt. Wanneer een motor overeenkomstig de testvoorschriften van onderdeel 4 wordt getest, mogen de op een willekeurig gekozen punt binnen het in onderdeel 2 gedefinieerde beheersgebied bemonsterde emissies van verontreinigende gassen en deeltjes de toepasselijke emissiegrenswaarden in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628, vermenigvuldigd met factor 2,0, niet overschrijden.”. |
|
2) |
De laatste alinea wordt vervangen door: „In de montage-instructies die de fabrikant overeenkomstig bijlage XIV aan de OEM verstrekt, worden de boven- en ondergrens van het toepasselijke beheersgebied aangegeven en wordt een verklaring opgenomen om te verduidelijken dat de OEM de motor niet op zodanige wijze mag monteren dat de motor gedwongen wordt permanent uitsluitend bij combinaties van toerental en koppel te werken die buiten het beheersgebied voor de koppelcurve voor het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie liggen.”. |
BIJLAGE XVI
Bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
In punt 5.2.5.6 wordt de tweede alinea vervangen door: „Wanneer de op de motor gemonteerde regulateur wordt gebruikt, is het 100 %-toerental het gereguleerde toerental, zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 24.”. |
|
2) |
Punt 6.3.1 wordt vervangen door: „6.3.1. Basis voor emissiemeting De basis voor het meten van specifieke emissies is het ongecorrigeerde nettovermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 25, van Verordening (EU) 2016/1628.”. |
|
3) |
In punt 6.3.3, tweede alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Het door hulpapparatuur opgenomen vermogen wordt gebruikt om de instelwaarden aan te passen en de door de motor tijdens de testcyclus geleverde arbeid te berekenen overeenkomstig punt 7.7.1.3 of punt 7.7.2.3, onder b).”. |
|
4) |
In punt 7.4.2.1 worden de twee alinea's onder figuur 6.3 vervangen door:
|
|
5) |
In punt 7.6 wordt „zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 12” vervangen door „zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 12”. |
|
6) |
In punt 7.6.3.1, onder b), worden de vierde en de vijfde zin vervangen door: „Het geregistreerde vermogen mag niet meer dan 12,5 % hoger zijn dan het nominale vermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 27, van Verordening (EU) 2016/1628. Als deze waarde wordt overschreden, moet de fabrikant het opgegeven nominale vermogen herzien.”. |
|
7) |
In punt 7.7.2.3 wordt in de legenda van vergelijking (6-16) de tweede vermelding vervangen door:
|
|
8) |
In punt 8.2.3.5 wordt de laatste zin vervangen door: „Indien echter een PM-massa van 400 μg of meer wordt verwacht, moet het monstermedium gedurende ten minste 60 minuten worden gestabiliseerd.”. |
|
9) |
In punt 9.2.1, onder c), wordt punt i) vervangen door:
|
|
10) |
In punt 9.2.2, onder g), wordt de laatste alinea vervangen door: „Bij PM-bemonstering ondergaat de al proportionele stroom die van de CVS komt, een of meer secundaire verdunningen om de verlangde totale verdunningsverhouding te bereiken zoals getoond in figuur 6.7 en vermeld in punt 9.2.3.2;”. |
|
11) |
In punt 9.2.3.1, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Zij moeten voldoen aan andere criteria zoals vermeld in punt 8.1.8.6 (periodieke kalibratie) en 8.2.1.2 (validering) voor PFD met variabele verdunning en in punt 8.1.4.5 en tabel 6.5 (lineariteitsverificatie) en punt 8.1.8.5.7 (verificatie) voor PFD met constante verdunning.”. |
|
12) |
In punt 9.2.3.3 wordt de laatste alinea vervangen door: „Het systeem mag ook worden gebruikt bij een eerder verdund uitlaatgas waarvan, via een constante verdunningsverhouding, een al proportionele stroom wordt verdund (zie figuur 6.7). Zo wordt met een CVS-tunnel een secundaire verdunning uitgevoerd om de voor PM-bemonstering vereiste totale verdunningsverhouding te verkrijgen.”. |
|
13) |
In aanhangsel 4, punt 3.4.1, wordt de laatste zin vervangen door: „Het verschil tussen de resultaten vóór en na de test moet minder dan 2 % van de volledige schaal bedragen.”. |
BIJLAGE XVII
Bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.4.1.1 wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
2) |
Punt 3.9.5 wordt vervangen door: „3.9.5. Kalibratie van CFV Sommige CFV-stroommeters bestaan uit één venturi en andere uit meerdere venturi's, waarbij verschillende combinaties van venturi's worden gebruikt om verschillende debieten te meten. Bij CFV-stroommeters met meerdere venturi's mag ofwel kalibratie van elke venturi afzonderlijk worden toegepast om voor elke venturi een eigen afvoercoëfficiënt C d te bepalen, ofwel kalibratie van elke combinatie van venturi's als één venturi. Indien een combinatie van venturi's wordt gekalibreerd, wordt de som van de actieve venturihalsoppervlakken gebruikt als A t, de vierkantswortel van de som van de actieve venturihalsdiameters in het kwadraat als d t, en is de verhouding tussen de diameter van de venturihals en die van de venturi-inlaat de verhouding tussen de vierkantswortel van de som van de actieve venturihalsdiameters (d t) en de diameter van de gemeenschappelijke toegang tot alle venturi's (D). Om de C d voor één venturi of één combinatie van venturi's te bepalen, worden de volgende stappen uitgevoerd:
|
|
3) |
In aanhangsel 6 wordt vergelijking (7-180) vervangen door:
|
BIJLAGE XVIII
Bijlage VIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
(Heeft geen betrekking op het Nederlands). |
|
2) |
In aanhangsel 2, punt 4, derde alinea onder de titel, wordt de laatste zin vervangen door: „Dit moet met een van de in punt 7 beschreven methoden worden gecompenseerd.”. |