|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
60e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/1 |
Informatie betreffende de datum van ondertekening van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius
Het Protocol (1) tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius is op 8 december 2017 ondertekend.
Overeenkomstig artikel 15 van het protocol, wordt het protocol voorlopig toegepast vanaf de datum van ondertekening, te weten 8 december 2017.
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/1 |
Kennisgeving betreffende de inwerkingtreding van de kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds
De kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds (1), is op 1 november 2017 in werking getreden, aangezien de procedure van artikel 63, lid 1, van de kaderovereenkomst op 9 oktober 2017 is voltooid.
VERORDENINGEN
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/2 |
VERORDENING (EU) 2017/2339 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op roggen in de wateren van de Unie van VIId door vaartuigen die de vlag van België voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
36/TQ127 |
|
Lidstaat |
België |
|
Bestand |
SRX/07D. (met inbegrip van de bijzondere voorwaarde voor RJC/07D., RJE/07D., RJH/07D., RJM/07D., RJN/07D., RJU/07D., RJC/*67AKD, RJH/*67AKD, RJM/*67AKD, RJN/*67AKD, RJU/*67AKD) |
|
Soort |
Roggen (Rajiformes) |
|
Gebied |
Wateren van de Unie van VIId |
|
Datum van sluiting |
1.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/4 |
VERORDENING (EU) 2017/2340 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op geelvintonijn in het IOTC-bevoegdheidsgebied door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
37/TQ127 |
|
Lidstaat |
Spanje |
|
Bestand |
YFT/IOTC |
|
Soort |
Geelvintonijn (Thunnus albacares) |
|
Gebied |
IOTC-bevoegdheidsgebied |
|
Datum van sluiting |
6.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/6 |
VERORDENING (EU) 2017/2341 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op Noord-Atlantische witte tonijn in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
33/TQ127 |
|
Lidstaat |
Spanje |
|
Bestand |
ALB/AN05N |
|
Soort |
Noord-Atlantische witte tonijn (Thunnus alalunga) |
|
Gebied |
Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB |
|
Datum van sluiting |
24.10.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/8 |
VERORDENING (EU) 2017/2342 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op gaffelkabeljauw in de wateren van de Unie en internationale wateren van VIII en IX door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad van 12 december 2016 tot vaststelling, voor 2017 en 2018, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen en tot wijziging van Verordening (EU) 2016/72 (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 32).
BIJLAGE
|
Nr. |
31/TQ2285 |
|
Lidstaat |
Portugal |
|
Bestand |
GFB/89- (met inbegrip van de bijzondere voorwaarde voor GFB/*567-) |
|
Soort |
Gaffelkabeljauw (Phycis blennoides) |
|
Gebied |
Wateren van de Unie en internationale wateren van VIII en IX |
|
Datum van sluiting |
23.10.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/10 |
VERORDENING (EU) 2017/2343 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op diepzeehaaien in wateren van de Unie en internationale wateren van X door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad van 12 december 2016 tot vaststelling, voor 2017 en 2018, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen en tot wijziging van Verordening (EU) 2016/72 (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 32).
BIJLAGE
|
Nr. |
35/TQ2285 |
|
Lidstaat |
Portugal |
|
Bestand |
DWS/10- |
|
Soort |
Diepzeehaaien (Deania hystricosa en Deania profundorum) |
|
Gebied |
Wateren van de Unie en internationale wateren van X |
|
Datum van sluiting |
28.10.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/12 |
VERORDENING (EU) 2017/2344 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op Alfonsino's in de wateren van de Unie en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2016/2285 van de Raad van 12 december 2016 tot vaststelling, voor 2017 en 2018, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen en tot wijziging van Verordening (EU) 2016/72 (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 32).
BIJLAGE
|
Nr. |
39/TQ2285 |
|
Lidstaat |
Portugal |
|
Bestand |
ALF/3X14- |
|
Soort |
Alfonsino's (Beryx spp.) |
|
Gebied |
Wateren van de Unie en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV |
|
Datum van sluiting |
7.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/14 |
VERORDENING (EU) 2017/2345 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op leng in de Uniewateren en internationale wateren van I en II door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
40/TQ127 |
|
Lidstaat |
Frankrijk |
|
Bestand |
LIN/1/2. |
|
Soort |
Leng (Molva molva) |
|
Gebied |
Uniewateren en internationale wateren van I en II |
|
Datum van sluiting |
6.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/16 |
VERORDENING (EU) 2017/2346 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op ansjovis in de gebieden IX en X en de Uniewateren van Cecaf 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
38/TQ127 |
|
Lidstaat |
Portugal |
|
Bestand |
ANE/9/3411 |
|
Soort |
Ansjovis (Engraulis encrasicolus) |
|
Gebied |
IX en X; Uniewateren van Cecaf 34.1.1 |
|
Datum van sluiting |
8.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/18 |
VERORDENING (EU) 2017/2347 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op roggen in de Uniewateren van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
43/TQ127 |
|
Lidstaat |
Spanje |
|
Bestand |
SRX/67AKXD (met inbegrip van de bijzondere voorwaarde voor RJC/67AKXD; RJE/7FG.; RJF/67AKXD; RJH/67AKXD; RJI/67AKXD; RJM/67AKXD; RJN/67AKXD; RJU/67AKXD; RJC/*07D.; RJE/*07D.; RJF/*07D.; RJH/*07D.; RJI/*07D.; RJM/*07D.; RJN/*07D.; RJU/*07D.) |
|
Soort |
Roggen (Rajiformes) |
|
Gebied |
Uniewateren van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k |
|
Datum van sluiting |
13.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/20 |
VERORDENING (EU) 2017/2348 VAN DE COMMISSIE
van 12 december 2017
tot vaststelling van een verbod op de visserij op schelvis in de gebieden VIIb-k, VIII, IX en X en de Uniewateren van Cecaf 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van België voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/127 van de Raad (2) zijn quota voor 2017 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2017 toegewezen quotum is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2017 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
João AGUIAR MACHADO
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2017/127 van de Raad van 20 januari 2017 tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2017, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
45/TQ127 |
|
Lidstaat |
België |
|
Bestand |
HAD/7X7A34 |
|
Soort |
Schelvis (Melanogrammus aeglefinus) |
|
Gebied |
VIIb-k, VIII, IX en X; Uniewateren van Cecaf 34.1.1 |
|
Datum van sluiting |
25.11.2017 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/22 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/2349 VAN DE COMMISSIE
van 15 december 2017
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 wat betreft de datum van inslag van mageremelkpoeder dat wordt verkocht in het kader van een openbare inschrijving
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (2), en met name artikel 28,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om te bepalen op welke hoeveelheden mageremelkpoeder de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie (3) geopende inschrijvingsprocedure betrekking heeft, is in artikel 1 van die verordening een uiterste datum vastgesteld vóór welke het mageremelkpoeder in het kader van de openbare opslag moest zijn ingeslagen. |
|
(2) |
Gezien de huidige situatie op de markt voor melk en zuivelproducten, waar de prijzen zich aan het herstellen zijn, en het hoge niveau van de interventievoorraden is het passend om, door een wijziging van de datum van inslag, een aanvullende hoeveelheid mageremelkpoeder voor verkoop beschikbaar te stellen. |
|
(3) |
Bijgevolg moet Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Om het mageremelkpoeder onverwijld voor verkoop beschikbaar te stellen, moet de onderhavige verordening in werking treden op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 wordt de datum „1 november 2015” vervangen door „1 april 2016”.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 december 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie van 25 november 2016 tot opening van de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving (PB L 321 van 29.11.2016, blz. 45).
BESLUITEN
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/24 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2350 VAN DE RAAD
van 9 augustus 2016
betreffende het opleggen van een boete aan Portugal wegens het verzuim om doeltreffende maatregelen te nemen tegen een buitensporig tekort
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (1), en met name artikel 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij besluit van 12 juli 2016 heeft de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, van het Verdrag, vastgesteld dat Portugal geen effectief gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013 overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag om het buitensporige tekort te corrigeren. |
|
(2) |
Naar aanleiding van het besluit van de Raad van 12 juli 2016 dat Portugal geen doeltreffende maatregelen heeft genomen om het buitensporige tekort te corrigeren, dient de Commissie de Raad aan te bevelen een boete op te leggen. |
|
(3) |
De boete die aan Portugal moet worden opgelegd, moet in beginsel gelijk zijn aan 0,2 % van zijn bbp in het voorgaande jaar, maar het bedrag ervan kan wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat worden verminderd of opgeheven. |
|
(4) |
In 2015 bedroeg het bbp van Portugal 179,37 miljard EUR en 0,2 % van dat bbp is gelijk aan 358 738 200 EUR. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 moet onder „uitzonderlijke economische omstandigheden” het volgende worden verstaan: omstandigheden waarin een overschrijding van de referentiewaarde voor het overheidstekort als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, van het Verdrag en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2). Volgens laatstgenoemde verordening is een dergelijke overschrijding van uitzonderlijke aard indien deze wordt veroorzaakt i) door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, of ii) door een ernstige economische neergang, namelijk een negatief jaarlijks bbp-groeipercentage in volume of een gecumuleerd productieverlies tijdens een langdurige periode van zeer geringe jaarlijkse bbp-groei in volume ten opzichte van de potentiële groei. |
|
(6) |
Een evaluatie van de toepassing van de bovengenoemde voorwaarden op Portugal levert de volgende conclusies op:
|
|
(7) |
Derhalve hebben zich geen uitzonderlijke economische omstandigheden voorgedaan die een vermindering van het bedrag van de boete rechtvaardigen. |
|
(8) |
Portugal heeft op 18 juli 2016 een met redenen omkleed verzoek aan de Commissie voorgelegd om de Raad aan te bevelen het bedrag van de boete tot nul te verminderen. Ter staving van zijn verzoek heeft Portugal de volgende redenen aangevoerd: Portugal wijst op zijn aanzienlijke inspanningen tot begrotingsconsolidatie en op de structurele hervormingen die tijdens het recente economische aanpassingsprogramma zijn doorgevoerd. Ook bevestigt Portugal zijn vaste voornemen om het buitensporige tekort in 2016 te corrigeren, met de toezegging om indien nodig maatregelen te nemen om ontsporingen van de begroting te corrigeren en in 2017 een begrotingsaanpassing door te voeren, overeenkomstig de budgettaire landspecifieke aanbeveling van de Raad van 12 juli 2016. Portugal is van oordeel dat het realiseren van de begrotingsdoelstellingen en dus ook de correctie van het buitensporige tekort dit jaar door de toepassing van sancties in het gedrang zouden komen. Portugal wijst ook op zijn verplichtingen in het economisch beleid, in het bijzonder met betrekking tot de stabilisering van het financieel systeem en de maatregelen in het nationale hervormingsprogramma voor 2016. Tot slot vindt Portugal sancties niet passend in de huidige Europese en internationale context, met name gelet op de grote onzekerheid, veroorzaakt door het resultaat van het referendum in het Verenigd Koninkrijk over lidmaatschap van de Unie. |
|
(9) |
Een beoordeling van de bovenstaande argumenten levert de volgende overwegingen op. |
|
(10) |
Hoewel Portugal geen gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013 om het buitensporige tekort tecorrigeren, was de totale begrotingsaanpassing van 2010 tot en met 2014 toch zeer omvangrijk. De vermindering van het nominale tekort, ongerekend eenmalige maatregelen, met meer dan 5 % van het bbp is het gevolg van een verbetering van het structurele saldo met meer dan 6 %. Niettemin is dit elan stilgevallen na de voltooiing van het economische programma zoals aangegeven in het besluit van de Raad van 12 juli 2016. De begrotingsaanpassing ging gepaard met een omvangrijke reeks structurele hervormingen in het kader van het aanpassingsprogramma, dat in juni 2014 met succes is afgerond en waarmee de basis voor een solider economisch herstel werd gelegd. Er blijven grote uitdagingen bestaan, zoals de nog steeds hoge particuliere en overheidsschulden die een last vormen voor de economie, en de blijvend hoge werkloosheid die de economische aanpassing belemmert. |
|
(11) |
De door de Portugese overheid aangegane verbintenis om het buitensporig tekort in 2016 te corrigeren en de budgettaire landspecifieke aanbeveling in 2017 na te leven, bewijst dat de regering voornemens is te voldoen aan het stabiliteits- en groeipact. Voor 2016 bevestigt de regering haar toezegging in het kader van de Eurogroep van 11 februari 2016 om, indien nodig, begrotingsmaatregelen goed te keuren ter correctie van eventuele ontsporingen bij de begrotingsuitvoering. Ze verbindt zich in het bijzonder tot het handhaven van de bevriezing van bepaalde kredieten ten belope van 0,2 % van het bbp, als benadrukt in het stabiliteitsprogramma. In de bijlage bij het met redenen omkleed verzoek van 18 juli 2016 wordt aanvullende informatie verstrekt over de manier waarop deze kredieten kunnen worden benut, hetgeen de toezegging om ze niet te gebruiken zolang de bevriezing noodzakelijk is, geloofwaardiger maakt. In eerste instantie wordt aangegeven dat de kredieten zijn bestemd voor openbare instellingen waarvan de financiering ten opzichte van 2015 reeds is gestegen; derhalve mogen zij niet om meer middelen verzoeken. In tweede instantie moeten openbare diensten die aanspraak willen maken op deze kredieten daarvoor de uitdrukkelijke toestemming van de minister van Financiën verkrijgen. Ten slotte komen deze kredieten ook bovenop reeds begrote kredieten en reserves die eveneens aan goedkeuring zijn onderworpen. |
|
(12) |
Wat betreft de duurzame correctie van het buitensporige tekort en, met name, de begroting voor 2017, heeft het met redenen omkleed verzoek van 18 juli 2016 vooral betrekking op het komende ontwerpbegrotingsplan dat in oktober 2016 moet worden ingediend en verbindt het zich tot naleving van de budgettaire landspecifieke aanbeveling, hetgeen een structurele aanpassing van ten minste 0,6 % van het bbp vergt. Dit is een verbetering ten opzichte van de structurele aanpassing van slechts 0,35 % van het bbp in het stabiliteitsprogramma voor 2017, terwijl de specifieke aanpassingsmaatregelen nog dienen te worden vastgesteld. |
|
(13) |
Wat betreft de vermeende nadelige gevolgen van de sancties voor de correctie van het buitensporige tekort in 2016, wordt de boete krachtens artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 beperkt tot 0,2 % van het bbp, ofwel een bedrag dat klein genoeg is om verenigbaar te zijn met de correctie van het buitensporige tekort. Bovendien zou een eventuele boete niet van invloed zijn op de variatie van het structurele saldo. |
|
(14) |
De belofte om werk te maken van verdere structurele hervormingen in belangrijke sectoren van het economisch beleid en van maatregelen om het bankwezen te stabiliseren is welkom, omdat deze hervormingen ook in de desbetreffende tot Portugal gerichte landspecifieke aanbevelingen aan de orde komen. Wat betreft andere voor 2016 en later geplande structurele hervormingen zoals hervormingen ter verbetering van het ondernemingsklimaat en met het oog op de aanpak van de onderkapitalisatie van ondernemingen wijken de maatregelen niet wezenlijk af van hetgeen reeds is opgenomen in het nationale hervormingsprogramma 2016. Hoewel deze hervormingen in beginsel deugdelijk zijn, gaan ze gepaard met uitvoeringsrisico's. Tot slot wordt in de bijlage bij het met redenen omklede verzoek van 18 juli 2016 uitdrukkelijk verwezen naar de behoefte aan een programma om het aantal oninbare leningen te verminderen |
|
(15) |
Met betrekking tot de vraag of het besluit passend is in de huidige Europese en internationale context is de Raad zich terdege bewust van de toegenomen onzekerheid in het huidige klimaat, met name door de uitslag van het referendum in het Verenigd Koninkrijk over lidmaatschap van de Unie. |
|
(16) |
In het licht van het door Portugal ingediende met redenen omklede verzoek van 18 juli 2016 en gelet op de bovengenoemde punten, met name de begrotingsaanpassing in het kader van het economische aanpassingsprogramma, dat vergezeld ging van een uitgebreid pakket aan structurele hervormingen; van de toezeggingen om i) indien noodzakelijk, begrotingsmaatregelen goed te keuren ter correctie van eventuele ontsporingen bij de begrotingsuitvoering in 2016, ii) een extra structurele aanpassing van 0,25 % van het bbp in 2017 tot stand te brengen ten opzichte van de aanpassing van 0,35 % van het bbp in het stabiliteitsprogramma van april 2016, en iii) structurele hervormingen uit te voeren op belangrijke gebieden met het oog op de huidige uitdagingen, met inbegrip van maatregelen om het bankwezen te stabiliseren, worden de door Portugal aangevoerde redenen als afdoende beschouwd om de boete van 0,2 % van het bbp in te trekken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De boete van 0,2 % van het bbp die moet worden opgelegd aan Portugal wegens het verzuim om op doeltreffende wijze gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013, wordt ingetrokken.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.
Gedaan te Brussel, 9 augustus 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/27 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2351 VAN DE RAAD
van 9 augustus 2016
betreffende het opleggen van een boete aan Spanje wegens het verzuim om doeltreffende maatregelen te nemen tegen een buitensporig tekort
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (1), en met name artikel 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij besluit van 12 juli 2016 overeenkomstig artikel 126, lid 8 van het Verdrag, heeft de Raad vastgesteld dat Spanje geen effectief gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013 overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag om het buitensporige tekort te corrigeren. |
|
(2) |
Naar aanleiding van het besluit van de Raad van 12 juli 2016 dat Spanje geen doeltreffende maatregelen heeft genomen om het buitensporige tekort te corrigeren, dient de Commissie de Raad aan te bevelen een boete op te leggen. |
|
(3) |
De boete die aan Spanje moet worden opgelegd, moet in beginsel gelijk zijn aan 0,2 % van zijn bbp in het voorgaande jaar, maar het bedrag ervan kan wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat worden verminderd of opgeheven. |
|
(4) |
In 2015 bedroeg het bbp van Spanje 1 081,19 miljard EUR. en 0,2 % van dat bbp is gelijk aan 2 162,38 miljoen EUR. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 moet onder „uitzonderlijke economische omstandigheden” het volgende worden verstaan: omstandigheden waarin een overschrijding van de referentiewaarde voor het overheidstekort als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, van het Verdrag en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2). Volgens laatstgenoemde verordening is een dergelijke overschrijding van uitzonderlijke aard indien deze wordt veroorzaakt: i) door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, of ii) door een ernstige economische neergang, namelijk een negatief jaarlijks bbp-groeipercentage in volume of een gecumuleerd productieverlies tijdens een langdurige periode van zeer geringe jaarlijkse bbp-groei in volume ten opzichte van de potentiële groei. |
|
(6) |
Een evaluatie van de toepassing van de bovengenoemde voorwaarden op Spanje levert de volgende conclusies op:
|
|
(7) |
Er is bijgevolg geen sprake van uitzonderlijke economische omstandigheden die een vermindering van het bedrag van de boete zouden rechtvaardigen. |
|
(8) |
Op 13 juli 2016 heeft Spanje aan de Commissie een met redenen omkleed verzoek gestuurd om aan te bevelen dat de Raad het bedrag van de boete op nul vaststelt. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft Spanje de volgende redenen aangevoerd: Spanje herinnert aan zijn belangrijke verwezenlijkingen bij de uitvoering van een ingrijpende hervormingsagenda in weerwil van een zeer moeilijk economisch klimaat. Deze verwezenlijkingen zijn van doorslaggevend belang gebleken voor de ondersteuning van zowel een krachtig herstel van de economische activiteiten en de werkgelegenheidsschepping, als de correctie van geaccumuleerde onevenwichtigheden. Het land wijst tevens op de aanzienlijke budgettaire inspanningen die in de nasleep van de crisis zijn geleverd en op het ongunstige effect van de lage en zelfs negatieve inflatie op het budgettaire aanpassingsproces en op de economie als geheel. Daarnaast worden ook methodologische kwesties aan de orde gesteld. Deze houden verband met het vermeende onvermogen van de thans voor de beoordeling van de naleving van het stabiliteits- en groeipact gevolgde methodiek om in het geval van Spanje met verrassend negatieve inflatiecijfers rekening te houden of een nauwkeurige meting van de potentiële bbp-groei te verrichten. Tot slot wordt verslag uitgebracht over genomen maatregelen en aangegane verbintenissen om het overheidstekort in 2016 terug te dringen, en wordt opnieuw toegezegd dat het buitensporige tekort in 2017 zal zijn weggewerkt. |
|
(9) |
Een evaluatie van de bovenvermelde argumenten leidt tot de onderstaande overwegingen. |
|
(10) |
De Spaanse economie heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke ommekeer doorgemaakt, mede dankzij de in een moeilijk economisch klimaat doorgevoerde hervormingen die bestaande starheden op de arbeids- en productmarkten hebben helpen terugdringen. De succesvolle voltooiing begin 2014 van het programma voor financiële bijstand met het oog op de herkapitalisatie van financiële instellingen in Spanje en de ingrijpende structurele hervormingen waarvan dit programma werd geflankeerd, hebben voor een solide basis voor het economisch herstel gezorgd. Bovendien is Spanje na de afronding van het programma structurele hervormingen blijven doorvoeren, zoals onder meer een hervorming van het insolventiekader, de voltooiing van de herstructurering van de banksector, de hervorming van het overheidsapparaat en de oprichting van een onafhankelijke begrotingsraad. Mede als gevolg van het gevoerde monetaire beleid en een versterkt governancekader voor de eurozone heeft dit de weg vrijgemaakt voor een hervatting van de instroom van kapitaal en een verbetering van de financiële voorwaarden. Naarmate de groei vanaf de tweede helft van 2013 verder aantrok, vorderde ook de interne en externe herbalancering, mede onder invloed van een op hervormingen terug te voeren verbetering van het concurrentievermogen. Het herstel gaat gepaard met een aanzienlijke schepping van arbeidsplaatsen, die wordt ondersteund door een voortgezette loonmatiging en het effect van arbeidsmarkthervormingen. In weerwil van de vorderingen die bij de herbalancering van de economie zijn gemaakt, ziet Spanje zich nog steeds voor belangrijke uitdagingen geplaatst omdat de hoog blijvende particuliere en overheidsschuld, die in het zeer hoge niveau van de externe nettoverplichtingen tot uiting komt, Spanje blootstelt aan risico's die uit veranderingen in het marktsentiment voortvloeien, en omdat de hoog blijvende werkloosheid de economische aanpassing hindert. |
|
(11) |
Hoewel Spanje geen effectief gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013 om het buitensporige tekort te verhelpen, moet worden erkend dat het land in het kader van de begroting voor 2012 en, in mindere mate, de begroting voor 2013 reeds omvangrijke budgettaire inspanningen had geleverd om zijn buitensporige tekort te corrigeren. De consolidatiemoeheid waarop in het besluit van de Raad van 12 juli 2016 werd gewezen, volgde op deze aanzienlijke budgettaire structurele inspanning en stak de kop op nadat een moeilijk economisch klimaat afbreuk had gedaan aan de sociale samenhang. Ondanks het krachtige herstel van de economie sinds het derde kwartaal van 2013 bleef Spanje tijdens de door de laatste aanbeveling van de Raad bestreken periode immers met zwaar economisch weer kampen. In 2013 bedroeg de output gap – 8,5 % van het potentiële bbp en in 2015 was deze, ondanks een snelle verbetering ervan, met – 4,0 % nog steeds sterk negatief. Het werkloosheidscijfer bereikte in 2013 een piek van 26,1 % en in de nasleep van de crisis zijn de sociale uitsluiting en ongelijkheid verder toegenomen, waardoor het totale aandeel van de mensen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd, in 2014 29,2 % bedroeg, een van de hoogste percentages in de Unie. |
|
(12) |
Tegen deze achtergrond zij erop gewezen dat hoewel sommige maatregelen die de voorbije jaren zijn genomen, een rechtstreeks negatief effect op de overheidsfinanciën sorteerden, zij op middellange à lange termijn een bijdrage kunnen leveren aan de groei en de werkgelegenheid, en aldus aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Vrijstellingen en verminderingen van socialezekerheidsbijdragen hebben het aanhoudende overheidstekort in de hand gewerkt, maar tot op zekere hoogte ook de sociale samenhang ondersteund doordat zij op mensen met een lager inkomen, lager gekwalificeerde werknemers en nieuwe vaste werknemers waren gericht. De eind 2014 goedgekeurde belastinghervormingen waren weliswaar ondergefinancierd, maar zij hebben ten doel de belastingstructuur groeivriendelijker te maken en de fiscale governance en rechtvaardigheid te verbeteren. |
|
(13) |
Voor 2016 heeft de Spaanse demissionaire regering tekortverminderende maatregelen genomen in reactie op de aanbeveling van de Commissie van 9 maart 2016 betreffende door Spanje te nemen maatregelen om een tijdige correctie van zijn buitensporige tekort te bewerkstelligen, wat toe te juichen is. Meer in het bijzonder heeft de regering op 6 april, met het oog op de tenuitvoerlegging van in de binnenlandse wetgeving vervatte bepalingen om regionale regeringen tot begrotingsdiscipline te dwingen, 12 regionale regeringen ertoe verplicht met besparingen op begrotingskredieten in te stemmen om ervoor te zorgen dat zij hun tekortdoelstellingen voor 2016 halen. Hoewel de uitgavenbeperkingen voor 2016 waarmee deze regeringen tot dusver hebben ingestemd, ver beneden het in het stabiliteitsprogramma 2016 gerapporteerde verwachte bedrag liggen, heeft de Spaanse centrale regering besparingen op begrotingskredieten ter grootte van ongeveer 0,2 % van het bbp goedgekeurd. Op 13 juli heeft de Spaanse demissionaire regering aangekondigd vastbesloten te zijn verdere wenselijke tekortverminderende maatregelen te zullen nemen. Aan de ontvangstenzijde zijn wijzigingen in de wet op de vennootschapsbelasting gepland. Met deze wijzigingen, die zullen worden aangenomen zodra een nieuwe regering is gevormd, wordt beoogd de voor 2016 verwachte inkomstenderving van circa 0,5 % op te vangen die uit de wijzigingen in de regelgeving betreffende de betaling in tranches (pagos fraccionados) van de vennootschapsbelasting voortvloeit, met de bedoeling ervoor te zorgen dat de opbrengst van de vennootschapsbelasting het in het stabiliteitsprogramma 2016 verwachte niveau bereikt. Aan de uitgavenzijde kan de op 14 juli goedgekeurde vervroeging van de einddatum van het begrotingsjaar van de centrale overheid helpen bij het in de hand houden van de uitgavenontwikkelingen in de tweede helft van 2016. Deze maatregelen zijn niettemin nog steeds met grote uitvoeringsrisico's omgeven. Deze risico's hangen vooral samen met de vraag of het parlement de vereiste wijzigingen in de wet op de vennootschapsbelasting tijdig zal aannemen en of deze wijzigingen zullen volstaan om de verwachte tegenvallende opbrengst van de vennootschapsbelasting op te vangen. De regering heeft zich er ook toe verbonden verdere maatregelen ter bestrijding van de fiscale fraude te zullen nemen. |
|
(14) |
In het met redenen omklede verzoek dat Spanje tot de Commissie heeft gericht, wordt ook gewezen op het ongunstige effect van de lage en zelfs negatieve inflatie op het budgettaire aanpassingsproces en op de economie als geheel. Zoals ook in het Raadsbesluit van 12 juli 2016 wordt betoogd, lag de Spaanse inflatie (zoals gemeten aan de hand van de bbp-deflator) in de periode 2013-2015 beduidend onder die in het macro-economische basisscenario van de aanbeveling (in 2014 was zij met – 0,4 % zelfs negatief. Het ongunstige effect van de lage of zelfs negatieve inflatie op de Spaanse begrotingsresultaten werd echter grotendeels gecompenseerd door een hoger dan verwachte reële bbp-groei. |
|
(15) |
Spanje voert ook methodologische argumenten aan. Deze houden verband met het vermeende onvermogen van de thans voor de beoordeling van de doeltreffendheid van de maatregelen gevolgde methodiek om in het geval van Spanje met verrassend negatieve inflatiecijfers rekening te houden of een nauwkeurige meting van de potentiële bbp-groei te verrichten. Wat de mogelijke onderschatting van de in Spanje geleverde structurele inspanning betreft, moet voor ogen worden gehouden dat de Commissie bij de raming van de potentiële groei de gezamenlijk overeengekomen productiefunctiemethode toepast, die door de Raad is onderschreven. Wat het effect van de negatieve inflatie betreft, erkent de Commissie in haar analytische werkzaamheden dat de methodiek die voor het begrotingstoezicht is overeengekomen — en die op de correctie van gegevens over het nominale saldo met behulp van ramingen van de potentiële output is gebaseerd — in geval van een negatieve inflatieschok tot een onderschatting van de structurele inspanning kan leiden. Deze aanpak wordt echter aangevuld met een zogeheten bottom-upmeting van de begrotingsinspanning, waarbij wordt beoordeeld of uitgavendoelstellingen zijn gehaald en of de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde zijn uitgevoerd. Anders dan de wijziging in het structurele saldo zal deze bottom-upmeting de budgettaire inspanning na een desinflatoire schok wellicht overschatten. In het geval van Spanje blijkt ook uit de toepassing van deze bottom-upmethode dat in de periode 2013-2015 geen gecumuleerde inspanning is geleverd, terwijl een gecumuleerde structurele inspanning ter grootte van 3,0 % van het bbp was aanbevolen. |
|
(16) |
In het licht van het met redenen omklede verzoek van Spanje en rekening houdend met de voorgaande punten, en met name met de ingrijpende structurele hervormingen die de Spaanse regering sinds 2012 heeft doorgevoerd en die nog steeds van kracht zijn, met het moeilijke economische klimaat tijdens de door de aanbeveling van de Raad van juni 2013 bestreken periode, met de tekortverminderende toezeggingen die de Spaanse demissionaire regering in haar met redenen omklede verzoek heeft gedaan, en met de consolidatiemaatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de aanbeveling van de Commissie van 9 maart 2016 betreffende door Spanje te nemen maatregelen om een tijdige correctie van zijn buitensporige tekort te bewerkstelligen, wordt een opheffing van de boete van 0,2 % van het bbp gerechtvaardigd geacht, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De aan Spanje op te leggen boete van 0,2 % van het bbp omdat het land heeft verzuimd op doeltreffende wijze gevolg te geven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013, wordt opgeheven.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Spanje.
Gedaan te Brussel, 9 augustus 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/31 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2352 VAN DE COMMISSIE
van 14 december 2017
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Xylella fastidiosa (Wells et al.) te voorkomen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 8356)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, vierde zin,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uit de ervaring die, met name na de laatste wijziging bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/764 (2), is opgedaan met de toepassing van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 van de Commissie (3) blijkt dat er verschillende nadere maatregelen moeten worden genomen en dat enkele bepalingen van het besluit moeten worden aangepast om doeltreffender te kunnen optreden tegen verdere insleep en verspreiding in de Unie van Xylella fastidiosa (Wells et al.), hierna „het nader omschreven organisme” genoemd. |
|
(2) |
Onverminderd de noodzaak om onderzoeken op basis van het op het niveau van de lidstaten beoordeelde risico uit te voeren, heeft de ervaring uitgewezen dat er ook grondigere geharmoniseerde onderzoeken nodig zijn om te garanderen dat alle lidstaten hetzelfde voorzorgsniveau ter bestrijding van het nader omschreven organisme bereiken. Daarom moeten de lidstaten bij de uitvoering van die onderzoeken rekening houden met de technische richtsnoeren die de Commissie daarvoor heeft vastgesteld. |
|
(3) |
Gebleken is dat de aanwezigheid van het nader omschreven organisme met de hoogste betrouwbaarheid wordt aangetoond wanneer men zich baseert op ten minste twee verschillende tests, die uitgaan van verschillende biologische principes of gericht zijn op verschillende delen van het genoom, zoals is aangegeven in internationale normen. De lijst van die tests moet beschikbaar zijn in een databank van de Commissie, die omwille van de transparantie openbaar moet zijn. Aangezien voor het aantonen van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme buiten de afgebakende gebieden tests met een andere gevoeligheid vereist zijn, moeten er specifieke tests zijn voor de afgebakende gebieden en voor de niet-afgebakende gebieden. |
|
(4) |
Omwille van de transparantie moeten de lidstaten hun nationale noodplannen op internet publiceren. |
|
(5) |
Uit de wetenschappelijke gegevens waarnaar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in haar wetenschappelijk advies uit januari 2015 (4) heeft verwezen, blijkt dat genetische recombinatie mogelijk is tussen verschillende ondersoorten van het nader omschreven organisme die in andere delen van de wereld voorkomen, waardoor nieuwe plantensoorten kunnen worden aangetast waarin nooit eerder een besmetting door de betrokken ondersoorten is aangetroffen. Derhalve is het, om meer van een voorzorgsbenadering uit te gaan en omdat er recente meldingen zijn van verschillende ondersoorten in de Unie, belangrijk te verduidelijken dat wanneer meer dan een ondersoort van het nader omschreven organisme in een gebied is aangetroffen, dat gebied moet worden afgebakend met betrekking tot het nader omschreven organisme en alle mogelijke ondersoorten ervan. Bovendien moet de betrokken lidstaat zolang men nog bezig is met het aantonen van de aanwezigheid van een ondersoort in een gebied, dat gebied bij wijze van voorzorg met betrekking tot het nader omschreven organisme en alle mogelijke ondersoorten ervan afbakenen. |
|
(6) |
De ervaring heeft geleerd dat bij de uitvoering van onderzoeken in de bufferzones de inzet van middelen moet worden geprioriteerd op basis van het fytosanitaire risico. Daarom is het evenredig om te bepalen dat in de bufferzones het onderzochte gebied binnen een zone met een breedte van ten minste 1 km rondom de besmette zone wordt opgedeeld in vierkante terreinen van 100 m × 100 m en in de rest van de bufferzone in vierkante terreinen van 1 km × 1 km. |
|
(7) |
Op basis van de huidige ervaring en overeenkomstig de door de EFSA gerapporteerde wetenschappelijke gegevens verhoogt de onmiddellijke verwijdering van alle waardplanten, ongeacht hun gezondheidstoestand, binnen een straal van 100 m rond de besmette planten de kans dat het nader omschreven organisme met succes wordt uitgeroeid. In vergelijking met inperkingsmaatregelen, waarbij alleen de planten worden verwijderd waarvan bekend is dat zij besmet zijn, en uitsluitend als zij zich in bepaalde delen van het afgebakende gebied bevinden, biedt de verwijdering van alle waardplanten een grotere garantie ten aanzien van asymptomatische besmettingen, en dus ten aanzien van de status van het nader omschreven organisme in het gebied. Bijgevolg is het evenredig om de breedte van de bufferzone rondom de besmette zone voor alle gevallen waarin het afgebakende gebied is ingesteld met het oog op uitroeiing, van 10 km naar 5 km te verkleinen. Die breedte moet echter 10 km blijven voor afgebakende gebieden die zijn ingesteld met het oog op inperking, aangezien vanwege de meer verspreide aanwezigheid van het nader omschreven organisme in die afgebakende gebieden een meer op voorzorg gebaseerde aanpak nodig is. |
|
(8) |
Het is ook evenredig om die bufferzone onder bepaalde voorwaarden, die een garantie bieden dat het nader omschreven organisme zich niet verder verspreidt, dat de besmette planten onmiddellijk worden verwijderd en dat behoorlijk toezicht op de situatie wordt gehouden, tot 1 km te reduceren. Het is eveneens evenredig om toe te staan dat de afgrenzing van een afgebakend gebied twaalf maanden nadat het werd ingesteld wordt opgeheven als een intensief bemonsteringsschema wordt vastgesteld om te controleren of het nader omschreven organisme afwezig is in dat gebied. |
|
(9) |
Om de transparantie en publieksvoorlichting over de maatregelen tegen het nader omschreven organisme te verbeteren, moeten de lidstaten de lijst van afgebakende gebieden op hun grondgebied publiceren en bijwerken en moet de Commissie tevens haar lijst van die gebieden, op grond van de kennisgevingen van de lidstaten, blijven publiceren en bijwerken. |
|
(10) |
De ervaring leert dat het evenredig is om toe te staan dat er geen afgebakend gebied wordt ingesteld als het nader omschreven organisme is aangetroffen op een locatie die bewezen fysiek beschermd is tegen de vectoren van het organisme. Die benadering is evenredig vanwege het geringe risico dat het nader omschreven organisme zich verspreidt en de betere mogelijkheid om het organisme onmiddellijk te vernietigen dankzij de gecontroleerde omgeving waarin het voorkomt. |
|
(11) |
Om de lidstaten meer flexibiliteit te bieden, moeten zij onder bepaalde voorwaarden kunnen toestaan dat in besmette zones waar inperkingsmaatregelen gelden, buiten het 20 km brede gebied dat aan de bufferzone grenst, bepaalde of alle waardplanten worden geplant. Daarbij moeten zij voorrang geven aan planten die behoren tot variëteiten die tolerant of resistent geacht worden voor het nader omschreven organisme, teneinde de hoeveelheid bacterieel entmateriaal in de betrokken gebieden te verminderen. |
|
(12) |
Om de tradities en het erfgoed van een bepaalde plaats te beschermen moeten de lidstaten kunnen beslissen dat waardplanten die officieel zijn aangemerkt als planten met historische waarde, niet hoeven te worden verwijderd als zij niet met het nader omschreven organisme zijn besmet, ook al bevinden zij zich binnen een straal van 100 m rond de planten die zijn getest en waarvan werd vastgesteld dat zij besmet zijn met het nader omschreven organisme. Voor die planten moeten echter bijzondere voorwaarden gelden om te voorkomen dat zij besmet kunnen raken en dat het nader omschreven organisme zich kan verspreiden. |
|
(13) |
Om ervoor te zorgen dat het toezicht op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in de afgebakende gebieden op geschikte momenten wordt uitgevoerd en omwille van de rechtszekerheid moet worden gepreciseerd dat bij het toezicht en de desbetreffende inspecties rekening wordt gehouden met de technische richtsnoeren die de Commissie daarvoor heeft vastgesteld. |
|
(14) |
Omwille van de duidelijkheid en rechtszekerheid is het wenselijk de besmette zones waarin inperkingsmaatregelen kunnen worden genomen, te beperken tot de zones die vermeld zijn in een bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789. |
|
(15) |
Gelet op de ontwikkelingen van het nader omschreven organisme in de Unie en de erkenning van beperkingsgebieden elders in de Unie moet de verwijdering van de planten gelden voor het hele beperkingsgebied waar het nader omschreven organisme blijkens officiële onderzoeken is aangetroffen. Om de rest van het grondgebied van de Unie te beschermen, moeten die officiële onderzoeken ten minste worden uitgevoerd in de nabijheid van productielocaties waar vandaan nader omschreven planten uit de afgebakende gebieden mogen worden verplaatst, in de nabijheid van de locaties van planten met bijzondere culturele, sociale en wetenschappelijke waarde en in gebieden binnen de besmette zone op een afstand van 20 km van de grens van die besmette zone. Dit voorschrift moet echter niet gelden voor eilanden die in hun geheel een beperkingsgebied vormen en meer dan 10 km van het dichtstbijzijnde vasteland van de Unie gelegen zijn, aangezien die eilanden hoe dan ook fysiek geïsoleerd zijn. |
|
(16) |
Vanwege het geringe fytosanitaire risico dat de EFSA in maart 2016 heeft vastgesteld (5) is het opportuun om toe te staan dat nader omschreven planten die behoren tot variëteiten waarvan bewezen is dat zij niet vatbaar zijn voor een of meer ondersoorten van het nader omschreven organisme, uit de afgebakende gebieden worden verplaatst zonder dat daarvoor een plantenpaspoort is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (6). |
|
(17) |
Op grond van het dispersievermogen van de vectorinsecten is het opportuun en evenrediger om toe te staan dat nader omschreven planten worden verplaatst uit productielocaties die worden omgeven door een zone met een breedte van 100 meter waarin twee keer per jaar inspecties zijn verricht en waaruit alle planten waarvan werd vastgesteld dat zij symptomen hadden of besmet waren met het nader omschreven organisme, onmiddellijk zijn verwijderd. Omwille van de consistentie moet eenzelfde voorschrift gelden voor productielocaties in derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt. |
|
(18) |
De ervaring heeft uitgewezen dat de productielocaties waar waardplanten buiten de afgebakende gebieden worden geteeld, jaarlijks worden onderworpen aan inspecties en, indien er symptomen worden gevonden, worden bemonsterd en getest om een hogere betrouwbaarheid te waarborgen met betrekking tot de afwezigheid van het nader omschreven organisme. Daarom, en om te zorgen voor een geharmoniseerd beschermingsniveau in de Unie, moeten desbetreffende voorschriften voor die locaties worden vastgesteld. |
|
(19) |
Gebleken is dat de soorten Coffea, Lavandula dentata L., Nerium oleander L., Olea europaea L., Polygala myrtifolia L., en Prunus dulcis (Mill.) D.A. Webb terugkerend besmet kunnen raken met het nader omschreven organisme en een gemakkelijke voedingsbodem bieden voor de verspreiding van de ziekte in de Unie. Hoewel de naspeuringen nog lopen om de besmettingsbron van de in de Unie op basis van de voorzorgsmaatregelen aangetroffen besmette planten te bevestigen, moeten die nader omschreven planten alleen worden geteeld op locaties waar jaarlijkse officiële inspecties, bemonsteringen en tests worden uitgevoerd om te bevestigen dat het nader omschreven organisme er niet aanwezig is. Vanwege de grotere gevoeligheid van die planten voor het nader omschreven organisme moet de aanwezigheid van dat organisme worden vastgesteld op basis van ten minste twee positieve tests, waaronder ten minste één moleculaire test, die opgenomen zijn in de desbetreffende databank van de Commissie. |
|
(20) |
Eenzelfde voorschrift moet gelden voor derde landen waarvan nog niet bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt. Tevens moeten professionele marktdeelnemers die deze planten binnen de Unie verplaatsen, de gegevens daarvan gedurende ten minste drie jaar bewaren om de traceerbaarheid te waarborgen en zo nodig officiële follow-upinspecties te kunnen uitvoeren. |
|
(21) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 zijn strikte bepalingen vastgesteld voor de verplaatsing binnen de Unie van bepaalde plantensoorten („waardplanten”) waarvan is vastgesteld dat zij besmet zijn door de Europese isolaten van het nader omschreven organisme. Die strikte voorwaarden gelden ook voor waardplanten die nooit binnen een afgebakend gebied zijn geteeld. |
|
(22) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/167 van de Commissie (7) is echter ook tijdelijke toestemming aan België, Tsjechië, Frankrijk en Spanje verleend voor de certificering van in het veld onder niet-insectenvrije omstandigheden geproduceerde prebasismoederplanten en prebasismateriaal van de in bijlage I bij Richtlijn 2008/90/EG van de Raad (8) bedoelde specifieke soorten fruitgewassen. Van verscheidene van die soorten, namelijk Juglans regia L., Olea europaea L., Prunus amygdalus Batsch, P. amygdalus × P. persica, P. armeniaca L., P. avium (L.) L., P. cerasus L., P. domestica L., P. domestica × P. salicina, P. dulcis (Mill.) D.A. Webb, P. persica (L.) Batsch, en P. salicina Lindley, is bekend dat zij vatbaar zijn voor de Europese en niet-Europese isolaten van het nader omschreven organisme en zij zijn als „nader omschreven planten” opgenomen in bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789. |
|
(23) |
Gezien de nieuwe dreiging van het nader omschreven organisme voor het grondgebied van de Unie moet de toestemming voor de certificering van die prebasismoederplanten en dat prebasismateriaal, die een afwijking vormt op de insectvrije teeltomstandigheden, worden aangevuld met alternatieve fytosanitaire garanties, die ook moeten gelden als de planten zich niet bevinden in een gebied dat ingevolge Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 is afgebakend. |
|
(24) |
Daarom moeten de prebasismoederplanten en het prebasismateriaal waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/167 van toepassing is, bij verplaatsing binnen het grondgebied van de Unie vergezeld gaan van een plantenpaspoort. Aldus wordt gewaarborgd dat die prebasismoederplanten en dat prebasismateriaal, alsook al het geproduceerde teeltmateriaal en alle geproduceerde fruitgewassen, vrij zijn het nader omschreven organisme. De betrokken prebasismoederplanten en het betrokken prebasismateriaal moeten bovendien visueel geïnspecteerd, bemonsterd en moleculair getest worden om te waarborgen dat het nader omschreven organisme afwezig is, terwijl de gezondheidstoestand van die planten en dat materiaal tijdens het vermeerderingsproces wordt behouden. |
|
(25) |
Ten slotte moeten alle plantensoorten die sinds de laatste wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 door de Commissie als „nader omschreven planten” zijn aangemerkt, worden opgenomen in bijlage I bij dat besluit. |
|
(26) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(27) |
Om professionele marktdeelnemers en verantwoordelijke officiële instanties de gelegenheid te geven zich aan te passen aan de nieuwe voorschriften betreffende het verkeer van voor opplant bestemde planten van de soorten Coffea, Lavandula dentata L., Nerium oleander L., Olea europaea L., Polygala myrtifolia L., en Prunus dulcis (Mill.) D.A. Webb, met uitzondering van zaden, moet de desbetreffende bepaling vanaf 1 maart 2018 van toepassing zijn. |
|
(28) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 3 wordt vervangen door: „Artikel 3 Onderzoeken met betrekking tot het nader omschreven organisme op het grondgebied van de lidstaten en aantoning ervan 1. De lidstaten voeren op hun grondgebied jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op de nader omschreven planten. Die onderzoeken worden uitgevoerd door de verantwoordelijke officiële instantie, of onder officieel toezicht van de verantwoordelijke officiële instantie. Zij bestaan uit een visueel onderzoek, en indien het vermoeden bestaat dat er sprake is van besmetting met het nader omschreven organisme, bemonstering en tests. De onderzoeken zijn gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en technische beginselen en worden uitgevoerd op geschikte momenten van het jaar om het nader omschreven organisme op te kunnen sporen door middel van visuele inspectie, bemonstering en tests. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, de biologie van het nader omschreven organisme en de vectoren ervan, de aanwezigheid en de biologie van de nader omschreven planten, en alle andere passende informatie met betrekking tot de aanwezigheid van het nader omschreven organisme. Er wordt ook rekening gehouden met de technische richtsnoeren voor onderzoeken betreffende Xylella fastidiosa die op de website van de Commissie beschikbaar zijn (*1). 2. In niet-afgebakende gebieden wordt een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme gedaan door één moleculaire test uit te voeren; als daarmee positieve resultaten worden verkregen, wordt de aanwezigheid van het organisme, overeenkomstig internationale normen, aangetoond met ten minste nog één positieve moleculaire test. Die tests moeten zijn opgenomen in de databank van de Commissie met tests voor de aantoning van het nader omschreven organisme en de ondersoorten ervan, en gericht zijn op verschillende delen van het genoom. In de afgebakende gebieden wordt een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme gedaan door één test uit te voeren; als daarmee positieve resultaten worden verkregen, wordt de aanwezigheid van het organisme, overeenkomstig internationale normen, aangetoond met ten minste één positieve moleculaire test. Die tests moeten zijn opgenomen in de databank van de Commissie met tests voor de aantoning van het nader omschreven organisme en de ondersoorten ervan. 3. De in lid 2 bedoelde databank wordt door de Commissie beheerd en bijgewerkt en openbaar toegankelijk gemaakt. De in de databank opgenomen tests worden aan de hand van de geschiktheid voor het aantonen van het nader omschreven organisme en de ondersoorten ervan in afgebakende gebieden en in niet-afgebakende gebieden, ingedeeld in twee categorieën. (*1) „Guidelines for the survey of Xylella fastidiosa (Wells et al.) in the Union territory” http://ec.europa.eu/food/sites/food/files/plant/docs/ph_biosec_legis_guidelines_xylella-survey.pdf”." |
|
2) |
In artikel 3 bis wordt lid 4 vervangen door: „4. De lidstaten delen hun noodplannen op verzoek aan de Commissie mee en informeren alle betrokken professionele marktdeelnemers door publicatie op internet.”. |
|
3) |
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In artikel 5 wordt lid 2 vervangen door: „2. In afwijking van lid 1 mag de betrokken lidstaat toestemming verlenen voor het planten van waardplanten in de in bijlage II vermelde besmette zones waar ingevolge artikel 7 inperkingsmaatregelen worden genomen, behalve in het in artikel 7, lid 7, onder c), bedoelde gebied van 20 km. Bij de verlening van toestemming geeft de betrokken lidstaat voorrang aan waardplanten die behoren tot variëteiten die resistent of tolerant geacht worden voor het nader omschreven organisme.”. |
|
5) |
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
Aan artikel 16 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd: „Voor opplant bestemde planten van de soorten Coffea, Lavandula dentata L., Nerium oleander L., Olea europaea L., Polygala myrtifolia L. en Prunus dulcis (Mill.) D.A. Webb, met uitzondering van zaden, mogen alleen in de Unie worden binnengebracht indien zij zijn geteeld op een locatie die onderworpen is aan jaarlijkse officiële inspectie, waarbij de planten op geschikte momenten overeenkomstig internationale normen zijn bemonsterd en getest op aanwezigheid van het nader omschreven organisme en is bevestigd dat het nader omschreven organisme niet aanwezig is, volgens een bemonsteringsschema waarmee met een betrouwbaarheid van 99 % een aanwezigheid van besmette planten van 5 % kan worden aangetoond, dat gericht is op planten die symptomen vertonen, alsook op planten die geen symptomen vertonen maar zich in de nabijheid bevinden van planten met symptomen.”. |
|
10) |
In artikel 17, lid 4, worden de punten c), d) en e) vervangen door:
|
|
11) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit. |
|
12) |
Bijlage II wordt vervangen door bijlage II bij dit besluit. |
|
13) |
Bijlage III wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage III bij dit besluit. |
Artikel 2
Uitgestelde toepassing
Artikel 1, lid 7, punt c), betreffende artikel 9, lid 8, tweede alinea, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 is van toepassing vanaf 1 maart 2018.
Artikel 3
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 14 december 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/764 van de Commissie van 12 mei 2016 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Xylella fastidiosa (Wells et al.) te voorkomen (PB L 126 van 14.5.2016, blz. 77).
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 van de Commissie van 18 mei 2015 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Xylella fastidiosa (Wells et al.) te voorkomen (PB L 125 van 21.5.2015, blz. 36).
(4) EFSA Journal 2015;13(1):3989, 262 pp., doi:10.2903/j.efsa.2015.3989.
(5) EFSA Journal 2016; 14(10):4601, 19 pp. doi:10.2903/j.efsa.2016.4601.
(6) Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie van 3 december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan (PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22).
(7) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/167 van de Commissie van 30 januari 2017 tot verlening van tijdelijke toestemming aan België, Tsjechië, Frankrijk en Spanje voor de certificering van in het veld onder niet-insectenvrije omstandigheden geproduceerde prebasismoederplanten en prebasismateriaal van de in bijlage I bij Richtlijn 2008/90/EG van de Raad bedoelde specifieke soorten fruitgewassen (PB L 27 van 1.2.2017, blz. 143).
(8) Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/789 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De volgende vermeldingen worden in alfabetische volgorde ingevoegd:
|
|
2) |
De volgende vermeldingen worden geschrapt:
|
BIJLAGE II
„BIJLAGE II
Besmette zones, bedoeld in artikel 4, lid 2, die beperkingsgebieden in de zin van artikel 7, lid 1, zijn
DEEL A
Besmette zone in Italië
De besmette zone in Italië omvat de volgende gebieden:
|
1. |
De provincie Lecce |
|
2. |
Gemeenten in de provincie Brindisi:
|
|
3. |
Gemeenten in de provincie Taranto:
|
DEEL B
Besmette zone in Frankrijk
De besmette zone in Frankrijk omvat het volgende gebied:
Regio Corsica
DEEL C
Besmette zone in Spanje
De besmette zone in Spanje omvat het volgende gebied:
Autonome gemeenschap van de Balearen
BIJLAGE III
„BIJLAGE III
Variëteiten van nader omschreven planten die niet vatbaar zijn voor de betrokken stam van de ondersoort van het nader omschreven organisme, bedoeld in artikel 9, lid 1, eerste alinea, onder b)
|
Variëteit |
Soort van de variëteit |
Ondersoort van het nader omschreven organisme |
|
Cabernet Sauvignon |
Vitis vinifera L. |
Xylella fastidiosa subsp. pauca ST 53 |
|
Negroamaro |
Vitis vinifera L. |
Xylella fastidiosa subsp. pauca ST53 |
|
Primitivo |
Vitis vinifera L. |
Xylella fastidiosa subsp. pauca ST 53 |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/45 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2353 VAN DE COMMISSIE
van 14 december 2017
tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van olie uit Calanus finmarchicus als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 8426)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (1), en met name artikel 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 31 januari 2011 heeft de Noorse onderneming Calanus AS bij de bevoegde instantie van het Verenigd Koninkrijk een verzoek ingediend om olie uit het schaaldier (zeezoöplankton) Calanus finmarchicus, gevangen in de Noorse exclusieve economische zone en de Jan Mayen-zone, als nieuw voedselingrediënt in de zin van artikel 1, lid 2, onder e), van Verordening (EG) nr. 258/97 in de Unie in de handel te brengen. |
|
(2) |
Op 21 oktober 2016 heeft de bevoegde instantie van het Verenigd Koninkrijk haar verslag van de eerste beoordeling uitgebracht. In dat verslag werd geconcludeerd dat olie uit Calanus finmarchicus voldoet aan de criteria voor nieuwe voedselingrediënten van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 258/97. |
|
(3) |
Op 8 november 2016 heeft de Commissie het verslag van de eerste beoordeling doorgestuurd naar de overige lidstaten. |
|
(4) |
Verschillende lidstaten hebben binnen de in artikel 6, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 258/97 vastgestelde termijn van zestig dagen een met redenen omkleed bezwaar ingediend, met name met betrekking tot ontoereikende informatie inzake productieproces, stabiliteit bij opslag en toxicologische gegevens. De nadere toelichtingen van de aanvrager hebben deze bezwaren tot tevredenheid van de lidstaten en de Commissie weggenomen. |
|
(5) |
Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) bevat voorschriften voor voedingssupplementen. Het gebruik van olie uit Calanus finmarchicus moet worden toegestaan onverminderd de bepalingen van die richtlijn. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onverminderd Richtlijn 2002/46/EG mag olie uit Calanus finmarchicus, zoals gespecificeerd in bijlage I bij dit besluit, in de Unie als nieuw voedselingrediënt in de handel worden gebracht voor gebruik in voedingssupplementen overeenkomstig de maximumgehalten zoals vastgesteld in bijlage II bij dit besluit.
Artikel 2
Olie uit Calanus finmarchicus zoals goedgekeurd bij dit besluit, wordt bij de etikettering van levensmiddelen aangeduid als „olie uit Calanus finmarchicus (schaaldier)”.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot Calanus AS, Stakkevollv. 65, P.O. Box 2489, 9272 Tromsø, Noorwegen.
Gedaan te Brussel, 14 december 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.
(2) Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51).
BIJLAGE I
SPECIFICATIES VOOR OLIE UIT CALANUS FINMARCHICUS
Beschrijving: Het nieuwe voedingsingrediënt is een robijnrode, licht viskeuze olie met een lichte schelpdiergeur, gewonnen uit het schaaldier (zeezoöplankton) Calanus finmarchicus. Het ingrediënt bestaat voornamelijk uit wasesters (> 85 %) met geringe hoeveelheden triglyceriden en andere neutrale lipiden.
Specificaties
|
Parameter |
Waarden van de specificaties |
|
Water |
< 1 % |
|
Wasesters |
> 85 % |
|
Vetzuren totaal |
> 46 % |
|
Eicosapentaeenzuur (EPA) |
> 3 % |
|
Docosahexaeenzuur (DHA) |
> 4 % |
|
Vetalcoholen totaal |
> 28 % |
|
C20:1(n-9)-vetalcohol |
> 9 % |
|
C22:1(n-11)-vetalcohol |
> 12 % |
|
Transvetzuren |
< 1 % |
|
Astaxanthine-esters |
< 0,1 % |
|
Peroxidegetal |
< 3 meq. O2/kg |
BIJLAGE II
TOEGESTAAN GEBRUIK VAN OLIE UIT CALANUS FINMARCHICUS
|
Levensmiddelencategorie |
Maximumgehalte |
|
Voedingssupplementen als omschreven in Richtlijn 2002/46/EG |
2,3 g/dag |
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/49 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2354 VAN DE COMMISSIE
van 14 december 2017
tot verlening van een vergunning voor uitbreiding van het gebruik van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 8470)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (1), en met name artikel 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 2009/827/EG van de Commissie (2) is krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 een vergunning verleend voor het in de handel brengen van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt voor gebruik in broodproducten. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2013/50/EU van de Commissie (3) is krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 een vergunning verleend voor uitbreiding van het gebruik van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt tot meer levensmiddelencategorieën, te weten gebakken producten; ontbijtgranen; mengsels van vruchten, noten en zaden, en voorverpakt chiazaad als zodanig. |
|
(3) |
Op 18 september 2015 heeft de Ierse autoriteit voor voedselveiligheid (Food Safety Authority of Ireland) krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 bij brief een vergunning verleend om het gebruik van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt tot meer levensmiddelencategorieën uit te breiden, te weten tot vruchtensap en mengsels van vruchtensap. |
|
(4) |
Op 5 september 2016 heeft de onderneming MEGGLE Hrvatska d.o.o. bij de bevoegde autoriteit van Kroatië een verzoek ingediend om het gebruik van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt tot meer levensmiddelencategorieën uit te breiden, te weten tot yoghurt. |
|
(5) |
Op 11 januari 2017 heeft de bevoegde Kroatische instantie haar verslag van de eerste beoordeling uitgebracht. In dat verslag kwam zij tot de conclusie dat de uitbreiding van het gebruik en de voorgestelde maximale gebruiksconcentraties van chiazaad (Salvia hispanica) voldoen aan de criteria voor nieuwe voedselingrediënten van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 258/97. |
|
(6) |
Op 16 januari 2017 heeft de Commissie het verslag van de eerste beoordeling doorgestuurd naar de overige lidstaten. |
|
(7) |
Verschillende lidstaten hebben binnen de in artikel 6, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 258/97 vastgestelde termijn van zestig dagen een met redenen omkleed bezwaar ingediend, met name wegens ontoereikende informatie. Nadere toelichtingen door de aanvrager hebben de bezwaren tot tevredenheid van de lidstaten en de Commissie weggenomen. |
|
(8) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Chiazaad (Salvia hispanica), zoals gespecificeerd in de bijlage bij dit besluit, mag in de Unie in de handel worden gebracht als nieuw voedselingrediënt voor gebruik in yoghurt met het maximumgehalte van 1,3 gram integraal chiazaad per 100 gram yoghurt of 4,3 gram integraal chiazaad per 330 gram yoghurt (portie).
Artikel 2
Chiazaad (Salvia hispanica) zoals toegelaten bij dit besluit, wordt bij de etikettering van levensmiddelen aangeduid als „chiazaad (Salvia hispanica)”.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot MEGGLE Hrvatska d.o.o., Zeleno polje 34, 31 000 Osijek, Kroatië.
Gedaan te Brussel, 14 december 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.
(2) Beschikking 2009/827/EG van de Commissie van 13 oktober 2009 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 294 van 11.11.2009, blz. 14).
(3) Uitvoeringsbesluit 2013/50/EU van de Commissie van 22 januari 2013 tot verlening van een vergunning voor uitbreiding van het gebruik van chiazaad (Salvia hispanica) als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 21 van 24.1.2013, blz. 34).
BIJLAGE
SPECIFICATIES VOOR CHIAZAAD (SALVIA HISPANICA)
Beschrijving
Chia (Salvia hispanica) is een eenjarige kruidachtige zomerplant van de lipbloemenfamilie (Labiatae). Na het oogsten worden de zaden mechanisch schoongemaakt. Bloemen, bladeren en andere delen van de plant worden verwijderd.
Specificaties voor chiazaad (Salvia hispanica)
|
Droge stof |
91-96 % |
|
Eiwit |
19-25,6 % |
|
Vet |
28-34 % |
|
Koolhydraten (1) |
24,6-41,5 % |
|
Ruwe celstof (2) |
20-32 % |
|
As |
4-6 % |
(1) Koolhydraten omvatten ook het vezelbestanddeel (EU: koolhydraten zijn beschikbare koolhydraten = suiker + zetmeel)
(2) Ruwe celstof bestaat hoofdzakelijk uit onverteerbare celstof, pentosanen en lignine.
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/52 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2355 VAN DE COMMISSIE
van 14 december 2017
tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van uv-behandelde champignons als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 8474)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (1), en met name artikel 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 10 juni 2016 heeft de onderneming Ekoidé AB bij de bevoegde Zweedse instantie een verzoek ingediend om uv-behandelde champignons (Agaricus bisporus) met een verhoogd gehalte vitamine D2 als nieuw voedselingrediënt in de zin van artikel 1, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 258/97 in de Unie in de handel te brengen. |
|
(2) |
Op 27 februari 2017 heeft de bevoegde Zweedse instantie haar verslag van de eerste beoordeling uitgebracht. In dat verslag werd geconcludeerd dat uv-behandelde champignons (Agaricus bisporus) met een verhoogd gehalte vitamine D2 voldoen aan de criteria voor nieuwe voedingsmiddelen van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 258/97. |
|
(3) |
Op 2 maart 2017 heeft de Commissie het verslag van de eerste beoordeling doorgestuurd naar de overige lidstaten. |
|
(4) |
Verschillende lidstaten hebben binnen de in artikel 6, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 258/97 vastgestelde termijn van zestig dagen een met redenen omkleed bezwaar ingediend. Nadere toelichtingen door de aanvrager hebben die bezwaren tot tevredenheid van de lidstaten en de Commissie weggenomen. |
|
(5) |
In bijlage VI, deel A, punt 1, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) is bepaald dat de benaming van het levensmiddel vermeldingen inzake de specifieke behandeling die het heeft ondergaan, omvat of ervan vergezeld gaat, in alle gevallen waarin het weglaten van deze informatie de koper zou kunnen misleiden. Aangezien kopers normaliter niet verwachten dat champignons uv-behandeld zijn, moet de benaming van het levensmiddel dergelijke informatie omvatten of ervan vergezeld gaan om te voorkomen dat kopers worden misleid. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Champignons (Agaricus bisporus) die uv-behandeld zijn om het gehalte vitamine D2 te verhogen zoals omschreven in de bijlage bij dit besluit, mogen in de Unie in de handel worden gebracht als nieuw voedingsmiddel.
Artikel 2
Champignons (Agaricus bisporus) die uv-behandeld zijn om het gehalte vitamine D2 te verhogen, zoals goedgekeurd bij dit besluit, worden aangeduid als „uv-behandelde champignons (Agaricus bisporus)”.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot Ekoidé AB, Vårbruksgatan 67, 583 32 Linköping, Zweden.
Gedaan te Brussel, 14 december 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18).
BIJLAGE
SPECIFICATIES VOOR UV-BEHANDELDE CHAMPIGNONS (AGARICUS BISPORUS) MET EEN VERHOOGD GEHALTE VITAMINE D2
Beschrijving/definitie:
Commercieel geteelde Agaricus bisporus waarbij uv-lichtbehandeling is toegepast op geoogste champignons waardoor deze ≤ 10 μg vitamine D2 per 100 g versgewicht bevatten.
Uv B-straling: een procedé van bestraling met ultraviolet licht binnen de golflengte van 290-320 nm.
Vitamine D2:
|
Chemische naam |
(3β,5Z,7E,22E)-9,10-secoërgosta-5,7,10(19),22-tetraeen-3-ol |
|
Synoniem |
Ergocalciferol |
|
CAS-nr. |
50-14-6 |
|
Molecuulmassa |
396,65 g/mol |
Gehalte:
Vitamine D2 in het eindproduct: 5-10 μg/100 g versgewicht bij het verstrijken van de houdbaarheidsdatum.
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/55 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/2356 VAN DE COMMISSIE
van 15 december 2017
inzake de erkenning van het verslag van Australië over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen overeenkomstig Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (1), en met name artikel 19, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 22 augustus 2016 heeft Australië een verslag ingediend met daarin de resultaten van de berekeningen van de broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad in Australië. In Australië zijn de staten de statistische regio's die het dichtst aansluiten bij de omschrijving van NUTS2-regio's. Derhalve werden de broeikasgasemissies op het niveau van de Australische staten geraamd. |
|
(2) |
De Commissie heeft het door Australië ingediende verslag bestudeerd en is van mening dat het voldoet aan de in Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde voorwaarden om een derde land te machtigen gebruik te maken van typische waarden voor een kleiner geografisch gebied (Australische staten) dan die welke gebruikt worden bij de berekening van de standaardwaarden: de gegevens in dit verslag hebben betrekking op emissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen (canolazaad), de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad zijn naar verwachting lager dan of gelijk aan de emissies waarvan is uitgegaan bij de berekening van de relevante standaardwaarden, en deze typische broeikasgasemissies zijn gemeld aan de Commissie. |
|
(3) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Commissie is van mening dat het verslag, waarvoor Australië op 22 augustus 2016 een verzoek tot erkenning heeft ingediend, accurate gegevens bevat voor de toepassing van artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG voor het meten van de broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad dat wordt geproduceerd in de Australische staten die gelijkwaardig zijn aan NUTS2-regio's. Een samenvatting van de gegevens in het verslag is opgenomen in de bijlage.
Artikel 2
Dit besluit is vijf jaar geldig. Indien de inhoud of de omstandigheden van het verslag, zoals dat op 22 augustus 2016 bij de Commissie is ingediend voor erkenning, wijzigingen ondergaan die gevolgen kunnen hebben voor de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de in artikel 1 bedoelde erkenning, worden dergelijke wijzigingen onverwijld aan de Commissie gemeld. De Commissie beoordeelt vervolgens de gemelde wijzigingen om na te gaan of het verslag nog steeds accurate gegevens bevat.
Artikel 3
De Commissie kan dit besluit intrekken als duidelijk wordt aangetoond dat het verslag geen accurate gegevens meer bevat voor het meten van broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad dat wordt geproduceerd in Australië.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 15 december 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
BIJLAGE
Broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad in de staten van Australië (ton CO2-eq/ton canolazaad op basis van de droge stof)
|
Staat |
N2O bodem |
Gewasresten |
Productie |
Brandstofverbruik |
Kalk |
Zaad |
Totaal |
||
|
Direct |
Indirect |
Meststof |
Pesticide |
||||||
|
New South Wales (droog gebied) |
0,046 |
0,005 |
0,115 |
0,195 |
0,023 |
0,079 |
0,035 |
0,001 |
0,500 |
|
New South Wales (geïrrigeerd) |
0,276 |
0,123 |
0,115 |
0,275 |
0,006 |
0,096 |
0,053 |
0,001 |
0,944 |
|
New South Wales |
0,051 |
0,008 |
0,115 |
0,197 |
0,023 |
0,079 |
0,036 |
0,001 |
0,509 |
|
Victoria (droog gebied) |
0,026 |
0,005 |
0,113 |
0,192 |
0,020 |
0,078 |
0,035 |
0,001 |
0,470 |
|
Victoria (geïrrigeerd) |
0,271 |
0,121 |
0,113 |
0,268 |
0,005 |
0,091 |
0,052 |
0,001 |
0,922 |
|
Victoria |
0,030 |
0,007 |
0,113 |
0,193 |
0,019 |
0,078 |
0,035 |
0,001 |
0,476 |
|
Queensland |
0,076 |
0,008 |
0,118 |
0,188 |
0,006 |
0,351 |
0,034 |
0,003 |
0,784 |
|
South Australia |
0,013 |
0,002 |
0,113 |
0,184 |
0,013 |
0,080 |
0,034 |
0,001 |
0,439 |
|
Western Australia |
0,013 |
0,002 |
0,112 |
0,237 |
0,032 |
0,079 |
0,034 |
0,002 |
0,511 |
|
Tasmanië |
0,270 |
0,121 |
0,107 |
0,265 |
0,012 |
0,138 |
0,052 |
0,002 |
0,967 |
Broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van canolazaad in de staten van Australië (g CO2-eq/MJ FAME)
|
Staat |
N2O bodem |
Gewasresten |
Productie |
Brandstofverbruik |
Kalk |
Zaad |
Totaal |
||
|
Direct |
Indirect |
Meststof |
Pesticide |
||||||
|
New South Wales (droog gebied) |
1,766 |
0,192 |
4,414 |
7,485 |
0,883 |
3,032 |
1,343 |
0,038 |
19 |
|
New South Wales (geïrrigeerd) |
10,594 |
4,721 |
4,414 |
10,555 |
0,230 |
3,685 |
2,034 |
0,038 |
36 |
|
New South Wales |
1,958 |
0,307 |
4,414 |
7,561 |
0,883 |
3,032 |
1,382 |
0,038 |
20 |
|
Victoria (droog gebied) |
0,998 |
0,192 |
4,337 |
7,370 |
0,768 |
2,994 |
1,343 |
0,038 |
18 |
|
Victoria (geïrrigeerd) |
10,402 |
4,644 |
4,337 |
10,287 |
0,192 |
3,493 |
1,996 |
0,038 |
35 |
|
Victoria |
1,151 |
0,269 |
4,337 |
7,408 |
0,729 |
2,994 |
1,343 |
0,038 |
18 |
|
Queensland |
2,917 |
0,307 |
4,529 |
7,216 |
0,230 |
13,472 |
1,305 |
0,115 |
30 |
|
South Australia |
0,499 |
0,077 |
4,337 |
7,062 |
0,499 |
3,071 |
1,305 |
0,038 |
17 |
|
Western Australia |
0,499 |
0,077 |
4,299 |
9,097 |
1,228 |
3,032 |
1,305 |
0,077 |
20 |
|
Tasmanië |
10,363 |
4,644 |
4,107 |
10,171 |
0,461 |
5,297 |
1,996 |
0,077 |
37 |
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/58 |
BESLUIT Nr. 1/2017 VAN HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS
van 8 december 2017
betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 68 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst [2017/2357]
HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS,
Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), en met name artikel 100, in samenhang met de artikelen 15, lid 4, en 16, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 68 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (de „ACS-EU-partnerschapsovereenkomst”) dient een aanvullend steunmechanisme te worden opgezet om de negatieve kortetermijneffecten van exogene schokken voor de economieën van de ACS-staten te reduceren. In artikel 68, lid 4, wordt bepaald dat de specifieke procedures van het steunmechanisme in bijlage II bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst worden beschreven. |
|
(2) |
Het mechanisme zoals het momenteel in bijlage II bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst is vastgesteld, dient te worden aangepast aan de behoeften van de partijen met het oog op flexibele en snelle steunverlening. |
|
(3) |
Op grond van artikel 100 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst kunnen de bijlagen I bis, II, III, IV en VI bij de overeenkomst door de ACS-EU-Raad van ministers worden herzien en/of gewijzigd op basis van een aanbeveling van het ACS-EU-comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering. |
|
(4) |
Op grond van artikel 15, lid 4, van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst kan de Raad van ministers bevoegdheden delegeren aan het Comité van ambassadeurs. |
|
(5) |
Op grond van artikel 16, lid 2, van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst voert het Comité van ambassadeurs alle opdrachten uit waarmee het door de Raad van ministers wordt belast. |
|
(6) |
De ACS-EU-Raad van ministers heeft op 5 mei 2017 het Comité van ambassadeurs opgedragen een besluit vast te stellen betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 68 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst wat betreft exogene schokken, alsmede tot wijziging van hoofdstuk 3 van bijlage II. |
|
(7) |
Er dient een besluit betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 68 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst te worden vastgesteld, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de in artikel 68 van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst bedoelde financiële steun aan de ACS-staten die te kampen hebben met macro-economische instabiliteit ten gevolge van exogene schokken, zijn de bepalingen van het onderhavige besluit van toepassing.
Artikel 2
1. Extra financiële steun kan worden geput uit de reserve voor onvoorziene behoeften van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds om de negatieve korte-termijneffecten van exogene schokken, waaronder de gevolgen voor de exportopbrengsten, te reduceren, alsmede de sociaal-economische hervormingen en beleid op gebieden die die door de terugval van de opbrengsten gevaar lopen, veilig te stellen.
2. ACS-staten die door exogene schokken worden getroffen, richten hun verzoek om financiële steun in dit verband tot de Europese Commissie. Een dergelijk verzoek wordt geval per geval via een behoeftenanalyse onderzocht binnen het meerjarige financiële kader voor samenwerking waarin de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst voorziet.
3. Het beheer en de uitvoering van de steun geschieden volgens procedures waarmee snel, soepel, en doeltreffend kan worden opgetreden. De Europese Commissie brengt regelmatig verslag uit aan het ACS-EU-comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.
Artikel 3
De partijen bij de overeenkomst, de Europese Commissie en het ACS-secretariaat worden op de hoogte gesteld van de in artikel 68 bedoelde praktische procedures voor de tenuitvoerlegging van de steun.
Artikel 4
Hoofdstuk 3 van bijlage II bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst wordt toegepast overeenkomstig dit besluit.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 8 december 2017.
Voor het ACS-EU-comité van ambassadeurs
De voorzitter
K. TAEL
Rectificaties
|
16.12.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 336/60 |
Rectificatie van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen
( Publicatieblad van de Europese Unie L 60 van 2 maart 2013 )
Bladzijde 9, artikel 3, punt 49, onder b):
in plaats van:
|
„b) |
voor trekkers of uitwisselbare getrokken uitrustingsstukken: …”, |
lezen:
|
„b) |
voor aanhangwagens of uitwisselbare getrokken uitrustingsstukken: …”. |