ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 51

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
23 februari 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/264 van de Raad van 19 februari 2018 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000, en tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/265 van de Commissie van 16 februari 2018 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Squacquerone di Romagna (BOB))

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/266 van de Commissie van 19 februari 2018 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Thym de Provence (BGA))

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/267 van de Commissie van 19 februari 2018 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

8

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/268 van de Commissie van 21 februari 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

11

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/269 van de Commissie van 22 februari 2018 betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de zeventiende deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving

13

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/270 van de Raad van 15 februari 2018 tot wijziging van Besluit 1999/70/EG betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken, met betrekking tot de externe accountants van de Central Bank of Cyprus

14

 

*

Besluit (EU) 2018/271 van de Raad van 15 februari 2018 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek

16

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/272 van de Commissie van 20 februari 2018 tot oprichting van het Europees Centrum voor mariene biologische hulpbronnen — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (EMBRC-ERIC) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 826)  ( 1 )

17

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/49 van de Commissie van 11 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad ( PB L 7 van 12.1.2018 )

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/1


VERORDENING (EU) 2018/264 VAN DE RAAD

van 19 februari 2018

tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000, en tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 33, lid 8, en artikel 34, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad (1) is aan de Commissie de bevoegdheid verleend om uitvoeringsbepalingen vast te stellen inzake de basisproductieheffingen en de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing, te innen van de quotahouders die binnen het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker handelen.

(2)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 2267/2000 (2) en (EG) nr. 1993/2001 (3) van de Commissie zijn de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker vastgesteld.

(3)

In het kader van de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker werd Verordening (EG) nr. 2038/1999 ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad (4). Verordening (EG) nr. 1260/2001 is ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad (5). Bij Verordening (EG) nr. 318/2006, die later is ingetrokken en opgenomen in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (6), is het systeem van de variabele suikerproductieheffing ter zelffinanciering van de productiequota vervangen door een nieuwe productieheffing die moet bijdragen tot de financiering van de in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker verrichte uitgaven. Krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7), waarbij Verordening (EG) nr. 1234/2007 werd ingetrokken en vervangen, bleef deze tijdelijke productieheffing van toepassing tot en met 30 september 2017.

(4)

In zijn arrest van 9 februari 2017 in zaak C-585/15, Raffinerie Tirlemontoise (8), heeft het Hof van Justitie Verordeningen (EG) nr. 2267/2000 en (EG) nr. 1993/2001 nietig verklaard. In dat arrest oordeelde het Hof dat artikel 33, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2038/1999 aldus moet worden uitgelegd dat, voor de berekening van het gemiddelde verlies, het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder die bepaling vallende producten, moet worden gedeeld door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.

(5)

Voorts stelde het Hof dat artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2038/1999 aldus moet worden uitgelegd dat, voor de totale berekening van de productieheffingen, rekening moet worden gehouden met het gemiddelde verlies, berekend door het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder deze bepaling vallende producten, te delen door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.

(6)

Met het oog op de naleving van het arrest van het Hof moeten de bedragen van de productieheffingen en de aanvullende heffingen op een passend niveau worden vastgesteld.

(7)

Het „gemiddelde verlies” moet meer bepaald worden berekend door de werkelijk betaalde totale restitutie te delen door het totaal aan uitgevoerde hoeveelheden producten die voor restitutie in aanmerking kwamen, ongeacht of deze met of zonder restitutie werden uitgevoerd. De toepassing van de door het Hof voorgestelde methode leidt tot een aanzienlijke daling van het „gemiddelde verlies” en van het „totale verlies” dat moet worden gedekt door de heffingen voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001.

(8)

De herziening van de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 zal invloed hebben op het door de suikerproducenten aan de bietentelers te betalen bedrag voor het verschil tussen het maximumbedrag van de A- of de B-heffing en het bedrag van deze heffingen dat voor de betrokken verkoopseizoenen werd aangerekend.

(9)

Overeenkomstig de voorschriften inzake de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker die van kracht was tot 2006, werden de heffingen immers betaald door de suikerfabrikanten maar werd 60 % van de kosten vergoed door de bietentelers doordat de fabrikanten een lagere prijs betaalden voor de bieten. Wanneer de heffingen lager lagen dan het maximumniveau voor de A- of de B-heffingen (namelijk respectievelijk 2 % of 37,5 % van de interventieprijs voor witte suiker), waren de suikerfabrikanten krachtens artikel 36, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2038/1999 verplicht de suikerbietenverkopers 60 % van het verschil tussen het maximumbedrag van de betrokken heffing en het bedrag van de daadwerkelijk in rekening gebrachte basis- of B-heffing uit te keren.

(10)

Daarom moeten de herziene bedragen die de suikerproducenten dienen terug te betalen aan de suikerbietenverkopers, worden vastgesteld. Enkel het verschil tussen de oude en de nieuwe bedragen dient aan de suikerbietenverkopers te worden terugbetaald.

(11)

Voor het verkoopseizoen 1999/2000 bedraagt het volgens de door het Hof voorgestelde methode herberekende totale verlies dat niet wordt gedekt door de heffingen, 66 941 664 EUR. De in artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2038/1999 bedoelde coëfficiënt dient dienovereenkomstig te worden vastgesteld en met terugwerkende kracht te worden toegepast voor dat verkoopseizoen.

(12)

Voor het verkoopseizoen 2000/2001 bedraagt het volgens de door het Hof voorgestelde methode berekende totale verlies dat niet wordt gedekt door de heffingen, 49 376 802 EUR.

(13)

Met het oog op de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de betrokken marktdeelnemers in de verschillende lidstaten moet een tijdstip worden vastgesteld waarop de overeenkomstig de onderhavige verordening bepaalde heffingen moeten worden vastgesteld, als bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede en derde alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad (9). Deze termijn is evenwel niet van toepassing indien lidstaten krachtens hun nationale recht verplicht zijn de betrokken marktdeelnemers na dat tijdstip te vergoeden.

(14)

Het verschil tussen de bedragen die ten onrechte zijn betaald voor de productieheffingen in de sector suiker vastgesteld bij de Verordeningen (EG) nr. 2267/2000 en (EG) nr. 1993/2001 en de bij de onderhavige verordening vastgestelde heffingen, dient te worden terugbetaald.

(15)

Ingevolge het arrest van het Hof moeten de gerectificeerde heffingen van toepassing zijn met ingang van dezelfde data als de ongeldig verklaarde heffingen. De in de onderhavige verordening vastgestelde berekening van de productieheffingen en de aanvullende heffingen dient derhalve van toepassing te zijn met ingang van de inwerkingtreding van de Verordeningen (EG) nr. 2267/2000 en (EG) nr. 1993/2001,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 zijn vastgesteld in punt 1 van de bijlage.

2.   De coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor het verkoopseizoen 1999/2000 is vastgesteld in punt 2 van de bijlage.

3.   De door de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers te betalen bedragen voor de A- en de B-heffingen voor het verkoopseizoen 2000/2001 zijn vastgesteld in punt 3 van de bijlage.

Artikel 2

1.   Het in artikel 2, lid 2, tweede en derde alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bedoelde tijdstip voor de vaststelling van de op grond van de onderhavige verordening bepaalde heffingen is uiterlijk 30 september 2018, tenzij deze termijn niet kan worden nageleefd omdat in de betreffende lidstaat het nationale recht van toepassing is inzake de terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen aan marktdeelnemers.

2.   Het verschil tussen de heffingen die zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EG) nr. 2267/2000 en (EG) nr. 1993/2001, en de heffingen als bedoeld in artikel 1 van de onderhavige verordening, wordt terugbetaald aan de marktdeelnemers die heffingen hebben betaald voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001, na een met redenen omkleed verzoek van de laatsten.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 is van toepassing met ingang van:

13 oktober 2000, voor het verkoopseizoen 1999/2000;

12 oktober 2001, voor het verkoopseizoen 2000/2001.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 252 van 25.9.1999, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 2267/2000 van de Commissie van 12 oktober 2000 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 29).

(3)  Verordening (EG) nr. 1993/2001 van de Commissie van 11 oktober 2001 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001 (PB L 271 van 12.10.2001, blz. 15).

(4)  Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(8)  Arrest van het Hof van Justitie van 9 februari 2017, Raffinerie Tirlemontoise, C-585/15, ECLI:EU:C:2017:105.

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39).


BIJLAGE

1.

Productieheffingen in de sector suiker als bedoeld in artikel 1, lid 1

 

Verkoopseizoen 1999/2000

(EUR per ton)

Verkoopseizoen 2000/2001

(EUR per ton)

a)

Witte suiker als basisproductieheffing op A-suiker en op B-suiker

12,638

12,638

b)

Witte suiker als B-heffing op B-suiker

236,963

111,114

c)

Droge stof als basisproductieheffing op A-isoglucose en op B-isoglucose

5,330

5,330

d)

Droge stof als B-heffing op B-isoglucose

99,425

46,636

e)

Suiker/isoglucose-equivalent in droge stof als basisproductieheffing op A-inulinestroop en op B-inulinestroop

12,638

12,638

f)

Suiker/isoglucose-equivalent in droge stof als B-heffing op B-inulinestroop

236,963

111,114

2.

Coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing als bedoeld in artikel 1, lid 2, voor het verkoopseizoen 1999/2000: 0,10034

3.

Bedrag dat de suikerproducenten aan de bietentelers moeten betalen voor het verschil tussen het maximumbedrag van de B-heffing en het bedrag van de daadwerkelijk in rekening gebrachte heffing, als bedoeld in artikel 1, lid 3

 

Verkoopseizoen 2000/2001

(EUR per ton)

B-suikerbieten van de standaardkwaliteit

9,816


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/265 VAN DE COMMISSIE

van 16 februari 2018

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen („Squacquerone di Romagna” (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de aanvraag van Italië tot wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Squacquerone di Romagna”, die is geregistreerd bij Verordening (EU) nr. 679/2012 van de Commissie (2).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam „Squacquerone di Romagna” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 februari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 679/2012 van de Commissie van 24 juli 2012 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Squacquerone di Romagna (BOB)) (PB L 198 van 25.7.2012, blz. 6).

(3)   PB C 368 van 28.10.2017, blz. 16.


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/266 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2018

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen („Thym de Provence” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 3, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Frankrijk tot registratie van de naam „Thym de Provence” als beschermde geografische aanduiding (BGA) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Op 9 juni 2017 ontving de Commissie een aankondiging van bezwaar en het bijbehorende met redenen omklede bezwaarschrift van Duitsland. Op 22 juni 2017 heeft de Commissie de aankondiging van bezwaar en het met redenen omklede bezwaarschrift van Duitsland doorgezonden aan Frankrijk.

(3)

Duitsland maakte bezwaar tegen de registratie van de naam „Thym de Provence” omdat die registratie een belemmering zou vormen voor het gebruik van de term „Herbes de Provence” (in het Duits „Kräuter der Provence”), die veel wordt gebruikt in de kruiden- en specerijensector om een welbepaald kruidenmengsel aan te duiden dat gewoonlijk onder meer rozemarijn, oregano, tijm, salie en lavendel bevat, maar ook laurierblad en andere specerijen zoals kruidnagel en nootmuskaat, in verschillende combinaties. Het kruidenmengsel genaamd „Herbes de Provence” bevat typische Provençaalse kruiden, maar ook andere specerijen zoals laurier en nootmuskaat, die niet typisch voor de Provence zijn. Bovendien zijn de kruiden in „Herbes de Provence” niet noodzakelijkerwijs afkomstig van de Provence. Daarom kan de registratie van de naam „Thym de Provence” een belemmering vormen voor het in de handel brengen van het gehele mengsel van kruiden en specerijen als „Herbes de Provence”.

(4)

Aangezien de Commissie het bezwaar ontvankelijk achtte, heeft zij Frankrijk en Duitsland bij brief van 1 augustus 2017 verzocht om overeenkomstig hun interne procedures gedurende een periode van drie maanden op gepaste wijze overleg te plegen om tot een overeenkomst te komen.

(5)

De partijen zijn tot een overeenkomst gekomen. Frankrijk heeft de resultaten van de overeenkomst op 6 november 2017 aan de Commissie meegedeeld.

(6)

Frankrijk en Duitsland zijn overeengekomen dat het gebruik van de term „Herbes de Provence” en van vertalingen daarvan ook na de registratie van de naam „Thym de Provence” als BGA toegestaan moet blijven op het grondgebied van de Unie, mits de beginselen en regels die in de rechtsorde van de Unie gelden, worden nageleefd.

(7)

Aangezien de overeenkomst tussen Frankrijk en Duitsland in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 1151/2012 en de overige EU-wetgeving, dient met de inhoud ervan rekening te worden gehouden.

(8)

In het licht van het voorgaande moet de naam „Thym de Provence” worden opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam „Thym de Provence” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de naam in de eerste alinea wordt een product aangeduid van categorie 1.8 (Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

De term „Herbes de Provence” en vertalingen daarvan mogen onverminderd op de markt op het grondgebied van de Unie worden gebruikt, mits de beginselen en regels die in de rechtsorde van de Unie gelden, worden nageleefd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 92 van 24.3.2017, blz. 14.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/8


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/267 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2018

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-codes om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-codes.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Stephen QUEST

Directeur-generaal

Directoraat-generaal voor Belastingen en Douane-Unie


(1)   PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling (GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

1)

Een product (een zogenoemde „masterbatch”) in de vorm van thermoplastische pellets, bestaande uit:

lavendelolie;

pepermuntolie;

citronellal;

natriumbenzoaat;

een polymeer (ethyleenvinylacetaat (EVA) of lagedichtheidpolyethyleen (LDPE)).

Het product wordt gebruikt als grondstof voor de toevoeging van etherische oliën tijdens het kunststoftransformatieproces. Het doel is te voorkomen dat bepaalde dieren in afgewerkte kunststofproducten bijten en deze beschadigen.

3302 90 90

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2 op hoofdstuk 33 en de tekst van de GN-codes 3302 , 3302 90 en 3302 90 90 .

Indeling onder post 3901 is uitgesloten omdat het gehalte aan polymeer van het product (EVA of LDPE) uitsluitend fungeert als drager van etherische oliën.

De etherische oliën zijn het belangrijkste bestanddeel en verlenen het product zijn wezenlijke karakter (dat wil zeggen het weren van knaagdieren, termieten en andere dieren).

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 3302 90 90 als andere mengsels van reukstoffen en mengsels op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie.

2)

Een product (een zogenoemde „masterbatch”) in de vorm van thermoplastische pellets, bestaande uit:

permethrin (ISO);

thymol-olie;

eugenol-olie;

citral-olie;

denatoniumbenzoaat;

benzoëzuurderivaten;

lidocaïne (INN);

een polymeer (ethyleenvinylacetaat (EVA) of lagedichtheidpolyethyleen (LDPE)).

Het product wordt gebruikt als grondstof voor de toevoeging van insecticide tijdens het kunststoftransformatieproces. Het doel is te voorkomen dat termieten in afgewerkte kunststofproducten bijten en deze beschadigen.

3808 91 10

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 3808 , 3808 91 en 3808 91 10 .

Indeling onder post 3901 is uitgesloten omdat het gehalte aan polymeer van het product (EVA of LDPE) uitsluitend fungeert als drager van het insectendodende middel.

Indeling onder post 3302 is uitgesloten omdat het product slechts sporen van etherische oliën (thymol, eugenol en citral) bevat. Deze dragen derhalve niet significant bij aan het wezenlijke karakter van het product. Het insectendodende middel (permethrin (ISO)) is het belangrijkste bestanddeel en verleent het product zijn wezenlijke karakter (dat wil zeggen het bestrijden van termieten).

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 3808 91 10 als insectendodende middelen op basis van pyretroïden.


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/268 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2018

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

116,8

0

AR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

132,1

0

AR

118,7

0

BR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

244,4

17

AR

225,4

22

BR

314,4

0

CL

255,8

13

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

320,5

0

BR

314,7

0

CL

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

446,6

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

224,3

19

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/269 VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2018

betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de zeventiende deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (2), en met name artikel 32,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie (3) is de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving geopend.

(2)

In het licht van de inschrijvingen die voor de zeventiende deelinschrijving zijn ontvangen, moet een minimumverkoopprijs worden vastgesteld.

(3)

Het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de zeventiende deelinschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving, waarvoor de inschrijvingen uiterlijk op 20 februari 2018 moesten zijn ingediend, bedraagt de minimumverkoopprijs 110,00 EUR per 100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie van 25 november 2016 tot opening van de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving (PB L 321 van 29.11.2016, blz. 45).


BESLUITEN

23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/14


BESLUIT (EU) 2018/270 VAN DE RAAD

van 15 februari 2018

tot wijziging van Besluit 1999/70/EG betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken, met betrekking tot de externe accountants van de Central Bank of Cyprus

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Protocol (Nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 27, lid 1,

Gezien de Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 19 december 2017 aan de Raad van de Europese Unie betreffende de externe accountants van de Central Bank of Cyprus (ECB/2017/43) (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De rekeningen van de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten van de eurozone worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur van de ECB zijn aanvaard door de Raad van de Europese Unie.

(2)

Het mandaat van de huidige externe accountants van de Central Bank of Cyprus, KPMG Limited, eindigt na de audit van het boekjaar 2017. Het is derhalve noodzakelijk om externe accountants voor de Central Bank of Cyprus te benoemen voor de boekjaren 2018 tot en met 2022.

(3)

De Central Bank of Cyprus heeft PricewaterhouseCoopers Limited geselecteerd als haar externe accountants voor de boekjaren 2018 tot en met 2022.

(4)

De Raad van bestuur van de ECB heeft aanbevolen PricewaterhouseCoopers Limited te benoemen tot extern accountants van de Central Bank of Cyprus voor de boekjaren 2018 tot en met 2022.

(5)

Op grond van de aanbeveling van de Raad van bestuur van de ECB moet Besluit 1999/70/EG van de Raad (2) dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 1 van Besluit 1999/70/EG wordt lid 14 vervangen door:

„14.   PricewaterhouseCoopers Limited worden aanvaard als externe accountants van de Central Bank of Cyprus voor de boekjaren 2018 tot en met 2022.”.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de datum van kennisgeving.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Europese Centrale Bank.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

K. VALCHEV


(1)   PB C 2 van 5.1.2018, blz. 1.

(2)  Besluit 1999/70/EG van de Raad van 25 januari 1999 betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken (PB L 22 van 29.1.1999, blz. 69).


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/16


BESLUIT (EU) 2018/271 VAN DE RAAD

van 15 februari 2018

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) vastgesteld houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Rosario CROCETTA,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

de heer Gaetano ARMAO, Vicepresidente ed Assessore all'Economia della Regione Siciliana.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

K. VALCHEV


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/17


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/272 VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2018

tot oprichting van het Europees Centrum voor mariene biologische hulpbronnen — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (EMBRC-ERIC)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 826)

(Slechts de teksten in de Engelse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Spaanse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) (1), en met name artikel 6, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

België, Frankrijk, Griekenland, Israël, Italië, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk hebben de Commissie verzocht het Europees Centrum voor mariene biologische hulpbronnen — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (EMBRC-ERIC) op te richten. Zij zijn overeengekomen dat Frankrijk de gastlidstaat van EMBRC-ERIC zal zijn.

(2)

Aangezien het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 ingevolge artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie kennisgeving heeft gedaan van zijn voornemen zich uit de Unie terug te trekken, zullen de Verdragen met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk tot verlenging van deze termijn besluit. Bijgevolg zal het Verenigd Koninkrijk na de datum van de terugtrekking en onverminderd eventuele bepalingen van het terugtrekkingsakkoord voor de toepassing van dit uitvoeringsbesluit worden beschouwd als een derde land in de zin van artikel 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 723/2009.

(3)

Verordening (EG) nr. 723/2009 is bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 72/2015 (2) opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

(4)

De Commissie heeft, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 723/2009, het verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat aan de voorschriften van die verordening is voldaan.

(5)

Het Comité voor de uitvoering van de verordening betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het Europees Centrum voor mariene biologische hulpbronnen — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (EMBRC-ERIC) wordt opgericht.

2.   De essentiële elementen van de statuten van EMBRC-ERIC zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Helleense Republiek, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Noorwegen, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2018.

Voor de Commissie

Carlos MOEDAS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 206 van 8.8.2009, blz. 1.

(2)  Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 72/2015 van 20 maart 2015 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2016/755] (PB L 129 van 19.5.2016, blz. 85).


BIJLAGE

ESSENTIËLE ELEMENTEN VAN DE STATUTEN VAN EMBRC-ERIC

De volgende artikelen en leden van artikelen van de statuten van EMBRC-ERIC bevatten de in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 723/2009 bedoelde essentiële elementen.

1.   Taken en activiteiten

(artikel 4 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

EMBRC-ERIC werkt op basis van een centrale organisatie, als een verspreide werking van afzonderlijke knooppunten, wordt gecoördineerd zoals gedefinieerd in een dienstverleningsovereenkomst, en wordt beheerd door de uitvoerend directeur die wordt ondersteund door het secretariaat, het comité van knooppunten en verbindingsfunctionarissen. De betrekkingen tussen het hoofdkwartier en de knooppunten en/of operatoren, en hun hulpbronnen, worden geregeld in de dienstverleningsovereenkomsten voor de levering van diensten, producten en activiteiten ter ondersteuning van de grote ambities van deze onderzoeksinfrastructuur.

2.

EMBRC-ERIC biedt een centraal toegangspunt tot een brede portefeuille van diensten en onderzoeksplatforms, mariene ecosystemen, biologische hulpbronnen, e-infrastructuur en metagegevens.

3.

De door EMBRC-ERIC verleende diensten en verrichte werkzaamheden omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

a)

toegang tot een portefeuille van onderzoeksplatforms, biologische hulpbronnen, analytische diensten en gegevens;

b)

gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op basis van een tussen de nationale knooppunten gecoördineerd programma voor langetermijnontwikkeling;

c)

ondersteuning van toegang tot marien biologisch materiaal, met inbegrip van genetisch materiaal, en advies en richtsnoeren over het gebruik van de mariene biohulpbronnen;

d)

geïntegreerde workflows van hoogwaardige diensten voor toegang tot biologische, analytische en gegevenshulpbronnen door gemeenschappelijke ondersteunende technologieën en praktijken in te voeren;

e)

de band tussen wetenschap en industrie versterken met behulp van een dienst voor gecoördineerde overdracht van kennis en technologie;

f)

opleidingsfaciliteiten en -cursussen voor onderzoekers en technisch personeel;

g)

samenwerking met onderzoeksinfrastructuren op aanverwante en/of aanvullende gebieden;

h)

afspraken met relevante belanghebbenden uit de Europese maritieme regio's, ter ondersteuning van hun milieubeleid en blauwe bio-economie.

4.

De activiteiten worden uitgevoerd in overeenstemming met het in de artikelen 21 tot en met 26 van de statuten vastgestelde beleid, dat bij het huishoudelijk reglement wordt gevoegd en aan de gebruikers ter beschikking wordt gesteld.

2.   Statutaire zetel van EMBRC-ERIC

(artikel 2, lid 2, van de statuten van EMBRC-ERIC)

De statutaire zetel van EMBRC-ERIC bevindt zich in Parijs, Frankrijk.

3.   Naam

(artikel 2, lid 1, van de statuten van EMBRC-ERIC)

De naam van de onderzoeksinfrastructuur is Europees Centrum voor mariene biologische hulpbronnen — Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur, hierna „EMBRC-ERIC” genoemd.

4.   Duur

(artikel 27 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

EMBRC-ERIC wordt opgericht voor een eerste periode die eindigt op 31 december 2040.

2.

Onverminderd artikel 8 van de statuten blijft EMBRC-ERIC na de eerste periode bestaan voor opeenvolgende perioden van vijf jaar, behoudens een besluit van de algemene vergadering overeenkomstig artikel 15, lid 9, van de statuten.

5.   Ontbinding

(artikel 28 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

Er wordt overgegaan tot ontbinding van EMBRC-ERIC na een besluit van de algemene vergadering overeenkomstig artikel 15, lid 9, van de statuten.

2.

De uitvoerend directeur stelt de Commissie binnen tien dagen schriftelijk in kennis van:

a)

het besluit van de algemene vergadering tot ontbinding, en vervolgens van

b)

het afsluiten van de ontbindingsprocedure.

3.

Onverminderd artikel 9 van de statuten worden activa en passiva die na betaling van de activa of schulden van EMBRC-ERIC resteren, verdeeld over de leden naar rato van hun totale bijdrage aan EMBRC-ERIC op de datum van ontbinding.

4.

EMBRC-ERIC houdt op te bestaan op de dag waarop de Commissie daarvan kennisgeving doet in het Publicatieblad van de Europese Unie.

6.   Aansprakelijkheid

(artikel 9 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

EMBRC-ERIC is aansprakelijk voor zijn schulden.

2.

De aansprakelijkheid van elk lid voor de schulden en verplichtingen van EMBRC-ERIC, van welke aard ook, is beperkt tot hun respectieve bijdragen aan EMBRC-ERIC.

3.

EMBRC-ERIC sluit de nodige verzekeringen af ter dekking van alle aan de opbouw en de werking van EMBRC-ERIC inherente risico's.

7.   Toegangsbeleid, gegevensbeleid en verspreiding

(artikel 22 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

Het beleid van EMBRC-ERIC inzake toegang, gegevens en verspreiding van informatie over de wijze waarop EMBRC-ERIC toegang biedt tot zijn portefeuille van diensten en onderzoeksplatforms, mariene ecosystemen, biologische hulpbronnen en e-infrastructuur, wordt door de uitvoerend directeur ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering.

2.

De toegang tot EMBRC-ERIC staat open voor alle typen van gebruikers, uit alle Europese en niet-Europese landen, en is niet noodzakelijkerwijze gratis. De ontvankelijkheid en haalbaarheid van aanvragen worden door middel van een gestroomlijnd proces gecontroleerd. De technische en wetenschappelijke beschrijving van EMBRC-ERIC bevat nadere gegevens over de toegangsvoorwaarden voor gebruikers.

3.

Met het oog op voortdurende verbetering van de toegang en de diensten wordt in het kader van de kwaliteitsborging de toegang gemonitord en wordt aan de hand van een feedbackmechanisme de gebruikerstevredenheid gemeten.

4.

In het kader van EMBRC-ERIC worden interoperabiliteit en normalisatie op het gebied van e-infrastructuur bevorderd, met het oog op de verwerking van grote hoeveelheden gegenereerde gegevens van verschillende soorten, en worden door de gemeenschap bekrachtigde protocollen, instrumenten en deskundigheid met betrekking tot gegevensverwerking ontwikkeld of aangenomen.

5.

De beginselen van open source en open toegang met betrekking tot gegevens worden door EMBRC-ERIC gestimuleerd, alsook kennisoverdracht en verspreiding van gegevens en informatie, door contacten te onderhouden met bestaande Europese initiatieven die relevant zijn voor de ecologische en biologische gegevens en bio-informatica, bijvoorbeeld Elixir en LifeWatch-ERIC, en erkende gegevensopslagplaatsen zoals EurOBIS, Emodnet, Pangaea, Geoss en Copernicus.

6.

Het toegangsbeleid, het gegevensbeleid en het verspreidingsbeleid van EMBRC-ERIC worden door de algemene vergadering aangenomen in overeenstemming met artikel 15, lid 10, van de statuten, en bij het huishoudelijk reglement gevoegd.

8.   Beleid inzake wetenschappelijke evaluatie

(artikel 23 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

De uitvoerend directeur coördineert de driejaarlijkse wetenschappelijke toetsing van de activiteiten, diensten en platforms van EMBRC-ERIC en legt deze voor aan de algemene vergadering.

2.

Het beleid van EMBRC-ERIC inzake wetenschappelijke evaluatie wordt door de algemene vergadering aangenomen in overeenstemming met artikel 15, lid 10, van de statuten, en bij het huishoudelijk reglement gevoegd.

9.   Intellectuele-eigendomsrechten

(artikel 21 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

Na raadpleging van de adviesraad voor wetenschap en innovatie bereidt de uitvoerend directeur het beleid van EMBRC-ERIC inzake intellectuele-eigendomsrechten — dat betrekking heeft op de identificatie, de toekenning, de bescherming, het beheer en de instandhouding van intellectuele-eigendomsrechten, alsook op de uit deze intellectuele-eigendomsrechten voortvloeiende activiteiten betreffende technologieoverdracht — voor en legt deze dit ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering.

2.

Het beleid van EMBRC-ERIC inzake intellectuele eigendom voorziet in de regeling van de eigendoms- en gebruiksrechten binnen EMBRC-ERIC en ten aanzien van derde partijen en contractuele partners, waarbij wordt gewaarborgd dat de intellectuele input en eigendom van alle deelnemers aan EMBRC-ERIC in overeenstemming met de voorschriften en eerlijk worden gebruikt, met billijke compensatiemodellen.

3.

Geen enkele bepaling in deze statuten mag worden uitgelegd als gevolgen hebbend voor de intellectuele-eigendomsrechten en het beleid inzake intellectuele eigendom van de operatoren zoals bepaald krachtens desbetreffende wet- en regelgeving van de leden en internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

4.

Intellectuele-eigendomsrechten die ontstaan bij of zijn gecreëerd, verkregen of ontwikkeld door het personeel van EMBRC-ERIC, berusten bij en zijn eigendom van EMBRC-ERIC.

5.

Het beleid van EMBRC-ERIC inzake intellectuele-eigendomsrechten wordt door de algemene vergadering aangenomen in overeenstemming met artikel 15, lid 10, van de statuten, en bij het huishoudelijk reglement gevoegd.

10.   Personeelsbeleid

(artikel 24 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

EMBRC-ERIC past als werkgever het beginsel van gelijke kansen toe. De selectieprocedures voor sollicitanten voor functies bij EMBRC-ERIC zijn transparant, niet-discriminerend en waarborgen gelijke kansen.

2.

De arbeidsovereenkomsten voldoen aan de toepasselijke nationale wet- en regelgeving van de landen waar het personeel zijn activiteiten uitvoert.

3.

EMBRC-ERIC maakt de vacatures openbaar en stelt een passende termijn vast voor de ontvangst van sollicitaties.

4.

EMBRC-ERIC biedt geen enkele functie aan sollicitanten aan vóór het verstrijken van de hierboven genoemde termijn.

5.

Het personeelsbeleid wordt door de algemene vergadering aangenomen en bij het huishoudelijk reglement gevoegd, alsook op de website van EMBRC-ERIC bekendgemaakt.

6.

Het personeelsbeleid is onderworpen aan de wetgeving van het gastland.

11.   Aanbestedingsbeleid

(artikel 25 van de statuten van EMBRC-ERIC)

1.

De uitvoerend directeur bereidt de gedetailleerde regels inzake aanbestedingsprocedures en -criteria voor en legt deze ter goedkeuring overeenkomstig artikel 15, lid 10, van de statuten voor aan de algemene vergadering.

2.

Het aanbestedingsbeleid van EMBRC-ERIC is in overeenstemming met de beginselen van transparantie, evenredigheid, wederzijdse erkenning, gelijke behandeling, mededinging en non-discriminatie.

3.

In het kader van het aanbestedingsbeleid van EMBRC-ERIC worden de procedures voor het aanbesteden van producten en diensten, het plaatsen van opdrachten en het publiceren van aanbestedingen door EMBRC-ERIC op zijn website bekendgemaakt.

4.

Het aanbestedingsbeleid van EMBRC-ERIC wordt aangenomen in overeenstemming met artikel 15, lid 10, van de statuten, en bij het huishoudelijk reglement gevoegd.


Rectificaties

23.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/23


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/49 van de Commissie van 11 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een „nieuwe exporteur” op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

( Publicatieblad van de Europese Unie L 7 van 12 januari 2018 )

In de inhoudsopgave en op bladzijde 31, in de titel:

in plaats van:

„UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/49 VAN DE COMMISSIE van 11 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een „nieuwe exporteur” op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad”,

lezen:

„UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/49 VAN DE COMMISSIE van 11 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit onder meer Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit onder meer Tunesië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek ten behoeve van een „nieuwe exporteur” op grond van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad”.